summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:54:47 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:54:47 -0700
commit8f869250b1f44d0f1b5ed6d808e82bafda54329f (patch)
tree643d3d16fc5f2f8585d60b3e24c8cbd2a12bad9a
initial commit of ebook 19054HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--19054-8.txt24568
-rw-r--r--19054-8.zipbin0 -> 393304 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
5 files changed, 24584 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/19054-8.txt b/19054-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..1896af9
--- /dev/null
+++ b/19054-8.txt
@@ -0,0 +1,24568 @@
+The Project Gutenberg EBook of Alleen op de Wereld, by Hector Malot
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Alleen op de Wereld
+
+Author: Hector Malot
+
+Translator: Gerard Keller
+
+Release Date: August 15, 2006 [EBook #19054]
+[Last updated: January 13, 2012]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALLEEN OP DE WERELD ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Hector Malot
+
+ Alleen op de Wereld
+
+ Door
+ Gerard Keller
+
+ Derde druk
+
+ Rotterdam
+ D. Bolle
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+Zelden, misschien nooit, las ik een boek, dat zoo rein en eenvoudig
+en toch zoo boeiend en vol afwisseling is, als dit meesterstuk van
+Hector Malot, door den schrijver aan zijne dochter Lucie opgedragen
+en zoo terecht met den _Montyon-prijs_ bekroond.
+
+"Alleen op de wereld" is rijk aan afwisselende gebeurtenissen, maar
+niet minder rijk aan gevoelvolle en ook spannende tafereelen. Het ademt
+evenveel menschenkennis als menschenliefde, en zonder dat de schrijver
+zich tot hoofddoel gesteld heeft de jeugdige lezers te onderwijzen,
+zullen deze er toch hunne kennis door vermeerderen.
+
+Maar meer nog dan hun hoofd zal hun hart door de lezing winnen. Voor
+de vorming daarvan vooral verdient dit zeldzaam voortreffelijke boek
+algemeen gelezen te worden.
+
+
+ Gerard Keller.
+
+
+
+
+I.
+
+IN HET DORP.
+
+
+Ik ben een vondeling.
+
+Maar tot mijn achtste jaar geloofde ik, evenals alle andere kinderen,
+ook eene moeder te hebben, want als ik weende, was er eene vrouw die
+mij in hare armen nam en mij tegen haar boezem drukte totdat mijne
+tranen ophielden te vloeien.
+
+Nooit werd ik in mijn bedje gelegd of eene vrouw gaf mij een kus, en
+als de Decemberwind de sneeuwvlokken tegen de bevroren ruiten joeg,
+nam zij mijne voetjes in hare beide handen om ze te verwarmen en zij
+zong dan een liedje, waarvan de wijs en ook eenige woorden nog niet
+uit mijn geheugen zijn gewischt.
+
+Als ik onze koe hoedde op het gras langs de wegen of onder de boomen
+en door een stortregen overvallen werd, dan kwam ze mij tegemoet en
+dwong me een schuilplaats op in haar wollen rok, dien zij optilde om
+er mijn hoofd en schouders mede te bedekken.
+
+Als ik twist had met een van mijn makkers, liet ze mij mijn hart
+lucht geven en altijd wist ze mij te troosten en met een enkel woord
+mij gelijk te geven.
+
+Op grond van dit alles en om andere redenen, ook om de manier,
+waarop zij met mij sprak en mij aankeek om hare liefkoozingen en om
+de zachtheid, waarmede zij mij beknorde, geloofde ik dat zij mijne
+moeder was.
+
+Opeens echter kwam ik te weten dat zij slechts mijne min was. Zie
+hier hoe.
+
+Mijn dorp, of juister gezegd het dorp waar ik werd opgevoed--want van
+_mijn_ dorp kan ik niet spreken: een geboorteplaats heb ik zoo min als
+een vader of moeder--het dorp, waarin ik mijne eerste jeugd doorbracht,
+heet Chavanon; 't is een van de armste uit het zuiden van Frankrijk.
+
+Die armoede is niet het gevolg van de onverschilligheid of luiheid
+der inwoners, maar van de onvruchtbaarheid der streek, waarin
+het gelegen is. De bodem is slechts met eene dunne laag teelaarde
+bedekt en om een goeden oogst te krijgen, zou men hem zwaar moeten
+bemesten of verbeteringen aanbrengen, die het land niet oplevert. Men
+vindt dan ook, of althans men vond in den tijd waarvan ik spreek,
+slechts zeer weinig bebouwde akkers, maar overal groote heivlakten
+met kreupelhout en braamstruiken. Waar de heidevelden eindigden,
+begonnen de moerassen; en over die hooggelegen moerassen blaast
+de snerpende wind en verschrompelt het loof van de boschjes uit
+enkele boomen bestaande, die hunne knoestige en kromme takken her-
+en derwaarts uitstrekken.
+
+Om mooier boomen te vinden, moet men de hoogten verlaten en de
+plekjes zoeken welke tegen den wind zijn beschut, aan den oever der
+riviertjes, waar op smalle strooken weiland groote kastanjeboomen en
+stevige eiken groeien.
+
+Op een van die half verborgen plekjes, aan den zoom van een beek,
+waarvan de snelvlietende golfjes zich verliezen in een der armen van
+de Loire, lag het huis, waar ik mijne eerste levensjaren doorbracht.
+
+Tot op mijn achtste jaar had ik nooit een man in dat huis gezien. Toch
+was mijne moeder geen weduwe, maar haar man was steenhouwer en, zooals
+de meeste andere werklieden uit deze streek, verdiende hij den kost
+in Parijs en hij was niet teruggekomen sedert ik groot genoeg was om
+te begrijpen wat ik hoorde en zag. Slechts nu en dan liet hij iets
+van zich hooren, als een van zijn makkers in het dorp kwam.
+
+--Vrouw Barberin, je man maakt het goed; hij heeft me verzocht
+u te zeggen dat hij veel werk heeft en mij dit geld voor u
+meegegeven. Wil-je het eens natellen.
+
+Dat was alles. Vrouw Barberin stelde zich met die berichten tevreden;
+haar man was gezond; het werk werd goed betaald; hij verdiende
+den kost.
+
+Al was Barberin zoolang te Parijs gebleven, daaruit moet men niet
+opmaken, dat hij op geen goeden voet stond met zijn vrouw. Die
+bestendige afwezigheid sproot volstrekt niet voort uit gemis aan
+overeenstemming. Hij woonde te Parijs, omdat hij daar zijn werk had;
+meer niet. Als hij op jaren zou zijn geworden, zou hij bij zijn
+oude vrouw terugkeeren en met het geld, dat zij dan zouden hebben
+overgelegd, zouden zij gevrijwaard zijn tegen armoede, als de tijd
+gekomen was, waarin kracht en gezondheid hun hadden begeven.
+
+Op een Novemberdag, toen het reeds avond begon te worden, hield er voor
+ons hek een man stil, dien ik niet kende. Ik stond voor de deur van
+ons huis een boterham te eten. Hij opende het hek niet, maar zijn hoofd
+er boven stekende, vroeg hij me of hier niet vrouw Barberin woonde.
+
+Ik verzocht hem binnen te komen. Hij opende het hek, dat op de hengsels
+knarste en kwam op het huis af.
+
+Nooit had ik iemand gezien, die zoo met slijk was bemorst. Gansche
+plakkaten slijk, sommige nog nat, andere al opgedroogd, bedekten hem
+van het hoofd tot de voeten, en daaruit moest men afleiden dat hij
+zeer slechte wegen had gevolgd.
+
+Toen zij zijne stem hoorde, kwam vrouw Barberin naar voren en op
+het oogenblik, dat hij den drempel had bereikt, stond zij vlak
+tegenover hem.
+
+--Ik breng nieuws uit Parijs, zeide hij.
+
+Die eenvoudige woorden had ik al dikwijls gehoord, maar de wijs
+waarop zij werden uitgesproken, had niets van die, waarmede vroeger
+de mededeeling gepaard ging.--"'t Gaat goed met je man; hij heeft
+druk werk."
+
+--Ach God! riep vrouw Barberin uit, hare handen wringende, dan is er
+een ongeluk gebeurd met Jérôme.
+
+--Welnu, ja, maar je hoeft niet te sterven van schrik. Hij is gekwetst,
+dat is alles: maar hij is niet dood. Mogelijk evenwel zal hij verminkt
+zijn. Op het oogenblik ligt hij in het ziekenhuis; mijn bed stond
+naast het zijne en daar ik hierheen ging, verzocht hij mij u dit in
+het voorbijgaan mede te deelen. Ik kan niet langer blijven, want ik
+moet nog drie mijlen verder en de nacht begint al te vallen.
+
+Vrouw Barberin, die er meer van wilde weten, drong er op aan, dat
+hij het avondeten bij ons zou gebruiken, want de wegen waren slecht
+en men zeide dat zich wolven in den omtrek hadden vertoond. Hij zou
+den anderen morgen verder kunnen gaan.
+
+Hij zette zich neder in een hoekje bij den haard, en al etende
+vertelde hij ons hoe het ongeluk zich had toegedragen. Barberin was
+half verpletterd door eene stelling die ingestort was, en daar men
+bewezen had dat hij niet had behooren te zijn op de plek waar hij
+gekwetst werd, weigerde de aannemer hem elke vergoeding.
+
+--Hij boft niet, de arme Barberin, zeide hij; hij boft niet; anderen
+zouden er een middel in gevonden hebben om levenslang een aardig
+jaargeld te trekken, maar je man krijgt niets.
+
+En terwijl hij de pijpen van zijn broek droogde die door de slijklaag
+stijf en hard waren geworden, herhaalde hij: "hij boft niet." Uit de
+manier waarop hij dit zeide, bleek genoeg, dat hij voor zich gaarne
+verminkt zou zijn geworden in de hoop, dat hij dan een goed jaargeld
+zou krijgen.
+
+--Toch, zoo eindigde hij zijn verhaal, heb ik hem geraden den aannemer
+een proces aan te doen.
+
+--Een proces! dat kost veel geld.
+
+--Ja, maar men kan het winnen.
+
+Vrouw Barberin had naar Parijs willen gaan, maar dat was geen
+kleinigheid, zoo'n lange kostbare reis.
+
+Den anderen morgen gingen wij naar het dorp om den pastoor te
+raadplegen. Deze wilde haar niet laten vertrekken vóór hij wist of zij
+haar man van eenigen dienst kon zijn. Hij schreef naar den aalmoezenier
+van het ziekenhuis, waarin Barberin was opgenomen en eenige dagen
+later ontving hij ten antwoord, dat zijne vrouw de reis maar niet
+moest ondernemen, maar hem liever eene zekere som moest zenden, daar
+haar man den aannemer, voor wien hij werkte, een proces wilde aandoen.
+
+Dagen en weken gingen voorbij en van tijd tot tijd kwamen er brieven,
+waarin altijd wederom geld werd gevraagd. De laatste brief was de
+meest dringende, en hield in dat, als er geen geld meer was, de koe
+maar moest verkocht worden.
+
+Slechts zij die op het land hebben gewoond, weten welk een ramp en
+jammer liggen opgesloten in die drie woorden: "de koe verkoopen." Voor
+den natuurkundige is de koe een herkauwend dier; voor den wandelaar
+is het een beest, dat goed doet aan het landschap, wanneer het boven
+het groen zijn zwarten met dauw bedekten snuit uitsteekt; voor de
+stadsjeugd is het de bron van melk, room en kaas; maar voor den
+landman is het nog geheel iets anders. Hoe arm hij wezen moge en hoe
+talrijk zijn gezin ook zij, hij is zeker dat hij geen honger zal lijden
+zoolang hij een koe op stal heeft. Met een touw of maar een eenvoudig
+hennepzeel om de horens laat een kind eene koe weiden langs de met
+gras omzoomde wegen, waarvan het weiderecht door niemand gepacht is
+en des avonds heeft het gansche gezin boter voor zijn soep en melk
+om er de aardappelen in te weeken: vader, moeder en al de kinderen,
+de groote zoowel als de kleine, leven van de koe.
+
+Wij leefden er zoo geheel-en-al van, vrouw Barberin en ik, dat ik op
+dat oogenblik nooit vleesch had geproefd. Maar zij was niet slechts
+onze voedster, maar ook onze gezellin en vriendin, want men moet niet
+gelooven, dat de koe een dom dier is; integendeel ze is een verstandig
+beest en zij heeft goede eigenschappen, die nog beter worden, wanneer
+men ze heeft weten te leiden en te ontwikkelen. Wij liefkoosden de
+onze, wij praatten tegen haar en zij begreep ons en, van hare zijde,
+wist zij met hare groote bolle oogen, zoo goedig en zacht, zeer wel
+te verstaan te geven wat zij wilde of gevoelde. Kortom wij hadden
+haar lief en zij had ons lief. Dat is alles gezegd.
+
+Maar wij moesten van haar scheiden; want alleen door het verkoopen
+van de koe kon men Barberin tevredenstellen.
+
+Er kwam een koopman en na Roussette van alle zijden bekeken en betast
+te hebben en onvoldaan het hoofd te hebben geschud en honderdmaal
+te hebben gezegd, dat hij ze eigenlijk niet hebben wou, dat ze een
+koe was van arme menschen, en dat hij er niet af zou komen; dat zij
+haast geen melk gaf en slechte boter, eindigde hij met te zeggen,
+dat hij ze nemen zou, maar enkel en alleen uit medelijden en om vrouw
+Barberin genoegen te doen, omdat ze een goed mensch was.
+
+Alsof de arme Roussette begrepen had wat er met haar gebeurde, wilde
+zij den stal niet verlaten en begon ze te loeien.
+
+--Ga achter haar en jaag haar op, zeide de koopman, mij zijn zweep
+opstekende.
+
+--Neen, dát niet, zeide vrouw Barberin en zij nam zelve de lijn
+en sprak het dier met zachte woorden toe, waarop het goedwillig
+volgde. Buiten gekomen, werd het achter den wagen gebonden en was
+het wel gedwongen het paard te volgen.
+
+Toen wij in huis teruggekeerd waren, hoorden wij het loeien nog
+langen tijd.
+
+Geen melk, geen boter; des morgens een stuk brood, des avonds
+aardappelen met wat zout.
+
+De vastenavond kwam kort na het verkoopen van Roussette; het vorige
+jaar had vrouw Barberin voor mij bij die gelegenheid appelbollen en
+wafels gebakken; ik had er zóóveel van gegeten, zooveel, dat zij er
+gelukkig onder was.
+
+Maar toen hadden wij Roussette, die de melk gegeven had om het beslag
+te maken en de boter om in den pot te doen. Nu wij haar misten,
+was er geen melk en geen boter, en was het ook geen vastenavond,
+dacht ik bij mij zelf.
+
+Maar vrouw Barberin had mij eene kleine verrassing bereid; zij leende
+in den regel niet, maar ditmaal toch had zij aan eene buurvrouw een
+kopje melk gevraagd en aan eene andere een stukje boter en toen ik
+des namiddags thuis kwam, vond ik haar bezig met het storten van meel
+in een grooten aarden pot.
+
+--Hé! meel, riep ik uit, naderbij komende.
+
+--Ja, ja, antwoorde zij met een vriendelijken glimlach, dat is meel,
+Rémi, en mooi tarwemeel ook; ruik maar eens hoe lekker het riekt.
+
+Als ik gedurfd had, zou ik gevraagd hebben, waartoe dat meel moest
+dienen, maar juist omdat ik het zoo graag weten wilde, durfde ik er
+niet over praten. Van den anderen kant wilde ik er ook niet voor
+uitkomen, dat ik wist, dat het vastenavond was, omdat dit vrouw
+Barberin misschien verdriet zou doen.
+
+--Wat maakt men van meel? vroeg zij, met een veelbeteekenenden blik
+mij aanziende.
+
+--Brood.
+
+--En wat nog meer?
+
+--Soep.
+
+--En dan nog iets.
+
+--Ik weet het heusch niet.
+
+--O, je weet het wel; maar omdat je een lieve jongen bent, durf je het
+niet zeggen. Je weet dat het vandaag vastenavond is, de avond van de
+appelbollen en de wafels. Maar omdat ge ook weet, dat wij geen boter en
+geen melk meer hebben, durft gij er niet over spreken. Is 't niet zoo?
+
+--Och, moeder Barberin.....
+
+--Nu ik heb gezorgd dat vastenavond toch niet al te kaal zou wezen. Zie
+eens in de etenskist.
+
+Ik lichtte het deksel op en stond verbaasd bij het zien van melk,
+boter, eieren en drie appelen.
+
+--Geef me de eieren, zeide ze en terwijl ik die kluts, moet gij de
+appels schillen.
+
+Ik schilde en sneed de appelen in schijfjes; zij brak de eieren en
+stortte ze in het meel en begon toen te klutsen, nu en dan een lepel
+melk er bijvoegende.
+
+Toen het beslag klaar was, zette vrouw Barberin den pot op de heete
+asch en nu behoefden wij maar den avond af te wachten; want wij zouden
+de appelbollen en de wafels als avondeten gebruiken.
+
+Openhartig gezegd duurde de dag mij zeer lang, en meer dan eens ging
+ik naar den pot om den doek op te lichten, die er overhing.
+
+--Je zult het beslag koud doen worden, zeide vrouw Barberin, en dan
+zal het niet rijzen. Maar het rees wel en op verscheidene punten
+zag men blaasjes opkomen, die barstten aan de oppervlakte. Uit het
+rijzende deeg steeg er eene heerlijke lucht op van eieren en melk.
+
+--Breek nog een takkenbos aan, zeide zij; wij moeten een helder vuur
+hebben zonder rook.
+
+Eindelijk werd de kaars aangestoken.
+
+--Werp het hout op 't vuur, zeide zij.
+
+Dit behoefde zij mij geen tweemaal te zeggen, want daar wachtte ik al
+lang op. Weldra steeg een hooge vlam den schoorsteen in en verlichtte
+de gansche keuken.
+
+Toen haalde vrouw Barberin een groote koekepan van den muur en hield
+dien boven de vlam.
+
+--Geef me de boter eens aan.
+
+Zij nam toen met de punt van een mes een stukje boter zoo groot als
+een noot en legde dit in de pan, waarin het dadelijk sissend smolt.
+
+Dat was een lekkere geur, die ons zooveel te aangenamer streelde,
+daar wij hem sinds lang niet geroken hadden. En 't was ook eene
+liefelijke muziek, die, welke voortgebracht werd door het sissen en
+pruttelen van de boter. Maar hoe ik ook geheel-en-al gehoor was voor
+dit aangename geluid, meende ik toch gerucht te vernemen op het plein
+voor het huis. Wie zou zoo laat in den avond ons komen storen? Zeker
+eene buurvrouw die wat vuur kwam vragen.
+
+Maar ik dacht er niet langer aan, want vrouw Barberin had den lepel
+in den pot gedompeld en liet een breeden stroom van het witte beslag
+in de pan vloeien, en dit hield mij te veel bezig om op iets anders
+te letten.
+
+Er werd met een stok op de deur gebonsd en terstond daarop werd zij
+met een ruk geopend.
+
+--Wie is daar? vroeg vrouw Barberin zonder zich om te keeren.
+
+Er was iemand binnengekomen en bij de vlammen, die hem ten volle
+verlichtten, zag ik een man met een witten kiel en een dikken stok
+in de hand.
+
+--Zoo, vier je weer feest. Nu, ga je gang maar, sprak hij op ruwen
+toon.
+
+--Heer in den hemel, zijt gij daar! riep vrouw Barberin, terwijl zij
+plotseling haar pot naast zich zette. Jérôme!
+
+Toen nam zij mij bij den arm en duwde mij naar den man, die op den
+drempel was blijven staan.
+
+--Dat is uw vader.
+
+
+
+
+II.
+
+EEN PLEEGVADER.
+
+
+Ik was dichterbij gekomen om hem de hand te geven, maar hij hield
+mij met de punt van zijn stok terug.
+
+--Wat is dat voor een kereltje?
+
+--Dat is Rémi.
+
+--Ge hadt me gezegd....
+
+--Welnu ja, maar.... dat was niet waar, omdat....
+
+--Niet waar! niet waar!
+
+Hij kwam eenige stappen nader en hief zijn stok op. Onwillekeurig
+ging ik achteruit.
+
+Wat had ik gedaan? Wat had ik misdreven? Waarom ontving hij mij zoo,
+terwijl ik toch naar hem toe kwam om hem een hand te geven?
+
+Ik had geen tijd om na te denken over deze en dergelijke vragen,
+die in mijn verward brein oprezen.
+
+--Ik zie dat ge vastenavond houdt, ging hij voort; nu dat komt goed;
+ik heb een honger als een paard. Wat hebt ge voor me te eten?
+
+--Ik bakte wafels.
+
+--Dat zie ik; maar je zult toch geen wafels willen geven aan iemand
+die tien mijlen geloopen heeft?
+
+--Ik heb niets anders; wij wachtten u niet.
+
+--Niets anders? niets voor mijn avondeten?
+
+Hij keek om zich heen.
+
+--Daar heb ik boter.
+
+Hij sloeg de oogen naar het plafond op, waar gewoonlijk stukken
+gerookt spek hingen; maar sinds lang waren de haken leeg; aan de
+balken hingen nu slechts eenige risten uien en bossen prij.
+
+--Daar hebt ge uien, zeide hij, terwijl hij een der risten met zijn
+stok afsloeg; vier of vijf uien, een stuk boter, dan zullen wij een
+goede soep hebben. Gooi dat deeg er uit en zet den pot met wat uien
+op het vuur.
+
+Het beslag er uit gooien! Vrouw Barberin zeide geen woord. Integendeel;
+zij haastte zich te doen wat haar man haar gelastte, terwijl deze
+zich neerzette op de bank bij den haard.
+
+Ik had mij niet durven verroeren van de plek, waar hij mij met zijn
+stok had doen blijven. Tegen de tafel leunende, keek ik hem aan. Het
+was een man van ongeveer vijftig jaar met een norsch gezicht. Zijn
+hoofd helde een weinig naar de rechterzijde ten gevolge van eene
+wonde, die hij bekomen had en die misvormdheid gaf hem nog ongunstiger
+voorkomen.
+
+Vrouw Barberin had den pot weder op het vuur gezet.
+
+--Woudt ge met dat kleine stukje boter onze soep maken? vroeg hij.
+
+Toen nam hij zelf het schaaltje waarop de boter lag en liet het
+geheele stuk in den pot vallen.
+
+Geen boter, dus geen wafels.
+
+In ieder ander geval zou deze gebeurtenis mij stellig heviger getroffen
+hebben, maar ik dacht op het oogenblik noch aan de appelbollen noch
+aan de wafels; ik was geheel vervuld met de gedachte, dat deze man
+mijn vader was.
+
+--Vader, vader! Dit woord herhaalde ik werktuigelijk bij me zelf. Nooit
+had ik mezelf eenige rekenschap gegeven van hetgeen een vader eigenlijk
+wezen moest en een onbestemd, vaag besef had ik dat het eene moeder
+met een harde stem moest zijn, maar toen ik den persoon, die als
+uit de lucht kwam vallen, goed aanzag, maakte een onuitsprekelijk
+gevoel van angst zich van mij meester. Ik had hem wel om zijn hals
+willen vallen, maar zeker zou hij mij met de punt van zijn stok
+op een afstand gehouden hebben. Waarom? Vrouw Barberin stootte mij
+nooit van zich af, wanneer ik haar een kus wilde geven; integendeel,
+zij nam mij dan in haar armen en drukte mij aan haar borst.
+
+--Zeg eens, ben je bevroren? vroeg hij mij; vooruit! zet de borden
+op tafel.
+
+Ik haastte mij om hem te gehoorzamen. De soep was opgedaan. Vrouw
+Barberin schepte ze reeds op. Hij verliet toen zijn hoekje naast
+den schoorsteenmantel, zette zich aan tafel en begon te eten, zonder
+daarmede op te houden dan om mij nu en dan eens aan te zien.
+
+Ik was zoo bang en verlegen, dat ik bijna niet eten kon en ik deed
+dan ook niets anders dan hem van terzijde opnemen, maar keek terstond
+vóór mij, wanneer ik zijn blik ontmoette.
+
+--Eet hij gewoonlijk niet meer? vroeg hij eensklaps, terwijl hij met
+zijn lepel naar mij wees.
+
+--O, ja, hij eet goed.
+
+--Des te erger; als hij nu nog maar weinig at.
+
+Natuurlijk had ik geen lust een woord te spreken en vrouw Barberin
+scheen evenmin geneigd om het gesprek gaande te houden; zij liep af
+en aan om haar echtgenoot op zijn wenken te bedienen.
+
+--Gij hebt dus geen honger? vroeg hij mij.
+
+--Neen.
+
+--Ga dan maar naar bed, en zorg terstond in te slapen, want anders
+word ik boos op je.
+
+Vrouw Barberin wenkte mij, dat ik zonder tegenspreken moest
+gehoorzamen. Maar die raad was onnoodig; ik had in het minst geen
+plan om mij te verzetten.
+
+Zooals in vele boerenwoningen, was onze keuken tegelijkertijd
+slaapkamer. Bij den haard stond alles wat voor het eten noodig was:
+de tafel, de etenskist, de aanrechtbank; in het andere gedeelte
+stonden de ledekanten; in een hoek dat van vrouw Barberin, in den
+tegenovergestelden het mijne, dat als in een kast was gesloten en
+waarover een rood katoenen gordijn hing.
+
+Ik haastte me om mij uit te kleeden en naar bed te gaan. Maar slapen,
+dat ging zoo spoedig niet.
+
+Men slaapt niet op kommando; men slaapt wanneer men slaap heeft en
+wanneer men rustig gestemd is.
+
+Ik had thans geen slaap en was ook volstrekt niet rustig. Allerlei
+gedachten warrelden mij door het hoofd en ik gevoelde mij diep
+ongelukkig.
+
+Hoe was het mogelijk, dat die man mijn vader was! Waarom behandelde
+hij mij dan zoo hardvochtig?
+
+Met mijn neus bijna tegen den muur gedrukt, deed ik alle moeite om
+die akelige gedachten van mij af te werpen en in slaap te vallen,
+zooals hij mij bevolen had; maar het was onmogelijk; de slaap kwam
+niet; nog nooit was ik zoo helder wakker geweest.
+
+Eenigen tijd later, hoeveel later weet ik niet, hoorde ik voetstappen
+mijn bed naderen.
+
+Een langzame, zware tred, die niet van vrouw Barberin wezen kon.
+
+Een warme adem streek langs mijn haren.
+
+--Slaapt gij? vroeg hij op gesmoorden toon. Ik paste wel op, dat ik
+geen antwoord gaf, want de vreeselijke woorden: "of ik word boos"
+klonken mij nog in de ooren.
+
+--Hij slaapt, zeide vrouw Barberin; zoodra hij in bed ligt, slaapt hij;
+dat is zoo zijn gewoonte; gij kunt gerust hardop spreken.
+
+Ik had natuurlijk wel kunnen zeggen, dat ik niet sliep, maar dat
+durfde ik niet; men had mij gezegd, dat ik moest slapen, en nu kon
+ik niet slapen en ik sliep dus niet.
+
+--Hoe staat het met uw proces? vroeg vrouw Barberin.
+
+--Verloren! De rechters hebben uitgemaakt, dat het mijne schuld was,
+dat ik mij onder de stelling bevond en dat de aannemer mij daarom
+niets schuldig is.
+
+Hij sloeg toen met de vuist op tafel en stortte een stortvloed uit
+van woorden zonder slot of zin, meest vloeken.
+
+--Het proces verloren, hernam hij; ons geld is verloren; ik ben
+verminkt; de ellende wacht ons. En alsof dat alles nog niet genoeg
+was, vind ik hier, bij mijn thuiskomst, een kind. Zult gij mij thans
+eindelijk eens vertellen waarom gij niet gedaan hebt wat ik u had
+bevolen?
+
+--Omdat ik het niet heb kunnen doen.
+
+--Hadt ge het dan niet naar het vondelingsgesticht kunnen brengen?
+
+--Men staat een kind niet zoo gemakkelijk af, dat men zelf gevoed
+heeft en dat men liefheeft.
+
+--Het was uw kind niet.
+
+--Eindelijk wilde ik aan uw verlangen voldoen, maar toen werd het
+juist ziek.
+
+--Ziek?
+
+--Ja ziek; dat was toen immers niet het geschikte oogenblik om het
+naar een gesticht te brengen, want daar zou het gestorven zijn.
+
+--En toen hij beter was?
+
+--Hij is niet terstond beter geworden. Na die ziekte kwam er een
+tweede; hij hoestte zoo erg, dat mijn hart er van ineenkromp. Onze
+kleine Nikolaas is daaraan ook gestorven en als wij hem naar de stad
+hadden gebracht, zou hij ook gestorven zijn.
+
+--En toen?
+
+--Een geruime tijd ging er voorbij. Toen ik zoolang gewacht had,
+kon ik ook nog wel wat langer wachten.
+
+--Hoe oud is hij nu?
+
+--Acht jaar.
+
+--Welnu, dan zal hij op zijn achtste jaar dáárheen gaan, waar hij
+vroeger naar toe had gezonden moeten worden en dat zal nu niet
+prettiger voor hem zijn; dat heeft hij er dus mede gewonnen.
+
+--O Jérôme, dat zult gij toch niet doen!
+
+--Zou ik dat niet doen? En wie zal mij dat beletten? Meent ge dan,
+dat wij hem altijd bij ons kunnen houden?
+
+Zij zwegen toen een oogenblik en ik kon even ademhalen; van angst en
+schrik werd mijn keel als toegeknepen.
+
+Vrouw Barberin hervatte weder:
+
+--Wat heeft Parijs u veranderd; vóór dien tijd zoudt gij nooit zoo
+gesproken hebben.
+
+--Misschien wel. Maar zeker is het, dat zoo Parijs mij veranderd heeft,
+het mij ook achteruit heeft doen gaan. Hoe zullen wij voortaan onzen
+kost verdienen? Ons geld is op. De koe is verkocht. En moeten we dan
+nog, wanneer we zelf niets meer te eten hebben, aan een vreemd kind
+den kost geven?
+
+--Het is het mijne.
+
+--Het is evenmin het uwe als het mijne. Het is geen boerenjongen. Ik
+zag hem onder het avondeten nog eens aan; het is een fijne, magere
+knaap, die geen armen of beenen aan zijn lijf heeft.
+
+--Het is het mooiste kind uit den ganschen omtrek.
+
+--Dat hij niet mooi is, beweer ik ook niet. Maar ferm! Zal zijn mooi
+gezicht hem te eten geven? Kan men met zulke tengere schoudertjes,
+als hij heeft, flink werken? Hij is een stadskind en stadskinderen
+kunnen we hier niet gebruiken.
+
+--Ik verzeker u, dat hij een flinke jongen is en hij is zoo slim als
+een kat en goedhartig.... Hij zal wel voor ons werken.
+
+--Intusschen moeten wij eerst voor hem werken, en dat kan ik niet meer.
+
+--En als zijn ouders hem nu opeischen, wat zult ge dan zeggen?
