diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:54:47 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:54:47 -0700 |
| commit | 8f869250b1f44d0f1b5ed6d808e82bafda54329f (patch) | |
| tree | 643d3d16fc5f2f8585d60b3e24c8cbd2a12bad9a | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 19054-8.txt | 24568 | ||||
| -rw-r--r-- | 19054-8.zip | bin | 0 -> 393304 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
5 files changed, 24584 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/19054-8.txt b/19054-8.txt new file mode 100644 index 0000000..1896af9 --- /dev/null +++ b/19054-8.txt @@ -0,0 +1,24568 @@ +The Project Gutenberg EBook of Alleen op de Wereld, by Hector Malot + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Alleen op de Wereld + +Author: Hector Malot + +Translator: Gerard Keller + +Release Date: August 15, 2006 [EBook #19054] +[Last updated: January 13, 2012] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALLEEN OP DE WERELD *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + Hector Malot + + Alleen op de Wereld + + Door + Gerard Keller + + Derde druk + + Rotterdam + D. Bolle + + + + + + + + + +VOORREDE. + + +Zelden, misschien nooit, las ik een boek, dat zoo rein en eenvoudig +en toch zoo boeiend en vol afwisseling is, als dit meesterstuk van +Hector Malot, door den schrijver aan zijne dochter Lucie opgedragen +en zoo terecht met den _Montyon-prijs_ bekroond. + +"Alleen op de wereld" is rijk aan afwisselende gebeurtenissen, maar +niet minder rijk aan gevoelvolle en ook spannende tafereelen. Het ademt +evenveel menschenkennis als menschenliefde, en zonder dat de schrijver +zich tot hoofddoel gesteld heeft de jeugdige lezers te onderwijzen, +zullen deze er toch hunne kennis door vermeerderen. + +Maar meer nog dan hun hoofd zal hun hart door de lezing winnen. Voor +de vorming daarvan vooral verdient dit zeldzaam voortreffelijke boek +algemeen gelezen te worden. + + + Gerard Keller. + + + + +I. + +IN HET DORP. + + +Ik ben een vondeling. + +Maar tot mijn achtste jaar geloofde ik, evenals alle andere kinderen, +ook eene moeder te hebben, want als ik weende, was er eene vrouw die +mij in hare armen nam en mij tegen haar boezem drukte totdat mijne +tranen ophielden te vloeien. + +Nooit werd ik in mijn bedje gelegd of eene vrouw gaf mij een kus, en +als de Decemberwind de sneeuwvlokken tegen de bevroren ruiten joeg, +nam zij mijne voetjes in hare beide handen om ze te verwarmen en zij +zong dan een liedje, waarvan de wijs en ook eenige woorden nog niet +uit mijn geheugen zijn gewischt. + +Als ik onze koe hoedde op het gras langs de wegen of onder de boomen +en door een stortregen overvallen werd, dan kwam ze mij tegemoet en +dwong me een schuilplaats op in haar wollen rok, dien zij optilde om +er mijn hoofd en schouders mede te bedekken. + +Als ik twist had met een van mijn makkers, liet ze mij mijn hart +lucht geven en altijd wist ze mij te troosten en met een enkel woord +mij gelijk te geven. + +Op grond van dit alles en om andere redenen, ook om de manier, +waarop zij met mij sprak en mij aankeek om hare liefkoozingen en om +de zachtheid, waarmede zij mij beknorde, geloofde ik dat zij mijne +moeder was. + +Opeens echter kwam ik te weten dat zij slechts mijne min was. Zie +hier hoe. + +Mijn dorp, of juister gezegd het dorp waar ik werd opgevoed--want van +_mijn_ dorp kan ik niet spreken: een geboorteplaats heb ik zoo min als +een vader of moeder--het dorp, waarin ik mijne eerste jeugd doorbracht, +heet Chavanon; 't is een van de armste uit het zuiden van Frankrijk. + +Die armoede is niet het gevolg van de onverschilligheid of luiheid +der inwoners, maar van de onvruchtbaarheid der streek, waarin +het gelegen is. De bodem is slechts met eene dunne laag teelaarde +bedekt en om een goeden oogst te krijgen, zou men hem zwaar moeten +bemesten of verbeteringen aanbrengen, die het land niet oplevert. Men +vindt dan ook, of althans men vond in den tijd waarvan ik spreek, +slechts zeer weinig bebouwde akkers, maar overal groote heivlakten +met kreupelhout en braamstruiken. Waar de heidevelden eindigden, +begonnen de moerassen; en over die hooggelegen moerassen blaast +de snerpende wind en verschrompelt het loof van de boschjes uit +enkele boomen bestaande, die hunne knoestige en kromme takken her- +en derwaarts uitstrekken. + +Om mooier boomen te vinden, moet men de hoogten verlaten en de +plekjes zoeken welke tegen den wind zijn beschut, aan den oever der +riviertjes, waar op smalle strooken weiland groote kastanjeboomen en +stevige eiken groeien. + +Op een van die half verborgen plekjes, aan den zoom van een beek, +waarvan de snelvlietende golfjes zich verliezen in een der armen van +de Loire, lag het huis, waar ik mijne eerste levensjaren doorbracht. + +Tot op mijn achtste jaar had ik nooit een man in dat huis gezien. Toch +was mijne moeder geen weduwe, maar haar man was steenhouwer en, zooals +de meeste andere werklieden uit deze streek, verdiende hij den kost +in Parijs en hij was niet teruggekomen sedert ik groot genoeg was om +te begrijpen wat ik hoorde en zag. Slechts nu en dan liet hij iets +van zich hooren, als een van zijn makkers in het dorp kwam. + +--Vrouw Barberin, je man maakt het goed; hij heeft me verzocht +u te zeggen dat hij veel werk heeft en mij dit geld voor u +meegegeven. Wil-je het eens natellen. + +Dat was alles. Vrouw Barberin stelde zich met die berichten tevreden; +haar man was gezond; het werk werd goed betaald; hij verdiende +den kost. + +Al was Barberin zoolang te Parijs gebleven, daaruit moet men niet +opmaken, dat hij op geen goeden voet stond met zijn vrouw. Die +bestendige afwezigheid sproot volstrekt niet voort uit gemis aan +overeenstemming. Hij woonde te Parijs, omdat hij daar zijn werk had; +meer niet. Als hij op jaren zou zijn geworden, zou hij bij zijn +oude vrouw terugkeeren en met het geld, dat zij dan zouden hebben +overgelegd, zouden zij gevrijwaard zijn tegen armoede, als de tijd +gekomen was, waarin kracht en gezondheid hun hadden begeven. + +Op een Novemberdag, toen het reeds avond begon te worden, hield er voor +ons hek een man stil, dien ik niet kende. Ik stond voor de deur van +ons huis een boterham te eten. Hij opende het hek niet, maar zijn hoofd +er boven stekende, vroeg hij me of hier niet vrouw Barberin woonde. + +Ik verzocht hem binnen te komen. Hij opende het hek, dat op de hengsels +knarste en kwam op het huis af. + +Nooit had ik iemand gezien, die zoo met slijk was bemorst. Gansche +plakkaten slijk, sommige nog nat, andere al opgedroogd, bedekten hem +van het hoofd tot de voeten, en daaruit moest men afleiden dat hij +zeer slechte wegen had gevolgd. + +Toen zij zijne stem hoorde, kwam vrouw Barberin naar voren en op +het oogenblik, dat hij den drempel had bereikt, stond zij vlak +tegenover hem. + +--Ik breng nieuws uit Parijs, zeide hij. + +Die eenvoudige woorden had ik al dikwijls gehoord, maar de wijs +waarop zij werden uitgesproken, had niets van die, waarmede vroeger +de mededeeling gepaard ging.--"'t Gaat goed met je man; hij heeft +druk werk." + +--Ach God! riep vrouw Barberin uit, hare handen wringende, dan is er +een ongeluk gebeurd met Jérôme. + +--Welnu, ja, maar je hoeft niet te sterven van schrik. Hij is gekwetst, +dat is alles: maar hij is niet dood. Mogelijk evenwel zal hij verminkt +zijn. Op het oogenblik ligt hij in het ziekenhuis; mijn bed stond +naast het zijne en daar ik hierheen ging, verzocht hij mij u dit in +het voorbijgaan mede te deelen. Ik kan niet langer blijven, want ik +moet nog drie mijlen verder en de nacht begint al te vallen. + +Vrouw Barberin, die er meer van wilde weten, drong er op aan, dat +hij het avondeten bij ons zou gebruiken, want de wegen waren slecht +en men zeide dat zich wolven in den omtrek hadden vertoond. Hij zou +den anderen morgen verder kunnen gaan. + +Hij zette zich neder in een hoekje bij den haard, en al etende +vertelde hij ons hoe het ongeluk zich had toegedragen. Barberin was +half verpletterd door eene stelling die ingestort was, en daar men +bewezen had dat hij niet had behooren te zijn op de plek waar hij +gekwetst werd, weigerde de aannemer hem elke vergoeding. + +--Hij boft niet, de arme Barberin, zeide hij; hij boft niet; anderen +zouden er een middel in gevonden hebben om levenslang een aardig +jaargeld te trekken, maar je man krijgt niets. + +En terwijl hij de pijpen van zijn broek droogde die door de slijklaag +stijf en hard waren geworden, herhaalde hij: "hij boft niet." Uit de +manier waarop hij dit zeide, bleek genoeg, dat hij voor zich gaarne +verminkt zou zijn geworden in de hoop, dat hij dan een goed jaargeld +zou krijgen. + +--Toch, zoo eindigde hij zijn verhaal, heb ik hem geraden den aannemer +een proces aan te doen. + +--Een proces! dat kost veel geld. + +--Ja, maar men kan het winnen. + +Vrouw Barberin had naar Parijs willen gaan, maar dat was geen +kleinigheid, zoo'n lange kostbare reis. + +Den anderen morgen gingen wij naar het dorp om den pastoor te +raadplegen. Deze wilde haar niet laten vertrekken vóór hij wist of zij +haar man van eenigen dienst kon zijn. Hij schreef naar den aalmoezenier +van het ziekenhuis, waarin Barberin was opgenomen en eenige dagen +later ontving hij ten antwoord, dat zijne vrouw de reis maar niet +moest ondernemen, maar hem liever eene zekere som moest zenden, daar +haar man den aannemer, voor wien hij werkte, een proces wilde aandoen. + +Dagen en weken gingen voorbij en van tijd tot tijd kwamen er brieven, +waarin altijd wederom geld werd gevraagd. De laatste brief was de +meest dringende, en hield in dat, als er geen geld meer was, de koe +maar moest verkocht worden. + +Slechts zij die op het land hebben gewoond, weten welk een ramp en +jammer liggen opgesloten in die drie woorden: "de koe verkoopen." Voor +den natuurkundige is de koe een herkauwend dier; voor den wandelaar +is het een beest, dat goed doet aan het landschap, wanneer het boven +het groen zijn zwarten met dauw bedekten snuit uitsteekt; voor de +stadsjeugd is het de bron van melk, room en kaas; maar voor den +landman is het nog geheel iets anders. Hoe arm hij wezen moge en hoe +talrijk zijn gezin ook zij, hij is zeker dat hij geen honger zal lijden +zoolang hij een koe op stal heeft. Met een touw of maar een eenvoudig +hennepzeel om de horens laat een kind eene koe weiden langs de met +gras omzoomde wegen, waarvan het weiderecht door niemand gepacht is +en des avonds heeft het gansche gezin boter voor zijn soep en melk +om er de aardappelen in te weeken: vader, moeder en al de kinderen, +de groote zoowel als de kleine, leven van de koe. + +Wij leefden er zoo geheel-en-al van, vrouw Barberin en ik, dat ik op +dat oogenblik nooit vleesch had geproefd. Maar zij was niet slechts +onze voedster, maar ook onze gezellin en vriendin, want men moet niet +gelooven, dat de koe een dom dier is; integendeel ze is een verstandig +beest en zij heeft goede eigenschappen, die nog beter worden, wanneer +men ze heeft weten te leiden en te ontwikkelen. Wij liefkoosden de +onze, wij praatten tegen haar en zij begreep ons en, van hare zijde, +wist zij met hare groote bolle oogen, zoo goedig en zacht, zeer wel +te verstaan te geven wat zij wilde of gevoelde. Kortom wij hadden +haar lief en zij had ons lief. Dat is alles gezegd. + +Maar wij moesten van haar scheiden; want alleen door het verkoopen +van de koe kon men Barberin tevredenstellen. + +Er kwam een koopman en na Roussette van alle zijden bekeken en betast +te hebben en onvoldaan het hoofd te hebben geschud en honderdmaal +te hebben gezegd, dat hij ze eigenlijk niet hebben wou, dat ze een +koe was van arme menschen, en dat hij er niet af zou komen; dat zij +haast geen melk gaf en slechte boter, eindigde hij met te zeggen, +dat hij ze nemen zou, maar enkel en alleen uit medelijden en om vrouw +Barberin genoegen te doen, omdat ze een goed mensch was. + +Alsof de arme Roussette begrepen had wat er met haar gebeurde, wilde +zij den stal niet verlaten en begon ze te loeien. + +--Ga achter haar en jaag haar op, zeide de koopman, mij zijn zweep +opstekende. + +--Neen, dát niet, zeide vrouw Barberin en zij nam zelve de lijn +en sprak het dier met zachte woorden toe, waarop het goedwillig +volgde. Buiten gekomen, werd het achter den wagen gebonden en was +het wel gedwongen het paard te volgen. + +Toen wij in huis teruggekeerd waren, hoorden wij het loeien nog +langen tijd. + +Geen melk, geen boter; des morgens een stuk brood, des avonds +aardappelen met wat zout. + +De vastenavond kwam kort na het verkoopen van Roussette; het vorige +jaar had vrouw Barberin voor mij bij die gelegenheid appelbollen en +wafels gebakken; ik had er zóóveel van gegeten, zooveel, dat zij er +gelukkig onder was. + +Maar toen hadden wij Roussette, die de melk gegeven had om het beslag +te maken en de boter om in den pot te doen. Nu wij haar misten, +was er geen melk en geen boter, en was het ook geen vastenavond, +dacht ik bij mij zelf. + +Maar vrouw Barberin had mij eene kleine verrassing bereid; zij leende +in den regel niet, maar ditmaal toch had zij aan eene buurvrouw een +kopje melk gevraagd en aan eene andere een stukje boter en toen ik +des namiddags thuis kwam, vond ik haar bezig met het storten van meel +in een grooten aarden pot. + +--Hé! meel, riep ik uit, naderbij komende. + +--Ja, ja, antwoorde zij met een vriendelijken glimlach, dat is meel, +Rémi, en mooi tarwemeel ook; ruik maar eens hoe lekker het riekt. + +Als ik gedurfd had, zou ik gevraagd hebben, waartoe dat meel moest +dienen, maar juist omdat ik het zoo graag weten wilde, durfde ik er +niet over praten. Van den anderen kant wilde ik er ook niet voor +uitkomen, dat ik wist, dat het vastenavond was, omdat dit vrouw +Barberin misschien verdriet zou doen. + +--Wat maakt men van meel? vroeg zij, met een veelbeteekenenden blik +mij aanziende. + +--Brood. + +--En wat nog meer? + +--Soep. + +--En dan nog iets. + +--Ik weet het heusch niet. + +--O, je weet het wel; maar omdat je een lieve jongen bent, durf je het +niet zeggen. Je weet dat het vandaag vastenavond is, de avond van de +appelbollen en de wafels. Maar omdat ge ook weet, dat wij geen boter en +geen melk meer hebben, durft gij er niet over spreken. Is 't niet zoo? + +--Och, moeder Barberin..... + +--Nu ik heb gezorgd dat vastenavond toch niet al te kaal zou wezen. Zie +eens in de etenskist. + +Ik lichtte het deksel op en stond verbaasd bij het zien van melk, +boter, eieren en drie appelen. + +--Geef me de eieren, zeide ze en terwijl ik die kluts, moet gij de +appels schillen. + +Ik schilde en sneed de appelen in schijfjes; zij brak de eieren en +stortte ze in het meel en begon toen te klutsen, nu en dan een lepel +melk er bijvoegende. + +Toen het beslag klaar was, zette vrouw Barberin den pot op de heete +asch en nu behoefden wij maar den avond af te wachten; want wij zouden +de appelbollen en de wafels als avondeten gebruiken. + +Openhartig gezegd duurde de dag mij zeer lang, en meer dan eens ging +ik naar den pot om den doek op te lichten, die er overhing. + +--Je zult het beslag koud doen worden, zeide vrouw Barberin, en dan +zal het niet rijzen. Maar het rees wel en op verscheidene punten +zag men blaasjes opkomen, die barstten aan de oppervlakte. Uit het +rijzende deeg steeg er eene heerlijke lucht op van eieren en melk. + +--Breek nog een takkenbos aan, zeide zij; wij moeten een helder vuur +hebben zonder rook. + +Eindelijk werd de kaars aangestoken. + +--Werp het hout op 't vuur, zeide zij. + +Dit behoefde zij mij geen tweemaal te zeggen, want daar wachtte ik al +lang op. Weldra steeg een hooge vlam den schoorsteen in en verlichtte +de gansche keuken. + +Toen haalde vrouw Barberin een groote koekepan van den muur en hield +dien boven de vlam. + +--Geef me de boter eens aan. + +Zij nam toen met de punt van een mes een stukje boter zoo groot als +een noot en legde dit in de pan, waarin het dadelijk sissend smolt. + +Dat was een lekkere geur, die ons zooveel te aangenamer streelde, +daar wij hem sinds lang niet geroken hadden. En 't was ook eene +liefelijke muziek, die, welke voortgebracht werd door het sissen en +pruttelen van de boter. Maar hoe ik ook geheel-en-al gehoor was voor +dit aangename geluid, meende ik toch gerucht te vernemen op het plein +voor het huis. Wie zou zoo laat in den avond ons komen storen? Zeker +eene buurvrouw die wat vuur kwam vragen. + +Maar ik dacht er niet langer aan, want vrouw Barberin had den lepel +in den pot gedompeld en liet een breeden stroom van het witte beslag +in de pan vloeien, en dit hield mij te veel bezig om op iets anders +te letten. + +Er werd met een stok op de deur gebonsd en terstond daarop werd zij +met een ruk geopend. + +--Wie is daar? vroeg vrouw Barberin zonder zich om te keeren. + +Er was iemand binnengekomen en bij de vlammen, die hem ten volle +verlichtten, zag ik een man met een witten kiel en een dikken stok +in de hand. + +--Zoo, vier je weer feest. Nu, ga je gang maar, sprak hij op ruwen +toon. + +--Heer in den hemel, zijt gij daar! riep vrouw Barberin, terwijl zij +plotseling haar pot naast zich zette. Jérôme! + +Toen nam zij mij bij den arm en duwde mij naar den man, die op den +drempel was blijven staan. + +--Dat is uw vader. + + + + +II. + +EEN PLEEGVADER. + + +Ik was dichterbij gekomen om hem de hand te geven, maar hij hield +mij met de punt van zijn stok terug. + +--Wat is dat voor een kereltje? + +--Dat is Rémi. + +--Ge hadt me gezegd.... + +--Welnu ja, maar.... dat was niet waar, omdat.... + +--Niet waar! niet waar! + +Hij kwam eenige stappen nader en hief zijn stok op. Onwillekeurig +ging ik achteruit. + +Wat had ik gedaan? Wat had ik misdreven? Waarom ontving hij mij zoo, +terwijl ik toch naar hem toe kwam om hem een hand te geven? + +Ik had geen tijd om na te denken over deze en dergelijke vragen, +die in mijn verward brein oprezen. + +--Ik zie dat ge vastenavond houdt, ging hij voort; nu dat komt goed; +ik heb een honger als een paard. Wat hebt ge voor me te eten? + +--Ik bakte wafels. + +--Dat zie ik; maar je zult toch geen wafels willen geven aan iemand +die tien mijlen geloopen heeft? + +--Ik heb niets anders; wij wachtten u niet. + +--Niets anders? niets voor mijn avondeten? + +Hij keek om zich heen. + +--Daar heb ik boter. + +Hij sloeg de oogen naar het plafond op, waar gewoonlijk stukken +gerookt spek hingen; maar sinds lang waren de haken leeg; aan de +balken hingen nu slechts eenige risten uien en bossen prij. + +--Daar hebt ge uien, zeide hij, terwijl hij een der risten met zijn +stok afsloeg; vier of vijf uien, een stuk boter, dan zullen wij een +goede soep hebben. Gooi dat deeg er uit en zet den pot met wat uien +op het vuur. + +Het beslag er uit gooien! Vrouw Barberin zeide geen woord. Integendeel; +zij haastte zich te doen wat haar man haar gelastte, terwijl deze +zich neerzette op de bank bij den haard. + +Ik had mij niet durven verroeren van de plek, waar hij mij met zijn +stok had doen blijven. Tegen de tafel leunende, keek ik hem aan. Het +was een man van ongeveer vijftig jaar met een norsch gezicht. Zijn +hoofd helde een weinig naar de rechterzijde ten gevolge van eene +wonde, die hij bekomen had en die misvormdheid gaf hem nog ongunstiger +voorkomen. + +Vrouw Barberin had den pot weder op het vuur gezet. + +--Woudt ge met dat kleine stukje boter onze soep maken? vroeg hij. + +Toen nam hij zelf het schaaltje waarop de boter lag en liet het +geheele stuk in den pot vallen. + +Geen boter, dus geen wafels. + +In ieder ander geval zou deze gebeurtenis mij stellig heviger getroffen +hebben, maar ik dacht op het oogenblik noch aan de appelbollen noch +aan de wafels; ik was geheel vervuld met de gedachte, dat deze man +mijn vader was. + +--Vader, vader! Dit woord herhaalde ik werktuigelijk bij me zelf. Nooit +had ik mezelf eenige rekenschap gegeven van hetgeen een vader eigenlijk +wezen moest en een onbestemd, vaag besef had ik dat het eene moeder +met een harde stem moest zijn, maar toen ik den persoon, die als +uit de lucht kwam vallen, goed aanzag, maakte een onuitsprekelijk +gevoel van angst zich van mij meester. Ik had hem wel om zijn hals +willen vallen, maar zeker zou hij mij met de punt van zijn stok +op een afstand gehouden hebben. Waarom? Vrouw Barberin stootte mij +nooit van zich af, wanneer ik haar een kus wilde geven; integendeel, +zij nam mij dan in haar armen en drukte mij aan haar borst. + +--Zeg eens, ben je bevroren? vroeg hij mij; vooruit! zet de borden +op tafel. + +Ik haastte mij om hem te gehoorzamen. De soep was opgedaan. Vrouw +Barberin schepte ze reeds op. Hij verliet toen zijn hoekje naast +den schoorsteenmantel, zette zich aan tafel en begon te eten, zonder +daarmede op te houden dan om mij nu en dan eens aan te zien. + +Ik was zoo bang en verlegen, dat ik bijna niet eten kon en ik deed +dan ook niets anders dan hem van terzijde opnemen, maar keek terstond +vóór mij, wanneer ik zijn blik ontmoette. + +--Eet hij gewoonlijk niet meer? vroeg hij eensklaps, terwijl hij met +zijn lepel naar mij wees. + +--O, ja, hij eet goed. + +--Des te erger; als hij nu nog maar weinig at. + +Natuurlijk had ik geen lust een woord te spreken en vrouw Barberin +scheen evenmin geneigd om het gesprek gaande te houden; zij liep af +en aan om haar echtgenoot op zijn wenken te bedienen. + +--Gij hebt dus geen honger? vroeg hij mij. + +--Neen. + +--Ga dan maar naar bed, en zorg terstond in te slapen, want anders +word ik boos op je. + +Vrouw Barberin wenkte mij, dat ik zonder tegenspreken moest +gehoorzamen. Maar die raad was onnoodig; ik had in het minst geen +plan om mij te verzetten. + +Zooals in vele boerenwoningen, was onze keuken tegelijkertijd +slaapkamer. Bij den haard stond alles wat voor het eten noodig was: +de tafel, de etenskist, de aanrechtbank; in het andere gedeelte +stonden de ledekanten; in een hoek dat van vrouw Barberin, in den +tegenovergestelden het mijne, dat als in een kast was gesloten en +waarover een rood katoenen gordijn hing. + +Ik haastte me om mij uit te kleeden en naar bed te gaan. Maar slapen, +dat ging zoo spoedig niet. + +Men slaapt niet op kommando; men slaapt wanneer men slaap heeft en +wanneer men rustig gestemd is. + +Ik had thans geen slaap en was ook volstrekt niet rustig. Allerlei +gedachten warrelden mij door het hoofd en ik gevoelde mij diep +ongelukkig. + +Hoe was het mogelijk, dat die man mijn vader was! Waarom behandelde +hij mij dan zoo hardvochtig? + +Met mijn neus bijna tegen den muur gedrukt, deed ik alle moeite om +die akelige gedachten van mij af te werpen en in slaap te vallen, +zooals hij mij bevolen had; maar het was onmogelijk; de slaap kwam +niet; nog nooit was ik zoo helder wakker geweest. + +Eenigen tijd later, hoeveel later weet ik niet, hoorde ik voetstappen +mijn bed naderen. + +Een langzame, zware tred, die niet van vrouw Barberin wezen kon. + +Een warme adem streek langs mijn haren. + +--Slaapt gij? vroeg hij op gesmoorden toon. Ik paste wel op, dat ik +geen antwoord gaf, want de vreeselijke woorden: "of ik word boos" +klonken mij nog in de ooren. + +--Hij slaapt, zeide vrouw Barberin; zoodra hij in bed ligt, slaapt hij; +dat is zoo zijn gewoonte; gij kunt gerust hardop spreken. + +Ik had natuurlijk wel kunnen zeggen, dat ik niet sliep, maar dat +durfde ik niet; men had mij gezegd, dat ik moest slapen, en nu kon +ik niet slapen en ik sliep dus niet. + +--Hoe staat het met uw proces? vroeg vrouw Barberin. + +--Verloren! De rechters hebben uitgemaakt, dat het mijne schuld was, +dat ik mij onder de stelling bevond en dat de aannemer mij daarom +niets schuldig is. + +Hij sloeg toen met de vuist op tafel en stortte een stortvloed uit +van woorden zonder slot of zin, meest vloeken. + +--Het proces verloren, hernam hij; ons geld is verloren; ik ben +verminkt; de ellende wacht ons. En alsof dat alles nog niet genoeg +was, vind ik hier, bij mijn thuiskomst, een kind. Zult gij mij thans +eindelijk eens vertellen waarom gij niet gedaan hebt wat ik u had +bevolen? + +--Omdat ik het niet heb kunnen doen. + +--Hadt ge het dan niet naar het vondelingsgesticht kunnen brengen? + +--Men staat een kind niet zoo gemakkelijk af, dat men zelf gevoed +heeft en dat men liefheeft. + +--Het was uw kind niet. + +--Eindelijk wilde ik aan uw verlangen voldoen, maar toen werd het +juist ziek. + +--Ziek? + +--Ja ziek; dat was toen immers niet het geschikte oogenblik om het +naar een gesticht te brengen, want daar zou het gestorven zijn. + +--En toen hij beter was? + +--Hij is niet terstond beter geworden. Na die ziekte kwam er een +tweede; hij hoestte zoo erg, dat mijn hart er van ineenkromp. Onze +kleine Nikolaas is daaraan ook gestorven en als wij hem naar de stad +hadden gebracht, zou hij ook gestorven zijn. + +--En toen? + +--Een geruime tijd ging er voorbij. Toen ik zoolang gewacht had, +kon ik ook nog wel wat langer wachten. + +--Hoe oud is hij nu? + +--Acht jaar. + +--Welnu, dan zal hij op zijn achtste jaar dáárheen gaan, waar hij +vroeger naar toe had gezonden moeten worden en dat zal nu niet +prettiger voor hem zijn; dat heeft hij er dus mede gewonnen. + +--O Jérôme, dat zult gij toch niet doen! + +--Zou ik dat niet doen? En wie zal mij dat beletten? Meent ge dan, +dat wij hem altijd bij ons kunnen houden? + +Zij zwegen toen een oogenblik en ik kon even ademhalen; van angst en +schrik werd mijn keel als toegeknepen. + +Vrouw Barberin hervatte weder: + +--Wat heeft Parijs u veranderd; vóór dien tijd zoudt gij nooit zoo +gesproken hebben. + +--Misschien wel. Maar zeker is het, dat zoo Parijs mij veranderd heeft, +het mij ook achteruit heeft doen gaan. Hoe zullen wij voortaan onzen +kost verdienen? Ons geld is op. De koe is verkocht. En moeten we dan +nog, wanneer we zelf niets meer te eten hebben, aan een vreemd kind +den kost geven? + +--Het is het mijne. + +--Het is evenmin het uwe als het mijne. Het is geen boerenjongen. Ik +zag hem onder het avondeten nog eens aan; het is een fijne, magere +knaap, die geen armen of beenen aan zijn lijf heeft. + +--Het is het mooiste kind uit den ganschen omtrek. + +--Dat hij niet mooi is, beweer ik ook niet. Maar ferm! Zal zijn mooi +gezicht hem te eten geven? Kan men met zulke tengere schoudertjes, +als hij heeft, flink werken? Hij is een stadskind en stadskinderen +kunnen we hier niet gebruiken. + +--Ik verzeker u, dat hij een flinke jongen is en hij is zoo slim als +een kat en goedhartig.... Hij zal wel voor ons werken. + +--Intusschen moeten wij eerst voor hem werken, en dat kan ik niet meer. + +--En als zijn ouders hem nu opeischen, wat zult ge dan zeggen? + +--Zijn ouders. Heeft hij ouders? Als hij ze had, zouden ze hem reeds +lang gezocht en in die acht jaar zeker wel gevonden hebben. Ba! wat +ben ik dom geweest om te gelooven dat zijn ouders op een goeden +dag te voorschijn zouden komen en ons de moeite, die we aan zijn +opvoeding besteed hebben, zouden betalen. Ik ben een domkop, een ezel +geweest. Dat hij in fijne luiers gewikkeld lag en kant aan zijn goed +had, bewees nog niet dat zijn ouders hem zoeken zouden. Bovendien, +zij zijn misschien dood. + +--En zoo ze dat niet zijn? Als ze hem eens komen opeischen? Ik geloof +stellig dat zij komen zullen. + +--Wat zijn die vrouwen toch koppig! + +--Nu, als zij komen? + +--Welnu, dan zenden wij ze naar het gesticht. Maar genoeg hierover; het +verveelt mij. Morgen zal ik hem bij den burgemeester brengen. Vanavond +ga ik nog eens naar François. Binnen een uur ben ik terug. + +De deur ging open en weder toe. Hij was vertrokken. + +Ik zette mij plotseling overeind en riep vrouw Barberin. + +--O, moeder! + +Zij snelde naar mij toe. + +--Zult gij mij naar het gesticht laten gaan? + +--Neen, lieve Rémi, neen. + +Zij gaf mij toen een kus en drukte mij in haar armen. + +Die liefkoozing gaf mij weer een weinig moed en ik begon te weenen. + +--Gij sliept dus niet? fluisterde zij. + +--Dat was mijn schuld niet. + +--Nu, ik beknor u ook niet, dus hebt gij alles gehoord wat Jérôme +zeide? + +--Ja, gij zijt mijn moeder niet, maar hij is ook mijn vader niet. + +Ik zeide dit niet op denzelfden toon, want al speet het mij dat zij +mijn moeder niet was, het deed mij toch genoegen; ik was er trotsch +op, dat hij mijn vader niet was. Vandaar die tegenstrijdigheid in +mijn gevoelens, die in mijn stem lag opgesloten. + +Maar vrouw Barberin sloeg daar geen acht op. + +--Misschien had ik u de waarheid reeds vroeger moeten zeggen; maar ik +hield zooveel van u, of ge werkelijk mijn eigen kind waart, zoodat +ik, zonder aanleiding, er niet toe komen kon, u te zeggen, dat ik +uw moeder niet was. Uw moeder, lieveling, dat hebt gij gehoord, +is niet bekend. Leeft zij, ja of neen. Dat weet men niet. Toen +Jérôme op een morgen, in Parijs, zich naar zijn werk begaf en door +de straat Breteuil ging, een breede straat, die aan beide zijden +met boomen beplant is, hoorde hij een kind schreeuwen. Het scheen +van achter een deur te komen. Het was in Februari en nog zeer vroeg +in den ochtend. Hij naderde de deur en zag een kind op den drempel +liggen. Juist toen hij iemand wilde roepen, zag hij een man, die zich +achter een dikken boom verscholen had, hard wegloopen. Ongetwijfeld +had die man zich daar verborgen om te zien of men het kind, dat hij +daar had neergelegd, vinden zou. Jérôme wist niet wat te doen, daar +het kind uit alle macht schreeuwde alsof het begreep, dat er hulp +was komen opdagen en het die gelegenheid niet voorbij moest laten +gaan. Terwijl Jérôme bij zich zelf overlegde wat hem te doen stond, +voegden zich andere ambachtslieden bij hem en men was het eens, +dat hij het kind bij den commissaris brengen moest. Het huilde maar +altijd door. Waarschijnlijk had de kleine het koud. Maar, daar het op +het bureau van politie zeer warm was en het bleef weenen, meende men, +dat het honger had en ging men een buurvrouw halen, die hem de borst +kon geven. Hij begon terstond te zuigen en scheen uitgehongerd. Men +kleedde het toen bij de kachel uit. Het was een flinke jongen, vijf +of zes maanden oud, groot, dik en rooskleurig; de kleeren waarin hij +gewikkeld was, gaven duidelijk te kennen, dat hij van een aanzienlijke +familie moest zijn. Het was dus een kind dat men gestolen had en thans +weder kwijt wilde zijn. Dit ten minste meende de commissaris. Wat zou +men er mede doen? Toen hij alles opgeschreven had wat Jérôme hem had +medegedeeld en ook het kind beschreven was, en al de kleeren die het +droeg, welke ongemerkt waren, had opgeteekend, zeide de commissaris, +dat hij het naar het vondelingsgesticht zou zenden, indien niemand +onder de aanwezigen er zich mede belasten wilde: het was een mooi, +gezond, stevig kind, dat niet moeilijk groot te brengen zou zijn; +de ouders die het eenmaal zouden zoeken, zouden de verzorgers stellig +ruim beloonen. Jérôme trad toen naderbij en zeide, dat hij het wilde +medenemen. Men gaf het hem. Ik had juist een kind van denzelfden +leeftijd; maar ik kon er wel twee voeden. En zoo ben ik uw moeder +geworden. + +--O, moeder! + +--Drie maanden later verloor ik mijn eigen kind en ik hechtte mij toen +nog meer aan u. Ik vergat dat gij mijn zoon niet waart. Ongelukkig +echter onthield Jérôme dit, en toen uw ouders u in drie jaar niet +gezocht hadden, tenminste u niet gevonden hadden, wilde hij u naar het +gesticht brengen. Gij hebt gehoord, waarom ik hem niet heb gehoorzaamd. + +--O, laat mij niet naar het gesticht gaan, riep ik, terwijl ik mij +aan haar vastklemde; och toe, vrouw Barberin, zend mij, bid ik u, +niet naar het vondelingshuis. + +--Neen, ik beloof u, mijn kind, ge zult niet gaan. Ik zal er voor +zorgen. Jérôme is geen slecht mensch, dat zult ge wel zien; hij heeft +verdriet en maakt zich over onze toekomst bezorgd. Wij zullen werken +en gij immers ook? + +--Ja, ik zal alles doen, wat gij wilt. Maar zend mij niet naar het +gesticht. + +--Gij zult niet gaan, op ééne voorwaarde: dat ge nu dadelijk slapen +gaat. Wanneer hij tehuis komt, moet hij u niet wakker vinden. + +Zij gaf mij daarop nog een kus en ik ging weer met mijn neus tegen +den muur liggen. + +Ik had gaarne willen inslapen; maar ik was te veel van streek, te +zenuwachtig om terstond mijn kalmte terug te krijgen en in slaap +te vallen. + +Dus was die goede vrouw Barberin mijn moeder niet! Maar wie was dan +eigenlijk mijn moeder? Zou die nog beter, nog liever wezen? Neen, +dat was onmogelijk. + +Maar wat ik begreep, wat ik voelde, was, dat een vader minder ruw, +minder wreed zou geweest zijn dan Barberin en mij niet zoo boos, +met zijn opgeheven stok, zou hebben aangezien. + +Hij wilde mij naar het vondelingsgesticht zenden; zou vrouw Barberin +dat kunnen verhinderen? + +Wat was een vondelingsgesticht? In het dorp waren twee kinderen, die +men "de kinderen van het gesticht" noemde; zij droegen een looden +plaatje met een nommer om den hals; zij waren slecht en slordig +gekleed; ze kregen zelfs slaag en de kinderen uit de buurt liepen ze +dikwijls na, zooals men een hond zonder meester najaagt, ook omdat +een hond zonder meester niemand heeft, die hem beschermen kan. + +O, ik wil niet als die kinderen zijn; ik wil geen nommer om mijn +hals dragen; ik wil niet dat men mij naloopt en mij naroept: "Naar +het gesticht! naar het gesticht!" De gedachte daaraan alleen deed +mij reeds huiveren en mijn tanden klapperen. En ik sliep niet. + +En Barberin zou tehuiskomen. Gelukkig kwam hij niet zoo spoedig terug +als hij wel gezegd had en was ik in dien tusschentijd door den slaap +overmand. + + + + +III. + +DE TROEP VAN DEN SIGNOR VITALIS. + + +Dien nacht sliep ik, door angst en vrees vermeesterd, zeer onrustig, +en toen de morgen aanbrak, was bij mijn ontwaken mijn eerste zorg om +mijn bed aan alle kanten te betasten en eens in het rond te zien om +mij te overtuigen, dat men mij niet weggebracht had. + +Den ganschen ochtend sprak Barberin geen woord tot mij en ik meende +reeds, dat hij het plan om mij naar het gesticht te zenden had +opgegeven. Zeker had vrouw Barberin een goed woordje voor mij gedaan +en waarschijnlijk had zij hem overgehaald mij bij zich te houden. + +Maar toen het twaalf uur sloeg, beval Barberin mij om mijn pet op te +zetten en hem te volgen. + +Verschrikt zag ik vrouw Barberin aan en smeekte haar met mijn blik +om hulp. In het voorbijgaan wenkte zij me, dat ik maar gehoorzamen +moest; terwijl zij met een beweging van haar hand mij geruststelde, +alsof zij zeggen wilde: ge behoeft niet bang te wezen. + +Zonder tegenspreken volgde ik dus Barberin. + +Wij wonen ver van het dorp, bijna een uur gaans. Dat geheele uur ging +voorbij, zonder dat hij een woord tot mij sprak. Hij liep langzaam +vooruit, met zijn manken voet, wendde nooit zijn hoofd om, maar bleef +van tijd tot tijd stilstaan en keerde zich dan geheel om teneinde +zich te overtuigen, dat ik hem nog altijd volgde. + +Waar bracht hij mij naar toe? Die vraag drong zich gedurig bij mij op, +ondanks den geruststellenden wenk van vrouw Barberin, en om aan een +gevaar dat ik voelde naderen te ontkomen, peinsde ik over een middel +om te ontvluchten. + +Met dit doel trachtte ik achter te blijven; als ik op een verren +afstand van hem ben, dacht ik, zal ik in de sloot gaan liggen en dan +zal hij mij niet kunnen vinden. + +Eerst bepaalde hij zich tot het bevel dat ik vlak achter hem moest +blijven; maar al spoedig scheen hij mijn voornemen te gissen en nam +hij mij bij de hand. + +Ik kon nu niet wel anders dan met hem meegaan en deed dit dan ook. + +Wij hadden het dorp bereikt en ieder, die ons tegenkwam, keerde zich +om en staarde ons na, want ik zag er uit als een nijdige hond dien +men aan een touw moet houden. + +Toen wij voorbij het koffiehuis kwamen, verzocht een man, die op den +drempel stond, ons om binnen te treden. + +Barberin vatte mij bij mijn oor en liet mij eerst binnengaan; daarop +sloot hij de deur. + +Ik gevoelde mij een weinig geruster; het koffiehuis scheen mij geen +gevaarlijke plaats toe; en dit was het koffiehuis, waar ik zoo langen +tijd reeds heen had willen gaan. + +Het koffiehuis en de herberg _Notre Dame_! Hoe zou het daar wel +uitzien? + +Dikwijls had ik menschen dit koffiehuis met waggelenden en zwaaienden +gang zien verlaten; wanneer ik er voorbijkwam hoorde ik gewoonlijk +schreeuwen en zingen, zoo luid soms dat de vensters er van rinkelden. + +Wat deed men daar? Wat gebeurde er achter die roode gordijnen? + +Ik zou dat thans te weten komen. + +Terwijl Barberin zich met den waard aan tafel zette, sloop ik naar +een hoek van het vertrek bij den schoorsteen en nam alles om mij heen +eens op. + +In den hoek tegenover den ingang zat een grijsaard, die een zeer +zonderlinge kleeding droeg, zooals ik nog nooit in mijn leven +gezien had. + +Zijn haren, die in lange lokken over zijn schouders vielen, waren voor +een gedeelte door een kastoren hoed bedekt, met groene en roode veeren +versierd. Een schapevacht, waarvan de wol naar binnen was gekeerd, +bedekte zijn borst. Deze huid had geen armsgaten en door twee openingen +bij de schouders, kwamen een paar armen te voorschijn, die met een +soort van fluweelen stof, welke vroeger blauw geweest moest zijn, +bedekt waren. Voorts droeg hij lange slobkousen, die tot aan zijn +knieën reikten, met roode banden waren toegebonden en verscheidene +malen over zijn beenen gekruist waren. + +Hij lag op zijn stoel uitgestrekt, terwijl zijn kin in de rechterhand +ruste en zijn elleboog op de eenigszins opgetrokken knie steunde. + +Nog nooit had ik een levend wezen in zulk een kalme houding zien +zitten; hij geleek op een onzer uit hout gesneden heiligen in de kerk. + +Naast hem lagen drie honden, doodstil en zoo dicht mogelijk bij +elkander om zich te verwarmen. Een witte poedel, een zwarte kardoes +en een grijs schoothondje met een goedig, listig snoetje; de poedel +had een oude soldatenmuts op den kop, die met een lederen bandje om +zijn kin was vastgebonden. + +Terwijl ik den grijsaard met de grootste belangstelling zat aan +te kijken, spraken Barberin en de herbergier op fluisterenden toon +over mij. + +Barberin vertelde hem, dat hij naar het dorp gegaan was om mij bij +den burgemeester te brengen en dezen te verzoeken aan het armbestuur +een jaargeld te vragen om mij bij zich te kunnen houden. + +Zooveel had vrouw Barberin dus van haar man kunnen verkrijgen en ik +begreep terstond, dat zoo Barberin eenig voordeel er in zag om mij +bij zich te houden, ik dan niets te vreezen zou hebben. + +De grijsaard, zonder daarvan den schijn te hebben, hoorde alles wat +er gesproken werd; eensklaps stak hij zijn rechterhand naar mij uit +en zich tot Barberin wendende, vroeg hij met vreemden tongval: + +--Is dit het kind, dat u hindert? + +--Ja dat is het kind. + +--En gelooft gij dat het bestuur der armhuizen u het geld voor zijn +onderhoud terug zal geven? + +--Wel, daar hij geen ouders heeft en mij tot last is, moet er toch +wel iemand voor hem betalen; dat is toch nog al billijk geloof ik. + +--Ik geef u daarin geen ongelijk, maar gelooft gij, dat alles wat +billijk is gebeurt? + +--Neen, dat geloof ik niet. + +--Welnu, ik ben zeker dat gij zulk een jaargeld nooit krijgen zult. + +--Dan breng ik hem naar het vondelingenhuis; er is geen wet, die hem +recht geven kan om in mijn huis te blijven, wanneer ik hem er niet +langer in houden wil. + +--Vroeger hebt gij er in toegestemd hem bij u te nemen; dat was zoo +goed of gij voor altijd de zorg op u genomen hadt. + +--Ik verzeker u thans, dat ik hem niet houd en al moest ik hem op +straat zetten, ik zou hem wegdoen. + +--Misschien zou er wel een middel zijn, om u terstond van hem te +bevrijden, zeide de oude man, na een oogenblik te hebben nagedacht, +en voegde er bij: misschien zoudt gij er nog iets bij winnen ook. + +--Als ge mij zoo'n middel aan de hand doet, dan schenk ik u van +ganscher harte een flesch. + +--Bestel de flesch en uw zaak is in orde. + +--Zeker? + +--Zeker. + +De oude man stond van zijn stoel op en ging tegenover Barberin +zitten. Toen hij zich oprichtte, werd de schapevacht door een +onwillekeurige beweging opgebeurd; en ik meende te bespeuren, dat +hij in zijn linkerarm nog een hond droeg. + +Wat zou hij zeggen? Wat zou er gebeuren? + +Ik had hem met smeekenden blik gevolgd. + +--Uw wensch is, niet waar, dat het kind niet langer uw brood eet; +of, zoo hij dat blijft doen, dat gij er dan ook voor betaald wordt? + +--Juist; omdat.... + +--O, welke reden gij daarvoor hebt, kan mij niet schelen; ik behoef +die niet te kennen; voor mij is het voldoende te weten, dat gij het +kind niet langer bij u wilt houden; als dat zoo is, geef hem mij dan +en ik zal verder voor hem zorgen. + +--Hem aan u geven? + +--Wilt gij hem niet wegdoen? + +--Geeft men dan zoo'n kind weg, zoo'n mooi kind, want mooi is hij, +zie maar eens. + +--Ik heb hem reeds gezien. + +--Rémi, kom hier! + +Ik ging bevende naar de tafel. + +--Wees maar niet bang, ventje, zeide de gijsaard. + +--Zie hem maar eens aan, vervolgde Barberin. + +--Ik zeg niet dat hij leelijk is; want als hij leelijk was, zou ik +hem niet willen hebben; met monsters houd ik mij niet op. + +--Kom, als hij een monster met twee hoofden of een dwerg was.... + +--Gij zoudt er dan niet over denken om hem naar het gesticht te +zenden. Gij weet dat een monster waarde heeft en men veel voordeel +daarvan trekken kan; dat men het verhuurt of het zelf voor het een +of ander gebruikt. Maar hij is geen dwerg en geen monster; hij is +geschapen zooals ieder ander en deugt nergens toe. + +--Hij kan werken. + +--Daartoe is hij te zwak. + +--Hij zwak! kom, onzin en hij is zoo gezond en sterk als een groot +mensch; zie maar eens welke beenen hij heeft. Hebt gij ze ooit +rechter gezien? + +Barberin stroopte mijn broekspijpen op. + +--Die zijn erg dun, zeide de oude man. + +--En zijn armen? vervolgde Barberin. + +--De armen zijn evenals de beenen; zij kunnen er door, maar zij kunnen +aan vermoeienis en ontbering geen weerstand bieden. + +--Hij niet! maar bevoel hem dan eens van alle kanten, bevoel hem eens. + +De grijsaard streek met zijn magere hand over mijn beenen, schudde +met het hoofd en trok een bedenkelijk gezicht. + +Ik had reeds een dergelijk tooneel bijgewoond, toen onze koe verkocht +werd. Ook die was van alle kanten bevoeld en betast geworden; de +kooper zou haar onmogelijk weer hebben kunnen verkoopen, en toch had +hij haar gekocht en ze medegenomen. + +Zou die vreemde man mij koopen en medenemen? ach, moeder Barberin, +moeder Barberin! Ongelukkig genoeg was zij er niet om mij te +verdedigen. + +Als ik maar gedurfd had, zou ik gezegd hebben, dat juist de oude +Barberin mij mijn zwakte en mijn magere armen en beenen verweten had; +maar ik begreep dat, al viel ik hem in de rede, mij dit niets dan +een geduchte berisping op den hals zou halen, en ik zweeg dus. + +--Hij is een kind zooals er zoovelen zijn, zeide de grijsaard, dat is +waar, maar hij is een stadskind; het is dus zoo goed als zeker dat +hij nooit in staat zal wezen om op het land te werken; zet hem eens +aan den ploeg om de ossen aan te jagen, dan zult ge zien, of dat van +geen langen duur kan zijn. + +--Tien jaar. + +--Geen maand. + +--Maar zie hem dan toch eens aan. + +--Zie hem zelf maar eens aan. + +Ik stond aan het einde van de tafel, tusschen Barberin en den +grijsaard; de een stootte mij van zich af, de ander wilde mij evenmin +hebben. + +--Nu, zeide de oude man eindelijk, ik zal hem dan nemen zooals hij +is. Maar ge moet mij wel verstaan, ik koop hem niet van u; ik huur +hem slechts. Ik geef u twintig francs per jaar. + +--Twintig francs! + +--Dat is een goede som en ik betaal u zelfs vooruit; gij krijgt vier +klinkende achterwielen en ge zijt van het kind af. + +--Maar als ik het houd, zal het armbestuur mij meer dan tien francs +per maand betalen. + +--Zeg liever zeven of acht, ik ken de prijzen; maar gij moet hem ook +te eten geven. + +--Hij zal werken. + +--Als gij meendet, dat hij tot werken in staat was, zoudt gij hem +niet van de hand doen. Men neemt geen kinderen van het gesticht op om +hun jaargeld, maar alleen om hun werk; men maakt arbeiders van hen, +die betalen en niet betaald worden. Bovendien, zoudt ge hem wel bij +u houden, als hij u in eenig opzicht van dienst kon wezen. + +--In ieder geval, zou ik dan de tien francs hebben. + +--En zoo het bestuur hem, in plaats van aan u, aan een ander gaf dan +zoudt gij in het geheel niets hebben; wanneer ik hem neem, loopt gij +die kans niet: gij behoeft uw hand maar uit te steken. + +Hij stak zijn hand in zijn zak en haalde een lederen beurs te +voorschijn, waaruit hij vier zilverstukken nam, die hij rinkelend op +tafel wierp. + +--Vergeet niet, riep Barberin, dat het kind eenmaal ouders hebben zal. + +--Wat doet er dat toe? + +--Dat het stellig niet onvoordeelig zal zijn voor hen, die hem opgevoed +hebben; als ik daar ook niet op gerekend had, zou ik hem nooit tot +mij hebben genomen. + +Die woorden van Barberin: "Als ik niet op zijn ouders gerekend had, +zou ik hem nooit tot mij genomen hebben," boezemden mij nog grooter +afkeer voor hem in. Wat een slechte man was hij toch! + +--En omdat gij thans niet meer op de ouders rekent, hernam de +grijsaard, zet gij hem op straat. Tot wien zullen de ouders zich dan +wenden, wanneer zij komen opdagen? tot u, niet waar, en niet, tot mij, +dien zij niet kennen. + +--En als gij ze terugvindt? + +--Laten we dan afspreken, dat wanneer die ouders komen, wij de winst +samen zullen deelen; dan geef ik u dertig francs. + +--Stel veertig. + +--Neen, voor de weinige diensten, die hij mij bewijzen zal, kan ik +u dat niet geven. + +--En welke diensten moet hij u bewijzen? wat zijn beenen betreft, +die zijn uitmuntend en zijn armen evenzoo, dus blijf ik bij hetgeen +ik gezegd heb. Maar waartoe acht gij hem dan in staat? + +De oude man zag Barberin eenigszins spottend aan, terwijl hij zijn +glas met langzame teugen leegdronk. + +--Om mij gezelschap te houden, zeide hij; ik word oud en 's avonds +na een vermoeienden dag, als het slecht weer is, ben ik dikwijls +zwaarmoedig; hij zal mij dan eenige afleiding bezorgen. + +--Dat zullen zijn beenen stellig wel kunnen verdragen. + +--Toch niet lang, want hij zal moeten dansen, springen en loopen en +wanneer hij geloopen heeft, zal hij weder moeten springen; kortom +hij zal deel uitmaken van het gezelschap van signor Vitalis. + +--En waar is uw gezelschap? + +--Ik ben signor Vitalis, zooals ge ongetwijfeld reeds geraden zult +hebben; ik zal u mijn gezelschap voorstellen, daar gij verlangt er +kennis mede te maken. + +Terwijl hij dit zeide, maakte hij zijn schapevacht los en het vreemde +dier, dat hij onder zijn linkerarm bewaarde, kwam in zijn hand. Dat +dier had telkens zijn vacht in beweging gebracht, maar het was geen +hondje, zooals ik eerst gemeend had. + +Wat voor soort dier kon dat wezen? + +Was het wel een dier? + +Ik wist niet welken naam ik geven moest aan dat zonderlinge schepsel, +dat ik voor de eerste maal zag. Met de grootste verbazing stond ik +het aan te staren. + +Het droeg een rood rokje met goud-galon afgezet, maar zijn armen en +beenen waren naakt, want het waren armen en beenen en geen pooten, +zij waren echter met een zwarte en geen blanke of roode huid bedekt. + +Evenzoo was zijn kop, zoo groot als een gebalde vuist, pikzwart; +zijn gelaat was breed en kort, een wipneus met wijd opengespalkte +neusgaten en gele lippen; maar wat mij het meest van alles trof, +waren de beide oogen, die zeer dicht bij elkander stonden, groote +levendigheid verrieden en glinsterden als een paar spiegeltjes. + +--O, wat een leelijke aap! riep Barberin uit. + +Dat woord deed mij van mijne verbazing bekomen, want al had ik nog +nooit een aap gezien, ik had er dikwijls over hooren spreken. Het +was dus geen zwart kind, dat voor mij stond; het was een aap. + +--Dat is de hoofdpersoon van mijn troep, zeide Vitalis, dit is de +heer Joli-Coeur. Joli-Coeur, mijn jongen, maak voor het publiek +uw complement. + +Joli-Coeur bracht zijn gesloten hand aan de lippen en gaf ons elk +een kushand. + +--Nu een ander, vervolgde Vitalis, terwijl hij zijn hand naar den +poedel uitstak; signor Capi zal de eer hebben zijn vrienden aan het +geachte gezelschap voor te stellen. + +Op dit bevel richtte de poedel, die tot nogtoe doodstil was gebleven, +zich plotseling op, zette zich op zijn achterste pooten, kruiste zijn +beide voorpooten over de borst en maakte toen zulk een diepe buiging +voor zijn meester, dat zijn muts bijna den grond raakte. + +Toen deze plichtpleging volbracht was, keerde hij zich tot zijn makkers +en met den eenen poot, terwijl hij den anderen op zijn borst hield, +wenkte hij hen, naderbij te komen. + +De beide honden, die de oogen niet van hem hadden afgewend, stonden +eensklaps op en reikten elkander een der voorpooten, evenals men in de +wereld elkander de hand drukt; daarop deden zij zes stappen voorwaarts, +toen drie achteruit en groetten het gezelschap. + +--Hem, dien ik Capi noem, vervolgde Vitalis, of in het italiaansch +Capitano, is de chef der honden; hij brengt, daar hij de verstandigste +is, al mijn bevelen aan zijn makkers over. + +Dat bevallige diertje daar ginds, met zijn zwarte haren, is signor +Zerbino, dat beteekent bevallig, een naam, dien hij in alle opzichten +waardig is. Deze met haar bescheiden voorkomen is signora Dolce, +een schoone Engelsche, wie haar lieve naam eerlijk toekomt. Met deze +merkwaardige personen en hun verschillende titels heb ik het genoegen +de wereld door te trekken en zoo goed en kwaad als 't kan den kost +te verdienen, al naar het lot mij gezind is, Capi. + +De poedel kruiste zijne pooten. + +--Capi, kom hier, vriendje, en wees nu eens vriendelijk, als je +blieft--het zijn beschaafde wezens, die ik altijd zoo beleefd mogelijk +toespreek--wees thans zoo goed, aan dat jonge mensch, die u met zulke +groote oogen aanstaart, te zeggen, hoe laat het is. + +Capi naderde zijn meester, lichtte de schapevacht op, stak zijn poot +in diens vestzak en haalde een groot zilveren horloge te voorschijn, +keek op de wijzerplaat en kefte toen zeer duidelijk tot tweemaal toe; +daarna herhaalde hij nog drie keer dit keffen, maar veel zachter +en onduidelijker. + +Het was werkelijk kwart vóór drieën. + +--Goed zoo, zeide Vitalis; dank u signor Capi; wees thans zoo +vriendelijk signora Dolce te verzoeken, touwtje te springen. + +Capi stak nu zijn poot in den zak van zijns meesters jas en trok daar +een koord uit. Hij wenkte Zerbino en deze plaatste zich snel tegenover +hem. Capi wierp hem toen een eind touw toe en beiden begonnen dit +met met den grootsten ernst te draaien. + +Toen de beweging zeer gelijkmatig was, wierp Dolce zich in het koord en +sprong telkens even op, terwijl zij haar vriendelijke oogen aanhoudend +op haar meester gevestigd hield. + +--Gij ziet, zeide deze, dat mijn leerlingen zeer verstandig zijn; maar +het verstand wordt dan eerst gewaardeerd, wanneer men het vergelijken +kan. Daarom wensch ik dezen knaap aan mijn gezelschap te verbinden; +hij zal de rol van een dier spelen en mijn leerlingen zullen des te +hooger gewaardeerd worden. + +--Foei, om hem voor een beest te laten spelen! riep Barberin uit. + +--Men moet een weinig geest hebben, vervolgde Vitalis, en ik geloof +dat het jonge mensch hiervan niet ontbloot zal zijn, wanneer hij +eenige lessen heeft gehad. Het overige komt vanzelf. Wij zullen +terstond de proef eens met hem nemen. Wanneer hij verstandig is, +dan zal hij begrijpen, dat men met signor Vitalis de kans heeft, +geheel Frankrijk en nog wel tien andere landen te doorkruisen, +een vrij leven te leiden, in plaats van achter de ossen te loopen, +en iederen dag op hetzelfde land van den morgen tot den avond te +moeten werken. Terwijl, wanneer hij onverstandig is en huilt en +schreeuwt.... signor Vitalis houdt niet van stoute kinderen en dan +neemt hij hem niet met zich mede. Dan gaat het ondeugende kind naar +het gesticht, waar hij hard werken moet en weinig te eten krijgt. + +Ik was verstandig genoeg om den zin van deze woorden te vatten, +maar tusschen ze te begrijpen en een besluit te nemen was nog een +groot verschil. + +De leerlingen van signor Vitalis waren zeer aardig en vermakelijk en +het moest ook wel aangenaam zijn om veel te wandelen; maar om hen te +volgen, moest ik vrouw Barberin verlaten. + +'t Is waar, zoo ik dit weigerde, zou ik misschien toch niet bij vrouw +Barberin blijven en zou men mij naar het gesticht zenden. + +Toen ik daar als vastgenageld staan bleef en de tranen mij in de +oogen welden, streek Vitalis zachtkens met zijn hand over mijn wang. + +--Komaan, zeide hij, het kereltje begrijpt mij, want hij huilt niet; +hij zal wel verstandig wezen en morgen.... + +--Ach mijnheer, riep ik, laat mij bij moeder Barberin als je blieft! + +Maar vóór ik nog iets had kunnen zeggen, werd ik door een heftig +geblaf van Capi in de rede gevallen. + +De hond sprong tegelijkertijd naar de tafel waarop Joli-Coeur was +blijven zitten. Deze had gebruik gemaakt van een oogenblik, dat +ieders oog op mij gericht was en het volle wijnglas van zijn meester +leeggedronken. Maar Capi, die goed de wacht hield, had deze apenstreek +gezien en als een trouw bewaker wilde hij dit verhinderen. + +--Mijnheer Joli-Coeur, zeide Vitalis op strengen toon, gij zijt +een lekkerbek en een schelm; ga in den hoek staan met uw neus tegen +den muur, en gij Zerbino moet op hem passen; als hij zich beweegt, +geef hem dan maar een flinken klap. Wat u betreft, mijnheer Capi, +gij zijt een oppassende hond; laat mij u den poot drukken. + +Terwijl de aap zacht kermend aan het bevel gehoorzaamde, reikte de +hond fier en gelukkig zijn poot aan zijn meester. + +--Laten wij thans onze zaken verder behandelen, begon Vitalis. Ik +geef u dus dertig francs. + +--Neen veertig. + +Er volgde nu een zeer levendig gesprek; maar Vitalis brak dit eensklaps +af door te zeggen: + +--De knaap moet zich hier vervelen, laat hij maar wat in den tuin +gaan spelen. + +Hij gaf te gelijk aan Barberin een wenk. + +--Ja, dat is goed, ga maar naar den tuin, maar kom niet terug vóór +ik u roep; anders word ik boos. + +Ik kon niet anders dan gehoorzamen, wat ik dan ook deed. + +Ik ging dus naar den tuin, maar tot spelen voelde ik volstrekt geen +lust. Ik ging op een stoel zitten en verviel in diep gepeins. + +Mijn lot zou op dat oogenblik worden beslist. Wat zou het wezen? Ik +bibberde van koude en angst. + +Het onderhoud tusschen Vitalis en Barberin duurde geruimen tijd, +want meer dan een uur verliep er vóór hij bij mij in den tuin kwam. + +Eindelijk zag ik hem: hij was alleen. Kwam hij mij halen om mij aan +Vitalis te geven? + +--Kom, ga mede naar huis, sprak hij. + +Naar huis! Ik zou vrouw Barberin dus niet verlaten? + +Ik had het hem gaarne willen vragen, maar ik durfde niet, want hij +scheen in een kwade luim. + +Wij spraken onderweg geen woord. Maar even vóór wij de woning +bereikten, stond Barberin stil. + +--Gij begrijpt, zeide hij, terwijl hij mij weder bij mijn oor greep, +dat als gij een woord vertelt van hetgeen gij vandaag gehoord hebt, +dit u duur te staan zal komen; dus opgepast! + + + + +IV. + +HET OUDERLIJKE HUIS. + + +--Wel, vroeg vrouw Barberin, toen wij tehuis kwamen, wat heeft de +burgemeester gezegd? + +--Wij hebben hem niet gezien. + +--Hoe, hebt gij hem niet gezien! + +--Neen, ik heb eenige vrienden in _Notre-Dame_ aangetroffen en toen wij +daar vandaan kwamen, was het te laat; morgen zullen wij er heengaan. + +Barberin had dus voorgoed afgezien van zijn plan om mij aan den +hondenman te verkoopen. + +Onderweg had ik mezelf gedurig afgevraagd, of in dit naar huis +gaan niet de een of andere listige streek lag opgesloten; maar de +laatste woorden maakten een einde aan den twijfel, die nog bij mij +bestond. Daar wij den anderen morgen naar het dorp zouden terugkeeren +om den burgemeester te bezoeken, had Barberin zeker het voorstel van +Vitalis van de hand gewezen. + +Toch zou ik, ondanks de bedreigingen, zeker mijn vrees aan vrouw +Barberin hebben medegedeeld, als ik mij slechts een oogenblik met +haar alleen had bevonden, maar Barberin verliet den ganschen avond +zijn woning niet en ik begaf mij te bed, zonder dat de gelegenheid +waarop ik wachtte, zich had voorgedaan. + +Ik sliep in met de gedachte, dat ik den anderen morgen aan mijn hart +wel zou kunnen lucht geven. + +Maar toen ik den volgenden morgen opstond, was vrouw Barberin niet +te vinden. + +Toen ik haar in den omtrek van het huis zocht, vroeg Barberin wat +ik wilde. + +--Moeder. + +--Zij is naar het dorp en komt eerst van middag terug. + +Zonder te weten waarom, maakte die afwezigheid mij zeer ongerust. Zij +had den vorigen avond niet gezegd, dat zij naar het dorp zou +gaan. Waarom had zij niet op ons gewacht, daar wij toch ook denzelfden +weg gingen? Zou zij weder tehuis zijn vóór wij vertrokken? + +Een onbestemde vrees maakte zich van mij meester; zonder mezelf +rekenschap te geven van het gevaar dat mij dreigde, gevoelde ik toch +dat mij iets boven het hoofd hing. + +Barberin zag mij aan met een uitdrukking, die weinig geschikt was om +mij gerust te stellen. + +Daar ik dien blik niet langer wilde verdragen, ging ik in den tuin. + +Die tuin was niet groot; maar voor ons toch van veel waarde, want door +hem werden wij gevoed en behalve brood, kregen wij, er bijna alles +uit: aardappelen, boonen, kool, wortels en knollen. Geen plekje was +dan ook ongebruikt gebleven. Toch had vrouw Barberin mij een stukje +grond afgestaan, waarin ik een onnoemelijk aantal planten, kruiden en +verschillende soorten van mossen geplant had, die ik aan den rand van +het bosch of in de nabijheid der heggen had gezocht, terwijl ik onze +koe liet weiden en die ik dan des middags in mijn tuin overplantte. + +Het was volstrekt geen mooie tuin met fraai onderhouden paden en nette +bloemperken, waarin de zeldzaamste bloemen prijkten; zij, die hier +voorbijkwamen, zouden niet eens stilstaan om over de heg te gluren; +maar zooals hij was, had ik hem lief; hij was van mij; het was mijn +grond en mijn werk; ik kon er in doen wat ik wilde of mij inviel, +en wanneer ik er over sprak, wat wel twintigmaal daags gebeurde, +dan sprak ik altijd van "mijn" tuin. + +Den vorigen zomer had ik mijn kweekerij eerst aangelegd, dus eerst +tegen de lente zouden de bloemen uitkomen; sommige misschien reeds +bij het einde van den winter. + +Mijn nieuwsgierigheid werd dus in de hoogste mate opgewekt. + +De krokussen vertoonden reeds eenige gele knoppen en de madeliefjes +staken even hun kopje boven den grond, nog tusschen de bladeren +verscholen. + +Hoe zou dat alles in bloei staan? + +Daar ging ik iederen dag naar kijken. + +Maar er was nog een gedeelte van mijn tuin, dat ik elken dag met +nog grooter belangstelling, ja zelfs met een gevoel van spanning +bezocht. In dat gedeelte had ik een vrucht geplant, die ik gekregen +had en die in ons dorp maar weinig bekend was--peerappelen. Men had +mij verzekerd, dat zij veel beter bollen kreeg dan de aardappelen, +en de smaak aangenamer was dan die der artisjokken en knollen en +nog vele andere gewassen. Deze voorstelling had mij op de gedachte +gebracht om vrouw Barberin eene verrassing te bezorgen. Ik vertelde +haar niets van dit geschenk; ik plantte de bollen in mijn tuin; toen +zij begonnen uit te botten zeide ik, dat het bloemen waren, en wachtte +nu tot ik eindelijk op een mooien morgen, wanneer zij rijp waren, +van de afwezigheid van vrouw Barberin gebruik zou kunnen maken om +ze uit den grond te trekken en ze dan zelf te koken. Hoe? dat wist +ik niet, maar mijn verbeelding bekommerde zich niet over zulk eene +kleinigheid, en als vrouw Barberin weder tehuis zou zijn, wilde ik +ze haar bij het avondeten voorzetten. + +Wat zou ik haar dan verrassen! + +En wat zou ze in haar schik wezen! + +Want dan zouden wij een nieuw gerecht hebben, dat onze aardappelen +in alle opzichten kon vervangen en vrouw Barberin zou dan niet meer +gebukt behoeven te gaan onder den verkoop van onze _Roussette_. + +En de uitvinder van dit nieuwe gerecht zou ik zijn, ik Rémi; ik zou +dus ook nuttig wezen. + +Met zulke plannen in mijn hoofd was ik, dat valt te begrijpen, +bijzonder begaan met mijn bollen; iederen dag ging ik naar het plekje +waar ik ze geplant had, en in mijn oog was het of zij nooit zouden +uitkomen. + +Ik lag geknield op den grond, met mijn handen onder het hoofd en mijn +neus vlak op mijn knollen, toen ik plotseling op ongeduldigen toon +mij bij mijn naam hoorde roepen. Het was Barberins stem. + +Wat wilde hij van mij? + +Ik haastte mij om naar huis terug te keeren. + +Hoe groot was mijn verbazing toen ik bij den schoorsteenmantel +Vitalis en zijn honden zag staan. Ik begreep terstond wat Barberin +van mij wilde. + +Vitalis kwam mij halen en zeker had Barberin zijne vrouw uitgezonden +om geheel heer en meester te kunnen zijn. + +Ik besefte wel, dat Barberin volstrekt geen medelijden met mij +hebben zou, noch mij eenige hulp verleenen wilde; ik snelde dus naar +Vitalis toe. + +--Ach mijnheer, riep ik, neem mij, als je blieft, niet mede. + +En ik barstte in snikken los. + +--Kom, mijn jongen, zeide hij vriendelijk, gij zult niet ongelukkig bij +mij wezen; ik sla nooit kinderen en bovendien zullen mijn leerlingen +u gezelschap houden en zij zijn lang niet onaardig. Wie zoudt gij +betreuren? + +--Vrouw Barberin! vrouw Barberin! + +--In elk geval zoudt gij toch niet hier blijven, sprak Barberin, +terwijl hij mij ruw bij mijn arm greep; gij hebt te kiezen tusschen +dezen man en het gesticht. + +--Neen! vrouw Barberin. + +--Kom, gij begint mij te vervelen, zeide Barberin toornig; als gij wilt +dat ik u hier met stokslagen vandaan jaag, hebt gij het maar te zeggen. + +--Het kind wilde liever bij zijn moeder Barberin blijven, zeide +Vitalis; gij moet hem daarvoor niet slaan; het is een bewijs, dat +hij een hart heeft. + +--Als gij hem beklaagt, dan gaat hij nog harder schreeuwen. + +--Laten wij thans tot onze zaken overgaan. + +Terwijl hij dit zeide, wierp Vitalis acht stukken van vijf francs op +tafel, die Barberin met een enkele beweging van de hand in zijn zak +liet glijden. + +--Waar is het pakje? vroeg Vitalis. + +--Hier, gaf Barberin ten antwoord, terwijl hij hem een blauw geruiten +zakdoek overhandigde, waarvan de vier hoeken waren saamgeknoopt. + +Vitalis maakte ze los en onderzocht toen alles wat deze doek bevatte: +slechts twee hemden en een broek waren daarin. + +--Dat hebben we niet afgesproken, zeide Vitalis; gij moet mij al zijn +kleedingstukken geven en dit zijn eenige lompen. + +--Hij heeft niets anders. + +--Als ik het aan den knaap vroeg, zou hij zeggen, dat het een leugen +was. Maar ik wil daarover niet met u twisten. Ik heb geen tijd +daartoe. Ik moet weg. Kom ventje, hoe heet gij? + +--Rémi. + +--Kom Rémi, neem nu het pakje en ga vooruit, Capi. + +Ik stak eerst hem en daarop Barberin mijn hand toe, maar beiden +keerden het hoofd om en ik voelde dat Vitalis mij bij den pols greep. + +Ik moest loopen. + +O, mijn dierbaar huis! het was mij, toen ik den drempel overschreed, +of ik een gedeelte van mijn leven daar achterliet. + +Ontroerd wierp ik nog een blik om mij heen; mijn oogen vulden zich +met tranen toen ik niemand zag, aan wien ik hulp kon vragen; niemand +op weg, niemand in mijn onmiddellijke nabijheid. + +Ik riep: + +--Moeder, moeder Barberin! + +Maar niemand gaf eenig antwoord op mijn angstkreet, die in een snik +eindigde. + +Ik moest Vitalis volgen, die mijn pols niet had losgelaten. + +--Goede reis! riep Barberin. + +En hij ging weder in huis. Helaas! Er viel thans niets meer aan +te veranderen. + +--Kom Rémi, laten wij nu ook gaan, sprak Vitalis. En hij trok mij +bij den arm mede. + +Ik ging toen naast hem loopen. Gelukkig versnelde hij zijn pas niet +en ik geloof zelfs, dat hij hem naar mijn stap regelde. + +De weg, dien wij volgen moesten, was bergopwaarts en bij elke +kronkeling, die hij maakte, zag ik het huis van vrouw Barberin, maar +telkens al kleiner en kleiner. Menigmaal had ik dit pad beklommen en +ik wist dan ook, dat ik bij den laatsten hoek ons huis nog slechts +eenmaal zien zou en zoodra wij de vlakte bereikt hadden, dit geheel +uit het oog zou verliezen; ik zou het dan nooit wederzien en vóór mij +strekte zich het onbekende uit en achter mij lag het huis, waarin ik +tot op dezen dag gelukkig geweest was en dat ik nooit in mijn leven +weder betreden zou. + +Gelukkig moesten wij geruimen tijd klimmen; eindelijk bereikten wij +dan ook den top. + +Vitalis had mij steeds bij de hand gehouden. + +--Mag ik een oogenblik rusten? vroeg ik hem. + +--Met alle genoegen, mijn jongen. En voor de eerste maal liet hij +mijn hand los. + +Maar op hetzelfde oogenblik zag ik, dat hij zijn blik op Capi vestigde +en hem een teeken gaf, dat deze scheen te begrijpen. + +Capi deed als een herdershond: hij verliet terstond het hoofd van +zijn kudde en plaatste zich achter mij. + +Deze beweging was voldoende om mij het teeken te verklaren; Capi was +mijn bewaker; indien ik een poging deed om te ontsnappen, dan zou +hij zeker tegen mij opspringen. + +Ik zette mij op het gras en Capi volgde mij. + +Toen ik zat, was mijn eerste werk om met mijn betraande oogen het +huis van vrouw Barberin te zoeken. + +Aan onze voeten strekte zich het dal uit, waarin bosch en weiland +elkander afwisselden, en geheel in de diepte lag mijn ouderlijk huis, +de woning waarin ik was opgevoed. + +Zij was zeer gemakkelijk tusschen het geboomte te onderscheiden, +want een lichte rookwolk steeg uit den schoorsteen op en terwijl die +zich statig omhoog verhief, rees zij tot ons op. + +Was het verbeelding of werkelijkheid, maar het was mij of die rook +den geur der eikebladen met zich bracht, die gedroogd waren tusschen +de stapels takkenbossen, waarmede wij altijd het vuur aanmaakten; +het kwam mij voor of ik nog in het hoekje bij den haard zat op mijn +bankje met mijn voeten in de asch, terwijl de wind door den schoorsteen +gierde en de rook ons in het gelaat sloeg. + +Ondanks den afstand en de hoogte, waarop ik mij bevond, kon ik alle +voorwerpen duidelijk onderscheiden en hadden zij denzelfden vorm en +gedaante, maar eenigszins verkleind, behouden. + +Op den mesthoop liep onze kip heen en weer, de laatste, die ons was +overgebleven, maar zij had niet dezelfde grootte en als ik haar niet +zoo goed kende, zou ik haar voor een duif gehouden hebben. Achter het +huis zag ik den pereboom met zijn krommen stam, dien ik zoovele jaren +tot mijn paard gebruikt had. Verderop, naast de beek, die zich als een +zilveren lijn tusschen het donkere groen kronkelde, zag ik het kanaal +dat tot afleiding van het water diende en dat ik met zooveel moeite +gegraven had om mijn molenrad, dat ik zelf had gemaakt, in beweging te +brengen; helaas! het had, ondanks al mijn werk, nooit willen draaien. + +Alles stond op zijn gewone plaats, mijn kruiwagen en mijn ploeg, +die ik van een knoestigen boomtak gemaakt had en het konijnennest en +mijn tuin, mijn heerlijke tuin! + +Wie zou nu mijn mooie bloemen zien bloeien? Wie zou mijn peerappelen +rooien? Barberin zeker, die nare Barberin! + +Nog een stap verder en alles zou voor mijn oogen verdwenen zijn. + +Eensklaps ontdekte ik op den weg, die van het dorp naar het huis leidt, +heel in de verte een witte muts. Zij verdween achter een groep boomen, +maar kwam oogenblikkelijk weder te voorschijn. + +Zij was op zulk een afstand van mij, dat ik slechts de witte muts +onderscheiden kon, die als een vlinder met bleeke kleuren tusschen +de boomen fladderde. + +Maar er zijn oogenblikken in het leven, waarin het hart beter en verder +ziet dan de scherpste blik: ik herkende moeder Barberin; zij was het, +daar was ik zeker van; ik voelde dat zij het was. + +--Kom, zeide Vitalis, zullen we verder gaan? + +--Och mijnheer, als je blieft, nog niet. + +--Het is dan toch een leugen die men mij vertelt heeft; gij hebt geen +beenen: nu reeds moe te zijn; dat belooft niet veel goeds. + +Maar ik gaf geen antwoord, ik staarde slechts voor mij. + +Het was vrouw Barberin, het was haar muts, het was haar blauwe japon, +kortom zij was het. + +Zij liep snel voort, alsof zij haast had om thuis te komen. + +Toen zij het hek bereikt had, duwde zij het open en liep met groote +schreden de tuin door. + +Ik sprong plotseling van het gras op, zonder op Capi te letten, +die eveneens opsprong. + +Vrouw Barberin bleef niet lang in huis. Zij kwam spoedig weer uit de +deur en liep in den tuin heen en weer; zij zocht mij. + +Ik boog mij voorover en uit alle macht riep ik: + +--Moeder! + +Maar mijn stem kon niet tot haar doordringen, noch het kabbelen van +de beek overstemmen; zij ging in de lucht verloren. + +--Wat hebt gij? vroeg Vitalis, ik geloof, dat gij gek wordt. + +Zonder te antwoorden hield ik de oogen op vrouw Barberin gevestigd, +maar zij wist niet, dat ik zoo dicht bij haar was en zij zag niet +naar boven. + +Zij had nu den tuin ten einde geloopen en liet haar oog naar alle +kanten gaan. + +Ik riep nog luider, maar evenals de eerste maal, was het ook thans +tevergeefs. + +Vitalis giste toen de waarheid en beklom ook de helling. + +Hij bespeurde terstond de witte muts. + +--Arme jongen! fluisterde hij. + +--Och, als je blieft, riep ik, aangemoedigd door zijn medelijden, +laat mij toch teruggaan. + +Maar hij vatte mij bij de hand en liep den weg op. + +--Nu zijt gij uitgerust en kunnen we dus verder gaan. + +Ik wilde mij losrukken, maar hij hield mij stevig vast. + +--Capi! zeide hij, Zerbino! en de beide honden omringden mij. Capi +achter mij, Zerbino vooruit. + +Ik moest Vitalis dus wel volgen. + +Toen wij eenige schreden gedaan hadden, wendde ik het hoofd om. + +Wij daalden nu den heuvelrug af en ik kon noch het dal, noch mijn +woning meer zien; heel in de verte niets dan de blauwe heuvels, +die tot den hemel schenen te reiken: mijn blik verloor zich in de +oneindige ruimte. + + + + +V. + +OP REIS. + + +Wanneer men voor veertig francs kinderen koopt, ligt hierin nog niet +opgesloten, dat men een wildeman is en menschenvleesch opdoet om dat +te eten. + +Vitalis wilde mij niet opeten en--een zeldzame uitzondering bij een +handelaar in kinderen--hij was volstrekt geen slecht mensch! + +Hiervan kreeg ik weldra de ondervinding. + +Het was op de kruin van den berg, die de beddingen van de Loire en de +Dordogne van elkander scheidt, dat hij mijn hand gevat had en bijna +onmiddellijk begonnen wij langs de zuidelijke helling af te dalen. + +Toen wij ongeveer een kwartier geloopen hadden, liet hij mij los. + +--Nu kunt ge langzaam naast mij voortgaan, maar bedenk wel, dat, +als ge ontvluchten wilt, Capi en Zerbino u spoedig zouden hebben +ingehaald en zij scherpe tanden hebben. + +Dat het mij onmogelijk was om te ontvluchten, besefte ik volkomen en +evenzoo, dat het een vergeefsche poging wezen zou om het te beproeven. + +Een diepe zucht ontglipte me. + +--Gij schijnt u ongelukkig te gevoelen, dat begrijp ik en ik neem +het u niet kwalijk. Gij kunt gerust eens uitweenen, als ge daartoe +lust hebt. Maar wees er van overtuigd, dat ik u niet tot uw ongeluk +medeneem. Wat zou er van u geworden zijn? Waarschijnlijk zoudt ge +thans in het gesticht wezen. De menschen die u opgevoed hebben zijn +uw vader en moeder niet. Die vrouw is goed voor u geweest, zooals ge +zegt, en gij houdt van haar; het spijt u, dat gij haar verlaten moet; +dat is alles goed en wel; maar bedenk dat zij u niet bij zich zou +hebben kunnen houden tegen den wil van haar man. Die man is zoo wreed +niet als ge wel meent. Hij is arm; hij is afgetobt en kan niet meer +werken en hij heeft ingezien, dat hij niet van honger kan omkomen +om u te voeden. Begrijp van nu af aan, mijn jongen, dat het leven +dikwijls een strijd is, waarin men niet doen kan wat men wil. + +Dit was zeker zeer verstandig gesproken, of liever het getuigde van +veel ondervinding. Maar met dat al was het feit aanwezig dat meer +tot mijn hart sprak dan alle woorden--eene scheiding. + +Ik zou haar, die mij opgevoed had, die mij zoo menigmaal had +geliefkoosd, die ik beminde, niet terugzien--mijn moeder! + +En die gedachte kneep mij als het ware de keel toe. + +Toch liep ik naast Vitalis voort, telkens bij mezelf de woorden +herhalende, die hij gesproken had. + +Ongetwijfeld was dat alles de zuivere waarheid; Barberin was mijn +vader niet en er bestond geenerlei reden, die hem de verplichting +oplegde om ten gevalle van mij armoede te lijden: hij had mij bij +zich in huis genomen en mij opgevoed; zoo hij mij thans wegzond, +dan was dit, omdat hij mij niet langer bij zich houden kon. Wanneer +ik aan hem dacht, moest ik mij niet de laatste oogenblikken voor het +geheugen halen, maar de jaren die ik in zijn huis had doorgebracht. + +--Denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb, mijn jongen, herhaalde +Vitalis van tijd tot tijd, gij zult er met mij niet ongelukkiger +om wezen. + +Nadat wij een vrij steile helling waren afgedaald, hadden we een +groote vlakte bereikt, die, zoover ons oog reikte, zich voor ons +uitstrekte. Geen boomen, geen huizen. Een vlakte, slechts uit hei +bestaande en hier en daar afgewisseld door lage ruwe struiken, die, +wanneer de wind er langs streek, een golvende beweging maakten. + +--Gij ziet, sprak Vitalis, terwijl hij met zijn hand op de vlakte wees, +dat het vergeefsche moeite wezen zou, indien gij ontsnappen wildet, +gij zoudt terstond door Capi en Zerbino achterhaald worden. + +Ik dacht al niet meer aan ontvluchten. Waar zou ik heengaan? Bij wien? + +Bovendien zou die oude man met zijn grijzen baard misschien zoo +slecht niet wezen, als ik in het eerst gemeend had; en wanneer hij +mijn meester was, zou hij misschien geen hardvochtig man blijken. + +Geruimen tijd liepen wij over deze vlakte voort, omringd door niets +anders dan heidevelden, zoover ons oog reikte, en hier en daar eenige +heuvels met kale toppen. + +Ik had mij een gansch andere voorstelling van reizen gemaakt en als +ik somtijds in mijn kinderlijke droomen mijn dorp verlaten had, dan +was het om een fraaie landstreek te bezoeken, die in geenen deele +geleek op de werkelijkheid, welke zich thans aan mij voordeed. + +Het was voor de eerste maal, dat ik zulk een verren tocht maakte +zonder stil te houden. + +Mijn meester stapte regelmatig en met groote schreden door, terwijl +hij Joli Coeur op zijn schouder of op zijn reiszak droeg, en naast +hem trippelden rustig de honden. + +Van tijd tot tijd sprak Vitalis hun een vriendelijk woord toe, nu +eens in het fransch, dan weder in een taal, die ik niet verstond. + +Noch hij, noch zij dachten een oogenblik aan moeheid. Maar bij mij was +dit niet het geval. Ik was uitgeput. Mijn lichamelijke vermoeidheid +gevoegd bij mijn verdriet, had al mijn krachten geëischt. + +Ik sleepte mijn beenen voort en het kostte mij zelfs groote inspanning +om mijn meester te volgen. Toch durfde ik niet vragen om weder uit +te rusten. + +--Uw klompen maken u stellig moe, zeide hij, te Ussel zal ik schoenen +voor u koopen. + +Die woorden gaven mij nieuwen moed. + +Schoenen toch was altijd mijn vurigste verlangen geweest. De zoon +van den burgemeester en van den herbergier droegen schoenen, zoodat +zij des zondags, als zij in de mis kwamen, bijna onhoorbaar over +den steenen vloer liepen, terwijl wij, boeren, met onze klompen een +geweldig leven maakten. + +--Is Ussel nog ver? + +--Dat is een woord uit uw hart, antwoordde Vitalis lachend; gij wilt +dus gaarne schoenen hebben? Nu, ik beloof je ze, met spijkers in de +zolen zelfs. En ge zult ook een fluweelen broek krijgen en een jas en +een hoed. Dat zal uw tranen wel doen opdrogen, hoop ik, en uw beenen +geven, om de overige zes mijlen af te leggen. + +Schoenen met spijkers! Dat is heerlijk! Schoenen waren reeds voor mij +een wonder, maar toen ik van spijkers hoorde, vergat ik mijn verdriet. + +Neen, zeker mijn meester was geen slecht mensch. + +Zou een slecht mensch er aan gedacht hebben, dat mijn klompen mij +konden hinderen? + +Schoenen. Schoenen met spijkers! Een fluweelen broek! Een jas! Een +hoed! + +O, als vrouw Barberin mij zag, wat zou zij dan in haar schik wezen, +wat zou zij trotsch op mij zijn! + +Hoe jammer dat Ussel nog zoo veraf was. + +Ondanks de schoenen en den fluweelen broek, die aan het eind der zes +mijlen mijn loon zouden zijn, scheen het mij toch nog een geduchte +wandeling toe. + +Gelukkig kwam het weer mij te hulp. + +De hemel, die sedert ons vertrek onbewolkt was geweest, begon +langzamerhand te betrekken en weldra viel een motregen, die wel niet +zou ophouden. + +De schapevacht beschutte Vitalis voldoende en zij kon ook Joli-Coeur +beschermen, die bij den eersten droppel terstond zijn schuilplaats had +opgezocht. Maar de honden en ik, die geen mantel of iets dergelijks +hadden, waren weldra druipnat; de dieren konden zich van tijd tot +tijd nog eens afschudden, maar dit middel stond mij niet ten dienste: +ik moest voortloopen onder een vracht, die mij bijna verpletterde en +mij ijskoud maakte. + +--Zijt gij spoedig verkouden? vroeg hij mij. + +--Dat weet ik niet, ik geloof niet, dat ik ooit verkouden was. + +--Goed, goed; er is toch iets goeds in u. Maar ik wil u niet noodeloos +blootstellen; wij zullen vandaag niet verder gaan. Daar ginds ligt +een dorp en daar zullen wij den nacht doorbrengen. + +Maar er was geen herberg in dat dorp en niemand wilde een onderkomen +geven aan een zwerveling, die een kind en drie vuile honden bij +zich had. + +--Wij hebben geen slaapplaats, zeide men, en men wierp de deur voor +onzen neus dicht. Wij gingen van het eene huis naar het andere, +zonder dat iemand ons opende. + +Zouden wij dan toch genoodzaakt wezen om zonder even te rusten, +de vier mijlen af te leggen, die ons nog van Ussel scheidden? Het +werd nacht en de regen deed ons verstijven; het was of mijn beenen +stokstijf zouden blijven staan. + +O, dat heerlijk huis van moeder Barberin! + +Eindelijk wilde een boer, die wat menschlievender was dan de anderen, +ons wel zijn schuur afstaan. Maar voor hij ons binnenliet, stelde +hij tot voorwaarde, dat wij geen licht mochten aansteken. + +--Geef mij uw lucifers, zeide hij tot Vitalis, ik zal ze u morgen, +bij uw vertrek, teruggeven. + +Wij hadden nu ten minste een dak, dat ons beschutten kon en de regen +zou niet op ons nedervallen. + +Vitalis was een bedachtzaam man, die zonder de noodige levensbehoeften +nooit op reis zou gaan. In den ransel, dien hij op zijn rug droeg, +had hij een groote snede brood, die hij in vier stukken brak. + +Toen zag ik voor de eerste maal hoe hij gehoorzaamheid en tucht wist +te handhaven. + +Terwijl wij van de eene deur naar de andere dwaalden, om een +nachtverblijf te zoeken, was Zerbino een huis binnengeloopen, waaruit +hij terstond weder te voorschijn was gekomen met een korst brood in +zijn bek. Vitalis had toen maar één woord gezegd. + +--Denk er aan. Tot vanavond, Zerbino. + +Ik dacht niet meer aan den diefstal, tot op het oogenblik, dat mijn +meester het brood verdeelde. Zerbino liet den kop hangen. + +Wij waren op twee bossen varen naast elkander gezeten met Joli-Coeur +tusschen ons; de drie honden lagen voor ons uitgestrekt. Capi en +Dolce hielden de oogen strak op hun meester gevestigd. + +Zerbino daarentegen lag met zijn kop op den grond en met hangende +ooren. + +--Laat de dief zich verwijderen, zeide Vitalis op bevelenden toon, +en in een hoek gaan liggen; hij gaat zonder eten naar bed. + +Zerbino verliet terstond zijn plaats en kroop in den hoek, dien zijn +meester hem aanwees; hij ging onder een hoop stroo liggen en wij +zagen hem niet meer, maar hoorden hem telkens zacht kreunen. + +Toen dit gebeurd was, reikte Vitalis mij het brood en terwijl hij +het zijne at, deelde hij aan Joli-Coeur, Capi en Dolce hun porties uit. + +De laatste maanden was ik bij vrouw Barberin niet verwend; toch scheen +deze verandering mij zeer wreed. + +Hoe heerlijk was het hoekje bij den haard; met welk een genot zou +ik onder mijn lakens gekropen zijn, terwijl ik het dek over mijn +neus haalde! + +Maar helaas! er kon geen sprake zijn van lakens of van dek en wij +mochten blijde wezen, dat wij een ligplaats van stroo hadden. + +Uitgeput van vermoeienis, met voeten als versteend, rilde ik van +koude in mijn natte kleederen. + +Het was nu donker en nacht geworden, maar ik dacht niet aan slapen. + +--Uw tanden klapperen, zeide Vitalis, hebt gij het koud? + +--Een beetje. + +Ik hoorde, dat hij zijn zak opende. + +--Ik bezit geen fraaie garderobe, vervolgde hij, maar hier hebt gij +een droog hemd en een jas waarin gij u wikkelen kunt, wanneer ge +u van uw natte kleederen hebt ontdaan; gij moet dan maar onder het +stroo kruipen en ik wed, dat gij wel warm zult worden en inslapen. + +Toch werd ik niet zoo spoedig warm, als Vitalis wel had gemeend; +nog langen tijd lag ik te woelen en mij op mijn stroo te keeren en +te wenden, te pijnlijk en te ongelukkig om in slaap te geraken. + +Zou het voortaan iederen dag zoo wezen? Zonder ooit te rusten in den +regen loopen, in een schuur slapen, van koude bibberen en tot avondeten +niets anders krijgen dan een stukje droog brood, en niemand om mij +te beklagen, niemand om mij lief te hebben, geen moeder Barberin? + +Terwijl ik hierover lag te peinzen met een bezwaard gemoed en de +oogen vol tranen, voelde ik eensklaps een warmen adem over mijn +gelaat glijden. + +Ik strekte de hand uit en voelde het kroezige haar van Capi. + +Hij was mij stil genaderd en kroop behoedzaam voort tusschen de varen; +hij snoof zachtkens; zijn adem streek mij langs het gelaat en over +mijn haren. + +Wat wilde hij? + +Hij strekte zich op het stroo uit en begon mijn hand te likken. + +Getroffen door deze liefkoozing, richtte ik mij half op en drukte +hem een kus op zijn kouden neus. + +Hij gaf een onderdrukten kreet en legde toen eensklaps zijn poot in +mijn hand, zonder zich verder te bewegen. + +Ik vergat toen mijn vermoeidheid en mijn verdriet; mijn toegeknepen +keel ontspande zich weder; ik haalde weer adem; ik was niet meer +alleen: ik had een vriend. + + + + +VI. + +MIJN EERSTE OPTREDEN. + + +Den anderen morgen begaven wij ons reeds vroeg op weg. + +Het regende niet meer; het was een effen blauwe lucht, en, dank zij +den harden wind, die gedurende den nacht was opgestoken, waren de +wegen vrij schoon. De vogels zongen lustig in het geboomte en de +honden sprongen vroolijk om ons heen. Van tijd tot tijd zette Capi +zich op zijn achterpooten en blafte mij aan; ik begreep zeer goed +wat dit te beduiden had. + +--Houd maar moed, houd maar moed, beteekende het. + +Want hij was een zeer verstandige hond, die alles begreep en zich zeer +verstaanbaar wist te maken. Dikwijls heb ik hooren beweren, dat hem het +spreken slechts ontbrak. Maar dat heb ik nooit gedacht. In zijn staart +alleen had hij meer geest en welsprekendheid dan vele menschen in hun +tong of oogen. In ieder geval hebben wij nooit aan woorden behoefte +gevoeld; van den eersten dag af, hebben we elkander terstond begrepen. + +Daar ik nooit mijn dorp verlaten had, was ik zeer nieuwsgierig om +een stad te zien. + +Ik moet evenwel bekennen, dat Ussel mij in het minst niet trof. De +oude huizen met hun torentjes, die zeer waarschijnlijk oudheidkundigen +in verrukking zouden brengen, lieten mij geheel onverschillig. + +Het is waar, ik zocht in die huizen ook volstrekt niet het +schilderachtige. + +Eén gedachte slechts bezielde mij: voor niets anders had ik oogen +dan voor een schoenmakerswinkel. + +Mijn schoenen, de schoenen, die Vitalis mij beloofd had, zouden thans +spoedig aan mijn voeten zijn. + +Waar was de heerlijke winkel, die ze mij leveren zou? + +Dien winkel zocht ik: het overige, torens, daken en gevels, niets +boezemde mij eenig belang in. + +Het eenige wat ik mij dan ook van Ussel nog herinner, is die sombere +bedompte winkel in de nabijheid van de markt. Voor de deur stonden +oude geweren, een jas met zilveren epauletten, eenige lampen en een +groote mand met een menigte verroeste sloten en sleutels. + +Wij moesten drie trapjes afdalen om in den winkel te komen; wij +kwamen toen in een groot vertrek, waarin het zonlicht stellig nooit +was doorgedrongen, sedert het dak op het huis gezet was. + +Hoe was het mogelijk, dat zulke fraaie dingen als schoenen op zulk +een afschuwelijke plaats verkocht werden! + +Vitalis wist echter best wat hij deed, toen hij dezen winkel uitkoos +en spoedig smaakte ik het genot van schoenen met spijkers te mogen +aantrekken, die wel tienmaal zoo zwaar wogen als mijn klompen. + +Hiertoe bepaalde zich de edelmoedigheid van mijn meester niet; +hij kocht mij een blauw fluweelen jas, een bombazijnen broek en een +kastoren hoed; kortom alles wat hij mij beloofd had. + +Ik zou een fluweelen jas krijgen, ik, die tot nu toe niets dan katoen +had gedragen, en schoenen, en een hoed! en ik had tot hoofddeksel +nooit anders dan mijn haren gehad; hij was bepaald de beste man der +wereld, ongetwijfeld de edelste en rijkste. + +Het fluweel was, wel is waar, eenigszins vergaan en het bombazijn +wat versleten; ook kon men moeielijk de kleur meer onderscheiden +van het kastoor, zoozeer had het door den regen en het stof geleden; +maar verblind door zooveel pracht, was ik ongevoelig voor de gebreken, +die zich onder den glans verscholen. Ik verlangde vurig om die nieuwe +kleederen aan te trekken, maar vóór ik ze aantrok deed Vitalis ze +een verandering ondergaan, die mij innig leed deed. + +Toen wij in de herberg terugkwamen, haalde hij een schaar uit zijn +tasch te voorschijn en sneed de beide pijpen van mijn broek af, +ongeveer op de hoogte van de knieën. + +Terwijl ik hem met verbazing gadesloeg, zeide hij: + +Dit is het eenige middel om u niet op iedereen te doen gelijken. Wij +zijn in Frankrijk en nu kleed ik u als een Italiaan; wanneer wij +naar Italië gaan, wat zeer wel mogelijk is, dan kleed ik u als een +Franschman. + +Deze uitlegging deed mij niet van mijn verbazing bekomen. + +--Wat zijn wij? Kunstenmakers niet waar? komediespelers, die door hun +uiterlijk de aandacht moeten trekken. Meent gij, dat wanneer wij zoo +straks als eerzame burgers gekleed naar de een of andere publieke +plaats gaan, iemand voor ons zou blijven stilstaan om ons aan te +kijken? Neen, niet waar? Weet, dat in het leven schijn dikwijls +noodzakelijk is; 't is jammer, maar wij kunnen er niets aan doen. + +Zoo veranderde ik dus van een Franschman, die ik 's morgens was, +'s avonds in een Italiaan. + +Mijn broek reikte slechts tot aan mijn knieën; Vitalis bond daaronder +mijn kousen vast met roode banden, die verscheidene malen over mijn +beenen werden gekruist; ook mijn hoed werd met gekleurd lint en eenige +gemaakte bloemen versierd. + +Ik weet niet wat anderen over mij gedacht zullen hebben, maar ik +moet eerlijk bekennen, dat ik me zelf prachtig vond; en dat moest ook +wel zoo zijn, want mijn vriend Capi, na mij geruimen tijd te hebben +opgenomen, reikte mij zeer voldaan een poot. + +De goedkeuring, welke Capi aan mijn gedaanteverwisseling schonk, +deed mij vooral genoegen, omdat Joli-Coeur, terwijl ik mij in mijn +pakje stak, vóór mij op den grond was gaan liggen en aanhoudend mijn +gebaren in het overdrevene had nagebootst. Toen mijn toilet gemaakt +was, had hij zijn voorpooten in de zijde gezet, zijn kop in den hals +geworpen en telkens een spottend gelach doen hooren. + +Ik heb meermalen hooren zeggen, dat het een wetenschappelijk vraagstuk +is of apen kunnen lachen. Ik denk dat zij, die zulk een vraag gesteld +hebben, kamergeleerden waren, die nooit een aap hebben bestudeerd. + +Ik voor mij, die jarenlang een zeer vertrouwelijken omgang met +Joli-Coeur gehad heb, durf gerust beweren, dat zij wel degelijk lachen, +dikwijls zelfs op een wijze, die mij geducht ergeren kon. Zijn lach was +wel niet precies dezelfde als die van een mensch, maar wanneer de een +of andere gebeurtenis zijn vroolijkheid opwekte, trok hij de hoeken +van zijn mond naar achteren en zijn oogen samen; zijn kaken gingen +dan snel op en neêr en zijn zwarte oogen schenen vuur te schieten, +alsof het doove kolen waren, die men aanblies. + +Zelfs bemerkte ik al spoedig, dat hij die eigenaardige teekenen +van lachen vertoonde, bij gelegenheden die zeer pijnlijk voor mijn +eigenliefde waren. + +--Nu uw toilet in orde is, sprak Vitalis, terwijl ik mijn hoed opzette, +zullen wij aan het werk gaan, om morgen met den marktdag eene groote +voorstelling te geven, waarbij gij voor de eerste maal zult optreden. + +Ik vroeg wat optreden was, en Vitalis legde mij toen uit, dat dit +was voor de eerste maal als tooneelspeler in het publiek verschijnen. + +--Morgen zullen we onze eerste voorstelling geven, zeide hij, en daarin +zult gij optreden. Gij moet dus de rol, die ik voor u bestemd heb, +eerst repeteeren. + +Mijn verbaasde blik zeide hem, dat ik niets van dat alles begreep. + +--Men verstaat onder een rol, al datgene wat men gedurende een +voorstelling te doen heeft. Ik heb u niet medegenomen louter en +alleen om u eene pleizierige wandeling te bezorgen. Daar ben ik niet +rijk genoeg toe. Gij moet werken. En uw werk bestaat daarin, dat gij +tooneelvoorstellingen met mijn honden en Joli-Coeur geeft. + +--Maar ik kan geen komedie spelen! riep ik verschrikt uit. + +--Juist daarom zal ik het u leeren. Gij begrijpt toch wel dat Capi +niet van nature zoo bevallig op zijn beide achterpooten loopt, evenmin +als Dolce voor haar pleizier touwtje springt. Capi heeft het geleerd +om op zijn achterste pooten te staan en Dolce heeft touwtje leeren +springen; zij hebben zelfs hard en lang moeten werken om deze talenten +te verkrijgen, evenals om bekwame tooneelspelers te wezen. Welnu, +gij moet ook werken, om de verschillende rollen te leeren, die gij +met hen te vervullen hebt. Laten we dus beginnen. + +Ik had in dien tijd zonderlinge begrippen van werken. Ik meende, +dat werken bestond in den grond om te spitten, of een boom te kappen, +of steenen te bikken en kon mij geen andere bezigheden voorstellen. + +--Het stuk, dat wij zullen geven, vervolgde Vitalis, heet _De knecht +van den heer Joli-Coeur of de domste van de twee is niet dien men +denkt_. Ik zal u het onderwerp mededeelen: De heer Joli-Coeur heeft +tot nogtoe een knecht gehad, over wien hij zeer tevreden was, dat is +Capi. Maar Capi wordt oud; en van den anderen kant wil ook de heer +Joli-Coeur wel een nieuwen bediende. Capi neemt het op zich om hem +een ander te bezorgen. + +Maar het zal geen hond zijn, dien hij hem tot opvolger geeft: het +zal een knaap wezen, een boer, Rémi genaamd. + +--Zooals ik? + +--Neen, niet zooals gij, maar gij zelf. Gij hebt uw dorp verlaten om +in dienst te treden van Joli-Coeur. + +--Apen hebben geen bedienden. + +--In een komedie wel. Gij meldt u dus aan, maar de heer Joli-Coeur +vindt dat ge er te dom uitziet. + +--Dat is niet prettig. + +--Wat doet er dat toe, het is immers gekheid? Stel u dus voor, dat ge +werkelijk bij een heer uw dienst komt aanbieden en dat men u beveelt, +de tafel te dekken. Hier staat er juist een die in onze voorstelling +gebruikt kan worden. Ga dus uw gang. + +Op die tafel lagen borden, een glas, een vork, een roes en servetten. + +Hoe moest men dat alles leggen? + +Terwijl ik hierover stond na te denken en de armen slap langs mijn +lijf liet hangen, een weinig voorovergebogen en met half geopenden +mond, niet wetende, waarmede te beginnen, klapte mijn meester in de +handen en riep lachend uit: + +--Bravo! Bravo! dat is uitmuntend. Uw mimiek is uitstekend. De knaap, +dien ik vóór u had, zette een slim gelaat, dat duidelijk te kennen gaf: +"gij zult eens zien hoe dom ik wezen kan." Gij daarentegen zegt niets +en uw ongekunsteld gezicht is bewonderenswaardig. + +--Ik weet niet wat ik doen moet. + +--Juist daarom is uw spel zoo goed. Morgen, binnen weinige dagen, +dan zult gij wel weten, wat gij doen moet; maar dan moet gij u de +verlegenheid herinneren, waarin gij thans verkeert en veinzen hetgeen +gij dan niet meer gevoelt. Als gij dan deze uitdrukking en houding +kunt aannemen, dan voorspel ik u een prachtig succès: Wat moet gij +in mijn stuk voorstellen? Een boerenknaap, die niets gezien heeft en +niets weet; deze komt bij een aap en hij is veel onhandiger en veel +onwetender dan de aap, vandaar de tweede titel. "_De domste van de +twee is niet dien men denkt._" Dommer te zijn dan Joli-Coeur, dat +is uw rol; om die nu goed te vervullen, behoeft ge slechts te wezen, +zooals ge thans zijt; maar daar dit op den duur onmogelijk is, moet +ge u voor den geest brengen wat gij geweest zijt en met eenige kunst +worden, wat gij van nature niet meer wezen zult. + +_De knecht van den heer Joli-Coeur_ was geen groot stuk en de +voorstelling duurde niet langer dan twintig minuten. Maar voor onze +repetitie waren drie uur noodig; Vitalis liet ons twee-, vier-, +ja tienmaal hetzelfde overdoen, zoowel de honden als mij. + +Deze toch hadden gedeelten van hun rol vergeten en moesten die thans +opnieuw leeren. + +De zachtheid en het geduld, die mijn meester hierbij aan den dag legde, +verbaasde mij ten sterkste. Zoo behandelde men de dieren niet in ons +dorp, waar vloeken en slaan het eenige middel was, dat men tot hun +opvoeding aanwendde. + +Hij maakte zich, gedurende deze lange repetitie, geen enkele maal boos; +hij vloekte in het geheel niet. + +--Laten wij nog maar eens beginnen, zeide hij op ernstigen toon, +wanneer hetgeen hij gevraagd had niet gelukt was; dat is niet goed, +Joli-Coeur; gij Capi, gij let niet op, ik zal u moeten beknorren. + +Dat was alles; maar toch was het genoeg. + +--Welnu, vroeg hij mij, toen de repetitie geëindigd was, gelooft gij, +dat gij aan het komedie spelen gewoon zult raken? + +--Ik weet het niet. + +--Verveelt het je? + +--Neen, integendeel. + +--Dan zal het wel gelukken; gij hebt geest en wat nog meer waard is, +gij zijt oplettend; met oplettendheid en ijver komt men er altijd. Zie +mijn honden eens en vergelijk ze met Joli-Coeur. Joli-Coeur is +misschien levendiger en verstandiger, maar hij heeft geen ijver. Hij +neemt gemakkelijk aan wat men hem leert, maar hij vergeet het even +spoedig. Bovendien doet hij het ook nooit met hart en ziel; gaarne zou +hij zich altijd verzetten en altijd wil hij het tegenovergestelde. Dat +is zoo zijn natuur en daarom word ik ook nooit boos op hem; de aap +heeft niet, zooals de honden, een geweten dat hem gebiedt zijn plicht +te doen, en daarom staat hij veel lager dan zij. Begrijpt gij dat? + +--Ik geloof het wel. + +--Wees dus oplettend, mijn jongen, en ijverig; doe hetgeen gij +doen moet, altijd zoo goed mogelijk. Daarop slechts komt het in het +leven aan. + +Terwijl hij zoo tot mij sprak, waagde ik het hem te zeggen, wat mij het +meest onder de repetitie verwonderd had: zijn onuitputtelijk geduld, +waarvan hij het bewijs had gegeven, zoowel met Joli-Coeur en de honden +als met mij. + +Hij glimlachte toen even. + +--Men kan wel zien, dat gij tot nogtoe slechts met boeren geleeft +hebt, die hun dieren zeer wreed behandelen en die meenen, dat men ze +slechts met stokslagen regeeren kan. Dat is een zeer groote dwaling: +door geweld krijgt men weinig gedaan, terwijl men met zachtheid alles +overwint. Ik heb van mijn dieren juist door een zachte behandeling +gemaakt wat ze thans zijn. Als ik ze geslagen had, zouden zij bang +voor mij wezen en de vrees benevelt het verstand. Bovendien zou ik, +wanneer ik driftig werd, niet wezen wie ik ben en ik zou thans niet +dat onuitputtelijk geduld bezitten, dat mij uw vertrouwen heeft +doen winnen. Hij, die anderen onderwijst, onderwijst tevens zich +zelf. Mijn honden hebben mij evenveel lessen gegeven als zij van mij +ontvangen hebben. Ik heb hun verstand ontwikkeld, zij hebben mijn +karakter gevormd. + +Hetgeen ik hoorde scheen mij uiterst zonderling toe, en ik kon niet +nalaten er om te lachen. + +--Gij vindt dat zeer zonderling, niet waar, dat een hond een mensch +kan leeren? En toch is het waar. Denk maar eens na: Neemt gij aan, +dat een hond onder den invloed van zijn meester staat? + +--O, zeer zeker. + +--Dan zult gij ook begrijpen, dat de meester verplicht is over +zich zelf te waken, wanneer hij de opvoeding van een hond op zich +neemt. Stel u maar eens voor, dat ik op een oogenblik, terwijl ik Capi +onderwijs gaf, mij zelf vergat en driftig werd. Wat zou Capi doen? Hij +zou eveneens driftig en boos worden. Dat wil zeggen, dat hij mijn +voorbeeld zou volgen, en hij zou glad bedorven worden. De hond is +bijna altijd het evenbeeld van zijn meester; wie den een ziet ziet +den ander. Laat mij uw hond zien, dan zal ik zeggen wie ge zijt. De +hond van een roover is een nijdig dier, die van een dief steelt; +de domme boer heeft een hond zonder begrip, maar de beschaafde, +wellevende man heeft een vriendelijken, verstandigen hond. + +Mijn makkers, de honden en de aap, hadden dit op mij vooruit, dat +zij gewoon waren om voor het publiek op te treden, zoodat zij den +anderen dag zonder eenige vrees tegemoet zagen. Voor hen was het niet +anders dan iets te doen, wat zij reeds honderdmaal, ja duizendmaal +verricht hadden. + +Maar ik voor mij deelde die heerlijke onbezorgdheid niet. Wat zou +Vitalis wel zeggen, als ik slecht speelde? Wat zouden de toeschouwers +zeggen? + +Deze gedachten beletten mij den slaap te vatten en toen ik insliep, +zag ik in mijn droom verscheidene menschen, die bijna omvielen van +het lachen. + +Ook gevoelde ik mij den anderen dag zeer zenuwachtig, toen wij de +herberg verlieten om naar de markt te gaan, waar onze voorstelling +zou plaats vinden. + +Vitalis opende den stoet; met het hoofd fier omhoog, de borst vooruit, +gaf hij met zijn armen en beenen den pas aan, terwijl hij een wals +speelde op een metalen fluitje. + +Achter hem liep Capi, op wiens rug de heer Joli-Coeur stond, in het +kostuum van een engelsch generaal met een roode broek en rok, welke met +goud waren afgezet en een hoed met een breeden rand en een witte pluim. + +Verder op eerbiedigen afstand volgden naast elkander Zerbino en Dolce. + +Ik sloot den optocht, die, dank zij den afstand, welken de meester +ons had aangewezen, een vrij groote lengte in de straat besloeg. + +Maar hetgeen nog meer de aandacht trok dan ons luisterrijk gezelschap, +waren de doordringende tonen van de fluit die tot in het achtergedeelte +der huizen de nieuwsgierigheid der bewoners wekten. Men snelde naar +de deur om ons te zien en alle gordijnen werden opgetrokken. + +Eenige kinderen begonnen ons te volgen, verscheidene verbaasde boeren +voegden zich bij hen en toen wij de markt hadden bereikt, hadden wij +een ganschen troep achter ons. + +Ons tooneel was spoedig opgeslagen; het bestond slechts uit een touw, +dat aan vier boomen werd vastgemaakt, zoodat het een langwerpig +vierkant vormde, in welks midden wij ons plaatsten. + +Het eerste gedeelte der voorstelling bestond uit verschillende toeren +door de honden uitgevoerd; maar welke deze toeren waren, zou ik zelf +niet weten te zeggen, daar ik te zeer vervuld was met mijn rol en in +de grootste onrust verkeerde. + +Alles wat ik mij herinner is, dat Vitalis niet meer op zijn fluit +speelde, maar die met een viool verwisseld had, waarmede hij de +oefeningen der honden begeleidde, en waarop hij nu eens dansmuziek, +dan weder lieve, vroolijke deuntjes speelde. + +De menigte was al spoedig tot aan het koord doorgedrongen, en wanneer +ik meer werktuigelijk dan wel met een bepaalde bedoeling om mij heen +blikte, dan zag ik dat aller oogen op ons waren gevestigd. + +Toen het eerste stuk geëindigd was, nam Capi een houten bakje in +zijn bek en deed hij op zijn achterste pooten de ronde bij het +"geachte publiek." Wanneer er geen centen in het bakje vielen, dan +zette hij dit eerst op den grond buiten het bereik der omstanders en +legde vervolgens zijn beide pooten op den weerspannigen toeschouwer, +blafte eenige malen en klopte zachtjes op diens zak, alsof hij dezen +wilde openen. Onder het publiek ging dan een algemeen gelach op en +ieder deelde in die vroolijkheid. + +--Het is een slimme poedel; hij weet wiens zak het best gevuld is. + +--Kom, steek uw handen in uw zak. + +--Hij zal wat geven! + +--Neen hij geeft niets! + +--Uit de erfenis van uw oom zult gij het terugkrijgen. + +Eindelijk kwam het geld dan ook te voorschijn uit het alleronderste +puntje van den zak. + +Intusschen hield Vitalis, zonder een woord te spreken, aanhoudend +zijn blik op het bakje gericht en speelde eenige vroolijke deuntjes +op zijn viool, die hij volgens de maat op en neer bewoog. + +Capi kwam weldra bij zijn meester terug, terwijl hij het bakje +zegevierend in de hoogte hield. + +Nu was het de beurt van Joli-Coeur en van mij om op te treden. + +--Dames en heeren, zeide Vitalis, terwijl hij met de eene hand +zijn strijkstok zwaaide en met de andere met zijn viool eenige +bewegingen maakte, onze voorstelling zal besloten worden door een +fraai tooneelstuk, getiteld: _De knecht van den heer Joli-Coeur of de +domste van de twee is niet dien men denkt_. Een man, zoo als ik ben, +vernedert zich niet om vooruit zijn stukken en zijn tooneelisten te +prijzen; ik zeg slechts: zie goed toe, open de oogen wijd en maakt +uwe handen vast klaar om te applaudisseeren. + +Hetgeen hij een fraai tooneelstuk noemde, was in werkelijkheid +een pantomime; dat wil zeggen een stuk, dat met gebaren en zonder +woorden gespeeld wordt. En dat moest ook zoo zijn, daar twee der +hoofdpersonen, Joli-Coeur en Capi, niet konden spreken en de derde, +(ik zelf) niet in staat zou geweest zijn twee woorden te uiten. Tot +opheldering van het stuk en om het spel der acteurs gemakkelijker te +maken, laschte Vitalis van tijd tot tijd een woordje er in, dat een +verklaring gaf aan de verschillende toestanden. Zoo ook speelde hij +zachtkens een krijgsmarsch bij het optreden van den heer Joli-Coeur +als engelsch generaal, die zijn rang en zijn fortuin door een oorlog +in Indië verworven had. Tot heden had de heer Joli-Coeur geen anderen +knecht dan Capi, maar hij wilde liever een oppasser, daar zijn middelen +hem deze kleine weelde veroorloofden; de dieren zijn lang genoeg de +slaven der menschen geweest; het werd dus hoog tijd, dat hij hierin +eene verandering bracht. + +Terwijl hij op de komst van dien oppasser wachtte, liep de generaal +in zijn kamer op en neer en rookte een sigaar. Men moest eens zien +welke rookwolken hij het publiek in het gelaat blies. + +De generaal werd ongeduldig en rolde met zijn oogen, als iemand die +op het punt is in drift uit te barsten; hij beet op zijn lippen en +stampte met zijn pooten op den grond. + +Toen hij voor de derde maal stampte, moest ik met Capi binnen komen. + +Al zou ik mijn rol vergeten zijn, dan zou de hond mij die wel hebben +herinnerd. Op het gegeven oogenblik, strekte hij zijn poot naar mij +uit en bracht hij mij bij den generaal. + +Toen deze mij zag, hief hij zijne beide handen wanhopend ten +hemel. Wat, moest dit zijn knecht worden? Hij bekeek mij toen +nauwkeuriger en liep eenige malen schouderophalend om mij heen. + +De uitdrukking van zijn gelaat was zoo dwaas, dat het geheele publiek +schaterde van lachen: men begreep dat hij mij voor een grooten domkop +hield; ook het publiek verkeerde in dien waan. + +Het stuk was er natuurlijk geheel op ingericht om aan het publiek +mijne domheid te doen zien; in ieder tooneel moest ik de eene of andere +onhandigheid begaan, terwijl Joli Coeur daarentegen telkens gelegenheid +moest vinden om zijn verstand en slimheid aan den dag te leggen. + +Toen hij mij langen tijd had aangestaard nam de generaal mij uit +medelijden in dienst en beval hij mij zijn tafel te dekken. + +--De generaal gelooft dat de knaap minder dom zal wezen, als hij wat +gegeten heeft, zeide Vitalis; wij zullen eens zien of dit zoo is. + +Ik plaatste mij aan een tafeltje, waarop alles gereed stond. + +Wat moest ik met een servet doen? + +Capi maakte mij duidelijk, dat ik mij bedienen moest. + +Maar hoe? + +Toen ik lang er over gedacht had, snoot ik mijn neus er in. + +De generaal barstte toen in een hartelijken lach los en Capi viel op +den grond en spartelde met zijn pooten in de lucht, uit ergernis over +mijn domheid. + +Toen ik zag, dat ik mij vergiste, bekeek ik weder het servet en vroeg +mezelf af, op welke wijze ik het gebruiken moest. + +Eindelijk schoot mij iets te binnen; ik rolde het servet op en bond +het als een das om mijn hals. + +Wederom begon de generaal te lachen en Capi viel nogmaals op den grond. + +En zoo vervolgens tot op het oogenblik, dat de generaal wanhopend +mij van mijn stoel rukte, op mijn plaats ging zitten en het eten, +dat voor mij bestemd was, opat. + +O, _hij_ wist wel wat hij met een servet moest doen. Hoe netjes maakte +hij het in het knoopsgat van zijn uniform vast en spreidde hij het +over zijn knieën uit. Hoe keurig brak hij zijn brood en dronk hij +zijn glas leeg. + +Maar dan vooral maakten zijn fijne vormen een onweerstaanbaren indruk, +wanneer hij na afloop van het dejeuné een tandenstoker vroeg en +daarvan een behendig gebruik maakte. Dan barstten van alle zijden de +toejuichingen los en de voorstelling eindigde met een waren triomf. Hoe +verstandig was de aap, hoe dom de knecht! + +Toen wij in onze herberg terugkwamen, maakte Vitalis mij zijn +compliment en ik was zulk een komediant, dat ik trotsch was op zijn +lofspraak. + + + + +VII. + +IK LEER LEZEN. + + +Ongetwijfeld bestond het gezelschap van den heer Vitalis uit +voortreffelijke tooneelspelers--ik spreek hier van zijn honden en +aap--, maar zij bezaten geen groote verscheidenheid van gaven. + +Wanneer zij drie of vier voorstellingen gegeven hadden, kende men +hun gansche repertoire; zij vielen altijd weder in herhaling. + +Vandaar dat wij niet lang in eenzelfde stad konden blijven. + +Drie dagen na onze aankomst in Ussel moesten wij ons weder op weg +begeven. Waar zouden wij heengaan? + +Ik was vertrouwelijk genoeg met mijn meester geworden om deze vraag +te doen. + +--Kent gij het land? antwoordde hij mij, terwijl hij mij aanzag. + +--Neen. + +--Waarom vraagt gij mij dan waar wij heengaan? + +--Om het te weten. + +--Wat te weten? + +Ik wist niet wat ik zeggen zou en hield het oog gericht op den weg, +die zich als een begroeid dal voor mij uitstrekte. + +--Al vertel ik u, vervolgde hij, dat wij naar Aurillac gaan, om ons +vervolgens naar Bordeaux en van Bordeaux naar de Pyreneën te begeven, +wat weet gij er dan nog aan? + +--Maar kent u dan het land? + +--Ik ben er nooit geweest. + +--En toch weet gij waar wij heengaan? + +Hij zag mij weder lang aan, alsof hij in mijn ziel wilde lezen. + +--Gij kunt niet lezen, niet waar? zeide hij toen. + +--Neen. + +--Weet gij wel wat een boek is? + +--Ja; men brengt boeken mede in de kerk; ik heb dikwijls mooie boeken +gezien met prenten erin en met een lederen omslag. + +--Goed, gij begrijpt dus, dat men gebeden in een boek kan zetten? + +--Ja. + +--Men kan er ook andere dingen inzetten. Als gij bidt, spreekt gij +woorden, die uw moeder u geleerd heeft, en die door uw oor tot uw +geest zijn doorgedrongen, en vervolgens op uw tong terugkomen, als +gij ze uitspreekt. + +Welnu, zij, die hunne gebeden uit boeken opzeggen, ontleenen de +woorden, waaruit die gebeden zijn samengesteld, niet aan hun geheugen, +maar zij zoeken ze met de oogen in de boeken, waarin zij staan; +dat is: zij lezen. + +--Ik heb zien lezen, zeide ik, zegevierend als iemand, die geen dier +is en die heel goed weet, waarover men spreekt. + +--Hetzelfde wat met de gebeden gebeurt, heeft ook met al het +overige plaats. Wanneer wij ergens uitrusten, dan zal ik u een boek +laten zien, waarin de namen en de geschiedenis staan van het land, +dat wij doorreizen. Zij, die dit land bewoond of bezocht hebben, +teekenden alles wat zij zagen in mijn boek op; zij hebben dat zoo +uitmuntend gedaan, dat ik het slechts behoef te openen om het land +te kennen. Het is zoo goed alsof ik het met eigen oogen aanschouw; +ik leer hun geschiedenis alsof ze mij verteld werd. + +Ik was als het ware in het wild opgevoed en kon mij volstrekt geen +denkbeeld vormen van de beschaafde wereld. Zijn woorden waren voor mij +eene openbaring, die in het eerste oogenblik vaag en onbestemd was, +maar mij langzamerhand duidelijker werd. + +Ik was wel op school geweest, maar niet langer dan een maand en in dien +tijd had men mij geen boek in handen gegeven, noch mij ooit van lezen +of schrijven gesproken; men had mij daar hoegenaamd niets geleerd. + +Men moet hieruit niet opmaken, dat, al gebeurt dit niet altijd op de +scholen, hetgeen ik vertel daarom onmogelijk is. In den tijd, waarvan +ik spreek, waren in Frankrijk verscheidene gemeenten, die geen scholen +bezaten en al waren er die ze hadden, dan onderwezen de meesters, +welke aan 't hoofd er van geplaatst waren, om de een of andere reden, +hetzij omdat zij zelf niets wisten, of omdat zij wat anders te doen +hadden, de kinderen, die hun toevertrouwd waren, volstrekt niets. + +Dit was ook het geval met onzen dorpsschoolmeester. Wist hij iets? 't +Is best mogelijk en ik wil hem in het geheel niet van domheid +beschuldigen, maar waar is het, dat hij gedurende al den tijd, dien +ik bij hem heb doorgebracht, mij noch mijn makkers ooit een enkele +les gaf; hij had wel iets anders te doen, daar hij van zijn ambacht +klompenmaker was. Hij was altijd met zijn klompen bezig en van den +vroegen morgen tot den laten avond zag men de splinters van beuke- +en noteboomen om hem heen springen. Hij sprak nooit met ons dan om +eens naar onze ouders te vragen of te klagen over koude of regen; maar +over lezen of rekenen nooit een woord. Dat liet hij aan zijn dochter +over, die hem moest vervangen en orde onder ons houden moest. Maar +daar deze naaister was, deed zij zooals haar vader en, terwijl hij +met zijn mes of zijn beitel werkte, naaide zij ijverig voort. + +Zij moesten toch aan den kost komen, en daar zijn twaalf leerlingen +ieder elke maand vijftig centimes betaalden, was dit nog geen zes +francs in de week, van welk inkomen toch geen twee menschen gedurende +dertig dagen leven konden; de klompen en het naaiwerk vulden aan wat +de school te weinig opbracht. + +Ik had op school dus niets geleerd, zelfs de letters niet. + +--Is lezen moeielijk? vroeg ik aan Vitalis, nadat ik geruimen tijd, +in gepeins verzonken, naast hem had geloopen. + +Moeielijk voor hen, die een botten geest hebben en nog moeielijker +voor hen, die niet willen. Hebt gij een botten geest? + +--Dat weet ik niet; maar, als gij mij wilt leeren lezen, geloof ik +dat ik mijn best zou doen. + +--Nu, wij zullen zien, wij hebben nog den tijd daarmede. + +Tijd! Waarom begonnen wij niet terstond? Ik wist toen niet hoe lastig +het was om te leeren lezen en ik verbeeldde mij, dat als ik een boek +opende, ik ook dadelijk weten zou wat er instond. + +Den anderen dag, toen wij weder op weg waren, zag ik mijn meester zich +bukken en een plankje, dat bijna onder het zand bedolven lag, opnemen. + +--Hier is het boek, waaruit gij zult leeren lezen, zeide hij. + +Dat plankje, een boek! Ik zag hem aan om mij te overtuigen, dat hij +den spot niet met mij dreef. Toen ik bemerkte, dat het hem ernst was, +bekeek ik zijn vondst oplettender. + +Het was inderdaad een stukje hout, afkomstig van een beuk, dat niet +langer was dan mijn arm en niet breeder dan mijn beide handen, maar +het was mooi glad. Geen krasje was er op te bespeuren. + +Hoe zou ik op dat plankje kunnen lezen en wat stond er op te lezen? + +--Gij denkt over iets, zeide Vitalis lachend. + +--Gij drijft den spot met mij. + +--Volstrekt niet, beste jongen; spot is goed om een slecht karakter te +verbeteren, maar men moet dien nooit tegenover onwetendheid aanwenden: +dat zou een bewijs van eigen domheid wezen. Wanneer wij dat boschje +bereikt hebben, zullen wij een oogenblik uitrusten en zal ik u toonen, +hoe men iemand met een stukje hout kan leeren lezen. + +Spoedig hadden wij de aangewezen plaats bereikt en zetten onze bagage +op den grond, terwijl wij ons in het gras neervlijden waartusschen +de meizoentjes reeds begonnen te ontluiken. Joli-Coeur werd van zijn +ketting losgemaakt en gebruikte deze gelegenheid om in een boom te +klauteren en eens duchtig aan de takken te schudden, maar tevens om +de noten er af te laten vallen, terwijl de honden, veel kalmer omdat +zij vermoeid waren, zich naast ons te slapen legden. + +Vitalis haalde toen een mes uit zijn zak en trachtte een zeer dun +reepje hout van het plankje af te snijden. Toen hij hierin geslaagd +was, wreef hij dit glad en brak het vervolgens in even groote stukjes, +zoodat hij ongeveer vier en twintig blokjes hout had. + +Ik hield voortdurend mijn blik op hem gevestigd, maar ik moet bekennen, +dat ik, ondanks mijn vluggen geest, volstrekt niet begreep, hoe +men van dat hout een boek maken kon; want hoe onwetend ik ook wezen +mocht, wist ik toch, dat een boek uit een zeker aantal bladen papier +bestond, waarop zwarte figuren geteekend waren. Waar waren de bladen +papier? Waar stonden de zwarte figuren? + +--Op elk blokje hout zal ik morgen met de punt van mijn mes een letter +uit het alphabet snijden. Gij kunt op die wijs gemakkelijk de letters +leeren en wanneer gij die kent, zonder ooit te haperen en ze terstond +weet te noemen, dan kunt gij de eene naast de andere leggen en woorden +spellen. Als gij dan die woorden weet, die ik zeg, dan kunt gij lezen. + +Ik had mijn zakken spoedig vol met een aantal van die blokjes en +weldra kende ik ook de letters; maar lezen, dat was nog iets anders; +dat ging zoo snel niet en er kwam zelfs een oogenblik, waarop het +mij berouwde, dat ik het had willen leeren. + +Ik moet er echter bijvoegen, om me zelven recht te doen wedervaren, +dat dit niet uit luiheid was, maar wel uit eigenliefde. + +Vitalis leerde tegelijk met mij aan Capi de letters; daar deze wel +de cijfers der uren had kunnen onthouden, zou hij even zoo in staat +wezen de letters in zijn geheugen op te nemen. + +Wij leerden dus onze lessen te zamen; ik was de schoolmakker van Capi +geworden, of, zoo men wil, hij de mijne. + +Capi behoefde de letters niet op te noemen, zooals ik, daar hij niet +spreken kon, maar wanneer onze blokjes op het gras uitgespreid lagen, +dan moest hij met zijn poot de letters aanwijzen, die Vitalis opgaf. + +In het eerst maakte ik grooter vorderingen dan de hond; maar al was ik +verstandiger, zijn geheugen was sterker: wanneer hij eenmaal goed iets +geleerd had, dan wist hij dat voor zijn leven; hij vergat het nooit, +en daar hij geene afleiding had, aarzelde hij zelden en vergiste +zich nimmer. + +Wanneer ik een fout maakte, dan zeide onze meester altijd: + +--Capi zal eerder kunnen lezen dan Rémi. + +En de hond, die dit ongetwijfeld begreep, kwispelde zegepralend met +zijn staart. + +--Dommer dan een dier is goed op het tooneel, maar in de werkelijkheid +is het een schande. + +Dit hinderde mij geducht en ik legde mij met hart en ziel op mijn +studie toe; terwijl de hond niet verder kwam dan zijn naam te +schrijven, mocht het mij weldra gelukken in een boek te lezen. + +--Nu gij lezen en schrijven kunt, zeide Vitalis, wilt gij zeker ook +wel muziek leeren? + +--Als ik muziek ken, zou ik dan ook zoo kunnen zingen als gij? + +--Wilt gij dan zingen zooals ik? + +--O, niet zooals gij, ik weet zeer goed, dat dit onmogelijk is maar +ik wilde gaarne zingen. + +--Gij luistert dus naar mij, wanneer ik zing? + +--Ja, het is voor mij een groot genot; een nachtegaal zingt mooi, +maar ik vind uw stem mooier; en bovendien is dat ook in het geheel +niet hetzelfde; wanneer gij zingt, dan kunt ge van me maken wat ge +wilt; ik gevoel dan beurtelings lust tot weenen en lachen en misschien +zult gij het dwaas van mij vinden, als ik u zeg, dat, wanneer gij een +lief zacht deuntje zingt, het mij is of ik bij vrouw Barberin ben, +dan denk ik aan haar en dan zie ik haar in ons huis; en toch begrijp +ik de woorden niet, die ge spreekt, daar het italiaansch is. + +Terwijl ik met hem sprak, zag ik hem aan en het scheen mij toe, dat +zijn oogen vochtig werden; ik zweeg toen en vroeg of ik hem leed deed. + +Neen, mijn kind, zeide hij met bewogen stem, maar gij herinnert mij +aan mijn eigen jeugd, aan den goeden ouden tijd. Wees gerust, ik zal +u zingen leeren en daar gij zeer gevoelig zijt, zult gij tranen weten +op te wekken en zal men u toejuichen; dat zult gij zien..... + +Hij zweeg eensklaps en ik meende te begrijpen, dat hij liever niet +over dit onderwerp wilde voortspreken. Maar welke reden hij daartoe +had, kon ik niet gissen. Later eerst heb ik die vernomen; heel veel +later eerst en onder de treurigste omstandigheden, maar die ik wel +vertellen zal als mijn verhaal zoover is. + +Den anderen dag schreef mijn meester muziek voor mij, op dezelfde +wijze als hij de letters voor mij had gemaakt. + +Ditmaal echter was zijn werk veel moeielijker, want de verschillende +teekens die voor de muziek vereischt worden, zijn wel zoo samengesteld +als die van het alphabet. + +Om mijn zakken niet al te vol te maken, gebruikte hij de blokjes hout +aan beide kanten en nadat hij aan elke zijde vijf lijnen getrokken had, +die de notenbalken moesten voorstellen, grifte hij op het eene een f- +en op het andere een g-sleutel. + +Toen hij hiermede gereed was, begonnen zijn lessen en ik moet bekennen, +dat zij mij niet minder moeielijk vielen dan de vorige. + +Meer dan eens begon Vitalis, die zoo geduldig met zijn honden was, +aan mij te wanhopen. + +--Wanneer men een dier leert, dan houdt men zich in, want dan weet +men dat het een dier is, maar met u is mij dat bijna onmogelijk. + +Hij hief dan op de meest aandoenlijke wijze de handen ten hemel en +liet ze vervolgens met een harden slag op zijn dijen nederkomen. + +Joli-Coeur, die alles altijd herhaalde wat hij dwaas vond, had ook deze +beweging nagebootst, en daar hij altijd bij mijn lessen tegenwoordig +was, speet het mij geweldig, wanneer ik mij vergiste en hem zijn +armen weder ten hemel zag heffen. + +--Zelfs Joli-Coeur lacht u uit, riep Vitalis. + +Als ik gedurfd had, zou ik geantwoord hebben, dat hij zoowel den +meester als den leerling bespotte, maar uit eerbied en uit vrees +hield ik gelukkig dit gezegde altijd terug; ik stelde mij tevreden +met het tegen mezelf te zeggen, wanneer Joli-Coeur met dit gebaar +begon en een leelijk gezicht daarbij trok, hetgeen mij toch altijd +eenige verlichting gaf. + +Toen de eerste schreden met min of meer moeite gezet waren, had ik +ook de voldoening een deuntje te kunnen neuriën, dat Vitalis op een +blad papier geschreven had. + +Dien dag bleef hij zijn kalmte behouden en tikte zelfs een paar maal +vriendschappelijk op mijn wang, terwijl hij er bijvoegde, dat, als +ik zoo voortging, ik waarschijnlijk een groot zanger worden zou. + +Die vorderingen echter, men moet dit wel begrijpen, hadden niet op een +enkelen dag plaats; weken en maanden verliepen er, dat ik voortdurend +mijn zakken met blokjes hout moest vullen. + +Ook was mijn werk niet zoo geregeld als bij een schoolkind en het was +slechts in verloren oogenblikken, dat mijn meester mij les geven kon. + +Iederen dag hadden wij onze wandeling, die nu eens kort, dan weder +lang was, al naarmate de dorpen ver van elkander verwijderd lagen; +overal moesten wij een voorstelling geven, waar wij kans hadden om +een voldoende ontvangst te bekomen; de honden en Joli-Coeur moesten +dagelijks hun repetitie houden en wij moesten voor ons ontbijt en +middagmaal zorgen. Als dat alles was afgeloopen, kon er eerst aan de +muziekles worden gedacht; meestal had ze plaats bij een halt onder +een boom of wel op een hoop steenen, terwijl dan het gras of de weg +gebruikt werd om er mijn blokjes op uit te spreiden. + +Deze opvoeding geleek in het minst niet op die, welke andere kinderen +ontvangen, die niets te doen hebben dan te leeren en zich toch altijd +beklagen, dat zij geen tijd hebben om hun plicht te doen. + +Er is echter iets belangrijker dan de tijd dien men met werken +doorbrengt: de inspanning, die wij aan dat werk wijden; het is niet +het uur, dat wij aan onze les geven, om ze in het geheugen te prenten, +maar de wil, dien men medebrengt, om ze te leeren. + +Gelukkig was mijn wilskracht zoo groot, dat ik mij nooit liet afleiden +door hetgeen om ons voorviel. + +Wat zou ik geleerd hebben, zoo ik altijd in een kamer had kunnen +werken, met mijn handen op mijn ooren en de oogen in de boeken, zooals +sommige scholieren! Daarvan kwam niets van in bij ons, want wij hadden +geen kamer, waarin wij ons konden opsluiten en als wij op den grooten +weg liepen, moest ik wel goed opletten, waar ik mijne voeten zette, +daar ik anders licht zou zijn gestruikeld. + +Ik leerde toch iets en leerde tevens verre tochten maken, wat +niet minder beteekende dan de lessen van Vitalis. Ik was een mager +kereltje, toen ik bij vrouw Barberin leefde en de wijze, waarop men +over mij sprak, duidde dit aan; "een stadskind", had Barberin gezegd, +"met te korte beenen en armen" had Vitalis er bij gevoegd. Bij mijn +meester en in de buitenlucht werden mijn armen en beenen krachtiger, +mijn longen ontwikkelden zich; kortom, ik werd tegen weer en wind +gehard en was binnen korten tijd in staat om zoowel koude als warmte, +vermoeienis als ontberingen te verdragen. + +En deze leertijd was mijn geluk, want hij stelde mij in staat weerstand +te bieden aan de slagen, die mij meer dan eens zouden treffen, harde +en verpletterende beproevingen in mijn jeugd. + + + + +VIII. + +BERG EN DAL. + + +Wij hebben het zuidelijk gedeelte van Frankrijk doorkruist: Auvergne, +Velay, Vivarais, Quercy, Rouergue, Cevennes en Languedoc. + +Onze manier van reizen behoorde tot de eenvoudigste: wij liepen steeds +recht toe recht aan; en als wij aan een dorp kwamen, dat ons niet al +te armoedig scheen, dan maakten wij de noodige toebereidselen tot een +feestelijken intocht. Ik kleedde de honden aan, maakte het kapsel +van Dolce in orde en doste Zerbino zoo fraai mogelijk uit, terwijl +ik op Capi's oog een pleister plakte om hem zijn rol van een ouden +knorrepot te laten spelen, en eindelijk dwong ik Joli-Coeur om zijn +generaalsrok aan te trekken. Dat was nog het moeielijkste gedeelte van +mijn taak, want de aap, die zeer goed wist, dat dit kostuum voorafging +aan hetgeen hij te verrichten zou hebben, verdedigde zich zoolang +mogelijk en bedacht de zonderlingste streken om mij het aankleeden +te beletten. Ik riep dan Capi te hulp en door diens handigheid, +instinct en slimheid gelukte het mij meestal hem machtig te worden. + +Wanneer wij allen in groot tenue waren, haalde Vitalis zijn fluit te +voorschijn en wij trokken dan in geregelde orde het dorp binnen. + +Zoodra het aantal nieuwsgierigen voldoende was, gaven wij eene +voorstelling, maar wanneer dit niet talrijk genoeg was om een goede +ontvangst te kunnen verwachten, vervolgden wij onzen weg. + +In de steden echter vertoefden wij eenige dagen en 's morgens mocht ik +dan gaan wandelen, als ik daartoe lust gevoelde. Ik nam Capi dan met +mij mede--Capi geheel als hond, zonder zijn comediepakje, drentelde +met mij door de straten. + +Vitalis die mij gewoonlijk niet van zich weg liet gaan, stond mij +echter deze vrijheid gaarne toe. + +--Daar het toeval u door Frankrijk voert op een leeftijd, dien andere +kinderen gewoonlijk op de schoolbanken doorbrengen, moet gij trachten +alles te zien en te hooren. Wanneer gij u in moeielijkheden bevindt, +iets ziet dat gij niet begrijpt, of mij het een of ander te vragen +hebt, kom dan gerust bij mij. Misschien kan ik er u niet altijd een +antwoord op geven, want ik beweer volstrekt niet, dat ik alles weet, +maar het is zeer wel mogelijk, dat ik dikwijls aan uwe nieuwsgierigheid +voldoen kan. Ik ben niet altijd directeur van een troep gedresseerde +honden geweest en ik heb wel wat anders geleerd, dat mij nu te stade +komt, om Capi en den heer Joli-Coeur aan het geëerde gezelschap voor +te stellen. + +--Wat dan? + +--Dat zal ik u later wel eens vertellen. Voor het oogenblik behoeft +gij slechts te weten, dat een man met geleerde honden wel eens een +gansch andere plaats in de wereld kan bekleed hebben. En weet dan +tevens, dat, al behoort gij thans tot een der laagste standen in de +maatschappij, gij tot een hoogeren kunt geraken, wanneer gij wilt. Dit +hangt een weinig van het toeval af, maar veel van u zelf. Wanneer gij +naar mijn lessen luistert en mijn raad opvolgt, dan zult gij later, +als gij ouder zijt, met een gevoel van genegenheid en dankbaarheid +terugdenken aan den armen muzikant, die u zooveel schrik aanjoeg, +toen hij u van uw pleegmoeder scheidde; ik verbeeld mij, dat onze +ontmoeting tot uw geluk leiden moet. + +Welke kon die stand wezen, waarover mijn meester dikwijls met zekere +geheimzinnigheid sprak? Deze vraag wekte telkens mijne nieuwsgierigheid +op en hield mijn geest aanhoudend bezig. Indien hij zulk een hooge +betrekking in de maatschappij bekleed had, waarom was hij dan tot +zulk een lage afgedaald? Hij beweerde, dat ik mijzelf tot eene betere +positie kon opwerken, zoo ik dat wilde; ik, die niets was, niets wist, +zonder een bloedverwant of iemand om mij te helpen. Waarom was hij +dan zelf zoo gedaald? + +Nadat wij Auvergne verlaten hadden, hadden wij ons naar de golvende +vlakte van Quercy begeven. Geen land is armer en treuriger dan +dit. En wat bovendien den indruk, dien de reiziger in deze streek +ontvangt, nog sterker maakt, is, dat er bijna nergens eenig water te +bespeuren is. Geen rivier, noch beekje, noch vijver. Hier en daar +een steenachtige bedding van een stroom, die thans geheel verlaten +was. Het water was in de diepte verdwenen en had zich verborgen onder +den grond, om elders op te borrelen en rivieren of fonteinen te vormen. + +Midden in deze vlakte, die op het tijdstip, dat wij haar bezochten +geheel verzengd was door de droogte, ligt het aanzienlijke dorp +Bastide-Murat; wij brachten daar den nacht door op de vliering van +een herberg. + +--Hier, zeide Vitalis, toen wij 's avonds, vóór we ons naar bed, +begaven, nog een oogenblik bleven praten, hier is een man geboren +die duizenden soldaten heeft doen sneuvelen, die zijn loopbaan als +staljongen begonnen is, en als vorst en koning haar heeft geëindigd; +hij heette Murat; men heeft een held van hem gemaakt en zijn naam +aan dit dorp gegeven; ik heb hem gekend en zelfs dikwijls gesproken. + +Ondanks mijzelven kon ik eene vraag niet terughouden. + +--Toen hij staljongen was? + +--Neen, zeide Vitalis lachend, toen hij koning was. Het is voor de +eerste maal, dat ik te Bastide kom en ik heb hem te Napels, te midden +zijner hofhouding, gekend. + +--Hebt gij een koning gekend? + +Ik vermoed, dat de toon waarop ik dit uitriep, zeer dwaas was, want +mijn meester barstte in lachen uit. + +Wij zaten op een bank voor den stal, met onzen rug tegen den muur +geleund, waarop de warmte van den dag afstraalde. In een boschje +eschdoorns, in de nabijheid, zongen de nachtegaals. Vóór ons, hoog +boven de daken, steeg de maan zachtkens ten hemel. Deze avond was +voor ons des te aangenamer, daar de dag brandend heet was geweest. + +--Wilt gij gaan slapen, vroeg Vitalis mij, of wil ik u de geschiedenis +van koning Murat vertellen? + +--O, ja, de geschiedenis van den koning. + +Hij verhaalde mij toen diens levensloop en uren lang bleven wij op +die bank zitten; hij vertelde steeds voort, terwijl ik als aan zijn +lippen hing en zijn gelaat door het bleeke maanlicht beschenen werd. + +Was dat alles mogelijk, niet alleen mogelijk, maar waar! + +Tot op dat oogenblik had ik in het minst geen begrip gehad wat de +geschiedenis eigenlijk was. Wie zou ze mij ooit verteld hebben? Vrouw +Barberin zeker niet; zij wist het zelve niet. Zij was te Chavanon +geboren en zij hoopte daar te sterven. Haar gedachten waren nooit +verder gegaan dan haar oogen. En voor haar oogen lag het heelal +besloten in het landschap, waar zij de zon zag ondergaan achter den +berg Hudouze. + +Mijn meester had een koning gezien; die koning had tot hem gesproken. + +Wat was mijn meester dan toch in zijn jeugd geweest? + +En door welke oorzaak was hij op zijn ouden dag geworden wat hij +thans was? + +Men zal mij moeten toegeven, dat dit meer dan voldoende was om een +kindergeest bezig te houden, zoo vatbaar voor al wat wonderlijk is. + + + + +IX. + +IK ONTMOET EEN REUS MET ZEVENMIJLS LAARZEN. + + +Toen wij het dorre en onvruchtbare landschap verlaten hadden, daalden +wij naar het schoone en liefelijke dal van de Dordogne, dat wij bij +kleine dagreizen doortrokken, want een rijk land bevat welgestelde +burgers en daar onze voorstellingen zeer talrijk waren, stroomde het +geld in Capi's bakje. + +Een bevallige brug, die in den nevel ons toescheen aan herfstdraden +te hangen, strekt zich boven een breede rivier uit, welke rustig +tusschen hare boorden voortkabbelt; het is de brug van Cubzac en de +rivier is de Dordogne. + +Een oude bouwvallige stad met grachten en wallen, met torens en een +klooster, omheind door ingestorte muren, met boschjes waarin de krekel +zich onophoudelijk doet hooren--dat is Saint-Emilion. + +Maar dat alles staat mij slechts onbestemd voor den geest, terwijl +een ander schouwspel mij veel meer getroffen heeft, en zulk een diepen +indruk op mij maakte, dat ik het mij nog levendig herinneren kan. + +Wij hadden den nacht in een zeer arm dorp doorgebracht, dat wij den +anderen morgen reeds bij het aanbreken van den dag verlieten. Geruimen +tijd hadden wij een zandweg gevolgd, toen wij plotseling, in plaats van +de wingerden, die den weg omzoomden, een open vlakte voor ons zagen, +alsof eensklaps, door een tooverstaf, een gordijn was opgetrokken. + +Een breede rivier kronkelde zich zachtkens om den heuvel, dien wij +bestegen, en aan gindsche zijde van die rivier verhieven zich de +daken en torens van een groote stad, waarvan de grens met den horizon +samensmolt. Wat een huizen! Wat een schoorsteenen! De een al hooger +en nauwer dan de ander. Zij stonden daar als pilaren, die een zwarte +rookkolom deden opstijgen, prijsgegeven aan de luimen van een licht +koeltje, en boven de stad pakten zij zich tot een donkere wolk samen. + +Middenop die rivier en aan de kade lagen een aantal schepen, die als +boomen van een woud zich verhieven, waarvan tuig en masten, zeilen +en vlaggen in elkander grepen en zich verwarden, wanneer de wind er +onder speelde. + +Men hoorde een dof gedreun, het geluid van rammelend ijzer en zware +hamerslagen, terwijl daar bovenuit onafgebroken het ratelen van +rijtuigen klonk, die men in zijn verbeelding over de kade zag rijden. + +--Dat is Bordeaux, sprak Vitalis. + +Voor een kind, dat eene opvoeding genoten had als ik, en tot nogtoe +slechts arme dorpen of kleine steden had gezien, was het alsof het +plotseling in een tooverwereld verplaatst werd. + +Onwillekeurig bleef ik stilstaan en staarde ik strak voor mij uit. + +Maar weldra werd mijn blik toch door één punt geboeid: de rivier en +de schepen, die haar bedekten. Ik had mij nooit eene voorstelling +daarvan gemaakt en ik begreep er ook niets van. + +Schepen in volle zeilen zakten langzaam de rivier af, bevallig +overhellend naar de eene zijde, terwijl andere vaartuigen de rivier +opvoeren; ook zag ik er sommigen die onbeweeglijk bleven liggen, +alsof zij een eiland waren, en nog anderen weder, die om zich zelf +heendraaiden, zonder dat men bemerken kon, waardoor zij deze wendingen +maakten; eindelijk waren er ook zonder masten, zelfs zonder zeilen, +maar die hadden een schoorsteen, waaruit een dwarrelende kolom van +rook ten hemel steeg; deze bewogen zich met groote snelheid in alle +richtingen en lieten in het gele water voren van wit schuim achter. + +--Het is thans vloed, zeide Vitalis, mij het antwoord gevende, +zonder dat ik hem de vraag gedaan had; er zijn daaronder schepen, +die uit volle zee komen en een lange reis achter den rug hebben; +deze zijn verkleurd en bijna verroest; er zijn anderen die eerst +de haven verlaten, in het midden der rivier liggen, om zich zelf +draaien en met behulp van hun ankers steeds den steven bieden aan +den opkomenden vloed. Die welke zooveel rook geven zijn sleepbooten. + +Welke vreemde woorden waren dit voor mij! Welke nieuwe gedachten +rezen voor mijn geest! + +Toen wij de brug bereikt hadden, die Bastide met Bordeaux verbindt, +had Vitalis den tijd nog niet gehad om mij zelfs maar op een honderdste +gedeelte van mijn vragen, die ik hem doen wilde, een antwoord te geven. + +Tot nogtoe was ons verblijf in dorpen nooit van langen duur geweest, +want door den aard van onze voorstellingen waren wij wel genoodzaakt +dagelijks een andere plaats te zoeken, om telkens een nieuw publiek te +hebben. Wanneer wij de vier of vijf stukken, waaruit ons repertoire +bestond, gespeeld hadden, dan moesten wij weder van voren afaan +beginnen. + +Maar Bordeaux was eene groote stad, waar wij dikwijls van publiek +konden verwisselen en gerust drie of vier voorstellingen konden geven, +zonder dat de toeschouwers ons zouden uitfluiten. + +Van Bordeaux zouden wij naar Pau gaan. Ons reisplan voerde ons over +dat uitgestrekt moeras, dat van de haven van Bordeaux zich tot aan +de Pyreneën uitstrekt en de Landes heet. + +Hoewel ik niet de muis uit de fabel ben, die bij alles wat zij ziet +verbaasd is of haar verwondering en schrik daarover te kennen geeft, +kreeg ik toch den eersten dag een schrik, die