+
+--Zijn ouders. Heeft hij ouders? Als hij ze had, zouden ze hem reeds
+lang gezocht en in die acht jaar zeker wel gevonden hebben. Ba! wat
+ben ik dom geweest om te gelooven dat zijn ouders op een goeden
+dag te voorschijn zouden komen en ons de moeite, die we aan zijn
+opvoeding besteed hebben, zouden betalen. Ik ben een domkop, een ezel
+geweest. Dat hij in fijne luiers gewikkeld lag en kant aan zijn goed
+had, bewees nog niet dat zijn ouders hem zoeken zouden. Bovendien,
+zij zijn misschien dood.
+
+--En zoo ze dat niet zijn? Als ze hem eens komen opeischen? Ik geloof
+stellig dat zij komen zullen.
+
+--Wat zijn die vrouwen toch koppig!
+
+--Nu, als zij komen?
+
+--Welnu, dan zenden wij ze naar het gesticht. Maar genoeg hierover; het
+verveelt mij. Morgen zal ik hem bij den burgemeester brengen. Vanavond
+ga ik nog eens naar François. Binnen een uur ben ik terug.
+
+De deur ging open en weder toe. Hij was vertrokken.
+
+Ik zette mij plotseling overeind en riep vrouw Barberin.
+
+--O, moeder!
+
+Zij snelde naar mij toe.
+
+--Zult gij mij naar het gesticht laten gaan?
+
+--Neen, lieve Rémi, neen.
+
+Zij gaf mij toen een kus en drukte mij in haar armen.
+
+Die liefkoozing gaf mij weer een weinig moed en ik begon te weenen.
+
+--Gij sliept dus niet? fluisterde zij.
+
+--Dat was mijn schuld niet.
+
+--Nu, ik beknor u ook niet, dus hebt gij alles gehoord wat Jérôme
+zeide?
+
+--Ja, gij zijt mijn moeder niet, maar hij is ook mijn vader niet.
+
+Ik zeide dit niet op denzelfden toon, want al speet het mij dat zij
+mijn moeder niet was, het deed mij toch genoegen; ik was er trotsch
+op, dat hij mijn vader niet was. Vandaar die tegenstrijdigheid in
+mijn gevoelens, die in mijn stem lag opgesloten.
+
+Maar vrouw Barberin sloeg daar geen acht op.
+
+--Misschien had ik u de waarheid reeds vroeger moeten zeggen; maar ik
+hield zooveel van u, of ge werkelijk mijn eigen kind waart, zoodat
+ik, zonder aanleiding, er niet toe komen kon, u te zeggen, dat ik
+uw moeder niet was. Uw moeder, lieveling, dat hebt gij gehoord,
+is niet bekend. Leeft zij, ja of neen. Dat weet men niet. Toen
+Jérôme op een morgen, in Parijs, zich naar zijn werk begaf en door
+de straat Breteuil ging, een breede straat, die aan beide zijden
+met boomen beplant is, hoorde hij een kind schreeuwen. Het scheen
+van achter een deur te komen. Het was in Februari en nog zeer vroeg
+in den ochtend. Hij naderde de deur en zag een kind op den drempel
+liggen. Juist toen hij iemand wilde roepen, zag hij een man, die zich
+achter een dikken boom verscholen had, hard wegloopen. Ongetwijfeld
+had die man zich daar verborgen om te zien of men het kind, dat hij
+daar had neergelegd, vinden zou. Jérôme wist niet wat te doen, daar
+het kind uit alle macht schreeuwde alsof het begreep, dat er hulp
+was komen opdagen en het die gelegenheid niet voorbij moest laten
+gaan. Terwijl Jérôme bij zich zelf overlegde wat hem te doen stond,
+voegden zich andere ambachtslieden bij hem en men was het eens,
+dat hij het kind bij den commissaris brengen moest. Het huilde maar
+altijd door. Waarschijnlijk had de kleine het koud. Maar, daar het op
+het bureau van politie zeer warm was en het bleef weenen, meende men,
+dat het honger had en ging men een buurvrouw halen, die hem de borst
+kon geven. Hij begon terstond te zuigen en scheen uitgehongerd. Men
+kleedde het toen bij de kachel uit. Het was een flinke jongen, vijf
+of zes maanden oud, groot, dik en rooskleurig; de kleeren waarin hij
+gewikkeld was, gaven duidelijk te kennen, dat hij van een aanzienlijke
+familie moest zijn. Het was dus een kind dat men gestolen had en thans
+weder kwijt wilde zijn. Dit ten minste meende de commissaris. Wat zou
+men er mede doen? Toen hij alles opgeschreven had wat Jérôme hem had
+medegedeeld en ook het kind beschreven was, en al de kleeren die het
+droeg, welke ongemerkt waren, had opgeteekend, zeide de commissaris,
+dat hij het naar het vondelingsgesticht zou zenden, indien niemand
+onder de aanwezigen er zich mede belasten wilde: het was een mooi,
+gezond, stevig kind, dat niet moeilijk groot te brengen zou zijn;
+de ouders die het eenmaal zouden zoeken, zouden de verzorgers stellig
+ruim beloonen. Jérôme trad toen naderbij en zeide, dat hij het wilde
+medenemen. Men gaf het hem. Ik had juist een kind van denzelfden
+leeftijd; maar ik kon er wel twee voeden. En zoo ben ik uw moeder
+geworden.
+
+--O, moeder!
+
+--Drie maanden later verloor ik mijn eigen kind en ik hechtte mij toen
+nog meer aan u. Ik vergat dat gij mijn zoon niet waart. Ongelukkig
+echter onthield Jérôme dit, en toen uw ouders u in drie jaar niet
+gezocht hadden, tenminste u niet gevonden hadden, wilde hij u naar het
+gesticht brengen. Gij hebt gehoord, waarom ik hem niet heb gehoorzaamd.
+
+--O, laat mij niet naar het gesticht gaan, riep ik, terwijl ik mij
+aan haar vastklemde; och toe, vrouw Barberin, zend mij, bid ik u,
+niet naar het vondelingshuis.
+
+--Neen, ik beloof u, mijn kind, ge zult niet gaan. Ik zal er voor
+zorgen. Jérôme is geen slecht mensch, dat zult ge wel zien; hij heeft
+verdriet en maakt zich over onze toekomst bezorgd. Wij zullen werken
+en gij immers ook?
+
+--Ja, ik zal alles doen, wat gij wilt. Maar zend mij niet naar het
+gesticht.
+
+--Gij zult niet gaan, op ééne voorwaarde: dat ge nu dadelijk slapen
+gaat. Wanneer hij tehuis komt, moet hij u niet wakker vinden.
+
+Zij gaf mij daarop nog een kus en ik ging weer met mijn neus tegen
+den muur liggen.
+
+Ik had gaarne willen inslapen; maar ik was te veel van streek, te
+zenuwachtig om terstond mijn kalmte terug te krijgen en in slaap
+te vallen.
+
+Dus was die goede vrouw Barberin mijn moeder niet! Maar wie was dan
+eigenlijk mijn moeder? Zou die nog beter, nog liever wezen? Neen,
+dat was onmogelijk.
+
+Maar wat ik begreep, wat ik voelde, was, dat een vader minder ruw,
+minder wreed zou geweest zijn dan Barberin en mij niet zoo boos,
+met zijn opgeheven stok, zou hebben aangezien.
+
+Hij wilde mij naar het vondelingsgesticht zenden; zou vrouw Barberin
+dat kunnen verhinderen?
+
+Wat was een vondelingsgesticht? In het dorp waren twee kinderen, die
+men "de kinderen van het gesticht" noemde; zij droegen een looden
+plaatje met een nommer om den hals; zij waren slecht en slordig
+gekleed; ze kregen zelfs slaag en de kinderen uit de buurt liepen ze
+dikwijls na, zooals men een hond zonder meester najaagt, ook omdat
+een hond zonder meester niemand heeft, die hem beschermen kan.
+
+O, ik wil niet als die kinderen zijn; ik wil geen nommer om mijn
+hals dragen; ik wil niet dat men mij naloopt en mij naroept: "Naar
+het gesticht! naar het gesticht!" De gedachte daaraan alleen deed
+mij reeds huiveren en mijn tanden klapperen. En ik sliep niet.
+
+En Barberin zou tehuiskomen. Gelukkig kwam hij niet zoo spoedig terug
+als hij wel gezegd had en was ik in dien tusschentijd door den slaap
+overmand.
+
+
+
+
+III.
+
+DE TROEP VAN DEN SIGNOR VITALIS.
+
+
+Dien nacht sliep ik, door angst en vrees vermeesterd, zeer onrustig,
+en toen de morgen aanbrak, was bij mijn ontwaken mijn eerste zorg om
+mijn bed aan alle kanten te betasten en eens in het rond te zien om
+mij te overtuigen, dat men mij niet weggebracht had.
+
+Den ganschen ochtend sprak Barberin geen woord tot mij en ik meende
+reeds, dat hij het plan om mij naar het gesticht te zenden had
+opgegeven. Zeker had vrouw Barberin een goed woordje voor mij gedaan
+en waarschijnlijk had zij hem overgehaald mij bij zich te houden.
+
+Maar toen het twaalf uur sloeg, beval Barberin mij om mijn pet op te
+zetten en hem te volgen.
+
+Verschrikt zag ik vrouw Barberin aan en smeekte haar met mijn blik
+om hulp. In het voorbijgaan wenkte zij me, dat ik maar gehoorzamen
+moest; terwijl zij met een beweging van haar hand mij geruststelde,
+alsof zij zeggen wilde: ge behoeft niet bang te wezen.
+
+Zonder tegenspreken volgde ik dus Barberin.
+
+Wij wonen ver van het dorp, bijna een uur gaans. Dat geheele uur ging
+voorbij, zonder dat hij een woord tot mij sprak. Hij liep langzaam
+vooruit, met zijn manken voet, wendde nooit zijn hoofd om, maar bleef
+van tijd tot tijd stilstaan en keerde zich dan geheel om teneinde
+zich te overtuigen, dat ik hem nog altijd volgde.
+
+Waar bracht hij mij naar toe? Die vraag drong zich gedurig bij mij op,
+ondanks den geruststellenden wenk van vrouw Barberin, en om aan een
+gevaar dat ik voelde naderen te ontkomen, peinsde ik over een middel
+om te ontvluchten.
+
+Met dit doel trachtte ik achter te blijven; als ik op een verren
+afstand van hem ben, dacht ik, zal ik in de sloot gaan liggen en dan
+zal hij mij niet kunnen vinden.
+
+Eerst bepaalde hij zich tot het bevel dat ik vlak achter hem moest
+blijven; maar al spoedig scheen hij mijn voornemen te gissen en nam
+hij mij bij de hand.
+
+Ik kon nu niet wel anders dan met hem meegaan en deed dit dan ook.
+
+Wij hadden het dorp bereikt en ieder, die ons tegenkwam, keerde zich
+om en staarde ons na, want ik zag er uit als een nijdige hond dien
+men aan een touw moet houden.
+
+Toen wij voorbij het koffiehuis kwamen, verzocht een man, die op den
+drempel stond, ons om binnen te treden.
+
+Barberin vatte mij bij mijn oor en liet mij eerst binnengaan; daarop
+sloot hij de deur.
+
+Ik gevoelde mij een weinig geruster; het koffiehuis scheen mij geen
+gevaarlijke plaats toe; en dit was het koffiehuis, waar ik zoo langen
+tijd reeds heen had willen gaan.
+
+Het koffiehuis en de herberg _Notre Dame_! Hoe zou het daar wel
+uitzien?
+
+Dikwijls had ik menschen dit koffiehuis met waggelenden en zwaaienden
+gang zien verlaten; wanneer ik er voorbijkwam hoorde ik gewoonlijk
+schreeuwen en zingen, zoo luid soms dat de vensters er van rinkelden.
+
+Wat deed men daar? Wat gebeurde er achter die roode gordijnen?
+
+Ik zou dat thans te weten komen.
+
+Terwijl Barberin zich met den waard aan tafel zette, sloop ik naar
+een hoek van het vertrek bij den schoorsteen en nam alles om mij heen
+eens op.
+
+In den hoek tegenover den ingang zat een grijsaard, die een zeer
+zonderlinge kleeding droeg, zooals ik nog nooit in mijn leven
+gezien had.
+
+Zijn haren, die in lange lokken over zijn schouders vielen, waren voor
+een gedeelte door een kastoren hoed bedekt, met groene en roode veeren
+versierd. Een schapevacht, waarvan de wol naar binnen was gekeerd,
+bedekte zijn borst. Deze huid had geen armsgaten en door twee openingen
+bij de schouders, kwamen een paar armen te voorschijn, die met een
+soort van fluweelen stof, welke vroeger blauw geweest moest zijn,
+bedekt waren. Voorts droeg hij lange slobkousen, die tot aan zijn
+knieën reikten, met roode banden waren toegebonden en verscheidene
+malen over zijn beenen gekruist waren.
+
+Hij lag op zijn stoel uitgestrekt, terwijl zijn kin in de rechterhand
+ruste en zijn elleboog op de eenigszins opgetrokken knie steunde.
+
+Nog nooit had ik een levend wezen in zulk een kalme houding zien
+zitten; hij geleek op een onzer uit hout gesneden heiligen in de kerk.
+
+Naast hem lagen drie honden, doodstil en zoo dicht mogelijk bij
+elkander om zich te verwarmen. Een witte poedel, een zwarte kardoes
+en een grijs schoothondje met een goedig, listig snoetje; de poedel
+had een oude soldatenmuts op den kop, die met een lederen bandje om
+zijn kin was vastgebonden.
+
+Terwijl ik den grijsaard met de grootste belangstelling zat aan
+te kijken, spraken Barberin en de herbergier op fluisterenden toon
+over mij.
+
+Barberin vertelde hem, dat hij naar het dorp gegaan was om mij bij
+den burgemeester te brengen en dezen te verzoeken aan het armbestuur
+een jaargeld te vragen om mij bij zich te kunnen houden.
+
+Zooveel had vrouw Barberin dus van haar man kunnen verkrijgen en ik
+begreep terstond, dat zoo Barberin eenig voordeel er in zag om mij
+bij zich te houden, ik dan niets te vreezen zou hebben.
+
+De grijsaard, zonder daarvan den schijn te hebben, hoorde alles wat
+er gesproken werd; eensklaps stak hij zijn rechterhand naar mij uit
+en zich tot Barberin wendende, vroeg hij met vreemden tongval:
+
+--Is dit het kind, dat u hindert?
+
+--Ja dat is het kind.
+
+--En gelooft gij dat het bestuur der armhuizen u het geld voor zijn
+onderhoud terug zal geven?
+
+--Wel, daar hij geen ouders heeft en mij tot last is, moet er toch
+wel iemand voor hem betalen; dat is toch nog al billijk geloof ik.
+
+--Ik geef u daarin geen ongelijk, maar gelooft gij, dat alles wat
+billijk is gebeurt?
+
+--Neen, dat geloof ik niet.
+
+--Welnu, ik ben zeker dat gij zulk een jaargeld nooit krijgen zult.
+
+--Dan breng ik hem naar het vondelingenhuis; er is geen wet, die hem
+recht geven kan om in mijn huis te blijven, wanneer ik hem er niet
+langer in houden wil.
+
+--Vroeger hebt gij er in toegestemd hem bij u te nemen; dat was zoo
+goed of gij voor altijd de zorg op u genomen hadt.
+
+--Ik verzeker u thans, dat ik hem niet houd en al moest ik hem op
+straat zetten, ik zou hem wegdoen.
+
+--Misschien zou er wel een middel zijn, om u terstond van hem te
+bevrijden, zeide de oude man, na een oogenblik te hebben nagedacht,
+en voegde er bij: misschien zoudt gij er nog iets bij winnen ook.
+
+--Als ge mij zoo'n middel aan de hand doet, dan schenk ik u van
+ganscher harte een flesch.
+
+--Bestel de flesch en uw zaak is in orde.
+
+--Zeker?
+
+--Zeker.
+
+De oude man stond van zijn stoel op en ging tegenover Barberin
+zitten. Toen hij zich oprichtte, werd de schapevacht door een
+onwillekeurige beweging opgebeurd; en ik meende te bespeuren, dat
+hij in zijn linkerarm nog een hond droeg.
+
+Wat zou hij zeggen? Wat zou er gebeuren?
+
+Ik had hem met smeekenden blik gevolgd.
+
+--Uw wensch is, niet waar, dat het kind niet langer uw brood eet;
+of, zoo hij dat blijft doen, dat gij er dan ook voor betaald wordt?
+
+--Juist; omdat....
+
+--O, welke reden gij daarvoor hebt, kan mij niet schelen; ik behoef
+die niet te kennen; voor mij is het voldoende te weten, dat gij het
+kind niet langer bij u wilt houden; als dat zoo is, geef hem mij dan
+en ik zal verder voor hem zorgen.
+
+--Hem aan u geven?
+
+--Wilt gij hem niet wegdoen?
+
+--Geeft men dan zoo'n kind weg, zoo'n mooi kind, want mooi is hij,
+zie maar eens.
+
+--Ik heb hem reeds gezien.
+
+--Rémi, kom hier!
+
+Ik ging bevende naar de tafel.
+
+--Wees maar niet bang, ventje, zeide de gijsaard.
+
+--Zie hem maar eens aan, vervolgde Barberin.
+
+--Ik zeg niet dat hij leelijk is; want als hij leelijk was, zou ik
+hem niet willen hebben; met monsters houd ik mij niet op.
+
+--Kom, als hij een monster met twee hoofden of een dwerg was....
+
+--Gij zoudt er dan niet over denken om hem naar het gesticht te
+zenden. Gij weet dat een monster waarde heeft en men veel voordeel
+daarvan trekken kan; dat men het verhuurt of het zelf voor het een
+of ander gebruikt. Maar hij is geen dwerg en geen monster; hij is
+geschapen zooals ieder ander en deugt nergens toe.
+
+--Hij kan werken.
+
+--Daartoe is hij te zwak.
+
+--Hij zwak! kom, onzin en hij is zoo gezond en sterk als een groot
+mensch; zie maar eens welke beenen hij heeft. Hebt gij ze ooit
+rechter gezien?
+
+Barberin stroopte mijn broekspijpen op.
+
+--Die zijn erg dun, zeide de oude man.
+
+--En zijn armen? vervolgde Barberin.
+
+--De armen zijn evenals de beenen; zij kunnen er door, maar zij kunnen
+aan vermoeienis en ontbering geen weerstand bieden.
+
+--Hij niet! maar bevoel hem dan eens van alle kanten, bevoel hem eens.
+
+De grijsaard streek met zijn magere hand over mijn beenen, schudde
+met het hoofd en trok een bedenkelijk gezicht.
+
+Ik had reeds een dergelijk tooneel bijgewoond, toen onze koe verkocht
+werd. Ook die was van alle kanten bevoeld en betast geworden; de
+kooper zou haar onmogelijk weer hebben kunnen verkoopen, en toch had
+hij haar gekocht en ze medegenomen.
+
+Zou die vreemde man mij koopen en medenemen? ach, moeder Barberin,
+moeder Barberin! Ongelukkig genoeg was zij er niet om mij te
+verdedigen.
+
+Als ik maar gedurfd had, zou ik gezegd hebben, dat juist de oude
+Barberin mij mijn zwakte en mijn magere armen en beenen verweten had;
+maar ik begreep dat, al viel ik hem in de rede, mij dit niets dan
+een geduchte berisping op den hals zou halen, en ik zweeg dus.
+
+--Hij is een kind zooals er zoovelen zijn, zeide de grijsaard, dat is
+waar, maar hij is een stadskind; het is dus zoo goed als zeker dat
+hij nooit in staat zal wezen om op het land te werken; zet hem eens
+aan den ploeg om de ossen aan te jagen, dan zult ge zien, of dat van
+geen langen duur kan zijn.
+
+--Tien jaar.
+
+--Geen maand.
+
+--Maar zie hem dan toch eens aan.
+
+--Zie hem zelf maar eens aan.
+
+Ik stond aan het einde van de tafel, tusschen Barberin en den
+grijsaard; de een stootte mij van zich af, de ander wilde mij evenmin
+hebben.
+
+--Nu, zeide de oude man eindelijk, ik zal hem dan nemen zooals hij
+is. Maar ge moet mij wel verstaan, ik koop hem niet van u; ik huur
+hem slechts. Ik geef u twintig francs per jaar.
+
+--Twintig francs!
+
+--Dat is een goede som en ik betaal u zelfs vooruit; gij krijgt vier
+klinkende achterwielen en ge zijt van het kind af.
+
+--Maar als ik het houd, zal het armbestuur mij meer dan tien francs
+per maand betalen.
+
+--Zeg liever zeven of acht, ik ken de prijzen; maar gij moet hem ook
+te eten geven.
+
+--Hij zal werken.
+
+--Als gij meendet, dat hij tot werken in staat was, zoudt gij hem
+niet van de hand doen. Men neemt geen kinderen van het gesticht op om
+hun jaargeld, maar alleen om hun werk; men maakt arbeiders van hen,
+die betalen en niet betaald worden. Bovendien, zoudt ge hem wel bij
+u houden, als hij u in eenig opzicht van dienst kon wezen.
+
+--In ieder geval, zou ik dan de tien francs hebben.
+
+--En zoo het bestuur hem, in plaats van aan u, aan een ander gaf dan
+zoudt gij in het geheel niets hebben; wanneer ik hem neem, loopt gij
+die kans niet: gij behoeft uw hand maar uit te steken.
+
+Hij stak zijn hand in zijn zak en haalde een lederen beurs te
+voorschijn, waaruit hij vier zilverstukken nam, die hij rinkelend op
+tafel wierp.
+
+--Vergeet niet, riep Barberin, dat het kind eenmaal ouders hebben zal.
+
+--Wat doet er dat toe?
+
+--Dat het stellig niet onvoordeelig zal zijn voor hen, die hem opgevoed
+hebben; als ik daar ook niet op gerekend had, zou ik hem nooit tot
+mij hebben genomen.
+
+Die woorden van Barberin: "Als ik niet op zijn ouders gerekend had,
+zou ik hem nooit tot mij genomen hebben," boezemden mij nog grooter
+afkeer voor hem in. Wat een slechte man was hij toch!
+
+--En omdat gij thans niet meer op de ouders rekent, hernam de
+grijsaard, zet gij hem op straat. Tot wien zullen de ouders zich dan
+wenden, wanneer zij komen opdagen? tot u, niet waar, en niet, tot mij,
+dien zij niet kennen.
+
+--En als gij ze terugvindt?
+
+--Laten we dan afspreken, dat wanneer die ouders komen, wij de winst
+samen zullen deelen; dan geef ik u dertig francs.
+
+--Stel veertig.
+
+--Neen, voor de weinige diensten, die hij mij bewijzen zal, kan ik
+u dat niet geven.
+
+--En welke diensten moet hij u bewijzen? wat zijn beenen betreft,
+die zijn uitmuntend en zijn armen evenzoo, dus blijf ik bij hetgeen
+ik gezegd heb. Maar waartoe acht gij hem dan in staat?
+
+De oude man zag Barberin eenigszins spottend aan, terwijl hij zijn
+glas met langzame teugen leegdronk.
+
+--Om mij gezelschap te houden, zeide hij; ik word oud en 's avonds
+na een vermoeienden dag, als het slecht weer is, ben ik dikwijls
+zwaarmoedig; hij zal mij dan eenige afleiding bezorgen.
+
+--Dat zullen zijn beenen stellig wel kunnen verdragen.
+
+--Toch niet lang, want hij zal moeten dansen, springen en loopen en
+wanneer hij geloopen heeft, zal hij weder moeten springen; kortom
+hij zal deel uitmaken van het gezelschap van signor Vitalis.
+
+--En waar is uw gezelschap?
+
+--Ik ben signor Vitalis, zooals ge ongetwijfeld reeds geraden zult
+hebben; ik zal u mijn gezelschap voorstellen, daar gij verlangt er
+kennis mede te maken.
+
+Terwijl hij dit zeide, maakte hij zijn schapevacht los en het vreemde
+dier, dat hij onder zijn linkerarm bewaarde, kwam in zijn hand. Dat
+dier had telkens zijn vacht in beweging gebracht, maar het was geen
+hondje, zooals ik eerst gemeend had.
+
+Wat voor soort dier kon dat wezen?
+
+Was het wel een dier?
+
+Ik wist niet welken naam ik geven moest aan dat zonderlinge schepsel,
+dat ik voor de eerste maal zag. Met de grootste verbazing stond ik
+het aan te staren.
+
+Het droeg een rood rokje met goud-galon afgezet, maar zijn armen en
+beenen waren naakt, want het waren armen en beenen en geen pooten,
+zij waren echter met een zwarte en geen blanke of roode huid bedekt.
+
+Evenzoo was zijn kop, zoo groot als een gebalde vuist, pikzwart;
+zijn gelaat was breed en kort, een wipneus met wijd opengespalkte
+neusgaten en gele lippen; maar wat mij het meest van alles trof,
+waren de beide oogen, die zeer dicht bij elkander stonden, groote
+levendigheid verrieden en glinsterden als een paar spiegeltjes.
+
+--O, wat een leelijke aap! riep Barberin uit.
+
+Dat woord deed mij van mijne verbazing bekomen, want al had ik nog
+nooit een aap gezien, ik had er dikwijls over hooren spreken. Het
+was dus geen zwart kind, dat voor mij stond; het was een aap.
+
+--Dat is de hoofdpersoon van mijn troep, zeide Vitalis, dit is de
+heer Joli-Coeur. Joli-Coeur, mijn jongen, maak voor het publiek
+uw complement.
+
+Joli-Coeur bracht zijn gesloten hand aan de lippen en gaf ons elk
+een kushand.
+
+--Nu een ander, vervolgde Vitalis, terwijl hij zijn hand naar den
+poedel uitstak; signor Capi zal de eer hebben zijn vrienden aan het
+geachte gezelschap voor te stellen.
+
+Op dit bevel richtte de poedel, die tot nogtoe doodstil was gebleven,
+zich plotseling op, zette zich op zijn achterste pooten, kruiste zijn
+beide voorpooten over de borst en maakte toen zulk een diepe buiging
+voor zijn meester, dat zijn muts bijna den grond raakte.
+
+Toen deze plichtpleging volbracht was, keerde hij zich tot zijn makkers
+en met den eenen poot, terwijl hij den anderen op zijn borst hield,
+wenkte hij hen, naderbij te komen.
+
+De beide honden, die de oogen niet van hem hadden afgewend, stonden
+eensklaps op en reikten elkander een der voorpooten, evenals men in de
+wereld elkander de hand drukt; daarop deden zij zes stappen voorwaarts,
+toen drie achteruit en groetten het gezelschap.
+
+--Hem, dien ik Capi noem, vervolgde Vitalis, of in het italiaansch
+Capitano, is de chef der honden; hij brengt, daar hij de verstandigste
+is, al mijn bevelen aan zijn makkers over.
+
+Dat bevallige diertje daar ginds, met zijn zwarte haren, is signor
+Zerbino, dat beteekent bevallig, een naam, dien hij in alle opzichten
+waardig is. Deze met haar bescheiden voorkomen is signora Dolce,
+een schoone Engelsche, wie haar lieve naam eerlijk toekomt. Met deze
+merkwaardige personen en hun verschillende titels heb ik het genoegen
+de wereld door te trekken en zoo goed en kwaad als 't kan den kost
+te verdienen, al naar het lot mij gezind is, Capi.
+
+De poedel kruiste zijne pooten.
+
+--Capi, kom hier, vriendje, en wees nu eens vriendelijk, als je
+blieft--het zijn beschaafde wezens, die ik altijd zoo beleefd mogelijk
+toespreek--wees thans zoo goed, aan dat jonge mensch, die u met zulke
+groote oogen aanstaart, te zeggen, hoe laat het is.
+
+Capi naderde zijn meester, lichtte de schapevacht op, stak zijn poot
+in diens vestzak en haalde een groot zilveren horloge te voorschijn,
+keek op de wijzerplaat en kefte toen zeer duidelijk tot tweemaal toe;
+daarna herhaalde hij nog drie keer dit keffen, maar veel zachter
+en onduidelijker.
+
+Het was werkelijk kwart vóór drieën.
+
+--Goed zoo, zeide Vitalis; dank u signor Capi; wees thans zoo
+vriendelijk signora Dolce te verzoeken, touwtje te springen.
+
+Capi stak nu zijn poot in den zak van zijns meesters jas en trok daar
+een koord uit. Hij wenkte Zerbino en deze plaatste zich snel tegenover
+hem. Capi wierp hem toen een eind touw toe en beiden begonnen dit
+met met den grootsten ernst te draaien.
+
+Toen de beweging zeer gelijkmatig was, wierp Dolce zich in het koord en
+sprong telkens even op, terwijl zij haar vriendelijke oogen aanhoudend
+op haar meester gevestigd hield.
+
+--Gij ziet, zeide deze, dat mijn leerlingen zeer verstandig zijn; maar
+het verstand wordt dan eerst gewaardeerd, wanneer men het vergelijken
+kan. Daarom wensch ik dezen knaap aan mijn gezelschap te verbinden;
+hij zal de rol van een dier spelen en mijn leerlingen zullen des te
+hooger gewaardeerd worden.
+
+--Foei, om hem voor een beest te laten spelen! riep Barberin uit.
+
+--Men moet een weinig geest hebben, vervolgde Vitalis, en ik geloof
+dat het jonge mensch hiervan niet ontbloot zal zijn, wanneer hij
+eenige lessen heeft gehad. Het overige komt vanzelf. Wij zullen
+terstond de proef eens met hem nemen. Wanneer hij verstandig is,
+dan zal hij begrijpen, dat men met signor Vitalis de kans heeft,
+geheel Frankrijk en nog wel tien andere landen te doorkruisen,
+een vrij leven te leiden, in plaats van achter de ossen te loopen,
+en iederen dag op hetzelfde land van den morgen tot den avond te
+moeten werken. Terwijl, wanneer hij onverstandig is en huilt en
+schreeuwt.... signor Vitalis houdt niet van stoute kinderen en dan
+neemt hij hem niet met zich mede. Dan gaat het ondeugende kind naar
+het gesticht, waar hij hard werken moet en weinig te eten krijgt.
+
+Ik was verstandig genoeg om den zin van deze woorden te vatten,
+maar tusschen ze te begrijpen en een besluit te nemen was nog een
+groot verschil.
+
+De leerlingen van signor Vitalis waren zeer aardig en vermakelijk en
+het moest ook wel aangenaam zijn om veel te wandelen; maar om hen te
+volgen, moest ik vrouw Barberin verlaten.
+
+'t Is waar, zoo ik dit weigerde, zou ik misschien toch niet bij vrouw
+Barberin blijven en zou men mij naar het gesticht zenden.
+
+Toen ik daar als vastgenageld staan bleef en de tranen mij in de
+oogen welden, streek Vitalis zachtkens met zijn hand over mijn wang.
+
+--Komaan, zeide hij, het kereltje begrijpt mij, want hij huilt niet;
+hij zal wel verstandig wezen en morgen....
+
+--Ach mijnheer, riep ik, laat mij bij moeder Barberin als je blieft!
+
+Maar vóór ik nog iets had kunnen zeggen, werd ik door een heftig
+geblaf van Capi in de rede gevallen.
+
+De hond sprong tegelijkertijd naar de tafel waarop Joli-Coeur was
+blijven zitten. Deze had gebruik gemaakt van een oogenblik, dat
+ieders oog op mij gericht was en het volle wijnglas van zijn meester
+leeggedronken. Maar Capi, die goed de wacht hield, had deze apenstreek
+gezien en als een trouw bewaker wilde hij dit verhinderen.
+
+--Mijnheer Joli-Coeur, zeide Vitalis op strengen toon, gij zijt
+een lekkerbek en een schelm; ga in den hoek staan met uw neus tegen
+den muur, en gij Zerbino moet op hem passen; als hij zich beweegt,
+geef hem dan maar een flinken klap. Wat u betreft, mijnheer Capi,
+gij zijt een oppassende hond; laat mij u den poot drukken.
+
+Terwijl de aap zacht kermend aan het bevel gehoorzaamde, reikte de
+hond fier en gelukkig zijn poot aan zijn meester.
+
+--Laten wij thans onze zaken verder behandelen, begon Vitalis. Ik
+geef u dus dertig francs.
+
+--Neen veertig.
+
+Er volgde nu een zeer levendig gesprek; maar Vitalis brak dit eensklaps
+af door te zeggen:
+
+--De knaap moet zich hier vervelen, laat hij maar wat in den tuin
+gaan spelen.
+
+Hij gaf te gelijk aan Barberin een wenk.
+
+--Ja, dat is goed, ga maar naar den tuin, maar kom niet terug vóór
+ik u roep; anders word ik boos.
+
+Ik kon niet anders dan gehoorzamen, wat ik dan ook deed.
+
+Ik ging dus naar den tuin, maar tot spelen voelde ik volstrekt geen
+lust. Ik ging op een stoel zitten en verviel in diep gepeins.
+
+Mijn lot zou op dat oogenblik worden beslist. Wat zou het wezen? Ik
+bibberde van koude en angst.
+
+Het onderhoud tusschen Vitalis en Barberin duurde geruimen tijd,
+want meer dan een uur verliep er vóór hij bij mij in den tuin kwam.
+
+Eindelijk zag ik hem: hij was alleen. Kwam hij mij halen om mij aan
+Vitalis te geven?
+
+--Kom, ga mede naar huis, sprak hij.
+
+Naar huis! Ik zou vrouw Barberin dus niet verlaten?
+
+Ik had het hem gaarne willen vragen, maar ik durfde niet, want hij
+scheen in een kwade luim.
+
+Wij spraken onderweg geen woord. Maar even vóór wij de woning
+bereikten, stond Barberin stil.
+
+--Gij begrijpt, zeide hij, terwijl hij mij weder bij mijn oor greep,
+dat als gij een woord vertelt van hetgeen gij vandaag gehoord hebt,
+dit u duur te staan zal komen; dus opgepast!
+
+
+
+
+IV.
+
+HET OUDERLIJKE HUIS.
+
+
+--Wel, vroeg vrouw Barberin, toen wij tehuis kwamen, wat heeft de
+burgemeester gezegd?
+
+--Wij hebben hem niet gezien.
+
+--Hoe, hebt gij hem niet gezien!
+
+--Neen, ik heb eenige vrienden in _Notre-Dame_ aangetroffen en toen wij
+daar vandaan kwamen, was het te laat; morgen zullen wij er heengaan.
+
+Barberin had dus voorgoed afgezien van zijn plan om mij aan den
+hondenman te verkoopen.
+
+Onderweg had ik mezelf gedurig afgevraagd, of in dit naar huis
+gaan niet de een of andere listige streek lag opgesloten; maar de
+laatste woorden maakten een einde aan den twijfel, die nog bij mij
+bestond. Daar wij den anderen morgen naar het dorp zouden terugkeeren
+om den burgemeester te bezoeken, had Barberin zeker het voorstel van
+Vitalis van de hand gewezen.
+
+Toch zou ik, ondanks de bedreigingen, zeker mijn vrees aan vrouw
+Barberin hebben medegedeeld, als ik mij slechts een oogenblik met
+haar alleen had bevonden, maar Barberin verliet den ganschen avond
+zijn woning niet en ik begaf mij te bed, zonder dat de gelegenheid
+waarop ik wachtte, zich had voorgedaan.
+
+Ik sliep in met de gedachte, dat ik den anderen morgen aan mijn hart
+wel zou kunnen lucht geven.
+
+Maar toen ik den volgenden morgen opstond, was vrouw Barberin niet
+te vinden.
+
+Toen ik haar in den omtrek van het huis zocht, vroeg Barberin wat
+ik wilde.
+
+--Moeder.
+
+--Zij is naar het dorp en komt eerst van middag terug.
+
+Zonder te weten waarom, maakte die afwezigheid mij zeer ongerust. Zij
+had den vorigen avond niet gezegd, dat zij naar het dorp zou
+gaan. Waarom had zij niet op ons gewacht, daar wij toch ook denzelfden
+weg gingen? Zou zij weder tehuis zijn vóór wij vertrokken?
+
+Een onbestemde vrees maakte zich van mij meester; zonder mezelf
+rekenschap te geven van het gevaar dat mij dreigde, gevoelde ik toch
+dat mij iets boven het hoofd hing.
+
+Barberin zag mij aan met een uitdrukking, die weinig geschikt was om
+mij gerust te stellen.
+
+Daar ik dien blik niet langer wilde verdragen, ging ik in den tuin.
+
+Die tuin was niet groot; maar voor ons toch van veel waarde, want door
+hem werden wij gevoed en behalve brood, kregen wij, er bijna alles
+uit: aardappelen, boonen, kool, wortels en knollen. Geen plekje was
+dan ook ongebruikt gebleven. Toch had vrouw Barberin mij een stukje
+grond afgestaan, waarin ik een onnoemelijk aantal planten, kruiden en
+verschillende soorten van mossen geplant had, die ik aan den rand van
+het bosch of in de nabijheid der heggen had gezocht, terwijl ik onze
+koe liet weiden en die ik dan des middags in mijn tuin overplantte.
+
+Het was volstrekt geen mooie tuin met fraai onderhouden paden en nette
+bloemperken, waarin de zeldzaamste bloemen prijkten; zij, die hier
+voorbijkwamen, zouden niet eens stilstaan om over de heg te gluren;
+maar zooals hij was, had ik hem lief; hij was van mij; het was mijn
+grond en mijn werk; ik kon er in doen wat ik wilde of mij inviel,
+en wanneer ik er over sprak, wat wel twintigmaal daags gebeurde,
+dan sprak ik altijd van "mijn" tuin.
+
+Den vorigen zomer had ik mijn kweekerij eerst aangelegd, dus eerst
+tegen de lente zouden de bloemen uitkomen; sommige misschien reeds
+bij het einde van den winter.
+
+Mijn nieuwsgierigheid werd dus in de hoogste mate opgewekt.
+
+De krokussen vertoonden reeds eenige gele knoppen en de madeliefjes
+staken even hun kopje boven den grond, nog tusschen de bladeren
+verscholen.
+
+Hoe zou dat alles in bloei staan?
+
+Daar ging ik iederen dag naar kijken.
+
+Maar er was nog een gedeelte van mijn tuin, dat ik elken dag met
+nog grooter belangstelling, ja zelfs met een gevoel van spanning
+bezocht. In dat gedeelte had ik een vrucht geplant, die ik gekregen
+had en die in ons dorp maar weinig bekend was--peerappelen. Men had
+mij verzekerd, dat zij veel beter bollen kreeg dan de aardappelen,
+en de smaak aangenamer was dan die der artisjokken en knollen en
+nog vele andere gewassen. Deze voorstelling had mij op de gedachte
+gebracht om vrouw Barberin eene verrassing te bezorgen. Ik vertelde
+haar niets van dit geschenk; ik plantte de bollen in mijn tuin; toen
+zij begonnen uit te botten zeide ik, dat het bloemen waren, en wachtte
+nu tot ik eindelijk op een mooien morgen, wanneer zij rijp waren,
+van de afwezigheid van vrouw Barberin gebruik zou kunnen maken om
+ze uit den grond te trekken en ze dan zelf te koken. Hoe? dat wist
+ik niet, maar mijn verbeelding bekommerde zich niet over zulk eene
+kleinigheid, en als vrouw Barberin weder tehuis zou zijn, wilde ik
+ze haar bij het avondeten voorzetten.
+
+Wat zou ik haar dan verrassen!
+
+En wat zou ze in haar schik wezen!
+
+Want dan zouden wij een nieuw gerecht hebben, dat onze aardappelen
+in alle opzichten kon vervangen en vrouw Barberin zou dan niet meer
+gebukt behoeven te gaan onder den verkoop van onze _Roussette_.
+
+En de uitvinder van dit nieuwe gerecht zou ik zijn, ik Rémi; ik zou
+dus ook nuttig wezen.
+
+Met zulke plannen in mijn hoofd was ik, dat valt te begrijpen,
+bijzonder begaan met mijn bollen; iederen dag ging ik naar het plekje
+waar ik ze geplant had, en in mijn oog was het of zij nooit zouden
+uitkomen.
+
+Ik lag geknield op den grond, met mijn handen onder het hoofd en mijn
+neus vlak op mijn knollen, toen ik plotseling op ongeduldigen toon
+mij bij mijn naam hoorde roepen. Het was Barberins stem.
+
+Wat wilde hij van mij?
+
+Ik haastte mij om naar huis terug te keeren.
+
+Hoe groot was mijn verbazing toen ik bij den schoorsteenmantel
+Vitalis en zijn honden zag staan. Ik begreep terstond wat Barberin
+van mij wilde.
+
+Vitalis kwam mij halen en zeker had Barberin zijne vrouw uitgezonden
+om geheel heer en meester te kunnen zijn.
+
+Ik besefte wel, dat Barberin volstrekt geen medelijden met mij
+hebben zou, noch mij eenige hulp verleenen wilde; ik snelde dus naar
+Vitalis toe.
+
+--Ach mijnheer, riep ik, neem mij, als je blieft, niet mede.
+
+En ik barstte in snikken los.
+
+--Kom, mijn jongen, zeide hij vriendelijk, gij zult niet ongelukkig bij
+mij wezen; ik sla nooit kinderen en bovendien zullen mijn leerlingen
+u gezelschap houden en zij zijn lang niet onaardig. Wie zoudt gij
+betreuren?
+
+--Vrouw Barberin! vrouw Barberin!
+
+--In elk geval zoudt gij toch niet hier blijven, sprak Barberin,
+terwijl hij mij ruw bij mijn arm greep; gij hebt te kiezen tusschen
+dezen man en het gesticht.
+
+--Neen! vrouw Barberin.
+
+--Kom, gij begint mij te vervelen, zeide Barberin toornig; als gij wilt
+dat ik u hier met stokslagen vandaan jaag, hebt gij het maar te zeggen.
+
+--Het kind wilde liever bij zijn moeder Barberin blijven, zeide
+Vitalis; gij moet hem daarvoor niet slaan; het is een bewijs, dat
+hij een hart heeft.
+
+--Als gij hem beklaagt, dan gaat hij nog harder schreeuwen.
+
+--Laten wij thans tot onze zaken overgaan.
+
+Terwijl hij dit zeide, wierp Vitalis acht stukken van vijf francs op
+tafel, die Barberin met een enkele beweging van de hand in zijn zak
+liet glijden.
+
+--Waar is het pakje? vroeg Vitalis.
+
+--Hier, gaf Barberin ten antwoord, terwijl hij hem een blauw geruiten
+zakdoek overhandigde, waarvan de vier hoeken waren saamgeknoopt.
+
+Vitalis maakte ze los en onderzocht toen alles wat deze doek bevatte:
+slechts twee hemden en een broek waren daarin.
+
+--Dat hebben we niet afgesproken, zeide Vitalis; gij moet mij al zijn
+kleedingstukken geven en dit zijn eenige lompen.
+
+--Hij heeft niets anders.
+
+--Als ik het aan den knaap vroeg, zou hij zeggen, dat het een leugen
+was. Maar ik wil daarover niet met u twisten. Ik heb geen tijd
+daartoe. Ik moet weg. Kom ventje, hoe heet gij?
+
+--Rémi.
+
+--Kom Rémi, neem nu het pakje en ga vooruit, Capi.
+
+Ik stak eerst hem en daarop Barberin mijn hand toe, maar beiden
+keerden het hoofd om en ik voelde dat Vitalis mij bij den pols greep.
+
+Ik moest loopen.
+
+O, mijn dierbaar huis! het was mij, toen ik den drempel overschreed,
+of ik een gedeelte van mijn leven daar achterliet.
+
+Ontroerd wierp ik nog een blik om mij heen; mijn oogen vulden zich
+met tranen toen ik niemand zag, aan wien ik hulp kon vragen; niemand
+op weg, niemand in mijn onmiddellijke nabijheid.
+
+Ik riep:
+
+--Moeder, moeder Barberin!
+
+Maar niemand gaf eenig antwoord op mijn angstkreet, die in een snik
+eindigde.
+
+Ik moest Vitalis volgen, die mijn pols niet had losgelaten.
+
+--Goede reis! riep Barberin.
+
+En hij ging weder in huis. Helaas! Er viel thans niets meer aan
+te veranderen.
+
+--Kom Rémi, laten wij nu ook gaan, sprak Vitalis. En hij trok mij
+bij den arm mede.
+
+Ik ging toen naast hem loopen. Gelukkig versnelde hij zijn pas niet
+en ik geloof zelfs, dat hij hem naar mijn stap regelde.
+
+De weg, dien wij volgen moesten, was bergopwaarts en bij elke
+kronkeling, die hij maakte, zag ik het huis van vrouw Barberin, maar
+telkens al kleiner en kleiner. Menigmaal had ik dit pad beklommen en
+ik wist dan ook, dat ik bij den laatsten hoek ons huis nog slechts
+eenmaal zien zou en zoodra wij de vlakte bereikt hadden, dit geheel
+uit het oog zou verliezen; ik zou het dan nooit wederzien en vóór mij
+strekte zich het onbekende uit en achter mij lag het huis, waarin ik
+tot op dezen dag gelukkig geweest was en dat ik nooit in mijn leven
+weder betreden zou.
+
+Gelukkig moesten wij geruimen tijd klimmen; eindelijk bereikten wij
+dan ook den top.
+
+Vitalis had mij steeds bij de hand gehouden.
+
+--Mag ik een oogenblik rusten? vroeg ik hem.
+
+--Met alle genoegen, mijn jongen. En voor de eerste maal liet hij
+mijn hand los.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik zag ik, dat hij zijn blik op Capi vestigde
+en hem een teeken gaf, dat deze scheen te begrijpen.
+
+Capi deed als een herdershond: hij verliet terstond het hoofd van
+zijn kudde en plaatste zich achter mij.
+
+Deze beweging was voldoende om mij het teeken te verklaren; Capi was
+mijn bewaker; indien ik een poging deed om te ontsnappen, dan zou
+hij zeker tegen mij opspringen.
+
+Ik zette mij op het gras en Capi volgde mij.
+
+Toen ik zat, was mijn eerste werk om met mijn betraande oogen het
+huis van vrouw Barberin te zoeken.
+
+Aan onze voeten strekte zich het dal uit, waarin bosch en weiland
+elkander afwisselden, en geheel in de diepte lag mijn ouderlijk huis,
+de woning waarin ik was opgevoed.
+
+Zij was zeer gemakkelijk tusschen het geboomte te onderscheiden,
+want een lichte rookwolk steeg uit den schoorsteen op en terwijl die
+zich statig omhoog verhief, rees zij tot ons op.
+
+Was het verbeelding of werkelijkheid, maar het was mij of die rook
+den geur der eikebladen met zich bracht, die gedroogd waren tusschen
+de stapels takkenbossen, waarmede wij altijd het vuur aanmaakten;
+het kwam mij voor of ik nog in het hoekje bij den haard zat op mijn
+bankje met mijn voeten in de asch, terwijl de wind door den schoorsteen
+gierde en de rook ons in het gelaat sloeg.
+
+Ondanks den afstand en de hoogte, waarop ik mij bevond, kon ik alle
+voorwerpen duidelijk onderscheiden en hadden zij denzelfden vorm en
+gedaante, maar eenigszins verkleind, behouden.
+
+Op den mesthoop liep onze kip heen en weer, de laatste, die ons was
+overgebleven, maar zij had niet dezelfde grootte en als ik haar niet
+zoo goed kende, zou ik haar voor een duif gehouden hebben. Achter het
+huis zag ik den pereboom met zijn krommen stam, dien ik zoovele jaren
+tot mijn paard gebruikt had. Verderop, naast de beek, die zich als een
+zilveren lijn tusschen het donkere groen kronkelde, zag ik het kanaal
+dat tot afleiding van het water diende en dat ik met zooveel moeite
+gegraven had om mijn molenrad, dat ik zelf had gemaakt, in beweging te
+brengen; helaas! het had, ondanks al mijn werk, nooit willen draaien.
+
+Alles stond op zijn gewone plaats, mijn kruiwagen en mijn ploeg,
+die ik van een knoestigen boomtak gemaakt had en het konijnennest en
+mijn tuin, mijn heerlijke tuin!
+
+Wie zou nu mijn mooie bloemen zien bloeien? Wie zou mijn peerappelen
+rooien? Barberin zeker, die nare Barberin!
+
+Nog een stap verder en alles zou voor mijn oogen verdwenen zijn.
+
+Eensklaps ontdekte ik op den weg, die van het dorp naar het huis leidt,
+heel in de verte een witte muts. Zij verdween achter een groep boomen,
+maar kwam oogenblikkelijk weder te voorschijn.
+
+Zij was op zulk een afstand van mij, dat ik slechts de witte muts
+onderscheiden kon, die als een vlinder met bleeke kleuren tusschen
+de boomen fladderde.
+
+Maar er zijn oogenblikken in het leven, waarin het hart beter en verder
+ziet dan de scherpste blik: ik herkende moeder Barberin; zij was het,
+daar was ik zeker van; ik voelde dat zij het was.
+
+--Kom, zeide Vitalis, zullen we verder gaan?
+
+--Och mijnheer, als je blieft, nog niet.
+
+--Het is dan toch een leugen die men mij vertelt heeft; gij hebt geen
+beenen: nu reeds moe te zijn; dat belooft niet veel goeds.
+
+Maar ik gaf geen antwoord, ik staarde slechts voor mij.
+
+Het was vrouw Barberin, het was haar muts, het was haar blauwe japon,
+kortom zij was het.
+
+Zij liep snel voort, alsof zij haast had om thuis te komen.
+
+Toen zij het hek bereikt had, duwde zij het open en liep met groote
+schreden de tuin door.
+
+Ik sprong plotseling van het gras op, zonder op Capi te letten,
+die eveneens opsprong.
+
+Vrouw Barberin bleef niet lang in huis. Zij kwam spoedig weer uit de
+deur en liep in den tuin heen en weer; zij zocht mij.
+
+Ik boog mij voorover en uit alle macht riep ik:
+
+--Moeder!
+
+Maar mijn stem kon niet tot haar doordringen, noch het kabbelen van
+de beek overstemmen; zij ging in de lucht verloren.
+
+--Wat hebt gij? vroeg Vitalis, ik geloof, dat gij gek wordt.
+
+Zonder te antwoorden hield ik de oogen op vrouw Barberin gevestigd,
+maar zij wist niet, dat ik zoo dicht bij haar was en zij zag niet
+naar boven.
+
+Zij had nu den tuin ten einde geloopen en liet haar oog naar alle
+kanten gaan.
+
+Ik riep nog luider, maar evenals de eerste maal, was het ook thans
+tevergeefs.
+
+Vitalis giste toen de waarheid en beklom ook de helling.
+
+Hij bespeurde terstond de witte muts.
+
+--Arme jongen! fluisterde hij.
+
+--Och, als je blieft, riep ik, aangemoedigd door zijn medelijden,
+laat mij toch teruggaan.
+
+Maar hij vatte mij bij de hand en liep den weg op.
+
+--Nu zijt gij uitgerust en kunnen we dus verder gaan.
+
+Ik wilde mij losrukken, maar hij hield mij stevig vast.
+
+--Capi! zeide hij, Zerbino! en de beide honden omringden mij. Capi
+achter mij, Zerbino vooruit.
+
+Ik moest Vitalis dus wel volgen.
+
+Toen wij eenige schreden gedaan hadden, wendde ik het hoofd om.
+
+Wij daalden nu den heuvelrug af en ik kon noch het dal, noch mijn
+woning meer zien; heel in de verte niets dan de blauwe heuvels,
+die tot den hemel schenen te reiken: mijn blik verloor zich in de
+oneindige ruimte.
+
+
+
+
+V.
+
+OP REIS.
+
+
+Wanneer men voor veertig francs kinderen koopt, ligt hierin nog niet
+opgesloten, dat men een wildeman is en menschenvleesch opdoet om dat
+te eten.
+
+Vitalis wilde mij niet opeten en--een zeldzame uitzondering bij een
+handelaar in kinderen--hij was volstrekt geen slecht mensch!
+
+Hiervan kreeg ik weldra de ondervinding.
+
+Het was op de kruin van den berg, die de beddingen van de Loire en de
+Dordogne van elkander scheidt, dat hij mijn hand gevat had en bijna
+onmiddellijk begonnen wij langs de zuidelijke helling af te dalen.
+
+Toen wij ongeveer een kwartier geloopen hadden, liet hij mij los.
+
+--Nu kunt ge langzaam naast mij voortgaan, maar bedenk wel, dat,
+als ge ontvluchten wilt, Capi en Zerbino u spoedig zouden hebben
+ingehaald en zij scherpe tanden hebben.
+
+Dat het mij onmogelijk was om te ontvluchten, besefte ik volkomen en
+evenzoo, dat het een vergeefsche poging wezen zou om het te beproeven.
+
+Een diepe zucht ontglipte me.
+
+--Gij schijnt u ongelukkig te gevoelen, dat begrijp ik en ik neem
+het u niet kwalijk. Gij kunt gerust eens uitweenen, als ge daartoe
+lust hebt. Maar wees er van overtuigd, dat ik u niet tot uw ongeluk
+medeneem. Wat zou er van u geworden zijn? Waarschijnlijk zoudt ge
+thans in het gesticht wezen. De menschen die u opgevoed hebben zijn
+uw vader en moeder niet. Die vrouw is goed voor u geweest, zooals ge
+zegt, en gij houdt van haar; het spijt u, dat gij haar verlaten moet;
+dat is alles goed en wel; maar bedenk dat zij u niet bij zich zou
+hebben kunnen houden tegen den wil van haar man. Die man is zoo wreed
+niet als ge wel meent. Hij is arm; hij is afgetobt en kan niet meer
+werken en hij heeft ingezien, dat hij niet van honger kan omkomen
+om u te voeden. Begrijp van nu af aan, mijn jongen, dat het leven
+dikwijls een strijd is, waarin men niet doen kan wat men wil.
+
+Dit was zeker zeer verstandig gesproken, of liever het getuigde van
+veel ondervinding. Maar met dat al was het feit aanwezig dat meer
+tot mijn hart sprak dan alle woorden--eene scheiding.
+
+Ik zou haar, die mij opgevoed had, die mij zoo menigmaal had
+geliefkoosd, die ik beminde, niet terugzien--mijn moeder!
+
+En die gedachte kneep mij als het ware de keel toe.
+
+Toch liep ik naast Vitalis voort, telkens bij mezelf de woorden
+herhalende, die hij gesproken had.
+
+Ongetwijfeld was dat alles de zuivere waarheid; Barberin was mijn
+vader niet en er bestond geenerlei reden, die hem de verplichting
+oplegde om ten gevalle van mij armoede te lijden: hij had mij bij
+zich in huis genomen en mij opgevoed; zoo hij mij thans wegzond,
+dan was dit, omdat hij mij niet langer bij zich houden kon. Wanneer
+ik aan hem dacht, moest ik mij niet de laatste oogenblikken voor het
+geheugen halen, maar de jaren die ik in zijn huis had doorgebracht.
+
+--Denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb, mijn jongen, herhaalde
+Vitalis van tijd tot tijd, gij zult er met mij niet ongelukkiger
+om wezen.
+
+Nadat wij een vrij steile helling waren afgedaald, hadden we een
+groote vlakte bereikt, die, zoover ons oog reikte, zich voor ons
+uitstrekte. Geen boomen, geen huizen. Een vlakte, slechts uit hei
+bestaande en hier en daar afgewisseld door lage ruwe struiken, die,
+wanneer de wind er langs streek, een golvende beweging maakten.
+
+--Gij ziet, sprak Vitalis, terwijl hij met zijn hand op de vlakte wees,
+dat het vergeefsche moeite wezen zou, indien gij ontsnappen wildet,
+gij zoudt terstond door Capi en Zerbino achterhaald worden.
+
+Ik dacht al niet meer aan ontvluchten. Waar zou ik heengaan? Bij wien?
+
+Bovendien zou die oude man met zijn grijzen baard misschien zoo
+slecht niet wezen, als ik in het eerst gemeend had; en wanneer hij
+mijn meester was, zou hij misschien geen hardvochtig man blijken.
+
+Geruimen tijd liepen wij over deze vlakte voort, omringd door niets
+anders dan heidevelden, zoover ons oog reikte, en hier en daar eenige
+heuvels met kale toppen.
+
+Ik had mij een gansch andere voorstelling van reizen gemaakt en als
+ik somtijds in mijn kinderlijke droomen mijn dorp verlaten had, dan
+was het om een fraaie landstreek te bezoeken, die in geenen deele
+geleek op de werkelijkheid, welke zich thans aan mij voordeed.
+
+Het was voor de eerste maal, dat ik zulk een verren tocht maakte
+zonder stil te houden.
+
+Mijn meester stapte regelmatig en met groote schreden door, terwijl
+hij Joli Coeur op zijn schouder of op zijn reiszak droeg, en naast
+hem trippelden rustig de honden.
+
+Van tijd tot tijd sprak Vitalis hun een vriendelijk woord toe, nu
+eens in het fransch, dan weder in een taal, die ik niet verstond.
+
+Noch hij, noch zij dachten een oogenblik aan moeheid. Maar bij mij was
+dit niet het geval. Ik was uitgeput. Mijn lichamelijke vermoeidheid
+gevoegd bij mijn verdriet, had al mijn krachten geëischt.
+
+Ik sleepte mijn beenen voort en het kostte mij zelfs groote inspanning
+om mijn meester te volgen. Toch durfde ik niet vragen om weder uit
+te rusten.
+
+--Uw klompen maken u stellig moe, zeide hij, te Ussel zal ik schoenen
+voor u koopen.
+
+Die woorden gaven mij nieuwen moed.
+
+Schoenen toch was altijd mijn vurigste verlangen geweest. De zoon
+van den burgemeester en van den herbergier droegen schoenen, zoodat
+zij des zondags, als zij in de mis kwamen, bijna onhoorbaar over
+den steenen vloer liepen, terwijl wij, boeren, met onze klompen een
+geweldig leven maakten.
+
+--Is Ussel nog ver?
+
+--Dat is een woord uit uw hart, antwoordde Vitalis lachend; gij wilt
+dus gaarne schoenen hebben? Nu, ik beloof je ze, met spijkers in de
+zolen zelfs. En ge zult ook een fluweelen broek krijgen en een jas en
+een hoed. Dat zal uw tranen wel doen opdrogen, hoop ik, en uw beenen
+geven, om de overige zes mijlen af te leggen.
+
+Schoenen met spijkers! Dat is heerlijk! Schoenen waren reeds voor mij
+een wonder, maar toen ik van spijkers hoorde, vergat ik mijn verdriet.
+
+Neen, zeker mijn meester was geen slecht mensch.
+
+Zou een slecht mensch er aan gedacht hebben, dat mijn klompen mij
+konden hinderen?
+
+Schoenen. Schoenen met spijkers! Een fluweelen broek! Een jas! Een
+hoed!
+
+O, als vrouw Barberin mij zag, wat zou zij dan in haar schik wezen,
+wat zou zij trotsch op mij zijn!
+
+Hoe jammer dat Ussel nog zoo veraf was.
+
+Ondanks de schoenen en den fluweelen broek, die aan het eind der zes
+mijlen mijn loon zouden zijn, scheen het mij toch nog een geduchte
+wandeling toe.
+
+Gelukkig kwam het weer mij te hulp.
+
+De hemel, die sedert ons vertrek onbewolkt was geweest, begon
+langzamerhand te betrekken en weldra viel een motregen, die wel niet
+zou ophouden.
+
+De schapevacht beschutte Vitalis voldoende en zij kon ook Joli-Coeur
+beschermen, die bij den eersten droppel terstond zijn schuilplaats had
+opgezocht. Maar de honden en ik, die geen mantel of iets dergelijks
+hadden, waren weldra druipnat; de dieren konden zich van tijd tot
+tijd nog eens afschudden, maar dit middel stond mij niet ten dienste:
+ik moest voortloopen onder een vracht, die mij bijna verpletterde en
+mij ijskoud maakte.
+
+--Zijt gij spoedig verkouden? vroeg hij mij.
+
+--Dat weet ik niet, ik geloof niet, dat ik ooit verkouden was.
+
+--Goed, goed; er is toch iets goeds in u. Maar ik wil u niet noodeloos
+blootstellen; wij zullen vandaag niet verder gaan. Daar ginds ligt
+een dorp en daar zullen wij den nacht doorbrengen.
+
+Maar er was geen herberg in dat dorp en niemand wilde een onderkomen
+geven aan een zwerveling, die een kind en drie vuile honden bij
+zich had.
+
+--Wij hebben geen slaapplaats, zeide men, en men wierp de deur voor
+onzen neus dicht. Wij gingen van het eene huis naar het andere,
+zonder dat iemand ons opende.
+
+Zouden wij dan toch genoodzaakt wezen om zonder even te rusten,
+de vier mijlen af te leggen, die ons nog van Ussel scheidden? Het
+werd nacht en de regen deed ons verstijven; het was of mijn beenen
+stokstijf zouden blijven staan.
+
+O, dat heerlijk huis van moeder Barberin!
+
+Eindelijk wilde een boer, die wat menschlievender was dan de anderen,
+ons wel zijn schuur afstaan. Maar voor hij ons binnenliet, stelde
+hij tot voorwaarde, dat wij geen licht mochten aansteken.
+
+--Geef mij uw lucifers, zeide hij tot Vitalis, ik zal ze u morgen,
+bij uw vertrek, teruggeven.
+
+Wij hadden nu ten minste een dak, dat ons beschutten kon en de regen
+zou niet op ons nedervallen.
+
+Vitalis was een bedachtzaam man, die zonder de noodige levensbehoeften
+nooit op reis zou gaan. In den ransel, dien hij op zijn rug droeg,
+had hij een groote snede brood, die hij in vier stukken brak.
+
+Toen zag ik voor de eerste maal hoe hij gehoorzaamheid en tucht wist
+te handhaven.
+
+Terwijl wij van de eene deur naar de andere dwaalden, om een
+nachtverblijf te zoeken, was Zerbino een huis binnengeloopen, waaruit
+hij terstond weder te voorschijn was gekomen met een korst brood in
+zijn bek. Vitalis had toen maar één woord gezegd.