mijn meester dikwijls +deed lachen en tot aan Pau mij met zijn spot vervolgen deed. + +Het was zeven of acht dagen geleden, sedert wij Bordeaux verlaten +hadden en nadat wij eerst de oevers van de Garonne gevolgd waren, +verlieten wij deze en sloegen den weg naar Mont-de-Marsan in, die door +de vlakte voerde. Geen wingerden of weilanden waren het thans, die ons +oog bekoorden, maar bosschen van pijnboomen en heidevelden. De huizen +werden zelfs al spoedig zeldzamer en armer. Daarop bereikten wij een +onmetelijke vlakte, die zoo ver onze blik reikte, zich zacht-golvend +voor ons uitstrekte. Geen bouwland, geen bosch, maar een grijsachtige +bodem in de verte, en langs den weg, bedekt met een zacht mos, dorre +struiken en door den wind geknakt kreupelhout. + +--Hier zijn we in de Landes, zeide Vitalis; wij moeten thans nog +twintig of vijfentwintig mijlen door deze woestijn afleggen. Gij +moogt uw beenen dus wel wat moed inspreken. + +Niet alleen mijn beenen, maar ook mijn hoofd en hart hadden daaraan +behoefte; want op dezen weg, die nooit scheen te eindigen, werd men +door een onbestemd gevoel van weemoed, ja van wanhoop aangegrepen. + +Sedert dien tijd heb ik verscheidene zeereizen gemaakt, en als ik mij +middenop den oceaan bevond, zonder een zeil in het gezicht, maakte +zich altijd weder diezelfde onbeschrijfelijk zwaarmoedige stemming +van mij meester, die ik in deze verlaten streek gevoeld had. + +Wij liepen steeds voort, zonder dat wij een oogenblik bemerkten, dat +wij vorderden. Nu en dan werd onze tocht afgewisseld door een klein +groepje boomen, maar deze gaven aan het landschap geen vroolijker +karakter. Het waren gewoonlijk pijnboomen, waarvan de takken aan den +top waren afgesneden. Over den geheelen bast waren diepe insnijdingen +gemaakt en uit die roode wonden droop het witte gekristalliseerde +sap. Als de wind bij vlagen door de takken suisde, veroorzaakte hij +een klagend geluid, alsof de arme gepijnigde boomen zelven over hunne +wonden treurden. + +Vitalis had mij gezegd, dat wij dien avond een dorp zouden bereiken, +waar wij een nachtverblijf konden vinden. + +Maar toen de avond naderde, bespeurden wij niets, dat ons de nabijheid +van een dorp deed vermoeden: geen bouwland, noch grazend vee, noch +lichten rook, die uit een huis opsteeg. + +Wij hadden een geheelen dag geloopen; ik was doodmoê en een gevoel +van uitputting had zich van mij meester gemaakt. + +Zou dat vurig gewenschte dorp dan nooit op dezen oneindig langen +weg verschijnen? + +Hoe ik ook rondstaarde, ik zag niets anders om mij heen dan de vlakte, +waarvan het lage kreupelhout al meer en meer verdween in de toenemende +duisternis. + +Het verlangen naar rust had ons den pas doen versnellen en mijn meester +zelf, niettegenstaande hij gewend was verre tochten te maken, scheen +vermoeid te zijn. Hij wilde zelf een oogenblik aan den kant van den +weg gaan rusten. + +Maar in plaats dat ik mij naast hem zette, beklom ik een kleinen +heuvel, die met bremstruiken begroeid was en zich op geringen afstand +van ons verhief, om te zien of ik niet eenig licht kon ontdekken. + +Ik riep Capi om met mij mede te gaan; maar Capi was ook moede en +hij deed alsof hij niet hoorde, wat zijn gewoonte was tegenover mij, +als hij geen lust gevoelde om mij te gehoorzamen. + +--Zijt gij bang? vroeg Vitalis. + +Deze woorden deden mij besluiten om niet langer aan te dringen en +ik ging alleen op mijn ontdekkingstocht uit: ik wilde me ook niet +langer den spot van mijn meester laten welgevallen, daar ik in het +minst geen angst gevoelde. + +Het was echter geheel donker geworden; de maan scheen niet, maar +eenige sterren flikkerden aan het uitspansel en verspreidden een +flauw schijnsel, waardoor de lichte nevelen zichtbaar waren. + +Terwijl ik voortliep en nu eens rechts dan links blikte, bemerkte +ik, dat deze nevelachtige schemering een zonderlingen vorm aan alle +dingen gaf; ik moest er goed over nadenken, eer ik het kreupelhout, +de bremstruiken en vooral de lage boomen kon onderscheiden; zij +geleken van verre allen op levende wezens, die deel uitmaakten van +een tooverwereld. + +Dat was vreemd en het scheen, dat in de schemering de vlakte eene +verandering ondergaan had en zij met geheimzinnige wezens bevolkt +was geworden. + +De gedachte kwam in mij op, waarom weet ik zelf niet, dat een ander +in mijn plaats misschien bang zou geworden zijn; dat was zeer wel +mogelijk, daar Vitalis mij gevraagd had of ik vrees koesterde; toch +gevoelde ik voor mezelf in het minst geen vrees. + +Naarmate ik hooger klom, werden de struiken ook grooter en het hout +krachtiger; de toppen der boomen reikten zelfs dikwijls boven mijn +hoofd en ik was vaak genoodzaakt mij te bukken. + +Toch had ik spoedig de kruin bereikt. Maar hoe ik ook om mij heen +staarde en zocht, ik bespeurde nergens eenig licht. Mijn blik verloor +zich in de duisternis: slechts onbestemde vormen, zonderlinge +gedaanten, braamstruiken, die hun takken naar mij schenen uit te +strekken alsof het lange beweegbare armen waren, soms dansende +struiken schenen. + +Toen ik niets kon ontdekken dat mij de nabijheid van een of ander dorp +deed vermoeden, luisterde ik met ingehouden adem of soms eenig geluid, +het loeien van eene koe of het blaffen van een hond, een boerenwoning +mocht verraden. + +Nadat ik geruimen tijd met gespannen aandacht alles had waargenomen, +voer plotseling eene rilling mij door de leden; de stilte, welke in de +Landes heerschte, deed mij huiveren, maakte mij angstig. Waarom? Dat +wist ik zelf niet. Zeker was het mijn eenzaamheid en het nachtelijk +uur. In ieder geval, ik gevoelde dat ik in gevaar verkeerde. + +Op hetzelfde oogenblik, dat ik in den grootsten angst om mij heen +staarde, bemerkte ik dat een lange gedaante, die boven de struiken +uitstak, zich snel voortbewoog en tegelijkertijd hoorde ik iets in +het kreupelhout ritselen. + +Ik trachtte mezelf wijs te maken, dat dit het gevolg was van mijn vrees +en dat hetgeen ik voor een schim hield niets anders dan een boom was, +die mijn aandacht in het eerst was ontgaan. + +Maar wat was dan dat gedruisch? + +Het was volkomen windstil. Zelfs de kleinste takken bewegen zich +niet vanzelf; het moest, zoo niet de wind, dan een mensch zijn, +die ze heen-en-weer deed gaan. + +Een mensch? + +Neen, dat groote zwarte lichaam, dat mij naderde, kon geen mensch zijn; +een dier eerder, een reusachtige nachtvogel, of een groote spinnekop +op vier pooten, waarvan de tengere ledematen zich boven het hout en +de struiken verhieven en tegen den bleeken hemel afstaken. + +Zeker was het, dat dit dier op ondenkbaar lange pooten meer en meer, +met groote sprongen zelfs, mij naderde. + +Zonder twijfel had het mij gezien en het kwam op mij af. + +Deze gedachte deed mij mijn krachten herwinnen en mij omkeerende, +snelde ik den berg af om mij weder bij Vitalis te voegen. + +Maar, zonderling, ik daalde minder snel, dan ik gestegen was; ik +verwarde mij telkens tusschen het hakhout en wondde mij gedurig aan +de takken, hetgeen mij noodzaakte bij elke schrede stil te staan. + +Terwijl ik mij in een boschje verschool, wierp ik een blik achter mij: +het dier naderde nog altijd; het kwam op mij af. + +Gelukkig was het kreupelhout aanmerkelijk verminderd en kon ik dus +over het gras harder loopen. + +Maar hoe ik mij ook haastte, het dier liep nog sneller, ik behoefde +niet eens meer om te zien, ik voelde het reeds in mijn rug. + +Ik haalde geen adem meer, ik stikte bijna van angst en van het harde +loopen; ik waagde toch nog eene laatste poging en viel voor de voeten +van mijn meester neder, terwijl de drie honden, die zich plotseling +hadden opgericht, begonnen te blaffen. + +Ik herhaalde werktuigelijk slechts: + +--Het beest! het beest! + +Onder het blaffen der honden hoorde ik plotseling een luid gelach. Op +hetzelfde oogenblik voelde ik de hand van mijn meester op mijn schouder +rusten en dwong hij mij om mij om te keeren. + +--Het beest zijt gij zelf; zie eens om, als ge durft. + +Zijn lach meer nog dan zijn woorden, hadden mij weder tot mezelf +gebracht; ik opende mijn oogen en volgde de richting van zijn hand. + +De verschijning, die mij zooveel angst had aangejaagd, was stil +blijven staan; zij stond onbeweeglijk op den weg. + +Toch gevoelde ik nog eenige vrees en schrik, dat moet ik eerlijk +bekennen, maar ik was niet meer alleen op de vlakte; Vitalis was bij +mij; de honden stonden naast mij; de stilte en de eenzaamheid hadden +nu haar invloed op mij verloren. + +Ik vatte moed en staarde flink in het rond. + +Was het een dier? + +Was het een mensch? + +Het had een menschelijk lichaam en ook een hoofd en armen. + +Het had echter de harige huid van een dier en twee lange, magere +pooten waarop het stond. + +Hoewel het stikdonker was, kon ik die bijzonderheden toch +onderscheiden, want deze groote gedaante teekende zich zwart af +gelijk een silhouette tegen den hemel, waar tallooze sterren een +zacht schijnsel verspreidden. + +Waarschijnlijk zou het lang geduurd hebben eer ik mezelf op mijn vraag +eenig antwoord had kunnen geven, zoo mijn meester niet het woord tot +de gedaante gericht had. + +--Kunt gij mij ook zeggen of wij nog ver van een dorp verwijderd +zijn? vroeg hij. + +Het was dus een mensch, daar men tot hem spreken kon? + +Maar tot antwoord hoorde ik niets dan een scherpen lach gelijk aan +het geschreeuw van een vogel. + +Het was dus een dier? + +Mijn meester ging echter voort met vragen, hetgeen ik als zeer +onverstandig van hem beschouwde, want ieder weet, dat al mogen dieren +somtijds hetgeen men zegt begrijpen, zij toch nooit kunnen antwoorden. + +Hoe groot was dus mijne verbazing toen het dier zeide, dat er geen +enkel huis in onze omgeving was, maar slechts een schaapskooi, +waarheen hij ons wilde geleiden. + +Hij sprak, maar hoe kwam het dan dat hij pooten had? + +Indien ik gedurfd had, zou ik hem zijn genaderd, om te zien hoe zijn +pooten gemaakt waren, en hoewel hij in het geheel niet boosaardig +scheen, had ik toch daartoe den moed niet, en mijn zak opnemende, +volgde ik mijn meester zonder iets te zeggen. + +--Hebt gij nu gezien, wat u zooveel schrik heeft aangejaagd? vroeg +hij me onderweg. + +--Ja, maar ik weet niet wat het is; zijn er dan reuzen in dit land? + +--Ja, wanneer zij op stelten loopen. + +Hij vertelde mij toen dat de bewoners van de Landes, om de moerassige +en zandige streken te doorkruisen zonder tot aan de heupen toe door +het slijk te baggeren, zich van lange stokken bedienen, die met een +beugel voorzien zijn en waarop zij hun voeten bevestigen. + +--Op deze wijze worden zij voor bange kinderen reuzen met +zevenmijlslaarzen. + + + + +X. + +VOOR DEN RECHTER. + + +Van Pau heb ik een zeer aangenamen indruk ontvangen: in deze stad +waait het bijna nooit. + +En daar wij haar in den winter bezochten, over dag op straat waren +of op openbare pleinen onze voorstellingen gaven, kan men begrijpen, +dat het verblijf daar voor mij een genot was. + +Toch was dit niet de oorzaak, dat wij, in strijd met onze gewoonte, +zoolang op een zelfde plaats bleven; het was eene andere, zeer +overwegende reden, namelijk: de overvloedige opbrengst van onze +voorstellingen. + +Wij hadden gedurende den winter steeds een talrijk kinderpubliek +dat ons repertoire nooit moede scheen te zijn en nooit riep: "Is het +alweer hetzelfde." + +Voor het grootste gedeelte waren het engelsche kinderen: opgeschoten +knapen met roode wangen en kleine meisjes met groote oogen, die bijna +even mooi waren als die van Dolce. Bij die gelegenheid leerde ik de +_Albert's_, de _Huntley's_ en andere lekkernijen kennen, waarmede zij, +vóór dat ze naar de voorstelling gingen, altijd hun zakken vulden om ze +dan met milde hand tusschen Joli-Coeur, de honden en mij te verdeelen. + +Toen de lente zich door eenige warme dagen aankondigde, werd ons +publiek minder talrijk en na de voorstelling kwamen de kinderen ons +bezoeken; zij kwamen nu afscheid van ons nemen, want den anderen dag +zouden zij vertrekken. + +Weldra stonden wij weder geheel alleen op de pleinen en moesten wij +er ook weder aan gaan denken andere plaatsen op te zoeken. + +Op een morgen begaven we ons op weg en weldra hadden wij de stad +geheel uit het gezicht verloren. + +Ons zwervend leven had opnieuw een aanvang genomen en wij volgden +weder den grooten weg. + +Geruimen tijd, hoeveel dagen en weken weet ik niet, liepen wij steeds +recht toe, recht aan, nu eens een dal doortrekkende, dan weder een +heuvel beklimmende, terwijl aan onze rechterzijde de blauwe toppen +der Pyreneën zich verhieven. + +Eindelijk bereikten wij op een avond een groote stad, die aan den +oever van een rivier gelegen was, en door de vruchtbaarste velden was +omringd; de huizen waren meerendeels zeer leelijk en geheel uit roode +steen gebouwd; de straten waren belegd met puntige keien, welke erg +veel pijn deden aan de voeten van reizigers, die reeds een twaalftal +mijlen per dag hadden afgelegd. + +Vitalis zeide mij, dat het Toulouse was en dat wij daar lang zouden +vertoeven. + +Zooals gewoonlijk, was den anderen dag ons eerste werk om te zorgen, +dat wij een geschikte plaats voor onze voorstellingen hadden. + +Wij vonden er verscheidene, want Toulouse heeft een aantal pleinen, +vooral in de nabijheid van den Dierentuin, en reeds bij onze eerste +voorstelling hadden wij een talrijk publiek. + +Ongelukkig echter keurde een agent van politie onze vertooning zeer +af en hetzij hij niet van honden hield, of dat wij hem zijn dienst +er moeielijker maakten, of om welke andere reden ook, hij wilde ons +deze plaats doen verlaten. + +Misschien ware het van ons verstandiger geweest om deze plagerij in +te willigen, want in een strijd tusschen arme zwervers, zooals wij, +en een politieagent, staan de partijen niet gelijk; maar mijn meester +was van een andere meening. + +Hoewel hij slechts honden en apen vertoonde, bezat hij toch een zeker +gevoel van trots, of liever zijn gevoel van recht was sterk bij hem +ontwikkeld; daarom gaf hij zijn overtuiging te kennen, zooals hij zelf +verklaarde, dat hij beschermd moest worden, zoolang hij niets deed, +wat met de wet of met eenige politieverordening in strijd was. + +Hij weigerde dus om aan den agent te gehoorzamen, toen deze ons van +het plein wilde wegjagen. + +Als mijn meester zich niet door zijn drift wilde laten beheerschen +of wel lust gevoelde om eene zaak in een bespottelijk daglicht +te stellen--hetgeen hem dikwijls overkwam--, dan overdreef hij de +italiaansche beleefdheid in de hoogste mate en ook thans zou men +bijna meenen, als men hem hoorde spreken, dat hij het woord tot een +der aanzienlijkste overheidspersonen richtte. + +--Vertegenwoordiger der overheid, zeide hij, terwijl hij met zijn hoed +in de hand den agent antwoordde, kunt gij mij een verordening toonen, +welke van die overheid is uitgegaan en waarbij het aan toneelspelers, +zooals wij, verboden is, hun weinig winstgevende zaak op publieke +plaatsen te drijven? + +De agent gaf hierop ten antwoord, dat hier niet te twisten, maar te +gehoorzamen viel. + +--Zonder twijfel, sprak Vitalis, en dat begrijp ik ook zeer goed; +ik beloof u ook mij geheel volgens uw bevelen te gedragen, zoodra +gij mij de voorschriften daaromtrent hebt getoond. + +Dien dag keerde de agent ons den rug toe, terwijl mijn meester, +met zijn hoed in de hand, den arm in de zijde en in eenigszins +voorovergebogen houding hem lachend een eind vergezelde. + +Maar den anderen morgen kwam hij terug, stapte hij zelfs over het +touw heen, waarmede ons terrein was afgesloten en stoorde hij ons +midden in onze voorstelling. + +--Gij moet uw honden muilbanden, zeide hij op barschen toon tot +Vitalis. + +--Mijn honden muilbanden? + +--Er bestaat eene politieverordening; dat moest gij weten. Deze +stoornis deed onder de toeschouwers een gemompel van afkeuring ontstaan +en zij riepen: + +--Stoor hem niet! + +--Laat eerst de voorstelling eindigen! + +Maar met een enkele beweging van de hand beval Vitalis stilte. + +Hij zette daarop zijn hoed, die met pluimen versierd was, af, en boog +zeer onderdanig voor het publiek, naderde den agent met drie diepe +buigingen en zeide toen: + +--Vertegenwoordiger der overheid, hebt gij gezegd, dat ik mijn +komedianten moet muilbanden? + +--Ja, uw honden en zoo spoedig mogelijk. + +--Muilbanden Capi, Zerbino en Dolce! riep Vitalis, meer tot het +publiek dan tot den agent, maar u kunt dat niet meenen! Hoe zou de +geleerde dokter Capi, die wereldberoemd is, zijn geneesmiddelen kunnen +voorschrijven om den knikker uit de maag van den heer Joli-Coeur +te verwijderen, wanneer de heer Capi een muilband voor zijn neus +droeg? Het zou nog gaan, wanneer het een ander toestel ware, dat +meer in overeenstemming was met zijn vak, maar dat volstrekt niet +voor een menschenneus geplaatst wordt. + +Deze woorden wekten zeer den lachlust van het publiek op. + +Vitalis, aangemoedigd door deze toejuichingen, vervolgde: + +--En hoe zou onze bekoorlijke Dolce, onze ziekenoppasseres, aan hare +welsprekendheid kunnen voldoen, en op hare bevallige wijze onzen zieke +kunnen overreden, zijn ingewanden te laten schoonmaken, indien zij +aan de punt van haar neus het toestel droeg, dat de vertegenwoordiger +der overheid haar wil geven? Ik vraag het geëerde publiek om dit +te beslissen? + +Het geëerde publiek, welks hulp aldus werd ingeroepen, gaf niet +terstond antwoord, maar het lachen was reeds voldoende; men gaf +Vitalis gelijk en bespotte den agent, en vooral schepte men behagen +in de dwaze gezichten, die Joli-Coeur trok, achter den rug van den +vertegenwoordiger der overheid. + +Geërgerd door de woorden van Vitalis, wanhopend over het lachen van +het publiek, keerde de agent, die niet tot de geduldigste menschen +scheen te behooren, zich plotseling om. + +Maar hij ontdekte toen den aap, die met zijn hand in de zijde als +een kampvechter stond; eenige seconden lang bleven de man en het dier +tegenover elkander staan en zagen zij elkaar strak aan, in afwachting, +wie van beiden het eerst den blik zou nederslaan. + +Het uitbundig gelach maakte een einde aan dit tooneel. + +--Als uw honden niet gemuilband zijn, riep de agent, terwijl hij ons +met de vuist dreigde, dan maak ik proces-verbaal op; meer zeg ik niet. + +--Tot morgen, signor, tot morgen, zeide Vitalis. + +En terwijl de agent zich met groote schreden verwijderde, bleef Vitalis +als in tweeën gevouwen, zoo eerbiedig mogelijk staan; daarop werd de +voorstelling vervolgd. + +Ik dacht dat mijn meester de muilbanden voor zijn honden zou gaan +koopen; maar hij deed het dien avond niet en sprak zelfs in het geheel +niet over zijn twist met den agent. + +Ik verstoutte mij toen om zelf dat onderwerp ter sprake te brengen. + +--Als u wilt, dat Capi morgen gedurende de voorstelling zijn +muilband niet stuk zal maken, dan moogt gij hem van te voren wel eens +passen. Hij zal er dan misschien aan gewend zijn. + +--Meent ge dan, dat ik ze zoo'n ijzeren masker zal opzetten? + +--Mij dunkt, dat die agent zeer veel lust heeft om u in moeielijkheden +te brengen. + +--Gij zijt maar een boerenknaap, en evenals alle boeren zijt ge bang +voor de politie en de gendarmes. Maar stel u gerust; ik zal morgen +wel zorg dragen, dat hij geen proces-verbaal kan opmaken en tevens +er voor waken, dat mijn leerlingen zich niet al te ongelukkig gevoelen. + +Van den anderen kant zal ik ook trachten het publiek eenig genoegen +te verschaffen. Die agent moet ons een goede ontvangst bezorgen en +een dwaze rol spelen in het stuk, dat ik gereedmaak; dat zal nog +eenige afwisseling in ons repertoire brengen en ons zelven eenig +voordeel kunnen geven. Daarom gaat gij morgen alleen naar het terrein +met Joli-Coeur; gij moet de koorden spannen en een stukje op de harp +spelen; wanneer gij u omringd ziet van een groot publiek en de agent er +is, dan zal ik met mijn honden komen. Dan eerst neemt de voorstelling +een aanvang. + +Ik vond het niets prettig om alleen deze toebereidselen voor de +voorstelling te gaan maken; maar ik begon mijn meester reeds een +weinig te leeren kennen en wist in welke gevallen ik hem weerstand +kon bieden. Het was meer dan waarschijnlijk dat, in de gegeven +omstandigheden, er voor mij weinig kans bestond om hem zijn plan te +doen opgeven; ik besloot dus hem te gehoorzamen. + +Den anderen dag begaf ik mij naar het plein en spande daar het +touw. Nauwelijks had ik eenige akkoorden aangeslagen of van alle +kanten snelde men toe. + +In den laatsten tijd, vooral gedurende ons verblijf te Pau, had +mijn meester mij dikwijls op de harp laten spelen en ik kende thans +eenige stukjes van buiten. Vooral had ik een napolitaansch lied, +dat ik met zang begeleidde en dat mij den algemeenen bijval van het +publiek deed verwerven. + +Ik was in zeker opzicht reeds een kunstenaar in mijn hart, want ik +geloofde, dat als onze troep veel succes had, dit ook aan mijn talent +moest worden toegeschreven; toch was ik dien morgen verstandig genoeg +om de talrijke opkomst van het publiek niet met mijn lied in verband +te brengen. + +Zij, die den vorigen avond bij den twist tusschen den agent en mijn +meester tegenwoordig waren geweest, kwamen thans terug en hadden zelfs +hun vrienden medegebracht. De agenten van politie waren bij de inwoners +van Toulouse, evenals in de meeste andere steden, niet gezien en men +was nieuwsgierig hoe de oude Italiaan, zich van deze zaak zou afmaken +en met zijn vijand zou omspringen. Hoewel Vitalis niets anders gezegd +had, dan: "tot morgen, signor," had toch iedereen begrepen, dat die +woorden de aankondiging waren van eene groote voorstelling, waarbij men +in de gelegenheid zou worden gesteld ten koste van anderen te lachen. + +Vandaar de talrijke opkomst van het publiek. + +Toen zij mij dus alleen met Joli-Coeur zagen, stoorde men mij bij +herhaling in mijn spel, om mij te vragen waar de "Italiaan" bleef. + +--Hij komt zoo straks. + +En ik vervolgde mijn _canzonetta_. + +Niet mijn meester, maar de agent van politie kwam. Joli-Coeur zag +hem het eerst en zette terstond de hand weer in de zijde, en, terwijl +hij het hoofd in den nek wierp, liep hij statig ons terrein op en neer. + +Het publiek barstte los in een schaterlach en juichte hem van alle +kanten toe. + +De agent raakte eenigszins van zijn stuk en wierp mij een woedenden +blik toe. + +Dit wekte nog meer den lachlust van het publiek op. + +Ik zelf gevoelde lust om hem te bespotten, maar toch was ik niets op +mijn gemak. Wat zou hiervan het gevolg wezen? Als Vitalis er nu maar +was, dan zou hij den agent ten minste te woord kunnen staan. Maar ik +was geheel alleen en ik moet eerlijk bekennen, dat ik niet weten zou, +wat ik den agent antwoorden moest, wanneer hij mij aansprak. + +Het voorkomen van den agent stelde mij volstrekt niet gerust; hij +zag er kwaad uit en het scheen dat hij zeer driftig was. + +Hij liep langs het touw heen en weer en zoo vaak hij dicht bij +mij kwam, zag hij mij aan met een paar oogen, die niet veel goeds +voorspelden. + +Joli-Coeur, die volstrekt het ernstige van dezen toestand niet inzag, +schepte behagen in de houding van den agent en bootste hem getrouw +in alles na. + +Ik wilde de wanhoop van den agent niet tot het uiterste drijven en +riep Joli-Coeur bij mij, maar deze wilde niet gehoorzamen en ontsnapte +mij telkens, wanneer ik op het punt was hem machtig te worden. + +Ik weet niet hoe het kwam, maar de agent, wiens drift hem scheen te +verblinden, dacht juist, dat ik den aap aanhitste en stapte over het +touw heen. + +In twee sprongen stond hij voor mij en ik werd bijna omver geworpen +door een geduchten oorveeg. + +Toen ik weder opstond en mijn oogen opende, stond Vitalis tusschen +mij en den agent, dien hij bij zijn kraag vasthield. + +--Ik verbied u dit kind te slaan, zeide hij; wat gij gedaan hebt is +een laagheid. + +De agent wilde zijn hand losmaken, maar Vitalis drukte deze in +de zijne. + +Gedurende eenige minuten zagen de beide mannen elkander strak aan. + +De agent was buiten zich zelven van woede. + +Mijn meester had een schoon, voornaam voorkomen, zijn indrukwekkend +grijs hoofd hield hij steeds recht opgeheven en op zijn gelaat stond +de hoogste verontwaardiging te lezen. + +Het was mij alsof hij den agent met zijn blik in den grond wilde +boren, maar dat gebeurde niet; eensklaps rukte deze zijn hand los, +greep mijn meester bij den kraag en wierp hem op zijde. + +Vitalis viel bijna op den grond, met zooveel kracht stootte de +agent hem van zich af; maar hij bleef nog juist staan en gaf met de +rechterhand zijn vijand een geduchten slag. + +Mijn meester was wel is waar een krachtig gebouwd man, maar hij was +een grijsaard; de agent een jeugdig man, in den bloei des levens en +de strijd tusschen hen kon dus niet van langen duur zijn. + +Maar er was geen strijd. + +--Wat wilt gij? vroeg Vitalis. + +--Ik neem u in hechtenis; volg mij naar het bureau. + +--Waarom hebt gij dit kind geslagen? + +--Geen praatjes, volg mij. + +Vitalis gaf geen antwoord, maar wendde zich tot mij. + +--Keer naar de herberg terug, blijf daar met de honden, ik zal u wel +nader bericht zenden. + +Hij kon niets meer zeggen; de agent trok hem mede. + +Zoo eindigde op een zeer treurige wijze de voorstelling, welke mijn +meester aardig had willen maken. + +De honden wilden eerst hun baas volgen, maar toen ik hun beval bij mij +te blijven, kwamen zij, gewoon om te gehoorzamen, terug. Ik zag toen, +dat zij gemuilband waren, maar in plaats dat hun neus in een ijzeren +toestel of een netwerk besloten was, droegen zij slechts een zijden +lapje, dat met een lint om hun snoet gebonden was. Capi, die wit was, +had een rooden doek; Zerbino, zwart van haar, een witten; de grijze +Dolce was met een blauwen lap getooid. Het waren muilbanden die voor +het tooneel waren bestemd en ongetwijfeld had Vitalis de honden zoo +uitgedost, om den agent een poets te spelen. + +Het publiek was terstond uiteen gegaan; eenige toeschouwers waren +nog blijven staan om het gebeurde met elkaar te bepraten. + +--De oude had gelijk. + +--Hij had ongelijk. + +--Waarom heeft de agent het kind geslagen, dat hem niets gezegd noch +gedaan had? + +--Het is een leelijk geval; de oude zal er niet zonder gevangenisstraf +afkomen, als de agent hem van oproerige bedoelingen beschuldigt. + +Ik keerde zeer bedroefd en in de grootste onrust naar de herberg terug. + +Vitalis boezemde mij geen vrees meer in, en eerlijk gezegd had dat +gevoel ook maar zeer kort bij mij geduurd. Al spoedig had ik mij aan +hem gehecht en mijne genegenheid voor hem was met den dag sterker +geworden. Wij leidden hetzelfde leven, waren van den morgen tot den +avond samen en dikwijls deelden wij denzelfden stroozak. Een vader zou +niet beter voor zijn kind hebben kunnen zorgen dan hij voor mij. Hij +had mij lezen, zingen, schrijven en rekenen geleerd. Op onze lange +wandelingen had hij mij onderweg altijd iets geleerd, wat betrekking +had op hetgeen wij zagen of ondervonden. Bij koud weder had hij zijn +dek met mij gedeeld; wanneer het zeer warm was, had hij mij altijd +geholpen in het dragen van de vele dingen, waarmede ik beladen was. Van +het eten gaf hij mij nooit het slechtste en zich zelven het beste. Nu +en dan trok hij mij wel eens bij mijn ooren en gaf hij mij soms een +schop, die wat harder aankwam, dan die een vader zou gegeven hebben; +maar al die kleine bestraffingen deden mij toch nooit zijn zorgen +vergeten, noch zijn goede woorden of bewijzen van genegenheid een +oogenblik minder waardeeren. Hij hield van mij en ik van hem. + +Deze scheiding deed mij dus innig leed. + +Wanneer zouden wij elkander weerzien? + +Ik had over de gevangenis hooren spreken. Hoelang zou die straf +kunnen duren? + +Wat zou ik in dien tijd doen? Hoe en waarvan zou ik moeten leven? + +Mijn meester droeg steeds al zijn geld bij zich en vóór dat hij zich +door den agent had laten medevoeren, had hij geen tijd gehad mij geld +te geven. + +Ik had slechts eenige centen in mijn zak; zouden die voldoende wezen +om Joli-Coeur, de honden en mij te voeden? + +Twee dagen brachten wij in den grootsten angst door, zonder dat ik +de herberg durfde verlaten, en mij aanhoudend met Joli-Coeur en de +honden bezighield, die eveneens in de grootste onrust verkeerden. + +Eindelijk, den derden dag, bracht een man mij een brief van Vitalis. + +In dien brief deelde mijn meester mij mede, dat men hem gevangen +hield om den volgenden Zaterdag voor de correctioneele rechtbank te +verschijnen, beschuldigd van weerspannigheid tegen een ambtenaar der +openbare macht en feitelijk verzet tegen dezen gepleegd. + +"Ik heb zeer verkeerd gedaan, dat ik mij heb laten medesleepen door +mijn drift," voegde hij er bij, "een fout, die mij duur te staan kan +komen. Maar het is te laat om deze te herstellen. Kom op de zitting; +gij kunt er altijd wat leeren." + +Hij gaf mij toen nog eenigen raad, hoe ik mij te gedragen had en +eindigde zijn brief met een hartelijk woord, terwijl hij mij verzocht +Capi, Joli-Coeur, Dolce en Zerbino eens voor hem te liefkoozen. + +Terwijl ik dezen brief las, was Capi naderbij gekomen en hield zijn +blik op het papier gevestigd; aan zijn kwispelstaarten en zijn snuiven +bemerkte ik, dat hij, door den reuk, wist dat dit papier van zijn +meester kwam; sedert drie dagen was dit het eerste teeken van leven +en vroolijkheid, dat hij gaf. + +Ik vroeg eenige inlichtingen en vernam dat de zitting om tien uur 's +morgens begon. Tegen negen uur stond ik dien Zaterdagochtend reeds +tegen den post van de deur geleund en ik was de eerste, die het +lokaal binnentrad. Langzamerhand vulde zich de zaal en ik herkende +vele personen, die bij de voorstelling tegenwoordig geweest waren. + +Ik wist niet wat een rechtbank was, maar uit instinct boezemde zij mij +vrees in; het kwam mij voor, dat, al betrof het hier mijn meester, +ik zelf toch ook in gevaar verkeerde; ik verschool mij achter een +groote kachel en, terwijl ik mij tegen den muur drukte, maakte ik +mij hoe langer hoe kleiner. + +Mijn meester stond niet het eerst terecht; hem vooraf gingen dieven, +twistzoekers, die allen zich voor onschuldig verklaarden, doch allen +veroordeeld werden. + +Eindelijk kwam Vitalis op de bank zitten, tusschen twee gendarmen in. + +Wat er in het begin gesproken werd, wat men hem vroeg en wat hij +antwoordde, daar hoorde ik allemaal niets van; ik was te aangedaan +om dat te hooren of liever om het te begrijpen. Ik dacht er dan ook +niet aan om te luisteren; ik staarde slechts voor mij. + +Ik keek naar mijn meester, die recht overeind stond met zijn grijze +haren naar achteren geworpen, in de houding van een man die beschaamd +en vernederd was; ik zag naar den rechter, die hem ondervroeg. + +--Alzoo, zeide deze, erkent gij dat ge slagen hebt toegebracht aan +den agent die u in hechtenis heeft genomen? + +--Geen slagen, mijnheer de rechter, maar een slag; toen ik op de +plaats kwam, waar onze voorstelling zou plaats hebben, zag ik den +agent het kind, dat mij vergezelde, een oorveeg geven. + +--Dat is uw kind niet? + +--Neen, mijnheer de rechter, maar ik ken hem, alsof het mijn eigen +zoon is. Toen ik hem een klap zag geven, liet ik mij door mijn drift +medesleepen. Ik vatte de hand van den agent om hem te verhinderen, +het kind een tweeden slag toe te brengen. + +--Hebt gij zelf ook den agent geslagen? + +--Dat is te zeggen, toen deze mij bij mijn kraag vatte, vergat ik, +wie de man was, die mij aangreep; ik zag in hem slechts den aanvaller +en niet den agent en ik kon mezelf niet beheerschen. + +--Op uw leeftijd moet men zich zelf weten meester te blijven. + +--Men _moest_ zich zelf beheerschen; maar men doet helaas! niet altijd +wat men moet; dat voel ik thans ook. + +--Wij zullen nu den agent hooren. + +Deze vertelde de feiten zooals zij gebeurd waren, maar trachtte meer +de aandacht te laten vallen op den spot, dien men met zijn persoon +gedreven had, dan dat hij van den slag sprak, dien hij ontvangen had. + +Bij deze verklaring zag Vitalis, in plaats van aandachtig te luisteren, +de zaal rond. Ik begreep, dat hij mij zocht. Ik besloot toen mijn +schuilplaats te verlaten en terwijl ik tusschen de menigte doorschoof, +gelukte het mij eene plaats vooraan te krijgen. + +Hij ontdekte mij en op zijn zwaarmoedig gelaat kwam een blijde trek te +voorschijn; ik gevoelde, dat hij gelukkig was mij te zien en ondanks +mezelf, vulden mijn oogen zich met tranen. + +--Is dat al wat gij tot uw verdediging hebt in te brengen? vroeg de +rechter eindelijk. + +--Ik voor mij heb er niets bij te voegen, maar voor het kind, +waarvan ik houd en dat nu alleen overblijft, voor hem roep ik de +toegevendheid der rechters in en smeek hen ons zoo kort mogelijk van +elkander te scheiden. + +Ik dacht dat men mijn meester in vrijheid zou stellen. Maar daar +gebeurde niets van. + +Een andere rechter sprak nog eenige minuten, daarop zeide de president +met een ernstige stem, dat Vitalis veroordeeld was tot twee maanden +gevangenisstraf en een boete van vijftig gulden. + +Twee maanden gevangenisstraf! + +Door mijn tranen heen zag ik Vitalis door dezelfde deur, waardoor hij +was binnengetreden, de zaal verlaten; een gendarme volgde hem en de +deur werd weder gesloten. + +Twee maanden zouden wij van elkander gescheiden zijn. Waar moest +ik heen? + + + + +XI. + +OP HET SCHIP. + + +Toen ik met een bezwaard hart en betraande oogen in de herberg +terugkeerde, zag de waard, die in de gang stond, mij strak aan. + +Ik wilde haastig doorloopen om naar de honden te gaan, toen hij +mij tegenhield. + +--En wat zeide uw meester? vroeg hij mij. + +--Hij is veroordeeld. + +--Tot hoelang? + +--Tot twee maanden gevangenisstraf. + +--En tot hoeveel boete? + +--Tot vijftig gulden. + +--Twee maanden, vijftig gulden, herhaalde hij drie of vier keer. Ik +wilde doorgaan; opnieuw hield hij mij terug. + +--En wat wilt gij gedurende die twee maanden uitvoeren? + +--Ik weet het niet, mijnheer. + +--Wat, weet ge dat niet? Ge hebt toch zeker geld genoeg om van te +leven en voedsel aan uw dieren te geven, denk ik? + +--Neen mijnheer. + +--Rekent gij er dan op, dat ik u al dien tijd huisvesting zal geven? + +--O neen, mijnheer, ik reken op niets. + +Ik sprak de zuivere waarheid; ik rekende op niemand. + +--Welnu, kereltje, vervolgde de herbergier, daar hebt gij gelijk in; +uw meester is mij reeds een aanzienlijke som schuldig; ik kan u twee +maanden lang geen krediet geven, zonder te weten of ik op stuk van +zaken betaald zal worden. Gij moet hier dus vandaan. + +--Hier vandaan--maar waar moet ik dan heen, mijnheer? + +--Dat is mijn zaak niet; ik ben uw vader niet, nog minder uw +meester. Waarom zou ik voor u zorgen? + +Ik bleef een oogenblik verstomd staan. Wat zou ik hem antwoorden? De +man had gelijk: waarom zou hij mij bij zich nemen? ik zou hem slechts +tot last wezen. + +--Vooruit, jongetje, haal uw honden en aap, zoo gauw mogelijk. Gij +laat de reistasch van uw meester bij mij, dat spreekt vanzelf, en +als hij uit de gevangenis komt, zal hij haar stellig ophalen en dan +kunnen wij tevens onze rekening vereffenen. + +Deze woorden brachten mij op een denkbeeld; ik meende een middel +gevonden te hebben om in deze herberg te blijven. + +--Daar gij er zeker van zijt, dat alles u dan betaald zal worden, +houd mij dan zoolang bij u en gij kunt dan mijne uitgaven bij die +van mijn meester optellen. + +--Gelooft gij dat, ventje? Uw meester zal mij wel voor eenige dagen, +maar niet voor twee maanden kunnen betalen. + +--Ik zal heel weinig eten, indien ge dat toestaat. + +--En uw dieren dan? Neen, gij ziet wel, dat gij vertrekken moet! Gij +vindt in het een of ander dorp wel voldoende werk, waarmede gij den +kost kunt verdienen. + +--Maar mijnheer, waar moet mijn meester mij dan zoeken, wanneer hij +uit de gevangenis komt? Hij zal mij ongetwijfeld hier komen halen. + +--Gij kunt dien dag dan terugkomen. Gij kunt van hier uit een tocht +maken van twee maanden en de badplaatsen bezoeken, waar gij stellig +veel geld zult verdienen. + +--En als mijn meester mij schrijft? + +--Ik zal al zijn brieven bewaren. + +--Maar dan kan ik hem niet antwoorden. + +--Och, je verveelt mij met al die vragen. Ik heb je gezegd, dat je +vertrekken moet en wel zoo spoedig mogelijk; ik geef je vijf minuten +om je gereed te maken; en zoo ik je hier nog vind, als ik terugkom, +krijg je met mij te doen. + +Ik gevoelde wel dat langer bij hem aan te houden, mij niets zou +baten. Zooals de waard zeide, moest ik "hier vandaan." Ik begaf +mij naar den stal, en toen ik de honden en Joli-Coeur bij elkander +geroepen had, na mijn tasch gesloten en die met mijn harp over mijn +schouder gehangen te hebben, verliet ik de herberg. + +De waard stond op den drempel mij op te wachten.--Als er een brief +komt, riep hij mij nog na, zal ik hem voor je bewaren. + +Ik haastte mij om de stad te verlaten, want mijn honden hadden geen +muilbanden voor. Wat zou ik antwoorden als mij een agent van politie +tegenkwam? Dat ik geen geld had om muilbanden te betalen? Dat was +de waarheid; want als ik al mijn geld optelde, kon ik niet meer bij +elkander krijgen dan elf stuivers. En dat was niet genoeg voor zulk +een toestel. Zou hij mij dan ook niet in hechtenis nemen? Als mijn +meester en ik beiden in de gevangenis waren, wat zou er dan van de +honden en van Joli-Coeur worden! Ik, die geheel alleen op de wereld +stond, die vader noch moeder bezat, was op dit oogenblik directeur +van een tooneelgezelschap en hoofd van een gezin en ik gevoelde dus +de groote verantwoordelijkheid, die op mij rustte. + +Terwijl wij haastig voortliepen, hieven de honden telkens hun kopjes +op en zagen mij met een smeekenden blik aan, alsof zij zeggen wilden: +wij hebben honger. + +Joli-Coeur, die op mijn reiszak zat, trok mij van tijd tot tijd aan +mijn oor, om mij te dwingen naar hem om te zien. Hij wreef dan over +zijn maag, hetgeen niet minder duidelijk zijn bedoeling te kennen +gaf dan de blik der honden. + +Ik had hun ook wel kunnen vertellen, dat ik honger had, want ik had +evenmin als zij ontbeten, maar wat zou dat geholpen hebben? + +Mijn elf stuivers konden ons geen ontbijt en een middagmaal +verschaffen; wij moesten ons dus met één maal tevreden stellen, dat +wij middenop den dag zouden gebruiken en dat voor twee gelden moest. + +Daar de herberg, die wij verlaten hadden, op den weg naar Monpellier +gelegen was, volgden wij natuurlijk die richting. + +In mijn haast om een stad te verlaten, waarin wij gevaar liepen een +agent van politie te ontmoeten, had ik mezelf geen rekenschap gegeven, +waarheen de weg leidde; ik wilde niets liever dan mij zoo ver mogelijk +van Toulouse verwijderen; al het overige was mij onverschillig. Naar +welk land ik heenging, boezemde mij weinig belang in; overal waar +ik at en sliep, zou men geld van mij eischen; de vraag waar ik een +onderkomen zou vinden, was voor mij ook wel van het minste gewicht: +het was in het hartje van den zomer en wij konden dus wel onder den +blooten hemel slapen. + +Maar eten? + +Ik geloof, dat ik wel twee uur lang, zonder ophouden, voortliep, +niettegenstaande de honden mij telkens smeekend aanzagen en Joli-Coeur +mij aan het oor trok en hoe langer hoe harder zijn maag wreef. + +Eindelijk achtte ik me ver genoeg van Toulouse verwijderd om niet +bevreesd te zijn, dat ik mijn honden zou moeten muilbanden en ik trad +den eersten den besten bakkerswinkel binnen. Ik vroeg om een brood +van anderhalf pond. + +--Gij moogt er wel een van twee pond nemen, zeide de bakkersvrouw; +daar zult gij met uw menagerie niet eens te veel aan hebben, want +die arme dieren moogt ge wel goed voeden. + +De vrouw had gelijk, want al nam ik een brood van twee pond, dan +zouden we elk nog maar een half pond krijgen, maar helaas, dat was +mij te duur. Het brood kostte vijf stuivers het pond en als ik er +twee nam, dan zou mij dat tien stuivers kosten, zoodat ik van mijn +elf stuivers nog slechts een stuiver zou overhouden. + +Ik durfde niet tot zulk een groote uitgave overgaan, zonder dat ik +wist, wat ik den anderen dag verdienen kon. Ik zou, wanneer ik nu +slechts anderhalf pond kocht, morgen altijd nog genoeg overhebben om +niet van honger om te komen en naar eene gelegenheid om wat geld te +verdienen uit te zien. + +Spoedig had ik deze berekening gemaakt en ik zeide op geruststellenden +toon tot de bakkersvrouw, dat anderhalf pond wel genoeg was en zij +niet meer moest afwegen. + +--Goed, goed, gaf zij ten antwoord. + +En zij sneed mij van een groot brood, dat wij gemakkelijk geheel +hadden kunnen opeten, de hoeveelheid af en legde die op de weegschaal +waartegen zij even duwde. + +--Dat is wat te veel, zeide zij, nu, dat zullen we dan voor die twee +centen rekenen. + +En zij liet de acht stuivers in haar laadje glijden. + +Ik heb wel eens gezien, dat menschen de centen, die zij ontvingen, +teruggaven met de woorden, dat zij niet wisten, wat daarmede te doen; +ik zou zeker die, welke mij toekwamen, niet hebben afgestaan: toch +durfde ik ze niet terugeischen en verliet ik zonder een woord te +zeggen den winkel met mijn brood onder den arm. + +De honden waren uitgelaten van vreugde en deden niets dan tegen mij +opspringen, terwijl Joli-Coeur mij onophoudelijk aan de haren trok. + +Wij liepen nu niet ver meer. + +Bij den eersten boom aan den weg, legde ik mijn harp en tasch op den +grond en strekte ik mij op het gras uit; de honden gingen over mij +zitten, Capi in het midden en aan weerskanten van haar Zerbino en +Dolce; wat Joli-Coeur betrof, hij bleef staan, daar hij niet vermoeid +was, om de stukjes brood op een onverwacht oogenblik weg te nemen. + +Het verdeelen van het brood was nog een zeer moeielijke zaak; ik +maakte vijf zoo gelijk mogelijke deelen, en opdat er geen kruimeltje +verloren zou gaan, sneed ik die weder in kleine stukjes; ieder kreeg +dus op zijn beurt een snede. + +Joli-Coeur, die minder voedsel noodig had dan wij, had nog de beste +partij, want hij had geen trek meer, toen wij nog uitgehongerd +waren. Ik nam van zijn deel drie stukjes, die ik in mijn reistasch +opborg om ze voor de honden te bewaren. + +Hoewel dit geen feestmaal was, waarbij toosten geslagen moesten worden, +meende ik toch dat het een geschikt oogenblik was om een enkel woord +tot mijn makkers te spreken. Ik beschouwde mij zelf natuurlijk als +het hoofd, maar ik geloofde me toch niet genoeg boven hen verheven +om hen geen deelgenoot te maken van de ernstige omstandigheden, +waarin wij ons bevonden. + +Capi had stellig mijne bedoelingen gevat, want zijn verstandige oogen +hield hij strak op mij gericht. + +--Ja vrienden, ik heb u een slechte tijding mede te deelen: onze +meester blijft twee maanden van ons weg. + +--Ouah! blafte Capi. + +--Dat is in de eerste plaats voor hem zeer treurig en ook voor +ons. Want hij verdiende den kost voor ons en gedurende zijn afwezigheid +zullen we ons in een zeer ellendigen toestand bevinden. Wij hebben +geen geld. + +Bij deze woorden, die hij zeer goed verstond, stond Capi plotseling +op zijn achterste pooten en liep hij in het rond op de wijze als hij +met zijn bakje de ronde deed bij het geëerde publiek. + +--Gij wilt, dat wij onze voorstellingen zullen voortzetten; dat is +zeker een goede raad, dien gij geeft; maar zullen wij daarmede iets +verdienen? Daarop komt alles aan. Als wij niet slagen, dan bestaat +ons geheele fortuin uit drie stuivers. Wij moeten dan onze magen +maar sluiten. Daar de zaken zoo staan, hoop ik, dat gij zult inzien, +in welke droevige omstandigheden wij verkeeren en dat gij al uw +krachten zult inspannen om de gunst van het publiek te winnen. Ik +vraag slechts gehoorzaamheid, matigheid en moed. Laten wij elkander +bijstaan en rekent gij op mij, evenals ik op u reken. + +Ik durf niet beweren, dat mijn makkers den schoonen vorm van mijn +redevoering vatten, maar zeker is het, dat zij den algemeenen zin ervan +begrepen. Zij wisten, dat door de afwezigheid van mijn meester er iets +van het grootste gewicht gebeurd was en zij verwachtten van mij eene +verklaring. Indien zij niet alles begrepen, wat ik zeide, zij waren +ten minste voldaan over de wijze, waarop ik tegenover hen handelde, +en zij toonden mij hunne tevredenheid door zeer oplettend te zijn. + +Wanneer ik van hun oplettendheid spreek, dan bedoel ik hiermede de +honden, want wat Joli-Coeur aangaat, deze kon onmogelijk zijn geest +lang met hetzelfde onderwerp bezighouden. Naar het eerste gedeelte +van mijne rede had hij met de grootste belangstelling geluisterd; maar +toen ik twintig woorden gesproken had, was hij in den boom geklauterd, +onder welks schaduw wij rustten en hij vond het nu veel aangenamer +om heen en weer te schommelen en van den eenen tak op den anderen te +springen. Als Capi mij een dergelijke beleediging had aangedaan, zou +hij mij gekrenkt hebben, maar van Joli-Coeur verwonderde mij nooit +iets; hij was onbezonnen en gedachteloos; en wel beschouwd was het +ook zeer natuurlijk, dat hij eenige afleiding zocht. + +Ik moet eerlijk bekennen, dat ik gaarne hetzelfde zou hebben gedaan en +dat ik met het grootste genot mij zou hebben heen en weder geschommeld, +maar de gewichtige en voorname rol, die ik thans speelde, veroorloofde +mij dergelijk genoegen niet. + +Toen wij eenige oogenblikken hadden uitgerust, gaf ik het sein tot +vertrekken; wij moesten ons nachtverblijf opzoeken en in elk geval +zorgen voor het ontbijt van den anderen morgen, nadat wij, zooals wel +waarschijnlijk was, ons hadden beholpen met den blauwen hemel tot dak. + +Na eene wandeling van ongeveer een uur kwamen wij aan een dorp, +dat me geschikt toescheen voor de verwezenlijking van mijn plan. + +Van verre zag het er nogal erg arm uit en wij hadden dus niet +veel kans om er goede zaken te doen; maar dit ontnam mij den moed +niet. Of ik veel of weinig ontving, was voor mij niet de hoofdzaak; +maar hoe kleiner het dorp was, zooveel te minder gevaar liepen wij +om er agenten van politie te ontmoeten. + +Ik kleedde dus mijn personeel aan en zoo ordelijk mogelijk trokken +wij het dorp binnen. Jammer maar, dat wij Vitalis niet hadden om op +de fluit te spelen en door zijn voorkomen, evenals een tamboer-majoor, +de aandacht te trekken. Ik had het geluk niet om zoo lang te zijn als +hij en ik miste ook zijn fraaien kop; mijn gestalte was eer klein dan +middelmatig; bovendien was ik vrij mager en op mijn gelaat stond meer +angst dan zelfvertrouwen te lezen. + +Onder het voortgaan wierp ik tersluiks rechts en links een blik, om te +zien welken indruk wij maakten. Maar die was niet bijzonder groot: men +keek eens even op en terstond weder vóór zich en niemand volgde ons. + +In het midden van het dorp was een plein met eene fontein, die door +plataanboomen omringd was. Hier zette ik mijn harp neder en begon een +wals te spelen. De muziek was vroolijk; mijn vingers vlug, al was +mijn hart ook nog zoo treurig gestemd, en het was of een loodzware +last op mijn schouders drukte. + +Ik deed Zerbino en Dolce dansen; zij gehoorzaamden dadelijk en begonnen +op de maat rond te springen. + +Maar niemand gaf zich de moeite om naar ons te komen kijken, en toch +zag ik voor verscheidene huizen vrouwen, die breiden en met elkander +praatten. + +Ik speelde maar altijd voort en Zerbino en Dolce bleven +dansen. Misschien zou er eindelijk wel iemand naar ons komen kijken +en als er een was, zou wel een tweede volgen en dan tien en daarna +twintig. Maar of ik al speelde en Zerbino en Dolce al dansten, de +menschen bleven waar zij waren en keken zelfs niet naar de plek waar +wij stonden. + +Het was om wanhopend te worden. + +Toch gaf ik den moed niet op; ik speelde nog lustiger voort, zoodat +de snaren bijna sprongen. + +Eindelijk kwam er een kind uit een der huizen. Het was zoo klein, +dat men haast zeggen zou, dat het voor 't eerst liep. Langzaam +naderde het ons. Zeker zou nu zijn moeder ook wel komen en na de +moeder eene buurvrouw; wij zouden publiek krijgen en dan ook zeker +wel wat ontvangen. + +Ik speelde nu wat minder hard, om het kind niet bang te maken en +het spoediger bij ons te doen komen. Met de armpjes uitgestrekt en +waggelend op zijn beentjes naderde het langzaam. Het kwam al dichter +en dichter bij; nog enkele schreden en het was bij ons. + +Zijn moeder keek op, verwonderd zeker en ongerust misschien dat het +niet bij haar was. + +Daar zag zij haar kind. Maar in plaats van het na te loopen, zooals +ik gehoopt had, riep zij het terug en het gehoorzame kind keerde +dadelijk om. + +Misschien hielden die menschen niet van dansen. Dat was ook mogelijk. + +Ik beval Zerbino en Dolce te gaan liggen en begon mijn _cansonetta_ +te zingen. Nooit deed ik zóó mijn best erop. + +Ik hief het tweede couplet aan, toen ik een man met een jas en een +vuilen hoed naar mij toe zag komen. + +Eindelijk! + +Ik zong nog lustiger. + +--Zeg eens! riep hij, wat doe-jij hier, kwajongen! + +Ik hield eensklaps op, onthutst door die vraag en bleef hem met open +mond aanstaren, terwijl hij nog dichterbij kwam. + +--Komaan, krijg ik haast antwoord? + +--Ik zing, mijnheer. + +--Heb-je een permissie om in onze gemeente te zingen? + +--Neen, mijnheer. + +--Maak dan dat je weg komt, als je niet wil, dat ik proces-verbaal +tegen je opmaak. + +--Maar mijnheer.... + +--Noem mij geen mijnheer, maar veldwachter, en ruk uit, luie bedelaar. + +Een veldwachter! Ik wist door hetgeen mijn meester overkomen was, wat +men te wachten heeft als men zich tegen politieagenten en veldwachters +verzet. Dus liet ik het mij geen tweemaal zeggen. Ik ging heen zooals +mij gelast was, langs denzelfden weg, dien ik was gekomen. + +Bedelaar!--Neen, dat woord was niet verdiend. Ik had niet gebedeld; +ik had gezongen; ik had gedanst; dat was mijn manier van werken, +en welk kwaad had ik daarmede gedaan? + +Binnen vijf minuten was ik buiten het zoo weinig gastvrije, maar zoo +goed bewaakte dorp. + +Mijne honden volgden mij met hangenden kop; zeker begrepen zij hoe +slecht wij van de reis waren gekomen. Capi liep mij nu en dan vooruit +en zag mij met zijne verstandige oogen nieuwsgierig aan. Ieder ander +in zijne plaats zou mij allerlei vragen hebben gedaan, maar Capi was +te goed opgevoed, te goed gedrild, om zich eene onbescheiden vraag +te veroorloven. Hij bepaalde er zich toe zijne nieuwsgierigheid aan +den dag te leggen, en ik zag hoe zijn kaken beefden, door de pogingen +die hij deed om zijn geblaf te onderdrukken. + +Toen wij ver genoeg van het dorp waren verwijderd om zeker te zijn, +dat de booze veldwachter niet meer komen zou, gaf ik een teeken met +mijn hand en dadelijk vormden de drie honden een kring om mij; Capi +stond in het midden en hield onbeweeglijk de oogen op mij gevestigd. + +Het oogenblik was gekomen om hun de uitlegging te geven, die zij +wachtten. + +--Daar wij geen permissie hadden om te spelen, zeide ik, jaagt men +ons weg. + +--En nu? vroeg Capi, met een beweging van zijn kop. + +--Nu gaan wij slapen onder den blooten hemel en avondeten hebben +wij niet. + +Bij het woord avondeten lieten allen een dof gebrom hooren. Ik liet +mijn drie stuivers zien. + +--Ge weet, dat dit alles is wat we bezitten; geven wij vanavond +onze drie stuivers uit, dan hebben wij niets voor ons ontbijt van +morgen. Daar wij vandaag gegeten hebben, komt het mij verstandiger +voor aan den dag van morgen te denken. + +Ik stak de drie stuivers in mijn zak. + +Capi en Dolce bogen onderworpen den kop, maar Zerbino, die niet altijd +in zijn humeur was en bovendien een lekkerbek, ging voort met brommen. + +Na een strengen blik, die hem echter niet tot zwijgen bracht, zeide +ik tot Capi. + +--Verklaar eens aan Zerbino wat hij niet schijnt te kunnen +begrijpen. Wij moeten ons vandaag getroosten niet meer te eten, +als wij morgen iets willen hebben. + +Dadelijk gaf Capi een slag met zijn poot en eene gedachtenwisseling +tusschen hen volgde. + +Dat woord gedachtenwisseling vindt men misschien niet zeer juist, +omdat het hier honden geldt; maar zeker is het toch, dat alle dieren +een eigen manier hebben om elkander iets mede te deelen. Als men in +een huis gewoond heeft onder welks daklijst en kozijnen de zwaluwen +nestelen, krijgt men al zeer spoedig de overtuiging, dat de vogeltjes +niet enkel fluiten om een wijsje te doen hooren, wanneer zij, bij +het aanbreken van den dag, zoo druk met elkander bezig zijn. Het +zijn bepaalde gesprekken die zij met elkander houden; ernstige zaken +behandelen zij, waarin woorden vol teederheid worden gewisseld. En de +mieren van denzelfden stam kruisen, als zij elkander ontmoeten, hunne +voelsprietjes. Moet men ook daaruit niet opmaken, dat zij elkaar het +een of ander mededeelen wat voor haar van belang is? Wat de honden +betreft, deze kunnen niet alleen spreken, maar ook lezen: zie maar +eens hoe zij met hun neus in de lucht of met den kop vlak op den +grond de steenen en planten berieken en dan eensklaps een oogenblik +stilstaan bij een struik of voor een muur. Wij menschen zien niets +op die muren, maar de hond leest daarop allerlei bijzondere dingen +in een geheimzinnig schrift, dat door ons zelfs niet wordt opgemerkt. + +Wat Capi aan Zerbino mededeelde, verstond ik niet; want zoo al de +honden de taal der menschen verstaan, de menschen kennen die der dieren +niet; ik zag alleen, dat Zerbino niet naar rede wilde luisteren en erop +aandrong, dat de drie stuivers vandaag nog zouden worden uitgegeven; +Capi moest eindelijk wel boos worden en eerst toen hij zijn tanden +had laten zien, gaf Zerbino, die niet heel dapper was, toe. + +De vraag omtrent het avondeten was dus beslist, maar die van het +nachtverblijf moest nog behandeld worden. + +Gelukkig was het mooi weer; het was een warme dag geweest en in +dezen tijd van 't jaar onder den blooten hemel te slapen, was zoo erg +niet. Alleen moest men zijne slaapstee zoodanig inrichten, dat men +geen last kon hebben van de wolven, zoo die er waren in dezen omtrek +en--wat mij nog grooter gevaar scheen--van de veldwachters, want voor +ons waren die menschen nog meer te vreezen dan de wilde dieren. + +Wij moesten dus maar doorloopen, den weg volgende, tot wij eene goede +schuilplaats hadden gevonden. + +Het was een lange weg; de eene mijl volgde op de andere en de laatste +rooskleurige gloed der ondergaande zon was verdwenen, zonder dat wij +nog eene schuilplaats gevonden hadden. Er moest nu wel een besluit +worden genomen. + +Toen ik stilstond om op de plek, waar wij waren, den nacht door te +brengen, bevonden wij ons in een bosch, waarin hier en daar eenige +open vlakken waren, in het midden waarvan groote rotsklompen zich +verhieven. De plaats was zeer somber en verlaten, maar wij hadden +geen keus en ik meende, dat wij tusschen die granietblokken wel tegen +de nachtelijke koude beschermd zouden zijn. Ik zeg "wij" en bedoel +hiermede Joli-Coeur en mij zelven, want wat de honden betreft, om hen +behoefde ik mij zoo zwaar niet te bekommeren: zij zouden er de koorts +niet van krijgen of zij al een nachtje buiten sliepen. Maar voor me +zelven moest ik oppassen, want ik besefte al de verantwoordelijkheid, +die op mij rustte. Wat zou er van mijn troep terechtkomen, als ik +ziek werd? Wat zou ik beginnen, als ik Joli-Coeur moest verzorgen? + +Wij sloegen nu terzijde van den weg af en volgden de openingen +tusschen de steenen, totdat ik vóór mij een groot rotsblok zag, +zoodanig gevormd, dat er onder eene soort van grot was en het +bovengedeelte als een gewelf erover uitstak. In die grot had de wind +eene groote massa verdorde dennenaalden bijeengedreven. Beter konden +wij niet verlangen; er was een matras om ons op uit te strekken; een +dak om ons te beschutten; er ontbrak ons niets dan een stuk brood tot +avondeten. Maar men moest maar trachten daar niet aan te denken. Het +spreekwoord zegt terecht: wie slaapt voelt geen honger. + +Vóór ik insliep deelde ik aan Capi mede, dat wij op zijne waakzaamheid +rekenden en in plaats van zich, evenals wij, op de dennenaalden +neer te leggen, bleef het goede dier buiten onze grot om de wacht +te houden. Ik kon nu gerust zijn, overtuigd, dat niemand bij ons zou +komen vóór ik gewaarschuwd was. + +Hoewel hieromtrent gerustgesteld, kon ik toch niet zoo dadelijk op +mijn matras van dennenaalden inslapen bij Joli-Coeur, die in mijn +jas gewikkeld naast mij lag, Zerbino en Dolce aan mijn voeten. Mijne +bezorgdheid was nog grooter dan mijne vermoeienis. + +Deze eerste dag van mijn reis was slecht geweest: wat zou de dag van +morgen opleveren? Ik had honger en dorst en ik bezat niet meer dan +drie stuivers. Of ik ze al omkeerde en nog eens omkeerde in mijn zak, +er bleven er altijd maar drie; ik kwam niet boven dat getal. + +Hoe zou ik mijn troepje in het leven houden en hoe mij zelven, als ik +morgen en de volgende dagen geen gelegenheid had om voorstellingen +te geven? Muilbanden, een permissie om te zingen--hoe zou ik die +bekomen? Moesten wij dan allen van honger omkomen in een bosch? sterven +onder de struiken? + +Terwijl ik over die treurige dingen dacht, keek ik naar de sterren, +die boven mij aan den donkeren hemel flonkerden. Geen windje woei +er. Overal doodelijke stilte; geen blaadje ritselde; geen vogel deed +zich hooren; geen wiel kraakte op den weg; zoo ver mijn blik in die +blauwe diepte reikte, was alles stil en ledig: eenzaam en verlaten +waren wij. + +Ik voelde de tranen in mijn oogen komen; opeens begon ik te weenen: +Arme vrouw Barberin! Arme Vitalis! + +Ik lag voorover en liet mijn tranen in mijne handen vloeien, zonder +dat ik ze kon tegenhouden. Daar voelde ik een warmen adem in mijn +haren; ijlings richtte ik mij op, eene groote tong, zacht en warm, +lekte mijne wangen. Het was Capi, die mij had hooren weenen en mij +kwam troosten, zooals hij mij ook te hulp was gekomen, den eersten +nacht dat wij op reis waren. + +Ik sloeg mijn beide armen om zijn hals en drukte een kus op zijn +vochtigen snuit. Toen onderdrukte hij twee- of driemaal een zacht +gekreun en het scheen, dat hij weende met mij. + +Toen ik wakker werd, was het helder dag en Capi zat tegenover me en +keek mij aan. De vogels zongen in het gebladerte; in de verte, heel in +de verte, hoorde ik het _Angelus_ kleppen. De zon, die reeds hoog aan +den hemel stond, wierp hare stralen uit, die warmte en kracht gaven, +zoowel aan de grot als aan ons lichaam. Ons morgen-toilet was spoedig +gemaakt en wij begaven ons op weg in de richting waar we het _Angelus_ +hoorden luiden. Daar was een dorp en zeker ook een bakker. Als men +zonder eten is gaan slapen, doet de honger zich spoedig gevoelen. + +Ik had mijn besluit genomen. Mijne drie stuivers zou ik uitgeven en +daarna zouden wij zien. Toen ik in het dorp kwam, behoefde ik niet +te vragen waar de bakker woonde; ik rook zijn winkel reeds van verre; +mijn reukorgaan was bijna even fijn als dat van de honden, zoodat reeds +op een afstand de lucht van het warme brood door mij werd waargenomen. + +Als het brood vijf stuivers per pond kost, heeft men niet veel voor +drie stuivers, ieder kreeg een klein stukje, zoodat ons ontbijt +spoedig afgeloopen was. + +Nu was het oogenblik daar om te denken, hoe wij aan den kost moesten +komen. Ik liep het dorp door, om te zien waar de gunstigste gelegenheid +was voor eene voorstelling en ook om de gezichten der menschen gade +te slaan, teneinde daaruit te ontdekken of ze ons al of niet gezind +zouden wezen. Mijn plan was niet om terstond met de voorstelling te +beginnen, want daarvoor was het uur niet bijzonder geschikt, maar +om de beste plaats uit te kiezen en dan tegen het midden van den dag +daar terug te komen en de kans te wagen. + +Met die plannen was ik geheel vervuld, toen ik opeens achter mij +hoorde roepen; ik keek om en zag Zerbino, die door eene oude vrouw +werd nagezet. Het duurde niet lang of ik begreep wat er gaande was: +de hond had bemerkt, dat ik in gepeins was verzonken; hij had mij +verlaten en was een huis binnengeloopen, waar hij een stuk vleesch +gestolen had, dat hij nu nog in den bek droeg. + +--Houd den dief! houd den dief! riep de vrouw. + +Toen ik die woorden hoorde, voelde ik, dat ik schuldig was, tenminste +verantwoordelijk voor de daad van mijn hond, en begon ik ook hard te +loopen. Wat moest ik zeggen als de oude vrouw mij den prijs vroeg van +het stuk vleesch, dat de hond gestolen had? Hoe zou ik het betalen? Als +ik eens gepakt werd, zou men mij dan niet gevangen houden? + +Toen zij me hard zagen wegloopen, bleven ook Capi en Dolce niet achter; +ik voelde ze op mijne hielen, terwijl Joli-Coeur, dien ik op mijn +schouder droeg, zijn poot om mijn hals sloeg om niet te vallen. + +Ik behoefde niet bang te zijn, dat men ons zou inhalen, maar men zou +ons kunnen tegenhouden en dit scheen mij het plan van twee of drie +menschen, die van de andere zijde kwamen. Gelukkig lag er tusschen +ons een dwarsstraat; die sloeg ik in, gevolgd door mijne honden, +en weldra waren wij weder in het open veld. Toch bleef ik niet staan +voordat ik geheel buiten adem was, en toen had ik zeker twee kilometer +geloopen. Eerst durfde ik nog niet omzien, maar toen ik eindelijk een +blik achter mij wierp, bemerkte ik, dat niemand ons volgde. Capi en +Dolce waren altijd nog op mijne hielen. Zerbino volgde op een afstand; +hij had onderweg zeker stilgestaan om zijn stuk vleesch op te eten. Ik +riep hem, maar Zerbino begreep, dat hij een strenge kastijding te +wachten had en bleef eerst staan; daarop keerde hij zich om en liep +heen zoo snel hij kon. + +Slechts uit honger had Zerbino het vleesch gestolen. Maar dit was +voor mij geen reden van verontschuldiging. Hij had gestolen en de +schuldige moest gestraft worden, of het was uit met de tucht onder mijn +troep. In het volgende dorp zou Dolce het voorbeeld van zijn makker +volgen en Capi zelf zou eindelijk bezwijken voor de verzoeking. Dus +moest Zerbino voorbeeldig gestraft worden. Maar daarvoor moest ik +hem binnen mijn bereik hebben en dat was zoo gemakkelijk niet. Ik +nam mijne toevlucht tot Capi. + +--Haal Zerbino, zeide ik. + +Dadelijk rende hij weg om den last, die ik hem opdroeg, te +volbrengen. Het scheen mij evenwel toe, dat hij die taak minder +gewillig op zich nam dan anders en uit den blik, dien hij op mij +wierp vóór hij heenging, meende ik te bespeuren, dat hij liever de +advocaat van Zerbino wezen zou dan de gendarme, die hem oppakte. + +Ik moest thans de terugkomst afwachten van Capi en zijn gevangene, +wat vrij lang kon duren, daar Zerbino zeker niet zoo dadelijk zou +terugkeeren. Dat wachten vond ik evenwel zoo onaangenaam niet. Ik was +te ver van het dorp om van die zijde iets te vreezen, en daarbij was +ik zoo vermoeid, dat ik gaarne een poos wilde uitrusten. Bovendien, +waarom zou ik mij haasten: ik wist niet waar ik heen moest gaan of +wat ik doen moest. De plek, waar ik stil had gestaan, was tevens +uitmuntend geschikt om er een poos te vertoeven. Zonder te weten +waarheen ik mij in mijn dollen loop gericht had, was ik aan een kanaal +gekomen en na de zandige vlakte te hebben doorkruist, die zich in +de omstreken van Toulouse uitstrekt, was ik nu in een weelderig, +vruchtbaar land gekomen: water, boomen, gras, eene kleine beek, die +tusschen de spleten vloeide van eene dichtbegroeide rots, en telkens +kleine watervallen vormde. Het was hier allerbekoorlijkst en uitnemend +geschikt om de terugkomst der honden af te wachten. + +Een uur ging er voorbij en geen van beiden keerde terug. Reeds begon +ik mij ongerust te maken, toen Capi verscheen met hangenden kop. + +--Waar is Zerbino? + +Capi legde zich in vreesachtige houding voor mij neder en ik zag nu, +dat een van zijn ooren bloedde. + +Meer was niet noodig om mij te doen begrijpen wat er gebeurd +was. Zerbino had zich tegen den gendarme verzet; hij had weerstand +geboden aan Capi, die misschien zelf maar met tegenzin gehoorzaamd +had aan het bevel, dat ook hij te streng achtte en hij had zich +laten overwinnen. + +Moest ik hem beknorren en ook straffen? Daartoe had ik den moed niet; +ik was niet in eene stemming om anderen te kwellen: ik had al genoeg +aan mijn eigen verdriet. + +Daar Capi niet in zijne taak geslaagd was, bleef mij niets anders over +dan af te wachten of Zerbino ook terug zou willen komen. Ik kende hem +genoeg om te weten, dat na een eerste vlaag van verzet, hij zich zou +onderwerpen aan de straf en dat ik hem dus weldra berouwvol voor mij +zou zien. + +Ik strekte mij onder een boom uit; Joli-Coeur had ik vastgemaakt, want +ik was bang, dat hij lust zou krijgen om Zerbino te gaan opzoeken. Capi +en Dolce lagen aan mijne voeten. + +De tijd ging voorbij. Zerbino keerde nog maar niet terug. Onwillekeurig +maakte de slaap zich van mij meester en ik sliep in. Toen ik wakker +werd, stond de zon recht boven ons; uren waren er voorbijgegaan. Maar +de zon behoefde mij niet te zeggen, dat de tijd voortgegaan was: +mijn maag vertelde me dat er uren waren verstreken sedert ik mijn +stukje brood gegeten had. Van hun kant gaven ook de twee honden en +Joli-Coeur mij op de duidelijkste wijze te kennen, dat zij honger +hadden. Capi en Dolce door hun beklaaglijk voorkomen; Joli-Coeur door +zijne dwaze sprongen. Zerbino was nog altijd niet terug. + +Ik riep; ik floot, maar alles tevergeefs; hij verscheen niet; hij had +goed ontbeten en rustte nu waarschijnlijk uit onder eene struik. Mijn +toestand werd moeielijk. Als ik wegging, zou hij ons misschien +kunnen verliezen en nooit meer terugkomen; als ik bleef, miste ik de +gelegenheid om eenige stuivers te verdienen voor een middagmaal. En +de behoefte aan dat middagmaal werd hoe langer hoe grooter. De oogen +van de honden waren wanhopend op de mijne gevestigd en Joli-Coeur +wreef zijn buik en liet nu en dan een nijdig gebrom hooren. + +Daar de tijd voorbijging en Zerbino niet kwam, zond ik Capi er +nogmaals op uit om zijn kameraad te halen, maar na verloop van een +halfuur kwam hij weder alleen terug en deed mij begrijpen, dat hij +hem niet gevonden had. + +Wat nu te doen? Hoewel Zerbino straf verdiende en ons door zijn schuld +in een alleronaangenaamsten toestand had gebracht, kon ik het niet +over mij verkrijgen om hem te verlaten. Wat zou mijn meester zeggen, +als ik hem zijn drie honden niet terugbracht? En dan.... ik hield +van dien schelm van een Zerbino. + +Ik besloot te wachten tot den avond, maar het was onmogelijk al dien +tijd werkeloos te blijven met zulke hongerige magen, want de honger +liet zich te meer gelden nu er niets was, dat ons eenige afleiding +geven kon. Er moest iets gevonden worden dat ons alle vier eenige +afleiding schonk. Als wij maar vergeten konden dat wij honger hadden, +zouden wij hem in deze uren van eenzame verlatenheid zeker minder +voelen. Maar waarmede ons bezig te houden? + +Toen ik daarover nadacht, herinnerde ik mij hoe Vitalis mij eens +verteld had, dat in den oorlog, als een regiment vermoeid was door een +langen marsch, men muziek maakte, en bij die vroolijke, meeslepende +melodieën vergaten de soldaten hunne vermoeidheid. Als ik nu ook +eens een vroolijk deuntje speelde, zouden wij misschien ook onzen +honger vergeten. In ieder geval, als ik muziek maakte en de honden +liet dansen met Joli-Coeur, zou de tijd spoediger voorbijgaan. + +Ik nam mijn harp, die tegen een boom stond en met mijn rug naar het +kanaal gekeerd, begon ik, na mijn personeel in orde te hebben gebracht, +een dans en daarna een wals te spelen. + +Eerst schenen mijne acteurs niet zeer geneigd om te dansen. Het was +duidelijk, dat een stuk brood meer in hun smaak zou zijn gevallen, +maar langzamerhand kwam er meer leven bij hen; de muziek had hare +gewone uitwerking; wij vergaten het stuk brood, dat wij niet hadden en +ik dacht aan niets anders meer dan aan de muziek en zij aan het dansen. + +Eensklaps hoorde ik achter mij eene heldere kinderstem, die +"bravo!" riep. Ik keerde mij ijlings om. + +Een scheepje voer door het kanaal, met den steven gericht naar den +oever waar ik stond; de twee paarden, die het voorttrokken, liepen +op den anderen oever. Het was een vreemdsoortig schip, zooals ik +er nog nooit een gezien had. Het was veel korter dan de pramen, +welke gewoonlijk gebezigd worden voor de vaart op het kanaal en op +het dek, dat slechts even boven het water uitstak, was een soort van +glazenhuis gebouwd. Op de voorplecht was eene verande aangebracht, +die met slingerplanten was bedekt, waarvan de stengels, die hier +en daar zich aan het glazendak hadden gehecht, als beken van groen +nedervielen. Onder die veranda zag ik twee personen: eene nog jeugdige +dame met een edel, eenigszins droevig voorkomen, en een knaap van +mijn leeftijd ongeveer en die mij toescheen te liggen, terwijl de +dame stond. + +Zeker was het die knaap geweest, die bravo had geroepen. + +Spoedig was ik van mijne verrassing bekomen, want er was niets in die +verschijning, dat mij bang maakte; ik nam mijn hoed af om te bedanken +voor de toejuiching. + +--Speelt ge voor uw pleizier? vroeg de dame mij in een vreemden +tongval. + +--Ik deed het om mijn troepje te oefenen en ook.... om mij eenige +afleiding te bezorgen. + +De knaap wenkte de dame, die zich over hem heen boog. + +--Wilt ge nog wat spelen? vroeg de dame, het hoofd opheffende. + +Of ik nog wat wilde spelen! Spelen voor een publiek dat mij zoo juist +van pas kwam. Ik liet me niet bidden. + +--Wil u een dans of eene comedie? vroeg ik. + +--O, een comedie! riep de knaap. + +Maar de dame zeide, dat zij liever een dans wilde zien. + +--Een dans duurt zoo kort, zeide de knaap. + +--Na den dans kunnen wij verscheidene toeren verrichten zooals die in +het paardenspel te Parijs vertoond worden, indien het geëerde publiek +dit verlangt. + +Dit was een uitdrukking van mijn patroon en ik trachtte die met +evenveel waardigheid te uiten. Bij nader inzien was ik blij, dat men +de comedie niet verlangd had, want ik zou vrij wat moeite hebben +gehad om ze behoorlijk van stapel te doen loopen, vooreerst omdat +Zerbino er niet was en ook omdat ik de costumes miste en hetgeen er +verder bijhoorde. + +Ik nam dus mijne harp en begon een wals te spelen. Dadelijk sloeg +Capi zijne twee pooten om het lijf van Dolce en zij begonnen rond +te draaien op de maat. Daarop deed Joli-Coeur een dans alleen. Toen +volgden de andere stukken, die wij konden uitvoeren en wij voelden +onze moeheid niet meer. Wat mijne acteurs betrof, die begrepen zeker, +dat zij voor al hun moeite een goed maal zouden krijgen en zij deden +even goed hun best als ik. + +Opeens, te midden van een der kunstverrichtingen, zag ik Zerbino +uit het kreupelhout te voorschijn komen, en toen zijne kameraden in +zijne nabijheid waren, nam bij te midden van hen plaats en vervulde +zijne rol. + +Terwijl ik speelde en op mijn troepje lette, wierp ik nu en dan een +blik naar den knaap, die zonderling genoeg, hoewel hij veel vermaak +schepte in de vertooning, zich niet verroerde. Hij bleef uitgestrekt +liggen zonder zich te bewegen, nu en dan slechts klapte hij in +de handen. + +Was hij lam? Hij scheen op een plank vastgebonden. + +Intusschen was het schip tegen den oever komen liggen waar ik stond, +en ik zag nu den jongen alsof ik zelf op de schuit had gestaan. Hij +had blonde haren en zijn gelaat was zeer bleek, zoo bleek, dat men +de blauwe aderen van zijn voorhoofd zien kon onder zijn doorschijnend +vel. Zijn gelaat had iets treurigs en pijnlijks als van een zieke. + +--Hoeveel kost een plaats bij uwe vertooning? vroeg de dame. + +--Men betaalt naarmate van het genoegen, dat ze gegeven heeft. + +--Dan moet u heel veel betalen, mama, zeide de knaap, en hij voegde +er toen iets bij in eene taal, die ik niet verstond. + +--Arthur wilde uw diertjes van dichterbij zien. + +Ik gaf Capi een teeken, die terstond zijn loop nam en in de boot +sprong. + +--En de anderen! riep Arthur. + +Zerbino en Dolce volgden hun makker. + +--En de aap! + +Ook Joli-Coeur kon gemakkelijk den sprong doen; maar als hij eens aan +boord was, kon hij zich wel eens vrijheden veroorloven, die niet in +den smaak der dame vielen. + +--Is hij nijdig? vroeg zij. + +--O neen, mevrouw, maar hij is niet altijd gehoorzaam en ik ben bang, +dat hij iets doet, wat niet goed is. + +--Welnu, kom zelf dan maar met hem mede. + +Bij die woorden gaf zij een wenk aan een man, die bij het roer stond +en deze kwam terstond naar de plecht met een plank, waarvan hij het +uiteinde op den kant legde. + +Over deze brug kon ik nu op het schip komen zonder den gevaarlijken +sprong te wagen en ik liep er met waardigheid overheen met mijne harp +over den schouder en mijn aap in de hand. + +--O, de aap! de aap! riep Arthur. + +Ik naderde den knaap en terwijl hij hem streelde, kon ik hem op +mijn gemak gadeslaan. Ik zag nu, dat hij inderdaad op een plank was +vastgebonden, zooals ik terstond reeds had meenen te bemerken. + +--Je hebt een vader, niet waar, jongenlief? vroeg de dame. + +--Ja, maar thans ben ik alleen. + +--Voor hoe lang? + +--Voor twee maanden. + +--Twee maanden! arme jongen. Hoe komt gij zoo alleen op uw leeftijd? + +--Ik moet wel, mevrouw. + +--Uw meester dwingt u vast om na twee maanden hem eene bepaalde som +geld te geven? + +--Neen, mevrouw, hij dwong mij tot niets. Als ik maar met mijn troepje +leven kan, is dit genoeg. + +--En ge hebt tot dusver kunnen leven? + +Ik aarzelde met mijn antwoord. Nooit had ik eene dame gezien die mij +zooveel ontzag inboezemde als zij, die mij thans ondervroeg. Toch +sprak zij zoo minzaam tegen mij, hare stem was zoo zacht, haar blik +zoo vriendelijk, zoo bemoedigend, dat ik er eindelijk maar toe besloot +de waarheid te vertellen. Waarom zou ik ook zwijgen? + +Ik verhaalde haar dus waarom ik van Vitalis had moeten scheiden, die +tot gevangenisstraf was veroordeeld, omdat hij mij verdedigd had en +hoe ik, sedert ik Toulouse had verlaten, niets had verdiend. + +Terwijl ik sprak, speelde Arthur met de honden, maar hij luisterde +toch toe en hoorde wat ik zeide. + +--Wat zult ge dan allen honger hebben! riep hij uit. + +Op dat woord, dat ze allen verstonden, begonnen de honden te blaffen +en Joli-Coeur wreef zijn buik. + +--Hé, mama! zeide Arthur. + +De dame begreep zijn bedoeling. Zij sprak eenige woorden in een +vreemde taal tot eene vrouw, wier hoofd te voorschijn kwam door +eene half-geopende deur en bijna onmiddellijk daarna bracht deze een +tafeltje met allerlei spijzen. + +--Ga zitten, mijn jongen, zeide de dame. + +Ik liet mij niet tweemaal noodigen, zette mijn harp neder en nam +aanstonds plaats aan tafel. De honden schaarden zich om mij en +Joli-Coeur ging op mijne knieën zitten. + +--Eten uwe honden brood? vroeg Arthur. + +Of ze brood aten; ik gaf hun elk een stuk, dat zij onmiddellijk +verslonden. + +--En de aap? vroeg Arthur weder. + +Maar hij behoefde dit niet eens te vragen, want terwijl ik de honden +bediende, had hij zich meester gemaakt van een korst, waarin hij +onder tafel bijna stikte. + +Op mijn beurt nam ik een sneedje brood en zoo ik er al niet bijna in +stikte, zooals Joli-Coeur, at ik het toch even gulzig op als hij. + +--Arm kind! sprak de dame, terwijl zij mijn glas vulde. + +Arthur zeide niets, maar sloeg ons gade met wijd geopende oogen. Hij +verbaasde zich zeker over onzen eetlust, want de een was al hongeriger +dan de ander, zelfs Zerbino, die toch meer of minder verzadigd moest +zijn van het vleesch, dat hij gestolen had. + +--En waar zoudt gij vandaag gegeten hebben, als wij u niet ontmoet +hadden? vroeg Arthur. + +--Ik denk dat wij dan niet zouden gegeten hebben. + +--En waar zult gij morgen van eten? + +--Misschien zullen wij morgen den een of ander ontmoeten, die zoo +goed is als u. + +Arthur sprak niet meer tot mij. Hij wendde zich tot zijne moeder en +zij spraken langen tijd met elkander in de vreemde taal, die ik reeds +van hen gehoord had. Hij scheen iets te vragen, wat zij niet geneigd +was toe te staan, tenminste, waartegen zij veel bezwaar had. + +Opeens wendde hij zijn hoofd weder naar mij toe, want zijn lichaam +verroerde zich niet. + +--Wilt gij bij ons blijven? vroeg hij. + +Ik zag hem aan, maar ik kon geen antwoord geven, zoo verrast was ik +door die vraag. + +--Mijn zoon vraagt, of gij bij ons wilt blijven. + +--Op dit schip? + +--Ja, op dit schip. Mijn zoontje is ziek; de geneesheeren hebben +voorgeschreven, dat hij op eene plank zou worden vastgebonden, +zooals gij ziet. Opdat hij zich niet zou vervelen, doe ik tochtjes +met hem op het water. Gij blijft bij ons. Uwe honden en uw aap zullen +voorstellingen geven voor Arthur, die uw publiek zal uitmaken. En gij, +beste jongen, zult voor ons op uw harp spelen. Daarmede bewijst gij ons +een dienst en wij kunnen u misschien van nut zijn. Gij behoeft niet +elken dag naar een publiek te zoeken, wat misschien op uw leeftijd +u zoo gemakkelijk niet zou vallen. + +Op een schip! Ik was nooit op een schip geweest en dat was juist +wat ik het vurigst had verlangd. Ik zou op een schip leven, op het +water! Welk een geluk! + +Dit was de eerste gedachte, die zich van mij meester maakte en mij +geheel overstelpte. Welk een droom! + +Eenige oogenblikken nadenken deden mij al het geluk beseffen, dat +in die vraag voor mij opgesloten lag en hoe goed de dame was, die ze +tot mij richtte. + +Ik greep hare hand en kuste die. + +Zij scheen gevoelig voor dit blijk van erkentelijkheid en minzaam, +teeder bijna, streek zij een paar malen met hare hand over mijn +voorhoofd. + +--Arm kind, zeide zij. + +Daar men verlangd had, dat ik op de harp zou spelen, meende ik terstond +aan dat verlangen te moeten voldoen: die haast was in zekere mate +een bewijs van goeden wil en van mijn streven om mijne dankbaarheid +te toonen. + +Ik nam mijne harp, zette mij op de plecht en begon toen te spelen. Op +dat oogenblik haalde de dame een zilveren fluitje te voorschijn en +een schelle toon klonk door de lucht. Ik hield dadelijk op en vroeg +me zelven af waarom zij floot? Was het omdat ik valsch speelde of +omdat ik zou ophouden? + +Arthur, die alles opmerkte wat er om hem heen gebeurde, begreep +mijne gedachte. + +--Mama heeft gefloten ten teeken dat de paarden weder kunnen voortgaan. + +En de boot verwijderde zich dan ook van den oever en doorkliefde +het kalme kanaal, door de paarden voortgetrokken. Het water lekte +de kiel en van weerszijden schenen de boomen ons voorbij te trekken, +verlicht door de schuine stralen van de ondergaande zon. + +--Wilt gij spelen? vroeg Arthur. + +En met een beweging van zijn hoofd zijne moeder bij zich roepende, +nam hij hare hand en hield die in de zijne gedurende al den tijd, dat +ik de verschillende stukken speelde, die mijn meester mij geleerd had. + + + + +XII. + +MIJN EERSTE VRIEND. + + +De moeder van Arthur was eene Engelsche. Zij heette mevrouw +Milligan. Zij was weduwe en Arthur was haar eenig kind--althans haar +eenig kind in leven, want zij had een oudsten zoon gehad, die op +geheimzinnige wijze was verdwenen. + +Toen het zes maanden oud was, was dit kind verloren of gestolen, +en nooit had men er een spoor van kunnen ontdekken. In den tijd +waarin dit plaats had gehad, kon mevrouw Milligan dan ook niet het +noodige onderzoek instellen. Haar echtgenoot lag toen op sterven en +zij zelve was zwaar ziek, zoodat zij buiten kennis lag en niet wist +wat er om haar heen gebeurde. Toen zij weder tot bewustzijn kwam, +was haar man gestorven en haar zoon verdwenen. Het onderzoek was +ingesteld door haar schoonbroeder, James Milligan. Maar in diens +keuze was iets zonderlings, omdat de heer James Milligan belangen had, +die in lijnrechten strijd waren met die zijner schoonzuster. Immers, +stierf zijn broeder zonder kinderen, dan was hij diens erfgenaam. Zijne +nasporingen leidden tot geenerlei ontdekking: in Engeland, Frankrijk, +België, Duitschland en Italië--nergens was iets van het verdwenen +kind te ontdekken. + +Toch erfde de heer James Milligan niet van zijn broeder, want weinige +maanden na den dood van dezen was er een nieuwe erfgenaam: de kleine +Arthur. + +Maar dat tengere en ziekelijke kind kon niet lang leven, zeiden de +geneesheeren. Hij moest spoedig sterven en na zijn dood zou James +Milligan eindelijk de erfgenaam worden van den titel en het fortuin van +zijn ouderen broeder, want de wetten betreffende de nalatenschappen +zijn niet dezelfde in alle landen, en in Engeland kan zich het geval +voordoen, dat een oom erft, ten nadeele van eene moeder. + +Het uitzicht van den heer James Milligan werd dus beperkt door de +geboorte van zijn neef; maar geheel weggenomen werd het niet. Hij +behoefde slechts te wachten; en hij wachtte. + +De voorspelling van de geneesheeren werd echter niet +verwezenlijkt. Arthur bleef wel zwak en ziekelijk, maar hij stierf +niet zooals men voorspeld had. De zorgvuldige verpleging van zijne +moeder hield hem in het leven. Dit is een wonder, dat, den hemel zij +dank, zeer dikwijls plaats heeft. + +Twintigmaal meende men, dat hij bezwijken zou; achtervolgens, ja +somtijds twee te gelijk, had hij alle ziekten gehad, waaraan kinderen +onderhevig zijn. + +In den laatsten tijd had zich eene treurige kwaal van hem meester +gemaakt; eene verlamming in de heupen. Als geneesmiddel had men de +zwavelbaden voorgeschreven, en mevrouw Milligan was met hem naar de +Pyreneën gereisd. Na daar vruchteloos de baden te hebben gebruikt, had +men een andere kuur aangeraden: de knaap moest het lichaam gestrekt +houden en niet op zijne voeten rusten. Toen had zijne moeder de boot +laten inrichten, waarop ik de reis medemaakte. + +Zij kon er niet toe besluiten haar zoon in huis opgesloten te houden; +dan zou hij gestorven zijn van zijn verveling en gebrek aan lucht. Daar +Arthur zelf niet loopen kon, liet zij een huis voor hem maken, dat +zich kon verplaatsen. + +De boot was dan ook geheel als een drijvende woning ingericht, +met huiskamer, keuken, salon en veranda. In het salon of onder die +veranda bracht Arthur den dag door van des morgens tot des avonds met +zijne moeder aan zijne zijde, en de landschappen trokken hem voorbij; +hij behoefde de oogen maar te openen. + +Eene maand geleden hadden zij Bordeaux verlaten en na de Garonne te +zijn opgevaren, hadden zij nu het Zuider-kanaal bereikt. Dit bracht +hen in de vijvers en kanalen naar de Middellandsche Zee, vanwaar zij +de Rhône zouden opvaren en daarna de Saône; van deze rivier zouden +zij in de Loire komen en dan te Briâre de Seine nemen om den loop +dezer rivier te volgen tot Rouaan, waar zij een grooter schip zouden +huren om naar Engeland terug te keeren. + +Natuurlijk vernam ik al deze bijzonderheden omtrent mevrouw Milligan +en haar zoon niet den dag, waarop ik aankwam. Ik vernam ze eerst +geleidelijk, een voor een en voeg ze hier slechts in volgorde samen, +om mijn verhaal duidelijker te maken. Op den eersten dag maakte +ik kennis met het vertrek, dat ik op _De Zwaan_--zoo heette het +schip--bewonen zou. Het was heel klein, twee el lang en een el breed, +het was het aardigste huisje, dat de verbeelding van een kind zich +kan voorstellen. De meubels bestonden uit een enkele kast, maar die +geleek wel op een tooverflesch van een goochelaar: er kwam van alles +uit. Het bovenste gedeelte was er niet vast op bevestigd, maar kon +opgelicht worden en dan had men een volledig bed: matras, hoofdkussen +en dek. Natuurlijk was het niet heel groot, maar toch groot genoeg +voor mij om er lekker in te liggen. Onder dat bed was eene lade, +waarin men alle voorwerpen vond, die men voor zijn toilet noodig +heeft en daaronder was een andere lade met verschillende afdeelingen +voor ondergoed en bovenkleeren. Tafels of stoelen waren er niet; +althans niet in den gewonen vorm, maar aan het hoofdeinde van het +bed was tegen den wand een plankje, dat men kon neerslaan en dat dan +eene tafel vormde en tegen den aangrenzenden wand eene andere plank, +welke, neergeslagen, als stoel kon worden gebruikt. Een rond gat, +dat met een glas kon worden afgesloten, diende om lucht en licht te +geven aan deze kamer. + +Nooit had ik zoo iets aardigs en nets gezien. Alles was van eikenhout +en vernist en op den grond lag een verlakt zeildoek met witte en +zwarte ruiten. + +Maar niet mijn oogen alleen genoten hier. Toen ik mij had uitgekleed en +op het bed neergevlijd, ondervond ik een gevoel, dat geheel nieuw voor +mij was. Voor de eerste maal streelden de lakens mijn huid in plaats +van ze open te rijten. Bij vrouw Barberin sliep ik in ruwe lakens van +hennep gesponnen; met Vitalis heb ik gewoonlijk stroo of hooi onder +mij, maar geen dek op me en wanneer we dit al eens in de logementen +kregen, gebruikten wij ze wel zoo lief niet. Wat waren die, waarin +ik mij nu wikkelde, fijn en zacht! en wat riekten zij lekker! En die +matras scheen wel dons in vergelijking met de dennenaalden, waarop +ik den vorigen nacht doorgebracht had. + +De stilte van den nacht had niets meer dat mij vrees aanjoeg; de +duisternis was niet meer met schimmen bevolkt en de sterren, die ik +door het ronde venster zag, spraken mij slechts woorden in van moed +en hoop. + +Hoe lekker ik ook in mijn bedje lag, ik stond den anderen morgen +reeds tijdig op, want ik was ongerust, hoe mijne acteurs den nacht +doorgebracht hadden. Ik vond mijn gansche troepje waar ik het den +vorigen avond had doen nederliggen en allen sliepen zoo gerust, of zij +reeds maanden op het schip hadden gewoond. Bij mijne nadering werden +de honden wakker en kwamen vroolijk naar mij toe om mij goeden morgen +te wenschen. Alleen Joli-Coeur verroerde zich niet; hij had wel het +eene oog open, maar hij begon te snorken als een trombône. + +Men behoefde niet lang te gissen, om te begrijpen wat dit te beteekenen +had. Joli-Coeur was zeer lichtgeraakt en werd spoedig boos, en als +hij eenmaal boos was, kwam hij niet zoo gauw weer in zijn humeur. In +dit geval was hij beleedigd, dat ik hem niet medegenomen had naar +mijne kamer en hij toonde zijne ontevredenheid door zich te houden +of hij sliep. + +Ik kon hem de reden niet duidelijk maken, die mij tot mijne groote +spijt genoopt hadden hem op dek te laten en daar ik gevoelde, dat ik +althans in schijn onrecht jegens hem gepleegd had, nam ik hem in mijn +armen om hem door liefkoozingen mijn leedwezen te betuigen. + +Eerst bleef hij uit zijn humeur, maar weldra, met de wispelturigheid +hem eigen, dacht hij aan wat anders en gaf hij mij door gebaren +te kennen, dat, wanneer ik met hem aan wal ging, hij mij misschien +vergeven zou. De schipper, dien ik den vorigen dag aan het roer had +zien staan, was reeds op en bezig het dek schoon te maken. Hij was +zoo goed om een plank uit te leggen, waarover ik met mijn troepje +aan wal ging. + +Al spelend met mijn honden en Joli-Coeur, springend en loopend en in de +boomen klimmend, ging de tijd spoedig voorbij en toen wij terugkwamen, +stonden de paarden reeds aan de lijn gespannen en vastgemaakt aan +een populier op het jaagpad. Een klap met de zweep was voldoende +om hen te doen voortgaan. Spoedig waren wij in het schip en eenige +oogenblikken later werd het touw, waaraan de boot gemeerd lag, +losgemaakt; de schipper nam zijn plaats weder in aan het roer; de +jager zette zich op een der paarden; het schip kraakte even en wij +vervolgden weder onzen weg. + +Hoe heerlijk is dat reizen in eene boot! De paarden stapten voort op +het jaagpad en zonder dat wij eenige beweging gevoelden, gleden wij +zachtkens over het water. De twee dichtbegroeide oevers spoedden ons +voorbij en men hoorde geen ander gedruisch dan van het lekken van +het water tegen het schip, dat zich vermengde met het rinkelen der +schellen, die de paarden om den hals droegen. Wij gleden voorwaarts en +op den oever zag ik de populieren, die in het malsche gras geworteld +zich fier verhieven en wier nooit rustende bladeren trilden onder +den zachten adem van den morgenwind. Hunne eindelooze reeks in rechte +lijn langs den oever geplant, vormde een dicht groen gordijn, dat de +schuinsche stralen der zon opving en slechts een door het gebladerte +getemperd licht doorliet. Op sommige plaatsen was het water pikzwart, +alsof het opborrelde uit onpeilbare diepten; elders daarentegen vormde +het doorschijnende vakken, waaronder men de schitterende steenen en +mosachtige planten zag. + +Ik stond verdiept in eene aandachtige beschouwing, toen ik mijn naam +achter mij hoorde uitspreken. Ik keerde mij om en zag Arthur, die op +zijne plank bij mij gebracht was. Zijne moeder stond aan zijne zijde. + +--Hebt ge goed geslapen? vroeg hij. Beter dan onder den blooten hemel? + +Ik kwam naderbij en antwoordde, naar beleefde woorden zoekende, +om zoowel Arthur als zijne moeder mijn dank te betuigen. + +--En de honden? zeide hij. + +Ik riep ze, evenals Joli-Coeur; zij kwamen bij ons en bogen en ook +de aap maakte allerlei dwaze bewegingen. Allen schenen te verwachten, +dat wij eene voorstelling zouden geven. + +Maar dien morgen was er geen sprake van eene voorstelling. Mevrouw +Milligan had haar zoon buiten de zon geplaatst en had zich naast +hem neergezet. + +--Wilt gij de honden en den aap wegbrengen? vroeg zij, dan kunnen +wij gaan werken. + +Ik deed wat zij verlangde en ging met mijn troepje naar den voorsteven. + +Maar voor welken arbeid was die arme zieke knaap geschikt? + +Ik zag, dat zijne moeder hem eene les overhoorde, en aandachtig in een +boek volgde wat hij zeide. Op zijne plank uitgestrekt, zeide Arthur +zijne les op, zonder eene enkele beweging te maken. Liever gezegd: hij +trachtte zijne les op te zeggen, want hij haperde geweldig en bracht +geen drie woorden vlot er uit, en dan nog vergiste hij zich dikwijls. + +Zijne moeder verbeterde zijne fouten met zachtheid, maar toch met +ernst. + +--Gij kent uw fabel niet, zeide zij. + +Het trof mij, dat eene moeder tot haar kind u zeide, want ik wist +toen nog niet, dat dit in Engeland de gewoonte was. + +--Ach moeder, sprak hij, op treurigen toon. + +--Gij maakt vandaag veel meer fouten dan gisteren. + +--Ik heb toch mijn best gedaan om te leeren. + +--En gij hebt niet geleerd. + +--Ik kon niet. + +--Waarom niet? + +--Ik weet het niet; omdat ik niet kon--ik ben ziek. + +--Gij zijt niet ziek van hoofd. Ik zal nooit gedoogen, dat gij niets +leert, en dat gij, onder voorwendsel, dat gij ziek zijt, in onkunde +opgroeit. + +Mevrouw Milligan scheen mij zeer streng toe, maar zij sprak toch +zonder drift en met eene vriendelijke stem. + +--Waarom doet gij mij zoo'n verdriet aan, door uw lessen niet te +leeren? + +--Ik kan niet, mama; ik verzeker u, dat ik niet kan. En Arthur begon +te weenen. + +Maar mevrouw Milligan liet zich door die tranen niet van haar stuk +brengen, ofschoon zij aangedaan was en bedroefd, zooals zij zelve +had gezegd. + +--Ik had u vanmorgen met Rémi en de honden willen laten spelen, +ging zij voort, maar gij moogt niet spelen vóór gij uw fabel zonder +fouten opzegt. + +Met die woorden gaf zij aan Arthur zijn boek en verwijderde zich +eenige schreden alsof zij naar beneden wilde gaan, terwijl zij haar +zoontje op zijne plank alleen liet liggen. + +Hij snikte van 't weenen en waar ik stond, kon ik duidelijk hooren +hoe zijn stem hokte. + +Hoe kon mevrouw Milligan zoo streng zijn voor haar armen kleinen +jongen, dien zij zoo innig lief scheen te hebben? Als hij zijn les +niet kon leeren, was het zijne schuld niet, maar de schuld van zijn +ziekte zeker. + +Zou zij dan heengaan zonder hem een vriendelijk woord toe te +voegen? Maar zij ging niet heen; in plaats van in het benedengedeelte +van het schip te verdwijnen, kwam zij bij haar zoontje terug.--Willen +we het samen nog eens beproeven? vroeg zij. + +--O ja, mama, zamen. + +Toen ging zij bij hem zitten en nam het boek weder op en begon langzaam +de fabel te lezen van "de wolf en het lammetje." Arthur herhaalde +elken volzin, woord voor woord. Toen hij dit driemaal gedaan had, +gaf zij het boek aan Arthur en zeide, dat hij nu maar alleen verder +moest leeren. Daarop ging zij naar beneden. + +Arthur begon dadelijk te leeren en van de plaats, waar ik was blijven +staan, kon ik duidelijk zijne lippen zien bewegen. Het scheen, dat +hij met aandacht leerde. Maar die aandacht duurde niet lang. Weldra +sloeg hij zijne oogen op; zijne lippen bewogen zich minder snel, +en opeens zweeg hij geheel. + +Hij las niet meer; hij herhaalde niet meer. Zijne oogen, die nu her- +dan derwaarts dwaalden, ontmoetten de mijne. Met mijn hand wenkte ik +hem, dat hij voort zou gaan met leeren. + +Hij glimlachte vriendelijk, alsof hij mij wilde bedanken voor mijn +waarschuwing en zijn oogen vestigden zich opnieuw op zijn boek. Maar +weldra sloeg hij ze weder op en zij doolden van den eenen naar den +anderen oever. Daar hij niet in de richting zag, waar ik mij bevond, +stond ik op om zijne aandacht te trekken en wees hem toen op zijn boek. + +Hij begon weder, half beschaamd, te lezen. + +Ongelukkigerwijze schoot een oogenblik daarna een ijsvogel pijlsnel +over het water, vlak voor het schip en liet als eene blauwe straal +achter zich. + +Arthur hief het hoofd op om hem te volgen. + +Toen de vogel verdwenen was, vestigde hij zijn blik op mij. + +Daarop sprak hij mij aan. + +--Ik kan niet, zeide hij, en toch zou ik zoo gaarne. + +Ik kwam bij hem. + +--Die fabel is toch zoo moeilijk niet, zeide ik. + +--O, dat is ze wel. Heel moeilijk. + +--Ze scheen me zoo gemakkelijk, en toen ik ze uwe moeder hoorde +voorlezen, dacht ik ze al te kennen. + +Hij glimlachte ongeloovig. + +--Wil ik ze eens voor u opzeggen? + +--Maar dat is onmogelijk. + +--Dat is volstrekt niet onmogelijk. Wil ik het eens probeeren? Neem +het boek maar. + +Hij nam het boek en ik begon het vers op te zeggen. Slechts een paar +maal behoefde hij mij te helpen. + +--Maar hoe is 't mogelijk, dat gij ze kent! riep hij verbaasd uit. + +--Ik ken ze nog niet heel goed, maar nu geloof ik wel, dat ik ze +zonder fouten zou kunnen opzeggen. + +--Hoe hebt gij ze dan geleerd? + +--Ik heb ze uw mama hooren voorlezen, maar ik heb aandachtig +geluisterd, zonder te letten op hetgeen er om mij gebeurde. + +Hij bloosde en wendde het gelaat af. Na een oogenblik van schaamte, +vervolgde hij: + +--Ik begrijp hoe gij geluisterd hebt, en ik zal trachten te luisteren +zooals gij. Maar hoe hebt gij het toch aangelegd, om al die woorden +uit elkaar te houden, die in mijn geheugen zich met elkander verwarren. + +Hoe ik dat had aangelegd wist ik zelf niet juist; want ik had er niet +over nagedacht. Toch trachtte ik het hem uit te leggen en daardoor +tevens mijzelven rekenschap ervan te geven. + +--Waarover loopt eigenlijk die fabel? vroeg ik. Over een lammetje? Nu +begon ik te denken aan lammeren. Dan denk ik aan hetgeen zij doen. "De +lammetjes waren zoo veilig in 't park." Ik zie die lammeren neergevlijd +en slapend in hun park, omdat zij daar veilig zijn, en nu ik ze eens +gezien heb, vergeet ik ze niet meer. + +--O ja, zeide hij; nu zie ik ze ook. "De lammetjes waren zoo veilig in +'t park." Ik zie witte en zwarte; ik zie ook de schapen en het park +zelf. Het zijn elzeboomen. + +--Dus zult gij 't niet meer vergeten? + +--O, neen. + +--Wie waakt er gewoonlijk over de schapen! + +--Honden. + +--Als ze niet op de schapen behoeven te passen, omdat deze veilig zijn, +wat doen dan de honden? + +--Dan hebben ze niets te doen. + +--Dus kunnen zij slapen. Daarom zegt de fabel: "De honden sliepen." + +--O ja, nu wordt het gemakkelijk. + +--Niet waar? 't Is heel gemakkelijk. Nu denken wij aan iets anders. Wie +bewaken de schapen nog meer dan de honden? + +--Een herder. + +--Als de schapen veilig zijn en de herder niets te doen heeft, waar +brengt hij dan zijn tijd mee door? + +--Met op de fluit te spelen. + +--Ziet ge hem? + +--Ja. + +--Waar is hij? + +--Onder de schaduw van een grooten olmboom. + +--Is hij alleen? + +--Neen, met andere herders uit den omtrek. + +--Welnu, als gij de schapen ziet, het park, de honden, den herder, +kunt gij dan niet zonder fouten het begin van uw fabel opzeggen? + +--Dat geloof ik ook. + +--Probeer het eens. + +Toen hij mij zoo hoorde praten en hem uitleggen hoe hij gemakkelijk +eene les kon leeren, die hem eerst zoo moeilijk toescheen, zag Arthur +mij met ontzag en zelfs eenigszins vreesachtig aan, alsof hij nog +niet overtuigd was van de waarheid van hetgeen ik zeide. Na eenige +oogenblikken van aarzeling, was hij echter gereed. + +--De lammetjes waren zoo veilig in 't park; de honden sliepen en de +herder, onder de schaduw van een grooten olmboom, speelde op de fluit +met andere herders uit de buurt. + +Toen klapte hij in de handen. + +--Maar ik ken ze! riep hij; ik heb geen enkele fout gemaakt. + +--Wilt gij het overige gedeelte van de fabel op dezelfde wijze leeren? + +--O, met u ben ik zeker, dat ik ze zal kennen. Wat zal mama in haar +schik zijn. + +En hij leerde de rest van de fabel, zooals hij het eerste gedeelte +geleerd had. In minder dan een kwartier kende hij ze letterlijk en +hij was juist bezig om ze op te zeggen, toen zijn moeder bij ons kwam. + +Eerst keek zij een weinig knorrig, dat zij ons bij elkander zag, +want zij dacht, dat wij samen speelden, maar Arthur liet haar den +tijd niet een woord te zeggen. + +--Ik ken ze! riep hij, en hij heeft ze mij geleerd. + +Mevrouw Milligan zag me eenigszins verwonderd aan, en zij zou mij +zeker iets gevraagd hebben, toen Arthur, zonder dat zij het hem vroeg, +de fabel van "de wolf en het lammetje" begon op te zeggen. Hij deed +dit opgewonden en vroolijk, zonder een oogenblik te haperen en zonder +een enkele fout. + +Onderdehand keek ik mevrouw Milligan aan; ik zag een glimlach op haar +schoon gelaat, en toen meende ik hare oogen vochtig te zien worden, +maar daar zij op dat oogenblik zich over haar zoon heenboog en hem +teeder met beide armen omhelsde, kon ik niet zien of zij weende. + +--Die woorden, och! zeide Arthur, die beteekenen niets; men moet +de dingen zien en Rémi heeft mij den herder laten zien met zijne +fluit. Als ik onder het leeren de oogen opsloeg, dacht ik niet meer +aan 't geen om mij was; ik zag de fluit van den herder en hoorde wat +hij speelde. Wil ik u eens voorzingen wat hij speelde, mama? + +En hij zong in het engelsch een droefgeestig lied. + +Nu weende mevrouw Milligan bepaald, en toen zij zich ophief, zag +ik hare tranen op de wangen van haar kind. Toen kwam ze bij mij, +nam mijne hand en drukte die zoo innig, dat ik ervan ontroerde. + +--Gij zijt een goede jongen, zeide zij. + +Als ik deze kleine geschiedenis wat uitvoerig verteld heb, is het om +de verandering te doen begrijpen, die van dat oogenblik af in mijn +toestand plaats had. Den vorigen dag had men mij aangezien voor een +knaap, die honden kunstjes liet maken en voor niets deugde als om +met zijn dieren den menschen een oogenblik van vermaak te bezorgen +en nu juist van pas kwam, om een ziek kind wat afleiding te geven; +maar deze les scheidde mij geheel van mijn honden en mijn aap; ik +werd een makker, bijna een vriend. + +Ik moet hier al dadelijk bijvoegen, wat ik eerst later vernam, dat +mevrouw Milligan zeer verdrietig was, dat haar zoon niet leerde of +liever niet kon leeren. Al was hij ziek, zij wilde dat hij werken zou, +en juist omdat die ziekte van langen duur kon wezen, wilde zij van nu +af aan zijn geest de vorming geven, die hem in de gelegenheid stelde +om, als hij genezen zou zijn, zijne schade in te halen. + +Tot hiertoe was zij daarin niet geslaagd; al had Arthur geen +tegenzin in het werken, hij had geen aandacht en vlijtig was hij ook +niet. Zonder tegenstand nam hij het boek, dat men hem in de handen +gaf, en hij nam het zelfs gretig aan, maar al deed hij zijn boek open, +zijn geest opende zich niet, en slechts werktuigelijk herhaalde hij, +zoo goed of zoo kwaad als 't ging, de woorden, die men met moeite +hem inpompte. + +Dit deed zijne moeder innig verdriet en zij werd er bijna wanhopend +onder. Maar zooveel te blijder was zij, toen zij hem de fabel hoorde +opzeggen, die hij in een half uur van mij geleerd had, en die zij +verscheidene dagen lang vruchteloos getracht had hem te doen onthouden. + +Als ik nu aan de dagen denk op de boot doorgebracht met mevrouw +Milligan en Arthur, komen zij mij nog voor de gelukkigste van mijne +jeugd te zijn geweest. + +Arthur had eene innige genegenheid voor mij opgevat, en van mijne +zijde gaf ik toe, zonder erover na te denken, aan hunne sympathie +en beschouwde hem als mijn broeder. Nooit hadden wij den geringsten +twist; van zijne zijde gaf hij nooit eenig blijk, dat hij zich boven +mij verheven achtte, en ik was nooit verlegen voor hem; ik dacht er +zelfs niet aan, dat ik verlegen kon zijn. + +Dit lag waarschijnlijk aan mijn jaren, aan mijne onbekendheid met +het maatschappelijk leven, maar zeker nog veel meer aan de kieschheid +en goedhartigheid van mevrouw Milligan, die mij vaak toesprak, of ik +haar kind was. + +En dan die reis in eene boot was voor mij zoo rijk aan allerlei +vreemde dingen. Geen oogenblik verveelde ik mij of voelde ik mij +vermoeid. Van den morgen tot den avond konden wij onzen tijd besteden. + +Sedert men spoorwegen heeft aangelegd, reist men niet meer door +het Zuiderkanaal; men kent het zelfs niet meer; toch is het een der +merkwaardigheden van Frankrijk. Het is een van de meest belangrijke +gedeelten van 't land, dat het doorsnijdt en van de mooiste tevens. Als +wij een van de schoonste partijen bereikt hadden, legden wij maar +enkele mijlen per dag af; was daarentegen de streek eentonig, dan +vorderden wij wat sneller. + +De weg zelf besliste of wij zouden blijven of verder gaan. Geen van +die lastige bemoeiingen, waarmede andere reizigers zich bezig hebben +te houden, werden van ons gevergd. Wij hadden geen lange dagreizen +te maken om een geschikt logement te vinden, waar wij zeker zouden +zijn een goede tafel en een goed logies te bekomen. + +Op de daarvoor vastgestelde uren werd de tafel voor ons aangericht +onder de verandah, en terwijl wij van den maaltijd gebruik maakten, +volgden wij kalm de oevers die voor ons voorbijschoven. Als de zon +onderging, hielden wij stil waar de duisternis inviel, en wij bleven +daar tot het weer dag werd. + +Daar wij altijd thuis waren, kenden wij die eindelooze, vervelende +avonduren niet, welke den reiziger zoo zwaar vallen. Die avonduren +waren integendeel voor ons nog te kort, en de tijd om ons ter ruste +te begeven overviel ons vóór dat wij nog aan slapen dachten. + +Als de boot stillag en het koud was, bleven wij in het salon, waar een +vuurtje werd aangelegd om het vocht en de nachtlucht te verdrijven, +die voor een zieke zoo nadeelig zijn. Er werden lampen ontstoken en +Arthur werd bij de tafel geschoven; ik ging bij hem zitten en mevrouw +Milligan liet ons boeken met platen of photographieën zien. Evenals het +schip, waarop wij waren, ingericht was voor dezen bijzonderen tocht, +zoo waren ook de boeken en platen met het oog op de reis gekozen. Waren +wij moe van het kijken, dan las mevrouw er het een en ander uit voor, +dat wij begrijpen konden en dat ons belang inboezemde. Soms bergde zij +ook de platen weg en sloot de boeken en verhaalde ons de legenden, +de gebeurtenissen die plaatsgevonden hadden in de streken, waar wij +ons bevonden. Onder het vertellen keek zij haar zoontje steeds aan +en het was aandoenlijk te zien, zooveel moeite zij zich gaf om zóó +te vertellen, dat hij haar volkomen begreep. + +Wat mij betreft, als het mooi weer was, had ik ook mijne taak. Dan +nam ik mijn harp, ging aan land en op eenigen afstand zette ik mij +onder een boom, waarvan de schaduw mij verborg en zong en speelde +dan alle liederen, die ik kende. Voor Arthur was het een groot +genot in de stilte van den nacht muziek te hooren, zonder te zien +wie speelde. Dikwijls riep hij: "nog eens!" en dan speelde of zong +ik het lied ten tweedemale. + +Dat was een kalm en gelukkig leven voor een knaap als ik, die de +hut van vrouw Barberin verlaten had om rond te zwerven met signor +Vitalis. Welk een verschil tusschen den schotel aardappelen met +zout van mijn arme pleegmoeder en de heerlijke vruchtentaarten, de +geleien en de pasteitjes uit de keuken van mevrouw Milligan. Welk +een onderscheid tusschen de lange tochten te voet, door slijk en in +den regen, of onder een verzengende zon achter mijn meester, en deze +spelevaart door de kalme wateren. + +Maar om mijzelven recht te doen wedervaren moet ik erkennen, dat ik +nog gevoeliger was voor het zedelijk genot van dit nieuwe leven dan +voor de stoffelijke voordeelen, die het mij gaf. + +Ja, zij waren lekker, die pasteitjes van mevrouw Milligan; het was een +genot geen honger meer te hebben of niet meer te lijden van koude en +hitte, maar hoeveel beter en aangenamer waren voor mij die gedachten +en gevoelens, die mijn hart troffen en vervulden. Tot twee malen toe +had ik de banden zien verbreken, welke mij hechtten aan hen, die ik +liefhad; de eerste maal toen ik aan vrouw Barberin werd ontrukt; +de tweede maal toen ik gescheiden werd van Vitalis; tot tweemaal +toe had ik alleen gestaan op de wereld, zonder steun, zonder hulp, +met mijn dieren tot eenige vrienden en levensgezellen. + +En nu had ik in mijne verlatenheid en mijn wanhopenden toestand iemand +gevonden, die mij liefde had betoond en die ik lief kon hebben: eene +vrouw, eene schoone, aanzienlijke dame, zacht, minzaam en teeder, een +knaap van mijn leeftijd, die mij behandelde alsof ik zijn broeder was. + +Welk een genot, welk een geluk voor een hart als het mijne, dat +zooveel behoefte had aan liefde. Als ik Arthur aanzag, die bleek en +roerloos op zijne plank lag uitgestrekt, hoe dikwijls had ik hem dan +zijn geluk benijd, ik, die zoo gezond en sterk was. Niet de weelde, +waarin hij leefde, benijdde ik hem, zijn boeken, noch zijn fraai +speelgoed, noch zijn schip, maar de liefde, die zijn moeder hem +betoonde. Wat moest hij gelukkig zijn zóó bemind te worden, tien-, +twintigmaal een kus te krijgen van die schoone dame en zelf een kus +te mogen geven aan die edele vrouw, wier hand ik nauwlijks durfde +aanraken als ze mij die toestak. + +En dan zeide ik treurig tot mijzelven, dat ik nooit eene moeder zou +hebben, die mij zou kussen en die ik zou mogen kussen. Misschien zou +ik nog eens mijne pleegmoeder, vrouw Barberin, terugzien, en dan zou +ik mij gelukkig achten, maar dan zou ik haar niet meer moeder kunnen +noemen, want ik wist nu, dat zij mijne moeder niet was. + +Alleen! Altijd zou ik alleen zijn op de wereld! + +Die gedachte deed mij dan ook zooveel te hooger het genot waarderen dat +ik smaakte, als mevrouw Milligan en Arthur mij vriendelijk behandelden. + +Ik mocht niet te veel vergen voor mijn geluk, en daar ik nooit eene +moeder, een broer of familie op de wereld zou bezitten, moest ik al +tevreden zijn, als ik vrienden vond. + +Ik moest gelukkig zijn en dit was ik ook volkomen. + +Nochtans, hoe aangenaam voor mij dit nieuwe leven ook was, weldra +moest ik er mede breken en tot mijn vroeger bestaan terugkeeren. + + + + +XIII. + +DE VONDELING. + + +Gedurende deze reis was de tijd zeer snel omgegaan en de dag was +bijna aangebroken, waarop mijn meester de gevangenis zou verlaten. + +Naarmate wij ons meer en meer van Toulouse verwijderden, werd de +gedachte daaraan voor mij kwellender. + +Het was zoo heerlijk op een schip te zijn, zoo geheel zonder zorg of +kommer; maar ik moest terugkeeren en den weg, dien ik op het water +had afgelegd, moest ik te voet terugmaken. + +Dat zou minder prettig wezen; ik zou dan geen zacht bed meer hebben, +geen melk drinken of taartjes eten en den avond nooit meer in zulk +een gezelligen kring doorbrengen. + +Maar het meest speet mij toch, dat ik Arthur en mevrouw Milligan zou +moeten verlaten; ik zou hun liefde niet langer ondervinden en ook hen +verliezen, evenals ik vrouw Barberin reeds verloren had. Zou ik dan +altijd, wanneer ik van iemand hield, op zulk wreede wijze gescheiden +worden van hen, met wie ik mijn ganse leven zou willen doorbrengen? + +Ik moet bekennen, dat dit de eenige sombere gedachte was, die in deze +gelukkige dagen bij mij opwelde. + +Eindelijk op een morgen, besloot ik mijn verdriet aan mevrouw Milligan +te vertellen en haar te vragen in hoeveel tijd ik naar Toulouse zou +kunnen terugkeeren, want ik wilde gaarne voor de deur van de gevangenis +staan, als mijn meester die zou verlaten. + +Toen ik van vertrekken sprak, begon Arthur te weenen. + +--Rémi mag niet vertrekken! riep hij. + +Ik gaf hem ten antwoord, dat ik mijn eigen baas niet was, dat ik aan +mijn meester behoorde, aan wien mijn ouders mij verhuurd hadden en +dat ik weder bij hem in dienst moest gaan, zoodra hij mij noodig had. + +Ik sprak van mijn ouders, zonder te zeggen, dat zij mijn vader en +mijn moeder niet waren, want dan zou ik tevens hebben moeten bekennen, +dat ik slechts een vondeling was; en die schande te vertellen, kon ik +niet over mij verkrijgen, daar ik altijd onnoemlijk veel geleden had, +als ik zag, hoe de kinderen uit het gesticht in ons dorp behandeld +werden. Een vondeling! Het scheen mij toe, dat er geen ellendiger +wezens op deze wereld waren. + +Mijn meester wist, dat ik een vondeling was, maar hij was mijn meester, +en toch zou ik liever op de plaats zelf dood zijn neergevallen, dan +aan mevrouw Milligan en Arthur, die mij in hun kring hadden opgenomen, +bekend te hebben, dat ik een vondeling was; zouden zij mij dan niet +met afkeer van zich hebben gestooten? + +--Mama, gij moet Rémi hier houden, vervolgde Arthur, die, als het niet +zijn werk betrof, het meest te zeggen had en alles van haar verkreeg, +wat hij verlangde. + +--Ik zou Rémi gaarne bij mij doen blijven, antwoordde mevrouw Milligan, +gij houdt veel van hem en ook ik ben hem zeer genegen; maar om hem +bij ons te houden, moeten wij het eerst omtrent twee voorwaarden eens +zijn, die van u noch van mij afhankelijk zijn. In de eerste plaats: +wil Rémi bij ons blijven.... + +--O, Rémi wil wel, viel Arthur haar in de rede; niet waar Rémi, +gij wilt liever niet naar Toulouse terugkeeren? + +--Ten tweede, vervolgde mevrouw Milligan, zonder mijn antwoord af te +wachten, moet zijn meester eerst van de rechten, die hij op hem heeft, +afstand doen. + +--Rémi, Rémi! in de eerste plaats, viel Arthur haar in de rede. + +Vitalis was ontegenzeglijk een goed meester voor mij geweest en ik +was hem ook oprecht dankbaar voor zijne lessen, maar er was geen +vergelijking te maken tusschen het leven, dat ik bij hem leidde +en dat, hetwelk mevrouw Milligan mij aanbood; ook zou ik moeilijk +een vergelijking kunnen maken tusschen de genegenheid, welke ik +voor Vitalis gevoelde en die, welke mevrouw Milligan en Arthur mij +inboezemden. + +Als ik daaraan dacht, dan zeide ik wel tot mezelf, dat het slecht van +mij was om die vreemde menschen boven mijn meester te stellen, maar het +was de waarheid; ik hield innig veel van mevrouw Milligan en Arthur. + +--Voordat Rémi hierop antwoordt, vervolgde zij, moet hij goed bedenken, +dat het geen leven van louter pleizier is, dat ik hem aanbied, maar +dat hij wel degelijk moet werken; hij moet studeeren en Arthur in al +zijn lessen volgen; hij moet dit wel in overweging nemen en vergelijken +met zijn vorige vrijheid. + +--Dit kan niet tegen elkander opwegen, mevrouw, dat verzeker ik u en +ik gevoel volkomen welk een waarde uw voorstel voor mij heeft. + +--Ziet ge nu wel, mama! riep Arthur, Rémi wil wel. + +En hij klapte in zijn handen van genoegen. Blijkbaar had ik hem uit +de ongerustheid geholpen, want toen zijn moeder van werken en boeken +sprak, had zijn gelaat een angstiger uitdrukking aangenomen. Als ik +eens weigerde! en deze vrees moet zeer groot bij hem geweest zijn, +daar hij een afkeer had van boeken. Gelukkig echter koesterde ik +niet denzelfden angst en in plaats dat ik een afkeer van boeken had, +trokken zij mij veeleer aan. Wel is waar, had ik er nog niet veel +gelezen, maar de boeken welke men mij gegeven had, hadden mij altijd +meer genot dan verdriet verschaft. Het aanbod van mevrouw Milligan +maakte mij dan ook zeer gelukkig en ik meende het oprecht, toen ik +haar bedankte voor haar edelmoedigheid. Ik behoefde dus _De Zwaan_ +niet te verlaten en van dit heerlijk leven zou ik geen afscheid nemen; +ik behoefde van Arthur en zijn moeder niet te scheiden. + +--Wij hebben nu nog slechts de toestemming van zijn meester noodig, +ging mevrouw Milligan voort; ik zal hem schrijven en zeggen, dat hij +ons te Cette vinden kan, daar wij niet meer naar Toulouse kunnen +terugkeeren; ik zal hem de reiskosten overmaken en wanneer ik hem +uitgelegd heb, waarom wij niet met den trein kunnen gaan, dan hoop +ik, dat hij mijn uitnoodiging zal aannemen. Als hij mijn voorstel +goedkeurt, dan behoef ik het nog maar met Rémi's ouders eens te worden, +want ook zij moeten hierin geraadpleegd worden. + +Tot nogtoe was het gesprek voor mij geheel naar wensch geloopen; +het was alsof een goede fee mij met haar staf had aangeraakt; +maar deze laatste woorden brachten mij op een wreede wijze tot de +werkelijkheid terug. + +Mijn ouders raadplegen! + +Ongetwijfeld zouden deze alles vertellen, wat ik verzwijgen wilde. De +waarheid zou aan het licht komen. Een vondeling! + +Dan zou Arthur noch zijn moeder mij meer willen kennen; dan zou de +genegenheid, die zij voor mij hadden opgevat, geheel verdwijnen; +de herinnering aan mij zou hun zelfs onaangenaam worden. Arthur +zou met geen vondeling gespeeld hebben; deze zou nooit zijn makker, +zijn vriend, bijna zijn broer zijn geweest. + +Ik stond als vastgenageld aan den grond. + +Mevrouw Milligan zag mij uiterst verbaasd aan. Zij wilde, dat ik +spreken zou, maar ik durfde hare vragen niet beantwoorden; toen +meende zij echter zeker, dat de gedachte aan de naderende komst van +mijn meester mij zoo aandeed, want zij drong niet langer bij mij aan. + +Gelukkig vond dit gesprek 's avonds plaats, weinige uren vóór dat +wij ons te rust begaven; ik kon mij dus spoedig aan de nieuwsgierige +blikken van Arthur onttrekken en mij in mijn hut met mijn angsten en +zorgen opsluiten. + +Dat was mijn eerste slapelooze nacht, dien ik op _De Zwaan_ doorbracht. + +Wat zou ik zeggen? wat moest ik doen? + +Ik vond geen uitkomst. + +En nadat ik honderdmaal van gedachten veranderd was, de meest +tegenstrijdige denkbeelden elkander waren opgevolgd, kwam ik eindelijk +tot het besluit niets te doen en niets te zeggen. Ik zou alles zijn +gewonen loop laten gaan en mij aan mijn lot onderwerpen, wat er ook +gebeuren mocht. + +Misschien wilde Vitalis geen afstand van mij doen en dan zou de +waarheid ook nooit bekend worden. + +En zoozeer vreesde ik, dat de waarheid aan het licht zou komen, +dat ik zelfs begon te hopen, dat Vitalis het voorstel van mevrouw +Milligan niet aannemen zou. + +Ik moest van Arthur en zijn moeder scheiden, om ze nooit weer te +zien, maar in elk geval mochten zij geen onaangename herinnering aan +mij houden. + +Drie dagen later ontving mevrouw Milligan een brief van mijn meester, +dat hij den daaropvolgenden Zaterdag met den trein van twee uur te +Cette zou komen. + +Ik vroeg aan mevrouw Milligan verlof om naar het station te gaan en +de honden en Joli-Coeur met mij mede te nemen, om onzen meester op +te wachten. + +De honden waren onrustig, alsof zij eenig vermoeden hadden van +hetgeen gebeuren zou. Joli-Coeur was onverschillig en ik zelf voelde +mij geducht zenuwachtig. Er zou thans een beslissing over mijn leven +genomen worden. O, als ik maar gedurfd had, hoe gaarne zou ik Vitalis +gesmeekt hebben, niet te vertellen, dat ik een vondeling was. + +Ik was in een hoekje van het station gaan staan; met mijn drie honden +aan een touw naast mij en Joli-Coeur onder mijn jas, wachtte ik hem +daar op, zonder acht te slaan op hetgeen om mij heen gebeurde. + +De honden waarschuwden mij, dat de trein aangekomen was, en zij onzen +meester geroken hadden. Plotseling voelde ik mij voorttrekken en daar +ik niet op mijn hoede was, ontsnapten de honden mij. Zij sprongen +op Vitalis toe en dezen zag ik eensklaps voor mij in zijn bekend +gewaad. Capi was reeds in zijn armen gesprongen en Zerbino en Dolce +klauterden tegen zijn beenen op. + +Ik ging thans op mijn beurt naar hem toe, en toen Vitalis Capi op den +grond had gezet, drukte hij mij in zijn armen. Dit deed hij voor de +eerste maal en hij prevelde herhaaldelijk: + +--_Buon di, povero caro_! + +Mijn meester had mij nooit mishandeld, maar hij was toch ook nooit +bijzonder zacht tegen mij geweest en ik was dergelijke ontboezemingen +niet van hem gewoon; zij troffen mij dus te sterker en de tranen +stonden in mijn oogen, want ik was in een toestand, waarin het hart +zich spoedig ontsluit. + +Ik zag hem aan en ik bespeurde, dat hij in de gevangenis veel verouderd +was; hij ging lang zoo recht niet meer; zijn houding was gebogen, +de blos was van zijn wangen verdwenen en zijn lippen waren kleurloos. + +--Gij vindt mij veranderd, niet waar? De gevangenis is een ongezond +verblijf en de verveling een kwade ziekte; maar dat zal nu allemaal +wel overgaan. + +Hij veranderde toen plotseling van onderwerp en vroeg: + +--Hoe hebt gij die dame leeren kennen, die mij geschreven heeft? + +Toen vertelde ik hem mijne ontmoeting met _De Zwaan_ en hoe ik sedert +dien tijd bij mevrouw Milligan en Arthur geleefd had, wat wij gezien en +gedaan hadden. Mijn verhaal duurde zeer lang, daar ik bang was om aan +het einde te komen en onderweg te spreken over hetgeen mij zooveel +angst aanjoeg; want ik zou nooit aan mijn meester durven zeggen, +dat ik hem verlaten wilde, om bij mevrouw en Arthur te blijven. + +Maar ik behoefde hem deze bekentenis nooit te doen, want wij waren +het hotel genaderd, waar mevrouw Milligan haar intrek genomen had, +vóór dat ik mijn verhaal had geëindigd. Vitalis sprak mij bovendien +in het geheel niet van den brief, dien hij had ontvangen, evenmin +als van het voorstel, dat zij hem waarschijnlijk daarin gedaan had. + +--En die dame wacht mij? vroeg hij, toen wij het hotel binnentraden. + +--Ja, ik zal u naar haar kamer brengen. + +--Dat is onnoodig, zeg mij het nommer maar; dan kunt gij hier met +Joli-Coeur en de honden op mij wachten. + +Als mijn meester iets zeide, dan was ik niet gewoon hem tegen te +spreken; toch waagde ik eene opmerking en verzocht hem opnieuw, +hem naar mevrouw Milligan te mogen vergezellen, wat mij niet meer +dan billijk en natuurlijk toescheen; maar met een wenk, legde hij +mij het zwijgen op en ik moest hem wel gehoorzamen. Ik bleef in de +gang, met de honden bij mij, op een bank wachten. Zij wilden hem ook +volgen, maar zij durfden evenmin zich verzetten als ik: Vitalis wist +gehoorzaamd te worden. + +Waarom wilde hij niet, dat ik tegenwoordig zou zijn bij het onderhoud, +dat hij met mevrouw Milligan hebben zou? Dit vroeg ik mezelf gedurig +af en beschouwde deze vraag van alle zijden. Ik had zelfs nog geen +antwoord daarop gevonden, toen ik hem reeds zag terugkomen. + +--Ga van deze dame afscheid nemen, zeide hij; ik wacht u hier, binnen +tien minuten zijn wij vertrokken. + +Ik was buiten mezelf van schrik. + +--Welnu, hervatte hij na een oogenblik, begrijpt gij mij niet? Gij +blijft daar staan, alsof ge stom zijt: haast u! + +Het was zijn gewoonte niet om mij op zulk een harden toon toe te +spreken, en zoolang ik bij hem was, had hij nog nooit zoo iets tegen +mij gezegd. + +Ik stond op om werktuiglijk, zonder hem te begrijpen, hem te +gehoorzamen. + +Maar toen ik eenige schreden gedaan had, vroeg ik hem: + +--Gij hebt dus gezegd.... + +--Ik heb gezegd, dat gij mij van dienst waart en dat ik u van het +hoogste nut was; dus, dat ik niet van plan was, om van mijn rechten +afstand te doen; ga en kom spoedig terug. + +Dat gaf mij weder eenigen moed, want ik verkeerde geheel-en-al onder +den invloed van het besef een vondeling te zijn en verbeeldde mij, +dat, indien wij binnen tien minuten vertrokken moesten zijn, het was +omdat mijn meester mijn geboorte had verteld. + +Toen ik binnentrad, vond ik Arthur in tranen badende, terwijl mevrouw +Milligan zich over hem heenboog, om hem te troosten. + +--Gij gaat immers niet vertrekken, Rémi! riep Arthur uit. + +Mevrouw Milligan antwoordde hem in mijne plaats en vertelde hem, +dat ik gehoorzamen moest. + +--Ik heb uw meester verzocht u bij ons te mogen houden, zeide zij, +op een toon, die mij de tranen in de oogen deed komen, maar hij +wilde er niet in toestemmen en niets heeft hem van zijn besluit +kunnen afbrengen. + +--Het is een slechte man! riep Arthur. + +--Neen, het is geen slechte man, sprak zijn moeder; gij zijt hem van +dienst en ik geloof bovendien, dat hij veel van u houdt. Uit zijn +spreken kan men opmaken, dat hij een fatsoenlijk man is en dat hij het +vroeger stellig beter gehad heeft. Om mij zijn weigering te verklaren, +zeide hij: "ik houd van dat kind en hij van mij; het leven dat hij +bij mij leidt is hem van meer nut dan de dienstbaarheid waarin hij, +ondanks u zelve, bij u verkeert. Gij zoudt hem laten leeren en een +rijke opvoeding geven, dat is waar; gij zoudt zijn geest vormen, maar +niet zijn karakter. Hij kan uw zoon niet wezen; hij zal de mijne zijn; +dat is beter voor hem, dan dat hij de speelbal van uw ziek kind is, +en hoe goed en braaf deze knaap mij ook schijnt, zal ik hem toch een +opvoeding weten te geven." + +--Maar hij is toch de vader niet van Rémi! riep Arthur. + +--Hij is zijn vader niet, daar hebt gij gelijk in, maar hij is +zijn meester en Rémi behoort hem toe, daar zijn ouders hem verhuurd +hebben. Voor het oogenblik moet Rémi hem gehoorzamen. + +--Rémi mag niet vertrekken. + +--Hij moet zijn meester volgen, maar ik hoop slechts voor korten +tijd. Wij zullen aan zijn ouders schrijven en ik zal het met hen wel +in orde brengen. + +--O, neen! riep ik uit. + +--Wat, niet? + +--O, neen, als het u belieft, niet! + +--Dat is toch het eenige middel, mijn jongen. + +--Och, doe dat niet! + +Zeker zou mijn afscheid langer geduurd hebben dan tien minuten, +zoo mevrouw Milligan niet van mijn ouders gesproken had. + +--Zij wonen te Chavanon, niet waar? vervolgde zij. + +Zonder haar te antwoorden, trad ik naar Arthur toe en hem in mijn +armen nemende, kuste ik hem herhaaldelijk en in mijn kus lag al de +broederlijke genegenheid, die ik voor hem gevoelde. Ik rukte mij toen +uit zijn omhelzing los en mij naar zijn moeder keerende knielde ik +voor haar neder en drukte een kus op haar hand. + +--Arme jongen! stamelde zij, terwijl zij zich over mij heenboog en +ook zij gaf mij een kus op het voorhoofd. + +Ik richtte mij toen plotseling op en snelde naar de deur. + +--Arthur, ik zal altijd van u blijven houden, zeide ik snikkend, +en u mevrouw, nooit zal ik u vergeten. + +--Rémi! Rémi! steunde Arthur. + +Maar ik hoorde niets meer; ik was verdwenen en had de deur achter +mij gesloten. + +Een oogenblik later stond ik naast mijn meester. + +--En nu vooruit! zeide hij. + +Wij verlieten Cette en sloegen den weg naar Frontignan in. + +Zoo verliet ik mijn eersten vriend en tal van lotgevallen werden mijn +deel, waarvoor ik anders bespaard zou zijn gebleven, indien ik niet +het slachtoffer van een afschuwelijk vooroordeel ware geweest en mij +niet door een dwaze vrees had laten beheerschen. + + + + +XIV. + +SNEEUW EN WOLVEN. + + +Ik moest voortaan weder achter mijn meester loopen, met het koord van +de harp over mijn schouder geslagen, en verre tochten door regen en +wind, warmte en koude met hem afleggen. + +Het zou weder mijn lot zijn, om mij op pleinen en markten zoo dom +mogelijk voor te doen en het geëerde publiek te doen lachen of weenen. + +De overgang was wreed, want niets went zoo spoedig als een gemakkelijk +en gelukkig leven. + +Ik gevoelde mij dikwijls vermoeid en uitgeput, ergerde of verveelde +mij gedurig, en ondervond allerlei gewaarwordingen, die vroeger nooit +door mij gevoeld werden. + +Gedurende onze wandelingen bleef ik dikwijls ver achter, om aan +Arthur, aan mevrouw Milligan en _De Zwaan_ te kunnen denken, en in +mijn herinnering leefde ik dan weder in het verleden. + +O, welk een goede tijd was dat! + +En als wij 's avonds in een vuile kamer van de eene of andere herberg +sliepen, dan dacht ik aan de hut, die ik in _De Zwaan_ had, en hoe +hard vond ik dan mijn beddelakens. + +Ik zou niet meer met Arthur spelen, ik zou nooit die lieve, +vriendelijke stem van mevrouw Milligan meer hooren! + +Gelukkig echter troostte mij één ding in mijn zeer groot en voortdurend +verdriet: mijn meester was voor mij veel minzamer--hartelijker zelfs, +zoo deze uitdrukking van toepassing kon zijn op Vitalis,--dan hij +ooit geweest was! + +Zijn karakter, of liever zijn omgang met mij, had in dit opzicht een +groote verandering ondergaan en dit althans gaf mij de kracht om mijn +leed te dragen en mijne tranen te bedwingen, wanneer de gedachte aan +Arthur mij het hart vervulde. Ik gevoelde dan, dat ik niet alleen op +de wereld was en dat Vitalis méér voor mij was dan een meester. + +Dikwijls zelfs, wanneer ik slechts gedurfd had, gevoelde ik een +onwederstaanbaren lust, om hem een kus te geven; zulk een behoefte +had ik om aan de genegenheid, die ik hem toedroeg, lucht te geven, +maar ik had den moed niet, want Vitalis was er de man niet naar, +tegenover wien men vertrouwelijk kon zijn. + +In het begin en ook gedurende de eerste jaren, was het een zekere +vrees, die mij op een afstand van hem hield; thans was het een gevoel +van eerbied, dat hij in mij opwekte. + +Toen ik mijn dorp verliet, was Vitalis in mijn oog een mensch +zooals alle anderen, want ik was toen nog niet in staat om eenig +onderscheid te maken; maar mijn verblijf bij mevrouw Milligan had +mij tot op zekere hoogte de oogen geopend en zonderling, wanneer ik +Vitalis soms aandachtig gadesloeg, dan scheen het mij toe, alsof hij +in zijn houding, zijn manieren en alles eenige overeenkomst had met +mevrouw Milligan. + +Ik zeide dan wel tot mezelf, dat dit onmogelijk was, daar mijn meester +slechts honden en apen vertoonde, en mevrouw Milligan een aanzienlijke +dame was. + +Maar al zeide mijn verstand mij dit, mijn oogen moesten toch gelooven, +wat zij aanhoudend zagen; als Vitalis het wilde, dan was zijn voorkomen +even voornaam als dat van mevrouw Milligan; het eenige onderscheid +tusschen hen was, dat mevrouw Milligan altijd een dame was, terwijl +mijn meester slechts in enkele omstandigheden zich als een heer +voordeed; maar hij was het dan ook zoo volkomen, dat hij zoowel den +stoutmoedigste als den onbeschaamdste ontzag zou hebben ingeboezemd. + +Maar daar ik noch stoutmoedig, noch onbeschaamd was, gevoelde ik mij +wel onder dien invloed, maar toch durfde ik mijn hart geen lucht geven, +al lokte hij dit ook door eenige vriendelijke woorden uit. + +Nadat wij Cette verlieten, hadden wij verscheidene dagen lang niet +over mevrouw Milligan en mijn verblijf op _De Zwaan_ gesproken, maar +langzamerhand was dit het onderwerp van onze gesprekken geworden +en mijn meester was altijd de eerste, die het aanroerde, en weldra +verliep er geen dag, zonder dat de naam van mevrouw Milligan door +ons uitgesproken werd. + +--Gij hieldt veel van die dame? vroeg Vitalis mij eens; ja, ik begrijp +het; zij was goed, zeer goed zelfs voor u: gij moet dan ook altijd +met dankbaarheid aan haar denken. + +Hij voegde er dan ook dikwijls bij: + +--Het moest! + +Wat moest? + +In 't eerst begreep ik dat niet; maar langzamerhand kwam ik tot +de overtuiging, dat hetgeen zoo moest zijn, betrekking had op het +voorstel, dat mevrouw Milligan had gedaan, om mij bij haar te houden. + +Dat beteekende het zeker, wanneer mijn meester zeide: "Het moest"; en +het kwam mij voor, dat die enkele woorden eenig berouw verrieden; hij +had mij wel bij Arthur willen laten, maar dat was onmogelijk geweest. + +En in mijn hart was ik hem dankbaar voor dit berouw; hoewel ik niet +gissen kon, waarom hij het aanbod van mevrouw Milligan had moeten +afslaan, de uitlegging, welke door deze herhaaldelijk aan mij gegeven +was, scheen mij niet zeer duidelijk toe. + +--Misschien zou hij later het voorstel aannemen. + +En dit gaf mij weer eenige hoop. + +--Waarom ook zouden wij _De Zwaan_ niet weder ontmoeten? + +Zij moest de Rhône opvaren en wij volgden den oever van dezelfde +rivier. + +Onder het wandelen wendde ik dan ook dikwijls den blik naar het water, +dat aan beide zijden door vruchtbare oevers begrensd werd. + +Zoodra wij in een stad kwamen, in Arles, Tarascon, Montélimart, +Valence, Tournon en Vienne, begaf ik mij altijd het eerst naar de +kaden of naar de bruggen: ik zocht _De Zwaan_, en als ik van verre +een boot, die half in een nevel gehuld was, ontdekte, dan bleef ik +altijd een poos wachten, om te zien of het _De Zwaan_ ook wezen zou. + +Maar zij was het nooit. + +Soms verstoutte ik mij om het aan een schipper te vragen en ik +beschreef hem dan de boot, die ik zocht, maar zij hadden haar nog +nooit voorbij zien varen. + +Nu mijn meester besloten had om mij aan mevrouw Milligan af te +staan--ten minste ik verbeeldde mij dit--zou ik ook niet langer +bevreesd behoeven te zijn, dat men mij naar mijn geboorte zou vragen, +of aan vrouw Barberin schrijven zou; alles zou tusschen mijn meester +en mevrouw Milligan kunnen afgehandeld worden; zoo stelde ik het mij +althans voor en ik had alles reeds geschikt: mevrouw Milligan verlangde +mij tot zich te nemen, mijn meester stond haar zijn rechten op mij af, +en meer zou er niet toe noodig wezen. + +Wij bleven verscheidene weken in Lyon, en zoodra ik vrij was, ging +ik naar de oevers van de Rhône en de Saône; ik wist evengoed als een +inwoner van Lyon, waar de brug van Aunay, van Tilsitt, van Guillotière +en die bij het gasthuis gelegen was. + +Maar hoe ik ook zocht, _De Zwaan_ vond ik nooit. + +Wij moesten Lyon weder verlaten en ons naar Dijon begeven; toen +verloor ik alle hoop om ooit mevrouw Milligan en Arthur terug te +zien, want in Lyon had ik alle mogelijke kaarten van Frankrijk, die +ik op de boekenstalletjes had kunnen vinden, bestudeerd en ik wist, +dat het kanaal, dat _De Zwaan_ zou opvaren, om de Loire te bereiken, +bij Chalon zich van de Saône scheidt. + +Wij kwamen te Chalon en verlieten die stad zonder _De Zwaan_ te +hebben gezien: er viel dus niets meer aan te doen; ik moest mijn +droom opgeven. + +Dit kostte mij echter veel moeite. + +En om mijn wanhoop nog grooter te maken, begon het weder ondragelijk +te worden; de winter naderde met rasse schreden en onze tochten door +weer en wind werden hoe langer hoe onaangenamer. Wanneer wij 's avonds +een armoedige herberg of een schuur tot nachtverblijf hadden gevonden +en ik uitgeput van vermoeienis, tot op mijn hemd toe nat en tot over +mijn enkels beslijkt was, dan begaf ik mij niet met de gelukkigste +gedachten ter ruste. + +Toen wij Dijon verlaten hadden, en de heuvels van Côte-d'Or +overtrokken, werden wij plotseling door een hevige koude overvallen, +die al onze ledematen deed verstijven en Joli-Coeur nog treuriger en +knorriger stemde dan mij. + +Mijn meester was van plan om Parijs binnen den kortst mogelijken +tijd te bereiken; eerst te Parijs zou er voor ons kans bestaan om +gedurende den winter eenige voorstellingen te geven, maar hetzij hij +geen geld genoeg had om dezen afstand met den trein af te leggen, +of om welke andere reden ook, wij moesten te voet den weg volgen, +die Dijon van Parijs scheidt. + +Als het weer het ons toestond, dan gaven wij een korte voorstelling +in de steden of dorpen die wij doortrokken, en wanneer deze ons dan +eenig geld opbrachten, zetten wij onze reis weder voort. + +Tot Chatillon toe ging alles zijn gewonen gang, hoewel wij altijd +veel van de koude en vochtigheid te lijden hadden; maar toen wij deze +stad hadden verlaten, werd het weder droog en draaide de wind naar +het noorden. + +In het eerst was ons dit welkom, hoewel het lang geen aangenaam gevoel +is, als de noordenwind ons vlak in het gelaat waait, maar toch was +in elk geval aan dezen scherpen wind nog de voorkeur te schenken +boven dien regen en mist, dien in de laatste weken zonder ophouden +gevallen was. + +Ongelukkig echter hielden wij het met dezen wind ook niet droog; +donkere wolken pakten zich aan den hemel samen, de zon scheen niet +meer en aan alles kon men zien, dat er weldra sneeuw zou vallen. + +Waarschijnlijk zouden wij vóór het vallen van de eerste sneeuw een +groot dorp hebben kunnen bereiken, maar het plan van mijn meester +scheen, zoo snel mogelijk te Troyes te zijn, omdat Troyes een groote +stad is, waar wij verscheidene voorstellingen zouden kunnen geven, +als het slechte weer ons dwong, om daar geruimen tijd te vertoeven. + +--Ga spoedig naar bed, zeide hij, toen wij in onze herberg waren +aangekomen; morgenochtend gaan wij reeds vroeg op reis; maar ik vrees, +dat de sneeuw ons zal overvallen. + +Hijzelf begaf zich echter niet zoo spoedig ter ruste, maar hij +bleef bij de kachel zitten om eerst Joli-Coeur nog wat te verwarmen, +welke dien dag veel van de koude had geleden en aanhoudend gesteund +en gekermd had, ondanks alle voorzorgen om hem in de noodige dekens +te wikkelen. + +Den anderen morgen stond ik bij het aanbreken van den dag op, zooals +hij mij bevolen had; het was nog donker en aan den zwarten hemel +flikkerde geen enkele ster; het was alsof een groot, zwaar deksel op +de aarde was neergedaald en deze zou verpletteren. + +Als men de deur opende, joeg een scherpe wind door den schoorsteen, +die de sintels aanblies, welke men den vorigen avond onder de asch +had ingerekend. + +--Als ik in uw plaats was, sprak de waardin tot mijn meester, dan +zou ik niet vertrekken; het begint zoo straks te sneeuwen. + +--Ik heb haast, antwoordde Vitalis, en ik hoop Troyes te bereiken, +vóór dat het begint te sneeuwen. + +--Dertig mijlen legt men niet gemakkelijk in een paar uur af. + +Toch begaven wij ons op reis. + +Vitalis stopte Joli-Coeur onder zijn jas, om hem wat van zijn eigen +warmte te geven, en de honden welke blijde waren met dit droge weder, +liepen voor ons uit. Mijn meester had te Dijon een schapevacht voor +mij gekocht, waarvan ik de wol naar binnen gekeerd had en waarmede +ik mijn gelaat bedekte, zoodat de wind, die ons in het gezicht blies, +alleen mijn lichaam trof. + +Het was niet prettig den mond te moeten openen; wij liepen dus +zwijgend naast elkander voort en stapten zoo snel mogelijk door, +zoowel om spoediger ons doel te bereiken, als om ons te verwarmen. + +Hoewel het uur reeds lang was aangebroken, waarop de zon opging, +werd het toch niets lichter om ons heen. + +Eindelijk brak in het oosten een witte streep door de duisternis, +maar de zon vertoonde zich niet; het was geen nacht meer, maar ik +zou toch zeer overdrijven, als ik beweerde, dat het dag was. + +Toch kon men de voorwerpen op het veld reeds duidelijker onderscheiden; +het witte waas, dat over de aarde verspreid lag, en van het oosten +uitging, als uit een oven, die op den grond was geplaatst, deed ons +het geboomte zien, ontdaan van zijn reusachtig lommer en hier en daar +de heggen, waaraan nog verdorde bladeren hingen, die een dof geluid +maakten door den wind, welke ze telkens deed ruischen. + +In den geheelen omtrek was geen schepsel te ontdekken; noch het +rollen van een rijtuig, noch het klappen met de zweep trof ons oor; +de eenige levende wezens, die men hoorde maar niet zag, waren de +vogels, die zich tusschen de takken verscholen; alleen de eksters +sprongen over den weg; met opgeheven staart en den kop in de lucht, +vlogen zij ijlings op, wanneer wij naderden om zich boven in een boom +te zetten, vanwaar zij ons vervolgden met hun gekras, dat den indruk +maakte van scheldwoorden, of onheilspellende waarschuwingen. + +Plotseling vertoonde zich in het noorden een wit puntje aan den hemel; +het nam zeer snel in grootte toe, terwijl het ons naderde en wij +hoorden een zonderlinge mengeling van onsamenstemmende geluiden; +het moesten wilde eenden of zwanen zijn, die van het noorden naar +het zuiden trokken. Zij vlogen boven ons hoofd en zij waren reeds +een eind ver, toen wij nog eenig dons en veertjes door de lucht zagen +dwarrelen, waarvan de witheid scherp afstak tegen den donkeren hemel. + +Het landschap, dat wij doortrokken, was zeer somber en verspreidde +over al wat ons omringde een droevige eentonige tint; zoover onze +blik reikte, zagen wij kale velden, stille heuvels en dorre boomen. + +De wind was een weinig naar het noordwesten gedraaid; de horizon had +aan dien kant een koperkleurige tint, hij was zwaar en laag alsof +hij op de toppen der boomen rustte. + +Het duurde ook niet lang of eenige vlokken sneeuw, die zoo groot +waren als vlinders, begonnen te vallen, zij stoven op-en-neer, en +warrelden dooreen zonder ooit den grond te raken. + +Wij hadden nog niet lang voortgeloopen, of het scheen mij reeds +onmogelijk toe om Troyes vóór dat het sneeuwde te bereiken; daarover +maakte ik mij echter niet bezorgd, en ik dacht zelfs, dat wanneer +het begon te sneeuwen, die noordenwind zou ophouden en de koude +zou afnemen. + +Maar ik kende geen sneeuwstorm; spoedig zou ik ondervinden wat die was, +en wel op een wijze om het nooit te vergeten. + +De wolken, die uit het noordwesten al nader en nader gekomen waren en +den hemel als met een wit schijnsel verlichtten, waren van elkander +gespleten en groote sneeuwvlokken begonnen te vallen. + +Het waren nu geen vlokken die voor ons uit warrelden, het was een +regen van sneeuw, die op ons nederviel. + +--Het stond zeker geschreven, dat wij Troyes niet mochten bereiken, +sprak Vitalis; wij moeten dus een schuilplaats zoeken in de eerste +woning de beste. + +Dat waren woorden die mijn hart goed deden; maar waar zouden wij +gastvrije menschen vinden? Voordat de sneeuw ons nog in zijn sneeuwwit +kleed had gehuld, had ik een onderzoekenden blik over het geheele +landschap geworpen, maar geen huis in den omtrek ontdekt, dat ons +de nabijheid van een dorp kon aankondigen. Wij stonden integendeel +op het punt om een bosch binnen te treden, welks sombere diepten van +alle kanten met het oneindige samensmolten. + +Wij moesten dus niet al te vast op die woning rekenen; maar misschien +zou de sneeuw spoedig ophouden. + +Zij bleef echter vallen en veel erger dan in het begin. + +In weinige oogenblikken had zij den weg bedekt of liever alles wat +zich op den weg bevond: de steenhoopen, het gras aan de zijden van +den weg, de struiken en heggen langs de slooten, want door den wind +voortgedreven, die niet was gaan liggen, stoof zij over den grond +verder, om zich vast te zetten op alles wat haar tegenstand bood. + +Het lastigste voor ons was, dat ook wij behoorden tot de hinderpalen +op haren weg. Als de vlokken ons troffen, gleden zij over het gladde +heen, maar in elke plooi of opening drongen zij binnen als stof en +smolten daar. Ik voelde hoe ze als koud water langs mijn hals afdropen +en mijn meester, die de schapevacht had opgelicht om Joli-Coeur lucht +te verschaffen, was niet beter beschut. + +Toch gingen wij verder tegen wind en sneeuw in. Wij spraken geen +woord, maar keerden ons van tijd tot tijd om, teneinde weder eens +adem te scheppen. De honden gingen niet meer vooruit; zij volgden +ons vlak op de hielen en schenen ons een schuilplaats te vragen, +die wij hun niet konden geven. + +Slechts langzaam kwamen wij vooruit en met moeite; half blind, +door-en-door nat en verstijfd; ofschoon wij reeds geruimen tijd in +het bosch waren, vonden wij nergens eenige beschutting, daar de weg +geheel aan den wind was blootgesteld. + +Gelukkig--moet ik wel gelukkig zeggen?