+
+--Denk er aan. Tot vanavond, Zerbino.
+
+Ik dacht niet meer aan den diefstal, tot op het oogenblik, dat mijn
+meester het brood verdeelde. Zerbino liet den kop hangen.
+
+Wij waren op twee bossen varen naast elkander gezeten met Joli-Coeur
+tusschen ons; de drie honden lagen voor ons uitgestrekt. Capi en
+Dolce hielden de oogen strak op hun meester gevestigd.
+
+Zerbino daarentegen lag met zijn kop op den grond en met hangende
+ooren.
+
+--Laat de dief zich verwijderen, zeide Vitalis op bevelenden toon,
+en in een hoek gaan liggen; hij gaat zonder eten naar bed.
+
+Zerbino verliet terstond zijn plaats en kroop in den hoek, dien zijn
+meester hem aanwees; hij ging onder een hoop stroo liggen en wij
+zagen hem niet meer, maar hoorden hem telkens zacht kreunen.
+
+Toen dit gebeurd was, reikte Vitalis mij het brood en terwijl hij
+het zijne at, deelde hij aan Joli-Coeur, Capi en Dolce hun porties uit.
+
+De laatste maanden was ik bij vrouw Barberin niet verwend; toch scheen
+deze verandering mij zeer wreed.
+
+Hoe heerlijk was het hoekje bij den haard; met welk een genot zou
+ik onder mijn lakens gekropen zijn, terwijl ik het dek over mijn
+neus haalde!
+
+Maar helaas! er kon geen sprake zijn van lakens of van dek en wij
+mochten blijde wezen, dat wij een ligplaats van stroo hadden.
+
+Uitgeput van vermoeienis, met voeten als versteend, rilde ik van
+koude in mijn natte kleederen.
+
+Het was nu donker en nacht geworden, maar ik dacht niet aan slapen.
+
+--Uw tanden klapperen, zeide Vitalis, hebt gij het koud?
+
+--Een beetje.
+
+Ik hoorde, dat hij zijn zak opende.
+
+--Ik bezit geen fraaie garderobe, vervolgde hij, maar hier hebt gij
+een droog hemd en een jas waarin gij u wikkelen kunt, wanneer ge
+u van uw natte kleederen hebt ontdaan; gij moet dan maar onder het
+stroo kruipen en ik wed, dat gij wel warm zult worden en inslapen.
+
+Toch werd ik niet zoo spoedig warm, als Vitalis wel had gemeend;
+nog langen tijd lag ik te woelen en mij op mijn stroo te keeren en
+te wenden, te pijnlijk en te ongelukkig om in slaap te geraken.
+
+Zou het voortaan iederen dag zoo wezen? Zonder ooit te rusten in den
+regen loopen, in een schuur slapen, van koude bibberen en tot avondeten
+niets anders krijgen dan een stukje droog brood, en niemand om mij
+te beklagen, niemand om mij lief te hebben, geen moeder Barberin?
+
+Terwijl ik hierover lag te peinzen met een bezwaard gemoed en de
+oogen vol tranen, voelde ik eensklaps een warmen adem over mijn
+gelaat glijden.
+
+Ik strekte de hand uit en voelde het kroezige haar van Capi.
+
+Hij was mij stil genaderd en kroop behoedzaam voort tusschen de varen;
+hij snoof zachtkens; zijn adem streek mij langs het gelaat en over
+mijn haren.
+
+Wat wilde hij?
+
+Hij strekte zich op het stroo uit en begon mijn hand te likken.
+
+Getroffen door deze liefkoozing, richtte ik mij half op en drukte
+hem een kus op zijn kouden neus.
+
+Hij gaf een onderdrukten kreet en legde toen eensklaps zijn poot in
+mijn hand, zonder zich verder te bewegen.
+
+Ik vergat toen mijn vermoeidheid en mijn verdriet; mijn toegeknepen
+keel ontspande zich weder; ik haalde weer adem; ik was niet meer
+alleen: ik had een vriend.
+
+
+
+
+VI.
+
+MIJN EERSTE OPTREDEN.
+
+
+Den anderen morgen begaven wij ons reeds vroeg op weg.
+
+Het regende niet meer; het was een effen blauwe lucht, en, dank zij
+den harden wind, die gedurende den nacht was opgestoken, waren de
+wegen vrij schoon. De vogels zongen lustig in het geboomte en de
+honden sprongen vroolijk om ons heen. Van tijd tot tijd zette Capi
+zich op zijn achterpooten en blafte mij aan; ik begreep zeer goed
+wat dit te beduiden had.
+
+--Houd maar moed, houd maar moed, beteekende het.
+
+Want hij was een zeer verstandige hond, die alles begreep en zich zeer
+verstaanbaar wist te maken. Dikwijls heb ik hooren beweren, dat hem het
+spreken slechts ontbrak. Maar dat heb ik nooit gedacht. In zijn staart
+alleen had hij meer geest en welsprekendheid dan vele menschen in hun
+tong of oogen. In ieder geval hebben wij nooit aan woorden behoefte
+gevoeld; van den eersten dag af, hebben we elkander terstond begrepen.
+
+Daar ik nooit mijn dorp verlaten had, was ik zeer nieuwsgierig om
+een stad te zien.
+
+Ik moet evenwel bekennen, dat Ussel mij in het minst niet trof. De
+oude huizen met hun torentjes, die zeer waarschijnlijk oudheidkundigen
+in verrukking zouden brengen, lieten mij geheel onverschillig.
+
+Het is waar, ik zocht in die huizen ook volstrekt niet het
+schilderachtige.
+
+Eén gedachte slechts bezielde mij: voor niets anders had ik oogen
+dan voor een schoenmakerswinkel.
+
+Mijn schoenen, de schoenen, die Vitalis mij beloofd had, zouden thans
+spoedig aan mijn voeten zijn.
+
+Waar was de heerlijke winkel, die ze mij leveren zou?
+
+Dien winkel zocht ik: het overige, torens, daken en gevels, niets
+boezemde mij eenig belang in.
+
+Het eenige wat ik mij dan ook van Ussel nog herinner, is die sombere
+bedompte winkel in de nabijheid van de markt. Voor de deur stonden
+oude geweren, een jas met zilveren epauletten, eenige lampen en een
+groote mand met een menigte verroeste sloten en sleutels.
+
+Wij moesten drie trapjes afdalen om in den winkel te komen; wij
+kwamen toen in een groot vertrek, waarin het zonlicht stellig nooit
+was doorgedrongen, sedert het dak op het huis gezet was.
+
+Hoe was het mogelijk, dat zulke fraaie dingen als schoenen op zulk
+een afschuwelijke plaats verkocht werden!
+
+Vitalis wist echter best wat hij deed, toen hij dezen winkel uitkoos
+en spoedig smaakte ik het genot van schoenen met spijkers te mogen
+aantrekken, die wel tienmaal zoo zwaar wogen als mijn klompen.
+
+Hiertoe bepaalde zich de edelmoedigheid van mijn meester niet;
+hij kocht mij een blauw fluweelen jas, een bombazijnen broek en een
+kastoren hoed; kortom alles wat hij mij beloofd had.
+
+Ik zou een fluweelen jas krijgen, ik, die tot nu toe niets dan katoen
+had gedragen, en schoenen, en een hoed! en ik had tot hoofddeksel
+nooit anders dan mijn haren gehad; hij was bepaald de beste man der
+wereld, ongetwijfeld de edelste en rijkste.
+
+Het fluweel was, wel is waar, eenigszins vergaan en het bombazijn
+wat versleten; ook kon men moeielijk de kleur meer onderscheiden
+van het kastoor, zoozeer had het door den regen en het stof geleden;
+maar verblind door zooveel pracht, was ik ongevoelig voor de gebreken,
+die zich onder den glans verscholen. Ik verlangde vurig om die nieuwe
+kleederen aan te trekken, maar vóór ik ze aantrok deed Vitalis ze
+een verandering ondergaan, die mij innig leed deed.
+
+Toen wij in de herberg terugkwamen, haalde hij een schaar uit zijn
+tasch te voorschijn en sneed de beide pijpen van mijn broek af,
+ongeveer op de hoogte van de knieën.
+
+Terwijl ik hem met verbazing gadesloeg, zeide hij:
+
+Dit is het eenige middel om u niet op iedereen te doen gelijken. Wij
+zijn in Frankrijk en nu kleed ik u als een Italiaan; wanneer wij
+naar Italië gaan, wat zeer wel mogelijk is, dan kleed ik u als een
+Franschman.
+
+Deze uitlegging deed mij niet van mijn verbazing bekomen.
+
+--Wat zijn wij? Kunstenmakers niet waar? komediespelers, die door hun
+uiterlijk de aandacht moeten trekken. Meent gij, dat wanneer wij zoo
+straks als eerzame burgers gekleed naar de een of andere publieke
+plaats gaan, iemand voor ons zou blijven stilstaan om ons aan te
+kijken? Neen, niet waar? Weet, dat in het leven schijn dikwijls
+noodzakelijk is; 't is jammer, maar wij kunnen er niets aan doen.
+
+Zoo veranderde ik dus van een Franschman, die ik 's morgens was,
+'s avonds in een Italiaan.
+
+Mijn broek reikte slechts tot aan mijn knieën; Vitalis bond daaronder
+mijn kousen vast met roode banden, die verscheidene malen over mijn
+beenen werden gekruist; ook mijn hoed werd met gekleurd lint en eenige
+gemaakte bloemen versierd.
+
+Ik weet niet wat anderen over mij gedacht zullen hebben, maar ik
+moet eerlijk bekennen, dat ik me zelf prachtig vond; en dat moest ook
+wel zoo zijn, want mijn vriend Capi, na mij geruimen tijd te hebben
+opgenomen, reikte mij zeer voldaan een poot.
+
+De goedkeuring, welke Capi aan mijn gedaanteverwisseling schonk,
+deed mij vooral genoegen, omdat Joli-Coeur, terwijl ik mij in mijn
+pakje stak, vóór mij op den grond was gaan liggen en aanhoudend mijn
+gebaren in het overdrevene had nagebootst. Toen mijn toilet gemaakt
+was, had hij zijn voorpooten in de zijde gezet, zijn kop in den hals
+geworpen en telkens een spottend gelach doen hooren.
+
+Ik heb meermalen hooren zeggen, dat het een wetenschappelijk vraagstuk
+is of apen kunnen lachen. Ik denk dat zij, die zulk een vraag gesteld
+hebben, kamergeleerden waren, die nooit een aap hebben bestudeerd.
+
+Ik voor mij, die jarenlang een zeer vertrouwelijken omgang met
+Joli-Coeur gehad heb, durf gerust beweren, dat zij wel degelijk lachen,
+dikwijls zelfs op een wijze, die mij geducht ergeren kon. Zijn lach was
+wel niet precies dezelfde als die van een mensch, maar wanneer de een
+of andere gebeurtenis zijn vroolijkheid opwekte, trok hij de hoeken
+van zijn mond naar achteren en zijn oogen samen; zijn kaken gingen
+dan snel op en neêr en zijn zwarte oogen schenen vuur te schieten,
+alsof het doove kolen waren, die men aanblies.
+
+Zelfs bemerkte ik al spoedig, dat hij die eigenaardige teekenen
+van lachen vertoonde, bij gelegenheden die zeer pijnlijk voor mijn
+eigenliefde waren.
+
+--Nu uw toilet in orde is, sprak Vitalis, terwijl ik mijn hoed opzette,
+zullen wij aan het werk gaan, om morgen met den marktdag eene groote
+voorstelling te geven, waarbij gij voor de eerste maal zult optreden.
+
+Ik vroeg wat optreden was, en Vitalis legde mij toen uit, dat dit
+was voor de eerste maal als tooneelspeler in het publiek verschijnen.
+
+--Morgen zullen we onze eerste voorstelling geven, zeide hij, en daarin
+zult gij optreden. Gij moet dus de rol, die ik voor u bestemd heb,
+eerst repeteeren.
+
+Mijn verbaasde blik zeide hem, dat ik niets van dat alles begreep.
+
+--Men verstaat onder een rol, al datgene wat men gedurende een
+voorstelling te doen heeft. Ik heb u niet medegenomen louter en
+alleen om u eene pleizierige wandeling te bezorgen. Daar ben ik niet
+rijk genoeg toe. Gij moet werken. En uw werk bestaat daarin, dat gij
+tooneelvoorstellingen met mijn honden en Joli-Coeur geeft.
+
+--Maar ik kan geen komedie spelen! riep ik verschrikt uit.
+
+--Juist daarom zal ik het u leeren. Gij begrijpt toch wel dat Capi
+niet van nature zoo bevallig op zijn beide achterpooten loopt, evenmin
+als Dolce voor haar pleizier touwtje springt. Capi heeft het geleerd
+om op zijn achterste pooten te staan en Dolce heeft touwtje leeren
+springen; zij hebben zelfs hard en lang moeten werken om deze talenten
+te verkrijgen, evenals om bekwame tooneelspelers te wezen. Welnu,
+gij moet ook werken, om de verschillende rollen te leeren, die gij
+met hen te vervullen hebt. Laten we dus beginnen.
+
+Ik had in dien tijd zonderlinge begrippen van werken. Ik meende,
+dat werken bestond in den grond om te spitten, of een boom te kappen,
+of steenen te bikken en kon mij geen andere bezigheden voorstellen.
+
+--Het stuk, dat wij zullen geven, vervolgde Vitalis, heet _De knecht
+van den heer Joli-Coeur of de domste van de twee is niet dien men
+denkt_. Ik zal u het onderwerp mededeelen: De heer Joli-Coeur heeft
+tot nogtoe een knecht gehad, over wien hij zeer tevreden was, dat is
+Capi. Maar Capi wordt oud; en van den anderen kant wil ook de heer
+Joli-Coeur wel een nieuwen bediende. Capi neemt het op zich om hem
+een ander te bezorgen.
+
+Maar het zal geen hond zijn, dien hij hem tot opvolger geeft: het
+zal een knaap wezen, een boer, Rémi genaamd.
+
+--Zooals ik?
+
+--Neen, niet zooals gij, maar gij zelf. Gij hebt uw dorp verlaten om
+in dienst te treden van Joli-Coeur.
+
+--Apen hebben geen bedienden.
+
+--In een komedie wel. Gij meldt u dus aan, maar de heer Joli-Coeur
+vindt dat ge er te dom uitziet.
+
+--Dat is niet prettig.
+
+--Wat doet er dat toe, het is immers gekheid? Stel u dus voor, dat ge
+werkelijk bij een heer uw dienst komt aanbieden en dat men u beveelt,
+de tafel te dekken. Hier staat er juist een die in onze voorstelling
+gebruikt kan worden. Ga dus uw gang.
+
+Op die tafel lagen borden, een glas, een vork, een roes en servetten.
+
+Hoe moest men dat alles leggen?
+
+Terwijl ik hierover stond na te denken en de armen slap langs mijn
+lijf liet hangen, een weinig voorovergebogen en met half geopenden
+mond, niet wetende, waarmede te beginnen, klapte mijn meester in de
+handen en riep lachend uit:
+
+--Bravo! Bravo! dat is uitmuntend. Uw mimiek is uitstekend. De knaap,
+dien ik vóór u had, zette een slim gelaat, dat duidelijk te kennen gaf:
+"gij zult eens zien hoe dom ik wezen kan." Gij daarentegen zegt niets
+en uw ongekunsteld gezicht is bewonderenswaardig.
+
+--Ik weet niet wat ik doen moet.
+
+--Juist daarom is uw spel zoo goed. Morgen, binnen weinige dagen,
+dan zult gij wel weten, wat gij doen moet; maar dan moet gij u de
+verlegenheid herinneren, waarin gij thans verkeert en veinzen hetgeen
+gij dan niet meer gevoelt. Als gij dan deze uitdrukking en houding
+kunt aannemen, dan voorspel ik u een prachtig succès: Wat moet gij
+in mijn stuk voorstellen? Een boerenknaap, die niets gezien heeft en
+niets weet; deze komt bij een aap en hij is veel onhandiger en veel
+onwetender dan de aap, vandaar de tweede titel. "_De domste van de
+twee is niet dien men denkt._" Dommer te zijn dan Joli-Coeur, dat
+is uw rol; om die nu goed te vervullen, behoeft ge slechts te wezen,
+zooals ge thans zijt; maar daar dit op den duur onmogelijk is, moet
+ge u voor den geest brengen wat gij geweest zijt en met eenige kunst
+worden, wat gij van nature niet meer wezen zult.
+
+_De knecht van den heer Joli-Coeur_ was geen groot stuk en de
+voorstelling duurde niet langer dan twintig minuten. Maar voor onze
+repetitie waren drie uur noodig; Vitalis liet ons twee-, vier-,
+ja tienmaal hetzelfde overdoen, zoowel de honden als mij.
+
+Deze toch hadden gedeelten van hun rol vergeten en moesten die thans
+opnieuw leeren.
+
+De zachtheid en het geduld, die mijn meester hierbij aan den dag legde,
+verbaasde mij ten sterkste. Zoo behandelde men de dieren niet in ons
+dorp, waar vloeken en slaan het eenige middel was, dat men tot hun
+opvoeding aanwendde.
+
+Hij maakte zich, gedurende deze lange repetitie, geen enkele maal boos;
+hij vloekte in het geheel niet.
+
+--Laten wij nog maar eens beginnen, zeide hij op ernstigen toon,
+wanneer hetgeen hij gevraagd had niet gelukt was; dat is niet goed,
+Joli-Coeur; gij Capi, gij let niet op, ik zal u moeten beknorren.
+
+Dat was alles; maar toch was het genoeg.
+
+--Welnu, vroeg hij mij, toen de repetitie geëindigd was, gelooft gij,
+dat gij aan het komedie spelen gewoon zult raken?
+
+--Ik weet het niet.
+
+--Verveelt het je?
+
+--Neen, integendeel.
+
+--Dan zal het wel gelukken; gij hebt geest en wat nog meer waard is,
+gij zijt oplettend; met oplettendheid en ijver komt men er altijd. Zie
+mijn honden eens en vergelijk ze met Joli-Coeur. Joli-Coeur is
+misschien levendiger en verstandiger, maar hij heeft geen ijver. Hij
+neemt gemakkelijk aan wat men hem leert, maar hij vergeet het even
+spoedig. Bovendien doet hij het ook nooit met hart en ziel; gaarne zou
+hij zich altijd verzetten en altijd wil hij het tegenovergestelde. Dat
+is zoo zijn natuur en daarom word ik ook nooit boos op hem; de aap
+heeft niet, zooals de honden, een geweten dat hem gebiedt zijn plicht
+te doen, en daarom staat hij veel lager dan zij. Begrijpt gij dat?
+
+--Ik geloof het wel.
+
+--Wees dus oplettend, mijn jongen, en ijverig; doe hetgeen gij
+doen moet, altijd zoo goed mogelijk. Daarop slechts komt het in het
+leven aan.
+
+Terwijl hij zoo tot mij sprak, waagde ik het hem te zeggen, wat mij het
+meest onder de repetitie verwonderd had: zijn onuitputtelijk geduld,
+waarvan hij het bewijs had gegeven, zoowel met Joli-Coeur en de honden
+als met mij.
+
+Hij glimlachte toen even.
+
+--Men kan wel zien, dat gij tot nogtoe slechts met boeren geleeft
+hebt, die hun dieren zeer wreed behandelen en die meenen, dat men ze
+slechts met stokslagen regeeren kan. Dat is een zeer groote dwaling:
+door geweld krijgt men weinig gedaan, terwijl men met zachtheid alles
+overwint. Ik heb van mijn dieren juist door een zachte behandeling
+gemaakt wat ze thans zijn. Als ik ze geslagen had, zouden zij bang
+voor mij wezen en de vrees benevelt het verstand. Bovendien zou ik,
+wanneer ik driftig werd, niet wezen wie ik ben en ik zou thans niet
+dat onuitputtelijk geduld bezitten, dat mij uw vertrouwen heeft
+doen winnen. Hij, die anderen onderwijst, onderwijst tevens zich
+zelf. Mijn honden hebben mij evenveel lessen gegeven als zij van mij
+ontvangen hebben. Ik heb hun verstand ontwikkeld, zij hebben mijn
+karakter gevormd.
+
+Hetgeen ik hoorde scheen mij uiterst zonderling toe, en ik kon niet
+nalaten er om te lachen.
+
+--Gij vindt dat zeer zonderling, niet waar, dat een hond een mensch
+kan leeren? En toch is het waar. Denk maar eens na: Neemt gij aan,
+dat een hond onder den invloed van zijn meester staat?
+
+--O, zeer zeker.
+
+--Dan zult gij ook begrijpen, dat de meester verplicht is over
+zich zelf te waken, wanneer hij de opvoeding van een hond op zich
+neemt. Stel u maar eens voor, dat ik op een oogenblik, terwijl ik Capi
+onderwijs gaf, mij zelf vergat en driftig werd. Wat zou Capi doen? Hij
+zou eveneens driftig en boos worden. Dat wil zeggen, dat hij mijn
+voorbeeld zou volgen, en hij zou glad bedorven worden. De hond is
+bijna altijd het evenbeeld van zijn meester; wie den een ziet ziet
+den ander. Laat mij uw hond zien, dan zal ik zeggen wie ge zijt. De
+hond van een roover is een nijdig dier, die van een dief steelt;
+de domme boer heeft een hond zonder begrip, maar de beschaafde,
+wellevende man heeft een vriendelijken, verstandigen hond.
+
+Mijn makkers, de honden en de aap, hadden dit op mij vooruit, dat
+zij gewoon waren om voor het publiek op te treden, zoodat zij den
+anderen dag zonder eenige vrees tegemoet zagen. Voor hen was het niet
+anders dan iets te doen, wat zij reeds honderdmaal, ja duizendmaal
+verricht hadden.
+
+Maar ik voor mij deelde die heerlijke onbezorgdheid niet. Wat zou
+Vitalis wel zeggen, als ik slecht speelde? Wat zouden de toeschouwers
+zeggen?
+
+Deze gedachten beletten mij den slaap te vatten en toen ik insliep,
+zag ik in mijn droom verscheidene menschen, die bijna omvielen van
+het lachen.
+
+Ook gevoelde ik mij den anderen dag zeer zenuwachtig, toen wij de
+herberg verlieten om naar de markt te gaan, waar onze voorstelling
+zou plaats vinden.
+
+Vitalis opende den stoet; met het hoofd fier omhoog, de borst vooruit,
+gaf hij met zijn armen en beenen den pas aan, terwijl hij een wals
+speelde op een metalen fluitje.
+
+Achter hem liep Capi, op wiens rug de heer Joli-Coeur stond, in het
+kostuum van een engelsch generaal met een roode broek en rok, welke met
+goud waren afgezet en een hoed met een breeden rand en een witte pluim.
+
+Verder op eerbiedigen afstand volgden naast elkander Zerbino en Dolce.
+
+Ik sloot den optocht, die, dank zij den afstand, welken de meester
+ons had aangewezen, een vrij groote lengte in de straat besloeg.
+
+Maar hetgeen nog meer de aandacht trok dan ons luisterrijk gezelschap,
+waren de doordringende tonen van de fluit die tot in het achtergedeelte
+der huizen de nieuwsgierigheid der bewoners wekten. Men snelde naar
+de deur om ons te zien en alle gordijnen werden opgetrokken.
+
+Eenige kinderen begonnen ons te volgen, verscheidene verbaasde boeren
+voegden zich bij hen en toen wij de markt hadden bereikt, hadden wij
+een ganschen troep achter ons.
+
+Ons tooneel was spoedig opgeslagen; het bestond slechts uit een touw,
+dat aan vier boomen werd vastgemaakt, zoodat het een langwerpig
+vierkant vormde, in welks midden wij ons plaatsten.
+
+Het eerste gedeelte der voorstelling bestond uit verschillende toeren
+door de honden uitgevoerd; maar welke deze toeren waren, zou ik zelf
+niet weten te zeggen, daar ik te zeer vervuld was met mijn rol en in
+de grootste onrust verkeerde.
+
+Alles wat ik mij herinner is, dat Vitalis niet meer op zijn fluit
+speelde, maar die met een viool verwisseld had, waarmede hij de
+oefeningen der honden begeleidde, en waarop hij nu eens dansmuziek,
+dan weder lieve, vroolijke deuntjes speelde.
+
+De menigte was al spoedig tot aan het koord doorgedrongen, en wanneer
+ik meer werktuigelijk dan wel met een bepaalde bedoeling om mij heen
+blikte, dan zag ik dat aller oogen op ons waren gevestigd.
+
+Toen het eerste stuk geëindigd was, nam Capi een houten bakje in
+zijn bek en deed hij op zijn achterste pooten de ronde bij het
+"geachte publiek." Wanneer er geen centen in het bakje vielen, dan
+zette hij dit eerst op den grond buiten het bereik der omstanders en
+legde vervolgens zijn beide pooten op den weerspannigen toeschouwer,
+blafte eenige malen en klopte zachtjes op diens zak, alsof hij dezen
+wilde openen. Onder het publiek ging dan een algemeen gelach op en
+ieder deelde in die vroolijkheid.
+
+--Het is een slimme poedel; hij weet wiens zak het best gevuld is.
+
+--Kom, steek uw handen in uw zak.
+
+--Hij zal wat geven!
+
+--Neen hij geeft niets!
+
+--Uit de erfenis van uw oom zult gij het terugkrijgen.
+
+Eindelijk kwam het geld dan ook te voorschijn uit het alleronderste
+puntje van den zak.
+
+Intusschen hield Vitalis, zonder een woord te spreken, aanhoudend
+zijn blik op het bakje gericht en speelde eenige vroolijke deuntjes
+op zijn viool, die hij volgens de maat op en neer bewoog.
+
+Capi kwam weldra bij zijn meester terug, terwijl hij het bakje
+zegevierend in de hoogte hield.
+
+Nu was het de beurt van Joli-Coeur en van mij om op te treden.
+
+--Dames en heeren, zeide Vitalis, terwijl hij met de eene hand
+zijn strijkstok zwaaide en met de andere met zijn viool eenige
+bewegingen maakte, onze voorstelling zal besloten worden door een
+fraai tooneelstuk, getiteld: _De knecht van den heer Joli-Coeur of de
+domste van de twee is niet dien men denkt_. Een man, zoo als ik ben,
+vernedert zich niet om vooruit zijn stukken en zijn tooneelisten te
+prijzen; ik zeg slechts: zie goed toe, open de oogen wijd en maakt
+uwe handen vast klaar om te applaudisseeren.
+
+Hetgeen hij een fraai tooneelstuk noemde, was in werkelijkheid
+een pantomime; dat wil zeggen een stuk, dat met gebaren en zonder
+woorden gespeeld wordt. En dat moest ook zoo zijn, daar twee der
+hoofdpersonen, Joli-Coeur en Capi, niet konden spreken en de derde,
+(ik zelf) niet in staat zou geweest zijn twee woorden te uiten. Tot
+opheldering van het stuk en om het spel der acteurs gemakkelijker te
+maken, laschte Vitalis van tijd tot tijd een woordje er in, dat een
+verklaring gaf aan de verschillende toestanden. Zoo ook speelde hij
+zachtkens een krijgsmarsch bij het optreden van den heer Joli-Coeur
+als engelsch generaal, die zijn rang en zijn fortuin door een oorlog
+in Indië verworven had. Tot heden had de heer Joli-Coeur geen anderen
+knecht dan Capi, maar hij wilde liever een oppasser, daar zijn middelen
+hem deze kleine weelde veroorloofden; de dieren zijn lang genoeg de
+slaven der menschen geweest; het werd dus hoog tijd, dat hij hierin
+eene verandering bracht.
+
+Terwijl hij op de komst van dien oppasser wachtte, liep de generaal
+in zijn kamer op en neer en rookte een sigaar. Men moest eens zien
+welke rookwolken hij het publiek in het gelaat blies.
+
+De generaal werd ongeduldig en rolde met zijn oogen, als iemand die
+op het punt is in drift uit te barsten; hij beet op zijn lippen en
+stampte met zijn pooten op den grond.
+
+Toen hij voor de derde maal stampte, moest ik met Capi binnen komen.
+
+Al zou ik mijn rol vergeten zijn, dan zou de hond mij die wel hebben
+herinnerd. Op het gegeven oogenblik, strekte hij zijn poot naar mij
+uit en bracht hij mij bij den generaal.
+
+Toen deze mij zag, hief hij zijne beide handen wanhopend ten
+hemel. Wat, moest dit zijn knecht worden? Hij bekeek mij toen
+nauwkeuriger en liep eenige malen schouderophalend om mij heen.
+
+De uitdrukking van zijn gelaat was zoo dwaas, dat het geheele publiek
+schaterde van lachen: men begreep dat hij mij voor een grooten domkop
+hield; ook het publiek verkeerde in dien waan.
+
+Het stuk was er natuurlijk geheel op ingericht om aan het publiek
+mijne domheid te doen zien; in ieder tooneel moest ik de eene of andere
+onhandigheid begaan, terwijl Joli Coeur daarentegen telkens gelegenheid
+moest vinden om zijn verstand en slimheid aan den dag te leggen.
+
+Toen hij mij langen tijd had aangestaard nam de generaal mij uit
+medelijden in dienst en beval hij mij zijn tafel te dekken.
+
+--De generaal gelooft dat de knaap minder dom zal wezen, als hij wat
+gegeten heeft, zeide Vitalis; wij zullen eens zien of dit zoo is.
+
+Ik plaatste mij aan een tafeltje, waarop alles gereed stond.
+
+Wat moest ik met een servet doen?
+
+Capi maakte mij duidelijk, dat ik mij bedienen moest.
+
+Maar hoe?
+
+Toen ik lang er over gedacht had, snoot ik mijn neus er in.
+
+De generaal barstte toen in een hartelijken lach los en Capi viel op
+den grond en spartelde met zijn pooten in de lucht, uit ergernis over
+mijn domheid.
+
+Toen ik zag, dat ik mij vergiste, bekeek ik weder het servet en vroeg
+mezelf af, op welke wijze ik het gebruiken moest.
+
+Eindelijk schoot mij iets te binnen; ik rolde het servet op en bond
+het als een das om mijn hals.
+
+Wederom begon de generaal te lachen en Capi viel nogmaals op den grond.
+
+En zoo vervolgens tot op het oogenblik, dat de generaal wanhopend
+mij van mijn stoel rukte, op mijn plaats ging zitten en het eten,
+dat voor mij bestemd was, opat.
+
+O, _hij_ wist wel wat hij met een servet moest doen. Hoe netjes maakte
+hij het in het knoopsgat van zijn uniform vast en spreidde hij het
+over zijn knieën uit. Hoe keurig brak hij zijn brood en dronk hij
+zijn glas leeg.
+
+Maar dan vooral maakten zijn fijne vormen een onweerstaanbaren indruk,
+wanneer hij na afloop van het dejeuné een tandenstoker vroeg en
+daarvan een behendig gebruik maakte. Dan barstten van alle zijden de
+toejuichingen los en de voorstelling eindigde met een waren triomf. Hoe
+verstandig was de aap, hoe dom de knecht!
+
+Toen wij in onze herberg terugkwamen, maakte Vitalis mij zijn
+compliment en ik was zulk een komediant, dat ik trotsch was op zijn
+lofspraak.
+
+
+
+
+VII.
+
+IK LEER LEZEN.
+
+
+Ongetwijfeld bestond het gezelschap van den heer Vitalis uit
+voortreffelijke tooneelspelers--ik spreek hier van zijn honden en
+aap--, maar zij bezaten geen groote verscheidenheid van gaven.
+
+Wanneer zij drie of vier voorstellingen gegeven hadden, kende men
+hun gansche repertoire; zij vielen altijd weder in herhaling.
+
+Vandaar dat wij niet lang in eenzelfde stad konden blijven.
+
+Drie dagen na onze aankomst in Ussel moesten wij ons weder op weg
+begeven. Waar zouden wij heengaan?
+
+Ik was vertrouwelijk genoeg met mijn meester geworden om deze vraag
+te doen.
+
+--Kent gij het land? antwoordde hij mij, terwijl hij mij aanzag.
+
+--Neen.
+
+--Waarom vraagt gij mij dan waar wij heengaan?
+
+--Om het te weten.
+
+--Wat te weten?
+
+Ik wist niet wat ik zeggen zou en hield het oog gericht op den weg,
+die zich als een begroeid dal voor mij uitstrekte.
+
+--Al vertel ik u, vervolgde hij, dat wij naar Aurillac gaan, om ons
+vervolgens naar Bordeaux en van Bordeaux naar de Pyreneën te begeven,
+wat weet gij er dan nog aan?
+
+--Maar kent u dan het land?
+
+--Ik ben er nooit geweest.
+
+--En toch weet gij waar wij heengaan?
+
+Hij zag mij weder lang aan, alsof hij in mijn ziel wilde lezen.
+
+--Gij kunt niet lezen, niet waar? zeide hij toen.
+
+--Neen.
+
+--Weet gij wel wat een boek is?
+
+--Ja; men brengt boeken mede in de kerk; ik heb dikwijls mooie boeken
+gezien met prenten erin en met een lederen omslag.
+
+--Goed, gij begrijpt dus, dat men gebeden in een boek kan zetten?
+
+--Ja.
+
+--Men kan er ook andere dingen inzetten. Als gij bidt, spreekt gij
+woorden, die uw moeder u geleerd heeft, en die door uw oor tot uw
+geest zijn doorgedrongen, en vervolgens op uw tong terugkomen, als
+gij ze uitspreekt.
+
+Welnu, zij, die hunne gebeden uit boeken opzeggen, ontleenen de
+woorden, waaruit die gebeden zijn samengesteld, niet aan hun geheugen,
+maar zij zoeken ze met de oogen in de boeken, waarin zij staan;
+dat is: zij lezen.
+
+--Ik heb zien lezen, zeide ik, zegevierend als iemand, die geen dier
+is en die heel goed weet, waarover men spreekt.
+
+--Hetzelfde wat met de gebeden gebeurt, heeft ook met al het
+overige plaats. Wanneer wij ergens uitrusten, dan zal ik u een boek
+laten zien, waarin de namen en de geschiedenis staan van het land,
+dat wij doorreizen. Zij, die dit land bewoond of bezocht hebben,
+teekenden alles wat zij zagen in mijn boek op; zij hebben dat zoo
+uitmuntend gedaan, dat ik het slechts behoef te openen om het land
+te kennen. Het is zoo goed alsof ik het met eigen oogen aanschouw;
+ik leer hun geschiedenis alsof ze mij verteld werd.
+
+Ik was als het ware in het wild opgevoed en kon mij volstrekt geen
+denkbeeld vormen van de beschaafde wereld. Zijn woorden waren voor mij
+eene openbaring, die in het eerste oogenblik vaag en onbestemd was,
+maar mij langzamerhand duidelijker werd.
+
+Ik was wel op school geweest, maar niet langer dan een maand en in dien
+tijd had men mij geen boek in handen gegeven, noch mij ooit van lezen
+of schrijven gesproken; men had mij daar hoegenaamd niets geleerd.
+
+Men moet hieruit niet opmaken, dat, al gebeurt dit niet altijd op de
+scholen, hetgeen ik vertel daarom onmogelijk is. In den tijd, waarvan
+ik spreek, waren in Frankrijk verscheidene gemeenten, die geen scholen
+bezaten en al waren er die ze hadden, dan onderwezen de meesters,
+welke aan 't hoofd er van geplaatst waren, om de een of andere reden,
+hetzij omdat zij zelf niets wisten, of omdat zij wat anders te doen
+hadden, de kinderen, die hun toevertrouwd waren, volstrekt niets.
+
+Dit was ook het geval met onzen dorpsschoolmeester. Wist hij iets? 't
+Is best mogelijk en ik wil hem in het geheel niet van domheid
+beschuldigen, maar waar is het, dat hij gedurende al den tijd, dien
+ik bij hem heb doorgebracht, mij noch mijn makkers ooit een enkele
+les gaf; hij had wel iets anders te doen, daar hij van zijn ambacht
+klompenmaker was. Hij was altijd met zijn klompen bezig en van den
+vroegen morgen tot den laten avond zag men de splinters van beuke-
+en noteboomen om hem heen springen. Hij sprak nooit met ons dan om
+eens naar onze ouders te vragen of te klagen over koude of regen; maar
+over lezen of rekenen nooit een woord. Dat liet hij aan zijn dochter
+over, die hem moest vervangen en orde onder ons houden moest. Maar
+daar deze naaister was, deed zij zooals haar vader en, terwijl hij
+met zijn mes of zijn beitel werkte, naaide zij ijverig voort.
+
+Zij moesten toch aan den kost komen, en daar zijn twaalf leerlingen
+ieder elke maand vijftig centimes betaalden, was dit nog geen zes
+francs in de week, van welk inkomen toch geen twee menschen gedurende
+dertig dagen leven konden; de klompen en het naaiwerk vulden aan wat
+de school te weinig opbracht.
+
+Ik had op school dus niets geleerd, zelfs de letters niet.
+
+--Is lezen moeielijk? vroeg ik aan Vitalis, nadat ik geruimen tijd,
+in gepeins verzonken, naast hem had geloopen.
+
+Moeielijk voor hen, die een botten geest hebben en nog moeielijker
+voor hen, die niet willen. Hebt gij een botten geest?
+
+--Dat weet ik niet; maar, als gij mij wilt leeren lezen, geloof ik
+dat ik mijn best zou doen.
+
+--Nu, wij zullen zien, wij hebben nog den tijd daarmede.
+
+Tijd! Waarom begonnen wij niet terstond? Ik wist toen niet hoe lastig
+het was om te leeren lezen en ik verbeeldde mij, dat als ik een boek
+opende, ik ook dadelijk weten zou wat er instond.
+
+Den anderen dag, toen wij weder op weg waren, zag ik mijn meester zich
+bukken en een plankje, dat bijna onder het zand bedolven lag, opnemen.
+
+--Hier is het boek, waaruit gij zult leeren lezen, zeide hij.
+
+Dat plankje, een boek! Ik zag hem aan om mij te overtuigen, dat hij
+den spot niet met mij dreef. Toen ik bemerkte, dat het hem ernst was,
+bekeek ik zijn vondst oplettender.
+
+Het was inderdaad een stukje hout, afkomstig van een beuk, dat niet
+langer was dan mijn arm en niet breeder dan mijn beide handen, maar
+het was mooi glad. Geen krasje was er op te bespeuren.
+
+Hoe zou ik op dat plankje kunnen lezen en wat stond er op te lezen?
+
+--Gij denkt over iets, zeide Vitalis lachend.
+
+--Gij drijft den spot met mij.
+
+--Volstrekt niet, beste jongen; spot is goed om een slecht karakter te
+verbeteren, maar men moet dien nooit tegenover onwetendheid aanwenden:
+dat zou een bewijs van eigen domheid wezen. Wanneer wij dat boschje
+bereikt hebben, zullen wij een oogenblik uitrusten en zal ik u toonen,
+hoe men iemand met een stukje hout kan leeren lezen.
+
+Spoedig hadden wij de aangewezen plaats bereikt en zetten onze bagage
+op den grond, terwijl wij ons in het gras neervlijden waartusschen
+de meizoentjes reeds begonnen te ontluiken. Joli-Coeur werd van zijn
+ketting losgemaakt en gebruikte deze gelegenheid om in een boom te
+klauteren en eens duchtig aan de takken te schudden, maar tevens om
+de noten er af te laten vallen, terwijl de honden, veel kalmer omdat
+zij vermoeid waren, zich naast ons te slapen legden.
+
+Vitalis haalde toen een mes uit zijn zak en trachtte een zeer dun
+reepje hout van het plankje af te snijden. Toen hij hierin geslaagd
+was, wreef hij dit glad en brak het vervolgens in even groote stukjes,
+zoodat hij ongeveer vier en twintig blokjes hout had.
+
+Ik hield voortdurend mijn blik op hem gevestigd, maar ik moet bekennen,
+dat ik, ondanks mijn vluggen geest, volstrekt niet begreep, hoe
+men van dat hout een boek maken kon; want hoe onwetend ik ook wezen
+mocht, wist ik toch, dat een boek uit een zeker aantal bladen papier
+bestond, waarop zwarte figuren geteekend waren. Waar waren de bladen
+papier? Waar stonden de zwarte figuren?
+
+--Op elk blokje hout zal ik morgen met de punt van mijn mes een letter
+uit het alphabet snijden. Gij kunt op die wijs gemakkelijk de letters
+leeren en wanneer gij die kent, zonder ooit te haperen en ze terstond
+weet te noemen, dan kunt gij de eene naast de andere leggen en woorden
+spellen. Als gij dan die woorden weet, die ik zeg, dan kunt gij lezen.
+
+Ik had mijn zakken spoedig vol met een aantal van die blokjes en
+weldra kende ik ook de letters; maar lezen, dat was nog iets anders;
+dat ging zoo snel niet en er kwam zelfs een oogenblik, waarop het
+mij berouwde, dat ik het had willen leeren.
+
+Ik moet er echter bijvoegen, om me zelven recht te doen wedervaren,
+dat dit niet uit luiheid was, maar wel uit eigenliefde.
+
+Vitalis leerde tegelijk met mij aan Capi de letters; daar deze wel
+de cijfers der uren had kunnen onthouden, zou hij even zoo in staat
+wezen de letters in zijn geheugen op te nemen.
+
+Wij leerden dus onze lessen te zamen; ik was de schoolmakker van Capi
+geworden, of, zoo men wil, hij de mijne.
+
+Capi behoefde de letters niet op te noemen, zooals ik, daar hij niet
+spreken kon, maar wanneer onze blokjes op het gras uitgespreid lagen,
+dan moest hij met zijn poot de letters aanwijzen, die Vitalis opgaf.
+
+In het eerst maakte ik grooter vorderingen dan de hond; maar al was ik
+verstandiger, zijn geheugen was sterker: wanneer hij eenmaal goed iets
+geleerd had, dan wist hij dat voor zijn leven; hij vergat het nooit,
+en daar hij geene afleiding had, aarzelde hij zelden en vergiste
+zich nimmer.
+
+Wanneer ik een fout maakte, dan zeide onze meester altijd:
+
+--Capi zal eerder kunnen lezen dan Rémi.
+
+En de hond, die dit ongetwijfeld begreep, kwispelde zegepralend met
+zijn staart.
+
+--Dommer dan een dier is goed op het tooneel, maar in de werkelijkheid
+is het een schande.
+
+Dit hinderde mij geducht en ik legde mij met hart en ziel op mijn
+studie toe; terwijl de hond niet verder kwam dan zijn naam te
+schrijven, mocht het mij weldra gelukken in een boek te lezen.
+
+--Nu gij lezen en schrijven kunt, zeide Vitalis, wilt gij zeker ook
+wel muziek leeren?
+
+--Als ik muziek ken, zou ik dan ook zoo kunnen zingen als gij?
+
+--Wilt gij dan zingen zooals ik?
+
+--O, niet zooals gij, ik weet zeer goed, dat dit onmogelijk is maar
+ik wilde gaarne zingen.
+
+--Gij luistert dus naar mij, wanneer ik zing?
+
+--Ja, het is voor mij een groot genot; een nachtegaal zingt mooi,
+maar ik vind uw stem mooier; en bovendien is dat ook in het geheel
+niet hetzelfde; wanneer gij zingt, dan kunt ge van me maken wat ge
+wilt; ik gevoel dan beurtelings lust tot weenen en lachen en misschien
+zult gij het dwaas van mij vinden, als ik u zeg, dat, wanneer gij een
+lief zacht deuntje zingt, het mij is of ik bij vrouw Barberin ben,
+dan denk ik aan haar en dan zie ik haar in ons huis; en toch begrijp
+ik de woorden niet, die ge spreekt, daar het italiaansch is.
+
+Terwijl ik met hem sprak, zag ik hem aan en het scheen mij toe, dat
+zijn oogen vochtig werden; ik zweeg toen en vroeg of ik hem leed deed.
+
+Neen, mijn kind, zeide hij met bewogen stem, maar gij herinnert mij
+aan mijn eigen jeugd, aan den goeden ouden tijd. Wees gerust, ik zal
+u zingen leeren en daar gij zeer gevoelig zijt, zult gij tranen weten
+op te wekken en zal men u toejuichen; dat zult gij zien.....
+
+Hij zweeg eensklaps en ik meende te begrijpen, dat hij liever niet
+over dit onderwerp wilde voortspreken. Maar welke reden hij daartoe
+had, kon ik niet gissen. Later eerst heb ik die vernomen; heel veel
+later eerst en onder de treurigste omstandigheden, maar die ik wel
+vertellen zal als mijn verhaal zoover is.
+
+Den anderen dag schreef mijn meester muziek voor mij, op dezelfde
+wijze als hij de letters voor mij had gemaakt.
+
+Ditmaal echter was zijn werk veel moeielijker, want de verschillende
+teekens die voor de muziek vereischt worden, zijn wel zoo samengesteld
+als die van het alphabet.
+
+Om mijn zakken niet al te vol te maken, gebruikte hij de blokjes hout
+aan beide kanten en nadat hij aan elke zijde vijf lijnen getrokken had,
+die de notenbalken moesten voorstellen, grifte hij op het eene een f-
+en op het andere een g-sleutel.
+
+Toen hij hiermede gereed was, begonnen zijn lessen en ik moet bekennen,
+dat zij mij niet minder moeielijk vielen dan de vorige.
+
+Meer dan eens begon Vitalis, die zoo geduldig met zijn honden was,
+aan mij te wanhopen.
+
+--Wanneer men een dier leert, dan houdt men zich in, want dan weet
+men dat het een dier is, maar met u is mij dat bijna onmogelijk.
+
+Hij hief dan op de meest aandoenlijke wijze de handen ten hemel en
+liet ze vervolgens met een harden slag op zijn dijen nederkomen.
+
+Joli-Coeur, die alles altijd herhaalde wat hij dwaas vond, had ook deze
+beweging nagebootst, en daar hij altijd bij mijn lessen tegenwoordig
+was, speet het mij geweldig, wanneer ik mij vergiste en hem zijn
+armen weder ten hemel zag heffen.
+
+--Zelfs Joli-Coeur lacht u uit, riep Vitalis.
+
+Als ik gedurfd had, zou ik geantwoord hebben, dat hij zoowel den
+meester als den leerling bespotte, maar uit eerbied en uit vrees
+hield ik gelukkig dit gezegde altijd terug; ik stelde mij tevreden
+met het tegen mezelf te zeggen, wanneer Joli-Coeur met dit gebaar
+begon en een leelijk gezicht daarbij trok, hetgeen mij toch altijd
+eenige verlichting gaf.
+
+Toen de eerste schreden met min of meer moeite gezet waren, had ik
+ook de voldoening een deuntje te kunnen neuriën, dat Vitalis op een
+blad papier geschreven had.
+
+Dien dag bleef hij zijn kalmte behouden en tikte zelfs een paar maal
+vriendschappelijk op mijn wang, terwijl hij er bijvoegde, dat, als
+ik zoo voortging, ik waarschijnlijk een groot zanger worden zou.
+
+Die vorderingen echter, men moet dit wel begrijpen, hadden niet op een
+enkelen dag plaats; weken en maanden verliepen er, dat ik voortdurend
+mijn zakken met blokjes hout moest vullen.
+
+Ook was mijn werk niet zoo geregeld als bij een schoolkind en het was
+slechts in verloren oogenblikken, dat mijn meester mij les geven kon.
+
+Iederen dag hadden wij onze wandeling, die nu eens kort, dan weder
+lang was, al naarmate de dorpen ver van elkander verwijderd lagen;
+overal moesten wij een voorstelling geven, waar wij kans hadden om
+een voldoende ontvangst te bekomen; de honden en Joli-Coeur moesten
+dagelijks hun repetitie houden en wij moesten voor ons ontbijt en
+middagmaal zorgen. Als dat alles was afgeloopen, kon er eerst aan de
+muziekles worden gedacht; meestal had ze plaats bij een halt onder
+een boom of wel op een hoop steenen, terwijl dan het gras of de weg
+gebruikt werd om er mijn blokjes op uit te spreiden.
+
+Deze opvoeding geleek in het minst niet op die, welke andere kinderen
+ontvangen, die niets te doen hebben dan te leeren en zich toch altijd
+beklagen, dat zij geen tijd hebben om hun plicht te doen.
+
+Er is echter iets belangrijker dan de tijd dien men met werken
+doorbrengt: de inspanning, die wij aan dat werk wijden; het is niet
+het uur, dat wij aan onze les geven, om ze in het geheugen te prenten,
+maar de wil, dien men medebrengt, om ze te leeren.
+
+Gelukkig was mijn wilskracht zoo groot, dat ik mij nooit liet afleiden
+door hetgeen om ons voorviel.
+
+Wat zou ik geleerd hebben, zoo ik altijd in een kamer had kunnen
+werken, met mijn handen op mijn ooren en de oogen in de boeken, zooals
+sommige scholieren! Daarvan kwam niets van in bij ons, want wij hadden
+geen kamer, waarin wij ons konden opsluiten en als wij op den grooten
+weg liepen, moest ik wel goed opletten, waar ik mijne voeten zette,
+daar ik anders licht zou zijn gestruikeld.
+
+Ik leerde toch iets en leerde tevens verre tochten maken, wat
+niet minder beteekende dan de lessen van Vitalis. Ik was een mager
+kereltje, toen ik bij vrouw Barberin leefde en de wijze, waarop men
+over mij sprak, duidde dit aan; "een stadskind", had Barberin gezegd,
+"met te korte beenen en armen" had Vitalis er bij gevoegd. Bij mijn
+meester en in de buitenlucht werden mijn armen en beenen krachtiger,
+mijn longen ontwikkelden zich; kortom, ik werd tegen weer en wind
+gehard en was binnen korten tijd in staat om zoowel koude als warmte,
+vermoeienis als ontberingen te verdragen.
+
+En deze leertijd was mijn geluk, want hij stelde mij in staat weerstand
+te bieden aan de slagen, die mij meer dan eens zouden treffen, harde
+en verpletterende beproevingen in mijn jeugd.
+
+
+
+
+VIII.
+
+BERG EN DAL.
+
+
+Wij hebben het zuidelijk gedeelte van Frankrijk doorkruist: Auvergne,
+Velay, Vivarais, Quercy, Rouergue, Cevennes en Languedoc.
+
+Onze manier van reizen behoorde tot de eenvoudigste: wij liepen steeds
+recht toe recht aan; en als wij aan een dorp kwamen, dat ons niet al
+te armoedig scheen, dan maakten wij de noodige toebereidselen tot een
+feestelijken intocht. Ik kleedde de honden aan, maakte het kapsel
+van Dolce in orde en doste Zerbino zoo fraai mogelijk uit, terwijl
+ik op Capi's oog een pleister plakte om hem zijn rol van een ouden
+knorrepot te laten spelen, en eindelijk dwong ik Joli-Coeur om zijn
+generaalsrok aan te trekken. Dat was nog het moeielijkste gedeelte van
+mijn taak, want de aap, die zeer goed wist, dat dit kostuum voorafging
+aan hetgeen hij te verrichten zou hebben, verdedigde zich zoolang
+mogelijk en bedacht de zonderlingste streken om mij het aankleeden
+te beletten. Ik riep dan Capi te hulp en door diens handigheid,
+instinct en slimheid gelukte het mij meestal hem machtig te worden.
+
+Wanneer wij allen in groot tenue waren, haalde Vitalis zijn fluit te
+voorschijn en wij trokken dan in geregelde orde het dorp binnen.
+
+Zoodra het aantal nieuwsgierigen voldoende was, gaven wij eene
+voorstelling, maar wanneer dit niet talrijk genoeg was om een goede
+ontvangst te kunnen verwachten, vervolgden wij onzen weg.
+
+In de steden echter vertoefden wij eenige dagen en 's morgens mocht ik
+dan gaan wandelen, als ik daartoe lust gevoelde. Ik nam Capi dan met
+mij mede--Capi geheel als hond, zonder zijn comediepakje, drentelde
+met mij door de straten.
+
+Vitalis die mij gewoonlijk niet van zich weg liet gaan, stond mij
+echter deze vrijheid gaarne toe.
+
+--Daar het toeval u door Frankrijk voert op een leeftijd, dien andere
+kinderen gewoonlijk op de schoolbanken doorbrengen, moet gij trachten
+alles te zien en te hooren. Wanneer gij u in moeielijkheden bevindt,
+iets ziet dat gij niet begrijpt, of mij het een of ander te vragen
+hebt, kom dan gerust bij mij. Misschien kan ik er u niet altijd een
+antwoord op geven, want ik beweer volstrekt niet, dat ik alles weet,
+maar het is zeer wel mogelijk, dat ik dikwijls aan uwe nieuwsgierigheid
+voldoen kan. Ik ben niet altijd directeur van een troep gedresseerde
+honden geweest en ik heb wel wat anders geleerd, dat mij nu te stade
+komt, om Capi en den heer Joli-Coeur aan het geëerde gezelschap voor
+te stellen.
+
+--Wat dan?
+
+--Dat zal ik u later wel eens vertellen. Voor het oogenblik behoeft
+gij slechts te weten, dat een man met geleerde honden wel eens een
+gansch andere plaats in de wereld kan bekleed hebben. En weet dan
+tevens, dat, al behoort gij thans tot een der laagste standen in de
+maatschappij, gij tot een hoogeren kunt geraken, wanneer gij wilt. Dit
+hangt een weinig van het toeval af, maar veel van u zelf. Wanneer gij
+naar mijn lessen luistert en mijn raad opvolgt, dan zult gij later,
+als gij ouder zijt, met een gevoel van genegenheid en dankbaarheid
+terugdenken aan den armen muzikant, die u zooveel schrik aanjoeg,
+toen hij u van uw pleegmoeder scheidde; ik verbeeld mij, dat onze
+ontmoeting tot uw geluk leiden moet.
+
+Welke kon die stand wezen, waarover mijn meester dikwijls met zekere
+geheimzinnigheid sprak? Deze vraag wekte telkens mijne nieuwsgierigheid
+op en hield mijn geest aanhoudend bezig. Indien hij zulk een hooge
+betrekking in de maatschappij bekleed had, waarom was hij dan tot
+zulk een lage afgedaald? Hij beweerde, dat ik mijzelf tot eene betere
+positie kon opwerken, zoo ik dat wilde; ik, die niets was, niets wist,
+zonder een bloedverwant of iemand om mij te helpen. Waarom was hij
+dan zelf zoo gedaald?
+
+Nadat wij Auvergne verlaten hadden, hadden wij ons naar de golvende
+vlakte van Quercy begeven. Geen land is armer en treuriger dan
+dit. En wat bovendien den indruk, dien de reiziger in deze streek
+ontvangt, nog sterker maakt, is, dat er bijna nergens eenig water te
+bespeuren is. Geen rivier, noch beekje, noch vijver. Hier en daar
+een steenachtige bedding van een stroom, die thans geheel verlaten
+was. Het water was in de diepte verdwenen en had zich verborgen onder
+den grond, om elders op te borrelen en rivieren of fonteinen te vormen.
+
+Midden in deze vlakte, die op het tijdstip, dat wij haar bezochten
+geheel verzengd was door de droogte, ligt het aanzienlijke dorp
+Bastide-Murat; wij brachten daar den nacht door op de vliering van
+een herberg.
+
+--Hier, zeide Vitalis, toen wij 's avonds, vóór we ons naar bed,
+begaven, nog een oogenblik bleven praten, hier is een man geboren
+die duizenden soldaten heeft doen sneuvelen, die zijn loopbaan als
+staljongen begonnen is, en als vorst en koning haar heeft geëindigd;
+hij heette Murat; men heeft een held van hem gemaakt en zijn naam
+aan dit dorp gegeven; ik heb hem gekend en zelfs dikwijls gesproken.
+
+Ondanks mijzelven kon ik eene vraag niet terughouden.
+
+--Toen hij staljongen was?
+
+--Neen, zeide Vitalis lachend, toen hij koning was. Het is voor de
+eerste maal, dat ik te Bastide kom en ik heb hem te Napels, te midden
+zijner hofhouding, gekend.
+
+--Hebt gij een koning gekend?
+
+Ik vermoed, dat de toon waarop ik dit uitriep, zeer dwaas was, want
+mijn meester barstte in lachen uit.
+
+Wij zaten op een bank voor den stal, met onzen rug tegen den muur
+geleund, waarop de warmte van den dag afstraalde. In een boschje
+eschdoorns, in de nabijheid, zongen de nachtegaals. Vóór ons, hoog
+boven de daken, steeg de maan zachtkens ten hemel. Deze avond was
+voor ons des te aangenamer, daar de dag brandend heet was geweest.
+
+--Wilt gij gaan slapen, vroeg Vitalis mij, of wil ik u de geschiedenis
+van koning Murat vertellen?
+
+--O, ja, de geschiedenis van den koning.
+
+Hij verhaalde mij toen diens levensloop en uren lang bleven wij op
+die bank zitten; hij vertelde steeds voort, terwijl ik als aan zijn
+lippen hing en zijn gelaat door het bleeke maanlicht beschenen werd.
+
+Was dat alles mogelijk, niet alleen mogelijk, maar waar!
+
+Tot op dat oogenblik had ik in het minst geen begrip gehad wat de
+geschiedenis eigenlijk was. Wie zou ze mij ooit verteld hebben? Vrouw
+Barberin zeker niet; zij wist het zelve niet. Zij was te Chavanon
+geboren en zij hoopte daar te sterven. Haar gedachten waren nooit
+verder gegaan dan haar oogen. En voor haar oogen lag het heelal
+besloten in het landschap, waar zij de zon zag ondergaan achter den
+berg Hudouze.
+
+Mijn meester had een koning gezien; die koning had tot hem gesproken.
+
+Wat was mijn meester dan toch in zijn jeugd geweest?
+
+En door welke oorzaak was hij op zijn ouden dag geworden wat hij
+thans was?
+
+Men zal mij moeten toegeven, dat dit meer dan voldoende was om een
+kindergeest bezig te houden, zoo vatbaar voor al wat wonderlijk is.
+
+
+
+
+IX.
+
+IK ONTMOET EEN REUS MET ZEVENMIJLS LAARZEN.
+
+
+Toen wij het dorre en onvruchtbare landschap verlaten hadden, daalden
+wij naar het schoone en liefelijke dal van de Dordogne, dat wij bij
+kleine dagreizen doortrokken, want een rijk land bevat welgestelde
+burgers en daar onze voorstellingen zeer talrijk waren, stroomde het
+geld in Capi's bakje.
+
+Een bevallige brug, die in den nevel ons toescheen aan herfstdraden
+te hangen, strekt zich boven een breede rivier uit, welke rustig
+tusschen hare boorden voortkabbelt; het is de brug van Cubzac en de
+rivier is de Dordogne.
+
+Een oude bouwvallige stad met grachten en wallen, met torens en een
+klooster, omheind door ingestorte muren, met boschjes waarin de krekel
+zich onophoudelijk doet hooren--dat is Saint-Emilion.
+
+Maar dat alles staat mij slechts onbestemd voor den geest, terwijl
+een ander schouwspel mij veel meer getroffen heeft, en zulk een diepen
+indruk op mij maakte, dat ik het mij nog levendig herinneren kan.
+
+Wij hadden den nacht in een zeer arm dorp doorgebracht, dat wij den
+anderen morgen reeds bij het aanbreken van den dag verlieten. Geruimen
+tijd hadden wij een zandweg gevolgd, toen wij plotseling, in plaats van
+de wingerden, die den weg omzoomden, een open vlakte voor ons zagen,
+alsof eensklaps, door een tooverstaf, een gordijn was opgetrokken.
+
+Een breede rivier kronkelde zich zachtkens om den heuvel, dien wij
+bestegen, en aan gindsche zijde van die rivier verhieven zich de
+daken en torens van een groote stad, waarvan de grens met den horizon
+samensmolt. Wat een huizen! Wat een schoorsteenen! De een al hooger
+en nauwer dan de ander. Zij stonden daar als pilaren, die een zwarte
+rookkolom deden opstijgen, prijsgegeven aan de luimen van een licht
+koeltje, en boven de stad pakten zij zich tot een donkere wolk samen.
+
+Middenop die rivier en aan de kade lagen een aantal schepen, die als
+boomen van een woud zich verhieven, waarvan tuig en masten, zeilen
+en vlaggen in elkander grepen en zich verwarden, wanneer de wind er
+onder speelde.
+
+Men hoorde een dof gedreun, het geluid van rammelend ijzer en zware
+hamerslagen, terwijl daar bovenuit onafgebroken het ratelen van
+rijtuigen klonk, die men in zijn verbeelding over de kade zag rijden.
+
+--Dat is Bordeaux, sprak Vitalis.
+
+Voor een kind, dat eene opvoeding genoten had als ik, en tot nogtoe
+slechts arme dorpen of kleine steden had gezien, was het alsof het
+plotseling in een tooverwereld verplaatst werd.
+
+Onwillekeurig bleef ik stilstaan en staarde ik strak voor mij uit.
+
+Maar weldra werd mijn blik toch door één punt geboeid: de rivier en
+de schepen, die haar bedekten. Ik had mij nooit eene voorstelling
+daarvan gemaakt en ik begreep er ook niets van.
+
+Schepen in volle zeilen zakten langzaam de rivier af, bevallig
+overhellend naar de eene zijde, terwijl andere vaartuigen de rivier
+opvoeren; ook zag ik er sommigen die onbeweeglijk bleven liggen,
+alsof zij een eiland waren, en nog anderen weder, die om zich zelf
+heendraaiden, zonder dat men bemerken kon, waardoor zij deze wendingen
+maakten; eindelijk waren er ook zonder masten, zelfs zonder zeilen,
+maar die hadden een schoorsteen, waaruit een dwarrelende kolom van
+rook ten hemel steeg; deze bewogen zich met groote snelheid in alle
+richtingen en lieten in het gele water voren van wit schuim achter.