--ging de wind, die eerst +zoo heftig was, langzamerhand liggen, maar toen begon het harder te +sneeuwen en inplaats van zich als stof te verspreiden, viel zij nu +in dichte zware vlokken neder. In korten tijd was de weg bedekt met +eene dikke sneeuwlaag, waarover wij onhoorbaar voortliepen. + +Van tijd tot tijd zag ik hoe mijn meester naar de linkerzijde keek, +alsof hij daar iets zocht, maar men ontdekte daar niets dan een open +vak, waarin men in het afgeloopen voorjaar het hout had geveld en +waar nu de jeugdige boompjes met hunne buigzame takken bijna bezweken +onder de vracht sneeuw. + +Wat hoopte hij daar te vinden? + +Ik voor mij keek maar recht voor mij naar den weg, die zich daar +uitstrekte en zocht of dan dat bosch nooit zou eindigen en of wij niet +ten laatste aan een huis zouden komen. Maar het was eene vruchtelooze +poging om door dien witten sneeuwmuur te willen doordringen. Reeds op +weinige ellen afstand verloren de voorwerpen hunne vormen en vóór ons +zagen wij niets dan de sneeuw, die in steeds dichter vlokken neerviel +en ons omringde als in de mazen van een onmetelijk net. + +De toestand was niet opbeurend, want ik heb het nooit zien sneeuwen, +zelfs niet als ik voor de ramen stond in eene goed verwarmde kamer, +zonder dat zich een zeker weemoedig gevoel van mij meester maakte, +en hier waren wij alles behalve in eene goed verwarmde kamer. + +Toch moesten wij maar voortloopen en den moed niet opgeven, want onze +voeten zakten hoe langer hoe dieper in de sneeuwlaag, die weldra tot +onze knieën reikte, terwijl bovendien de sneeuwvracht, die wij op +onze hoeden en kleeren droegen, hoe langer hoe zwaarder werd. + +Opeens zag ik Vitalis de hand naar de linkerzijde uitstrekken, als om +mijne aandacht in die richting te vestigen. Ik keek en het scheen mij +toe, dat ik op de open vlakte den onbestemden vorm van een hutje zag, +uit boomstammen samengesteld. Ik vroeg geen uitleg, want ik begreep, +dat mijn meester mij niet op dat hutje opmerkzaam maakte, om het +effect te bewonderen, dat het in dit landschap teweegbracht. Het kwam +er maar op aan den weg te vinden, die erheen leidde. + +Dat was moeilijk, want de sneeuw lag al hoog genoeg om elk spoor van +een weg of een pad te doen verdwijnen. Intusschen aan het uiteinde van +het open vak, op de plaats waar het hooge kreupelhout weder aanving, +scheen het mij, dat de sloot langs den grooten weg eindigde. Daar +begon zonder twijfel de weg die naar de hut leidde. + +Die onderstelling was juist; de sneeuw bezweek niet onder onze +voeten, toen wij in de gracht afdaalden en weldra waren wij bij de +houten loods. Deze bestond uit takkenbossen en boomstammen, waarboven +takken in den vorm van een dak waren gelegd. Dat dak was dicht genoeg, +dat de sneeuw er niet had kunnen doordringen. + +Deze schuilplaats was zoo goed als een huis. + +De honden schenen nog meer haast te hebben of vlugger te zijn dan wij, +want zij waren dadelijk in de hut en zij rolden zich over den drogen +grond en in het stof, terwijl zij luid en blijde keften. + +Onze blijdschap was niet minder dan de hunne, maar wij legden ze op +eene andere wijze aan den dag dan door ons in het stof te wentelen, +al was dit misschien ook zoo kwaad niet geweest om ons te drogen. + +--Ik dacht wel, zeide Vitalis, dat bij dit pas gekapte hout ergens eene +houthakkershut moest zijn. Nu kan de sneeuw vallen, wat mij betreft. + +--Ja, laat ze maar vallen, zeide ik op uitdagenden toon. + +En ik ging naar de deur, of liever naar de opening van de hut want +zij had geen deuren of vensters, om de sneeuw van mijn buis en mijn +hoed te schudden, opdat ons vertrek niet natter werd dan noodig was. + +Dat vertrek was zeer eenvoudig, zoowel wat zijne inrichting betrof +als zijne meubels. Deze bestonden slechts uit een bank van klei en +eenige steenen, die tot zitplaatsen konden dienen. Maar wat in de +gegeven omstandigheden voor ons nog van het meeste belang was, waren +de vijf of zes gebakken steenen, die in een hoek lagen gerangschikt +en een haard vormden. + +Vuur! Wij konden dus vuur maken, 't Is waar, dat een haard alleen +niet voldoende is om vuur te maken en dat men ook hout moet hebben +om te branden. In een huis als wij nu betrokken hadden, was hout +echter niet moeilijk te vinden. Wij konden het van het dak en van de +wanden nemen; wij behoefden namelijk slechts de takken uit te trekken, +zoo we maar oppasten dat wij de muren niet ineen deden storten. + +Dit was spoedig gedaan en weldra vlamde een flikkerend vuur lustig +op onzen haard. + +Een vuurtje! Een heerlijk vuurtje! + +Wel-is-waar maakte het veel rook, en daar er geen schoorsteen was, +verspreidde deze zich door de hut; maar wat bekommerden wij ons +daarover: wij hadden vuur en het was ons om de warmte te doen. + +Terwijl ik op mijne beide handen steunende het vuur aanblies, hadden +de honden zich om den haard geschaard en ernstig zaten ze nu daar +op hun staart, met uitgestrekten hals, zóó dat zij op hun natten, +verstijfden buik de vlammen lieten spelen. + +Weldra verliet ook Joli-Coeur de vacht van zijn meester en heel +voorzichtig zijn neus naar buiten stekend, keek hij eens om zich heen +om te zien, waar hij zich bevond. Het onderzoek stelde hem gerust en +hij sprong vlug op den grond, nam de beste plaats bij den haard in, +en stak zijne kleine sidderende pootjes naar de vlammen uit. + +Wij waren thans zeker, dat wij niet van koude zouden omkomen, maar +hoe wij aan eten zouden komen, wisten wij niet. + +In die gastvrije hut was geen broodkas en stonden geen pannen op +het vuur. Gelukkig was mijn meester een man van ervaring, die steeds +zijne voorzorgen nam. Voordat wij dien morgen op weg waren gegaan, +had hij reeds voor levensbehoeften gezorgd: een half brood en een stuk +kaas. Veel was het niet, maar het was waarlijk het oogenblik niet +om veel te eischen en aanmerkingen te maken op hetgeen wij kregen; +toen dan ook het halve brood te voorschijn kwam, voelden wij allen +eene gewaarwording van innige tevredenheid. + +Ongelukkig waren de stukken niet heel groot en voor mij was de +teleurstelling nog sterker, want mijne verwachting, dat wij al het +brood zouden krijgen, werd niet verwezenlijkt; mijn meester gaf ons +niet meer dan de helft. + +--Ik ken hier den weg niet, zeide hij in antwoord op den vragenden +blik, waarmede ik hem aanzag, en ik weet niet of wij vóór Troyes nog +wel eene herberg zullen voorbijkomen. Bovendien ben ik ook in dit +bosch niet bekend. Alleen weet ik, dat er zeer veel bosschen in dit +land zijn en dat het eene zich aan het andere aansluit. Misschien zijn +wij vele mijlen van elke woning verwijderd, en 't is ook mogelijk, +dat wij langen tijd in deze hut opgesloten blijven. Het eten moeten +wij dus bewaren voor ons middagmaal. + +Ik voor mij begreep den toestand heel goed, nu Vitalis mij dien +uitlegde, maar toen de honden het brood in den zak zagen wegbergen, +terwijl hun honger nog verre van gestild was, staken zij de pooten +naar hun meester uit, krabden zijn knieën en vertoonden eene geheele +pantomime om hem te beduiden, dat hij den zak moest openmaken, waarop +zij onafgebroken de oogen gevestigd hielden. + +Maar hun smeeken en liefkoozen was tevergeefs: de zak bleef gesloten. + +Hoe schraal intusschen ook het maal geweest was, het had ons weer +kracht gegeven; wij waren beschut tegen het weer; dank zij het vuur, +doortintelde ons eene aangename warmte; wij konden wachten tot het +ophield met sneeuwen. + +In die hut te blijven vond ik volstrekt niet naar; vooral niet omdat +ik er niet zoolang dacht te blijven als Vitalis mij had voorgespiegeld +om zijne zuinigheid te rechtvaardigen. + +Intusschen uit niets was af te leiden, dat het spoedig zou ophouden +te sneeuwen. + +Door de opening van de hut zagen wij de vlokken dicht en snel naar +beneden vallen. Daar het niet meer waaide, vielen zij bijna loodrecht +naar beneden en de eene volgde de andere, zonder tusschenpoozen. + +Men zag den hemel niet en het licht viel niet van boven, maar steeg van +beneden op: van de schitterende witte vlakte, die den grond bedekte. + +De honden hadden zich geschikt in dit gedwongen oponthoud. Alle drie +lagen zij voor het vuur uitgestrekt; de een in elkander gevouwen, +de andere op zijne zijde; Capi met zijn neus in de asch. Alle drie +sliepen. + +Ik kwam op de gedachte om te doen als zij; ik was al vroeg opgestaan en +ik vond het veel pleizieriger in het land der droomen rond te zwerven, +dan naar de sneeuw te kijken. + +Ik weet niet hoe lang ik sliep; toen ik wakker werd, had het opgehouden +met sneeuwen; ik zag naar buiten; de sneeuw lag nog veel hooger voor +onze hut: als wij ons op weg begaven, zou ik er zeker tot over de +knieën zijn ingezonken. + +Hoe laat zou het wel wezen? Ik kon het niet aan Vitalis vragen, +want in den laatsten tijd hadden wij maar weinig verdiend, zoodat +hetgeen hij in de gevangenis en door zijn proces verloren had, niet +was aangevuld. Daarom had hij te Dijon, teneinde een schapevacht en +eenige andere voorwerpen voor zichzelven en mij te kunnen aanschaffen, +zijn horloge moeten verkoopen, het groote zilveren horloge, waarop +Capi nog gezien had hoe laat het was, toen zijn meester mij bij zich +in dienst nam. + +Ik moest dus aan den dag zien welk uur het was, daar wij ons horloge +niet meer bezaten. + +Maar niets daarbuiten kon mij eenig antwoord geven. Op den grond lag +eene onafzienbare witte laag sneeuw; daarboven hing een donkere mist: +de lucht was effen grijs en hier en daar vertoonde zich slechts eene +flauwe gele streep. + +Uit niets van dit alles kon ik opmaken hoe laat het was. + +Mijne ooren vertelden mij al even weinig als mijne oogen, want alom +heerschte eene doodsche stilte, die door geen vogel werd gestoord, +noch door het klappen van een zweep of het rollen van een wagen; +geen nacht was ooit zoo stil geweest als deze dag. + +Bovendien was alles om ons henen roerloos stil. De sneeuw scheen +alle beweging te hebben gedood, alles te hebben versteend. Slechts +van tijd tot tijd zag men na een bijna onhoorbaar kraken den tak van +een denneboom zich bewegen; onder de vracht die hij torste, was hij +langzamerhand tot den grond doorgebogen, en als hij al te schuin +hing, was de sneeuw eraf gevallen, en de tak had plotseling zich +weder verheven. Zijn donkergroen loof vormde dan een sterk contrast +met het witte sneeuwkleed, dat de andere boomen van den top tot den +voet omhulde, zoodat men op een afstand meende een zwarte opening te +zien in de witte lijkwade. + +Terwijl ik tegen den post der deur geleund stond, opgetogen over dit +schouwspel, hoorde ik mijn meester mij roepen. + +--Hebt gij lust om weer op weg te gaan? + +--Ik weet het niet, het is mij alles onverschillig; ik zal alles doen +wat u verlangt. + +--Welnu, dan komt het mij voor, dat we maar hier moesten blijven; +wij zijn hier tenminste beschut en wij hebben vuur. + +Ik voegde er in mijn gedachten bij, dat wij niets te eten hadden maar +ik hield die opmerking voor me. + +--Ik denk dat het spoedig weer zal gaan sneeuwen, ging Vitalis +voort. Wij moeten ons niet op weg begeven, zonder dat wij weten op +welken afstand we zijn van bewoonde huizen; de nacht zou niet heel +aangenaam wezen temidden van die sneeuw; 't is beter dat wij hem hier +doorbrengen; hier hebben wij tenminste droge voeten. + +Als ik de vraag, hoe en wat wij eten zouden er buiten liet, had dit +besluit niets onaangenaams voor me, maar al gingen wij dadelijk weder +op weg, dan was het nog volstrekt zoo zeker niet, dat wij vóór den +avond eene herberg zouden bereiken, en daar ons maal zouden kunnen +vinden; wel wachtte ons daarentegen op de wegen eene dikke laag +sneeuw, die nog niet was platgetreden, en waardoor wij slechts met +moeite zouden voortkomen. + +Men moest dus maar niet aan eten denken; dat was alles wat ons +overschoot. + +Wat ik verwacht had gebeurde; voor ons middagmaal kregen wij niets +anders dan het overschot van de mik, dat Vitalis in zessen verdeelde. + +Veel was dit niet en spoedig was het op, niettegenstaande wij de +stukjes zoo klein mogelijk maakten, om ze langer te doen duren. Na +afloop van ons kort en zeer sober maal, dacht ik dat de honden de +vertooning van dien morgen zouden herhalen, want het was duidelijk, +dat zij nog geduchten honger moesten hebben. Niets ervan had evenwel +plaats, en ik zag alweder welke verstandige dieren zij waren. + +Toen Vitalis het mes in zijn broekzak had gestoken, wat te kennen gaf, +dat ons middagmaal was afgeloopen, stond Capi op en na een teeken +te hebben gegeven aan zijn twee makkers, besnuffelde hij den zak, +waarin gewoonlijk onze voorraad geborgen was. Tevens legde hij even +zijn poot op den zak om dien te betasten. Na dit tweeledig onderzoek +was hij overtuigd, dat er niets meer te eten was. Toen zette hij zich +weder op zijne oude plaats bij het vuur en na een nieuwen wenk met +den kop aan Dolce en Zerbino, ging hij languit liggen, en slaakte +een zucht van berusting. + +Er is niets meer; dus behoeven we ook niet te vragen. Dit gaf hij zoo +duidelijk te kennen, alsof hij het met zoovele woorden zeide. Zijne +makkers begrepen die taal en legden zich toen ook bij het vuur neer, +eveneens een zucht slakende, maar die van hen was niet zoo onderworpen, +want aan goeden eetlust paarde Zerbino eene bijzondere neiging voor +hetgeen lekker was, en het gemis was voor hem dus erger dan voor +de anderen. + +Het sneeuwde opnieuw geruimen tijd en de sneeuw viel weder hardnekkig +in dichte vlokken neder. Van uur tot uur zag men de laag, die zij op +den grond vormde, al hooger en hooger tegen de boomstammen rijzen, +waarvan alleen de takken nog uitstaken boven de witte zee, die ze +weldra zou verzwelgen. + +Maar na het eten kon men al minder en minder duidelijk zien wat er om +de hut plaats had, want deze sombere dag was nog vroeger dan andere +winterdagen geëindigd. + +De duisternis bracht evenwel geen verandering teweeg: de sneeuw bleef +onafgebroken uit den donkeren hemel op de witte aarde vallen. + +Daar wij hier moesten overnachten, was het beste zoo spoedig mogelijk +maar in te slapen. Ik volgde dus het voorbeeld van de honden, wikkelde +mij in mijn schapevacht, die ik voor het vuur had gehangen en die nu +nagenoeg droog was, en strekte mij bij het vuur uit, met het hoofd +op een platten steen, die mij tot oorkussen diende. + +--Slaap maar, zeide Vitalis, ik zal u wakker maken als ik op +mijn beurt ook slapen wil, want ofschoon wij in deze hut niets +te vreezen hebben van dieren of menschen, moeten wij toch een van +beiden wakker blijven om het vuur te onderhouden. Wij moeten onze +voorzorgsmaatregelen nemen tegen de kou, die vrij vinnig zal wezen, +als de sneeuw opgehouden heeft. + +Ik liet mij dit niet tweemaal zeggen en sliep in. + +Toen mijn meester mij wakker maakte, moest het al in 't holle van den +nacht wezen; tenminste dit verbeeldde ik mij. De sneeuw had opgehouden; +ons vuur brandde nog altijd. + +--Thans is het uw beurt, zeide Vitalis: gij moet maar van tijd tot +tijd wat hout op den haard werpen; gij ziet dat ik nog genoeg voor +u heb klaargelegd. + +Ik zag inderdaad een hoogen stapel takkenbossen, die binnen het +bereik van mijn arm lag. Mijn meester, die een veel lichteren slaap +over zich had dan ik, had willen voorkomen, dat ik hem wakker maakte, +zoo dikwijls ik een takkenbos van den muur zou halen; daarom had hij +dezen stapel gemaakt, waarvan ik bijna zonder gedruisch te veroorzaken +het hout kon afnemen. + +Dit was een verstandige voorzorg van Vitalis, maar ze had, helaas! de +gevolgen niet, die hij ervan verwachtte. + +Toen hij zag, dat ik wakker was en gereed om mijn post waar te nemen, +was hij op zijn beurt bij het vuur gaan liggen met Joli-Coeur tegen +zich aan. Hij had zich in zijn deken gewikkeld en weldra verkondigde +zijne zware regelmatige ademhaling, dat hij was ingeslapen. + +Op mijn teenen sloop ik toen naar de deur om eens te zien hoe het +buiten was gesteld. + +De sneeuw had alles bedolven; over de planten, de struiken, de boomen, +zoo ver mijn oog kon ontwaren, lag een ongelijke, maar overal even +witte sneeuwlaag; de hemel was bezaaid met schitterende sterren, +maar hoe helder haar glans ook was, het landschap werd eigenlijk +verlicht door de sneeuw. Het was koud geworden en daar buiten moest +het vriezen, want de lucht, die in onze hut doordrong, was ijskoud. In +de akelige stilte van den nacht hoorde men soms een zacht gekraak, +hetwelk aanduidde, dat de oppervlakte van de sneeuw bevroor. + +Het was inderdaad een geluk geweest, dat wij deze hut hadden ontdekt, +want wat zou er van ons geworden zijn in 't midden van 't bosch, +onder die sneeuw en met die koude? + +Hoe weinig gedruisch ik met mijn opstaan ook gemaakt had, waren de +honden wakker geworden, en Zerbino was eveneens opgestaan om met mij +naar de deur te gaan. Daar hij niet met dezelfde gewaarwording als +ik de wondervolle schoonheid van den nacht gadesloeg, begon hij zich +spoedig te vervelen en wilde hij naar buiten. + +Met de hand wenkte ik hem, dat hij naar binnen zou gaan. Welk een idée +om met die koude een wandeling te gaan maken! Was het niet veel beter +om bij het vuur te blijven dan te gaan zwerven? Hij gehoorzaamde, +maar hij bleef met zijn neus naar de deur gekeerd, als een koppige +hond, die zijn plan niet wil opgeven. + +Nog eenige oogenblikken bleef ik naar de sneeuw kijken, want hoewel dit +schouwspel mij zeer treurig stemde, schepte ik er toch zeker genot in: +het bracht mij in eene stemming om te weenen en hoewel het me zeer +gemakkelijk zou vallen om het niet meer te zien--ik behoefde daartoe +slechts de oogen te sluiten of weer naar het vuur te gaan--verroerde +ik mij niet. + +Eindelijk keerde ik naar het vuur terug, legde eenige takken +kruiselings over elkander, en meende mij gerust te kunnen neerzetten +op den steen, die mij tot oorkussen had gediend. + +Mijn meester sliep kalm voort; de honden en Joli-Coeur sliepen +eveneens; en van het herlevende vuur stegen prachtige vlammen op, +die dwarrelend tot het dak rezen en heldere vonken van zich deden +afspatten. Dit was het eenige geluid, dat men hoorde in den stillen +nacht. + +Een poos lang hield ik mij bezig naar die vonken te kijken, maar +langzamerhand overviel mij de moeheid die mij verstijven deed, zonder +dat ik er mij van bewust was. + +Als ik me met mijn houtvoorraad had moeten bezighouden, zou ik +opgestaan zijn en door in de hut heen-en-weer te loopen, wakker zijn +gebleven; maar daar ik moest blijven zitten en geen andere beweging had +te maken dan de hand uit te strekken om takken op het vuur te werpen, +gaf ik toe aan mijne slaperigheid, overtuigd dat ik wakker bleef, +maar toch inslapende. + +Eensklaps werd ik gewekt door een luid geblaf. + +Het was donker; zeker had ik lang geslapen en het vuur was uitgegaan; +althans de vlammen verlichtten de hut niet meer. + +Het blaffen hield aan; het was de stem van Capi, maar, vreemd genoeg, +Zerbino, zoomin als Dolce, antwoordde op zijn stem. + +--Wel? wat is er? vroeg Vitalis, eveneens wakker wordende. Wat +gebeurt er? + +--Ik weet het niet. + +--Je hebt geslapen en het vuur gaat uit. + +Capi was naar de deur geloopen, maar niet naar buiten gegaan. Hij +stond er vóór te blaffen. + +De vraag, die mijn meester gedaan had, deed ik nu ook aan me +zelven. Wat gebeurde er? + +Het blaffen van Capi werd beantwoord door twee- of driemaal herhaald +klagend geluid, waarin ik de stem van Dolce herkende. Dat geluid kwam +van achter onze hut en op vrij korten afstand. + +Ik wilde naar buiten gaan; mijn meester hield mij terug, door de hand +op mijn schouder te leggen. + +--Werp eerst wat hout op het vuur, beval hij. + +En terwijl ik gehoorzaamde, nam hij een smeulenden tak, waarop hij +blies om hem te doen gloeien. + +Inplaats van den tak weer op het vuur te werpen, toen die vlam had +gevat, hield hij hem in de hand. + +--Wij zullen eens gaan zien, zeide hij; blijf achter me. Vooruit Capi! + +Op het oogenblik, dat wij de deur wilden uitgaan, hoorden wij een +luid gebrul en Capi drong zich verschrikt tusschen onze beenen terug. + +--Het zijn wolven. Waar zijn Zerbino en Dolce? + +Op die vraag kon ik geen antwoord geven. Zeker waren de twee honden +weggeloopen, terwijl ik sliep. Zerbino had aan den lust toegegeven, +dien ik had getracht in hem te bedwingen, en Dolce was zijn makker +gevolgd. + +Hadden de wolven hen meegesleurd? De toon, waarop mijn meester gevraagd +had waar zij waren, scheen die vrees te verraden. + +--Neem ook een brandenden tak, zeide hij, en laten we hen helpen. + +In mijn dorp had ik allerlei akelige verhalen omtrent wolven gehoord; +toch aarzelde ik niet; ik wapende mij met een tak en volgde mijn +meester. + +Maar toen wij op de open vlakte kwamen, zagen wij honden noch wolven. + +Wij bespeurden in de sneeuw slechts de afdrukken der pooten van de +twee honden. + +Wij volgden die; zij liepen om de hut, maar een weinig verder kwamen +wij bij eene plek, waar wij, ondanks de duisternis, konden zien, +dat zich dieren daarin hadden gewenteld. + +--Zoek! zoek! Capi! sprak mijn meester, en tegelijk floot hij om +Zerbino en Dolce te roepen. + +Maar geen geblaf antwoordde, geen enkel geluid verstoorde de doodsche +stilte van het bosch en Capi, inplaats van te gaan zoeken, drong zich +tegen onze beenen aan, de duidelijkste blijken gevende van vrees en +angst, terwijl hij anders gewoonlijk zoo gehoorzaam en dapper was. + +De afstraling van de sneeuw gaf niet genoeg licht om ons in staat te +stellen het spoor te volgen, en op korten afstand verloor zich onze +blik in de dichte duisternis. + +Opnieuw floot Vitalis en riep met krachtige stem Zerbino en Dolce. + +Wij luisterden; alles bleef stil; mijn hart kromp ineen. + +Arme Zerbino! arme Dolce! + +Vitalis bevestigde mijne vrees. + +--De wolven hebben hen meegesleurd, zeide hij. Waarom hebt gij hen +ook naar buiten laten gaan? + +Ja, waarom? Daarop was het me onmogelijk een antwoord te geven. + +--Wij moeten ze gaan zoeken, zeide ik en ik liep vooruit, maar Vitalis +hield mij terug. + +--Waar woudt gij ze gaan zoeken? + +--Ik weet het niet; overal. + +--Hoe zouden we onzen weg vinden in die duisternis en door de sneeuw? + +Dat was inderdaad niet gemakkelijk; de sneeuw reikte tot onze knieën +en met onze smeulende takken, konden wij geen licht brengen in die +duisternis. + +--Daar zij niet geantwoord hebben op mijn roepen, moeten zij +ver.... weg zijn, sprak hij. Bovendien moeten wij ons niet blootstellen +aan 't gevaar, dat de wolven ook ons aanvallen. Wij hebben niets om +ons te verdedigen. + +Het was vreeselijk om de twee arme dieren, die twee makkers, die twee +vrienden, prijs te geven; voor mij vooral, die aansprakelijk was voor +hunne daad; als ik niet geslapen had, zouden zij niet weggeloopen zijn. + +Mijn meester was weer naar de hut gegaan en ik was hem gevolgd, +telkens nog omziende en luisterend, maar ik zag niets dan de sneeuw +en ik hoorde niets dan het kraken van de vorst. + +In de hut wachtte ons een nieuwe verrassing; terwijl wij afwezig +waren, hadden de takken, die ik op het vuur had geworpen, vlam gevat +en verlichtten tot de donkerste hoeken van de loods. + +Ik zag Joli-Coeur niet. + +Zijn dek lag voor het vuur, maar het was plat: de aap lag er niet +onder. + +Ik riep hem; Vitalis riep hem ook; hij kwam niet te voorschijn. + +Wat was er van hem geworden? + +Vitalis zeide me, dat hij het dier bij zijn ontwaken naast hem had +gevoeld; het moest dus verdwenen zijn, terwijl wij buiten waren. + +Had het ons willen volgen? + +Wij namen eenige brandende takken en gingen naar buiten, ons over den +grond bukkende, om in de sneeuw de sporen van Joli-Coeur te ontdekken. + +Wij vonden ze niet; wel-is-waar hadden de pooten van de honden en onze +eigene voetstappen de sneeuw hier en daar platgedrukt, maar toch niet +in die mate, of wij moesten de afdrukken van den aap kunnen bespeuren. + +Hij was dus niet buiten. + +Wij keerden weer naar de loods terug, om te zien of hij zich niet +onder een takkenbos had verscholen. + +Langen tijd bleven wij zoeken; wel tienmaal kwamen wij op dezelfde +plek en in denzelfden hoek. Ik ging op de schouders van Vitalis +staan om tusschen de takken te zoeken, die het dak vormden; maar +alles tevergeefs. + +Van tijd tot tijd riepen wij hem weder, maar er kwam geen antwoord. + +Vitalis was radeloos, terwijl ik zelf innig bedroefd was. + +Arme Joli-Coeur! + +Toen ik aan mijn meester vroeg of hij dacht, dat de wolven ook den +aap hadden medegenomen, antwoordde hij: + +--Neen, de wolven hebben niet in de hut durven komen; ik geloof +wel dat zij Zerbino en Dolce hebben aangevallen, toen deze buiten +waren, maar hierbinnen zijn zij niet geweest. Het is waarschijnlijk, +dat Joli-Coeur zich hier of daar heeft verborgen, terwijl wij buiten +waren en dit deed mij juist zoo ongerust over hem zijn; want met zulk +weer moet hij kou vatten en dat is doodelijk voor hem. + +--Laten wij dan nog maar eens zoeken. + +En opnieuw hervatten wij onze nasporingen, maar wij waren niet +gelukkiger dan de eerste maal. + +--Wij moeten den dag afwachten, zeide Vitalis. + +--Wanneer zal die aanbreken? + +--Over twee of drie uren, denk ik. + +En hij zette zich bij het vuur, met het hoofd op de handen leunend. + +Ik durfde hem niet storen. Onbeweeglijk bleef ik bij hem zitten en +verroerde mij alleen om nu en dan een tak op het vuur te werpen. Van +tijd tot tijd stond hij op en ging naar de deur; dan keek hij naar +den hemel en boog zich naar buiten om te luisteren: daarop nam hij +zijn plaats weder in. + +Ik geloof dat ik liever gewild had, dat hij mij beknorde, dan hem +zoo somber en neerslachtig te zien. + +De drie uren, waarvan hij gesproken had, gingen wanhopend langzaam +voorbij. Het scheen, dat de nacht nooit zou eindigen. + +Eindelijk echter begonnen de sterren te verbleeken en de lucht werd +wit; dat was de dageraad; weldra zou het licht worden. + +Maar met het aanbreken van den dag werd de koude scherper; de lucht, +die door de deur binnendrong, was ijzig koud. + +Als wij Joli-Coeur terugvonden, zou hij dan nog leven? + +Maar welke redelijke grond bestond er voor de hoop, dat wij hem terug +zouden vinden? + +Wie wist of met het doorbreken van den dag ook niet de sneeuwbuien +zouden terugkeeren? + +Hoe zouden wij hem dan zoeken? + +Gelukkig was dit niet het geval; inplaats dat wolken weder den hemel +verduisterden, nam hij een lichtrooden gloed aan, die een mooien +dag voorspelde. + +Zoodra het koude morgenlicht aan boomen en struiken hun gewoon +voorkomen had gegeven, gingen wij naar buiten. + +Vitalis had zich met een dikken knuppel gewapend en ik volgde zijn +voorbeeld. + +Capi scheen niet meer onder den indruk van de vrees, die hem des +nachts bevangen had; met de oogen op zijn meester gericht, wachtte +hij op diens wenk om vooruit te gaan. + +Terwijl wij nog op den grond de sporen van Joli-Coeur zochten hief Capi +den kop omhoog en begon vroolijk te blaffen; dit deed ons aanstonds +begrijpen, dat wij boven ons en niet op den grond moesten zoeken. + +Wij zagen dan ook, dat de sneeuw, die onze hut bedekte, hier en daar +was omgewoeld tot een dikken tak, die boven het dak zich uitstrekte. + +Dien tak volgende met de oogen, bespeurden wij boven in den grooten +eikeboom, waartoe hij behoorde, tusschen een paar twijgen eene kleine +donkerkleurige massa. + +Het was Joli-Coeur en wat er gebeurd was, liet zich nu wel +gissen. Joli-Coeur was bang geworden door het huilen der wolven en +het blaffen en janken der honden, en inplaats van bij het vuur te +blijven was hij, tijdens onze afwezigheid, op het dak geklauterd en +vandaar in den boom, waar hij wist dat hij veilig was: daarom was +hij er gebleven, ondanks ons roepen, waarop hij niet had geantwoord. + +Het arme, teedere diertje moest bevroren zijn. + +Mijn meester riep hem vriendelijk, maar hij bewoog zich niet, hij +scheen dood te wezen. + +Eenige minuten lang bleef Vitalis roepen, maar Joli-Coeur gaf geen +teeken van leven. + +Thans was het mijn plicht om mijne zorgeloosheid van dien nacht goed +te maken. + +--Als gij 't goedvindt, zal ik hem gaan halen, zeide ik. + +--Je zult je hals breken. + +--Geen nood. + +Dat was niet zoo geheel waar; er was wel degelijk gevaar; bovendien +was het zeer moeilijk wat ik ondernam. De boom was dik, en gedeelten +van den stam en de takken welke aan den wind waren blootgesteld, +waren met sneeuw bedekt. + +Gelukkig had ik van mijn jeugd af in boomen leeren klimmen en had +ik in die kunst een zeer groote bedrevenheid gekregen. Hier en daar +waren kleine takken uit den stam gesproten; deze dienden mij tot +steunpunten voor mijn voeten, en niettegenstaande ik half verblind +was door de sneeuw, die ik door aan den boom te schudden naar beneden +deed vallen, had ik toch spoedig den zwaren tak bereikt. Daar werd +het verder klimmen gemakkelijker; ik moest maar oppassen dat ik niet +op de sneeuw uitgleed. + +Onder het klimmen sprak ik gedurig vriendelijk tot Joli-Coeur, die +zich niet verroerde, maar mij met zijne schitterende oogen aanstaarde. + +Ik was op het punt hem te bereiken en strekte mijn hand reeds uit om +hem te vatten, toen hij plotseling met een enkelen sprong een anderen +tak bereikt had. + +Ook daar volgde ik hem, maar ongelukkig zijn menschen, ja zelfs +jongens, in het klimmen op verre na niet opgewassen tegen apen. + +Waarschijnlijk zou ik dan ook nooit Joli-Coeur bereikt hebben, zoo de +sneeuw de takken niet had bedekt, want daar die sneeuw zijn pooten +nat maakte, was hij weldra het vluchten moede. Daarom liet hij zich +van tak tot tak naar beneden vallen en stond weldra met één sprong +op de schouders van zijn meester en verborg zich onder diens jas. + +Het was reeds veel, dat wij Joli-Coeur hadden teruggevonden, maar +het was nog niet alles. Wij moesten nu ook de honden opsporen. + +Weinige schreden verder kwamen wij op de plek, waar wij dien nacht +geweest waren en de sneeuw omgewoeld hadden gevonden. + +Thans was het dag, en het viel ons niet moeilijk te gissen, wat er +had plaats gegrepen; die uithollingen in de sneeuw verhaalden de +geschiedenis van den dood der honden. + +Nadat zij de hut hadden verlaten, achter elkander voortloopende, +waren zij langs den stapel takkenbossen gegaan en wij konden duidelijk +over eene lengte van twintig el hun spoor volgen. Daarop verdween +dit eensklaps in de omgewoelde sneeuw en zagen wij het spoor van +andere dieren; aan den eenen kant die, welke aanwezen hoe de wolven +in eenige lange sprongen zich op de honden hadden geworpen; aan den +anderen kant die, waaruit bleek, hoe zij ze hadden meegesleurd toen +zij ze verpletterd in hun bek hadden gegrepen. Van de honden zelven +was geen spoor meer te bekennen, behalve de bloeddroppels, die hier +en daar de sneeuw kleurden. + +Wij behoefden nu onze nasporingen niet verder voort te zetten; de +beide honden waren hier gedood en medegesleurd, om rustig opgevreten +te worden in eenig kreupelhout. + +Bovendien moesten wij ons thans bezighouden met Joli-Coeur en dezen +zoo spoedig mogelijk verwarmen. + +Wij traden de hut weder binnen; en terwijl Vitalis de handen en voeten +van het dier vóór het vuur hield, zooals men dit met kleine kinderen +doet, warmde ik zijn deken, waarin wij hem vervolgens wikkelden. + +Maar hij had niet slechts een warme deken noodig, doch ook een goed +verwarmd bed, en vooral een warmen drank. Noch het een noch het ander +was echter binnen ons bereik. Het was al wel, dat wij vuur hadden. + +Wij zaten bij den haard, mijn meester en ik, zonder een woord te +spreken en wij bleven daar onbeweeglijk zitten, starende in de vlammen. + +Wij hadden ook geen woorden noodig, wij behoefden elkander zelfs niet +aan te zien om te zeggen wat er in ons hart omging. + +--Arme Zerbino! Arme Dolce! Arme vrienden! + +Dit waren de eenige woorden, die wij nu en dan lieten hooren of +althans de gedachten, die ons bezielden. + +Zij waren onze makkers geweest, onze lotgenooten in goede en kwade +tijden; en voor mij, in de dagen van droefheid, mijne vrienden, +ja schier mijne kinderen. + +En ik was oorzaak van hun dood! + +Want ik kon mij zelven niet van schuld vrijpleiten: als ik goed de +wacht had gehouden bij het vuur, zooals ik had moeten doen, zou ik +niet in slaap zijn gevallen en zouden zij niet weggeloopen zijn; de +wolven zouden dan niet naar onze hut zijn gekomen om hen te verslinden, +maar uit vrees voor het vuur op een afstand zijn gebleven. + +Ik had gewenscht dat Vitalis mij beknorde; ik had hem bijna kunnen +smeèken, dat hij mij sloeg. + +Maar hij zeide niets; hij zag mij zelfs niet aan; hij bleef met het +hoofd voorover bij den haard zitten. Zeker dacht hij aan hetgeen ons +lot moest worden, wanneer wij geen honden meer hadden. Hoe zouden +wij zonder hen voorstellingen kunnen geven? Hoe zouden wij aan den +kost komen? + + + + +XV. + +MIJNHEER JOLI-COEUR. + + +Wat de doorbrekende dag had aangekondigd, werd vervuld. De zon +schitterde aan den wolkeloozen hemel en hare zwakke stralen werden +weerkaatst door de vlekkelooze sneeuw. Het bosch, den vorigen dag +zoo treurig en somber, schitterde thans van een glans, die de oogen +verblindde. + +Van tijd tot tijd stak Vitalis de hand onder den deken om naar +Joli-Coeur te voelen; maar deze werd niet warmer en toen ik mij over +hem heenboog, hoorde ik hem klappertanden. + +Weldra kregen wij de overtuiging, dat wij op deze wijze het bloed in +zijne aderen niet konden verwarmen. + +--Wij moeten het een of ander dorp zien te bereiken, zeide Vitalis, +opstaande, anders gaat Joli-Coeur hier dood. Het zal nog een geluk +wezen, wanneer hij niet sterft onderweg. Kom, laat ons op weg gaan. + +De deken werd nog eens goed verwarmd en vervolgens de aap erin +gewikkeld; mijn meester nam hem toen onder zijn jas en wij waren +gereed om heen te gaan. + +--Dat is een herberg, die ons de gastvrijheid, welke ze ons bood, +duur heeft laten betalen, sprak Vitalis. + +Hij zeide dit met bevende stem. + +Hij ging vooruit en ik volgde hem op de voet. + +Wij moesten Capi roepen, die op den drempel van de hut was blijven +staan, met zijn neus in de richting van de plek, waar zijne makkers +waren overvallen. + +Tien minuten nadat wij weder op den grooten weg waren gekomen, +ontmoetten wij een wagen, waarvan de voerman ons mededeelde, dat wij +na een uur gaans aan een dorp zouden komen. + +Dit deed ons met moed onzen tocht vervolgen, maar het gaan was even +moeilijk als pijnlijk door de sneeuw, waarin ik halverlijf wegzonk. + +Van tijd tot tijd vroeg ik aan Vitalis hoe het met den aap ging, +en hij antwoordde, dat hij hem nog altijd voelde sidderen. + +Eindelijk zagen wij aan den voet van een berg de witte daken van een +groot dorp. Nog eene laatste poging en dan waren wij er. + +Wij plachten niet in de voornaamste herbergen onzen intrek te nemen, +in die, welke door haar welvarend voorkomen eene goede ligging en +eene goede tafel beloofden. Integendeel; gewoonlijk zochten wij een +onderkomen in de eerste huizen van het dorp of in eene buitenwijk, +bij voorkeur in eene armelijke woning, waar men ons niet zou afwijzen +en ook niet te veel geld zou vragen. + +Ditmaal echter weken wij van onze gewoonte af; inplaats van in het +begin van het dorp stil te houden, ging Vitalis naar eene herberg, +waarvoor een fraai verguld uithangbord heen-en-weer bengelde. Door +de keukendeur, die wagenwijd openstond, zag men eene tafel bedekt +met vleeschschotels en op een breed fornuis ontwaarde men een aantal +pannen van roodkoper, die allerverleidelijkst pruttelden en kleine +witte wolkjes naar boven zonden. Reeds op straat rook men den lekkeren +geur van een soep, die onze hongerige magen alleraangenaamst aandeed. + +Mijn meester, die zijn voorkomen van een heer hier aannam, trad de +keuken binnen met den hoed op en het hoofd in den nek. Hij verlangde +eene goede kamer met vuur. + +Eerst had de eigenaar der herberg, die er zeer welvarend uitzag, ons +niet eens met een blik verwaardigd, maar de voorname manieren van mijn +meester maakten toch indruk op hem en hij gaf aan een dienstmeisje +last om ons eene kamer te wijzen. + +--Gauw, kruip in bed, zeide Vitalis, terwijl het dienstmeisje de +kachel aanmaakte. + +Een oogenblik stond ik verwonderd: waarom moest ik gaan slapen? Ik had +veel meer trek mij aan tafel te zetten dan in mijn bed te gaan liggen. + +--Gauw! herhaalde Vitalis. + +Ik gehoorzaamde. + +Er lag een donzen dekbed op het ledekant; Vitalis stopte mij tot mijn +neus daaronder. + +--Doe je best zoo warm mogelijk te worden, zeide hij; hoe warmer +hoe beter. + +Het kwam mij voor, dat Joli-Coeur veel meer behoefte aan warmte had +dan ik, want ik was volstrekt niet koud. + +Terwijl ik onbeweeglijk onder het dekbed lag en trachtte warm te +worden, wentelde Vitalis, tot groote verbazing van het dienstmeisje, +Joli-Coeur om-en-om alsof hij hem wilde roosteren. + +--Heb je 't warm? vroeg hij mij na eenige oogenblikken. + +--Ik stik bijna. + +--Dat is juist wat ik wenschte. + +Toen kwam hij bij mij, legde Joli-Coeur in mijn bed en beval mij hem +zoo dicht mogelijk tegen mijn lijf te houden. + +Het arme dier, dat anders zoo weerbarstig was, wanneer men iets met +hem deed dat niet naar zijn zin was, onderwierp zich nu aan alles. + +Het drukte zich tegen mij aan zonder eene enkele poging om zich te +verzetten. Het was niet koud meer; zijn lijf brandde. + +Mijn meester was naar de keuken gegaan en kwam weldra met een groote +kom warmen wijn met suiker terug. + +Hij wilde Joli-Coeur eenige lepels van dien drank ingeven, maar het +dier kon zijn bek niet openen. + +Met zijn schitterende oogen zag hij ons treurig aan, als smeekte hij +ons, dat wij hem niet langer zouden plagen. + +Tegelijk stak hij een van zijn pooten uit bed en strekte die naar +ons uit. + +Ik begreep die beweging niet, die het dier telkens herhaalde, maar +Vitalis gaf mij er de verklaring van. + +Voor ik deel uitmaakte van het gezelschap, had Joli-Coeur eene +bloedspuwing gehad en men had hem adergelaten. Thans voelde hij zich +wederom ziek en stak ons een arm toe, om hem nogmaals ader te laten +en te genezen, zooals de eerste maal. + +Was dit niet aandoenlijk? + +Vitalis werd er dan ook niet alleen door aangedaan, maar het +verontrustte hem ook. + +Blijkbaar was de arme Joli-Coeur ziek en hij moest zich dan ook wel +ziek gevoelen, dat hij den zoeten wijn weigerde, waarvan hij anders +zooveel hield. + +--Drink den wijn uit, zeide Vitalis, en blijf in bed; ik ga een +dokter halen. + +Ik moet bekennen, dat ik veel van warmen zoeten wijn hield en dat ik +een geduchten honger had. Ik liet het mij dan ook geen tweemaal zeggen, +en na de kom te hebben uitgedronken kroop ik weder onder het dekbed, +waaronder ik nu, ook tengevolge van den wijn, bijna stikte. + +Mijn meester bleef niet lang uit, weldra kwam hij terug met een heer +met een gouden bril; dat was de dokter. + +Daar hij vreesde, dat zulk een gewichtig man niet zou komen, als het +maar voor een aap was, had Vitalis hem niet gezegd voor welke zieken +hij hem kwam roepen; toen hij mij dan ook op bed zag liggen zoo rood +als een pionieroos, kwam de dokter bij me en terwijl hij zijn hand +op mijn voorhoofd legde, zeide hij: congestie, waarbij hij het hoofd +schudde op eene wijze, die alles behalve geruststellend was. + +Het was tijd dat ik hem uit de dwaling hielp, anders zou hij op mij +misschien ook een aderlating hebben toegepast. + +--Ik ben niet ziek, zeide ik. + +--Niet ziek? herhaalde de dokter. De knaap ijlt. + +Zonder te antwoorden sloeg ik het dek een weinig op en wees op +Joli-Coeur, die zijn poot om mijn hals had geslagen. + +--Dat is de zieke, zeide ik. + +De dokter deed twee stappen achteruit en wendde zich tot Vitalis. + +--Een aap, riep hij uit. Is het voor een aap, dat gij mij met zulk +een weer uit mijn huis hebt gehaald? + +Ik dacht dat hij verontwaardigd zou wegloopen. + +Maar mijn meester was een slim man, die niet licht van zijn stuk +was te brengen. Zeer beleefd en met de voornaamheid hem eigen wist +hij den dokter te bewegen om te blijven. Eerst bracht hij hem op de +hoogte van den toestand; hoe wij overvallen waren door de sneeuw en +Joli-Coeur, uit vrees voor de wolven, in een boom was geklauterd en +daar kou had gevat. + +--'t Is waar, de zieke was maar een aap, maar welk een geniale +aap! Bovendien was hij een makker, een vriend van ons. Hoe zou men +zulk een merkwaardig dier, dat zoo voortreffelijk komedie speelde +aan de behandeling van een eenvoudig veearts toevertrouwen? Iedereen +wist dat de dorpsveeartsen groote domooren waren; terwijl iedereen +ook wist, dat alle geneesheeren, ofschoon in verschillende mate, +wetenschappelijke mannen zijn, zoodat men zelfs in het kleinste +dorp zeker kon wezen dat men de hulp van een edelmoedig en bekwaam +man bekomt, wanneer men maar bij een dokter aanschelt. Bovendien, +ofschoon de aap slechts een dier is, volgens de natuurkundigen, +komt hij een mensch zoo nabij, dat hij ook de ziekten van een mensch +heeft. Was het niet van belang, ook uit een wetenschappelijk oogpunt, +om na te gaan in hoeverre die ziekten met de menschelijke ziekten +overeenstemmen, of daarvan afwijken? + +De Italianen bezitten grooten tact om te vleien en de dokter kwam +eindelijk bij het bed. + +Terwijl mijn meester sprak, had Joli-Coeur, die zeker geraden had +dat die heer met zijn bril een dokter was, wel tien keer zijn pootje +uitgestoken om gelaten te worden. + +--Zie nu eens hoe verstandig die aap is; hij begrijpt dat u een dokter +is en hij steekt zijn poot uit, om zijn pols te laten voelen. + +Dit gaf voor den dokter den doorslag. + +--In ieder geval, zeide hij, is de zaak misschien niet van belang +ontbloot. + +Voor ons was die zaak echter hoogst treurig en verontrustend; de arme +Joli-Coeur werd door een bloedspuwing bedreigd. + +Het pootje, dat hij zoo dikwijls had uitgestoken, nam de dokter in +zijne hand en met zijn lancet opende hij een ader, zonder dat het +dier een kreet slaakte. + +Hij wist dat dit het middel was om te genezen. + +Na de aderlating kwamen de pappen en de drankjes. + +Natuurlijk bleef ik niet in bed; ik werd de ziekenoppasser onder +leiding van Vitalis. + +De arme Joli-Coeur wilde gaarne door mij verpleegd worden en hij +beloonde me met zijn vriendelijksten glimlach; zijn blik had iets +erg menschelijks. + +Hij, anders zoo vroolijk, zoo dartel, zoo weerbarstig en altijd er op +uit om ons een streek te spelen, was thans de rust en gehoorzaamheid +zelve. + +Het scheen dat hij behoefte had, dat men hem vriendschap betoonde; +hij vroeg die zelf van Capi, dien hij zoo vaak geplaagd had. + +Als een bedorven kind wilde hij ons allen bij zich hebben en hij was +boos, als een van ons de kamer verliet. + +Zijne ziekte had den gewonen loop, dien alle borstaandoeningen hebben; +weldra begon hij te hoesten en die hoest matte hem af door de gestadige +schokken, waaraan zijn lichaam was blootgesteld. + +De vijf stuivers, die mijne geheele bezitting uitmaakten, besteedde +ik om sucre d'orge voor Joli-Coeur te koopen. + +Ongelukkigerwijze werd hij daardoor erger inplaats van beter. + +Aan zijn gewone opmerkzaamheid toch ontging het niet, dat ik hem +sucre d'orge gaf zoo dikwijls hij hoestte. + +Van die opmerking maakte hij gebruik om elk oogenblik te hoesten, +teneinde zooveel te vaker het geneesmiddel te krijgen, dat hij zoo +lekker vond, zoodat hem dit, inplaats van te genezen erger maakte. + +Toen ik zijn list had begrepen, hield ik mijn sucre d'orge terug, maar +dit ontmoedigde hem niet; hij begon mij met smeekende oogen aan te zien +en, als dit niet baatte, ging hij op zijn kussen zitten, en, in tweeën +gevouwen, met zijn hand op zijn buik, hoestte hij zoo erg als hij maar +kon; zijn gelaat werd rood; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op; +de tranen liepen hem over de wangen en hij eindigde met bijna te +stikken; thans was het geen komediespel meer, maar volkomen ernst. + +Mijn meester had mij nooit inzage in zijne zaken gegeven en slechts +door eene toevallige omstandigheid had ik vernomen, dat hij zijn +horloge had moeten verkoopen, om mij een schapevacht te bezorgen. In +de moeilijke omstandigheden, welke wij nu beleefden, meende hij van +den regel te moeten afwijken. + +Op een morgen, dat hij van het ontbijt terugkwam, terwijl ik bij +Joli-Coeur was gebleven, dien wij niet alleen lieten, deelde hij me +mede, dat de herbergier betaling gevraagd had voor hetgeen wij hem +schuldig waren en dat wij na de voldoening van diens rekening slechts +een gulden overhielden. + +Wat nu te doen? + +Natuurlijk wist ik geen antwoord op die vraag. + +Hij zelf wist ook geen ander antwoord, dan dat wij nog dienzelfden +avond eene voorstelling gaven. + +Eene voorstelling zonder Zerbino, zonder Dolce, zonder Joli-Coeur! Dit +scheen me onmogelijk. + +Maar wij waren niet in een toestand om ons zelfs door het onmogelijke +te laten weerhouden. Wij moesten, wat het ook kosten mocht, +Joli-Coeur verplegen en redden; de dokter, de medicijnen, het vuur, +de kamer, alles eischte dat wij onmiddellijk tenminste twintig gulden +bijeenbrachten, teneinde den herbergier te betalen, die, als hij maar +ééns geld van ons gezien had, ons wel langer krediet zou geven. + +Twintig gulden in dit dorp, met dit koude weer en de middelen die +ons ten dienste stonden--het zou wel een wonder zijn, als wij daarin +slaagden. + +Inplaats dat mijn meester daarover bleef peinzen, nam hij terstond +maatregelen om hetgeen hij verlangde te verwezenlijken. + +Terwijl ik onzen zieke verpleegde, zocht hij eene plaats waar wij +eene voorstelling konden geven op de overdekte markt, want in de +open lucht was het niet mogelijk bij zulk eene koude. Hij maakte +een tooneel met behulp van eenige planken en besteedde den gulden +om kaarsen te koopen, die hij half doorsneed om het aantal lichtjes +dubbel zoo groot te maken. + +Uit het raam van onze kamer zag ik hem heen-en-weer loopen in +de sneeuw, bij herhaling de herberg voorbijgaande en niet zonder +angst vroeg ik mijzelven af, waaruit de voorstelling van dien avond +bestaan zou. + +Weldra kwam ik ook dit te vernemen: de tamboer van het dorp, met +zijn roode soldatenmuts op het hoofd, hield voor de herberg stand, +en na een prachtigen langen roffel las hij het programma voor. + +Hoe dit was samengesteld, laat zich wel denken. Vitalis had de +buitensporigste dingen beloofd: er was sprake van een "kunstenaar +door het gansche heelal beroemd",--dat was Capi--en van een jeugdigen +zanger, die een "wonderkind" was.--Dat wonderkind was ik. + +Maar het belangrijkste gedeelte van dit programma was de slotbepaling: +men behoefde niets te betalen; wat men geven wilde liet Vitalis geheel +over aan de mildheid van het geachte publiek, dat eerst zijn giften +zou offeren na gehoord, gezien en toegejuicht te hebben. + +Dit scheen me nogal gewaagd toe, want het was zeer de vraag óf +men ons zou toejuichen. Capi verdiende werkelijk beroemd te worden +genoemd; maar ik voor mij was volstrekt niet overtuigd, dat ik een +wonderkind was. + +Toen hij den tamboer hoorde, had Capi vroolijk geblaft en Joli-Coeur +had zich half opgelicht, ofschoon hij op dat oogenblik erg ziek was; +beiden hadden begrepen, dat het eene voorstelling gold. + +Dit idée, dat ook bij mij opkwam, werd spoedig bevestigd door eene +pantomime van Joli-Coeur; die wilde volstrekt opstaan en ik kon hem +met geen geweld terughouden; hij verlangde zijn generaals-uniform, +zijn rooden rok en broek met goud galon en zijn steek met pluimen. + +Hij vouwde de handen en wierp zich op de knieën om mij te smeeken. + +Toen hij zag, dat hij door smeeken niets verkreeg, werd hij boos en +eindelijk stortte hij tranen. + +Het leed geen twijfel, of wij zouden groote moeite hebben om hem +te bewegen afstand te doen van zijn plan om dien avond eene rol te +vervullen en ik dacht, dat het onder deze omstandigheden het best was, +om ons vertrek voor hem geheim te houden. + +Ongelukkig hoorde hij het bevel van Vitalis, die niet wist wat er +gedurende zijne afwezigheid had plaats gegrepen, dat ik mijne harp en +alles wat voor eene voorstelling noodig was, in gereedheid zou brengen. + +Bij die woorden, die Joli-Coeur maar al te goed begreep, begon hij +opnieuw te smeeken, maar nu wendde hij zich tot onzen meester. Al had +hij kunnen spreken, dan had hij zeker zijn wensch niet beter kunnen +uitdrukken dan hij nu deed door de verschillende geluiden, welke hij +maakte, door het vertrekken van zijn gelaatsspieren en de beweging van +zijn geheele lichaam. Het waren echte tranen, die langs zijn wangen +biggelden en echte kussen, die hij op de handen van Vitalis drukte. + +--Wil-je meespelen? vroeg deze. + +--Ja, ja, gaf Joli-Coeur met zijn gansche lichaam te kennen. + +--Maar je bent ziek, arme Joli-Coeur. + +--Ik ben niet meer ziek, antwoordde hij met zijne sprekende gebaren. + +Het was roerend te zien hoe de arme, kleine zieke die slechts met +moeite ademhaalde, bad en smeekte en de grimassen die hij maakte, +en de houdingen die hij aannam, om ons te bewegen; maar toe te staan +wat hij vroeg, ware zijn doodvonnis geweest. + +Het oogenblik was gekomen, dat wij ons naar de markt moesten begeven; +ik maakte een lekker vuur aan met eenige beukenblokken, die lang +konden branden. Toen wikkelde ik hem in zijn dekens en de arme, kleine +Joli-Coeur weende heete tranen en omhelsde mij keer op keer. Toen +gingen wij heen. + +Terwijl wij over de sneeuw voortschreden, vertelde mij Vitalis wat +ik doen moest. + +Er kon natuurlijk geen sprake wezen van onze gewone voorstellingen, +daar onze voornaamste acteurs ontbraken; maar Capi en ik moesten nu +ook al ons talent ten beste geven. Het was volstrekt noodig dat wij +twintig gulden ontvingen. + +Twintig gulden! Dat was een vreeselijke som. + +Alles was door Vitalis in orde gemaakt; wij behoefden nog maar de +kaarsen aan te steken, maar dit was eene weelde, waartoe wij eerst +overgingen toen de zaal nagenoeg gevuld was, immers wij moesten zorgen, +dat het licht niet uitging vóór het einde van de voorstelling. + +Terwijl wij ons tooneel in bezit namen, ging de tamboer nogmaals +voor het laatst trommelend de straten door en wij hoorden zijn roffel +nu eens van verre dan van dichterbij, naarmate de straten verder of +minder ver van ons verwijderd lagen. + +Nadat ik Capi en mijzelven had aangekleed, vatte ik post achter een +pilaar, om te zien wie er kwam. + +Weldra naderde de tamboer weder en wij hoorden een onbestemd gedruisch +op straat: het was het gedreun van een twintigtal straatjongens, +die in den pas liepen, den tamboer volgende. + +Zonder met zijn roffel op te houden, zette de tamboer zich tusschen +een paar lichten neder, die aan den ingang van ons tooneel waren +gesteld en het publiek behoefde slechts plaats te nemen in afwachting, +dat de voorstelling beginnen zou. + +Helaas! het kwam slechts zeer traag op en nochtans ging de tamboer +voort aan den ingang zijn ram-plam-plam te doen hooren. Al de +straatjongens hadden plaats genomen, maar van hen hadden wij geen +twintig gulden te wachten: wij moesten gezeten burgers hebben met eene +goed gevulde beurs en geneigd om die te openen. Eindelijk besloot mijn +meester de voorstelling te doen beginnen, hoewel de zaal op verre na +niet gevuld was. Maar wij konden niet langer wachten, daar de kaarsen +waren aangestoken. + +Het eerst moest ik zelf op het tooneel komen. Ik zong twee liederen, +mij met mijn harp accompagneerende. Openhartig moet ik erkennen, +dat de toejuichingen zeer schaarsch waren. + +Ik heb nooit groote eigenliefde gehad als acteur, maar in deze +omstandigheden deed mij die koelheid van het publiek zeer veel +leed. Immers nu ik niet toegejuicht werd, was er niet veel kans op +eene ruime ontvangst. Het was waarlijk niet om de eer, dat ik zong: +'t was voor mijn armen Joli-Coeur. O, hoe gaarne had ik dat publiek +willen behagen, neen, in verrukking brengen, met geestdrift vervullen; +maar voor zooveel ik zien kon in dit gewelf, door allerlei zonderlinge +schaduwen gevuld, scheen het mij toe, dat men in mij volstrekt geen +wonder zag. + +Capi was gelukkiger; men juichte hem bij herhaling en luide toe. + +De voorstelling duurde voort; dank zij Capi, eindigde zij onder luide +bravo's; niet slechts klapte men in de handen, maar men trapte zelfs +met de voeten. + +Het beslissende oogenblik was gekomen. Terwijl ik, door Vitalis +geaccompagneerd, een spaanschen dans uitvoerde, ging Capi met het +bakje in zijn bek alle banken van het publiek langs. + +Ik was buiten adem; toch danste ik nog altijd voort, want ik mocht +niet ophouden vóór dat Capi was teruggekomen; hij haastte zich niet +en als hij niets kreeg, tikte hij met zijn pootjes op den zak van hen, +die niets wilden geven. + +Eindelijk zag ik hem terugkomen en ik was op het punt mijn dans te +eindigen, toen Vitalis mij een wenk gaf, dat ik voort zou gaan. + +Ik danste dus voort en bij Capi komende, zag ik dat het bakje op +verre na niet gevuld was. + +Vitalis zelf had met een oogopslag het bedrag van het ontvangen geld +begroot. Hij stond op en zeide: + +--Ik geloof, zonder ons te vleien, te mogen verklaren, dat wij ons +programma zijn nagekomen; evenwel daar de kaarsen nog branden zal +ik, met goedvinden van het geëerde publiek, nog een paar liederen +voordragen. Capi zal dan nog eene inzameling houden en de heeren +en dames, welke den toegang tot hun zak nog niet konden vinden bij +zijn eersten omgang, zullen misschien ditmaal gelukkiger en handiger +zijn. Ik verzoek hun zich alvast gereed te maken. + +Ofschoon Vitalis mijn onderwijzer in het zingen was geweest, had ik +hem zelf eigenlijk nog nooit hooren zingen en althans niet zooals +dien avond. + +Hij koos twee liederen, die iedereen kent, maar die voor mij toen nog +vreemd waren. Ik was toen nog te jong om te kunnen beslissen of hij +mooi of leelijk zong, met of zonder kunst, maar dit mag ik zeggen, +dat de gewaarwording, welke zijne manier van zingen in mij opwekte, +mij in tranen deed uitbarsten, terwijl ik op een uithoek van het +tooneel aandachtig naar hem luisterde. + +Door den nevel heen, die mijne oogen verduisterde, zag ik eene jonge +dame op den voorsten rang met geestdrift toejuichen. Ik had haar +vroeger al opgemerkt, want ze was geen boerin, zooals de andere vrouwen +onder het publiek. Zij was eene wezenlijke dame, schoon en, naar ik +opmaakte uit haar bont en mantel, de rijkste van het dorp. Naast haar +zat een knaapje, dat ook bijzonder toejuichte als Capi zijn kunstjes +deed. Het was zeker haar kind, want hij geleek sprekend op haar. + +Na het eerste lied had Capi weder zijne inzameling gehouden en met +verbazing zag ik, dat de rijke dame niets op het bakje legde. + +Toen mijn meester zijn lied geëindigd had, wenkte zij mij met de +hand. Ik ging naar haar toe. + +--Ik wenschte uw meester te spreken, zeide zij. + +Het verwonderde mij wel eenigszins dat die aanzienlijke dame mijn +meester wilde spreken. Zij had, dacht mij, beter gedaan met haar gift +op het bakje te leggen; maar ik deelde aan Vitalis haar wensch mede, +terwijl Capi onderwijl bij ons kwam. + +De tweede inzameling had nog minder opgebracht dan de eerste. + +--Wat wil de dame van mij? vroeg Vitalis. + +--Zij wil u spreken. + +--Ik heb haar niets te zeggen. + +--Zij heeft niets gegeven aan Capi; misschien wil ze het hem nu geven. + +--Dan moet Capi naar haar toe gaan en niet ik. + +Nochtans ging hij, maar nam Capi met zich. + +Ik volgde hem. + +In dien tusschentijd was een bediende met een lantaarn en een reisdeken +gekomen en had achter de dame en den knaap postgevat. + +Vitalis was haar genaderd en had gegroet, maar zeer koel. + +--Ik vraag u verschooning dat ik u lastig val, maar ik wilde u mijn +compliment maken. + +Vitalis boog zonder te antwoorden. + +--Ik beoefen de muziek, ging zij voort, en dit zal wel voldoende zijn +om u te doen beseffen, dat ik gevoelig ben voor zulk een groot talent +als het uwe. + +Een groot talent! En dat zou Vitalis bezitten, een straatzanger, +een man met gedresseerde honden! Ik was buiten mijzelven van verbazing. + +--Een oud alledaagsch man als ik heeft geen talent, zeide Vitalis. + +--Geloof niet dat onbescheiden nieuwsgierigheid mij beweegt, sprak +de dame. + +--Ik zou anders zeer bereid zijn die nieuwsgierigheid te +bevredigen. Gij waart verwonderd een man met gedresseerde honden te +hooren zingen, of althans te doen of hij zong? + +--Verrukt zelfs. + +'t Is evenwel doodeenvoudig; ik ben niet altijd geweest wat ik nu +ben. Voorheen, in mijne jeugd--dat is dus lang geleden--ben ik.... ja +ben ik de bediende van een groot zanger geweest, en uit zucht tot +nabootsing heb ik, als een papegaai, de stukken nagezongen, die mijn +meester instudeerde. Dat is de heele zaak. + +De dame antwoordde niet, maar zij vestigde langen tijd haar blik op +Vitalis, die in verlegen houding voor haar bleef staan. + +--Tot weerziens, mijnheer, sprak zij, den klemtoon op dit laatste woord +leggende, dat zij op een bizonderen toon uitsprak.--Tot weerziens, en +ontvang nogmaals mijn dank voor het genot, dat gij mij geschonken hebt. + +Daarop boog zij zich tot Capi en legde een goudstuk in zijn bakje. + +Ik dacht dat Vitalis deze dame naar haar plaats zou terugbrengen, +maar hij deed het niet, en toen zij zich verwijderd had, hoorde ik +hem eenige Italiaansche vloeken mompelen. + +--Maar zij heeft aan Capi een goudstuk gegeven, zeide ik. + +Ik dacht dat ik een klap zou krijgen; hij trok echter zijn opgeheven +hand terug. + +--Een goudstuk, zeide hij, alsof hij uit een droom ontwaakte, o ja, het +is waar; arme Joli-Coeur, ik vergat hem; kom laten we naar hem toegaan. + +Onze zaken waren spoedig geborgen en wij keerden naar de herberg terug. + +Ik ging het eerst de trap op en trad de kamer snel binnen; het vuur +was niet uitgedoofd, maar toch zag men geen enkele vlam meer. + +Ik stak haastig een kaars aan en zocht naar Joli-Coeur, daar ik hem +niet hoorde. + +Hij lag op zijn mat uitgestrekt in zijn generaalsuniform en scheen +te slapen. + +Ik bukte mij over hem heen en vatte hem bij een poot, om hem wakker +te maken. + +Zijn poot was koud. + +Op dit oogenblik trad Vitalis binnen. + +Ik wendde mij tot hem. + +--Joli-Coeur is koud. + +Vitalis knielde naast mij neder. + +--Helaas, sprak hij, hij is dood! Dat moest gebeuren. Ziet gij, Rémi, +het was verkeerd van mij, dat ik u niet bij mevrouw Milligan liet. Ik +ben ervoor gestraft. Zerbino, Dolce, en thans Joli-Coeur. En daarmede +is het nog niet gedaan. + + + + +XVI. + +AANKOMST TE PARIJS. + + +Wij waren nog een geducht eind van Parijs verwijderd. + +Aanhoudend moesten wij wegen volgen, waarop de sneeuw hoog lag +opgestapeld, en van den morgen tot den laten avond woei een scherpe +wind ons in het gelaat. + +Hoe akelig waren die lange wandelingen! Vitalis liep altijd voorop, +terwijl ik hem volgde, en Capi weder vlak achter mij. + +Zoo liepen wij in een rij, zonder dat we, uren lang, een woord met +elkander wisselden, met een gelaat blauw van koude, natte voeten en +leege maag; en de menschen, die wij tegenkwamen, stonden stil om ons +voorbij te zien trekken. + +Blijkbaar maakten wij een zonderlingen indruk op hen en zij vroegen +zichzelf af: waarheen brengt deze grijsaard dien knaap en dien hond? + +Die stilte was mij ondraaglijk; ik had groote behoefte om te spreken +en mijn hart eens lucht te geven, maar Vitalis gaf mij altijd een kort +antwoord op mijn vragen en keerde zich nooit naar mij om. Gelukkig +was Capi hartelijker, en dikwijls voelde ik, onder het loopen, zijn +natte, warme tong op mijn hand; Capi likte deze alsof hij daarmede +zeggen wilde: + +--Gij weet toch wel, dat ik, uw vriend Capi, er nog ben. + +Ik streelde dan even zijn kop, zonder stil te staan. + +Hij scheen met dit bewijs van mijn genegenheid zeer in zijn schik, +evenals ik met het zijne; wij begrepen elkander; wij hielden van +elkaar. + +Voor mij was hij een steun en ik weet zeker, dat ik dit ook voor +hem was; het hart van een hond is niet minder gevoelig dan dat van +een kind. + +Deze liefkoozingen schonken Capi veel troost, zoodat zij hem wel +eenigszins den dood van zijn makkers vergeten deden; de kracht der +gewoonte behaalde ook de overhand en dikwijls stond hij eensklaps +stil, om evenals vroeger, toen hij nog korporaal over zijn troep was, +deze in oogenschouw te nemen. Maar dat duurde ook slechts kort; +spoedig kwam zijn geheugen hem te hulp en herinnerde hij zich, +waarom zijn troep niet volgde. Hij snelde ons dan voorbij en keek +Vitalis aan, alsof hij hem wilde laten zien, dat hij er nog was; +zoo Dolce en Zerbino niet kwamen, was het, omdat zij niet konden +komen. Hij vertelde hem dit met zulke welsprekende blikken, die van +zooveel verstand en smart getuigden, dat wij medelijden met hem kregen. + +Dit maakte onze wandeling ook niet vroolijker en toch hadden wij +groote behoefte aan eenige afleiding; ik tenminste. + +Over het geheele landschap lag een bed van sneeuw gespreid; het was +een grauwe, gure dag, waarover de zon haar stralen niet zou werpen; +op het veld was niet de minste beweging te ontdekken; geen enkele +boer was aan zijn werk. Noch het hinneken van een paard noch het +loeien van een koe trof ons oor; slechts het gekras der raven, die +in de hoogste toppen der kale boomen zaten en van honger piepten, +daar zij geen enkele plaats op den grond zagen waar zij een wormpje +zouden kunnen vinden; in de dorpen waren alle huizen gesloten, alles +was stil en verlaten; de koude was vinnig, een ieder bleef bij het +hoekje van den haard, of men arbeidde op de zolders en in schuren. + +En wij liepen steeds voort op den gladden en hobbeligen weg, zonder +een oogenblik stil te staan en zonder eenige andere rust genoten te +hebben, dan onze nachtrust in een stal of schaapskooi. Met een klein +stuk brood moesten wij ons 's avonds tevreden stellen, en dat brood +gold ook voor ons middagmaal. Als we het geluk slechts hadden van in +een schaapskooi een onderkomen te vinden, dan werden wij tenminste +door de warmte der schapen voor de koude bewaard; ook was het juist +tijd, dat de schapen hun jongen zogen en dikwijls kregen wij verlof +om een schaap te melken; wij zeiden wel niet, dat we bijna van honger +omkwamen, maar Vitalis vertelde met zijn gewone slimheid, "dat het +kereltje zooveel van schapemelk hield, daar hij als kind gewend was +geweest die te drinken en het hem aan zijn land herinnerde." Dit +verhaal gelukte niet altijd. Maar het was een heerlijke avond, +wanneer het geloofd werd. Ik hield werkelijk veel van schapemelk en +wanneer ik ze gedronken had, dan gevoelde ik mij den volgenden dag +veel krachtiger en beter tot loopen instaat. + +Mijlen en uren volgden elkander op en de eene wandeling kwam na de +andere; meer en meer naderden wij Parijs en als de boomen, die langs +den weg geplant stonden, mij niet gewaarschuwd hadden, dan zou ik het +toch reeds bemerkt hebben aan het grooter vertier op de wegen en ook +aan de kleur der sneeuw, die hier lang zoo helder wit niet meer zag, +als op de vlakten van Champagne. + +Het verbaasde mij ten hoogste, maar het landschap werd niet fraaier +en de dorpen niet mooier dan die, welke wij vroeger bezochten. Ik +had zoo dikwijls over de wonderen van Parijs hooren spreken, dat ik +in mijn onwetendheid mij voorgesteld had, dat deze wonderen reeds +van verre door het een of ander buitengewoons zich zouden toonen. Ik +wist niet recht wat ik eigenlijk verwachtte en durfde het ook niet +vragen; ik bleef dus op een wonder hopen: gouden appelen, straten met +marmeren paleizen en wandelaars geheel in fluweel en satijn gedost; +dat zou ik alles zeer natuurlijk gevonden hebben. + +Hoewel ik geen oog had dan voor de gouden boomen, die ik zocht, +bemerkte ik toch wel, dat de voorbijgangers ons niet meer nastaarden; +waarschijnlijk hadden zij te veel haast, of zij waren gewend aan nog +treuriger tafereelen, dan wij thans aanboden. + +Dat stelde mij niet zeer gerust. + +Wat zouden wij te Parijs doen? en vooral in den ellendigen toestand +waarin wij ons bevonden? + +Dit vroeg ik mezelf dikwijls af en gedurende de verre tochten hield +dit meestal mijn geest geheel bezig. + +Gaarne zou ik het eens aan Vitalis gevraagd hebben, maar ik durfde +niet, want hij zag er zoo treurig uit en hij gaf mij altijd een zeer +kort antwoord. + +Eens echter ging hij naast mij zitten en uit de wijze, waarop hij +mij aanzag, begreep ik, dat ik thans zou vernemen wat ik reeds zoo +lang gewenscht had te weten. + +Het was nog vroeg in den ochtend; wij hadden den nacht in een +boerderij doorgebracht, die niet ver van een groot dorp verwijderd +lag, dat Boissy-Saint-Léger heette. Wij hadden ons bij het aanbreken +van den morgen op weg begeven, en nadat wij geruimen tijd den muur +van een park gevolgd waren en het dorp in zijn geheele lengte hadden +doorloopen, waren we op een hoogte gekomen, vanwaar wij een zwarten +rook boven een groote stad zagen opstijgen, maar waarvan wij slechts +eenige hooge gebouwen konden onderscheiden. + +Ik deed mijn oogen wijd open om tusschen dat tal van daken, klokken en +torens, die zich in den nevel en den rook verloren, op mijn verhaal +te komen, toen Vitalis plotseling langzamer ging loopen en naast mij +kwam zitten. + +--Uw leven is thans veranderd, zeide hij tot mij, alsof hij een +gesprek voortzette; binnen vier uur zijn wij te Parijs. + +--O, is dat Parijs, dat daar vóór ons ligt? + +--Ja. + +Op het oogenblik zelf, toen Vitalis mij zeide, dat het Parijs was, +brak een lichtstraal door den grijzen hemel, die plotseling, als een +bliksemstraal, een gouden kleed over alles verspreidde. + +Ik had mij dus niet vergist; ik zou daar gouden boomen vinden. + +Vitalis vervolgde: + +--In Parijs moeten wij van elkander scheiden. + +Plotseling echter viel de duisternis in en ik zag de gouden boomen +niet meer. + +Ik zag Vitalis aan; ook hij hield den blik op mij gericht en de +bleekheid van mijn gelaat, het trillen mijner lippen zeiden hem, +wat er in mij omging. + +--Gij zijt bang, en het doet u ook verdriet, ik geloof het best. + +--Moeten wij scheiden! riep ik, toen het eerste oogenblik van schrik +voorbij was. + +--Arme jongen! + +Deze woorden en vooral de toon, waarop zij werden uitgesproken, +deden mij de tranen in de oogen komen; het was zoo lang geleden, +sedert ik een hartelijk woord van hem gekregen had. + +--O, gij zijt zoo goed voor mij! riep ik uit. + +--Gij zijt een goede jongen, een dapper kereltje. Weet je, er zijn +oogenblikken in het leven, waarop men geneigd is dit te erkennen en +zich te laten overreden. Wanneer het ons in de wereld goed gaat, dan +volgt men zijn weg, zonder er ooit aan te denken, wie ons vergezelt; +maar wanneer alles tegenloopt, als men beseft, dat men een verkeerd pad +is ingeslagen en vooral als men oud wordt, dat is te zeggen, wanneer +men niets meer van de toekomst verwacht, dan heeft men behoefte om +op iemand te steunen en men gevoelt zich gelukkig, wanneer zoo iemand +dan bij ons is. Dat ik op u steun, dat verbaast u waarschijnlijk, niet +waar? En toch is het zoo. En gij hebt mij reeds veel troost geschonken, +toen ik u tranen zag storten, terwijl gij naar mij luisterdet. Want +ook mij, Rémi, doet het scheiden smart. + +Eerst later, toen ik iemand liefhad, gevoelde ik de waarheid van +zijn woorden. + +--Het is ongelukkig, ging Vitalis voort, dat men juist dan van elkander +scheiden moet, wanneer men zich nader tot elkander voelt aangetrokken. + +--Maar, vroeg ik verlegen, gij zult mij in Parijs toch niet aan mijn +lot overlaten? + +--Neen, zeker niet, ik zal u niet alleen laten. Wat zoudt gij, geheel +verlaten, in Parijs doen? En ik kan u ook gerust zeggen, dat ik het +recht daartoe niet heb. + +Toen ik u niet aan de zorg van die goede dame wilde toevertrouwen, +die u als haar zoon wenschte op te voeden, heb ik de belofte afgelegd, +u eene opvoeding te geven, zoo goed als eenigszins in mijn vermogen +was. Ongelukkig loopt het mij niet mede. Op het oogenblik kan ik niets +voor u doen en daarom ben ik van plan van u te scheiden, wel niet voor +altijd, maar toch voor eenige maanden, opdat wij het laatste gedeelte +van dit slechte jaargetijde elk op ons zelf kunnen leven. Binnen +weinige uren zijn wij te Parijs. Wat zouden wij daar moeten beginnen +met een tooneelgezelschap, dat slechts uit Capi bestaat? + +Toen de hond zijn naam hoorde noemen, ging hij voor ons staan en toen +hij zijn poot bij het oor gebracht had, om ons zijn militairen groet +te brengen, legde hij dien op zijn hart, alsof hij daarmede wilde +zeggen, dat wij op zijn genegenheid konden rekenen. + +In den toestand, waarin wij ons bevonden, stemde ons dit niet minder +treurig. + +Vitalis zweeg een poos om hem den kop te streelen. + +--Gij zijt ook een goede, dappere hond; maar helaas, men leeft in +deze wereld niet alleen van goedheid; wij moeten iets overhebben +voor het geluk van hen, die ons omringen en ook nog iets anders, +hetgeen ons juist ontbreekt. + +Wat zullen wij met Capi alleen ontvangen? Gij begrijpt het, nietwaar, +dat wij thans geen voorstellingen kunnen geven? + +--Dat is waar. + +--De jongens zouden ons bespotten en ons met vuil naar het hoofd gooien +en wij zouden geen halven franc ophalen; denkt gij, dat wij alle drie +van een halven franc daags zouden kunnen leven, en daarbij de kans +nog hebben, wanneer het koud is, regent of sneeuwt, niets te verdienen? + +--Maar mijn harp? + +--Als ik twee kinderen had, zooals gij, dan zou het misschien +nog gaan, maar een grijsaard en een knaap, neen, dat gaat niet +samen. Ik ben nog niet oud genoeg. Als ik nog wat gebrekkiger was +of misschien blind.... Maar ongelukkig ben ik wat ik ben, dat is te +zeggen, dat ik niet in een toestand ben om medelijden op te wekken, +en om in Parijs de belangstelling te wekken van menschen, die allen +evenveel haast hebben, moet men al in een zeer beklagenwaardigen +toestand verkeeren. Men moet zich dan ook bovendien niet schamen om +een beroep te doen op de publieke liefdadigheid, en daartoe zou ik +nooit kunnen besluiten. Wij moeten dus wat anders bedenken. Ik zal u +zeggen wat ik gedacht heb en waartoe ik dan ook besloten ben. Tot aan +het einde van den winter zal ik u bij een _padrone_ in den kost doen, +die u met andere kinderen op de harp zal leeren spelen. + +Aan zulk een plan had ik niet gedacht. + +Vitalis liet mij echter den tijd niet om hem in de rede te vallen. + +--Ik zal, vervolgde hij, les geven op de harp, op de _piva_ of op +de viool aan Italiaansche kinderen, die op straat muziek maken. Ik +ben in Parijs bekend, waar ik verscheidene malen gewoond heb, en +van waar ik kwam, toen ik uw dorp bezocht; ik behoef slechts om een +les te vragen, dan krijg ik er meer dan ik er geven kan. Wij kunnen +dan elk op ons eigen leven. Terwijl ik les geef, kan ik tevens een +paar andere honden dresseeren, die Zerbino en Dolce zullen moeten +vervangen. Ik zal hun opvoeding voltooien en wanneer het dan weder +voorjaar is, dan kunnen wij samen weder op weg gaan, Rémi, om niet +weer van elkander te scheiden, want de fortuin begunstigt steeds +hen, die moedig weten te strijden. Ik verg thans slechts moed en +onderwerping van u. Later zal alles beter gaan; dit is een moeilijk +en voorbijgaand oogenblik. In de lente neemt ons vrij leven weder een +aanvang. Ik zal u dan naar Duitschland en naar Engeland brengen. Gij +zijt dan ouder en verstandiger geworden. Ik zal u alles leeren en een +man van u maken. Dit heb ik mevrouw Milligan beloofd. En die belofte +zal ik houden. Juist met het oog op die reizen, zal ik u Engelsch +gaan leeren; gij kent nu Fransch en Italiaansch en dat is al veel voor +een kind op uw leeftijd; gij zijt nu ook veel sterker. Gij zult zien, +Rémi, dat alles nog niet verloren is. + +Dit was misschien nog het beste, waartoe wij in onzen toestand +besluiten konden. En wanneer ik er nu nog aan denk, dan moet ik +erkennen, dat mijn meester al zijn best gedaan heeft om ons uit dien +hachelijken toestand te redden. Maar niet dezelfde gedachten bezielen +ons wanneer wij in onze herinneringen de een of andere gebeurtenis +herdenken, als op het oogenblik, toen deze plaats greep. + +In hetgeen hij mij toen zeide, stonden twee dingen mij slechts +duidelijk voor oogen: + +Onze scheiding. + +En de _padrone_. + +Op onze tochten door dorpen en steden hadden wij verscheidene van die +_padrones_ ontmoet, die de kinderen, welke zij in dien tusschentijd +hadden gehuurd, met stokslagen gedrild hadden. + +Zij geleken volstrekt niet op Vitalis; zij schenen mij wreed, +onrechtvaardig en veeleischend toe, en waren meestal dronken en +vloekten aanhoudend. + +Het was zeer wel mogelijk, dat ik in handen van zulk een meester +zou vallen. + +En al voerde het toeval mij bij een die goedhartiger was, dan zou +het toch eene groote verandering voor mij wezen. + +Na mijn pleegmoeder, Vitalis. + +Na Vitalis, alweer een ander. + +Zou het altijd zoo met mij gaan? + +Zou ik dan nooit, mijn geheele leven lang, aan iemand mij mogen +hechten? + +Langzamerhand had ik mij aan Vitalis gehecht, alsof hij mijn vader was. + +Ik zou dus nooit een vader hebben? + +Nooit een bloedverwant? + +Zou ik dan altijd alleen op de wereld wezen? + +Altijd op die groote wereld moeten rondzwerven, zonder mij ooit ergens +te kunnen vestigen? + +Op al die vragen had ik gaarne eenig antwoord gehad en zij waren mij +bijna van de lippen gevloeid, zoo ik ze niet met moeite teruggehouden +had. + +Mijn meester had van mij moed en onderwerping gevraagd; ik wilde hem +gehoorzamen en zijn verdriet niet vermeerderen. + +Bovendien zat hij al niet meer naast me; alsof hij bang was al deze +vragen te moeten aanhooren, die hij eveneens voorzien had, was hij +eenige schreden vooruitgeloopen. + +Ik volgde hem en spoedig hadden wij een rivier bereikt waarover een +brug lag, die hier vreeselijk slikkerig was; de sneeuw was geheel +zwart en men zakte tot aan de enkels in de modder. + +Aan het einde van die brug bevond zich een dorp met enge straten; +daarna was men weder geheel buiten, maar men zag hier geen arme +woningen in vervallen toestand. + +Op den weg volgden en kruisten elkander tal van rijtuigen. Ik ging +naast Vitalis loopen en Capi kwam vlak achter ons. + +Spoedig was men niet meer in de vrije natuur, maar kwamen wij in een +straat, waarvan het einde niet te zien was; aan beide zijden verhieven +zich huizen, maar het waren vuile, arme en lang zulke mooie huizen +niet als te Bordeaux, te Toulouse en te Lyon. + +De sneeuw lag hier en daar opgehoopt en op die zwarte stapels had +men asch, verrotte groente en allerlei vuil geworpen; een onaangename +lucht kwam ons tegemoet, de kinderen, die voor de deur speelden, zagen +er bleek en ongezond uit; telkens reden zware wagens ons voorbij, +die zij met de grootste behendigheid wisten te ontwijken zonder er +ooit acht op te slaan. + +--Waar zijn wij nu? vroeg ik aan Vitalis. + +--Te Parijs, mijn jongen. + +Te Parijs!.... + +Was het mogelijk! Was dat Parijs? + +Waar stonden mijn marmeren paleizen? + +Waar liepen de menschen in fluweel en satijn? + +Hoe leelijk en akelig was de werkelijkheid! + +Dat was dan het Parijs, waarnaar ik zoo vurig verlangd had. + +Daar zou ik dus den winter doorbrengen, gescheiden van Vitalis.... en +van Capi! + + + + +XVII. + +EEN PADRONE UIT DE STRAAT LOURCINE. + + +Hoewel ik al wat mij omringde even leelijk vond, moest ik toch mijn +oogen wijd openen om alles aandachtig op te nemen en vergat ik bijna +in welk een ernstigen toestand ik mij bevond. + +Hoe verder wij in Parijs doordrongen, hoe minder het aan mijn +kinderlijke droomen en mijne verwachtingen beantwoordde: de bevroren +grachten wasemden een vuilen geur uit; de slijk werd hoe langer +hoe zwarter en wanneer zij niet meer uit ijs of sneeuw bestond, +dan spatte zij om de wielen der rijtuigen en bemorste de ruiten der +onaanzienlijke winkels. + +Parijs kon ongetwijfeld niet bij Bordeaux vergeleken worden. + +Toen wij geruimen tijd een breede straat, die minder onaanzienlijk was +dan die welke wij reeds waren doorgegaan, hadden gevolgd en waarin de +winkels hoe langer hoe beter werden naarmate wij verder kwamen, sloeg +Vitalis rechts om en een oogenblik later bevonden we ons in een zeer +armoedige wijk der stad met hooge huizen, die door hun zwarte gevels +nog hooger schenen; het water liep uit de ontdooide goten midden door +de straat en zonder zich om dat vuile water te bekommeren, schreed +een dichte menigte over de modderachtige steenen voort. Nooit had +ik zulke bleeke gezichten gezien als van deze menschen; evenzoo trof +mij de onbeschaamdheid der kinderen; in de vele kroegen zaten mannen +en vrouwen of stonden zij aan de toonbank te drinken, terwijl zij om +het hardst schreeuwden. + +Op den hoek van een straat las ik den naam _Lourcine_. + +Vitalis, die den weg scheen te kennen, ontweek behoedzaam de +voorbijgangers, die hem den doortocht belemmerden en ik volgde hem +op den voet. + +--Pas op, dat gij mij niet verliest, zeide hij. + +Maar deze aanbeveling was noodeloos; ik liep vlak achter hem en voor +alle zekerheid hield ik een pand van zijn jas vast. + +Nadat wij een groote plaats en een gang waren doorgegaan, bereikten +wij een soort van loods, die zeer donker en vermolmd er uitzag, +en waarin de zon zeker nooit hare stralen had geworpen. Dit was nog +leelijker en verschrikkelijker dan alles, wat ik tot nogtoe gezien had. + +--Is Garofoli tehuis? vroeg Vitalis aan een man, die allerlei lompen +tegen den muur ophing en zichzelf met een lantaarn bijlichtte. + +--Ik weet het niet; ga maar naar boven; gij kent den weg; de bovenste +trap, dan hebt ge de deur recht voor u. + +--Garofoli is de padrone van wien ik u gesproken heb, zeide Vitalis, +terwijl wij de trap bestegen, waarvan de treden met een laag slijk +en aarde waren bedekt, alsof zij uit vochtige klei gehouwen waren; +hier woont hij. + +De straat noch het huis of de trap waren geschikt om mij in een +vroolijker stemming te brengen. Hoe zou de bewoner wel zijn? + +Wij klommen tot de vierde verdieping; Vitalis duwde, zonder te kloppen, +de deur open en wij bevonden ons in een ruim vertrek, op een soort +van zolder. In het midden was een groote ruimte ledig gebleven, +terwijl langs de wanden een dozijn ledekanten geschaard stonden. De +muren en de zoldering waren van een niet meer te onderscheiden kleur; +ofschoon vroeger waarschijnlijk wit geweest, waren zij door rook, +stof en onzindelijkheid zwart geworden en op verscheidene plaatsen +zag men zelfs gaten; naast een kop met houtskool geteekend hingen +eenige gebeeldhouwde bloemen en vogels. + +--Garofoli, sprak Vitalis, terwijl hij binnentrad, zijt gij thuis? Ik +kan niets zien, dus geef mij eenig antwoord; ik ben Vitalis. + +Het scheen inderdaad of er zich niemand in de kamer bevond, zoo flauw +was deze door een kleine hanglamp verlicht; maar op de vraag van mijn +meester antwoordde een zachte en sleepende kinderstem: + +--Signor Garofoli is uitgegaan; eerst over een paar uur komt hij terug. + +Op hetzelfde oogenblik stond hij, die ons antwoord gegeven had, +voor ons: het was een kind van omstreeks tien jaar oud; het kwam +met een sleependen tred naar ons toe en ik was zoozeer door zijn +uiterlijk getroffen, dat ik het thans nog vóór mij zie; het had +eigenlijk geen lichaam en zijn groot hoofd, dat niet in de minste +evenredigheid met zijn voorkomen was, scheen onmiddellijk op zijn +beenen te rusten, evenals op die karikatuurplaten, die eenige jaren +geleden zooveel opgang maakten. Op zijn gelaat lag een pijnlijke en +zachte uitdrukking en uit zijn blik las men een groote gelatenheid, +terwijl zijn geheele voorkomen iets wanhopends had. Zoo gevormd, kon +hij niet schoon wezen en toch gevoelde men zich tot hem aangetrokken, +hetzij uit medelijden of wel door zijn vriendelijk, trouwhartig oog +en den verstandigen trek, die er op zijn gelaat lag. + +--Zijt gij zeker, dat hij binnen twee uren thuis zal zijn? vroeg +Vitalis. + +--O, heel zeker, signor, dan is het etenstijd en hij alleen geeft +ons het eten. + +--Welnu, zoo hij soms vroeger terug mocht komen, zeg hem dan, dat +Vitalis over twee uur bij hem terugkomt. + +--Over twee uur, goed signor. + +Ik wilde mijn meester volgen, maar deze wees mij terug en zeide: + +--Blijf gij hier, gij kunt hier uitrusten; ik kom terug. + +Ik kon mijn angst niet verbergen. + +--Ik verzeker u, dat ik terugkom, herhaalde hij. + +Liever was ik, ondanks mijn groote vermoeidheid, Vitalis gevolgd, +maar wanneer hij iets gebood, dan was ik gewoon hem te gehoorzamen +en ik bleef dus staan. + +Toen wij zijn zware stappen niet meer op de trap hoorden, vroeg het +kind, dat met zijn oor tegen de deur aandachtig geluisterd had: + +--Zijt gij uit het land? Hij vroeg mij dit in het +italiaansch. Gedurende mijn omgang met Vitalis had ik genoeg +italiaansch geleerd om bijna alles in die taal te verstaan, maar zelf +was ik ze niet voldoende machtig om ze gaarne te spreken. + +--Neen, antwoordde ik in het fransch. + +--O, zuchtte hij en zag mij met zijn groote oogen strak in het gelaat: +dat is jammer, ik had gehoopt dat gij ook uit het land waart. + +--Uit welk land? + +--Uit Lucca; gij zoudt mij misschien eenige tijding hebben +medegebracht. + +--Ik ben een Franschman. + +--O, des te beter. + +--Houdt gij dan meer van de Franschen dan van de Italianen? + +--Neen, ik zeg het ook niet voor mezelf, maar voor u, want als gij +een Italiaan waart, dan zoudt gij waarschijnlijk in dienst van signor +Garofoli komen; en men zegt niet des te beter tot hen, die bij dezen +in dienst treden. + +Deze woorden waren nu juist niet zeer geruststellend voor mij. + +--Is hij kwaad? + +Het kind gaf op deze vraag geen antwoord, maar de blik, waarmede hij +mij aanzag, was welsprekend genoeg. Daarop, alsof hij dit onderwerp +niet langer wilde voortzetten, keerde hij mij den rug toe, en begaf +hij zich naar den schoorsteen aan het einde van de kamer. + +Een heerlijk vuur van takkenbossen brandde daarin en op dat vuur +stond een groote ketel. + +Ik ging voor het vuur staan, om mij wat te verwarmen en ontdekte +toen dat deze ketel iets bijzonders had, wat ik in het begin niet +had opgemerkt. Het deksel met een smal tuitje bovenop, waaruit de +stoom ontsnapte, was aan den pot bevestigd, aan de eene zijde met +een scharnier en aan de andere zijde met een hengsel. + +Ik begreep, dat ik geen onbescheiden vragen omtrent Garofoli doen +mocht, maar toch wel wat den pot betrof. + +--Waarom is deze ketel op slot? + +--Omdat ik er niet uit snoepen zou. Ik moet de soep wel gaarmaken, +maar de meester vertrouwt mij niet. + +Ik kon een glimlach niet onderdrukken. + +--Gij lacht erom, vervolgde hij op verdrietigen toon, want gij denkt +zeker, dat ik snoepziek ben. In mijn plaats zoudt gij het misschien +ook zijn. Ik ben ook eigenlijk geen snoeper, maar ik ben uitgehongerd +en de reuk van de soep, die uit het tuitje ontsnapt, doet mijn honger +nog grooter worden. + +--Signor Garofoli laat u dus hongerlijden? + +--Wanneer gij in zijn dienst komt, dan zult gij wel ondervinden, dat +men van honger niet sterft, maar wel ontzettend veel erdoor lijden +kan. En vooral ik, want voor mij is het eene straf. + +--Een straf, hongerlijden? + +--Ja; en ik durf het u gerust vertellen, want als Garofoli soms uw +meester wordt, dan zou mijn voorbeeld u van nut kunnen zijn. Signor +Garofoli is mijn oom en hij heeft mij uit liefdadigheid bij zich +genomen. Gij moet weten, dat mijn moeder weduwe en dus, zooals gij +wel begrijpen kunt, niet rijk is. Toen Garofoli het vorige jaar onze +streek bezocht, om kinderen op te halen, stelde hij mijn moeder voor +mij met zich te nemen. Het kostte haar heelwat om mij van zich af te +zenden; maar gij begrijpt als iets noodzakelijk is! En het was noodig, +want wij waren met ons zessen thuis, waarvan ik de oudste was. Liever +had Garofoli mijn broeder medegenomen, die op mij volgt, want Lenardo +is mooi, terwijl ik leelijk ben. En als men geld verdienen moet, dan +moet men niet leelijk zijn; zij, die leelijk zijn, krijgen niets dan +slaag en slechte woorden. Maar mijn moeder wilde Lenardo niet afstaan; +Mattia is de oudste, zeide zij, en wanneer er een weggaan moet, dan +is het Mattia; de goede God heeft het zoo besloten en er valt niets +aan den wil van God te veranderen." Ik ben dus met mijn oom Garofoli +op reis gegaan; gij begrijpt, dat het mij hard viel om de ouderlijke +woning en mijn moeder, die luid weende, te verlaten en vooral de +kleine Christina, die veel van mij hield, omdat zij de jongste was +en ik haar altijd droeg. Ook speet het mij, dat ik mijn broeders, +mijn makkers en mijn land vaarwel moest zeggen. + +Ik wist bij ondervinding hoe wreed zulk een scheiding was en ook +ik kon mij de aandoening nog levendig herinneren, toen ik voor de +laatste maal de witte muts van vrouw Barberin zag. + +De kleine Mattia vervolgde zijn verhaal. + +--Ik was geheel alleen met Garofoli, toen ik mijn woning verliet, +maar acht dagen later waren wij reeds met ons twaalven en begaven we +ons op weg naar Frankrijk. + +O, hoe lang viel die weg aan mij en mijn makkers, die even treurig +waren als ik. Eindelijk toch kwamen wij te Parijs; wij waren +toen nog met ons elven, daar een onzer in het gasthuis te Dijon +was achtergebleven. In Parijs werd er een keus uit ons gedaan; de +sterksten kwamen bij schoorsteenvegers of rookverdrijvers in dienst; +die niet krachtig genoeg voor een ambacht waren, gingen op straat +zingen en op de lier spelen. Garofoli gaf mij twee witte muizen, +die ik op straat en voor de deuren moest laten kijken en hij rekende +uit, dat ik daarmede vijftien stuivers daags zou verdienen. "Zooveel +stuivers als daaraan ontbreken, wanneer gij 's avonds tehuis komt, +zooveel stokslagen krijgt gij van me." Vijftien stuivers was moeilijk +bij elkander te zamelen; maar stokslagen waren evenmin prettig, wanneer +Garofoli ze toediende. Ik spande dus alles in om die som op te halen, +maar ondanks al mijn moeite, gelukte het mij niet dikwijls. Mijn +makkers hadden gewoonlijk het aantal stuivers en ik bijna nooit. Dit +maakte Garofoli nog boozer. "Die domkop van een Mattia, wat voert die +dan toch uit?" vroeg hij. Een ander kind, dat evenals ik, met witte +muizen rondliep, moest twee francs inbrengen, hetgeen hij getrouw +iederen avond deed. Dikwijls ging ik met hem mede, om te zien, wat +hij deed en waarin hij zich handiger gedroeg dan ik. Ik begreep toen +waarom hij zoo gemakkelijk zijn twee francs en ik zoo moeilijk nog +een franc bij elkander kreeg. + +Als een heer en een dame ons iets gaven, dan zeide de dame altijd: +"Geef het aan dien aardigen en niet aan dien leelijken jongen." De +leelijke was ik. Ik ging nooit meer met mijn makker mede, want al is +het naar stokslagen te krijgen als men tehuis komt, het is toch nog +akeliger op straat in tegenwoordigheid van iedereen een hard woord te +hooren. Gij kent dat gevoel niet, daar men u nooit gezegd heeft, dat +gij leelijk waart; maar ik.... Kortom, toen Garofoli zag, dat slaag +tot niets leidde, bedacht hij een ander middel. "Voor elken stuiver, +die er ontbreekt, krijgt gij 's middags een aardappel minder, zeide +hij. Daar uw huid tegen slagen bestand schijnt te zijn, zal ik eens +zien of uw maag misschien voor den honger gevoeliger is." Hebben +bedreigingen ooit eenigen vat op u gehad? + +--Dat hangt ervan af. + +--Nu, op mij nooit; bovendien kon ik niet anders doen dan ik tot nogtoe +gedaan had; en ik kon onmogelijk tot hen, die ik mijn hand reikte, +zeggen: "Als gij mij geen centen geeft, dan krijg ik vanavond geen +aardappelen." Menschen die een aalmoes aan kinderen geven, laten zich +nooit door zulke redenen overhalen. + +--En door welke dan wel? Men geeft om iemand genoegen te doen. + +--O, wat zijt ge nog jong; men geeft om zich zelf genoegen te doen +en niet voor het pleizier van anderen; men geeft gaarne iets aan +een aardig kind; dat is nog de beste reden, ook wel als men een +kind verloren heeft of men gaarne zoo'n kind zou willen hebben; men +geeft wanneer men het zelf warm heeft en het kind van koude loopt +te rillen. O, ja, ik weet het allemaal heel goed; ik heb al den tijd +gehad om het te leeren. Het is koud vandaag, niet waar? + +--Zeer koud. + +--Welnu, ga voor een deur staan en steek uw hand eens uit naar een +heer, die haastig voortloopt en een kort overjasje draagt en vertel +mij dan eens, wat hij u gegeven heeft. Strek daarentegen uw hand eens +uit naar een heer, die langzaam loopt en in een jas met bont gewikkeld +is, dan zult gij misschien een stuk zilvergeld van hem krijgen. Nadat +ik ongeveer een maand deze manier gevolgd had was ik er niet dikker +op geworden; ik zag er bleek en ziekelijk uit en dikwijls hoorde ik +in het voorbijgaan zeggen: dat kind sterft van honger. Mijn lijden +gaf mij dus, wat ik door schoonheid niet had kunnen verkrijgen; +het gaf aan mijn gelaat een uitdrukking die belangstelling scheen +in te boezemen en het maakte mijn oogen grooter; de menschen uit de +buurt kregen medelijden met mij, en al haalde ik niet altijd geld op, +ik kreeg dikwijls brood of soep. Dat was een goede tijd! Ik kreeg +geen slag, maar ook geen aardappelen, hoewel het laatste mij minder +hinderde, daar ik gewoonlijk 's middags wat te eten gehad had. Maar +eens betrapte Garofoli mij toen ik bij een fruitverkooper een bord +soep at en hij begreep toen, waarom ik mij nooit beklaagde, dat ik +geen aardappelen kreeg. Hij besloot toen mij niet meer uit te laten +gaan en mij voortaan tehuis te houden om op de soep te passen en het +huishouden te doen. Maar daar ik onder de hand best van de soep zou +kunnen snoepen, verzon hij er op, om ze in dezen ketel te koken; +iederen morgen, voordat hij uitgaat, doet hij het vleesch en de +groenten in den pot en sluit het deksel met een hangslot; ik behoef +dan maar te zorgen, dat het gaar wordt; ik kan dan alleen het vleesch +ruiken, maar ervan proeven, dat begrijpt gij, dat zou nooit door zulk +een smal tuitje gaan. Sedert ik in de keuken gekomen ben, heb ik +zulk een vale kleur gekregen, want de reuk voedt niet, integendeel +hij doet den honger nog erger worden. Zie ik er erg bleek uit? Daar +ik thans niet meer op straat kom, hoor ik het ook niet meer zeggen +en er hangt hier geen spiegel. + +Ik had toen nog niet veel ondervinding, maar toch wist ik, dat men +een zieke nooit beangst moet maken door hem te zeggen, dat hij er +ziek uitziet. + +--Gij ziet er niet bleeker uit dan een ander, antwoordde ik. + +--Ik merk wel, dat gij dit zegt om mij gerust te stellen, maar ik +vind het prettig, als ik er bleek uitzie, want dat bewijst dat ik +zeer ziek ben en ik wil gaarne heelemaal ziek zijn. + +Ik zag hem met de grootste verbazing aan. + +--Gij begrijpt mij niet, vervolgde hij glimlachend, en het is toch +heel eenvoudig. Als men erg ziek is, dan wordt men òf goed opgepast +òf men sterft. + +Als ik dood ga, dan is alles uit, dan heb ik geen honger meer en krijg +ook geen slaag; en men beweert ook, dat, als men dood is, men in den +hemel komt. Als ik in den hemel ben, dan zie ik mijn moeder weer en +dan zal ik misschien aan onzen lieven Heer kunnen vragen, om mijn +zuster Christina gelukkig te maken. Als men mij goed wil verzorgen, +dan zendt men mij naar het gasthuis en dat zou ik gelukkig vinden. + +Het gasthuis boezemde mij altijd grooten afkeer in en dikwijls, als +ik onderweg uitgeput was van vermoeienis, behoefde ik slechts aan +het hospitaal te denken, om weder kracht tot loopen te vinden. Het +verbaasde mij dus zeer, toen ik Mattia op deze wijze daarover hoorde +spreken. + +--Als gij eens wist hoe goed men het in het gasthuis heeft, vervolgde +hij; eens ben ik daar reeds geweest; men heeft daar een dokter, +een grooten man met blonde haren, die altijd klontjes in zijn zak +heeft. Het zijn wel gebroken klontjes, want die zijn goedkooper, +maar daarom smaken ze niet minder lekker; en de verpleegsters zijn +ook altijd even vriendelijk: "Kom, doe dat, mijn jongen, steek uw tong +uit, arm kind." Ik vind het prettig als men zoo vriendelijk tegen mij +spreekt, dan zou ik wel kunnen weenen en als ik daarin lust heb, dan +ben ik ook gelukkig. Dat is dom, niet waar? Maar mijn moeder sprak +altijd zoo vriendelijk tegen mij. Die pleegzusters spreken juist +zooals mijn moeder en al zijn het niet dezelfde woorden, dan is het +toch dezelfde muziek. En als men beter wordt, dan krijgt men bouillon +en wijn. Ik vond het prettig, toen mijn krachten hier langzamerhand +begonnen af te nemen, omdat ik niet meer at. Ik zeide toen tot mezelf: +Ik word ziek en Garofoli zal mij naar het gasthuis zenden. O, ik +word erg ziek; nu ben ik nog niet ziek genoeg; ik voel het zelf wel, +maar het is nog niet zóó erg, dat ik Garofoli hinder; hij heeft mij +bij zich gehouden. Het is vreemd, maar ongelukkige menschen zijn +taai. Gelukkig heeft Garofoli het niet verleerd om mij evenals de +anderen te tuchtigen. En acht dagen geleden heeft hij mij een slag +met zijn stok op het hoofd gegeven. Ik hoop nu dat het beslist is; +mijn hoofd is erg gezwollen; gij ziet daar dien grooten witten bult +wel. Hij zeide dat het misschien een gezwel was; ik weet niet wat +een gezwel is, maar zooals hij erover sprak, moet het wel erg zijn; +in elk geval heb ik er vreeselijk pijn aan. Soms voel ik onder mijn +haren zoo hevig steken en trekken, nog veel erger dan wanneer ik +kiespijn heb. Mijn hoofd is zwaar, alsof het honderd pond weegt; +vaak krijg ik duizelingen en alles waggelt mij voor de oogen, en 's +nachts zelfs in mijn slaap, lig ik te steunen en te kermen. Nu geloof +ik zeker, dat ik over een dag of drie, vier, wel naar het gasthuis zal +gezonden worden; want ge begrijpt, een jongen die 's nachts lastig is, +hindert ook de anderen en Garofoli wordt niet gaarne gehinderd. Hoe +gelukkig dat hij mij een slag met zijn stok gegeven heeft! Zeg nu +eens eerlijk of ik niet erg bleek zie? + +Terwijl hij dit zeide, ging hij vlak voor mij staan, en keek hij mij +strak aan. Ik had nu geen reden om langer te zwijgen; toch wilde ik +hem niet de volle waarheid zeggen, en hem bekennen welk een akeligen +indruk zijn groote glinsterende oogen, zijn magere, ingevallen wangen +en zijne bleeke lippen op mij maakten. + +--Ik geloof wel, dat gij ziek genoeg zijt om naar het hospitaal +te gaan. + +--Eindelijk! + +En met zijn hinkend been trachtte hij eene buiging te maken. Daarop +ging hij weder naar de tafel en begon deze af te vegen. + +--Nu heb ik genoeg gepraat, zeide hij, Garofoli komt zoo dadelijk +tehuis, en dan vindt hij niets gereed: nu gij meent, dat ik genoeg +slaag heb gehad, om naar het hospitaal te gaan, nu is het ook niet +langer noodig om er meer bij te krijgen; dat zou slechts verloren +moeite zijn en bovendien schijnen die, welke ik thans krijg, mij veel +harder dan de klappen, die hij mij eenige maanden geleden gaf. Zij, +die beweren dat men aan alles went, hebben gelijk, niet waar? + +Terwijl hij sprak, liep hij hinkende om de tafel en legde de borden en +lepels en vorken op hun plaats. Twintig borden telde ik, dus twintig +kinderen had Garofoli onder zijn leiding; daar ik slechts twaalf bedden +zag staan, sliepen zij dus zeker twee aan twee. En welke bedden waren +het! geen lakens, maar versleten wollen dekens lagen erop, die zeker +uit een stal afkomstig waren, toen zij niet warm genoeg meer waren +voor paardendekken. + +--Is het overal zooals hier? vroeg ik angstig. + +--Waar, overal? + +--Overal, waar men knapen opvoedt. + +--Dat weet ik niet; ik ben nooit ergens anders geweest, maar tracht +gij ergens anders te komen. + +--Waar? + +--Dat weet ik niet, dat doet er ook niet toe; ergens waar gij beter +zijt dan hier. + +"Het doet er niet toe waar", dat was zeer onbestemd en hoe zou ik +het aanleggen, om Vitalis op zijn besluit te doen terugkomen? + +Terwijl ik hierover stond na te denken, ging de deur open en trad een +knaap binnen; hij had een viool onder zijn arm en in zijn andere hand +hield hij een stuk hout, dat van afbraak afkomstig was. Dat stuk hout, +dat veel geleek op de stukken, welke onder den schoorsteen lagen, +deed mij plotseling begrijpen, vanwaar Garofoli zijn voorraad hout +opdeed en hoeveel deze hem kostte. + +--Geef mij uw stuk hout! zeide Mattia, terwijl hij naar den +nieuwaangekomene toetrad. + +Maar inplaats van het stuk hout aan zijn makker te geven, hield hij +het achter zijn rug. + +--Neen, zeker niet, zeide hij. + +--Geef het mij, dan wordt de soep beter. + +--Als gij meent, dat ik het voor de soep medegebracht heb, dan vergis +je je, want ik heb niet meer dan vijftien stuivers kunnen ophalen +en ik reken op dit hout, om mij de vijf stuivers, die mij ontbreken, +niet te duur door Garofoli te laten betalen. + +--Dat zal dat stuk hout niet beletten; je moet ze toch betalen, +ieder krijgt zijn beurt. + +Mattia zeide dit op bitsen toon, alsof hij blijde was, dat zijn makker +ook eens gestraft zou worden. Ik was verbaasd over den harden trek, +die er plotseling op zijn zacht gelaat kwam. Eerst later heb ik +begrepen, dat, wanneer men aanhoudend met slechte menschen omgaat, +men zelf ook slecht wordt. + +Het uur, waarop de leerlingen van Garofoli gewend waren tehuis te +komen, scheen aangebroken te zijn; na het eene kind met het stuk hout, +kwam het tweede en na dit nog wel tien anderen. Elke jongen hing, +zoodra hij binnenkwam, zijn instrument aan een spijker boven zijn bed; +de een zijn viool, de ander een harp, een derde een fluit of _piva_; +zij, die geen muzikanten waren, maar slechts met dieren rondliepen, +gingen hun marmotten of barbarijschen biggen voedsel geven. + +Een zware tred klonk op de trap; ik voelde, dat het Garofoli was; +ik zag daarop een klein, beweeglijk mannetje, met een waggelenden +gang binnentreden: hij droeg geen italiaansche kleederdracht, maar +had een grijze overjas aan. + +Hij wierp het eerst een blik op mij; een blik, die mijn hart deed +verstijven. + +--Wat doet die jongen hier? + +Mattia haastte zich om hem zoo beleefd mogelijk te antwoorden en hem +mede te deelen wat Vitalis hem opgedragen had. + +--O, is Vitalis in Parijs, antwoordde hij, wat wil hij van mij? + +--Dat weet ik niet, hernam Mattia. + +--Ik spreek niet tot jou, maar wel tot dien knaap. + +--De _padrone_ komt zoo straks, zeide ik, zonder hem de waarheid te +durven vertellen: hij zal u zelf wel zeggen wat hij wenscht. + +--Nu, dat ventje weet zijn woorden te wikken en te wegen. Gij zijt +geen Italiaan? + +--Neen, ik ben een Franschman. + +Zoodra Garofoli binnengekomen was, waren twee knapen hem genaderd en +eerbiedig naast hem blijven staan, totdat hij uitgesproken had. Wat +wilden zij van hem? Spoedig zou ik een antwoord ontvangen op deze +vraag, die mijn nieuwsgierigheid gaande had gemaakt. + +De een nam zijn hoed en legde dezen zorgvuldig op een bed; de ander +schoof een stoel naderbij; dit alles gebeurde met den grootsten eerbied +en plechtigheid en hieruit kon men opmaken hoe gevreesd Garofoli was, +want zeker was het niet uit genegenheid, dat zij hem met zooveel +ijver bedienden. + +Toen Garofoli gezeten was, bracht een andere knaap hem zijn pijp, +die gestopt was en een vierde snelde met een brandende lucifer naar +hem toe. + +--Die ruikt naar zwavel, kwajongen! riep hij, toen hij de lucifer +bij zijn pijp bracht en hij wierp ze in de kachel. + +De schuldige haastte zich om den misslag te herstellen. Hij nam eene +andere lucifer, die hij weder aanstak en na ze even te hebben laten +branden zijn meester aanbood. + +Maar deze nam ze niet aan: + +--Jij niet, domkop, zeide hij, terwijl hij hem van zich afstiet. Daarop +wendde hij zich met een glimlach, hetgeen zeker een bewijs van zijn +gunst was, tot een anderen knaap: + +--Riccardo, beste jongen, geef mij eens een lucifer. + +En de beste jongen voldeed fluks aan zijn verlangen. + +--En nu, begon Garofoli, toen hij alles had, wat hij behoefde en +zijn pijp brandde, nu zullen we onze rekeningen eens opmaken, beste +jongens. Mattia, geef het boek. + +Het was inderdaad een groote gunst, wanneer Garofoli zich verwaardigde +te spreken, want zijn leerlingen toonden zich zoo bezorgd om aan zijn +minste wenschen te voldoen, dat zij ze reeds gisten, vóór hij ze nog +te kennen gegeven had. + +Nauwelijks had hij het gevraagd, of Mattia bracht hem een vuil boek. + +Garofoli wenkte en het kind, dat hem een verkeerde lucifer gegeven had, +trad naderbij. + +--Ik moet nog een stuiver van gisteren van je hebben; je hebt beloofd, +dat je mij die vandaag zoudt geven; hoeveel breng je er mij thans? + +De knaap aarzelde eer hij antwoord gaf; een donkere blos overtoog +zijn gelaat. + +--Ik kom een stuiver te kort. + +--Zoo, een stuiver, en gij durft mij dat zoo kalm mededeelen? + +--Het is niet de stuiver van gisteren; het is de stuiver, dien ik +vandaag moet geven. + +--Dan zijn het twee stuivers? Ik heb nooit zoo'n jongen gezien. + +--Ik kan het niet helpen. + +--Geen onzin; gij kent onze wetten: maak uw kiel los; twee slagen +voor gisteren en twee voor vandaag; en bovendien krijgt gij voor uw +schandelijke onbeschaamdheid vanmiddag geen aardappelen. Riccardo, +beste jongen, gij hebt door zoo goed op te passen, wel eene belooning +verdiend; haal de riem. + +Riccardo was de knaap, die de goede lucifer gegeven had; hij nam van +den muur een karwats met een kort handvatsel, en dat uit twee lederen +riemen met dikke knoopen bestond. In dien tusschentijd knoopte de +schuldige zijn kiel los en liet zijn hemd tot aan zijn middel toe +zakken. + +--Wacht even, zeide Garofoli met een boozen lach, gij zijt misschien +de eenige niet en het is altijd prettig om gezelschap te hebben; +bovendien is Riccardo er dan met één keer af. + +De kinderen stonden onbeweeglijk voor hun meester; deze wreede +spotternij perste hun allen een gedwongen lachen af. + +--Ik ben er zeker van, vervolgde Garofoli, dat hij, die het hardst +lacht, de meeste stuivers te kort komt. Wie heeft er hard gelachen? + +Allen wezen naar den knaap, die het eerst met zijn blok hout tehuis +gekomen was. + +--Nu, zeg eens eerlijk, hoeveel kom jij te kort? vroeg Garofoli. + +--Ik kan het niet helpen. + +--Voortaan zal hij, die zegt: "ik kan het niet helpen", een zweepslag +meer krijgen, dan hem toekomt; hoeveel ontbreken er bij je? + +--Ik heb een stuk hout medegebracht; dit mooie stuk hout. + +--Dat is wat; ga er mede naar den bakker en vraag hem in ruil een +brood. Zal hij het je geven? Hoeveel stuivers komt ge te kort? Kom, +spreek. + +--Ik heb vijftien stuivers. + +--Vijf stuivers ontbreken er dus aan, ellendige schooier, vijf +stuivers, en gij durft nog vóór me verschijnen! Riccardo, je bent +een gelukkige duivel! Je zult pleizier ervan hebben! Doe je vest los. + +--Maar mijn blok hout! + +--Ik geef het je voor je middagmaal. + +Deze domme scherts deed de andere jongens, die niet veroordeeld +waren, lachen. + +Gedurende dit verhoor waren een tiental knapen binnengekomen; allen +kwamen op hun beurt met hem afrekenen; behalve de twee eersten, +kwamen er nog drie, welke evenmin het aantal stuivers hadden opgehaald. + +--Vijf schelmen bestelen en plunderen mij dus? riep Garofoli met +donderende stem; dat komt ervan, wanneer men te edelmoedig is; waarvan, +denkt gij wel, dat ik het vleesch en de aardappelen, die ik je geef, +betalen moet, als jelui niet werken wilt? Gij speelt liever; wie in +het bosch is, moet met de wolven huilen en gij lacht liever. Gelooft +gij niet, dat ge beter deedt, wanneer gij schijnbaar huilend uw hand +uitsteekt, dan wanneer gij in ernst huilt en me den rug toekeert? Kom, +trek uw jassen uit! + +Riccardo stond met zijn zweep in de hand, en de vijf schuldigen om +hem geschaard. + +--Gij weet, Riccardo, dat ik niet naar je omzie; want ik kan niet +tegen zulke bestraffingen; maar ik hoor ze wel, en daaruit kan ik +zeer goed opmaken, met hoeveel kracht je ze geeft: doe het maar met +hart en ziel, mijn jongen, je werkt voor je brood. + +En hij ging met zijn gelaat naar het vuur staan, alsof hij onmogelijk +deze tuchtiging zien kon. Ik zat in een hoekje te sidderen van +verontwaardiging en angst. Deze man zou mijn meester worden; als +ik de twintig of dertig stuivers, die hij van mij eischen kon, +niet ophaalde, zou ik Riccardo ook mijn rug moeten aanbieden. O, +ik begreep toen, waarom Mattia zoo kalm en met eenig verlangen over +zijn dood spreken kon. + +Toen ik den eersten zweepslag hoorde, sprongen de tranen mij in de +oogen. Ik dacht, dat niemand op mij lette, maar ik had mij bedrogen, +want Garofoli sloeg mij gade, hetgeen hij ook spoedig blijken liet. + +--Dat kind heeft een goed hart, zeide hij, terwijl hij met zijn vinger +naar mij wees; hij is niet zooals jelui, die allen groote schelmen +zijt en om je makkers ongeluk en mijn verdriet lacht. Al behoort hij +niet tot jelui, neem toch maar een voorbeeld aan dien makker. + +Het woord makker deed mij van het hoofd tot de voeten rillen en beven. + +Garofoli hief zijn hand op en Riccardo liet de zweep hangen. + +Ik dacht, dat hij hun genade wilde schenken, maar daarom was het hem +niet te doen. + +--Gij weet hoe slecht ik dat gillen kan verdragen, zeide Garofoli +op vriendelijken toon tot zijn slachtoffer; gij weet, dat al doet de +zweep je op je huid pijn, je kreten mij nog meer aan het hart gaan; +ik waarschuw je dus, voor elk nieuwe gil krijgt gij een zweepslag +meer: en dan is het je eigen schuld; pas op, dat gij mij niet van +verdriet ziek maakt; als gij een weinig van mij hieldt, een beetje +dankbaarheid gevoeldet, zoudt ge je mond houden. Kom, vooruit Riccardo! + +Deze hief de zweep op en de riem viel weder op den rug van den +ongelukkige. + +--Moeder! moeder! riep deze. + +Gelukkig behoefde ik niet langer van dit tooneel getuige te zijn, +want de deur ging open en Vitalis trad binnen. + +Met een oogopslag begreep hij de kreten, die hij op de trap gehoord +had; hij snelde naar Riccardo toe en rukte hem de zweep uit de handen; +daarop keerde hij zich tot Garofoli en zag hem ernstig aan, terwijl +hij zijn armen over de borst kruiste. + +Dit alles had zoo snel plaats gehad, dat Garofoli een oogenblik als +verstomd staan bleef, maar hij herstelde zich spoedig en zeide met +zijn zoetsappigen glimlach: + +--Niet waar, het is vreeselijk; die jongen heeft geen hart. + +--Het is een schande! riep Vitalis. + +--Dat zeg ik ook, viel Garofoli hem in de rede. + +--Geen gekheid, vervolgde mijn meester ernstig, gij weet wel, dat +ik niet tot dien knaap spreek, maar tot u; ja, het is een schande, +een laagheid om kinderen, die zich niet verdedigen kunnen, zoo te +mishandelen. + +--Waar bemoeit gij u mede, oude dwaas? vroeg Garofoli, plotseling +van toon veranderende. + +--Waar de politie zich mede bemoeien moest. + +--De politie! riep Garofoli, terwijl hij opstond; gij dreigt mij met +de politie? + +--Ik, ja, ik, hernam Vitalis zonder zich door den boozen _padrone_ +van zijn stuk te laten brengen. + +--Luister Vitalis, begon deze op bedaarden, zelfs eenigszins spottenden +toon, gij moet u niet zoo boos toonen, en mij dreigen, dat gij klappen +zult, want ik zou van mijn kant evengoed dat kunnen doen. En wie zou +er dan het ergst aan toe zijn? Gij kunt erop rekenen, dat ik er niets +van aan de politie zeggen zal; uw zaken gaan haar niets aan. Maar er +zijn andere menschen, die er belang in stellen en als ik hun eens +vertelde wat ik wist, als ik hun maar een naam, een enkelen naam +noemde, wie zou dan zijn schande moeten verbergen? + +Mijn meester zweeg een oogenblik. Zijn schande! Ik stond +versteend. Vóór ik den tijd nog gehad had om van mijn verbazing, +door deze zonderlinge woorden opgewekt, te bekomen, had hij mij bij +de hand genomen. + +--Volg mij. + +Hij trok mij mede naar de deur. + +--Kom, zeide Garofoli lachende, laten we weer goede vrienden zijn, +oude: gij wildet mij spreken. + +--Ik heb u niets meer te zeggen. + +En zonder een woord verder te uiten, zonder zich zelfs om te keeren, +ging hij de trap af, mij altijd vasthoudende. Met welk een verlicht +hart volgde ik hem! Ik ontsnapte dus aan Garofoli; als ik gedurfd had, +zou ik Vitalis wel hebben willen omhelzen. + + + + +XVIII. + +DE STEENGROEVEN VAN GENTILLY. + + +Zoolang wij op straat en onder de menschen waren, liep Vitalis, zonder +een woord te spreken, voort, maar toen wij een stil en afgelegen +gedeelte der stad bereikt hadden, ging hij op een paal zitten, +en wreef met de hand over het voorhoofd, hetgeen hij altijd deed, +wanneer hij in verlegenheid was. + +--Het is heel mooi en wel om aan zijn goed hart gehoor te geven, +zeide hij, alsof hij tot zich zelf sprak, maar met dat al staan wij +nu op straat, zonder een cent in den zak, of een stuk brood in de +maag. Hebt gij honger? + +--Ik heb na het korstje brood, dat gij mij vanmorgen gegeven hebt, +niets meer gegeten. + +--Arme jongen! en waarschijnlijk zult gij vanavond zonder eten naar +bed moeten gaan, en als ik dan nog maar wist, waar we een nachtverblijf +zullen vinden. + +--Gij waart dus van plan, om bij Garofoli den nacht door te brengen? + +--Ik meende u bij hem te laten, en daar hij mij een gulden of tien +gegeven zou hebben, wanneer ik u den geheelen winter bij hem liet, +zou ik voor het oogenblik zelf ook geholpen zijn. Maar toen ik zag, +hoe hij de kinderen behandelde, toen kon ik mezelf niet langer meester +blijven. Gij hebt immers geen lust om bij hem te blijven? + +--Gij zijt zoo goed voor me! + +--Misschien is het jonge hart nog niet geheel en al bij den ouden +zwerver uitgedoofd. Ongelukkig echter heeft de grijsaard goed gerekend +en had de jonkman het mis. Waar zullen we thans heengaan? + +Het was reeds laat en de koude, die overdag minder streng was geweest, +was thans aanmerkelijk toegenomen; de wind was noord geworden en de +nacht zou waarschijnlijk zeer koud wezen. + +Vitalis bleef geruimen tijd op den paal zitten, terwijl Capi en ik +onbeweeglijk voor hem bleven staan totdat hij een beslissing genomen +zou hebben. Eindelijk stond hij op. + +--Waar gaan wij heen? + +--Naar Gentilly en daar een steengroef opzoeken, waarin ik vroeger +ook wel geslapen heb. Zijt gij moe? + +--Ik heb bij Garofoli zitten uitrusten. + +--Ongelukkig heb ik dat niet kunnen doen en ik kan thans niet meer +voort. Toch moeten we verder; kom, vooruit kinderen! + +Als hij dit zeide, was hij altijd in zijn schik; maar nu klonken die +woorden toch treurig. + +Wij liepen dus door de straten van Parijs; het was stikdonker en +het gaslicht dat door den wind flikkerde, verlichtte den weg slecht; +telkens gleden wij uit op de eene of andere bevroren plaats. Vitalis +had mij bij de hand genomen, terwijl Capi ons volgde. Van tijd tot tijd +echter bleef hij achter, om tusschen den een of anderen hoop vuil een +beentje of een korstje brood te zoeken, want de honger kwelde ook hem; +maar het vuil lag onder een ijskorst en zijn zoeken was tevergeefs; +met hangende ooren haalde hij ons dan weder in. + +Op de groote straten volgden de stegen, en na die stegen weder breede +straten; wij liepen maar altijd voort, en de weinigen, die wij op onzen +weg ontmoetten, staarden ons verbaasd na; was het onze kleeding of +onze vermoeide gang, die de aandacht trok? De agenten van politie, die +wij tegenkwamen, bleven stilstaan en sloegen ons een oogenblik gade. + +Vitalis liep bijna in tweeën gebogen, zonder een woord te spreken, +voort; ondanks de koude, voelde ik zijn hand in de mijne branden; het +scheen mij toe, dat hij beefde. Als hij stilstond, om even op mijn +schouder te rusten, dan voelde ik, dat een schok door zijn gansche +lichaam ging. + +Gewoonlijk durfde ik hem niet lastig vallen met vragen, maar ditmaal +brak ik met die gewoonte; ik had dan ook behoefte om hem te vertellen, +dat ik van hem hield, of tenminste, dat ik gaarne iets voor hem +wenschte te doen. + +--Gij zijt ziek! zeide ik, toen wij weder stilstonden. + +--Ik geloof het ook; in elk geval ben ik doodmoe; die groote +tochten zijn voor mijn leeftijd niet meer geschikt en de koude is +te heftig voor mijn bloed: ik had een goed bed noodig, een avondmaal +in eene warme kamer bij een goed vuur. Maar van dat alles kan niets +gebeuren. Kom, vooruit kinderen! + +Vooruit! Wij waren nu buiten de stad; of liever wij hadden thans geen +huizen meer aan onze zijde; nu eens hadden we aan weerskanten een +lange rij muren, dan weder bevonden we ons op het vlakke land. Geen +voorbijgangers, geen politieagent noch gaslantaarnen waren op dezen +weg te zien; een enkelen keer slechts een verlicht venster en boven +ons hoofd een donkerblauwe hemel met eenige sterren. De scherpe en +hevige wind deed onze kleeren aan ons lichaam bevriezen; gelukkig +echter woei hij in onzen rug, maar daar de naad van mijn jas getornd +was, blies hij door die opening tegen mijn arm, wat mij niet verwarmde. + +Hoewel het donker was en verscheidene wegen elkander kruisten, +liep Vitalis toch steeds voort, als iemand die goed den weg kent; +ik volgde hem dan ook zonder een oogenblik bevreesd te zijn, dat wij +zouden verdwalen, slechts verlangende, dat wij eindelijk de steengroef +zouden bereiken. + +Eensklaps echter bleef hij stilstaan. + +--Ziet gij daar ginds dat boschje boomen? vroeg hij. + +--Ik zie niets. + +--Ziet gij geen donkere massa? + +Ik zag eerst goed rond, vóór ik hem antwoord gaf; wij moesten +ons midden op een vlakte bevinden, want mijn blik verloor zich in +de duisternis, zonder iets te bespeuren, wat naar boomen of huizen +geleek; nergens ontdekte ik eenig teeken van leven; geen ander geluid +dan het gieren van den wind, die over den bodem heenstreek. + +--O, had ik uw oogen maar, sprak Vitalis, maar ik zie slecht; kijk +ginds eens. + +Hij wees recht vóór zich, maar daar ik hem toen nog geen antwoord gaf, +want ik durfde hem niet bekennen, dat ik niets zag, begon hij weder +voort te loopen. + +Eenige oogenblikken zwegen wij, maar daarop bleef hij weder stilstaan +en vroeg hij nogmaals of ik geen boschje boomen zag. Ik was toen niet +even zeker van mijn zaak als een oogenblik te voren en een onbestemde +angst overweldigde mij, toen ik antwoordde, dat ik weder niets zag. + +--Het is de angst die u alles zoo verkeerd doet zien. + +--Ik verzeker u, dat ik geen boomen zie. + +--Ook geen breeden weg? + +--Ik zie niets. + +--Dan hebben we ons vergist. + +Ik wist niet wat hierop te antwoorden, want ik kon niet zeggen waar +wij ons bevonden, noch waarheen we ons begaven. + +--Laten wij nog vijf minuten voortloopen, en wanneer wij dan nog geen +boomen zien, dan keeren wij terug; ik heb mij zeker in den weg vergist. + +Nu ik begreep, dat wij verdwaald waren, nu begonnen ook mij de krachten +te ontbreken. + +Vitalis trok mij bij den arm mede. + +--Wat is er? + +--Ik kan niet meer loopen. + +--En denkt ge dan, dat ik u zou kunnen dragen? Wat mij nog staande +houdt is de gedachte, dat, wanneer wij gaan zitten, wij niet weder +op kunnen staan en van koude zouden sterven. Kom, vooruit! + +Ik volgde hem. + +--Zijn er op den weg diepe voren? + +--Er zijn er in het geheel geen. + +--Dan moeten wij omkeeren. + +De wind, dien wij eerst van achteren gehad hadden, blies ons thans vlak +in het gelaat en met zooveel hevigheid, dat het was of hij ons brandde. + +In het gaan hadden wij niet snel kunnen loopen, maar in het terugkomen +liepen wij nog langzamer. + +--Wanneer gij voren ziet, waarschuw mij dan, zeide Vitalis; de goede +weg moet links zijn; men herkent dien aan het kreupelhout bij den +ingang. + +Een kwartier lang liepen wij voort, worstelende tegen den wind; onze +stappen weerklonken op den harden grond in dezen hollen nacht; hoewel +ik eigenlijk het eene been niet meer voor het andere verzetten kon, +trok ik thans Vitalis voort. Met hoeveel verlangen zag ik den weg +aan de linkerzijde tegemoet. + +In het donker zag ik eensklaps een klein roode ster schitteren. + +--Een licht, sprak ik, mijn hand uitstrekkende. + +--Waar? + +Vitalis staarde voor zich uit, en hoewel het licht flikkerde op niet +zeer grooten afstand, zag hij toch niets. Ik begreep hieruit dat zijn +gezicht verzwakt was, want gewoonlijk kon hij ver zien. + +--Wat doet er dat licht ook toe? zeide hij: het is de lamp, die op +de tafel van den een of anderen arbeider brandt, of misschien wel +haar schijnsel over het bed van een stervende werpt; wij kunnen aan +die deur toch niet aankloppen. Op het land zouden wij des nachts een +onderkomen kunnen vragen, maar in den omtrek van Parijs is men niet +zoo gastvrij. Hier is geen huis voor ons open--kom vooruit! + +Weder liepen wij eenige minuten voort; toen meende ik een weg te +bespeuren, die den onzen doorsneed en op den hoek van dat pad een +zwarte massa, dit moest het kreupelhout zijn. Ik liet de hand van +Vitalis los om spoedig vooruit te komen. Deze weg was met voren +doorploegd. + +--Hier is het kreupelboschje; hier zijn de voren! + +--Geef mij de hand, wij zijn gered: de groeve moet een minuut of +vijf hier vandaan zijn; zie maar eens goed, dan zult gij het boschje +boomen zien. + +De hoop schonk ons weder kracht; mijn beenen werden minder zwaar; +de grond scheen mij minder hard toe. + +Toch waren voor mij die vijf minuten een eeuwigheid. + +--Wij volgen nu reeds langer dan vijf minuten den goeden weg, sprak +Vitalis, stilstaande. + +--Dat geloof ik ook. + +--Waar loopen de voren? + +--Recht voor ons. + +--De ingang van de steengroef moet rechts zijn; we zijn hem +voorbijgegaan, zonder hem gezien te hebben; in dezen donkeren nacht +is het bijzonder moeilijk; toch hadden wij erom moeten denken, dat +wij te ver gingen. + +--Ik verzeker u toch, dat de voren niet links afwijken. + +--Hoe het ook zij, laten we maar omkeeren. + +Wederom keerden wij terug. + +--Ziet ge het boschje boomen? + +--Ja, daar ginds, links. + +--En de voren? + +--Die zijn er niet. + +--Ben ik dan blind? zeide Vitalis, terwijl hij de hand over de oogen +streek; geef mij uw hand en laten we recht op de boomen toeloopen. Is +er een muur? + +--Een steenhoop? + +--Neen, ik verzeker u, een muur. + +Dat dit werkelijk zoo was, kon ik spoedig ontdekken, daar wij slechts +weinige schreden van den muur verwijderd waren. Vitalis deed eenige +passen en toen, alsof hij hem nog niet zag, legde hij zijn beide +handen op den hinderpaal, dien hij een muur noemde, en dien ik voor +een hoop steenen hield. + +--Het is een muur, zeide hij; alle steenen zijn geregeld geschikt en +ik voel de kalk: waar is dan toch de ingang? Zoek de voren. + +Ik ging op den grond liggen en kroop den geheelen muur langs, zonder +echter een voor te kunnen ontdekken; ik keerde toen naar Vitalis +terug en stelde een zelfde onderzoek aan de tegenovergestelde zijde +in. De uitslag was dezelfde, overal een muur; nergens kon men een +opening bespeuren, noch een weg of diepe voren of het spoor dat ons +den ingang verraadde. + +--Ik zie niets dan sneeuw. + +De toestand was onhoudbaar; ongetwijfeld was mijn meester verdwaald +en de groeven, die hij zocht, waren niet in dezen omtrek. + +Toen ik geen voren vinden kon, bleef mijn meester een oogenbik zwijgend +staan; daarop drukte hij weder zijn handen tegen den muur en betastte +dezen van alle kanten. Capi begreep van dit alles niets en blafte +van ongeduld. + +Ik liep achter Vitalis. + +--Moeten wij nog verder zoeken? + +--Neen, de groeve is ommuurd. + +--Ommuurd? + +--Men heeft den ingang gesloten, en wij kunnen onmogelijk daar +binnen komen. + +--Maar wat dan? + +--Wat nu, niet waar? Ik weet het niet en er schiet ons niets anders +over dan hier te sterven. + +--O, meester! + +--Ja, gij wilt niet sterven; gij zijt jong en aan het leven gehecht: +welnu, gij kunt loopen; ga uw gang. + +--Maar gij dan? + +--Als ik niet meer voort kan, dan zal ik als een oud, versleten paard +er bij neervallen. + +--Waar moet ik heen? + +--Naar Parijs terug; wanneer wij soms een politieagent tegenkomen, +dan laten we ons naar het bureau van politie brengen; ik had dit +willen vermijden, maar ik wil u niet van koude laten omkomen. Kom, +Rémi, mijn jongen, vat moed. + +En wij sloegen toen weder denzelfden weg in, dien wij reeds eenmaal +hadden afgelegd. Hoe laat het was, daarvan kon ik mij volstrekt +geen denkbeeld maken. Wij hadden reeds lang en zelfs zeer langzaam +geloopen. Middernacht, misschien wel een uur later. De hemel bleef +steeds donker; de maan scheen niet en slechts enkele sterren vertoonden +zich, die echter veel kleiner dan anders geleken. De wind was inplaats +van te gaan liggen, met dubbele kracht opgestoken. Telkens deed hij +de sneeuw, die aan den kant van den weg opgestapeld lag, verstuiven +en ons in het gelaat waaien. De huizen, die wij voorbijgingen, waren +allen gesloten en donker: ik verbeeldde mij dat de bewoners, die onder +hun dekens lagen te slapen, de deur voor ons zouden geopend hebben, +indien ze wisten, hoe koud wij het hadden. + +Als we maar hard waren gaan loopen, zouden we de koude nog hebben +kunnen trotseeren, maar Vitalis kon slechts met moeite voort en moest +telkens uitrusten; zijn ademhaling was snel en kort, alsof hij zeer +haastig geloopen had. Toen ik hem iets vroeg, antwoordde hij niet, maar +gaf met een gebaar van de hand te kennen, dat hij niet spreken kon. + +Wij waren nu weder in de stad gekomen, dat is te zeggen wij liepen +tusschen muren, boven welke van tijd tot tijd een lantaarn uitstak, +die aan een ijzerdraad scheen te hangen. + +Vitalis stond stil: ik begreep, dat hij niet langer voort kon. + +--Wilt gij, dat ik aan deze deur zal kloppen? vroeg ik. + +--Neen, want men zou ons toch niet openen; het zijn tuinlui en +groenteboeren, die daar wonen; zij staan midden in den nacht niet +op. Laten wij dus maar voortloopen. + +Maar hoe gaarne hij dit ook wilde, zijne krachten begaven hem. Toen +hij eenige schreden gedaan had, stond hij weder stil. + +--Ik moet een oogenblik uitrusten, zeide hij, ik kan niet meer. + +Een deur in de heining stond open en boven deze heining uit verrees een +groote mesthoop, zooals men ze dikwijls in de tuinen van moezeniers +ziet; de wind, die daarover heenstreek, had het stroo losgemaakt en +de eerste laag had zich over den weg, zelfs tot aan de heining toe, +verspreid. + +--Ik ga daar zitten, hernam Vitalis. + +--Gij zeidet daar straks, dat, als wij eens gingen zitten, wij door +de koude overvallen zouden worden, en niet meer zouden kunnen opstaan. + +Zonder mij hierop te antwoorden, wenkte hij mij, dat ik het stroo een +weinig bij elkander moest vegen. Hij liet zich toen daarop nedervallen; +hij klappertandde en eene rilling voer door zijn geheele lichaam. + +--Breng nog wat stroo, zeide hij, de mesthoop beschut ons tegen +den wind. + +Hij beschutte ons tegen den wind, dat is waar, maar niet tegen +de koude. Toen ik al het stroo zoo goed mogelijk bij elkander had +gezameld, ging ik naast Vitalis zitten. + +--Kruip maar dicht naast mij en neem Capi bij u; hij zal u iets van +zijne warmte geven. + +Vitalis was een man van ondervinding, die wist, dat de koude, in een +toestand, waarin wij verkeerden, doodelijk zijn kon. Hij moest dus +wel uitgeput zijn, om zich aan zulk een gevaar bloot te stellen. + +Hij was dit ook inderdaad. Veertien dagen lang was hij iederen avond +te ruste gegaan, na een dag van inspanning, die zijn krachten te +boven ging; deze laatste tocht had hem bewezen, dat hij te zwak en +te oud was om dergelijke vermoeienissen te doorstaan. + +Had hij eenig bewustzijn van zijn toestand? Dat heb ik nooit te weten +kunnen komen. Maar toen ik wat stroo over mij heen had gelegd en vlak +naast hem was gekropen, toen voelde ik, dat hij zich over mij heenboog +en mij een kus gaf. Dat was voor de tweede maal en, helaas! het was +ook de laatste maal. + +Een geringe koude belet hen, die zich bibberend in bed leggen, te +slapen; een groote koude, die men geruimen tijd heeft moeten doorstaan, +brengt ons plotseling in een bedwelmenden, doffen toestand. Dit was +bij ons het geval. + +Nauwelijks lag ik naast Vitalis of ik gevoelde, dat ik in zwijm viel en +dat mijne oogen zich sloten. Ik deed nog een poging om ze te openen, +maar daar dit mij niet gelukte, kneep ik mezelf met alle kracht in +mijn arm; mijn huid was echter gevoelloos, en hoe ik ook mijn best +deed, mocht het mij niet gelukken, mezelf pijn te doen. Toch keerde +ik eenigszins tot mijn bewustzijn terug. Vitalis, die met zijn rug +tegen de deur leunde, haalde zwaar en moeilijk adem. In mijn armen +en vast tegen mijn borst gedrukt, lag Capi te slapen. De wind gierde +steeds over ons heen en bedekte ons met stroo. Op straat was niemand; +een doodelijke stilte omringde ons. + +Deze stilte maakte mij bang; waarvoor was ik bang? Ik kon me daarvan +geen rekenschap geven, maar een onbestemde vrees en een onbeschrijflijk +treurig gevoel deed mij de tranen in de oogen komen. Het was mij, +of ik daar zou sterven. + +En de gedachte aan den dood bracht mij Chavanon in herinnering. Arme +vrouw Barberin! Zou ik dan sterven, zonder haar te hebben weergezien, +zonder een blik op ons huis en onzen tuin? En ik weet niet door welk +een zonderling spel mijner verbeelding, zag ik mij plotseling in dien +tuin verplaatst; de zon stond hoog aan den hemel, de goudsbloemen +openden haar knoppen, de meerlen zongen in het kreupelhout en over +de heg had vrouw Barberin het linnen gehangen, dat zij in de beek +gewasschen had. + +Eensklaps dwaalde mijn geest van Chavanon naar _De Zwaan_: Arthur +sliep in zijn bed; mevrouw Milligan was ontwaakt en toen zij den wind +zoo hoorde loeien, vroeg zij zichzelf af, waar ik mij in deze hevige +koude bevinden zou. + +Mijn oogen vielen toen weder dicht; mijn hart verstijfde en ik gevoelde +duidelijk, dat een bedwelming zich van mij meester maakte. + + + + +XIX. + +LIZE. + + +Toen ik ontwaakte lag ik in een bed; een heerlijk knappend vuur +brandde in de kamer, waarin ik te slapen lag. + +Ik keek eens rond. + +Ik kende die kamer niet. + +Evenmin kende ik de personen, die mij omringden: een man in een grijze +jas en op gele klompen; drie of vier kinderen, waaronder een meisje +van vijf of zes jaar was, die mij met de grootste verbazing stond +aan te staren; het waren zonderlinge sprekende oogen. + +Zij verdrongen zich om mij heen. + +--Vitalis? vroeg ik. + +--Hij vraagt naar zijn vader, zeide een meisje, dat de oudste der +kinderen scheen. + +--Hij is mijn vader niet, hij is mijn meester; waar is hij? Waar +is Capi? + +Vitalis had men voor mijn vader gehouden, en men vreesde daarom zeker +mij van hem te spreken; maar nu hij slechts mijn meester bleek te zijn, +was men van meening, dat ik gerust de waarheid vernemen mocht en men +vertelde mij toen het volgende: + +De deur die in de heining was, waartegen wij ons hadden gelegd, +behoorde aan een tuinman. Tegen twee uur in den morgen had de tuinman +deze deur geopend om naar de markt te gaan, en had ons toen onder het +stroo gevonden. Men was begonnen met ons te zeggen, dat wij moesten +opstaan, om den wagen voorbij te laten gaan; maar toen wij ons geen +van beiden verroerden en Capi slechts tot onze verdediging kon blaffen, +had men ons bij den arm genomen en ons eens terdege geschud. Toen zelfs +bewogen wij ons nog niet. Men had daarop gemeend, dat het wel een zeer +ernstig geval kon zijn. Er was een lantaarn gehaald; de uitslag van +dit onderzoek was geweest, dat Vitalis dood en van koude gestorven was, +en dat ik er al even slecht aan toe was als hij. Dank zij echter Capi, +die op mijn borst gelegen had, kon ik nog ademhalen. Men had mij toen +in de tuinmanswoning gebracht en in het bed van een der kinderen +gelegd. Zes uur lang was ik meer dood dan levend geweest; gelukkig +had mijn bloedsomloop zich hersteld, was de ademhaling langzamerhand +weder op haar kracht gekomen en ontwaakte ik uit mijn bezwijming. + +In welk een staat van verdooving, hoe afgemat ik van lichaam en geest +ook was, zoo had ik mijn denkvermogen toch voldoende herkregen om de +woorden, die ik vernam, in hun geheelen omvang te begrijpen. Vitalis +was dood! + +De man met de grijze jas, of liever de tuinman, deed mij dit verhaal; +terwijl hij sprak had het kleine meisje, met haar verbaasde oogen, +haar blik niet van mij afgewend. Toen haar vader vertelde, dat Vitalis +dood was, besefte zij zeker, als bij ingeving, welk een zware slag +deze tijding voor mij wezen moest, want zij trad naar haar vader toe, +legde haar handje op zijn arm en uitte daarbij een zonderlingen klank, +die niets van de menschelijke stem had, maar veel op een stillen, +medelijdenden zucht geleek. + +Bovendien was die beweging zoo welsprekend, dat zij er geen woord +behoefde bij te voegen; in haar blik en haar geheele houding raadde +ik onwillekeurig een gevoel van sympathie en voor de eerste maal, +sedert ik van Arthur gescheiden was, maakte zich een onbeschrijflijk +gevoel van mij meester, dat mij vertrouwen en genegenheid inboezemde, +evenals in dien goeden tijd, toen vrouw Barberin mij zoo liefderijk +aanstaarde, vóór zij mij een kus gaf. Vitalis was dood, ik stond dus +heel verlaten op de wereld en toch scheen het mij toe alsof ik niet +geheel alleen was en hij nog naast mij stond. + +--Ja, lieve Lize, sprak haar vader, terwijl hij zich over het kind heen +boog; gij hebt gelijk, het smart hem, maar ik moet hem toch de waarheid +vertellen, want als wij het niet deden, dan doet de politie het toch. + +Hij ging toen voort mij mede te deelen, dat hij de politie gewaarschuwd +had en deze Vitalis had medegenomen, terwijl men mij in het bed van +Alexis, den oudsten zoon, gelegd had. + +--En Capi, vroeg ik, toen hij zweeg. + +--Capi? + +--Ja, de hond. + +--Ik weet het niet, hij is plotseling verdwenen. + +--Hij is de baar gevolgd, zeide een van de kinderen. + +--Hebt gij hem gezien, Benjamin? + +--Ik geloof het wel, hij volgde de dragers met hangenden kop en van +tijd tot tijd zelfs sprong hij op de burrie, en toen zij hem begroeven, +liet hij een klagend geluid hooren alsof hij zacht huilde. + +Arme Capi! hij, die zoo menigmaal als een goed acteur de begrafenis +van Zerbino gevolgd was en dan altijd zulk een treurige houding wist +aan te nemen en daarbij zoo steunde en jammerde, dat soms de kleinen +aan zijn verdriet geloofden.... + +De tuinman en zijn kinderen lieten mij toen alleen en zonder zelf +recht te weten wat ik deed of wat ik wilde doen, stond ik op. + +Mijn harp lag aan het voeteinde van mijn bed; ik hing het koord +om mijn hals, en begaf mij naar de kamer, waar de tuinman en zijn +kinderen zaten. Ik moest wel vertrekken, maar waarheen, dat wist ik +niet.... ik had er zelfs niet het minste begrip van, maar ik gevoelde +dat ik vertrekken moest.... en ik vertrok. + +Toen ik in het zachte bed ontwaakte, gevoelde ik mij niet ziek, +een weinig stijf en mijn hoofd brandde mij als vuur; maar toen ik +eenmaal op was, dacht ik, dat ik zou neerstorten en ik moest mij +aan een stoel vastgrijpen. Toch, na een oogenblik gerust te hebben, +opende ik de deur en toen was ik weder bij den tuinman en de kinderen. + +Zij zaten aan een tafel, bij een helder vuur, dat in een hoogen +schoorsteen brandde, en ze waren bezig een lekkere warme soep te eten. + +De reuk van de soep wekte weder mijn honger op; ik voelde dat ik in +onmacht raakte en wankelde. Mijn machteloosheid lag op mijn gelaat +te lezen. + +Zijt gij niet wel, mijn jongen? vroeg de tuinman mij op deelnemenden +toon. + +Ik antwoordde, dat ik mij ongesteld gevoelde en, als men het mij +toestond, ik gaarne een oogenblik bij het vuur ging zitten. + +Maar aan warmte gevoelde ik thans geen behoefte, meer aan voedsel; +het vuur bracht mij niet bij en de damp, die uit den soepketel steeg, +het rinkelen der borden, het klokken van de tong van hen, die aten, +dat alles deed mijn zwakte nog toenemen. + +Als ik gedurfd had, zou ik om een bord soep gevraagd hebben, maar +Vitalis had mij geen bedelen geleerd en ook had de natuur mij niet +tot een bedelaar geschapen; liever zou ik van honger omgekomen zijn +dan mijn honger bekend te hebben. Waarom, dat weet ik zelf niet; +misschien omdat ik nooit om iets heb willen vragen, wat ik niet terug +heb kunnen geven. + +Het meisje met haar verwonderde oogen, dat geen woord sprak en door +haar vader Lize genoemd werd, had haar lepel nedergelegd en staarde +mij onafgebroken aan. Eenklaps stond zij van tafel op, nam haar bord, +dat nog vol soep was en bracht dat mij. + +Ik deed een poging om haar ervoor te bedanken, daar ik zelf de kracht +tot spreken miste; maar hiertoe liet haar vader mij zelfs den tijd +niet. + +--Neem het gerust aan, mijn jongen; wat Lize geeft is goed gedaan en +als ge trek hebt, is er nog wel weer een ander te krijgen. + +Als ik trek had! Het bord soep was in een oogwenk ledig. Toen ik +mijn lepel neerlegde, uitte Lize, die voor mij was blijven staan, een +onverstaanbaren kreet, hetgeen thans geen zucht maar een uitroep van +tevredenheid beduidde. Zij nam toen het bord en reikte het haren vader +over om het nogmaals te vullen; toen het gevuld was, bracht zij het +mij weder, met een glimlach zoo zacht en bemoedigend, dat ik ondanks +mijn honger, een oogenblik dien honger vergat en het bord niet aannam. + +Evenals de eerste maal, was de soep in een oogwenk verdwenen; geen +glimlach speelde er meer om de lippen van de kinderen, die mij +omringden; allen lachten luidkeels. + +--Wel, vriendje, sprak de tuinman, gij zijt een goede eter. + +Ik kleurde tot achter de ooren; maar ik begreep terstond, dat ik +beter deed, hem de waarheid te zeggen, dan mij van gulzigheid te +laten beschuldigen, en ik gaf hem daarop ten antwoord, dat ik sedert +den vorigen dag niets gegeten had. + +--En ontbeten? + +--Ook niet ontbeten. + +--En uw meester? + +--Hij had evenmin iets gegeten. + +--Dus is hij eigenlijk van honger en koude omgekomen. + +De soep had mij weder kracht gegeven, ik stond op om te vertrekken. + +--Waar wilt gij heen? vroeg de vader. + +--Vertrekken. + +--Waarheen wilt gij gaan? + +--Dat weet ik niet. + +--Hebt gij vrienden in Parijs? + +--Neen. + +--Geen menschen, die uit dezelfde streek komen als gij? + +--Niemand. + +--Waar woont gij? + +--Wij hadden geen woning; wij zijn eerst gisteren hier gekomen. + +--Wat wilt gij doen? + +--Op de harp spelen, liedjes zingen om daarmede mijn kost te verdienen. + +--Waar? + +--Te Parijs. + +--Gij zoudt beter doen met naar uw land, naar uw bloedverwanten of +ouders terug te keeren. + +--Ik heb geen ouders. + +--Gij zeidet dat die grijsaard uw vader niet was? + +--Ik heb geen vader. + +--En uw moeder? + +--Ik heb geen moeder. + +--Gij hebt toch stellig wel een oom of tante, een nicht of neef? + +--Neen, niemand. + +--Waar komt gij vandaan? + +--Mijn meester heeft mij gekocht van den man van mijn voedster. Gij +hebt mij met goedheid behandeld en ik ben u daarvoor hartelijk +dankbaar; zoo gij wilt, zal ik Zondag terugkomen en voor u op de harp +spelen, als u dat genoegen kan doen. + +Al pratende, was ik de deur genaderd; maar nauwelijks had ik eenige +schreden gedaan of Lize, die mij gevolgd was, greep mij bij de hand +en wees lachende op mijn harp. + +Ik kon mij niet bedriegen. + +--Wilt gij, dat ik voor u speel? + +Zij knikte toestemmend en klapte in de handen. + +--Kom, ja, speel een deuntje. + +Ik nam mijn harp en hoewel ik niet den minsten lust tot dansen +gevoelde, begon ik een wals te spelen, die ik het best kende. O, +hoezeer wenschte ik toen te kunnen spelen als Vitalis, om het jonge +meisje genoegen te geven, wier oogen mij tot diep in de ziel roerden! + +Eerst luisterde zij, terwijl zij mij bleef aanstaren, maar daarop begon +zij de maat met haar voetjes te trappelen; spoedig echter, alsof zij +door de muziek werd medegesleept, begon zij in de keuken te dansen, +terwijl haar twee broeders en zuster rustig bleven zitten; zij walste +echter niet, maakte ook niet de gewone passen, maar draaide en wendde +zich geheel verrukt in de meest bevallige en sierlijke houdingen. + +Haar vader, die bij den schoorsteen zat, verloor haar geen oogenblik +uit het oog; hij scheen getroffen en klapte telkens in de handen. + +Toen de wals geëindigd was, hield ik op met spelen. Zij ging toen voor +mij staan en maakte een diepe buiging. Zij klopte vervolgens met haar +vinger op mijn harp, hetgeen wilde zeggen: "speel het nogmaals." + +Ik zou den geheelen dag wel voor haar hebben willen spelen, maar +haar vader zeide, dat het lang genoeg geduurd had, daar hij vreesde, +dat zij te vermoeid zou worden. + +Inplaats van een wals of een dans te spelen, zong ik een napolitaansch +lied, dat Vitalis mij geleerd had, en dat mijn lievelingsstukje was. + +Zoodra Lize dat hoorde, ging zij tegenover mij staan en terwijl zij +mij strak aanzag, bewoog zij hare lippen, alsof zij mijne woorden +herhaalde; toen mijn lied droever werd, ging zij eenige passen +achteruit en bij het laatste couplet viel zij snikkend in haar +vaders armen. + +--Genoeg, zeide deze. + +--Hoe dwaas! riep haar broeder Benjamin, om eerst te dansen en dan +te huilen. + +--Niet zoo dwaas als gij! Zij begrijpt het, sprak haar zuster, +terwijl zij zich over haar heenboog om haar te kussen. + +Terwijl Lize zich in haar vaders armen had geworpen, hing ik de harp +om mijn hals en begaf mij naar de deur. + +--Waar gaat gij heen? vroeg hij weder. + +--Ik ga weg. + +--Gij houdt dus zeer veel van muziek? + +--Ik ken niets anders. + +--Gij zijt dus niet bang om alleen zulke verre tochten te maken? + +--Ik heb geen thuis. + +--Toch zullen de nacht en de angsten, die gij doorgestaan hebt, +u wel tot nadenken gebracht hebben? + +--Zeker, en ik houd ook meer van een goed bed en een knappend vuur. + +--Wenscht gij dat bed en dat vuur, tenminste als gij ervoor werken +wilt, wel te verstaan? Als gij wilt, kunt gij hier werk vinden en +bij ons blijven. Gij begrijpt, dat ik u geen schatten kan aanbieden, +maar evenmin dat ik luiheid zou dulden. Wanneer gij het aanneemt, +dan zult gij u veel moeite moeten getroosten, des morgens vroeg +opstaan, overdag hard werken, en uw geld in het zweet uws aanschijns +verdienen. Maar gij kunt op een stuk brood staatmaken; 's nachts +zult ge niet meer onder den blooten hemel behoeven te slapen, +en geen gevaar loopen van in een sloot of greppel om te komen; 's +avonds zult gij uw bed gespreid vinden, en wanneer gij de soep eet, +dan zult ge de voldoening genieten, dat gij ze zelf verdiend hebt, +hetgeen ze nog wel dubbel zoo lekker smaken doet; dat verzeker ik +u. En wanneer gij een oppassende jongen zijt--wat ik wel geloof--dan +zult gij door ons als kind behandeld worden. + +Lize had zich omgewend en door haar tranen heen, zag zij mij lachend +aan. + +Door dit voorstel verrast, bleef ik een oogenblik besluiteloos staan, +zonder mezelf rekenschap te geven van hetgeen ik hoorde. + +Lize kwam toen naar mij toe en mij bij de hand nemende, trok zij mij +voort naar een gekleurde plaat, die tegen den muur hing: zij stelde +den heiligen Johannes voor in een schapevacht. + +Zij wenkte haar vader en broeders om naar de plaat te zien en +tegelijkertijd strekte zij de hand naar mij uit, streek over mijn +schapevacht en wees naar mijn haren, welke, evenals die van Johannes, +in het midden gescheiden waren en golvend over mijn schouders hingen. + +Ik begreep, dat zij een gelijkenis tusschen Johannes en mij vond en +zonder te weten waarom, deed mij dit toch genoegen en trof het mij. + +--Het is waar, sprak haar vader; hij lijkt op den heiligen Johannes. + +Lize klapte in de handen. + +--Welnu, hernam haar vader, op zijn voorstel terugkomende; hebt gij +lust om in ons gezin te worden opgenomen? + +Een gezin! + +Ik zou dus een gezin hebben! O, hoe menigmaal bleek deze geliefkoosde +droom ijdel geweest te zijn: vrouw Barberin, mevrouw Milligan, Vitalis, +de een na de ander waren mij ontvallen. + +Ik zou niet langer alleen op de wereld zijn. + +Mijn toestand was vreeselijk: ik had een man zien sterven, met wien +ik jaren achtereen geleefd had en die voor mij altijd een vader +was geweest. Op hetzelfde oogenblik had ik een metgezel verloren, +een makker, een vriend, mijn goeden, besten Capi, van wien ik zooveel +hield en die ook een groote gehechtheid voor mij had opgevat en toch, +toen de tuinman mij voorstelde om bij hem te blijven, begon ik weder +eenig vertrouwen in mijn toekomst te stellen. + +Alles was dus nog niet voor mij verloren: het leven kon dus weder +voor mij beginnen. + +En wat mij nog het meest aantrok, meer nog dan het brood, dat ik +verdienen zou, was die kring, dat huiselijk leven, dat men mij +beloofde. + +Die jongens zouden mijne broeders zijn. + +Die mooie lieve Lize mijne zuster. + +In mijn kinderlijke droomen had ik mij meer dan eens voorgesteld, +dat ik mijn vader en moeder zou weervinden, maar nooit had ik aan +broeders en zusters gedacht. + +En nu boden zij zich aan. + +Zij waren het niet in werkelijkheid, dat was waar, maar door hun +vriendschap konden zij het worden; ik behoefde ze daarvoor slechts +lief te hebben (en ik voor mij wenschte niets liever) en om mij door +hen te laten beminnen zou niet moeilijk zijn, want zij schenen mij +allen even goed toe. + +Haastig ontdeed ik mij van mijn harp. + +--Dat is zijn antwoord, zeide de vader lachende, en het is een goed +ook, want men ziet dat het u genoegen geeft. Hang uw instrument aan +dien spijker, mijn jongen, en wanneer de dag soms mocht aanbreken, +waarop gij het niet langer met ons vinden kondt, dan neemt gij het +daar weder af om te vertrekken; als gij dan maar het voorbeeld van +de zwaluwen en de nachtegalen volgt en een beter jaargetijde tot +reizen kiest. + +Het huis, voor welks deur wij ons ter ruste hadden gelegd, behoorde +aan de _Glacière_ en de tuinman, die het bewoonde, heette Acquin. Toen +ik door hem in zijn huiselijken kring opgenomen werd, bestond zijn +gezin uit vijf personen: de vader, dien men vader Peter noemde, twee +zoons Alexis en Benjamin, en twee dochters, Martha de oudste en Lize +de jongste der kinderen. + +Lize was stom, maar niet stom geboren; dat wil zeggen, dat geen +doofheid van haar gebrek de oorzaak was. Twee jaar lang had zij +gesproken, maar plotseling, kort vóór haar vierde jaar, had zij haar +spraak verloren, tengevolge van hevige stuipen. Gelukkig echter had het +op haar verstand geen invloed uitgeoefend; dit had zich integendeel met +een buitengewone snelheid ontwikkeld; zij begreep niet alleen alles, +maar wist ook alles uit te drukken. In arme gezinnen en dikwijls zelfs +bij gezeten families ook wordt zulk een kind verstooten of aan zijn +lot overgelaten. + +Maar dit was met Lize het geval niet geweest; haar lieftalligheid en +levendige geest, haar zacht en goedhartig karakter hadden haar voor +zulk een rampzalig lot weten te bewaren. Haar broeders zorgden altijd, +dat zij haar ongeluk vergat; de vader had slechts oogen voor haar en +de oudste zuster aanbad haar. + +Vroeger was het recht van den oudste bij adellijke geslachten een +groot voordeel; tegenwoordig is het bij arbeidersfamiliën dikwijls een +groote verantwoordelijkheid, welke de eerstgeborene erft. De vrouw +van Acquin was een jaar na de geboorte van Lize gestorven en sedert +dien dag was Martha, die slechts twee jaar ouder was dan haar broeder, +een moeder voor het gezin geworden. Inplaats van naar school te gaan, +moest zij tehuis blijven, het eten klaarmaken, het linnengoed van haar +vader en broeders herstellen en Lize verzorgen; men had vergeten, dat +zij de dochter, de zuster was en was haar spoedig als een dienstbode +gaan beschouwen, die men zelfs in geen enkel opzicht ontzag, want +men wist, dat zij nooit zou wegloopen of boos worden. + +Martha had geen jeugd gekend, want toen ze nog een kind was, droeg ze +Lize reeds in haar armen, paste op Benjamin, werkte den ganschen dag +voor het huishouden, stond 's morgens reeds vroeg op, om haar vader, +vóór dat hij zich naar de markt begaf, zijn soep te geven, ging laat te +rust om alles op te bergen; waschte het linnengoed, begoot de bloemen, +zoodra zij een uurtje vrij had, en verliet menigmaal des winters midden +in den nacht haar bed om de stroomatten uit te leggen, wanneer de vorst +plotseling was ingevallen. Op haar veertiende jaar lag er op haar +gelaat een treurige, zwaarmoedige trek, alsof zij reeds dertig jaar +oud was, maar tevens een uitdrukking van zachtheid en onderwerping. + +Nog geen vijf minuten hing mijn harp aan den spijker, terwijl ik nog +bezig was mijn lotgevallen te vertellen, of wij hoorden krabben tegen +de deur en een klagend geblaf. + +--Dat is Capi! zeide ik opstaande. + +Maar Lize was mij reeds voor, zij snelde naar de deur en opende ze. + +De arme Capi was in een sprong bij mij en, toen ik hem in mijn armen +drukte, lekte hij mijn gezicht en gaf door een zacht janken zijn +blijdschap te kennen: hij beefde over zijn geheele lichaam. + +--En Capi? vroeg ik. + +Mijn vraag werd goed verstaan. + +--Wel, Capi blijft bij u. + +Het was of hij het begreep, want hij sprong op den grond en terwijl +hij den rechterpoot op zijn hart legde, maakte hij een buiging. + +Hierin hadden de kinderen groot pleizier en vooral Lize, maar toen ik +Capi een stuk van zijn repertoire wilde laten spelen, weigerde hij +mij te gehoorzamen en sprong weder op mijn knieën om mij te lekken; +daarop begon hij mij aan de mouw van mijn jas te trekken. + +--Hij wil dat ik zal uitgaan. + +--Om u bij uw meester te brengen. + +De politie, die Vitalis had medegenomen, had gezegd, dat zij +mij een verhoor zou doen ondergaan en in den loop van den dag zou +terugkomen. De tijd viel mij lang. Ik verlangde naar eenige tijding +van Vitalis. Misschien was hij niet dood, zooals men meende. Ik was ook +niet dood. Hij kon, evenals ik, uit zijn bewusteloosheid ontwaakt zijn. + +De vader giste mijn bezorgdheid en nam mij naar het bureau van +politie mede, waar men mij de eene vraag na de andere stelde die +ik eerst beantwoordde, toen men mij verzekerd had, dat Vitalis +dood was. Hetgeen ik wist was zeer weinig en in korte woorden te +vertellen. Maar de commissaris wilde meer weten en ondervroeg mij +geruimen tijd naar alles, wat betrekking had op Vitalis en mij. + +Wat mezelf betrof kon ik hem antwoorden, dat ik geen ouders had en +dat Vitalis mij voor een som geld, die hij aan den echtgenoot van +mijn voedster had gegeven, gehuurd had. + +--En wat gaat gij nu doen? vroeg de commissaris. + +Acquin antwoordde hem hierop voor mij. + +--Daarvoor zullen wij zorgen, indien gij hem aan ons wilt +toevertrouwen. + +Niet alleen stemde de commissaris hierin toe, maar hij prees den +tuinman zelfs voor deze goede daad. + +Ik moest nu alles vertellen, wat ik van Vitalis wist: dat viel mij +moeilijk, want ik wist niets of bijna niets van hem. + +Toch was er een geheimzinnig punt, dat ik zou hebben kunnen aanhalen: +hetgeen bij onze laatste voorstelling had plaats gehad, toen het +zingen van Vitalis zoozeer de bewondering en verbazing van die +dame had opgewekt; evenzoo de bedreigingen welke Garofoli hem had +toegevoegd; maar ik vroeg mij af, of ik niet beter deed, dit voor +mijzelf te houden. + +Wat mijn meester bij zijn leven zoo zorgvuldig bewaard had, mocht +toch na zijn dood niet openbaar worden gemaakt. + +Maar een kind kan moeilijk voor een commissaris van politie iets +verzwijgen, want deze heeft een manier om zoo te vragen, dat ieder +spoedig alles moet bekennen. + +Dat gebeurde ook met mij. + +Eer er vijf minuten verloopen waren, had de commissaris mij alles +laten vertellen, wat ik hem juist verbergen wilde. + +--Het beste is om hem bij Garofoli te brengen, zeide hij tot een +agent; wanneer hij in de straat Lourcine is, dan zal hij het huis +wel herkennen; gij moet dan maar met hem naar boven gaan en dien +Garofoli ondervragen. + +Wij begaven ons alle drie op weg; de agent, de vader en ik. + +Zooals de commissaris vermoed had, zou ik spoedig het huis herkennen +en wij gingen naar de vierde verdieping. Ik zag Mattia niet, die was +waarschijnlijk reeds naar het gasthuis gebracht. Toen Garofoli den +agent zag en mij herkende, verbleekte hij; zeker was hij bang. + +Maar spoedig werd hij gerustgesteld, toen hij de reden van ons +bezoek vernam. + +--Zoo, is de arme oude dood? + +--Kendet gij hem? + +--Ja, zeer goed. + +--Welnu, zeg mij dan alles, wat gij van hem weet. + +--Dat is heel eenvoudig. Hij heette niet Vitalis; zijn naam was Carlo +Balzani, en zoo gij een dertig of veertig jaar geleden in Italië +geleefd hadt, zoudt gij weten, wie deze persoon was, naar wien gij +thans onderzoek doet. In dien tijd was Balzani de beroemdste zanger +en oogstte op het tooneel vele lauweren; hij heeft overal gezongen, +te Napels, Rome, Milaan, Venetië, Florence, Londen en Parijs. Maar eens +brak de dag aan, waarop hij zijn stem verloor; toen was hij niet langer +de koning der zangers; hij wilde niet, dat zijn roem zou verminderen +door in schouwburgen van minder rang op te treden. Hij deed afstand +van den naam Carlo Balzani en is Vitalis geworden; voor een ieder +die hem in zijn goeden tijd gekend had, hield hij zich verborgen. Hij +moest echter leven, maar is nooit kunnen slagen, wat hij ook beproefd +heeft, zoodat hij steeds lager en lager zonk en eindelijk met dieren +ging rondreizen. Maar hoe ellendig zijn toestand ook was, zijn trots +behield hij, en hij zou van schaamte gestorven zijn zoo het publiek +te weten ware gekomen, dat de gevierde Carlo Balzani de arme Vitalis +geworden was. Een toeval heeft mij dit geheim verraden. + +Dit was dus het geheim, dat mij altijd zooveel belang had ingeboezemd. + +Arme Carlo Balzani, goede, beste Vitalis! + + + + +XX. + +DE TUINMAN. + + +Den anderen dag zou mijn meester begraven worden en Acquin had mij +beloofd, dat ik daarbij tegenwoordig mocht wezen. + +Maar den anderen morgen was ik niet in staat mij op te richten, +want dien nacht had ik eene hevige koorts gekregen, die met een +rilling begon en in een bad van zweet eindigde; het was mij, of een +stuk vuur op mijn borst brandde en ik gevoelde mij zeker even ziek +als Joli-Coeur, toen hij een nacht in een boom en in de sneeuw had +geslapen. + +Ik had een heftige longontsteking, veroorzaakt door de koude, welke +ik den nacht, waarin mijn meester gestorven was, doorstaan had. + +Deze ziekte deed mij nog meer de goedheid van de familie Acquin op +prijs stellen, en vooral bleek mij toen welk een zorgvolle huishoudster +Martha was. + +Hoewel men bij minder gegoede huisgezinnen niet spoedig de hulp van +een dokter inroept, deden zich bij deze ziekte zulke onrustbarende +verschijnselen voor, dat men voor mij een uitzondering maken moest +op dezen regel, die even natuurlijk als algemeen is. + +De geneesheer behoefde mij niet lang te onderzoeken om een volledig +verslag van mijn ongesteldheid te geven; hij verklaarde terstond, +dat men mij naar het gasthuis brengen moest. + +Dit was inderdaad het eenvoudigste en gemakkelijkste wat men doen +kon. Toch weigerde de tuinman dezen raad op te volgen. + +--Daar hij voor onze deur is gevallen en niet voor die van het +gasthuis, moeten wij hem ook bij ons houden! + +De geneesheer trachtte op allerlei wijzen hem van dit denkbeeld af +te brengen, maar niets mocht baten. Men wilde mij houden en men hield +mij bij zich. + +En bij al haar drukke bezigheden nam Martha nog de rol van +ziekenverpleegster op zich; zij verzorgde mij liefderijk, geheel +volgens het voorschrift, evenals de zusters dat in het gasthuis doen, +zonder ooit eenig ongeduld daarbij aan den dag te leggen. Als zij +mij een oogenblik verlaten moest om haar huishouden te besturen, nam +Lize haar plaats in en dikwijls zag ik deze in mijn koorts, aan het +voeteinde van mijn bed, terwijl zij haar groote oogen aanhoudend op +mij gevestigd hield. In mijn verward brein meende ik, dat zij mijn +beschermengel was en ik sprak haar toe, zooals men tot een engel +spreekt, aan wien men zijn wenschen en verlangen vertelt. + +Sedert dien tijd gewende ik mij, haar als een ideaal wezen te +beschouwen, dat door een soort van stralenkrans omgeven was en ik +kon nooit mijn verbazing bedwingen, wanneer ik haar zag deelnemen +aan het gewone huiselijke leven, juist wanneer ik meende, dat zij +haar groote witte vleugels zou uitspreiden. + +Ik leed veel gedurende mijn lange ziekte; telkens stortte ik weder in, +zoodat bloedverwanten misschien den moed zouden hebben opgegeven. Maar +Martha verloor haar geduld niet en bleef mij trouw oppassen. Nachten +achtereen moest er bij mij gewaakt worden, want ik had dikwijls zulke +benauwdheden, dat men bevreesd was, dat ik er in stikken zou. Alexis +en Benjamin waakten beurtelings bij mij. + +Eindelijk vertoonde zich eenige beterschap; maar daar ik nu eens erger +dan weder beter was, moest ik wachten tot het voorjaar aanbrak en de +velden bij de Glacière met een groen waas overtogen waren. + +Lize, die niet werkte, nam weder de plaats van Martha in. Met haar +wandelde ik langs de oevers van de Bièvre. Tegen den middag, als de +zon hoog aan den hemel stond, begaven we ons samen hand aan hand op +weg, door Capi gevolgd. Het was een mooi en zacht voorjaar, tenminste +ik heb dien lieflijken indruk ervan behouden, hetgeen toch eigenlijk +op hetzelfde neerkomt. Dagelijks bezochten wij het dal dat niet ver +van onze woning verwijderd lag. + +Natuurlijk sprak Lize onderweg nooit, maar zonderling genoeg, wij +hadden ook geen woorden noodig, want als wij elkander zagen, lazen +wij in elkaars blik hetgeen we wilden zeggen, zoodat ik zelf meestal +ook zweeg. + +Langzamerhand kreeg ik mijn krachten terug en zou ik in den tuin kunnen +arbeiden; ik zag dien tijd met ongeduld tegemoet, want ik verlangde +er naar om voor de anderen te doen, hetgeen zij voor mij gedaan +hadden: voor hen te werken en naarmate mijn krachten het vergunden, +terug te geven, hetgeen ze mij gegeven hadden. Ik had nooit gewerkt, +want hoe vermoeiend verre tochten ook zijn mochten, zij zijn niet +te vergelijken met den bestendigen arbeid, die veel goeden wil en +ijver eischt; maar het scheen, dat ik goed werkte, tenminste dat ik +met lust het voorbeeld van hen, die mij omringden, volgde. + +Het was de tijd, waarop de viooltjes naar de markt te Parijs gebracht +werden en vader Acquin had aan deze bloemen al zijn zorg gewijd; +in onzen tuin stonden er van allerlei soort en kleur en 's avonds, +vóór dat de ramen gesloten werden, was de lucht met de geur van deze +bloemen vervuld. + +De taak, die men mij had opgedragen, was in evenredigheid met mijn +krachten; zij bestond voornamelijk om 's morgens de ramen van de +broeikasten af te lichten, wanneer de vorst voorbij was, en ze 's +avonds daarmede weder te bedekken, vóór dat deze inviel; overdag moest +ik zorgen, dat zij met rietmatten overdekt werden, wanneer de zon soms +al te fel scheen. Dat was moeilijk noch zwaar, maar het duurde toch +lang, daar ik wel een paar honderd pannen tweemaal daags verleggen +en aanhoudend moest zorgen, dat het te warm noch te koud werd. + +Gedurende dien tijd bleef Lize altijd bij het toestel, dat diende +om het water voor de besproeiing op te pompen, en als de oude Coco, +wiens oogen met een lederen klap waren geblinddoekt, vermoeid van het +rondloopen, wilde stilstaan, dan klapte zij met haar kleine zweep; +een van haar broeders stortte de emmers uit, die gevuld opgehaald +werden en de ander hielp zijn vader; zoo had iedereen zijn werk en +niemand liet tijd verloren gaan. + +In mijn dorp had ik de boeren menigmaal aan het werk gezien, maar +ik had in het minst geen denkbeeld van den moed en de inspanning, +welke de arbeid van de tuinlieden in den omtrek van Parijs vereischt, +die 's morgens nog vóór het opkomen der zon reeds moeten opstaan, +en eerst laat in den avond zich ter rust kunnen begeven, zich geheel +aan hun werk wijden en daarvoor hun beste krachten inspannen; ik had +ook het land zien bebouwen, maar ik wist niet hoeveel schatten dit +kon voortbrengen, indien men het voortdurend bewerkte: ik was in een +goede leer bij vader Acquin. + +Ook werd ik niet altijd in de broeikasten gebruikt; toen ik weder +geheel hersteld was, mocht ik ook bloemen planten en smaakte ik het +genot, die te zien groeien; dat was mijn werk, mijn eigendom, mijn +schepping en dat maakte mij trotsch; ik was dus tot iets geschikt en +ik gaf hiervan de bewijzen. Maar wat mij nog gelukkiger maakte was, +dat ik zelf gevoelde, dat ik het goed deed, hetgeen de moeite dubbel +loont; dit verzeker ik u. + +Ondanks de vermoeienissen, dat dit nieuwe leven voor mij medebracht, +gewende ik mij toch spoedig aan al deze werkzaamheden, die zoo weinig +geleken op mijn vorig zwervend leven. Inplaats van vrij rond te loopen, +zooals vroeger, steeds den grooten weg te volgen, moest ik mij thans +tusschen vier muren van een tuin opsluiten en van den morgen tot +den avond hard werken, terwijl het hemd mij aan het lijf kleefde, +met de gieters aan mijn arm en mijn voeten in beslijkte schoenen; +maar iedereen werkte zoo hard; de gieters van den vader waren nog +zwaarder dan de mijne en zijn schoenen niet minder vuil. Het doet +ons goed, als wij, wanneer ons iets moeite kost, zien, dat anderen +hetzelfde lot met ons deelen. Bovendien had ik hier wat ik niet dacht +dat ik ooit genieten zou: het leven in een huiselijken kring. Ik was +niet langer alleen, ik was niet meer het verlaten kind; ik had een +eigen bed; ik had een plaats aan de tafel, waaraan wij ons altijd +vereenigden. Zoo Alexis of Benjamin nu en dan eens met mij vochten, +spoedig hadden wij onze twisten weder vergeten en 's avonds, als we +de soep aten, waren wij weer de beste vrienden. + +Om de waarheid te zeggen, moet ik bekennen, dat we niet altijd werkten +en ons vermoeiden; wij hadden ook onze uren van rust en uitspanning; +zij waren wel kort, maar daarom juist des te prettiger. + +Des Zondagsmiddags kwamen wij allen in een met wingerden begroeid +prieel bij elkander; ik nam dan mijn harp van den muur, die de gansche +week daaraan hangen bleef, en liet de kinderen dansen. Geen van allen +had dansen geleerd, maar de jongens hadden eens een bal bijgewoond +en hun geheugen kwam hen bij die gelegenheid te hulp. + +Wanneer zij het dansen moe waren, verzochten zij mij om iets voor +hen te zingen en wanneer ik mijn napolitaansch lied zong, dan kwamen +altijd, evenals de eerste maal, de tranen in Lize's oogen. + +Om haar dan eenige afleiding te geven, liet ik terstond een vroolijk +stukje volgen, waarbij Capi kon optreden. Voor hem waren die Zondagen +ook feestdagen; zij herinnerden hem aan het verleden en wanneer hij +zijn rol afgespeeld had, zou hij die gaarne weer van voren af aan +begonnen zijn. + +Twee jaren gingen er op deze wijs voorbij, en daar de tuinman mij +dikwijls naar de markt medenam of soms ook wel naar andere tuinlieden, +bij wie wij onze planten brachten, begon ik langzamerhand Parijs te +leeren kennen en te begrijpen, dat het geen stad van marmer en goud +was, gelijk ik mij vroeger verbeeldde, maar dat het evenmin slechts +vuil en slijk was, wat men er zag, zooals op den avond, toen wij voor +de eerste maal hare straten doorkruisten. + +Ik zag praalgraven en monumenten, ik wandelde langs de kaden en over +de boulevards, in het Luxemburg, de Tuileriën en de Champs Elysées. + +Ik zag beelden. Ik bleef de menigte vol bewondering gadeslaan. Ik +begon mij een denkbeeld te vormen van het leven, dat men in een +hoofdstad leidt. + +Gelukkig bestond mijn opvoeding niet alleen in hetgeen ik toevallig op +mijn wandelingen of mijn tochten door Parijs zag. Voordat "de vader" +zich zelf als tuinman gevestigd had, was hij werkzaam geweest in +de boomkweekerij van den Plantentuin en daar was hij in aanraking +gekomen met wetenschappelijke en gestudeerde menschen, door wier +omgang het verlangen bij hem levendig was geworden om te lezen en +te studeeren. Verscheidene jaren had hij van zijn inkomen gespaard +om boeken te koopen en die in zijn vrijen tijd te lezen. Maar toen +hij getrouwd was en kinderen had, kreeg hij minder vrijen tijd, want +hij moest toen zorgen, dat allen aan den kost kwamen; zijn boeken +bleven van toen af gesloten, maar hij bewaarde ze zorgvuldig in een +kast. De eerste winter dien ik in zijn huisgezin doorbracht, duurde +zeer lang en hoewel het werken in den tuin niet geheel gestaakt werd, +viel er toch maanden achtereen weinig te arbeiden. + +Des avonds vereenigden wij ons dan bij den haard; de oude boeken +werden te voorschijn gehaald en onder ons verdeeld. Voor het grootste +gedeelte handelden zij over planten en kruiden en de geschiedenis +daarvan; voorts waren er eenige reisverhalen. Alexis en Benjamin +hadden echter niet dien lust in lezen en studeeren, dien hun vader +in zijn jeugd bezat; geregeld vielen zij dan ook gerust over hun boek +in slaap. Ik voor mij, die minder slaperig of misschien leergieriger +was, bleef, totdat wij naar bed gingen, doorlezen: de eerste lessen, +welke Vitalis mij gegeven had, waren dus niet verloren gegaan, en +wanneer ik dit bij mezelf zeide, terwijl ik mij uitkleedde, dacht ik +altijd met dankbaarheid aan hem. + +Mijn lust tot leeren herinnerde Acquin weder aan den tijd, toen hij op +zijn eten zooveel mogelijk uitzuinigde om zich boeken aan te schaffen; +hij bracht mij soms ook wel nieuwe boeken uit Parijs mede. Zijn keus +liet hij aan het toeval over en dikwijls zelfs ging hij alleen op +de titels af; in elk geval, het waren boeken en al mochten zij mijn +geest een weinig in de war brengen, met den tijd zou dat wel in orde +komen en ontegenzeglijk is mij veel goeds daarvan bijgebleven. + +Lize kon niet lezen, maar toen zij mij, zoodra ik een uur vrij had, +in een boek verdiept zag, verlangde zij te weten, wat mij zooveel +belangstelling inboezemde. In het eerst wilde zij mij altijd de boeken +afnemen, die mij beletten om met haar te spelen; maar toen zij zag, +dat ik, ondanks alles, toch altijd weer naar mijn boeken terugkeerde, +verzocht zij mij haar te vertellen, wat erin stond. Een nieuwe band +vormde zich daardoor tusschen ons. Daar zij vaak in zichzelf gekeerd +was en haar verstand goed ontwikkeld was, zonder dat zij ooit kon +deelnemen aan beuzelachtige of onbeduidende gesprekken, moest zij +een groote vergoeding in het lezen vinden, hetgeen zij er dan ook +werkelijk in vond: een afleiding en voedsel voor haar geest. + +Hoeveel uren hebben wij niet samen doorgebracht: zij naast mij, geen +oogenblik haar oogen van mij afwendende, terwijl ik verdiept was +in een boek. Dikwijls hield ik even op, als ik een woord of een zin +niet begreep, en dan zag ik haar aan. Langen tijd zochten wij dan, +en wanneer wij het niet te weten kwamen, dan beduidde zij mij met +een gebaar, dat ik maar moest voortgaan, alsof zij zeggen wilde: +"later". Ik leerde haar ook teekenen, dat wil zeggen, zooals ik +teekenen kon. Dit duurde echter lang en was veel moeilijker, maar +het gelukte mij toch. Ik was zelf geen groot meester, maar wanneer +meester en leerling het met elkander eens zijn, is dit dikwijls meer +waard dan talent. Welk een vreugde was het, toen zij eenige lijnen +kon zetten, waaruit men kon opmaken, wat zij voorstellen wilde! Vader +Acquin drukte mij toen een kus op het voorhoofd. + +--Ik had wel een grooter domheid in mijn leven kunnen begaan dan u +in huis te nemen, zeide hij. Lize zal er u later wel voor betalen. + +Later, dat wil zeggen, wanneer zij weder spreken kon, want men had de +hoop nog niet opgegeven, dat zij eenmaal haar spraak zou terugkrijgen; +de dokters hadden echter gezegd, dat zij voor het oogenblik er niets +aan doen konden en zij de krisis moesten afwachten. + +"Later" beteekende ook een treurig schudden met haar hoofd, wanneer ik +een van mijn liedjes voor haar gezongen had. Zij had ook op de harp +willen leeren spelen en al spoedig liet zij even vlug als ik haar +vingers over dat instrument glijden. Maar natuurlijk kon ik haar niet +leeren zingen en dat speet haar. Dikwijls zag ik tranen in haar oogen, +die mij het bewijs waren, hoeveel zij er onder leed. Maar bij zulk +een goed en zacht karakter duurt het verdriet niet lang; zij wischte +hare tranen af en met een glimlach beduidde zij mij dat het "later" +wel gebeuren zou. + +Door vader Acquin als kind aangenomen en door zijn zoons als een +broeder beschouwd, zou ik waarschijnlijk mijn levenlang op de Glacière +gebleven zijn, zoo er niet een gebeurtenis plaats had gegrepen, die +plotseling weder een verandering in mijn leven bracht; want het stond +geschreven, dat ik niet lang gelukkig zou kunnen zijn, en dat juist +wanneer ik meende het zekerst van mijn rust te zijn, het oogenblik +was aangebroken, waarop ik weder, door omstandigheden onafhankelijk +van mijn wil, tot een leven vol avonturen en zonderlinge lotgevallen +zou terugkeeren. + + + + +XXI. + +HET HUISGEZIN WORDT OPGEBROKEN. + + +Als ik alleen zat, dacht ik dikwijls bij mezelf: "Gij zijt te gelukkig, +jongen; dat zal niet lang meer duren." + +Welk ongeluk mij overkomen moest, dat kon ik niet voorzien, maar ik +was bijna zeker, dat het, van welken kant ook, zou komen opdagen. + +Dit stemde mij dikwijls treurig, maar toch had het in één opzicht veel +goeds, daar ik in alles zooveel mogelijk mijn best deed om het ongeluk +te vermijden, en mij verbeeldde, dat het mijn eigen schuld zou zijn, +wanneer ik weder door een ramp getroffen werd. + +Het was echter niet door mijn toedoen, maar als ik mij niet bedrieg, +besefte ik het ongeluk in zijn geheelen omvang. + +Ik zeide reeds, dat vader Acquin hoofdzakelijk viooltjes teelde. Deze +zijn zeer gemakkelijk te kweeken en de tuinlieden, die in den omtrek +van Parijs wonen, slagen erin wonderen daarvan voort te brengen, +getuige de groote planten, die van boven tot onderen met bloemen +beladen zijn en die zij in de maanden April en Mei naar de markt +brengen. De tuinman, die van viooltjes zijn werk maakt, moet er slechts +op letten, dat hij de dubbele planten uitkiest, omdat de dames de +enkelen niet verlangen. Daar het zaad, in evenredigheid tenminste, +meestal evenveel dubbele als enkele planten doet ontkiemen, is het +van het grootste belang, dat men slechts de dubbelen behoudt; want +anders loopt men gevaar, dat men met de grootste zorg vijftig op de +honderd planten kweekt, die men moet wegwerpen, wanneer zij beginnen +te bloeien, dat wil zeggen, een jaar nadat zij gezaaid zijn. + +Wanneer zij, die viooltjes telen, de dubbelen van de enkelen moeten +uitzoeken, dan wenden zij zich tot andere tuinlieden die met het +geheim bekend zijn en deze gaan naar de stad, om, evenals de dokters +of deskundigen, een consult te houden. Vader Acquin behoorde onder +de knapste bloemkweekers van Parijs; wanneer de tijd was aangebroken +waarop de viooltjes uitgezocht moesten worden, was hij den ganschen dag +bezig. Dan was het voor ons en vooral voor Martha een slechte tijd, +want als vrienden bij elkaar komen, wordt er in den regel menig glas +gedronken en als hij dan na zulk een dag tehuis kwam, had hij een +hooge kleur, kon moeilijk uit zijn woorden komen en dikwijls beefden +zijn handen. + +Martha ging niet naar bed voordat hij tehuis was, hoe laat in den +nacht dit ook wezen mocht. + +Als ik dan nog wakker was, of door het gedruisch, dat hij veroorzaakte, +ontwaakte, hoorde ik vanuit mijn kamer, wat zij spraken. + +--Waarom zijt ge niet naar bed gegaan? vroeg de vader. + +--Omdat ik wilde zien, of gij soms nog iets noodig mocht hebben. + +--Dat wil zooveel zeggen, als dat gij mij bespied. + +--Als ik niet meer wakker was, tot wien zoudt u dan spreken? + +--Gij wilt zien of ik nog goed kan loopen; zie nu maar, of ik niet +heel goed tot aan gindsche deur kan gaan zonder een oogenblik van de +streep af te wijken. + +Ik hoorde hem in de keuken eenige ongeregelde schreden doen; daarop +volgde er een stilte. + +--Gaat het met Lize goed? + +--Ja, zij slaapt, wilt gij zorgen dat gij geen leven maakt. + +--Ik maak geen leven; ik loop recht voor mij uit; ik moet wel +recht voor mij uit loopen, daar de dochters anders haar vader +beschuldigen. Wat zeide zij wel, toen ze mij niet bij het avondeten +zag? + +--Niets; zij heeft aanhoudend naar uw plaats gekeken. + +--O, zag zij naar mijn plaats? + +--Ja. + +--Dikwijls? Zag zij er dikwijls naar? + +--Dikwijls. + +--En wat zeide zij? + +--Haar oog zeide, dat gij daar niet zat. + +--Toen vroeg zij u zeker, waarom ik er niet was en gij hebt haar toen +verteld, dat ik bij mijn vrienden was? + +--Neen, zij vroeg mij niets en ik heb haar ook niets verteld, zij +wist wel waar gij waart. + +--Zij wist het, zij wist dat.... Is zij spoedig gaan slapen? + +--Neen; eerst een kwartier geleden heeft zij den slaap kunnen vatten; +zij wilde op u wachten. + +--En wat wildet gij? + +--Ik wilde niet hebben, dat zij u thuis zag komen. + +Na een oogenblik stilte. + +--Martha, gij zijt een goede dochter; luister eens; morgen ga ik naar +Louisot, ik beloof u plechtig, dat ik dan bijtijds terug zal wezen; +ik wil niet, dat gij zoo lang op mij moet wachten; ik wil niet, +dat Lize ongerust gaat slapen. + +Maar die beloften werden gewoonlijk niet nagekomen en dikwijls kwam +hij weer even laat thuis. In huis was Lize almachtig, buitenshuis +werd zij vergeten. + +Weet ge, men drinkt zonder er bij te denken, omdat men het zijn +vrienden niet weigeren wil; men drinkt de tweede maal, omdat men de +eerste maal gedronken heeft en men is dan vast besloten om geen derden +keer te drinken: maar drinken geeft nadorst. De wijn stijgt dan naar +het hoofd; men weet, dat, als men een goed glas gebruikt heeft, men de +zorgen vergeet; men denkt niet langer aan schuldeischers; alles ziet +men van de zonnige zijde; het is of men in een andere wereld komt, +in die wereld, waarin men zoo gaarne zou willen zijn. En men blijft +voortdrinken; daar schuilt het gevaar. + +Ik moet eerlijk zeggen, dat het niet dikwijls gebeurde. Bovendien +duurde die tijd niet lang en als deze voorbij was, dan had vader Acquin +ook geen reden om van huis te gaan. Hij was geen man, die uit luiheid +of om zijn tijd zoek te brengen, naar kroegen of herbergen liep. + +Toen de viooltjes uitgebloeid waren, gingen we onze zorg aan andere +planten wijden, want een tuinman mag nooit een plekje in zijn tuin +onbebouwd laten: zoodra de eene plant verkocht is, moet er een andere +voor in de plaats komen. + +De kunst van den tuinman die zijn bloemen naar de markt brengt, bestaat +hoofdzakelijk daarin, dat hij het juiste oogenblik weet te kiezen, +dat de marktprijzen het hoogst staan, en vader Acquin vergiste zich +daarin nooit. + +De maand Augustus beloofde veel goeds, alle planten stonden zoo +voordeelig mogelijk en hij zeide dikwijls tot zijn zoons, terwijl +hij vergenoegd de handen wreef: + +--Alles staat prachtig. En bij zichzelf rekende hij reeds uit, +hoeveel de bloemen hem zouden opbrengen. + +Er was hard gewerkt om het zoover te brengen; wij hadden geen uur +vrijaf gehad en zelfs Zondags was ons geen rust gegund. Alles was +thans ook in orde en, tot belooning van ons werken, zouden wij op een +Zondag bij een vriend van Lize's vader gaan eten; Capi zelfs mocht van +de partij zijn. Wij zouden tot een uur of drie werken en dan zou alles +gereed zijn en we mochten het huis sluiten en ons op weg begeven; wij +zouden echter niet laat terugkeeren, daar wij vroeg naar bed moesten +gaan, om den anderen morgen bijtijds den arbeid te kunnen hervatten. + +Wat waren wij in onzen schik. + +Alles bleef zoo afgesproken, en eenige minuten vóór vieren draaide +Acquin den sleutel om in de groote deur en zeide met een verheugd +gezicht: + +--En nu voorwaarts! + +--Vooruit, Capi! + +Ik vatte Lize bij de hand en snelde met haar vooruit, terwijl Capi +ons blaffende volgde en vroolijk tegen ons opsprong. Misschien meende +hij, dat onze verre tochten weder een aanvang namen, wat hij stellig +prettiger vond, dan thuis te blijven, waar hij zich verveelde, daar +ik mij niet altijd met hem kon bezighouden--en dit vond hij toch nog +altijd het prettigste van alles. + +Wij hadden allen onze beste kleeren aan; de menschen bleven zelfs +stilstaan, om ons na te kijken. Ik weet niet hoe ik zelf er uitzag, +maar Lize met haar stroohoedje, haar blauw jurkje en grijs linnen +laarzen, was het mooiste kind, dat men zich denken kon; zij was +levendig en bevallig; haar geheele voorkomen, al haar gebaren en +bewegingen, spraken van het genot, dat deze wandeling haar verschafte. + +De tijd ging voorbij, zonder dat ik eraan dacht; alles wat ik er mij +van kan herinneren is, dat, toen ons middagmaal bijna was afgeloopen, +wij donkere wolken aan den hemel zich zagen samenpakken, daar onze +tafel in de open lucht onder een vlierboom gedekt was, konden wij +gemakkelijk het onweder zien opkomen. + +--Kinderen, zeide Acquin, wij moeten ons haasten om tehuis te komen. + +Bij deze woorden riepen wij van alle kanten: + +--Nu reeds! + +Lize zeide niets, maar zij gaf door gebaren duidelijk haar tegenzin +te kennen. + +--Als de wind opsteekt, ging Acquin voort, dan kan hij de pannen van +de broeikasten afwerpen: dus vooruit! + +Hier viel niets tegen te zeggen, want wij wisten allen, dat de +glazenpannen het fortuin van den tuinman uitmaken, en wanneer de wind +ze breekt, dit zijn ondergang is. + +--Ik ga alvast vooruit, zeide vader Acquin; Benjamin en Alexis zullen +met mij medegaan. Rémi, Martha en Lize volgen ons dan wel. + +En zonder meer te zeggen, vertrok hij in allerijl, met niet minder +haastigen tred door ons gevolgd. + +Nu was het geen tijd meer voor scherts; wij speelden geen krijgertje, +noch verscholen ons achter boom of struik. + +De lucht betrok hoe langer hoe meer en het onweder kwam steeds +dichterbij, door een hevige windvlaag voorafgegaan, die de stof +van alle kanten opjoeg. Als wij ons midden in zulk een wervelwind +bevonden, moesten we blijven stilstaan, ons omkeeren en onze handen +voor de oogen houden, want al het zand woei ons in het gelaat. Als +wij niet voorzichtig ademhaalden, kwam onze mond vol stof. + +De donder rolde reeds in de verte en naderde langzaam, vergezeld van +een oogverblindend licht. + +Martha en ik hadden Lize bij de hand genomen en trokken haar bijkans +voort, maar zij had moeite om ons te volgen en wij konden dus niet +zoo hard loopen als we wel gewenscht hadden. + +Zouden wij nog vóór het onweder tehuis zijn? + +Zouden Acquin en zijn zoons hun woning nog bijtijds bereiken? + +Voor hen was dit van nog meer gewicht dan voor ons, daar wij alleen +door-en-door nat konden worden, terwijl zij hun broeikasten voor +geheele verwoesting moesten behoeden. + +Telkens volgden de donderslagen elkander met kortere tusschenpoozen op, +terwijl de wolken steeds zwaarder geworden waren, zoodat het bijna +nacht was. Als ze door den wind uiteengedreven werden, zag men hare +donkere scherpe omtrekken. Waarschijnlijk zouden die wolken op een +gegeven oogenblik plotseling losbarsten. + +Zonderling, temidden van die donderslagen, hoorden wij een +oorverdoovend geraas naderkomen; het scheen wel of een troep ruiters +het onweder haastig ontvluchtte; maar dat was onmogelijk; hoe zouden +in deze streek ruiters komen? + +Eensklaps begon het te hagelen; eerst troffen enkele hagelsteenen +ons gelaat, maar oogenblikkelijk daarop volgde een dichte bui, zoodat +wij onder een afdak moesten schuilen. + +Wij zagen toen zulk een geduchte hagelbui, als we er ons moeilijk +een konden voorstellen; in een oogenblik lag er een witte laag +over de straat alsof we midden in den winter waren; de hagelsteenen +waren zoo groot als duiveneieren en terwijl zij vielen, maakten zij +een dof geraas, dat van tijd tot tijd door het rinkelen van glazen +afgewisseld werd. + +--Hoe jammer van onze pannen, zeide Martha. + +Hetzelfde had ik gedacht. + +--Misschien zijn ze nog bijtijds gekomen. + +--Al zijn ze nog vóór deze hagelbui thuis geweest, dan hebben zij +toch geen tijd gehad om het stroo over de kasten te leggen; alles +zal verloren zijn. + +--Men zegt wel eens, dat hagel maar op enkele plaatsen valt. + +--Wij zijn te dicht bij huis, dan dat onze tuin gespaard zou zijn +gebleven; als de bui daar evenzoo nedervalt als hier, dan zijn we +geruïneerd. Arme, beste vader! Wat had hij niet op een voordeeligen +oogst gerekend; vooral daar hij zooveel geld noodig heeft! + +Ik wist niet juist hoeveel deze pannen kostten, maar toch had ik +dikwijls gehoord, dat glazen pannen zeer kostbaar zijn en ik begreep +dus, dat, zoo er vijf- of zeshonderd braken, wij een aanzienlijke +som verliezen zouden, zonder nog de verwoesting te rekenen, die het +onweder in de serres en onder de bloemen had aangebracht. + +Ik had gaarne aan Martha willen vragen hoe zij er over dacht, maar wij +konden elkander nauwelijks verstaan en Martha scheen ook geen lust te +gevoelen om met mij te praten; ik keek met zulk een wanhopend gelaat +naar deze hagelsteenen, als menschen naar hun woning zien wanneer +die afbrandt. + +Die vreeselijke stortbui duurde niet langer dan een minuut of vijf, +zes, en zij hield even plotseling op, als zij gevallen was; de wolken +trokken af en spoedig konden wij onze schuilplaats verlaten. In de +straten rolden de harde en ronde hagelsteenen onder onze voeten, +als de schelpen, die uit de zee worden opgeworpen en vormden weldra +zulk een dikke laag, dat wij er tot over de enkels inzonken. + +Lize kon met haar linnen schoentjes niet over deze bevroren +hagelsteenen loopen en ik nam haar op mijn rug; op haar gezichtje, +dat in het gaan zoo vroolijk en opgeruimd was geweest, lag nu een +droeve trek, terwijl tranen haar langs de wangen biggelden. + +Spoedig bereikten wij ons huis, waarvan de deur open was blijven staan; +onmiddellijk begaven we ons naar den tuin. + +Welk een tooneel! alles was verbrijzeld en lag in stukken over den +grond verspreid: pannen, bloemen, glas en hagelsteenen vormden een +verwarde massa, waarin niets meer te herkennen viel; de tuin, welke +dien morgen nog zoo fraai was, zoo vol bloemen stond, was thans in +een puinhoop veranderd. + +Waar was vader? + +Wij zochten hem overal, maar zagen hem nergens; toen wij bij de groote +broeikast kwamen, waarvan ook geen enkel glas heel was gebleven, vonden +wij hem op een bankje zitten, temidden van de treurige overblijfselen, +welke den grond bedekten, terwijl Benjamin en Alexis onbeweeglijk +naast hem stonden. + +--O, mijn arme kinderen! riep hij, het hoofd opheffende, toen hij +ons hoorde naderen, doordat wij het glas, dat onder onze voeten kwam, +stuk trapten. O, mijn arme kinderen! + +Toen hij Lize in de armen drukte, begon hij te weenen, zonder een +woord meer te spreken. + +Wat zou hij ook gezegd hebben? Het was een ramp, zóó groot dat wij +nauwelijks erover durfden nadenken; maar nog vreeselijker waren de +gevolgen, welke zij na zich sleepte. + +Spoedig vernam ik door Martha en de jongens, dat hun vaders wanhoop +zeer te verklaren was. Tien jaar geleden had Acquin dezen tuin gekocht +en er zelf het huis naast gebouwd. De persoon, die hem den grond had +afgestaan, had hem ook geld geleend, om hem in staat te stellen, +zich de noodige gereedschappen aan te schaffen, die hij voor zijn +arbeid noodig mocht hebben. Alles zou binnen de vijftien jaar worden +betaald door een jaarlijksche aflossing. Tot nogtoe had hij jaarlijks +deze aflossing kunnen betalen, door ijverig te werken en zeer zuinig +te leven. Die geregelde aflossing was vooral onvermijdelijk, daar +zijn schuldeischer de eerste de beste gelegenheid zou aangrijpen, +om den grond en het huis terug te nemen en natuurlijk ook de tien +aflossingen, die hij reeds ontvangen had, tevens te behouden; het +scheen zelfs een speculatie van hem te zijn en daar hij overtuigd was, +dat in vijftien jaren wel ééns een dag zou aanbreken, waarop Acquin +zijn schuld niet zou kunnen voldoen, had hij deze speculatie durven +wagen, zonder bevreesd te zijn, daarbij te verliezen--terwijl zijn +schuldenaar daarentegen altijd gebonden bleef. + +Eindelijk was dan die dag gekomen, dank zij den hagelslag. + +Wat zou er nu gebeuren? Niet lang verkeerden wij hieromtrent in de +onzekerheid, want den anderen dag moest de tuinman juist een gedeelte +weder aflossen met de opbrengst van zijn planten. Wij zagen toen +een in het zwart gekleed heer binnentreden, die er niet heel beleefd +uitzag en ons een verzegeld papier overhandigde, waarop hij eenige +woorden schreef op een oningevulden regel. + +Het was een deurwaarder. + +Van dien dag af bezocht hij ons dagelijks en eindelijk leerde hij +zelfs onze namen kennen. + +--Dag Rémi zeide hij, hoe maakt het Alexis, en hoe gaat het juffrouw +Martha? + +Hij gaf ons dan lachend het verzegeld papier, alsof wij de beste +vrienden met hem waren. + +--Tot weerziens, jongens. + +--Loop naar den drommel! + +Acquin bleef niet meer tehuis, hij ging dagelijks naar de stad. Waar +ging hij heen? dat wisten wij geen van allen, want al vertelde hij +ons vroeger alles, thans zweeg hij meestal. Hij ging naar advocaten, +misschien ook naar de rechtbank. + +De gedachte daaraan alleen deed mij huiveren; Vitalis was ook voor de +rechtbank verschenen en ik wist nog maar al te goed, wat het gevolg +daarvan geweest was. + +Bij hem duurde het echter veel langer, eer hij den uitslag vernam; de +gansche winter verliep er zelfs mede. Daar wij niet in staat geweest +waren om onze serres te herstellen, begonnen we in den tuin groenten +en bloemen te planten, die onder den blooten hemel gekweekt konden +worden; deze brachten echter niet veel op, maar in elk geval was het +toch een kleine verdienste en bezorgde het ons werk. + +Op een avond kwam Lize's vader tehuis, treuriger gestemd en meer +terneergeslagen dan ooit. + +--Kinderen, sprak hij, het is met ons gedaan. + +Ik wilde mij verwijderen, want ik begreep, dat iets gewichtigs zou +gebeuren, daar hij uitsluitend tot zijn kinderen sprak en ik meende, +dat ik onbescheiden handelde, als ik daarbij bleef. + +Maar hij wenkte mij te blijven. + +--Behoort gij ook niet tot mijn gezin? vroeg hij; hoewel gij nog +niet oud genoeg zijt om hetgeen ik u ga mededeelen te begrijpen, +zijt gij reeds meermalen door het ongeluk beproefd geworden om mijn +bedoelingen te vatten. Kinderen, ik ga u verlaten. + +Deze woorden werden door een uitroep en een kreet van smart beantwoord. + +Lize wierp zich snikkend in zijn armen. + +--O, gij begrijpt, dat ik niet vrijwillig besluit om zulke goede +kinderen als gij zijt te verlaten en mijn lieve kleine Lize niet meer +te zien. + +Hij drukte Lize met kracht tegen de borst. + +--Maar men heeft mij tot betalen veroordeeld, en daar ik geen geld heb, +gaat men hier alles verkoopen en waarschijnlijk zal dit zelfs niet +toereikend zijn en zal ik naar de gevangenis moeten gaan, waarin ik +dan vijf jaren blijven moet; daar ik het niet met mijn geld doen kan, +zal ik mijn schuld met mijn lichaam, met mijn vrijheid moeten aflossen. + +Wij begonnen allen te weenen. + +--Ja, dat is heel treurig, maar er valt tegen de wet niets te doen en +het is de wet; vroeger was deze nog strenger, zeide mij een advocaat; +als toen een schuldenaar zijn schuldeischers niet betalen kon, +dan hadden dezen het recht zijn lichaam in stukken te snijden en +het tusschen elkander in zooveel deelen te verdeelen, als zij maar +wilden; mij zet men eenvoudig in de gevangenis, binnen weinige dagen +zal dat waarschijnlijk gebeuren. Wat zal er in die vijf jaren van u +worden? Dat is het ergste. + +Hij zweeg toen; ik weet niet welke gedachten deze stilte bij de +anderen teweegbracht, maar voor mij was zij een van de vreeselijkste +uit mijn leven. + +--Gij kunt wel nagaan, dat ik hierover veel nagedacht heb en ik zal +u mijn besluit mededeelen, waardoor gij dan niet, nadat ik u verlaten +heb, alleen zult behoeven achter te blijven. + +Ik kreeg weder eenige hoop. + +--Rémi zal aan mijn zuster Katherina Suriot schrijven; zij is een +zeer verstandige vrouw en zal ons, wanneer zij hier is, stellig ten +beste raden. + +Het was voor de eerste maal, dat ik een brief schreef: het was een +moeilijke en zware taak, die mij werd opgelegd. + +Hoewel, na alles wat Acquin ons had medegedeeld, voor ons niet veel +overschoot waarop wij konden rekenen, behielden we toch altijd nog +eenige hoop en in den toestand, waarin wij verkeerden, was deze hoop +van veel waarde voor ons. + +Wat hoopten wij? + +Dat wisten we zelf niet; maar wij hoopten; Katherina zou bij ons +komen en zij was een vrouw, die verstand van zaken had; dat was voor +onwetende en eenvoudige kinderen, zooals wij waren, reeds voldoende. + +Zij kwam echter niet zoo spoedig als wij ons hadden voorgesteld en +de deurwaarder en de justitie verschenen eerder dan zij. + +Vader Acquin wilde zich juist naar een zijner vrienden begeven, +toen hij, zijn huis verlatende, plotseling tegenover hen stond; ik +vergezelde hem en in een oogwenk waren we allen om hem heen. Maar +hij wilde niet vluchten. Ik zag hem verbleeken en met een zwakke stem +vroeg hij de agenten verlof, zijn kinderen vaarwel te mogen zeggen. + +--Gij moet er niet zoo wanhopend onder zijn, vriendlief; wanneer men +voor schulden in de gevangenis gaat, is het nog zoo erg niet. + +Wij keerden in huis terug, door de agenten gevolgd. + +Ik ging de jongens uit den tuin roepen. + +Toen wij weer bij hun vader kwamen, hield deze Lize in zijn armen, +die luid weende. + +Een van de agenten fluisterde hem toen iets in, wat ik niet verstaan +kon. + +--Ja, gij hebt gelijk; het moet, antwoordde Acquin. + +Hij richtte zich eensklaps op, zette Lize op den grond, die zich +echter aan hem vastklemde en zijn hand niet wilde loslaten. + +Hij drukte toen Martha, Alexis en Benjamin een kus op het voorhoofd. + +Ik had mij in een hoekje teruggetrokken om ongestoord mijn tranen te +kunnen laten vloeien, hij riep mij: + +--En gij Rémi? komt gij mij niet goedendag zeggen? zijt gij ook geen +kind van mij? + +Wij waren buiten ons zelf van smart. + +--Blijf, beval Acquin, ik beveel het u. + +En haastig vertrok hij, nadat hij Lize's hand in die van Martha +gelegd had. + +Ik wilde hem volgen en begaf mij reeds naar de deur, toen Martha +mij terughield. + +Waar zou ik zijn heengegaan en wat zou ik gedaan hebben? + +Wij bleven allen geheel verbijsterd en terneergeslagen in de keuken +staan; wij weenden allen en geen van ons kon een woord spreken. + +Wat zouden wij ook gezegd hebben? + +Wij wisten allen dat eenmaal de dag zou aanbreken, waarop hij +gevangen zou genomen worden, maar wij hadden gedacht dat Katherina +er dan geweest zou zijn en Katherina, meenden wij, zou ons weten +te verdedigen. + +Maar Katherina was er niet. + +Zij verscheen echter ongeveer een uur nadat vader Acquin in hechtenis +was genomen en vond ons allen zwijgend bij elkaar in de keuken. Zij, +die ons tot nogtoe altijd tot steun en raad was geweest, stond nu +op hare beurt sprakeloos; Martha, die zoo krachtig was, alles altijd +moedig had gedragen, was thans even zwak als wij; zij sprak ons geen +moed in, en al haar wilskracht scheen verdwenen; ternauwernood was zij +instaat zich een oogenblik te beheerschen om Lize te troosten. De loods +was in zee gevallen en de kinderen waren zonder stuurman, zonder baak +om hun den weg te wijzen, zonder eenig hulpmiddel, dat hen veilig de +haven kon binnenvoeren, zonder zelfs te weten of er een haven voor hen +bestond, bleven zij als versteend, midden in dien levensoceaan staan, +aan de willekeur van den wind overgelaten, onbekwaam om iets te doen +of te denken, radeloos van schrik en met de wanhoop in het hart. + +Tante Katherina was een flinke vrouw, die gewend was te handelen +en haar wil door te drijven; zij had te Parijs tien jaar lang als +kindermeid gediend; zij was met de moeilijkheden des levens bekend +geworden en, zooals zij zelve zeide, zij wist ermede om te springen. + +Het was een groote uitkomst voor ons, toen wij haar eenige bevelen +hoorden geven en wij die moesten opvolgen; wij hadden nu weer een +wegwijzer gevonden en gevoelden ons in staat om op onze beenen +te staan. + +Voor een boerin zonder opvoeding en zonder geld, zou zulk een +gebeurtenis een zeer groote verantwoordelijkheid hebben medegebracht, +waardoor de moedigsten zelfs in verlegenheid zouden zijn geraakt: +te zorgen voor eenige weezen, waarvan de oudste zestien jaar telde +en de jongste stom was. Wat zou zij met die kinderen aanvangen? Hoe +zich er mede te belasten, wanneer men zelve moeite heeft om aan den +kost te komen? + +Zij had bij een notaris gediend en deze ging zij raadplegen wat zij +met ons zou beginnen. Diens raadgevingen beslisten over ons lot. Zij +begaf zich daarop naar de gevangenis, waar zij een onderhoud met den +tuinman had en acht dagen na haar komst te Parijs, zonder ons ooit +haar plannen en overwegingen te hebben medegedeeld, maakte zij ons +haar besluit bekend. + +Daar wij te jong waren om alleen te werken, zou ieder kind in huis +komen bij een oom of tante, die het wilde opnemen. + +Lize zou bij tante Katherina blijven in Bretagne. + +Alexis naar een oom gaan, die mijnwerker te Varses was in de Cevennes. + +Benjamin naar een anderen oom, die tuinman was te Saint-Quentin. + +En Martha bij een tante, die gehuwd was te Charente, aan den oever +van de zee, te Esnandes. + +Ik luisterde naar al deze schikkingen, terwijl ik wachtte totdat de +beurt aan mij kwam. Maar daar tante Katherina zweeg, vroeg ik: + +--En ik? + +--Gij? wel gij behoort niet tot dit gezin. + +--Ik zal voor u werken. + +--Gij behoort niet tot dit gezin. + +--Vraag het aan Alexis, aan Benjamin, of ik niet vlijtig werk. + +--Ja, en ook goed soep eet, niet waar? + +--Ja, ja, hij hoort wel tot ons gezin! riepen allen uit één mond. + +Lize trad naar haar tante toe en vouwde smeekend de handjes, hetgeen +meer zeggen wilde dan een vloed van woorden. + +--Arme kleine, zeide tante Katherina, ik begrijp u; gij zoudt willen, +dat hij met u medeging; maar, weet gij, in het leven doet men niet, +wat men gaarne wil. Gij zijt mijn nichtje en als wij thuis komen +en mijn man zich er tegen verklaart of bevreesd is, dat wij niet +zullen uitkomen, dan kan ik altijd antwoorden: zij behoort tot onze +familie en wie anders kan zich haar lot aantrekken, dan wij? En zoo +gaat het ook met de anderen. Men neemt zijn bloedverwanten op, maar +geen vreemdelingen; het stukje brood kan wel een familie voeden, +maar niet de geheele wereld. + +Ik gevoelde wel, dat ik hiertegen niets kon inbrengen, niets kon +antwoorden. Hetgeen zij zeide was maar al te waar: "ik behoorde niet +tot de familie." Ik kon niets eischen; als ik iets vroeg, dan bedelde +ik. En toch zou ik niet meer van hen hebben kunnen houden, dan wanneer +ik tot hun gezin behoord had. Waren zij niet mijn broeders? Waren +Martha en Lize geen zusters voor mij? Hield ik dan niet genoeg van +hen? En hield Lize niet evenveel van mij als van Alexis en Benjamin? + +Tante Katherina stelde het nooit lang uit om een eenmaal genomen +besluit ten uitvoer te brengen; zij deelde ons mede, dat wij den +anderen dag van elkaar zouden scheiden en zond ons daarop naar bed. + +Zoodra wij in onze kamer waren, kwamen zij allemaal naar mij toe +en viel Lize mij weenend om den hals. Ik begreep toen, dat ondanks +het smartelijke van deze scheiding, zij meer aan mij dachten en +mij beklaagden en ik gevoelde, dat ik inderdaad een broeder van hen +was. Plotseling schoot mij toen een gedachte te binnen, of liever--want +ik moet zoowel het goede als het kwade zeggen--een stem des harten +drong tot mijn geest door. + +--Luister, zeide ik tot hen; ik zie wel, dat uw bloedverwanten niets +van mij willen weten, maar gij neemt mij toch tot uw familie aan? + +--Ja, zeiden zij alle drie; gij zult altijd een broeder van ons zijn. + +Lize, die niet kon spreken, drukte mij de hand, terwijl zij mij met +tranen in de oogen aanzag. + +--Welnu, ja, ik zal het zijn en zal het u bewijzen. + +--Waar zult gij een betrekking zoeken? vroeg Benjamin. + +--Bij Pernuit is de dienst open; zal ik morgen voor u +daarheengaan? vroeg Martha. + +--Ik wil niet in een betrekking gaan; wanneer ik dat deed, dan zou ik +u niet meer zien, want dan zou ik te Parijs moeten blijven. Ik hang +mijn schapevacht weder om de schouders, neem mijn harp en bezoek u dan +beurtelings, en zoo zult gij voor mij dan altijd te zamen zijn. Ik heb +mijn liedjes en wijsjes niet vergeten en zal mijn kost wel verdienen. + +Op ieders gelaat kwam terstond een trek van voldoening en ik zag, dat +dit plan geheel met hun bedoelingen overeenkwam; in al mijn verdriet +gevoelde ik mij toch gelukkig. Nog geruimen tijd spraken wij over ons +plan, over de scheiding en wanneer wij elkander zouden terugzien, over +ons verleden en over de toekomst. Martha zeide toen, dat wij naar bed +moesten gaan, maar geen van allen deden we dien nacht een oog dicht. + +Bij het aanbreken van den morgen nam Lize mij mede naar den tuin en +ik begreep toen, dat zij mij iets te zeggen had. + +--Hebt gij mij iets te zeggen? + +Zij knikte toestemmend. + +--Het spijt u, dat wij van elkander moeten scheiden; gij behoeft mij +dat niet te zeggen, ik lees het in uw oogen en mijn hart zegt het mij. + +Zij gaf mij te kennen, dat hiervan geen sprake was. + +--Over veertien dagen kom ik te Dreuzy. + +Zij schudde het hoofd. + +--Wilt gij niet, dat ik naar Dreuzy ga? + +Om elkander te begrijpen, deed ik gewoonlijk verscheidene vragen die +zij door een knikje met het hoofd beantwoordde. + +Zij zeide mij, dat zij gaarne wilde, dat ik te Dreuzy zou komen; +maar--zij wees met haar hand in drie verschillende richtingen--waarmede +zij bedoelde, dat ik eerst haar broeders en zusters moest bezoeken. + +--Gij wilt dat ik eerst naar Varses, Esnandes en Saint-Quentin ga? + +Zij glimlachte en scheen blijde, dat ik haar begrepen had. + +--Waarom? Ik wilde juist u het eerst zien. + +Zij beduidde mij toen, waarom zij dit wenschte. Ik zal het u +mededeelen. + +--Daar ik gaarne eenige tijding van Martha, Alexis en Benjamin zou +willen hebben, zoo moet gij met hen beginnen; daarop bezoekt gij mij +te Dreuzy en gij kunt mij dan alles van hen vertellen. + +Lieve, goede Lize! + +Zij moesten dien dag om acht uur vertrekken en tante Katherina had een +groot rijtuig besteld, waarmede zij eerst naar hun vader zou rijden en +daarop elk, met hun eigen pakje kleeren, naar den trein zou brengen, +die hen naar de plaats hunner bestemming zou voeren. + +Tegen zeven uur nam Martha mij mede naar den tuin. + +--Wij zullen over een uur elkaar verlaten, zeide zij; ik wilde u +gaarne eene herinnering geven; neem dit: het is een naaitaschje, gij +zult daarin eenig garen, naalden en ook een schaar vinden, die mijn +peet mij gegeven heeft; op uw reizen zult gij dat alles noodig hebben, +want ik ben er dan niet om uw kleeren te verstellen of een knoop voor +u aan te zetten. Wanneer gij dit gebruikt, dan kunt gij aan ons denken. + +Gedurende dit gesprek was Alexis ook in den tuin gekomen en zoodra +Martha in huis teruggekeerd was, naderde hij mij. + +--Ik heb twee gulden, zeide hij, en gij zoudt mij veel genoegen doen, +een daarvan aan te nemen. + +Van ons vijven was Alexis de eenige, die iets voor geld gevoelde en +wij plaagden hem steeds met zijn gierigheid; hij bespaarde altijd +elke cent en hij was niet weinig in zijn schik, wanneer hij er zooveel +bij elkander had, dat hij ze voor zilvergeld kon inwisselen. + +Zijn aanbod trof mij daarom des te dieper; ik wilde weigeren, maar +hij drong er zoo op aan, en eindelijk liet hij er een van in mijn +hand glijden. Ik besefte toen, hoe sterk de genegenheid was, die hij +voor mij gevoelde, daar deze hem afstand van zijn schat deed doen. + +Benjamin vergat mij evenmin; hij wilde mij ook een geschenk geven, +maar eischte in ruil daarvan een stuiver, "daar een mes de vriendschap +afsnijdt." + +Het uur ging snel voorbij; nog een kwartier en vijf minuten, en dan +zouden wij van elkaar moeten scheiden; zou Lize niet aan mij denken? + +Toen wij het rijtuig over den weg hoorden rollen, kwam zij uit de +kamer van tante Katherina en wees mij, haar in den tuin te volgen. + +--Lize! riep tante Katherina. + +Maar Lize gaf geen antwoord en liep snel voort. + +Bloemisten en moezeniers gebruiken altijd elk plekje van hun tuin zoo +nuttig mogelijk; toch groeide in onzen tuin een prachtige bengaalsche +stamroos, die in een verloren hoekje was blijven staan. + +Lize begaf zich daarheen en sneed een tak van deze roos af; zij keerde +zich daarop tot mij, verdeelde het takje, waaraan twee knoppen zaten, +die bijna uitliepen en gaf mij er een van. + +O, hoe welsprekend waren hare stomme lippen en wat lag er niet in +haar blik te lezen! Hoe koud en onverschillig zijn woorden, vergeleken +bij dien blik! + +--Lize! Lize! riep tante. + +Alle pakjes waren reeds in het rijtuig gezet. + +Ik nam mijn harp en riep Capi, die, toen hij mijn instrument en +mijn vroegere kleederdracht weder zag, die niets vreeselijks voor +hem hadden, vroolijk om mij heen sprong, daar hij begreep, dat wij +weder op reis zouden gaan en hij zijn vrijheid daarmede herkreeg, +wat voor hem wel zoo verkieslijk was. + +Het oogenblik van scheiding was aangebroken. Tante Katherina zorgde, +dat het van korten duur zou wezen; zij liet Martha, Alexis en Benjamin +instijgen en beval mij, Lize op haar schoot te zetten. + +Toen ik geheel terneergeslagen bleef staan, duwde zij mij een weinig +weg en sloot het portier. + +--Vooruit! zeide zij. + +En het rijtuig reed weg. + +Door mijn tranen heen zag ik Lize's gezichtje nog even uit het +rijtuig steken en wuifde zij met de hand. Een oogenblik later sloeg +het rijtuig een hoek om en zag ik niets dan een grijze stofwolk. + +Alles was voorbij. + +Op mijn harp geleund, met Capi aan mijn voeten, bleef ik gedachteloos +voor mij uitstaren en het stof gadeslaan, dat op straat neerviel. + +Een buurman zou ons huis sluiten en de sleutels voor den eigenaar +bewaren; hij stoorde mij in mijn overpeinzing en bracht mij in de +werkelijkheid terug. + +--Blijft gij hier? vroeg hij. + +--Neen, ik vertrek. + +--Waar gaat gij heen? + +--Recht toe recht aan. + +Waarschijnlijk gevoelde hij medelijden met mij, want hij reikte mij +de hand. + +--Als gij hier wilt blijven, kunt gij bij mij komen, maar zonder iets +te verdienen; want gij zijt niet sterk genoeg; later misschien wel. + +Ik bedankte hem. + +--Zooals gij wilt, het was voor uw bestwil, goede reis! + +En hij verwijderde zich. Het rijtuig was vertrokken; het huis gesloten. + +Ik hing mijn harp over den schouder; dit had ik vroeger zoo menigmaal +gedaan en het trok thans Capi's aandacht; hij richtte zich op en keek +mij met zijn glinsterende oogen aan. + +--Kom Capi! + +Hij begreep dit en sprong blaffende tegen mij op. Ik wendde mijn +oogen van het huis af, waarin ik twee jaar lang gelukkig had mogen +zijn en waarin ik altijd had willen blijven. + +Ik zag recht voor mij uit. + +De zon stond hoog aan den hemel; het was een heldere lucht en zeer +warm; het had niets van dien kouden nacht, waarin ik uitgeput van +vermoeienis voor deze deur nederviel. + +Die twee jaren waren slechts een oponthoud geweest en thans was ik +weder genoodzaakt mijn weg te hervatten. + +Maar dit oponthoud had weldadig op mij gewerkt. + +Het had mij krachtiger gemaakt. En hetgeen nog dubbel zooveel voor +mij was, ik gevoelde, dat ik vrienden had gekregen. + +Ik was niet meer alleen op de wereld. + +Ik had voortaan een doel in mijn leven: hun die van mij hielden en +van wie ik hield, nuttig te zijn en genoegen te geven. + +Een nieuw leven opende zich voor mij. + +Voorwaarts! + + + + +XXII. + +VOORWAARTS. + + +Voorwaarts! + +De wijde wereld lag daar voor mij open, het deed er niet toe, naar +welken kant ik mijn schreden richtte, het kwam er niet op aan of +ik naar het noorden of het zuiden, het oosten of het westen ging; +ik was geheel vrij. + +Hoewel nog maar een knaap, was ik geheel mijn eigen meester. + +Helaas! juist dit was het meest treurige van mijn toestand. + +Er zijn kinderen, die dikwijls bij zichzelf zeggen: "O, kon ik maar +doen, wat ik gaarne wilde!" en die met verlangen den dag tegemoetzien, +waarop zij van hun vrijheid kunnen gebruik maken ... om dwaasheden +te begaan. + +Ik dacht bij mezelf: "Och, had ik toch maar iemand, die mij kon raden +en leiden." + +Tusschen die kinderen en mij was er dus een treurig onderscheid. + +Wanneer zij eene dwaasheid begaan, dan hebben zij altijd iemand in +hun nabijheid, die hun de hand reikt, wanneer zij struikelen, of om +hen op te beuren als zij gevallen zijn, terwijl ik niemand had. Als +ik struikelde, zou ik moeten vallen en beproeven alleen op te staan, +zoo ik althans nog in staat was om op te staan. + +Ik had genoeg ondervinding om te begrijpen, dat dit mijn toestand +wezen kon--wat mij, ik moet het bekennen, wel eenigen angst aanjoeg. + +Hoewel nog zeer jong, was ik reeds vaak door het ongeluk getroffen +en ik was er dus op bedacht voorzichtiger te zijn dan andere kinderen +van mijn leeftijd; maar dat voordeel had ik echter duur moeten koopen. + +Vóór ik den weg, die voor mij openlag, betrad, wilde ik eerst hem, +die de laatste jaren een vader voor mij geweest was, bezoeken: daar +tante Katherina mij niet met de kinderen had medegenomen om hem vaarwel +te zeggen, moest ik thans wel alleen afscheid van hem gaan nemen. + +Zonder ooit zelf voor schuld in hechtenis te zijn genomen, had ik +er toch genoeg over hooren spreken om zeker te zijn, dat ik hem in +de gevangenis zou vinden. Ik volgde den weg naar de Madeleine, dien +ik zeer goed kende. Daar tante Katherina en de kinderen bij hem waren +toegelaten, zou men ook mij niet weigeren. Ik was immers ook zijn kind, +of liever ik was zijn kind geweest, want hij had mij liefgehad! + +Ik durfde, met Capi op mijne hielen, mij niet in alle straten +van Parijs wagen. Wat zou ik den agenten van politie hebben moeten +antwoorden, als zij mij aanhielden? Voor hen was ik het meest bevreesd +geworden, want ik had niet vergeten wat er te Toulouse gebeurd was. Ik +bond Capi dus een touw om den hals, wat hem zeer in zijn eigenliefde +scheen te kwetsen, en daarop begaven wij ons naar de gevangenis +van Clichy. + +Er zijn in de wereld dikwijls zeer treurige dingen, die, als wij ze +zien, ons in somber gepeins doen vervallen; ik ken er geen droever en +onaangenamer dan de deur van een gevangenis; dit maakt ons koud om het +harte, meer nog dan de ingang van een grafkelder; de dooden, waarop +een steen rust, gevoelen dien niet; de gevangenen zijn levend begraven. + +Ik bleef een oogenblik stilstaan vóór ik de gevangenis van Clichy +durfde binnentreden, zoo bekroop mij de angst, dat men mij er zou +houden, en dat die deur, die zware deur, zich nooit weder voor mij +zou openen. + +Ik verbeeldde mij, dat het zeer moeilijk was om een gevangenis +te verlaten, maar ik wist niet, dat er ook heelwat zwarigheden te +overwinnen waren, eer men ze kon binnentreden. Ik ondervond dit thans. + +Eindelijk echter gelukte het mij, daar ik mij niet liet afschrikken +of terugzenden, om te worden toegelaten bij hem, dien ik zien wilde. + +Men liet mij in een spreekkamer, waar geen tralies voor de vensters +waren, zooals ik dacht, dat er zijn zouden, en vader Acquin trad +ongeboeid binnen. + +--Ik verwachtte u, mijn beste Rémi, zeide hij, en ik heb Katherina +beknord, dat zij u niet met de kinderen medegebracht had. + +Dien geheelen morgen was ik zeer neerslachtig geweest; zijn woorden +beurden mij eenigszins op. + +--Tante Katherina wilde mij niet medenemen. + +--Dat was ook onmogelijk, beste jongen; men doet in deze wereld +niet alles wat men wil. Ik ben ervan overtuigd dat gij hard zoudt +gewerkt hebben om uw kost te verdienen, maar mijn zwager Suriot zou +u geen werk hebben kunnen verschaffen. Hij is sluiswachter aan het +kanaal van Nivernais en de sluiswachters, dat weet ge, kunnen geen +tuinlieden gebruiken. De kinderen hebben mij verteld, dat gij weder +wilt gaan zingen. Gij zijt dus vergeten, dat gij bijna van koude en +honger zijt omgekomen. + +--Neen, dat ben ik niet vergeten. + +--Toen waart gij niet alleen, toen hadt gij iemand, die u leiden kon; +op uw leeftijd, mijn jongen, is het een gewaagde stap om geheel alleen +zulke verre tochten af te leggen. + +--Ik heb Capi nog. + +Wanneer Capi zijn naam hoorde noemen, begon hij altijd te blaffen, +alsof hij daarmede zeggen wilde: "Ik ben er nog, als gij mij noodig +hebt, hier sta ik." + +--Ja, Capi is een goede hond, maar hij is slechts een hond. Hoe zult +gij uw kost verdienen? + +--Met zingen en door Capi comedie te laten spelen. + +--Capi kan toch alleen geen comedie-spelen. + +--Ik zal hem kunstjes leeren, niet waar Capi, gij wilt immers alles +leeren, wat ik wil? + +Hij legde zijn poot op de borst. + +--Geloof mij, mijn jongen, als gij verstandig doet, moet ge een dienst +zoeken; gij zijt een goed werkman en daarmede kunt gij verder komen +dan met langs den weg te loopen; dat is toch eigenlijk maar goed +voor luiaards. + +--Ik ben niet lui, dat weet ge wel en ik heb mij ook nooit beklaagd, +dat ik te veel werk had. Bij u zou ik zooveel gewerkt hebben als ik +kon, en ik zou altijd bij u gebleven zijn, maar ik wil niet bij een +ander in dienst gaan. + +Ik zeide deze woorden zeker op zonderlingen toon, want vader Acquin +zag mij aan zonder te antwoorden. + +--Gij hebt ons dikwijls verteld, begon hij eindelijk, dat gij niet +wist, wie Vitalis was, en dat gij bij u zelf dikwijls verwonderd +waart over de wijze, waarop hij de menschen aanzag, en over zijn +voorname manieren, waarmede hij ze behandelde; maar weet gij wel, dat +ook gij die manieren hebt en men u, naar uw voorkomen te oordeelen, +ook niet voor een armen drommel zou houden? Gij wilt niet bij anderen +gaan dienen. Nu, misschien hebt gij gelijk en wat ik u daareven zeide +was voor uw bestwil, voor niets anders, geloof dat maar. Ik meende, +dat het mijn plicht was, om zoo tot u te spreken. Maar gij zijt uw +eigen meester, daar gij geen ouders hebt en ik voortaan uw vader niet +meer zijn kan. Een arme ongelukkige, zooals ik ben, heeft geen recht +van spreken. + +Zijn woorden hadden mij diep getroffen, vooral daar ik dit ongeveer +tot mezelf ook reeds gezegd had. + +Ja, het was gewaagd om geheel alleen langs de groote wegen te loopen; +ik gevoelde dat, ik zag het zelf ook in, en wanneer men, zooals +ik, reeds een zwervend leven geleid had, als men nachten had moeten +doorbrengen als die, toen onze honden door de wolven verslonden werden, +of die als in de steengroeven van Gentilly; wanneer men het eene +dorp na het andere wordt uitgejaagd, zonder een stuiver te verdienen, +zooals mij overkomen was, toen Vitalis in de gevangenis zat, dan wist +men ook aan welke gevaren men zich blootstelde, en welk een ellende +zulk een zwervend leven medebrengt, en men nooit zeker kan zijn van +den dag die volgen moet, als men zelfs niet zeker is van het oogenblik. + +Maar zoo ik dit leven varen liet, dan schoot mij slechts één ding over +wat vader Acquin mij ook aan de hand gedaan had--een dienst zoeken, +en ik wilde niet in dienst gaan. Misschien was het een zeer verkeerde +trots van mij, vooral in mijn toestand; maar ik had een meester gehad, +aan wien ik verkocht was geworden, en hoewel deze zeer goed voor mij +was geweest, wenschte ik thans toch geen ander, dat stond bij mij vast. + +Wat mij nog eer besluiten deed, bij mijn voornemen te blijven om +een vrij leven te leiden, was de belofte, die ik aan de kinderen van +Acquin had gedaan, want dan zou ik ze aan hun lot moeten overlaten. 't +Is waar, zij konden zeer goed buiten mij, want zij zouden elkander +kunnen schrijven; maar Lize! Lize niet, want zij kon niet schrijven +en tante Katherina evenmin. Lize zou dus voor ons verloren zijn, +als ik haar niet bezocht. Wat zou zij van mij denken? Zij kon niet +anders gelooven, dan dat ik niet meer van haar hield, van haar, die +altijd even lief voor mij geweest was, die mij steeds gelukkig had +gemaakt. Dat was niet mogelijk. + +--Wilt gij dan niet, dat ik u nu en dan eenige tijding van hen +breng? vroeg ik hem. + +--Zij hebben mij daar iets van verteld; maar ik dacht ook niet aan +ons, toen ik u aanraadde om van uw muzikanten-leven af te zien; +men moet niet eerst aan zich zelf denken en dan aan anderen. + +--Juist, vader; gij ziet dus dat gij mij zelf aanwijst, wat mij te +doen staat; wanneer ik van mijn voornemen afzie, uit vrees voor de +gevaren, waarvan gij spreekt, dan zou ik aan mezelf denken en niet +aan u en aan Lize. + +Hij zag mij weder aan, maar nu nog langer; daarop vatte hij eensklaps +mijn beide handen. + +--Voor die woorden moet ik je danken, mijn jongen; gij hebt een hart +en dat krijgt men niet met de jaren. + +Wij waren alleen in de spreekkamer en zaten naast elkander op een +bank. Zijn woorden deden mij goed en ik was er trotsch op hem te +hooren zeggen, dat ik een hart had. + +--Ik zeg niets meer, mijn jongen, hervatte hij, dan: God behoede u. + +Een oogenblik zwegen wij beiden; de tijd was bijna verstreken en wij +moesten scheiden. + +Plotseling stak hij de hand in zijn vestzak en haalde een groot +zilveren horloge daaruit te voorschijn, dat met een koord aan een +knoop van zijn buis bevestigd was. + +--Wij mogen niet van elkander scheiden, zonder dat gij een aandenken +van mij hebt. Hier hebt ge mijn horloge. Het heeft niet veel waarde, +want ge begrijpt, dat ik het anders verkocht zou hebben. Het loopt +evenmin goed en nu en dan moet gij er maar eens een duwtje aan +geven. Maar het is al, wat ik op het oogenblik bezit; daarom geef ik +het u. + +Dit zeggende, legde hij het in mijn hand; toen ik er mij tegen verzette +om zulk een geschenk van hem aan te nemen, voegde hij er op treurigen +toon bij: + +--Gij begrijpt, dat ik hier niet behoef te weten, hoe laat het is; +de tijd duurt hier toch maar al te lang; ik zou er van sterven, als +ik de uren tellen moest. Vaarwel, goede Rémi, geef mij nog een kus; +gij zijt een brave jongen; zorg dat altijd te blijven. + +Ik geloof, dat hij mij toen bij de hand nam om mij naar de deur +te brengen; maar wat toen tusschen ons voorviel, wat wij toen tot +elkander zeiden, dat herinner ik mij niet meer; ik was te aangedaan. + +Als ik nog aan deze scheiding denk, als ik ze mij weder in het geheugen +terugroep, dan maakt zich weder dezelfde verslagenheid van mij meester. + +Ik geloof dat ik geruimen tijd voor de deur van de gevangenis staan +bleef, zonder er toe te kunnen komen om rechts of links te gaan en +misschien zou ik 's avonds daar nog gestaan hebben, als mijn hand +niet toevallig in mijn zak een rond en hard voorwerp gevoeld had. + +Werktuiglijk en zonder te weten wat ik deed, stamelde ik: "Mijn +horloge!" + +Voor het oogenblik vergat ik al mijn verdriet en kommer; ik dacht +slechts aan mijn horloge. Ik had een horloge, een eigen horloge in mijn +zak, waarop ik zien kon hoe laat het was: het stond op twaalf uur. Dat +was voor mij echter volstrekt van geen belang: mij was twaalf, tien of +twee uur even onverschillig; maar toch was ik blijde, dat het twaalf +uur was. Waarom? ik zou het moeilijk hebben kunnen zeggen; maar het +was zoo. O, twaalf uur, gelukkig reeds twaalf uur! Het scheen mij toe, +alsof een horloge een vertrouwd vriend was, aan wien men raad vraagt +en met wien men een gesprek voert. + +--Hoe laat is het, mijn vriend? + +--Twaalf uur, beste Rémi. + +--O twaalf uur, dan moet ik dit of dat gaan doen.--Zeker. + +--Gij hadt gelijk, dat ge mij er aan herinnerdet, want zonder u zou ik +het vergeten hebben.--Ik ben er immers om het u te helpen herinneren? + +Met Capi en mijn horloge kon ik dus voortaan spreken. + +Mijn horloge! Dat waren een paar heerlijke woorden om uit te +spreken. Ik had altijd naar een horloge verlangd en ik was er steeds +van overtuigd geweest, dat ik er nooit een bezitten zou. En toch had +ik er nu een in mijn zak, een dat voortdurend tikte. Het liep niet erg +goed, had vader Acquin gezegd. Het liep, en dat was voldoende. Nu en +dan moest ik eens aan de wijzers duwen. Dat zou ik van tijd tot tijd +doen en als dat niet hielp, zou ik het zelf wel eens nazien. Dat zou +eerst prettig zijn; ik zou het van binnen bekijken en zien hoe het +liep. Het moest goed loopen, want ik zou het zeer streng behandelen. + +Ik had mij zoo geheel door mijn vreugde laten medesleepen, dat ik niet +eens de blijdschap van Capi bemerkte; hij sprong tegen mijn beenen op +en liet van tijd tot tijd een zacht geblaf hooren. Eindelijk gelukte +het hem, om mij in mijn gepeins te storen. + +--Wat wilt gij Capi? + +Hij keek mij aan en daar ik hem niet terstond begreep, richtte hij +zich op en legde zijn poot op mijn zak, waarin ik het horloge bewaarde. + +Hij wilde weten hoe laat het was, om het aan het "geëerde publiek" +te kunnen zeggen, evenals toen hij nog bij Vitalis was. + +Ik liet het hem zien; een poos bleef hij er op staren, alsof hij zich +iets wilde herinneren; daarop kwispelde hij met den staart en blafte +twaalf maal: hij had het niet vergeten. Wat een geld zouden wij al +niet met dit horloge verdienen! Dat was nog een kunstverrichting, +waarop ik niet gerekend had. + +Dat dit allemaal op straat gebeurde, juist tegenover de deur van +de gevangenis, bleven verscheidene menschen stilstaan om ons gade +te slaan. + +Als ik gedurfd had, zou ik onmiddellijk een voorstelling gegeven +hebben, maar uit vrees voor de politie, stelde ik het voorloopig uit. + +Het was bovendien twaalf uur en juist een geschikte tijd om opweg +te gaan. + +--Voorwaarts! + +Ik wierp een laatsten blik, een laatst vaarwel naar de gevangenis, +achter wier muren de ongelukkige Acquin zat opgesloten, terwijl ik +vrij was en gaan kon, waarheen ik wilde. Wij vertrokken. + +Wat mij op mijn reizen het meest van pas kon komen, was een kaart van +Frankrijk; ik wist waar ik die koopen kon en begaf mij in de eerste +plaats daarheen. + +Toen ik een plein overstak, viel mijn oog op de wijzerplaat van den +toren der Tuileriën en gevoelde ik lust om te zien of de klok en mijn +horloge gelijk gingen. Mijn horloge stond op halfeen en de klok wees +één uur. Wie van beide liep dus te langzaam of te snel? Ik gevoelde +grooten lust om mijn horloge wat vooruit te zetten, maar na een +oogenblik nadenken zag ik hiervan af: het was volstrekt niet zeker, dat +mijn horloge verkeerd liep; het kon zeer wel zijn, dat de klok slecht +ging. Ik borg mijn horloge dus weer in mijn zak en zeide tot mezelf, +dat voor hetgeen ik te doen had, dit juist de geschiktste tijd was. + +Het duurde lang eer ik een kaart had, tenminste zoo'n kaart als +ik wenschte te hebben, namelijk een, die op linnen geplakt was en +dichtgevouwen kon worden, en niet duurder dan twee francs, wat voor +mij al zeer veel was. Gelukkig vond ik er een, die geel was geworden +en die ik voor een prijsje kon koopen. + +Nu kon ik Parijs verlaten, wat ik dan ook besloot zoo spoedig mogelijk +te doen. + +Tusschen twee wegen kon ik kiezen, dien van Fontainebleau naar de +grenzen van Italië of dien van Orléans over Montrouge; de een was mij +even onverschillig als de ander en het toeval wilde, dat ik dien van +Fontainebleau koos. + +Toen ik op een bordje den naam van de straat Mouffetard las, kwamen +tal van herinneringen bij mij op: Garofoli, Mattia, Riccardo, de +knaap met zijn marmotjes, de zweep en Vitalis, mijn goede meester, +die gestorven was, omdat hij mij niet verhuurd had aan den _padrone_ +in de straat Lourcine; ik meende zelfs bij den ingang van de naburige +kerk in een knaap Mattia te herkennen: hij had hetzelfde groote hoofd, +dezelfde starende oogen en sprekende trekken, kortom, zijn gansche +voorkomen deed mij aan hem denken; maar zonderling, hij was in dien +tusschentijd niet gegroeid. + +Ik naderde hem om mezelf te overtuigen; er viel niet meer te twijfelen; +hij was het. Ook hij herkende mij, want op zijn bleek gelaat kwam +een glimlach. + +--Gij zijt immers met dien ouden man bij Garofoli geweest, juist toen +ik op het punt stond om naar het hospitaal te gaan? O wat had ik toen +een hoofdpijn! + +--En is Garofoli nog altijd uw meester? + +Hij wierp eerst een blik om zich heen, vóór dat hij mij antwoordde. + +--Garofoli is in de gevangenis; men heeft hem in hechtenis genomen, +omdat hij Orlando doodgeslagen heeft. + +Het deed mij genoegen, dat Garofoli in de gevangenis zat en voor +de eerste maal in mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat de +gevangenissen, die mij gewoonlijk zooveel afschuw inboezemden, toch +ook haar nut hadden. + +--En de jongens? vroeg ik. + +--O, dat weet ik niet; ik was niet bij Garofoli's inhechtenisneming +tegenwoordig. Toen ik het gasthuis verliet, zag Garofoli in, dat ik +niet geschikt was om geslagen te worden, daar ik er altijd ziek van +werd; hij besloot toen om mij weg te zenden en verhuurde mij voor twee +jaar, met vooruitbetaling, aan het paardenspel van Gassot. Kent gij +het paardenspel van Gassot niet? Het is niet heel groot, maar het is er +toch een. Zij hadden daar een knaap noodig om bij den ingang te staan +en Garofoli verhuurde mij aan Gassot. Bij dezen ben ik tot verleden +Maandag gebleven; toen heeft hij mij weggezonden, omdat mijn hoofd +te groot is om achter het loketje te zitten. Ik heb Gisors, waar het +cirque was opgeslagen, verlaten om weder bij Garofoli te komen, maar +deze was nergens te vinden; het huis was gesloten en een buurman heeft +mij verteld, dat Garofoli in de gevangenis zat. Ik ben toen daarheen +gegaan, daar ik niet wist wat te doen of waarheen mij te begeven. + +--Waarom zijt ge niet naar Gisors teruggekeerd? + +--Omdat dienzelfden dag, toen ik het paardenspel verliet, dit naar +Rouaan vertrok, en hoe zou ik te Rouaan komen? Het is veel te ver en +ik heb geen geld; sedert gisterenmiddag heb ik niets gegeten. + +Ik was niet rijk, maar ik had toch geld genoeg om dit ongelukkige kind +niet van honger te laten omkomen; hoe dankbaar zou ik niet geweest +zijn als men mij op weg naar Toulouse, toen ik even hongerig was als +Mattia op dit oogenblik, een stukje brood gegeven had. + +--Wacht hier op mij, zeide ik. + +Ik liep zoo gauw ik kon naar een bakker, die op den hoek van de straat +woonde en keerde met een stuk brood terug, dat ik hem aanbood; hij +brak het klein en begon er met gulzigheid van te eten. + +--En wat wilt gij nu gaan doen? vroeg ik. + +--Dat weet ik niet. + +--Gij moet toch iets gaan beginnen. + +--Ik wilde juist mijn viool gaan verkoopen, toen gij mij aanspraakt +en zeker zou ik ze reeds verkocht hebben, als het mij niet zooveel +kostte om ervan te scheiden. Het is mijn eenig genot en troost. Als +ik mij erg treurig gevoel, dan zonder ik mij af en speel voor mezelf +eenigen tijd en dan zie ik allerlei mooie dingen in den hemel, veel +mooier nog dan in mijn droomen; dat spreekt. + +--Waarom speelt gij dan niet op straat op uw viool? + +--Ik heb erop gespeeld, maar niemand heeft mij er iets voor gegeven. + +Ik wist hoe onaangenaam het was, als niemand eraan dacht om zijn hand +in den zak te steken. + +--En gij? vroeg Mattia, wat gaat gij thans doen? + +Ik weet niet waarom, maar door een gevoel van ijdelheid gedreven, +zeide ik: + +--Wel, ik ben het hoofd van een troep. + +Het was de waarheid, dat ik een troep bezat, want Capi maakte er een +deel van uit, maar toch grensden mijn woorden zeer nauw aan een leugen. + +--O, als gij dan wilt.... begon Mattia. + +--Wàt? + +--Mij bij uw troep opnemen. + +Toen werd ik weder oprecht. + +--Hier hebt gij mijn heelen troep, zeide ik, op Capi wijzende. + +--Welnu, wat doet er dat toe, dan zijn we met ons drieën. Ik +bid u, laat mij niet aan mijn lot over; wat zou er van mij +worden? waarschijnlijk zou ik van honger sterven. + +Van honger sterven! Allen, die dezen kreet hooren, zullen er +niet denzelfden zin aan hechten en menigeen zal hem zelfs niet +begrijpen. Mij sneed hij door de ziel: ik wist wat het zeggen wilde +van honger te sterven. + +--Ik kan werken, vervolgde Mattia; ik speelde viool, ik kan +koorddansen, door een hoepel springen en zingen; gij zult zien, ik zal +alles doen wat gij wilt; ik zal uw knecht zijn, ik zal u gehoorzamen; +ik behoef geen geld, maar slechts voedsel, als ik iets verkeerd doe, +dan kunt gij mij slaan; maar gij moet mij niet op mijn hoofd slaan, +dat moet gij mij beloven, want mijn hoofd is zeer gevoelig, daar +Garofoli mij zoo dikwijls erop geslagen heeft. + +Toen ik dien armen Mattia zoo hoorde spreken, voelde ik dat er tranen +in mijn oogen welden. Het zou mij onmogelijk zijn geweest hem zijn +verzoek niet in te willigen. Van honger sterven! Maar had hij met mij +daar niet evenveel kans op als wanneer hij alleen bleef? Ik maakte +hem daarop opmerkzaam, maar hij wilde er niets van hooren. + +--Neen, antwoordde hij, met zijn beiden sterft men niet van honger; +men steunt en helpt elkander; hij die iets heeft, geeft aan den ander +een deel van het zijne. + +Deze woorden maakten een eind aan mijn aarzeling: daar ik iets had, +moest ik hem dus helpen. + +--Nu, sla dan toe, zeide ik. + +Hij vatte mijn hand en kuste die, en dit trof mij zoo, dat ik niet +langer mijn tranen bedwingen kon. + +Ga met mij mede, zeide ik, maar niet als mijn knecht, als mijn makker. + +Ik hing toen mijn harp weder over den schouder. + +--Voorwaarts! sprak ik. + +Een kwartier later hadden wij Parijs verlaten. + +De voorjaarszon had de wegen gedroogd en de grond was zelfs hard, +zoodat wij gemakkelijk konden voortloopen. + +Het was zoel in de lucht en de aprilzon stond aan den blauwen, +onbewolkten hemel. + +Welk een verschil met dien dag, toen ik voor de eerste maal Parijs +binnentrad, die stad waarnaar ik zoo vurig had verlangd, alsof Parijs +het beloofde land was. + +Langs de slooten zag men hier en daar reeds eenige grassprieten en +een meizoentje of krokus kwam van afstand tot afstand uit de aarde +te voorschijn. + +Als wij voorbij tuinen kwamen, zagen wij de takjes der seringen +tusschen het groen, dat door een zacht koeltje bewogen werd en soms +viel de bloesem van een vroeg bloeienden boom ons op 't hoofd. + +In de tuinen, in het kreupelhout langs den weg, in de hooge boomen, +overal hoorden wij het tjilpen der vogels en voor ons uit scheerden +van tijd tot tijd de zwaluwen langs den weg, om het een of ander +onzichtbaar mugje te vervolgen. + +Onze reis begon goed en vol vertrouwen stapte ik voort; Capi, die nu +van zijn touw bevrijd was, sprong om ons heen en blafte alle rijtuigen +en steenhoopen aan, blafte tegen alles en niets, uit louter pleizier +om te blaffen, wat voor de honden waarschijnlijk een even groot genot +moet zijn als voor de menschen om te zingen. + +Mattia liep zwijgend naast mij voort; ongetwijfeld dacht hij over +alles na en ik zeide ook niets, daar ik hem niet wilde storen en ik +zelf ook tot nadenken wilde komen. + +Waarheen gingen wij met zulk een vastberaden tred? + +Eerlijk gezegd wist ik het zelf niet goed, of liever in het geheel +niet. + +Voorwaarts! + +Maar dan? + +Ik had aan Lize beloofd, dat ik eerst Martha en haar broeders zou gaan +zien, vóór ik haar bezoeken zou; maar verder had ik geen afspraak +gemaakt; het was dus hetzelfde met wien ik begon, of ik eerst naar +Cevennes, naar Charente of naar Picardië ging. + +Daar ik Parijs in een zuidelijke richting verlaten had, sprak het +vanzelf, dat Benjamin niet in de termen van een bezoek viel, maar +dat ik tusschen Alexis en Martha kiezen moest. + +Niet zonder reden had ik Parijs aan die zijde verlaten, want ik had +een onbestemd verlangen om vrouw Barberin terug te zien. + +Al heb ik in lang niet over haar gesproken, men moet daaruit niet +opmaken, dat ik haar als een ondankbare vergeten had. + +Evenmin moet men mij voor ondankbaar houden, omdat ik haar nooit had +geschreven in al den tijd, dat ik van haar gescheiden was geweest. + +Hoe dikwijls kwam de gedachte niet bij mij op om aan haar te schrijven +en haar te zeggen: "Ik denk aan u en ik houd altijd nog veel van u"; +maar daar ik bang was voor Barberin, zag ik telkens van dit plan af. + +Als Barberin mij eens door middel van mijn brief terugvond, en mij +dan weder bij zich nam; als hij mij nogmaals aan een anderen Vitalis +verkocht, die niet als mijn oude Vitalis zou zijn? Ongetwijfeld had +hij daartoe het recht. En deze gedachte deed mij telkens besluiten, +liever van ondankbaarheid beschuldigd te worden, dan gevaar te loopen +weder in Barberins macht te vallen, hetzij hij daarvan gebruik maakte +om mij te verkoopen, hetzij hij mij onder zijn opzicht zou laten +werken. Liever zou ik sterven--desnoods van honger sterven--dan aan +een dergelijk gevaar te worden blootgesteld, waarvan het denkbeeld +alleen mij reeds schrik aanjoeg. + +Maar zoo ik niet aan vrouw Barberin had durven schrijven, scheen het +mij toch toe, dat ik vrij was om te gaan waar ik wilde, en ik kon +tenminste beproeven haar te zien. Zelfs sedert ik Mattia bij mijn +troep had opgenomen, zeide ik tot mezelf, dat het zeer gemakkelijk +gaan zou. Ik zou Mattia vooruitzenden, terwijl ik uit voorzichtigheid +achter zou blijven; hij zou bij vrouw Barberin binnengaan en haar +onder het een of ander voorwendsel laten praten; als zij alleen was, +zou hij haar de waarheid kunnen zeggen, mij komen waarschuwen en ik +zou den drempel van het huis weder betreden, waar ik als kind gewoond +had en mij in de armen werpen van haar, die mij in mijn eerste jeugd +had verzorgd; maar als Barberin tehuis was, dan zou Mattia vrouw +Barberin verzoeken op een bepaalde plaats te komen, en daar zou ik +haar dan komen omhelzen. + +Terwijl ik voortliep, bouwde ik deze luchtkasteelen en dit maakte mij +stil, want ik had al mijn gedachten en al mijn overleg wel noodig om +zulk een belangrijk punt vast te stellen. + +Ik moest niet alleen de gelegenheid vinden om vrouw Barberin op te +zoeken, maar ik moest ook mezelf overtuigen, dat wij door steden en +dorpen zouden trekken, die ons een voldoende opbrengst zouden geven. + +Daarvoor moest ik eerst mijn kaart raadplegen. + +Wij waren nu geheel buiten en wij konden zeer goed een oogenblik +uitrusten, zonder dat we bevreesd behoefden te zijn om gestoord +te worden. + +--Als gij het goedvindt, zeide ik tot Mattia, dan zullen we hier wat +uitrusten. Vindt ge het goed, dat we nu eens praten? + +--Hebt gij mij iets te zeggen? + +--Ja. + +Ik haalde uit mijn reiszak de kaart te voorschijn en spreidde die op +het gras uit. Het duurde lang eer ik mij goed op de hoogte gesteld had, +maar eindelijk gelukte het mij toch mijn weg af te bakenen: Corbeil, +Fontainebleau, Montargis, Gien, Bourges, Saint-Amand, Montlucour. Wij +konden dus zeer goed naar Chavanon gaan en als het ons nu wat medeliep, +dan zouden we op weg geen honger behoeven te lijden. + +--Wat is dat? vroeg Mattia, op de kaart wijzende. + +Ik legde hem toen uit wat het was en waartoe het diende, met ongeveer +dezelfde woorden, als Vitalis gebruikt had, toen hij mij de eerste +les in de aardrijkskunde gaf. + +Hij luisterde aandachtig, terwijl hij mij strak aanzag. + +--Maar dan moet men kunnen lezen. + +--Zeker; kunt gij dan niet lezen? + +--Neen. + +--Wilt gij het leeren? + +--Kan men dan op de kaart den weg van Gisors naar Parijs vinden. + +--Zeker, zeer gemakkelijk zelfs. + +En ik wees hem dien op de kaart. + +In het eerst wilde hij niet gelooven wat ik hem vertelde, terwijl ik +met mijn vinger den weg op de kaart volgde. + +Ik legde hem toen zoo goed mogelijk, hoewel niet zeer duidelijk, +uit, op welke wijze de afstanden op de kaart worden aangewezen; hij +luisterde wel naar mij, maar scheen niet zeer veel vertrouwen in mijn +wetenschap te stellen. + +Toen ik mijn zak geopend had, kwam ik op de gedachte om hem eens +nader te onderzoeken en ik was ook blijde, dat ik al mijn schatten +aan Mattia kon laten zien. Ik legde ze allen op het gras. + +Ik bezat drie linnen hemden, drie paar kousen, vijf zakdoeken; alles +was zeer goed in orde, behalve een paar halfversleten schoenen. + +Mattia stond als verstomd. + +--En wat hebt gij? vroeg ik. + +--Ik heb mijn viool en die draag ik altijd bij mij. + +--Welnu, zeide ik, wij zullen alles deelen, zooals dat onder makkers +behoort: gij krijgt twee hemden, twee paar kousen en drie zakdoeken; +daar wij alles eerlijk moeten deelen, zullen wij beurtelings elk een +uur lang de reistasch dragen. + +Mattia weigerde eerst dit aanbod aan te nemen, maar ik was reeds +gewend om bevelen te geven, wat ik zeer prettig vond--dat moet ik +bekennen--en ik verbood hem dus zich hiertegen langer te verzetten. + +Op mijn hemden had ik het werktaschje van Martha uitgestald en het +doosje van Lize daarnaast gelegd; hij wilde dit openen, maar dat +stond ik hem niet toe; ik legde het daarom weder in de tasch zonder +het zelf te openen. + +--Zoo ge mij plezier wilt doen, zeide ik, dan zult ge nooit aan dit +doosje komen; dat is een geschenk. + +--Goed, hernam hij, ik beloof het u. + +Sedert ik weder mijn schapevacht en mijn harp had omgehangen, had +ik toch iets, dat mij hinderde:--het was mijn broek. Ik meende dat +een kunstenaar geen lange broek moest dragen; als men in het publiek +optrad, moest men korte broeken dragen met kousen, waarover gekleurde +schoenlinten kruiselings gebonden waren. Een lange broek was goed +voor een tuinman, maar niet voor mij, die nu kunstenaar was!... + +Als men zich eenmaal iets in het hoofd gesteld heeft en meester over +zijn eigen daden is, dan wacht men niet lang om zijn wil ten uitvoer +te brengen. Ik opende Martha's werktaschje en haalde de schaar eruit +te voorschijn. + +--Terwijl ik mijn broek in orde maak, zeide ik tot Mattia, moet gij +mij in dien tijd eens laten hooren, hoe gij op de viool speelt. + +--O, dat is goed. + +Hij nam daarop de viool en begon te spelen. + +In dien tusschentijd zette ik dapper de punt der schaar in de stof +van mijn broek, even boven de knie en begon er de beenen af te knippen. + +Het was een goede broek van grijs laken, evenals mijn jas en vest, +en toen vader Acquin haar mij gegeven had, was ik er erg mede in +mijn schik geweest; maar het kwam niet bij mij op, dat ik haar geheel +vernielde door er een stuk af te knippen; integendeel. + +In het eerst had ik onder het knippen naar Mattia geluisterd, maar +al spoedig had ik de schaar opzijde gelegd en was ik geheel gehoor; +Mattia speelde bijna even mooi als Vitalis. + +--En wie heeft u viool leeren spelen? vroeg ik, in de handen klappend. + +--Niemand, of liever iedereen, en vooral mezelf, door mij veel +te oefenen. + +--En wie heeft u muziek geleerd? + +--Dat weet ik niet; ik speel wat ik heb hooren spelen. + +--Kent gij de noten? + +--Neen. + +--Ik zal ze u leeren. + +--Gij kent dus alles? + +--Dat moet wel, daar ik directeur van een tooneelgezelschap ben. + +Men is geen kunstenaar zonder eigenwaan; ik wilde aan Mattia toonen, +dat ik ook musicus was. + +Ik nam mijn harp, en zonder eenige inleiding begon ik mijn beroemd +lied. + + + "Fenesta vascia e + padrona crudele". + + +En zooals het onder artisten behoort, betaalde Mattia mijn spel met +dezelfde loftuitingen als ik het zijne; hij had veel talent, maar +ook ik had talent en wij waren elkander waardig. + +Maar toch konden wij daar niet blijven zitten en elkaar tal van +complimenten maken; wij moesten, na voor ons zelven en ons eigen +genot muziek te hebben gemaakt, muziek maken voor een avondmaal en +een slaapplaats. + +Ik sloot mijn reiszak weder, dien Mattia thans over zijn schouder hing. + +En nu voorwaarts over den bestoven weg; nu moesten wij in het eerste +dorp, waar wij aankwamen, blijven en daar een voorstelling geven; +"eerste optreden van het gezelschap Rémi." + +--Leer mij uw lied, zeide Mattia, wij zullen het dan samen zingen en +ik denk, dat ik het wel spoedig met de viool zal kunnen begeleiden; +dat moet zeer mooi zijn. + +Dat zou zeker zeer mooi zijn en het "geëerde publiek" zou wel een hart +van steen moeten hebben om ons niet ruimschoots daarvoor te beloonen. + +Die studie werd ons echter bespaard. Toen wij een dorp bereikten en +wij bezig waren een geschikte plaats voor onze voorstelling uit te +zoeken, kwamen wij voorbij een boerderij, waar tal van menschen, +gedost in hun zondagsche kleeren met bloemen en linten versierd, +bij elkander waren; men behoefde niet heel slim te zijn om te raden, +dat dit een bruiloft was. + +Plotseling viel het mij in, dat deze menschen het misschien wel prettig +zouden vinden, als wij muziek maakten om hen te laten dansen; ik liep +de plaats dus op, gevolgd door Mattia en Capi, en met mijn hoed in +de hand en eene diepe buiging--de deftige buiging van Vitalis--deed +ik aan den eersten persoon, dien ik tegenkwam, dit voorstel. + +Het was een groote jonge man, wiens rood gelaat door een paar stijve +hooge boorden, die tot aan de ooren reikten, was ingesloten; hij zag +er goedhartig en bedaard uit. + +Hij gaf mij geen antwoord; maar zich geheel omkeerende tot eenige +bruiloftsgasten--want zijn fonkelnieuwe jas scheen hem in zijn +bewegingen te hinderen--stak hij twee vingers in den mond, en liet +daarop een schel gefluit hooren, waarvan zelfs Capi schrikte. + +--Heilo, ho! vrienden! riep hij; wat dunkt u van een stukje +muziek? Hier komen juist eenige muzikanten. + +--O ja, ja! muziek, muziek! riepen allen als uit één mond. + +--Ruimte voor een quadrille. + +En binnen weinige minuten hadden de dansers een kring gevormd en +waren alle kippen en vogels die rondliepen op de vlucht geslagen. + +--Hebt gij wel eens een quadrille gespeeld? vroeg ik Mattia fluisterend +in het italiaansch, want ik gevoelde mij in het geheel niet gerust. + +--Ja. + +En hij begon er een op zijn viool te spelen, toevallig kende ik de +wijs. Wij waren dus gered. + +Er werd een karretje uit den stal gehaald en de boomen op den grond +gelegd, zoodat wij er konden instijgen. + +Hoewel we nooit samen gespeeld hadden, bleef onze quadrille toch +goed in de maat. Het is waar, ons publiek was niet zeer fijn noch +aan veel gewend. + +--Kan een van u op den waldhoren blazen? vroeg de groote man. + +--Ja, ik, antwoordde Mattia, maar ik bezit er geen. + +--Ik zal er een gaan halen, want ik vind een viool wel heel mooi, +maar ijselijk pieperig. + +--Speelt gij dan ook op den waldhoren? vroeg ik in het italiaansch +aan Mattia. + +--Ook op de schuiftrompet en de fluit. + +Mattia was ongetwijfeld een groote aanwinst voor mij. + +De waldhoren was spoedig gehaald en weder begonnen wij quadrilles, +polka's en walsen te spelen. + +Wij speelden, zonder een oogenblik op te houden, tot aan den nacht +toe door; dat was voor mij niet heel erg, maar wel voor Mattia, want +hij had de zwaarste partij, daar hij bovendien vermoeid was van de +reis en de ontberingen. + +Van tijd tot tijd zag ik hem bleek worden, maar hij speelde toch door, +en blies zoo hard hij kon door den horen. + +Gelukkig was ik niet de eenige, die zijn bleekheid opmerkte; de bruid +zag het eveneens. + +--Nu is het genoeg, sprak zij, de kleine jongen kan het niet langer +volhouden; nu moet ieder zijn beurs openen voor de muzikanten. + +--Als gij het goedvindt, zeide ik, terwijl ik uit den wagen sprong, +dan zal onze kassier met het bakje rondgaan. + +Ik wierp Capi mijn hoed toe, dien hij in zijn bek opving. + +Allen bewonderden om strijd de bevallige buiging, die hij maakte, +als men hem iets gegeven had, maar wat voor ons nog wel het meeste +waard was, hij haalde zeer veel op; daar ik hem met de oogen volgde, +kon ik telkens een stuk zilver zien glinsteren; bij de bruid kwam +hij het laatst en deze legde er een vijf francs stuk in. + +Welk een schat! En daarmede was het nog niet gedaan. Men noodigde +ons in de keuken en zorgde in een schuur voor een slaapplaats. Als +wij den anderen morgen deze gastvrije woning verlieten, zouden wij +minstens dertig francs bezitten. + +--Dat hebben we aan u te danken, Mattia, zeide ik tot mijn makker; +alleen zou ik nooit zoo'n orkest hebben kunnen samenstellen. + +Toen ik dit zeide, schoten mij plotseling de woorden van vader Acquin +te binnen, toen ik begonnen was met Lize les te geven. Weder had ik +een bewijs, dat men beloond wordt voor het goede, dat men doet. + +--Ik had een dwazer streek kunnen begaan dan u in mijn troep op +te nemen. + +Met dertig francs in onzen zak waren wij rijk, en toen wij te +Corbeil kwamen, durfde ik, zonder al te onvoorzichtig te zijn, eenige +noodzakelijke inkoopen doen; in de eerste plaats een waldhoren, die +ons bij een oudroest drie francs kostte; hij was wel niet nieuw, maar +toch tamelijk onderhouden en zeker zou hij ons goed te stade komen; +voorts kocht ik rood lint voor onze kousen en een versleten ransel +voor Mattia, want het was minder vermoeiend om altijd een lichten zak, +dan nu en dan een zwaren op den rug te dragen. Wij zouden alles wat +wij dragen moesten eerlijk verdeelen en op die wijze veel vlugger +kunnen loopen. + +Toen we Corbeil verlieten, waren wij werkelijk goed ingespannen, +al onze inkoopen waren betaald, en wij hadden nog acht en twintig +francs over, daar onze voorstellingen zeer veel hadden opgebracht. Ons +répertoire hadden we zóó samengesteld, dat we verscheidene dagen +achtereen in dezelfde streek konden blijven, zonder dat we te veel in +herhalingen behoefden te vervallen; gelukkig konden Mattia en ik het +uitmuntend met elkaar vinden en waren wij als broeders voor elkander. + +--Gij begrijpt toch wel, dat het al te mooi is, dat de chef van een +troep nooit slaat, zeide hij dikwijls, lachende. + +--Gij zijt dus tevreden? + +--Of ik tevreden ben! Voor het eerst van mijn leven, sedert ik mijn +land verlaten heb, verlang ik niet naar het ziekenhuis. + +Deze gunstige toestand prikkelde mijne eerzucht. + +Toen wij Corbeil verlaten hadden, begaven we ons naar Montargis, +welke stad in dezelfde richting ligt als het dorp van vrouw Barberin. + +Als ik moeder Barberin ging opzoeken, kweet ik mij tevens van mijn +schuld; toch kon ik haar maar zeer weinig en lang niet voldoende mijn +dank bewijzen. + +Als ik eens iets voor haar medebracht.... + +Nu ik rijk was, mocht ik haar ook wel een geschenk aanbieden. + +Wat zou ik haar geven? + +Lang zou ik niet behoeven te zoeken. + +Eén ding zou haar overgelukkig maken, niet alleen voor het oogenblik, +maar zelfs op haar ouden dag,--een koe, die de plaats van de arme +_Roussette_ zou kunnen innemen. + +Hoe blijde zou vrouw Barberin zijn als ik haar een koe gaf, maar welk +een genot zou dit ook voor mij zijn! + +Vóór dat wij te Chavanon kwamen, zou ik een koe koopen en +Mattia zou haar dan aan een touw het hek van vrouw Barberin +binnenleiden. Tenminste als Barberin er niet was.--Vrouw Barberin, zou +Mattia zeggen, hier breng ik u een koe.--Een koe! gij zijt verkeerd, +mijn jongen.--En zij zou zuchten.--Neen vrouwtje, ik ben niet verkeerd, +want gij zijt immers vrouw Barberin uit Chavanon? Welnu, bij vrouw +Barberin heeft de prins (evenals in de sprookjes) gezegd, dat ik deze +koe brengen moest.--Welke prins? Ik zou dan te voorschijn komen en mij +in de armen van mijn pleegmoeder werpen, en als we elkaar dan alles +verteld hadden, zouden we wafels gaan bakken, die wij drieën en niet +Barberin zouden eten, zooals op dien Woensdag, toen hij teruggekomen +was en onze pan omgeworpen en de boter voor zijn uiensoep gebruikt had. + +Welk een heerlijke droom! Maar om dien te verwezenlijken moest ik +een koe kunnen koopen. + +Wat zou een koe wel kosten? Daar had ik volstrekt geen begrip van; +zeker zeer duur; maar hoe duur dan wel? + +Ik wilde geen heel groote en geen heel zware koe. Want in de eerste +plaats, hoe zwaarder ze weegt, hoe duurder zij is en bovendien, +hoe vetter een koe is, hoe meer zij eet, en ik wilde niet dat mijn +geschenk vrouw Barberin in verlegenheid zou brengen. + +Voor het oogenblik moest ik dus slechts den prijs der koeien weten, +of liever van een koe, zooals ik er een verlangde. + +Gelukkig was dit niet zeer moeielijk voor mij en onderweg of 's avonds +in de herberg kwamen wij dikwijls in aanraking met koeiendrijvers of +verkoopers. Niets was dus eenvoudiger dan hun naar den prijs te vragen. + +De eerste maal, dat ik deze vraag aan een ossendrijver deed, wiens +eerlijk gelaat mij had aangetrokken, lachte hij mij in mijn gezicht +uit. + +De man sloeg met zijn vuist op de tafel, terwijl hij zijn rug in zijn +stoel wierp; daarop riep hij de waardin. + +--Weet ge, wat mij die kleine muzikant vraagt? Wat een koe kost, geen +groote en geen zware, maar toch een goede koe. Moet zij misschien +kunstjes leeren? + +En wederom begon hij te lachen, maar ik liet mij niet van mijn stuk +brengen. + +--Zij moet veel melk geven en niet velen eten. + +--Moet zij misschien evenals uw hond aan een touw langs den weg loopen? + +Toen hij eindelijk uitgelachen had en zijn spotternijen ophielden, +was hij wel geneigd mij een ernstig antwoord te geven en begon hij +zelfs een gesprek met mij. + +Hij had juist wat ik verlangde, een goede koe, die veel melk gaf, +melk zoo dik als room, en bijna niets at; als ik hem tweehonderd +francs gaf, dan kreeg ik de koe. + +Hoeveel moeite het mij gekost had om hem tot spreken te krijgen, +het viel mij nog zwaarder om hem te doen zwijgen, toen hij eenmaal +begonnen was. + +Eindelijk konden wij naar bed gaan en ik had alle gelegenheid om over +zijn woorden na te denken. + +Tweehonderd francs, zoo'n som zou ik nog in langen tijd niet bij +elkander hebben. + +Zou ik die kunnen verdienen? Het scheen mij onmogelijk toe en toch, +als het ons nu evenzoo bleef medeloopen als in de eerste dagen het +geval was, dan zou ik er misschien kunnen komen. Maar ik moest er +den tijd voor hebben. + +Ik kwam toen op een andere gedachte; als wij inplaats van naar Chavanon +te gaan, eerst Varses bezochten, daarmede zouden wij dan tevens tijd +winnen, daar het een omweg was. + +We moesten dus eerst naar Varses trekken en vrouw Barberin op onzen +terugweg bezoeken; ik zou dan zeker mijn honderd gulden hebben en +wij konden ons tooneelstuk: "_De koe van den Prins_" vertoonen. + +Den anderen dag maakte ik Mattia met mijn plan bekend, en deze verzette +er zich volstrekt niet tegen. + +--Laten wij naar Varses gaan, zeide hij; de mijnen zijn zeer +belangrijk, vooral daar ik er nooit een gezien heb. + + + + +XXIII. + +EEN ZWARTE STAD. + + +Het is een lange weg van Montargis naar Varses, dat in het midden +van de Cevennes ligt op de helling van den berg, die zich naar de +Middellandsche Zee buigt; vijf- of zeshonderd mijl recht toe recht +aan. Voor ons was hij zelfs wel duizend mijl, daar wij genoodzaakt +waren verscheidene omwegen te maken, om onze levenswijs te kunnen +voortzetten. Wij moesten heelwat steden en dorpen bezoeken om eene +goede som te maken. + +Bijna drie maanden hadden wij noodig om den weg af te leggen, maar +toen wij in de nabijheid van Varses kwamen, mocht ik dan ook, nadat ik +mijn geld had nageteld, de voldoening smaken, mijn tijd goed besteed +te hebben; in mijn leeren beurs had ik honderd zeventig francs, die +ik bespaard had op mijn uitgaven; ik kwam dus nog dertig francs te +kort voor de koe, die ik voor vrouw Barberin koopen wilde. + +Mattia was hierover bijna even blij als ik en hij was er niet weinig +trotsch op, dat hij er van zijn kant ook veel toe bijgebracht had om +zulk een aanzienlijke som bijeen te garen. Zijn aandeel was dan ook +werkelijk groot, want zonder hem, en vooral zonder zijn waldhoren, +zouden Capi en ik nooit honderd zeventig francs bijeengezameld hebben. + +Van Varses naar Chavanon zou het ons stellig wel gelukken om de dertig +francs, die ons nog ontbraken, te verdienen. + +Varses, waar wij het eerst aankwamen, was honderd jaar geleden +een arm dorp, dat als in de bergen verloren lag en slechts bekend +was door _de kinderen van God_, die onder de leiding stonden van +Jean Cavalier. Zijn ligging, midden in de bergen, was vooral zeer +belangrijk wegens de vervolging der Camisards, maar die ligging was +tevens juist oorzaak van de armoede, welke er heerschte. Omstreeks +1750 ontdekte een bejaard edelman, die een manie voor opgravingen +had, verscheidene kolenmijnen te Varses en sedert dien tijd voorzag +deze stad met Alais en Saint-Gervais het zuiden van Frankrijk van +steenkolen en wel in zulk een hoeveelheid, dat ze aan de Engelschen +het kolendebiet in de Middellandsche Zee betwistten. Toen de edelman +met zijn nasporingen begonnen was, werd hij van alle zijden bespot, +en toen hij tot op een diepte van honderd vijftig meter had gegraven, +zonder nog iets gevonden te hebben, nam men zelfs maatregelen om hem +als krankzinnige in een gesticht op te sluiten, daar zijn gansche +fortuin met deze opgravingen geheel te gronde zou gaan. Varses bezat, +naar men vroeger beweerd had, ijzermijnen; men vond ze niet; men +zou er ook nooit steenkolen vinden. Zonder hierop te antwoorden en +om zich aan de spotternijen te onttrekken, sloot hij zich in zijn +groeve op en verliet deze niet meer; hij at en sliep daar en niemand +dan zijn werklieden konden zijn beweren in twijfel trekken; bij elken +slag, dien zij met het houweel deden, haalden zij de schouders op, +maar aangespoord door de overtuiging van hun meester, volhardden +zij bij hun arbeid en de groeven werden dieper. Toen zij tweehonderd +meter diep gegraven hadden, vonden zij een steenkolenlaag: de bejaarde +edelman was niet langer een krankzinnige; hij was toen een geniaal man; +in één dag was de verandering volkomen. + +Tegenwoordig telt Varses 12,000 inwoners, en gaat het een groote +toekomst voor zijn nijverheid tegemoet, daar 't op het oogenblik met +Alais en Bességes de hoop van het Zuiden is. + +Wat Varses' fortuin maakt en maken zal is juist hetgeen zich onder +en niet boven den grond bevindt. Het levert een treurig en verlaten +tafereel op; alles is even onvruchtbaar; men ziet er geen boomen dan +hier en daar een kastanje, een moerbeziënboom of eenige kwijnende +olijfboomen; maar de grond voedt de planten niet: alom aanschouwt +men grijze of witte steenen; slechts daar waar de aarde eenige diepte +heeft en de regen erin wordt opgenomen, ontwikkelt zich een weelderige +plantenwereld, die een lieflijk verschil oplevert met de naakte bergen. + +Uit de onvruchtbaarheid ontstonden zware overstroomingen, want als +het regent, loopt het water langs de steile hellingen, als over een +geplaveide straat en de beken, die gewoonlijk droog zijn, zwellen dan +weder in die mate, dat de rivieren, welke zij voeden, buiten hare +oevers treden en de dalen overstroomen. In weinige minuten stijgt +het peil van de bedding, drie, vier, vijf el en soms meer. + +Varses ligt op de beide oevers van eene der rivieren, de Divonne, +die in de stad zelve twee kleine, maar krachtige stroompjes in zich +opneemt: de Truyère en de Saint-Andéol. Het is geene fraaie stad, +niet zeer zindelijk en zeer onregelmatig. De wagens met ijzererts of +met steenkolen beladen, die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat +over de rails loopen, welke dwars door de straten zijn aangelegd, +laten daar onophoudelijk eene roode en zwarte stof achter, die op +regenachtige dagen eene dikke slijklaag vormt, en den grond in +een moeras herschept. Als daarentegen de zon schijnt en de wind +waait, stijgen en dwarrelen wolken op, die tot boven de huizen zich +verheffen. Van boven tot onder zijn de huizen zwart, zwart door +slijk en stof, die tot aan de daken oprijst; zwart door den rook der +ovens en fornuizen, welke uit de schoorsteenen neerslaat tot op de +straat; alles is zwart, de grond, de lucht, tot zelfs het water in +de Divonne. Nochtans zijn de menschen op straat nog zwarter dan hunne +omgeving: de zwarte paarden, de zwarte wagens, de bladeren der zwarte +boomen; nu en dan verkrijgt men den indruk, dat een wolk van roet op +de stad is neergedaald of dat eene overstrooming van modderig water +de huizen tot aan den nok heeft omspoeld. + +De straten zijn niet aangelegd voor wagens en ook niet voor +voetgangers, maar voor spoortreinen en karren uit de mijnen; de bodem +is geheel bedekt met rails, door wissels met elkander verbonden; +boven de hoofden zijn hangende bruggen gemaakt, ziet men drijfriemen +loopen of kettingen, die met een oorverdoovend gedruisch lasten +ophijschen of aflaten; de uitgestrekte gebouwen, die men voorbijgaat, +dreunen tot op hunne grondvesten en wanneer men door de deuren of +vensters naar binnen ziet, ontwaart men smeltende massa's, die als +reusachtige dieren over den grond voortkruipen; stoomhamers, die een +vuur van vonken om zich verspreiden en overal en altijd de zuigers der +stoomwerktuigen, die regelmatig rijzen en dalen. Geen monumenten, geen +tuinen, geen beelden op de pleinen; alles gelijkt elkander en is naar +hetzelfde model gebouwd: log en vierkant. De kerk en het gerechtshof +en de school, allen zijn kubieke blokken met meer of minder ramen, +naarmate hunne bestemming medebrengt. + +Toen wij in de nabijheid van Varses kwamen, was het ongeveer drie +uren in den namiddag en de zon schitterde aan den effen hemel; maar +naarmate wij dichterbij kwamen, werd de lucht somberder; tusschen hemel +en aarde hing een dichte wolk van rook, die langzaam zich voortbewoog +en bij de hooge schoorsteenen zich verdeelde. Sedert een uur hoorden +wij een dreunend zuchten, een zwaar geruisch als dat eener onstuimige +zee met zware slagen vermengd. Dit dreunen werd veroorzaakt door de +wentelende assen, de slagen door de hamers en zuigers. + +Ik wist dat de oom van Alexis in de mijnen van Varses werkte en wel +in die van Truyère, maar meer ook niet. Of hij in Varses zelf woonde +of in den omtrek, was mij onbekend. + +Toen ik in de stad kwam, vroeg ik, waar ik de mijn van Truyère kon +vinden en men wees mij een weg in de richting van den linkeroever der +Divonne, eene kleine vallei door een beek doorsneden, welke haar naam +aan de mijn gegeven heeft. + +Zoo het uiterlijk der stad weinig bekoorlijk is, de vallei zelve ziet +er akelig en somber uit: een kring van naakte rotsen, waarop boom noch +plant groeit, is bedekt met eene laag grijsachtige puin, waardoor hier +en daar de roode bodem zichtbaar is. Aan den ingang der vallei zijn +de gebouwen die voor de exploitatie der mijn dienen, bergplaatsen +van karren, stallen, magazijnen, kantoren en de schoorsteenen der +stoommachines. Daaromheen lagen hooge stapels steenkolen en steenen. + +Toen wij de gebouwen genaderd waren, trad een jonge vrouw met een +verwilderd voorkomen en loshangende haren ons tegemoet; zij sleepte +een klein kind met zich voort; zij hield ons staande en vroeg mij: + +--Weet gij een koelen weg? + +Ik zag haar verwonderd aan. + +--Ja, een weg waarop boomen staan, waar het lommerrijk is en waarlangs +een beekje kabbelt en waar de vogels tjilpen. + +En zij begon zachtkens te fluiten. + +--Zijt gij niet langs dien weg gekomen? vervolgde zij, toen ik haar +geen antwoord gaf, maar zonder, naar het scheen, mijn verbazing op +te merken; dat spijt mij. Hij is dus zeker nog ver. Is hij rechts of +links? Wees zoo vriendelijk het mij te zeggen, mijn jongen, want ik +zoek hem en kan hem niet vinden. + +Zij sprak zeer snel, terwijl zij onophoudelijk met haar eene hand +wuifde en met de andere over het hoofd van het kind streek. + +--Ik vraag u naar dien weg, want ik weet zeker, dat ik Marius daar +vinden zal. Hebt gij Marius gekend? Niet? Welnu, hij is de vader van +mijn kind. Toen het mijngas zich ontwikkelde, vluchtte hij naar dien +koelen weg; hij wandelt nu slechts op de koele wegen, daar die goed +zijn voor zijn brandwonden. Hij weet ze te vinden, maar ik niet: +daarom heb ik hem al in geen halfjaar gezien. Een halfjaar is lang, +wanneer men elkaar liefheeft. Een halfjaar, zes maanden! + +Zij keerde zich naar de gebouwen der mijn en wees toen met eene +onstuimige beweging naar de schoorsteenen van de machine, waaruit +dikke rookkolommen omhoog stegen. + +--Werken der duisternis zijn duivelswerken! riep zij uit. Hel, geef +mij mijn vader en mijn broeder en Marius terug; vervloekt zijt gij! + +Daarop keerde zij zich weder tot mij. + +--Gij zijt hier niet vandaan, niet waar? Uw schapevacht en uw hoed +zeggen mij, dat gij van verre komt: ga naar het kerkhof: tel een, +twee, drie, een, twee, drie, allen zijn ze in de mijn omgekomen. + +Daarop greep zij haar kind en drukte het in haar armen. + +--Gij krijgt mijn kleinen Pierre niet, nooit!.... het water is zoet, +het water is frisch. Waar is de weg? Daar gij het niet weet, zijt ge +dus even dom als de anderen, die mij uitlachen. Waarom houdt gij mij +dan staande? Marius wacht mij. + +Zij keerde mij den rug toe en snelde voort, terwijl zij weder begon +te fluiten. + +Ik begreep, dat zij krankzinnig was en haar echtgenoot had verloren +door een mijnontploffing, en dit gevaar en de ontmoeting met deze +ongelukkige vrouw, die van smart krankzinnig was geworden, bij den +ingang van de mijn, in dit verlaten land, onder dien somberen hemel, +stemde ons zeer treurig. + +Men wees ons het huis van oom Gaspard; hij woonde op een kleinen +afstand van de mijn, in een nauwe en steile straat, die naar den +heuvel bij de rivier voerde. + +Toen ik naar hem vroeg, gaf een vrouw, die tegen de deur geleund +stond en met een harer buurvrouwen in gesprek was, mij ten antwoord, +dat hij eerst tegen zes uur van zijn werk terugkeerde. + +--Wat wilt gij van hem hebben? vroeg zij. + +--Ik wilde Alexis bezoeken. + +Zij nam mij toen van het hoofd tot de voeten op en wierp vervolgens +een blik op Capi. + +--Zijt gij dan Rémi? Alexis heeft ons veel van u verteld; hij wachtte +u. Maar wie is hij? + +Zij wees op Mattia. + +--Dat is mijn makker. + +Het was de tante van Alexis. Ik dacht, dat zij ons zou uitnoodigen +binnen te treden en wat uit te rusten, want wij waren doodmoe en +verlangden erg naar rust; maar daar kwam niets van in; zij herhaalde +slechts, dat ik, tegen zes uur terugkomende, Alexis zou vinden, +die nu in de mijn werkte. + +Ik durfde niet vragen, wat men mij niet aanbood; ik bedankte haar en +wij begaven ons weder op weg om een bakker te zoeken, want wij hadden +ergen honger, daar wij den geheelen dag nog niets gehad hadden dan een +korstje brood, dat wij van den vorigen avond hadden overgehouden. Ik +schaamde mij zelfs over deze ontvangst, want ik gevoelde, dat Mattia +bij zichzelven vroeg, wat dit beteekende. + +Hadden wij daarom zooveel mijlen geloopen? + +Ik meende, dat Mattia al een zeer slechte gedachte van mijn vrienden +zou krijgen en dat, als ik hem weer over Lize sprak, hij niet met +dezelfde aandacht naar mij luisteren zou. En ik was er bijzonder op +gesteld, dat hij vooruit reeds van haar zou houden. + +De wijze, waarop wij ontvangen waren, spoorde mij niet aan om weer +naar die woning terug te keeren en wij besloten Alexis bij den uitgang +van de mijn op te wachten. + +Men haalt de kolen uit de mijn Truyère door drie schachten: de +Saint-Julien, Saint-Alphonsine en Saint-Pancrace; wij vatten post +bij een van deze schachten om Alexis op te wachten. Eenige minuten +vóór zessen, zag ik in de diepte van die duistere gangen lichtjes +flikkeren, die al spoedig grooter werden. Het waren de mijnwerkers, +die, met hun lampje in de hand, weder in het daglicht terugkeerden, +nadat hun arbeid volbracht was. + +Zij naderden langzaam met zwaren tred, alsof zij pijn in de knieën +hadden, wat ik mij later zeer goed begrijpen kon, toen ik zelf +verscheidene trappen en ladders, die tot de onderste gangen leiden, was +afgedaald; hun gelaat was even zwart als dat van de schoorsteenvegers +en hun kleederen en hoeden waren met een laag stof en moddervlekken +bedekt. + +Toen zij voorbij de plaats kwamen, waar de lampen bewaard werden, +hing elk zijn lamp aan een spijker. + +Hoewel ik zeer oplettend toekeek, zag ik Alexis er toch niet uitkomen, +en als hij mij niet om den hals gevallen was, zou ik hem zeker voorbij +hebben laten gaan, zonder hem te herkennen, zoo weinig geleek hij +thans, nu hij met stof en roet bedekt was, op mijn makker, die in +den tuin met ons speelde in zijn hagelwit hemd en zijn lagen kraag, +waaruit zijn blanke borst te voorschijn kwam. + +--Dat is Rémi, zeide hij tot een man van omstreeks veertig jaar, +die naast hem liep en een open, goedhartig gelaat had, evenals vader +Acquin, wat ook niet te verwonderen was, daar zij broeders waren. + +Ik begreep dat het oom Gaspard moest zijn. + +--Wij wachtten u reeds lang, zeide hij vriendelijk. + +--Het is een lange weg van Parijs naar Varses. + +--En uw beenen zijn kort, hernam hij lachend. + +Capi, die blijde was, dat hij Alexis terugzag, sprong aanhoudend +tegen hem op en beet nu eens in zijn mouw, dan weder in zijn broek. + +Intusschen vertelde ik aan oom Gaspard, dat Mattia mijn vriend en +mijn metgezel was, een goede jongen, dien ik reeds vroeger had gekend +en dien ik thans weergevonden had en die mooier dan iemand anders op +den waldhoren blazen kon. + +--En dat is Capi? vroeg oom Gaspard. Morgen is het Zondag en als gij +dan uitgerust zijt, kunt ge ons dus een voorstelling geven. Alexis +zegt, dat deze hond verstandiger is dan een schoolmeester of een +tooneelspeler. + +Zoo weinig als ik mij in tegenwoordigheid van tante Gaspard op mijn +gemak gevoeld had, zoo weinig verlegen was ik in het bijzijn van haar +echtgenoot: hij was werkelijk de waardige broeder van vader Acquin. + +--Ga nu maar met elkander vooruit, want gij zult elkaar wel veel +te vertellen hebben; ik zal mij bezighouden met dit jonge mensch, +dat zoo mooi op den waldhoren blaast. + +Wij zouden stof voor een gansche week gehad hebben, en dan zelfs +zouden wij nog niet uitgepraat zijn. Alexis wilde alles van mijn +reis weten en ik, van mijn kant, wenschte te vernemen, hoe hem dit +nieuwe leven aanstond; op die wijze deden we elkaar zooveel vragen, +dat we geen van beiden aan antwoorden dachten. + +Wij liepen langzaam en alle werklieden, die zich naar huis begaven, +haalden ons in; het was een lange rij, die bijna de geheele straat +besloeg en allen waren even zwart en met dezelfde stof overdekt, +die op den grond in een dikke laag lag gespreid. + +Toen wij het huis genaderd waren, voegde oom Gaspard zich bij ons. + +--Jongens, gij blijft bij ons eten. + +Nooit heeft een uitnoodiging mij meer genoegen gedaan, want terwijl +wij voortliepen, had ik mezelf reeds afgevraagd, of wij, wanneer we +de deur bereikt hadden, van elkander zouden moeten scheiden, daar de +wijze waarop de tante ons ontvangen had, niet veel goeds beloofde. + +--Daar is Rémi, zeide hij het huis binnentredende, en zijn vriend. + +--Ik heb ze daar straks reeds gezien. + +--Des te beter, dan is de kennis al gemaakt; zij blijven bij ons eten. + +Ik vond het heerlijk om met Alexis te eten, dat is te zeggen, om den +geheelen avond bij hem te kunnen zijn, maar eerlijk gezegd, vond ik het +ook prettig, dat ik een middagmaal kreeg. Sedert wij Parijs verlaten +hadden, was onze maaltijd er steeds bij ingeschoten, nu en dan een +korstje brood of een stukje spek, maar nooit een wezenlijk middagmaal, +aan een tafel, met een bord en vork. Onze verdiensten stelden ons wel +instaat een beter leven te leiden, maar wij moesten zooveel mogelijk +bezuinigen om de koe te koopen en Mattia was zoo goedhartig, dat hij +het bijna even gaarne deed als ik, bij de gedachte aan die koe. + +Dien avond echter zouden wij niet het genot van een maaltijd smaken; +ik zette mij aan tafel op een stoel, maar wij kregen geen soep. Tante +had den geheelen dag verpraat, eerst op het laatste oogenblik had zij +aan het eten voor haar man gedacht, met dit gevolg, dat wij koffie +en varkensvleesch kregen. Oom Gaspard was spoedig tevreden, want hij +hield veel van rust; hij at dus zijn spek en beklaagde zich niet, +of, zoo hij zich al een opmerking veroorloofde, dan deed hij dit zeer +kalm en bescheiden. + +--Zoo ik geen drinker word, zeide hij, zijn glas met water vullende, +dan is het omdat ik er te braaf voor ben; tracht ons morgen dus soep +te geven. + +--Als er tijd voor is. + +--Gaat de tijd dan boven de aarde sneller voorbij dan daaronder? + +--En wie zal uw goed verstellen? gij verslijt alles. Hij wierp toen +een blik op zijn gescheurde kleederen. + +--Wij zijn werkelijk gekleed als prinsen. Onze maaltijd duurde +niet lang. + +--Gij kunt bij Alexis slapen, mijn jongen. Daarop keerde hij zich +tot Mattia. + +--En voor u zal ik een bed van stroo maken. + +De avond en een groot gedeelte van den nacht werden door Alexis en +mij wakend doorgebracht. + +Oom Gaspard moest de steenkolen met het houweel losmaken, terwijl zijn +neef tot taak had de blokken op het wagentje, dat op de rails liep, +weg te rijden naar de plaats, waar het werd opgehaald. + +Hoewel hij nog sedert kort mijnwerker was, hield Alexis toch reeds +veel van zijn mijn en was hij trotsch op haar; zij was de mooiste en de +belangrijkste uit het land; hij sprak er over zooals een reiziger, die +uit een onbekende streek komt en nieuwsgierige ooren gevonden heeft. + +Eerst volgt men een gang, die in de rots is uitgehouwen en als men +tien minuten daarin geloopen heeft, komt men aan een rechte en steile +trap; onder aan die trap bevindt zich een houten ladder, daarna nog +een ladder en weer een ladder; dan heeft men de eerste laag bereikt, +die tot een diepte van vijftig meter gegraven is. Om tot de tweede +laag te komen, die op