+
+--Het is thans vloed, zeide Vitalis, mij het antwoord gevende,
+zonder dat ik hem de vraag gedaan had; er zijn daaronder schepen,
+die uit volle zee komen en een lange reis achter den rug hebben;
+deze zijn verkleurd en bijna verroest; er zijn anderen die eerst
+de haven verlaten, in het midden der rivier liggen, om zich zelf
+draaien en met behulp van hun ankers steeds den steven bieden aan
+den opkomenden vloed. Die welke zooveel rook geven zijn sleepbooten.
+
+Welke vreemde woorden waren dit voor mij! Welke nieuwe gedachten
+rezen voor mijn geest!
+
+Toen wij de brug bereikt hadden, die Bastide met Bordeaux verbindt,
+had Vitalis den tijd nog niet gehad om mij zelfs maar op een honderdste
+gedeelte van mijn vragen, die ik hem doen wilde, een antwoord te geven.
+
+Tot nogtoe was ons verblijf in dorpen nooit van langen duur geweest,
+want door den aard van onze voorstellingen waren wij wel genoodzaakt
+dagelijks een andere plaats te zoeken, om telkens een nieuw publiek te
+hebben. Wanneer wij de vier of vijf stukken, waaruit ons repertoire
+bestond, gespeeld hadden, dan moesten wij weder van voren afaan
+beginnen.
+
+Maar Bordeaux was eene groote stad, waar wij dikwijls van publiek
+konden verwisselen en gerust drie of vier voorstellingen konden geven,
+zonder dat de toeschouwers ons zouden uitfluiten.
+
+Van Bordeaux zouden wij naar Pau gaan. Ons reisplan voerde ons over
+dat uitgestrekt moeras, dat van de haven van Bordeaux zich tot aan
+de Pyreneën uitstrekt en de Landes heet.
+
+Hoewel ik niet de muis uit de fabel ben, die bij alles wat zij ziet
+verbaasd is of haar verwondering en schrik daarover te kennen geeft,
+kreeg ik toch den eersten dag een schrik, die mijn meester dikwijls
+deed lachen en tot aan Pau mij met zijn spot vervolgen deed.
+
+Het was zeven of acht dagen geleden, sedert wij Bordeaux verlaten
+hadden en nadat wij eerst de oevers van de Garonne gevolgd waren,
+verlieten wij deze en sloegen den weg naar Mont-de-Marsan in, die door
+de vlakte voerde. Geen wingerden of weilanden waren het thans, die ons
+oog bekoorden, maar bosschen van pijnboomen en heidevelden. De huizen
+werden zelfs al spoedig zeldzamer en armer. Daarop bereikten wij een
+onmetelijke vlakte, die zoo ver onze blik reikte, zich zacht-golvend
+voor ons uitstrekte. Geen bouwland, geen bosch, maar een grijsachtige
+bodem in de verte, en langs den weg, bedekt met een zacht mos, dorre
+struiken en door den wind geknakt kreupelhout.
+
+--Hier zijn we in de Landes, zeide Vitalis; wij moeten thans nog
+twintig of vijfentwintig mijlen door deze woestijn afleggen. Gij
+moogt uw beenen dus wel wat moed inspreken.
+
+Niet alleen mijn beenen, maar ook mijn hoofd en hart hadden daaraan
+behoefte; want op dezen weg, die nooit scheen te eindigen, werd men
+door een onbestemd gevoel van weemoed, ja van wanhoop aangegrepen.
+
+Sedert dien tijd heb ik verscheidene zeereizen gemaakt, en als ik mij
+middenop den oceaan bevond, zonder een zeil in het gezicht, maakte
+zich altijd weder diezelfde onbeschrijfelijk zwaarmoedige stemming
+van mij meester, die ik in deze verlaten streek gevoeld had.
+
+Wij liepen steeds voort, zonder dat wij een oogenblik bemerkten, dat
+wij vorderden. Nu en dan werd onze tocht afgewisseld door een klein
+groepje boomen, maar deze gaven aan het landschap geen vroolijker
+karakter. Het waren gewoonlijk pijnboomen, waarvan de takken aan den
+top waren afgesneden. Over den geheelen bast waren diepe insnijdingen
+gemaakt en uit die roode wonden droop het witte gekristalliseerde
+sap. Als de wind bij vlagen door de takken suisde, veroorzaakte hij
+een klagend geluid, alsof de arme gepijnigde boomen zelven over hunne
+wonden treurden.
+
+Vitalis had mij gezegd, dat wij dien avond een dorp zouden bereiken,
+waar wij een nachtverblijf konden vinden.
+
+Maar toen de avond naderde, bespeurden wij niets, dat ons de nabijheid
+van een dorp deed vermoeden: geen bouwland, noch grazend vee, noch
+lichten rook, die uit een huis opsteeg.
+
+Wij hadden een geheelen dag geloopen; ik was doodmoê en een gevoel
+van uitputting had zich van mij meester gemaakt.
+
+Zou dat vurig gewenschte dorp dan nooit op dezen oneindig langen
+weg verschijnen?
+
+Hoe ik ook rondstaarde, ik zag niets anders om mij heen dan de vlakte,
+waarvan het lage kreupelhout al meer en meer verdween in de toenemende
+duisternis.
+
+Het verlangen naar rust had ons den pas doen versnellen en mijn meester
+zelf, niettegenstaande hij gewend was verre tochten te maken, scheen
+vermoeid te zijn. Hij wilde zelf een oogenblik aan den kant van den
+weg gaan rusten.
+
+Maar in plaats dat ik mij naast hem zette, beklom ik een kleinen
+heuvel, die met bremstruiken begroeid was en zich op geringen afstand
+van ons verhief, om te zien of ik niet eenig licht kon ontdekken.
+
+Ik riep Capi om met mij mede te gaan; maar Capi was ook moede en
+hij deed alsof hij niet hoorde, wat zijn gewoonte was tegenover mij,
+als hij geen lust gevoelde om mij te gehoorzamen.
+
+--Zijt gij bang? vroeg Vitalis.
+
+Deze woorden deden mij besluiten om niet langer aan te dringen en
+ik ging alleen op mijn ontdekkingstocht uit: ik wilde me ook niet
+langer den spot van mijn meester laten welgevallen, daar ik in het
+minst geen angst gevoelde.
+
+Het was echter geheel donker geworden; de maan scheen niet, maar
+eenige sterren flikkerden aan het uitspansel en verspreidden een
+flauw schijnsel, waardoor de lichte nevelen zichtbaar waren.
+
+Terwijl ik voortliep en nu eens rechts dan links blikte, bemerkte
+ik, dat deze nevelachtige schemering een zonderlingen vorm aan alle
+dingen gaf; ik moest er goed over nadenken, eer ik het kreupelhout,
+de bremstruiken en vooral de lage boomen kon onderscheiden; zij
+geleken van verre allen op levende wezens, die deel uitmaakten van
+een tooverwereld.
+
+Dat was vreemd en het scheen, dat in de schemering de vlakte eene
+verandering ondergaan had en zij met geheimzinnige wezens bevolkt
+was geworden.
+
+De gedachte kwam in mij op, waarom weet ik zelf niet, dat een ander
+in mijn plaats misschien bang zou geworden zijn; dat was zeer wel
+mogelijk, daar Vitalis mij gevraagd had of ik vrees koesterde; toch
+gevoelde ik voor mezelf in het minst geen vrees.
+
+Naarmate ik hooger klom, werden de struiken ook grooter en het hout
+krachtiger; de toppen der boomen reikten zelfs dikwijls boven mijn
+hoofd en ik was vaak genoodzaakt mij te bukken.
+
+Toch had ik spoedig de kruin bereikt. Maar hoe ik ook om mij heen
+staarde en zocht, ik bespeurde nergens eenig licht. Mijn blik verloor
+zich in de duisternis: slechts onbestemde vormen, zonderlinge
+gedaanten, braamstruiken, die hun takken naar mij schenen uit te
+strekken alsof het lange beweegbare armen waren, soms dansende
+struiken schenen.
+
+Toen ik niets kon ontdekken dat mij de nabijheid van een of ander dorp
+deed vermoeden, luisterde ik met ingehouden adem of soms eenig geluid,
+het loeien van eene koe of het blaffen van een hond, een boerenwoning
+mocht verraden.
+
+Nadat ik geruimen tijd met gespannen aandacht alles had waargenomen,
+voer plotseling eene rilling mij door de leden; de stilte, welke in de
+Landes heerschte, deed mij huiveren, maakte mij angstig. Waarom? Dat
+wist ik zelf niet. Zeker was het mijn eenzaamheid en het nachtelijk
+uur. In ieder geval, ik gevoelde dat ik in gevaar verkeerde.
+
+Op hetzelfde oogenblik, dat ik in den grootsten angst om mij heen
+staarde, bemerkte ik dat een lange gedaante, die boven de struiken
+uitstak, zich snel voortbewoog en tegelijkertijd hoorde ik iets in
+het kreupelhout ritselen.
+
+Ik trachtte mezelf wijs te maken, dat dit het gevolg was van mijn vrees
+en dat hetgeen ik voor een schim hield niets anders dan een boom was,
+die mijn aandacht in het eerst was ontgaan.
+
+Maar wat was dan dat gedruisch?
+
+Het was volkomen windstil. Zelfs de kleinste takken bewegen zich
+niet vanzelf; het moest, zoo niet de wind, dan een mensch zijn,
+die ze heen-en-weer deed gaan.
+
+Een mensch?
+
+Neen, dat groote zwarte lichaam, dat mij naderde, kon geen mensch zijn;
+een dier eerder, een reusachtige nachtvogel, of een groote spinnekop
+op vier pooten, waarvan de tengere ledematen zich boven het hout en
+de struiken verhieven en tegen den bleeken hemel afstaken.
+
+Zeker was het, dat dit dier op ondenkbaar lange pooten meer en meer,
+met groote sprongen zelfs, mij naderde.
+
+Zonder twijfel had het mij gezien en het kwam op mij af.
+
+Deze gedachte deed mij mijn krachten herwinnen en mij omkeerende,
+snelde ik den berg af om mij weder bij Vitalis te voegen.
+
+Maar, zonderling, ik daalde minder snel, dan ik gestegen was; ik
+verwarde mij telkens tusschen het hakhout en wondde mij gedurig aan
+de takken, hetgeen mij noodzaakte bij elke schrede stil te staan.
+
+Terwijl ik mij in een boschje verschool, wierp ik een blik achter mij:
+het dier naderde nog altijd; het kwam op mij af.
+
+Gelukkig was het kreupelhout aanmerkelijk verminderd en kon ik dus
+over het gras harder loopen.
+
+Maar hoe ik mij ook haastte, het dier liep nog sneller, ik behoefde
+niet eens meer om te zien, ik voelde het reeds in mijn rug.
+
+Ik haalde geen adem meer, ik stikte bijna van angst en van het harde
+loopen; ik waagde toch nog eene laatste poging en viel voor de voeten
+van mijn meester neder, terwijl de drie honden, die zich plotseling
+hadden opgericht, begonnen te blaffen.
+
+Ik herhaalde werktuigelijk slechts:
+
+--Het beest! het beest!
+
+Onder het blaffen der honden hoorde ik plotseling een luid gelach. Op
+hetzelfde oogenblik voelde ik de hand van mijn meester op mijn schouder
+rusten en dwong hij mij om mij om te keeren.
+
+--Het beest zijt gij zelf; zie eens om, als ge durft.
+
+Zijn lach meer nog dan zijn woorden, hadden mij weder tot mezelf
+gebracht; ik opende mijn oogen en volgde de richting van zijn hand.
+
+De verschijning, die mij zooveel angst had aangejaagd, was stil
+blijven staan; zij stond onbeweeglijk op den weg.
+
+Toch gevoelde ik nog eenige vrees en schrik, dat moet ik eerlijk
+bekennen, maar ik was niet meer alleen op de vlakte; Vitalis was bij
+mij; de honden stonden naast mij; de stilte en de eenzaamheid hadden
+nu haar invloed op mij verloren.
+
+Ik vatte moed en staarde flink in het rond.
+
+Was het een dier?
+
+Was het een mensch?
+
+Het had een menschelijk lichaam en ook een hoofd en armen.
+
+Het had echter de harige huid van een dier en twee lange, magere
+pooten waarop het stond.
+
+Hoewel het stikdonker was, kon ik die bijzonderheden toch
+onderscheiden, want deze groote gedaante teekende zich zwart af
+gelijk een silhouette tegen den hemel, waar tallooze sterren een
+zacht schijnsel verspreidden.
+
+Waarschijnlijk zou het lang geduurd hebben eer ik mezelf op mijn vraag
+eenig antwoord had kunnen geven, zoo mijn meester niet het woord tot
+de gedaante gericht had.
+
+--Kunt gij mij ook zeggen of wij nog ver van een dorp verwijderd
+zijn? vroeg hij.
+
+Het was dus een mensch, daar men tot hem spreken kon?
+
+Maar tot antwoord hoorde ik niets dan een scherpen lach gelijk aan
+het geschreeuw van een vogel.
+
+Het was dus een dier?
+
+Mijn meester ging echter voort met vragen, hetgeen ik als zeer
+onverstandig van hem beschouwde, want ieder weet, dat al mogen dieren
+somtijds hetgeen men zegt begrijpen, zij toch nooit kunnen antwoorden.
+
+Hoe groot was dus mijne verbazing toen het dier zeide, dat er geen
+enkel huis in onze omgeving was, maar slechts een schaapskooi,
+waarheen hij ons wilde geleiden.
+
+Hij sprak, maar hoe kwam het dan dat hij pooten had?
+
+Indien ik gedurfd had, zou ik hem zijn genaderd, om te zien hoe zijn
+pooten gemaakt waren, en hoewel hij in het geheel niet boosaardig
+scheen, had ik toch daartoe den moed niet, en mijn zak opnemende,
+volgde ik mijn meester zonder iets te zeggen.
+
+--Hebt gij nu gezien, wat u zooveel schrik heeft aangejaagd? vroeg
+hij me onderweg.
+
+--Ja, maar ik weet niet wat het is; zijn er dan reuzen in dit land?
+
+--Ja, wanneer zij op stelten loopen.
+
+Hij vertelde mij toen dat de bewoners van de Landes, om de moerassige
+en zandige streken te doorkruisen zonder tot aan de heupen toe door
+het slijk te baggeren, zich van lange stokken bedienen, die met een
+beugel voorzien zijn en waarop zij hun voeten bevestigen.
+
+--Op deze wijze worden zij voor bange kinderen reuzen met
+zevenmijlslaarzen.
+
+
+
+
+X.
+
+VOOR DEN RECHTER.
+
+
+Van Pau heb ik een zeer aangenamen indruk ontvangen: in deze stad
+waait het bijna nooit.
+
+En daar wij haar in den winter bezochten, over dag op straat waren
+of op openbare pleinen onze voorstellingen gaven, kan men begrijpen,
+dat het verblijf daar voor mij een genot was.
+
+Toch was dit niet de oorzaak, dat wij, in strijd met onze gewoonte,
+zoolang op een zelfde plaats bleven; het was eene andere, zeer
+overwegende reden, namelijk: de overvloedige opbrengst van onze
+voorstellingen.
+
+Wij hadden gedurende den winter steeds een talrijk kinderpubliek
+dat ons repertoire nooit moede scheen te zijn en nooit riep: "Is het
+alweer hetzelfde."
+
+Voor het grootste gedeelte waren het engelsche kinderen: opgeschoten
+knapen met roode wangen en kleine meisjes met groote oogen, die bijna
+even mooi waren als die van Dolce. Bij die gelegenheid leerde ik de
+_Albert's_, de _Huntley's_ en andere lekkernijen kennen, waarmede zij,
+vóór dat ze naar de voorstelling gingen, altijd hun zakken vulden om ze
+dan met milde hand tusschen Joli-Coeur, de honden en mij te verdeelen.
+
+Toen de lente zich door eenige warme dagen aankondigde, werd ons
+publiek minder talrijk en na de voorstelling kwamen de kinderen ons
+bezoeken; zij kwamen nu afscheid van ons nemen, want den anderen dag
+zouden zij vertrekken.
+
+Weldra stonden wij weder geheel alleen op de pleinen en moesten wij
+er ook weder aan gaan denken andere plaatsen op te zoeken.
+
+Op een morgen begaven we ons op weg en weldra hadden wij de stad
+geheel uit het gezicht verloren.
+
+Ons zwervend leven had opnieuw een aanvang genomen en wij volgden
+weder den grooten weg.
+
+Geruimen tijd, hoeveel dagen en weken weet ik niet, liepen wij steeds
+recht toe, recht aan, nu eens een dal doortrekkende, dan weder een
+heuvel beklimmende, terwijl aan onze rechterzijde de blauwe toppen
+der Pyreneën zich verhieven.
+
+Eindelijk bereikten wij op een avond een groote stad, die aan den
+oever van een rivier gelegen was, en door de vruchtbaarste velden was
+omringd; de huizen waren meerendeels zeer leelijk en geheel uit roode
+steen gebouwd; de straten waren belegd met puntige keien, welke erg
+veel pijn deden aan de voeten van reizigers, die reeds een twaalftal
+mijlen per dag hadden afgelegd.
+
+Vitalis zeide mij, dat het Toulouse was en dat wij daar lang zouden
+vertoeven.
+
+Zooals gewoonlijk, was den anderen dag ons eerste werk om te zorgen,
+dat wij een geschikte plaats voor onze voorstellingen hadden.
+
+Wij vonden er verscheidene, want Toulouse heeft een aantal pleinen,
+vooral in de nabijheid van den Dierentuin, en reeds bij onze eerste
+voorstelling hadden wij een talrijk publiek.
+
+Ongelukkig echter keurde een agent van politie onze vertooning zeer
+af en hetzij hij niet van honden hield, of dat wij hem zijn dienst
+er moeielijker maakten, of om welke andere reden ook, hij wilde ons
+deze plaats doen verlaten.
+
+Misschien ware het van ons verstandiger geweest om deze plagerij in
+te willigen, want in een strijd tusschen arme zwervers, zooals wij,
+en een politieagent, staan de partijen niet gelijk; maar mijn meester
+was van een andere meening.
+
+Hoewel hij slechts honden en apen vertoonde, bezat hij toch een zeker
+gevoel van trots, of liever zijn gevoel van recht was sterk bij hem
+ontwikkeld; daarom gaf hij zijn overtuiging te kennen, zooals hij zelf
+verklaarde, dat hij beschermd moest worden, zoolang hij niets deed,
+wat met de wet of met eenige politieverordening in strijd was.
+
+Hij weigerde dus om aan den agent te gehoorzamen, toen deze ons van
+het plein wilde wegjagen.
+
+Als mijn meester zich niet door zijn drift wilde laten beheerschen
+of wel lust gevoelde om eene zaak in een bespottelijk daglicht
+te stellen--hetgeen hem dikwijls overkwam--, dan overdreef hij de
+italiaansche beleefdheid in de hoogste mate en ook thans zou men
+bijna meenen, als men hem hoorde spreken, dat hij het woord tot een
+der aanzienlijkste overheidspersonen richtte.
+
+--Vertegenwoordiger der overheid, zeide hij, terwijl hij met zijn hoed
+in de hand den agent antwoordde, kunt gij mij een verordening toonen,
+welke van die overheid is uitgegaan en waarbij het aan toneelspelers,
+zooals wij, verboden is, hun weinig winstgevende zaak op publieke
+plaatsen te drijven?
+
+De agent gaf hierop ten antwoord, dat hier niet te twisten, maar te
+gehoorzamen viel.
+
+--Zonder twijfel, sprak Vitalis, en dat begrijp ik ook zeer goed;
+ik beloof u ook mij geheel volgens uw bevelen te gedragen, zoodra
+gij mij de voorschriften daaromtrent hebt getoond.
+
+Dien dag keerde de agent ons den rug toe, terwijl mijn meester,
+met zijn hoed in de hand, den arm in de zijde en in eenigszins
+voorovergebogen houding hem lachend een eind vergezelde.
+
+Maar den anderen morgen kwam hij terug, stapte hij zelfs over het
+touw heen, waarmede ons terrein was afgesloten en stoorde hij ons
+midden in onze voorstelling.
+
+--Gij moet uw honden muilbanden, zeide hij op barschen toon tot
+Vitalis.
+
+--Mijn honden muilbanden?
+
+--Er bestaat eene politieverordening; dat moest gij weten. Deze
+stoornis deed onder de toeschouwers een gemompel van afkeuring ontstaan
+en zij riepen:
+
+--Stoor hem niet!
+
+--Laat eerst de voorstelling eindigen!
+
+Maar met een enkele beweging van de hand beval Vitalis stilte.
+
+Hij zette daarop zijn hoed, die met pluimen versierd was, af, en boog
+zeer onderdanig voor het publiek, naderde den agent met drie diepe
+buigingen en zeide toen:
+
+--Vertegenwoordiger der overheid, hebt gij gezegd, dat ik mijn
+komedianten moet muilbanden?
+
+--Ja, uw honden en zoo spoedig mogelijk.
+
+--Muilbanden Capi, Zerbino en Dolce! riep Vitalis, meer tot het
+publiek dan tot den agent, maar u kunt dat niet meenen! Hoe zou de
+geleerde dokter Capi, die wereldberoemd is, zijn geneesmiddelen kunnen
+voorschrijven om den knikker uit de maag van den heer Joli-Coeur
+te verwijderen, wanneer de heer Capi een muilband voor zijn neus
+droeg? Het zou nog gaan, wanneer het een ander toestel ware, dat
+meer in overeenstemming was met zijn vak, maar dat volstrekt niet
+voor een menschenneus geplaatst wordt.
+
+Deze woorden wekten zeer den lachlust van het publiek op.
+
+Vitalis, aangemoedigd door deze toejuichingen, vervolgde:
+
+--En hoe zou onze bekoorlijke Dolce, onze ziekenoppasseres, aan hare
+welsprekendheid kunnen voldoen, en op hare bevallige wijze onzen zieke
+kunnen overreden, zijn ingewanden te laten schoonmaken, indien zij
+aan de punt van haar neus het toestel droeg, dat de vertegenwoordiger
+der overheid haar wil geven? Ik vraag het geëerde publiek om dit
+te beslissen?
+
+Het geëerde publiek, welks hulp aldus werd ingeroepen, gaf niet
+terstond antwoord, maar het lachen was reeds voldoende; men gaf
+Vitalis gelijk en bespotte den agent, en vooral schepte men behagen
+in de dwaze gezichten, die Joli-Coeur trok, achter den rug van den
+vertegenwoordiger der overheid.
+
+Geërgerd door de woorden van Vitalis, wanhopend over het lachen van
+het publiek, keerde de agent, die niet tot de geduldigste menschen
+scheen te behooren, zich plotseling om.
+
+Maar hij ontdekte toen den aap, die met zijn hand in de zijde als
+een kampvechter stond; eenige seconden lang bleven de man en het dier
+tegenover elkander staan en zagen zij elkaar strak aan, in afwachting,
+wie van beiden het eerst den blik zou nederslaan.
+
+Het uitbundig gelach maakte een einde aan dit tooneel.
+
+--Als uw honden niet gemuilband zijn, riep de agent, terwijl hij ons
+met de vuist dreigde, dan maak ik proces-verbaal op; meer zeg ik niet.
+
+--Tot morgen, signor, tot morgen, zeide Vitalis.
+
+En terwijl de agent zich met groote schreden verwijderde, bleef Vitalis
+als in tweeën gevouwen, zoo eerbiedig mogelijk staan; daarop werd de
+voorstelling vervolgd.
+
+Ik dacht dat mijn meester de muilbanden voor zijn honden zou gaan
+koopen; maar hij deed het dien avond niet en sprak zelfs in het geheel
+niet over zijn twist met den agent.
+
+Ik verstoutte mij toen om zelf dat onderwerp ter sprake te brengen.
+
+--Als u wilt, dat Capi morgen gedurende de voorstelling zijn
+muilband niet stuk zal maken, dan moogt gij hem van te voren wel eens
+passen. Hij zal er dan misschien aan gewend zijn.
+
+--Meent ge dan, dat ik ze zoo'n ijzeren masker zal opzetten?
+
+--Mij dunkt, dat die agent zeer veel lust heeft om u in moeielijkheden
+te brengen.
+
+--Gij zijt maar een boerenknaap, en evenals alle boeren zijt ge bang
+voor de politie en de gendarmes. Maar stel u gerust; ik zal morgen
+wel zorg dragen, dat hij geen proces-verbaal kan opmaken en tevens
+er voor waken, dat mijn leerlingen zich niet al te ongelukkig gevoelen.
+
+Van den anderen kant zal ik ook trachten het publiek eenig genoegen
+te verschaffen. Die agent moet ons een goede ontvangst bezorgen en
+een dwaze rol spelen in het stuk, dat ik gereedmaak; dat zal nog
+eenige afwisseling in ons repertoire brengen en ons zelven eenig
+voordeel kunnen geven. Daarom gaat gij morgen alleen naar het terrein
+met Joli-Coeur; gij moet de koorden spannen en een stukje op de harp
+spelen; wanneer gij u omringd ziet van een groot publiek en de agent er
+is, dan zal ik met mijn honden komen. Dan eerst neemt de voorstelling
+een aanvang.
+
+Ik vond het niets prettig om alleen deze toebereidselen voor de
+voorstelling te gaan maken; maar ik begon mijn meester reeds een
+weinig te leeren kennen en wist in welke gevallen ik hem weerstand
+kon bieden. Het was meer dan waarschijnlijk dat, in de gegeven
+omstandigheden, er voor mij weinig kans bestond om hem zijn plan te
+doen opgeven; ik besloot dus hem te gehoorzamen.
+
+Den anderen dag begaf ik mij naar het plein en spande daar het
+touw. Nauwelijks had ik eenige akkoorden aangeslagen of van alle
+kanten snelde men toe.
+
+In den laatsten tijd, vooral gedurende ons verblijf te Pau, had
+mijn meester mij dikwijls op de harp laten spelen en ik kende thans
+eenige stukjes van buiten. Vooral had ik een napolitaansch lied,
+dat ik met zang begeleidde en dat mij den algemeenen bijval van het
+publiek deed verwerven.
+
+Ik was in zeker opzicht reeds een kunstenaar in mijn hart, want ik
+geloofde, dat als onze troep veel succes had, dit ook aan mijn talent
+moest worden toegeschreven; toch was ik dien morgen verstandig genoeg
+om de talrijke opkomst van het publiek niet met mijn lied in verband
+te brengen.
+
+Zij, die den vorigen avond bij den twist tusschen den agent en mijn
+meester tegenwoordig waren geweest, kwamen thans terug en hadden zelfs
+hun vrienden medegebracht. De agenten van politie waren bij de inwoners
+van Toulouse, evenals in de meeste andere steden, niet gezien en men
+was nieuwsgierig hoe de oude Italiaan, zich van deze zaak zou afmaken
+en met zijn vijand zou omspringen. Hoewel Vitalis niets anders gezegd
+had, dan: "tot morgen, signor," had toch iedereen begrepen, dat die
+woorden de aankondiging waren van eene groote voorstelling, waarbij men
+in de gelegenheid zou worden gesteld ten koste van anderen te lachen.
+
+Vandaar de talrijke opkomst van het publiek.
+
+Toen zij mij dus alleen met Joli-Coeur zagen, stoorde men mij bij
+herhaling in mijn spel, om mij te vragen waar de "Italiaan" bleef.
+
+--Hij komt zoo straks.
+
+En ik vervolgde mijn _canzonetta_.
+
+Niet mijn meester, maar de agent van politie kwam. Joli-Coeur zag
+hem het eerst en zette terstond de hand weer in de zijde, en, terwijl
+hij het hoofd in den nek wierp, liep hij statig ons terrein op en neer.
+
+Het publiek barstte los in een schaterlach en juichte hem van alle
+kanten toe.
+
+De agent raakte eenigszins van zijn stuk en wierp mij een woedenden
+blik toe.
+
+Dit wekte nog meer den lachlust van het publiek op.
+
+Ik zelf gevoelde lust om hem te bespotten, maar toch was ik niets op
+mijn gemak. Wat zou hiervan het gevolg wezen? Als Vitalis er nu maar
+was, dan zou hij den agent ten minste te woord kunnen staan. Maar ik
+was geheel alleen en ik moet eerlijk bekennen, dat ik niet weten zou,
+wat ik den agent antwoorden moest, wanneer hij mij aansprak.
+
+Het voorkomen van den agent stelde mij volstrekt niet gerust; hij
+zag er kwaad uit en het scheen dat hij zeer driftig was.
+
+Hij liep langs het touw heen en weer en zoo vaak hij dicht bij
+mij kwam, zag hij mij aan met een paar oogen, die niet veel goeds
+voorspelden.
+
+Joli-Coeur, die volstrekt het ernstige van dezen toestand niet inzag,
+schepte behagen in de houding van den agent en bootste hem getrouw
+in alles na.
+
+Ik wilde de wanhoop van den agent niet tot het uiterste drijven en
+riep Joli-Coeur bij mij, maar deze wilde niet gehoorzamen en ontsnapte
+mij telkens, wanneer ik op het punt was hem machtig te worden.
+
+Ik weet niet hoe het kwam, maar de agent, wiens drift hem scheen te
+verblinden, dacht juist, dat ik den aap aanhitste en stapte over het
+touw heen.
+
+In twee sprongen stond hij voor mij en ik werd bijna omver geworpen
+door een geduchten oorveeg.
+
+Toen ik weder opstond en mijn oogen opende, stond Vitalis tusschen
+mij en den agent, dien hij bij zijn kraag vasthield.
+
+--Ik verbied u dit kind te slaan, zeide hij; wat gij gedaan hebt is
+een laagheid.
+
+De agent wilde zijn hand losmaken, maar Vitalis drukte deze in
+de zijne.
+
+Gedurende eenige minuten zagen de beide mannen elkander strak aan.
+
+De agent was buiten zich zelven van woede.
+
+Mijn meester had een schoon, voornaam voorkomen, zijn indrukwekkend
+grijs hoofd hield hij steeds recht opgeheven en op zijn gelaat stond
+de hoogste verontwaardiging te lezen.
+
+Het was mij alsof hij den agent met zijn blik in den grond wilde
+boren, maar dat gebeurde niet; eensklaps rukte deze zijn hand los,
+greep mijn meester bij den kraag en wierp hem op zijde.
+
+Vitalis viel bijna op den grond, met zooveel kracht stootte de
+agent hem van zich af; maar hij bleef nog juist staan en gaf met de
+rechterhand zijn vijand een geduchten slag.
+
+Mijn meester was wel is waar een krachtig gebouwd man, maar hij was
+een grijsaard; de agent een jeugdig man, in den bloei des levens en
+de strijd tusschen hen kon dus niet van langen duur zijn.
+
+Maar er was geen strijd.
+
+--Wat wilt gij? vroeg Vitalis.
+
+--Ik neem u in hechtenis; volg mij naar het bureau.
+
+--Waarom hebt gij dit kind geslagen?
+
+--Geen praatjes, volg mij.
+
+Vitalis gaf geen antwoord, maar wendde zich tot mij.
+
+--Keer naar de herberg terug, blijf daar met de honden, ik zal u wel
+nader bericht zenden.
+
+Hij kon niets meer zeggen; de agent trok hem mede.