negentig meter en de derde, welke op tweehonderd +meter zich bevindt, is hetzelfde laddersysteem aangebracht. In die +derde laag werkte Alexis en om tot zijn werkplaats door te dringen, +had hij een driemaal langer weg af te leggen dan zij, die de torens +van de kerk _Notre-Dame_ te Parijs beklimmen. + +Maar terwijl de trappen van de _Notre-Dame_ gemakkelijk op en af zijn +te gaan, daar zij recht gebouwd en goed verlicht zijn, is dit in de +mijn niet het geval, omdat de treden, in verband met het gehalte van +de rots, nu eens verder van elkander verwijderd, dan weer dichter +bij elkander zijn. Geen ander licht schijnt hier dan het lampje, +dat men in de hand draagt en de grond is bedekt met vette aarde, +die aanhoudend door het druppelsgewijs doorsijpelend water vochtig +wordt gehouden en dikwijls ijskoud op het gelaat valt. + +Tweehonderd el te dalen, dit is veel, maar nog niet alles; men moest +dan door gangen naar de verschillende trappen gaan om zich naar de +werkplaats te begeven; de gangen in de mijn la Truyère hadden een +gezamenlijke lengte van 30 à 40 mijlen. + +Natuurlijk behoefde men die 40 mijlen niet af te leggen, maar +somtijds was het een vermoeiende tocht, want men liep in het water, +dat voortdurend door de rots sijpelde en middenop den weg zich tot +een beek vormde en tot aan de groeven stroomde, waar de machines het +opzogen om het buiten de mijn te brengen. + +Waar deze gangen door harde rotsen loopen, zijn het slechts +onderaardsche gewelven, maar als zij in een broze en deels +afgebrokkelde steenlaag zich bevinden, worden zij van boven beschoten +met een houten dak, dat door dennenhouten palen wordt geschut, omdat +door het uitzagen, het hout spoedig tot verrotting overgaat. Hoewel de +boomstammen zoo gesteld waren dat zij aan de drukking van het gewelf +weerstand konden bieden, is deze soms zoo sterk, dat de palen ombuigen, +de gangen smaller worden, of zoo laag, dat men er slechts op handen en +voeten door kan kruipen. Op dit hout ontwikkelden zich paddestoelen en +witte, wolachtige vlokjes, waarvan de witheid zonderling afstak bij den +zwarten grond; de gisting der boomen deed een sterken geur ontstaan, +en op de champignons, op de onbekende planten, op het witte mos, zag +men vliegen, spinnekoppen en vlinders, die niet op de soorten geleken, +welke men boven den grond ziet. Ook ratten kropen door deze holen en +vledermuizen hingen aan de palen met de koppen naar beneden. + +Deze gangen kruisen elkander op verschillende punten, evenals in Parijs +de pleinen en straten; er waren mooie en groote zooals de boulevards, +nauwe en lage zooals de onaanzienlijke straten in de achterbuurten; +deze onderaardsche stad was echter veel slechter verlicht dan de +straten zelfs bij nacht, want hier waren geen lantaarnen of gaspitten, +maar slechts de lampjes, welke de mijnwerkers bij zich dragen. Al was +het zeer donker, toch hoorde men aan het leven, dat er heerschte, +dat men niet onder de dooden toefde; in de werkplaatsen vernam men +de ontploffingen van het kruit, waarvan de lucht en de rook tot den +arbeider doordrongen; in de gangen hoorde men het rollen van de wagens; +in de schachten het wrijven tegen de touwen van de korven, waarmede +menschen en kolen opgehaald en neergelaten werden; en daar bovenuit +het dreunen der stoommachine, die op de tweede verdieping was gesteld. + +Vooral echter was men van een zonderling schouwspel getuige in de +gangen, die den loop der helling volgden. Daar zag men de halfnaakte +mijnwerkers, op hunne zijde liggende of op hunne knieën de kolen +uithouwen, die naar de benedengangen afrolden en vandaar naar de +schacht, waaruit zij werden opgeheschen. + +Zoo zag de mijn er uit op de dagen, dat er gewerkt werd, maar er waren +ook dagen, dat er buitengewone, helaas! altijd treurige gebeurtenissen +plaats grepen. Veertien dagen na zijne komst te Varses was Alexis van +een dier rampen getuige geweest, en bijna was hij zelf het slachtoffer +ervan geworden. Er had eene ontploffing van mijngas plaats gehad. Het +mijngas ontwikkelt zich vanzelf in de mijnen en ontploft zoodra +het met eene vlam in aanraking komt. Niets is vreeselijker dan zulk +eene ontploffing, waardoor alles verbrand en vernield wordt, wat het +gas op zijn weg ontmoet. Het is niet beter te vergelijken dan met de +ontploffing van een kruitmagazijn. Zoodra de vlam van eene lamp of van +een lucifer in aanraking komt met het mijngas, ontploft dit eensklaps +in alle gangen en verwoest alles in de mijn: zelfs in de schacht tot +toegang of luchtverversching dienende, waarvan zij vaak de houten +loods, die er boven gebouwd is, uiteenslaat. De hitte is somtijds +zoo groot, dat de steenkolen in de mijn in cokes worden veranderd. + +Zulk een mijnontploffing had zes weken geleden aan een tiental +arbeiders het leven gekost, en de weduwe van een dier werklieden was +tengevolge daarvan krankzinnig geworden; ik begreep dat dit de vrouw +met haar kind was, welke ik bij mijne aankomst had ontmoet en die +een lommerrijken weg zocht. + +Tegen de ontploffingen worden alle voorzorgsmaatregelen genomen. Het +was verboden te rooken en dikwijls waren de ingenieurs, wanneer zij +de ronde deden, verplicht den adem der mijnwerkers te ruiken, om te +ontdekken of zij ook het verbod overtreden hadden. Om die noodlottige +ontploffingen te voorkomen, maakte men gebruik van de Davy-lampen, +waarvan de vlam met dicht ijzergaas is omgeven, zoodat zij niet +in aanraking kan komen met het gas; in dien ontplofbaren dampkring +ontbrandt het gas wel in de lamp, maar de vlam deelt zich niet aan +de lucht daarbuiten mede. + +Alles wat Alexis mij vertelde wekte in hooge mate mijne +nieuwsgierigheid op, die toch reeds bij mijne komst te Varses vrij +groot was en versterkte mijn lust om in de mijnen te gaan; maar toen ik +den anderen morgen oom Gaspard daarvan sprak, gaf hij mij ten antwoord, +dat dit onmogelijk was, omdat niemand anders in de mijnen mocht komen +dan zij, die er in werkten. + +--Als ge mijnwerker wilt worden, voegde hij er lachend bij,--en dat +kost niet veel moeite--kunt gij gemakkelijk uw zin krijgen. Trouwens +dit vak is niet slechter dan eenig ander, en als ge bang zijt voor +regen of onweer is dit juist het baantje, dat u lijken zou. In ieder +geval is het beter dan straatzanger. Gij blijft dan bij Alexis. Wat +denk ge ervan, jongen? Voor Mattia zal ook wel iets gevonden worden +om aan den kost te komen, maar niet door op zijn horen te blazen. + +Maar ik was niet te Varses gekomen om daar te blijven; ik had mij eene +andere taak gesteld, een ander doel dan den ganschen dag kolenwagens +voort te duwen in de onderaardsche gangen der Truyère. + +Ik moest dus mijn begeerte om mijne nieuwsgierigheid te voldoen laten +varen en dacht, dat ik de stad verlaten zou zonder iets meer van de +mijnen te leeren kennen dan hetgeen Alexis er mij van verteld had, +of door mij kon opgemaakt worden uit de antwoorden, welke ik oom +Gaspard ontlokte, totdat geheel onverwachte, toevallige omstandigheden +mij de gevaren, waaraan de mijnwerkers zijn blootgesteld, in al hun +vreeselijkheid deden kennen. + + + + +XXIV. + +OPPERMAN. + + +Het leven van een mijnwerker is niet ongezond en behalve nu en dan +een kleine ongesteldheid, die het gevolg is van gebrek aan licht en +lucht, welke bloedarmoede veroorzaakt, is de mijnwerker even gezond als +de boer, die op het land woont; hij heeft zelfs nog dit boven dezen +voor, dat hij niet blootgesteld is aan de guurheden van het klimaat, +aan regen, koude of bovenmatige hitte. + +Voor hem echter bestaat het groote gevaar in mijninstortingen, +ontploffingen en overstroomingen, en tevens in de ongelukken, die +niet zijn arbeid gepaard gaan en het gevolg zijn van onvoorzichtigheid +of onhandigheid. + +Den avond vóór mijn vertrek keerde Alexis huiswaarts met een gekneusden +arm, daar een zwaar blok steenkool op hem was nedergevallen; een van +zijn vingers was bijna geheel verbrijzeld en de geheele hand gekwetst. + +De geneesheer kwam hem verbinden en deze verklaarde, dat zijn toestand +niet gevaarlijk was, dat zijn hand en vinger ongetwijfeld genezen +zouden, maar dat rust een eerste vereischte was. + +Oom Gaspard had de gewoonte om het leven te nemen, zooals het viel, +zonder ooit verdrietig of moedeloos er onder te worden; slechts één +ding was instaat hem zijn goed humeur te doen verliezen: een tijdelijke +verhindering om te werken. + +Toen hij hoorde dat Alexis gedwongen was om verscheidene dagen rust te +houden, was hij zeer knorrig: wie zou nu het wagentje voortrollen? hij +had niemand, die het werk van Alexis kon waarnemen; wanneer het +voor vast was, dan zou hij wel iemand vinden, maar voor enkele dagen +slechts was het op dit oogenblik zelfs onmogelijk; er bestond gebrek +aan mannen en vooral aan kinderen. + +Hij stelde wel pogingen in het werk om er een op te sporen, maar +keerde onverrichterzake huiswaarts. + +Hij begon toen weder te klagen en te jammeren; 't was waarlijk om +wanhopend te worden, want hij zou nu ook genoodzaakt worden zijn werk +te laten rusten, en hiertoe stelde zijn beurs hem niet instaat. + +Toen ik dit zag en de reden van zijn wanhoop begreep, gevoelde ik, +dat het bijna mijn plicht was om in zulke omstandigheden hem de mij +betoonde gastvrijheid te betalen; ik vroeg hem of het moeilijk was +om die betrekking te vervullen. + +--Niets is gemakkelijker; men behoeft slechts een wagen voort te duwen, +die over rails loopt. + +--Is die wagen zwaar? + +--Niet erg zwaar, daar Alexis hem kan voortduwen. + +--Welnu, als Alexis het kan, dan zou ik het ook wel kunnen. + +--Gij? + +En hij begon hartelijk te lachen, maar werd spoedig weder ernstig. + +--'t Is waar, gij zoudt het kunnen, zoo ge wildet. + +--Ik wil het, daar ik u dan van dienst kan zijn. + +--Gij zijt een goede jongen en het blijft afgesproken; morgen gaat gij +met mij naar de mijn; gij zult mij daar werkelijk van dienst kunnen +wezen; misschien is het voor u zelf ook wel nuttig; als ge lust +mocht gevoelen mijnwerker te worden, was dat stellig wel zoo goed, +dan langs den weg te loopen. In de mijnen behoeft men voor wolven +niet bevreesd te zijn. + +Wat zou Mattia doen, terwijl ik in de mijn was? Hij kon oom Gaspard +toch niet tot overlast zijn? + +Ik vroeg hem of hij alleen met Capi voorstellingen in den omtrek +wilde geven, waarin hij terstond toestemde. + +--Ik ben blij, dat ik nu alleen geld voor de koe kan verdienen, +zeide hij lachende. + +Sedert de drie maanden, dat wij samen in de open lucht leefden, +geleek Mattia volstrekt niet meer op het ziekelijke, bleeke kind +dat ik bij de kerk, bijna van honger stervende, gevonden had en nog +minder op den mismaakten knaap, dien ik voor het eerst op den zolder +van Garofoli ontmoette, bezig diens soep te koken en die van tijd +tot tijd zijn gezwollen hoofd in de handen moest laten rusten. + +Hij had thans geen hoofdpijn meer; hij had geen verdriet en voelde +zich nooit ziek; de straat Lourcine maakte hem zoo treurig; de zon +en de lucht schonken hem zijn gezondheid en zijn vroolijkheid terug. + +Gedurende onze reis was hij zeer opgewekt geweest en beschouwde hij +alles altijd van de goede zijde, schepte in alles behagen, was met een +kleinigheid gelukkig en trachtte steeds in het slechte het goede te +erkennen. Wat zou er zonder hem van mij geworden zijn? Hoe menigmaal +maakten vermoeidheid en zwaarmoedigheid mij niet wanhopend? + +Dit verschil tusschen ons kwam ongetwijfeld door ons karakter en onze +natuur, maar ook door de verscheidenheid van afkomst en ras. + +Hij was Italiaan en bezat eene zorgeloosheid, eene gemakkelijkheid +om zich in alle moeilijkheden zonder morren of klagen te schikken, +hetgeen mijn landgenooten niet kunnen, daar zij meer tot verzet en +strijd geneigd zijn. + +--Wat is dan uw land? zult gij vragen, hebt gij dan een land? + +Dat zal ik eerst later beantwoorden; voor het oogenblik bedoel ik +hiermede slechts, dat Mattia en ik niets op elkander geleken, waaraan +juist onze goede verstandhouding moet toegeschreven worden, die zelfs +dan niet minder werd, wanneer ik hem de noten en letters leerde. De +muziekles leverde volstrekt geen bezwaren op, maar met het lezen was +dit niet het geval geweest en licht had er een twist tusschen ons +kunnen ontstaan, daar ik niet het geduld en de toegevendheid bezat van +hen, die gewoon zijn kinderen te onderwijzen. Gelukkig kwam het nooit +tot eene uitbarsting tusschen ons, en zelfs wanneer ik onrechtvaardig +handelde, hetgeen meermalen gebeurde, werd Mattia niet boos. + +Wij besloten dus, dat, terwijl ik in de mijn werkte, Mattia eenige +voorstellingen zou geven, om ons inkomen te vermeerderen en Capi, dien +ik met deze schikking bekend maakte, scheen het evenzoo te begrijpen. + +Den anderen morgen gaf men mij het werkpak van Alexis. + +Nadat ik Mattia en Capi nogmaals op het hart gedrukt had om toch +vooral voorzichtig te wezen, volgde ik oom Gaspard. + +--Pas op, zeide hij, terwijl hij mij het licht overhandigde, volg +mijne schreden en als gij de ladder afdaalt, laat dan nooit de eene +trede los, vóór dat gij een andere vasthebt. + +Wij verdwenen in de gangen, hij vooruit en ik hem op de hielen +volgende. + +--Als gij op de ladder uitglijdt, vervolgde hij, laat u dan nooit +vallen, maar houd u tegen, want de bodem is diep en hard. + +Ik had zijn waarschuwingen niet noodig om ontroerd te wezen; ik +was uit mezelven reeds ontroerd genoeg, want niet zonder een zeker +gevoel van angst verlaat men het daglicht, om den nacht tegemoet te +treden, de oppervlakte van de aarde te verwisselen met haar peillooze +diepten. Onwillekeurig keerde ik mij om, maar wij waren reeds te ver +in de gang gevorderd en het daglicht in dien langen donkeren koker +was niet meer dan een witte schijf, evenals de maan wanneer ze aan +een donkeren hemel zonder sterren schijnt. Ik schaamde mij over deze +werktuiglijke beweging, die slechts een oogenblik duurde en volgde +terstond zijn schreden. + +--De trap, zeide hij weldra. + +Wij bevonden ons voor een donker gat, in welks voor mij bodemlooze +diepte tallooze lichtjes flikkerden, die bij den ingang vrij groot +waren, maar slechts puntjes werden, naarmate zij meer van ons +verwijderd waren. Het waren de lampen der mijnwerkers, die vóór +ons de mijn waren binnengegaan; het geluid hunner stemmen drong als +een dof gemurmel tot ons door, voortgedragen door een zwoele lucht, +die ons in het gelaat woei; die lucht had een geur, dien ik voor het +eerst in mijn leven rook; hij was echter met iets aromatisch vermengd. + +Na de trap volgden de ladders en na de ladders een andere trap. + +--Nu hebben we de eerste laag bereikt, zeide hij. + +Wij waren in een gewelfde gang met rechte wanden, waarvan de muren +waren gemetseld. Het gewelf was niet hooger dan een manslengte, maar +op enkele plaatsen moest men zich bukken om erdoor te gaan, hetzij +omdat het gewelf gezakt was, of omdat de grond hooger was geworden. + +--Dat is het gevolg van de verschuiving van het terrein, sprak +Gaspard. Daar de berg overal doorgraven is en zich telkens holten +vormen, zakt de aarde en wanneer zij te zwaar drukt, dan worden de +gangen saamgeperst. + +Op den grond lagen spoorwegrails en naast de gang stroomde een beekje. + +--Deze beek vereenigt zich met andere, die, evenals zij, het +doorgesijpelde water in zich opnemen: zij storten zich allen in een +put. Duizend of twaalfhonderd kubiek meter water moet de machine +dagelijks in de Divonne werpen. Wanneer zij stilstond, zou er +onmiddellijk een overstrooming volgen. Op dit oogenblik bevinden we +ons juist onder de Divonne. + +Toen ik een onwillekeurige beweging maakte, begon hij hartelijk +te lachen. + +--Op vijftig meter diepte bestaat er volstrekt geen gevaar, dat zij +in uw hals zal vallen. + +--Als ze een gat boorde? + +--O ja, een gat. Wel tien gangen loopen onder de rivier; er zijn +mijnen, waarin men voor overstroomingen bevreesd is, maar dat is bij +deze het geval niet; hier hebben we genoeg aan ontploffingen van het +mijngas en de instortingen. + +Toen wij onze werkplaats genaderd waren, legde Gaspard mij uit, wat +ik te verrichten had, en toen onze wagen vol steenkolen geladen was, +duwde hij hem voort om mij te wijzen hoe ik hem naar den put moest +rollen en wat ik doen moest, als ik een anderen wagen tegenkwam. + +Hij had gelijk, toen hij zeide, dat het geen moeilijk werk was, +en al was ik binnen weinige uren geen bekwaam arbeider, kon ik hem +toch voldoende bijstaan. Wel had ik er nog den slag niet van en was +ik ook niet handig, en wanneer men deze beide eigenschappen mist, +dan slaagt men zelden in een vak. Ik was dus genoodzaakt om mij meer +in te spannen, waarvan langzamer werken en grooter vermoeidheid het +gevolg was. + +Gelukkig was ik bestand tegen dergelijke vermoeienissen door mijn +levenswijze en vooral door de laatste reis; ik beklaagde mij dus +niet en oom Gaspard verklaarde, dat ik een flinke jongen was en later +ongetwijfeld een goed mijnwerker worden zou. + +Maar had ik grooten lust gevoeld om in de mijn af te dalen, ik had +weinig zin om er in te blijven; mijn nieuwsgierigheid had mij er toe +doen besluiten, maar toch gevoelde ik voor het mijnwerken niet de +minste roeping. + +Om onder den grond te leven moet men bijzondere hoedanigheden +bezitten, die ik miste; men moet van stilte en eenzaamheid en een +in-zich-zelf gekeerd leven houden. Men moet urenlang, geheele dagen, +verdiept in eigen mijmeringen, zonder ooit met iemand een woord te +kunnen wisselen, noch zich eenige afleiding te kunnen verschaffen, +in de mijn doorbrengen. En tot zulk een bestaan was ik ten eenemale +ongeschikt, daar ik te veel gewend was aan een zwervend leven, waarbij +ik zingen en loopen kon zooveel ik wilde; ik gevoelde mij al dien tijd, +dat ik het wagentje door die donkere gangen voortrolde, treurig en +droefgeestig gestemd; het flauwe licht, dat uit mijn lampje straalde, +het geluid van het rollen der andere wagens in de verte, het kletteren +van het water in de beek en nu en dan de kruitontploffingen in de mijn, +die in deze doodelijke stilte nog akeliger en zwaarder klonken--dat +alles viel niet in mijn geest. + +Daar het reeds een zwaar werk is, om de mijn binnen te gaan of ze te +verlaten, blijft men den ganschen dag, die twaalf uren duurt, er in +en men komt niet boven om te eten; men gebruikt het middagmaal onder +den grond. + +In de mijn van oom Gaspard was een opperman werkzaam, die inplaats +van een kind te zijn, zooals ik en de anderen, integendeel een oud +man was met een witten baard. Als ik zeg met een witten baard, moet +men daarbij wel in aanmerking nemen, dat die slechts des Zondags wit +was, wanneer de man zich goed had gewasschen, want in de week begon +hij des Maandags met grijs te zijn, om des Zaterdags geheel zwart +te wezen. De man was ongeveer zestig jaar oud. In zijn jeugd was hij +tuinman geweest; daarna moest hij zorgen voor het onderhoud van het +hout, dat in de gangen aangebracht was; maar bij een instorting waren +drie zijner vingers verbrijzeld, zoodat hij zijn taak niet langer had +kunnen volhouden. De maatschappij in wier dienst hij was, had hem een +klein jaargeld verstrekt, want deze ramp had hem getroffen, terwijl +hij drie zijner makkers redde. Gedurende eenige jaren had hij van dit +jaargeld geleefd. De maatschappij was toen failliet gegaan, en hij +verloor daarbij zijn pensioen en was wel genoodzaakt om als opperman in +de mijn van Truyère te gaan werken. Men noemde hem _de schoolmeester_, +omdat hij veel wist, dat de andere mijnwerkers niet wisten, en omdat +hij gaarne daarvan vertelde en trotsch was op zijn wetenschap. + +In de schofturen maakte ik kennis met hem en spoedig had hij een +groote genegenheid voor mij opgevat; ik was een onvermoeid vrager en +hij een onvermoeid prater. Wij werden zelfs onafscheidelijk. In de mijn +spreekt men gewoonlijk weinig en men noemde ons dan ook de babbelaars. + +Alexis had mij niet alles verteld wat ik weten wilde, en evenmin +hadden de antwoorden, die oom Gaspard mij gaf, mij kunnen voldoen, +want als ik hem vroeg: "Wat is steenkool?" gaf hij mij ten antwoord: +"Dat zijn kolen, die men onder den grond vindt." + +Zulke antwoorden konden mij niet bevredigen, daar Vitalis mij geleerd +had om mij niet zoo spoedig tevreden te stellen. Toen ik dezelfde vraag +herhaalde aan den schoolmeester, kreeg ik de bekende verklaringen, +dat steenkolen gevormd waren door de versteening van geheele levende +bosschen. + +--Wij hebben thans geen tijd om veel te praten, maar morgen is het +Zondag, kom dan maar eens bij mij, dan zal ik u allerlei soort van +steenkolen laten zien. Zij noemen mij den schoolmeester, maar gij zult +zien, dat die schoolmeester toch tot iets deugt. De mensch heeft zijn +leven niet alleen in zijn hand, maar ook in zijn hoofd. Evenals gij, +stelde ik op uw leeftijd in veel dingen belang; ik leefde in de mijn +en ik wilde alles, wat ik iederen dag in mijn omgeving zag, kennen; +ik heb veel van de ingenieurs geleerd, wanneer deze mij iets wilden +mededeelen en ik heb veel gelezen. Na mijn ongeluk heb ik veel vrijen +tijd gehad en dien heb ik nuttig besteed; als men oogen heeft om te +zien, en als men op die oogen de bril zet, die de boeken u geven, dan +eindigt men met veel op te merken. Nu heb ik niet veel tijd tot lezen, +en ik bezit geen geld om boeken te koopen, maar ik heb nog oogen en +die houd ik open. Kom morgen bij mij, dan zal ik u een massa dingen +laten zien. Men weet niet welk zaad een woord kan doen ontkiemen, +dat in een vruchtbaar oor gevallen is. Ik heb naar de mijnen te +Bessèges een geleerd man, Brouguiart genaamd, gevolgd en van dezen +heb ik gedurende zijn onderzoekingen veel gehoord, wat mij op het +denkbeeld bracht zelf te gaan leeren en dat is de oorzaak waarom ik +thans wat meer weet dan mijne makkers. Tot morgen. + +Den volgenden dag zeide ik aan oom Gaspard, dat ik den schoolmeester +een bezoek ging brengen. + +--O zoo, zeide hij lachend, hij heeft eindelijk een geduldig oor +gevonden; ga, mijn jongen, daar uw hart het u ingeeft; gij zult toch +wel gelooven, wat ge zelf wilt. Wanneer gij echter iets van hem leert, +wees er dan niet zoo ijdel op; als de schoolmeester niet zoo pedant +was, zou hij een beste kerel zijn. + +De schoolmeester woonde niet, evenals zijn makkers, in de kom van +de gemeente, maar op een kleinen afstand in een zeer onaanzienlijk +en armoedig gedeelte. Hij woonde bij een oude vrouw, de weduwe van +een mijnwerker, die bij een ontploffing het leven verloren had. Zij +verhuurde hem een soort kelder, waarin hij op de droogste plek zijn +bed geplaatst had, die echter zoo droog niet was of er groeiden nog +paddestoelen onder. Maar voor een mijnwerker, die gewend is met de +voeten in het water te staan en den ganschen dag water op zijn lijf +voelt druppelen, was dit iets van weinig belang. Hij had deze woning +gekozen, omdat hij dan in de nabijheid der kolenlagen zou zijn, +en daarin zijn nasporingen kon voortzetten en vooral omdat hij hier +naar welbehagen over steenkolen met afdrukken, fossielen enz. voor +zijn verzameling kon beschikken. + +Hij kwam mij halverwege te gemoet, toen ik binnentrad en op vroolijken +toon zeide hij: + +--Ik heb ook voor een lekker kostje gezorgd, want evengoed als de +jeugd ooren en oogen heeft, heeft zij een maag en die moet ook gevuld +worden; men voldoet dan aan alle eischen. + +Het lekkere kostje bestond uit gebraden kastanjes, die in witten wijn +gedoopt worden, wat men in de Cevennes voor een groote lekkernij houdt. + +--Als we dat op hebben, vervolgde de schoolmeester, dan zal ik u mijn +verzameling eens laten zien. + +Hij sprak het woord "_mijn verzameling_" op een toon, die het verwijt +van zijn makkers volkomen rechtvaardigde en ongetwijfeld kon een +conservator van een museum er niet trotscher op zijn. Bovendien +scheen mij de collectie zeer rijk toe, tenminste voor zoover ik er +over oordeelen kon, en zij nam bijna zijn geheele kamer in beslag, +daar de kleine stukken op de stoelen en de tafel waren uitgestald +en de grootere op den grond lagen. Twintig jaren lang had hij alles +verzameld, wat hij bij zijn werk vond en de moeite waard achtte om +te bewaren, en daar de mijnen van Cère en Divonne zeer rijk zijn +aan delfstoffen, bezat hij inderdaad zeldzame stukken, die een +natuurvorscher of een geoloog gelukkig gemaakt zouden hebben. + +Hij verlangde evenzeer om te spreken als ik om te luisteren; wij +hadden dus in zeer korten tijd onze kastanjes naar binnen gewerkt. + +Hij vertelde mij toen alles, wat ik gaarne weten wilde, terwijl hij +mij de verschillende namen zijner steenen opnoemde. De avond begon +reeds te vallen, eer hij hiermede geëindigd had, maar ik was toen +wel gedwongen, om naar de woning van oom Gaspard terug te keeren. + + + + +XXV. + +DE OVERSTROOMING. + + +Den anderen morgen begaven wij ons weder naar de mijn. + +--Wel, vroeg oom Gaspard aan den schoolmeester, zijt gij gisteren +tevreden over den knaap geweest? + +--Zeker, hij heeft ooren, en ik hoop, dat hij spoedig ook oogen +zal hebben. + +--Het voornaamste is dat hij armen heeft, antwoordde oom Gaspard. + +Hij gaf mij een houweel, om hem behulpzaam te wezen in het afbeitelen +van een stuk steenkool, waarvan hij het benedengedeelte onderhanden +had; de opperman moet den arbeider soms in het werk bijstaan. + +Toen ik de derde maal het wagentje naar den put Saint-Alphonsine +rolde, hoorde ik plotseling een oorverdoovend geraas, een vreeselijk +geweld zooals ik nog nooit gehoord had. Was het een verzakking of een +instorting? Ik luisterde; het geraas bleef voortduren en drong van +alle zijden naar binnen. Wat beteekende dit? Ik schrikte hevig en mijne +eerste gedachte was om naar de ladder te snellen en te ontvluchten. + +Maar men had reeds dikwijls met mijn bangheid den spot gedreven; uit +schaamte besloot ik te blijven. Was het een mijnontploffing of een +wagen, die in een put werd geledigd; of waren het slechts aardhoopen, +die door de gangen naar beneden stortten? + +Eensklaps snelde een bende ratten langs mij heen alsof zij een +escadron huzaren waren, die op de vlucht geslagen werden; daarop +hoorde ik een zonderling geritsel tegen den grond en de muren, +als het kabbelen van doorstroomend water. De plaats waar ik stond, +was echter geheel droog en dat geluid was mij dus onverklaarbaar. + +Ik nam mijn lampje en nadat ik een blik in het rond geworpen had, +bukte ik mij om langs den grond te kijken. + +Het was inderdaad het water; het kwam uit de putten en steeg naar de +gangen. Dat geweldige leven, dat gedonder werd dus veroorzaakt door +een waterloozing die de mijn binnendrong. + +Ik liet mijn wagen op de rails staan en ijlde naar de werkplaats. + +--Oom Gaspard, het water is in de mijn! + +--Wat een onzin! + +--Er is een gat door de Divonne geboord, laten wij ons redden. + +--Laat mij met rust. + +--Luister dan zelf. + +Ik zeide dit op zulk een angstigen toon, dat oom Gaspard zijn werk +een oogenblik staakte om te luisteren; hetzelfde geluid was het, maar +nog veel sterker, veel onheilspellender. Men kon zich niet vergissen: +het water stroomde met alle kracht binnen. + +--Red u, riep hij, het water is in de mijn! + +En al roepende: "het water is in de mijn", greep oom Gaspard zijn +lampje, want hiervoor zorgt de mijnwerker altijd in de eerste plaats, +en snelde de gang in. + +Nog geen tien stappen had ik gedaan, of ik zag den schoolmeester +eveneens zich naar de gang begeven, om naar het geluid te onderzoeken. + +--Water in de mijn! riep oom Gaspard hem toe. + +--De Divonne heeft een gat geboord! voegde ik er bij. + +--Zijt ge dwaas! + +--Redt u! riep de schoolmeester. + +De oppervlakte van het water was spoedig in de gang gestegen, en +reikte bijna tot onze knieën, wat ons het voortgaan zeer belemmerde. + +De schoolmeester liep met ons mede en alle drie snelden wij voort, +terwijl wij bij elke werkplaats riepen: + +--Redt u! Het water is in de mijn! + +Het water steeg met eene ontzettende snelheid; gelukkig waren wij +niet ver van de ladders verwijderd, daar wij deze anders nooit zouden +hebben bereikt. De schoolmeester was de eerste, maar hij wachtte. + +--Gaat gij maar vooruit, ik ben de oudste en ik heb een gerust geweten. + +Het was hier de plaats niet om beleefdheden met elkander te +wisselen; oom Gaspard klom het eerst naar boven, ik volgde hem en de +schoolmeester achter mij en na dezen, maar een heel eind achter hem, +eenige werklieden, die zich bij ons gevoegd hadden. + +Nooit waren de veertig meters, welke de eerste van de tweede laag +scheidden, met grootere snelheid afgelegd. Maar vóór dat wij de +laatste trede bereikt hadden, viel een stroom water ons op het hoofd, +waardoor onze lampen uitdoofden. Het was een waterval. + +--Houd je goed vast! riep oom Gaspard. + +Wij klemden ons alle drie zoo vast mogelijk aan de sporten om het +water weerstand te bieden, maar zij, die achter ons kwamen, werden +medegesleurd, en ongetwijfeld zouden wij, wanneer we nog een tiental +sporten moesten stijgen, evenals zij, in de diepte gestort zijn, +want de waterval was een stortvloed geworden. + +Toen wij de eerste laag bereikt hadden, waren wij nog niet gered, want +nog een vijftig el hadden wij af te leggen, eer we bij den uitgang +waren, en ook in de gaanderij bevond zich het water; wij hadden geen +licht, nu onze lampen waren uitgedoofd. + +--Wij zijn verloren, zeide de schoolmeester bedaard; beveel uw ziel +aan God, Rémi. + +Maar op hetzelfde oogenblik verschenen in de gang zeven of acht lampen, +die ons tegemoet snelden; het water reikte tot aan onze knieën en +zonder ons te bukken, raakten wij het met de hand aan. Het was geen +kalm stroomend water, het was een vloed, een draaikolk, die alles +medevoerde wat hij op zijn weg vond en stukken hout als veertjes +draaien deed. + +De mannen, die ons te hulp schoten en wier lampen wij bespeurden, +wilden de gang volgen en op deze wijze de trappen en de ladders, die +zich in de nabijheid bevonden, bereiken; maar tegen zulk een stroom +waren zij niet opgewassen; hoe dezen te stuiten, hoe weerstand te +bieden aan zijn kracht en aan het hout, dat hij met zich voortsleurde? + +Ook hun ontsnapte dezelfde uitroep, dien de schoolmeester zich had +laten ontvallen: + +--Wij zijn verloren! + +Zij waren ons thans genaderd. + +--Dien kant! riep de schoolmeester, die de eenige scheen, welke zijn +tegenwoordigheid van geest behouden had; ons eenige toevluchtsoord +zijn de oude werken. + +De oude werken waren een gedeelte van de mijn, waarin sedert langen +tijd niet meer gearbeid werd en waar niemand ooit kwam; maar de +schoolmeester had ze dikwijls bezocht als hij eenige merkwaardige +steenen voor zijn collectie zocht. + +--Keert terug! riep hij, en geef mij een uwer lampen, dan zal ik u +daarheen brengen. + +Gewoonlijk lachte men om hetgeen hij zeide, of keerde men hem +schouderophalend den rug toe; maar de sterksten hadden thans zelf hun +kracht verloren, waarop zij zoo trotsch plachten te zijn en een ieder +volgde het bevel op, dat uit den mond van den man kwam, dien men vijf +minuten geleden nog bespotte; werktuigelijk reikte elk hem zijn lampje. + +Haastig greep hij er een met de eene hand, en vatte hij mij met de +andere vast, terwijl hij zich aan het hoofd van den troep stelde. Daar +wij nu dezelfde richting als de stroom volgden, liepen wij veel +sneller. + +Ik wist niet waarheen wij ons begaven, maar mijn hoop was teruggekeerd. + +Nadat wij de gang eenige minuten lang gevolgd hadden--ik weet niet +of het minuten, dan wel seconden waren, want wij hadden geen besef +meer van tijd--bleef hij stilstaan. + +--Wij zullen daartoe geen tijd meer hebben! riep hij, want het water +stijgt met te groote snelheid. + +Werkelijk rees de spiegel al hooger en hooger; van mijn knieën was +het tot aan de heupen gekomen en van de heupen tot aan mijn borst. + +--Wij moeten de wijk nemen naar een der zijgangen, die naar boven +loopt, zeide de schoolmeester. + +--En dan? + +--De zijgang leidt nergens heen. + +Een zijgang in te slaan was de laatste kans op redding, want dezen +hebben geen uitgang; maar het was hier kiezen of deelen: wij moesten +òf de zijgang nemen en daardoor eenige minuten tijd winnen, dat is +te zeggen, daarmede de uitkomst op redding vermeerderen, òf de gang +volgen met de zekerheid van binnen weinige oogenblikken verzwolgen +te worden door de golven. + +De schoolmeester voerde ons dus naar de zijgang. Twee onzer makkers +wilden de gaanderij doorwaden en hen hebben wij ook nooit teruggezien. + +Toen wij de gang hadden bereikt en weder tot bewustzijn kwamen, hoorden +wij een donderend geraas, dat alles overstemde. Dat geluid was reeds +onstaan vóór dat wij vluchtten, maar wij hadden er niet op gelet. Het +werd veroorzaakt door de instortingen, het doorbreken van het water, +het neerploffen in de kolken, het uiteenrukken van het houtwerk en +de losbarstingen van de saamgeperste lucht. Dit alles deed in de mijn +een ontzaggelijk gedruisch ontstaan, waarbij hooren en zien verging. + +--Het is de zondvloed. + +--Het einde van de wereld. + +--Groote God, heb medelijden met ons! + +Sedert wij ons in de zijgang bevonden, had de schoolmeester geen woord +gesproken, want zijn krachtige geest was verheven boven ijdel klagen. + +--Kinderen, zeide hij, wij moeten ons niet vermoeien; wanneer wij +onze handen en voeten zoo vastgeklemd houden, dan verliezen wij onze +krachten; wij moeten rustpunten uithouwen in de wanden. + +Deze raad was van het grootste belang, maar zeer moeilijk om ten +uitvoer gebracht te worden, want niemand had zijn houweel medegenomen; +wij hadden alleen onze lamp, maar geen van ons zijn gereedschap. + +--Met de haken van onze lampen, zeide de schoolmeester. + +En wij begonnen allen den grond met de haken van de lampen uit te +houwen; het was een zwaar werk, want de zijgang was zeer steil en +de wanden zeer glad. Maar wanneer men weet, dat, als men uitglijdt, +men den dood in de diepte vindt, dan is men krachtig en behendig. + +Binnen weinige minuten hadden wij elk een holte uitgehouwen, waarin +wij onzen voet konden doen steunen. + +Toen wij dit gedaan hadden, durfden we ademhalen en elkander +aanzien. Wij waren met ons zevenen: de schoolmeester, ik, oom Gaspard, +drie houwers en een opperman; de andere werklieden waren in de gang +verdwenen. + +Het gedruisch in de mijn ging steeds met dezelfde hevigheid voort; +geen woorden kunnen de kracht ervan uitdrukken en het gebulder van +het geschut, dat zich paart aan het ratelen van den donder en het +dreunen der instortende bergmassa, zou geen ontzaglijker geweld +teweeggebracht hebben. + +Verschrikt, buiten ons zelf van angst, staarden wij elkander aan en +trachtten in elkanders blik een verklaring te lezen, die het verstand +ons niet aangaf. + +--Het is de zondvloed, sprak de een. + +--De wereld vergaat. + +--Een aardbeving. + +--De genius der mijn, die vertoornd is en zich wreken wil. + +--Een overstrooming, die door een opeenhooping van het water in de +oude werken veroorzaakt is. + +--Een gat dat de Divonne heeft geboord. + +Deze laatste opmerking kwam van mij, want ik hield vol, dat het niets +anders zijn kon. + +De schoolmeester zeide niets en zag ons beurtelings aan, terwijl hij +de schouders ophaalde, alsof op klaarlichten dag deze vraag besproken +werd, onder het lommer van een moerbezieboom, bij het genot van de +een of andere lekkernij. + +--Het is een overstrooming, zeide hij ten laatste, toen ieder zijn +meening had uitgesproken. + +--Door een aardbeving veroorzaakt. + +--Door den boozen geest van de mijn gezonden. + +--Zij komt van de oude werken. + +--Het is een gat, dat de Divonne in den weg geslagen heeft. + +Ieder herhaalde zijn meening. + +--Het is een overstrooming, vervolgde de schoolmeester. + +--En verder? Waar komt ze vandaan? vroegen verscheidene stemmen, +als uit één mond. + +--Dat weet ik niet, maar wat den boozen geest van de mijn betreft, +dat is onzin; wat de oude werken aangaat, dat is onmogelijk; het zou +alleen waar kunnen zijn, wanneer de derde laag slechts overstroomd +was, maar de tweede en de eerste is het ook; gij weet wel dat het +water niet stijgt, maar altijd zakt. + +--Een gat. + +--Zulke gaten kunnen niet geboord worden. + +--Een aardbeving. + +--Dat weet ik niet. + +--Als gij het niet weet, zeg het dan ook niet. + +--Ik weet wat een overstrooming is, en dat beteekent al iets, een +overstrooming die van boven komt. + +--Dat zien we allemaal, want ze is ons gevolgd. + +Daar we nu droog stonden, keerde meer en meer onze bedaardheid terug +en daar het water niet langer steeg, wilde men niet meer naar den +schoolmeester luisteren. + +--Doe maar niet of gij een geleerde zijt, want gij weet het evenmin +als wij. + +De overmacht, die hij door zijn moed had verkregen, toen wij in gevaar +verkeerden, had hij wederom verloren. Hij zweeg oogenblikkelijk. + +Om het geraas te overstemmen, spraken wij zoo luid mogelijk en toch +klonk onze stem nog dof. + +--Zeg eens wat. + +--Wat zal ik zeggen? + +--Alles wat ge wilt, zeg maar wat, het eerste wat u invalt. + +Ik sprak eenige woorden. + +--Goed, nu wat zachter. Juist, goed. + +--Hebt ge uw verstand verloren, zeg, schoolmeester? vroeg er een. + +--Wordt ge krankzinnig van angst? + +--Denkt gij, dat ge dood zijt? + +--Ik geloof dat hier het water ons niet zal kunnen bereiken en dat, +al mochten wij hier omkomen, wij niet zullen verdrinken. + +--Dat beduidt.... + +--Kijk eens naar uw lamp. + +--Wel, zij brandt. + +--Zooals altijd? + +--Neen, de vlam is sterker, maar kleiner. + +--Is hier dan mijngas? + +--Neen, antwoordde de schoolmeester, daarvoor behoeven wij ook niet +bevreesd te zijn; het mijngas evenmin dreigt ons, als thans het water, +dat geen voet meer stijgt. + +--Doe maar niet of ge een toovenaar zijt. + +--Dat is mijn plan ook niet; wij bevinden ons als onder een stolp, +waar de lucht niet in doordringt en juist daardoor wordt het water +belet er in op te stijgen; de zijgang, die aan het einde afgesloten is, +is thans voor ons, wat een duikerklok voor een duiker is; de lucht +die door het water is opgedrongen, is in deze gang samengeperst, +biedt nu aan den stroom weerstand en dringt dien terug. + +Toen wij den schoolmeester hoorden uitleggen, dat wij ons in een soort +van duikerklok bevonden, waarin het water ons niet kon bereiken, daar +het door de lucht tegengehouden werd, hoorde men van verschillende +zijden halfluide opmerkingen die getuigden, dat niemand er geloof +aan sloeg. + +--Wat een onzin! Heeft het water dan niet de meeste kracht? + +--Ja, wanneer het buiten, geheel in vrijheid stroomt; maar als ge +een glas het onderstboven in een emmer dompelt, dan zult gij zien, +dat het water niet tot bovenin uw glas doordringt. Een gedeelte blijft +ledig. Welnu, in die ledige ruimte bevindt zich de lucht. Hier heeft +thans hetzelfde plaats; wij zijn bovenin het glas, het water zal niet +tot ons komen. + +--Dat begrijp ik, hernam oom Gaspard, en ik zie nu in, dat gij allen +ongelijk hebt om den schoolmeester te bespotten; hij weet dingen, +die wij niet verstaan. + +--Wij zijn dus gered? + +--Gered? Dat zeg ik niet. Wij zullen niet verdrinken, dat beloof +ik u. Wij zijn gered, doordat de zijgang gesloten was en de lucht +niet ontsnappen kon; maar juist wat ons nu redt, kan ons het leven +kosten; de lucht kan er niet uit, ze is opgesloten. Maar wij zijn +ook opgesloten en wij kunnen de gang niet verlaten. + +--Als het water gaat dalen.... + +--Zal het dalen? dat weet ik niet; om dat te weten, moeten wij eerst +bekend zijn met de oorzaak der stijging, en wie kan dat zeggen? + +--En gij zegt dat het een overstrooming is? + +--Welnu, wat dan nog? Het is een overstrooming, dat is zeker, maar waar +komt ze vandaan? Is de Divonne buiten haar oevers getreden en heeft +zij de putten doen volloopen; is het een stortregen, een bron, die den +omtrek overstroomd heeft, of is het een aardbeving? Wij zouden boven +moeten zijn om dat te kunnen beoordeelen en ongelukkig zijn we beneden. + +--Misschien is de stad weggespoeld? + +--Misschien.... + +Een oogenblik heerschte er een diepe stilte en waren we allen hevig +ontsteld. + +Het gedruisch van het water had opgehouden; van tijd tot tijd hoorde +men nog slechts een dof gerommel en nu en dan voelde men een schok. + +--De mijn moet vol zijn, sprak de schoolmeester, het water dringt er +niet langer in door. + +--En Marius! riep een der werklieden, wanhopend. + +Marius was zijn zoon en, evenals hij, houwer, die in de derde laag in +de mijn werkte. Tot op dit oogenblik had de zorg voor eigen veiligheid, +die altijd het krachtigst spreekt, hem belet om aan zijn zoon te +denken; maar toen de schoolmeester zeide, dat de mijn gevuld was, +begon hij aan zijn kind te denken. + +--Marius! Marius! riep hij op hartverscheurenden toon; Marius! + +Maar hij kreeg geen antwoord, zelfs de echo weerkaatste de stem niet, +die binnen de wanden van de gang besloten bleef. + +--Hij zal ook een zijgang hebben opgezocht, hernam de schoolmeester; +honderdvijftig menschen zullen toch niet verdrinken; dat zou vreeselijk +zijn. + +Dit echter sprak hij niet op denzelfden overtuigenden +toon. Honderdvijftig menschen minstens waren 's morgens de mijn +ingegaan; hoeveel hadden haar door de schacht kunnen verlaten of een +schuilplaats kunnen opzoeken, zooals wij? Al onze makkers omgekomen, +verdronken, dood! Niemand durfde een woord spreken. + +Maar in een toestand als de onze, wordt het hart niet door medelijden +of sympathie blijvend beheerscht. + +--En wij dan? vroeg een ander, na een poos gezwegen te hebben, wat +zullen wij doen? + +--Wat wilt gij doen? + +--Er schiet ons niets anders over dan geduldig af te wachten, hernam +de schoolmeester. + +--Wat afwachten? + +--Wachten; want zoudt gij dan die veertig of vijftig meters, die ons +van het daglicht scheiden, met het haakje van uw lamp willen doorboren? + +--Maar wij zullen van honger sterven. + +--Dat is niet het grootste gevaar, dat ons bedreigt. + +--Kom, meester, zeg ons wat gij ervan denkt, gij maakt ons waarlijk +bang; waar schuilt dan het gevaar, het grootste gevaar? + +--Aan den honger kan men weerstand bieden; ik heb wel eens gelezen, +dat mijnwerkers, die, evenals wij, door het water overvallen waren, +vier-en-twintig dagen zonder eten gebleven zijn; het is vele jaren +geleden, het gebeurde tijdens de godsdienstoorlogen, maar al was het +gisteren gebeurd, dan zou dit hetzelfde wezen. Neen, ik ben voor den +hongerdood niet bang. + +--Waarvoor zijt ge dan bevreesd, daar ge zelf beweert, dat het water +niet meer stijgt? + +--Voelt gij u niet zwaar in het hoofd, geen kloppen of bonzen? Haalt +gij gemakkelijk adem? + +--Ik niet. + +--Ik heb hoofdpijn. + +--Ik voel mij of ik in zwijm zal vallen. + +--Mijn slapen bonzen geducht. + +--Ik ben krachteloos. + +--Juist, daarin schuilt het gevaar. Hoelang kunnen wij in deze +lucht leven? Dat weet ik niet. Als ik een geleerde, inplaats van +een domkop was, dan zou ik het u zeggen. Thans weet ik het niet. Wij +bevinden ons een veertig el onder den grond; waarschijnlijk hebben +wij vijf-en-dertig of veertig meter boven ons: dat beteekent dat de +lucht een drukking van vier of vijf atmosferen ondergaat. Hoelang +kan men in zulke samengeperste lucht leven? dat moeten wij in de +eerste plaats weten en misschien zullen wij het ten koste van ons +eigen leven te weten komen. + +Ik kon mij in het minst geen denkbeeld vormen wat samengeperste +lucht was en dit misschien was de oorzaak, dat de woorden van den +schoolmeester mij zoo hevig ontstelden; mijn makkers schenen ook +niet minder verschrikt dan ik; zij wisten het evenmin en op hen, +evenals op mij, maakte het onbekende een diepen indruk. + +De schoolmeester verloor geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van +geest in dezen wanhopenden toestand, en hoewel hij zelf zeer goed +het hachelijke van de zaak inzag, dacht hij slechts aan de middelen, +die hij tot ons behoud kon aanwenden. + +--Het voornaamste is thans om ons hier zóó in te richten, dat wij +niet door het water meegesleept worden. + +--Wij hebben holten gemaakt. + +--Gelooft gij, dat ge ook niet vermoeid zult worden door voortdurend +in dezelfde houding te moeten blijven? + +--Denkt gij dan, dat we hier lang moeten blijven? + +--Weet ik dat? + +--Men zal ons zeker hulp zenden? + +--Zeker, maar om ons hulp te verleenen, moet men daartoe instaat +zijn. Hoelang zal het duren, eer men in onze redding slaagt? Zij, +die boven den grond zijn weten dat alleen. Wij, die er onder zijn, +moeten ons zoo goed mogelijk inrichten, want indien een van ons +uitglijdt, dan is hij verloren. + +--Wij moeten ons aan elkander vastmaken. + +--En de touwen? + +--Wij moeten elkander een hand geven. + +--Ik geloof, dat we het best doen, door treden uit te houwen, en een +trap te maken; wij zijn met ons zevenen, op twee treden kunnen we +dus allen gemakkelijk staan: vier op de eerste, drie op de tweede. + +--Waarmede zullen we ze uithouwen? + +--Wij hebben geen houweelen. + +--Met onze lampehaken in het zachte gedeelte, met onze messen in +het harde. + +--Daarin zullen we nooit slagen. + +--Zeg dat toch niet, Pagès; in onzen toestand kan men alles als het +op zelfbehoud aankomt; als op dit oogenblik een van ons door den +slaap overvallen wordt, dan is hij verloren. + +Door zijn koelbloedigheid en vastberadenheid had de schoolmeester weder +zijn heerschappij over ons verkregen, die hoe langer hoe machtiger +werd; wij beseften allen, dat zijn zedelijke moed grooter was dan de +onze en allen verwachtten hulp van deze kracht. + +Wij begonnen te werken, want blijkbaar was het uithouwen dier treden +het eerst wat wij doen moesten; wij moesten trachten ons zoo goed +mogelijk in te richten, tenminste zoo, dat wij niet konden uitglijden +in de diepte, die zich onder onze voeten uitstrekte. Vier lampen waren +aangestoken en deze verspreidden voldoende licht om ons bij het werk +te leiden. + +--Laten we een plaats uitzoeken, die het best geschikt is voor het +uithouwen, hernam de meester. + +--Luistert, sprak oom Gaspard, ik heb u een voorstel te doen; +als iemand van ons goed zijn verstand heeft, dan is het wel de +schoolmeester; toen wij half waanzinnig van angst waren, behield hij +zijn kalmte; hij is een man en hij heeft bovendien een goed hart. Hij +is evenals wij trouw geweest, en hij weet van heel veel dingen meer +dan wij. Laat hij ons thans leiden en het werk verdeelen. + +--De schoolmeester! viel een der anderen in, waarom ik niet? Ik ben +even goed opperman als hij. + +--Hij is geen opperman; hij is een man en nog wel de dapperste van +ons allen. + +--Gisteren zeidet gij dat ook niet. + +--Gisteren was ik even dom als gij, ik dreef evenals gij den spot +met hem en wilde zijn meerderheid niet erkennen. Vandaag verzoek ik +hem over ons te bevelen. Kom meester, zeg maar wat ik doen moet! Ik +heb sterke armen, dat weet gij. En wat zegt gij? + +--Kom, meester, wij gehoorzamen u. + +--En wij zullen u gehoorzamen. + +--Luistert, sprak hij: daar gij wilt, dat ik mij aan het hoofd zal +stellen, stem ik daarin toe; maar op die voorwaarde, dat gij alles +doet, wat ik u zeg. Wij kunnen hier lang blijven, verscheidene dagen; +ik weet niet wat er gebeuren zal; wij zijn hier als schipbreukelingen +op een wrak in den meest hachelijken toestand, want op een wrak heeft +men lucht en licht, men ademt en kan naar redding uitzien; wat er +ook gebeuren moge, als ik uw leidsman ben, moet gij mij gehoorzamen. + +--Men zal u gehoorzamen! riepen allen. + +--Als gij gelooft, dat alles wat ik verzoek billijk is, ja, dan zult +gij gehoorzamen; maar wanneer gij het niet gelooft? + +--Wij zullen het gelooven. + +--Men weet, dat gij een verstandig man zijt, meester. + +--En een moedig man. + +--En een man van ondervinding. + +--Gij moet ons het spotten vergeven, meester. + +Ik bezat toen nog niet de ondervinding, die ik op later leeftijd +verkreeg, en ik was verbaasd, hoe zij, die eenige uren geleden nog +duchtig den spot met hem dreven, thans al zijne goede hoedanigheden +erkenden. Ik wist toen niet hoezeer de omstandigheden de meeningen +en gevoelens van sommige menschen kunnen doen veranderen. + +--Gij zweert het mij dus? sprak de schoolmeester. + +--Wij zweren, antwoordden allen tegelijk. + +Wij begonnen toen te werken; wij hadden allen een mes in onzen zak, +goede, stevige messen, die veel konden verdragen. + +--Drie moeten de zijgang onderhanden nemen; de drie sterksten en +de zwaksten, waaronder Rémi en ik behooren, zullen de uitgehouwen +steenen wegwerpen. + +--Neen, gij moet niet werken, zeide een krachtige kerel, gij zijt +niet sterk genoeg; de ingenieurs bevelen, maar werken zelf niet. + +Een ieder stemde hierin toe; men gevoelde van hoeveel nut hij ons +was in gevaar, zoodat men wel alles had willen aanwenden om hem voor +verdere ongelukken of rampen te bewaren: hij was onze loods. + +Het werk, dat wij moesten verrichten, was zeer eenvoudig geweest, +zoo we ons gereedschap gehad hadden, maar met messen duurde het +langer en was het moeilijker. Wij moesten twee treden in den wand +uitgraven en opdat wij geen gevaar zouden loopen om in den afgrond te +storten, moesten die treden vrij breed zijn en er voor drie of vier +personen plaats op wezen. De opzichter sloeg ons werk met de grootste +aandacht gade. Terwijl wij groeven, vonden wij onder het zand eenige +stukjes hout, die ons van zeer veel nut waren om te beletten, dat de +uitgehouwen steenen weggleden. + +Toen wij drie uren gewerkt hadden, zonder een oogenblik te rusten, +hadden wij een vloer uitgehouwen, waarop wij konden zitten. + +--Voor het oogenblik is het genoeg, beval de schoolmeester; later +zullen wij den houten vloer verbreeden, zoodat wij erop kunnen liggen; +wij moeten onze krachten niet noodeloos verspillen, want we zullen +ze nog te veel moeten gebruiken. + +Wij namen plaats: vier op de benedenste en drie op de bovenste trede. + +--Wij moeten ook zuinig met ons licht zijn, waarschuwde de meester, +laten we de lampen dus, op een na, uitdooven. + +Deze bevelen werden terstond opgevolgd. De lampen zouden uitgedraaid +worden, maar plotseling wenkte hij, dat men hiermede niet moest +voortgaan. + +--Wacht even, hernam hij, een tocht kan ons licht uitdooven; het is +niet waarschijnlijk, maar wij moeten zooveel mogelijk op alles rekenen; +wie heeft er lucifers bij zich? + +Hoewel het streng verboden was om in de mijn licht aan te steken, +hadden bijna alle werklieden lucifers in den zak, en daar de +opzichter niet tegenwoordig was om deze inbreuk op de wet te straffen, +antwoordden vier stemmen op deze vraag: Ik. + +--Ik heb ze ook, vervolgde de meester, maar zij zijn vochtig. + +Dit was met de anderen eveneens het geval, want ieder had de lucifers +in zijn broekzak en wij waren tot aan de borst of de schouders in +het water geweest. + +Een der arbeiders, Carrory, sprak toen: + +--Ik heb ze ook. + +--Vochtig? + +--Dat weet ik niet, ze zijn in mijn muts. + +--Geef dan uw muts hier. + +Inplaats van zijn muts te geven, zooals men hem verzocht, een zwarte +bonten muts, reikte hij ons zijn lucifersdoosje; dank zij de goede +bewaarplaats, waren deze tenminste niet vochtig geworden. + +--Blaast nu de lampen uit, beval de schoolmeester. + +Eén lamp bleef nog branden, maar deze verlichtte ternauwernood onze +steenen stolp. + + + + +XXVI. + +IN DE ZIJGANG. + + +Diepe stilte heerschte er in de mijn, geen geluid drong meer tot +ons door; het water lag onbeweeglijk aan onze voeten, zonder dat +een rimpel het plooide of het minste gekabbel werd gehoord; de mijn +was vol, zooals de meester gezegd had, en het water, nadat het alle +gangen van boven tot onder had gevuld, sloot ons in onze gevangenis +steviger en hermetischer dan een steenen muur dit had kunnen doen. Die +loodzware, ondoordringbare stilte, die doodsche kalmte was vreeselijker +en kwellender, dan het helsche leven, dat wij gehoord hadden bij het +binnendringen van het water; wij waren in een graf, levend begraven +onder dertig of veertig meter aarde. + +Het werk hield den geest bezig en gaf ons afleiding; de rust deed +ons den toestand, waarin wij verkeerden, beseffen en van allen, +zelfs van den meester, maakte zich een soort van bedwelming meester. + +Eensklaps voelde ik op mijn hand warme droppels vallen. Een der +arbeiders weende in stilte. + +Op hetzelfde oogenblik hoorden wij op de bovenste trede een diepen +zucht slaken en op klagenden toon roepen: + +--Marius! Marius! + +De vader dacht aan zijn zoon.... + +Met moeite slechts ademden wij de lucht in; ik gevoelde mij bedrukt +en aanhoudend suisde het in mijn ooren. + +Misschien verkeerde de meester in een minder bewusteloozen toestand +dan wij, of wilde bij daartegen strijden en ons beletten om er ons +aan over te geven; althans hij was de eerste, die de stilte verbrak: + +--Nu, zeide hij, moeten wij eens zien hoe groot onze voorraad +eetwaren is. + +--Gelooft gij dan, dat wij lang zullen opgesloten blijven? viel +Gaspard hem in de rede. + +--Neen, maar wij moeten onze voorzorgen nemen; wie heeft er brood +bij zich? + +Niemand gaf antwoord. + +--Ik, zeide ik, ik heb een korstje brood in mijn zak. + +--In welken zak? + +--In mijn broekzak. + +--Dan zal het wel doorweekt zijn; maar laat het ons toch eens zien. + +Ik stak mijn hand in den zak, waarin ik dien morgen een snede versch +brood bewaard had; ik haalde een stuk deeg te voorschijn, dat ik op het +punt was om teleurgesteld weg te werpen, toen de meester mij weerhield. + +--Bewaar het nog, hoe slecht het ook is, gij zult het spoedig genoeg +lekker vinden. + +Dat was geen geruststellende waarschuwing, maar wij sloegen er geen +acht op; later eerst kwamen die woorden mij weder in het geheugen +en bewezen mij toen, dat de meester van het eerste oogenblik af het +volle bewustzijn van onzen toestand had, en al zag hij nu niet juist +in, welk een gebrek aan voedsel ons te wachten zou staan, en hoe +vreeselijk wij daaronder zouden lijden, hij begreep toch ten volle +met welke moeilijkheden onze redding zou gepaard gaan. + +--Heeft nog iemand van u brood? vroeg hij. + +Men gaf geen antwoord. + +--Dat is jammer, vervolgde hij. + +--Hebt ge dan honger? vroeg er een. + +--Ik spreek niet voor mezelf, maar voor Rémi en Carrory; het brood +zou voor hen zijn. + +--En waarom zouden wij het niet onder elkander verdeelen? vroeg +Bergounhoux; dat zou onbillijk zijn, de honger is voor ons allen +hetzelfde. + +--Dus als er brood was, dan zouden we twist gekregen hebben. Gij +hebt beloofd, mij te zullen gehoorzamen; maar ik zie, dat gij mij +niet gehoorzaamt, dan na uw misnoegen te kennen gegeven en na met +elkander uitgemaakt te hebben of ik rechtvaardig handelde. + +--Bergounhoux zou gehoorzamen. + +--Er zou misschien een twist uit ontstaan, en twisten mogen wij niet; +ik zal u dus zeggen, waarom Rémi en Carrory het brood zouden gehad +hebben. Niet ik heb dat zoo bepaald, maar de wet; "De wet heeft gezegd, +dat wanneer bij eene algemeene ramp verscheidene personen omkomen, +de oudste beneden de zestig jaren geacht zal worden, de anderen +te hebben overleefd," waarin opgesloten ligt, dat Rémi en Carrory, +uithoofde van hun jeugd, minder weerstand aan den dood zullen bieden +dan Pagès en Compayrou. + +--Gij zijt toch ook ouder dan zestig jaar. + +--O, ik tel niet mede; bovendien ben ik gewoon mij zeer matig te +voeden. + +--Dus zou het brood, als ik het gehad had, toch voor mij wezen? vroeg +Carrory. + +--Voor u en Rémi. + +--Als ik het niet had willen geven? + +--Dan zou men het u hebben afgenomen; gij hebt immers gezworen te +zullen gehoorzamen? + +Hij bleef geruimen tijd zwijgen; eensklaps haalde hij een snede uit +zijn muts te voorschijn. + +--Daar hebt gij een stuk. + +Die muts van Carrory was dus onuitputtelijk. + +Carrory spande alle krachten in om zijn muts te behouden, maar hij +moest voor de overmacht zwichten en de muts werd aan den meester +overhandigd. + +Deze verzocht om de lamp en wierp toen een blik tusschen de voering +van het hoofddeksel. Hoewel wij niet in een zeer vroolijken toestand +waren, werd dit onderzoek met vreugdegejuich begroet. + +Die muts bevatte: een pijp, tabak, een sleutel, een stukje worst, een +perzikpit waarvan een fluitje was gemaakt, afgekloven schapecoteletten, +drie versche noten en een ui. Zij was dus provisiekast en kleedingstuk +tevens. + +--Het brood en de worst zullen we tusschen Rémi en u verdeelen. + +--Maar ik heb honger, hernam Carrory op smeekenden toon; ik heb nu +reeds honger. + +--Van avond zult gij nog meer honger hebben. + +--Hoe jammer dat hij geen horloge ook in zijn pet heeft! Wij zouden +nu weten hoe laat het was; het mijne staat stil. + +--Het mijne ook. + +De gedachte aan een horloge bracht ons tot de werkelijkheid terug. Hoe +laat was het? Hoelang bevonden wij ons in de gang? Wij wisselden +daarover van gedachten, maar konden het niet eens worden. De een +meende, dat het twaalf uur in den morgen was; de ander weder, dat +het zes uur 's avonds was. Hiermede bedoelde deze, dat wij reeds tien +uren en de anderen, dat wij pas vijf uren waren opgesloten. + +Dit was het eerste verschil van gevoelen, dat zich openbaarde, een +verschil, dat ook later bij herhaling bleek en een groote verwijdering +teweegbracht. Wij waren niet in een stemming om te spreken, alleen om +iets te zeggen. Toen de gedachtewisseling over den tijd geëindigd was, +zwegen allen en ieder scheen zich aan eigen mijmeringen over te geven. + +Waarover liepen de mijmeringen van mijn kameraden? Ik weet het niet; +maar als ik ze beoordeel naar de mijne, dan waren ze verre van +opbeurend. Ondanks den beslissenden invloed van den meester, was ik +nog volstrekt zoo zeker niet, dat we gered zouden worden. Ik was bang +voor het water, bang voor de duisternis, bang voor den dood. Die stilte +drukte mij loodzwaar; die donkere wanden van de gang schenen mij toe +met al hun zwaarte op mijn lichaam te rusten. Zou ik dan nooit Lize +terugzien, noch Martha, noch Alexis, noch Benjamin? Wie zou ze bij +elkander houden, wanneer ik er niet meer wezen zou? Zou ik dan Arthur +niet meer weerzien, noch mevrouw Milligan, noch Mattia? Zou men ooit +aan Lize kunnen doen begrijpen, dat ik dood voor haar was? En moeder +Barberin, arme moeder Barberin! Mijn gedachten werden hoe langer hoe +treuriger; en wanneer ik tot eenige afleiding een blik wierp op mijn +makkers, zag ik, dat zij even droevig gestemd waren als ik, en gaf ik +mij weder aan mijn zwaarmoedig gepeins over. Zij echter waren aan het +leven in de mijn gewend en daardoor gevoelden zij minder behoefte aan +versche lucht, licht en zonneschijn; de aarde woog hun niet zoo zwaar. + +Plotseling maakte de stem van oom Gaspard een einde aan deze stilte. + +--Ik denk, dat men niets voor onze redding beproeft. + +--Waarom denkt gij dat? + +--Wij hooren niets. + +--De stad is verwoest, het was een aardbeving. + +--Of men meent in de stad, dat wij allen verloren zijn en dat er +niets voor ons te doen is. + +--Men heeft ons dus vergeten? + +--Waarom denkt gij dat van uw makkers? viel de meester in de rede; +het is niet billijk van u om ze zoo te beoordeelen. Gij weet wel, +dat als een ramp de mijnwerkers treft, zij elkander altijd bijstaan; +en dat twintig, ja honderd mannen zich eer zullen laten dooden, dan dat +zij één makker niet te hulp zouden snellen. Dat weet gij immers wel? + +--Dat is waar. + +--Als dat waar is, waarom meent gij dan dat men ons zou vergeten? + +--Wij hooren niets. + +--Het is waar, wij hooren niets. Maar kunnen wij hier hooren? Wie +weet dat? ik niet. En zoo wij al konden hooren en daardoor een blijk +kregen, dat men niet werkte, is dat dan nog een bewijs, dat men +ons aan ons lot overlaat? Weten wij de oorzaak van deze ramp? Als +het een aardbeving is, dan moeten zij, die daaraan ontsnapt zijn, +de stad eerst helpen. Als het slechts een overstrooming is, zooals ik +onderstel, moet men eerst weten in welk een toestand de schachten zich +bevinden. Misschien zijn zij ineengezakt. De plaats waar de lampen +bewaard worden, is misschien ingestort. Het kan dus lang duren eer +men iets tot onze redding kan aanbrengen. Ik zeg niet, dat wij gered +zullen worden, maar ik ben ervan verzekerd, dat men iets tot onze +redding in het werk stelt. + +Hij zeide dit met zulk een nadruk, dat het de meest ongeloovigen wel +moest overtuigen. + +Bergounhoux echter hernam: + +--En als men meent, dat wij allen dood zijn? + +--Dan werkt men toch; maar als gij daarvoor bang zijt, laat ons hun +dan een bewijs geven, dat we nog leven; laten we zoo hard mogelijk +tegen den wand slaan; gij weet hoe het geluid zich voortplant door +de aarde; als men ons hoort, dan weet men, dat men zich haasten moet, +en onze geluiden zullen hen op het spoor kunnen brengen bij welk punt +zij hun onderzoek moeten aanvangen. + +Zonder verder iets te zeggen, begon Bergounhoux, die zware schoenen +aanhad, met alle kracht tegen den wand te schoppen om de mijnwerkers +aan ons te herinneren en dit geraas, vooral de gedachte die het bij +ons opwekte, deed ons uit den toestand van verdooving ontwaken. Zou +men ons hooren? Zou men ons antwoorden? + +--Wat zou men doen, meester, vroeg Gaspard, als men ons hoort: zal +men ons dan te hulp komen? + +--Er zijn twee middelen, en ik ben zeker, dat de ingenieurs ze beide +gebruiken zullen: zij zullen zoolang boren, tot zij ons bereikt hebben +en dan het water uitpompen. + +--O, een schacht boren! + +--Het water uitpompen! + +Deze opmerkingen brachten den meester niet van zijn meening terug. + +--Wij bevinden ons veertig meter onder den grond, niet waar? Als men +zes of acht meter elken dag boort, dan zal men binnen zeven of acht +dagen ons bereikt hebben. + +--Men kan geen acht meter daags boren. + +--Als men gewoon werkt niet, maar als men zijn makkers moet redden, +kan men zoo veel. + +--Wij kunnen hier geen acht dagen leven: denk eens meester, acht +heele dagen! + +--En dan het water? Hoe moet dat uitgepompt worden? + +--Het water, dat weet ik niet; eerst zou ik moeten weten, hoeveel +water er in de mijn is: 200,000 kubieke meter of 300,000 misschien; +dat kan ik niet beslissen. Maar om tot ons door te dringen, behoeft men +niet alles eerst uit te pompen; wij bevinden ons in de bovenste laag +en daar men de drie putten tegelijk met twee tonnen zal uitloozen, +zullen zes tonnen elk 25 hectoliter water putten: dus 150 hectoliter +zullen tegelijk worden uitgepompt. Gij ziet dus, dat het vrij snel +in zijn werk kan gaan. + +Men begon toen te overleggen, welke maatregelen het best waren; ik voor +mij begreep uit dit gesprek alleen dat, alles van de gunstigste zijde +gezien, wij minstens acht dagen lang levend begraven zouden blijven. + +Acht dagen! De meester had wel gesproken van werklieden, die vier en +twintig dagen opgesloten waren gebleven, maar dat was een verhaal en +wij verkeerden in de werkelijkheid. Toen deze gedachte bij mij had +post gevat, luisterde ik niet meer naar het gesprek. + +Ik weet niet sedert hoe lang deze gedachte mij overstelpte, toen zij +allen zwegen. + +--Luister, sprak Carrory, in wien, juist omdat hij zoo weinig beschaafd +was, de dierlijke eigenschappen meer ontwikkeld waren dan bij ons. + +--Waarnaar? + +--Ik hoor iets in het water. + +--Gij zult een steen hebben laten vallen. + +--Neen, het is een dof geluid. + +Wij luisterden. + +Ik had een zeer fijn gehoor, maar slechts voor die geluiden, welke +men in het leven op de wereld waarneemt; hier hoorde ik niets. Mijn +makkers, die gewoon waren aan de geluiden in de mijn, waren gelukkiger +dan ik. + +--Ja, antwoordde de meester, er gebeurt iets in het water. + +--Wat, meester? + +--Dat weet ik niet. + +--Het water valt. + +--Neen, het geluid is niet aanhoudend; het is telkens een geregelde +schok. + +--Geregelde schokken! dan zijn wij gered, kinderen! het is het +uitpompen van het water met de tonnen. + +--Het uitpompen van het water.... + +Allen tegelijk en op denzelfden toon herhaalden wij deze woorden en +als door een electrische vonk getroffen, richtten wij ons op. + +Wij waren slechts veertig el onder den grond; de lucht was niet meer +drukkend; de wanden van de gang wogen niet loodzwaar meer op ons hoofd; +het gesuis in onze ooren had opgehouden; wij haalden vrij adem en +ons hart klopte weder in onze borst. + +Carrory greep mijn hand en drukte deze krachtig: + +--Ge zijt een beste jongen, zeide hij. + +--Wel neen, gij zijt het. + +--Ik zeg, dat gij het zijt. + +--Gij hebt het eerst de tonnen gehoord. + +Maar hij wilde met alle geweld, dat ik een beste jongen was; hij deed +denken aan de vriendschapsbetuigingen van een dronken man en inderdaad, +wij waren dan ook dronken: dronken van hoop. + +Helaas! deze hoop zou niet zoo spoedig verwezenlijkt worden; voor +geen van ons. + +Vóór wij het warme zonlicht zouden terugzien, vóór wij het ruischen +van den wind door de bladeren zouden hooren, zouden wij nog vele +lange en treurige dagen hier moeten doorbrengen, allerlei leed en +kwellingen moeten doorstaan, ons zelf en elkander telkens afvragende +of wij wel ooit het daglicht zouden terugzien en of wij wel ooit dat +geruisch in de boomen weer zouden hooren. + +Maar om die vreeselijke ramp, welke de mijnen van Truyère getroffen +heeft, te verhalen, zooals zij gebeurd is, moet ik thans de oorzaak +ervan mededeelen en welke middelen de ingenieurs tot onze redding +hadden aangewend. + +Toen wij dien maandagmorgen in de mijn waren nedergedaald, was de hemel +bedekt en gevoelde men het naderen van een onweder. Tegen zeven uur was +dit onweder losgebarsten en ging het met een waren zondvloed gepaard; +de wolken, die zeer laag hingen, hadden zich in de kronkelende vallei +der Divonne ontlast en toen zij eenmaal tusschen dien heuvelring +besloten waren, hadden zij zich er niet boven kunnen verheffen; zij +hadden den ganschen voorraad water in het dal uitgestort; het was geen +overstrooming, geen waterval, het was een wolkbreuk, een zondvloed +geweest. In een oogenblik was de Divonne en haar zijtakken boordevol +geloopen, wat zeer natuurlijk was, daar de steenen bodem het water +niet in zich opneemt, maar dit de helling van het terrein volgt om +zich in de rivier te storten. Onmiddellijk was de steile bedding der +rivier gevuld geraakt en de Saint-Andéol en de Truyère waren buiten +hare oevers getreden. Door den was der Divonne teruggehouden, had het +water uit de bedding der Truyère geen uitloozing kunnen krijgen en +zich verspreid over het terrein, waaronder de mijnen gelegen zijn. Die +overstrooming was plotseling geweest, maar de werklieden, die buiten +arbeidden en op dat oogenblik bezig waren met het wasschen der erts +en genoodzaakt om een schuilplaats op te zoeken, hadden geen gevaar +geleden. Het was de eerste maal niet, dat de Truyère eene overstrooming +ontstaan deed, en daar de openingen der drie schachten zoo hoog +boven den grond waren, dat het water er zich niet kon instorten, +had men geene andere maatregelen genomen, dan het hout weg te halen, +hetwelk gereed lag om tot wanden in de mijngangen gebruikt te worden. + +Het was met dezen arbeid, dat de ingenieur der mijnen bezig was, +toen hij eensklaps ontdekte, dat het water eene draaikolk vormde, +en zich in een spleet stortte, die het zelf had uitgehold. Die spleet +mondde uit in eene opening van de mijn. + +Men behoeft niet diep na te denken om te begrijpen, wat er plaats +gegrepen had: het water stortte zich in de mijn door de gangen. Daar +buiten daalde het peil, maar de mijn werd overstroomd en zou weldra +geheel met water gevuld zijn, zoodat de arbeiders moesten verdrinken. + +De ingenieur snelde naar de schacht Saint-Julien en gaf bevel, dat men +hem in de ton zou neerlaten; maar toen hij zijn voet daarin zette, +gaf hij een teeken, dat men wachten zou. Daaronder hoorde men een +onzaglijk gedruisch; het was de heftige stroom van het water. + +--Ga er niet in, riepen de arbeiders en wilden hem terughouden; +maar hij rukte zich los en zijn horloge uit den zak nemend gaf hij +dit aan een van hen met de woorden: + +--Dat is voor mijne dochter, als ik niet terugkom. + +Daarop wendde hij zich tot de mannen, die het windas hanteerden en +gaf toen bevel, hem te laten zakken. + +De ton daalde; toen hief hij het hoofd op en riep den arbeider toe +wien hij zijn horloge gegeven had: + +--Zeg haar, dat haar vader haar in gedachten omhelst. + +De ton is beneden. De ingenieur roept; vijf mijnwerkers komen tot hem; +hij laat hen plaats nemen in de ton. Terwijl zij opgeheschen worden, +roept hij opnieuw, maar tevergeefs; zijne stem wordt niet gehoord door +het gedruisch van het water en het instorten der gangen van den grond. + +Intusschen dringt het water door in de gaanderij en op dat oogenblik +ontwaart de ingenieur eenige lampen. + +Hij begeeft zich in die richting, tot over de knieën door het water +wadende en brengt nog drie man bij de ton, die middelerwijl weder +is neergelaten. Hij doet hen daarin plaats nemen en wil zich naar +de andere lampen begeven, die hij gezien heeft. Maar de mannen, +die hij heeft gered, houden hem met geweld tegen en trekken hem +in de ton, terwijl zij het signaal tot ophijschen geven. Het was +tijd, het water had alles overstroomd. Dit redmiddel was dus verder +onmogelijk. Men moest een ander zoeken, maar welk? Hij stond bijna +geheel alleen; honderd-vijftig arbeiders waren in de mijn neergedaald, +want honderd-vijftig lampen waren dien morgen uitgereikt. Slechts +dertig lampen waren teruggebracht: alzoo moesten er honderd-twintig +man in de mijn wezen. Waren zij omgekomen? Leefden zij nog? Hadden +zij een schuilplaats weten te vinden? Die vragen rezen bij hem op en +vervulden hem met vrees en angst. + +Op het oogenblik dat de ingenieur zich overtuigde, dat er honderd +twintig man in de mijn opgesloten waren, hadden er buiten verschillende +ontploffingen plaats; reusachtige steenblokken werden in de hoogte +geworpen; de huizen sidderden alsof zij door een aardbeving heen +en weer geschud werden. Dit verschijnsel verklaarde de ingenieur +aldus: het gas en de lucht, die door het water teruggedrongen werden, +hebben zich in de zijgangen, die geen uitgangen hebben, saamgehoopt +en daar, waar de aardlaag te zwak is boven de spleten, hebben zij de +aardkorst doen barsten als de wanden van een ketel. De mijn is vol; +de ramp is geschied. + +In dien tusschentijd was het gebeurde in Varses bekend geworden; van +alle kanten daagde de menigte op, werklieden, nieuwsgierigen, vrouwen +en kinderen der bedolven arbeiders kwamen toesnellen. Deze vroegen, +andere zochten. En daar men hun niets kon antwoorden, verkeerde hun +smart in toorn. Men hield de waarheid geheim. Dat was de schuld van +den ingenieur! En men maakte zich gereed om de bureau's binnen te +dringen, waar de ingenieur over zijn plan gebogen zat, niets van +de eischers hoorde, de plaatsen berekenende, waar de arbeiders een +schuilplaats hadden kunnen zoeken en waar de redding het eerst moest +begonnen worden. + +Gelukkig waren de ingenieurs van de naburige mijnen met hun +arbeiders toegesneld en met hen de werklieden uit de stad. Men kon +de menigte tegenhouden, tot haar spreken. Maar wat kon men tot haar +zeggen? Honderd-twintig man ontbreken nog. Waar zijn zij? + +--Mijn vader? + +--Waar is mijn man? + +--Geef mij mijn zoon terug! De stemmen hebben geen klank, de vragen +worden door snikken afgebroken. Wat dien kinderen, die vrouwen en +moeders te antwoorden? + +Één woord slechts: de ingenieurs zijn met elkander in overleg.--Wij +zullen zoeken, wij zullen het onmogelijke beproeven. Vooruit! + +De middelen welke tot redding moesten aangewend worden, waren die, +welke de meester ook voorzien had. De tonnen, die het water moesten +uitpompen, waren reeds in de drie putten gebracht, en zij zouden dag +noch nacht met werken eindigen, totdat het oogenblik gekomen was, +waarop de laatste droppel water in de Divonne geloosd zou zijn. + +Gelijktijdig zou men met het uithouwen der gangen een aanvang +maken. Waarom boorde men in die en niet in eene andere richting? dat +wist men zelf niet. Voor een gedeelte moest men 't aan het toeval +overlaten; maar men werkte. De ingenieurs konden het niet eens worden +welk nut het had om de gangen, zonder eenige zekerheid in welken +toestand de nog levende mijnwerkers verkeerden, te onderzoeken; +maar de mijningenieur hoopte dat de arbeiders in de oude werken een +schuilplaats zouden gevonden hebben, waar de overstrooming hen niet +had kunnen bereiken, en hij wilde, dat men beginnen zou met die plaats +te doorboren, al zou men niemand redden. + +De opening, welke voor deze doorboring noodig was, zou men zoo +klein mogelijk maken, om alles in den kortst mogelijken tijd te +laten geschieden. + +Zonder zich dag noch nacht een oogenblik rust te gunnen, zou men met +dezen arbeid voortgaan; aanhoudend zou men pompen en boren tegelijk. + +Al duurde het lang voor hen, die buiten de mijn tot onze bevrijding +werkten, hoeveel langzamer moest de tijd omgaan voor ons, die +machteloos en gevangen waren, die verplicht waren te wachten, zonder +eenige zekerheid of men nog tijds genoeg zou komen om ons te redden. + +Het pompen deed ons niet lang in dienzelfden opgewonden toestand +blijven, waarin het ons eerst gebracht had. Door nadenken geraakten wij +in een andere stemming. Wij waren niet vergeten; men had alles tot onze +redding in het werk gesteld; onze hoop zou dus niet ijdel zijn; maar +zou het uitpompen spoedig genoeg voortgaan? dit maakte ons angstig. + +Bij het lijden van den geest voegden zich thans de kwellingen van +het lichaam. De moeilijke houding, waarin wij verplicht waren op den +uitgehouwen bodem te blijven staan, werd hoe langer hoe afmattender; +wij konden ons niet bewegen om onzen strammen leden weder lenigheid +te geven en onze hoofdpijn werd erger en hinderlijker. + +Carrory was het minst aangedaan. + +De schoolmeester gaf ons brood. + +--Het is niet genoeg, zeide Carrory. + +--Het stukje brood moet langer duren. + +De anderen zouden gaarne deelgenomen hebben aan onzen maaltijd, +maar zij hadden gezworen te gehoorzamen en zij hielden hun eed. + +--Al is ons het eten verboden, drinken mogen wij zooveel wij lusten, +sprak Compayrou. + +--Zooveel ge wilt; wij hebben water in overvloed. + +--Drink de gang maar leeg. + +Pagès wilde naar beneden gaan, maar de meester veroorloofde dit niet. + +--Gij zult een wand doen instorten; Rémi is lichter en vlugger, +hij zal naar beneden gaan en ons het water aanreiken. + +--Waarin? + +--In mijn schoen. + +Men gaf mij een schoen en ik maakte mij gereed om mij naar beneden +te laten glijden. + +--Wacht even, sprak de meester, laat ik u een hand geven. + +--Wees maar niet bang: als ik val, dan is het nog niets, want ik +kan zwemmen. + +--Ik wil u een hand geven. + +Op het oogenblik, dat de meester zich vooroverboog, gleed hij vooruit +en, hetzij hij zijn beweging slecht had berekend, of wel zijn lichaam +stijf was geworden door den langen tijd van rust, of het hout hem +niet meer kon torsen, hij gleed langs de helling van den zijgang en +verdween met het hoofd voorover in den duisteren afgrond. De lamp, +die hij vasthield, om mij bij te lichten, viel eveneens. Er heerschte +thans volslagen duisternis en uit aller borst ontsnapte een angstkreet. + +Gelukkig was ik op het punt om neer te dalen en ik liet mij langs +mijn rug afglijden, zoodat ik een seconde na den meester mij in het +water bevond. + +Gedurende mijn reizen met Vitalis had ik genoeg zwemmen geleerd, +om mij even zoo op mijn gemak te gevoelen in het water als op den +vasten grond; maar hoe zou ik mij in dat donkere hol bewegen? + +Daaraan had ik niet gedacht, toen ik mij naar beneden liet vallen; +ik had slechts aan den meester gedacht, die zou verdrinken, en met +het instinct van een nieuwfoundlander had ik mij in het water geworpen. + +Waar te zoeken? In welke richting zou ik mijn arm uitstrekken? Hoe +zou ik duiken? + +Dit overlegde ik bij mezelf, toen ik mij krampachtig bij den schouder +voelde grijpen en in het water getrokken werd. Een flinke stoot met +mijn voet deed mij weder boven komen; de hand had mij niet losgelaten. + +--Houd mij goed vast, meester, en steun op mij, terwijl gij uw hoofd +omhoog houdt; dan zijt gij gered. + +Gered! wij waren het geen van beiden, want ik wist niet in welke +richting ik zwemmen moest; plotseling viel mij iets in. + +--Zeg eens iets, riep ik mijn makkers toe. + +--Waar zijt gij, Rémi? + +Het was de stem van oom Gaspard; zij duidde mij de richting aan; +ik moest naar de linkerzijde zwemmen. + +--Steek een lamp aan. + +Oogenblikkelijk zag ik eenig licht; ik behoefde mijn arm slechts uit +te strekken om den oever te bereiken en klemde mij aan een stuk steen +vast, terwijl ik den meester naar mij toe trok. + +Het werd hoog tijd, want hij had reeds veel water ingeslikt en hij +begon bijna te stikken; ik trachtte zijn hoofd boven water te houden +en hij kwam spoedig weder tot zich zelf. + +Oom Gaspard en Carrory bogen zich voorover en reikten ons de hand, +terwijl Pagès op onze trede was komen staan en ons met zijn lamp +bijlichtte. Oom Gaspard vatte den meester bij de eene hand en Carrory +bij de andere, waarop beiden hem toen omhoog heschen, terwijl ik hem +van achter steunde. Toen hij boven was, klom ik ook de trap op. + +Hij was weder geheel tot kennis gekomen. + +--Kom hier, zeide hij tot mij, ik moet u aan mijn hart drukken; +gij hebt mijn leven gered. + +--Gij hebt ons aller leven gered. + +--Met dat al, hernam Carrory, die zich nooit door zijn gevoel liet +medesleepen, heb ik mijn schoen verloren. + +--Ik zal uw schoen gaan halen. + +Maar men hield mij tegen. + +--Ik verbied het u, sprak de meester. + +--Geef mij dan een anderen, dan zal ik tenminste wat water om te +drinken halen. + +--Ik heb geen dorst meer, antwoordde Compayrou. + +--Laten wij op de gezondheid van den meester drinken. + +En ik liet mij voor de tweede maal naar beneden glijden, maar minder +snel en met meer behoedzaamheid dan den eersten keer. + +Wel waren wij niet verdronken, maar door-en-door nat. In het eerst +hadden wij niet gedacht aan de gevolgen, maar de koude van onze natte +kleederen herinnerde er ons spoedig aan. + +--Men moet een jas aan Rémi afstaan, zeide de meester. + +Maar niemand gaf eenig antwoord op dit verzoek, daar het tot allen +tegelijk gericht was, en dus niemand gedwongen werd. + +--Niemand spreekt? + +--Ik heb het ook koud, antwoordde Carrory. + +--Hebben wij het met onze natte kleeren dan warm? + +--Gij behoeft niet in het water te vallen. + +--Als het zoo gesteld is, hernam de meester, dan zal hier het lot +moeten beslissen, wie een gedeelte van zijn kleederen zal afstaan. Ik +kan wel zonder jas, maar thans eisch ik gelijkheid. + +Daar niemand van ons droge kleederen meer aanhad en de meesten tot aan +de heupen in het water hadden gestaan, was het verwisselen van jas niet +van zoo heel veel belang; maar de meester wilde deze verandering en, +toen het lot beslist had, trok ik de jas aan van Compayrou, en daar +de beenen van dezen wel zoo lang waren als mijn geheele lichaam, +was zijn jas droog. + +Toen ik daarin gewikkeld was, werd ik terstond warm. + +Na dit onaangename voorval, dat ons een oogenblik uit onzen dommeligen +toestand gewekt had, vervielen wij weder in den staat van halve +bedwelming en maakte de gedachte aan den naderenden dood zich opnieuw +van ons meester. + +Ongetwijfeld drukte die gedachte zwaarder op mijne makkers dan op mij, +want terwijl zij wakker bleven in een toestand van doffe wezenloosheid, +raakte ik in slaap. + +Daarvoor intusschen was mijne plaats niet zeer gunstig en elk oogenblik +liep ik gevaar in het water te vallen. De meester zag dit en nam +mijn hoofd onder zijn arm. Hij knelde mij wel niet tegen zich aan, +maar toch hield hij mij stevig genoeg vast om te voorkomen, dat ik +viel. Hij was als een moeder, die haar kind op den schoot houdt. Niet +alleen had de meester een krachtigen geest, hij bezat ook een goed +hart. Eerst toen ik half ontwaakte, gaf hij een andere houding aan +zijn arm, die verstijfd was, maar toen bleef hij weder onbeweeglijk +en fluisterde mij toe: + +--Slaap maar, mijn jongen, ik heb u goed vast; slaap gerust door. + +En ik sliep door zonder vrees, want ik gevoelde wel, dat hij mij niet +zou loslaten. + +De tijd ging voort en altijd hoorden wij het regelmatig neerploffen +en ophalen van de tonnen. + + + + +XXVII. + +DE REDDING. + + +Wij konden het bijna op die nauwe trap niet langer uithouden; wij +besloten dus om de treden te verbreeden en ieder toog aan het werk. Met +onze messen begonnen wij den muur uit te houwen en de steenkolen, +op die wijs verkregen, weg te ruimen. + +Daar wij nu een vast steunpunt hadden bekomen, werd onze arbeid +ook veel gemakkelijker, en eindelijk gelukte het ons diep genoeg +in de aarde door te dringen om onze gevangenis een aanzienlijk stuk +te verwijden. + +Het gaf een gevoel van rust, toen wij ons in onze volle lengte konden +uitstrekken en niet langer met schommelende beenen behoefden te zitten. + +Hoewel wij een zeer klein gedeelte van Carrory's brood hadden gekregen, +was het toch reeds op. Het laatste stuk had men ons juist bijtijds +gegeven om weder tot ons zelf te komen. Want toen de meester het ons +gaf, was het licht te begrijpen--te oordeelen naar den blik, dien +de houwers er op wierpen--dat zij een tweede verdeeling niet dulden +zouden, zonder er ook om te vragen, en zoo men het hun niet gaf, +zelf hun deel te nemen. + +Het was zelfs zoover tusschen ons gekomen, dat wij niets meer tegen +elkander zeiden, en zoo spraakzaam als wij in het begin van onze +gevangenschap geweest waren, zoo stil waren wij, toen deze voortduurde. + +Ons gesprek kwam altijd op dezelfde onderwerpen terug en wij +behandelden steeds dezelfde vraag: welke middelen men zou aanwenden +om tot ons door te dringen en hoelang wij opgesloten zouden blijven. + +Maar deze gesprekken werden niet met dezelfde belangstelling gevoerd +als in het begin; als een van ons iets zeide, dan werd daarop dikwijls +geen acht geslagen, of zoo dit al gebeurde, dan was het slechts met +een enkel woord; de dag kon in nacht verkeeren, wit in zwart, zonder +dat dit een oogenblik onze belangstelling kon opwekken of ons tot +eenige gedachtewisseling aanleiding gaf. + +--Het is goed; wij zullen zien, was het eenige antwoord. + +Waren we twee of zes dagen levend begraven? Men zou zich hiervan +eerst kunnen overtuigen, wanneer wij weder bevrijd waren. Maar zou +dat oogenblik aanbreken? + +Ik voor mij begon hieraan hard te twijfelen. + +Ik was niet de eenige en dikwijls lieten ook mijn makkers zich eene +opmerking ontvallen, die voldoende bewees, dat zij niet vrij van +twijfel waren. + +--Eén troost is het, zeide Bergounhoux, dat, als ik hier mocht blijven, +de maatschappij aan mijn vrouw en kinderen een jaarlijksch inkomen +zal geven; zij zullen tenminste niet aan het armbestuur vervallen. + +Ongetwijfeld had de meester, toen hij zijn waardigheid van bevelhebber +op zich nam, bij zichzelf besloten, ons niet alleen te beschermen +voor de onheilen, welke deze ramp ten gevolge kon hebben, maar ons +ook tegen ons zelven te verdedigen, en wanneer een van ons zijn +zelfvertrouwen verloor, hem moed in te spreken. + +--Gij zult hier evenmin blijven als wij; de tonnen werken, het +water daalt. + +--Waar daalt het? + +--In de putten. + +--En in de gang? + +--Dat zal wel gebeuren; geduld slechts. + +--Zeg, Bergounhoux, viel Carrory hem in de rede, met de +tegenwoordigheid van geest en de gevatheid, die alles kenmerkte wat hij +deed, als de maatschappij failliet gaat, zooals die van den meester, +dan heeft uw vrouw niets. + +--Wilt ge wel eens zwijgen, domkop, de maatschappij is rijk. + +--Zij was rijk, zoolang ze de mijn bezat; maar nu de mijn onder water +staat, niet meer. In elk geval zou ik, als ik boven was, inplaats +van hier, wel zoo in mijn schik zijn. + +--Omdat....? + +--Waarom waren die directeuren en ingenieurs zoo trotsch? Dit zal +hun tot een les zijn. Als de ingenieur eens naar beneden gegaan was +... dat zou dwaas zijn, niet waar, zulk een heer! + +--Als de ingenieur naar beneden gegaan was, dan zoudt gij hier blijven +en wij ook. + +--O gij, gij weet, dat gij u om niets behoeft te bekommeren, maar ik +heb wel iets anders te doen; mijn kastanjes, wie zal ze drogen? Ik +verzoek dus den ingenieur om weer naar boven te gaan; het is om te +lachen. Goedendag, mijnheer de ingenieur! + +Behalve de meester, die zijn gevoel wist te verbergen en Carrory, +die niet veel gevoel had, spraken wij niet meer over onze bevrijding, +maar slechts de woorden dood en honger kwamen over onze lippen. + +--Gij hebt mooi praten, meester, de tonnen kunnen nooit genoeg water +ophalen. + +--Ik heb het u al wel twintigmaal voorgerekend; een weinig geduld nog. + +--Dat rekenen zal er ons niet uitredden. + +Deze opmerking werd door Pagès geuit. + +--Wie dan? + +--De goede God. Deze heeft gedoogd, dat wij hier onze toevlucht +zochten. Hij zal ook redding geven. + +--Zoo God ons hier gebracht heeft, dan is het zeker geschied omdat +er onder ons zijn, die Hij straffen wilde. + +Deze opmerking ging gepaard met een zijdelingschen blik op Bergounhoux. + +Inplaats van heftig daartegen op te komen, bevestigde deze de woorden +van zijn aanklager. + +--Ik ben overtuigd, begon hij, dat God mij straffen wil, omdat ik +in den laatsten tijd geen goed christen ben geweest; en ik smeek Hem +thans uit het diepst mijner ziel vergiffenis. + +Hij viel op zijn knieën en sloeg zich verscheidene malen op de borst. + +--Ik voor mij durf ook niet beweren, dat ik geheel zonder zonde ben en +ik wil ook gaarne de mijne belijden; maar onze lieve Heer weet, dat +ik ze niet uit moedwil bedreven heb; ik heb nooit iemand opzettelijk +iets misdaan, sprak Pagès. + +--Ik weet niet of die donkere gevangenis eenigen invloed op mij +uitoefende, of dat het de vrees voor den dood was, of wel dat wij +door den honger verzwakt waren en het geheimzinnige schijnsel van de +lamp, die nauwlijks eenig licht over ons wierp; maar ook ik gevoelde +mij diep ontroerd, terwijl ik naar de belijdenis der zonden van de +anderen luisterde en ook ik stond op het punt om, evenals Pagès en +Bergounhoux, mij op de knieën te werpen en mijne feilen te biechten. + +Plotseling hoorde ik achter mij luid snikken en toen ik mij omwendde, +zag ik den grooten Compayrou op den grond liggen. + +--De schuldige, riep hij, is noch Pagès noch Bergounhoux, ik ben +het. De goede God straft mij, maar ik heb berouw, oprecht berouw. Ik +zal u de zuivere waarheid vertellen, als wij gered worden, dan +zweer ik, dat ik mijn misdaad zal herstellen. Een jaar geleden werd +Rouquette tot vijf jaren tuchthuisstraf veroordeeld, omdat hij een +horloge bij vrouw Vidal gestolen had. Hij is onschuldig. Ik heb die +misdaad gepleegd. Het horloge ligt onder mijn bed, en als men de +derde plank links opbeurt, zal men het vinden. + +--Gooi hem in het water! Gooi hem in het water! riepen Pagès en +Bergounhoux als uit één mond. + +Ongetwijfeld zouden zij den misdadiger in den afgrond geworpen hebben, +maar vóór dat zij hiertoe nog konden overgaan was de meester reeds +tusschenbeiden getreden. + +--Wilt gij dan dat hij voor God verschijnen zal met die misdaad op +zijn geweten? riep hij; laat hem eerst tot zich zelf inkeeren. + +--Ik heb berouw, oprecht berouw, herhaalde Compayrou op zulk een +zwakken toon, alsof hij een kind was, inplaats van een forschen kerel. + +--Gooi hem in het water, herhaalde men. + +--Neen, riep de meester. + +Hij begon hen toen op kalmen toon toe te spreken, en bracht hun onder +het oog, dat wij rechtvaardig en verstandig handelen moesten. Maar +zij wilden niets daarvan hooren en dreigden hem in de diepte te +zullen werpen. + +--Geef mij uw hand, zeide de meester, terwijl hij Compayrou naderde. + +--Verdedig hem niet, meester. + +--Ik zal hem verdedigen, en als gij hem in het water wilt werpen, +dan moet gij mij er ook inwerpen. + +--Welnu, neen dan! zeiden zij eindelijk; wij zullen hem niet in het +water gooien; maar op één voorwaarde; gij moet hem in gindschen hoek +laten liggen en niemand mag een woord tot hem spreken; niemand moet +zich met hem bemoeien. + +--Dat is billijk, hernam de meester, dat is zijn verdiende loon. + +Toen de meester dit gezegd had, hetgeen voor Compayrou als een vonnis +gold, schoven oom Gaspard, de meester en ik dichter naar elkander +toe en lieten wij den ongelukkige op den grond aan zijn lot over. + +Verscheidene uren achtereen bleef hij daar overstelpt van droefheid +liggen, zonder zich te verroeren, en van tijd tot tijd herhalende: + +--Ik heb berouw. + +Bergounhoux of Pagès riepen hem dan toe: + +--Het is te laat, gij hebt berouw, omdat gij bang zijt, lafaard. Al +een halfjaar, al een jaar lang, hadt gij berouw kunnen gevoelen. + +Hij haalde met moeite adem en zonder hun bepaald te antwoorden, +kermde hij: + +--Ik heb berouw, oprecht berouw. + +Hij had de koorts gekregen, want hij sidderde over zijn geheele +lichaam, terwijl hij klappertandde. + +--Ik heb dorst, zeide hij, geef mij den schoen. + +Er was geen water meer in den schoen; ik stond op om dit voor hem te +halen; maar Pagès, die het bemerkte, riep mij toe, dat ik dit niet +doen mocht en ook oom Gaspard hield mij ervan terug. + +--Men heeft gezworen hem aan zijn lot over te laten. + +Eenige oogenblikken lang riep hij nog om water, maar toen hij zag, +dat wij hem dit niet wilden geven, richtte hij zich op om het zelf +te halen. + +--Hij sleept de steenkolendam mede! riep Pagès. + +--Laat hem tenminste zijn vrijheid behouden, antwoordde de meester. + +Hij had gezien, dat ik mij langs den rug naar beneden had laten glijden +en wilde dit ook beproeven; maar ik was licht en hij zeer zwaar; ik +vlug en behendig, en hij een log wezen. Nauwlijks lag hij dan ook +op zijn rug, of de steenkolen gleden onder hem weg en zonder zich +een oogenblik tegen te kunnen houden, verdween hij in den donkeren +afgrond. Het water plaste ons in het gelaat, maar kabbelde een minuut +later weer rustig voort. + +Ik boog mij voorover, maar oom Gaspard en de meester hielden mij elk +bij een arm terug. + +--Wij zijn gered! riepen Bergounhoux en Pagès; wij zullen hieruit +komen. + +Bevende van schrik, wierp ik mij achterover; ik was ijskoud, bijna +halfdood van angst. + +--Hij was geen braaf man, zeide oom Gaspard. + +De meester sprak niet, maar mompelde een oogenblik later: + +--In elk geval verminderde hij de hoeveelheid zuurstof, die wij hadden. + +Dit woord, dat ik voor het eerst hoorde, trof mij en nadat ik een +poos had nagedacht, vroeg ik den meester, wat hij zeide. + +--Iets onbillijks en egoïstisch, jongenlief, en ik heb er berouw over. + +--Wat bedoelt gij? + +--Wij leven van brood en lucht. Brood hadden wij niet, ook van lucht +waren wij niet ruim voorzien, want de lucht, die wij inademden, kunnen +wij niet voor de tweede maal gebruiken; toen ik hem zag verdwijnen, +zeide ik, dat hij nu niet meer zijn deel aan de lucht zou eischen, +en over die woorden zal ik mijn leven lang berouw hebben. + +--Kom, kom, zeide oom Gaspard, hij heeft wat hem toekomt. + +--Nu zal alles goedgaan, zeide Pagès, terwijl hij met beide voeten +tegen den wand schopte. + +Als alles nu niet spoedig goedging, zooals Pagès het hoopte, dan was +het niet de schuld van de ingenieurs en de werklieden, die voor onze +redding werkten. + +Aan den put, dien men begonnen was te graven, werd zonder ophouden +gearbeid. Maar het was een moeilijk werk. + +De steenkolen, waardoorheen men een gang moest maken, waren zeer +hard en daar maar één houwer in die nauwe gang kon werken, was men +genoodzaakt hem telkens te vervangen, vooral daar allen om strijd +aan de redding wilden arbeiden. + +Bovendien was de luchtverversching in deze gang zeer slecht; men +had van afstand tot afstand blikken pijpen aangebracht, die met klei +aan elkander waren gevoegd; maar ofschoon een krachtige ventilator +de lucht door die pijpen joeg, brandden de lampen niet dan in de +onmiddellijke nabijheid van de opening. + +Dit alles was een belemmering bij het boren en den zevenden dag, nadat +wij waren bedolven, was men nog slechts twintig meter gevorderd. Onder +gewone omstandigheden zou men meer dan een maand noodig gehad hebben +om tot die diepte te komen, maar in verhouding tot de middelen, +welke men ter beschikking had en den ijver, waarmede men arbeidde, +was dit zeer weinig. + +Bovendien moest men de edele volharding bezitten van den ingenieur, +om dezen arbeid voort te zetten, want volgens het eenparig gevoelen +van de mijnwerkers was hij geheel nutteloos. Allen die in de mijnen +waren, moesten omgekomen zijn; men had niets anders meer te doen, +dan het water uithoozen door middel van de tonnen en men zou dan +later wel de lijken vinden. Welk nut stak er dus in, dat men eenige +uren vroeger of later dezen ontdekte? + +Dat was de meening, zoowel van de mijnwerkers als van het publiek; +de bloedverwanten, de vrouwen, ja zelfs de moeders hadden den rouw +reeds aangenomen. Niemand zou meer levend uit de Truyère komen. + +Zonder de uithoozing te doen staken, welke onverpoosd voortgezet werd +en waarmede men alleen ophield, wanneer aan de toestellen eenige averij +was gekomen, werd op last van den ingenieur, trots alle opmerkingen +van het publiek, van zijn ambtgenooten en van zijn vrienden, met de +boring voortgegaan. + +De hardnekkigheid, die aan Columbus eenmaal een nieuwe wereld ontdekken +deed, was ook zijn karaktertrek. + +--Één dag nog maar, vrienden, zeide hij tot de werklieden, en als wij +morgen niets ontdekt hebben, dan zullen wij ervan afzien; ik vraag +voor uwe kameraden wat ik vragen zou voor u, indien gij in hunne +plaats waart. + +Zijn vast geloof deelde zich ook mede aan de harten der mijnwerkers, +die uit de stad komende, den twijfel van allen deelden, maar door +hem weder tot een andere overtuiging waren gebracht. + +En eendrachtig, met elkander wedijverend in vlijt, bleven zij +voortwerken. + +Van den anderen kant moest de gaanderij, waar de lampen bewaard werden, +die op verschillende punten was ineengestort, uitgehoosd worden, en +door alle mogelijke middelen trachtte hij aan de mijn hare slachtoffers +te ontrukken zoo dezen nog in leven mochten zijn. + +Den zevenden dag meende de opperman, die bij een afwisseling van +posten de steenkolen moest weghalen, een geluid te hooren, dat veel +op een zacht kloppen geleek; inplaats van met zijn houweel te hakken, +hield hij dit in de hoogte en luisterde aandachtig of hij het geraas +ook kon onderscheiden. Hij meende wel dat hij zich vergiste maar riep +toch een van zijn makkers om met hem te luisteren. Beiden bukten zich +met ingehouden adem voorover, en een poos later herhaalde zich zeer +regelmatig dat kloppen en tikken. + +Deze tijding ging spoedig van mond tot mond en zonder dat het door +iemand geloofd werd, kwam het den ingenieur ter ooren, die onmiddellijk +naar de gang snelde. + +Hij had dus eindelijk gelijk! Er bevonden zich in de mijn nog levende +wezens, die gered konden worden. + +Velen hadden hem gevolgd; hij baande zich een weg door de mijnwerkers +en luisterde aandachtig, maar hij was zoo zenuwachtig en beefde zoozeer +over zijn gansche lichaam, dat hij niet instaat was te luisteren. + +--Ik hoor niets, zeide hij wanhopend. + +--Het is de mijngeest, antwoordde een werkman; hij wil ons een trek +spelen en hij klopt om ons te misleiden. + +Maar de beide houwers, die het eerst het geluid gehoord hadden, +hielden vol dat zij zich niet hadden vergist en dat hun kloppen +beantwoord was geworden. Het waren mannen van ondervinding, die in +de mijnen oud waren geworden, en wier woorden gezag hadden. + +De ingenieur verwijderde allen, die hem gevolgd waren, uit de gang, +en van de werklieden, die een keten hadden gemaakt om de steenkolen +weg te dragen, behield hij er slechts twee. + +Daarop liet hij door een herhaaldelijk geregeld kloppen de gevangenen +waarschuwen, waarop hij telkens weder met ingehouden adem luisterde, +of zij ook eenig sein terugzonden. + +Na een oogenblik wachtens hoorden zij zeer in de diepte eenig geluid; +een zacht kloppen, waarvan de slagen elkander snel opvolgden en hun +tot antwoord dienden. + +--Klop nogmaals en met groote tusschenpoozen, om ons te overtuigen, +dat het niet de echo van ons kloppen is. + +De houwers klopten, en oogenblikkelijk hoorden zij denzelfden klop, +die als antwoord der mijnwerkers gelden moest. + +Alle twijfel was thans opgeheven: zij leefden nog en men kon hen +redden. + +Het nieuws verspreidde zich met bliksemsnelheid door de stad en +een nog talrijker en nog ontroerder menigte dan den dag van het +ongeval, snelde naar de Truyère. Vrouwen, kinderen en moeders, alle +bloedverwanten der slachtoffers, kwamen bevende van angst of vol hoop, +in diepen rouw gedompeld, naar de plaats des onheils. + +Hoeveel leefden nog? Velen misschien. De uwe ongetwijfeld, maar de +mijne misschien.... + +Men had den ingenieur wel om den hals willen vallen. + +Maar hij behield onder die uitgelaten vreugde evenzeer zijne +bedaardheid als hij kalm gebleven was onder den spot en twijfel; hij +dacht slechts aan de redding en, om zoowel de belangstellenden als de +bloedverwanten te verwijderen, beval hij den soldaten om de gang af te +zetten en te zorgen, dat de arbeiders een voldoende ruimte behielden. + +Het kloppen was zoo zwak, dat men onmogelijk de juiste plaats bepalen +kon, vanwaar het kwam. Toch was de aanwijzing duidelijk genoeg om zich +te overtuigen, dat de arbeiders, die aan de overstrooming ontsnapt +waren, zich in een van de drie zijgangen der oude werken bevonden. + +Niet één put, maar drie zou men moeten graven, om de gevangenen te +kunnen bereiken. Als men meer gevorderd was en men daardoor beter +zou kunnen hooren, kon men altijd een der schachten, die niet meer +noodig waren, prijsgeven, om alle krachten aan de goede aan te wenden. + +Het werk werd met meer ijver nog dan te voren hervat, en de +maatschappijen uit den omtrek zonden om strijd hun beste werklieden +naar de Truyère. + +De hoop, die weder bij een ieder onder het graven levendig was +geworden, nam toe, naarmate men de gang naderde en het water in de +putten daalde. + +Toen wij in onze zijgang het kloppen van den ingenieur hoorden, +maakte zich dezelfde gewaarwording van ons meester als toen wij het +water hoorden uitpompen. + +--Gered! + +Het was een vreugdekreet, die ons aller borst ontsnapte en zonder +verder na te denken, meenden wij, dat men ons weldra de hand zou +reiken. + +Daarop maakte weder, evenals na het uithoozen van het water, deze +blijdschap voor diepe wanhoop plaats. + +Uit het houwen en graven maakten wij spoedig op, dat de arbeiders +nog ver verwijderd waren. Misschien nog tien, mogelijk wel +twintig meter. Hoeveel tijd was er noodig om die dikke steenlaag +te doorboren? Onze berekeningen waren zeer verschillend: een maand, +een week, minstens zes dagen. Hoe zouden wij het nog een maand, een +week, zes dagen kunnen uithouden? Wie van ons zou er nog zes dagen +leven? Hoelang waren wij reeds zonder eten geweest? + +De meester was de eenige, die nog eenige blijken van moed gaf, maar +op den langen duur begon ook hij in onze neerslachtigheid te deelen +en verminderde langzamerhand zijn vertrouwen. + +Zooveel wij wilden konden wij drinken, maar eten niet, en de honger +kwelde ons zoo vreeselijk, dat we eindelijk besloten waren om vermolmd, +in water geweekt hout, te eten. + +Carrory, die het meest uitgehongerd van ons allen was, had zijn laars +in stukken gesneden en kauwde voortdurend op een stuk leder. + +Toen ik zag waartoe mijn makkers, door den honger gedreven, instaat +waren, moet ik bekennen, dat zich een gevoel van angst van mij meester +maakte, en dit, gevoegd bij de vrees die ik reeds koesterde, mij +weinig gerust stelde. Ik had Vitalis dikwijls van een schipbreuk hooren +vertellen, want hij had menige zeereis gemaakt, en onder die verhalen +was er een, dat, sedert de honger mij pijnigde, mij onophoudelijk +voor den geest kwam. Het was de geschiedenis van matrozen, die op een +zandbank waren geworpen, waar geen voedsel voor hen te vinden was, +en toen den kajuitsjongen gedood hadden om hun honger te stillen. Ik +vroeg mezelf af, terwijl ik mijn makkers van honger hoorde kermen, +of mij niet een zelfde lot beschoren was en of ik op onze kolenbank +niet gedood en opgegeten zou worden. Ik was zeker dat de meester en +oom Gaspard mij tot het laatst toe zouden verdedigen; maar Pagès, +Bergounhoux en Carrory! Carrory vooral, met zijn groote witte tanden, +die aanhoudend op een stuk leder knabbelde, boezemden mij volstrekt +geen vertrouwen in. + +Ongetwijfeld was mijn vrees zeer dwaas; maar in den toestand, waarin +wij verkeerden, werd onze geest noch onze verbeelding door het koele, +gezonde verstand geleid. + +Onze angst werd vooral vermeerderd, omdat wij geen licht hadden. De +lampen waren achtereenvolgens uitgebrand bij gebrek aan olie. En +toen wij er niet meer dan twee overhadden, had de meester besloten, +dat zij niet eer aangestoken zouden worden, voordat zij noodzakelijk +zouden zijn. Wij bleven dus voortdurend in de duisternis gedompeld. + +Dit was niet slechts onverdraaglijk, maar bovendien gevaarlijk, want, +als wij ons maar even onbedachtzaam bewogen, hadden wij kans in het +water te storten. + +Sedert den dood van Compayrou, lagen op elke trede drie werklieden, +waardoor wij dan ook een weinig meerplaats kregen; oom Gaspard rustte +in een hoek, de meester in een anderen en ik lag in het midden. + +Op een gegeven oogenblik, terwijl ik half was ingedommeld, hoorde +ik tot mijn verbazing den meester op zachten toon, alsof hij hardop +droomde, eenige woorden stamelen. + +Ik ontwaakte en luisterde. + +--Daar zijn wolken, zeide hij, hoe mooi zijn die wolken toch. Er +zijn menschen die er niet van houden; ik vind ze wel schoon. O, +wij krijgen wind, des te beter, ik houd ook van wind. + +Droomde hij? Ik trok hem bij den arm, maar hij vervolgde: + +--Wilt ge mij een eierstruif geven van zes en niet van acht eieren; +snijd hem maar in twaalven; dan zal ik hem opeten, als ik thuis kom. + +--Hoort gij hem, oom Gaspard? + +--Ja, hij droomt. + +--Welneen, hij is wakker. + +--Hij praat onzin. + +--Ik verzeker u, dat hij wakker is. + +--Heila, meester! + +--Wilt gij medeeten, Gaspard? Kom dan, maar ik zeg u, dat wij wind +krijgen. + +--Hij weet niet wat hij zegt, hernam oom Gaspard; het is de honger +en de koorts. + +--Neen, hij is dood, zeide Bergounhoux, zijn ziel spreekt; gij +ziet wel, dat hij elders vertoeft. Waar is de wind, meester, is +hij noordwest? + +--Er is geen noordwestenwind in de hel, riep Pagès, en de meester +is in de hel; gij wildet mij niet gelooven, toen ik zeide, dat wij +daarheen gaan. + +Wat bezielde hen? hadden zij allen hun verstand verloren? werden zij +krankzinnig? Maar dan zouden zij twist krijgen en gaan vechten en +elkaar misschien doodslaan. + +Wat zou ik doen? + +--Wilt gij drinken, meester? + +--Neen dank u, ik zal wel drinken als ik mijn eierstruif eet. + +Geruimen tijd spraken zij met hun drieën, zonder elkander te +antwoorden, en te midden van hun onsamenhangende woorden, hoorden +wij altijd "eten, uitgaan, hemel, wind." + +Op eens kwam ik op de gedachte om een lamp aan te steken. Zij stond +naast den meester met de lucifers erbij, en ik stak ze aan. + +Zoodra er licht was, zwegen allen. + +Na een oogenblik stilte vroegen zij elkaar af wat er eigenlijk +gebeurde, alsof zij uit een droom ontwaakten. + +--Gij hebt geijld, antwoordde oom Gaspard. + +--Wie? + +--Gij zelf meester, en ook Pagès en Bergounhoux; gij zeidet dat gij +buiten waart en dat het waaide. + +Van tijd tot tijd klopten wij tegen den muur, om onzen redders te +laten weten, dat wij nog leefden, en wij hoorden dan hun houweelen +zonder ophouden op de steenen vallen. Maar de slagen werden niet +veel harder, wat ons duidelijk te kennen gaf, dat zij nog ver van +ons verwijderd waren. + +Toen de lamp aangestoken was, liet ik mij afglijden, om water te halen +in de schoen, en het scheen mij toe dat het water eenige centimeters +gezakt was. + +--Het water daalt. + +--Groote God! + +En een oogenblik keerde in aller harten de hoop terug. + +Men wilde de lamp aangestoken laten om te zien, hoever het water +gezakt was, maar de meester verzette zich hiertegen. + +Ik dacht dat er toen een opstand zou losbreken. Maar de meester had +altijd een goede reden voor hetgeen hij verzocht. + +--Wij zullen later de lampen veel meer noodig hebben; als wij ze +nu voor niets gebruiken, wat zullen we dan later doen als we ze +noodig hebben? En denkt gij niet, dat ge van ongeduld zoudt sterven +wanneer gij het water bijna onmerkbaar zaagt dalen? Want gij moet +niet verwachten, dat het plotseling zakt. Wij zullen gered worden, +houdt dus goeden moed. Wij bezitten nog dertien lucifers. Wij zullen +die, telkens als gij het verlangt, aansteken. + +De lamp werd uitgedoofd. Wij hadden allen naar hartelust gedronken; +geen van ons begon nu meer te ijlen. En vele uren, misschien +verscheidene dagen lang, bleven wij roerloos liggen, zonder door +iets anders aan het leven herinnerd te worden, dan door het tikken +der houweelen, die een put groeven en het uithoozen der tonnen. + +Geleidelijk werden nu de slagen luider en luider; het water daalde en +men naderde ons. Maar zou men ons bijtijds bereiken? vorderden onze +redders in hun werk met reuzenschreden? zouden onze krachten, die +voortdurend afnamen, dan nog toereikend wezen? Wij waren zwak naar +lichaam en geest. Sedert den dag van de overstrooming, hadden mijn +makkers geen voedsel gebruikt. Maar wat nog erger was, wij hadden van +dat oogenblik af geen versche lucht ingeademd en deze was hoe langer +hoe vunziger geworden. Gelukkig was de luchtdrukking verminderd, +naarmate het water daalde, want ware de waterstand gebleven, zooals +hij in het eerst was, dan zouden wij ongetwijfeld gestikt zijn. Op +welke wijze wij ook gered werden, wij hadden dit te danken aan den +ijver en de juistheid waarmede de ingenieur den arbeid leidde. + +Het geluid der tonnen en der houweelen ging met de grootste +gelijkmatigheid, alsof het de slinger van een klok was en bij iedere +postafwisseling gevoelden wij een koortsachtige aandoening. Zag men van +de redding af, of ondervond men onoverkomelijke bezwaren? Gedurende +het uitpompen van het water hoorden wij eensklaps een oorverdoovend +geraas, een schel gefluit. + +--Het water valt in de mijn, riep Carrory. + +--Het is niet het water, hernam de meester. + +--Wat is het dan? + +--Ik weet het niet; maar het is niet het water. + +Hoewel de meester ons verscheidene malen bewijzen gegeven had van zijn +doorzicht en gezond verstand, hechtte men geen geloof aan hetgeen +hij zeide, dan wanneer hij dit door bewijzen staafde. Hij erkende, +dat hij niet wist, waaraan dit geluid was toe te schrijven--later +vernamen wij, dat het ontstond door de kettingen van een ventilator, +dien men opheesch om versche lucht aan de werklieden te verschaffen--en +nu maakte zich een dolle vrees van ons meester, bij de gedachte aan +een overstrooming. + +--Steek de lamp aan. + +--Dat is niet noodig. + +--Steek aan, steek aan! + +Hij moest wel gehoorzamen, want allen waren het hierover eens. Bij het +schijnsel van de lamp konden wij zien dat het water niet gerezen was, +maar dat het eer daalde. + +--Gij ziet dat ik gelijk heb, sprak de meester. + +--Het stijgt en thans zullen wij verdrinken. + +--Welnu, hoe eer hoe beter dan maar, want ik kan het niet langer +uithouden. + +--Geef de lamp, meester, ik wil op een stukje papier aan mijn vrouw +en kinderen schrijven. + +--Schrijf voor mij ook. + +--Voor mij ook. + +Bergounhoux had gevraagd om de lamp aan te steken, teneinde, voordat +hij stierf, nog aan zijn vrouw en kinderen te schrijven; hij had +in zijn zak een stukje papier en een potlood en maakte zich tot +schrijven gereed. + +--Luister, dit zal ik schrijven: + +"Gaspard, Pagès; de schoolmeester, Carrory en Rémi zijn in de zijgang +opgesloten en zullen daarin omkomen." + +"Ik Bergounhoux, smeek God, om een man voor de weduwe en een vader +voor de weezen te zijn; ik geef hun mijn zegen." + +--Gij, Gaspard? + +"Gaspard geeft wat hij bezit aan zijn neef Alexis." + +"Pagès draagt zijn vrouw en kinderen aan God, de Heilige Maagd en de +maatschappij op." + +--Gij meester. + +--Ik heb niemand, antwoordde de meester op droevigen toon, niemand +zal mij betreuren. + +--Gij Carrory. + +--Ik, riep Carrory, ik verlang, dat mijn kastanjes verkocht zullen +worden, voordat zij gedroogd zijn. + +--Op ons papier schrijven we niet zulken onzin. + +--Het is geen onzin. + +--Wilt gij niemand vaarwelzeggen. Uw moeder? + +--Mijn moeder zal van mij erven. + +--En gij Rémi? + +"Rémi geeft aan Mattia Capi en zijn harp; hij groet Alexis en +verzoekt hem om naar Lize te gaan, en wanneer hij haar zijn groeten +overbrengt, haar tevens een gedroogde roos te geven; die hij in zijn +jaszak bewaart. + +Wij zullen allen onze handteekening eronder zetten." + +--Ik zet een kruis, sprak Pagès. + +--Nu, zeide Bergounhoux, toen wij allen onzen naam gezet hadden, +vraag ik niets meer, dan dat men mij rustig sterven laat, zonder iets +meer tegen mij te zeggen. Vaartwel, makkers. + +Hij verliet daarop zijn trede en begaf zich naar de onze, om van ons +drieën afscheid te nemen. Daarop klom hij weder naar de zijne, omhelsde +Pagès en Carrory, en maakte toen van zand en vermolmd hout een hoogte, +waarop hij met zijn hoofd kon rusten en strekte zich vervolgens in +zijn geheele lengte uit, zonder zich verder meer te verroeren. + +De aandoeningen, welke deze brief bij ons teweeggebracht had, en de +gelatenheid van Bergounhoux maakten ons niet moediger. + +Intusschen was het kloppen veel duidelijker geworden en ongetwijfeld +was men ons reeds zoover genaderd, dat men ons spoedig zou kunnen +bereiken. + +Hiermede troostte ons de meester, teneinde zoodoende een weinig kracht +te geven. + +--Als men zoo dicht bij ons is, als gij meent, dan zouden wij hen +kunnen hooren schreeuwen en wij hooren hen niet, evenmin als men +ons hoort. + +--Al waren zij slechts weinige meters van ons verwijderd dan zouden +wij hen nog niet kunnen hooren; dit hangt geheel af van het gehalte +der aardkorst, die zij doorboren moeten. + +--Of van den afstand. + +Het water daalde echter voortdurend en weldra kregen wij het bewijs, +dat het de daken der gangen niet meer bereikte. + +Wij hoorden tegen den wand van de zijgang eenig gedruisch en het +water klotste alsof er stukjes steenkool invielen. + +Men stak een lamp aan en wij zagen verscheidene ratten beneden in +de zijgang loopen. Zij hadden, evenals wij, een schuilplaats in een +duikerklok gevonden en toen het water gedaald was, hadden zij haar +toevluchtsoord verlaten om eenig voedsel te zoeken. Als zij ons +hadden kunnen bereiken, dan was dit omdat het water de gangen niet +meer geheel vulde. + +Deze ratten waren voor onze gevangenis, wat de duif voor de ark van +Noach was: het einde van den zondvloed. + +--Bergounhoux, sprak de meester, terwijl hij zich tot aan de bovenste +trede oprichtte, vat maar weer moed. En hij bracht hem toen aan het +verstand, dat de ratten onze naderende bevrijding aankondigden. + +Maar Bergounhoux liet zich niet overtuigen. + +--Als de hoop weder voor wanhoop moet plaats maken, dan wil ik liever +in het geheel geen hoop meer koesteren; ik wacht den dood; als er +redding komt, dan zij God geloofd. + +Ik wilde onze trede verlaten, om zelf me te overtuigen of het water +inderdaad daalde. Het zakte aanmerkelijk en er was een groote ruimte +gekomen tusschen het water en het bovenste gedeelte van de gaanderij. + +--Vang eenige ratten, dan kunnen wij ze opeten, riep Carrory. + +Maar om de ratten te vangen, moest men vlugger zijn dan ik thans was. + +De hoop op redding evenwel had mij weder kracht gegeven en het zien +van de ruimte deed mij besluiten een denkbeeld ten uitvoer te brengen, +dat mij reeds lang gekweld had. Ik klom weder naar onze trede. + +--Meester, ik weet iets; daar de ratten in de gang loopen, bewijst +dit, dat men erdoor kan gaan; ik zal zwemmende de ladders bereiken en +daar om hulp roepen; men zal ons komen zoeken, dat zal eerder kunnen +gebeuren dan door de schacht. + +--Ik verbied u dat! + +--Maar, meester, ik zwem even goed als gij loopt en als een paling +schiet ik door het water. + +--En de slechte lucht. + +--Als de ratten erdoor komen, dan is de lucht niet slechter voor mij +dan voor haar. + +--Ga, Rémi! riep Pagès, ik zal u mijn horloge geven. + +--Wat zegt gij ervan, Gaspard? vroeg de meester. + +--Niets; als hij denkt, dat hij de ladders bereiken kan, laat hij +dan gaan, ik heb het recht niet hem dit te beletten. + +--En als hij verdrinkt? + +--En als hij zich redt, inplaats van hier wachtende om te komen? + +Een oogenblik peinsde de meester hierover na; daarop vatte hij mij +bij de hand. + +--Gij zijt een brave knaap, mijn jongen, doe zooals gij wilt; ik +geloof, dat gij het onmogelijke wilt beproeven, maar het zou niet +voor de eerste maal zijn, dat gij in het onmogelijke slaagdet. Neem +van ons allen afscheid. + +Ik zeide allen vaarwel en nadat ik mijn kleederen had uitgetrokken, +liet ik mij in het water glijden. + +--Gij moet aanhoudend luid spreken, zeide ik, voordat ik begon te +zwemmen: uw stem zal mij leiden. + +Welke ruimte was er tusschen het dak en de gang? Was ze groot genoeg +om mij vrij daarin te kunnen bewegen? Dat was de vraag. + +Nadat ik eenige slagen gedaan had, bemerkte ik, dat ik zeer langzaam +zwemmen moest, daar ik anders misschien mijn hoofd zou stooten; het +waagstuk, dat ik wilde ondernemen, was alzoo mogelijk. Zou het einde +de bevrijding of de dood zijn? + +Ik wendde mij om en zag het schijnsel van de lampen in den donkeren +afgrond weerkaatsen: dit was mijn vuurtoren. + +--Gaat het goed? riep de meester. + +--Ja. + +En met behoedzaamheid ging ik voorwaarts. + +De grootste moeilijkheid om van de zijgang naar de ladders te komen, +bestond hoofdzakelijk hierin om de goede richting te houden, want ik +wist dat op een bepaald punt, waarvan ik niet ver verwijderd was, +de gangen in elkander liepen. Ik moest dus niet door de duisternis +mij laten misleiden, want dan zou mijn tocht tevergeefs zijn. + +Het dak en de wanden van de gaanderij waren dus geen voldoende +gidsen voor mij, maar op den grond had ik een veel beter leidsman +in de rails. Als ik die volgde, dan was ik zeker, dat ik de trappen +bereiken zou. + +Van tijd tot tijd raakte ik even met mijn voeten op den grond en als +ik dan een rail voelde, liet ik mij weder langzaam bovenkomen. De +rails onder mij, de stemmen van mijn makkers achter mij, ik kon dus +onmogelijk verdwalen. + +Het voortdurend afnemen van het geluid der stemmen en het steeds +toenemend geraas, dat het uithoozen van het water veroorzaakte, +gaven mij de overtuiging, dat ik vorderde. Eindelijk zou ik dus +weder het daglicht aanschouwen en door mij zouden mijn kameraden +gered worden. Dat schonk mij kracht. + +Ik hield altijd het midden van de gang en behoefde slechts even te +duiken om een rail aan te raken, wat ik meestal met de punt van mijn +voet deed. Toen ik dit weder beproefde en haar niet met mijn voet +vinden kon, dook ik geheel onder om er met mijn hand naar te zoeken, +maar dit was tevergeefs; ik zwom van de eene zijde naar de andere, +maar vond niets. + +Had ik mij bedrogen? + +Ik bleef een oogenblik onbeweeglijk liggen om over mijn toestand na +te denken; de stemmen van mijn makkers drongen slechts zeer flauw, +als een zacht, bijna onhoorbaar gemompel tot mij door. Toen ik weder +ademgehaald en een goede hoeveelheid lucht in mij opgenomen had, dook +ik geheel onder, maar zonder een gelukkiger uitslag dan de eerste +maal. Geen rails. + +Ik was de verkeerde gang ingeslagen, zonder het te bemerken, en moest +dus weder omkeeren. + +Maar hoe? mijn makkers riepen niet langer, of wat hetzelfde is, +ik kon ze niet meer hooren. + +Een oogenblik gevoelde ik mij als verlamd, en een diepe smart +overweldigde mij, toen ik niet wist in welke richting ik zwemmen +zou. Ik was dus verdwaald in dien duisteren afgrond; onder dien zwaren +steenklomp en in dat ijskoude water. + +Maar eensklaps drong weder het geluid van stemmen tot mij door en ik +wist daardoor in welke richting ik mij bewegen moest. + +Toen ik eenige slagen achterwaarts gedaan had, dook ik opnieuw en +reikte met mijn voet een rail. Op dit punt liepen de gangen dus te +zamen. Ik zocht naar de metalen plaat op den muur; ik vond die niet; +ik zocht naar de openingen en vond ze evenmin; rechts en links tastte +ik altijd tegen den muur. Waar lag de rail? + +Ik volgde ze tot aan het einde, maar plotseling hield zij op. + +Ik begreep toen, dat de spoorbaan weggespoeld was door den stortvloed +van water en dat ik mijn gids verloren had. + +Door deze omstandigheid werd het mij onmogelijk gemaakt om mijn plan +ten uitvoer te brengen en schoot mij niets anders over dan terug +te keeren. + +Ik had dien weg reeds eenmaal afgelegd en wist, dat ik hier buiten +gevaar verkeerde; ik zwom dus met groote snelheid voort om de zijgang +te bereiken; de stemmen leidden mij. + +Naarmate ik onze schuilplaats naderde, scheen het mij toe, dat +de stemmen duidelijker werden, alsof mijn makkers nieuwe krachten +verzameld hadden. + +Spoedig bevond ik mij aan het begin van de gang en riep ook. + +--Kom, kom spoedig, riep de meester. + +--Ik heb de schacht niet gevonden. + +--Dat doet er niet toe; de opening vordert; zij hooren ons roepen en +wij hen; weldra zullen wij met elkander kunnen spreken. + +Snel beklom ik de trede en luisterde met ingehouden adem. De slagen +waren werkelijk veel harder; en de stemmen van hen, die tot onze +bevrijding werkten, waren nog wel zwak, maar toch vrij duidelijk. + +Toen de eerste opwelling van vreugde voorbij was, voelde ik dat ik +half bevroren was, en daar er geen warme kleederen waren om mij af +te drogen, begroef men mij tot aan het hoofd onder de steenkolen, +die altijd een zekere warmte behouden en oom Gaspard met den +meester drukten zich tegen mij aan. Ik vertelde hun toen mijn +onderzoekingstocht en hoe ik een oogenblik verdwaald was geraakt. + +--Hebt gij durven duiken? + +--Waarom niet? Ongelukkig heb ik niets kunnen vinden. + +Maar, zooals de meester ook gezegd had, dat deed er nu weinig toe; +want, al waren wij niet door de gang gered, het zou door een schacht +gebeuren. + +Het geroep werd duidelijker en duidelijker, zoodat wij alle hoop +hadden spoedig de stemmen te kunnen onderscheiden. + +Eenige minuten later hoorden wij deze woorden langzaam uitspreken: + +--Met hoeveel zijt gij? + +Oom Gaspard had de sterkste stem van ons allen. Hij zou dus antwoorden. + +--Zes! + +Er heerschte een poos een diepe stilte. Waarschijnlijk hadden zij +boven op een grooter aantal gerekend. + +--Haast u, riep oom Gaspard, wij kunnen het hier niet langer uithouden. + +--Uw namen. + +Hij noemde onze namen: + +--Bergounhoux, Pagès, de schoolmeester, Carrory, Rémi en Gaspard. + +Gedurende onze redding was dit het vreeselijkste ongeluk voor hen, +die boven waren. Toen men vernam, dat men weldra eenige woorden met +ons zou kunnen wisselen, waren alle mijnwerkers, alle bloedverwanten +en vrienden komen toesnellen en de soldaten hadden groote moeite om +hun te beletten de gang binnen te dringen. + +Toen de ingenieur mededeelde, dat wij slechts met ons zessen waren, +heerschte er algemeene teleurstelling, maar toch bleef een ieder voor +zichzelf nog eenige hoop koesteren, daaronder die zes zich juist de +persoon bevinden kon, dien men wachtte. + +Hij herhaalde onze namen. + +Helaas! op honderd en twintig moeders of vrouwen, waren er slechts +vier, wier hoop verwezenlijkt zou worden. Welk een groote smart was +dat voor de anderen en hoeveel tranen werden er niet gestort! + +Ook wij van onzen kant dachten aan hen, die gered hadden kunnen worden. + +--Hoeveel zijn er gered? vroeg oom Gaspard. + +Men antwoordde niet. + +--Vraag waar Marius is, zeide Pagès. + +De vraag werd gedaan; maar bleef evenals de eerste, onbeantwoord. + +--Zij hebben het niet gehoord. + +--Zeg liever, dat zij niet willen antwoorden. + +Ik brandde van verlangen, om een vraag te doen. + +--Vraag eens hoelang wij hier reeds zijn opgesloten. + +--Sedert veertien dagen. + +Veertien dagen! Bij onze hoogste berekening waren wij op vijf of zes +dagen gekomen. + +--Gij behoeft er nu niet langer meer in te blijven. Houdt goeden +moed. Laten wij nu zwijgen, anders kunnen wij niet voortwerken. Nog +slechts weinige uren. + +Deze duurden, geloof ik, het langst van onze geheele gevangenschap, in +elk geval, behoorden zij onder de smartelijkste. Bij iederen hamerslag +die er viel, dachten wij dat het de laatste was; maar altijd werd +hij door een anderen en weder een anderen gevolgd. + +Van tijd tot tijd werd er een vraag gedaan. + +--Hebt gij honger? + +--Ja, zeer veel. + +--Kunt gij wachten? als gij te zwak zijt, dan zal men een gat boren +en daarin bouillon gieten, maar dat zal uwe bevrijding vertragen; +als gij nog wachten kunt, dan zult gij eerder uw vrijheid terugkrijgen. + +--Wij zullen wachten, haast u dan ook. + +De tonnen waren voortdurend in werking gebleven en het water zakte +aanhoudend en geregeld. + +--Zeg dat het water zakt, zeide de meester. + +--Wij weten het; zoowel door de schacht als door de gang; men zal u +spoedig bereiken.... zeer spoedig. + +De slagen klonken minder krachtig. + +Blijkbaar stond men op het punt om een opening te boren, en daar wij +medegedeeld hadden, in welken toestand wij verkeerden, vreesde men +een instorting teweeg te brengen, die op ons hoofd zou neerkomen en +ons kwetsen of wellicht dooden zou of in het water doen storten. + +De meester legde ons toen ook uit, dat het zeer wel mogelijk kon zijn, +dat men bevreesd was voor de luchtdrukking, waardoor zoodra er een +gat geboord was, de lucht ontsnappen zou als de kogel uit een kanon +en alles in puin doen storten.--Wij moeten dus op onze hoede zijn en +evenals de opzichters over ons zelf waken. + +De schokken aan den bodem toegebracht door de houweelen, waren oorzaak +geweest, dat de steenkool in de zijgang had losgelaten en tal van +brokstukken in het water vielen. + +Zonderling, hoe meer het oogenblik van onze bevrijding naderde, +hoe zwakker wij werden; mijn krachten waren uitgeput en onder de +steenkolen begraven, was ik zelfs niet instaat mijn arm op te tillen; +ik beefde over mijn gansche lichaam, zonder het koud te hebben. + +Eindelijk rolden grootere stukken tusschen ons; de opening was boven +in de zijgang aangebracht; wij waren als verblind door het licht +der lampen. + +Maar onmiddellijk was alles om ons weder in het duister gehuld; +de tocht, een vreeselijke tocht, een windvlaag, die verscheidene +stukken steenkool met zich voerde, vloog ons in het gelaat. + +--Dat komt van de tocht, stel u gerust, men zal de lampen spoedig +weder aansteken. Hebt slechts even geduld. + +Wachten! Alweder wachten! + +Maar op hetzelfde oogenblik hoorden wij in de gang een vreeselijk +geraas, en toen ik mij omkeerde zag ik dat een helder licht zich over +het water verspreidde. + +--Moed! Moed! riep men ons toe. + +En terwijl men door de opening aan de mannen, die zich op de bovenste +trede bevonden, de hand reikte, naderde men ons door de gaanderij. + +De ingenieur had zich aan het hoofd gesteld; hij was de eerste die +op de trede stapte en ik lag in zijn armen, vóór ik nog een woord +had kunnen uiten. + +Het was hoog tijd, want mijn hart klopte bijna niet meer. + +Toch besefte ik dat men mij wegdroeg, en dat, toen wij buiten de gang +waren, men mij in dekens wikkelde. + +Ik opende de oogen, maar een oogenblik daarop werd ik als verblind, +zoodat ik genoodzaakt was ze weder te sluiten. + +Het was dag, wij bevonden ons in de open lucht. + +Op hetzelfde oogenblik wierp zich een wit lichaam op mij: het was +Capi, die met een sprong op den arm van den ingenieur zat en mijn +gelaat lekte. Ook voelde ik, dat men mijn rechterhand vatte en die +kuste--Rémi fluisterde een stem,--het was Mattia. Ik wierp een blik +om mij heen en ik ontdekte toen een talrijke menigte, die zich in twee +rijen geschaard had, zonder den doortocht te belemmeren. Er heerschte +een diepe stilte onder de menigte, want men had ieder gewaarschuwd +ons door tranen noch klachten nieuwe aandoeningen te bezorgen; maar +de houding en de blikken van allen spraken meer dan de stomme lippen. + +In de eerste rij zag ik witte, met gouden versierselen bedekte gewaden, +die in de zon schitterden. Het was de geestelijkheid van Varses, +die zich naar den ingang van de mijn begeven had om daar voor onze +bevrijding te bidden. + +Toen wij te voorschijn traden, knielden zij in het stof, want gedurende +veertien dagen was de bodem, die door stortregens door-en-door nat +was geworden, gedroogd. + +Twintig armen strekten zich uit om mij aan te nemen, maar de ingenieur +wilde mij niet afstaan en, trotsch op zijn overwinning, gelukkig en +fier bracht hij mij naar het kantoor, waar men eenige bedden gespreid +had om ons daarop neer te leggen. + +Twee dagen later wandelde ik door de straten van Varses, gevolgd +door Mattia, Alexis en Capi, en ieder, dien wij tegenkwamen, bleef +stilstaan om ons na te staren. + +Sommigen zelfs kwamen naar mij toe en drukten mij de hand, met tranen +in de oogen. + +Anderen weer wendden het hoofd van mij af. Deze waren in rouw gedompeld +en vroegen zich af, waarom dit kind, dat alleen op de wereld was, gered +was geworden, terwijl een huisvader of de zoon zich nog in de mijn +bevonden, en nu met verminkte lichamen door het water werden verteerd. + +Maar onder hen, die mij staande hielden, waren er velen, die het mij +lastig maakten, daar zij volstrekt wilden, dat ik met hen zou eten +of naar een koffiehuis gaan. + +--Gij moet alles eens aan ons vertellen, zeiden zij. + +Ik bedankte altijd voor dergelijke uitnoodigingen, want ik gevoelde +in het minst geen lust mijn lotgevallen mede te deelen aan hen, +die mij met een middagmaal of een glas bier wilden betalen. + +Ik luisterde bovendien ook liever dan dat ik zelf vertelde en ik +hoorde met genoegen naar Alexis en Mattia, die mij alles verhaalden +wat er gebeurd was, terwijl wij ons onder den grond bevonden. + +--Als ik dacht, dat gij door mijn toedoen gestorven waart, zeide +Alexis, dan was het of mijn armen en beenen afvielen, want ik geloofde +dat gij dood waart. + +--Ik heb het nooit gedacht, sprak Mattia; ik wist niet, dat gij +levend uit de mijn komen zoudt en of men wel bijtijds zou komen, +om u te redden; maar ik geloofde geen oogenblik, dat gij verdronken +zoudt zijn, zoodat, als het uithoozen maar snel genoeg gebeurde, men +u ergens vinden zou. En terwijl Alexis klaagde en weende, herhaalde +ik altijd bij mezelf: hij is nog niet dood, maar misschien zal hij +sterven. En een ieder vroeg ik naar zijn meening. Hoelang kan men +zonder eten leven? Wanneer zou het water uitgepompt zijn? Wanneer +zal met de gang hebben doorboord? Maar niemand gaf mij het gewenschte +antwoord. Toen men uw namen gevraagd had en de ingenieur na Carrory, +Rémi riep, ben ik weenend op den grond gevallen, en nadat men over +mij heengeloopen had, ben ik opgestaan, zonder iets daarvan te hebben +bemerkt, zoo gelukkig was ik. + +Ik was er recht trotsch op, dat Mattia zooveel vertrouwen in mij +stelde, zoo zelfs dat hij niet had willen gelooven dat ik sterven zou. + + + + +XXVIII. + +EEN MUZIEKLES. + + +Ik had mij in de mijn vrienden gemaakt: zulk een leed te zamen +gedragen brengt de harten nader tot elkander; men lijdt te zamen, +men koestert dezelfde hoop, men maakt een geheel uit. + +Zoowel oom Gaspard als de meester waren mij bijzonder genegen geworden; +en hoewel de ingenieur onze gevangenschap niet gedeeld had, had hij +zich aan mij gehecht, zooals men onwillekeurig doet aan een kind, dat +men van een wissen dood gered heeft; hij had mij bij zich genoodigd +en ik moest toen aan zijn dochter een uitvoerig verhaal geven van +alles wat gedurende onze opsluiting had plaats gevonden. + +Iedereen in Varses wilde mij zien. + +--Ik zal een plaats als werkman voor u zoeken, zeide oom Gaspard, +en dan blijft gij bij ons. + +--Als gij op een onzer kantoren werkzaam wilt zijn, zeide de ingenieur, +dan zal ik daarvoor zorgen. + +Oom Gaspard vond het zeer natuurlijk, dat ik naar de mijn terugkeerde, +waarin ook hij spoedig weder zou nederdalen, met die onbezorgdheid van +hen, die gewend zijn iederen dag het gevaar te trotseeren; maar ik, die +zijn zorgeloosheid noch zijn moed bezat, ik was volstrekt niet geneigd +om mijn tijdelijk beroep van mijnwerker weder te aanvaarden. Een mijn +was heel mooi en belangrijk en ik was blijde, dat ik er een gezien had, +maar ik had er genoeg van gezien en ik gevoelde niet den minsten lust +om naar de zijgang terug te keeren. + +Die gedachte alleen joeg mij reeds schrik aan. Ik was bepaald niet +geschikt voor onderaardschen arbeid; het leven in de open lucht, +met de zon boven mijn hoofd, of zelfs een bedekte lucht, stonden +mij meer aan. Dit trachtte ik ook oom Gaspard en den meester aan het +verstand te brengen, waarover de een zeer verbaasd scheen terwijl de +ander zich beklaagde, dat ik zoo weinig lust gevoelde om mijnwerker +te worden. Carrory, dien ik ontmoette, noemde mij een domkop. + +Den ingenieur kon ik natuurlijk niet antwoorden, dat ik niet onder +den grond wilde werken, daar hij mij een plaats in zijn bureau aanbood +en mij, indien ik goed oppaste, onderwijs wilde doen geven; ik deelde +hem dus liever de geheele waarheid mede. + +--Gij stelt dus meer prijs op een zwervend leven en uw vrijheid; ik +heb het recht niet u dit te beletten, mijn jongen, volg uw eigen zin. + +Het was waar, ik hield van een zwervend leven; ik had dit nooit zoo +gevoeld als gedurende mijn gevangenschap in de zijgang: niet voor +niets gewent men zich om te gaan waarheen en te doen wat men wil en +zijn eigen meester te blijven. + +Zoolang men alles in het werk stelde om mij te Varses te houden, +was Mattia al dien tijd treurig en afgetrokken geweest. Ik vroeg hem +naar de oorzaak hiervan; hij had mij steeds ten antwoord gegeven, +dat hij was zooals altijd; eerst toen ik hem vertelde, dat wij binnen +drie dagen zouden vertrekken, bekende hij mij de reden van zijn +zwaarmoedigheid, terwijl hij mij met tranen in de oogen de hand drukte. + +--Gij zult mij dus niet aan mijn lot overlaten! riep hij uit. + +Toen hij dit zeide, gaf ik hem een flinken duw om hem te leeren, dat +hij niet aan mij twijfelen mocht en ook om voor hem de aandoening te +verbergen, die bij mij opwelde, toen ik deze ontboezeming hoorde. + +Dien kreet had hij geslaakt uit vriendschap en niet uit +eigenbelang. Mattia had mij niet noodig om aan den kost te komen; +hij was zeer goed instaat dien alleen te verdienen. + +Inderdaad had hij aangeboren talenten, die ik in de verste verte niet +bezat. Hij was in de eerste plaats veel bekwamer in het bespelen van +verscheidene muziekinstrumenten, in het zingen en dansen en om allerlei +rollen te vervullen. Bovendien was hij veel beter geschikt dan ik om +het "geëerde gezelschap", zooals Vitalis altijd zeide, de hand in den +zak te doen steken. Zijn glimlach alleen, zijn vriendelijke blik, +zijn witte tanden en gul gelaat trof zelfs hen, die niet mild van +aard waren en zonder te vragen, deed hij bij het publiek de neiging +ontwaken om iets te geven; men schepte er behagen in hem genoegen te +doen. Dit was zóó waar, dat, gedurende zijn korte uitstapjes met Capi, +hij in de gelegenheid was geweest twintig francs bij elkaar te zamelen, +wat voor ons een belangrijke som was. + +Honderd dertig francs hadden wij in kas en de twintig, welke Mattia +erbij verdiend had, maakten een totaal van honderd vijftig francs; +dus slechts weinig francs ontbraken ons om de koe te koopen. + +Hoewel ik niet in de mijnen wilde werken, speet het mij toch, dat ik +Varses verlaten moest, want ik moest dan ook van Alexis, oom Gaspard +en den meester scheiden; maar het lag eenmaal in mijn bestemming te +moeten scheiden van hen, die ik liefhad en die mij vriendschap bewezen. + +Voorwaarts! + +Met de harp over den schouder en den ransel op den rug, betraden wij +weder den grooten weg, met Capi vroolijk voor ons uitspringende. + +Ik moet eerlijk bekennen, dat zich een aangenaam gevoel van mij meester +maakte, toen ik Varses achter mij had, en toen ik met mijn voet op +den harden weg stapte, deze geheel anders klonk dan de slijkerige +grond der mijn, terwijl ik de zon en de boomen boven mij zag. + +Vóór ons vertrek hadden Mattia en ik ons reisplan vastgesteld, want +ik had hem op de kaart leeren zien en hij verbeeldde zich niet meer, +dat de afstanden langer waren voor een paar beenen, die ze moesten +afleggen, dan voor een vinger, die van de eene stad naar de andere +wijst. Na geruimen tijd het vóór en tegen overwogen te hebben, hadden +wij besloten, dat inplaats van ons regelrecht naar Ussel te begeven +en van daar naar Chavanon, wij over Clermont zouden gaan, daar dit +een niet al te groote omweg was en wij daarbij de gelegenheid hadden +om de badplaatsen te bezoeken, waar zich in dezen tijd veel zieken +ophielden: Saint Nectaire, Mont-Dore, Royat, Bourboule. Terwijl ik +in de mijn arbeidde, had Mattia op zijn tochten met een berenleider +kennis gemaakt, die eveneens de badplaatsen ging bezoeken, waar men +volgens zijn meening veel geld kon verdienen. En Mattia wilde veel +geld verdienen, daar hij honderd vijftig francs niet genoeg vond om +een koe te koopen. Hoe meer geld wij hadden, hoe mooier koe wij koopen +konden en hoe blijder vrouw Barberin wezen zou. En hoe blijder vrouw +Barberin was, des te gelukkiger zouden wij zijn. + +Wij moesten de richting van Clermont volgen. + +Op onze reis van Parijs naar Varses, was ik begonnen Mattia onderwijs +te geven; ik had hem lezen geleerd en ook de beginselen der muziek, +en op onze wandeling tusschen Varses en Clemont zette ik mijn lessen +voort. + +Hetzij mijne manier van onderwijzen niet deugde,--wat zeer wel mogelijk +was--of Mattia geen vlugge leerling--wat ook mogelijk was--in het +lezen maakte hij weinig vorderingen, zooals ik reeds gezegd heb. + +Hoe hij ook in zijn boek staarde en op de letters tuurde, hij las +altijd iets anders dan er werkelijk stond, wat zijn verbeelding meer +dan zijn oplettendheid eer aandeed. + +Dikwijls werd ik dan ongeduldig, en terwijl ik driftig op het boek +sloeg, zeide ik in mijn boosheid, dat zijn hersens gesloten waren. + +Zonder zich hierover gekrenkt te gevoelen, zag hij mij met zijn +vriendelijke oogen lachend aan. + +--Het is waar, gaf hij ten antwoord, eerst als men mij slaat, gaan +mijn hersens open; Garofoli was zoo dom niet, want hij bemerkte +dit terstond. + +Hoe zou ik lang boos kunnen blijven na zulk een antwoord? Ik begon +te lachen en onze les werd weder voortgezet. + +Maar bij de muziek hadden zich niet dezelfde moeilijkheden voorgedaan +en sedert zijn eerste optreden had Mattia geduchte vorderingen gemaakt, +zoo zelfs, dat hij al spoedig mij door zijn vragen verbaasde. Mijne +verwondering veranderde in verlegenheid en eindelijk was het zoo ver +gekomen, dat ik hem mijne onwetendheid had moeten bekennen. + +Ik moet verklaren, dat mij dit hinderde en ergerde; ik nam mijn rol +van onderwijzer zeer ernstig op en vond het vernederend voor mezelf, +dat mijn leerling mij vragen deed, waarop ik geen antwoord wist te +geven; het scheen mij toe, dat ik hem in zeker opzicht bedroog. + +En mijn leerling bespaarde mij geen enkele vraag. + +--Waarom zet men voor alle muziek niet denzelfden sleutel? + +--Waarom gebruikt men de kruizen als men hooger spelen moet en mollen +wanneer het lager is? + +--Waarom heeft de eerste en laatste maat van een stuk niet hetzelfde +tempo? + +--Waarom kan men zijn viool niet op alle noten stemmen? + +Op deze laatste vraag kon ik met waardigheid antwoorden, dat een +viool mijn instrument niet was en ik nooit de moeite genomen had om +te weten hoe zij wèl of hoe zij niet gestemd moest worden, en Mattia +had hierop niets weten te antwoorden. + +Maar ik had mij niet op dezelfde wijze uit de verlegenheid kunnen +redden, toen hij mij vragen deed over de mollen en de maatverdeeling: +dat had geheel-en-al betrekking op de muziek in 't algemeen, op +de theorie van de muziek; ik was muziekonderwijzer en ik moest dus +antwoorden, of ik verloor mijn macht en mijn invloed. Dit besefte ik +zeer goed en ik was er bijzonder op gesteld beide te behouden. + +Als ik dan niet wist wat erop te antwoorden, redde ik mij uit mijn +verlegenheid door het voorbeeld van oom Gaspard te volgen, die, toen ik +hem vroeg, wat steenkolen waren, mij op overtuigenden toon antwoordde: +"Dat zijn kolen, die men onder de steenen vindt." + +Met niet minder zekerheid antwoordde ik aan Mattia, wanneer ik niet +wist wat te zeggen: + +--Dat is zoo, omdat het zoo zijn moet; het is een wet. + +Mattia had geen karakter, dat zich tegen de wet verzetten zou; hij +zag mij dan slechts aan met groote oogen en half-ontsloten mond wat +niet zeer geschikt was om voldaan over mezelf te zijn. + +Drie dagen was het geleden, sedert wij Varses verlaten hadden, toen +hij mij een dergelijke vraag stelde en inplaats van op zijn "waarom" +te antwoorden: "Ik weet niet," zeide ik toen met zekere waardigheid: +"Omdat het zoo is." + +Hij werd toen afgetrokken en in zichzelf gekeerd, en den geheelen dag +kon ik geen woord meer uit hem krijgen, wat ik niet van hem gewoon was, +daar hij altijd bereid was om te babbelen en te lachen. + +Eindelijk gelukte het mij hem tot spreken te krijgen. + +--Gij zijt ongetwijfeld een goed onderwijzer en ik ben ervan overtuigd, +dat niemand mij alles wat ik geleerd heb zoo goed zou hebben kunnen +doen begrijpen, toch.... + +Hij zweeg. + +--Wat toch? + +--Toch zijn er misschien dingen, die gij niet weet; dat overkomt +den wijsten misschien wel, niet waar? Als gij mij dan antwoordt: +"dat is, omdat het zoo is," dan zijn er misschien wel andere redenen, +die gij niet zegt, omdat gij ze zelf niet weet. Wanneer gij dan zoo +redeneert, heb ik altijd tot mezelf gezegd, dat, als gij wildet, +wij misschien wel heel goedkoop ons een boekje konden aanschaffen, +waarin de regelen voor de muziek staan. + +--Daar hebt gij gelijk in. + +--Niet waar? Ik meende ook, dat dit goed zou zijn, want gij kunt toch +niet alles, wat er in de boeken staat, weten, daar gij niet uit boeken +geleerd hebt. + +--Een goed meester is meer waard dan het beste boek. + +--Wat gij daar zegt, brengt mij nog iets anders in de gedachte: +als gij het goedvindt, zou ik aan een echten meester een les vragen, +één les ook maar, en dan kon hij alles vertellen, wat ik niet weet. + +--Waarom hebt ge zoo'n les bij een echten meester niet genomen, +toen gij alleen waart? + +--Omdat echte meesters duur betaald worden en ik wilde die som niet +van uw geld afnemen. + +Ik nam het Mattia kwalijk, dat hij zoo over een wezenlijken meester +dacht, maar mijn dwaze ijdelheid was tegen zijn laatste woorden +niet bestand. + +--Gij zijt een veel te goede jongen, gaf ik hem ten antwoord; mijn geld +is uw geld, daar gij het, evenals ik, verdient, meer en beter zelfs dan +ik; gij kunt zooveel lessen nemen als gij wilt en ik zal het ook doen. + +Ik voegde er toen bij, hem moedig mijn onwetendheid bekennende: + +--Dan kan ik ook leeren wat ik niet weet. + +De meester, de ware meester, dien wij voor ons wenschten, was geen +ketellapper uit het een of ander dorp, maar een artist, een groot +kunstenaar, zooals men die in voorname steden vindt. Op de kaart zag +ik, dat, vóór wij Clermont bereikten, de grootste stad, die op onzen +weg lag, Mende heette. + +Maar was Mende inderdaad een aanzienlijke stad? dat wist ik niet, +maar, daar de letters, waarmede de naam van de stad geschreven was, +op de kaart vrij groot waren, moest ik mijn kaart wel gelooven. + +Wij besloten daarom in Mende de groote uitgave van een muziekles te +bekostigen, want hoewel onze verdiensten zeer weinig beteekenden, +wilde ik toch het genoegen, dat Mattia wachtte, niet langer uitstellen. + +Nadat wij in zijn gansche uitgestrektheid de vlakte van Méjean +doorgetrokken waren, die ongetwijfeld de ellendigste en onvruchtbaarste +streek ter wereld is, waar water noch bosch is te zien, en handel +noch landbouw wordt uitgeoefend, waar men dorpen noch bewoners vindt, +kortom, waar men niet aan het leven wordt herinnerd en voortdurend +omringd is door verlaten en eenzame oorden, die slechts bekoorlijkheid +bezitten voor hen, welke ze in een rijtuig voorbijsnellen, bereikten +wij eindelijk Mende. + +Daar de avond reeds eenigen tijd was gevallen, konden wij dien dag +aan ons voornemen geen gevolg geven om nog een les te nemen; bovendien +waren wij uitgeput van vermoeienis. + +Mattia was echter zoo verlangend om te weten of Mende, dat hem +volstrekt niet zulk een belangrijke stad toescheen als ik hem gezegd +had, een muziekonderwijzer bezat, dat ik onder ons avondeten aan de +waardin vroeg of zij niet een goed onderwijzer kende, die muziekles +gaf. + +Zij antwoordde, dat onze vraag haar ten hoogste verwonderde; kenden +wij dan den heer Espinassous niet. + +--Wij komen uit een zeer ver verwijderde stad, zeide ik. + +--Heel ver dus? + +--Uit Italië, antwoordde Mattia. + +Haar verbazing week, toen zij dit hoorde en zij begreep, dat, als we +van zóóver kwamen, wij den heer Espinassous niet kenden, maar, zoo wij +uit Lyon of Marseille afkomstig waren, zou zij ons stellig niet langer +geantwoord hebben, daar wij al een zeer slechte opvoeding moesten +hebben genoten om nooit van dezen beroemden man te hebben gehoord. + +--Ik hoop, dat wij in goede handen zijn gevallen, zeide Mattia in +het italiaansch. + +En de oogen van mijn reisgezel schitterden van blijdschap. Ongetwijfeld +zou de heer Espinassous onmiddellijk al onze vragen beantwoorden: +hij zou niet verlegen staan om ons alle redenen op te sommen, waarom +de mollen de tonen verlagen en de kruizen die verhoogen. + +Één vrees bekroop mij echter: zou zulk een beroemd kunstenaar er ooit +in toestemmen om ons, arme drommels, les te geven. + +--Heeft mijnheer Espinassous veel lessen? vroeg ik. + +--O ja, ik geloof dat hij er heel veel heeft; waarom zou hij niet? + +--Denkt gij, dat hij ons morgenochtend zou willen ontvangen? + +--Zeker; hij ontvangt iedereen, als men maar geld op zak heeft; +dat spreekt vanzelf. + +Daar wij dit ook begrepen, waren wij gerustgesteld en vóór dat wij +insliepen, bespraken wij nog lang en breed, ondanks onze vermoeienis, +alle vragen, die door ons den anderen dag onderworpen konden worden +aan dezen beroemden onderwijzer. + +Nadat wij ons met de uiterste zorg gekleed hadden, of liever schoon +goed hadden aangetrokken, de eenige weelde, die wij ons konden +veroorloven, daar wij geen andere kleederen bezaten dan die, welke wij +op onzen rug droegen, namen wij ons muziekinstrument, Mattia zijn viool +en ik mijn harp, en we begaven ons op weg naar den heer Espinassous. + +Capi had, zooals gewoonlijk, met ons mede willen gaan, maar wij hadden +hem in den stal van de herberg vastgelegd, daar wij het niet passend +achtten om met een hond dien beroemden musicus uit Mende op te zoeken. + +Toen wij de woning bereikt hadden, welke men ons als die van den +onderwijzer had aangewezen, meenden wij, dat men zich vergist had, +want aan de deur van dit huis bengelden twee koperen bekkens, wat +nooit het uithangbord van een muziekonderwijzer zijn kon. + +Terwijl wij dit uithangbord gadesloegen, dat gewoonlijk door een +barbier gebruikt wordt, trad ons juist een man voorbij, aan wien wij +de woning van den heer Espinassous vroegen. + +--Daar binnen, gaf hij ten antwoord, op den barbierswinkel wijzend. + +Waarom zou een muziekonderwijzer ook niet in dezelfde woning als een +barbier gehuisvest zijn? + +Wij traden binnen; de winkel was in twee gelijke deelen verdeeld; +aan de rechterzijde lagen op eenige planken borstels, kammen, potjes +pomade en zeep; aan de linkerzijde hingen tegen den muur verscheidene +muziekinstrumenten. + +--Is mijnheer Espinassous tehuis? vroeg Mattia. + +Een klein levendig mannetje, die luchtig heen-en-weer zweefde, was +bezig een boer te scheren en antwoordde met een zware basstem: + +--Die ben ik. + +Ik wierp Mattia een blik toe om hem aan het verstand te brengen, +dat deze muzikant-barbier niet de geschiktste persoon was, om les te +geven en dat het geld in 't water gegooid zou zijn, om ons tot hem +te richten; maar inplaats van mij te begrijpen en te gehoorzamen, +ging Mattia op een stoel zitten en zeide hij op vastbesloten toon: + +--Wilt gij mijn haar knippen als gij dezen heer geschoren hebt? + +--Zeker, jongmensch, en ik zal u ook scheren, indien gij dat verlangt. + +--Dank u, zeide Mattia, vandaag niet; als ik terugkom. + +Ik was verbaasd over deze kalme vastberadenheid, welke Mattia aan +den dag legde; hij gaf mij in het voorbijgaan een knipoogje, om mij +te waarschuwen, dat ik mij nog niet boos moest maken. + +Espinassous was spoedig gereed met het scheren van den boer en met het +servet in de hand, maakte hij zich gereed om Mattia's haar te knippen. + +--Mijnheer, zeide Mattia, terwijl het servet hem om den hals gebonden +werd, mijn vriend en ik waren het daareven niet met elkander eens +en daar wij weten, dat gij een beroemd musicus zijt, meenden wij, +dat gij ons wel met uw raad zoudt willen bijstaan. + +--Vertel mij maar, waarover gij het niet eens worden kondt, jongelui. + +Ik begreep nu welk doel Mattia had: in de eerste plaats wilde hij +weten of deze musicus wel instaat was onze vragen te beantwoorden +en dan, zoo zijn antwoorden ons voldeden, of hij ons een muziekles +wilde geven voor denzelfden prijs als men haar snijdt; Mattia was slim. + +--Waarom, vroeg Mattia, stemt men de viool altijd op dezelfde noten? + +Ik dacht dat de kapper, die juist op het punt stond om de kam door +het lange haar van Mattia te halen, een soortgelijk antwoord als ik +wilde geven en ik lachte reeds in mijn vuistje, toen hij eensklaps +het woord nam: + +--De tweede snaar aan den linkerkant van het instrument moet de _la_ +van den normalen toon aangeven; de andere snaren moeten zóó gestemd +worden, dat zij van quint tot quint de noten aangeven, dat is te +zeggen, de _sol_, vierde snaar; _ré_, derde snaar; _la_ tweede snaar; +_mi_, eerste snaar. + +Ik begon niet te lachen, maar Mattia barstte in een schaterlach +los; dreef hij den spot met mijn verbaasd gelaat? of was het slechts +blijdschap dat hij vernam, wat hij te weten wilde komen? In elk geval, +dit is zeker, dat hij schaterend lachte. + +Ik bleef met open mond den haarsnijder gadeslaan, die, terwijl hij +zich om Mattia keerde en wendde en met zijn schaar klapte, zooveel +wijsheid uitkraamde. + +--Welnu, zeide hij, plotseling voor mij stilstaande, ik geloof dat +mijn kleine klant geen ongelijk had. + +Gedurende het knippen van zijn haar, raakte Mattia niet uitgeput +in vragen en overal gaf de barbier een antwoord op met dezelfde +gemakkelijkheid en zekerheid. + +Maar toen hij zijn antwoord gegeven had, begon hij zelf te vragen en +spoedig wist hij met welk doel wij hem hadden opgezocht. + +Hij barstte toen zelf in een schaterlach los. + +--Je bent een paar flinke jongens, zeide hij, maar hoe dwaas van jelui! + +Daarop wilde hij, dat Mattia, die nog wèl zoo dwaas was als ik, hem een +stukje zou voorspelen: Mattia nam dapper zijn viool en begon te spelen. + +--En gij kent geen noot muziek! riep de kapper, in de handen klappende. + +Ik heb reeds verteld, dat er verscheidene instrumenten tegen den muur +hingen, waaronder zich ook een klarinet bevond, die Mattia loshaakte +en waarop hij toen begon te spelen. + +--Ik speel ook op de klarinet en de trompet, zeide hij. + +--Speel dan maar voort! riep Espinassous. + +En Mattia speelde op elk instrument een stukje. + +--Je bent een wonderkind! riep de barbier; als gij bij mij blijven +wilt, dan zal ik een groot muzikant van je maken!'s Morgens helpt gij +mij in het scheren en den verderen dag moogt gij met mij werken. Meen +niet, dat ik u geen goed onderwijs zou geven, omdat ik barbier ben; men +moet leven, eten, drinken, slapen en daarvoor zorgt mijn scheermes; al +zorg ik voor een ieders baard, daarom ben ik nog geen slecht musicus. + +Toen ik dit hoorde, zag ik Mattia bezorgd aan. Wat zou hij +antwoorden? Zou ik mijn vriend, mijn makker, mijn broeder verliezen, +zooals ik achtervolgens allen die ik liefhad, verloren had? Mijn hart +kromp ineen. Toch wilde ik aan mijn gevoel niet toegeven. De toestand +waarin wij ons bevonden, geleek zeer veel op dien, waarin ik met +Vitalis verkeerd had, toen mevrouw Milligan mij bij zich wilde houden: +ik wilde mij niet dezelfde verwijten doen, die Vitalis zich gedaan had. + +--Denk slechts aan u zelf, Mattia, zeide ik op ontroerden toon. Maar +hij wendde zich eensklaps tot mij, terwijl hij mijn hand vatte. + +--Mijn vriend verlaten! dat zou mij niet mogelijk zijn. Ik dank u +zeer voor uw aanbod, mijnheer. + +Espinassous bleef echter bij hem aandringen en beweerde, dat, +als Mattia zijn eerste opvoeding bij hem genoten had, men wel een +middel zou vinden, om hem naar Toulouse te zenden en vandaar naar +het conservatoire te Parijs; maar Mattia antwoordde onveranderlijk: + +--Nooit zal ik Rémi verlaten. + +--Welnu, mijn jongen, ik wil toch iets voor u doen, zeide Espinassous; +ik zal u een boek geven, waaruit gij alles kunt leeren, wat gij +niet weet. + +Hij begon toen in zijn laden te zoeken: na geruimen tijd vond hij +een boek, dat den titel droeg: _Theorie der muziek_; het was een oud +versleten boek, maar dat deed er niets toe. + +Daarop nam hij een pen en schreef op de eerste bladzijde: "Een geschenk +aan het kind, dat, als het eenmaal een kunstenaar geworden is, zich +den kapper van Mende herinneren zal." + +Ik weet niet of zich in dien tijd andere muziekonderwijzers in Mende +bevonden dan de barbier Espinassous, maar dezen hebben wij gekend en +wij hebben hem nooit vergeten. + + + + +XXIX. + +DE KOE VAN DEN PRINS. + + +Ik hield veel van Mattia toen wij te Mende kwamen; maar toen wij +de stad verlieten, hield ik nog veel meer van hem. Niets maakt de +vriendschap inniger dan de zekerheid, dat zij wederkeerig is. + +Geen grooter bewijs voor zijne genegenheid kon Mattia mij geven +dan, zooals hij nu gedaan had, het voorstel van Espinassous te +weigeren. Want daarmede deed hij afstand van een rustig, veilig +leven met welvaart en rijkdom in het verschiet en van de gelegenheid +om onderwijs te genieten, terwijl hij mijn avontuurlijk en onzeker +bestaan zou deelen, dat hem geenerlei waarborg opleverde voor de +toekomst, ja niet eens voor den dag van morgen. + +In tegenwoordigheid van Espinassous kon ik hem niet zeggen, welk een +indruk die woorden "mijn vriend verlaten" op mij hadden gemaakt; maar +toen wij alleen waren, drukte ik hem met aandoening de hand en zeide: + +--Van dit oogenblik af zijn wij tot aan den dood toe aan elkander +verbonden. + +Hij zag mij met zijne groote oogen glimlachend aan. + +--Dat wist ik vroeger ook al, zeide hij. + +Mattia, die tot dusverre zich heel weinig met boeken had beziggehouden, +maakte zeer groote vorderingen van het oogenblik af, dat hij de +theorie der muziek van Kuhn las. Ongelukkig kon ik hem niet zoo laten +werken, als ik wel gewild had en als hij zelf zou hebben verlangd, +want wij moesten van 's morgens tot 's avonds loopen en legden groote +afstanden af om zoo spoedig mogelijk Lozère en Auvergne achter den rug +te hebben, daar beiden niet veel opleverden voor reizende zangers en +muzikanten. In dit arme land verdient de landbouwer weinig en is hij +dus niet zeer bereid om in zijn zak te tasten; doodkalm hoort hij toe, +maar als hij bemerkt, dat men hem geld komt vragen, keert hij zich +om en sluit zijne deur. + +Over Saint-Flour en Issoire kwamen wij eindelijk aan de kleine +badplaatsen, die het doel van onze reis waren, en het bleek nu dat +de berenleider ons goed had ingelicht: te Bourboule en vooral te +Mont-Dore deden wij voordeelige zaken. + +Ik moet eerlijk bekennen, dat wij dit vooral aan Mattia te danken +hadden, aan zijn slimheid en aan zijn tact. Wat mij betreft, zoodra +ik eenige menschen bijeen zag, nam ik mijne harp en begon zoo goed +mogelijk te spelen, maar altijd min of meer onverschillig. Mattia +kweet zich beter van zijne taak; het was voor hem niet genoeg dat er +eenige menschen samen waren om dan terstond te gaan spelen: vóór hij +zijn viool of trompet nam, sloeg hij zijn publiek aandachtig gade, +en dan wist hij al zeer spoedig of hij al of niet moest spelen en +ook wat hij spelen moest. + +In de school van Garofoli, die op groote schaal van de publieke +weldadigheid partij trok, had hij in alle bijzonderheden de zoo +moeilijke kunst geleerd om de mildheid of de sympathie van het publiek +op te wekken, en de eerste maal, dat ik hem ontmoette op den zolder +in de rue Lourcine, had hij mijne bewondering gaande gemaakt toen +hij mij uitlegde hoe men de menschen tot geven bewegen kon; maar ik +bewonderde hem nog veel meer, toen ik hem aan het werk zag. + +In de badplaatsen vooral gaf hij bewijzen van zijn talent, in de +eerste plaats tegenover de Parijzenaars, zijn vroeger publiek, dat +hij had leeren kennen en hier terugvond. + +--Opgepast, zeide hij, toen wij eene jonge dame in den rouw door +de Capucijnerlaan zagen komen; wij moeten iets treurigs spelen; wij +moeten trachten haar te doen denken aan den dierbaren afgestorvene, +dien zij verloren heeft; als zij weent, is ons fortuin gemaakt. + +En dan speelden wij zoo weemoedig en langzaam, dat het hart er van +breken zou. + +Op de wandelingen in de omstreken van Mont-Dore zijn er plekjes, +die men salons noemt; het zijn groepen boomen, kleine boschjes, in +wier lommer de badgasten eenige uren in de open lucht doorbrengen; +Mattia sloeg het publiek van die salons aandachtig gade en naar gelang +van den indruk, dien het op hem maakte, koos hij zijne stukken. + +Als wij een zieke zagen, die zwaarmoedig op een stoel was neergezonken, +bleek, met glazige oogen en uitgeteerde wangen, dan wachtten wij +ons wel in zijne onmiddellijke nabijheid te gaan spelen en hem in +zijne treurige overpeinzingen te storen. Wij plaatsten ons op een +afstand, alsof wij muziek maakten voor ons zelven, maar wij speelden +zoo goed mogelijk; nu en dan wierp hij een schuinschen blik op ons; +als hij ons boos aanzag, gingen wij heen; als hij met genoegen naar +ons scheen te luisteren, kwamen wij langzamerhand nader en Capi +kon dan gerust zijn bakje ophouden; hij behoefde niet bang te zijn, +dat hij een schop kreeg. + +Maar vooral bij de kinderen maakte Mattia opgang; met zijn strijkstok +scheen hij veerkracht aan hunne beenen te geven en wekte hij den lust +tot dansen in hen op; als hij glimlachte, begonnen zij ook te lachen, +zelfs als ze uit hun humeur waren. Hoe deed hij dat? Ik weet het niet; +maar toch was het zoo; men schepte behagen in hem; men hield van hem. + +De verdienste op onze reis overtrof verre onze verwachtigen; nadat +wij alle verteringen betaald hadden, bezaten wij na korten tijd +zeventig francs. + +Zeventig francs met de honderd veertig, die wij in kas hadden, maakte +tweehonderd tien; nu was de tijd gekomen om zoo spoedig mogelijk naar +Chavanon te reizen over Ussel, waar, naar men ons had medegedeeld, +in dezen tijd eene groote beestenmarkt werd gehouden, die met een +kermis gepaard ging. + +Een kermis, dat was juist iets voor ons; en eindelijk zouden wij dan +die koe kunnen koopen, waarover wij zoo dikwijls hadden gesproken en +waarvoor wij zoolang hadden gespaard. + +Tot dusverre hadden wij ons slechts gelukkig gevoeld door dit +vooruitzicht en hadden wij die koe zoo mooi gemaakt, als onze +verbeelding ze maken kon: het zou eene witte koe zijn; daar stond +Mattia bepaald op; zij zou lichtrood zijn; dat was mijn verlangen, +ontstaan uit de herinnering aan Roussette van vrouw Barberin. Zij +zou heel mak zijn en elken dag emmers melk geven. Het was meer dan +heerlijk wat wij ons voorstelden. + +Maar nu zouden al die droomen verwezenlijkt worden, en thans begonnen +wij min of meer met de zaak verlegen te zijn. + +Hoe zouden wij bij de keus van eene koe de zekerheid hebben, dat zij +al de eigenschappen bezat, die wij in haar wenschten? Dat was eene +zaak van gewicht! Welk eene verantwoordelijkheid rustte op ons! Ik +wist niet hoe men eene goede koe kon onderscheiden van eene slechte +en Mattia wist er niet veel meer van dan ik. + +Wat ons nog ongeruster maakte, waren de zonderlinge verhalen, die wij +in de herbergen hadden gehoord, sinds wij ons in het hoofd gesteld +hadden om eene koe te koopen. Paardenkoopers en ossenkoopers waren +allen bedriegers en schurken. Al die verhalen waren ons bijgebleven +en maakten ons bevreesd voor de verwezenlijking van ons plan. Een +boer koopt op de markt eene koe, die den mooisten staart heeft, dien +ooit een koe heeft bezeten; met zoo'n staart kon zij haar neus zelfs +afvegen, wat, zooals men weet, eene gewichtige eigenschap is; hij +komt zeer tevreden thuis, want hij heeft niet te veel betaald voor dit +merkwaardige dier. Den anderen morgen gaat hij eens naar zijn beestje +kijken: het heeft volstrekt geen staart meer; die, welken zij scheen +te hebben, was er aangeplakt, 't was een valsche staart. Een ander had +een koe gekocht met valsche horens; een derde bespeurde, dat de uiers +waren opgeblazen en dat zij niet meer dan een paar glazen melk gaf +in de vier-en-twintig uren. Als wij eens op die wijze bedrogen werden! + +Voor een valschen staart is Mattia niet bang; hij zal met zijn volle +gewicht gaan hangen aan den staart van alle koeien, die hij plan heeft +te koopen; en hij zal zoo hard trekken, dat de staart, als hij valsch +is, wel in zijn handen zal blijven. Voor de opgeblazene uiers heeft +hij ook een goed middel: hij zal er met een lange speld in prikken. + +Dit waren middelen, die ontegenzeggelijk doeltreffend zouden wezen, +als de staart valsch is of de uiers opgeblazen zijn; maar als de +staart echt is, zal dan de koe geen geweldigen trap tegen den buik +of het hoofd geven van hem, die eraan trekt, en zou zij hetzelfde +niet doen, als men haar met een speld in het lichaam prikt? + +De kans op zulk een trap bracht eenige kalmte in de plannen van +Mattia en wij bleven aan dezelfde onzekerheid ten prooi: het zou een +vreeselijke zaak zijn aan vrouw Barberin eene koe te geven, die geen +melk gaf of geen horens had. + +Onder de verhalen die men ons had verteld, was er een, waarbij een +veearts een strenge rol speelde, althans tegenover een ossenkooper. Als +wij een veearts in den arm namen, zou ons dit ongetwijfeld wel wat +kosten, maar wij zouden dan zeker zijn van onze zaak. + +In onze verlegenheid besloten wij tot het laatste, wat ons, in alle +opzichten, nog het verstandigst voorkwam, en wij zetten vroolijk en +tevreden onze reis voort. + +Mont-Dore en Ussel liggen niet ver van elkander; wij legden dien +afstand in twee dagen af en kwamen vrij vroeg in Ussel aan. + +Ik was hier in zekeren zin in mijn eigen land; te Ussel was ik +voor het eerst in het publiek opgetreden als _de knecht van den heer +Joli-Coeur of de domste is niet hij, dien men er voor houdt_. Te Ussel +was het ook dat Vitalis mij mijn eerste paar schoenen had gekocht, +die schoenen met spijkers, die mij zoo gelukkig gemaakt hadden. + +Arme Joli-Coeur; hij was er niet meer met zijn mooie roode uniform +van engelsch admiraal, en Zerbino en de bevallige Dolce waren er ook +niet meer. + +Arme Vitalis; ook hem had ik verloren en nooit zou ik hem meer zien, +zooals hij met opgeheven hoofd en met zijn breede borst vooruitstapte, +terwijl hij met zijn armen en beenen de maat aangaf, een wals spelende +op zijn schelle fluit. + +Van ons zestal waren er maar twee meer overgebleven: Capi en +ik. Geen wonder dat ik treurig te moede was, toen ik te Ussel kwam; +onwillekeurig verbeeldde ik mij, dat ik zoo straks den grijzen hoed +van Vitalis zou zien, wanneer ik den hoek eener straat omsloeg, en +dat ik weer die bekende woorden zou hooren, die mij zoo vaak in de +ooren klonken: "voorwaarts!" + +De winkel van den oudkleerkoop, waarheen Vitalis mij gebracht had +om een kunstenaarsvoorkomen aan me te geven, verdreef gelukkig die +sombere gedachten; ik vond dien nog evenzoo als ik hem de eerste +maal gezien had, toen ik de drie glibberige trappen afging. Voor +de deur hing nog dezelfde rok met galons op de naden, die mij toen +met bewondering had vervuld; en in de toonkast zag ik dezelfde oude +geweren en dezelfde oude lompen. + +Ik wilde ook de plaats terugzien, waar ik het eerst was opgetreden, +toen ik de rol vervulde van "de knecht van den heer Joli-Coeur," +namelijk van den domste der twee. Capi herkende eveneens de plek +en kwispelstaartte. + +Nadat wij onze reiszakken en instrumenten in de herberg hadden +gebracht, waar ik met Vitalis had gelogeerd, gingen wij een veearts +zoeken. + +Toen deze vernam wat wij van hem vroegen, begon hij ons hartelijk +uit te lachen. + +--Maar er zijn geen geleerde koeien in dit land, zeide hij. + +--Wij willen ook geen koe hebben die kunsten maakt, maar eene die +goede melk geeft. + +--En die een heuzigen staart heeft, voegde Mattia erbij, wien de +gedachte aan een valschen staart bijzonder kwelde. + +--In één woord, mijnheer de veearts, wij komen uw hulp en kennis +vragen om te voorkomen, dat wij door beestenkoopers worden bedrogen. + +Ik zeide dat op een voornamen toon, zooals Vitalis aannam, als hij +de menschen wilde overbluffen. + +--En wat drommel woudt ge met een koe doen? vroeg de veearts. + +In weinige woorden had ik hem uitgelegd wat mijn doel was. + +--Je bent een paar goede jongens, sprak hij; morgenochtend zal ik +met je naar de beestenmarkt gaan, en ik beloof je, dat de koe die ik +koopen zal geen valschen staart zal hebben. + +--En ook geen valsche horens? zeide Mattia. + +--Ook geen valsche horens. + +--En geen opgeblazen uiers? + +--Het zal een mooie, goede koe zijn, maar om ze te koopen, moet men +geld hebben. + +Als eenig antwoord knoopte ik mijn zakdoek los, waarin wij onzen +schat bewaarden. + +--In orde; kom mij morgenochtend maar afhalen om zeven ure. + +--En hoeveel zijn we u schuldig, mijnheer de veearts? + +--Niemendal; denkt ge dat ik geld zou aannemen van zulke flinke +jongens, als jelui! + +Ik wist niet wat ik zeggen zou om hem onzen dank te betuigen; maar +Mattia had een idée. + +--Houdt u van muziek, mijnheer, vroeg hij? + +--Heel veel, beste jongen. + +--En u gaat vroeg naar bed? + +--Met het slaan van negenen. + +--Nogmaals dank, mijnheer. Morgen om zeven uren zullen wij bij u zijn. + +Ik begreep wat Mattia van plan was. + +--Je wilt een concert aan den veearts geven, zeide ik. + +--Juist; een serenade als hij naar bed gaat; dat doet men voor +menschen, van wie men houdt. + +--Dat is een goed idee; laten wij nu naar onze herberg teruggaan en +voor ons concert gaan zorgen; voor de menschen, die betalen, doet het +er zooveel niet toe, maar als men zich zelven betaalt, dan zorgt men +dat het goed is. + +Drie minuten voor negenen stonden wij voor 't huis van den veearts; +Mattia met zijn viool en ik met mijn harp; de straat was donker, +want de maan ging pas te negen uren op en men had goedgevonden om +de lantaarnen niet aan te steken, terwijl de winkels al gesloten +waren. Men zag bijna geen menschen meer op straat. + +Met den eersten slag van negenen begonnen wij. In die enge stille +straat klonken onze instrumenten als in de beste zaal; men opende de +vensters en wij zagen een aantal hoofden met doeken, petten en mutsen +daaruit te voorschijn komen; men riep elkander uit het eene venster +naar het andere toe. + +Onze vriend de veearts woonde in een huis dat op een zijner hoeken een +kleinen bevalligen toren had. Een der vensters van het torentje werd +geopend en hij stak zijn hoofd naar buiten om te zien wie er speelde. + +Zeker herkende hij ons en hij begreep onze bedoeling, want hij wenkte +met de hand, dat wij niet voort zouden gaan. + +--Ik zal de deur openen, zeide hij, dan kunt gij in den tuin spelen. + +Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend. + +--Ge zijt goede jongens, sprak hij, terwijl hij ons beiden hartelijk +de hand drukte, maar ge zijt dwaas; hebt ge er dan niet aan gedacht +dat een agent van politie u zou kunnen oppakken wegens straatgerucht! + +Wij zetten ons concert voort in den tuin, die niet zeer groot was, +maar zeer netjes aangelegd, met een priëel dat met slingerplanten +was begroeid. + +De veearts was gehuwd en had verscheidene kinderen; wij hadden dus +spoedig een ganschen kring van toehoorders om ons heen; men stak +kaarsen aan in het priëel en wij speelden tot tien ure. Als er een +stukje uit was, juichte men ons toe en vroeg men een ander. + +Als de veearts ons niet eindelijk schertsend weggejaagd had, zouden +wij den halven nacht hebben voortgespeeld. + +--Kom jongens, zeide hij, maakt nu dat je wegkomt, want morgenochtend +om zeven ure moet ge weer hier zijn. + +Maar hij liet ons niet gaan, zonder ons een goed maal voor te zetten, +dat ons recht naar den zin was. Om hem onze dankbaarheid te bewijzen, +liet ik Capi nog eenige van zijn mooiste kunsten vertoonen, wat vooral +bijzonder in den smaak der kinderen viel. 't Was bijna middernacht +toen wij heengingen. + +In het stadje Ussel, dat des avonds zoo kalm en rustig was, heerschte +den anderen morgen groote drukte en getier. Vóór de zon nog aan den +hemel was, hoorden wij in onze kamer onophoudelijk het geratel van +wagens op de steenen en het hinniken van paarden, het loeien van koeien +en het blaten van schapen, vermengd met het praten en schreeuwen van +de boeren die ter markt gingen. + +Toen wij beneden kwamen, was het plein achter de herberg vol wagens +en karren, terwijl uit de rijtuigen, die voor de deur stilhielden, +boeren in hun zondagskleeren stegen, die hunne vrouwen in de armen +namen om ze op den grond te zetten. Als ze daar stonden, schudden en +rekten allen zich uit en streken de vrouwen hare gekreukte rokken glad. + +In de straat vormden de menschen een breeden stroom, die naar het +marktveld vloeide, en daar het nog geen zes ure was, gingen ook wij +er heen om de koeien te zien, die reeds aangevoerd waren en eene +keuze te doen. + +Welke prachtige koeien waren er bij! Men had er van allerlei kleur +en van allerlei grootte; er waren vette en magere; sommige met hare +kalveren, andere met zware uiers; op het marktplein waren ook paarden, +die hinnikten; merries, die haar veulens lekten; vette varkens, die +kuilen in den grond groeven; speenvarkens, die schreeuwden of zij +gevild werden; voorts schapen, kippen en ganzen. Maar om die allen +bekommerden wij ons niet; wij hadden alleen maar oogen voor de koeien, +die ons onderzoek doorstonden, terwijl zij met haar groote oogen +knipten en langzaam met haar onderkaak heen-en-weder schoven, haar +laatsten maaltijd herkauwend, zonder eraan te denken, dat zij nooit +meer het gras zouden eten van de weiden, waar zij werden grootgebracht. + +Na een halfuur te hebben rondgedoold, hadden wij er zeventien gevonden, +die volkomen aan ons doel beantwoordden, de eene om deze, de andere om +gene eigenschap; drie omdat zij rood waren, twee andere omdat zij wit +waren, wat natuurlijk een punt van geschil was tusschen Mattia en mij. + +Te zeven ure waren wij bij den veearts, die ons wachtte en wij gingen +met hem naar de markt terug. Onderweg vertelden wij hem nogmaals, +welke eigenschappen wij in onze koe verlangden. + +Deze kwamen in hoofdzaak hierop neder, dat zij weinig moest eten en +veel melk moest geven. + +--Dat moet een goede zijn, zeide Mattia, naar eene witte koe wijzende. + +--Ik geloof dat die andere beter is, zeide ik, en wees naar eene roode. + +De veearts maakte ons geschil uit door noch de eene noch de andere te +kiezen; hij ging naar eene derde; eene kleine koe met magere pooten, +rood van haar met bruine ooren en wangen, zwarte kringen om de oogen +en een witten kring aan den snuit. + +--Dit is eene koe uit Rouergue, zeide hij; juist eene zooals gij +hebben moet. + +Een boer met een armelijk voorkomen had haar aan een touw. + +--Wat moet gij voor die koe hebben? vroeg de veearts. + +--Drie honderd francs. + +Reeds had die kleine vlugge koe, zoo fijn van vormen en met zoo'n +verstandigen kop ons hart gestolen; maar toen hij drie honderd francs +vroeg, waren wij nog wanhopend. + +Drie honderd francs! dat maakte onze rekening volstrekt niet. Ik wenkte +den veearts, dat wij maar naar eene andere koe moesten omzien; hij, +van zijn kant, gaf me een wenk, dat wij integendeel moesten volhouden. + +Toen volgde er een loven en bieden tusschen den boer en den veearts; +hij bood honderd vijftig francs; de boer sloeg tien francs af. De +veearts kwam tot honderd tachtig francs, de boer tot twee honderd +tachtig. + +Maar toen de onderhandeling zóó ver was gevorderd, en onze hoop weder +begon te herleven, nam zij opeens eene andere wending. De veearts +begon de koe eens nauwkeurig op te nemen; zij had te zwakke pooten; +de nek was te kort; de horens waren te lang; zij had geen longen; +de uiers waren niet goed gevormd. + +De boer zeide, dat, daar wij zooveel verstand van koeien hadden, hij +de koe voor twee honderd vijftig francs zou verkoopen, omdat zij in +goede handen kwam. + +Toen kregen we opeens een heimelijken angst, dat de koe niet deugde. + +--Laten wij maar eens naar andere koeien gaan kijken. + +Toen hij dit hoorde, sloeg de boer opnieuw tien francs af. + +Zoo kwam hij ten slotte op twee honderd francs: maar lager wilde hij +niet gaan. + +De veearts stootte mij tersluiks aan om mij te doen begrijpen, dat +het kwaad, hetwelk hij van de koe gezegd had, niet was gemeend en +dat het dier, inplaats van zooveel gebreken te hebben, voortreffelijk +was. Maar twee honderd tien francs was eene geduchte som voor ons. + +Onderwijl was Mattia achter de koe gaan staan en had ze een haar uit +den staart getrokken, waarop het dier met een trap had geantwoord. + +Dit gaf den doorslag. + +--Welnu, voor twee honderd tien francs neem ik de koe, zeide ik, +en meende, dat nu alles in orde was. + +Ik stak mijn hand al uit om het touw te vatten, maar de boer liet +het niet los. + +--En de fooi? zeide hij. + +Opnieuw gingen wij aan het onderhandelen; thans over de fooi en wij +kwamen overeen, dat we een franc zouden geven. Wij hadden dan nog +drie francs over. + +Wederom stak ik mijn hand uit; de boer drukte mij die zoo stevig of +wij oude vrienden waren. + +Omdat ik zijn vriend was, zou ik het drinkgeld niet vergeten. + +Dat was weder een halve franc. + +Voor de derde maal wilde ik het touw vatten, maar mijn vriend, de boer, +hield mij tegen. + +--Ge hebt geen halster, zeide hij; ik verkoop wel de koe, maar niet +den halster. + +Daar ik zijn vriend was, wilde hij mij echter wel den halster +overdoen. Met anderhalven franc was hij tevreden; dat was niet duur. + +Een halster hadden wij noodig om onze koe te leiden, en ik stemde er +dus in toe. Ik hield toch nog altijd een franc over. + +--Waar is je touw? vroeg hij. Ik heb u den halster verkocht, maar +niet het touw. + +Het touw kostte ons een franc; dat was onze laatste. + +Toen die betaald was, werd ons de koe afgeleverd met haar halster +en touw. + +Wij hadden nu eene koe, maar geen stuiver meer om haar te voeden of +in ons eigen onderhoud te voorzien. + +--Dan gaan we maar weer aan 't werk, zeide Mattia: de herbergen zijn +vol menschen en als wij elk onzen weg gaan, kunnen wij overal gaan +spelen en van avond zullen wij met eene goede som thuiskomen. + +Wij brachten onze koe in den stal van onze herberg, waar wij haar +stevig vastmaakten. Daarop gingen wij beiden de stad in en toen wij +'s avonds onze rekening opmaakten, bleek het, dat Mattia vier en een +halven franc en ik drie francs had ontvangen. + +Zeven en een halven franc hadden wij weer: wij waren rijk. + +Maar het genot dat wij zeven en een halven franc hadden verdiend, +beteekende niets vergeleken met onze vreugde, dat wij er twee honderd +veertien hadden uitgegeven. + +Wij wisten de keukenmeid over te halen, dat zij onze koe zou melken +en wij dronken des avonds haar melk; nooit hadden wij zulke lekkere +melk gedronken. Mattia verzekerde, dat er suiker in was en dat zij +naar oranjebloesem smaakt. Zij was nog beter dan de melk die hij in +het gasthuis had gedronken. + +In onze opgetogen blijdschap gingen wij naar den stal en kusten +onze koe op haar zwarten snuit; blijkbaar was zij gevoelig voor die +liefkoozing, want zij lekte onze wangen met haar ruwe tong. + +--Ze zoent me, riep Mattia, buiten zich zelven van opgetogenheid. + +Het genot de koe te liefkoozen en door haar geliefkoosd te worden +zal men beter begrijpen, als men weet dat Mattia noch ik in dit +opzicht verwend was; wij behoorden niet tot die gelukkige kinderen, +die door hunne moeders zóó overladen worden, dat zij er zich zelfs +tegen verzetten. Beiden gevoelden wij, dat ook wij gaarne dat genot +zouden hebben gesmaakt. + +Den anderen morgen stonden wij op met het krieken van den dag en +begaven ons terstond op weg naar Chavanon. + +Daar ik Mattia dankbaar was voor de hulp, die hij mij had +verleend--want zonder hem zou ik nooit die som van twee honderd +veertien francs bijeen hebben gekregen--gaf ik hem het genoegen +onze koe te leiden en hij was recht gelukkig, dat hij het touw mocht +vasthouden, terwijl ik er achter liep. Eerst toen wij buiten de stad +waren gekomen, ging ik naast hem loopen, om als gewoonlijk met hem +te praten, maar vooral om onze koe te zien. Nooit had ik zoo'n mooie +koe ontmoet. + +Zij zag er dan ook heel goed uit; langzaam stapte zij voort, met haar +kop buigende, als een dier, dat volkomen zijne waarde beseft. + +Thans behoefde ik niet onophoudelijk mijne kaart te raadplegen zooals +ik deed sedert wij Parijs verlaten hadden; ik wist waar ik heenging; +en ofschoon er reeds vele jaren verloopen waren sinds ik met Vitalis +dien weg had afgelegd, herkende ik toch alle bijzonderheden. + +Teneinde onze koe niet te vermoeien en om niet te laat in den avond +te Chavanon te komen was mijn plan, te overnachten in het dorp, waar +ik den eersten nacht met Vitalis had doorgebracht, op het varen bed +waar de goede Capi, toen hij mijn verdriet had bemerkt, zich naast +mij uitstrekte en zijn poot in mijne hand legde om mij te kennen te +geven, dat hij mijn vriend wilde zijn. Van daar begaven wij ons den +anderen morgen op weg, om reeds bijtijds bij moeder Barberin te komen. + +Maar het lot, dat ons tot hiertoe zoo gunstig was geweest, werkte +ons thans tegen en deed ons van plan veranderen. + +Wij hadden bepaald dat wij onzen tocht in tweeën zouden verdeelen +en tegen het midden van den dag ons ontbijt zouden gebruiken, vooral +ook om onze koe te laten eten van het gras, dat langs den weg groeide. + +Tegen tien uur vonden wij een plek waar het gras welig en malsch was; +daar legden wij onze zakken neder en lieten onze koe in de greppel +afdalen. + +Eerst wilde ik haar aan het touw vasthouden, maar zij was zoo rustig +en zoo gewoon om te grazen, dat ik haar het touw om de horens wond +en bij haar ging zitten om mijn boterham te eten. + +Natuurlijk waren wij veel spoediger daarmede gereed dan zij. Toen +wij haar een poos lang bewonderd hadden, gingen wij, om den tijd +te dooden, met ons beiden knikkeren, want men moet niet gelooven, +dat wij een paar brave, ernstige, oude mannetjes waren, die alleen +maar dachten aan geld verdienen. Al leidden wij ook een leven, zooals +knapen op onze jaren niet gewoon zijn, toch waren wij in ons hart nog +jongens van denzelfden aard als anderen en speelden wij gaarne. Geen +dag ging er voorbij dat wij niet een uurtje knikkerden, met den bal +speelden, of haasje-over sprongen. Dikwijls gebeurde het dat Mattia +mij zonder aanleiding opeens vroeg: "willen wij wat spelen?" En dan +wierpen wij onmiddellijk onze zakken en onze instrumenten neder en +middenop den weg begonnen wij dan ons spel. Als ik geen horloge gehad +had, dat mij zeide hoe laat het was, zouden wij tot 's avonds hebben +doorgespeeld. Maar dan ontwaakte het besef in mij, dat ik aan het +hoofd van den troep stond en dat wij werken moesten om het geld te +verdienen, dat wij voor ons onderhoud noodig hadden. Dan legde ik den +riem van mijne harp over den schouder en voorwaarts ging het dan weder. + +Wij waren klaar met spelen vóórdat de koe klaar was met grazen, en +toen zij ons naar zich toe zag komen, begon zij groote plukken gras +met haar tong af te rukken, alsof zij ons zeggen wilde, dat zij nog +lang niet gereed was. + +--Laten wij nog maar een oogenblik wachten, zeide Mattia. + +--Weet gij dan niet, dat eene koe den ganschen dag kan eten? + +--Een oogenblikje maar. + +Al wachtende, namen wij onze zakken en instrumenten weder op. + +--Als ik eens een deuntje op mijn horen voor haar speelde? zeide +Mattia, die niet werkeloos kon zijn. Wij hadden in het paardenspel +van Gassot eene koe, die veel van muziek hield. + +Zonder mijn antwoord af te wachten, maakte Mattia een fanfare. + +Bij de eerste tonen lichtte onze koe den kop op, maar eensklaps, vóór +ik haar nog bij de horens had kunnen grijpen, om het touw te vatten, +rende zij in galop voort. + +Wij renden haar na en liepen zoo hard wij konden, met alle macht +haar terugroepende. + +Ik riep Capi toe, dat hij ze zou tegenhouden; maar men kan niet alle +talenten te gelijk bezitten. Een hond van een koeherder zou haar +tegen den neus zijn gesprongen, maar Capi, die een geleerde hond was, +sprong tegen haar pooten op. + +Dit hield haar natuurlijk niet tegen; zij rende voort en wij haar +achterna. + +Onder het loopen riep ik tot Mattia: "Stommerik!" En hij antwoordde, +eveneens voortdravende: + +--Je moogt me een pak slaag geven; ik heb het verdiend. + +Wij hadden ons neergezet om te ontbijten op een halfuur afstand van een +groot dorp; daarheen rende nu onze koe en zij kwam er natuurlijk veel +eerder aan dan wij. De weg was recht en wij zagen nu, niettegenstaande +wij nog op verren afstand waren, dat men haar tegenhield en zich van +haar meester maakte. + +Toen liepen wij minder snel; wij behoefden haar slechts te vragen +van de goede menschen, die haar hadden vastgehouden, en die zouden +ze ons wel teruggeven. + +Naarmate wij dichterbij kwamen, was het aantal omstanders toegenomen, +en toen we eindelijk naast haar stonden, zagen wij ons omringd door +een twintigtal mannen, vrouwen en kinderen, die het zeer druk over +ons hadden. + +Ik had gedacht dat ik mijne koe maar behoefde te vragen, om ze +te krijgen, maar inplaats daarvan, deed men ons van alle kanten +allerlei vragen: waar wij vandaan kwamen en hoe die koe in ons bezit +was gekomen? + +Onze antwoorden waren even eenvoudig als gemakkelijk: maar zij +overtuigden die menschen volstrekt niet en twee of drie stemmen gingen +er op, die ons toeriepen, dat wij de koe, die ons ontloopen was, +gestolen hadden; dat wij naar de gevangenis moesten gebracht worden, +in afwachting dat de zaak werd opgehelderd. + +Dat vreeselijke woord "gevangenis" joeg mij een killen schrik op het +lijf; ik raakte verward en dat was ons ongeluk: ik verbleekte, begon +te stotteren en daar ik door het harde loopen mijn adem verloren had, +was ik buiten staat te antwoorden. + +Middelerwijl was er een gendarme gekomen; met een paar woorden vertelde +men hem onze geschiedenis, en daar ze hem niet in orde scheen, zeide +hij, dat onze koe zou worden opgestald en hij ons naar de gevangenis +brengen zou. + +Ik wilde er mij tegen verzetten; Mattia wilde ook wat zeggen, maar +op strengen toon legde de gendarme ons het stilzwijgen op, en daar +ik mij herinnerde wat er met Vitalis te Toulouse was gebeurd, zeide +ik tot Mattia, dat wij maar moesten zwijgen en den gendarme volgen. + +Het gansche dorp liep ons na tot het stadhuis, waar de gevangenen +bewaard werden. Men omringde ons van alle zijden; men duwde ons; men +schold ons uit en als de gendarme er niet bij geweest was, zou men +ons met steenen hebben geworpen, misschien nog wel erger, alsof wij de +grootste misdadigers, moordenaars of brandstichters waren. Toch hadden +wij volstrekt geen kwaad gedaan. Maar zoo is nu eenmaal de menigte; zij +vindt er genot in ongelukkigen te mishandelen, zonder te weten wat zij +gedaan hebben, ja zelfs zonder te weten of zij schuldig zijn of niet. + +Aan de gevangenis gekomen, had ik nog een oogenblik hoop: de portier +van het stadhuis, die tevens cipier was en veldwachter bovendien, +wilde ons eerst niet toelaten. Ik zeide al bij mij zelven, dat dit +tenminste een braaf man was. Maar toen de gendarme aanhield, gaf hij +eindelijk toe. Voor ons uitgaande, opende hij eene groote deur, die van +buiten met een zwaar slot en twee stevige grendels was gesloten. Toen +eerst bemerkte ik, waarom hij eerst moeilijkheid had gemaakt om ons te +ontvangen: hij had namelijk het vertrek, dat tot gevangenis diende, tot +bewaarplaats voor zijn uien ingericht en daarmee lag dan ook de grond +bedekt. Terwijl men onze zakken doorzocht, onze messen en lucifers +enz. afnam, veegde de cipier zijne uien in een hoek bijeen. Toen sloot +men de deur en het gedruisch dat het omdraaien van den sleutel en het +dichtschuiven van de grendels maakten, klonk verschrikkelijk akelig. + +Wij zaten dus in de gevangenis. Voor hoelang? + +Toen ik mezelven die vraag deed, kwam Mattia voor mij staan en zeide, +terwijl hij zijn hoofd voor mij boog: + +--Geef me maar een geducht pak slaag; sla nu maar goed raak; je kunt +me niet zwaar genoeg straffen voor mijn domheid. + +--Je hebt een domme streek begaan en ik heb ze toegelaten; ik ben +even dom geweest als jij. + +--Ik zou liever hebben dat je me een pak slaag gaaft; dan zou ik +minder verdriet hebben; onze koe! onze arme koe! de koe van den prins! + +Hij begon bitter te schreien. + +Toen was het mijn beurt om hem te troosten en hem aan 't verstand te +brengen, dat onze toestand zoo erg niet was. Wij hadden geen kwaad +gedaan en het zou ons niet moeilijk vallen te bewijzen, dat wij onze +koe gekocht hadden; de goede veearts uit Ussel zou onze getuige wezen. + +--En als men ons beschuldigt, dat wij het geld gestolen hebben, +waarvoor wij de koe hebben gekocht, hoe zullen wij dan bewijzen, dat +wij het eerlijk hebben verdiend? Je ziet toch wel dat ongelukkigen +van alles worden verdacht en beschuldigd. + +Mattia had gelijk; ik wist maar al te goed, dat men hardvochtig is +voor ongelukkigen; de kreten waarmede men ons vervolgd had tot voor +de deur der gevangenis, bewezen het immers maar al te goed. + +--En dan, zeide Mattia, nog altijd weenende, als wij uit de gevangenis +ontslagen worden en onze koe terugkrijgen, zullen wij dan vrouw +Barberin vinden? + +--Waarom zouden wij haar niet vinden? + +--Zij is mogelijk gestorven in den tijd, dat gij haar niet gezien hebt. + +Die vrees sloeg ook mij om 't hart. Het was inderdaad heel goed +mogelijk, dat vrouw Barberin gestorven was; want hoewel ik nog niet +op den leeftijd was, waarop men aan den dood denkt, wist ik toch bij +ondervinding, dat men verliezen kon wie men liefheeft. Had ik Vitalis +niet verloren? Hoe kwam het, dat ik zelf daaraan niet reeds vroeger +had gedacht? + +--Waarom hebt ge me dat niet eerder gezegd? vroeg ik. + +--Heel eenvoudig; als ik gelukkig ben, heb ik slechts prettige dingen +in mijn hersens, en als ik ongelukkig ben, alleen treurige. En ik +was zoo gelukkig bij de gedachte, een koe thuis te brengen bij vrouw +Barberin, dat ik haar alleen maar voor me had, blijde en lachend over +haar koe en ook enkel onze blijdschap zag. Dat vervulde me zoo met +vroolijke gedachten, dat ik voor niets anders gevoel had. + +--Uw hoofd is niet dommer dan het mijne, beste Mattia, want ik heb +evenmin als gij aan iets anders gedacht. Evenals gij had ik voor +niets gevoel dan voor dat ééne gelukkige oogenblik, waarop wij vrouw +Barberin haar koe zouden geven. + +--Och, och! die koe van den prins! riep Mattia schreiend uit. 't Is +een mooie prins! + +Plotseling stond hij op en met heftige gebaren riep hij uit: + +--Als vrouw Barberin eens dood was en die ellendeling van een Barberin +nog leefde en onze koe ons afnam en misschien u zelven ook nog hield! + +Zeker was het de invloed van de gevangenis, die zulke zwaarmoedige +gedachten bij ons deed oprijzen; 't was dat geschreeuw van de menigte; +'t was de gendarme; 't was het gedruisch van het slot en de grendels, +die men achter ons had gesloten. + +Maar Mattia dacht niet slechts aan ons, maar ook aan onze koe. + +--Wat zal men ze te eten geven? Wie zal haar melken? + +Het eene uur na het andere verstreek, terwijl wij ons aan die +treurige overpeinzingen overgaven, en hoe langer het duurde, zooveel +te zwaarmoediger werden wij. + +Ik trachtte Mattia op te beuren door hem te zeggen, dat men ons in +ieder geval toch verhooren zou. + +--En wat zullen wij dan zeggen? + +--De waarheid. + +--Maar dan zullen ze ons aan Barberin overgeven, of, als vrouw Barberin +alleen thuis, zal men haar ondervragen om te zien of wij niet liegen, +en dan zullen we haar niet meer kunnen verrassen. + +Eindelijk werd de deur met groot geweld geopend en wij zagen een ouden +heer binnenkomen, wiens open gelaat terstond onze hoop herleven deed. + +--Alloh! kwajongens, staat op, zeide de cipier, en antwoordt op +hetgeen mijnheer de vrederechter je vragen zal. + +--'t Is goed, 't is goed, sprak de vrederechter, terwijl hij den cipier +een wenk gaf om hem alleen te laten; ik zal eerst dien knaap in verhoor +nemen--daarbij wees hij met zijn vinger naar mij--, breng den anderen +zoolang weg en bewaar hem goed; ik zal later met hem spreken. + +Ik achtte het noodig in de gegeven omstandigheden Mattia te +waarschuwen hoe hij antwoorden moest en zeide: "Evenals ik, mijnheer +de vrederechter, zal hij u de waarheid en niets meer dan de waarheid +zeggen." + +--Dat is goed, dat is goed, sprak de vrederechter weder kortaf, +alsof hij voorkomen wilde, dat ik nog meer zeide. + +Mattia werd weggebracht, maar hij had toch nog gelegenheid om mij +door een blik te kennen te geven, dat hij mij had begrepen. + +--Men beschuldigt u eene koe te hebben gestolen, zeide de vrederechter, +mij strak in de oogen ziende. + +Ik antwoordde, dat wij die koe gekocht hadden te Ussel en ik noemde +den naam van den veearts, die ons bij het koopen geholpen had. + +--Dat zal kunnen blijken. + +--Dat hoop ik, want daardoor alleen kan onze onschuld aan het licht +komen. + +--En met welk doel hebt gij die koe gekocht? + +--Om ze naar Chavanon te brengen en ze present te geven aan eene vrouw, +die mijne min is geweest en die ik nu mijne dankbaarheid wilde betoonen +voor hare zorgen en een bewijs van genegenheid wilde geven. + +--Hoe heet die vrouw? + +--Barberin. + +--Is dat de vrouw van een metselaar, die eenige jaren geleden te +Parijs een ongeluk kreeg? + +--Ja, mijnheer. + +--Ook dat zal kunnen blijken. + +Op die woorden antwoordde ik niet zooals ik gedaan had, toen het den +veearts te Ussel gold. + +Toen hij mijne verlegenheid bespeurde, deed de vrederechter mij +allerlei vragen en eindelijk bekende ik de reden van mijn zwijgen: +als hij bij vrouw Barberin een onderzoek instelde, zou ons plan geheel +verijdeld zijn; wij zouden haar dan niet meer kunnen verrassen. + +Ondanks mijne verlegenheid, maakte zich toch een gevoel van gerustheid +van mij meester; nu de vrederechter vrouw Barberin kende en narichten +bij haar wilde inwinnen, om te weten of ik waarheid had gesproken, +was dit een bewijs, dat zij nog in leven was. + +Maar nog meer genoegen deed het mij, uit hetgeen de vrederechter +verder sprak te kunnen opmaken, dat Barberin voor eenigen tijd weder +naar Parijs was teruggekeerd. + +Dit maakte mij zóó gelukkig, dat ik hem wist over te halen om zich +tot het onderzoek bij den veearts te bepalen, daar dit toch voldoende +was om te bewijzen, dat wij onze koe niet hadden gestolen. + +--En hoe zijt gij aan zooveel geld gekomen, om een koe te kunnen +koopen? + +Dat was de vraag, waarover Mattia zich zoo ongerust maakte, toen hij +voorzag, dat zij ons zou worden gedaan. + +--Dat hebben wij verdiend. + +--Waar en hoe? + +Ik vertelde hem toen hoe wij van Parijs naar Varses en van Varses +tot Mont-Dore, stuiver voor stuiver hadden verdiend en bewaard. + +--En wat ging-je te Varses doen? + +Die vraag noodzaakte mij opnieuw een heel verhaal te geven van mijn +lotgevallen. Toen de vrederechter hoorde, dat ik in de mijn van Truyère +begraven was geweest, viel hij mij in de rede en op veel zachteren, +bijna vriendelijken toon vroeg hij: + +--Wie van u beiden is Rémi? + +--Die ben ik, mijnheer. + +--Hoe bewijst gij dat? Gij hebt geen papieren, zooals de gendarme +mij gezegd heeft. + +--Neen, die heb ik niet. + +--Vertel mij dan eens hoe dat ongeluk te Varses in zijn werk is +gegaan. Ik heb het verhaal daarvan in de couranten gelezen, en als gij +de wezenlijke Rémi niet zijt, kunt gij mij niet misleiden. Ik luister; +pas dus goed op. + +De vriendelijke toon van den vrederechter gaf mij moed: ik zag +duidelijk, dat hij ons niet vijandig gezind was. + +Toen ik mijn verhaal had geëindigd, zag de vrederechter mij een +poos lang aan en op zijn gelaat was hartelijkheid en deelneming te +lezen. Ik verbeeldde me, dat hij mij nu terstond in vrijheid zou +stellen; maar dat gebeurde niet. Zonder een woord verder te spreken, +liet hij mij alleen. Zeker ging hij thans Mattia in verhoor nemen, +om te zien of onze twee verhalen overeenstemden. + +Geruimen tijd bleef ik aan mijne eigene overdenkingen overgelaten; +eindelijk kwam de vrederechter terug met Mattia. + +--Ik zal narichten inwinnen te Ussel, zeide hij, en als die, zooals +ik hoop, bevestigen wat gij mij verteld hebt, dan zal ik u morgen in +vrijheid doen stellen. + +--En onze koe? vroeg Mattia. + +--Die krijgt gij dan terug. + +--Dat bedoel ik niet, hernam Mattia, maar wie zal ze te eten geven? en +wie zal ze melken? + +--Maak je daar maar niet ongerust over, vriendje. + +Mattia was door die woorden geheel gerustgesteld. + +--Als men onze koe melkt, zeide hij met een glimlach, zou men ons dan +de melk niet kunnen bezorgen? Dat zou heerlijk zijn voor ons avondeten. + +Zoodra de vrederechter vertrokken was, deelde ik aan Mattia de twee +gewichtige tijdingen mede, die me bijna deden vergeten, dat ik in de +gevangenis was: vrouw Barberin leefde en Barberin zelf was te Parijs. + +--De koe van den prins zal dan een luisterrijken intocht houden, +zeide Mattia. + +En in zijne vreugde begon hij te dansen en te zingen; ik greep zijne +twee handen, door zijne vroolijkheid medegesleept en Capi, die tot +hiertoe treurig en onrustig in zijn hoek had gelegen, ging op zijne +achterpooten tusschen ons beiden instaan. Toen begonnen wij zoo lustig +en levendig te dansen, dat de cipier ongerust werd--waarschijnlijk +om zijne uien--en kwam zien wat wij uitvoerden. + +Hij verzocht ons wat bedaard te zijn; maar hij sprak nu niet zoo ruw +als toen hij de eerste maal met den vrederechter binnenkwam. + +Ook daaruit leidden wij af, dat onze toestand zoo erg niet was en +spoedig ontvingen we het bewijs, dat we ons hierin niet bedrogen; +want weldra kwam hij terug met eene groote terrine vol melk--melk +van onze koe! Maar dat was nog niet alles: hij gaf ons ook een groot +wittebrood met een stuk koud kalfsvleesch, dat, zooals hij zeide, +van den vrederechter kwam. + +Nooit werden gevangenen zoo goed behandeld; toen ik mijn kalfsvleesch +at en mijn melk erbij dronk, kreeg ik een veel betere meening omtrent +gevangenissen; zij waren blijkbaar veel aangenamer dan ik mij ooit +had voorgesteld. + +Dat was ook het oordeel van Mattia. + +--Eten en slapen zonder dat het een cent kost, zeide hij lachend; +dat is een buitenkansje. + +Ik wilde hem bang maken en zeide: + +--Als nu de veearts eens plotseling gestorven was, wie zou dan voor +ons getuigen? + +--Zulke dingen denkt men alleen maar, als men ongelukkig is, antwoordde +hij, zonder boos te worden, en dat zijn wij op dit oogenblik niet. + + + + +XXX. + +VROUW BARBERIN. + + +Onze nacht op een veldbed was niet al te slecht: wij hadden er wel +slechter doorgebracht, als wij onder den blooten hemel moesten slapen. + +--Ik heb gedroomd dat onze koe haar intocht hield, zeide Mattia toen +hij ontwaakte. + +--Ik ook. + +Te acht uren werd onze deur geopend en wij zagen den vrederechter +binnenkomen, gevolgd door onzen vriend den veearts, die ons zelf in +vrijheid had willen stellen. + +Wat den vrederechter betreft, zijne belangstelling voor twee +onschuldige gevangenen bepaalde zich niet tot het eten, dat hij ons +den vorigen avond had gezonden; hij gaf mij een groot vel papier met +een zegel er op. + +--Gij zijt een paar domme jongens, sprak hij minzaam, dat gij zoo maar +op weg gaat; hier hebt gij een paspoort, dat ik door den burgemeester +in orde heb doen maken, en dat zal u voortaan voor moeilijkheden +bewaren. Goede reis, jongens! + +Toen gaf hij elk van ons de hand en de veearts drukte die eveneens +recht hartelijk. + +Op schandelijke wijze waren wij het dorp binnengekomen; zegepralend +mochten wij het thans verlaten; wij hadden onze koe aan het touw en +stapten voort met opgeheven hoofd, met fiere blikken de dorpelingen +aanziende, die zich voor hunne woning vertoonden. + +--Eén ding spijt mij maar, zeide Mattia: dat wij den gendarme niet +tegenkomen, die ons naar de gevangenis heeft gebracht. + +--De gendarme had ongelijk, maar wij hadden ook ongelijk, toen +wij geloofden dat zij, die ongelukkig zijn, ook niets goeds hebben +te wachten. + +--Omdat wij niet heelemaal ongelukkig waren, hebben wij nog wat +goeds ondervonden; als men vijf francs op zak heeft, is men nog niet +heelemaal ongelukkig. + +--Gisteren mocht gij dat nog zeggen, maar vandaag niet meer; je hebt +toch gezien, dat er nog brave menschen in de wereld zijn. + +Wij hadden eene te goede les gehad om weder het touw van onze koe +los te laten; zij was heel goedig, dat is waar, maar zij was ook +geducht schichtig. + +Weldra hadden wij het dorp bereikt, waar ik den eersten nacht met +Vitalis doorgebracht had. Van daar hadden wij nog slechts eene vlakte +door te trekken om aan den heuvel te komen, aan welks voet het dorpje +Chavanon ligt. + +Toen ik de straat doorging van het dorp, juist vóór het huis, waar +Zerbino een korst brood had gestolen, kwam er eene gedachte bij mij +op, die ik terstond aan Mattia mededeelde. + +--Je weet wel dat ik je beloofd heb, dat wij wafels bij vrouw Barberin +zouden eten; daar is boter voor noodig en bloem en eieren. + +--Dat zal dan wel lekker smaken. + +--Nu, dat zou ik denken! Maar gij zult het zelf proeven; het smelt in je +mond. Maar misschien heeft vrouw Barberin geen boter en geen bloem. Wat +zoudt ge er van denken, als wij dat eens voor haar meebrachten? + +--Dat is een voortreffelijk idee. + +--Houd dan de koe eens vast, maar laat ze vooral niet los; ik ga +in dien kruidenierswinkel wat bloem en boter koopen. Wat de eieren +betreft, als vrouw Barberin ze niet heeft, zal ze die wel leenen; +wij zouden ze maar breken onderweg. + +Ik trad den winkel binnen, waar Zerbino zijn korst brood gestolen +had en kocht een pond boter en twee kop meel. Toen zetten wij de +reis voort. + +Ik wilde onze koe niet hard laten loopen, maar had onwillekeurig +zooveel haast, dat ik mijn pas versnelde. + +Nog tien mijlen! nog acht! nog zes! zonderling; de weg naar vrouw +Barberin scheen mij veel langer dan toen ik haar verlaten had en toch +viel er dien dag een slagregen, welken ik mij thans nog herinnerde. + +Maar ik was zoo ontroerd; ik had de koorts van verlangen, en elk +oogenblik keek ik op mijn horloge. + +--Is dit geen mooi land? vroeg ik aan Mattia. + +--Tenminste de boomen beletten het uitzicht niet. + +--Als wij de helling van den berg afdalen naar Chavanon, zult gij +eene menigte boomen zien en mooie ook: eiken en kastanjeboomen. + +--Met kastanjes er aan? + +--Dat beloof ik je! En in den tuin van vrouw Barberin is een kromme +pereboom, waarin men ruiter te paard kan zitten. Daar groeien groote +peren aan en lekkere ook; dat zult gij zien. + +En bij al wat ik hem vertelde, eindigde ik met te zeggen: dat zult +gij zien. Voor mijzelven geloofde ik inderdaad, dat ik Mattia in het +land der wonderen bracht. Maar dat was het dan ook voor mij. Daar +hadden mijne oogen het eerste licht gezien; daar had ik het leven +leeren kennen; daar was ik zoo gelukkig geweest; daar had men mij +liefgehad. En al die lieflijke gewaarwordingen van mijne eerste jeugd +werden nog aangenamer door de herinnering aan al het leed, dat ik op +mijne zwerftochten had doorstaan, en drongen zich nu alle aan mijn +hoofd en mijn hart op, naarmate wij het dorp meer naderden. Het was +of die lucht van mijn geboortegrond mij bedwelmde; alles vond ik +even mooi. + +Het gevoel dat mij beheerschte, was aanstekelijk en ook Mattia +keerde--helaas! slechts in zijne verbeelding--terug naar het land +waar hij geboren was. + +--Als ge eens te Lucca kwaamt, zeide hij, zou ik u ook wat prachtigs +vertoonen; dat zoudt gij zien. + +--Maar wij zullen naar Lucca gaan als wij Martha, Lize en Benjamin +hebben opgezocht. + +--Zoudt gij wel eens te Lucca willen zijn? + +--Gij zijt met mij naar vrouw Barberin medegegaan, ik ga met u mede +naar uw moeder en uw zusje Christina, dat ik op mijn arm zal dragen, +als zij er al niet te groot voor is; ze zal mijn zusje ook zijn. + +--O Rémi! + +Hij kon er geen woord meer bijvoegen, zoo aangedaan was hij. + +Terwijl wij zoo praatten, stapten wij altijd stevig door en weldra +waren wij op de kruin van den heuvel, waar de weg begon, die met vele +kronkelingen naar Chavanon en langs het huis van vrouw Barberin leidde. + +Nog eenige stappen en dan waren wij op de plek, waar ik aan Vitalis +verlof had gevraagd, op den rand van den weg te gaan zitten om het +huis nog eens te zien van vrouw Barberin, waar ik nooit meer dacht +terug te komen. + +--Houd het touw vast, zeide ik tot Mattia. + +En met een sprong was ik op den dijk langs den weg. Niets was er in +onze vallei veranderd; zij zag er nog juist uit als voorheen; tusschen +de twee groepen boomen ontdekte ik het huis van vrouw Barberin. + +--Wat hebt gij toch? vroeg Mattia. + +--Daar! daar! + +Hij kwam bij mij staan, maar zonder op het dijkje te klimmen, waarvan +onze koe het gras at. + +--Volg mijn hand eens; daar is het huis van vrouw Barberin; daar +staat de pereboom; dat was mijn tuin. + +Mattia, wiens oog niet, zooals het mijne, geleid werd door zijne +herinneringen, zag er niet veel van; maar hij zei mij dit niet. + +Op dat oogenblik steeg een dunne gele rookkolom uit den schoorsteen +en daar er geen wind was, rees zij loodrecht op langs de helling van +den heuvel. + +Toen voelde ik hoe plotseling tranen mijn oogen verduisterden; ik +sprong van het dijkje en omhelsde Mattia. Capi sprong tegen mij op +en ik nam hem in mijn armen en kuste hem. + +--Nu gauw naar beneden. + +--Als vrouw Barberin thuis is, hoe zullen we haar dan met de koe +verrassen? vroeg Mattia. + +--Gij gaat alleen naar binnen en vertelt haar, dat ge een koe brengt +van den prins, en als zij vraagt: van welken prins? dan kom ik te +voorschijn. + +--Hoe jammer dat wij onzen intocht niet kunnen maken met muziek, +dat zou eerst aardig zijn! + +--Mattia, geen gekheid! + +--Wees maar niet bang; ik heb geen plan om dezelfde domheid nog eens +te doen; maar dat is toch zeker, als die vrouw veel van muziek houdt, +zou eene fanfare hier recht op zijn pas wezen. + +Toen wij aan eene bocht van den weg kwamen, juist boven het huis van +vrouw Barberin, zagen wij een witte muts in den tuin te voorschijn +komen: dat was vrouw Barberin; zij opende het hek en ging den weg op +naar den kant van het dorp. + +Ik vertelde aan Mattia dat dit vrouw Barberin was en wij bleven een +oogenblik stilstaan. + +--Zij gaat uit. Hoe doen wij dan met onze verrassing? + +--Wij zullen eene andere verzinnen. + +--Welke? + +--Dat weet ik nog niet. + +--Zoudt gij ze niet roepen? + +De verleiding was groot, maar ik weerstond haar toch; maanden lang +had ik er mij een feest van gemaakt, dat ik vrouw Barberin verrassen +zou en daarvan kon ik nu niet zoo opeens afstand doen. + +Spoedig stonden wij aan het hek voor mijn voormalig huis en ik trad +binnen zooals voorheen. + +Ik kende de gewoonte van vrouw Barberin en ik wist, dat de deur slechts +op de klink stond en wij dus gemakkelijk in huis konden komen; maar +eerst moest ik onze koe op stal brengen. Ik ging dus eens zien in +welken toestand die stal verkeerde en ik zag, dat hij nog precies +was als voorheen, behalve dat er eenige takkenbossen in lagen. Ik +riep Mattia en nadat wij de koe hadden vastgemaakt, begonnen wij +met ijver de takkenbossen opzijde te leggen, en daarmede waren wij +spoedig gereed, want heel veel hout had vrouw Barberin niet opgedaan. + +--En nu, zei ik tot Mattia, gaan wij naar binnen; ik ga in 't hoekje +bij den haard zitten, waar vrouw Barberin mij dan kan vinden. Daar +het hek op de hengsels knarst, als het geopend wordt, hebt gij al +den tijd, als zij terugkomt, om met Capi u achter het ledekant te +verschuilen. Dan zal ze mij alleen zien... wat zal ze opkijken! + +Toen wij dit afgesproken hadden, gingen wij in huis en zette ik mij +bij den haard neder op het plaatsje, waar ik zoo menigen winteravond +had doorgebracht. Daar ik mijn lange haren niet kon afknippen, verborg +ik ze onder den kraag van mijn jas en ik kroop zooveel mogelijk in +elkander, om nog meer te gelijken op den "kleinen Rémi", die vrouw +Barberin moeder noemde. + +Van de plek, waar ik zat, kon ik het hek zien en wij behoefden dus +niet bang te wezen, dat vrouw Barberin ons plotseling overvallen zou. + +Ik keek eens rond, en het scheen mij toe, dat ik eerst gisteren het +huis had verlaten. Niets was veranderd; alles stond nog op zijne +zelfde plaats; ja zelfs het papier, waarmede de ruit was beplakt, +die ik eens gebroken had, was nog altijd hetzelfde; het was alleen +maar erg geel en berookt geworden. + +Als ik mijne plaats had durven verlaten, zou ik graag elk voorwerp +eens van nabij hebben bekeken; maar ieder oogenblik kon vrouw Barberin +terugkomen en ik moest dus op den uitkijk blijven. + +Opeens zag ik eene witte muts en tegelijk knarste het hengsel van +het hek. + +--Gauw, kruip weg! riep ik tot Mattia. + +Ik maakte mij nu nog kleiner. + +De deur ging open: op den drempel reeds ontdekte mij vrouw Barberin. + +--Wie is daar? vroeg zij. + +Ik zag haar aan zonder antwoord te geven en ook zij zag mij aan. + +Eensklaps begon zij over haar geheele lichaam te beven; sidderend +stak zij hare handen uit. + +--Groote God! prevelde zij.... Goede God! is het mogelijk!... Rémi! + +Ik stond op en vloog in hare armen. + +--Moeder! + +--Mijn jongen! 't Is mijn jongen! + +Het duurde eenige minuten, eer wij tot ons zelven kwamen en onze +tranen hadden bedwongen. + +--Dat is zeker, zeide zij, als ik niet altijd aan je gedacht had, +zou ik je nu ook niet herkend hebben. Wat ben je veranderd! En zoo +groot geworden! En zoo breed! + +Een onderdrukt kuchje herinnerde mij, dat Mattia achter het ledekant +verborgen was. Ik riep hem en hij kwam te voorschijn. + +--Dat is Mattia, mijn broer. + +--O, hebt ge dan uw ouders gevonden? riep vrouw Barberin uit. + +--Neen; hij is mijn makker, mijn vriend; en daar is Capi, ook een +makker en een vriend van mij. Maak je kompliment eens voor de moeder +van je baas, Capi. + +Capi ging op zijne achterpooten staan en legde zijn eenen poot op zijn +hart, terwijl hij eene diepe buiging maakte. Vrouw Barberin moest er +hartelijk om lachen en wischte hare tranen af. + +Mattia, die niet, zooals ik, door aandoening overstelpt was, gaf mij +een wenk, dat ik aan onze verrassing zou denken. + +--Als ge 't goedvindt, gaan wij nu eens naar den tuin om den krommen +pereboom te zien, waarvan ik Mattia zooveel verteld heb. + +--Uw tuin kunnen wij dan ook gaan zien, want dien heb ik gelaten, +zooals gij hem hebt aangelegd, opdat je hem terug zoudt vinden als +gij weer hier kwaamt; want dat je terug zoudt komen heb ik altijd en +tegen ieder volgehouden. + +--En de peerappelen, die ik geplant heb, waren ze lekker? + +--Dus heb jij me die verrassing bezorgd? Ik heb het wel gedacht; +je woudt me altijd verrassen. + +Nu was het oogenblik gekomen. + +--En de koestal, vroeg ik, is die veel veranderd sedert Roussette +heenging? die arme Roussette; die wilde ook niet gaan, evenmin als ik. + +--De stal is ook dezelfde gebleven, behalve dat ik er nu mijn brandhout +in berg. + +Daar wij juist voor den stal waren gekomen, deed vrouw Barberin de +deur open en op hetzelfde oogenblik begon onze koe, die honger had, +en zeker dacht dat men haar eten kwam brengen, luid te loeien. + +--Een koe! een koe op stal! riep vrouw Barberin. + +Toen konden we ons niet meer inhouden en Mattia en ik begonnen +hartelijk te lachen. + +Vrouw Barberin zag ons verbaasd aan, maar het was zoo iets onmogelijks +dat er een koe bij haar op stal stond, dat zij, in weerwil van ons +lachen, niets ervan begreep. + +--'t Is een verrassing, zeide ik, een verrassing, die wij u bezorgen +en die zeker wel opweegt tegen die van de peerappels. + +--Eene verrassing, herhaalde zij, eene verrassing! + +--Ik wou niet met leege handen bij moeder Barberin komen, die altijd +zoo goed was voor haar kleinen Rémi, het verlaten kind; toen heb ik +eens nagedacht wat u van 't meeste nut zou kunnen zijn, en ik meende +dat eene koe, die de plaats innam van Roussette, u het liefst zou +wezen. Op de beestenmarkt te Ussel hebben wij toen de koe gekocht +voor het geld, dat Mattia en ik verdiend hebben. + +--Och, die goeie jongen! Die lieve jongen! riep vrouw Barberin uit, +terwijl ze mij opnieuw in de armen drukte. + +Toen gingen wij den stal binnen, opdat vrouw Barberin onze koe eens +zou bekijken, die nu _haar_ koe was. Bij alles wat zij aan de koe +voor goeds ontdekte, uitte zij opnieuw kreten van tevredenheid en +bewondering. + +--Wat een mooie koe. + +Eensklaps stond zij stil en vroeg, terwijl zij mij aanzag: + +--Maar dan ben je rijk geworden? + +--Dat zou ik ook denken, antwoordde Mattia lachend; wij hebben nog +drie francs. + +En vrouw Barberin herhaalde alweder, maar nu eenigszins gewijzigd: + +--Die goede jongens! + +Het deed me goed, dat zij ook aan Mattia dacht en ons in haar hart +vereenigde. + +Onze koe bleef intusschen maar voortloeien. + +--Zij wil gemolken worden, zeide Mattia. + +Oogenblikkelijk liep ik naar huis om den netgeschuurden blikken emmer +te halen, waarin vroeger Roussette werd gemolken en dien ik op zijne +gewone plaats had zien hangen, hoewel het al heel lang geleden was, +sedert vrouw Barberin een koe op stal had. In het teruggaan vulde +ik den emmer met water, zoodat vrouw Barberin de uiers kon wassen, +die vol stof waren. + +Welk een genot voor de goede vrouw, toen zij haar emmer voor driekwart +gevuld zag met prachtige schuimende melk. + +--Ik geloof, dat zij meer melk geeft dan Roussette, zeide zij. + +--En wat lekkere melk, zeide Mattia; ze riekt naar oranjebloesem. + +Vrouw Barberin zag Mattia vragend aan; zeker wilde zij te weten komen +wat oranjebloesem was. + +--Dat is iets heel lekkers, dat men in het hospitaal krijgt, als men +ziek is, zeide Mattia, die graag vertelde wat hij wist. + +Toen de koe gemolken was, brachten wij haar op 't grasveld om daar +te grazen, en wij gingen in huis, waar ik, toen ik den emmer haalde, +onze boter en bloem midden op tafel had gezet. + +Toen vrouw Barberin die nieuwe verrassing zag, slaakte zij opnieuw +allerlei kreten van verbazing, maar toen meende ik dat het maar beter +was openhartig te zijn en ik viel haar in de rede: + +--Dat is eigenlijk evengoed voor ons als voor u; wij hebben allebei +een geweldigen honger en wij zouden zoo graag pannekoeken eten. Weet +ge nog wel hoe, den voorlaatsten avond toen ik hier was, onze wafels +niet klaar kwamen en de boter, die u ervoor geleend had, diende om +uien in de pan te bakken: dezen keer zullen wij niet gestoord worden. + +--Weet-je dan, dat Barberin te Parijs is? vroeg zij. + +--Ja. + +--En weet je ook wat hij te Parijs is gaan doen? + +--Neen. + +--Het heeft betrekking op jou. + +--Op mij? vroeg ik verschrikt. + +Voor zij verder ging, zag vrouw Barberin Mattia aan, als vreesde zij, +dat ze in zijn bijzijn te veel zou zeggen. + +--O, u kunt gerust spreken waar Mattia bij is, zeide ik: ik heb u +verteld, dat hij een broer voor mij is; al wat mij betreft, gaat ook +hem ter harte. + +--'t Is nogal lang om te vertellen, zeide zij. + +Ik bespeurde, dat zij ertegen opzag, om te spreken, en nu wilde ik +in het bijzijn van Mattia er niet langer op aandringen, omdat, zoo +zij weigerde, dit hem leed zou doen. Ik besloot dus maar liever te +wachten tot een geschikter oogenblik, om te vernemen wat Barberin te +Parijs was gaan doen. + +--Zou Barberin spoedig terugkomen? vroeg ik. + +--O, zeker niet. + +--Dan hebben wij geen haast; laten wij dan maar over de pannekoeken +praten; later hoor ik dan wel eens van u wat er voor mij aan die +Parijsche reis is gelegen; daar hij vanavond zijne uien niet in onze +koekepan zal komen fruiten, hebben wij al den tijd aan ons. Hebt +ge eieren? + +--Neen, ik houd geen kippen meer. + +--Wij hebben geen eieren meegebracht, omdat wij bang waren dat zij +onderweg zouden breken. Kunt gij ze ergens leenen? + +Die vraag bracht haar in verlegenheid en ik begreep, dat zij bij +niemand meer durfde aankloppen. + +--Dan is het beste maar, dat ik ze zelf ga koopen, zeide ik, en in +dien tusschentijd maakt u het beslag klaar met de melk. Soquet is er +immers nog? Dan loop ik er gauw heen. Zeg aan Mattia dat hij het hout +klooft, dat kan hij best. + +Bij Soquet kocht ik niet alleen eieren, maar ook een stukje spek. + +Toen ik terugkwam, was de bloem al met de melk aangemaakt en alleen +de eieren behoefden nog maar in het beslag te worden geroerd. 't Is +waar, er was geen tijd om het deeg te doen rijzen, maar wij hadden te +veel honger om daarop te wachten. Mochten de pannekoeken al wat zwaar +uitvallen, onze magen waren stevig genoeg om het te kunnen dragen. + +--Maar vertel me nu eens, zei vrouw Barberin, terwijl zij het deeg +besloeg, hoe komt het toch, dat zoo'n goede jongen als jij me nooit +iets van zich heeft doen hooren? Weet je wel, dat ik dikwijls dacht, +dat je dood waart, want, zei ik bij mezelf, als Rémi nog leefde, +zou hij zeker wel aan zijn moeder Barberin iets hebben doen weten. + +--Die moeder Barberin was niet alleen; bij haar woonde een vader +Barberin, die heer des huizes was en die dat ook getoond heeft te zijn, +door mij voor twintig gulden aan een ouden muzikant te verkoopen. + +--Daar moet ge niet meer van spreken, beste Rémi. + +--Ik beklaag er mij niet over, maar ik zeg het alleen om u te doen +begrijpen, waarom ik u niet schreef. Ik was bang, dat hij mij weder +zou verkoopen, als hij ontdekte waar ik was, en ik wilde niet verkocht +worden. Daarom heb ik u ook niet geschreven, toen ik mijn armen ouden +meester verloor, die een goed man was. + +--Ach, is hij dood, die oude muzikant? + +--Ja, en ik heb hem oprecht betreurd, want als ik iets ben op 't +oogenblik en instaat ben mijn eigen kost te verdienen, dan heb ik +het aan hem te danken. Na zijn dood heb ik goede menschen gevonden, +die mij in hun huis opnamen en voor wie ik gewerkt heb. Maar als ik +geschreven had: ik ben tuinman bij de Glacière, dan zou men mij komen +halen, of men zou aan die goede menschen geld gevraagd hebben. Ik +wilde het een zoomin als het ander. + +--Ja, ja, dat kan ik wel begrijpen. + +--Maar dit heeft niet belet, dat ik altijd aan u dacht, en als ik +heel ongelukkig was, is 't mij wel gebeurd, dat ik moeder Barberin +riep om mij te helpen. Zoodra ik vrij was om te doen wat ik wilde, +ben ik naar haar toe gekomen, maar niet zoo dadelijk, dat is waar: +men kan niet altijd doen wat men wil, en ik had een plan, dat niet +zoo gemakkelijk ten uitvoer was te brengen. Wij moesten onze koe +verdienen vóór dat we u die konden thuis bezorgen, en het geld kwam +niet bij rijksdaalders in. Wij hebben heel wat stukjes moeten spelen, +dag aan dag, overal, vroolijke en treurige; wij moesten maar loopen, +ons inspannen in 't zweet van ons aangezicht, en ons allerlei ontbering +getroosten. Maar hoe moeilijker het viel, zooveel te meer genot hadden +wij, niet waar Mattia? + +--Elken avond telden wij ons geld, niet enkel wat wij dien dag +verdiend hadden, maar ook hetgeen wij al hadden, om te zien of het +niet verdubbeld was. + +--Die goede jongens! Die beste jongens! + +Al pratende bleef vrouw Barberin het deeg voor onze koeken beslaan +en Mattia zorgde voor het hout, en ik zette de borden gereed en de +vorken en de glazen, waarna ik een kruik versch water aan de fontein +ging halen. + +Toen ik terugkwam stond er eene volle terrine met geelachtig beslag, +en vrouw Barberin schuurde met een bosje stroo de koekepan schoon +en onder den schoorsteen vlamde een hoog vuur, dat Mattia onderhield +door er voortdurend stukken hout op te werpen. + +In een hoek naast den haard gezeten, sloeg Capi al die voorbereidende +werkzaamheden gade, en daar hij half verschroeide, lichtte hij nu den +eenen en dan weder den anderen poot op, even jankend. De heldere vlam +verlichtte tot de uiterste hoeken van het vertrek en ik zag de figuren +op de katoenen gordijnen van het ledekant dansen, gelijk voorheen, toen +zij mij zoo dikwijls angst aanjoegen als ik bij maneschijn wakker werd. + +Vrouw Barberin zette de pan op het vuur, nam toen een stukje boter +met de punt van het mes en liet dit in de pan glijden, waar het +dadelijk smolt. + +--Dat riekt heerlijk! riep Mattia, die zijn neus boven het vuur hield +zonder vrees, dat hij zich branden zou. + +De boter begon te sissen. + +--Zij zingt, riep Mattia; ik zal ze accompagneeren. + +Voor Mattia loste zich alles op in muziek. Hij nam zijne viool en begon +zachtjes te spelen en volgde op de snaren het sissen van de boter, +en vrouw Barberin lachte, dat de tranen haar over de wangen liepen. + +Maar het oogenblik was te gewichtig om zich aan luidruchtige +vroolijkheid over te geven; met haar potlepel had vrouw Barberin in +de terrine geroerd en schepte er het beslag uit, dat in dikke stralen +neerviel; toen goot zij het in de pan en de boter, die terugvloeide +bij den stroom van deeg, vormde er een rossen kring om. + +Op mijne beurt boog ik mij voorover; vrouw Barberin gaf een tik op +den steel van de pan en deed toen den pannekoek omdraaien tot grooten +schrik van Mattia; maar het kon geen kwaad; na een eind in de hoogte +in den schoorsteen te zijn gevlogen, viel de pannekoek weder omgekeerd +in de pan en met zijn gebakken zijde boven. + +Ik nam spoedig een bord en de pannekoek gleed erin. + +Hij was voor Mattia, die zijn vingers, zijn lippen, zijn tong en +zijn keel brandde, maar dat kwam er niet op aan; hij dacht er niet +aan dat hij zich brandde. + +--Hè! hoe lekker! riep hij met vollen mond. + +Toen was het mijn beurt om mij te branden, en evenmin als Mattia +voelde ik iets van de pijn. + +De derde pannekoek was gaar en Mattia stak de hand uit, maar nu begon +Capi geducht te blaffen: het was zijne beurt, hij had er recht op +en Mattia gaf hem dan ook den pannekoek tot groote verontwaardiging +van vrouw Barberin, die voor beesten het gevoel had, dat de boeren +er algemeen voor koesteren: zij begreep niet, dat men aan een hond +"het eten van een christenmensch" gaf. Om haar tevreden te stellen, +zeide ik, dat Capi een geleerde hond was en dat hij bovendien een deel +van de koe had verdiend; bovendien was hij onze kameraad en had hij +recht om te eten wat wij kregen, en te gelijk met ons, daar zij gezegd +had zelve niet te zullen eten vóór onze ergste honger was gestild. + +Het duurde lang eer het zoover was en toen wij geen honger meer hadden, +lustten wij ze toch nog even graag. Maar eindelijk kwam er toch een +oogenblik, dat wij beiden verklaarden geen pannekoeken meer te zullen +eten vóór dat vrouw Barberin zelve er een paar genuttigd had. + +Toen wilden wij zelf pannekoeken bakken. Eerst mocht ik het probeeren +en daarna Mattia; boter in de pan te leggen en dan het beslag erop +te gieten was vrij gemakkelijk, maar niet om den pannekoek te keeren; +de mijne kwam in de asch terecht; die van Mattia viel op zijne handen. + +Eindelijk was de pot leeg, en daar Mattia zeer goed bemerkt had, +dat vrouw Barberin zoolang hij erbij was niet wilde spreken over +hetgeen mij betrof, zeide hij, dat hij nog eens naar de koe wilde +gaan kijken en liet vrouw Barberin en mij alleen. + +Ik had tot nu toe gewacht op hetgeen zij mij te vertellen had, maar +ik kon niet zeggen, dat ik met bijzonder groot ongeduld gewacht had, +want het bakken van de pannekoeken had mijne aandacht zoo geheel-en-al +beziggehouden, dat ik aan andere dingen niet had gedacht. + +Barberin was, meende ik, alleen naar Parijs gegaan om Vitalis +op te zoeken en het jaargeld te krijgen, waarvoor hij mij had +verhuurd. Daarmede had ik niets te maken. Vitalis was dood en hij kon +dus niet betalen, en van mij zou men het geld toch wel in de laatste +plaats kunnen vragen. Maar zoo Barberin al geen geld van mij krijgen +kon, zou hij misschien beslag kunnen leggen op mijzelven, en dan +zou hij mij kunnen plaatsen waar hij wilde, als men maar voor mij +betaalde. En dat boezemde mij belang in, want ik had vast besloten +het uiterste te beproeven voor ik mij onderwierp aan het gezag van +dien naren Barberin. Als het moest, zou ik uit Frankrijk vluchten en +met Mattia naar Italië of Amerika gaan, of naar het einde der wereld. + +Met die gedachte vervuld, had ik mij voorgenomen, zeer voorzichtig +te zijn in mijne woorden als ik met vrouw Barberin sprak; voor die +goede vrouw zelve behoefde ik mij niet inacht te nemen, want ik wist, +dat zij veel van mij hield en alles voor mij overhad; maar zij was bang +voor haar man, dat had ik gezien; en als ik te veel zeide, zou zij het +wel eens aan haar man kunnen oververtellen en op die wijze aan Barberin +het middel in de hand geven, om mij op te sporen en zich weder meester +van mij te maken. Als dit gebeuren mocht, moest het tenminste niet +aan mijzelven worden toegeschreven, en daarom was ik op mijn hoede. + +Toen Mattia de deur uit was, zeide ik tot vrouw Barberin: + +--Nu zijn wij alleen; kunt gij mij nu zeggen wat Barberin voor mij +te Parijs is gaan doen? + +--Welzeker, mijn jongen, en met veel genoegen. + +Met veel genoegen! Ik stond verstomd. + +Vóór zij verder ging, wierp vrouw Barberin een blik naar de deur. Opdat +niemand ons hooren zou, kwam zij dichter bij me en met een glimlach op +'t gelaat sprak ze: + +--Het schijnt dat uw familie u zoekt. + +--Mijn familie? + +--Ja, uw familie, Rémi. + +--Heb ik dan familie? Ik? Ik, het kind dat te vondeling werd gelegd? + +--Het schijnt, dat men u niet opzettelijk heeft verlaten, want thans +zoekt men u. + +--Wie zoekt mij? O spreek, vrouw Barberin, spreek, ik bid u. + +Opeens scheen het me, dat ik krankzinnig zou worden en ik riep uit: + +--Maar dat is niet mogelijk! Neen, Barberin zoekt mij. + +--Dat doet hij ook, maar voor uw familie. + +--Neen, voor hem zelven, om mij weer te kunnen verkoopen, maar hij +zal mij niet hebben. + +--Och, Rémi, hoe kunt gij denken, dat ik tot zoo iets de hand zou +willen leenen! + +--Hij wil ook u bedriegen, moeder Barberin. + +--Maar jongenlief, wees toch verstandig, luister naar hetgeen ik +u zeggen zal, dan zult ge mij wel gelooven. Aanstaanden Maandag is +het juist een maand geleden, dat ik op de deel aan 't werk was, toen +een man, of liever een heer, het huis binnentrad, waar Barberin op +dat oogenblik zich bevond. "Heet gij Barberin?" vroeg de heer, die +met een eenigszins vreemden tongval sprak.--"Ja, zeide Jérôme, zoo +heet ik."--"Zijt gij het, die een kind gevonden hebt in de avenue de +Breteuil en de taak op u nam om het groot te brengen?"--"Ja."--"Mag +ik u dan vragen waar dat kind nu is?"--"Mag ik u vragen wat u dat +aangaat?" antwoordde Jérôme met een wedervraag. + +Mocht ik al getwijfeld kunnen hebben aan de oprechtheid van vrouw +Barberin, aan dat brutale antwoord van haar man bemerkte ik dadelijk, +dat zij goed geluisterd had. + +--Gij weet, ging zij voort, dat men op de deel alles kan hooren wat +hier gezegd wordt en bovendien, nu er sprake was van u, had ik een +onweerstaanbaren lust om te luisteren. Ik deed dus een paar stappen +nader, maar daarbij trad ik op een tak die kraakte.--"Zijn wij niet +alleen?" vroeg de heer.--"Dat is mijn vrouw," antwoordde Jérôme.--"Het +is hier erg warm," ging de heer voort, "laat ons liever buiten gaan +om daar te praten." Zij gingen toen samen naar buiten en eerst drie +of vier uur later kwam Jérôme alleen terug. Gij kunt begrijpen hoe +nieuwsgierig ik was om te weten, wat er was behandeld tusschen mijn man +en dien heer, die misschien uw vader was, maar op al mijn vragen gaf +Jérôme geen antwoord. Hij zeide mij alleen, dat die heer niet uw vader +was, maar dat hij op verzoek van de familie onderzoek naar u deed. + +--En waar is mijn familie? Wie is ze? Heb ik een vader? een moeder? + +--Dat heb ik, evenals gij nu, ook aan Jérôme gevraagd. Hij zeide, +dat hij er niets van wist. Toen vertelde hij, dat hij naar Parijs ging +om den muzikant op te zoeken, aan wien hij u verhuurd had en die hem +zijn adres had gegeven in de rue Lourcine bij een anderen muzikant, +Garofoli. Die beide namen heb ik onthouden; onthoud ze ook. + +--Ik ken die namen al, wees gerust. En heeft Barberin na zijn vertrek +niets meer van zich doen hooren? + +--Neen; zeker zoekt hij u nog altijd; de heer heeft hem vijftig +gulden in goud gegeven en na dien tijd heeft hij hem zeker nog meer +geld gezonden. Dat alles en ook de mooie luiers, waarin gij gewikkeld +waart, toen men u vond, is het bewijs, dat uwe ouders vermogende +menschen zijn. Toen ik u daar in den hoek van den haard zag zitten, +dacht ik, dat gij ze teruggevonden hadt en daarom meende ik, dat uw +makker uw broeder was. + +Op dit oogenblik ging Mattia juist voorbij; ik riep hem. + +--Mattia, mijne ouders zoeken mij; ik heb eene familie, eene wezenlijke +familie! + +Vreemd genoeg scheen Mattia mijne vreugde en opgewondenheid niet +te deelen. + +Toen vertelde ik hem, wat vrouw Barberin mij had medegedeeld. + + + + +XXXI. + +HET OUDE EN NIEUWE GEZIN. + + +Ik sliep dien nacht weinig; en hoe dikwijls had ik in den laatsten +tijd verlangd naar het genot dat ik smaken zou, als ik weder in het +bed zou slapen, waarin ik zoo menigen nacht als kind gelegen had, +zonder ooit wakker te worden, in een hoekje gedoken met de dekens tot +aan mijn kin; hoe dikwijls ook, als ik onder den blooten hemel lag, +had ik met weemoed aan dat warme dek gedacht, als ik half-bevroren +door de nachtvorst of door-en-door nat van den ochtenddauw ontwaakte +uit een bangen droom. + +Zoodra ik in mijn bed lag, was ik ingeslapen, want ik was dien dag zeer +vermoeid geweest en ook verlangde ik, na dien nacht in de gevangenis, +naar rust; maar zoodra ik even was ingedommeld, werd ik met schrik +weder wakker en toen was het mij onmogelijk den slaap weder te vatten; +ik was daartoe veel te zenuwachtig en koortsig. + +Mijn familie! + +Toen ik weder insliep, dacht ik aan die familie, en gedurende +den korten tijd dien ik slapende doorbracht, droomde ik van haar, +van mijn vader, mijn moeder, mijn broeders en zusters; die korte +oogenblikken had ik met hen geleefd die ik nog niet kende, en die ik +slechts voor het eerst zag; zonderling, Mattia, Lize, vrouw Barberin, +mevrouw Milligan en Arthur behoorden allen tot mijn familie en Vitalis +was mijn vader; hij was weder levend geworden en thans zeer rijk; +terwijl wij van elkaar gescheiden waren geweest, had hij Zerbino en +Dolce teruggevonden, die niet door de wolven opgegeten waren, zooals +wij gemeend hadden. + +Iedereen heeft, geloof ik, zulke visioenen gehad, waarin hij in +den kortst mogelijken tijd een aantal jaren doorleeft of wel de +onoverkomelijkste bezwaren overwint; iedereen weet ook, dat men bij +zijn ontwaken zich alles nog levendig voorstelt, wat men ondervonden +heeft. + +Toen ik ontwaakte, zag ik allen voor mij, van wie ik gedroomd had, +alsof ik den avond met hen had doorgebracht, en natuurlijk was het +mij onmogelijk den slaap weder te vatten. Langzamerhand echter werden +deze beelden minder duidelijk, maar de werkelijkheid drong zich met +zooveel kracht aan mijn geest op dat mij dit nog meer den slaap benam. + +Mijn familie zocht mij, maar om ze weer te vinden, moest ik mij tot +Barberin wenden. + +Deze gedachte alleen was voldoende om mijn vreugde aanmerkelijk +te matigen. Het kwelde mij, dat Barberin bij mijn geluk betrokken +was. Ik had niet vergeten wat hij tot Vitalis gezegd had, toen hij +mij aan dezen verkocht, en dikwijls had ik het bij mezelf herhaald: +"zij, die dit kind hebben opgevoed, zullen er voordeel van genieten; +als ik daarop niet gerekend had, dan zou ik mij nooit met die zorg +belast hebben." Deze woorden waren van dat oogenblik af oorzaak +geweest, dat ik weinig hart voor Barberin gevoelde. + +Barberin had mij niet uit medelijden van de straat opgeraapt, en +evenmin had hij uit medelijden zich met de zorg voor mij belast; +het was alleen, omdat ik in fraaie kleederen gewikkeld was, en omdat +hij vroeg of laat voordeel van mij halen zou, als hij mij aan mijn +ouders teruggaf. Die tijd was echter niet zoo spoedig aangebroken, +als hij wel had gewenscht; hij had mij daarom aan Vitalis verkocht; +nu zou hij mij aan mijn vader verkoopen. + +Welk een onderscheid tusschen die vrouw en haar man; zij had mij +niet om mijn geld bemind, die goede moeder Barberin! O, wat zou ik +gaarne een middel gevonden hebben om haar dat voordeel te bezorgen +en niet Barberin! + +Maar hoe ik ook peinsde en mij in mijn bed keerde en wendde, ik kon +er geen bedenken en altijd kwam die wanhopende gedachte mij weer voor +den geest, dat Barberin mij bij mijn ouders terugbrengen zou en dat +hij bedankt en beloond zou worden. + +Ik moest mij dit in elk geval laten welgevallen, daar het onmogelijk +anders kon, en mij voorloopig troosten met de gedachte, later, als +ik rijk was geworden, te toonen welk onderscheid ik tusschen den man +en de vrouw maakte, als ik in de gelegenheid was haar te bedanken en +te beloonen. + +Voor het oogenblik moest ik mij slechts met Barberin bezighouden, of +liever ik moest hem zoeken en vinden, want hij behoorde niet tot die +echtgenooten, die geen stap doen zonder hun vrouwen daarvan vooraf +kennis te geven en haar te zeggen waar zij te vinden zijn, indien +zij hem noodig hebben. Alles wat moeder Barberin wist, was dat haar +echtgenoot zich te Parijs bevond. Sedert zijn vertrek had hij haar +niet geschreven, evenmin had hij iets van zich laten hooren door +tusschenkomst van een buurman of landgenoot; het was zijn gewoonte +niet om zich aan dergelijke vriendschapsbetuigingen schuldig te maken. + +Waar was hij! waar vertoefde hij op het oogenblik? Zij wist het niet +juist genoeg om hem een brief te zenden; men kon nergens anders zoeken +dan bij twee of drie logementhouders, wier namen zij kende en bij +wie men hem zonder twijfel vinden zou. + +Ik moest dus maar naar Parijs gaan en hem zelf opzoeken. + +Mijn blijdschap was zeer groot, dat ik mijn familie zou terugzien, maar +toch ging zij met een gevoel van weerzin, zelfs van verdriet gepaard. + +Ik had gehoopt, dat ik eenige rustige, gelukkige dagen bij moeder +Barberin zou doorbrengen, mijn kinderspeelgoed met Mattia voor den +dag zou halen en zie, nu moesten wij ons den anderen dag weder op +weg begeven. + +Als wij vrouw Barberin verlieten, was ons plan geweest den zeekant +langs te reizen om Martha te bezoeken--wij moesten van deze reis +dus afzien en ik zou die goede Martha, die altijd zoo lief voor mij +geweest was, vooreerst niet wederzien. + +Van daar zouden wij naar Lize gegaan zijn, om haar de groeten van +haar broeder en zuster over te brengen--ook dit genoegen moest ik +mij ontzeggen. + +Terwijl deze gedachten mijn geest doorkruisten, was de nacht +voorbijgegaan, zonder dat ik voor mezelf had kunnen beslissen of ik +Lize en Martha niet eerst moest gaan bezoeken, of dat het verstandiger +zou wezen mij zonder oponthoud naar Parijs te begeven. + +Ik sliep eindelijk in zonder een besluit genomen te hebben en die +nacht, dien ik mij voorgesteld had dat de heerlijkste uit mijn leven +zou zijn, was de woeligste en onrustigste, dien ik mij herinneren kan. + +Toen wij den anderen morgen weder alle drie bij elkander waren, en +bij de kachel zaten, waarop de melk van onze koe kookte, bespraken +wij wat ons te doen stond. + +Wat moest ik doen? + +Ik vertelde hun wat mij dien nacht zoo gekweld had en hoe besluiteloos +ik was geweest. + +--Gij moet terstond naar Parijs gaan, antwoordde moeder Barberin; +uw ouders zoeken u, en gij moet zoo spoedig mogelijk hun verlangen +naar u trachten te bevredigen. + +Zij voegde hierbij nog tal van redenen, waarom een onmiddellijk +vertrek wenschelijk was en ik was eindelijk volkomen overtuigd, +dat zij groot gelijk had. + +--Laten wij naar Parijs gaan, zeide ik; dit is dus afgesproken. + +Maar Mattia stemde dit volstrekt niet toe, integendeel. + +--Gij vindt dat wij niet naar Parijs moeten gaan, gaf ik hem ten +antwoord. Waarom geeft gij dan geen betere reden op dan moeder +Barberin? + +Hij schudde het hoofd. + +--Waarom helpt gij mij niet, als ge ziet hoe moeilijk het mij valt +een besluit te nemen? + +--Ik vind, begon hij, dat de nieuwe de oude niet mogen doen vergeten: +tot nu toe behoorden Lize, Martha, Alexis en Benjamin tot uw familie; +zij zijn als broeders en zusters voor u geweest en hielden veel van +u; maar nu een nieuwe familie voor u opdaagt, die gij niet kent, +die niets anders voor u gedaan heeft dan u op straat te leggen, nu +verlaat gij hen, die goed voor u geweest zijn, terwille van anderen, +die u slechts kwaad berokkend hebben; ik vind dat dit niet billijk is. + +--Gij moet niet zeggen, dat zijn ouders Rémi verlaten hebben, viel +moeder Barberin hem in de rede; misschien hebben ze hun het kind +ontstolen en betreuren zij het verlies nog altijd en zoeken zij +hem voortdurend. + +--Ik weet het niet, maar wel weet ik, dat de tuinman Acquin Rémi +halfdood heeft opgenomen en hem als zijn eigen kind heeft verzorgd en +zijn kinderen als broers en zusters van hem hielden; en ik meen, dat +zij, die zich zoo jegens hem gedragen hebben, evenveel recht op zijn +vriendschap hebben, als zij, die willens of onwillens, hem aan zijn lot +hebben overgelaten. Bij vader Acquin hebben zij hem uit eigen beweging +zooveel vriendschap betoond; zij waren dit volstrekt niet verplicht. + +Mattia zeide dit op een toon, alsof hij boos op mij was, want hij +verwaardigde mij noch vrouw Barberin met een blik. Dit deed mij +leed, maar het pijnlijke van het verwijt belette niet, dat ik toch +de juistheid ervan geheel gevoelde. Bovendien verkeerde ik in dien +toestand, waarin besluitelooze menschen zich dikwijls aan de zijde +scharen van hen, die het laatst gesproken hebben. + +--Mattia heeft gelijk, hernam ik, en het heeft mij dan ook niet weinig +moeite gekost, om tot het besluit te komen, naar Parijs te gaan, +vóór dat ik Martha en Lize bezocht had. + +--Maar uw ouders! herhaalde moeder Barberin. + +Ik moest nu voor mijne meening uitkomen en tevens allen +tevredenstellen. + +--Wij zullen niet naar Martha gaan, zeide ik, omdat dit een te groote +omweg zijn zou; zij kan ook lezen en schrijven; wij kunnen haar dus +door een brief van alles op de hoogte stellen; maar vóór wij naar +Parijs gaan, kunnen wij ons naar Dreuze begeven, om Lize te bezoeken; +al kost dit wat meer tijd, dan maakt dat toch niet zoo'n groot verschil +uit, en Lize kan niet schrijven of lezen. Vooral ook om harentwille +besloot ik mijn reis op deze wijs te nemen; ik zal haar alles van +Alexis vertellen, en aan Martha wil ik verzoeken mij een brief te +schrijven, dien ik haar dan zal voorlezen. + +--Goed, antwoordde Mattia glimlachend. + +Wij kwamen daarop overeen, dat wij den anderen morgen vertrekken +zouden, en een gedeelte van den dag gebruikte ik om aan Martha te +schrijven en haar mede te deelen, waarom ik haar niet, zooals mijn +voornemen was, kwam bezoeken. + +En den anderen morgen moest ik andermaal al het smartelijke van een +afscheid ondervinden; maar nu tenminste verliet ik Chavanon niet +zooals den vorigen keer met Vitalis; ik mocht moeder Barberin thans +een afscheidskus geven, en haar beloven, dat ik zoo spoedig mogelijk +met mijn ouders bij haar zou terugkomen. Den avond vóór ons vertrek +spraken wij nog geruimen tijd over het geschenk dat ik haar geven zou: +niets zou te mooi en te goed voor haar zijn; ik zou immers rijk worden? + +--Niets heeft voor mij zooveel waarde als de koe, mijn beste Rémi, +zeide zij, en met al uw rijkdom kunt gij mij niet gelukkiger maken +dan gij gedaan hebt, toen gij arm waart. + +Wij moesten ook onze lieve kleine koe verlaten. Mattia drukte +herhaaldelijk een kus op haar snuit, dat zij zeer prettig scheen te +vinden, want bij elken kus stak zij haar tong uit. + +Wij bevonden ons thans weder op den grooten weg, met onzen ransel op +den rug en Capi naast ons. Wij liepen met haastigen tred, of liever, +van tijd tot tijd zonder te weten wat ik deed, zette ik het op een +drafje, zoo groot was mijn verlangen om Parijs te bereiken. + +Maar Mattia, die mij een korte poos bijgehouden had, waarschuwde mij, +dat, zoo ik op deze wijze bleef loopen, mijn krachten spoedig zouden +zijn uitgeput. Ik volgde zijn raad, om een oogenblik daarna weder +denzelfden tred te nemen. + +--Wat hebt gij een haast! zeide Mattia op verdrietigen toon. + +--Dat heb ik ook, en ik vind dat gij die ook wel mocht hebben, want +mijn familie zal ook uw familie zijn. + +Hij schudde het hoofd. + +Deze beweging, die ik reeds meer had opgemerkt als er van mijn familie +sprake was, ergerde mij en deed mij leed. + +--Wij zijn immers broeders? + +--O, dat zijn wij voor elkander, daar twijfel ik niet aan, ik ben +heden uw broeder en zal dat morgen ook zijn, dat geloof ik zeer goed, +dat voel ik zelfs. + +--Welnu dan? + +--Welnu? Meent gij dan dat ik een broeder zijn zou van uw broeders +en zusters, zoo gij die hebt, de zoon van uw vader en moeder? + +--Als wij naar Lucca zouden gegaan zijn, was ik dan niet de broeder +geworden van uw zuster Christina? + +--O ja, zeer zeker. + +--Waarom zoudt gij dan niet de broeder worden van mijn broeders en +zusters, zoo ik die heb? + +--Omdat dit niet hetzelfde is, volstrekt niet hetzelfde. + +--Waarom niet? + +--Ik ben niet in zulk fijn linnen gewikkeld geweest, antwoordde Mattia" + +--Wat doet er dat toe? + +--Dat doet er zeer veel toe; dat doet er alles toe; dat weet gij +evengoed als ik. Gij zoudt in Lucca gekomen zijn--en ik zie thans zeer +goed dat gij nooit daarheen zult gaan--en daar door arme menschen zijn +ontvangen, die mijn ouders waren en die u niets te verwijten hadden, +omdat zij veel armer zijn dan gij. Maar als het uitkomt, zooals +het fijne linnen voorspelt, zooals moeder Barberin denkt en zooals +werkelijk het geval zal zijn, dan zijn uw ouders rijk; misschien +behooren zij zelfs tot de aanzienlijkste menschen! Hoe zouden zij +dan zulk een kleinen armen knaap, als ik ben, kunnen ontvangen? + +--Ben ik dan zelf iets meer? + +--Op het oogenblik niet, maar morgen zijt gij hun zoon en ik zal +altijd dezelfde arme knaap blijven, die ik heden ben; men zal u +naar de akademie zenden; men zal u meesters geven, terwijl ik altijd +alleen in de wereld zal blijven en mijn eigen weg zal moeten vinden, +om dan aan u te denken, zooals ik hoop, dat gij ook aan mij zult doen. + +--O, mijn goede, beste Mattia! hoe kunt gij zoo spreken? + +--Ik spreek zooals ik denk, _o mio caro_, en daarom kan ik mij niet +in uw geluk verheugen; daarom, dáárom alleen ook, omdat wij van +elkander zullen moeten scheiden; en ik meende, ik verbeeldde mij, +dikwijls zelfs heb ik dat gedroomd, dat wij altijd bij elkander +zouden blijven, zooals thans. Maar niet geheel-en-al zooals nu, +niet als arme straatmuzikanten; wij zouden samen gewerkt hebben, wij +zouden groote artisten worden en voor een muzikaal publiek optreden, +en elkander nooit verlaten. + +--Maar dat zal allemaal gebeuren, mijn goede Mattia; als mijn ouders +rijk zijn, dan zullen zij dat evengoed voor u als voor mij zijn; als +ik naar de akademie ga, gaat gij met mij mede; wij zullen elkander +niet meer verlaten; wij zullen samen werken, samen opgroeien en leven, +zooals gij dat verlangt en zooals ik het ook wensch; dat verzeker ik u. + +--Ik weet wel, dat gij het wenscht, maar gij zult dan niet meer uw +eigen meester zijn, gelijk thans. + +--Luister eens: als mijn ouders mij zoeken, dan is dit een bewijs, +niet waar, dat zij belang in mij stellen, dat zij mij liefhebben of +mij zullen liefhebben. In dat geval zullen ze mij niets weigeren. En +ik verlang slechts, dat zij hen gelukkig maken, die goed voor mij +geweest zijn, die mij liefgehad hebben toen ik alleen op de wereld was, +zooals moeder Barberin, vader Acquin, dien zij zeker uit de gevangenis +zullen bevrijden, Mattia, Alexis, Benjamin, Lize en gij; Lize zullen +zij bij zich nemen, laten genezen en leeren, en u zullen zij met mij +naar de akademie zenden, zoo ik daarheen moet gaan. Geloof mij, zoo +zal de zaak zich toedragen, als mijn ouders rijk zijn en gij weet, +dat ik het heerlijk zou vinden, als zij het waren. + +--En ik zou het prettig vinden, als zij arm waren. + +--Hoe dom! + +--Misschien. + +En zonder meer te spreken, riep Mattia Capi; het was langzamerhand +tijd geworden om iets te eten; hij nam den hond in den arm en sprak +tegen hem alsof het een mensch was, die hem verstaan en begrijpen kon. + +--Niet waar, oude Capi, gij zoudt het ook prettiger vinden als de +ouders van Rémi arm waren? + +Toen Capi mijn naam hoorde, begon hij, zooals altijd, te blaffen en +hij legde den rechterpoot op zijn hart. + +--Als zijn ouders arm waren, dan behielden wij dit vrije leven, +dan konden wij gaan waarheen wij wilden, en wij behoefden slechts te +zorgen, dat het "geëerde gezelschap" tevreden over ons was. + +--Ouaf! Ouaf! + +--Nu zijn ouders rijk zijn, gebeurt juist het tegenovergestelde; +Capi krijgt een groot hok op een plein en wordt aan een blinkenden +ijzeren ketting gelegd, in elk geval aan een ketting, omdat de honden +niet in de huizen van rijke lui mogen komen. + +Eigenlijk was ik boos op Mattia, nu hij wenschte, dat ik arme ouders +zou hebben, inplaats van hetzelfde droombeeld als ik te koesteren; maar +aan den anderen kant was ik blijde, dat ik de oorzaak van zijn verdriet +kende--het sproot voort uit zijn vriendschap, uit zijne vrees van +mij gescheiden te worden; ik kon hem hiervan dus geen verwijt maken, +daar het een bewijs was van zijn genegenheid en gehechtheid. Hij had +mij lief, en daar hij slechts aan onze wederkeerige genegenheid dacht, +wilde hij niet, dat men ons van elkander scheidde. + +Zoo wij niet verplicht waren geweest te zamen ons dagelijksch brood te +verdienen, zou ik, ondanks Mattia, met dezelfde snelheid zijn blijven +voortloopen, maar wij moesten in de groote dorpen voorstellingen geven +en in afwachting, dat mijne rijke ouders hun rijkdom met ons zouden +deelen, moesten wij ons met de weinige stuivers vergenoegen, die wij +toevallig en met groote moeite hier en daar ophaalden. Wij waren dus +wel genoodzaakt langer onderweg te blijven dan oorspronkelijk ons +plan was geweest. + +Bovendien was er nog eene andere reden dan het verdienen van ons +dagelijksch brood, die ons besluiten deed om zooveel geld mogelijk met +onze voorstellingen op te halen. Ik was de woorden van vrouw Barberin +niet vergeten, toen zij mij verzekerde, dat met al mijn rijkdom ik +haar niet gelukkiger maken kon, dan ik gedaan had toen ik arm was, +en ik wilde dat mijn kleine Lize even gelukkig zijn zou als vrouw +Barberin. Lize zou natuurlijk mijn rijkdom deelen; dat leed geen +twijfel; maar vóórdat ik nog rijk was, wilde ik Lize een geschenk +geven, dat ik met eigen verdiend geld voor haar gekocht had--een +geschenk van mijn armoede. + +Wij kochten te Dreuze een pop voor haar, die gelukkig niet zoo +duur was als de koe, en van daar konden wij ons met de meeste haast +voortspoeden naar de plaats onzer bestemming; want de dorpen, die +wij moesten doortrekken, waren alle even arm en de bewoners zelven +konden nauwelijks hun eigen brood verdienen, dus veel minder waren +zij instaat mild jegens ons te zijn. + +Van Chatillon af volgden wij de oevers van het kanaal en de boschrijke +dreven, het zacht kabbelende water en de scheepjes, die langzaam door +de paarden werden voortgetrokken, brachten mij de gelukkige dagen weder +in herinnering, die ik op _De Zwaan_ met mevrouw Milligan en Arthur had +mogen doorbrengen, toen ook ik op het water dobberde. Waar bevond zich +thans _De Zwaan_? Hoe dikwijls had ik, als wij een rivier overstaken +of langs een kanaal liepen, mij zelf afgevraagd of men niet het een +of ander pleizierbootje had zien voorbijstoomen, dat, door zijn dek, +zijn smaakvolle versierselen met geen ander verward kon worden. Mevrouw +Milligan was ongetwijfeld weder naar Engeland teruggekeerd en Arthur +zou zeker genezen zijn. Dit was het meest waarschijnlijke en het +verstandigste om te gelooven en toch, meer dan eens, als wij langs +dat kanaal liepen, dacht ik bij mezelf, als ik in de verte een boot +zag naderen, of dat niet _De Zwaan_ was, die ons tegemoet stevende. + +Het was intusschen herfst geworden; de dagen waren minder lang dan +in den zomer en wij stelden alles in het werk om tegen den nacht een +schuur te bereiken, waar wij een onderkomen zouden kunnen vinden. + +Hoe wij onzen pas ook versneld hadden, was het toch reeds middenin +den nacht toen wij te Dreuze aankwamen. + +Om de woning van Lize's tante te bereiken, hadden wij slechts het +kanaal te volgen, daar de man van tante Katharina, die sluiswachter +was, in de onmiddellijke nabijheid van de sluis woonde. Dit bespaarde +ons veel tijd, en spoedig hadden wij de woning gevonden, die aan het +einde van het dorp was gelegen, omringd van hooge boomen, wier takken +in den nevel schenen te wiegelen. + +Mijn hart klopte onstuimig, toen wij dit huis naderden, waarvan +het venster verlicht werd door het schijnsel van een groot vuur, +dat onder den schoorsteen brandde en nu en dan een rood licht over +onzen weg wierp. + +Toen wij zeer dicht bij het huis waren gekomen, zag ik dat de deur en +het venster gesloten waren, maar door het venster, dat blinden noch +gordijnen had, zag ik Lize voor de tafel zitten, naast hare tante, +terwijl een man, ongetwijfeld haar man, naast haar zat, met den rug +naar haar toegekeerd. + +--Zij zijn aan het avondeten, merkte Mattia op; het is juist het +geschiktste oogenblik. + +Maar ik hield hem terug en wenkte Capi om stil achter ons te blijven. + +Daarop gespte ik de harp los en maakte mij gereed om erop te spelen. + +--O, ja, fluisterde Mattia, een serenade, dat is een goede inval. + +--Neen, gij niet, ik alleen. + +En ik begon de eerste noten te spelen van mijn napolitaansch lied, +maar zonder te zingen, zoodat mijn stem mij niet kon verraden. + +Terwijl ik speelde, hield ik mijn blik op Lize gericht; zij hief +plotseling het hoofd op en uit haar oogen straalde een flikkerend +licht. + +Ik begon te zingen. Zij sprong toen van haar stoel en snelde naar +de deur; ik had slechts den tijd om mijn harp aan Mattia te geven, +want Lize hing reeds aan mijn hals. + +Men liet ons binnen en toen tante Katherina mij goedendag gezegd had, +zette zij twee borden op tafel. + +Ik verzocht haar toen om er nog een derde naast te plaatsen. + +--Als gij het goedvindt, breng ik nog een derden makker mede. + +Ik haalde uit mijn reistasch de pop te voorschijn, die ik op een +stoel naast Lize zette. + +De blik, dien Lize mij toewierp, zal ik nooit vergeten en dikwijls +voel ik hem nog op mij gericht. + + + + +XXXII. + +BARBERIN. + + +Als ik niet zulk een haast gehad had om Parijs te bereiken, dan zou +ik ongetwijfeld nog zeer lang bij Lize gebleven zijn; wij hadden +elkander zooveel te vertellen, en wij konden elkaar, met de taal, +waartoe wij onze toevlucht moesten nemen, zoo weinig zeggen. + +Lize moest mij toch hare komst te Dreuze vertellen, hoe lief en +goed haar oom en tante voor haar waren, die van de vijf kinderen, +welke zij gehad hadden, geen een meer hadden overgehouden; een ramp +die vele gezinnen treft, daar de moeders haar eigen kinderen dikwijls +verlaten om als voedsters naar Parijs te gaan. Hoe zij haar behandelden +alsof zij hun eigen dochter was, wat zij in de huishouding verrichtte +en welke bezigheden en genoegens men haar gaf; met visschen, roeien +en wandelen bracht zij bijna al haar tijd door, daar zij niet naar +school kon gaan. + +En ik wilde, van mijn kant, haar ook alles vertellen, wat gebeurd was, +sedert wij elkander verlaten hadden en hoe ik bijna omgekomen was in +de mijn, waarin Alexis werkte en hoe ik, toen ik bij moeder Barberin +kwam, vernam dat mijn familie mij zocht, en daardoor verhinderd was +geworden om Martha te bezoeken. + +Natuurlijk speelde mijn familie een groote rol in mijn verhalen en +vooral mijn rijke familie. Ik herhaalde aan Lize wat ik Mattia reeds +gezegd had en sprak vooral over het vooruitzicht op een groot fortuin, +en als wij dat hadden, zouden wij allen gelukkig kunnen worden: +haar vader, hare zuster, hare broers en zij zelve, ja zij vooral. + +Lize, die niet zoo vroeg ontwikkeld was als Mattia en die, gelukkig +voor haar, niet de ondervinding had van de school der leerlingen +van Garofoli, was zeer geneigd te gelooven, dat zij die rijk waren +niet anders dan gelukkig op aarde konden zijn en dat de fortuin +een talisman was die, evenals in de sprookjes, onmiddellijk alles +verschafte wat men maar verlangen kon. Immers haar vader was alleen in +de gevangenis gezet omdat hij arm was en zijn armoede was de oorzaak, +dat zijn gezin wijd en zijd was verspreid. Of ik rijk was, of zij, +was volkomen hetzelfde; althans hetzelfde wat de gevolgen betrof; +wij zouden beiden gelukkig zijn en om het overige bekommerde zij zich +niet: wij zouden allen weder vereenigd worden en gelukkig leven. + +Wij brachten onzen tijd niet door met bij de sluis te staan praten +bij het ruischen van het water, dat door de deuren stroomde, +maar wij maakten ook met ons drieën, Lize, Mattia en ik, groote +wandelingen. Eigenlijk waren wij met ons vijven, want Capi was altijd +van het gezelschap, evenals de pop, die ik voor Lize had medegebracht. + +Mijne zwerftochten door Frankrijk met Vitalis gedurende eenige jaren +en met Mattia gedurende de laatste maanden hadden mij bekend gemaakt +met een groot deel van het land; maar ik had geen merkwaardiger oord +gezien dan dat, waarin ik mij thans bevond: onmetelijke bosschen, +schoone weilanden, rotsen, heuvels, spelonken, schuimende watervallen, +kalme vijvers, enge dalen met stille rotswanden langs den stroom, +die zich door de streek kronkelde. Het was prachtig in alle opzichten; +men hoorde slechts het ruischen van het water, het gezang der vogels, +of het suizen van den wind in de hooge boomen. Ik moet erkennen, +dat ik ook eenige jaren geleden de vallei van de Bièvre zeer schoon +had gevonden; men behoeft mij dus niet zoo onbepaald op mijn woord +te gelooven, maar dit kan ik verzekeren dat overal, waar ik met Lize +gewandeld heb en waar wij te zamen speelden, het land mij voorkwam +eene schoonheid en bekoorlijkheid te bezitten, die andere streken, +welke men beweert dat schooner zijn, in mijn oog niet bezaten: ik heb +dat land gezien met Lize en daaraan is mij eene herinnering gebleven, +die beschenen wordt door het geluk, dat ik toen genoot. + +Des avonds, als het niet te vochtig was, zetten wij ons voor de deur +der woning neder, of, was de nevel te zwaar, bij den haard, en ik +speelde voor Lize op de harp, waarvan zij zooveel hield. Ook Mattia +speelde op de viool of den wandhoren, maar Lize gaf de voorkeur aan +de harp, wat mijn eigenliefde niet weinig streelde. Als het oogenblik +gekomen was om ons ter rust te begeven, vroeg Lize mij altijd nog +eens het napolitaansche lied en dat zong ik dan voor haar. + +Maar eindelijk kwam de dag, waarop ik haar verlaten moest en weder +op weg moest gaan. + +Wat mij betreft, het heengaan viel mij zoo zwaar niet; ik had zoo +dikwijls gedacht aan den rijkdom, die mij wachtte, dat ik niet alleen +geloofde dat ik eenmaal rijk zou worden, maar dat ik al rijk was, en +dat alles wat ik wenschte binnen zeer korten tijd kon verwezenlijkt +worden, ja misschien wel dadelijk. + +Mijn laatste woord tot Lize, wat ik evenwel niet uitsprak, maar +duidelijk te kennen gaf, kan beter dan door uitvoerige bespiegelingen +doen begrijpen hoe vast mijne overtuiging was omtrent mijn toekomstigen +rijkdom: + +--Ik zal u komen afhalen met een rijtuig met vier paarden, zeide ik. + +En zij geloofde me en met hare hand wees zij hoe de zweep zou +klappen. Ook zij zag zeker het rijtuig met vier paarden, evengoed +als ik het zag. + +Vóór ik evenwel in een rijtuig met vier paarden den weg van Parijs naar +Dreuze aflegde, moest ik te voet van Dreuze naar Parijs. Ware Mattia +niet bij mij geweest, dan zou ik steeds zeer groote afstanden afgelegd +en mij bepaald hebben om slechts zooveel te verdienen, als wij voor +ons onderhoud volstrekt noodig hadden. Waarom zouden wij ons zooveel +moeite geven? Wij behoefden geen koe en geen pop meer te koopen; +als wij ons dagelijksch brood dus maar hadden, was het voldoende, +want aan mijne ouders behoefde ik waarlijk geen geld te brengen. + +Maar Mattia liet zich volstrekt niet overtuigen door de redenen, +die ik voor de verdediging van mijne meening aangaf. + +--Laten wij maar verdienen wat wij krijgen kunnen, zeide hij, terwijl +hij mij noodzaakte mijn harp te bespelen. Wie weet of wij Barberin +wel zoo spoedig zullen vinden. + +--Als wij hem om twaalf uren niet mochten vinden, zullen wij hem +zeker om twee uren ontmoeten: de rue Mouffetard is zoo groot niet. + +--En als hij nu eens niet in de rue Mouffetard woonde? + +--Dan zullen wij gaan daar, waar hij elders woont. + +--En als hij naar Chavanon is teruggekeerd, zullen wij hem moeten +schrijven en op zijn antwoord moeten wachten. Waar zullen wij in dien +tusschentijd van leven, als wij niets in onzen zak hebben? Men zou +wezenlijk zeggen, dat gij Parijs niet kent. Hebt gij dan de groeven +van Gentilly vergeten? + +--Neen. + +--Welnu, ik voor mij heb den muur van de kerk Saint-Médard ook niet +vergeten, waartegen ik leunde om niet te vallen, toen ik dacht van +honger om te komen. Ik wil geen honger meer lijden in Parijs. + +--Des te beter zullen wij eten, als we bij onze ouders aankomen. + +--Nu ik eet toch, al heb ik goed ontbeten, maar als ik niet ontbeten +en niet gegeten heb, dan ben ik volstrekt niet zooals ik wezen moet; +en dat bevalt mij volstrekt niet. Laten wij dus maar werken of wij +ook voor uwe ouders een koe moesten koopen. + +Dat was een zeer verstandige raad; ik moet evenwel bekennen, dat ik +niet meer zoo zong als toen wij stuiver voor stuiver moesten verdienen +om eene koe voor vrouw Barberin en een pop voor Lize te koopen. + +--Wat zult ge lui wezen, als ge rijk zijt, zeide Mattia. + +Van Corbeil af volgden wij den weg dien wij zes maanden geleden hadden +afgelegd, toen wij Parijs hadden verlaten om naar Chavanon te gaan, en +vóór wij te Villejuif kwamen, traden wij dezelfde hoeve binnen, waar +wij ons eerste concert hadden gegeven, toen wij voor de eerste maal +samen speelden en de bruiloftsgasten lieten dansen. Het jonge echtpaar +herkende ons en wij verzochten, dat wij hen nogmaals zouden laten +dansen. Men gaf ons een goed avondmaal en liet ons in de schuur slapen. + +Van daar vertrokken wij den anderen morgen om onzen intocht in Parijs +te houden. Er waren juist zes maanden en veertien dagen verloopen, +sinds wij Parijs verlaten hadden. + +Maar de dag, waarop wij terugkwamen, verschilde geheel met dien, waarop +wij de stad verlieten; het was nevelachtig en koud; de zon scheen niet; +bloemen waren er niet meer en ook geen gras langs den weg; de zomerzon +had hare taak volbracht; toen was de eerste herfstnevel gekomen: +thans vielen geene seringen meer op ons neder van de muren, maar +verdorde bladeren, die langzaam zich losmaakten van de droge takken. + +Maar wat deerde ons dat treurige weder! ons hart klopte van vreugde +en wij behoefden niet meer door onze omgeving tot vroolijkheid te +worden gestemd. + +Als ik zeg wij, dan druk ik mij niet heel juist uit: eigenlijk was +ik het slechts, die zich zoo opgeruimd voelde. + +Wat Mattia betrof, naarmate wij Parijs meer naderden, werd hij +treuriger gestemd en soms liep hij uren lang zonder een woord te +spreken. + +Nooit had hij mij de oorzaak van die treurigheid verteld en ik voor +mij schreef ze slechts toe aan zijne vrees, dat wij zouden scheiden, +en daarom wilde ik niet herhalen, wat ik hem reeds zoo dikwijls had +gezegd, dat mijne ouders er volstrekt niet aan zouden denken om ons +van elkander te doen gaan. + +Eerst toen wij halt hielden om te ontbijten, vóór wij aan de +buitenwerken kwamen, vertelde hij mij, terwijl hij op een steen zat, +wat hem bezighield. + +--Weet ge aan wien ik denk, nu ik weder te Parijs kom? + +--Aan wien dan? + +--Aan wien? wel, aan Garofoli. Als hij weer eens uit de gevangenis +was? Toen men mij vertelde, dat hij in de gevangenis zat, heb ik niet +gevraagd voor hoelang? misschien is hij dus weer op vrije voeten +en zit hij weder in de rue Lourcine. In de rue Mouffetard moeten +wij Barberin zoeken, dus in dezelfde wijk waarin Garofoli woont, +in de onmiddellijke nabijheid van zijne woning. Wat zal er gebeuren +als hij ons eens toevallig tegenkwam? Hij is mijn meester; hij is +mijn oom. Hij kan mij dus weder bij zich nemen en onmogelijk zou +ik hem weer kunnen ontsnappen. Gij waart bang nogmaals in de handen +te vallen van Barberin; ge begrijpt dus hoe ik te moede ben bij het +vooruitzicht, dat ik misschien weer in de handen van Garofoli vallen +zal. O! mijn arm hoofd! En och, die klappen beteekenen nog niets, als +ik denk aan eene scheiding. Wij zullen niet meer bij elkander zijn +en die scheiding, door mijne familie teweeggebracht, zou nog erger +zijn dan die, welke uwe familie vorderde. Zeker zou Garofoli ook u +wel bij zich willen nemen en u dezelfde opvoeding willen geven als +aan zijn andere jongens: de opleiding met de zweep; maar gij zoudt +niet bij hem willen zijn en ik zou het ook niet wenschen, dat ge dan +bij me bleeft. Gij hebt nooit zooveel slaag gehad. + +Ik was zoo geheel met mijn eigen vooruitzichten vervuld, dat ik +niet aan Garofoli had gedacht; maar al wat Mattia mij vertelde, was +mogelijk en ik had geen nadere toelichting meer noodig om te begrijpen, +aan welke gevaren wij waren blootgesteld. + +--Wat wilt ge dan? vroeg ik. Willen wij dan maar niet naar Parijs gaan? + +--Als ik maar niet naar de rue Mouffetard ga, zou ik de kans niet +loopen Garofoli te ontmoeten. + +--Welnu, ga dan niet naar de rue Mouffetard; ik zal er alleen heengaan +en wij zullen van avond te zeven uren hier of daar elkander vinden. + +Mattia en ik spraken toen af, dat wij elkaar aan het einde van de +brug de l'Archevêché zouden wachten aan den kant der Notre-Dame, +en toen dit bepaald was, ging ik alleen Parijs binnen. + +Toen wij op de Place d'Italie kwamen, namen wij van elkander +afscheid. Wij waren beiden zoo aangedaan, of wij elkaar nooit meer +zouden terugzien en terwijl Mattia en Capi den kant gingen van den +Plantentuin, sloeg ik de richting in van de rue Mouffetard, die niet +ver verwijderd was. + +Dit was voor de eerste maal in de laatste zes maanden, dat ik nu +alleen kwam zonder Mattia en Capi bij mij, en nog wel in dat groote +Parijs. Dit greep mij nog sterker aan. + +Maar ik mocht mij niet aan mijne gewaarwordingen overgeven. Ik zou +immers Barberin ontmoeten en door hem mijne familie. + +Op een stuk papier had ik namen en woonplaatsen geschreven van de +menschen, bij wie ik Barberin zou kunnen vinden; maar dit was een +noodelooze voorzorg, want ik had noch de namen noch de adressen +vergeten en ik behoefde mijn papier niet in te zien om te weten, +dat ik bij Pajot, Barrabaud of Chapinet moest wezen. + +Het eerst kwam ik aan het huis van Pajot, toen ik de rue Mouffetard +insloeg. Moedig stapte ik dat huis binnen, waarvan Pajot het +ondergedeelte bewoonde; toch beefde mijne stem een weinig toen ik +naar Barberin vroeg. + +--Wat voor een Barberin bedoelt ge? + +--Barberin uit Chavanon. + +En ik beschreef het voorkomen van Barberin, tenminste zooals ik +hem gezien had op dien avond, dat hij uit Parijs kwam: stug gelaat, +norsche uitdrukking, met het hoofd eenigszins naar den rechterschouder +overhellend. + +--Die is hier niet, dien kennen wij niet. + +Ik bedankte en ging verder naar Barrabaud. Deze verhuurde gemeubelde +kamers en hield een fruitwinkel. + +Opnieuw vroeg ik naar Barberin. + +Eerst kostte het me moeite om mijn vraag aan den man te brengen, want +Barrabaud en zijne vrouw waren samen bezig: de een om een groene klomp +door te hakken met eene soort van troffel; het was spinazie zeide hij; +de andere was aan 't kijven met een klant over een stuiver, dien deze +beweerde dat hij te weinig terugontvangen had. Toen ik tot driemaal +toe mijne vraag herhaald had, kreeg ik eindelijk antwoord. + +--O, ja Barberin; die woonde indertijd hier, zoowat vier jaar geleden. + +--Vijf, zeide de vrouw, en hij is ons nog een week schuldig. Waar +zit die kerel nu? + +Dat was het juist wat ik wilde weten. + +Teleurgesteld en min of meer ongerust ging ik verder. Chapinet alleen +bleef mij nog over. Tot wien zou ik mij wenden, als die ook niet wist +waar Barberin was? Waar hem dan te zoeken? + +Evenals Pajot had ook Chapinet een eethuis, en toen ik het vertrek +binnentrad waar hij kookte en tevens zijn bezoekers bediende, zag ik +aan de tafeltjes verscheidene menschen. + +--Barberin is niet meer hier, antwoordde hij. + +--Waar is hij dan? vroeg ik bevend. + +--Dat weet ik niet. + +Het was of ik eene duizeling kreeg; de potten en pannen dansten mij +voor de oogen. + +--Waar kan ik hem zoeken? + +--Hij heeft zijn adres niet achtergelaten. + +Zeker drukte mijn gelaat op welsprekende en treffende wijze mijne +teleurstelling uit, want een der mannen, die aan een tafeltje bij +het fornuis zat te eten, richtte het woord tot mij. + +--Wat wilt ge van Barberin? vroeg hij. + +Het viel mij onmogelijk hem openhartig te antwoorden en mijne +geschiedenis hem te vertellen. + +--Ik kom uit zijn land, uit Chavanon, en ik kom hem tijding brengen +van zijne vrouw. Zij had me gezegd, dat ik hem hier zou vinden. + +--Als ge weet waar Barberin is, sprak Chapinet, zich tot den man +wendende, die tot me gesproken had, kunt gij het wel aan dien jongen +vertellen; die wil hem geen kwaad; is 't wel, vriendje? + +--O neen, mijnheer. + +Ik kreeg weder hoop. + +--Barberin moet thans in het logement van Cantal wonen, in de passage +d'Austerlitz, daar was hij tenminste drie weken geleden. + +Ik betuigde mijn dank, maar vóór ik naar de passage d'Austerlitz ging, +die, meende ik, aan het andere einde van de brug van Austerlitz lag, +wilde ik iets omtrent Garofoli vernemen, om Mattia op de hoogte te +brengen van diens toestand. + +Ik was vlak bij de rue de Lourcine en ik had maar weinige schreden +te doen om het huis te vinden, waar ik eens met Vitalis geweest +was. Evenals de eerste maal toen ik die woning binnentrad, was een +oud mannetje, hetzelfde als toen, bezig met behulp van een stok met +een haak oude lorren tegen een groenachtigen muur te hangen. Men zou +gezegd hebben, dat hij in al dien tijd niets anders had gedaan. + +--Is baas Garofoli al terug? vroeg ik. + +Het oude mannetje zag mij eens aan en begon te hoesten. Het scheen +mij toe, dat ik hem moest doen begrijpen, dat ik wist waar Garofoli +was en zonder dit van den voddenraper niets te weten zou komen. + +--Zit hij nog altijd? vroeg ik met een blik van verstandhouding. Dan +zal hij zich wel vervelen. + +--Misschien; maar de tijd gaat toch om. + +--Toch niet zoo gauw voor hem als voor u. + +Het mannetje lachte om die aardigheid, en begon toen geweldig te +hoesten. + +--Weet ge ook wanneer hij terug moet komen? vroeg ik, toen zijn hoest +wat bedaard was. + +--Over drie maanden. + +Garofoli moest dus nog drie maanden zitten. Mattia kon alzoo veilig +ademhalen; binnen drie maanden zouden mijne ouders wel het middel +gevonden hebben, om dien vreeselijken _padrone_ in de onmogelijkheid +te stellen iets tegen zijn neef te ondernemen. + +Had ik bij Chapinet mij een oogenblik diep ongelukkig gevoeld, thans +was ik weder vol hoop en ik ging Barberin zoeken in het logement +van Cantal. + +Zonder dralen begaf ik mij naar de passage d'Austerlitz, vol hoop en +vreugd, en, bezield met die gewaarwordingen, was ik zeer welwillend +jegens Barberin gestemd. + +Wel beschouwd, was hij dan ook zoo kwaad niet als hij er uitzag. Zonder +hem zou ik hoogstwaarschijnlijk van honger en koude zijn omgekomen in +de avenue de Breteuil. Wel had hij mij van vrouw Barberin afgenomen, +om mij aan Vitalis te verkoopen, maar hij kende mij niet en hij +kon dus geen liefde koesteren voor een kind, dat hij nooit gezien +had. Bovendien leed hij armoede en uit armoede doet men zooveel, dat +verkeerd is. Thans zocht hij mij en hij was voor mij werkzaam, en als +ik mijne ouders terugvond, zou ik dit aan hem te danken hebben. Die +gedachten spraken luider in mij dan het gevoel van afkeer, dat ik +jegens hem koesterde van het oogenblik af, dat ik Chavanon verlaten had +en Vitalis mijn pols in zijn hand omklemde. Ook tegenover hem zou ik +mijne dankbaarheid toonen: al was dit niet uit genegenheid en liefde, +zooals voor vrouw Barberin, dan was het toch uit plichtbesef. + +Als men den Plantentuin doorgaat, is de afstand van de rue de Lourcine +tot de passage d'Austerlitz zoo groot niet en weldra was ik dan ook +aan het logement van Cantal, dat van een logement niets anders had +dan den naam, want in werkelijkheid was het een ellendig huis met +gemeubelde kamers. De eigenares was eene oude vrouw, wier hoofd +onophoudelijk trilde en die erg hardhoorend was. + +Toen ik ook haar dezelfde vraag had gedaan als aan de anderen, bracht +zij haar hand achter hare muts aan 't oor en verzocht mij nog eens +mijn vraag te herhalen. + +--Ik ben een beetje doof, zeide zij. + +--Ik wenschte Barberin te spreken, Barberin uit Chavanon. Die woont +bij u, niet waar? + +Zij gaf geen antwoord, maar hief hare handen omhoog, met zulk eene +plotselinge beweging, dat de kat, die op haar schoot lag te slapen, +plotseling verschrikt op den grond sprong. + +--Och hemel! Och hemel! riep zij. + +Toen keek ze mij aan, terwijl haar hoofd nog erger begon te trillen +en vroeg: + +--Zijt gij dan dat jongetje? + +--Welk jongetje? + +--Dat hij zocht. + +Dat hij zocht! Toen ik dat hoorde, begon mijn hart hevig te bonzen. + +--Barberin! riep ik uit. + +--Wijlen Barberin, moet ge zeggen. Wijlen Barberin. + +Ik hield mij aan mijn harp vast. + +--Is hij dan dood? riep ik, hard genoeg om verstaan te worden, en +met een stem, heesch van aandoening. + +--Acht dagen geleden gestorven in het gasthuis van Saint-Antoine. + +Ik stond verplet. Barberin dood! I Hoe zou ik thans mijn familie zoeken +en vinden? + +--Dus zijt gij het jongske, ging de oude vrouw voort, dat hij zocht +om aan zijn rijke familie terug te geven. + +Ik kreeg weder hoop en klampte mij aan die woorden vast. + +--Wist gij dan....? begon ik. + +--Ik wist wat hij vertelde, die arme man: hij had een kind gevonden +en grootgebracht, dat nu de familie wilde terughebben en dat hij te +Parijs zocht. + +--Maar de familie? vroeg ik met hijgende stem, mijn familie? + +--Dus zijt gij het jongske? Gij, gij! Zijt gij 't wezenlijk? En met +haar trillend hoofd zag zij mij strak aan. + +Maar ik maakte spoedig een einde aan haar onderzoek. + +--Vertel mij toch spoedig wat gij weet. + +--Maar ik weet niets meer dan ik u nu verteld heb, beste jongen.... ik +wil zeggen, jongenheer. + +--Wat heeft Barberin u omtrent mijn familie verteld? O! zie dan toch +hoe ontroerd ik ben; ik sterf van verlangen iets te weten. + +Zonder mij te antwoorden hief zij weder de handen in de hoogte +en zeide: + +--Dat is me een geschiedenis! + +Op dat oogenblik kwam eene vrouw binnen, die al het voorkomen had van +eene dienstbode. De eigenares van het logement van Cantal wendde zich +tot deze: + +--Dat is me een geschiedenis! Dat jongetje, die jongenheer, dien je +daar ziet, is de knaap van wien Barberin altijd sprak; en nu komt +hij en Barberin is er niet meer! Dat is me een geschiedenis! + +--Heeft Barberin u dan nooit over mijn familie gesproken? + +--Wel twintig keer! wel honderd keer! 't Is een rijke familie. + +--En waar woont ze? Hoe heet ze? + +--Ja, zie je, dat heeft Barberin mij nooit verteld. Ge begrijpt, +dat hij dit vóór zich hield. Hij wilde de belooning alleen hebben; +en dat is billijk ook. Hij was slim genoeg om die niet te verspelen. + +Ik begreep het en ik begreep maar al te goed de beteekenis van 'tgeen +die vrouw mij vertelde: Barberin had zijn geheim, het geheim mijner +geboorte, met zich in 't graf genomen. + +Ik was dus slechts zóó ver mijn doel genaderd om voor altijd de kans te +verliezen, om het te bereiken. Verijdeld waren mijne schoone droomen +en mijne wenschen. + +--En kent gij niemand, aan wien Barberin misschien iets meer kan +hebben verteld dan aan u? + +--Zoo dom was Barberin niet, dat hij aan iemand zijn vertrouwen +schonk. Hij wantrouwde iedereen. + +--En hebt gij nooit iemand van mijn familie gezien, die mij zocht? + +--Nooit. + +--Had hij misschien vrienden, met wie hij over mijn familie kan +hebben gesproken. + +--Hij had geen vrienden. + +Ik drukte beide handen tegen het hoofd; maar of ik al dacht en nog +eens dacht, niets was er, dat mij den weg kon wijzen. Bovendien was +ik zoo ontroerd, zoo onthutst, dat ik onmogelijk mijne gedachten +kon verzamelen. + +--Eens heeft hij een brief gekregen, zeide de oude vrouw, na lang te +hebben nagedacht; een aangeteekenden brief. + +--Waar kwam die vandaan? + +--Dat weet ik niet; de brievenbesteller gaf den brief aan hem zelf +en ik heb het poststempel niet gezien. + +--Dien brief kan men toch wel terugvinden? + +--Toen hij gestorven was, hebben wij alles doorzocht wat hij had +nagelaten. Niet uit nieuwsgierigheid, dat verzeker ik u, maar om +zijn vrouw bericht te zenden. Maar wij hebben niets gevonden. En in +'t hospitaal evenmin. In geen van zijn kleeren vond men een letter +schrift, en als hij niet gezegd had, dat hij uit Chavanon was, zou +men nooit zijn vrouw de tijding van zijn dood hebben kunnen zenden. + +--Dus weet vrouw Barberin, dat hij dood is? + +--Wis en zeker. + +Geruimen tijd bleef ik sprakeloos tegenover de vrouw staan. Wat zou +ik zeggen? Wat zou ik vragen? De menschen hadden mij alles verteld +wat zij wisten; en zij wisten niets. En zeer zeker hadden zij alles +beproefd om van Barberin te weten te komen, wat hij voor hen verborgen +wilde houden. + +Ik bedankte dus voor hetgeen zij gezegd hadden en ging naar de deur. + +--Waar ga je nu naartoe? vroeg de oude vrouw. + +--Ik ga mijn kameraad opzoeken. + +--Zoo; hebt ge een kameraad? + +--Ja zeker. + +--Woont die te Parijs? + +--Wij zijn van morgen eerst samen te Parijs gekomen. + +--Welnu, hoor eens, als je geen onderkomen hebt, kunt ge hier uw +intrek nemen. Ge zult hier goed zijn, dat durf ik gerust zeggen en in +een fatsoenlijk huis. Vergeet ook niet, dat als je familie je zoekt, +wanneer zij niets meer van Barberin hoort, zij het eerst hier zal komen +en niet ergens anders. Dan zijt ge er zelf om haar te helpen. Dat is +al één voordeel. Waar zouden ze je vinden, als je niet hier waart? Ik +zeg het alleen maar in je eigen belang. Hoe oud is je kameraad? + +--Hij is iets jonger dan ik. + +--Denk eens aan! Zoo'n paar kleine jongens in dat groote Parijs! Je +zoudt slechte kennissen kunnen treffen; er zijn huizen, waar kwaad +volk komt. 