+
+Zoo eindigde op een zeer treurige wijze de voorstelling, welke mijn
+meester aardig had willen maken.
+
+De honden wilden eerst hun baas volgen, maar toen ik hun beval bij mij
+te blijven, kwamen zij, gewoon om te gehoorzamen, terug. Ik zag toen,
+dat zij gemuilband waren, maar in plaats dat hun neus in een ijzeren
+toestel of een netwerk besloten was, droegen zij slechts een zijden
+lapje, dat met een lint om hun snoet gebonden was. Capi, die wit was,
+had een rooden doek; Zerbino, zwart van haar, een witten; de grijze
+Dolce was met een blauwen lap getooid. Het waren muilbanden die voor
+het tooneel waren bestemd en ongetwijfeld had Vitalis de honden zoo
+uitgedost, om den agent een poets te spelen.
+
+Het publiek was terstond uiteen gegaan; eenige toeschouwers waren
+nog blijven staan om het gebeurde met elkaar te bepraten.
+
+--De oude had gelijk.
+
+--Hij had ongelijk.
+
+--Waarom heeft de agent het kind geslagen, dat hem niets gezegd noch
+gedaan had?
+
+--Het is een leelijk geval; de oude zal er niet zonder gevangenisstraf
+afkomen, als de agent hem van oproerige bedoelingen beschuldigt.
+
+Ik keerde zeer bedroefd en in de grootste onrust naar de herberg terug.
+
+Vitalis boezemde mij geen vrees meer in, en eerlijk gezegd had dat
+gevoel ook maar zeer kort bij mij geduurd. Al spoedig had ik mij aan
+hem gehecht en mijne genegenheid voor hem was met den dag sterker
+geworden. Wij leidden hetzelfde leven, waren van den morgen tot den
+avond samen en dikwijls deelden wij denzelfden stroozak. Een vader zou
+niet beter voor zijn kind hebben kunnen zorgen dan hij voor mij. Hij
+had mij lezen, zingen, schrijven en rekenen geleerd. Op onze lange
+wandelingen had hij mij onderweg altijd iets geleerd, wat betrekking
+had op hetgeen wij zagen of ondervonden. Bij koud weder had hij zijn
+dek met mij gedeeld; wanneer het zeer warm was, had hij mij altijd
+geholpen in het dragen van de vele dingen, waarmede ik beladen was. Van
+het eten gaf hij mij nooit het slechtste en zich zelven het beste. Nu
+en dan trok hij mij wel eens bij mijn ooren en gaf hij mij soms een
+schop, die wat harder aankwam, dan die een vader zou gegeven hebben;
+maar al die kleine bestraffingen deden mij toch nooit zijn zorgen
+vergeten, noch zijn goede woorden of bewijzen van genegenheid een
+oogenblik minder waardeeren. Hij hield van mij en ik van hem.
+
+Deze scheiding deed mij dus innig leed.
+
+Wanneer zouden wij elkander weerzien?
+
+Ik had over de gevangenis hooren spreken. Hoelang zou die straf
+kunnen duren?
+
+Wat zou ik in dien tijd doen? Hoe en waarvan zou ik moeten leven?
+
+Mijn meester droeg steeds al zijn geld bij zich en vóór dat hij zich
+door den agent had laten medevoeren, had hij geen tijd gehad mij geld
+te geven.
+
+Ik had slechts eenige centen in mijn zak; zouden die voldoende wezen
+om Joli-Coeur, de honden en mij te voeden?
+
+Twee dagen brachten wij in den grootsten angst door, zonder dat ik
+de herberg durfde verlaten, en mij aanhoudend met Joli-Coeur en de
+honden bezighield, die eveneens in de grootste onrust verkeerden.
+
+Eindelijk, den derden dag, bracht een man mij een brief van Vitalis.
+
+In dien brief deelde mijn meester mij mede, dat men hem gevangen
+hield om den volgenden Zaterdag voor de correctioneele rechtbank te
+verschijnen, beschuldigd van weerspannigheid tegen een ambtenaar der
+openbare macht en feitelijk verzet tegen dezen gepleegd.
+
+"Ik heb zeer verkeerd gedaan, dat ik mij heb laten medesleepen door
+mijn drift," voegde hij er bij, "een fout, die mij duur te staan kan
+komen. Maar het is te laat om deze te herstellen. Kom op de zitting;
+gij kunt er altijd wat leeren."
+
+Hij gaf mij toen nog eenigen raad, hoe ik mij te gedragen had en
+eindigde zijn brief met een hartelijk woord, terwijl hij mij verzocht
+Capi, Joli-Coeur, Dolce en Zerbino eens voor hem te liefkoozen.
+
+Terwijl ik dezen brief las, was Capi naderbij gekomen en hield zijn
+blik op het papier gevestigd; aan zijn kwispelstaarten en zijn snuiven
+bemerkte ik, dat hij, door den reuk, wist dat dit papier van zijn
+meester kwam; sedert drie dagen was dit het eerste teeken van leven
+en vroolijkheid, dat hij gaf.
+
+Ik vroeg eenige inlichtingen en vernam dat de zitting om tien uur 's
+morgens begon. Tegen negen uur stond ik dien Zaterdagochtend reeds
+tegen den post van de deur geleund en ik was de eerste, die het
+lokaal binnentrad. Langzamerhand vulde zich de zaal en ik herkende
+vele personen, die bij de voorstelling tegenwoordig geweest waren.
+
+Ik wist niet wat een rechtbank was, maar uit instinct boezemde zij mij
+vrees in; het kwam mij voor, dat, al betrof het hier mijn meester,
+ik zelf toch ook in gevaar verkeerde; ik verschool mij achter een
+groote kachel en, terwijl ik mij tegen den muur drukte, maakte ik
+mij hoe langer hoe kleiner.
+
+Mijn meester stond niet het eerst terecht; hem vooraf gingen dieven,
+twistzoekers, die allen zich voor onschuldig verklaarden, doch allen
+veroordeeld werden.
+
+Eindelijk kwam Vitalis op de bank zitten, tusschen twee gendarmen in.
+
+Wat er in het begin gesproken werd, wat men hem vroeg en wat hij
+antwoordde, daar hoorde ik allemaal niets van; ik was te aangedaan
+om dat te hooren of liever om het te begrijpen. Ik dacht er dan ook
+niet aan om te luisteren; ik staarde slechts voor mij.
+
+Ik keek naar mijn meester, die recht overeind stond met zijn grijze
+haren naar achteren geworpen, in de houding van een man die beschaamd
+en vernederd was; ik zag naar den rechter, die hem ondervroeg.
+
+--Alzoo, zeide deze, erkent gij dat ge slagen hebt toegebracht aan
+den agent die u in hechtenis heeft genomen?
+
+--Geen slagen, mijnheer de rechter, maar een slag; toen ik op de
+plaats kwam, waar onze voorstelling zou plaats hebben, zag ik den
+agent het kind, dat mij vergezelde, een oorveeg geven.
+
+--Dat is uw kind niet?
+
+--Neen, mijnheer de rechter, maar ik ken hem, alsof het mijn eigen
+zoon is. Toen ik hem een klap zag geven, liet ik mij door mijn drift
+medesleepen. Ik vatte de hand van den agent om hem te verhinderen,
+het kind een tweeden slag toe te brengen.
+
+--Hebt gij zelf ook den agent geslagen?
+
+--Dat is te zeggen, toen deze mij bij mijn kraag vatte, vergat ik,
+wie de man was, die mij aangreep; ik zag in hem slechts den aanvaller
+en niet den agent en ik kon mezelf niet beheerschen.
+
+--Op uw leeftijd moet men zich zelf weten meester te blijven.
+
+--Men _moest_ zich zelf beheerschen; maar men doet helaas! niet altijd
+wat men moet; dat voel ik thans ook.
+
+--Wij zullen nu den agent hooren.
+
+Deze vertelde de feiten zooals zij gebeurd waren, maar trachtte meer
+de aandacht te laten vallen op den spot, dien men met zijn persoon
+gedreven had, dan dat hij van den slag sprak, dien hij ontvangen had.
+
+Bij deze verklaring zag Vitalis, in plaats van aandachtig te luisteren,
+de zaal rond. Ik begreep, dat hij mij zocht. Ik besloot toen mijn
+schuilplaats te verlaten en terwijl ik tusschen de menigte doorschoof,
+gelukte het mij eene plaats vooraan te krijgen.
+
+Hij ontdekte mij en op zijn zwaarmoedig gelaat kwam een blijde trek te
+voorschijn; ik gevoelde, dat hij gelukkig was mij te zien en ondanks
+mezelf, vulden mijn oogen zich met tranen.
+
+--Is dat al wat gij tot uw verdediging hebt in te brengen? vroeg de
+rechter eindelijk.
+
+--Ik voor mij heb er niets bij te voegen, maar voor het kind,
+waarvan ik houd en dat nu alleen overblijft, voor hem roep ik de
+toegevendheid der rechters in en smeek hen ons zoo kort mogelijk van
+elkander te scheiden.
+
+Ik dacht dat men mijn meester in vrijheid zou stellen. Maar daar
+gebeurde niets van.
+
+Een andere rechter sprak nog eenige minuten, daarop zeide de president
+met een ernstige stem, dat Vitalis veroordeeld was tot twee maanden
+gevangenisstraf en een boete van vijftig gulden.
+
+Twee maanden gevangenisstraf!
+
+Door mijn tranen heen zag ik Vitalis door dezelfde deur, waardoor hij
+was binnengetreden, de zaal verlaten; een gendarme volgde hem en de
+deur werd weder gesloten.
+
+Twee maanden zouden wij van elkander gescheiden zijn. Waar moest
+ik heen?
+
+
+
+
+XI.
+
+OP HET SCHIP.
+
+
+Toen ik met een bezwaard hart en betraande oogen in de herberg
+terugkeerde, zag de waard, die in de gang stond, mij strak aan.
+
+Ik wilde haastig doorloopen om naar de honden te gaan, toen hij
+mij tegenhield.
+
+--En wat zeide uw meester? vroeg hij mij.
+
+--Hij is veroordeeld.
+
+--Tot hoelang?
+
+--Tot twee maanden gevangenisstraf.
+
+--En tot hoeveel boete?
+
+--Tot vijftig gulden.
+
+--Twee maanden, vijftig gulden, herhaalde hij drie of vier keer. Ik
+wilde doorgaan; opnieuw hield hij mij terug.
+
+--En wat wilt gij gedurende die twee maanden uitvoeren?
+
+--Ik weet het niet, mijnheer.
+
+--Wat, weet ge dat niet? Ge hebt toch zeker geld genoeg om van te
+leven en voedsel aan uw dieren te geven, denk ik?
+
+--Neen mijnheer.
+
+--Rekent gij er dan op, dat ik u al dien tijd huisvesting zal geven?
+
+--O neen, mijnheer, ik reken op niets.
+
+Ik sprak de zuivere waarheid; ik rekende op niemand.
+
+--Welnu, kereltje, vervolgde de herbergier, daar hebt gij gelijk in;
+uw meester is mij reeds een aanzienlijke som schuldig; ik kan u twee
+maanden lang geen krediet geven, zonder te weten of ik op stuk van
+zaken betaald zal worden. Gij moet hier dus vandaan.
+
+--Hier vandaan--maar waar moet ik dan heen, mijnheer?
+
+--Dat is mijn zaak niet; ik ben uw vader niet, nog minder uw
+meester. Waarom zou ik voor u zorgen?
+
+Ik bleef een oogenblik verstomd staan. Wat zou ik hem antwoorden? De
+man had gelijk: waarom zou hij mij bij zich nemen? ik zou hem slechts
+tot last wezen.
+
+--Vooruit, jongetje, haal uw honden en aap, zoo gauw mogelijk. Gij
+laat de reistasch van uw meester bij mij, dat spreekt vanzelf, en
+als hij uit de gevangenis komt, zal hij haar stellig ophalen en dan
+kunnen wij tevens onze rekening vereffenen.
+
+Deze woorden brachten mij op een denkbeeld; ik meende een middel
+gevonden te hebben om in deze herberg te blijven.
+
+--Daar gij er zeker van zijt, dat alles u dan betaald zal worden,
+houd mij dan zoolang bij u en gij kunt dan mijne uitgaven bij die
+van mijn meester optellen.
+
+--Gelooft gij dat, ventje? Uw meester zal mij wel voor eenige dagen,
+maar niet voor twee maanden kunnen betalen.
+
+--Ik zal heel weinig eten, indien ge dat toestaat.
+
+--En uw dieren dan? Neen, gij ziet wel, dat gij vertrekken moet! Gij
+vindt in het een of ander dorp wel voldoende werk, waarmede gij den
+kost kunt verdienen.
+
+--Maar mijnheer, waar moet mijn meester mij dan zoeken, wanneer hij
+uit de gevangenis komt? Hij zal mij ongetwijfeld hier komen halen.
+
+--Gij kunt dien dag dan terugkomen. Gij kunt van hier uit een tocht
+maken van twee maanden en de badplaatsen bezoeken, waar gij stellig
+veel geld zult verdienen.
+
+--En als mijn meester mij schrijft?
+
+--Ik zal al zijn brieven bewaren.
+
+--Maar dan kan ik hem niet antwoorden.
+
+--Och, je verveelt mij met al die vragen. Ik heb je gezegd, dat je
+vertrekken moet en wel zoo spoedig mogelijk; ik geef je vijf minuten
+om je gereed te maken; en zoo ik je hier nog vind, als ik terugkom,
+krijg je met mij te doen.
+
+Ik gevoelde wel dat langer bij hem aan te houden, mij niets zou
+baten. Zooals de waard zeide, moest ik "hier vandaan." Ik begaf
+mij naar den stal, en toen ik de honden en Joli-Coeur bij elkander
+geroepen had, na mijn tasch gesloten en die met mijn harp over mijn
+schouder gehangen te hebben, verliet ik de herberg.
+
+De waard stond op den drempel mij op te wachten.--Als er een brief
+komt, riep hij mij nog na, zal ik hem voor je bewaren.
+
+Ik haastte mij om de stad te verlaten, want mijn honden hadden geen
+muilbanden voor. Wat zou ik antwoorden als mij een agent van politie
+tegenkwam? Dat ik geen geld had om muilbanden te betalen? Dat was
+de waarheid; want als ik al mijn geld optelde, kon ik niet meer bij
+elkander krijgen dan elf stuivers. En dat was niet genoeg voor zulk
+een toestel. Zou hij mij dan ook niet in hechtenis nemen? Als mijn
+meester en ik beiden in de gevangenis waren, wat zou er dan van de
+honden en van Joli-Coeur worden! Ik, die geheel alleen op de wereld
+stond, die vader noch moeder bezat, was op dit oogenblik directeur
+van een tooneelgezelschap en hoofd van een gezin en ik gevoelde dus
+de groote verantwoordelijkheid, die op mij rustte.
+
+Terwijl wij haastig voortliepen, hieven de honden telkens hun kopjes
+op en zagen mij met een smeekenden blik aan, alsof zij zeggen wilden:
+wij hebben honger.
+
+Joli-Coeur, die op mijn reiszak zat, trok mij van tijd tot tijd aan
+mijn oor, om mij te dwingen naar hem om te zien. Hij wreef dan over
+zijn maag, hetgeen niet minder duidelijk zijn bedoeling te kennen
+gaf dan de blik der honden.
+
+Ik had hun ook wel kunnen vertellen, dat ik honger had, want ik had
+evenmin als zij ontbeten, maar wat zou dat geholpen hebben?
+
+Mijn elf stuivers konden ons geen ontbijt en een middagmaal
+verschaffen; wij moesten ons dus met één maal tevreden stellen, dat
+wij middenop den dag zouden gebruiken en dat voor twee gelden moest.
+
+Daar de herberg, die wij verlaten hadden, op den weg naar Monpellier
+gelegen was, volgden wij natuurlijk die richting.
+
+In mijn haast om een stad te verlaten, waarin wij gevaar liepen een
+agent van politie te ontmoeten, had ik mezelf geen rekenschap gegeven,
+waarheen de weg leidde; ik wilde niets liever dan mij zoo ver mogelijk
+van Toulouse verwijderen; al het overige was mij onverschillig. Naar
+welk land ik heenging, boezemde mij weinig belang in; overal waar
+ik at en sliep, zou men geld van mij eischen; de vraag waar ik een
+onderkomen zou vinden, was voor mij ook wel van het minste gewicht:
+het was in het hartje van den zomer en wij konden dus wel onder den
+blooten hemel slapen.
+
+Maar eten?
+
+Ik geloof, dat ik wel twee uur lang, zonder ophouden, voortliep,
+niettegenstaande de honden mij telkens smeekend aanzagen en Joli-Coeur
+mij aan het oor trok en hoe langer hoe harder zijn maag wreef.
+
+Eindelijk achtte ik me ver genoeg van Toulouse verwijderd om niet
+bevreesd te zijn, dat ik mijn honden zou moeten muilbanden en ik trad
+den eersten den besten bakkerswinkel binnen. Ik vroeg om een brood
+van anderhalf pond.
+
+--Gij moogt er wel een van twee pond nemen, zeide de bakkersvrouw;
+daar zult gij met uw menagerie niet eens te veel aan hebben, want
+die arme dieren moogt ge wel goed voeden.
+
+De vrouw had gelijk, want al nam ik een brood van twee pond, dan
+zouden we elk nog maar een half pond krijgen, maar helaas, dat was
+mij te duur. Het brood kostte vijf stuivers het pond en als ik er
+twee nam, dan zou mij dat tien stuivers kosten, zoodat ik van mijn
+elf stuivers nog slechts een stuiver zou overhouden.
+
+Ik durfde niet tot zulk een groote uitgave overgaan, zonder dat ik
+wist, wat ik den anderen dag verdienen kon. Ik zou, wanneer ik nu
+slechts anderhalf pond kocht, morgen altijd nog genoeg overhebben om
+niet van honger om te komen en naar eene gelegenheid om wat geld te
+verdienen uit te zien.
+
+Spoedig had ik deze berekening gemaakt en ik zeide op geruststellenden
+toon tot de bakkersvrouw, dat anderhalf pond wel genoeg was en zij
+niet meer moest afwegen.
+
+--Goed, goed, gaf zij ten antwoord.
+
+En zij sneed mij van een groot brood, dat wij gemakkelijk geheel
+hadden kunnen opeten, de hoeveelheid af en legde die op de weegschaal
+waartegen zij even duwde.
+
+--Dat is wat te veel, zeide zij, nu, dat zullen we dan voor die twee
+centen rekenen.
+
+En zij liet de acht stuivers in haar laadje glijden.
+
+Ik heb wel eens gezien, dat menschen de centen, die zij ontvingen,
+teruggaven met de woorden, dat zij niet wisten, wat daarmede te doen;
+ik zou zeker die, welke mij toekwamen, niet hebben afgestaan: toch
+durfde ik ze niet terugeischen en verliet ik zonder een woord te
+zeggen den winkel met mijn brood onder den arm.
+
+De honden waren uitgelaten van vreugde en deden niets dan tegen mij
+opspringen, terwijl Joli-Coeur mij onophoudelijk aan de haren trok.
+
+Wij liepen nu niet ver meer.
+
+Bij den eersten boom aan den weg, legde ik mijn harp en tasch op den
+grond en strekte ik mij op het gras uit; de honden gingen over mij
+zitten, Capi in het midden en aan weerskanten van haar Zerbino en
+Dolce; wat Joli-Coeur betrof, hij bleef staan, daar hij niet vermoeid
+was, om de stukjes brood op een onverwacht oogenblik weg te nemen.
+
+Het verdeelen van het brood was nog een zeer moeielijke zaak; ik
+maakte vijf zoo gelijk mogelijke deelen, en opdat er geen kruimeltje
+verloren zou gaan, sneed ik die weder in kleine stukjes; ieder kreeg
+dus op zijn beurt een snede.
+
+Joli-Coeur, die minder voedsel noodig had dan wij, had nog de beste
+partij, want hij had geen trek meer, toen wij nog uitgehongerd
+waren. Ik nam van zijn deel drie stukjes, die ik in mijn reistasch
+opborg om ze voor de honden te bewaren.
+
+Hoewel dit geen feestmaal was, waarbij toosten geslagen moesten worden,
+meende ik toch dat het een geschikt oogenblik was om een enkel woord
+tot mijn makkers te spreken. Ik beschouwde mij zelf natuurlijk als
+het hoofd, maar ik geloofde me toch niet genoeg boven hen verheven
+om hen geen deelgenoot te maken van de ernstige omstandigheden,
+waarin wij ons bevonden.
+
+Capi had stellig mijne bedoelingen gevat, want zijn verstandige oogen
+hield hij strak op mij gericht.
+
+--Ja vrienden, ik heb u een slechte tijding mede te deelen: onze
+meester blijft twee maanden van ons weg.
+
+--Ouah! blafte Capi.
+
+--Dat is in de eerste plaats voor hem zeer treurig en ook voor
+ons. Want hij verdiende den kost voor ons en gedurende zijn afwezigheid
+zullen we ons in een zeer ellendigen toestand bevinden. Wij hebben
+geen geld.
+
+Bij deze woorden, die hij zeer goed verstond, stond Capi plotseling
+op zijn achterste pooten en liep hij in het rond op de wijze als hij
+met zijn bakje de ronde deed bij het geëerde publiek.
+
+--Gij wilt, dat wij onze voorstellingen zullen voortzetten; dat is
+zeker een goede raad, dien gij geeft; maar zullen wij daarmede iets
+verdienen? Daarop komt alles aan. Als wij niet slagen, dan bestaat
+ons geheele fortuin uit drie stuivers. Wij moeten dan onze magen
+maar sluiten. Daar de zaken zoo staan, hoop ik, dat gij zult inzien,
+in welke droevige omstandigheden wij verkeeren en dat gij al uw
+krachten zult inspannen om de gunst van het publiek te winnen. Ik
+vraag slechts gehoorzaamheid, matigheid en moed. Laten wij elkander
+bijstaan en rekent gij op mij, evenals ik op u reken.
+
+Ik durf niet beweren, dat mijn makkers den schoonen vorm van mijn
+redevoering vatten, maar zeker is het, dat zij den algemeenen zin ervan
+begrepen. Zij wisten, dat door de afwezigheid van mijn meester er iets
+van het grootste gewicht gebeurd was en zij verwachtten van mij eene
+verklaring. Indien zij niet alles begrepen, wat ik zeide, zij waren
+ten minste voldaan over de wijze, waarop ik tegenover hen handelde,
+en zij toonden mij hunne tevredenheid door zeer oplettend te zijn.
+
+Wanneer ik van hun oplettendheid spreek, dan bedoel ik hiermede de
+honden, want wat Joli-Coeur aangaat, deze kon onmogelijk zijn geest
+lang met hetzelfde onderwerp bezighouden. Naar het eerste gedeelte
+van mijne rede had hij met de grootste belangstelling geluisterd; maar
+toen ik twintig woorden gesproken had, was hij in den boom geklauterd,
+onder welks schaduw wij rustten en hij vond het nu veel aangenamer
+om heen en weer te schommelen en van den eenen tak op den anderen te
+springen. Als Capi mij een dergelijke beleediging had aangedaan, zou
+hij mij gekrenkt hebben, maar van Joli-Coeur verwonderde mij nooit
+iets; hij was onbezonnen en gedachteloos; en wel beschouwd was het
+ook zeer natuurlijk, dat hij eenige afleiding zocht.
+
+Ik moet eerlijk bekennen, dat ik gaarne hetzelfde zou hebben gedaan en
+dat ik met het grootste genot mij zou hebben heen en weder geschommeld,
+maar de gewichtige en voorname rol, die ik thans speelde, veroorloofde
+mij dergelijk genoegen niet.
+
+Toen wij eenige oogenblikken hadden uitgerust, gaf ik het sein tot
+vertrekken; wij moesten ons nachtverblijf opzoeken en in elk geval
+zorgen voor het ontbijt van den anderen morgen, nadat wij, zooals wel
+waarschijnlijk was, ons hadden beholpen met den blauwen hemel tot dak.
+
+Na eene wandeling van ongeveer een uur kwamen wij aan een dorp,
+dat me geschikt toescheen voor de verwezenlijking van mijn plan.
+
+Van verre zag het er nogal erg arm uit en wij hadden dus niet
+veel kans om er goede zaken te doen; maar dit ontnam mij den moed
+niet. Of ik veel of weinig ontving, was voor mij niet de hoofdzaak;
+maar hoe kleiner het dorp was, zooveel te minder gevaar liepen wij
+om er agenten van politie te ontmoeten.
+
+Ik kleedde dus mijn personeel aan en zoo ordelijk mogelijk trokken
+wij het dorp binnen. Jammer maar, dat wij Vitalis niet hadden om op
+de fluit te spelen en door zijn voorkomen, evenals een tamboer-majoor,
+de aandacht te trekken. Ik had het geluk niet om zoo lang te zijn als
+hij en ik miste ook zijn fraaien kop; mijn gestalte was eer klein dan
+middelmatig; bovendien was ik vrij mager en op mijn gelaat stond meer
+angst dan zelfvertrouwen te lezen.
+
+Onder het voortgaan wierp ik tersluiks rechts en links een blik, om te
+zien welken indruk wij maakten. Maar die was niet bijzonder groot: men
+keek eens even op en terstond weder vóór zich en niemand volgde ons.
+
+In het midden van het dorp was een plein met eene fontein, die door
+plataanboomen omringd was. Hier zette ik mijn harp neder en begon een
+wals te spelen. De muziek was vroolijk; mijn vingers vlug, al was
+mijn hart ook nog zoo treurig gestemd, en het was of een loodzware
+last op mijn schouders drukte.
+
+Ik deed Zerbino en Dolce dansen; zij gehoorzaamden dadelijk en begonnen
+op de maat rond te springen.
+
+Maar niemand gaf zich de moeite om naar ons te komen kijken, en toch
+zag ik voor verscheidene huizen vrouwen, die breiden en met elkander
+praatten.
+
+Ik speelde maar altijd voort en Zerbino en Dolce bleven
+dansen. Misschien zou er eindelijk wel iemand naar ons komen kijken
+en als er een was, zou wel een tweede volgen en dan tien en daarna
+twintig. Maar of ik al speelde en Zerbino en Dolce al dansten, de
+menschen bleven waar zij waren en keken zelfs niet naar de plek waar
+wij stonden.
+
+Het was om wanhopend te worden.
+
+Toch gaf ik den moed niet op; ik speelde nog lustiger voort, zoodat
+de snaren bijna sprongen.
+
+Eindelijk kwam er een kind uit een der huizen. Het was zoo klein,
+dat men haast zeggen zou, dat het voor 't eerst liep. Langzaam
+naderde het ons. Zeker zou nu zijn moeder ook wel komen en na de
+moeder eene buurvrouw; wij zouden publiek krijgen en dan ook zeker
+wel wat ontvangen.
+
+Ik speelde nu wat minder hard, om het kind niet bang te maken en
+het spoediger bij ons te doen komen. Met de armpjes uitgestrekt en
+waggelend op zijn beentjes naderde het langzaam. Het kwam al dichter
+en dichter bij; nog enkele schreden en het was bij ons.
+
+Zijn moeder keek op, verwonderd zeker en ongerust misschien dat het
+niet bij haar was.
+
+Daar zag zij haar kind. Maar in plaats van het na te loopen, zooals
+ik gehoopt had, riep zij het terug en het gehoorzame kind keerde
+dadelijk om.
+
+Misschien hielden die menschen niet van dansen. Dat was ook mogelijk.
+
+Ik beval Zerbino en Dolce te gaan liggen en begon mijn _cansonetta_
+te zingen. Nooit deed ik zóó mijn best erop.
+
+Ik hief het tweede couplet aan, toen ik een man met een jas en een
+vuilen hoed naar mij toe zag komen.
+
+Eindelijk!
+
+Ik zong nog lustiger.
+
+--Zeg eens! riep hij, wat doe-jij hier, kwajongen!
+
+Ik hield eensklaps op, onthutst door die vraag en bleef hem met open
+mond aanstaren, terwijl hij nog dichterbij kwam.
+
+--Komaan, krijg ik haast antwoord?
+
+--Ik zing, mijnheer.
+
+--Heb-je een permissie om in onze gemeente te zingen?
+
+--Neen, mijnheer.
+
+--Maak dan dat je weg komt, als je niet wil, dat ik proces-verbaal
+tegen je opmaak.
+
+--Maar mijnheer....
+
+--Noem mij geen mijnheer, maar veldwachter, en ruk uit, luie bedelaar.
+
+Een veldwachter! Ik wist door hetgeen mijn meester overkomen was, wat
+men te wachten heeft als men zich tegen politieagenten en veldwachters
+verzet. Dus liet ik het mij geen tweemaal zeggen. Ik ging heen zooals
+mij gelast was, langs denzelfden weg, dien ik was gekomen.
+
+Bedelaar!--Neen, dat woord was niet verdiend. Ik had niet gebedeld;
+ik had gezongen; ik had gedanst; dat was mijn manier van werken,
+en welk kwaad had ik daarmede gedaan?
+
+Binnen vijf minuten was ik buiten het zoo weinig gastvrije, maar zoo
+goed bewaakte dorp.
+
+Mijne honden volgden mij met hangenden kop; zeker begrepen zij hoe
+slecht wij van de reis waren gekomen. Capi liep mij nu en dan vooruit
+en zag mij met zijne verstandige oogen nieuwsgierig aan. Ieder ander
+in zijne plaats zou mij allerlei vragen hebben gedaan, maar Capi was
+te goed opgevoed, te goed gedrild, om zich eene onbescheiden vraag
+te veroorloven. Hij bepaalde er zich toe zijne nieuwsgierigheid aan
+den dag te leggen, en ik zag hoe zijn kaken beefden, door de pogingen
+die hij deed om zijn geblaf te onderdrukken.
+
+Toen wij ver genoeg van het dorp waren verwijderd om zeker te zijn,
+dat de booze veldwachter niet meer komen zou, gaf ik een teeken met
+mijn hand en dadelijk vormden de drie honden een kring om mij; Capi
+stond in het midden en hield onbeweeglijk de oogen op mij gevestigd.
+
+Het oogenblik was gekomen om hun de uitlegging te geven, die zij
+wachtten.
+
+--Daar wij geen permissie hadden om te spelen, zeide ik, jaagt men
+ons weg.
+
+--En nu? vroeg Capi, met een beweging van zijn kop.
+
+--Nu gaan wij slapen onder den blooten hemel en avondeten hebben
+wij niet.
+
+Bij het woord avondeten lieten allen een dof gebrom hooren. Ik liet
+mijn drie stuivers zien.
+
+--Ge weet, dat dit alles is wat we bezitten; geven wij vanavond
+onze drie stuivers uit, dan hebben wij niets voor ons ontbijt van
+morgen. Daar wij vandaag gegeten hebben, komt het mij verstandiger
+voor aan den dag van morgen te denken.
+
+Ik stak de drie stuivers in mijn zak.
+
+Capi en Dolce bogen onderworpen den kop, maar Zerbino, die niet altijd
+in zijn humeur was en bovendien een lekkerbek, ging voort met brommen.
+
+Na een strengen blik, die hem echter niet tot zwijgen bracht, zeide
+ik tot Capi.