't Is niet zooals hier, waar men rustig en kalm leeft. Maar +dat brengt deze wijk ook mede. + +Ik was niet zoo bepaald overtuigd dat deze wijk zoo rustig en kalm was, +en bovendien was dit logement Cantal een van de vuilste en ellendigste +huizen, dat men zich denken kon en op al mijne omzwervingen had ik +nooit zoo'n jammerlijk logement ontmoet. Maar wat die vrouw zeide, +verdiende toch wel overweging. In elk geval was het nu geen zaak om +al te kieskeurig te zijn, en ik had mijn familie niet, mijne rijke +familie, om met deze een van die mooie hotels aan de boulevards te +betrekken, of in haar eigen huis, als zij te Parijs woonde. In het +logement Cantal zouden wij niet duur zijn, en thans kwam het erop +aan om zoo zuinig mogelijk te leven. Mattia had wel gelijk gehad toen +hij erop aandrong, dat wij op onzen tocht van Dreuze naar Parijs geld +zouden verdienen. Wat zouden wij beginnen, als wij nu geen acht gulden +op zak hadden! + +--Voor hoeveel verhuurt ge aan mij en mijn vriend een kamertje? vroeg +ik. + +--Een halven franc daags. Is dat te duur? + +--Dan kom ik van avond met mijn kameraad hier. + +--Kom niet te laat; in Parijs is het 's avonds niet veilig. + +Vóór ik hier mijn intrek nam, moest ik Mattia gaan opzoeken en er +moesten nog vele uren voorbijgaan eer de tijd daar was, waarop wij +elkander zouden vinden. Daar ik niet wist wat ik in dien tijd moest +doen, ging ik in treurige stemming naar den Plantentuin en zette mij +daar op een eenzame plek op een bank. Mijne beenen konden niet meer +voort en mijn hart was gebroken. + +De slag was zoo fel, zoo onverwacht, zoo verpletterend. Moest ik dan +alle ongelukken ondervinden, het een na het ander? Zoo dikwijls ik +de hand uitstak om vast te grijpen, brak de tak dien ik vatte in mijn +handen en viel ik weer neder! Zoo ging het altijd. + +Was het niet het noodlot zelf, dat Barberin juist moest sterven op +het oogenblik, dat ik behoefte aan hem had, en dat hij uit winzucht +den naam en de woonplaats had verborgen van den persoon--zeker mijn +vader--die hem opgedragen had om mij op te sporen? + +Terwijl ik in zwaarmoedig gepeins verzonken zat en de tranen mij +over de wangen biggelden, kwamen een heer en dame, door een kind +gevolgd, den lommerrijken boom voorbij, in wiens schaduw ik mij had +neergezet. Het kind trok een wagentje achter zich voort en bleef bij +mij stilstaan. De heer en dame zetten zich op een bank en riepen den +kleine bij zich, die toen zijn wagentje liet staan en met open armen +naar hen toeliep. Zijn vader nam hem op, kuste zijn blonden krullebol +en gaf hem toen aan zijne moeder, die hem ook met kussen overdekte +op dezelfde plaats en op dezelfde wijze, terwijl de knaap schaterde +van 't lachen en de wangen van zijne ouders met zijne kleine, dikke, +mollige handjes bedekte. + +Toen ik dit zag, dat geluk en die vroolijkheid van het kind, begon +ik, ondanks mij zelven, bitter te weenen. Zóó was ik nog nooit +geliefkoosd. Mocht ik thans nog hopen, dat dit geluk ook eenmaal mijn +deel zou zijn? + +Daar kwam ik op de gedachte, om voor het kind wat te spelen. Ik nam +mijn harp en tokkelde langzaam een wals, terwijl de knaap de maat +trappelde met zijn voetjes. De heer kwam naar mij toe en gaf mij een +stuk zilvergeld, maar ik weigerde beleefd. + +--Och neen, mijnheer, zei ik, gun mij het genoegen, dat ik voor uw +kind speel. 't Is zoo'n lief kind! + +Hij zag mij aandachtig aan, maar op dat oogenblik verscheen er een +agent van politie, die, ondanks de tegenkanting van den heer, mij +gelastte me zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken, als ik niet +opgepakt wilde worden, omdat ik in den tuin muziek had gemaakt. + +Ik sloeg den band van mijn harp weder over den schouder en ging heen, +maar nog dikwijls zag ik om naar den heer en dame, die mij met een +weemoedigen blik nastaarden. + +Daar het nog geen tijd was om naar de brug de l'Archevêché te gaan +en Mattia op te zoeken, doolde ik langs de kade en zag naar de +stroomende rivier. + +De avond begon te vallen; men stak de gaslichten aan. Toen richtte +ik mij naar de kerk Nôtre-Dame, waarvan de twee torens als donkere +massa's afstaken tegen den purperen hemel. Niet ver van de kerk vond +ik eene bank, waarop ik mij kon neerzetten en dat deed mij goed, want +mijne beenen waren als lood, alsof ik uren lang geloopen had, en daar +gaf ik mij weder aan mijne treurige overpeinzingen over. Nooit had +ik mij zoo afgemat en moe gevoeld. In mij en om mij was alles even +somber; in dat groote Parijs, zoo vol licht en leven en beweging, +voelde ik mij eenzamer dan temidden van de velden en bosschen. + +De menschen, die voorbijgingen, keerden zich somtijds om en zagen mij +aan; maar wat raakte mij hunne nieuwsgierigheid of hun medelijden; +op de belangstelling van vreemde menschen was mijne hoop niet gebouwd. + +De eenige afleiding die ik had, was de uren te tellen, die de torenklok +aangaf. Ik berekende dan hoeveel tijd ik nog wachten moest, om weder +kracht en moed te putten uit de vriendschap van Mattia. Welk een +troost gaf mij dat vooruitzicht, weder die trouwhartige, vroolijke +oogen te zien! + +Kort vóór zeven uren hoorde ik een luidruchtig geblaf, en bijna +terstond daarop zag ik in de duisternis eene witte gedaante mij +naderen. Vóór ik het zelf wist, was Capi op mijn knieën gesprongen +en likte mijne handen; ik drukte hem in de armen en kuste hem op +zijn snuit. + +Mattia was ook weldra bij me. + +--Hoe is het? riep hij mij reeds van verre toe. + +--Barberin is dood. + +Hij liep nog harder, om spoedig bij mij te zijn. In weinige woorden +had ik hem in hoofdzaak mijn wedervaren verteld en wat ik vernomen had. + +Ook hij was bedroefd over mijne teleurstelling en dat deed mij goed. Ik +voelde, dat, zoo hij voor zichzelven alles van mijne familie vreesde, +hij niettemin, om mijnentwil, oprecht verlangde, dat ik ze terug +mocht vinden. + +Door zijne goede, hartelijke woorden trachtte hij mij te troosten en +vooral de hoop in mij op te wekken, dat niet alles verloren was. + +--Uw ouders, zeide hij, hebben Barberin wel weten te vinden, en wanneer +zij niets meer van hem hooren, zullen zij zeker onderzoeken wat er +van hem geworden is. Natuurlijk zullen zij dan in het logement van +Cantal komen. Laten we dus naar dat logement gaan; het is maar een +uitstel van een paar dagen; meer niet. + +Dat had die oude vrouw met haar schuddend hoofd mij ook gezegd, +maar in den mond van Mattia kregen die woorden voor mij eene geheel +andere beteekenis; ontegenzeggelijk was het maar een uitstel van een +paar dagen. Hoe dom en onnoozel van mij, dadelijk alle hoop en moed +op te geven. + +Toen ik weer wat kalmer was geworden, vertelde ik aan Mattia wat ik +omtrent Garofoli had vernomen. + +--Dus nog drie maanden! riep hij uit. + +En hij begon middenop straat te dansen en te zingen. + +Plotseling stond hij stil en kwam naar mij toe. + +--De familie van den een is toch heel anders dan de familie van den +ander, zeide hij. Gij waart wanhopend omdat ge uw familie niet hadt +gevonden, en ik ben dol blij dat ik de mijne verloren heb. + +--Een oom, dat is geen familie; tenminste een oom als Garofoli: +als je je zuster Christina verloren hadt, zou-je dan ook dansen? + +--O, zeg dat niet! + +--Zie-je-wel! + +Wij volgden de kade en kwamen zoo aan de passage d'Austerlitz, en +daar mijn oogen nu niet met tranen waren gevuld, kon ik zien hoe +prachtig de Seine des avonds was, wanneer zij verlicht wordt door de +vollemaan, die hier en daar een zilveren gloed werpt op de golven, +welke een onmetelijken golvenden spiegel vormen. + +Het logement van Cantal mocht een fatsoenlijk huis zijn, mooi was het +volstrekt niet, en toen wij eene kleine berookte kamer hadden betrokken +onder de dakpannen, en zoo eng, dat de een op het bed moest gaan zitten +als de ander overeind wilde staan, kon ik niet nalaten bij mij zelven +te denken, dat het een geheel andere kamer was, waarin ik gehoopt had +te slapen. En de lakens van ongebleekt katoen geleken in het geheel +niet op het prachtige lijnwaad, waarvan vrouw Barberin mij had verteld. + +Het stuk brood met schapekaas besmeerd, dat wij voor ons avondeten +kregen, had ook niets van het feestmaal, dat ik mij voorgesteld had +aan Mattia te kunnen aanbieden. + +Maar alles was toch nog niet verloren; het was maar een uitstel. + +Met die gedachte viel ik in slaap. + + + + +XXXIII. + +NASPORINGEN. + + +Den anderen morgen was mijn eerste werk, aan vrouw Barberin te +schrijven om haar mede te deelen wat ik had vernomen, en dat was een +heel werk voor me. + +Hoe kon ik haar zoo maar botweg vertellen, dat haar man dood was? Zij +hield van haar Jérôme; zij hadden jarenlang samen geleefd, en het +zou haar leed doen als ik niet in hare droefheid deelde. + +Zoo goed als het ging en met herhaalde betuigingen van genegenheid, +was ik ten slotte aan het einde van mijn papier. Natuurlijk sprak +ik haar over mijne teleurstelling en de verijdeling van mijne +vurigste hoop. Eigenlijk was dit wel het voornaamste waarover ik +schreef. Ingeval mijne familie zich tot haar wendde, teneinde iets +omtrent Barberin te vernemen, verzocht ik haar mij onmiddellijk te +waarschuwen en vooral om mij het adres te zenden, dat men haar mocht +aangeven; mij kon men altijd in het logement van Cantal vinden. + +Toen ik die taak had volbracht, rustte er nog eene andere op me +tegenover den vader van Lize, en ook die taak was zwaar, althans +tot op zekere hoogte. Toen ik aan Lize te Dreuze beloofd had, om de +eerste maal, dat ik in Parijs zou uitgaan, aan haar vader een bezoek te +brengen, had ik haar gezegd, dat, als mijne ouders rijk waren, gelijk +ik hoopte, ik van hen de som zou vragen, die haar vader schuldig was, +zoodat ik slechts naar de gevangenis zou gaan om hem in vrijheid te +doen stellen. Dat was een van de nommers van mijn programma van de +goede dingen, die ik genieten zou. Eerst vader Acquin, dan moeder +Barberin, vervolgens Lize, na haar Martha en Alexis en eindelijk +Benjamin. Wat Mattia betreft, men zou voor hem hetzelfde doen als +voor mij en hij was gelukkig, als ik gelukkig was. + +Welk eene teleurstelling dus voor me, om met leege handen naar de +gevangenis te gaan en vader Acquin te bezoeken, voor wien ik thans +even weinig doen kon als bij mijn vertrek, om hem de schuld mijner +dankbaarheid te betalen. + +Gelukkig kon ik hem goede tijding brengen en de groeten van Lize en +Alexis, en zijn blijdschap over hetgeen hij omtrent zijne kinderen +vernam, zou tenminste eenigermate vergoeden, dat ik zijne vrijheid +niet medebracht. Ik had dus altijd het bewustzijn, iets goeds voor +hem te kunnen doen, al was dit dan ook nog het voornaamste niet. + +Mattia, die erg verlangde om eens eene gevangenis te zien, ging met +mij mede; bovendien stelde ik er prijs op, dat hij den man zou leeren +kennen, die twee jaar lang zulk een goed vader voor mij geweest was. + +Ik kende thans het middel om in de gevangenis van Clichy te worden +toegelaten en wij bleven nu niet zoolang voor de groote poort wachten, +als toen ik de eerste maal Acquin wilde bezoeken. + +Men liet ons in een spreekvertrek en weldra verscheen vader +Acquin. Reeds op den drempel opende hij zijn armen voor me. + +--O, wat een goede jongen ben je toch, Rémi, je bent een beste +jongen! riep hij uit. + +Ik vertelde hem dadelijk alles wat ik wist van Lize en Alexis en +toen ik hem wilde uitleggen, waarom ik niet bij Martha was geweest, +viel hij mij in de rede met de vraag: + +--En je ouders? + +--Weet ge dan, dat die mij zoeken? + +Toen deelde hij mij mede, dat veertien dagen geleden Barberin bij +hem was geweest. + +--Die is dood, zeide ik. + +--Dat is eerst een ongeluk! + +Toen verhaalde hij mij hoe Barberin bij hem geweest was om te vernemen +wat er van mij was geworden. Toen hij te Parijs was geweest, had +Barberin zich naar Garofoli begeven, maar dien had hij natuurlijk +niet gevonden; toen was hij hem gaan opzoeken in de provincie, heel +ver van Parijs, waar Garofoli zijn straftijd doorbracht, en deze +had hem verteld, dat ik na den dood van Vitalis opgenomen was bij +zekeren tuinman Acquin. Barberin was toen teruggekeerd en had zich +aan de Glacière vervoegd en daar vernomen, dat die tuinman in Clichy +gevangen zat. Hij was daarop naar de gevangenis gegaan en Acquin had +hem meegedeeld, dat ik rondzwierf in Frankrijk, zoodat het met geene +mogelijkheid was te zeggen, waar ik mij op dit oogenblik bevond; +maar hij was zeker, dat ik den een of anderen dag bij een van zijne +kinderen zou komen. Toen had hij zelf naar Dreuze, naar Vares, Esnandes +en Saint-Quentin geschreven. Zoo ik den brief niet te Dreuze gevonden +had, was het, omdat ik al vertrokken was vóór die daar was aangekomen. + +--En wat heeft Barberin u van mijne familie verteld? vroeg ik. + +--Niets, of althans heel weinig. Uwe ouders hadden bij den commissaris +van politie in de wijk des Invalides vernomen, dat het kind, +hetwelk in de Avenue de Breteuil was neergelegd, gevonden was door +een metselaar uit Chavanon, zekeren Barberin, en toen zijn zij u bij +hem komen opvragen. Toen ze u niet vonden, hadden zij hem verzocht +hem behulpzaam te zijn bij hunne nasporingen. + +--Heeft hij u hun naam niet gezegd? Heeft hij niet verteld waar +zij woonden? + +--Toen ik hem die vragen deed, antwoordde hij, dat hij mij dit later +wel zeggen zou. Toen heb ik er niet op aangedrongen, daar ik begreep, +dat hij den naam van uwe ouders geheim hield, om niet minder geld van +hen te trekken dan hij gehoopt had te zullen krijgen. Daar ik een poos +lang ook uw vader was geweest, verbeeldde die Barberin zich, dat ik +mij daarvoor wilde laten betalen. Toen heb ik me niet meer met hem +bemoeid en is hij ook niet teruggekomen; maar dat hij dood was, wist +ik niet. Alzoo, jongenlief, hebt ge uwe ouders niet, en weet gij door +die inhaligheid van den ouden schraper ook niet wie of waar zij zijn. + +Ik vertelde hem wat wij hoopten en hij versterkte die hoop door tal +van goede redenen. + +--Daar uwe ouders dien Barberin wel te Chavanon hebben weten te vinden +en die Barberin Garofoli en zelfs mij heeft weten te ontdekken, zal +men u ook wel in het logement van Cantal weten op te sporen. Daar +kunt gij zeker van zijn. + +Die woorden deden mij bepaald goed en maakten mij weder vroolijk +en opgeruimd. Den overigen tijd brachten wij door met over Elize en +Alexis te spreken en over mijn ongeluk in de mijn. + +--Wat een vreeselijk vak! zeide hij, toen ik aan het slot van mijn +verhaal was; en is dat nu het leven van mijn armen Alex? Och, hoeveel +gelukkiger was het, toen hij in mijn tuin bloemen kon kweeken. + +--Die tijd zal wel weer komen, antwoordde ik. + +--God geve, dat dit gebeure, beste Rémi. + +Het brandde mij op de lippen om hem te zeggen, dat mijne ouders hem +wel spoedig uit de gevangenis zouden halen, maar bijtijds bedacht +ik, dat het toch niet paste om te pochen op het genot, dat men later +iemand doen zou, en ik bepaalde mij dus tot de verzekering, dat hij +wel spoedig weer zijne vrijheid zou herkrijgen en al zijne kinderen +bij zich hebben zou. + +--En in afwachting van dat gelukkig oogenblik, zeide Mattia, toen wij +buiten waren gekomen, moeten wij geen tijd laten voorbijgaan om geld +te verdienen. + +--Als wij minder tijd hadden besteed om geld te verdienen op den weg +van Chavanon naar Dreuze en van Dreuze naar Parijs, zouden wij nog +bijtijds gekomen zijn om Barberin in leven te vinden. + +--Dat is waar, en ik heb er me zelven ook al een verwijt van gemaakt, +dat wij ons zoolang hebben opgehouden; waarlijk, gij kunt er niet +knorriger om zijn dan ik. + +--O, ik verwijt het je niet, mijn goede Mattia, dat verzeker ik +u. Zonder u zou ik aan Lize haar pop niet hebben kunnen geven en +zonder u zouden wij thans in Parijs zijn zonder een stuiver op zak, +om in ons onderhoud te voorzien. + +--Welnu, als ik gelijk had dat ik er op aandrong om geld te verdienen, +laten wij dan doen, of ik ook nu gelijk heb. Bovendien schiet ons +niet beter over dan te zingen en te spelen; later zullen wij den tijd +wel hebben om uit te rusten, als wij in uw rijtuig kunnen zitten. Te +Parijs ben ik thuis en ik ken de goede plekjes. + +Hij kende die plekjes zoo goed, de groote pleinen, de binnenplaatsen, +de koffiehuizen enz., dat wij dien avond, toen wij naar bed gingen, +vijftien francs hadden opgehaald. + +Toen ik mij te ruste legde, herhaalde ik bij mijzelven een woord, +dat ik dikwijls gehoord had van Vitalis: hun slechts die het niet +noodig hebben, is de fortuin gunstig. Zeker was die ruime verdienste +een zeker bewijs, dat opeens mijne ouders vóór me zouden staan. + +Ik was zoo overtuigd van de waarheid van mijn voorgevoel, dat ik den +anderen dag gaarne in het logement zou zijn gebleven; maar Mattia +dwong me om met hem uit te gaan, en hij dwong mij ook om te spelen +en te zingen, en dien dag ontvingen wij wederom tusschen de tien en +twaalf francs. + +--Als uw ouders ons niet spoedig rijk maken, zeide Mattia lachend, +dan zullen wij het wel zonder hen ook worden. Dat zou nog wel zoo +aardig zijn. + +Drie dagen gingen er op die wijze voorbij, zonder dat er iets nieuws +gebeurde en zonder dat de eigenares van het logement op mijne vragen, +die altijd dezelfde waren, iets anders antwoordde dan: niemand is +naar Barberin komen vragen en ik heb ook geen brief voor u of voor +Barberin ontvangen. Den vierden dag echter gaf zij mij een brief. + +Het was een antwoord van vrouw Barberin, of liever een antwoord, +dat zij mij had laten schrijven, want zelve kon zij evenmin schrijven +als lezen. + +Zij meldde mij, dat zij de tijding had ontvangen van Barberins dood +en dat zij kort te voren een brief van hem had gekregen, dien zij +hier bij voegde, in de hoop, dat die mij van dienst kon zijn, daar +hij eenige bijzonderheden omtrent mijne familie bevatte. + +--Gauw, gauw, riep Mattia uit, laten wij dadelijk den brief van +Barberin lezen. + +Met bevende hand en kloppend hart opende ik den brief. Hij luidde: + + + "Lieve vrouw! + + "Ik lig in het gasthuis, zoo ziek, dat ik niet geloof, dat ik + er van op zal komen. Als ik er de kracht toe had, zou ik u + vertellen hoe het gekomen is, dat ik zoo ziek ben geworden; + maar dat kan tot niets leiden; liever deel ik u mede wat + van meer belang is. Als ik er niet van opkom, schrijf dan + aan Greth en Galley, Green square, Lincoln's te Londen. Dat + zijn rechtsgeleerden, die belast zijn met de taak om Rémi op + te sporen. Schrijf hun, dat gij alleen narichten omtrent het + kind kunt geven en zorg, dat ge u voor die narichten goed laat + betalen. Dat geld moet strekken om u een rustigen ouden dag + te bezorgen. Gij zult vernemen wat er van Rémi geworden is, + als gij schrijft aan zekeren Acquin, vroeger tuinier, thans in + de gevangenis Clichy te Parijs. Laat al de brieven door den + pastoor schrijven, want in deze zaak moet gij aan niemand uw + vertrouwen schenken. Doe evenwel niets vóór gij zeker weet, + dat ik dood ben. + + "Wees voor de laatste maal gegroet van + + Barberin." + + +Ik had het laatste woord van den brief nog niet gelezen, toen Mattia +opsprong met den kreet: + +--Wij gaan naar Londen? + +--Ik was zoo verbaasd over hetgeen ik gelezen had, dat ik Mattia +aanzag, zonder juist te begrijpen wat hij zeide. + +--Daar Barberin schrijft dat het engelsche advocaten zijn, wien de +taak is opgedragen om u op te sporen, ging hij voort, ligt daarin +opgesloten, dat uw ouders Engelschen zijn. + +--Maar..... + +--Gij vindt het niet prettig een Engelschman te wezen, niet waar? + +--Ik zou van hetzelfde land willen zijn als Lize en de kinderen. + +--Ik had liever gehad, dat gij een Italiaan waart. + +--Als ik een Engelschman ben, behoor ik tot hetzelfde land als Arthur +en mevrouw Milligan. + +--Als ge een Engelschman zijt? Maar dat is zeker; als uw ouders +Franschen waren, zouden zij toch geen engelsche advocaten belasten om +in Frankrijk het kind op te sporen, dat zij verloren hebben. Nu gij +een Engelschman zijt, moet gij naar Engeland gaan. Dat is het beste +middel om bij uwe ouders te komen. + +--Als ik eens aan die advocaten schreef? + +--Waarom zoudt ge dat doen? Men kan veel verder komen met praten dan +met schrijven. Toen wij te Parijs kwamen, hadden wij zeventien francs; +toen hebben wij vijftien francs gemaakt, vervolgens tien en twaalf, +daarna tien: dit maakt zoowat te zamen vijftig francs; vier francs +hebben wij uitgegeven, dus hebben wij nog ruim veertig francs, en +dat is meer dan wij noodig hebben om naar Londen te gaan. Men gaat +te Boulogne in de boot naar Londen en dat kost niet veel geld. + +--Ben je wel eens te Londen geweest? + +--Dat weet ge wel beter; maar wij hadden in het paardenspel van Gassot +twee clowns die Engelschen waren, en deze hebben mij dikwijls van +Londen gesproken en zij hebben mij een paar engelsche woorden geleerd, +om met elkander te kunnen praten zonder dat de vrouw van Gassot, die +zoo nieuwsgierig was als een uil, kon verstaan wat wij zeiden. Wat +we haar in 't engelsch gekheden in 't gezicht hebben gezegd, zonder +dat zij er iets van begreep! Ik zal je naar Londen brengen. + +--Ik heb bij Vitalis ook engelsch geleerd. + +--Dat wil ik wel gelooven; maar in die drie jaren hebt ge 't wel +moeten vergeten, terwijl ik het nog ken: dat zult gij zien. Bovendien, +'t is niet alleen omdat ik je in Londen van dienst zal kunnen zijn, +dat ik met je naar Engeland wil gaan, maar, om je de waarheid te +zeggen, heb ik nog eene andere reden. + +--En die is? + +--Als je ouders je te Parijs kwamen halen, zouden zij mij misschien +niet met je willen meenemen; maar ben ik eens in Engeland, dan zullen +zij mij niet terugzenden. + +Zulk eene onderstelling scheen mij eene beleediging toe voor mijne +ouders, maar zoo volstrekt onmogelijk was het echter niet en 't was dus +eene geldige reden. Al was er maar ééne kans dat mijne reis gelukken +kon, dan moest ik die eenige kans wagen en aan het idee van Mattia +gevolg geven, om dadelijk met hem naar Engeland te gaan. + +--Laten wij dan maar gaan, zeide ik. + +--Wilt ge? + +In twee minuten waren onze reiszakken gepakt en wij gingen naar +beneden, geheel gereed om te vertrekken. + +Toen zij ons met onze reiszakken zag, riep de logementhoudster vol +verbazing uit: + +--Gaat de jongenheer--die jongenheer was ik--vertrekken? Wacht hij +zijn ouders niet af? Dat zou toch wel zoo verstandig zijn; en dan +zouden zijne ouders eens kunnen zien, hoe goed hij het hier heeft. + +Maar door zulke mooie woorden liet ik mij niet weerhouden. Nadat +ik betaald had wat wij schuldig waren, wilde ik naar buiten gaan, +waar Mattia en Capi mij reeds wachtten. + +--En uw adres? vroeg de oude vrouw. + +Zij had gelijk; het was verstandig haar mijn adres achter te laten. Ik +schreef dit dus in haar boek. + +--Naar Londen! riep zij uit. Zoo'n paar knapen naar Londen! Zoo'n +heele reis, en dan over zee! + +Vóór wij ons naar Boulogne begaven, moest ik nog afscheid nemen van +vader Acquin. Dat afscheid was niet treurig. Ook hij was zeer blij dat +ik mijn ouders zou terugvinden en het was mij een genot hem nogmaals +te verzekeren, dat ik spoedig zou terugkomen met mijne ouders, om +hem onzen dank te betuigen. + +--Tot weerzien dan, beste jongen, en veel geluk. Zoo ge niet zoo +spoedig mocht terugkomen als ge u wel voorstelt, schrijf mij dan. + +--Ik kom terug. + +Dien dag reisden wij, zonder ons ergens op te houden, voort tot +Moiselles, waar wij den nacht doorbrachten op eene hoeve, want wij +moesten zuinig op ons geld zijn, teneinde onzen overtocht te kunnen +betalen. Mattia had wel gezegd, dat hij niet duur was, maar wat noemde +hij duur? + +Onder het wandelen leerde Mattia mij eenige engelsche woorden, want +ik was geheel vervuld met eene zelfde gedachte, die mij al mijn genot +benam; zouden mijne ouders fransch of italiaansch spreken? Hoe zouden +wij met elkander kunnen praten, als zij niets anders dan engelsch +verstonden? Wat zou dit lastig zijn. Hoe zou ik met mijn broers en +zusters omgaan, als ik die had? Zou ik geen vreemdeling voor hen +blijven, zoolang ik mij niet met hen onderhouden kon? Hoe dikwijls +ik mij voorgesteld had bij mij thuis te komen, en zeer dikwijls had +ik mij dit, na mijn vertrek uit Chavanon, voorgesteld--nooit had ik +kunnen denken dat ik op zulk een bezwaar zou kunnen stuiten. Hoelang +toch zou het kunnen duren, eer ik het engelsch meester was, dat mij +eene zeer moeilijke taal toescheen. + +Acht dagen hadden wij noodig om van Parijs naar Boulogne te komen, +want in de groote steden, die wij doortrokken, Beauvais, Abbeville en +Montreuil-sur-Mer, hielden wij ons eenigen tijd op om voorstellingen +te geven, teneinde ons kapitaal aan te vullen. + +Toen wij te Boulogne aankwamen, hadden wij nog drie en dertig francs +in onze beurs, dus veel meer dan wij noodig hadden om onzen overtocht +te betalen. + +Mattia had nooit de zee gezien en onze eerste wandeling was dus naar +de kade. Een tijdlang stond hij met wijd opengesperde oogen en staarde +naar den horizon, die in nevelen was gehuld; toen klokte hij met zijn +tong en zeide, dat het leelijk, somber en vuil was. + +Dit gaf aanleiding tot een klein geschil tusschen ons, want wij +hadden dikwijls over de zee gesproken en ik had hem altijd gezegd, +dat dit het mooiste was dat men ooit kon zien. Ik hield dus ook nu +mijn meening vol. + +--Misschien hebt ge gelijk, als de zee zoo blauw is, zooals te Cette, +gelijk ge me verhaald hebt, zeide Mattia; maar als zij er uitziet +als deze zee, zoo geel en groen, met die grijze lucht en die donkere +wolken erboven, dan is zij leelijk, heel leelijk, en ik heb volstrekt +geen lust in een zeereis. + +In den regel waren Mattia en ik het volkomen eens; hij vereenigde zich +met mijne meening of ik gaf de zijne toe; maar in dit geval hield +ik vol, dat ik gelijk had en ik beweerde zelfs, dat die groene zee +met hare geheimzinnige diepte en die donkere wolken, welke de wind +door elkander joeg, net zoo mooi was als eene blauwe zee onder een +blauwen hemel. + +--Dat zegt ge maar, omdat ge een Engelschman zijt, antwoordde Mattia, +en ge houdt van die leelijke zee, omdat zij aan uw land behoort. + +De boot naar Londen vertrok den anderen morgen vroeg, te vier uren; +tegen halfvier waren wij aan boord en wij zochten eene plaats achter +eenige kisten, waar wij tegen den wind beschermd waren, die uit het +noorden woei en koud en vochtig was. + +Bij het schijnsel van eenige doffe lantaarnen zagen wij hoe het schip +geladen werd; de katrollen piepten, de kisten, die men in het ruim +neerliet, kraakten, en de matrozen, die van tijd tot tijd eenige +woorden met elkander wisselden, hadden ruwe stemmen; maar boven al +het gedruisch hoorden wij het geluid van den stoom, die in kleine +witte vlokken door den schoorsteen opsteeg. De bel luidde; de touwen +werden losgemaakt; wij waren op reis, op reis naar mijn land. + +Dikwijls had ik aan Mattia verteld, dat er niets zoo prettig was als +een tocht op eene boot; men gleed zachtkens over het water zonder te +bemerken, dat men voortging; het was prachtig--het was als een droom. + +Als ik dit vertelde, dacht ik aan _De Zwaan_, en aan onze reis op het +kanaal in het Zuiden, maar de zee had niets van een kanaal. Nauwlijks +waren wij van wal gestoken, of de boot scheen in de zee te willen +verzinken, dan rees zij weder op om nog dieper in het water door te +dringen, en dit vijf- of zesmaal achtereen met geduchte schokken, +alsof wij op een reusachtigen schommel zaten. Bij die schokken +kwamen de rookwolken met een snerpend geluid uit den schoorsteen, +en dan ontstond er een oogenblik van stilte en men hoorde slechts +het klotsen van het water tegen de raderen, nu eens aan de eene dan +aan de andere zijde, naarmate het schip rechts of links overhelde. + +--Nu, zeide Mattia, dat glijden over het water laat wel wat te +wenschen over. + +Ik kon hem niet veel daarop antwoorden, want ik wist niet wat een +branding was. + +Maar niet slechts de branding deed het schip stooten en slingeren, +ook de volle zee, die zeer onstuimig was, wierp onophoudelijk het +schip van de eene zijde naar de andere. + +Mattia, die een geruimen tijd niets had gezegd stond plotseling op. + +--Wat deert je? vroeg ik. + +--Alles danst in me, en ik voel mij heel onpleizierig. + +--Dat zal de zeeziekte zijn. + +--Nu, dat voel ik ook wel. + +Een oogenblik later leunde Mattia over de verschansing. + +Wat was de arme jongen ziek! Of ik hem al in mijne armen nam en zijn +hoofd op mijn schouders liet rusten, hij werd niet beter; hij zuchtte +en nu en dan snelde hij weer naar de verschansing, en eerst na eenige +minuten kwam hij weer bij mij, om opnieuw tegen mij aan te leunen. + +Zoo dikwijls hij bij mij kwam, balde hij zijn vuist tegen me en half +lachend, half boos, zeide hij: + +--O, die Engelschen! ze hebben geen hart en geen ingewanden. + +--Gelukkig! + +Toen de dag doorbrak, een sombere dag zonder zon, waren wij in het +gezicht van de hooge krijtrotsen en hier en daar zag men onbeweeglijke +schepen zonder zeilen. Langzamerhand werd het schommelen minder en ons +schip gleed over het rustige water even zacht als in het kanaal. Wij +waren niet meer in zee en aan beide zijden, geheel in de verte, zag +men de begroeide kusten, of liever gezegd begreep men, dat zij daar +wezen moesten, want de ochtendnevel belette ze te zien. Wij waren op +de Theems. + +--Wij zijn in Engeland, zeide ik tot Mattia. + +Maar die goede tijding maakte geen aangenamen indruk op hem. Hij +strekte zich in zijne volle lengte op het dek uit en zeide:--Laat +mij slapen. + +Daar ik op reis geen last van zeeziekte gehad had, gevoelde ik geen +behoefte aan slaap. Ik legde Mattia zoo gemakkelijk mogelijk, en op +een paar kisten klimmende, plaatste ik mij zoo hoog als ik kon met +Capi naast mij. + +Ik overzag nu de geheele rivier en volgde aan beide zijden en voor +en achter mij haar geheelen loop. Rechts strekte zich een groote +zandbank uit, waaraan het schuim een breede franje van kantwerk scheen +te vlechten; links scheen het, dat men weder in volle zee kwam. + +Maar dit was slechts in schijn; de blauwe oevers naderden elkander +weldra weder en bleken toen geel en moerassig te zijn. + +In het midden van den stroom lag eene geheele vloot van schepen voor +anker, in wier midden zich stoomschepen bewogen, die eene lange zwarte +rookwolk achter zich lieten. + +Welk een menigte schepen; welk een tal van zeilen! Ik had mij nooit +kunnen voorstellen, dat eene rivier zoo bevolkt kon wezen, en zoo de +Garonne mij verbaasd had, de Theems maakte een overweldigenden indruk +op me. Verscheidene schepen maakten zich gereed om te vertrekken en +in het tuig zag men de matrozen op en afklimmen langs de touwladders, +die op een afstand zoo dun waren als draden van een spinneweb. + +Ons schip liet een schuimende voor achter zich in het gele water, +waarop allerlei stukken van vaartuigen dreven; planken, blokken hout, +dik gezwollen lijken van dieren, kurken en planten; van tijd tot tijd +schoot een vogel met breede vleugelen op die krengen neder en vloog +dan met een schellen kreet weer op, zijn prooi in den bek houdend. + +Waarom wilde Mattia liever slapen? Hij zou beter doen met wakker te +worden en ook te komen kijken; want het was een schouwspel, dat wel +verdiende gezien te worden. + +Naarmate onze boot verder de rivier opstoomde, werd dit schouwspel +merkwaardiger en mooier. Het waren geen zeilschepen en stoombooten +meer, die men met de oogen kon volgen: de groote driemasters, de +reusachtige stoomschepen, die van ver verwijderde landen kwamen, +pikzwarte kolenschepen, vaartuigen hoog beladen met hooi of stroo en +die hooischelven schenen, welke door den stroom waren medegesleept, +groote roode, witte of zwarte tonnen, die de stroom deed ronddraaien; +maar ook op de beide oevers kon men duidelijk allerlei dingen zien, +ook huizen met levendige kleuren beschilderd, groene weilanden, +boomen, die nog nooit waren gesnoeid en hier en daar landingsplaatsen, +die in het donkere water uitstaken, seinpalen voor den waterstand en +groenachtige, slibberige balken. + +Langen tijd bleef ik dit tafereel gadeslaan met wijd geopende oogen +en dacht aan niets dan om rond te zien en te bewonderen. + +Maar daar begonnen de huizen op beide oevers van de Theems zich al +meer en meer samen te pakken in lange roode rijen en de lucht werd +al somberder en somberder. Rook en mist vermengden zich, zonder dat +men zeggen kon wie de bovenhand had in dikte, de mist of de rook; +inplaats van boomen of vee in de weide, zag ik opeens een bosch van +masten vóór mij verrijzen; de schepen vulden het weiland. + +Ik kon het niet langer meer uithouden; ik klauterde naar beneden om +Mattia te halen; hij werd wakker en daar zijne zeeziekte voorbij was, +was ook zijn knorrig humeur geweken, zoodat hij er niets tegen had +om met mij op mijne kisten te klimmen. Ook hij was verbijsterd door +het schouwspel en wreef zijne oogen uit; hier en daar doorsneden de +kanalen de weilanden en stortten zich dan in de rivier uit, hunne +vracht van schepen met zich voerende. + +Ongelukkig werden de rook en de mist nog dikker; men zag slechts nu +en dan iets om zich heen en hoe verder men kwam, zooveel te donkerder +werd het. + +Eindelijk verminderde onze boot hare vaart; de machine stond stil; +de touwen werden naar den oever geworpen; wij waren te Londen en +stapten aan wal temidden van menschen, die ons aanstaarden, maar +zonder een woord tot ons te spreken. + +--Nu is het oogenblik gekomen, dat ge van uw engelsch partij kunt +trekken, Mattia, zeide ik. + +En Mattia, die het volste vertrouwen had in zijne kennis van de taal, +gaat recht op een grooten man met een rooden baard af en vraagt hem +heel beleefd, met den hoed in de hand, den weg naar Green-Square. + +Het kwam me voor, dat het zeer lang duurde eer Mattia den man aan +het verstand had gebracht wat hij bedoelde: bij herhaling moest hij +hetzelfde vragen, maar ik hield me of ik volstrekt niet twijfelde +aan de kennis van mijn vriend. + +Eindelijk kwam hij terug. + +--'t Is heel gemakkelijk te vinden, zeide hij; wij behoeven maar den +loop van de Theems te volgen en de kaden te houden. + +Maar er zijn geen kaden te Londen, of liever zij waren er niet in +dien tijd; de huizen, staken vooruit tot in de rivier. Wij waren dus +genoodzaakt de straten te volgen, die, naar wij meenden, evenwijdig +met de rivier liepen. + +Het waren donkere straten, slijkerig, onophoudelijk versperd door +wagens en kisten en balen en pakken van allerlei aard, en slechts met +moeite baanden wij ons een weg door de hinderpalen, die telkens zich +vernieuwden. Ik had Capi aan een touw gebonden en hij volgde mij op +de hielen; het was pas één uur in den namiddag en toch was in alle +winkels het gaslicht aangestoken; het regende roet. + +Onder deze omstandigheden gezien, maakte Londen op ons niet denzelfden +indruk als de Theems. + +Wij gingen maar altijd verder en van tijd tot tijd vroeg Mattia of wij +nog ver van Lincoln's Inn waren. Hij vertelde mij toen, dat wij onder +een groote poort moesten doorgaan, welke den weg, dien we volgden, +versperde. Dit scheen mij zeer vreemd toe, maar ik durfde niet zeggen +dat ik vreesde, dat hij zich vergiste. + +Hij vergiste zich dan ook niet en wij kwamen aan een geverfde poort, +die zich met twee zijpoortjes over een straat uitstrekte: dat was +Temple Bar. Opnieuw vroegen wij den weg en men zeide ons, dat wij +rechts moesten afslaan. + +Toen bevonden wij ons niet langer in die breede straten vol beweging +en gedruisch: integendeel, volgden wij smalle, stille straten, die +zich in elkander kronkelden en het scheen ons toe, dat wij zelven in +een kring rondliepen en in dezen doolhof niet verder kwamen. + +Opeens, toen wij ons al verdoold achtten, stonden wij voor een klein +kerkhof vol grafteekens, waarvan de steenen zoo zwart zagen of men +ze met roet of schoensmeer had gepoetst: dit was Green Square--het +groene plein! + +Terwijl Mattia den weg vroeg aan eene schim, die wij ontmoetten, +stond ik stil om het kloppen van mijn hart te bedwingen; ik haalde +bijna geen adem meer, zoo beefde ik. + +Daarop volgde ik Mattia weder en wij stonden stil voor eene koperen +plaat, waarop men las "Greth and Galley." + +Mattia deed een paar schreden voorwaarts om aan de schel te trekken, +maar ik hield zijn arm terug. + +--Wat hebt ge? vroeg hij. Gij ziet zoo bleek. + +--Wacht een oogenblik, tot ik al mijn moed bijeengezameld heb. + +Hij schelde en wij traden binnen. + +Ik was zoozeer onder den indruk, dat ik niets onderscheiden kon van +hetgeen ik om me zag; het scheen me toe, dat wij in een kantoor waren +en dat twee of drie personen, over schrijftafels gebogen, schreven +bij het schijnsel van verscheidene gaspitten, die een krassend +geluid maakten. + +Tot een van die heeren richtte Mattia zich, want natuurlijk had ik +het aan hem overgelaten het woord te voeren. In hetgeen hij zeide +kwamen herhaaldelijk de woorden "boy", "family" en "Barberin" voor; ik +begreep dat hij vertelde dat ik de knaap was, dien men door Barberin +had doen zoeken. De naam van Barberin maakte indruk: men zag ons aan +en de persoon, tot wien Mattia zich had gericht, stond op en opende +ons eene deur. + +Wij kwamen in eene kamer vol boeken en papieren; een heer, voor eene +schrijftafel gezeten, en een ander in een zwarten toga en met een +pruik op, die verscheidene blauwe zakken in zijn hand had, was met +hem in gesprek. + +Met een paar woorden vertelde hij, die ons was voorgegaan, wie wij +waren en de beide heeren beschouwden ons toen van het hoofd tot +de voeten. + +--Wie van u beiden is het kind dat door Barberin is opgevoed? vroeg +in het fransch de heer, die voor de schrijftafel gezeten was. + +Toen ik fransch hoorde spreken, voelde ik mij weer geruster en ik +deed een stap voorwaarts. + +--Dat ben ik, mijnheer. + +--Waar is Barberin? + +--Die is dood, mijnheer. + +De beide heeren zagen elkander een oogenblik aan; toen ging hij, +die de pruik op had, heen, de zakken met zich nemende. + +--Hoe ben je dan hier gekomen? vervolgde de heer, die begonnen was +met ons te ondervragen. + +--Te voet tot Boulogne en van Boulogne naar Londen met eene stoomboot; +wij zijn pas aangekomen. + +--Heeft Barberin u geld gegeven? + +--Wij hebben Barberin niet gezien. + +--Maar hoe wist gij dan, dat gij hier moest wezen? + +Ik vertelde hem zoo kort mogelijk wat hij verlangde te weten. + +Ik verlangde op mijne beurt eenige vragen te doen, die mij op de +lippen brandden, maar ik kreeg er den tijd niet toe. + +Ik moest vertellen hoe ik grootgebracht was door Barberin, hoe ik door +dezen aan Vitalis was verkocht, hoe ik, na den dood van mijn meester, +door de familie Acquin was opgevoed, hoe de vader in de gevangenis was +gebracht wegens schuld en hoe ik daarop mijn bedrijf als rondreizend +muzikant weder had voortgezet. + +Terwijl ik vertelde, maakte de heer eenige aanteekeningen en zag hij +mij aan op eene wijze, die mij hinderde; hij had dan ook een stug +voorkomen en iets schurkachtigs in zijn glimlach. + +--En wie is die jongen? vroeg hij, naar Mattia wijzend met de punt +van zijn stalen pen, alsof hij hem die als een spies naar het hoofd +wilde werpen. + +--Een vriend, een makker, een broeder. + +--Heel goed; dus maar een kennis, onderweg opgedaan, niet waar. + +--Neen, de beste, de innigste broederlijke vriend. + +--O, daar twijfel ik niet aan. + +Het oogenblik scheen mij nu gekomen om eindelijk ook de vraag te doen, +die mij van het begin van ons gesprek af op de lippen had gelegen. + +--Woont mijn familie in Engeland, mijnheer? + +--Zeker; ze woont in Londen, tenminste voor het oogenblik. + +--Dus zal ik haar zien? + +--Over eenige oogenblikken zult gij bij haar zijn. Ik zal er u heen +laten brengen. + +Hij schelde. + +--Nog een enkel woord, als ik mag: heb ik een vader? + +Slechts met moeite kon ik dit woord uitspreken. + +--Niet alleen een vader, maar een moeder, broers en zusters. + +--O, mijnheer.... + +--Maar de deur ging open en dit maakte dat ik mijn gevoel moest +bedwingen; ik kon slechts met betraande oogen Mattia aanzien. + +De heer zeide in het engelsch iets tot den binnenkomende en ik meende +eruit te begrijpen, dat hij dezen last gaf om ons te begeleiden. + +Ik was opgestaan. + +--O, ik vergat het u nog te zeggen, sprak de heer; uw naam is Driscoll; +zoo heet uw vader. + +Ondanks zijn stug voorkomen had ik hem wel om den hals kunnen vallen, +als hij er mij de gelegenheid toe gelaten had, maar hij wees met de +hand naar de deur en wij gingen heen. + + + + +XXXIV. + +DE FAMILIE DRISCOLL. + + +De klerk, die mij bij mijne ouders zou brengen, was een mager mannetje +met een perkamentachtig gerimpeld gezicht, in een zwarten herstelden +rok gekleed, die blonk van ouderdom, en met een witte das. Toen wij +buiten waren gekomen, wreef hij zich zoo hartstochtelijk in de handen, +dat zijne vingers en polsen kraakten. Toen zette hij zijne beenen +uit of hij zijne gelapte laarzen van zich wilde werpen en den neus in +de lucht stekend, ademde hij met kracht en herhaaldelijk de mistige +lucht in met het zalig gevoel van iemand, die opgesloten is geweest. + +--Hij vindt dat die lucht lekker ruikt, zeide Mattia in het +italiaansch. + +Het mannetje zag ons aan en zonder een woord te spreken, riep hij: +Pst! pst! alsof wij een paar honden waren, en dit beteekende, dat +wij hem op de hielen moesten volgen en hem niet uit het oog moesten +verliezen. + +Weldra waren wij in eene groote straat gekomen, waar het wemelde +van wagens en rijtuigen; hij hield er een aan, waarvan de koetsier, +inplaats van op den bok vlak achter zijn paard, hoog boven en achter +de kap zat. Later vernam ik, dat zulke rijtuigen cabs heeten. + +Hij deed ons plaats nemen in het rijtuig, dat van voren open +was en door een opening in de kap begon hij een gesprek met den +koetsier. Verscheidene malen sprak hij het woord _Bethnal-Green_ +uit en ik dacht, dat dit de naam was van de wijk waar mijne ouders +woonden. Ik wist dat _green_ in het engelsch groen beteekende en +dit deed me vermoeden, dat die wijk met fraaie boomen was beplant, +wat mij recht aangenaam was. Dat zou dus heel iets anders zijn dan +die leelijke sombere straten van Londen, die wij bij onze aankomst +doorkruist hadden. Het was zeker een mooi huis op een ruim plein, +omringd van boomen. + +Het gesprek tusschen onzen geleider en den koetsier duurde zeer +lang; nu eens richtte de een zich op om door de opening eenige +inlichtingen aan den koetsier te geven; dan weder was het deze die +van zijn bok scheen te willen klimmen om door de opening te zeggen, +dat hij volstrekt niets begreep van hetgeen men hem uitduidde. + +Mattia en ik hadden ons in een hoek teruggedrongen met Capi tusschen +ons en luisterden naar het gesprek. Het verwonderde me inwendig, dat +die koetsier eene plaats, zoo mooi als Bethnal-Green, niet kende; +er moesten dus vele van die groene pleinen in Londen zijn. Dat was +vreemd, want te oordeelen naar hetgeen wij gezien hadden, zou ik eer +gedacht hebben, dat alles met roet was bedekt. + +Wij reden vrij snel door breede straten, dan door enge straten, +dan weder door breede straten, maar zonder iets om ons heen te +onderscheiden, zoo dicht was de nevel, die alles omhulde. Het begon +koud te worden en toch voelden wij eene belemmering in de ademhaling, +alsof wij stikken zouden. Als ik zeg "wij", bedoel ik Mattia en mij, +want onze geleider scheen het weer prettig te vinden; telkens haalde +hij diep adem met wijd geopenden mond, als wilde hij een grooten +voorraad lucht in zijn longen opdoen en nu en dan deed hij weder zijn +vingers kraken en rekte hij zijne beenen uit. Zou hij jarenlang in +een toestand hebben doorgebracht, dat hij zich niet bewegen kon en +haast geen adem kon halen? + +Ondanks de ontroering, die zich van mij had meester gemaakt bij +de gedachte, dat ik zoo straks, over een paar minuten misschien, +mijne ouders zou omhelzen, mijn vader, mijne moeder, mijne broers en +mijne zusters, had ik grooten lust om de stad eens te zien die wij +doorreden. Dat was toch _mijn_ stad; _mijn_ vaderland. + +Maar hoe ik de oogen ook opende, ik zag niets of bijna niets dan +de roode gasvlammen, die in den mist brandden als in eene dichte +rookwolk. Ternauwernood onderscheidde men de lichten der rijtuigen, +die ons voorbij reden en van tijd tot tijd moest het onze plotseling +stilstaan, om niet met andere wielen in aanraking te komen of de +menschen niet te overrijden die zich op straat verdrongen. + +Wij reden nog maar altijd voort; het was al lang geleden sinds wij +Greth and Galley hadden verlaten en dit versterkte mij in de meening, +dat mijne ouders buiten woonden; ongetwijfeld zouden wij weldra van +de enge straten in de vrije natuur komen. + +Daar Mattia en ik elkander bij de hand hielden, deed mij de gedachte +dat ik mijne ouders zou vinden, zijne hand drukken; het scheen mij +toe dat ik hem moest doen gevoelen, dat ik nog altijd zijn vriend was, +op dit oogenblik zelfs meer dan ooit. + +Maar inplaats van in de vrije natuur te komen, reden wij nog engere +straten in en hoorden wij het fluiten der locomotieven. + +Toen verzocht ik Mattia, aan onzen geleider te vragen of wij niet +spoedig bij mijn ouders zouden zijn; het antwoord van Mattia was +wanhopend. Hij beweerde, dat de klerk van Greth and Galley gezegd +had, dat hij nooit in dit dieven-kwartier was geweest. Ongetwijfeld +moest Mattia zich bedriegen en begreep hij niet wat deze hem had +geantwoord. Maar hij hield vol, dat _thieves_, het engelsche woord, +dat de klerk gebruikt had, geen andere beteekenis had en dat hij daar +volkomen zeker van was. + +Een oogenblik bracht mij dit geheel van mijn stuk, maar ik dacht bij +mij zelven, dat, zoo de klerk bang was voor dieven, dit een bewijs was, +dat wij buiten de stad zouden komen en dat het woord _Green_ achter +Bethnal evengoed van boomen als van het land kon worden gebezigd. Ik +deelde die opvatting aan Mattia mede, en wij moesten lachen om de vrees +van den klerk: wat waren die menschen die nooit buiten de stad komen, +toch dom! + +Maar niets kondigde de nadering van het veld aan: was dan gansch +Engeland slechts één stad van steenen en slijk, Londen genaamd? Dat +slijk drong zelfs in ons rijtuig door, en viel in zwarte spatten op +ons neder. Een walgelijke geur omringde ons al geruimen tijd. Alles +duidde aan, dat wij in een zeer armoedige buurt waren; de laatste zeker +vóór wij te Bethnal-Green kwamen. Het scheen me toe, dat wij altijd +in denzelfden kring rondreden en van tijd tot tijd liet de koetsier +zijn paard stappen, als wist hij niet meer waar hij was. Eensklaps +hield hij geheel stil en het raampje in de cab ging weder open. + +Toen volgde er nogmaals een gesprek of liever een twist tusschen +koetsier en klerk. Mattia zeide, dat de koetsier weigerde verder te +gaan, omdat hij den weg niet kende; hij vroeg inlichtingen aan den +klerk van Greth and Galley en deze antwoordde weder, dat hij nooit +in deze dievenwijk was geweest. Ook ik verstond nu duidelijk het +woord _thieves_. + +Wij waren blijkbaar hier niet in Bethnal-Green. + +Wat zou er gebeuren? + +De twist werd door het openingetje voortgezet en de koetsier en de +klerk werden al driftiger en driftiger. + +Eindelijk gaf de klerk geld aan den koetsier, die het brommend +aannam. Hij steeg uit de cab en riep ons weder met zijn "pst! pst!" Dit +beduidde, dat ook wij eruit moesten komen. + +Daar stonden wij in eene slijkerige straat, temidden van den dichten +mist; een der winkels was schitterend verlicht en de gasvlammen +werden weerkaatst door spiegels en verguldsel en als kristal +geslepen flesschen. Het licht drong door den mist heen tot aan +de straatgoot. Het was een tapperij, of, zooals de Engelschen het +noemen, een _gin-palace_, een paleis waar men jenever verkoopt en +allerlei soort van sterkendrank, gestookt uit den alcohol van koren +of beetwortels. + +--Pst! Pst! riep onze geleider opnieuw. + +Met hem traden wij het _gin-palace_ binnen. Wij bedrogen ons bepaald +als wij meenden in eene armenwijk te zijn. Nooit had ik zoo iets +prachtigs gezien; overal spiegels en verguldsel; de toonbank scheen +wel van zilver. Evenwel, de menschen die voor deze toonbank stonden, +of tegen de muren of vaten geleund, waren in lompen gekleed; sommigen +hadden niet eens schoenen aan hunne voeten, waarmede zij door het +slijk der straten en goten gebaggerd hadden, en zagen zoo zwart of +zij met schoensmeer waren bestreken, dat nog den tijd niet gehad had +om te drogen. + +Op deze zilveren toonbank liet de klerk zich een glas vullen met een +wit vocht, dat lekker rook, en na dit in één teug te hebben geledigd +met dezelfde begeerigheid als hij vroeger de lucht had ingeademd, begon +hij een praatje met den man met bloote armen, die hem bediend had. + +Het was niet moeilijk te begrijpen, dat hij den weg vroeg en Mattia +behoefde mij dit niet eens te zeggen. + +Wederom volgden wij onzen geleider op de hielen; hier was de straat +zoo smal, dat wij ondanks den mist de huizen aan beide zijden konden +zien; boven ons waren touwen gespannen van het eene huis naar het +andere en daarop hingen linnengoed en oude kleeren. Zeker hing het +daar niet om te drogen. + +Waar gaan wij heen? Ik begon mij ongerust te maken en van tijd tot +tijd zag Mattia mij aan. Maar hij deed mij geen enkele vraag. + +Uit de straat sloegen wij een steegje in, dat ons op een klein plein +bracht en daarop weder een steegje. De huizen zagen er nog ellendiger +uit dan in het kleinste dorpje in Frankrijk. Verscheidene bestonden +slechts uit planken als schaapskooien of stallen; toch waren het +huizen; vrouwen blootshoofds en kinderen in lompen zaten op den +drempel. + +Als eene flauwe schemering ons in staat stelde iets beter te zien, +bespeurde ik dat die vrouwen zeer bleek zagen, haar lichtblonde haren +hingen over de schouders; de kinderen waren bijna naakt en de weinige +kleeren, die ze aan 't lijf hadden, waren lompen. In een der steegjes +zagen wij varkens in het stilstaande water der goot wroeten, waaruit +een walgelijke geur oprees. + +Onze geleider stond weldra stil; blijkbaar wist ook hij nu den weg +niet meer; maar op dat oogenblik naderde ons een man, met een lange +blauwe jas aan en een glimmend lederen hoed op en die een half zwart- +half witten band om den arm droeg. Een koker hing aan zijn gordel. Het +was een _policeman_. + +Onze geleider sprak hem aan en weldra begaven wij ons op weg, +voorgegaan door den policeman; wij gingen steegjes en poorten en +kronkelende straten door, en het scheen me toe, dat verscheidene +huizen op het punt waren van in te storten. + +Eindelijk stonden wij stil op een plein, waarvan het middenvak uit +een moeras bestond. + +--_Red Lion court_, zeide de agent van politie. + +Die woorden, welke ik reeds meermalen gehoord had, beteekenden: +de Plaats van den Roode Leeuw, zooals Mattia voor mij vertaalde. + +Waarom stonden wij stil? Onmogelijk konden wij reeds te Bethnal-Green +zijn; woonden in dit huis mijn ouders? Maar dan!.... + +Ik had den tijd niet om over die vragen, die in mijn onrustig hart +oprezen, na te denken. De agent van politie klopte op de deur van eene +soort van houten loods, en onze geleider bedankte hem: wij waren dus +waar wij wezen moesten. + +Mattia, die mijn hand niet losgelaten had, drukte die en ik drukte +wederkeerig de zijne. + +Wij begrepen elkander; de angst, die zich van mijn hart had meester +gemaakt, deed ook het zijne kloppen. + +Ik was zoo ontroerd, dat ik niet weet hoe de deur, waarop de agent +van politie geklopt had, geopend werd; maar van het oogenblik af, +dat wij binnengetreden waren in het groote vertrek, dat verlicht werd +door eene lamp en een groot kolenvuur op een fornuis, heb ik mijne +herinnering behouden. + +Vóór dat vuur, in een matten stoel, die den vorm had van een nis, +waarin ik wel eens heiligbeelden had gezien, zat onbeweeglijk een +grijsaard met een witten baard en een zwarte muts op het hoofd; +tegenover hem, maar aan de andere zijde van de tafel, waren een +man en een vrouw gezeten; de man moest zoowat veertig jaar zijn; +hij droeg een grijs fluweelen jas en hij had een schrander, maar +stug voorkomen. Zijne vrouw was vijf of zes jaar jonger; zij had +lange, blonde haren, die neerhingen op een wit en zwart geruiten +doek, die zij omgeknoopt had. Hare oogen hadden geen uitdrukking +en onverschilligheid of lusteloosheid lag zoowel op haar gelaat, +dat vroeger schoon moest zijn geweest, als in hare houding. Er waren +vier kinderen in het vertrek, twee jongens en twee meisjes, allen +blond, van hetzelfde vlasblond als hunne moeder. De oudste knaap kon +ongeveer elf of twaalf jaar zijn; het jongste der twee meisjes was +op zijn best drie jaar; het kroop meer dan het liep. + +Ik had dit alles met een enkelen oogopslag overzien vóór dat onze +geleider, de klerk van Greth and Galley, nog had uitgesproken. + +Wat vertelde hij? Ik hoorde het ternauwernood en ik begreep het +volstrekt niet; alleen de naam van Driscoll, mijn naam, trof mijn oor. + +Aller oogen waren gericht op Mattia en mij, zelfs die van den +onbeweeglijken grijsaard. Het kleinste meisje was de eenige, die hare +aandacht schonk aan Capi. + +--Wie van u beiden is Rémi? vroeg in het fransch de man in de grijs +fluweelen jas. + +Ik deed een stap vooruit. + +--Ik, zeide ik. + +--Omhels dan uw vader, mijn jongen. + +Zoo dikwijls ik aan dat oogenblik had gedacht, had ik mij voorgesteld, +dat eene hevige ontroering mij zou aangrijpen, en dat ik mijn vader +om den hals zou zijn gevlogen; maar niets van die aandoening voelde +ik in mij. Toch ging ik naar hem toe en omhelsde hem. + +--En nu, ging hij voort, dat is uw grootvader, uwe moeder, uwe broers +en uwe zusters. + +Eerst ging ik naar mijne moeder en omhelsde haar met beide armen; +zij liet dit toe, maar kuste mij niet; zij zeide slechts een paar +woorden tot me, die ik niet begreep. + +--Geef een hand aan uw grootvader, zeide mijn vader, maar voorzichtig: +hij is lam. + +Ik gaf ook een hand aan mijn twee broers en mijn oudste zusje; ik +wilde de jongste in mijn armen nemen, maar zij was juist bezig om +Capi te streelen en wilde niets van mij weten. + +Terwijl ik van den een naar den ander ging, was ik inwendig +verontwaardigd over mij zelven. Hoe was het mogelijk, dat ik volstrekt +niets gevoelde, nu ik eindelijk mijn familie gevonden had! Ik had +een vader, eene moeder, broers en zusters en zelfs een grootvader; ik +was in hun midden en ik bleef koud en ongevoelig. Met een koortsachtig +verlangen had ik dit oogenblik tegemoet gezien; ik was half krankzinnig +van blijdschap geweest bij de gedachte, dat ook ik een tehuis zou +hebben, ouders, die ik kon liefhebben en die mij zouden liefhebben, +en daar stond ik nu verlegen en keek hen allen nieuwsgierig aan, +maar in mijn hart voelde ik niets; er rees geen woord op, dat ik hun +kon toevoegen. Was ik dan een monster? Was ik dan niet waard ouders +en broers en zusters te hebben? + +Als ik mijn ouders in een paleis gevonden had, inplaats van in zulk +een stulp, zou ik dan niet voor hen die teederheid hebben gevoeld, +die vroeger mijn hart vervulde bij de gedachte aan een vader en een +moeder, die ik niet kende, eene liefde die ik niet aan den dag kon +leggen tegen den vader en de moeder, die ik zag? + +Die gedachte deed mij bijna blozen van schaamte. Ik ging weer naar +mijne moeder toe, omhelsde haar opnieuw en kuste haar vurig. Zeker +begreep zij niet waaraan zij die opwelling moest toeschrijven, +want inplaats van mijne kussen te beantwoorden, zag zij mij met haar +onverschilligen blik aan en zeide toen iets tot haar man, mijn vader, +waarbij ze even de schouders ophaalde. Zij sprak iets dat ik niet +verstond, maar dat hem deed lachen. Die onverschilligheid van de eene +en dat lachen van den ander deden mijn hart bijna breken; ik meende, +dat die teederheid van mijn kant toch niet verdiende zóó beantwoord +te worden. + +Maar men liet mij geen tijd om lang aan mijn indrukken toe te geven. + +--En die daar? vroeg mijn vader, naar Mattia wijzend, wie is dat? + +Ik vertelde hem welke banden mij aan Mattia hechtten en ik trachtte +in mijne woorden iets in te lasschen van de vriendschap, die ik van +hem ondervond en de dankbaarheid, die ik hem verschuldigd was. + +--Jawel, zeide mijn vader; hij heeft de wereld eens willen zien. + +Ik wilde antwoorden, maar Mattia voorkwam me. + +--Juist, dat is het, zeide hij. + +--En Barberin? vroeg mijn vader. Waarom is die niet meegekomen? + +Ik vertelde hem, dat Barberin dood was en welk eene teleurstelling dit +voor mij was, toen wij te Parijs waren gekomen, omdat wij te Chavanon +van vrouw Barberin hadden gehoord, dat mijne ouders mij zochten. + +Mijn vader vertaalde toen voor mijne moeder wat ik gezegd had en +ik meende te verstaan, dat zij zeide, dat dit heel goed en wel was; +althans zij gebruikte bij herhaling de woorden _well_ en _good_, die +ik kende. Waarom was het goed en wel, dat Barberin dood was? Dat vroeg +ik me telkens af, zonder dat ik een antwoord op die vraag kon vinden. + +--Ge kent geen engelsch? vroeg mijn vader. + +--Neen, ik ken alleen fransch en ook italiaansch; dat heb ik geleerd +van den patroon, aan wien Barberin mij verhuurd had. + +--Vitalis. + +--Wist gij dan... + +--Barberin heeft me zijn naam meegedeeld, toen ik voor eenigen tijd +in Frankrijk was om u te zoeken. Maar ge zult wel nieuwsgierig zijn +om te weten, waarom wij dertien jaar lang geen nasporingen naar u +gedaan hebben en plotseling op het denkbeeld zijn gekomen om Barberin +op te zoeken. + +--Ja, heel nieuwsgierig, dat verzeker ik u: erg nieuwsgierig. + +--Ga dan bij het vuur zitten, dan zal ik het u vertellen. + +Bij het binnenkomen had ik mijn harp tegen den wand gezet; ik legde +nu ook mijn reiszak neer en zette mij op de aangewezen plaats. + +Maar toen ik mijne beslijkte en natte voeten bij het vuur uitstrekte, +spuwde mijn grootvader in die richting, zonder een woord te spreken, +maar als eene oude kat die nijdig wordt. Dit was genoeg om mij te +doen begrijpen, dat ik hem hinderde, en ik trok mijne voeten terug. + +--Doe maar of gij 't niet merkt, zeide mijn vader; de oude heeft +niet graag, dat men zich bij zijn vuur zet, maar als ge 't koud hebt, +warm u dan. Met hem behoeft men zooveel omslag niet te maken. + +Het trof me hem zoo te hooren spreken over een oud man met grijze +haren; ik dacht, dat zoo men voor iemand ontzag moet hebben, dit wel +was voor iemand als deze; ik hield dus mijn beenen onder mijn stoel. + +--Ge zijt onze oudste zoon, zeide mijn vader, en ge werdt geboren een +jaar nadat ik met uwe moeder gehuwd was. Toen ik haar trouwde was er +een meisje, die meende dat ik haar ten huwelijk zou vragen en die +woedend was, nu ik eene andere nam en een doodelijken haat opvatte +jegens haar, die ze als hare mededingster beschouwde. Om zich te +wreken stal zij u juist op den dag, dat gij zes maanden oud waart +en bracht u naar Frankrijk, naar Parijs, waar zij u te vondeling +legde. Wij deden alle mogelijke nasporingen, maar wij gingen niet +naar Parijs, want wij konden niet denken, dat zij zoover met u was +heengetrokken. Wij vonden u dus niet en meenden, dat gij dood en +voor altijd voor ons verloren waart, toen drie maanden geleden die +vrouw, door eene doodelijke ziekte aangetast, op haar sterfbed de +waarheid mededeelde. Onverwijld begaf ik mij naar Frankrijk, naar den +commissaris van politie van de wijk waarin gij te vondeling waart +gelegd. Van hem vernam ik, dat gij door een metselaar uit Chavanon +waart gevonden en ik reisde naar Chavanon. Barberin deelde mij mede, +dat hij u aan een reizenden muzikant, Vitalis, had verhuurd en dat +gij met dezen door Frankrijk zwierft. Daar ik niet in Frankrijk kon +blijven en Vitalis opzoeken, droeg ik aan Barberin die taak op en +gaf hem het geld, dat hij noodig had om naar Parijs te komen. Tevens +verzocht ik hem, de rechtsgeleerden, aan wie ik mijne zaken in handen +had gegeven, de heeren Greth and Galley, kennis te geven, als hij +u gevonden had. Mijn eigen adres gaf ik hem niet, omdat wij alleen +'s winters in Londen wonen. Des zomers doorkruisen wij Engeland en +Schotland voor onzen handel, want wij zijn reizende kooplui en nemen +onze wagens en ons gezin mede. Nu weet ge hoe gij teruggevonden zijt +en hoe gij, na dertien jaar, weder uwe plaats in ons gezin inneemt. Ik +begrijp best, dat gij er u nog niet geheel thuis gevoelt, want gij +kent ons nog niet, en gij verstaat niet wat wij zeggen, evenmin als +mijn vrouw en kinderen u kunnen verstaan; maar ik vertrouw, dat dit +wel spoedig zal komen en gij u hier weldra gewennen zult. + +Zonder twijfel zou ik mij spoedig gewennen. Dat was dan ook natuurlijk, +want ik was nu bij mijne familie en zij, met wie ik voortaan leven zou, +waren mijn vader, moeder, broers en zusters. + +Die mooie luiers waren dus bedrog; voor vrouw Barberin, voor Lize, +voor vader Acquin en voor allen, die mij geholpen hadden, was dit +recht ongelukkig. Ik kon voor hen niet doen wat ik mij altijd had +voorgesteld, want reizende kooplui, vooral zij, die in zulk een stulp +woonden, zijn geen rijke menschen; maar voor mij zelven was dit een +vrij onverschillige zaak. Ik had een familie en het was een dwaze +kinderdroom van mij geweest te meenen, dat ik, mijn ouders vindende, +rijk zou worden. Liefde is meer dan rijkdom en aan rijkdom had ik +geen behoefte, maar wel aan liefde. + +Terwijl ik naar het verhaal van mijn vader luisterde en slechts ooren +en oogen had voor hem, had men de tafels gedekt: borden met blauwe +bloemen, en op een tinnen schotel een groot stuk gebraden ossenvleesch +met aardappelen er omheen. + +--Hebt ge honger, jongens? vroeg mijn vader aan Mattia en mij. Mattia +zeide niets, maar liet zijne witte tanden zien. + +--Laten wij dan aan tafel gaan. + +Vóór hij zitten ging, schoof hij den stoel van grootvader aan; toen +zette hij zich met den rug naar 't vuur en begon het vleesch te +snijden en gaf ons elk een snee met aardappelen. + +Hoewel ik niet zoo geheel in de vormen was opgevoed, of liever +ofschoon ik in het geheel niet was opgevoed, merkte ik toch op, +dat mijn broers en mijne oudste zuster meest met de handen aten, +dat ze de vingers in de saus doopten en ze aflikten zonder dat mijn +vader en moeder dit schenen op te merken. Wat mijn grootvader betrof, +de hand die hij tot zijn dienst had, ging onophoudelijk van zijn bord +naar zijn mond. Toen hij een stukje uit de bevende vingers liet vallen, +begonnen mijn broers om hem te lachen. + +Toen het avondeten was gebruikt, dacht ik dat wij den avond bij het +vuur zouden doorbrengen; maar mijn vader zeide, dat hij menschen +wachtte en dat wij naar bed moesten gaan. Toen nam hij eene kaars en +bracht ons in een stal, die grensde aan het vertrek, waar wij gegeten +hadden. Daar stonden twee wagens, zooals gewoonlijk reizende kooplui +gebruiken. Hij opende de deur van een dier wagens en wij zagen daarin +twee heerlijke bedden. + +--Daar kunt ge slapen; rust wel. + +Dat was de ontvangst bij mijne familie--de familie Driscoll. + + + + +XXXV. + +EERT UW VADER EN UWE MOEDER. + + +Bij het heengaan had mijn vader de kaars achtergelaten, maar hij had +de deur van den wagen gesloten. Er bleef ons dus niets anders over +dan te gaan slapen. En dat deden wij ook, maar zoo spoedig mogelijk +zonder te blijven praten, gelijk wij 's avonds gewoon waren en zonder +elkander den indruk mede te deelen, dien het gebeurde van den dag op +ons gemaakt had. + +--Rust wel, Rémi, zeide Mattia. + +--Rust wel, Mattia. + +Mattia had niet meer lust om te spreken dan ik zelf, en het deed mij +genoegen dat hij zweeg. + +Maar al heeft men geen lust om te praten, dan heeft men nog niet +altijd lust om te gaan slapen. Toen het licht was uitgegaan, was het +mij onmogelijk de oogen te sluiten; ik begon na te denken over al +hetgeen er had plaats gehad, en legde mij nu eens op de eene dan op +de andere zijde. + +Terwijl ik lag te peinzen, hoorde ik Mattia, die de slaapplaats boven +de mijne innam, eveneens zich telkens omkeeren; ook hij sliep dus niet. + +--Slaap je? vroeg ik op gedempten toon. + +--Nog niet. + +--Gij hebt toch niets? + +--Neen, niets; ik voel me integendeel heel wel, maar alles draait om +me heen; 't is of ik nog op zee ben en de wagen op en neer gaat als +de golven. + +Zouden het alleen de gevolgen van zeeziekte zijn, die Mattia beletten +te slapen? Waren de gedachten, die hem vervulden, niet dezelfde als +de mijne? Hij hield genoeg van me en wij waren eens genoeg van geest, +zoowel als van hart, om te gevoelen wat ik gevoelde. + +De slaap kwam maar niet en naarmate de tijd voorbijging, vermeerderde +mijn onbestemde angst. Eerst had ik niet juist den indruk beseft, die +alles overheerschte wat er in mijn hoofd verward en nevelachtig omging; +maar nu begon ik te gevoelen dat het vrees was. Vrees voor wat? ik +wist het niet, maar vrees was het. Maar ik was niet bang, omdat ik +in dien wagen lag temidden van die ellendige wijk Bethnal-Green. Hoe +menigen nacht had ik in mijn leven reeds doorgebracht, waarin ik niet +zoo veilig was als hier. Ik was bewust dat geen gevaar mij dreigde +en toch was ik beangst: hoe meer ik er mij tegen verzette, zooveel +te minder slaagde ik erin mij gerust te stellen. + +Het eene uur ging voorbij na het andere, zonder dat ik mij rekenschap +kon geven van den tijd, want er waren in den omtrek geen klokken die +sloegen. Op eens hoorde ik een groot gedruisch aan de staldeur, die +in een andere straat uitkwam als De Roode Leeuw, en na een herhaald +geroep met gelijkmatige tusschenpoozen, drong het schijnsel van een +licht in onzen wagen door. + +Verrast zag ik om mij, terwijl Capi, die tegen mijn legerstede lag te +slapen, oprees en begon te knorren. Ik zag toen dat het schijnsel tot +ons doordrong door een raampje in den wand van onzen wagen, waartegen +onze slaapplaatsen waren gemaakt en dat ik bij het naar bed gaan +niet gezien had, omdat er een gordijn voor hing. Een gedeelte van het +raampje kwam uit in de slaapstede van Mattia; het andere gedeelte in +de mijne. Daar ik niet wilde dat Capi het geheele huis in opschudding +zou brengen, legde ik de hand op zijn bek en keek naar buiten. + +Mijn vader was het, die in den stal was gekomen en met kracht, maar +zonder gedruis, de straatdeur had geopend en vervolgens op dezelfde +wijze gesloten, nadat hij twee mannen had ingelaten die elk een +grooten zwaren zak droegen. + +Hij legde een vinger op zijn mond en wees met de andere hand waarin +hij een dievenlantaarn hield, naar den wagen, waarin wij lagen. Dit +beteekende waarschijnlijk, dat men geen gedruisch moest maken, daar +wij anders wakker zouden worden. + +Die bezorgdheid voor ons deed mij goed en ik was op het punt hem toe +te roepen, dat men zich niet behoefde te ontzien, want dat ik niet +sliep, maar daar dan ook Mattia wakker zou worden, die naar ik meende +in diepen slaap was gedompeld, hield ik mij stil. + +Mijn vader hielp de mannen hun zakken afleggen en ging toen een +oogenblik heen om met mijne moeder terug te komen. Terwijl hij weg was, +hadden de mannen hunne zakken geopend; de een was vol manufacturen; +in den anderen was bontwerk, gebreid goed, onderbroeken, kousen, +handschoenen enz. + +Toen begreep ik wat mij eerst had verwonderd; die mannen waren kooplui, +die hunne waar aan mijne ouders kwamen brengen. + +Mijn vader nam alles stuk voor stuk in handen en bekeek het bij +zijn lantaarn, terwijl mijne moeder met eene schaar de aangehechte +papiertjes er afknipte en die in haar zak stak. + +Dit kwam mij vreemd voor, evenals het uur, waarop die verkoop plaats +had, mij verwonderde. + +Gedurende het onderzoek zeide mijn vader nu en dan op fluisterenden +toon een paar woorden tot de mannen, die de zakken hadden gebracht. Als +ik engelsch had gekend, zou ik die woorden misschien verstaan hebben, +maar men verstaat slecht wat men niet begrijpt. Alleen het woord +_policeman_, dat bij herhaling werd gebruikt, trof mijn oor. + +Nadat de inhoud van de zakken zorgvuldig was bekeken, verlieten mijne +ouders en de twee mannen den stal en gingen in huis; zeker om af te +rekenen. Toen was alles weder donker om ons heen. + +Ik wilde mij diets maken, dat al wat ik gezien had heel natuurlijk +was, maar hoe ik ook mijn best deed, ik kon me zelven maar niet +overtuigen. Waarom waren die menschen niet door de deur van De Roode +Leeuw binnengekomen? Waarom had men op zoo fluisterenden toon over de +politie gesproken, alsof men bang was buiten te worden gehoord? Waarom +had mijne moeder de briefjes afgeknipt van de stukken goed, die zij +gekocht had? + +Die vragen waren niet geschikt om mij spoedig te doen inslapen en +daar ik er geen antwoord op vond, trachtte ik ze uit mijn geest te +verdrijven, maar tevergeefs. Na verloop van eenigen tijd zag ik weder +het schijnsel van een licht in onzen wagen vallen en wederom keek ik +door eene reet van het gordijn; maar ditmaal was het ondanks mijzelven +en tegen mijn wil, terwijl ik de eerste maal meer natuurlijk met opzet +had gekeken. Thans zeide ik tot mezelven dat ik niet kijken mocht, +en toch keek ik. Ik was zeker dat het beter was niet te zien en toch +wilde ik zien. + +Mijn vader en moeder waren alleen; terwijl mijne moeder snel twee +pakken maakte van de artikelen, die men had neergelegd, veegde mijn +vader een hoek van den stal schoon; onder het droge zand, dat hij met +krachtige vegen met den bezem opzijde schoof, werd weldra een luik +zichtbaar; hij lichtte het op; mijne moeder was intusschen gereed +gekomen met het vullen en toebinden der twee zakken en hij daalde er +mede in een kelder, waarvan ik de diepte niet zien kon, terwijl mijne +moeder hem bijlichtte met de lantaarn. Toen de twee pakken geborgen +waren, kwam mijn vader weder te voorschijn, sloot het luik en veegde +weder het zand er overheen. Toen hij dit gedaan had, was het onmogelijk +den ingang van den kelder te bespeuren. Over het zand strooiden zij +weder eenig hooi, waarmede de vloer van den stal bedekt was. + +Toen gingen zij heen. + +Op het oogenblik dat zij zonder gedruisch de deur sloten, kwam het +mij voor dat ik Mattia zich hoorde bewegen: het was alsof hij zijn +hoofd op zijn kussen legde. + +Had hij ook gezien wat er gebeurd was? Ik durfde het hem niet vragen; +het was geene onbestemde vrees meer, die mij vervulde; ik wist thans, +waarom ik zoo angstig te moede was: van het hoofd tot de voeten brak +mij het koude zweet uit. + +Zoo bleef ik den ganschen nacht liggen; een haan in de buurt kondigde +het aanbreken van den dag aan; eerst toen viel ik in slaap maar het +was eene zware, koortsachtige slaap, vol akelige droombeelden, die +mij met schrik en angst vervulden. + +Het piepen van scharnieren deed mij ontwaken en de deur van onzen +wagen werd geopend; maar daar ik mij verbeeldde dat het mijn vader +was, die ons kwam zeggen dat het tijd was om op te staan, sloot ik +de oogen om hem niet te zien. + +--'t Is uw broer, zeide Mattia, die ons bevrijden kwam, hij is al +weg ook. + +Wij stonden op; Mattia vroeg mij niet of ik goed geslapen had en ook +ik vroeg hem niets. Toen hij mij op zeker oogenblik aanzag, wendde +ik de oogen af. + +Wij moesten naar de keuken, maar mijn vader en moeder waren er niet; +mijn grootvader zat in zijn leunstoel, alsof hij er niet uit was +geweest sedert den vorigen dag en mijn oudste zuster, die Annie +heette, maakte de tafel schoon, terwijl mijn oudste broer, Allen, +het vertrek aanveegde. + +Ik ging naar hen toe om hun een hand te geven, maar zij gingen voort +met hun arbeid zonder mij te antwoorden. + +Ik ging toen naar mijn grootvader, maar deze liet mij niet bij zich +komen en evenals den vorigen dag spuwde hij naar mijn kant, wat mij +terug deed keeren. + +--Vraag eens hoe laat ik mijn vader en moeder zal zien, zeide ik +tot Mattia. + +Mattia deed wat ik hem verzocht, en toen mijn grootvader engelsch +hoorde spreken, scheen hij wat vriendelijker te worden; zijn gezicht +verloor iets van die akelige strakheid en hij antwoordde. + +--Wat zegt hij? vroeg ik. + +--Dat uw vader den ganschen dag uit is, dat uw moeder slaapt en dat +wij kunnen gaan wandelen. + +--Heeft hij niets meer gezegd? vroeg ik, daar mij dit veel korter +toescheen dan hetgeen de grijsaard gesproken had. + +Mattia scheen een weinig verlegen. + +--Ik weet niet of ik het andere wel goed heb begrepen. + +--Zeg mij maar wat ge begrepen hebt. + +--Het kwam me voor, dat hij zeide, dat, als wij onze kans konden +waarnemen in de stad, wij die niet moesten voorbij laten gaan en toen +voegde hij er bij--en dit weet ik zeker--"onthoud dit: men moet leven +ten koste van de onnoozelen." + +Zeker giste mijn grootvader wat Mattia mij uitlegde, want bij die +laatste woorden maakte hij met de hand, die niet lam was, eene +beweging, alsof hij iets in zijn zak stak en hij knipte daarbij met +de oogen. + +--Laat ons heengaan, zeide ik tot Mattia. + +Twee of drie uren lang zwierven wij in den omtrek van De Roode Leeuw; +wij durfden ons niet ver verwijderen, uit vrees, dat wij den weg +niet meer zouden vinden. Bij daglicht scheen Bethnal-Green mij nog +vreeselijker toe dan toen wij het in de schemering hadden gezien: +de huizen, zoowel als de menschen hadden een allerellendigst voorkomen. + +Wij keken, Mattia zoowel als ik, maar wij zeiden niets tegen elkander. + +Telkens langs denzelfden weg terugkeerende, kwamen wij eindelijk +weder op het pleintje voor De Roode Leeuw, en traden in huis. + +Mijne moeder had hare kamer verlaten; op den drempel zag ik haar +reeds met het hoofd rustend op de tafel. Ik verbeeldde mij, dat zij +ziek was, en ik ging naar haar toe om haar een kus te geven, want +met haar praten kon ik niet. + +Ik sloeg mijn armen om haar hals; zij richtte het hoofd op, dat op +haar schouders bengelde en zag mij aan, maar blijkbaar zonder mij +te zien; toen rook ik de lucht van jenever, die haar adem mij in 't +gezicht blies. Ik deinsde terug en zij liet het hoofd weder zinken +op hare armen, die op tafel lagen uitgestrekt. + +--Gin, zeide mijn grootvader. + +En hij zag mij grinnikend aan, terwijl hij eenige woorden sprake die +ik niet verstond. + +Eerst bleef ik onbeweeglijk, als versteend staan; toen wierp ik een +blik op Mattia, wien eveneens de tranen in de oogen stonden. + +Ik gaf een wenk en weder gingen wij heen. + +Langen tijd liepen wij naast elkander voort, elkanders hand +vasthoudende, maar zonder een woord te spreken en zonder te weten, +waar wij heengingen. + +--Waar wilt ge naar toe? vroeg Mattia met zekere onrust. + +--Ik weet het niet, naar de eene of andere plek, waar wij samen +kunnen praten. Ik heb u iets te zeggen en hier, onder al die menschen, +kan ik dat niet doen. + +Toen ik nog over velden en door bosschen zwierf had ik dan ook, op het +voorbeeld van Vitalis, mij gewend, om nooit iets van eenig belang te +zeggen, wanneer wij ons in eene straat van een stad of dorp bevonden; +als ik menschen om mij heen zag, kon ik nooit goed mijne gedachten +bij elkander houden; nu wilde ik met Mattia ernstig spreken en wel +weten wat ik zeide. + +Op het oogenblik dat Mattia mij de vraag deed, waren wij in eene straat +gekomen breeder dan de stegen, waar wij tot hiertoe hadden rondgedoold; +ik meende aan het einde van die straat boomen te bespeuren. Misschien +was daar wel de vrije natuur. Wij volgden die richting. Het was de +vrije natuur niet, maar een zeer groot park met uitgestrekte grasvelden +en hier en daar groepjes jonge boomen. Hier waren wij waar wij wezen +moesten om samen te praten. + +Mijn besluit was genomen en ik wist wat ik zeggen wilde. + +--Ge weet dat ik veel van u houd, mijn beste Mattia, zeide ik tot mijn +makker, zoodra wij op een afgelegen schaduwrijk plekje ons hadden +neergezet, en ge weet ook wel, dat ik uit vriendschap u gevraagd +heb om met me naar mijn ouders te gaan. Je zult dus niet aan mijne +vriendschap twijfelen, wat ik u ook vragen mocht. + +--Wat een domme vraag! zeide hij, terwijl hij poogde te glimlachen. + +--Je wilt lachen, opdat ik niet bedroefd zou zijn, maar het doet er +niet toe of ik bedroefd ben; bij wien kan ik weenen, als het niet +bij u is? + +En mijn armen om Mattia heenslaande, barstte ik in tranen los; nooit +had ik mij zoo ongelukkig gevoeld als ik alleen was, temidden van +die groote, woelige wereld. + +Toen ik uitgeweend had, trachtte ik weder bedaard te worden; ik had +Mattia niet in dit park gebracht om mij door hem te doen beklagen; +'t was niet voor mij, maar voor hem dat ik er heengegaan was. + +--Mattia, zeide ik, gij moet heengaan; gij moet naar Frankrijk +terugkeeren. + +--U verlaten? Nooit. + +--Ik wist vooruit, dat ik dit antwoord van je krijgen zou en ik +ben gelukkig, dit verzeker ik je, dat gij mij nooit wilt verlaten; +maar toch moet het; ge moet naar Frankrijk of naar Italië of ergens +anders heengaan, maar niet in Engeland blijven. + +--En gij dan--waar wilt gij heengaan? Waar zullen wij samen heengaan? + +--Ik? Ik moet hier blijven, te Londen, bij mijn familie. Het is +immers mijn plicht om bij mijne ouders te blijven? Neem het geld, +dat wij overhebben en vertrek. + +--Zeg dat niet, Rémi; als er iemand heen moet gaan, dan zijt gij +het ongetwijfeld. + +--Waarom? + +--Omdat.... + +Hij voltooide den zin niet, maar wendde de oogen af voor mijn +vorschenden blik. + +--Mattia, zeg eens oprecht, zonder mij te ontzien en zonder vrees: +ge hebt vannacht niet geslapen? Hebt ge wat gezien? + +Hij hield de oogen neergeslagen en met gedempte stem zeide hij: + +--Ik sliep niet. + +--Wat hebt gij gezien? + +--Alles. + +--En wat hebt gij begrepen? + +--Dat men goed bracht dat men niet gekocht had. Uw vader heeft die +menschen beknord, dat zij aan den stal geklopt hadden inplaats van op +zijn huisdeur, en toen zeiden ze, dat zij in 't oog werden gehouden +door agenten van politie. + +--Ziet ge nu wel, dat gij hier vandaan moet! + +--Als ik hier vandaan moet, moet gij ook weg. Het is voor den een +evenmin goed als voor den ander. + +--Toen ik u vroeg om met mij mede te gaan, meende ik, naar hetgeen +vrouw Barberin mij had gezegd en ook naar mijn voorgevoel, dat +mijn ouders ons allebei konden doen onderwijzen en dat wij niet +van elkander behoefden te scheiden; maar 't is nu geheel anders +gesteld. Mijn droom..., was een droom. Wij moeten dus van elkaar. + +--Nooit. + +--Luister, Mattia, begrijp mij goed, en maak mij niet ongelukkiger +dan ik ben. Als wij te Parijs Garofoli hadden ontmoet en deze had u +weer bij zich genomen, dan zoudt gij niet gewild hebben, dat ik bij +u bleef, nietwaar? en wat ik thans tot u zeg, zoudt gij dan tot mij +gezegd hebben. + +Hij gaf geen antwoord. + +--Is het waar of niet? + +Na een oogenblik te hebben nagedacht, zeide hij: + +--Luister nu eens op uwe beurt: toen gij mij te Chavanon gesproken +hebt van uw familie, deed mij dit veel verdriet; ik had mij gelukkig +moeten gevoelen toen ik wist, dat gij uw ouders zoudt terugvinden, en +het speet mij integendeel. Inplaats van aan uwe vreugde en uw geluk +te denken, heb ik slechts aan mij zelven gedacht; ik dacht bij mij +zelven, dat als gij broers en zusters hadt, gij die zoudt liefhebben +als mij en meer misschien dan mij; rijke broers en zusters, die goed +waren opgevoed, veel wisten, mooie jongeheeren en jongejuffrouwen, +en ik was jaloersch van hen. Dit moet gij weten; dat is de waarheid, +die ik u beken en waarvoor ik vergiffenis vraag, als gij zulke slechte +gedachten vergeven kunt. + +--O Mattia! + +--Zeg, dat ge mij vergeeft. + +--Van ganscher harte: ik heb uw verdriet wel opgemerkt, maar ik neem +het u niet kwalijk. + +--Omdat ge zoo'n goed hart hebt; ge moet over hen, die slecht zijn, +niet zoo goed denken, en ik ben slecht geweest. Maar als ge mij +vergeeft, omdat ge goed zijt, ik vergeef niet, omdat ik slecht +ben. Gij weet nog niet alles. Ik dacht bij me zelven: ik ga met +hem naar Engeland, omdat ik het land wel eens zien wil; maar als hij +gelukkig zal zijn, heel gelukkig, dan ga ik heen en zonder ergens op te +houden, reis ik naar Lucca, om Christina te omhelzen. Maar inplaats +van rijk en gelukkig, zooals we geloofden, dat gij worden zoudt, +zijt gij nu niet rijk en.... in ieder geval, gij zijt niet, wat gij +gedacht hadt te zullen wezen. Daarom moet ik nu ook niet heengaan +en niet mijn zusje moet ik gaan omhelzen, maar mijn goeden makker, +mijn Rémi, moet ik gezelschap houden; hij is mijn vriend, mijn broeder. + +Met die woorden greep hij mijn hand, terwijl tranen in zijn oogen +welden, maar zij waren nog heeter en bitterder dan de tranen, die ik +gestort had. + +Hoe aangedaan ik ook was, mijn besluit liet ik daarom niet varen. + +--Gij moet heen; gij moet naar Frankrijk terugkeeren, om daar Lize te +bezoeken, vader Acquin en vrouw Barberin, en al mijne vrienden en hun +meedeelen, waarom ik niet doe wat ik wilde, wat ik mij voorstelde en +wat ik hun beloofd heb. Gij zult hun zeggen, dat mijne ouders niet +rijk zijn, zooals wij geloofd hadden en dit zal voldoende zijn voor +mijne verontschuldiging. Gij begrijpt het nu nietwaar? Zij zijn niet +rijk; dit verklaart alles: het is geen schande niet rijk te zijn. + +--Het is niet omdat zij niet rijk zijn, dat gij mij wilt heen doen +gaan; daarom ga ik dan ook niet heen. + +--Mattia, ik smeek u, vermeerder mijn verdriet niet; gij ziet hoe +groot het reeds is. + +--O, ik wil u niet dwingen om mij iets te zeggen, waarover gij u +schaamt. Ik ben niet slim; ik ben niet verstandig; maar zoo ik al +niet begrijp wat tot mijn hersens moest kunnen doordringen, ik gevoel +toch wat mij hier treft--hij legde bij die woorden zijn hand op het +hart--. 't Is niet, omdat uw ouders arm zijn, dat gij mij wilt doen +vertrekken; 't is niet, omdat zij mij niet kunnen voeden, want ik zou +hun niet tot last zijn, ik zou voor hen werken, maar 't is omdat--na +hetgeen gij vannacht gezien hebt--gij bang voor mij zijt. + +--Mattia; zeg dat niet. + +--Gij zijt bang dat ook ik de briefjes zal moeten afknippen van de +waren, die niet gekocht zijn. + +--O, zwijg toch, Mattia; mijn beste Mattia, zwijg toch. + +En ik bedekte met beide handen mijn gelaat, dat rood was van schaamte. + +--Welnu, zoo gij niet bang voor mij zijt, ging Mattia voort, ik ben +bang voor u en daarom zeg ik: laten wij samen heengaan, laat ons naar +Frankrijk terugkeeren, om vrouw Barberin en Lize en uwe vrienden op +te zoeken. + +--Dat is onmogelijk; mijne ouders zijn voor u niets; gij zijt hun +niets verschuldigd; maar voor mij zijn zij mijne ouders en ik moet +bij hen blijven. + +--Uwe ouders! Die oude, lamme man, uw grootvader! Die vrouw, die over +de tafel lag, uwe moeder. + +Ik sprong op en thans bevende, en niet meer als een verzoek riep +ik uit: + +--Zwijg, Mattia; spreek zoo niét; ik verbied het u. 't Is mijn +grootvader; 't is mijne moeder, van wie gij spreekt. Ik moet eerbied +en liefde voor hen hebben. + +--Dat moet ge, als zij werkelijk uwe ouders waren; maar als het noch +uw grootvader, noch uw vader, noch uw moeder is, dan behoeft gij hen +niet te eeren en lief te hebben. + +--Hebt gij dan het verhaal van mijn vader niet gehoord? + +--Wat bewijst dat verhaal? Zij hebben een kind verloren van uw +leeftijd; zij hebben het laten zoeken en zij hebben er een gevonden +van denzelfden ouderdom als zij verloren hadden; dat is al. + +--Gij vergeet dat het kind, hetwelk men hun ontstolen heeft, te +vondeling is gelegd in de avenue de Breteuil en dat ik in dezelfde +straat op denzelfden dag gevonden werd, als dat kind werd verloren. + +--Waarom zouden niet twee kinderen op denzelfden dag in dezelfde straat +te vondeling zijn gelegd? Waarom zou de commissaris van politie zich +niet kunnen vergist hebben, toen hij Driscol naar Chavanon zond? Dat +is mogelijk. + +--Dat is al te dwaas. + +--Misschien; wat ik zeg, wat ik tracht te betoogen schijnt misschien +onmogelijk, maar alleen, omdat ik het verkeerd zeg en verkeerd uitleg; +omdat ik een dom schepsel ben; een ander zou het beter weten uit te +leggen en dan zou het zeer verklaarbaar zijn. Ik ben dwaas, maar niet +mijn denkbeeld. Dat is al. + +--Helaas! neen; dat is _niet_ al. + +--Dan moet gij ook in aanmerking nemen, dat gij noch op uw vader, noch +op uw moeder gelijkt en dat gij geen blonde haren hebt als uw broers +en zusters, die allen, allen zonder uitzondering, dezelfde kleur van +haar hebben. Waarom zoudt gij dan ook niet zulk haar hebben? Van de +andere zijde is er nog een zeer zonderlinge zaak: hoe hebben menschen, +die niet rijk zijn, zooveel geld kunnen uitgeven om hun kind terug +te vinden? Om al deze redenen zijt gij, naar mijne overtuiging, geen +Driscoll. Ik weet wel dat ik dom ben; dat heeft men altijd gezegd; +maar dat is de schuld van mijn hoofd. Gij zijt geen Driscoll en gij +moet niet bij de Driscoll's blijven. Als gij nochtans bij hen blijven +wilt, dan blijf ik bij u. Maar gij moet aan vrouw Barberin verzoeken +ons te schrijven hoe uwe luiers er precies uitzagen; als wij haar +brief zullen ontvangen hebben, kunt gij hem, die zich uw vader noemt, +ondervragen en dan zullen wij wat meer licht krijgen in deze zaak. Tot +zoolang verlaat ik u niet en blijf ik bij u, ondanks u zelven. Als +er gewerkt moet worden, zullen wij samen werken. + +--Maar als men Mattia weder eens op zijn hoofd sloeg? + +Hij lachte treurig. + +--Dat zou zooveel pijn niet doen; men voelt de klappen niet, die men +ter wille van een vriend bekomt. + + + + +XXXVI. + +CAPI OP DEN SLECHTEN WEG. + + +Eerst tegen het vallen van den avond keerden wij in De Roode Leeuw +terug; den geheelen dag bleven wij in het fraaie park wandelen en +praten, nadat wij ontbeten hadden met een stuk brood, dat we hadden +gekocht. + +Mijn vader was thuis gekomen en mijn moeder stond overeind. Hij noch +zij maakte eenige opmerking over onze lange wandeling; eerst na het +avondeten zeide mijn vader, dat hij een woord met ons beiden, Mattia +en mij, wilde spreken en hij liet ons bij den grooten schoorsteen +komen, waarop de oude man begon te brommen, daar hij blijkbaar aan +zijne plaats bij den haard gehecht was. + +--Vertel me nu eens hoe ge in Frankrijk aan den kost zijt gekomen, +sprak mijn vader. + +Ik vertelde hem wat hij vroeg. + +--Dus zijt gij nooit bang geweest, dat gij van honger zoudt omkomen? + +--Nooit; niet alleen hebben wij in ons onderhoud kunnen voorzien, +maar wij hebben ook nog zooveel overgehouden, dat wij eene koe konden +koopen, zeide Mattia vrijmoedig, en op zijne beurt vertelde hij hoe +wij aan onze koe gekomen waren. + +--Dus hebt gij wezenlijk talent? vroeg mijn vader. Laat me eens hooren +wat gij kunt. + +Ik nam mijn harp en speelde een lied, maar niet het napolitaansche. + +--Heel goed, heel goed; en wat kan Mattia? + +Deze speelde eerst een deuntje op de viool en daarna op den horen. + +Dit verwierf vooral den bijval der kinderen die, in een kring om ons +heen geschaard, naar ons stonden te luisteren. + +--En Capi? vroeg mijn vader, waar speelt die op? Ik denk niet, dat gij +alleen voor uw pleizier dien hond met u medeneemt. Hij moet minstens +in staat zijn om zijn eigen kost te verdienen. + +Ik was trotsch op de talenten van Capi, niet alleen om hem zelven, +maar ook om Vitalis; ik liet hem eenige kunstjes doen en als +gewoonlijk vonden de kinderen dit weder alleraardigst en werd hij +luide toegejuicht. + +--Maar die hond is een fortuin, zeide mijn vader. + +Ik beantwoordde dat compliment met een lofrede op Capi en verzekerde +hem, dat hij in korten tijd alles kon leeren wat men wilde, ook dingen, +die men gewoonlijk niet van een hond ziet. + +Mijn vader vertaalde die woorden in het engelsch en hij scheen +er eenige woorden bij te voegen, die ik niet verstond, maar die +allen deden lachen, mijne moeder, zoowel als de kinderen en ook +mijn grootvader, die bij herhaling met de oogen knipte en uitriep: +"_a fine dog_," wat beteekende: een mooie hond. Maar Capi was er niet +trotsch op. + +--Nu dit het geval is, vervolgde mijn vader, wil ik u een voorstel +doen. Maar eerst moet ik weten of Mattia in Engeland wil blijven en +of hij bij ons zijn intrek wil nemen. + +--Ik wensch bij Rémi te blijven, antwoordde Mattia, die veel slimmer +was dan hij wel deed schijnen en ook dan hij zelf wel wist. Waar Rémi +gaat, daar ga ik ook. + +Mijn vader, die niet gissen kon wat er met dat antwoord bedoeld werd, +scheen ermede tevreden. + +--Als de zaken zoo gesteld zijn, kom ik op mijn voorstel terug. Wij +zijn niet rijk en wij werken allen om aan den kost te komen. Des zomers +doorkruisen wij Engeland en mijne kinderen gaan onze koopwaar aanbieden +aan de menschen, die zich de moeite niet willen geven om tot ons te +komen, maar 's winters hebben wij niet veel te doen. Zoolang wij te +Londen zijn, zullen Rémi en Mattia muziek maken op straat en ik twijfel +er niet aan of zij zullen goed geld verdienen, vooral tegen Kersttijd +bij de zoogenaamde _waits_ of nachtwaken. Maar daar wij niets moeten +verloren laten gaan, zal Capi voorstellingen geven met Allen en Ned. + +--Capi kan alleen zijn kunstjes vertoonen met ons, zeide ik levendig, +want het beviel me volstrekt niet, dat ik van hem zou moeten scheiden. + +--Hij zal 't wel leeren met Allen en Ned, wees maar gerust, hervatte +mijn vader, en door ons zoo te verdeelen, verdienen wij veel meer. + +--Maar ik verzeker u, dat hij niets goed zal doen, en bovendien zullen +Mattia en ik minder verdienen; met Capi bij ons zullen wij veel beter +zaken maken. + +--'t Is genoeg, zeide mijn vader; als ik eens iets gezegd heb, moet dit +terstond gebeuren, dat is zoo de regel van mijn huis, en ik verlang, +dat ge u daaraan onderwerpt, evenals al de anderen. + +Ik mocht niets meer zeggen en ik zeide ook niets meer, maar ik dacht +bij me zelven, dat mijn mooie droomen voor Capi even treurig zouden +eindigen als voor mij zelven. Wij zouden dus gescheiden worden! Welk +een treurig lot voor hem en voor mij. + +Wij gingen nu naar onzen wagen om ons te rust te leggen, maar thans +sloot mijn vader de deur niet af. + +Toen ik mij te rusten legde, kwam Mattia, die langer bezig was geweest +om zich te ontkleeden, bij mij en fluisterde me op gedempten toon toe: + +--Ge merkt dat hij, die zich uw vader noemt, niet alleen kinderen +wil hebben, die voor hem werken, maar ook honden; kan dat nu uw oogen +nog niet openen? Morgen schrijven wij aan vrouw Barberin. + +Maar den anderen dag moest ik Capi zijn les leeren; ik nam hem in +mijn armen en zachtjes, terwijl ik hem liefkoosde en kuste vooral op +zijn snuit, vertelde ik hem wat ik van hem verwachtte. Het arme dier +keek mij aan en luisterde aandachtig toe. + +Toen ik het touw aan Allen in de hand gaf, herhaalde ik mijne les +en Capi was zoo verstandig, zoo leerzaam, dat hij mijn twee broers +volgde, wel heel neerslachtig, maar toch zonder zich te verzetten. + +Wat Mattia en mij betreft, mijn vader wilde zelf ons in een gedeelte +der stad brengen, waar wij kans hadden goede zaken te doen, en wij +doorkruisten heel Londen om in eene wijk te komen, waar fraaie +huizen stonden met groote deuren, en straten met tuinen voor de +gebouwen. In die prachtige straten zag men geen arme menschen meer +in lompen gehuld en met hongerige gezichten, maar schoone dames met +prachtige toiletten, rijtuigen met beschilderde paneelen, die blonken +als spiegels en mooie paarden, die gemend werden door dikke, groote +koetsiers met gepoederde pruiken. + +Eerst laat keerden wij in De Roode Leeuw terug, want de afstand is +groot tusschen Westend en Bethnal-Green, en ik was recht blij Capi +weer te zien, wel wat beslijkt, maar gezond en vroolijk. + +Ik was zoo in mijn schik, toen ik hem weerzag, dat ik hem terstond +met mijn droge hand afwreef en hem in mijn schapevacht wikkelde en +in mijn bed legde. Wie de gelukkigste van ons beiden was, hij of ik, +zou ik moeilijk kunnen zeggen. + +Zoo leefden wij eenige dagen; des morgens vroeg gingen wij uit en des +avonds laat keerden we terug, na al onze stukjes te hebben gespeeld, +nu eens in de eene buurt dan in de andere, terwijl, van zijn kant, +Capi voorstellingen ging geven onder leiding van Allen en Ned; maar +op een avond zeide mijn vader, dat ik den volgenden morgen Capi met +mij zou kunnen nemen, daar hij Allen en Ned thuis zou houden. + +Dat deed ons veel plezier en Mattia en ik namen ons voor, dat wij dien +dag zulk eene goede som gelds zouden thuis brengen, dat men hem ons +voortaan altijd zou meegeven. Wij moesten Capi weder voor ons winnen +en wij zouden dus geen moeite ontzien. + +Des morgens maakten wij hem dus zoo mooi mogelijk, en na het ontbijt +begaven wij ons op weg naar die buurt, waar wij bij ondervinding +wisten, dat het geachte publiek het mildst was. Wij moesten daartoe +geheel Londen van het oosten naar het westen doorsteken door Old +Street Holborn en Oxford Street. + +Ongelukkig voor ons en zeer nadeelig voor onze onderneming, trok de +mist, die al twee dagen duurde, maar niet op. De lucht, of wat men +in Londen de lucht noemt, bestond uit een oranjeachtigen nevel en in +de straten hing eene soort van grijzen damp, die belette, dat men +verder dan een paar schreden voor zich uit kon zien. De menschen +zouden dus hun huis niet uitkomen, en zoo men ons al kon hooren, +men zou Capi niet zien. Er was dus niet veel kans op een goeden dag, +en Mattia verwenschte den mist, dien akeligen fog, zonder te gissen +welk een dienst hij een oogenblik later aan ons alle drie bewijzen zou. + +Wij stapten stevig door, en hielden Capi vlak achter ons; een woord, +dat ik hem van tijd tot tijd toevoegde, was daartoe meer voldoende dan +de stevigste ketting. Zoo kwamen wij in Holborn, dat, zooals men weet, +een der drukste straten van Londen is, waarin men de meeste winkels +vindt. Opeens ontdekte ik, dat Capi ons niet meer volgde. Wat was +er met hem gebeurd? Dit was iets geheel buitengewoons. Ik stond stil +om hem op te wachten, vatte post op den hoek van eene dwarsstraat en +floot zachtjes, want ik kon niet ver van mij afzien. Ik was al bang, +dat hij gestolen zou zijn, toen hij plotseling bij mij stond met een +paar wollen kousen in zijn bek. Hij zette kwispelstaartend de pooten +tegen mijne knieën, bood mij de kousen aan en scheen me te verzoeken, +dat ik die zou aannemen. Hij scheen er zeer mede in zijn schik, alsof +hij een zijner mooiste toeren had vertoond, en nu mijne goedkeuring +verwachtte. + +Dit had slechts een oogenblik geduurd, toen eensklaps Mattia de kousen +met de eene hand greep en met de andere mij voorttrok. + +--Laten we gauw voortgaan, maar zonder hard te loopen, fluisterde hij. + +Eerst na eenige minuten gaf hij mij de verklaring van die vlucht. + +--Evenals gij, zeide hij, vroeg ik me af, waar dat paar kousen vandaan +kwam, toen ik een man hoorde uitroepen: "waar is de dief?" De dief, +dit vat ge, was Capi. Als er niet zoo'n zware mist hing, zouden wij +als dieven zijn gepakt. + +Ik begreep het nog niet best: een oogenblik stond ik als verbijsterd; +zij hadden een dief gemaakt van mijn goeden, eerlijken Capi! + +--Laten wij naar huis gaan, zeide ik tot Mattia, en bond Capi aan +een touw. + +Mattia zeide geen woord en wij keerden zoo snel mogelijk naar De +Roode Leeuw terug. + +Vader, moeder en de kinderen zaten om de tafel en waren bezig om +de manufacturen uit te vouwen. Ik wierp het paar kousen op tafel, +waarover Allen en Ned hartelijk begonnen te lachen. + +--Daar is een paar kousen, zeide ik, dat Capi gestolen heeft, want +men heeft een dief van hem gemaakt. Ik hoop dat het maar voor de +aardigheid was. + +Ik beefde terwijl ik dit zeide, maar nooit had ik me zoo vastberaden +gevoeld. + +--En als het eens niet voor de aardigheid was, zeide mijn vader, +wat zoudt ge dan doen? zeg dat eens. + +--Dan zou ik Capi een touw om den hals binden en hem in de Theems +verdrinken. Ik wil niet, dat Capi een dief wordt, evenmin als ik +zelf een dief worden wil. Als ik dacht, dat dit me overkomen moest, +zou ik me tegelijk met hem gaan verdrinken. + +Mijn vader zag mij dreigend aan en maakte eene beweging of hij me +wilde vermoorden, zijn oogen kwamen bijna uit de kassen; maar ik +sloeg de mijne niet neer; langzamerhand nam zijn gelaat weder de +gewone uitdrukking aan. + +--Ge hebt gelijk, zeide hij; 't was maar voor de aardigheid. Opdat +het niet meer gebeure, zal Capi voortaan alleen met u uitgaan. + + + + +XXXVII. + +DE MOOIE LUIERS WAREN BEDROG. + + +Wat ik ook gedaan had om goede vrienden met mijn broeders Ned en +Allen te worden, zij hadden mij altijd nijdig van zich gestooten, +en alles wat ik voor hen had willen doen, hadden zij geweigerd: +blijkbaar was ik in hun oog geen broer van hen. + +Na het gebeurde met Capi, werd onze verhouding zuiverder +aangegeven. Wel niet met woorden, want ik kon mij niet gemakkelijk in +het engelsch uitdrukken, maar door eenige duidelijke gebaren, waarbij +mijne vuisten eene voorname rol speelden, gaf ik hun te kennen, dat, +zoo zij het minste tegen Capi ondernamen, ze met mij te doen zouden +hebben om hem te verdedigen of te wreken. + +Nu ik geen broers had, wilde ik toch zusters hebben; maar Annie, +de oudste, betoonde mij al niet meer genegenheid dan hare broeders; +evenals zij, beantwoordde zij elke poging tot toenadering met +stuurschheid en geen dag ging er voorbij, zonder dat zij mij eenige +streek speelde, waarin zij--dit moet ik erkennen--zeer ver was. + +Door Allen en Ned afgestooten en afgestooten ook door Annie, bleef +mij niets dan de kleine Kate, die pas drie jaar oud was en dus te +jong om met haar broers en zusters samen te spannen. Zij liet zich +dan ook door mij liefkoozen, eerst omdat ik Capi kunstjes voor haar +liet doen en later, toen ik Capi weder terugkreeg, omdat ik haar +koekjes, sinaasappelen en andere lekkernijen gaf, die ik kreeg van +de kinderen, als ze met een heel voornaam gezichtje riepen: "voor den +hond." Sinaasappelen aan een hond te geven was niet heel verstandig, +maar ik nam ze dankbaar aan, want op die wijze kon ik de liefde winnen +van Kate. + +Dus was er van het geheele gezin, waarvoor ik zooveel liefde gevoelde, +toen ik in Engeland aan wal stapte, slechts een enkel lid, de kleine +Kate, die ik mocht liefhebben. Mijn grootvader ging nog maar altijd +voort met te spuwen naar mijn kant, als ik dicht bij hem kwam; +mijn vader bemoeide zich niet met me, behalve des avonds om het +geld te ontvangen dat wij hadden verdiend; mijn moeder was in den +regel buiten westen. Allen, Ned en Annie hadden een hekel aan mij; +Kate alleen, liet zich aanhalen, en nog maar alleen, omdat ik mijn +zakken vol lekkers had. + +Welk eene teleurstelling! + +In mijne droefheid zeide ik dan ook bij mij zelven, niettegenstaande +ik de onderstelling van Mattia in het eerst had afgewezen, dat, +zoo ik werkelijk het kind was van die familie, men andere gevoelens +mij zou toedragen dan mij nu zoo onbewimpeld werden getoond, terwijl +ik, van mijn kant, niets gedaan had om die onverschilligheid en die +hardheid te verdienen. + +Toen Mattia mij onder den indruk zag van die treurige overpeinzing, +begreep hij zeer goed, wat er de oorzaak van was, en alsof hij tot +zich zelven sprak, zeide hij: + +--Ik ben erg nieuwsgierig wat vrouw Barberin zal antwoorden. + +Teneinde den brief te bekomen, die mij "poste restante" zou worden +toegezonden, waren wij van onzen gewonen tocht afgeweken en inplaats +van naar Holborn te gaan, begaven wij ons over West-Smithfield naar +het postkantoor. Zeer dikwijls deden wij dien tocht tevergeefs, maar +eindelijk werd de brief, dien wij met zooveel ongeduld verwachtten, +mij ter hand gesteld. + +Het groote gebouw van het postkantoor was geen plaats bijzonder +geschikt om brieven te lezen. Wij zochten daarom een gang op in eene +naburige straat, wat mij tevens den tijd gaf om mijne ontroering +eenigszins meester te worden. Daar kon ik eindelijk den brief van +vrouw Barberin, of liever van den pastoor van Chavanon, openmaken. Hij +luidde: + + + Mijn lieve Rémi! + + "Ik ben zeer verwonderd en ontstemd over hetgeen in uw brief te + lezen staat, want naar hetgeen mijn goede Barberin mij altijd + gezegd had, zoowel nadat hij u in de Avenue de Breteuil had + gevonden als nadat hij met den persoon gesproken had, die + u zocht, moesten uwe ouders bemiddelde, ja zelfs vermogende + menschen zijn. + + "In die meening werd ik bevestigd door de wijze, waarop gij + gekleed waart toen Barberin u te Chavanon bracht en uit de + kleeren, die gij toen aanhadt, bleek klaar, dat zij tot de + luiermand behoorden van een rijk kind. Gij verzoekt mij u + duidelijk te beschrijven hoe de kleertjes er uitzagen, waarin + men u had gewikkeld. Ik kan dit des te gemakkelijker doen, + omdat ik al die voorwerpen heb bewaard, daar zij eenmaal + misschien strekken konden om u te doen herkennen, als men u + mocht opvorderen, wat volgens mij zeker moest gebeuren. + + "Maar vooraf moet ik u zeggen, dat gij eigenlijk geen luiers + hadt; als ik daarvan soms gesproken mocht hebben was dit uit + gewoonte en omdat de kinderen bij ons luiers dragen. Gij hadt + die niet; integendeel; zie hier hoe gij waart aangekleed en + welke dingen ik bij u heb gevonden: een kanten mutsje, dat + niets bijzonders had behalve dat het zeer fraai en kostbaar + was; een nauwsluitend hemdje van fijn linnen met een kantje + aan den hals en aan de armen; een flanellen hemdje; witte + wollen kousjes; gebreide witte schoentjes; een manteltje met + een kap van wit cachemir met zijde gevoerd en fraai geborduurd. + + "Gij hadt een wollen luier aan, die tot dezelfde luiermand + behoorde, maar bij den commissaris van politie had men u eene + andere aangedaan, een gewonen doek. + + "Ik moet er ten slotte nog bijvoegen, dat geen van die + kleeren gemerkt waren, maar de wollen luier en het hemdje + moeten gemerkt zijn geweest, want de hoeken, waarop gewoonlijk + het merk staat, waren afgeknipt, waaruit genoeg blijkt, dat + men alle voorzorgen had genomen om nasporingen vruchteloos + te maken. + + "Ziedaar, lieve Rémi, alles wat ik u vertellen kan. Als gij + meent die dingen noodig te hebben, schrijft mij dan maar; + dan zal ik ze u zenden. + + "Laat het u maar niet spijten, kindlief, dat gij mij de + mooie presenten niet geven kunt, die gij mij hebt beloofd: + de koe, waarvoor gij het geld uit uw mond gespaard hebt, + is voor mij mooier dan het kostbaarste geschenk. Ik kan u + tot mijn blijdschap zeggen, dat zij nog altijd gezond is; + zij blijft evenveel melk geven en door haar heb ik nu alles + wat ik noodig heb en leef ik in overvloed. Zoo dikwijls ik + ze zie, denk ik aan u en aan uw vriendje Mattia. + + "Gij zult mij genoegen doen als gij weer eens iets van u laat + hooren; moge het altijd iets goeds zijn. Gij zijt zoo lief + en hartelijk: wat zoudt gij gelukkig zijn met eene familie, + een vader, een moeder, broers en zusters, die u liefhadden, + zooals gij verdient. + + "Vaarwel, mijn lief kind; ik omhels u hartelijk in gedachten. + + + Uw pleegmoeder, + Weduwe Barberin." + + +Het slot van den brief deed mijn hart kloppen: arme vrouw Barberin! wat +was zij goed voor mij. Dat was omdat zij mij liefhad en zij zich +verbeeldde dat iedereen mij moest liefhebben zooals zij. + +--'t Is eene goede vrouw, zeide Mattia, zij heeft aan mij ook gedacht; +maar al had zij mij vergeten, dan zou ik haar toch dankbaar zijn +voor haar brief om die uitvoerige beschrijving; die Driscoll moet +zich nu niet vergissen als hij de kleeren opnoemt, die gij aanhadt, +toen men u stal. + +--Hij kan ze vergeten hebben. + +--Zeg dat nu niet: zou men de kleeren kunnen vergeten van het kind, +dat men verloren heeft,--want die zouden juist het eenige middel zijn +om het terug te vinden. + +--Zoolang mijn vader mij nog niet geantwoord heeft, moet gij niet +zulke onderstellingen maken, als ik je verzoeken mag. + +--Welnu, wij zullen zien. + +Het was geen gemakkelijke zaak om aan mijn vader te vragen hoe +ik gekleed was, toen ik gestolen werd. Als ik hem heel argeloos, +zonder bijgedachte, die vraag kon doen, zou niets eenvoudiger zijn +geweest; maar dit was zoo niet; en het was juist die bijgedachte, +die mij beschroomd en aarzelend maakte. + +Eindelijk, toen een ijskoude regen ons eens op een avond vroeger +naar huis had gedreven dan gewoonlijk, vatte ik moed en bracht ik +het gesprek op het onderwerp, dat mij zoo onophoudelijk kwelde. + +Bij het eerste woord zag mijn vader mij strak aan en trachtte met +zijn blik mijne gedachte uit te vorschen, zooals hij gewoon was te +doen, wanneer hij zich gekrenkt gevoelde door hetgeen ik zeide, maar +ik doorstond zijn blik beter dan ik op dat oogenblik gemeend had te +kunnen doen. + +Ik dacht dat hij woedend boos zou worden en wierp een angstigen blik +naar Mattia, die naar ons luisterde, zonder den schijn ervan aan te +nemen, om hem getuige te doen zijn van de onhandigheid, die hij mij +had doen begaan; maar dit gebeurde niet; toen de eerste aanval van +drift voorbij was, begon hij te glimlachen; wel is waar was er iets +hards en wreeds in dien glimlach, maar hij glimlachte toch. + +--Wat mij het meest geholpen heeft om u terug te vinden, zeide hij, +was de beschrijving van de kleeren die gij aanhadt den dag dat men u +gestolen heeft: een kanten mutsje, een linnen hemdje met kant geboord, +een luier en flanellen jurk, wollen kousjes, gebreide schoentjes, een +cachemiren geborduurd manteltje met een kap. Ik had vooral gehoopt, +dat de letters, waarmede uw goed gemerkt was, F. D.--Francis Driscoll, +want zoo is uw naam,--mij op het spoor zouden brengen; maar dat merk +is er afgeknipt door haar, die u gestolen heeft en daardoor meende +zij te beletten, dat men u ooit ontdekte; ik moest uw geboorte-akte +overleggen, die ik in de parochie gelicht had; deze heeft men mij +gegeven en ik moet ze nog hebben. + +Toen hij dit zeide, zoo vriendelijk als hij nooit sprak, ging hij +zoeken in een lade en weldra kwam hij met een groot stuk papier met +verschillende lakken, dat hij mij overreikte. + +Ik wendde een laatste poging aan. + +--Als gij 't goedvindt, zeide ik, zal Mattia het voor mij vertalen. + +--Met genoegen. + +Uit die vertaling van Mattia, zoo goed en zoo kwaad als 't kon, bleek, +dat ik op Donderdag den 2den Augustus was geboren en de zoon was van +Patrick Driscoll en Margaret Grange, zijne vrouw. + +Wat behoefde ik nog meer te vragen? + +Mattia evenwel was minder voldaan, en toen wij des avonds in onzen +wagen hadden plaatsgenomen, boog hij zich naar mij toe met zijn mond +aan mijn oor, alsof hij mij een geheim wilde toevertrouwen. + +--Dat alles is prachtig, zeide hij, maar dat heldert toch nog volstrekt +niet op, hoe Patrick Driscroll, rondreizend koopman, en Margaret +Grange, zijne vrouw, zoo rijk waren, dat zij aan hun kind een kanten +muts konden geven en een hemd met kant geboord en een geborduurd +cachemiren manteltje: reizende kooplieden zijn zoo rijk niet. + +--Juist omdat zij kooplui waren, kostten hun die kleeren niet zoo +veel geld. + +Mattia schudde het hoofd en begon te fluiten; toen fluisterde hij +weder en zeide: + +--Wil ik u eens zeggen wat mij maar niet uit het hoofd wil: dat gij +niet het kind zijt van dien Driscoll, maar het kind dat door Driscoll +gestolen werd. + +Ik wilde antwoorden, maar Mattia was al in zijn bed geklommen. + + + + +XXXVII. + +DE OOM VAN ARTHUR: JAMES MILLIGAN. + + +Als ik in de plaats van Mattia was geweest, zou ik misschien even zoo +gedacht hebben als hij; maar in den toestand, waarin ik verkeerde, +waren mij zulke onderstellingen niet geoorloofd. + +Het gold toch mijn vader. + +Voor Mattia was deze slechts Driscoll en niets anders. + +En als ik met mijn geest Mattia wilde volgen, dan hield ik mij zelven +terug, maar toch niet zóó, als ik wel zou verlangen. + +Mattia kon van Driscoll denken al wat hij goedvond; voor hem was deze +een vreemdeling, aan wien hij niets verplicht was. + +Ik daarentegen was allen eerbied aan mijn vader verschuldigd. + +Zeker waren er zonderlinge dingen in mijn toestand, maar ik was niet +vrij om erover na te denken van hetzelfde standpunt als Mattia. + +Mattia mocht eraan twijfelen. + +Aan mij was dit niet geoorloofd. En toen Mattia mij zijn twijfel +wilde mededeelen, was het mijn plicht hem het zwijgen op te leggen. + +Dat trachtte ik ook te doen, maar Mattia was koppig en ik kon er niet +in slagen om die koppigheid te overwinnen. + +--Sla er maar op, als ge lust hebt, zeide hij, word boos maar luister. + +En toen moest ik wel luisteren naar zijn vragen. + +--Waarom hadden Allen, Ned, Annie en Kate lichtblond haar, terwijl +het mijne niet blond was? + +--Waarom gedroegen al de leden van de familie Driscoll, behalve Kate, +die nog niet wist wat zij deed, zich tegenover mij zoo onaangenaam, +alsof ik een schurftige hond was? + +--Hoe konden menschen, die niet rijk waren, hun kinderen kleeren met +kant geven? + +Op al die vragen waarom en hoe, had ik maar één antwoord, dat zelf +eene vraag was: + +--Waarom zou de familie Driscoll mij gezocht hebben, als ik haar +kind niet was? Waarom zou zij geld gegeven hebben aan Barberin en +aan Greth and Galley? + +Mattia verklaarde, dat hij het niet beantwoorden kon. Maar toch gaf +hij zich niet gewonnen. + +--Omdat ik geen antwoord kan geven op uwe vraag, zeide hij, bewijst +dit niet, dat ik ongelijk heb; want gij kunt geen antwoord geven op +een van mijne vragen. Een ander in mijne plaats zou heel goed kunnen +ophelderen, waarom Driscoll u heeft laten zoeken en met welk doel +hij zooveel geld heeft besteed. Ik kan dat niet, omdat ik niet slim +ben en omdat ik nergens verstand van heb. + +--Zeg dat toch niet; ge zijt integendeel heel slim. + +--Als ik dat was, zou ik u dadelijk weten uit te leggen wat ik nu +niet begrijp, maar ge moet het voelen, neen, gij zijt geen kind van +de familie Driscoll; gij zijt het niet en gij kunt het niet zijn. Dat +zal later wel aan 't licht komen, daar ben ik zeker van; maar het +oogenblik, dat alles moet ophelderen, vertraagt gij door uwe oogen +maar niet te willen openen. Ik begrijp wel, dat gij u weerhouden laat +door eerbied voor uwe ouders; maar dit moet u toch niet stomp maken. + +--Maar wat wilt gij dan dat wij doen zullen? + +--Naar Frankrijk terugkeeren. + +--Onmogelijk. + +--Omdat uw plicht u noopt bij uwe familie te blijven; maar als het +uwe familie niet is, wat weerhoudt u dan? + +Zulke gesprekken konden tot niets leiden dan alleen om mij nog +ongelukkiger te maken dan ik reeds was. + +Niets toch is erger dan twijfel. En hoewel ik niet _wilde_ twijfelen, +twijfelde ik toch. + +Was die vader mijn vader? Was die moeder mijne moeder? Waren die +kinderen mijn broers en zusters? + +Het was vreeselijk dit te moeten erkennen; ik had nog minder smart +en gevoelde mij nog minder ongelukkig, toen ik alleen was. + +Wie zou ooit gedacht hebben, toen ik in eenzaamheid weende, omdat +ik geen familie had, dat ik nog rampzaliger wezen zou, als ik er wèl +eene had? + +Hoe zou ik licht vinden? Wie zou mij licht schenken? Hoe zou ik ooit +de waarheid vernemen? + +Voor die vragen stond ik stil, onder het drukkend besef van mijne +onmacht en ik zei tot mijzelven, dat ik vruchteloos mijn leven lang +met het hoofd zou bonzen op dien muur, die geen uitgang aanbood. + +Toch moest ik zingen, deuntjes spelen, waarop men dansen kon, en +aardig zijn, terwijl ik in mijn hart zoo diep bedroefd was. + +De zondagen waren mijne gelukkigste dagen, omdat er des zondags +te Londen geen muziek op straat mag worden gemaakt; dan kon ik mij +ongestoord aan mijne droefheid overgeven, als ik wandelde met Mattia +en Capi. Hoe weinig was er in mij nog over van den knaap, die ik +eenige maanden geleden was! + +Op een van die zondagen, toen ik mij gereed maakte om met Mattia +uit te gaan, hield mijn vader mij thuis en zeide, dat ik hem dien dag +behulpzaam moest wezen. Hij liet Mattia alleen uitgaan. Mijn grootvader +was nog niet beneden; mijne moeder was uitgegaan met Kate en Annie en +mijne broers liepen op straat; mijn vader en ik waren dus alleen thuis. + +Een uur lang waren wij alleen geweest, toen men aan de deur klopte; +mijn vader ging openen en keerde terug met een heer, die niets geleek +op de vrienden, welke hij gewoonlijk ontving; dit was inderdaad +een heer, iemand dien men in Engeland een _gentleman_ noemt. Hij +was zeer netjes gekleed en hij had een voornaam voorkomen en een +trotsch gelaat, met eenigszins vermoeide trekken. Hij moest ongeveer +vijftig jaar zijn. Wat mij het meest in hem trof was zijn glimlach: +dan openden zich zijne lippen en vertoonden zich twee rijen witte +puntige tanden als van een jongen hond. Dit maakte een eigenaardigen +indruk en ik vroeg mij af, of het eigenlijk wel een glimlach was dan +wel een beweging om te bijten. + +Terwijl hij met mijn vader Engelsch sprak, wierp hij telkens een +blik naar mij; maar als hij den mijnen ontmoette, wendde hij de oogen +terstond af. + +Nadat hij een poos lang met mijn vader gesproken had, wisselde hij +het Engelsch met het Fransch, dat hij vloeiend en bijna zuiver sprak. + +--Is dat de knaap, waarvan gij me gesproken hebt? zeide hij tot mijn +vader, met den vinger naar mij wijzend. Hij schijnt een gezonde jongen +te zijn. + +--Antwoord mijnheer, zeide mijn vader. + +--Ben je gezond? vroeg de voorname heer. + +--Ja, mijnheer. + +--Ben je nooit ziek geweest. + +--Ik heb eens eene bloedspuwing gehad. + +--Zoo, zoo; hoe kwam dat? + +--Ik had 's nachts in de sneeuw geslapen, toen het vinnig koud was; +mijn meester is dien nacht van koude gestorven; ik heb er maar eene +bloedspuwing van gekregen. + +--Is dat lang geleden? + +--Drie jaar. + +--En heb je later nooit gevolgen van die ziekte ondervonden? + +--Neen. + +--Geen vermoeidheid, geen afgemat gevoel? Zweette je 's nachts erg? + +--Neen nooit; als ik mij moe gevoelde, was het omdat ik lang geloopen +had; maar ziek was ik er niet van. + +--En kunt ge goed tegen vermoeienis? + +--Dat moet ik wel. + +Hij stond op en kwam naar mij toe; hij voelde mijn armen, legde toen +zijn hand op mijn hart en vervolgens zijn hoofd tegen mijn rug en +vervolgens tegen mijn borst en beval mij diep adem te halen, alsof +ik hard had geloopen; toen liet hij mij ook hoesten. + +Toen dit afgeloopen was, zag hij mij zeer aandachtig een poos aan +en toen vooral kwam de gedachte bij mij op, dat hij bijten wilde; +zoo dreigend was zijn glimlach. + +Zonder verder iets te zeggen, zette hij in het Engelsch het gesprek +met mijn vader voort; daarop gingen zij samen heen, niet naar de +straatdeur, maar naar den stal. + +Toen ik alleen was, vroeg ik mijzelven af, wat al die vragen van den +voornamen heer beteekenden? Wilde hij mij in zijn dienst nemen? Maar +dan moest ik scheiden van Mattia en Capi! Bovendien had ik het vaste +besluit genomen om nooit meer bij iemand in dienst te zijn, zoomin van +dien gentleman, aan wien ik nu al een hekel had, als van een ander, +wien ik misschien genegen zou zijn. + +Na verloop van eenigen tijd kwam mijn vader terug. Hij zei, dat +hij uit moest, en dat hij mij dus niet noodig had, zooals hij eerst +gedacht had; ik kon dus ook uitgaan als ik wilde, zeide hij. + +Ik had er volstrekt geen lust in; maar wat moest ik in dit treurige +huis beginnen? Ik kon evengoed gaan wandelen als hier blijven en +mij vervelen. + +Daar het regende, ging ik naar onzen wagen om mijn schapevacht te +halen: hoe verwonderd was ik daar Mattia te vinden; ik wilde iets +tegen hem zeggen, maar hij legde de hand op mijn mond en sprak op +fluisterenden toon: + +--Maak de staldeur open, ik zal stil achter u komen; men mag niet +weten, dat ik in den wagen was. + +Eerst toen wij op straat waren, besloot Mattia te spreken. + +--Weet gij wie die heer is, die straks bij uw vader was? vroeg hij. De +heer James Milligan, de oom van uw vriend Arthur. + +Daar ik onbeweeglijk middenop straat bleef staan, nam hij mij bij +den arm, en voortloopende, vervolgde hij: + +--Daar het mij verveelde alleen door die sombere straten te loopen, op +zoo'n triestigen zondag, ben ik maar naar huis gegaan om te gaan slapen +en ben toen in mijn bed gaan liggen; maar ik heb niet geslapen. Uw +vader kwam met een heer in den stal en ik hoorde wat zij zeiden, +zonder bepaald te luisteren. "Zoo stevig als ijzer en staal," zeide +de heer; "tien anderen zouden dood zijn gegaan; hij heeft er maar een +bloedspuwing van gekregen." Toen begreep ik, dat men over u sprak en +luisterde ik; maar het gesprek nam een andere wending.--"Hoe gaat het +met uw neef?" vroeg uw vader.--"Beter; hij zal er nog wel van opkomen; +drie maanden geleden hadden alle dokters hem opgegeven; zijne goede +moeder heeft hem nog gered door hare oppassing; o,'t is een goede +moeder, die mevrouw Milligan." Gij kunt denken hoe ik mijn ooren +spitste, toen ik dien naam hoorde. "Dus als uw neefje beter wordt," +ging uw vader voort, "zijn al uwe voorzorgen overbodig?"--"Voor het +oogenblik misschien," antwoordde de heer, "maar ik kan niet aannemen, +dat Arthur in het leven blijft; dat zou een wonder zijn en wonderen +zijn er niet meer; maar als hij sterft, moet ik zeker zijn, dat er +geen andere opdaagt en moet ik, James Milligan, de eenige erfgenaam +zijn."--"Wees gerust," zeide uw vader, "dat zal gebeuren; daar sta ik +u voor in."--"Ik reken op u," zeide de gentleman.--En hij voegde er nog +iets bij, dat ik niet juist begreep, maar dat mij scheen te beteekenen: +"Voor 't oogenblik zullen wij zien wat ons te doen staat." Toen ging +hij heen. + +Mijne eerste gedachte was naar huis te gaan om aan mijn vader het adres +van den heer Milligan te vragen, teneinde iets te vernemen omtrent +Arthur en zijne moeder, maar ik zag terstond in, dat dit een dwaasheid +zou zijn: een man, die met ongeduld op den dood van zijn neef wachtte, +was waarlijk de geschikte persoon niet, om hem narichten omtrent dien +neef te vragen. Van den anderen kant ware het ook zeer onvoorzichtig, +om aan den heer Milligan te zeggen, dat men had gehoord wat hij zeide. + +Arthur leefde; hij was weer beter. Voor het oogenblik gaf die goede +tijding mij al genot genoeg. + + + + +XXXIX. + +DE KERSTNACHTEN. + + +Wij spraken over niets anders meer dan over Arthur, mevrouw Milligan +en James Milligan. + +Waar waren Arthur en zijne moeder? Waar zouden wij ze zoeken? Waar +hen vinden? + +Het bezoek van den heer James Milligan had ons op een denkbeeld +gebracht en een plan doen vormen, dat, naar wij meenden, zeker moest +gelukken: daar de heer Milligan eenmaal in De Roode Leeuw was geweest, +konden wij zeker zijn, dat hij er nog wel eene tweede en eene derde +maal zou komen. Hij deed immers zaken met mijn vader? Als hij dan +weder wegging, zou Mattia, dien hij niet kende, hem volgen; hij zou +dan diens woning ontdekken; hij zou zijne bedienden aan 't praten +brengen, en misschien zou hij ons bij Arthur brengen. + +Waarom niet? Dit scheen ons, in ons idee, volstrekt niet zoo +onmogelijk toe. + +Dat mooie plan zou ons niet alleen het voordeel verschaffen, dat wij +Arthur terugvonden, maar ook een ander, dat reeds dadelijk een einde +maakte aan de moeielijkheid, waarin ik mij bevond. + +Sedert het gebeurde met Capi en na het antwoord van vrouw Barberin, +hield Mattia niet op in allerlei vorm mij toe te voegen: "Laten wij +naar Frankrijk terugkeeren." Dat liedje zong hij elken dag op eene +nieuwe wijs. Maar ik stelde er altijd een ander tegenover, dat ook +steeds hetzelfde was: "Ik mag mijn ouders niet verlaten." Omtrent de +vraag wat in dit geval mijn plicht gebood, konden wij het niet eens +worden, en hoe lang wij erover praatten, het bracht ons niet verder, +want ieder bleef bij zijne meening. "Gij moet heengaan."--"Ik moet +blijven." + +Toen ik op mijn onveranderlijk antwoord volgen liet: "om Arthur terug +te vinden", had Mattia niets meer te zeggen: hij kon geen partij vatten +tegen Arthur; en moest ook niet mevrouw Milligan met de plannen van +haar schoonbroeder bekend worden gemaakt? + +Als wij op den heer James Milligan hadden willen wachten, terwijl wij +dagelijks van den morgen tot den avond uitgingen, gelijk wij sedert +onze komst te Londen hadden gedaan, zou dit niet heel verstandig +zijn geweest, maar de tijd naderde, dat wij, inplaats van overdag op +straat muziek te maken, dit 's nachts zouden gaan doen; want 't is +midden in den nacht dat de zoogenaamde _waits_, de kerstconcerten, +plaats hebben. Dan zouden wij overdag thuis blijven, een van ons zou +de wacht houden en zeker zouden wij dan den oom van Arthur wel snappen. + +--Als gij eens wist hoe ik verlang, dat gij mevrouw Milligan mocht +terugvinden, zeide Mattia eens. + +--Waarom? + +Hij aarzelde geruimen tijd en zeide eindelijk: + +--Omdat zij zoo goed voor u is geweest. + +Toen voegde hij erbij: + +--En omdat zij u misschien behulpzaam zou kunnen zijn om uwe ouders +terug te vinden. + +--Mattia! + +--Ge wilt dat niet van me hooren: ik verzeker u, dat het mijne schuld +niet is; maar 't is me onmogelijk een oogenblik aan te nemen, dat +gij tot de familie Driscoll behoort.--Zie al de leden van dat gezin +eens aan en vergelijk u zelven dan met hen. Ik spreek nu niet eens +van hun vlasbollen, maar hebt ge die eigenaardige beweging van de +hand en dien glimlach van uw grootvader gezien? Zijt gij ooit op de +gedachte gekomen om manufacturen bij lamplicht te bekijken, zooals +Driscoll? Is het ooit gebeurd, dat gij met uw armen op tafel in slaap +zijt gevallen? En hebt gij ooit, als Allen en Ned, aan Capi de kunst +geleerd om wollen kousen te apporteeren, die niet verloren waren? Neen, +duizendmaal neen! Men heeft altijd eenige karaktertrekken met zijne +familie gemeen; en als gij een Driscoll waart geweest, zoudt gij niet +geaarzeld hebben om u op die manier wollen kousen te verschaffen, +als gij ze noodig en geen geld in uw zak hadt, wat u meer dan eens +overkomen is. Wat hebt gij gedaan, toen Vitalis in de gevangenis +zat? Denkt ge, dat een Driscoll toen zonder eten naar bed zou zijn +gegaan? En als ik de zoon van mijn vader niet was, zou ik dan op +den horen kunnen blazen en op de klarinet of de trombône of op welk +instrument men maar wil, zonder dat ik het ooit geleerd heb? Mijn +vader was muzikant en ik ben het daarom ook. Dat is heel natuurlijk; +even natuurlijk is het, dat gij een heer zijt en dat zult gij ook +worden, zoodra gij mevrouw Milligan hebt teruggevonden. + +--En hoe dan? + +--Ik heb mijn plan. + +--Wilt ge mij uw plan zeggen? + +--Neen, zeker niet. + +--Waarom niet? + +--Omdat het te dom is. + +--Zeg het toch maar. + +--Het zou al te dom zijn, als het niet gelukte; en men moet zich niet +verheugen over dingen, die niet gebeuren. Wat wij ondervonden hebben, +toen wij meenden dat Bethnal-Green een lommerrijk plekje was, moet ons +wijzer hebben gemaakt. Hebben wij toen ook geen groene velden gezien +in onze verbeelding en in werkelijkheid slechts modderpoelen gevonden? + +Ik drong er niet verder op aan, want ook ik had mijn plan. + +Het was wel heel vaag en nevelachtig, veel onnoozeler en veel dommer +dan dat van Mattia zijn zou, dacht ik, maar juist daarom durfde ik +er niet op aandringen, dat Mattia mij zijn plan zou mededeelen: wat +zou ik geantwoord hebben, als dit hetzelfde was als hetgeen mij als +een droom voor den geest zweefde? Dan zou ik het in woorden hebben +moeten omschrijven en het met hem durven bespreken. + +Wij moesten maar wachten en wij wachtten. + +Al wachtende doorkruisten wij Londen, want wij behoorden niet tot die +bevoorrechte muzikanten, die bezit nemen van een geheele wijk en daar, +om zoo te zeggen, hun eigen publiek hebben. + +Wij waren nog maar knapen en nog te nieuw in het vak om zooveel +aanspraken te maken, en wij moesten het veld ruimen voor hen, die +hunne eigendomsrechten konden doen gelden door middelen, waartegen +wij niet waren opgewassen. + +Hoe dikwijls was het gebeurd, dat wij, op het punt om rond te +gaan met het bakje, na onze mooiste stukken te hebben gespeeld, +verplicht waren zoo spoedig mogelijk ons uit de voeten te maken voor +eenige reusachtige Schotten met bloote beenen en bontgeruite rokken, +plaids en mutsen met een veer, die, zoodra wij maar hun doedelzak +hoorden, ons de vlucht deden nemen! Met zijn horen had Mattia hunne +doedelzakken wel kunnen overstemmen, maar tegen de mannen, die de +doedelzakken bliezen, waren wij niet bestand. + +Evenmin konden wij het uithouden tegen de benden negers-muzikanten, de +_nigger-melodist_, die de straten doorkruisen. Voor die valsche negers, +die zich zoo potsierlijk uitdossen met rokken met lange smalle panden +en groote witte boorden, waarin hun hoofd omvat is als een ruiker +door een stuk papier, waren wij nog banger dan voor de schotsche +zangers. Zoodra wij hen zagen aankomen of maar hun _banjo_ hoorden, +zwegen wij eerbiedig en gingen wij naar eene andere wijk, waar wij +hoopten geen van die benden te ontmoeten; of wel wij schaarden ons +onder de omstanders en wachtten tot zij hun kattenmuziek geëindigd +hadden. + +Eens dat wij weder in den kring stonden, die zich om hen had +gevormd, zag ik een van hen, den potsierlijkste van den troep, Mattia +toewenken. Eerst dacht ik, dat hij den gek met ons stak en het publiek +wilde onthalen op het een of ander dwaas tafereel, waarbij wij de +lijdende rol vervullen zouden; maar tot mijne groote verwondering +zag ik, dat Mattia hem vriendschappelijk toeknikte. + +--Kent gij dien man? vroeg ik. + +--'t Is Bob. + +--Wie is Bob? + +--Mijn vriend Bob uit het paardenspel van Gassot, een van de twee +clowns, van wie ik u wel eens gesproken heb; hij is het, van wien ik +het beetje engelsch heb geleerd, dat ik ken. + +--Hadt ge hem dan niet dadelijk herkend? + +--Hoe zou ik hem herkend hebben! Bij Gassot maakte hij zijn hoofd +wit met meel; hier smeert hij er schoensmeer op. + +Toen de voorstelling van de _nigger-melodist_ geëindigd was, kwam +Bob bij ons en uit de wijze, waarop hij Mattia aansprak en de hand +drukte, zag ik hoeveel men van mijn vriendje moest hebben gehouden: +bij een broer had niet zooveel blijdschap uit de oogen en de stem +kunnen spreken als bij dien voormaligen clown, die om de dure tijden, +zooals hij zeide, reizend muzikant had moeten worden. Maar wij moesten +al spoedig scheiden; hij om met zijn troep mede te gaan, wij om eene +buurt op te zoeken waar zij niet waren. De twee vrienden spraken +af den volgenden Zondag elkander te zullen vinden, om dan elkaar +eens te vertellen wat zij beiden ondervonden hadden, sedert zij +van elkander waren gescheiden. Uit vriendschap voor Mattia zeker, +was Bob ook voor mij zeer vriendelijk en weldra hadden wij een +vriend, die door zijne rijpere ervaring het verblijf in Londen ons +veel aangenamer maakte dan het tot nu toe voor ons geweest was. Hij +vatte ook een groote genegenheid op voor Capi en dikwijls zeide hij, +dat als hij een hond had als deze, zijn fortuin spoedig zou gemaakt +zijn. Meer dan eens deed hij ons ook het voorstel om met ons drieën, +of liever met ons vieren, bij elkander te blijven: hij, Mattia, Capi +en ik; maar zoo ik mijn familie niet verlaten wilde om naar Frankrijk +terug te keeren en Lize en mijne vroegere vrienden te zien, nog veel +minder wilde ik met Bob Engeland doorkruisen. + +Zoo naderde voor ons het Kerstfeest. Inplaats van dan des morgens De +Roode Leeuw te verlaten, gingen wij elken avond tegen acht of negen +uur op pad en begaven ons naar de buurten, die wij gekozen hadden. + +Het eerst begonnen wij op de meer afgelegen pleinen en straten, waar +de rijtuigen waren verdwenen: het moest stil zijn, wilde onze muziek +door de deuren en ramen doordringen en de kinderen doen ontwaken, om +hun de nadering van het Kerstfeest aan te kondigen, welk feest bij de +Engelschen in hooge eer wordt gehouden. Naarmate het later in den nacht +werd, begaven wij ons in de grootere straten. Als de laatste rijtuigen, +waarmede de menschen uit de schouwburgen terugkeerden, voorbij waren, +werd het rustiger en zekere kalmte volgde op de woelige drukte van den +dag. Dan speelden wij onze zachtste, liefelijkste stukjes, die iets +zwaarmoedigs en godsdienstigs hadden: Mattia's viool scheen te weenen +en mijne harp zuchtte, en als wij een oogenblik pauze hielden, bracht +de wind de tonen tot ons over van de muziek, die andere muzikanten een +paar straten verder maakten. Ons concert was uit. "Heeren en dames, +goeden nacht en vroolijke Kerstmis." + +Dan gingen wij verder, om op eene andere plaats te spelen. + +Het moet heerlijk zijn muziek te hooren des nachts, als men in zijn +bed ligt onder de warme dekens, en op een zachte peluw. Maar voor +ons waren er geen dekens of peluws: wij moesten spelen met stramme, +halfbevroren vingers. Nu eens was het een dikke lucht en de natte +mist drong door onze kleeren heen; dan weder was de hemel helder +en de scherpe noordenwind scheen het merg in onze beenderen te +verstijven. Een zachten, zwoelen nacht kent men in Engeland niet, +vooral niet tegen Kersttijd. O, die Kerstdagen waren wel hard voor +ons! Toch bleven wij gedurende die drie weken geen enkelen nacht +in huis. + +Hoe dikwijls stonden wij stil, vóór zij nog gesloten waren, voor die +winkels, waarin gevogelte, vruchten, taarten en wat dies meer zij, +verkocht werd. Welke prachtige ganzen en kalkoenen en kippen zagen wij +daar! gansche bergen sinaasappelen en appelen, kastanjes en gedroogde +pruimen. Vooral de ingelegde vruchten deden ons watertanden. + +Er waren zeker veel blijde kinderen, die al dat lekkers genoten en +zich opgetogen in de armen hunner ouders wierpen. + +En terwijl wij door de straten doolden, zagen wij, arme zwervende +jongens, in onze gedachten de huisgezinnen feestelijk bijeen, zoowel +in de aanzienlijkste huizen der rijken als in de stulpen van de armen. + +En wij wenschten een vroolijke Kerstmis aan hen, die liefde genoten. + + + + +XL. + +DE ANGST VAN MATTIA. + + +De heer James Milligan kwam niet meer in De Roode Leeuw, of althans +wij zagen hem niet, hoe wij ook opletten. + +Na Kerstmis moesten wij weder overdag uit en onze kans om hem +te ontmoeten werd minder; onze hoop was nu nog op den zondag +gevestigd. Wij bleven dan ook dikwijls thuis inplaats van gebruik te +maken van den vrijen dag, om voor ons pleizier te gaan wandelen. + +Wij wachtten. + +Zonder onzen toestand geheel te vertellen, had Mattia toch aan zijn +vriend Bob het een en ander medegedeeld en hem gevraagd of er geen +mogelijkheid was het adres te ontdekken van eene zekere mevrouw +Milligan, die een lam zoontje had, of zelfs maar van den heer James +Milligan. Maar Bob zeide dat men dan allereerst weten moest wie +die mevrouw Milligan was, of welke betrekking de heer James Milligan +bekleedde, daar zeer vele menschen in Londen, en nog meer in Engeland, +den naam van Milligan droegen. + +Daaraan hadden wij niet gedacht. Voor ons was er maar één mevrouw +Milligan, de moeder van Arthur, en een mijnheer James Milligan, +die de oom was van Arthur. + +Toen begon Mattia alweder met zijn raad om naar Frankrijk terug te +keeren, en opnieuw begonnen wij daarover te kibbelen. + +--Gij wilt het dus opgeven om mevrouw Milligan te zoeken? vroeg ik. + +--Neen, zeker niet; maar 't is niet uitgemaakt, dat mevrouw Milligan +nog in Engeland is. + +--Evenmin, dat zij in Frankrijk is. + +--Dat is toch waarschijnlijk; daar Arthur ziek is geweest, zal zijn +moeder hem wel naar een land hebben gebracht, waarvan het klimaat +geschikt is voor zijn herstel. + +--Frankrijk is het eenige land niet, waar men een klimaat vindt, +dat heilzaam is voor eene zwakke gezondheid. + +--Arthur is eenmaal in Frankrijk hersteld, daarheen zal zijn moeder +hem dus wel voor de tweede maal ook gebracht hebben, en bovendien +zou ik ook gaarne zien, dat gij van hier gingt. + +Mijn toestand was van dien aard, dat ik aan Mattia niet durfde vragen, +waarom hij mij volstrekt hiervandaan wilde hebben; ik was bang, +dat hij juist datgene zou zeggen wat ik niet wilde hooren. + +--Ik ben bang, ging Mattia voort; laat ons dus heengaan. Gij zult zien, +dat ons een ongeluk overkomt; laat ons gaan. + +Ofschoon het gedrag van mijn familie tegenover mij niet veranderd was; +mijn grootvader nog altijd spuwde als hij mij in zijne nabijheid zag; +mijn vader mij slechts enkele woorden op een toon van gezag toevoegde; +mijn moeder mij nooit aanzag, en mijn broers en zusters onuitputtelijk +waren in het uitdenken van allerlei streken, die mij onaangenaam waren; +Annie mij haar afkeer toonde bij elke gelegenheid en Kate slechts lief +was, als ik haar lekkers meebracht, kon ik nog maar niet besluiten +om den raad van Mattia te volgen, evenmin als ik hem gelooven wilde, +dat ik de zoon van Driscoll niet was. Twijfelen kon ik, maar vast +gelooven, dat ik geen Driscoll was, viel mij onmogelijk. + +De tijd ging langzaam voorbij, zeer langzaam, maar de dagen volgden +toch op de dagen en de weken op de weken en het tijdstip naderde, +waarop de Driscoll's Londen zouden verlaten om hun zwerftocht door +Engeland te ondernemen. + +De twee wagens waren opgeschilderd en zij waren gevuld met al de +koopwaren, die zij maar bevatten konden en die men in den loop van +den zomer zou verkoopen. + +Er was een ontzaglijke hoeveelheid van allerlei artikelen en het +was bijna niet te begrijpen, dat alles in die twee wagens kon worden +gepakt. Het waren manufacturen, gebreid goed, mutsen, omslagdoeken, +zakdoeken, kousen, onderbroeken, vesten, knoopen, garen, katoen, +naai- en breikatoen, naalden, scharen, scheermessen, oorringen, +ringen, zeep, pommade, schoensmeer, slijpsteenen, poeders voor zieke +paarden en honden, vlekkenwater, tandwater, middelen om 't haar te +doen groeien of om het te verven, enz. + +En terwijl wij in de schuur waren, zagen wij uit den kelder de pakken +te voorschijn komen, die des nachts in De Roode Leeuw waren gebracht en +niet geleverd waren door de magazijnen, waar die voorwerpen doorgaans +worden verkocht. + +Eindelijk waren de wagens gevuld; er werden paarden gekocht: hoe en +waar, dat wist ik niet; maar wij zagen ze thuisbrengen en alles was +gereed voor het vertrek. + +En wat zouden wij gaan doen? zouden wij te Londen blijven met +grootvader, die De Roode Leeuw niet zou verlaten? zouden wij evenals +Allen en Ned, de waren moeten te koop bieden; of zouden wij met de +wagens medegaan en ons vak van muzikant voortzetten in al de steden +en dorpen, waar wij op onze reis doortrokken? + +Mijn vader vond, dat wij een goed daggeld maakten met onze viool +en onze harp en hij besliste daarom, dat wij muzikanten zouden +blijven. Dit deelde hij ons mede den dag vóór ons vertrek. + +--Laten wij naar Frankrijk terugkeeren, zeide Mattia, en van de eerste +gelegenheid de beste gebruik maken om te vluchten. + +--Waarom zouden wij geen reisje door Engeland maken? + +--Omdat ons een ongeluk overkomen zal. + +--Wij hebben kans mevrouw Milligan in Engeland te ontmoeten. + +--Ik geloof, dat wij daarop veel meer kans hebben in Frankrijk. + +--Wij kunnen het altijd in Engeland beproeven; daarna kunnen wij zien. + +--Weet ge wat gij verdient? + +--Neen. + +--Dat ik u verlaat en alleen naar Frankrijk ga. + +--Gij hebt gelijk; dat raad ik u ook aan; ik weet wel, dat ik het +recht niet heb u terug te houden, en ik weet ook wel, dat gij te goed +zijt om bij mij te blijven; ga dus heen; gij zult Lize opzoeken en +haar zeggen... + +--Als ik haar ontmoet, zou ik haar zeggen, dat gij dom en slecht zijt +om te gelooven dat ik u ooit zou verlaten, terwijl gij ongelukkig +zijt. Want gij zijt ongelukkig, zeer ongelukkig! Wat heb ik u gedaan, +dat gij zoo iets van mij zoudt kunnen denken? Zeg, wat heb ik u +gedaan? Niets nietwaar? Welnu, vooruit dan! + +Alweder waren wij op de groote wegen, maar ditmaal was ik niet vrij +om te gaan waar ik wilde en te doen wat ik goedvond. Toch had ik +een gevoel van verlichting toen ik Londen verliet. Ik zou De Roode +Leeuw niet meer zien en dat luik, dat mij, ondanks mij zelven, +aantrok. Hoe dikwijls ben ik des nachts met schrik wakker geworden, +terwijl ik in een benauwden droom een rood schijnsel door het raampje +zag vallen. Het was een droom, een visioen; maar wat deed dit er toe: +eenmaal had ik werkelijk dat licht gezien en dit was genoeg om het +altijd als een brandende vlam voor oogen te hebben. + +Wij stapten achter de wagens aan en inplaats van de stinkende en +ongezonde geuren van Bethnal-Green, ademden wij de zuivere lucht van +de schoone landschappen, die wij doortrokken en die misschien het +woord _green_ niet in hun naam hadden, maar groen waren voor de oogen, +terwijl onze ooren vergast werden op het gezang der vogelen. + +Op den dag zelf reeds van ons vertrek, zag ik hoe de verkoop plaats +had van de waren, die zoo weinig gekost hadden. Wij waren in een groot +dorp gekomen en de wagens werden op het plein gebracht. Een der wanden, +die uit verschillende paneelen bestond, werd neergeslagen en de geheele +voorraad werd uitgestald om de aandacht van het publiek te trekken. + +--Koopjes! koopjes! zoo iets heb je nooit gezien! riep mijn vader. Daar +ik mijn waar niet betaal, kan ik ze goedkoop leveren. Ik verkoop ze +niet; ik geef ze present. Koopjes! Koopjes! + +Ik hoorde menschen, die de prijzen hadden gelezen, onder het weggaan +tot elkander zeggen: + +--'t Zal wel gestolen waar zijn. + +--Dat erkent hij zelf. + +Als zij mijn kant hadden uitgekeken, zouden zij aan mijn blozen gezien +hebben, dat hun vermoeden maar al te gegrond was. + +Maar zagen zij dien blos niet, Mattia had hem opgemerkt en des avonds +sprak hij er mij over, hoewel hij gewoonlijk vermeed openhartig over +dat punt te spreken. + +--Zult gij die schande altijd kunnen verduren? vroeg hij. + +--Spreek er niet over, als gij niet wilt, dat die schande mij nog +meer kwelt. + +--Dat wil ik niet; maar ik wil samen naar Frankrijk terugkeeren. Ik heb +u altijd gezegd, dat er een ongeluk gebeuren zal, en ik zeg het u nog; +en ik voeg er nu bij, dat het niet lang meer zal uitblijven. Begrijp +dan toch, dat er een politie is en dat deze den een of anderen dag +zal willen weten hoe Driscoll voor zoo lage prijzen zijn waar kan +verkoopen. En wat zal er dan gebeuren? + +--Mattia, ik bid je.... + +--Als gij zelf dan niet zien wilt, moet ik het wel voor u doen. Ge +zult zien dat men ons allen oppakt, ook u en mij, die niets +gedaan hebben. Maar hoe zullen wij dat bewijzen? Hoe zullen wij ons +verdedigen? En is het niet waar, dat wij het brood eten voor het geld +van die gestolen waar gekocht? + +Die gedachte was nog nooit bij mij opgekomen; zij trof me, alsof men +met een hamer op mijn hoofd had geslagen. + +--Maar wij verdienen ons brood, zeide ik, om mij te verdedigen, +niet zoozeer tegen Mattia dan wel tegen die gedachte. + +--Dat is waar, hernam Mattia, maar 't is evenzeer waar, dat wij +vereenigd zijn met menschen, die het hunne niet verdienen. Dat zal men +zien, en overigens niets anders zien; wij zullen veroordeeld worden, +evenzeer als zij. Het zou mij diep leed doen, zoo ik veroordeeld werd +als dief, maar nog veel meer wanneer gij als dief werdt veroordeeld. Ik +ben maar een arme drommel, en ik zal nooit iets anders zijn; maar +gij, als gij uw familie hebt weergevonden, uw echte familie, wat +zal het dan een smart en een schande voor u zijn, als gij zulk een +vonnis hebt gehad! En als wij in de gevangenis zitten, zullen wij +allerminst gelegenheid hebben om uwe ouders te ontdekken. En als +wij in de gevangenis zitten, kunnen wij mevrouw Milligan ook niet +waarschuwen voor hetgeen James Milligan tegen Arthur in 't schild +voert. Laten wij ons dus redden, terwijl het nog tijd is. + +--Red u zelven. + +--Gij zegt altijd dezelfde domheid; wij zullen ons samen redden of +wij zullen samen opgepakt worden; en als dat gebeurt, wat niet lang +meer duren kan, zult gij de verantwoordelijkheid dragen, dat gij +mij met u meegesleept hebt, en wij zullen eens zien of dat besef +zoo licht te dragen is. Als gij nuttig waart voor hen, bij wie gij +nu zoo hardnekkig wilt blijven, zou ik dat volhouden begrijpen; maar +gij zijt volstrekt niet onmisbaar voor hen: zij zullen ook zonder u +wel leven. Laat ons dus spoedig heengaan. + +--Welnu, laat mij nog een paar dagen, om er over na te denken; dan +zullen wij zien. + +--Haast u! de wildeman rook menschenvleesch; ik ruik het gevaar. + +Nooit hadden de woorden, de redeneering en de beden van Mattia mij +zoo sterk getroffen als thans, en als ik eraan dacht, zeide ik tot mij +zelven, dat de besluiteloosheid, waaraan ik mij maar niet onttrekken +kon, laf was en dat ik beslissen moest en eindelijk moest weten wat +ik wilde. + +De omstandigheden deden voor mij wat ik zelf niet durfde. + +Reeds eenige weken waren voorbijgegaan sinds wij Londen verlaten +hadden en wij waren in een stad gekomen, in welker omtrek wedrennen +moesten plaats hebben. In Engeland zijn de wedrennen niet wat zij in +andere landen zijn, een vermaak alleen voor de rijken, die drie of +vier paarden tegen elkander laten loopen en zich zelven eens komen +vertoonen om dan met elkander weddenschappen om een gulden of wat aan +te gaan. Daar zijn zij volksfeesten voor eene geheele streek en het +zijn niet de paarden alleen, die men komt zien; op de vlakte of langs +de kust, waar de wedrennen plaats hebben, komen, somtijds reeds dagen +te voren, kunstenmakers, muzikanten, reizende kooplieden enz. die daar +een soort van kermis aanrichten. Wij hadden ons gehaast om eene plaats +daar te krijgen, wij als muzikanten en de Driscoll's als kooplieden. + +Maar inplaats van op het terrein van de wedrennen zich te vestigen, +had mijn vader eene standplaats ingenomen in de stad zelve, waar hij +waarschijnlijk betere zaken dacht te maken. + +Wij waren al vroeg aangekomen, en daar wij niet behoefden te helpen +aan het uitstallen der koopwaar, gingen Mattia en ik het terrein van +de wedrennen eens opnemen, dat op korten afstand van de stad op eene +heide was gelegen. Er waren een groot aantal tenten opgeslagen en +van verre zag men smalle rookkolommen opstijgen op de punten, die de +grenzen vormden van het veld voor de wedrennen. Weldra kwamen wij door +een hollen weg op de gewoonlijk dorre, naakte vlakte, maar waar dien +avond houten loodsen waren opgeslagen, waarin men nu ververschingen +kon bekomen en zelfs nachtverblijf, barakken, tenten en wagens of zelfs +legerplaatsen met vuren in de open lucht, waaromheen een groot aantal +menschen in allerlei kleederen zich bewogen, die de schilderachtigste +groepen vormden. + +Toen wij een van die vuren voorbijgingen, waarboven een ketel hing, +herkenden wij onzen vriend Bob. Hij was recht blij dat hij ons +zag. Met twee zijner kameraden was hij naar de wedrennen gegaan om +voorstellingen te geven, maar de muzikanten, op wie zij gerekend +hadden, hadden geen woord gehouden, zoodat de andere dag, inplaats +van een goede winst af te werpen, zooals zij gehoopt hadden, zeer +onvoordeelig zou zijn. Als wij wilden, konden wij hun een grooten +dienst bewijzen, door de taak van die muzikanten op ons te nemen. De +opbrengst zouden wij met ons vijven deelen, want ook Capi zou zijn +aandeel hebben. + +Uit een blik van Mattia begreep ik, dat het pleizier zou doen aan +mijn vriend als wij het voorstel van Bob aannamen, en daar wij vrij +waren om te doen wat wij wilden, onder voorwaarde slechts dat wij +eene goede som thuisbrachten, nam ik het aan. + +Wij spraken dus af, dat wij den anderen morgen ons ter beschikking +van Bob en zijne beide vrienden zouden stellen. + +Maar toen wij weder in de stad kwamen, deed zich eene moeilijkheid +voor. Ik vertelde aan mijn vader welke afspraak wij hadden gemaakt. + +--Den hond heb ik zelf noodig, zeide hij: gij kunt hem dus niet +meenemen. + +Die woorden maakten mij eenigszins ongerust: wilde hij Capi weder +voor de eene of andere slechte streek gebruiken? Maar mijn vader deed +terstond alle vrees bij mij verdwijnen. + +--Capi heeft een fijn gehoor, zeide hij, en hij is zeer waakzaam; +hij kan ons dus van grooten dienst wezen bij de wagens, want bij +dien toevloed van menschen zouden er wel eens onder kunnen zijn, +die ons wilden bestelen. Gij gaat dus alleen spelen met Bob en als +het wat heel laat mocht worden, wat zeer goed mogelijk is, kunt gij +ons opzoeken in de herberg De Eikenboom, waar wij onzen intrek nemen, +daar het mijn plan is tegen het vallen van den nacht te vertrekken. + +Die herberg De Eikenboom, waar wij den vorigen nacht hadden +doorgebracht, was een kwartier van de stad gelegen, op het open veld, +in eene eenzame, sombere streek. Zij werd door een echtpaar gehouden, +dat niet zeer geschikt was om vertrouwen in te boezemen. Die herberg +des nachts terug te vinden was niet moeilijk; het was een rechte weg; +het eenige onaangename was, dat zij nog al ver af lag, wat vooral na +een zwaren dag geen genoegen was. + +Maar dat kon ik aan mijn vader niet zeggen, want deze gedoogde geen +tegenspraak. Als hij iets gezegd had, moest men gehoorzamen. + +Den anderen dag, nadat ik een poos met Capi had geloopen om hem te +eten en te drinken te geven, zoodat ik zeker kon zijn, dat hij geen +gebrek zou lijden, maakte ik zelf hem vast aan den wagen, dien hij +bewaken moest en Mattia en ik gingen naar het terrein van de wedrennen. + +Zoodra wij aangekomen waren, begonnen wij muziek te maken en dit +duurde voort tot des avonds laat. Mijn vingers deden eindelijk zoo +zeer, of zij door duizenden naalden werden gestoken, en Mattia had +zooveel op den horen geblazen, dat hij bijna geen adem meer halen +kon. Toch moesten wij maar blijven spelen, daar Bob en zijn makkers +met hunne kunsten niet ophielden; van onzen kant mochten wij dus +ook geen lust nemen. Toen de avond gevallen was, dacht ik dat wij +rust zouden gaan nemen; maar wij verwisselden onze plaats in de open +lucht met eene groote houten loods en daar begonnen de kunsten en de +muziek opnieuw. Dit duurde tot bij middernacht; ik maakte nog altijd +geluid op mijn harp, maar ik wist niet meer wat ik speelde en Mattia +wist het evenmin als ik. Al twintigmaal had Bob medegedeeld dat het +nu de laatste voorstelling zou zijn, en twintigmaal waren wij weder +opnieuw begonnen. + +Zoo wij moe waren, onze makkers, die veel meer hunne krachten moesten +inspannen dan wij, waren afgemat en al meer dan een van hun toeren +was mislukt. Bij een van die toeren gebeurde het, dat een staak, +die daarbij dienst deed, op den voet van Mattia terecht kwam. De +pijn was zoo hevig, dat hij het uitschreeuwde; ik dacht dat zijn voet +verpletterd was en wij snelden allen naar hem toe. Gelukkig was de wond +niet gevaarlijk; zijn voet was gekneusd en het vleesch opengereten, +maar er was niets gebroken. Loopen kon Mattia evenwel niet. + +Wat te doen? + +Er werd besloten, dat hij in den wagen van Bob zou slapen en dat ik +alleen naar de herberg De Eikenboom zou gaan. Ik moest toch weten +waarheen de familie Driscoll den anderen dag zou heengaan. + +--Ga er niet heen, zeide Mattia bij herhaling, dan gaan wij morgen +samen. + +--En als wij dan niemand in de herberg De Eikenboom vinden? + +--Des te beter; dan zijn wij vrij. + +--Als ik de familie Driscoll verlaat, zal het niet op die manier +zijn. Bovendien, gelooft gij niet dat zij ons spoedig zou weergevonden +hebben? Waar wilt gij dan heengaan met uw voet. + +--Welnu, wij zullen morgen erheen gaan, als gij wilt, maar niet +vanavond. Ik ben bang. + +--Waarvoor? + +--Dat weet ik niet, maar ik ben bang voor u. + +--Laat me toch gaan; ik beloof u, morgen terug te zullen komen. + +--En als men u terughoudt? + +--Om dit te beletten, zal ik mijn harp hier laten; dan moet ik wel +terugkomen om die te halen. + +Ondanks de vrees van Mattia, ging ik op weg, want zelf was ik volstrekt +niet bang. + +Voor wie, voor wat zou ik bang zijn? Wat zou men kunnen verlangen +van een armen drommel als ik? + +Maar al voelde ik niet de minste vrees of een zweem van angst, ik was +toch zeer ontroerd; 't was voor de eerste maal, dat ik werkelijk alleen +was, zonder Capi, zonder Mattia, en dat gevoel van verlatenheid drukte +mij, terwijl de geheimzinnige stemmen van den nacht den gewonen indruk +op mij maakten. Ook de maan, die mij met haar bleek gelaat aanstaarde, +stemde mij zwaarmoedig. + +Hoe vermoeid ik ook was, ik stapte stevig door en kwam eindelijk aan +de herberg De Eikenboom, maar hoe ik onze wagens ook zocht, ik vond +ze niet. Er waren twee of drie ellendige karretjes met huiven, een +groote loods van planken en twee overdekte karren waaruit het gebrul +van wilde dieren zich deed hooren, toen ik naderde; maar de fraaie +wagens met de helle kleuren van de familie Driscoll zag ik nergens. + +Toen ik de herberg omliep, zag ik een licht, dat achter een ongesloten +raam brandde, en daar ik hieruit opmaakte, dat niet ieder nog sliep, +klopte ik op de deur. De herbergier met zijn ongunstig uiterlijk, +dien ik den vorigen dag had gezien, deed zelf mij open en hield zijn +lantaarn vóór me, zoodat het volle licht op mijn gelaat viel. Ik zag, +dat hij mij herkende, maar inplaats van mij door te laten, hield hij +de lantaarn achter den rug en een blik om zich werpende, luisterde +hij eenige oogenblikken aandachtig. + +--Uw wagens zijn al vertrokken, zeide hij; uw vader heeft gezegd, +dat gij onmiddellijk, zonder verwijl, naar Lewes zoudt gaan en den +ganschen nacht zou doorloopen. Goede reis! + +En hij deed de deur voor mijne neus dicht, zonder een woord erbij +te voegen. + +Sedert mijn komst in Engeland had ik genoeg van de taal geleerd om +die weinige woorden te begrijpen; maar er was één woord in, het +belangrijkste, dat voor mij onverstaanbaar was. _Louis_, had de +herbergier gezegd; waar lag dat land? Ik wist het volstrekt niet, +dat Louis de engelsche uitspraak was van Lewes, een stad, waarvan ik +den naam wel eens op de kaart had gelezen. + +Maar al had ik ook geweten waar Lewes lag, had ik er toch niet dadelijk +kunnen heengaan, Mattia achterlatende. Ik moest dus naar het terrein +van de wedrennen terugkeeren, hoe moe ik ook was. + +Ik begaf mij dan ook weder op weg en anderhalf uur later lag ik op een +bos stroo naast Mattia, in den wagen van Bob, en in weinige woorden +vertelde ik hem wat er gebeurd was; daarna viel ik doodvermoeid +in slaap. + +Eenige uren slaap gaven mij mijn krachten terug, en den anderen morgen +werd ik wakker, gereed om naar Lewes op weg te gaan, als tenminste +Mattia, die nog sliep, mij kon volgen. + +Toen ik uit het rijtuig stapte, ging ik naar mijn vriend Bob, die +vóór mij was opgestaan en reeds bezig was het vuur aan te maken. Ik +sloeg hem gade, terwijl hij daar op handen en voeten lag en met alle +macht in het smeulend hout onder den ketel blies, toen ik meende Capi +te herkennen, dien een politieagent aan een touw hield. + +Ik was zoo verbaasd, dat ik mij niet verroeren kon en vroeg mij af +wat dit kon beteekenen. Maar Capi had mij herkend en een ruk gedaan +aan het touw, zoo krachtig, dat het aan de handen van den agent +ontsnapte. In een paar sprongen was hij bij mij en in mijn armen. + +De agent kwam bij ons. + +--Die hond is van u nietwaar? vroeg hij. + +--Ja. + +--Dan neem ik u in hechtenis. + +En hij greep mij krachtig bij den arm. + +De woorden en de daad van den agent hadden Bob doen opzien. Hij +kwam erbij. + +--Waarom neemt gij dien knaap in hechtenis? vroeg hij. + +--Zijt gij zijn broer? + +--Neen, zijn vriend. + +--Een man en een jongen zijn dezen nacht in de kerk Sint-George +geklommen door een hoog raam met behulp van een ladder. Zij hadden +dezen hond medegenomen, om hen te waarschuwen als men naderde. Zij +werden overvallen en zij hebben zich den tijd niet gegeven om den +hond mede te nemen, toen zij uit het venster zich redden en het beest +heeft hen niet kunnen volgen, daar het in de kerk was opgesloten. Met +dien hond was ik zeker de dieven te zullen ontdekken en nu heb ik er +een van. Waar is nu de ander? + +Ik weet niet of die vraag gedaan werd aan Bob of aan mij; ik antwoordde +niet; ik was verpletterd. + +Toch begreep ik wat er gebeurd was; ondanks mij zelven raadde ik het: +men had Capi niet gevraagd om de rijtuigen te bewaken, maar omdat hij +zulk een fijn gehoor had en hen kon waarschuwen als zij in de kerk aan +'t stelen waren. Het was dus ook niet alleen om het genot van in De +Eikenboom te overnachten, dat bij het vallen van den avond de wagens +waren vertrokken; als zij in die herberg geen halt hadden gehouden, +was het, omdat de diefstal was ontdekt en men zoo snel mogelijk zich +uit de voeten moest maken. + +Maar niet aan de schuldigen moest ik thans denken, maar aan mij +zelven; wie zij ook waren, ik kon mij verdedigen en, zonder hen te +beschuldigen, mijne onschuld bewijzen: ik behoefde slechts te zeggen +hoe ik dien nacht mijn tijd had doorgebracht. + +Terwijl ik zoo redeneerde, was Mattia, die ook den agent had gehoord +en het gedruisch dat zijne komst tengevolge had gehad, opgestaan en +uit het rijtuig gekomen en hinkend mij genaderd. + +--Maak het hem toch duidelijk, dat ik niet schuldig ben, zeide ik tot +Bob; ik ben tot één uur bij u geweest, toen ben ik naar de herberg De +Eikenboom gegaan; daar heb ik den kastelein gesproken en ben terstond +hierheen teruggekeerd. + +Bob herhaalde die woorden voor den agent, maar deze was daardoor +volstrekt niet overtuigd, zooals ik gehoopt had. Integendeel. + +--Het was kwart over eenen toen men in de kerk inbrak, zeide hij; +die knaap is vanhier vertrokken eenige minuten voor eenen, zooals +hij zegt. Hij heeft dus om kwart over eenen in de kerk kunnen zijn +met de dieven. + +--Men heeft toch meer dan een kwartier noodig om van hier naar de +stad te komen, zeide Bob. + +--O, als men hard loopt, hernam de agent; bovendien wie bewijst me +dat hij te een uur is vertrokken! + +--Dat zweer ik, zeide Bob. + +--O, gij, antwoordde de agent; het zal altijd moeten blijken wat uw +getuigenis waard is. + +Bob werd boos. + +--Vergeet niet, dat ik Engelsch onderdaan ben, zeide hij met +waardigheid. + +De agent haalde de schouders op. + +--Als gij mij beleedigt, schrijf ik aan de _Times_. + +--In afwachting daarvan neem ik dien knaap mede. Hij zal zich voor +den rechter verantwoorden. + +Mattia wierp zich in mijn armen; ik dacht dat hij afscheid van mij +wilde nemen, maar Mattia liet zijn verstand spreken vóór hij aan zijn +hart toegaf. + +--Houd moed, fluisterde hij mij toe; wij zullen u niet verlaten. + +Toen eerst nam hij afscheid van me. + +--Houd Capi bij u, zeide ik in 't fransch tot Mattia. + +Maar de agent begreep het. + +--Neen, neen, zeide hij; ik houd den hond; hij heeft mij dezen doen +vinden en hij zal mij ook wel op 't spoor van den anderen brengen. + +Dit was de tweede maal, dat men mij in hechtenis nam, en toch viel de +schande mij veel zwaarder dan de eerste maal, want nu gold het niet +zulk eene dwaze beschuldiging als toen men meende, dat ik eene koe +had gestolen. Als mijne onschuld was gebleken, zou ik dan niet de +smart ondervinden diegenen te zien veroordeelen, wier medeplichtige +men mij geloofde? + +Ik moest, door den politieagent vastgehouden, langs de rij van +nieuwsgierigen gaan, die zich om ons hadden verzameld, maar men jouwde +mij niet na en dreigde mij niet, zooals in Frankrijk, want zij, die +er getuigen van waren, waren geen boeren, maar menschen die altijd +min of meer in oorlog leefden met de politie: kunstenmakers, tappers, +vagebonden, _tramps_, zooals de Engelschen hen noemen. + +De gevangenis, waarin men mij opsloot, was geen gevangenis om den spot +mede te drijven zooals die eerste, waarin men mij bewaarde; het was +eene gevangenis met getraliede vensters, waarvan het gezicht alleen +elk denkbeeld aan ontsnappen verdwijnen deed. De meubels bestonden +uit een bank om op te zitten en een hangmat om in te slapen. + +Ik ging op de bank zitten en bleef daar lang. + +Hoe verschrikkelijk was het heden; hoe vreeselijk de toekomst. + +"Houd goeden moed", had Mattia mij gezegd: "wij zullen u niet +verlaten." Maar wat vermocht een knaap als Mattia? Wat vermocht zelfs +een man als Bob, zoo deze Mattia al wilde helpen? + +Als men in de gevangenis is, heeft men slechts één enkele gedachte: +om eruit te komen. + +Hoe zouden Mattia en Bob, als ze mij niet verlieten en alles deden +om mij van dienst te zijn, mij kunnen helpen om uit de gevangenis +te komen. + +Ik ging naar het venster, opende het om de ijzeren staven te betasten, +die een kruis ervoor vormden; zij waren in den muur gemetseld. Ik +onderzocht den muur: hij was meer dan een el dik. De grond bestond uit +een vloer van groote steenen; de deur was met ijzeren platen beslagen. + +Ik keerde naar het venster terug; dit gaf het uitzicht op een smal, +lang plein, waarvan het uiteinde was gesloten door een grooten muur, +die minstens vier el hoog was. + +Uit deze gevangenis was het wel niet mogelijk te ontsnappen, zelfs al +werd men geholpen door een paar trouwe vrienden. Wat vermag de meest +opofferende vriendschap tegen de kracht der dingen? Met vriendschap +breekt men niet door de muren heen. + +Voor mij loste de geheele zaak zich op in de vraag: hoelang ik in +die gevangenis zou blijven, vóór ik voor den rechter zou verschijnen, +die over mijn lot beslissen zou? + +Zou het mij mogelijk zijn hem van mijn onschuld te overtuigen, +niettegenstaande Capi in de kerk was? + +En zou het mij mogelijk zijn mij te verdedigen, zonder de schuld te +werpen op hen, die ik niet wilde en niet kon beschuldigen? + +Daarin was alles voor mij gelegen en daarin alleen konden Mattia en +zijn vriend Bob mij van dienst wezen. Hunne taak bestond hierin, dat +zij getuigen bijbrachten om te bewijzen, dat ik om kwart over eenen +niet in de kerk Sint-George kon wezen; als zij dat bewijzen konden, was +ik gered, ondanks het zwijgende getuigenis van mijn armen Capi tegen +mij. En die bewijzen waren, naar het mij voorkwam, onmogelijk te geven. + +O, als Mattia maar geen gekneusden voet had, zou hij wel wat weten te +vinden en zich moeite geven, om mij te redden: maar in den toestand +waarin hij nu verkeerde, kon hij misschien niet eens uit den wagen +komen! En als hij niet kon, zou Bob dan zijne plaats willen innemen? + +Die angst, gevoegd bij al hetgeen er buitendien in mij omging, +belette mij te slapen, ondanks de vermoeienis van den vorigen dag; +ik kon zelfs het eten niet aanraken, dat men mij bracht. Maar zoo +ik al het eten liet staan, met destemeer gretigheid viel ik op het +water aan, want ik leed een versmachtenden dorst en die dag ging ik +elk kwartier naar mijne kruik en dronk met lange teugen, zonder mijn +dorst te lesschen of den bitteren smaak weg te nemen, dien ik den +geheelen dag in den mond had. + +Toen ik den cipier in de gevangenis zag komen, had ik een gevoel van +genot en een zweem van hoop ontwaakte in mij, want sedert het oogenblik +dat ik hier was opgesloten, verkeerde ik in eene koortsachtige spanning +over de vraag, die ik maar niet kon oplossen. + +"Wanneer zou de rechter mij in verhoor nemen? Wanneer zou ik mij +kunnen verdedigen?" + +Ik had wel eens verhalen gehoord van gevangenen, die men maanden lang +had opgesloten gehouden, zonder dat men hunne zaak behandelde of zelfs +hen maar in verhoor nam, wat voor mij hetzelfde was, en ik wist niet, +dat in Engeland er nooit meer dan een paar dagen verloopen tusschen +het in hechtenis nemen en de openbare behandeling van de zaak voor +den rechter. + +Die vraag, die ik niet kon oplossen, was dus de eerste, welke ik +tot den cipier richtte, die er niet kwaad uitzag, en die zoo goed +was om mij de verzekering te geven, dat ik zeker den volgenden dag +zou voorkomen. + +Maar mijn vraag gaf hem aanleiding om op zijne beurt ook mij een paar +vragen te doen. Daar hij mij geantwoord had, was het immers niet meer +dan billijk, dat ik ook hem antwoordde? + +--Hoe ben-je toch in die kerk gekomen? vroeg hij. + +Op die woorden antwoordde ik met de vurigste verzekeringen van mijne +onschuld. Maar hij zag mij aan en haalde de schouders op; toen ik +voortging met te bezweren, dat ik niet in de kerk geweest was, ging hij +naar de deur en mompelde, terwijl hij zich nog even naar mij omwendde: + +--Wat zijn ze toch verdorven, die Londensche straatjongens. + +Daarmede ging hij heen. + +Die woorden maakten een pijnlijken indruk op me: hoewel de man mijn +rechter niet was, had ik zoo gaarne gewild, dat hij aan mijne onschuld +geloofde. Aan mijn toon, aan mijn gelaat moest hij gezien hebben, +dat ik geen kwaad had gedaan. + +Als ik hem overtuigd had, zou het mij dan mogelijk zijn, den rechter +te overtuigen? Gelukkig had ik getuigen die voor mij spreken zouden; +en als de rechter mij niet hoorde, dan zou hij toch verplicht zijn +om de getuigenissen aan te hooren, die mijne onschuld bewezen. + +Maar die getuigenissen had ik noodig. + +Zou ik ze hebben? + +Onder de geschiedenissen van gevangenen, die men mij verteld had, +was er ook een, waarin voorkwam, dat men aan gevangenen briefjes kon +doen toekomen in het eten, dat zij kregen. + +Misschien zouden Bob en Mattia van dit middel hebben gebruik gemaakt, +en toen dat denkbeeld in mij was opgekomen, begon ik mijn brood te +kruimelen, maar ik vond er niets in. Behalve dat brood had men mij +aardappelen gebracht; ook deze kneedde ik fijn, maar er was geen stuk +van een briefje in te vinden. + +Zeker hadden Mattia en Bob mij niets te zeggen of, wat waarschijnlijker +was, konden zij mij niets zeggen. + +Er bleef mij dus niets anders over dan den volgenden dag af te wachten, +zonder al te veel aan mijne treurigheid toe te geven, zoo mij dit +mogelijk was. Ongelukkigerwijze was mij dit niet mogelijk en hoe +oud ik ook word, steeds zal mij de herinnering aan dien nacht voor +den geest staan, alsof het gisteren was. Hoe onzinnig was het ook, +dat ik niet geloofd had aan het voorgevoel en de vrees van Mattia. + +Den anderen morgen kwam de cipier in mijne cel met een kruik en een +waschkom. Hij zeide mij dat ik mij wat kon opknappen, als ik er lust in +had, want dat ik straks voor den rechter zou verschijnen en hij voegde +er bij, dat een net voorkomen somtijds het beste verdedigingsmiddel +voor een beschuldigde is. + +Toen ik mij zoo netjes mogelijk had gemaakt, wilde ik op mijn bank +gaan zitten, maar 't was mij onmogelijk om op mijn plaats te blijven +en ik liep in mijne cel heen en weder, als de dieren in hunne kooi. + +Ik wilde mijne verdediging en mijne antwoorden vooruit klaarmaken, +maar mijn hoofd was te veel in de war; ik kon niet denken aan mijn +tegenwoordigen toestand; ik was met allerlei zonderlinge dingen +bezig, die in mijn hersens zich verwarden, als de beelden in een +tooverlantaren. + +De cipier kwam terug en gelastte mij hem te volgen. Ik liep naast hem, +en na een aantal gangen te zijn doorgegaan, kwamen wij aan eene kleine +deur, die hij opende. + +--Ga binnen, zeide hij. + +Een warme lucht kwam mij tegen en ik hoorde een verward gedruisch. Ik +trad binnen en bevond mij in eene kleine, afgesloten ruimte, de zaal +van het gerechtshof. + +Hoewel ik aan eene soort van zinsverbijstering ten prooi was en +de aderen van mijne slapen voelde kloppen, alsof zij straks barsten +zouden, een enkele blik, dien ik om mij heen wierp, deed mij duidelijk +zien al wat mij omringde: de geheele zaal en al de menschen, die er +zich in bevonden. + +Zij was vrij groot die zaal, zeer hoog en met breede ramen; zij +was verdeeld in twee deelen: het eene was voor de rechters en de +beschuldigden, het andere voor de nieuwsgierigen. + +Op eene verhevenheid was de rechter gezeten; iets lager vóór hem zaten +drie rechterlijke ambtenaren, zooals ik later vernam, de griffier, een +penningmeester voor de boeten en een ander rechterlijk ambtenaar, dien +men in Nederland het "openbaar ministerie" noemt. Voor mijn afgesloten +bankje zat iemand met een toga en een pruik: dat was mijn advocaat. + +Hoe kwam het dat ik een advocaat had? Waar kwam hij vandaan? Wie had +hem mij gegeven? Dat waren vragen, die ik op dit oogenblik moeilijk +kon oplossen. Maar ik had een advocaat en dat was genoeg. + +In eene andere bank zag ik Bob zelf met zijne twee makkers; den +herbergier uit De Eikenboom en menschen, die ik niet kende, en in +eene bank tegenover hen herkende ik den politie-agent, die mij in +hechtenis had genomen. Verscheidene andere personen waren bij hen; +ik begreep, dat dit de bank der getuigen moest zijn. + +De ruimte voor het publiek was dicht gevuld; boven de balustrade zag +ik Mattia; onze oogen ontmoetten elkander en wij lazen er in wat wij +dachten. Dadelijk kreeg ik moed. Ik zou verdedigd worden; ik moest +dus de hoop niet opgeven om ook mij zelf te verdedigen; ik werd niet +langer verpletterd door de oogen, die op mij gericht waren. + +De ambtenaar van het openbaar ministerie nam het woord en sprak zeer +kort. Hij scheen haast te hebben. Hij stelde de zaak voor: er had +een diefstal plaats gehad in de Sint-Georgekerk; de dieven, een man +en een knaap, waren er binnengekomen met behulp van een ladder en +door het verbreken van een glasraam. Zij hadden een hond met zich +genomen, om de wacht te houden en hen te waarschuwen als er gevaar +mocht dreigen en er iemand kwam. Een voorbijganger, die laat naar huis +terugkeerde--het was kwart over eenen--, had met verwondering licht +in de kerk bespeurd en hij had iets hooren kraken. Daarop had hij den +koster gewekt; men was met eenige andere mannen naar de kerk gegaan, +maar toen had de hond aangeslagen en terwijl men de deur opende, +waren de dieven door het venster gevlucht, den hond achterlatende, +die de ladder niet kon opklimmen. Die hond, naar het terrein van de +wedrennen gebracht door den agent Jerry, wiens doorzicht en ijver +niet genoeg konden worden geprezen, had zijn meester herkend, die +niemand anders was dan de beschuldigde op gindsche bank gezeten. Wat +den anderen dief betrof, dien was men op het spoor. + +Na eenige beschouwingen, die mijne schuld moesten bewijzen, zweeg +het openbaar ministerie, en eene schelle stem riep: "Stilte." + +Toen vroeg de rechter, zonder zich tot mij te wenden, en alsof hij +tot zichzelven sprak, hoe ik heette, hoe oud ik was en welk beroep +ik uitoefende. + +Ik antwoordde in het engelsch, dat ik Francis Driscoll heette +en bij mijne ouders te Londen woonde, in De Roode Leeuw, in +Bethnal-Green. Daarop verzocht ik verlof om van de fransche taal +gebruik te maken, daar ik in Frankrijk was grootgebracht en eerst +eenige maanden in Engeland mijn verblijf hield. + +--Tracht mij niet te bedriegen, zeide de rechter op strengen toon; +ik ken fransch. + +Ik deed dus mijn verhaal in het fransch; ik deed uitkomen hoe volkomen +onmogelijk het was, dat ik te een uur in de kerk was geweest, daar +ik tot op dien tijd op het terrein der wedrennen was, en dat ik te +halfdrie bij de herberg De Eikenboom was geweest. + +--En waar waart gij te kwart over eenen? vroeg de rechter. + +--Onderweg. + +--Dat staat te bewijzen. Gij zegt, dat gij opweg waart naar de herberg +De Eikenboom en volgens de akte van beschuldiging waart gij in de +kerk. Als gij eenige minuten vóór eenen het veld van de wedrennen +verlaten hebt, kunt gij bij uw medeplichtige zijn geweest bij den +muur der kerk, die u daar met een ladder wachtte, en nadat uw diefstal +mislukt was, kunt gij naar de herberg De Eikenboom zijn gegaan. + +Ik trachtte aan te toonen, dat het niet mogelijk was, maar ik bemerkte +duidelijk, dat ik den rechter niet had overtuigd. + +--En hoe verklaart gij de tegenwoordigheid van uw hond in de +kerk? vroeg de rechter. + +--Die kan ik niet verklaren, die begrijp ik zelf niet; mijn hond was +niet bij mij; ik had hem des morgens aan een onzer wagens vastgemaakt. + +Het betaamde mij niet er iets meer van te zeggen, want ik wilde geen +wapens in de hand geven tegen mijn vader. Ik zag Mattia aan, die mij +wenkte, dat ik verder zou gaan, maar ik ging niet verder. + +Men riep een getuige en deed hem den eed afleggen op den bijbel en +beloven, dat hij de waarheid zou zeggen, zonder haat of nijd. + +Het was een dikke man met een dom gelaat, niet groot van gestalte en +zeer statig, ondanks zijn vuurrood gezicht en zijn blauwen neus. Vóór +hij den eed aflegde, maakte hij eene kniebuiging voor den rechter en +richtte zich toen met veel waardigheid op. Het was de koster van de +parochie Sint-George. + +Hij begon uitvoerig te verhalen, hoe hij gestoord en verontwaardigd +was, toen men hem plotseling had gewekt om hem mede te deelen, dat +er dieven in de kerk waren. Zijn eerste gedachte was, dat men hem een +poets wilde spelen, maar daar men geen poetsen speelt aan personen van +zijne qualiteit, had hij begrepen, dat er iets ernstigs gebeurde; hij +had zich toen aangekleed, met zooveel haast, dat er twee knoopen van +zijn vest waren gesprongen; eindelijk was hij naar beneden gesneld; +hij had de kerkdeur geopend; en hij had gevonden.... wie? of liever +wat?... Een hond. + +Ik had daarop niets te antwoorden; maar mijn advocaat, die tot op dat +oogenblik gezwegen had, stond op, schudde zijne pruik, schoof zijne +toga op de schouders glad en nam het woord. + +--Wie heeft gisteren de deur van de kerk gesloten? vroeg hij. + +--Ik, zeide de koster, zooals mijn plicht is. + +--Zijt gij daar zeker van? + +--Als ik iets doe, ben ik zeker, dat ik het doe. + +--En als gij het niet doet? + +--Dan ben ik zeker, dat ik het niet doe. + +--Zeer goed; dus kunt gij zweren, dat gij den hond, waarvan hier +sprake is, niet in de kerk hebt gesloten? + +--Als de hond in de kerk was geweest, zou ik hem gezien hebben. + +--Hebt gij goede oogen? + +--Ik heb oogen als iedereen. + +--Zijt gij, zes maanden geleden, niet tegen een kalf geloopen, dat +opengesneden voor den winkel van een slachter hing? + +--Ik zie het belang niet in van zulk eene vraag aan een man van mijn +qualiteit! riep de koster uit, terwijl zijn gezicht blauw werd. + +--Wilt gij mij de groote beleefdheid bewijzen om op die vraag te +antwoorden, alsof zij werkelijk van belang was? + +--Het is waar, dat ik tegen een dier ben aangeloopen, dat zeer onhandig +voor een winkel was opgehangen. + +--Hadt gij het dan niet gezien? + +--Ik was in gedachten verdiept. + +--Hadt gij gegeten, toen gij de deur van de kerk sloot? + +--Zeker. + +--En toen gij tegen dat kalf aanliept, hadt ge toen ook niet gegeten. + +--Maar.... + +--Gij zegt, dat gij niet gegeten hadt? + +--Toch wel. + +--En drinkt gij licht of zwaar bier? + +--Zwaar bier. + +--Hoeveel halve kannen? + +--Twee. + +--Nooit meer? + +--Wel eens drie. + +--Nooit vier? Nooit zes? + +--Dat gebeurt zeer zelden. + +--Drinkt gij geen grog na uw middagmaal? + +--Soms. + +--Houdt ge van sterken of slappen grog? + +--Niet te slap. + +--Hoeveel glazen drinkt gij dan? + +--Dat hangt ervan af. + +--Zijt gij bereid te zweren, dat gij soms niet drie of vier glazen +drinkt? + +Daar de koster, die hoe langer hoe blauwer werd, niet antwoordde, +ging de advocaat zitten en zeide onder de hand: + +--Die vragen bewijzen genoeg, dat de hond zeer goed in de kerk +kon opgesloten zijn door den getuige, die na zijn middagmaal geen +kalveren ziet, omdat hij in gedachten verdiept is. Dat is alles wat +ik wilde weten. + +Als ik gedurfd had, zou ik mijn advocaat om den hals zijn gevlogen. Ik +was gered. + +Waarom zou Capi niet in de kerk zijn gesloten? Dat was zeer wel +mogelijk. En als hij op die wijze opgesloten was, zou ik niet in de +kerk zijn ingebroken; ik was dus niet schuldig, daar dit het eenige +bewijs was, dat tegen mij was aangevoerd. + +Na den koster hoorde men de menschen, die met hem waren medegegaan, +toen hij naar de kerk ging, maar zij hadden niets gezien, behalve +het open raam, waardoor de dieven waren ontvlucht. + +Daarna hoorde men mijne getuigen: Bob, zijne makkers, den herbergier, +die allen getuigden omtrent den tijd, waarop zij mij gezien hadden; +een enkel punt werd echter niet opgehelderd, en dit was van veel +gewicht, omdat het den juisten tijd betrof, waarop ik het terrein +van de wedrennen had verlaten. + +Toen het getuigenverhoor was afgeloopen, vroeg de rechter mij, of +ik niets te zeggen had, er bijvoegende dat ik zwijgen kon, indien ik +dit beter achtte. + +Ik zeide, dat ik onschuldig was en mijne zaak vertrouwde aan de +rechtvaardigheid der rechters. + +Toen liet de rechter het procesverbaal voorlezen van de verklaringen, +die ik had hooren afleggen en zeide daarop, dat ik overgebracht zou +worden naar de gevangenis van het graafschap, om daar te wachten tot +de groote rechtbank van gezworenen bijeenkwam, die beslissen zou of +ik al dan niet naar het crimineel gerechtshof zou worden verwezen. + +Het crimineel gerechtshof! + +Ik zonk op mijn bank neder. Helaas! waarom had ik ook niet naar den +raad van Mattia geluisterd! + + + + +XLI. + +BOB. + + +Eerst lang nadat ik weder in mijne gevangenis zat, begon ik de reden +te begrijpen, waarom men mij niet in vrijheid had gesteld: de rechter +wilde wachten tot de andere personen, welke in de kerk gedrongen waren, +in hechtenis waren genomen, om te zien of ik hun medeplichtige was. + +Men was hen op het spoor, had het openbaar ministerie gezegd; ik +zou dus de smart en de schande hebben om weldra weder op de bank der +beschuldigden naast hen te zitten. + +Wanneer zou dat gebeuren? Wanneer zou ik overgebracht worden naar +de gevangenis van het graafschap? Waar was die? Was die nog akeliger +dan de gevangenis waar ik nu opgesloten was? + +Die vragen hielden mij zoo bezig, dat de tijd spoediger voorbijging +dan den vorigen dag. Ik was niet meer ten prooi aan het ongeduld, +waarvan men de koorts krijgt. Ik wist, dat ik moest wachten. + +En nu eens heen en weer loopende, dan weder op mijne bank zittende, +wachtte ik. + +Even voor de nacht viel, hoorde ik op den horen blazen, en ik herkende +terstond het spel van Mattia; de goede jongen wilde mij doen weten, +dat hij aan mij dacht en waakte. Het geluid kwam van gindsche zijde van +den muur, die over mijn venster was. Mattia moest dus aan de andere +zijde van den muur zijn, in de straat en wij waren slechts door een +korten afstand gescheiden, eenige ellen ternauwernood; ongelukkig +konden mijne oogen niet door de steenen heendringen. Maar zoo het oog +niet door de muren heendringt, het geluid gaat er overheen. De tonen +van Mattia's horen gingen gepaard met het gedruisch van voetstappen +en uit het gegons, dat ik daar hoorde, begreep ik dat Mattia en Bob +eene voorstelling gaven. + +Waarom hadden zij die plaats uitgekozen? Was het omdat zij daar op +eene goede ontvangst konden rekenen? of wilden zij mij iets mededeelen? + +Opeens hoorde ik eene heldere stem, die van Mattia, in het fransch +roepen: "Morgen bij het aanbreken van den dag." Terstond daarop begon +hij weder met kracht op zijn horen te blazen. + +Men behoefde niet veel doorzicht te hebben om te begrijpen, dat +Mattia niet tot het engelsche publiek die woorden "morgen bij het +aanbreken van den dag" richtte. Zij waren voor mij bestemd. Maar +wat zij beteekenden, was volstrekt zoo gemakkelijk niet te raden, en +wederom stelde ik mij een tal van vragen voor, waarop ik onmogelijk +een bevredigend antwoord kon vinden. + +Een enkele zaak was duidelijk en klaar: den anderen morgen bij het +aanbreken van den dag moest ik wakker zijn en opletten. Tot zoolang +behoefde ik maar geduld te hebben, als mij dit mogelijk was. + +Zoodra het geheel donker geworden was, ging ik in mijn hangmat +liggen en trachtte ik in te slapen; ik hoorde achtereenvolgens op de +omliggende torenklokken de uren slaan; toen overviel mij de slaap en +droeg me op zijne vleugelen mede. + +Toen ik wakker werd, was het nog stikdonker nacht; de sterren +schitterden aan den donkeren hemel; zeker was de morgen nog ver. Toch +ging ik op mijn bank zitten, en ik bleef daar zitten, uit vrees, +dat ik de aandacht zou wekken van den cipier, zoo deze misschien +eene ronde mocht doen. Weldra sloeg het drie uren op de nabijgelegen +torenklok. Ik was dus te vroeg opgestaan; maar ik durfde niet meer +gaan slapen, en ik geloof zelfs, als ik het had beproefd, dat het +toch niet gelukt zou zijn. Ik was te koortsachtig, te angstig. + +Mijne eenige bezigheid was nu de uren te tellen die de klokken +aangaven, maar wat duurden die vijftien minuten lang tusschen het +eene kwartier en het andere; soms zoolang zelfs, dat ik meende te +zijn ingedommeld en een kwartier te hebben overgeslagen of wel, +dat de klok van streek was. + +Tegen den muur geleund, had ik de oogen onafgebroken op het venster +gericht; het scheen mij eindelijk toe, dat de ster, die ik in het +oog had, haar glans verloor en dat de lucht witter werd. + +Het was de nadering van den dag; in de verte begonnen de hanen +te kraaien. + +Ik stond op en op de toonen sloop ik naar het venster om het te +openen. Dit was eene moeilijke taak, want ik wilde voorkomen dat men +het knarsen of piepen zou hooren, maar door het zeer zacht en vooral +zeer langzaam te doen, slaagde ik er toch in. + +Hoe gelukkig dat mijne cel zich bevond in eene voormalige zaal, die tot +gevangenis was ingericht en dat men het op de ijzeren traliën had laten +aankomen om de gevangenen te bewaren, want als ik mijn venster niet had +kunnen openen, zou ik nooit Mattia hebben kunnen beantwoorden. Maar +het raam open te maken was nog niet alles; de ijzeren staven bleven, +en ook de dikke muren en de deur met het ijzeren beslag. Het was dus +eene dwaasheid aan de vrijheid te denken, en toch hoopte ik. + +De sterren verbleekten al meer en meer en de koude morgenlucht deed +mij bibberen; toch verliet ik het raam niet; ik bleef daar staan +en luisterde en keek, zonder te weten wat ik doen moest of waarnaar +ik luisterde. + +Een groot wit doek scheen naar de lucht te worden opgetrokken en op +den grond werden meer en meer de voorwerpen in duidelijke trekken +kenbaar. Het was thans het aanbreken van den dag, waarvan Mattia +gesproken had. Ik luisterde met ingehouden adem; maar ik hoorde niets +dan het kloppen van mijn eigen hart. + +Toen meende ik een licht krabbelen tegen den muur te vernemen, +maar daar ik geen voetstappen gehoord had, dacht ik dat ik mij +vergissen moest. Ik luisterde nogmaals aandachtig en het krabbelen +duurde voort. Eensklaps zag ik een hoofd boven den muur uitkomen en +terstond daarop bleek mij, dat het Mattia niet kon zijn; hoewel het +nog slechts schemerde, herkende ik Bob. + +Hij zag mij tegen mijne tralies gedrukt. + +--St! riep hij op gedempten toon. + +En met de hand maakte hij een gebaar dat scheen te beteekenen, dat +ik mij niet van het venster moest verwijderen. Zonder hem nog te +begrijpen, gehoorzaamde ik. In zijne andere hand had hij een langen +koker, die mij toescheen van glas te zijn. Hij bracht dien aan den +mond. Nu begreep ik dat het een blaaspijp was. Ik hoorde iets suizen +en op hetzelfde oogenblik schoot een wit balletje door de lucht en +viel voor mijne voeten neer. Onmiddellijk verdween het hoofd van Bob +achter den muur en ik hoorde niets meer. + +Ik wierp mij op het balletje; het was een dicht ineengefrommeld +stuk fijn papier om een hageltje. Het kwam me voor dat er letters op +waren geschreven, maar het was nog niet helder genoeg om ze te kunnen +lezen. Ik moest dus wachten tot de dag zou zijn doorgebroken. + +Met even groote behoedzaamheid, als ik het raam had geopend, sloot +ik het nu weer en kroop dadelijk in mijn hangmat, het balletje in +mijn hand geklemd houdende. + +Langzaam, zeer langzaam voor mijn ongeduld werd de hemel lichter, +en eindelijk viel er een rosachtige gloed op mijn muur. Ik wikkelde +nu het papier los en las: + +"Morgen wordt gij naar de gevangenis van het graafschap overgebracht: +gij reist met den spoortrein in een wagen tweede klasse onder geleide +van een politieagent; ga aan den kant van het portier zitten, waar gij +instijgt. Als gij vijf en veertig minuten gespoord hebt (tel ze goed) +zal de trein een weinig langzamer beginnen te loopen bij de nadering +van een zijtak; doe dan het portier open en spring moedig uit den +wagen. Spring vooruit met de handen uitgestrekt en zóó, dat gij op +uwe voeten te land komt. Zoodra gij op den grond zijt, klim dan tegen +den linkerspoordijk op; wij zullen daar met een rijtuig en een goed +paard zijn om u op te nemen. Vrees niets; twee dagen later zijn wij +in Frankrijk. Houd moed en hoop; spring vooral flink vooruit en zorg, +dat gij op uw beenen te staan komt." + +Gered! Ik zou dus niet voor het gerechtshof verschijnen. Ik zou niet +zien wat daar gebeurde! + +O, die goede Mattia; die goede Bob! want deze was het, dit weet ik +zeker, die zoo belangloos Mattia terzijde stond. "Wij zullen daar +zijn met een goed paard." Mattia alleen had nooit zulk een plan +kunnen maken. + +Ik las het briefje nog eens over: "vijf en veertig minuten na uw +vertrek; de linkerspoordijk; op mijn beenen terecht komen!" Zeker zou +ik flink springen, al moest het mij 't leven kosten. Het was beter +te sterven dan veroordeeld te worden als dief. + +Wat was dat heerlijk verzonnen! + +Over twee dagen zouden wij in Frankrijk zijn. + +Ondanks mijne blijdschap was er toch één ding, dat mij leed deed: wat +zou er van Capi worden? Maar die gedachte liet ik spoedig varen. Het +was niet mogelijk, dat Mattia Capi in den steek zou laten. Als hij +een middel gevonden had om mij te doen ontsnappen, zou hij er ook +wel een gevonden hebben voor Capi. + +Ik las het briefje nog twee- of driemaal over. Daarna kauwde ik het +fijn en slikte het door. Thans kon ik gerust slapen. Daar legde ik +mij zoo geheel op toe, dat ik eerst ontwaakte, toen de cipier mij +riep voor het ontbijt. + +De tijd ging den anderen dag vrij spoedig om. In den namiddag kwam +een politieagent, dien ik niet kende, in mijne cel en gelastte mij +hem te volgen: ik zag met genoegen, dat het een man was van vijftig +jaar ongeveer en die er niet heel vlug uitzag. + +De zaken konden dus gebeuren, zooals Mattia had geschreven en toen de +trein op gang was, nam ik plaats bij het portier aan den kant waar ik +ingestegen was. Ik reed achteruit; de politieagent zat tegenover mij; +wij waren de eenigen in een coupé. + +--Spreekt gij engelsch? vroeg hij. + +--Een beetje. + +--Verstaat gij het? + +--Zoowat, als men niet te gauw spreekt. + +--Welnu, mijn jongen, dan wil ik u een goeden raad geven. Wees niet +koppig tegenover de rechters; beken. Dan zal iedereen even welwillend +voor je worden. Niets ontstemt de menschen meer dan dat ontkennen +tegen alle bewijzen in. Tegenover hen die voor hun schuld uitkomen +is men altijd welwillend gezind. Ik zelf, bijvoorbeeld, wil u met +pleizier een rijksdaalder geven, als gij me zegt hoe de zaak zich +toegedragen heeft. Ge zult eens zien wat gij met dat geld in eene +gevangenis doen kunt tot veraangenaming van uw lot. + +Ik was op het punt om te antwoorden, dat ik niets te bekennen had, +maar ik begreep nog bijtijds dat het beter was mij de welwillendheid +te verwerven, zooals hij het noemde, van den politieagent en ik +antwoordde dus niet. + +--Gij kunt er over nadenken, ging hij voort, en wanneer gij in de +gevangenis inziet, dat ik u een goeden raad gegeven heb, kunt ge mij +doen roepen. Want, ziet ge, men moet zijn schuld niet bekennen aan +den eerste den beste; men moet zijn man weten te kiezen, die dan met +belangstelling u helpen zal, waar hij kan; en gij ziet wel dat ik +geneigd ben u van dienst te zijn. + +Ik knikte toestemmend. + +--Vraag maar naar Dalphen; dien naam zult gij wel onthouden, nietwaar? + +--Ja mijnheer. + +Ik stond tegen het portier geleund, waarvan het glas was +neergelaten. Ik vroeg hem verlof om het land te zien dat wij +doorreisden en daar hij zich mijne "genegenheid wilde verwerven", +zeide hij, dat ik kon kijken zooveel ik wilde. Wat had hij ook te +vreezen: de trein was in volle vaart! + +De lucht, die door het open raampje binnendrong, was ijskoud en hij +verwijderde zich van het portier om middenin de coupé plaats te nemen. + +Ik voor mij voelde geen tocht; ongemerkt stak ik mijn arm naar +buiten en draaide met mijn rechterhand den knop om, maar hield het +portier tegen. + +De tijd ging voorbij, de locomotief floot en verminderde terstond +in snelheid; eensklaps duwde ik het portier open en sprong zoover +ik kon. Ik werd in de greppel geworpen; gelukkig hield ik de handen +voor mij uit en greep ik in het gras van den spoordijk. Toch was de +schok zoo hevig, dat ik naar beneden stortte en in zwijm viel. + +Toen ik tot mij zelven kwam, meende ik nog in den spoortrein te zitten; +want ik voelde, dat ik snel voortbewoog en ik hoorde het rollen van +wielen. Ik lag op een bos stroo. + +Zonderling! mijn gezicht was nat en op mijne wangen en mijn voorhoofd +voelde ik een zachte streeling en een warmen adem. + +Ik opende de oogen; een hond, een leelijke gele hond, lag voor mij +en likte mij. + +Mijne oogen ontmoetten die van Mattia, die naast mij op zijne +knieën lag. + +--Gij zijt gered, zeide hij, terwijl hij den hond opzij duwde en +mij omhelsde. + +--Waar zijn wij? + +--In een rijtuig. Bob ment. + +--Hoe gaat het ermee? vroeg Bob, zich omkeerende. + +--Ik weet niet, ik geloof goed. + +--Beweeg uw armen en beenen eens! riep Bob. + +Ik lag op het stroo uitgestrekt en deed wat hij zeide. + +--'t Is in orde, zeide Mattia; er is niets gebroken. + +--Maar wat is er dan gebeurd? + +--Gij zijt uit den trein gesprongen, zooals wij u geraden hadden. Maar +de schok was zoo erg, dat gij gevallen zijt en in de greppel terecht +gekomen. Toen wij u niet zagen verschijnen, is Bob langs den spoordijk +afgezakt, terwijl ik het paard vasthield en hij heeft u naar boven +gedragen. Wij dachten dat gij dood waart. Wat waren wij bang! Wat +waren wij bedroefd! Maar nu zijt ge gered. + +--En de politieagent? + +--Hij reist verder met den trein, die niet stilstond. + +Nu wist ik het voornaamste. Ik wierp een blik om mij heen, en bespeurde +nu een gelen hond, die mij vriendelijk aanzag met oogen, welke op +die van Capi geleken. Maar het was Capi niet, want Capi was wit. + +--En Capi? vroeg ik, waar is die? + +Vóór dat Mattia mij geantwoord had, was de gele hond op mij gesprongen +en likte mij, terwijl hij een zacht gejank deed hooren. + +--Maar dat is Capi; wij hebben hem laten verven. + +Ik beantwoordde de liefkoozingen van Capi, en drukte hem in mijne +armen. + +--Waarom hebt gij hem laten verven? vroeg ik. + +--Dat is eene heele geschiedenis; ik zal ze u vertellen. + +Maar Bob wilde niet, dat Mattia dit verhaal thans deed. + +Neem de teugels, zeide hij tot Mattia, en houd ze stevig vast; +dan zal ik den wagen zóó in orde brengen, dat men hem niet aan de +barrière herkent. + +Het was een wagen met eene witte huif overspannen, die op hoepels +rustte. Hij legde de hoepels erin, vouwde de huif in vieren en +bedekte mij daarmede. Toen moest Mattia de teugels loslaten en zich +ook onder de huif verbergen. Hierdoor kreeg de wagen een geheel ander +voorkomen. Zij had geen huif meer en inplaats van drie personen, zat +er maar één man in. Als men ons nazette, zou de beschrijving, die men +van ons rijtuig gaf, geheel anders wezen dan ze voor een halfuur zou +zijn geweest, en dit zou dus onze vervolgers op een dwaalspoor brengen. + +--Waar gaan wij heen? vroeg ik aan Mattia, toen hij naast mij lag. + +--Naar Littlehampton; dat is een kleine zeehaven, waar Bob een broer +heeft die schipper is op een bootje, dat op Frankrijk vaart, en te +Isigny in Normandië boter en eieren haalt. Als wij gered worden--en wij +zullen gered worden--zullen wij het aan Bob te danken hebben. Die heeft +alles gedaan. Wat had ik voor u kunnen doen, ik arme, domme knaap! Bob +is op het denkbeeld gekomen om u uit den trein te doen springen, en +mijn briefje door een blaaspijp u toe te werpen, en hij is het, die +zijne kameraads bewogen heeft om hem dit paard te leenen. Hij is het +ook, die ons een schip zal bezorgen om naar Frankrijk over te steken, +want ge begrijpt wel dat, zoo we op een stoomboot plaats namen, gij +weer in hechtenis zoudt worden genomen. Nu ziet ge hoe goed het is +vrienden te hebben. + +--En wie is op de goede gedachte gekomen om Capi mede te nemen? + +--Ik, maar Bob heeft hem geel doen verven om hem niet kenbaar te maken, +toen wij hem aan den agent Jerry hadden ontstolen--dien slimmen Jerry, +zooals de rechter hem noemde, die nu toch volstrekt niet slim is +geweest, want hij heeft zich den hond afhandig laten maken zonder er +iets van te bemerken. Trouwens, toen Capi mij geroken had, heeft hij +het eigenlijk alleen gedaan en bovendien kent Bob al de kunstjes van +de hondendieven. + +--En uw voet? + +--Die is genezen, of tenminste zoo goed als genezen; ik heb geen tijd +gehad om eraan te denken. + +Op de wegen in Engeland zijn tollen, die bovendien strekken om toezicht +te houden op hen, die er doorrijden. Als wij bij zulk een tol kwamen, +waarschuwde Bob ons, dat wij niet moesten spreken of ons verroeren; +hij betaalde en de tolgaarder zag slechts één man. Bob zeide de eene +of andere aardigheid; men lachte en het rijtuig reed door. + +Hij had als clown een groot talent gekregen om zijn gezicht een ander +voorkomen te geven en nu geleek hij precies een boer en zelfs zij, +die hem kenden, zouden nooit gedacht hebben, dat die boer Bob was. + +Wij reden zeer snel, want het was een flink paard en Bob een goed +koetsier. Nu en dan moesten wij echter halt houden, om het dier te +laten uitblazen en het wat te eten te geven. Maar daarvoor legden wij +niet bij eene herberg aan; Bob hield stil in het midden van een bosch, +maakte dan de teugels los en hing het paard een zak met haver om den +kop, dien hij uit den wagen haalde. Het was een donkere nacht en wij +liepen niet veel gevaar om ontdekt te worden. + +Ik kon niet nalaten om mij tot Bob te wenden en in eenige gevoelige +woorden hem mijn dank te betuigen; maar hij liet mij geen tijd om +alles te zeggen wat ik op het hart had. + +--Gij hebt mij een dienst gedaan, zeide hij, terwijl hij mij een +hartelijken handdruk gaf, en nu doe ik u een dienst; elk op zijn +beurt. Bovendien, ge zijt een broer voor Mattia en voor zoo'n goeden +jongen als hij, wil men wel wat doen. + +Ik vroeg hem, of wij nog ver van Littlehampton waren. Hij antwoordde +me, dat wij nog ruim een paar uren hadden te rijden en dat wij ons +haasten moesten, omdat de boot van zijn broer elken Zaterdag naar +Isigny vertrok en dat, naar hij meende, de vloed zeer vroeg inviel. Het +was Vrijdagnacht. + +Wij namen onze plaats weder in op het stroo onder de opgevouwen huif, +en het paard, dat uitgerust had, rende in gestrekten draf voort. + +--Ben-je bang? + +--Ja en neen; ik ben bang, dat men mij weder vatten zal. Als men +vlucht, is dit dan geen bewijs, dat men schuld heeft? Dat vooral +hindert me; wat zou ik tot mijne verdediging kunnen aanvoeren? + +--Daar hebben we ook wel aan gedacht; maar Bob was van oordeel dat +wij alles moesten wagen om te voorkomen, dat gij voor het gerecht +moest verschijnen. Het is zoo treurig daar geweest te zijn, zelfs al +wordt men vrijgesproken. Ik zelf heb niets durven zeggen, omdat ik +zoo vast besloten had u naar Frankrijk mede te nemen en dit voornemen +mij misschien een slechten raad zou hebben gegeven. + +--Gij hebt wèl gedaan: wat er ook gebeuren moge, ik zal u altijd +dankbaar zijn. + +--Er zal niets gebeuren, wees daar gerust op. Als de trein stilstaat, +zal uw agent zijn rapport hebben gemaakt, maar vóór men de maatregelen +genomen heeft om u op te sporen, zal er een heele tijd zijn verstreken +en wij hebben in vliegenden draf gereden. Bovendien kan men onmogelijk +weten, dat wij naar Littlehampton zijn gereden om daar ons in te +schepen. + +Het was zeker, dat, zoo men ons niet op het spoor was, er heel +veel kans bestond, dat wij ons zouden kunnen inschepen zonder dat +wij ontdekt waren. Maar ik was zoo zeker niet als Mattia, dat de +politieagent bij zijn aankomst aan het station zooveel tijd zou hebben +verloren laten gaan, om ons na te zetten. Dat was het gevaar en dit +kon zeer groot zijn. + +Ons paard, dat flink gemend werd door Bob, legde intusschen in +vliegenden rit den eenzamen weg af. Van tijd tot tijd slechts reden wij +eenige rijtuigen voorbij, maar geen een haalde ons in. In de dorpen, +die wij doorreden, heerschte diepe rust en slechts zeer enkele vensters +waren verlicht. Alleen gaven de honden nu en dan, door aan te slaan, +blijk, dat zij onzen snellen rit hoorden en zij vervolgden ons nog +lang met hun geblaf. Als na eene steile helling Bob zijn paard een +oogenblik inhield om het te laten uitblazen, klommen wij even uit +den wagen en legden wij het oor op den grond om te luisteren, maar +zelfs Mattia, die fijner hoorde dan wij, vernam geenerlei verdacht +geluid. Wij reisden in de duisternis, in de stilte van den nacht. + +Het was ook niet meer om ons te verbergen dat wij onder de huif lagen; +maar om ons te beschermen tegen de koude, want er woei een snerpende +wind. Als wij met onze tong over de lippen streken, proefden wij zout: +een bewijs dat wij de zee naderden. Weldra zagen wij een licht, dat met +regelmatige tusschenpoozen verdween, om dan weder helder te voorschijn +te komen: het was de baak; dus moesten wij nabij de kust zijn. + +Bob hield zijn paard in en liet het stappen, nadat hij een zijweg +was ingeslagen. Hier deed hij ons uit den wagen klimmen en zeide, +dat wij op het paard moesten passen. Hij zelf ging zien of zijn +broeder nog niet vertrokken was en wij zonder gevaar ons op zijne +boot konden inschepen. + +Ik moet bekennen, dat de tijd, dien Bob wegbleef, mij lang, ontzaglijk +lang viel. Wij spraken niet; wij hoorden op korten afstand de golven +breken op de kust met eene eentonigheid, die onze ontroering nog +verhoogde. Mattia beefde even erg als ik. + +--'t Is van de kou, zeide hij op fluisterenden toon. + +Was dat waar? Zeker was het, dat als een koe of een schaap in de weide, +waarlangs onze weg liep, een steen aanraakte of langs de heg schoof, +wij nog meer ontroerden en erger beefden. + +Eindelijk hoorden wij voetstappen aan de zijde van den weg, dien Bob +was gevolgd. Hij moest het wezen; mijn lot zou worden beslist. + +Bob was niet alleen. Toen hij naderbij kwam, zagen wij dat er iemand +met hem was. Een man met een geoliede overjas en een wollen muts. + +--Dat is mijn broer, zeide Bob. Hij wil u wel aan boord nemen; hij +zal u verder geleiden en wij moeten scheiden, want men behoeft niet +te weten, dat ik hier geweest ben. + +Ik wilde Bob bedanken, maar hij viel mij in de rede en terwijl hij +mij een hand gaf, zeide hij: + +--Laten wij daarover niet praten; men moet elkander helpen; wij zullen +elkaar nog wel eens weerzien. Het doet me plezier, dat ik Mattia van +dienst heb kunnen zijn. + +Wij volgden den broer van Bob en weldra waren wij in de eenzame straten +van het stadje. Na eenige omwegen, hadden wij de kade bereikt en de +zeewind woei ons in het gelaat. + +Zonder een woord te spreken wees ons Bobs broer naar een vaartuig, +dat gereed lag om te vertrekken. Wij begrepen dat dit het zijne was, +en in weinige minuten waren wij aan boord; toen zond hij ons naar +een kleine kajuit. + +--Ik vertrek pas over een paar uur, zeide hij; blijf daar en maak +geen gedruisch. + +Toen hij de deur van de kajuit op slot had gedaan, sloop Mattia +onhoorbaar naar mij toe en drukte mij in zijne armen. Thans beefde +hij niet meer. + + + + +XLII. + +DE ZWAAN. + + +Toen Bobs broer heengegaan was, bleef het scheepje nog eenigen tijd +rustig liggen en wij hoorden slechts het loeien van den wind, door het +tuig en het lekken van de golven tegen de kiel; maar langzamerhand +kwam er meer beweging; wij onderscheidden voetstappen op het dek; +men liet trossen vallen; spillen knarsten; kettingen werden op- en +afgewonden; men wentelde den kaapstander; er werd een zeil geheschen; +het roer kraakte en eensklaps wierp het schip zich op de linkerzijde, +het schommelen begon--wij waren in zee. Ik was gered. + +Eerst langzaam en zacht, werd het slingeren al sneller en sterker, +het schip daalde en rees en weldra sloegen de golven nu eens tegen +de eene dan tegen de andere zijde. + +--Arme Mattia! zeide ik, terwijl ik zijne hand greep. + +--Dat doet er niets toe, zeide hij; gij zijt gered; bovendien, ik wist +wel, dat het zoo zijn zou; toen wij in het rijtuig zaten, zag ik hoe +de wind de boomen deed heen-en-weer gaan en ik zei bij mij zelven, +dat wij op zee ook zoo dansen zouden. + +Op dat oogenblik werd de deur van de kajuit geopend. + +--Als gij op het dek wilt komen, zeide de broer van Bob, kunt gij +het doen; er is geen gevaar meer. + +--Wanneer voelt men 't minst van de zeeziekte? vroeg Mattia. + +--Als men ligt. + +--Dank u; dan blijf ik liggen. + +En hij strekte zich in zijne volle lengte op den grond uit. + +--De jongen zal u geven wat gij noodig hebt, zeide de kapitein. + +--Dank u; als hij maar niet te lang weg blijft, zal 't mij aangenaam +zijn, antwoordde Mattia. + +--Nu al? + +--'t Is al lang geleden begonnen. + +Ik wilde bij hem blijven, maar hij zond mij naar het dek en herhaalde +nog: + +--'t Is niemendal; gij zijt gered; het komt er niets op aan; ik heb +mij nooit voorgesteld, dat het prettig zou zijn zeeziek te wezen. + +Op het dek gekomen, kon ik mij slechts staande houden door mij aan +de touwen vast te grijpen. Zoo ver mijn oog kon doordringen in de +duisternis van den nacht, zag ik niets dan een witte schuimende vlakte, +waarover ons scheepje zich bewoog, zich telkens op zijde werpende alsof +het in de golven zou duiken. Maar het dook niet onder; integendeel, +het lichtte zich weder veerkrachtig op, danste op de golven en schoot +voorwaarts, door den westenwind gedreven. + +Ik keek om naar de kust; reeds waren de lichten van de haven niet +meer dan punten in den nevelachtigen hemel en toen ik ze flauwer zag +worden en verdwijnen, was het of een gevoel van verlichting zich van +mij meester maakte bij mijn afscheid van Engeland. + +--Als de wind zoo aanhoudt, zeide de kapitein, zullen wij vanavond +niet laat te Isigny aankomen. De _Eclips_ is een flinke boot. + +Een ganschen dag op zee en zelfs meer dan een dag! Arme Mattia! En +het deed hem plezier zeeziek te zijn! + +Maar de dag ging toch om en ik bracht mijn tijd door met van de kajuit +naar het dek en van het dek naar de kajuit te gaan. Eens dat ik met +den kapitein stond te praten, zeide hij, terwijl hij met de hand +wees: Harfleur. In het zuidwesten zag ik toen eene hooge witte kolom, +die op een donkeren achtergrond zich afteekende. + +Ik liep zoo snel ik kon de trappen af om aan Mattia die goede tijding +te brengen. Wij waren in het gezicht van Frankrijk. Maar het is nog +een geheele afstand, die Harfleur van Isigny scheidt en men moet het +geheele schiereiland Cotentin omzeilen, vóór men in de Vire en de +Aure komt. + +Daar het vrij laat was, toen _de Eclips_ de kade van Isigny aandeed, +gaf de kapitein ons verlof om aan boord te blijven slapen en eerst +den anderen morgen scheidden wij van hem, na hem hartelijk bedankt +te hebben. + +--Als gij naar Engeland mocht willen terugkeeren, zeide hij, terwijl +hij ons een stevigen handdruk gaf, zorg dan maar op een Dinsdag hier +te zijn; elken Dinsdag gaat de _Eclips_ naar Engeland. Zij is tot +uw beschikking. + +Dat was een recht vriendelijk aanbod, maar dat wij volstrekt geen +lust hadden om aan te nemen, want beiden, Mattia zoowel als ik, +hadden eene bepaalde reden om niet meer naar Engeland te gaan. + +Toen wij in Frankrijk aan wal stapten, bezaten wij niets anders dan +onze kleeren en onze instrumenten, want Mattia had gezorgd, dat hij +mijne harp had medegenomen, die ik in de tent van Bob achtergelaten +had in den nacht, dat ik naar de herberg De Eikenboom ging. Wat onze +reiszakken betrof, die waren met al wat zij bevatten in den wagen +van de familie Driscoll gebleven. Dit bracht ons wel in eenige +ongelegenheid, want wij konden ons zwervend leven niet hervatten +zonder hemd en zonder kousen en vooral zonder kaart. Gelukkig had +Mattia zes gulden opgespaard en wij hadden bovendien ons aandeel in +de ontvangst, welke Bob en zijne makkers hadden gemaakt op den avond, +dat wij met hen speelden, en dit bedroeg veertien gulden ruim. Wij +hadden dus een fortuin van bijna twintig gulden, en voor ons was +dit heel veel. Mattia had dit geld willen geven in mindering van de +kosten die mijne vlucht had veroorzaakt, maar Bob had geantwoord, dat +vriendschapsdiensten niet werden betaald en hij wilde niets aannemen. + +Ons eerste werk nadat wij de _Eclips_ verlaten hadden, was een ouden +soldaten-ransel en een paar hemden te koopen; voorts twee paar kousen, +een stuk zeep, een kam, garen, knoopen, naalden en vooral iets wat +ons nog onmisbaarder was dan al die dingen, hoe nuttig ze voor ons +ook waren: eene kaart van Frankrijk. + +Waar moesten wij dan ook heen nu wij eenmaal in Frankrijk waren? welken +weg moesten wij inslaan? welke richting volgen? + +Dat was de vraag die wij overwogen, terwijl wij van Isigny den weg +naar Bayeux aflegden. + +--Wat mij betreft, zeide Mattia, ik heb geen keus, ik ben even bereid +om rechts als om links te gaan. Ik verlang maar één ding. + +--En dat is? + +--Dat wij den loop eener rivier volgen of van een kanaal, want ik +heb een idee. + +Daar ik aan Mattia niet vroeg welk idee hij had, ging hij voort. + +--Ik zie wel dat ik het u moet vertellen. Toen Arthur ziek was, heeft +mevrouw Milligan weder op eene boot Frankrijk met hem doorkruist en +daardoor hebt gij hem op _De Zwaan_ ontmoet. + +--Hij is niet ziek meer. + +--Dat is te zeggen: hij _wordt_ beter; hij is erg ziek geweest en +hij is slechts gered door de zorg zijner moeder. Nu is mijn vaste +overtuiging, dat om hem geheel-en-al te doen genezen, mevrouw Milligan +hem weder op eene boot de stroomen, rivieren en kanalen laat volgen, +die _De Zwaan_ bevaren kan. Wanneer wij ons dus aan den loop eener +rivier houden, dan hebben wij kans dat wij _De Zwaan_ ontmoeten. + +--Wie zegt u, dat De Zwaan in Frankrijk is? + +--Niemand; maar daar _De Zwaan_ geen zee kan bouwen, is het toch +waarschijnlijk, dat zij in Frankrijk is, en wij hebben alle kans haar +aan te treffen. Maar al bestond er slechts één kans, zijt gij het dan +niet met mij eens, dat wij die moeten wagen? Ik wil mevrouw Milligan +vinden en ik meen, dat wij alles moeten doen, om daarin te slagen. + +--Maar Lize, Alexis, Benjamin, Martha! + +--Die zullen wij vinden, terwijl wij mevrouw Milligan zoeken. Wij +moeten dus eerst een rivier hebben. Laten wij eens op de kaart zien, +welke rivier het meest in de nabijheid ligt. + +Wij spreidden de kaart op het gras uit en zochten de rivier het meest +in de nabijheid. Wij vonden de Seine. + +--Welnu, laten wij dan de Seine opzoeken. + +--De Seine loopt door Parijs. + +--Wat doet er dat toe? + +--Heel veel. Ik heb Vitalis hooren zeggen, dat als men iemand vinden +wilde, men hem dan te Parijs moest zoeken. Als de engelsche politie +mij zocht om dien diefstal in de Sint-George kerk, zou ik niet gaarne +door haar gevonden worden: daarvoor behoefden wij waarlijk Engeland +niet te ontvluchten. + +--Kan de engelsche politie u dan in Frankrijk vervolgen? + +--Dat weet ik niet, maar als dit zoo is, moeten wij niet naar Parijs +gaan. + +--Kan men de Seine niet volgen tot aan de omstreken van Parijs en ze +dan verlaten, om ze een eind verder weder op te zoeken? Ik zou ook +niet gaarne Garofoli terugzien. + +--Dat kan ik denken. + +--Welnu laten wij dan _dit_ doen: alle varensgezellen en bewoners +van den oever langs de geheele rivier ondervragen; en daar er maar +ééne _Zwaan_ is met eene veranda en geen ander schip haar gelijkt, +zal men haar wel hebben opgemerkt op de Seine. Als wij ze op de Seine +niet vinden, zullen wij haar zoeken op de Loire, op de Garonne, op +al de rivieren van Frankrijk en eindelijk zullen wij haar wel vinden. + +Tegen dat idée van Mattia kon ik niets inbrengen. Wij besloten dus +de Seine op te zoeken en den oever ervan te volgen. + +Nadat wij voor ons zelven hadden gezorgd, was het tijd om ook aan +Capi te denken. Zoolang hij geel was geverfd, was hij voor mij mijn +Capi niet. Wij kochten zachte zeep en in het eerste water, dat wij +tegenkwamen, waschten wij hem flink af, elkander aflossende, als wij +moe waren. + +Maar de verf van onzen vriend Bob was van eene uitstekende +hoedanigheid; wij moesten den hond een langen tijd baden en bij +herhaling met zeep insmeren. Toch zouden er weken en maanden noodig +zijn eer Capi zijne oorspronkelijke kleur terugkreeg. Gelukkig +is Normandië het land van het water en elken dag konden wij Capi +onderhanden nemen. + +Over Bayeux, Caen, Pont-d'Evêque en Pont-d'Audemer kwamen wij aan de +Seine bij La Bouille. + +Toen wij van de boschrijke hoogten, waarheen een lommerrijke holle +weg leidde, na den geheelen dag geloopen te hebben, opeens de Seine +vóór ons zagen, die eene breede bocht beschreef, waarvan onze heuvel +het middelpunt uitmaakte, en op wier kalme, machtige golven tal van +schepen met witte zeilen en stoombooten, wier rook tot ons opsteeg, +statig voortdreven, riep Mattia uit, dat dit schouwspel hem geheel +met het water verzoende, en dat hij volkomen begreep hoe men er een +genot in vinden kon op die kalme rivier te glijden, langs die welige +landerijen en bouwlanden en sombere bosschen, die haar oever omzoomden. + +--Gij kunt er zeker van zijn, dat mevrouw Milligan met haar zieken +zoon op de Seine vaart, zeide hij. + +--Dat zullen wij spoedig vernemen, als wij de menschen in de dorpen +uithooren. + +Ik wist toen niet hoe moeilijk het was de Normandiërs aan het praten te +krijgen. Zij antwoorden nooit rechtstreeks en ondervragen integendeel +diegenen, die trachten iets van hen te weten te komen. + +--Is 't een schip uit Hâvre of een schip uit Rouaan, waarnaar gij +vraagt? Is het een boot? een zeilvaartuig? een aak? een praam? + +Toen we op al die vragen, die men ons deed, geantwoord hadden, waren +wij zoo goed als zeker, dat _De Zwaan_ nooit te La Bouille was geweest, +of zoo zij er al geweest was, zij des nachts moest gepasseerd zijn, +zoodat niemand haar had kunnen zien. + +Van La Bouille kwamen wij te Rouaan, waar wij opnieuw nasporingen +deden, maar met niet veel beter gevolg. Te Elbeuf kon men ons ook +niets van _De Zwaan_ vertellen. Te Poses, waar er sluizen waren en +men dus alle schepen, die voorbijvoeren, wel _moest_ zien, kregen +wij hetzelfde antwoord. + +Wij gaven den moed nochtans niet op, maar bleven altijd maar vragen, +zonder veel hoop evenwel, want _De Zwaan_ was niet van de eene of +andere plaats in het midden van de rivier kunnen vertrekken. Dat +mevrouw Milligan en Arthur te Quillebeuf of Caudebec waren ingescheept, +was te begrijpen, maar te Rouaan nog waarschijnlijker; maar daar wij +geen spoor van hen ontdekten, moesten wij tot Parijs gaan, of liever +voorbij Parijs. + +Daar wij niet alleen wandelden om verder te komen, maar bovendien +elken dag ons brood moesten verdienen, hadden wij vijf weken noodig +om van Isigny Charenton te bereiken. + +Daar deed zich de vraag voor, of wij de Seine dan wel de Marne moesten +volgen. Die vraag had ik mezelven al dikwijls gedaan, terwijl ik +mijne kaart bestudeerde, maar zonder eene enkele reden te vinden, +waarom wij aan de eene rivier de voorkeur zouden geven boven de andere. + +Gelukkig behoefden wij, te Charenton gekomen, niet te aarzelen, +want op onze vraag antwoordde men daar voor de eerste maal, dat men +een vaartuig gezien had, hetwelk op _De Zwaan_ geleek: het was eene +pleizierboot en had eene veranda. + +Mattia was zóó in zijn schik, dat hij begon te dansen op de +kade. Eensklaps hield hij met dansen op; hij greep zijne viool en +speelde zijn triomfmarsch zoo hartstochtelijk, als ik ooit van hem +gehoord had. + +Intusschen ging ik voort met aan den varensgezel, die zoo goed was +geweest om ons te antwoorden, nieuwe vragen te doen. Twijfelen was +niet langer mogelijk: het was _De Zwaan_, die ongeveer twee maanden +geleden Charenton was gepasseerd, de Seine opvarende. + +Twee maanden! Dus was zij ons een ontzaglijk eind vooruit. Maar wat +deed er dat toe! Altijd voortgaande, zouden wij haar toch eenmaal +moeten inhalen, al waren wij maar te voet, terwijl het vaartuig met +een paar flinke paarden was bespannen. + +Of er wat korter of langer tijd voor noodig was, deed niets ter zake; +de voornaamste, buitengewoonste, merkwaardigste zaak was, dat _De +Zwaan_ was gevonden. + +--Wie heeft er gelijk gehad? vroeg Mattia. + +Als ik gedurfd had, zou ik hebben bekend, dat ik evenveel hoop gehad +had als hij, maar niet durfde zeggen, zelfs voor mij zelven niet, welke +gedachten en dwaasheden die in mijne verbeelding had doen oprijzen. + +Wij behoefden ons niet op te houden om de menschen te ondervragen: +_De Zwaan_ voer voor ons uit; wij behoefden de Seine maar te volgen. + +Maar te Moret valt de Loing in de Seine, en nu moesten wij opnieuw +inlichtingen inwinnen. + +De Zwaan was de Seine opgevaren. + +Te Montereau moesten wij weder gaan vragen. + +Hier vernamen wij, dat _De Zwaan_ de Seine verlaten had voor de +Yonne. Meer dan twee maanden geleden was zij Montereau gepasseerd. Aan +boord was eene engelsche dame met een knaap, die op een bed lag +uitgestrekt. + +Wij kwamen dichter bij Lize, en terwijl wij _De Zwaan_ volgden klopte +mijn hart sneller, terwijl ik, mijne kaart bestudeerende, mij afvroeg +of na Joigny mevrouw Milligan het kanaal van Bourgogne of dat van +Nivernais had gevolgd. + +Wij kwamen aan het punt, waar de Yonne en de Armençon samenvloeien. _De +Zwaan_ was de Yonne blijven volgen; wij gingen dus door Dreuze en +zouden Lize kunnen zien. Zij zelve zou ons kunnen verhalen van mevrouw +Milligan en Arthur. + +Sedert wij _De Zwaan_ volgden, hadden wij niet veel tijd gegeven aan +onze concerten en voorstellingen en Capi, die een nauwgezet kunstenaar +was, begreep onze haast niet; waarom stonden wij hem niet meer toe +met het bakje in zijn bek zich voor het "geëerde publiek" te plaatsen, +dat niet vlug was om met de hand in den zak te tasten? Men moet zijn +tijd nemen. + +Maar wij gaven ons den tijd niet meer; de ontvangsten werden dan ook +geringer; terwijl tevens het overschot van onze twintig gulden met +den dag kleiner werd. Wel verre van geld over te leggen, teerden wij +van ons kapitaal. + +--Laten wij ons haasten, om bij _De Zwaan_ te komen, zeide Mattia. + +En ik zeide met hem: laten wij ons haasten. + +Des avonds klaagden wij nooit over moeheid, hoe ver de tocht ook +was geweest; integendeel, wij waren het altijd volkomen eens, om den +anderen morgen maar weder zeer vroeg op weg te gaan. + +--Roep me toch bijtijds, zeide Mattia, die veel van slapen hield. + +En als ik hem geroepen had, duurde het nooit lang, of hij was op +en reisvaardig. + +Om geld te besparen, hadden wij onze uitgaven verminderd, en daar +het zeer warm was, had Mattia verklaard, geen vleesch meer te willen +eten, want des zomers was vleesch ongezond. Wij stelden ons tevreden +met een stuk brood en een hard ei, dat wij samen deelden of wel met +een stukje boter; en ofschoon wij in het wijnland waren, dronken wij +niets dan water. + +Wat kwam het er ook op aan! + +Soms echter had Mattia grooten trek in iets lekkers. + +--Ik zou wel willen, dat mevrouw Milligan nog die keukenmeid had, die +zulke lekkere confituurtaarten voor u kon klaarmaken, zeide hij. Dat +zou heerlijk zijn; vooral abrikozentaarten! + +--Heb je die nooit gegeten! + +--Ik heb appelkoeken gegeten, maar nooit abrikozentaarten; maar ik +heb ze wel eens gezien. Wat zijn dat voor kleine witte dingen, die +op de confituren zijn geplakt? + +--Amandelen. + +--O, zoo. + +En Mattia zette zijn mond zoo wijd open, of hij eene geheele taart +ineens zou doorslikken. + +Daar de Yonne vele bochten maakt tusschen Joigny en Auxerre, haalden +wij door den grooten weg te volgen _De Zwaan_ een weinig in; maar van +Auxerre af verloren wij weder, want zij had het kanaal van Nivernais +gevolgd en ging snel vooruit op het kalme water. + +Bij elke sluis kregen wij nieuwe inlichtingen, want op dit kanaal, +waar geen druk verkeer bestaat, had iedereen het vaartuig opgemerkt, +dat volstrekt niet op de vaartuigen geleek, die men gewoonlijk zag. + +Niet slechts sprak men ons van _De Zwaan_, maar ook van mevrouw +Milligan, "eene goedhartige engelsche dame" en van Arthur, een +knaap, die bijna altijd op een bedje lag, dat op het dek voor hem +was gespreid onder een glazen dak met groen en bloemen, maar die nu +en dan toch opstond. + +Arthur werd dus beter. + +Wij naderden Dreuze; nog twee dagen; nog een; nog maar eenige uren. + +Eindelijk zagen wij de bosschen, waarin ik den vorigen herfst met +Lize had gespeeld en wij zagen ook de sluis met het huisje van vrouw +Katherina. + +Zonder daaromtrent eenige afspraak te maken, maar elk uit eigen +beweging, hadden Mattia en ik onzen pas versneld en wij wandelden +niet meer: wij liepen op een drafje. Capi werd weder geheel wat hij +vroeger geweest was en rende in galop vooruit. + +Hij gaat Lize zeggen, dat wij in aantocht zijn; zij zal ons tegemoet +komen. + +Maar het was Lize niet, die wij uit het huisje te voorschijn zagen +komen, maar Capi, die er uitholde, of hij weggejaagd was. + +Onmiddellijk bleven wij beiden stilstaan en wij vroegen ons af wat +dit te beteekenen had. Maar die vraag deden wij aan elkander niet, +en wij vervolgden zwijgend onzen weg. + +Capi was bij ons gekomen en liep nu druipstaartend achter ons. + +Een man was bezig een der deuren van de sluis te openen. Het was de +oom van Lize niet. + +Wij gingen tot aan het huis; eene vrouw, die wij niet kenden, ging +op en neer in de keuken. + +--Is vrouw Suriot niet hier? vroegen wij. + +Zij zag ons een oogenblik aan, zonder antwoord te geven, alsof wij +haar de onzinnigste vraag hadden gedaan. + +--Zij is niet meer hier, zeide zij eindelijk. + +--Waar is zij? + +--In Egypte. + +Mattia en ik zagen elkander onthutst aan. In Egypte! Wij wisten niet +juist wat Egypte was en waar dat land lag; maar een onbestemd gevoel +zeide ons dat het ver, zeer ver af was; zoowat aan de overzijde van +de zee. + +--En Lize? Kent gij Lize? + +--Of ik die ken! Lize is met eene Engelsche dame op een schip +vertrokken. + +Lize op _De Zwaan_. Was het geen droom? + +De vrouw gaf een antwoord waaruit bleek, dat wij niet droomden. + +--Zijt gij Rémi? vroeg zij. + +--Ja. + +--Zoo, nu dan zal het u niet onverschillig zijn te weten, dat Suriot +verdronken is. + +--Verdronken! + +--Ja, verdronken in de sluis. Je moet weten, dat Suriot in het water +is gevallen en dat hij onder een der sluisdeuren doorgaande, aan een +spijker is blijven hangen. Dat gebeurt meer in zijn vak. Toen hij +verdronken was, zat Katherina erg in de verlegenheid, ofschoon ze +een kranige vrouw is. Maar wat zal ik je zeggen; als er geen geld +is, valt het heel moeilijk om te leven. En geld was er niet. Men +deed aan Katherina het voorstel om naar Egypte te gaan en daar de +kinderen groot te brengen van eene dame, bij wie ze min was geweest; +maar haar nichtje zat haar in den weg. Toen zij nog met zich zelve +overlegde wat haar te doen stond, hield op een avond een schip voor +de sluis stil, waarop zich eene Engelsche dame bevond, die met haar +ziek zoontje de rivier opvoer. Men kwam met elkander aan 't praten en +de Engelsche dame, die een kind zocht om met haar zoontje te spelen, +dat zich verveelde op zijn schip, verzocht, dat men haar Lize zou +afstaan en beloofde voor haar te zullen zorgen, haar te doen genezen +en haar ook in de toekomst niet aan haar lot over te laten. Zij was +een brave vrouw, heel minzaam en zacht voor arme menschen. Katherina +nam het voorstel aan, en terwijl Lize aan boord ging van het schip +der Engelsche dame, pakte Katherina haar boeltje om naar Egypte te +gaan. Thans is mijn man in de plaats van Suriot aangesteld. Vóór +dat zij vertrok beduidde Lize--die nog niet spreken kon, maar naar +de dokters zeggen eenmaal wel haar spraak zal terugkrijgen--aan hare +tante dat zij mij alles zou vertellen wat ik u moest mededeelen als +gij haar kwaamt bezoeken. En dat heb ik nu gedaan. + +Ik was zoo verwonderd en verbaasd, dat ik geen woorden kon vinden om +te antwoorden; maar Mattia bleef zich zelven beter meester. + +--En waar is de Engelsche dame heengegaan? vroeg hij. + +--Naar het Zuiden van Frankrijk of naar Zwitserland; Lize zou mij +schrijven om u haar adres te geven, maar ik heb nog geen brief van +haar ontvangen. + + + + +XLIII. + +DE MOOIE LUIERS HEBBEN WAARHEID GESPROKEN. + + +Nog altijd stond ik sprakeloos, maar Mattia deed wat ik geheel vergat. + +--Wij bedanken u wel juffrouw, zeide hij. + +En hij duwde mij zachtkens naar buiten de keuken uit. + +--En nu op weg; vooruit! zeide hij. Wij moeten nu niet alleen mevrouw +Milligan en Arthur opsporen, maar ook Lize moeten wij inhalen. Wat +komt dat uitstekend! Wij zouden te Dreuze onzen tijd maar verloren +hebben; en nu kunnen wij onzen weg vervolgen. Dat is een kansje! Wij +hebben al zooveel teleurstellingen gehad, nu loopt het ons mede; +de wind is veranderd. Wie weet welk geluk ons nog wacht! + +En wij vervolgden zonder tijd te verliezen onzen weg om _De Zwaan_ +in te halen, en bleven overal maar juist lang genoeg om te slapen en +eenige stuivers te verdienen. + +Te Decize, waar het kanaal van Nivernais uitmondt in de Loire, +vroegen wij naar _De Zwaan_. Zij was het zijkanaal ingevaren, en dit +volgden wij dus ook tot Digoin; daar namen wij het kanaal dat naar +Châlon leidt. + +Mijne kaart wees mij aan, dat zoo ik over Charolles ging rechtstreeks +naar Macon, dit ons een langen omweg en verscheidene dagmarschen +zou uitwinnen; maar dit was een stout besluit, waarvan wij de +verantwoordelijkheid geen van beiden op ons wilden nemen, nadat wij +het vóór en tegen hadden overwogen; _De Zwaan_ toch had zich onderweg +kunnen ophouden, en dan zouden wij haar vóór zijn. Wij moesten dus +op onze schreden terugkeeren en, om tijd te winnen, tijd verliezen. + +Wij volgden de Saône van Châlon tot Lyon. + +Daar stuitten wij op eene groote moeilijkheid: was _De Zwaan_ de +Rhône op- of afgevaren? Met andere woorden: was mevrouw Milligan naar +het Zuiden van Frankrijk of naar Zwitserland gegaan. Wij vroegen +inlichtingen aan de varensgezellen en alle menschen, die op kaden +hunne bezigheden hadden en eindelijk kregen wij de zekerheid, dat +mevrouw Milligan naar Zwitserland was gegaan. Wij volgden dus den +loop der Rhône naar den oorsprong. + +--Door Zwitserland gaat men naar Italië, zeide Mattia; dat is ook +een buitenkansje. Als wij, mevrouw Milligan nareizende, eens te Lucca +kwamen, wat zou Christina blij zijn! + +Arme, goede Mattia! Hij hielp mij zoeken naar hen, die mij dierbaar +waren, en ik deed niets om hem in de gelegenheid te stellen zijn +zusje weer te zien. + +Van Lyon af wonnen wij elken dag op _De Zwaan_, want de Rhône heeft +zulk een sterken golfslag, dat men ze niet zoo gemakkelijk opvaart +als de Seine. Te Culoz was zij ons niet meer dan zes weken vooruit; +intusschen als ik de kaart raadpleegde, moest ik het betwijfelen of +wij haar wel zouden ingehaald hebben vóór zij in Zwitserland was, +want het was mij onbekend, dat de Rhône niet verder bevaarbaar is dan +tot Genève en wij verbeeldden ons, dat mevrouw Milligan met _De Zwaan_ +Zwitserland wilde bezoeken, van welk land wij geen kaart hadden. + +Wij kwamen te Seyssel, eene stad die in tweeën gedeeld wordt door de +rivier, waarover eene hangende brug is geslagen, en wij volgden den +oever der rivier. Hoe verrast was ik, toen ik in de verte _De Zwaan_ +meende te herkennen. + +Wij zetten het op een drafje: ja het was haar vorm; het was ze; +en toch zag zij er uit als een verlaten vaartuig. Zij was stevig +vastgemeerd achter eene soort van kade, die haar beschermde en aan +boord was alles gesloten. Er waren ook geen bloemen onder de veranda. + +Wat was er gebeurd? was Arthur iets overkomen? + +Wij stonden stil; ons hart klopte ternauwernood. + +Maar het was laf zoo onbeweeglijk te blijven; wij moesten erheen; +wij moesten weten wat er van de zaak was. + +Een man, aan wien wij inlichtingen vroegen, was wel zoo goed ons te +antwoorden: hij was juist de persoon, die met het bewaken van _De +Zwaan_ belast was. + +De Engelsche dame, die met hare twee kinderen aan boord was--een lam +knaapje en een klein stom meisje--bevond zich in Zwitserland. Zij +had haar schip achtergelaten, omdat zij er de Rhône niet verder mede +kon opvaren. De dame en hare twee kinderen waren met een rijtuig +weggereden; de andere bedienden waren gevolgd met de bagage. In het +najaar zou zij terugkomen, om zich weder op _De Zwaan_ in te schepen +en de Rhône af te zakken tot aan zee, om den winter in het Zuiden +door te brengen. + +Wij haalden weder adem; de vrees, die wij gekoesterd hadden, was dus +ongegrond; wij moesten dan ook liever het goede dan het kwade ons +hebben voorgesteld. + +--En waar is die dame thans? vroeg Mattia. + +--Zij is vertrokken om een villa te huren aan den oever van het +meer van Genève, in den omtrek van Vevey; waar weet ik niet precies; +maar zij zou daar den zomer doorbrengen. + +Dan maar op weg naar Vevey! Te Genève zouden wij eene kaart van +Zwitserland koopen en die stad of dat dorp zouden wij wel vinden. Nu +_De Zwaan_ niet meer vóór ons uitvoer en mevrouw Milligan den zomer +op hare villa doorbracht, waren wij zeker haar te zullen vinden. Wij +behoefden haar maar te zoeken. + +Vier dagen nadat wij Seyssel verlaten hadden, waren wij reeds in +de omstreken van Vevey, temidden der talrijke villa's, die van het +meer met zijne blauwe golven af zoo bevallig achter elkander zich +verheffen op de groene en boschrijke hellingen van den berg. Waar +was nu het buitenverblijf, dat mevrouw Milligan met Arthur en Lize +bewoonde? Eindelijk waren wij waar wij wezen moesten. Het was tijd: +drie stuivers was onze eenige bezitting en onze schoenen hadden geen +zolen meer. + +Maar Vevey is geen dorpje, zooals wij ons eerst hadden voorgesteld; +het is eene stad en zelfs geen gewone stad, want tot Villeneuve toe +strekken zich een reeks van dorpen of voorsteden uit, die met Vevey +een geheel vormen, Blonay, Corsier, Tour-de-Peilz, Clarens, Chernet, +Montreux, Veyteaux, Chillons. + +Of wij al vroegen naar mevrouw Milligan, of liever naar eene engelsche +dame met haar zieken zoon en een stom meisje, bleek ons al spoedig een +nutteloos onderzoek te zijn: Vevey en de oevers van het meer worden +bewoond door zeer vele engelsche heeren en dames, en men kent hen +evenmin als in de omstreken van Londen. + +Het best was deze zelf te zoeken en ons naar alle huizen te begeven, +waar vreemdelingen konden wonen. Dit was dan ook eigenlijk niet zoo +moeilijk; wij behoefden maar in alle straten onze bekende melodiën +te spelen. + +Op één dag hadden wij geheel Vevey doorkruist en eene aanzienlijke +som gebeurd; vroeger, toen wij geld wenschten voor onze koe of de +pop van Lize, zou ons dit een gelukkigen avond hebben bezorgd, maar +thans was het ons niet meer om het geld te doen. Nergens vonden wij +de geringste aanwijzing omtrent het verblijf van mevrouw Milligan. + +Den anderen morgen zetten wij onze naporingen in den omtrek van Vevey +voort en gingen maar altijd verder, den weg volgende, die vóór ons +lag, voor alle ramen spelende van de huizen, die er voornaam uitzagen, +of die ramen al open of gesloten waren. Maar des avonds keerden wij +terug, zooals wij den vorigen dag waren teruggekeerd. Toch waren wij +van het meer naar den berg en van den berg naar het meer gegaan, overal +rondziende, nu en dan vragen richtende aan menschen, die er welwillend +uitzagen, zoodat wij hopen mochten, dat zij ons zouden te woord staan. + +Dien dag wekte men tot tweemaal toe eene valsche hoop bij ons op door +ons te zeggen, dat men, zonder haar naam te weten, de dame waarover wij +spraken, zeer goed kende; men zond ons eerst naar een landhuis diep in +het gebergte; en daarna verzekerde men ons, dat zij aan den oever van +het meer woonde. Het waren ook werkelijk engelsche dames, die aan het +meer en in het gebergte woonden, maar het was niet mevrouw Milligan. + +Na zoo nauwkeurig mogelijk de omstreken van Vevey doorzocht te hebben, +verwijderden wij ons in de richting van Clarens en Montreux, zeer +ontevreden over den slechten uitslag onzer nasporingen, maar volstrekt +niet ontmoedigd; wat vandaag niet gelukte, dat kon morgen gelukken. + +Nu eens volgden wij wegen aan weerszijden door muren begrensd, dan +weder paden dwars door wijn- en boomgaarden, of door lommerrijke +bosschen van reusachtige kastanjeboomen, waarvan het dichte loof +lucht en licht onderschepte en waaronder slechts fluweelachtig +mos groeide. Bij elke schrede op die wegen en paden zag men door +het geopend traliehek of de houten deur, net onderhouden lanen, die +zich om grasperken slingerden of door dichte boschjes van bloemen en +struiken; en in het groen verscholen lag daar een fraai huis of eene +bevallige villa met slingerplanten bedekt. En voor al die groote en +kleine woningen had men door het geboomte uitzichten gehouwen op het +spiegelheldere meer en zijne omlijsting van sombere bergen. + +Die tuinen brachten ons soms tot wanhoop, want daar zij ons op een +afstand van de huizen hielden, konden wij ons niet doen hooren door +de bewoners, als wij niet zoo luid mogelijk speelden en zongen, wat +zeer vermoeiend is, wanneer men van den vroegen morgen tot den laten +avond daartoe verplicht is. + +Op een namiddag gaven wij een concert op straat; vóór ons was er +slechts een getralied hek en achter ons een blinde muur, waarop wij +geen acht sloegen. Ik had zoo luid ik kon het eerste couplet gezongen +van mijn napolitaansch lied, en zou juist het tweede couplet beginnen, +toen wij het opeens achter ons hoorden zingen, aan gene zijde van +den muur, maar zwak en met eene onbekende stem. + +Van wie kon die stem zijn? + +--Van Arthur? vroeg Mattia. + +Neen, het was Arthur niet; ik herkende diens stem althans niet; en +toch liet Capi een gesmoord blaffen hooren en gaf alle teekenen van +blijdschap, terwijl hij tegen den muur opsprong. + +Ik was niet instaat mij langer te bedwingen, maar riep: + +--Wie zingt daar? + +En de stem antwoordde: Rémi. + +Mijn naam, inplaats van een antwoord. Mattia en ik zagen elkander +onthutst aan. + +Terwijl wij elkander sprakeloos stonden aan te staren, zag ik achter +Mattia een witten zakdoek in den wind fladderen; wij snelden naar +die zijde heen. + +Eerst toen wij aan de heg daar ter plaatse kwamen, zagen wij +de persoon, aan wie de arm toebehoorde, die met den zakdoek had +gezwaaid.... Het was Lize. + +Eindelijk hadden wij haar dan gevonden en met haar mevrouw Milligan +en Arthur. + +Maar wie had gezongen? Dat was de vraag, die wij haar gelijktijdig +deden, Mattia zoowel als ik, zoodra wij instaat waren een woord +te uiten. + +--Ik, zeide zij. + +Lize zong! Lize sprak! + +Wel is waar had ik tallooze malen hooren verzekeren, dat Lize eenmaal +hare stem zou terugkrijgen en waarschijnlijk tengevolge eener heftige +gemoedsaandoening, maar ik had nooit kunnen gelooven, dat dit mogelijk +zou zijn. + +En toch was het gebeurd; zij sprak: het wonder was geschied en +het was toen zij mij had hooren zingen en mij bij haar zag komen, +terwijl zij meende me voor altijd verloren te hebben, dat zij die +heftige gemoedsaandoening ondervonden had. + +Bij die gedachte werd ik zelf zoo ontroerd, dat ik genoodzaakt was +mij met de hand aan een boomtak vast te klemmen. + +Maar het was nu het oogenblik niet om zich door aandoeningen te +laten overstelpen. + +--Waar is mevrouw Milligan? zeide ik. Waar is Arthur? + +Lize bewoog de lippen om te antwoorden, maar zij kon slechts geluiden, +geen woorden uitbrengen. Ongeduldig nam zij weder de toevlucht tot +hare gebarentaal om zich spoediger te doen begrijpen; haar tong en +haar geest waren nog niet bedreven genoeg om zich van de gewone spraak +te bedienen. + +Terwijl ik met de oogen hare taal volgde, die Mattia niet verstond, +zag ik achter in den tuin, op den hoek van eene lommerrijke laan, een +wagentje, dat door een knecht werd voortgeduwd: in dat wagentje lag +Arthur uitgestrekt, en achter hem ging zijne moeder en..... ik boog mij +voorover om beter te zien..... de heer James Milligan. Onmiddellijk +bukte ik, zoodat ik achter de heg verborgen was en riep Mattia op +gejaagden toon toe, dat hij hetzelfde zou doen, zonder te bedenken +dat James Milligan Mattia niet kende. + +Toen de eerste beweging van schrik voorbij was, besefte ik, dat Lize +niets van ons plotseling wegkruipen zou begrijpen. Ik richtte mij +daarom een weinig op en zeide op fluisterenden toon: + +--Mijnheer James Milligan moet mij niet zien; hij zou mij naar Engeland +terug doen gaan. + +Verschrikt hief zij hare beide armen ten hemel. + +--Verroer u niet, zeide ik, op denzelfden toon voortsprekende; +morgenochtend te negen uren zullen wij op deze zelfde plek +komen. Tracht dan alleen te zijn en ga nu heen. + +Zij aarzelde. + +--Ga heen, bid ik u, en stort mij niet in het ongeluk. + +Tegelijkertijd verdwenen wij achter den muur en bereikten wij, zoo +hard mogelijk loopende, de wijngaarden, die ons geheel verborgen. Daar +konden wij, na aan onze blijdschap den vollen teugel te hebben gevierd, +rustig met elkander praten en overleggen. + +--Ge begrijpt, zeide Mattia, dat ik volstrekt niet van plan ben +tot morgen te wachten om met mevrouw Milligan te spreken. In dien +tusschentijd zou James Milligan Arthur om 't leven kunnen brengen. Ik +ga dadelijk mevrouw Milligan opzoeken en zal haar zeggen..... alles wat +wij weten. Daar mijnheer Milligan mij niet kent, behoef ik niet bang +te zijn dat hij aan u en aan de familie Driscoll zal denken. Mevrouw +Milligan kan dan zelve beslissen wat er gedaan moet worden. + +Blijkbaar was hetgeen Mattia voorstelde zeer verstandig. Ik liet hem +dus gaan en maakte met hem de afspraak, dat wij elkander zouden vinden +in een kastanjeboschje op eenigen afstand. Als het toeval wilde, dat de +heer Milligan daarlangs ging, zou ik mij gemakkelijk kunnen verbergen. + +Zeer langen tijd wachtte ik, uitgestrekt op het mos, de terugkomst +van Mattia af en reeds tienmaal had ik mij afgevraagd, of wij ons +ook vergist hadden, toen ik hem zag aankomen, vergezeld van mevrouw +Milligan. + +Ik snelde hen tegemoet en greep de hand, die zij mij toestak en kuste +die, maar zij sloot mij in hare armen en zich over mij heenbuigende, +kuste zij mij teeder op mijn voorhoofd. + +Dat was de tweede maal, dat zij mij kuste, maar het kwam mij voor, dat +zij de eerste maal mij niet zoo hartelijk in hare armen had gedrukt. + +--Arm, lief kind! zeide zij. + +En met hare fraaie, blanke, zachte vingeren streek zij mijn haar op +zijde, om mij goed in 't gelaat te zien. + +--Ja... ja... prevelde zij. + +Die woorden antwoordden zeker op eene vraag, die zij in haar gemoed +gedaan had, maar in mijne ontroering was ik buiten staat, die gedachte +te gissen. Ik voelde slechts de teederheid van den blik, dien zij +op mij rusten liet, en ik was te gelukkig om verder te denken dan +dit oogenblik. + +--Kindlief, zeide zij, zonder haar blik van mij af te wenden, uw +makker heeft mij zeer gewichtige dingen verteld. Wilt gij me nu ook +eens alles mededeelen wat met uw komst bij de familie Driscoll en +met het bezoek van den heer James Milligan in verband staat? + +Ik verhaalde haar alles en mevrouw Milligan viel mij slechts in +de rede, om eenige bijzonderheden omtrent enkele punten te vragen: +nooit had men met zooveel aandacht naar mij geluisterd; hare oogen +verlieten de mijne niet. + +Toen ik uitgesproken had, bleef ook zij geruimen tijd zwijgen, maar +altijd mij aanziende. Eindelijk sprak zij: + +--Dit alles is van zeer veel gewicht voor u, voor ons allen; wij moeten +daarom zeer voorzichtig te werk gaan en eerst menschen raadplegen, +die ons raad kunnen geven. Maar tot zoolang moet gij u beschouwen +als de makker, als de vriend--hier aarzelde zij een oogenblik--als +de broeder van Arthur en van nu af aan moet gij en uw vriendje dit +ongelukkig leven eindigen. Over een paar uur moet gij u te Territet +vervoegen in het hotel des Alpes, waarheen ik een vertrouwd persoon +zal zenden om kamers voor u te bestellen. Daar zullen wij elkander +weerzien, want thans moet ik u verlaten. + +Nogmaals omhelsde zij mij, en na Mattia de hand te hebben gegeven, +verwijderde zij zich met rasse schreden. + +--Wat hebt gij aan mevrouw Milligan verteld? vroeg ik aan Mattia. + +--Alles wat zij u verhaald heeft en nog 't een en ander. O, 't is +zoo'n goede, lieve vrouw. + +--En Arthur? Hebt gij dien gezien? + +--Van verre; genoeg evenwel om te weten, dat hij een goede jongen is. + +Ik ging voort met Mattia te ondervragen, maar hij gaf ontwijkende +antwoorden of wel zoo, dat ik maar de helft er van begreep. Toen +spraken wij over onverschillige dingen tot op het oogenblik, waarop +wij ons, zooals mevrouw Milligan ons had gezegd, aan het hotel +des Alpes aanmeldden. Ofschoon wij nog onze armelijke kleeren van +straatmuzikanten droegen, werden wij zeer beleefd ontvangen door +een knecht in een zwarten rok met eene witte das, die ons naar onze +kamer bracht. Wat was dat eene mooie kamer! Er stonden twee ledekanten +met hagelwit beddegoed; de ramen kwamen uit op eene veranda met het +uitzicht op het meer en het prachtige landschap aan zijne oevers. Toen +wij van de veranda eindelijk weder in onze kamer terugkeerden, +stond daar nog altijd onbeweeglijk de knecht, die op onze bevelen +wachtte. Hij vroeg ons wat wij voor ons middagmaal verlangden, dat +hij ons op de veranda brengen zou. + +--Hebt ge taart? vroeg Mattia?. + +--Pruimen-taart, aardbeziën-taart, aalbessen-taart. + +--Nu, geef ons dan maar van die taarten. + +--Van alle drie? + +--Zeker. + +--En wat dan eerst? welk vleesch, welke groente? + +Bij al wat de knecht zeide, zette Mattia groote oogen op, maar hij +werd volstrekt niet verlegen. + +--Wat ge wilt, zeide hij. + +De knecht ging deftig heen. + +--Ik geloof, zeide Mattia, dat wij hier beter zullen eten dan bij de +familie Driscoll. + +Den anderen morgen kwam mevrouw Milligan ons een bezoek brengen; +zij bracht een kleermaker en eene linnennaaister mede, die ons de +maat namen voor kleeren en ondergoed. + +Zij vertelde ons dat Lize nog altijd voortging met zich in het spreken +te oefenen en dat de dokter verklaard had, dat zij thans genezen +was. Nadat zij een uur bij ons was geweest, ging zij heen en kuste +mij weder en gaf Mattia de hand. + +Zij kwam vier dagen achtereen en elken dag was zij liever en teederder +voor mij, maar ik bemerkte toch zekere terughouding; het was of zij +niet aan hare teederheid wilde toegeven of ze niet wilde laten blijken. + +Den vijfden dag kwam de kamenier, die ik op _De Zwaan_ had gezien, +in hare plaats. Zij zeide ons dat mevrouw Milligan ons op hare +villa wachtte, en dat buiten een rijtuig stond om er ons heen te +brengen. Het was eene open calèche, waarin Mattia plaats nam zonder +eenige verwondering te doen blijken en op eene wijze of hij er van +zijne jeugd af altijd in gereden had. Ook Capi legde zich zonder +aarzelen op een kussen meer. + +De rit was niet ver; hij duurde al te kort, want het was voor mij +of ik droomde; mijn hoofd was vol van allerlei dwaze gedachten of +tenminste gedachten, die ik heel dwaas vond. Men liet ons in eene +zaal, waar zich mevrouw Milligan bevond en Arthur, die op de canapé +lag uitgestrekt, alsmede Lize. + +Arthur strekte beide armen naar mij uit; ik snelde naar hem toe om +hem aan mijn borst te drukken; ik omhelsde ook Lize, maar mevrouw +Milligan omhelsde mij. + +--Eindelijk, zeide zij, is het oogenblik gekomen dat gij de plaats +moogt innemen, die u toekomt. + +En toen ik haar aanzag om haar eene verklaring van die woorden te +vragen, opende zij eene deur en ik zag vrouw Barberin binnenkomen, +die onder den arm kinderkleeren droeg: een manteltje van wit cachemier, +een kanten mutsje en gebreide kousjes. + +Zij had ternauwernood den tijd om die kleeren op tafel te leggen, toen +ik haar reeds in mijn armen had gesloten; terwijl ik haar omhelsde, +zeide mevrouw Milligan iets tot een bediende, maar ik hoorde den naam +van James Milligan en dit deed mij van schrik verstijven. + +--Gij hebt niets te vreezen, zeide zij eindelijk; integendeel, kom +hier en leg uwe hand in de mijne. + +Op dat oogenblik ging de deur van de zaal open en verscheen de heer +Milligan, glimlachend en al zijne scherpe tanden vertoonende. Toen +hij mij zag verdween plotseling die glimlach, om plaats te maken voor +een vreeselijken grijns. + +Mevrouw Milligan liet hem den tijd niet om te spreken. + +--Ik heb u doen roepen, sprak zij langzaam, terwijl hare stem licht +beefde, om u mijn oudsten zoon voor te stellen, dien ik het geluk heb +gehad eindelijk te ontdekken--hier drukte zij mij de hand--hier is +hij. Maar gij kent hem reeds; gij hebt hem bezocht bij den man, die hem +gestolen heeft, om naar zijn gezondheid een onderzoek in te stellen. + +--Wat beteekent dat? vroeg de heer James Milligan, met een ontsteld +gelaat. + +--Die man, die nu in de gevangenis zit wegens diefstal in eene kerk, +heeft eene volledige bekentenis afgelegd. Hier is een brief, waaruit +dit blijkt. Hij heeft medegedeeld hoe hij het kind heeft gestolen +en te Parijs heeft achtergelaten in de avenue de Breteuil; hoe hij +de voorzorg had genomen om de merken van de kleeren af te knippen, +opdat ze niet tot eene herkenning zouden leiden. Daar zijn die kleeren, +die bewaard zijn door de brave vrouw, welke zoo belangeloos mijn zoon +heeft opgevoed. Wilt gij dien brief lezen? wilt gij die kleeren zien? + +De heer James Milligan stond een oogenblik sprakeloos; misschien dacht +hij eraan of hij ons maar niet allen verworgen zou. Eensklaps ging +hij naar de deur; maar vóór hij de kamer uit was, keerde hij zich om. + +--Wij zullen eens zien, zeide hij, hoe de rechters zullen oordeelen +over een ondergeschoven kind. + +Zonder de minste ontroering sprak mevrouw Milligan--thans mag ik +zeggen mijne moeder: + +--Gij kunt mij voor den rechter dagen; ik voor mij zal nooit den +broeder van mijn echtgenoot ter verantwoording roepen. + +De deur ging achter mijn oom dicht; toen kon ik mij in de arme +mijner moeder werpen, die mij vurig aan 't hart drukte en die ik +voor de eerste maal durfde kussen, terwijl ze ook mijn liefkoozingen +beantwoordde. + +Toen onze ontroering een weinig bedaard was, kwam Mattia naar ons toe: + +--Zeg nu eens aan uw mama, dat ik goed een geheim kan bewaren. + +--Wist gij dan alles? vroeg ik. + +Mijne moeder gaf daarop ten antwoord: + +--Toen Mattia mij alles verteld had, verzocht ik hem te zwijgen, want +ik was overtuigd, dat de arme kleine Rémi mijn zoon was. Maar ik moest +zekere bewijzen hebben, opdat er geen dwaling meer mogelijk was. Hoe +smartelijk zou het voor u geweest zijn, lief kind, als ik u eenmaal +mijn zoon genoemd had, te ontdekken, dat wij ons hadden vergist! Die +bewijzen hebben wij nu; en thans zijn wij voor altijd met elkander +vereenigd. Voor altijd zult gij nu leven met uwe moeder en uw broer +en--hier wees zij op Lize en Mattia--met hen die u liefgehad hebben, +toen gij ongelukkig waart. + + + + +XLIV. + +MET DE MIJNEN. + + +Jaren zijn voorbijgegaan, vele jaren zelfs, maar zij zijn omgevlogen, +omdat zij slechts goede en gelukkige dagen hebben opgeleverd. + +Thans woon ik in Engeland, in Milligan-Park, het kasteel van mijne +voorouders. + +Het kind zonder ouders, zonder steun, te vondeling gelegd en verlaten, +ten prooi aan de wisselvalligheden van het lot, zonder baak om hem +den weg te wijzen op die onafzienbare zee, waarop hij rondzwalkte, +zonder haven waarheen hij zich kon richten, heeft niet slechts eene +moeder en een broeder, die hij liefheeft en die hem liefhebben, maar +ook voorouders, die hem een naam hebben nagelaten, door het gansche +land geëerd, en een aanzienlijk vermogen. + +De kleine ongelukkige knaap, die als kind zoo menigen nacht in schuren +en stallen heeft doorgebracht of in een uithoek van het bosch onder +den blooten hemel, is thans de erfgenaam van een voornaam geslacht, +in het bezit van een kasteel in de geschiedenis vermaard, dat door de +nieuwsgierigen wordt bezocht en in alle reisboeken vermeld en geroemd. + +Op een twintig mijlen ten westen van de plek waar ik scheep ging, +vervolgd door de politie, ligt dat kasteel op een helling, omringd +door een lommerrijk bosch, ondanks de nabijheid van de zee. Het +is gebouwd op een terras door de natuur zelve gevormd; het heeft +de gedaante van een kubus en op elken hoek staat een zware ronde +toren. De twee gevels naar het zuiden en westen gekeerd, zijn bedekt +met slingerplanten en klimmende rozen; die van het noorden en oosten +met klimop, met stammen zoo dik als een mensch, die getuigen van zijn +hoogen ouderdom, en al de zorgen van de tuinlieden zijn noodig om te +verhoede dat zijn weelderige groei onder donker loof de arabesken +en andere ornamenten bedekt, die zoo kunstig gehouwen zijn in de +witte steen, welke de vensters en deuren omlijst. Het is door een +uitgestrekt park omringd. Daarin groeien oude boomen, die nog nooit +gesnoeid of geveld zijn en levende beken stroomen erdoorheen, welke +groeikracht schenken aan de altijd groene grasperken. In een bosch +van hoog opgaand hout nestelen oude kraaien, die elken nacht door +haar gekras het begin en het einde van den dag verkondigen. + +Op dit oude kasteel van Milligan-Park woon ik nu met mijne familie: +mijne moeder, mijn broer en mijne vrouw. + +Wij zijn daar sedert zes maanden gevestigd. Vele uren heb ik +reeds doorgebracht in de bibliotheek, waarin de oude archieven, de +eigendomstitels, de familiepapieren bewaard worden. Ik zit daar aan +eene groote eikenhouten tafel, zwart van ouderdom, en schrijf. Maar +het zijn niet die archieven of familiepapieren welke ik zoo nauwkeurig +naga, maar het boek mijner eigen geschiedenis, dat ik doorblader en +in orde breng. + +Wij zullen ons eerste kind laten doopen, onzen kleinen Mattia, en bij +gelegenheid van dien doop, die op het kasteel mijner vaderen allen +vereenigen zal, die mijne vrienden waren in dagen van tegenspoed, +wil ik het verhaal geven van mijne lotgevallen, waarin zij eene rol +hebben gespeeld, als een bewijs mijner dankbaarheid voor de hulp, +die zij mij hebben verleend of voor de liefde, die zij voor het arme +verloren kind hebben aan den dag gelegd. Als ik een hoofdstuk afhad, +zond ik het naar Dorchester, naar den lithograaf en denzelfden dag +ontvang ik de gesteendrukte kopieën van mijn handschrift, om aan +ieder der gasten er een te geven. + +Die bijeenkomst is eene verrassing, die ik hun heb bereid, ook voor +mijne vrouw, die dan haar vader zal weerzien en hare zuster, en haar +broers en hare tante, welke zij niet verwacht; alleen mijne moeder +en mijn broer zijn in het geheim. Als er niets tusschen beiden komt, +zullen allen dezen avond onder mijn dak doorbrengen en ik zal het +genot smaken hen allen aan mijne tafel te zien. + +Een enkele zal aan dat feest ontbreken, want hoeveel men ook met +geld kan doen, het kan 't leven niet teruggeven aan hen, die niet +meer zijn. Arme, dierbare oude meester! wat zou ik gelukkig geweest +zijn, als ik u een rustigen ouden dag had kunnen bezorgen! Gij zoudt +u kunnen ontdaan hebben van uwe _piva_, uw schapevacht en uw fluweelen +buis; gij zoudt niet meer het "vooruit kinderen!" geroepen hebben. Een +ouderdom door allen geëerbiedigd, zou u zijn geschonken, gij zoudt uw +indrukwekkend grijs hoofd met fierheid kunnen opheffen en uw vroegeren +naam weder kunnen aannemen. Vitalis, de oude zwerveling, zou weder +Carlo Balzani, de beroemde zanger zijn. Maar wat de onverbiddelijke +dood u niet vergund heeft, heb ik althans voor uwe nagedachtenis +gedaan: te Parijs op het kerkhof Montmartre is de naam gebeiteld +op het gedenkteeken, dat mijne moeder op mijn verzoek voor u heeft +opgericht; en uw borstbeeld in brons naar de portretten uit den tijd +van uw roem herinnert uwen naam aan hen, die u hebben toegejuicht; +een afbeeldsel van uw borstbeeld is voor mij gegoten; het staat +daar voor mij, en terwijl ik het verhaal schrijf van mijne eerste +jaren van beproeving, toen de loop der gebeurtenissen zich begon te +ontwikkelen, hebben mijne oogen vaak de uwe gezocht. Ik heb u niet +vergeten; ik zal u nooit vergeten, wees daar zeker van; indien ik +in dat gevaarlijk tijdperk van een aan zich zelf overgelaten kind, +nooit gestruikeld heb en nooit ben gevallen, dan ben ik het aan u +verschuldigd, aan uwe lessen, aan uw voorbeeld, mijn dierbare oude +meester! En op elk feest zal uwe plaats in eere worden gehouden; +ziet gij mij niet, ik zal u zien. + +Maar daar komt mijne moeder door de zaal der familieportretten; de +jaren hebben hare schoonheid niet doen verwelken, en zij is in mijn +oog nog dezelfde als toen ik haar voor de eerste maal aanschouwde, +onder de veranda van _De Zwaan_, met haar edel gelaat, zoo zacht +en schoon; maar dat waas van zwaarmoedigheid dat het toen overtoog, +is geheel verdwenen. + +Zij leunt op den arm van Arthur, want thans is het de moeder niet +meer, die haar zwakken, wankelenden zoon ondersteund, maar de zoon, +die een schoon en krachtig jongeling is geworden, bedreven in alle +lichaamsoefeningen, bevallig ruiter, flink roeier, onverschrokken +jager, die met innige teederheid zijn arm biedt aan zijne moeder; want +in strijd met de voorstelling van mijn oom, James Milligan, is het +wonder gebeurd: Arthur is in leven gebleven en hij zal blijven leven. + +Op eenigen afstand achter hen, zie ik eene oude vrouw komen, gekleed +in de dracht der Fransche boerinnen. Zij heeft een kindje op den arm +met een wit cachemieren mantel om: de oude boerin is vrouw Barberin +en dat kind is het mijne: het is mijn zoon, de kleine Mattia. + +Nadat ik mijne moeder teruggevonden had, wilde ik, dat vrouw Barberin +bij ons zou blijven, maar zij nam dit niet aan. + +--Neen, zeide zij, mijn beste Rémi, mijn plaats is thans niet bij uwe +moeder. Gij moet thans werken om knap te worden en door uwe kennis +een heer te worden, zooals gij door uwe geboorte reeds zijt. Wat +zou ik bij u doen? Mijne plaats is niet in het huis uwer wezenlijke +moeder. Laat mij naar Chavanon terugkeeren. Maar onze scheiding zal +niet voor altijd wezen. Gij wordt grooter; gij zult trouwen en kinderen +krijgen. Dan eerst, als gij wilt en ik nog in leven ben, zal ik bij +u komen om uwe kinderen te verzorgen; ik kan hunne min niet zijn, +zooals ik uw min geweest ben, maar mijn leeftijd zal mij niet beletten +dat ik goed op uwe kinderen pas; ik ben een vrouw van ervaring, en +oude menschen hebben niet veel behoefte aan slaap. Bovendien ik zal +uw kinderen liefhebben en ge kunt er zeker van zijn, dat ik mij de +kleinen niet zal laten ontstelen, zooals men u gestolen heeft. + +Wat vrouw Barberin verlangde is gebeurd; korten tijd vóór de geboorte +van ons kind, is men haar te Chavanon gaan halen en zij heeft alles +verlaten, haar dorp, hare gewoonten, hare vrienden, de koe, die uit +onze koe was geboren, om in Engeland bij ons te komen; onze kleine +Mattia wordt gezoogd door zijne moeder, maar hij wordt verzorgd, +gedragen, beziggehouden en geliefkoosd door "moeder" Barberin, die +verzekert, dat dit het mooiste kind is, dat zij ooit heeft gezien. + +Arthur heeft een nommer van de _Times_ in de hand; hij legt dit +op mijne schrijftafel en vraagt me of ik het gelezen heb. Op mijn +ontkennend antwoord, wijst hij me op een brief uit Weenen, dien ik +hier laat volgen. + +"Weldra zult gij te Londen het bezoek krijgen van Mattia; ondanks den +ongelooflijken bijval, die zijne reeks concerten alhier verwierven, +verlaat hij ons, daar hij naar Engeland moet vertrekken wegens +eene verbintenis, die hij niet verbreken kan. Ik heb u reeds van +die concerten gesproken; zij hebben den grootsten opgang gemaakt, +zoowel door de mate als door de oorspronkelijkheid van zijn talent, +en door zijne gave als componist. In één woord, Mattia is een Chopin +op de viool." + +Ik heb dat artikel niet noodig om te weten, dat de kleine +straatmuzikant, mijn makker en leerling, een groot kunstenaar is +geworden. Ik heb Mattia zich zien ontwikkelen en opgroeien; en zoo +het al wezen mocht, dat in den tijd, waarin hij onder leiding van +denzelfden onderwijzer als Arthur en ik, geen groote vorderingen maakte +in het latijn en grieksch, des te meer vorderde hij in de muziek bij +de onderwijzers die mijne moeder hem gaf, en het was gemakkelijk te +voorzien, dat de voorzegging van Espinassous, den kapper-musicus van +Mende, eenmaal bewaarheid zou worden. + +Toch vervulde mij die brief uit Weenen met trots en vreugd; het was of +ik zelf deelde in de toejuichingen, waarvan hij de weerklank was. Maar +was dit ook niet zoo? Was Mattia niet mijn tweede ik, mijn makker, +mijn vriend, mijn broeder? zijn roem was de mijne, evenals zijn geluk +het mijne was. + +Op dat oogenblik bracht de bediende een telegram, dat juist was +aangekomen. + + + "Het is misschien de kortste weg, maar zeker niet de + aangenaamste; maar is er wel één aangename? Hoe dit zij, ik ben + zoo zeeziek geweest, dat ik eerst te Red-Hill de kracht had + om u bericht te zenden. Te Parijs heb ik Christina gehaald; + wij zullen te Chegford te vier uren tien minuten zijn; zend + ons daar een rijtuig. + + "Mattia." + + +Toen ik den naam van Christina las, had ik Arthur aangezien, maar hij +had den blik afgewend; eerst bij het slot van het telegram sloeg hij +de oogen weder op. + +--Ik heb wel zin om zelf naar Chegford te gaan, zeide hij; ik zal +den landauer laten inspannen. + +--Dat is een goed idée; in het terugrijden zult gij over Christina +zitten. + +Hij gaf geen antwoord, maar verliet terstond de kamer; toen wendde +ik mij tot mijne moeder. + +--U ziet dat Arthur het niet verbergt, dat hij naar haar verlangt; +dat beteekent iets. + +--Dat beteekent zeer veel. + +Het kwam mij voor, dat in den toon van die woorden een zweem van +ontevredenheid doorstraalde. Ik stond op en zette mij naast mijne +moeder, en terwijl ik hare beide handen greep, die ik kuste, zeide +ik in het Fransch, de taal waarvan ik mij altijd bediende als ik met +innigheid, als haar kind, tot haar spreken wilde: + +--Lieve moeder, het moet u geen zorg geven, dat Arthur Christina +bemint. 't Is waar, dat zal hem beletten een goed huwelijk te sluiten, +en een goed huwelijk is in het oog der menschen een huwelijk, dat +geboorte en rijkdom vereenigt. Maar bewijst mijn voorbeeld niet genoeg, +dat men gelukkig, zeer gelukkig kan zijn, zoo gelukkig mogelijk, +zonder dat de vrouw met wie men trouwt van aanzienlijke afkomst +en rijk is? Zoudt gij Arthur niet gaarne even gelukkig willen zien +als mij? De zwakheid, die gij gehad hebt voor mij, omdat gij niets +weigeren woudt aan het kind, dat gij dertien jaar lang hadt betreurd, +zoudt gij die ook niet voor uw anderen zoon willen hebben? Zoudt gij +toegeeflijker zijn voor den een dan voor den ander? + +Zij streek de hand over het voorhoofd en omhelsde mij. + +--Ge zijt een goed kind en een liefhebbende broeder. Welk een schat +van liefde bewaart gij in uw hart! + +--Omdat ik dien vroeger heb opgespaard; maar 't is niet over mij, dat +wij nu spreken, maar over Arthur. Zeg mij eens, of gij een bekoorlijker +vrouwtje zoudt kunnen vinden dan Christina. Is dat niet de mooiste +italiaansche vrouw, die gij kent? En de opvoeding, die zij genoten +heeft sedert wij haar te Lucca zijn gaan halen, stelt die haar niet in +staat waardig eene plaats te bekleeden in de meest eischende kringen? + +--Gij ziet in Christina de zuster van uw vriend Mattia. + +--Dat is zoo, en ik beken rondweg, dat ik van ganscher harte een +huwelijk verlang, waardoor Mattia in onze familie zou komen. + +--Heeft Arthur u gesproken van zijne genegenheid en van zijne wenschen? + +--Ja, beste moeder, zeide ik glimlachend, en hij heeft zich tot mij +gewend als hoofd van de familie. + +--En het hoofd van de familie? + +--Heeft hem zijn steun beloofd. + +Mijne moeder viel mij hier in de rede. + +--Daar is uwe vrouw, zeide zij; over Arthur zullen wij later spreken. + +Mijne vrouw--gij hebt het reeds geraden en ik behoef het u niet +te zeggen, nietwaar?--mijne vrouw is het meisje met die groote +verwonderde oogen en het sprekend gelaat, dat gij reeds kent. Lize, +de kleine, tengere, fijngevormde Lize. Zij is niet stom meer, maar +zij heeft gelukkig die slankheid en tengerheid behouden, die aan hare +schoonheid iets hemelsch geven. Lize heeft mijne moeder niet verlaten, +die haar onder hare leiding heeft doen opvoeden en onderwijzen, +en zij is eene schoone jonge maagd geworden, voor mij begaafd met +de volmaaktste eigenschappen en de grootste deugden... want ik heb +haar lief. Ik heb aan mijne moeder gevraagd mij haar tot vrouw te +geven, en na eene levendige tegenkanting, die vooral gegrond was +op het verschil in maatschappelijken stand, kon mijne moeder toch +niet blijven weigeren. Eenigen onzer bloedverwanten waren er zeer +boos en geërgerd over; maar van de vier, die het afkeurden, zijn +er drie reeds terruggekomen op hun oordeel: zij bezweken voor de +lieftalligheid van Lize, en de vierde wacht ook slechts om zich te +bekeeren, tot wij hem een bezoek zullen gebracht hebben, waarin wij +hem onze verontschuldiging maken, dat wij nog gelukkig zijn. En dat +bezoek is op morgen bepaald. + +--Wel, zeide Lize, toen zij binnenkwam, wat is er toch gaande? Men +verbergt zich voor mij; men spreekt in het geheim; Arthur is naar het +station van Chegford gereden; de break is naar Ferry gezonden. Wat +is er toch voor een geheim? Vertel mij dat eens. + +Wij glimlachten, maar gaven haar geen antwoord. + +Toen sloeg zij haar arm om den hals mijner moeder en terwijl zij ze +teeder omhelsde, sprak zij: + +--Nu u in 't geheim is, moederlief, ben ik niet ongerust meer; ik ben +van te voren zeker, als altijd, dat gij voor ons geluk werkzaam zijt +geweest. Maar dat maakt mij niet minder nieuwsgierig. + +De tijd ging voort en de break, die ik naar Ferry had gezonden om +de familie van Lize te halen, kon elk oogenblik aankomen; om hare +nieuwsgierigheid niet te lang op de proef te stellen, nam ik mijn +verrekijker, die wij gebruikten om de schepen, welke voorbijvoeren, +te zien; maar inplaats van hem naar de zee te richten, wendde ik hem +naar den weg, vanwaar de break moest komen. + +--Zie eens door dien kijker, zeide ik, en uw nieuwsgierigheid zal +bevredigd zijn. + +Zij keek, maar zag niets anders dan den witten weg, want er was nog +geen rijtuig te zien. + +Toen bracht ik op mijne beurt mijn oog voor het glas. + +--Hoe is 't, hebt gij niets door dien kijker gezien? vroeg ik op den +toon van Vitalis, als hij zich tot het geëerde publiek wendde. Het +is toch een wonderkijker: met deze glazen ziet men tot over de zee; +zelfs in Frankrijk; ik zie er een aardig huisje door, te Sceaux; +ik zie daar een man met grijze haren, die de hand drukt aan twee +vrouwen, welke naast hem zijn gezeten. "Haast-je toch," zegt hij, +"anders missen wij den trein en ik zal niet bijtijds in Engeland zijn +voor den doop van mijn kleinzoon. Katherina, haast u wat, als ik u +verzoeken mag; sedert tien jaar dat wij samen wonen, zijt ge altijd +te laat geweest. Wat is er? Wat wilt ge, Martha? Speelt ge weer voor +gendarme? Wat ik aan Katherina zeg, is in vrede en vriendschap. Ik +weet zeer goed, dat Katherina de beste zuster is, zooals gij, Martha, +de beste dochter zijt. Waar vindt men een meisje, zoo lief als gij, +die niet trouwt, alleen om haar ouden vader op te passen en die de taak +van beschermengel blijft vervullen, gelijk zij die eenmaal vervulde +voor hare broers en haar zusje? Nu geeft hij, vóór hij heengaat, +nog eenige bevelen, vooral om te doen zorgen voor zijne bloemen, +zoolang hij afwezig is. Vergeet vooral niet, dat ik tuinman geweest +ben--zegt hij tot zijn knecht--en dat ik verstand heb van dat werk." + +Ik veranderde de richting van den kijker, alsof ik naar een anderen +kant wilde uitzien. + +--En nu zie ik eene stoomboot, eene groote stoomboot, die terugkeert +van de Antilles en Hâvre nadert. Aan boord is een jongmensch, die +een botanischen onderzoekingstocht heeft gedaan langs de oevers van +de Amazone. Men zegt, dat hij planten en bloemen medebrengt, die +in Europa nog onbekend zijn en het eerste gedeelte van zijne reis, +dat in de dagbladen werd opgenomen, is zeer belangwekkend: de naam +van Benjamin Acquin is reeds beroemd; slechts één ding maakt hem +bezorgd, dat hij niet tijdig genoeg te Hâvre zal komen om de boot te +halen naar Southampton, die hem bij zijne familie op Milligan-Park +zal brengen. Mijn kijker is zoo uitstekend, dat ik hem volgen kan; +hij heeft de boot van Southampton gehaald; weldra zal hij hier zijn. + +Wederom richt ik mijn kijker naar een andere zijde, en ga voort: + +--Niet alleen kan ik nu zien, maar zelfs hooren: twee mannen zitten +in den trein, een oude en een jonge. "Wat zal dit eene belangrijke +reis voor ons zijn," zegt de oude.--Heel belangrijk, meester.--"Niet +alleen, beste Alexis, zult gij uwe familie weerzien en kunt gij de +hand drukken van uw vriend Rémi, die ons niet vergeten heeft, maar wij +zullen ook een bezoek kunnen brengen aan de mijnen van Wales; daar zult +gij merkwaardige dingen zien, en als gij teruggekeerd zijt, zult gij te +Truyères verbeteringen kunnen invoeren, wat meer gezag zal bijzetten +aan de betrekking, die gij door uw arbeid wist te verwerven. Ik voor +mij zal eenige stukken steenkool vandaar kunnen meebrengen en die +bij mijne verzameling voegen, die de stad Varses wel heeft willen +aannemen. Hoe ongelukkig dat je oom Gaspard niet mee kon gaan!" + +Ik wilde voortgaan, maar Lize was bij me gekomen; zij nam mijn hoofd +tusschen hare beide handen en door deze liefkoozing belette zij me +te spreken. + +--O, wat een verrassing! zeide zij, met een stem, die trilde van +ontroering. + +--Daar moet gij mij niet voor bedanken, maar mijne moeder, die +allen om zich wilde vereenigen, welke goed geweest waren voor haar +verlaten kind; als gij mij den mond niet gesloten hadt, zoudt gij +gehoord hebben, dat wij ook dien braven Bob hier wachten, die nu een +der voornaamste ondernemers van publieke vermakelijkheden van gansch +Engeland is geworden, alsmede zijn broer, die nog altijd het bevel +voert over de _Eclipse_. + +Op dat oogenblik drong het geratel van een rijtuig tot ons door, en +bijna terstond daarop dat van een tweede. Wij snellen naar het venster +en zien de break, waarin Lize haar vader herkent, met hare tante +Katherina, hare zuster Martha en hare broeders Alexis en Benjamin; +naast Alexis zit een grijsaard met witte haren en gebogen gestalte: +het is de meester. + +Van den anderen kant komt tegelijk de open landauer, waarin Mattia en +Christina zijn gezeten, die ons toewuiven met de hand. En achter den +landauer volgt eene cabriolet, waarvan Bob zelf het paard ment. Bob +ziet er uit als een voornaam heer en zijn broer is nog altijd de ruwe +zeeman, die ons naar Isigny bracht. + +Wij snellen ijlings de trap af, om onze gasten beneden aan het bordes +te ontvangen. + +Het diné vereenigde ons allen aan dezelfde tafel en natuurlijk spraken +wij over het verleden. + +--Onlangs, zeide Mattia, heb ik in de speelzaal te Baden een Engelsch +heer ontmoet met witte puntige tanden, die bijna altijd glimlachte, +ondanks zijn tegenspoed in het spel; hij heeft mij niet herkend, en mij +de eer bewezen een gulden van mij te leenen om dien zóó op te zetten, +dat hij zeker winnen moest; het was eene zeer vernuftige berekening, +maar dien avond gelukte zij niet: de heer James Milligan verloor. + +--Waarom vertelt gij dat, nu Rémi er bij is, mijn beste Mattia? vroeg +mijne moeder; hij is in staat om zijn oom onderstand te zenden. + +--Zeker, mama. + +--Waarin zou dan zijne boete bestaan? vroeg mijne moeder. + +--Hierin, dat mijn oom, die alles heeft opgeofferd om fortuin te +krijgen, zijn onderstand zal verschuldigd zijn aan hem, dien hij +vervolgd heeft en getracht heeft te doen omkomen. + +--Ik heb nog 't een en ander vernomen omtrent zijne medeplichtigen, +zeide Bob. + +--Omtrent dien afschuwelijken Driscoll? vroeg Mattia. + +--Niet van Driscoll zelf, die nog altijd aan de overzijde van den +Oceaan is, maar van de familie Driscoll. Vrouw Driscoll is verbrand, +eens dat zij op den haard was gaan liggen, inplaats van op tafel, en +Allen en Ned zijn veroordeeld om hun gansche leven in eene strafkolonie +door te brengen; zij vinden daar hun vader. + +--En Kate? + +--De kleine Kate past haar grootvader op, die nog altijd leeft; zij +wonen in De Roode Leeuw; de oude heeft geld; zij zijn niet ongelukkig. + +--Als ze kouwelijk is, zeide Mattia lachend, dan beklaag ik haar, +want de oude heeft niet graag, dat men te dicht bij den haard komt. + +Bij die herinneringen aan het verleden had ieder wat te vertellen; +hadden wij niet allen gebeurtenissen te herdenken, waarbij ieder +onzer van meer of minder nabij betrokken was en waarover wij allen +gaarne spraken, want zij vormden den band, die ons samen verbond. + +Toen het diné afgeloopen was, trok Mattia mij terzijde bij een +der ramen. + +--Ik heb een idée, zeide hij; wij hebben zoo dikwijls muziek gemaakt +voor onverschilligen; thans mochten wij wel wat muziek maken voor hen, +die ons dierbaar zijn. + +--Is er dan voor u geen genot zonder muziek? Altijd, overal en in alle +omstandigheden muziek; denk eens aan de koe, die er zoo bang voor was. + +--Wilt gij het Napolitaansche lied eens spelen? + +--Met genoegen; want dat heeft ook Lize hare spraak teruggegeven. + +Wij namen onze instrumenten. In eene fraaie, met fluweel bekleede +kist had Mattia eene oude viool, die misschien wel een gulden zou +opbrengen als wij haar verkochten, en ik haalde de oude harp, waarvan +het hout onder de tallooze regenbuien zijne oorspronkelijke kleur +had teruggekregen. + +Men vormde een kring om ons, maar op dat oogenblik kwam er een +hond, een poedel, binnen. Hij is erg oud geworden, de goede Capi; +hij is doof, maar zijn gezicht is nog goed. Op het kussen liggende, +waarop hij zijne dagen doorbrengt, heeft hij de harp herkend en hij +komt hinkend naderbij, om de "voorstelling". Hij heeft een bakje in +zijn bek; hij wil de ronde doen bij het "geëerd publiek", op zijn +achterpooten loopende; maar de krachten ontbreken hem; hij zet zich +neder en groet het gezelschap deftig met een poot op zijn hart. + +Toen ons lied uit was stond Capi op, zoo goed en zoo kwaad als het +ging. Ieder legde zijne gift in het bakje en Capi, getroffen door de +milde giften, bracht het bij mij. Het was de mooiste inzameling, die +hij ooit gedaan had; er lag slechts zilver en goud op: tachtig gulden. + +Ik kuste hem op zijn snuit, zooals voorheen, toen hij mij troostte +en die herinnering aan de armoede mijner kindsheid deed een denkbeeld +bij mij oprijzen, dat ik terstond uitte: + +--Die som zal de eerste bijdrage zijn voor een verplegings- en +toevluchtsoord voor kleine straatmuzikanten; mijne moeder en ik zullen +het overige geven. + +--Lieve mama, zeide Mattia, terwijl hij de hand kuste mijner moeder, +mag ik een klein aandeel in dat goede werk dragen? Als gij het +toestemt zal de opbrengst van mijn eerste concert te Londen gevoegd +worden bij hetgeen Capi ontvangen heeft. + + + + + + + +INHOUD + + + + I. In het dorp 1 + II. Een pleegvader 8 + III. De troep van Signor Vitalis 17 + IV. Het ouderlijk huis 27 + V. Op reis 34 + VI. Mijn eerste optreden 40 + VII. Ik leer lezen 51 + VIII. Over berg en dal 59 + IX. Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen 63 + X. Voor den rechter 70 + XI. Op het schip 81 + XII. Mijn eerste vriend 101 + XIII. De vondeling 114 + XIV. Sneeuw en wolven 122 + XV. Mijnheer Joli-Coeur 143 + XVI. Aankomst te Parijs 155 + XVII. Een padrone uit de straat Lourcine 163 + XVIII. De steengroeven van Gentilly 177 + XIX. Lize 186 + XX. De tuinman 197 + XXI. Het huisgezin wordt opgebroken 204 + XXII. Voorwaarts 7 + XXIII. Een zwarte stad 26 + XXIV. Opperman 37 + XXV. De overstrooming 45 + XXVI. In de zijgang 58 + XXVII. De redding 71 + XXVIII. Een muziekles 92 + XXIX. De koe van den prins 102 + XXX. Vrouw Barberin 120 + XXXI. Het oude en nieuwe gezin 134 + XXXII. Barberin 143 + XXXIII. Nasporingen 157 + XXXIV. De familie Driscoll 172 + XXXV. Eert uw vader en uwe moeder 181 + XXXVI. Capi op den slechten weg 192 + XXXVII. De mooie luiers waren bedrog 197 + XXXVIII. De oom van Arthur: James Milligan 203 + XXXIX. De Kerstnachten 208 + XL. De angst van Mattia 213 + XLI. Bob 230 + XLII. De Zwaan 241 + XLIII. De mooie luiers hebben waarheid gesproken 251 + XLIV. Met de mijnen 261 + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Alleen op de Wereld, by Hector Malot + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALLEEN OP DE WERELD *** + +***** This file should be named 19054-8.txt or 19054-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/9/0/5/19054/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +*** END: FULL LICENSE *** + diff --git a/19054-8.zip b/19054-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..14aa338 --- /dev/null +++ b/19054-8.zip diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..15d3fad --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #19054 (https://www.gutenberg.org/ebooks/19054) |