+
+--Verklaar eens aan Zerbino wat hij niet schijnt te kunnen
+begrijpen. Wij moeten ons vandaag getroosten niet meer te eten,
+als wij morgen iets willen hebben.
+
+Dadelijk gaf Capi een slag met zijn poot en eene gedachtenwisseling
+tusschen hen volgde.
+
+Dat woord gedachtenwisseling vindt men misschien niet zeer juist,
+omdat het hier honden geldt; maar zeker is het toch, dat alle dieren
+een eigen manier hebben om elkander iets mede te deelen. Als men in
+een huis gewoond heeft onder welks daklijst en kozijnen de zwaluwen
+nestelen, krijgt men al zeer spoedig de overtuiging, dat de vogeltjes
+niet enkel fluiten om een wijsje te doen hooren, wanneer zij, bij
+het aanbreken van den dag, zoo druk met elkander bezig zijn. Het
+zijn bepaalde gesprekken die zij met elkander houden; ernstige zaken
+behandelen zij, waarin woorden vol teederheid worden gewisseld. En de
+mieren van denzelfden stam kruisen, als zij elkander ontmoeten, hunne
+voelsprietjes. Moet men ook daaruit niet opmaken, dat zij elkaar het
+een of ander mededeelen wat voor haar van belang is? Wat de honden
+betreft, deze kunnen niet alleen spreken, maar ook lezen: zie maar
+eens hoe zij met hun neus in de lucht of met den kop vlak op den
+grond de steenen en planten berieken en dan eensklaps een oogenblik
+stilstaan bij een struik of voor een muur. Wij menschen zien niets
+op die muren, maar de hond leest daarop allerlei bijzondere dingen
+in een geheimzinnig schrift, dat door ons zelfs niet wordt opgemerkt.
+
+Wat Capi aan Zerbino mededeelde, verstond ik niet; want zoo al de
+honden de taal der menschen verstaan, de menschen kennen die der dieren
+niet; ik zag alleen, dat Zerbino niet naar rede wilde luisteren en erop
+aandrong, dat de drie stuivers vandaag nog zouden worden uitgegeven;
+Capi moest eindelijk wel boos worden en eerst toen hij zijn tanden
+had laten zien, gaf Zerbino, die niet heel dapper was, toe.
+
+De vraag omtrent het avondeten was dus beslist, maar die van het
+nachtverblijf moest nog behandeld worden.
+
+Gelukkig was het mooi weer; het was een warme dag geweest en in
+dezen tijd van 't jaar onder den blooten hemel te slapen, was zoo erg
+niet. Alleen moest men zijne slaapstee zoodanig inrichten, dat men
+geen last kon hebben van de wolven, zoo die er waren in dezen omtrek
+en--wat mij nog grooter gevaar scheen--van de veldwachters, want voor
+ons waren die menschen nog meer te vreezen dan de wilde dieren.
+
+Wij moesten dus maar doorloopen, den weg volgende, tot wij eene goede
+schuilplaats hadden gevonden.
+
+Het was een lange weg; de eene mijl volgde op de andere en de laatste
+rooskleurige gloed der ondergaande zon was verdwenen, zonder dat wij
+nog eene schuilplaats gevonden hadden. Er moest nu wel een besluit
+worden genomen.
+
+Toen ik stilstond om op de plek, waar wij waren, den nacht door te
+brengen, bevonden wij ons in een bosch, waarin hier en daar eenige
+open vlakken waren, in het midden waarvan groote rotsklompen zich
+verhieven. De plaats was zeer somber en verlaten, maar wij hadden
+geen keus en ik meende, dat wij tusschen die granietblokken wel tegen
+de nachtelijke koude beschermd zouden zijn. Ik zeg "wij" en bedoel
+hiermede Joli-Coeur en mij zelven, want wat de honden betreft, om hen
+behoefde ik mij zoo zwaar niet te bekommeren: zij zouden er de koorts
+niet van krijgen of zij al een nachtje buiten sliepen. Maar voor me
+zelven moest ik oppassen, want ik besefte al de verantwoordelijkheid,
+die op mij rustte. Wat zou er van mijn troep terechtkomen, als ik
+ziek werd? Wat zou ik beginnen, als ik Joli-Coeur moest verzorgen?
+
+Wij sloegen nu terzijde van den weg af en volgden de openingen
+tusschen de steenen, totdat ik vóór mij een groot rotsblok zag,
+zoodanig gevormd, dat er onder eene soort van grot was en het
+bovengedeelte als een gewelf erover uitstak. In die grot had de wind
+eene groote massa verdorde dennenaalden bijeengedreven. Beter konden
+wij niet verlangen; er was een matras om ons op uit te strekken; een
+dak om ons te beschutten; er ontbrak ons niets dan een stuk brood tot
+avondeten. Maar men moest maar trachten daar niet aan te denken. Het
+spreekwoord zegt terecht: wie slaapt voelt geen honger.
+
+Vóór ik insliep deelde ik aan Capi mede, dat wij op zijne waakzaamheid
+rekenden en in plaats van zich, evenals wij, op de dennenaalden
+neer te leggen, bleef het goede dier buiten onze grot om de wacht
+te houden. Ik kon nu gerust zijn, overtuigd, dat niemand bij ons zou
+komen vóór ik gewaarschuwd was.
+
+Hoewel hieromtrent gerustgesteld, kon ik toch niet zoo dadelijk op
+mijn matras van dennenaalden inslapen bij Joli-Coeur, die in mijn
+jas gewikkeld naast mij lag, Zerbino en Dolce aan mijn voeten. Mijne
+bezorgdheid was nog grooter dan mijne vermoeienis.
+
+Deze eerste dag van mijn reis was slecht geweest: wat zou de dag van
+morgen opleveren? Ik had honger en dorst en ik bezat niet meer dan
+drie stuivers. Of ik ze al omkeerde en nog eens omkeerde in mijn zak,
+er bleven er altijd maar drie; ik kwam niet boven dat getal.
+
+Hoe zou ik mijn troepje in het leven houden en hoe mij zelven, als ik
+morgen en de volgende dagen geen gelegenheid had om voorstellingen
+te geven? Muilbanden, een permissie om te zingen--hoe zou ik die
+bekomen? Moesten wij dan allen van honger omkomen in een bosch? sterven
+onder de struiken?
+
+Terwijl ik over die treurige dingen dacht, keek ik naar de sterren,
+die boven mij aan den donkeren hemel flonkerden. Geen windje woei
+er. Overal doodelijke stilte; geen blaadje ritselde; geen vogel deed
+zich hooren; geen wiel kraakte op den weg; zoo ver mijn blik in die
+blauwe diepte reikte, was alles stil en ledig: eenzaam en verlaten
+waren wij.
+
+Ik voelde de tranen in mijn oogen komen; opeens begon ik te weenen:
+Arme vrouw Barberin! Arme Vitalis!
+
+Ik lag voorover en liet mijn tranen in mijne handen vloeien, zonder
+dat ik ze kon tegenhouden. Daar voelde ik een warmen adem in mijn
+haren; ijlings richtte ik mij op, eene groote tong, zacht en warm,
+lekte mijne wangen. Het was Capi, die mij had hooren weenen en mij
+kwam troosten, zooals hij mij ook te hulp was gekomen, den eersten
+nacht dat wij op reis waren.
+
+Ik sloeg mijn beide armen om zijn hals en drukte een kus op zijn
+vochtigen snuit. Toen onderdrukte hij twee- of driemaal een zacht
+gekreun en het scheen, dat hij weende met mij.
+
+Toen ik wakker werd, was het helder dag en Capi zat tegenover me en
+keek mij aan. De vogels zongen in het gebladerte; in de verte, heel in
+de verte, hoorde ik het _Angelus_ kleppen. De zon, die reeds hoog aan
+den hemel stond, wierp hare stralen uit, die warmte en kracht gaven,
+zoowel aan de grot als aan ons lichaam. Ons morgen-toilet was spoedig
+gemaakt en wij begaven ons op weg in de richting waar we het _Angelus_
+hoorden luiden. Daar was een dorp en zeker ook een bakker. Als men
+zonder eten is gaan slapen, doet de honger zich spoedig gevoelen.
+
+Ik had mijn besluit genomen. Mijne drie stuivers zou ik uitgeven en
+daarna zouden wij zien. Toen ik in het dorp kwam, behoefde ik niet
+te vragen waar de bakker woonde; ik rook zijn winkel reeds van verre;
+mijn reukorgaan was bijna even fijn als dat van de honden, zoodat reeds
+op een afstand de lucht van het warme brood door mij werd waargenomen.
+
+Als het brood vijf stuivers per pond kost, heeft men niet veel voor
+drie stuivers, ieder kreeg een klein stukje, zoodat ons ontbijt
+spoedig afgeloopen was.
+
+Nu was het oogenblik daar om te denken, hoe wij aan den kost moesten
+komen. Ik liep het dorp door, om te zien waar de gunstigste gelegenheid
+was voor eene voorstelling en ook om de gezichten der menschen gade
+te slaan, teneinde daaruit te ontdekken of ze ons al of niet gezind
+zouden wezen. Mijn plan was niet om terstond met de voorstelling te
+beginnen, want daarvoor was het uur niet bijzonder geschikt, maar
+om de beste plaats uit te kiezen en dan tegen het midden van den dag
+daar terug te komen en de kans te wagen.
+
+Met die plannen was ik geheel vervuld, toen ik opeens achter mij
+hoorde roepen; ik keek om en zag Zerbino, die door eene oude vrouw
+werd nagezet. Het duurde niet lang of ik begreep wat er gaande was:
+de hond had bemerkt, dat ik in gepeins was verzonken; hij had mij
+verlaten en was een huis binnengeloopen, waar hij een stuk vleesch
+gestolen had, dat hij nu nog in den bek droeg.
+
+--Houd den dief! houd den dief! riep de vrouw.
+
+Toen ik die woorden hoorde, voelde ik, dat ik schuldig was, tenminste
+verantwoordelijk voor de daad van mijn hond, en begon ik ook hard te
+loopen. Wat moest ik zeggen als de oude vrouw mij den prijs vroeg van
+het stuk vleesch, dat de hond gestolen had? Hoe zou ik het betalen? Als
+ik eens gepakt werd, zou men mij dan niet gevangen houden?
+
+Toen zij me hard zagen wegloopen, bleven ook Capi en Dolce niet achter;
+ik voelde ze op mijne hielen, terwijl Joli-Coeur, dien ik op mijn
+schouder droeg, zijn poot om mijn hals sloeg om niet te vallen.
+
+Ik behoefde niet bang te zijn, dat men ons zou inhalen, maar men zou
+ons kunnen tegenhouden en dit scheen mij het plan van twee of drie
+menschen, die van de andere zijde kwamen. Gelukkig lag er tusschen
+ons een dwarsstraat; die sloeg ik in, gevolgd door mijne honden,
+en weldra waren wij weder in het open veld. Toch bleef ik niet staan
+voordat ik geheel buiten adem was, en toen had ik zeker twee kilometer
+geloopen. Eerst durfde ik nog niet omzien, maar toen ik eindelijk een
+blik achter mij wierp, bemerkte ik, dat niemand ons volgde. Capi en
+Dolce waren altijd nog op mijne hielen. Zerbino volgde op een afstand;
+hij had onderweg zeker stilgestaan om zijn stuk vleesch op te eten. Ik
+riep hem, maar Zerbino begreep, dat hij een strenge kastijding te
+wachten had en bleef eerst staan; daarop keerde hij zich om en liep
+heen zoo snel hij kon.
+
+Slechts uit honger had Zerbino het vleesch gestolen. Maar dit was
+voor mij geen reden van verontschuldiging. Hij had gestolen en de
+schuldige moest gestraft worden, of het was uit met de tucht onder mijn
+troep. In het volgende dorp zou Dolce het voorbeeld van zijn makker
+volgen en Capi zelf zou eindelijk bezwijken voor de verzoeking. Dus
+moest Zerbino voorbeeldig gestraft worden. Maar daarvoor moest ik
+hem binnen mijn bereik hebben en dat was zoo gemakkelijk niet. Ik
+nam mijne toevlucht tot Capi.
+
+--Haal Zerbino, zeide ik.
+
+Dadelijk rende hij weg om den last, die ik hem opdroeg, te
+volbrengen. Het scheen mij evenwel toe, dat hij die taak minder
+gewillig op zich nam dan anders en uit den blik, dien hij op mij
+wierp vóór hij heenging, meende ik te bespeuren, dat hij liever de
+advocaat van Zerbino wezen zou dan de gendarme, die hem oppakte.
+
+Ik moest thans de terugkomst afwachten van Capi en zijn gevangene,
+wat vrij lang kon duren, daar Zerbino zeker niet zoo dadelijk zou
+terugkeeren. Dat wachten vond ik evenwel zoo onaangenaam niet. Ik was
+te ver van het dorp om van die zijde iets te vreezen, en daarbij was
+ik zoo vermoeid, dat ik gaarne een poos wilde uitrusten. Bovendien,
+waarom zou ik mij haasten: ik wist niet waar ik heen moest gaan of
+wat ik doen moest. De plek, waar ik stil had gestaan, was tevens
+uitmuntend geschikt om er een poos te vertoeven. Zonder te weten
+waarheen ik mij in mijn dollen loop gericht had, was ik aan een kanaal
+gekomen en na de zandige vlakte te hebben doorkruist, die zich in
+de omstreken van Toulouse uitstrekt, was ik nu in een weelderig,
+vruchtbaar land gekomen: water, boomen, gras, eene kleine beek, die
+tusschen de spleten vloeide van eene dichtbegroeide rots, en telkens
+kleine watervallen vormde. Het was hier allerbekoorlijkst en uitnemend
+geschikt om de terugkomst der honden af te wachten.
+
+Een uur ging er voorbij en geen van beiden keerde terug. Reeds begon
+ik mij ongerust te maken, toen Capi verscheen met hangenden kop.
+
+--Waar is Zerbino?
+
+Capi legde zich in vreesachtige houding voor mij neder en ik zag nu,
+dat een van zijn ooren bloedde.
+
+Meer was niet noodig om mij te doen begrijpen wat er gebeurd
+was. Zerbino had zich tegen den gendarme verzet; hij had weerstand
+geboden aan Capi, die misschien zelf maar met tegenzin gehoorzaamd
+had aan het bevel, dat ook hij te streng achtte en hij had zich
+laten overwinnen.
+
+Moest ik hem beknorren en ook straffen? Daartoe had ik den moed niet;
+ik was niet in eene stemming om anderen te kwellen: ik had al genoeg
+aan mijn eigen verdriet.
+
+Daar Capi niet in zijne taak geslaagd was, bleef mij niets anders over
+dan af te wachten of Zerbino ook terug zou willen komen. Ik kende hem
+genoeg om te weten, dat na een eerste vlaag van verzet, hij zich zou
+onderwerpen aan de straf en dat ik hem dus weldra berouwvol voor mij
+zou zien.
+
+Ik strekte mij onder een boom uit; Joli-Coeur had ik vastgemaakt, want
+ik was bang, dat hij lust zou krijgen om Zerbino te gaan opzoeken. Capi
+en Dolce lagen aan mijne voeten.
+
+De tijd ging voorbij. Zerbino keerde nog maar niet terug. Onwillekeurig
+maakte de slaap zich van mij meester en ik sliep in. Toen ik wakker
+werd, stond de zon recht boven ons; uren waren er voorbijgegaan. Maar
+de zon behoefde mij niet te zeggen, dat de tijd voortgegaan was:
+mijn maag vertelde me dat er uren waren verstreken sedert ik mijn
+stukje brood gegeten had. Van hun kant gaven ook de twee honden en
+Joli-Coeur mij op de duidelijkste wijze te kennen, dat zij honger
+hadden. Capi en Dolce door hun beklaaglijk voorkomen; Joli-Coeur door
+zijne dwaze sprongen. Zerbino was nog altijd niet terug.
+
+Ik riep; ik floot, maar alles tevergeefs; hij verscheen niet; hij had
+goed ontbeten en rustte nu waarschijnlijk uit onder eene struik. Mijn
+toestand werd moeielijk. Als ik wegging, zou hij ons misschien
+kunnen verliezen en nooit meer terugkomen; als ik bleef, miste ik de
+gelegenheid om eenige stuivers te verdienen voor een middagmaal. En
+de behoefte aan dat middagmaal werd hoe langer hoe grooter. De oogen
+van de honden waren wanhopend op de mijne gevestigd en Joli-Coeur
+wreef zijn buik en liet nu en dan een nijdig gebrom hooren.
+
+Daar de tijd voorbijging en Zerbino niet kwam, zond ik Capi er
+nogmaals op uit om zijn kameraad te halen, maar na verloop van een
+halfuur kwam hij weder alleen terug en deed mij begrijpen, dat hij
+hem niet gevonden had.
+
+Wat nu te doen? Hoewel Zerbino straf verdiende en ons door zijn schuld
+in een alleronaangenaamsten toestand had gebracht, kon ik het niet
+over mij verkrijgen om hem te verlaten. Wat zou mijn meester zeggen,
+als ik hem zijn drie honden niet terugbracht? En dan.... ik hield
+van dien schelm van een Zerbino.
+
+Ik besloot te wachten tot den avond, maar het was onmogelijk al dien
+tijd werkeloos te blijven met zulke hongerige magen, want de honger
+liet zich te meer gelden nu er niets was, dat ons eenige afleiding
+geven kon. Er moest iets gevonden worden dat ons alle vier eenige
+afleiding schonk. Als wij maar vergeten konden dat wij honger hadden,
+zouden wij hem in deze uren van eenzame verlatenheid zeker minder
+voelen. Maar waarmede ons bezig te houden?
+
+Toen ik daarover nadacht, herinnerde ik mij hoe Vitalis mij eens
+verteld had, dat in den oorlog, als een regiment vermoeid was door een
+langen marsch, men muziek maakte, en bij die vroolijke, meeslepende
+melodieën vergaten de soldaten hunne vermoeidheid. Als ik nu ook
+eens een vroolijk deuntje speelde, zouden wij misschien ook onzen
+honger vergeten. In ieder geval, als ik muziek maakte en de honden
+liet dansen met Joli-Coeur, zou de tijd spoediger voorbijgaan.
+
+Ik nam mijn harp, die tegen een boom stond en met mijn rug naar het
+kanaal gekeerd, begon ik, na mijn personeel in orde te hebben gebracht,
+een dans en daarna een wals te spelen.
+
+Eerst schenen mijne acteurs niet zeer geneigd om te dansen. Het was
+duidelijk, dat een stuk brood meer in hun smaak zou zijn gevallen,
+maar langzamerhand kwam er meer leven bij hen; de muziek had hare
+gewone uitwerking; wij vergaten het stuk brood, dat wij niet hadden en
+ik dacht aan niets anders meer dan aan de muziek en zij aan het dansen.
+
+Eensklaps hoorde ik achter mij eene heldere kinderstem, die
+"bravo!" riep. Ik keerde mij ijlings om.
+
+Een scheepje voer door het kanaal, met den steven gericht naar den
+oever waar ik stond; de twee paarden, die het voorttrokken, liepen
+op den anderen oever. Het was een vreemdsoortig schip, zooals ik
+er nog nooit een gezien had. Het was veel korter dan de pramen,
+welke gewoonlijk gebezigd worden voor de vaart op het kanaal en op
+het dek, dat slechts even boven het water uitstak, was een soort van
+glazenhuis gebouwd. Op de voorplecht was eene verande aangebracht,
+die met slingerplanten was bedekt, waarvan de stengels, die hier
+en daar zich aan het glazendak hadden gehecht, als beken van groen
+nedervielen. Onder die veranda zag ik twee personen: eene nog jeugdige
+dame met een edel, eenigszins droevig voorkomen, en een knaap van
+mijn leeftijd ongeveer en die mij toescheen te liggen, terwijl de
+dame stond.
+
+Zeker was het die knaap geweest, die bravo had geroepen.
+
+Spoedig was ik van mijne verrassing bekomen, want er was niets in die
+verschijning, dat mij bang maakte; ik nam mijn hoed af om te bedanken
+voor de toejuiching.
+
+--Speelt ge voor uw pleizier? vroeg de dame mij in een vreemden
+tongval.
+
+--Ik deed het om mijn troepje te oefenen en ook.... om mij eenige
+afleiding te bezorgen.
+
+De knaap wenkte de dame, die zich over hem heen boog.
+
+--Wilt ge nog wat spelen? vroeg de dame, het hoofd opheffende.
+
+Of ik nog wat wilde spelen! Spelen voor een publiek dat mij zoo juist
+van pas kwam. Ik liet me niet bidden.
+
+--Wil u een dans of eene comedie? vroeg ik.
+
+--O, een comedie! riep de knaap.
+
+Maar de dame zeide, dat zij liever een dans wilde zien.
+
+--Een dans duurt zoo kort, zeide de knaap.
+
+--Na den dans kunnen wij verscheidene toeren verrichten zooals die in
+het paardenspel te Parijs vertoond worden, indien het geëerde publiek
+dit verlangt.
+
+Dit was een uitdrukking van mijn patroon en ik trachtte die met
+evenveel waardigheid te uiten. Bij nader inzien was ik blij, dat men
+de comedie niet verlangd had, want ik zou vrij wat moeite hebben
+gehad om ze behoorlijk van stapel te doen loopen, vooreerst omdat
+Zerbino er niet was en ook omdat ik de costumes miste en hetgeen er
+verder bijhoorde.
+
+Ik nam dus mijne harp en begon een wals te spelen. Dadelijk sloeg
+Capi zijne twee pooten om het lijf van Dolce en zij begonnen rond
+te draaien op de maat. Daarop deed Joli-Coeur een dans alleen. Toen
+volgden de andere stukken, die wij konden uitvoeren en wij voelden
+onze moeheid niet meer. Wat mijne acteurs betrof, die begrepen zeker,
+dat zij voor al hun moeite een goed maal zouden krijgen en zij deden
+even goed hun best als ik.
+
+Opeens, te midden van een der kunstverrichtingen, zag ik Zerbino
+uit het kreupelhout te voorschijn komen, en toen zijne kameraden in
+zijne nabijheid waren, nam bij te midden van hen plaats en vervulde
+zijne rol.
+
+Terwijl ik speelde en op mijn troepje lette, wierp ik nu en dan een
+blik naar den knaap, die zonderling genoeg, hoewel hij veel vermaak
+schepte in de vertooning, zich niet verroerde. Hij bleef uitgestrekt
+liggen zonder zich te bewegen, nu en dan slechts klapte hij in
+de handen.
+
+Was hij lam? Hij scheen op een plank vastgebonden.
+
+Intusschen was het schip tegen den oever komen liggen waar ik stond,
+en ik zag nu den jongen alsof ik zelf op de schuit had gestaan. Hij
+had blonde haren en zijn gelaat was zeer bleek, zoo bleek, dat men
+de blauwe aderen van zijn voorhoofd zien kon onder zijn doorschijnend
+vel. Zijn gelaat had iets treurigs en pijnlijks als van een zieke.
+
+--Hoeveel kost een plaats bij uwe vertooning? vroeg de dame.
+
+--Men betaalt naarmate van het genoegen, dat ze gegeven heeft.
+
+--Dan moet u heel veel betalen, mama, zeide de knaap, en hij voegde
+er toen iets bij in eene taal, die ik niet verstond.
+
+--Arthur wilde uw diertjes van dichterbij zien.
+
+Ik gaf Capi een teeken, die terstond zijn loop nam en in de boot
+sprong.
+
+--En de anderen! riep Arthur.
+
+Zerbino en Dolce volgden hun makker.
+
+--En de aap!
+
+Ook Joli-Coeur kon gemakkelijk den sprong doen; maar als hij eens aan
+boord was, kon hij zich wel eens vrijheden veroorloven, die niet in
+den smaak der dame vielen.
+
+--Is hij nijdig? vroeg zij.
+
+--O neen, mevrouw, maar hij is niet altijd gehoorzaam en ik ben bang,
+dat hij iets doet, wat niet goed is.
+
+--Welnu, kom zelf dan maar met hem mede.
+
+Bij die woorden gaf zij een wenk aan een man, die bij het roer stond
+en deze kwam terstond naar de plecht met een plank, waarvan hij het
+uiteinde op den kant legde.
+
+Over deze brug kon ik nu op het schip komen zonder den gevaarlijken
+sprong te wagen en ik liep er met waardigheid overheen met mijne harp
+over den schouder en mijn aap in de hand.
+
+--O, de aap! de aap! riep Arthur.
+
+Ik naderde den knaap en terwijl hij hem streelde, kon ik hem op
+mijn gemak gadeslaan. Ik zag nu, dat hij inderdaad op een plank was
+vastgebonden, zooals ik terstond reeds had meenen te bemerken.
+
+--Je hebt een vader, niet waar, jongenlief? vroeg de dame.
+
+--Ja, maar thans ben ik alleen.
+
+--Voor hoe lang?
+
+--Voor twee maanden.
+
+--Twee maanden! arme jongen. Hoe komt gij zoo alleen op uw leeftijd?
+
+--Ik moet wel, mevrouw.
+
+--Uw meester dwingt u vast om na twee maanden hem eene bepaalde som
+geld te geven?
+
+--Neen, mevrouw, hij dwong mij tot niets. Als ik maar met mijn troepje
+leven kan, is dit genoeg.
+
+--En ge hebt tot dusver kunnen leven?
+
+Ik aarzelde met mijn antwoord. Nooit had ik eene dame gezien die mij
+zooveel ontzag inboezemde als zij, die mij thans ondervroeg. Toch
+sprak zij zoo minzaam tegen mij, hare stem was zoo zacht, haar blik
+zoo vriendelijk, zoo bemoedigend, dat ik er eindelijk maar toe besloot
+de waarheid te vertellen. Waarom zou ik ook zwijgen?
+
+Ik verhaalde haar dus waarom ik van Vitalis had moeten scheiden, die
+tot gevangenisstraf was veroordeeld, omdat hij mij verdedigd had en
+hoe ik, sedert ik Toulouse had verlaten, niets had verdiend.
+
+Terwijl ik sprak, speelde Arthur met de honden, maar hij luisterde
+toch toe en hoorde wat ik zeide.
+
+--Wat zult ge dan allen honger hebben! riep hij uit.
+
+Op dat woord, dat ze allen verstonden, begonnen de honden te blaffen
+en Joli-Coeur wreef zijn buik.
+
+--Hé, mama! zeide Arthur.
+
+De dame begreep zijn bedoeling. Zij sprak eenige woorden in een
+vreemde taal tot eene vrouw, wier hoofd te voorschijn kwam door
+eene half-geopende deur en bijna onmiddellijk daarna bracht deze een
+tafeltje met allerlei spijzen.
+
+--Ga zitten, mijn jongen, zeide de dame.
+
+Ik liet mij niet tweemaal noodigen, zette mijn harp neder en nam
+aanstonds plaats aan tafel. De honden schaarden zich om mij en
+Joli-Coeur ging op mijne knieën zitten.
+
+--Eten uwe honden brood? vroeg Arthur.
+
+Of ze brood aten; ik gaf hun elk een stuk, dat zij onmiddellijk
+verslonden.
+
+--En de aap? vroeg Arthur weder.
+
+Maar hij behoefde dit niet eens te vragen, want terwijl ik de honden
+bediende, had hij zich meester gemaakt van een korst, waarin hij
+onder tafel bijna stikte.
+
+Op mijn beurt nam ik een sneedje brood en zoo ik er al niet bijna in
+stikte, zooals Joli-Coeur, at ik het toch even gulzig op als hij.
+
+--Arm kind! sprak de dame, terwijl zij mijn glas vulde.
+
+Arthur zeide niets, maar sloeg ons gade met wijd geopende oogen. Hij
+verbaasde zich zeker over onzen eetlust, want de een was al hongeriger
+dan de ander, zelfs Zerbino, die toch meer of minder verzadigd moest
+zijn van het vleesch, dat hij gestolen had.
+
+--En waar zoudt gij vandaag gegeten hebben, als wij u niet ontmoet
+hadden? vroeg Arthur.
+
+--Ik denk dat wij dan niet zouden gegeten hebben.
+
+--En waar zult gij morgen van eten?
+
+--Misschien zullen wij morgen den een of ander ontmoeten, die zoo
+goed is als u.
+
+Arthur sprak niet meer tot mij. Hij wendde zich tot zijne moeder en
+zij spraken langen tijd met elkander in de vreemde taal, die ik reeds
+van hen gehoord had. Hij scheen iets te vragen, wat zij niet geneigd
+was toe te staan, tenminste, waartegen zij veel bezwaar had.
+
+Opeens wendde hij zijn hoofd weder naar mij toe, want zijn lichaam
+verroerde zich niet.
+
+--Wilt gij bij ons blijven? vroeg hij.
+
+Ik zag hem aan, maar ik kon geen antwoord geven, zoo verrast was ik
+door die vraag.
+
+--Mijn zoon vraagt, of gij bij ons wilt blijven.
+
+--Op dit schip?
+
+--Ja, op dit schip. Mijn zoontje is ziek; de geneesheeren hebben
+voorgeschreven, dat hij op eene plank zou worden vastgebonden,
+zooals gij ziet. Opdat hij zich niet zou vervelen, doe ik tochtjes
+met hem op het water. Gij blijft bij ons. Uwe honden en uw aap zullen
+voorstellingen geven voor Arthur, die uw publiek zal uitmaken. En gij,
+beste jongen, zult voor ons op uw harp spelen. Daarmede bewijst gij ons
+een dienst en wij kunnen u misschien van nut zijn. Gij behoeft niet
+elken dag naar een publiek te zoeken, wat misschien op uw leeftijd
+u zoo gemakkelijk niet zou vallen.
+
+Op een schip! Ik was nooit op een schip geweest en dat was juist
+wat ik het vurigst had verlangd. Ik zou op een schip leven, op het
+water! Welk een geluk!
+
+Dit was de eerste gedachte, die zich van mij meester maakte en mij
+geheel overstelpte. Welk een droom!
+
+Eenige oogenblikken nadenken deden mij al het geluk beseffen, dat
+in die vraag voor mij opgesloten lag en hoe goed de dame was, die ze
+tot mij richtte.
+
+Ik greep hare hand en kuste die.
+
+Zij scheen gevoelig voor dit blijk van erkentelijkheid en minzaam,
+teeder bijna, streek zij een paar malen met hare hand over mijn
+voorhoofd.
+
+--Arm kind, zeide zij.
+
+Daar men verlangd had, dat ik op de harp zou spelen, meende ik terstond
+aan dat verlangen te moeten voldoen: die haast was in zekere mate
+een bewijs van goeden wil en van mijn streven om mijne dankbaarheid
+te toonen.
+
+Ik nam mijne harp, zette mij op de plecht en begon toen te spelen. Op
+dat oogenblik haalde de dame een zilveren fluitje te voorschijn en
+een schelle toon klonk door de lucht. Ik hield dadelijk op en vroeg
+me zelven af waarom zij floot? Was het omdat ik valsch speelde of
+omdat ik zou ophouden?
+
+Arthur, die alles opmerkte wat er om hem heen gebeurde, begreep
+mijne gedachte.
+
+--Mama heeft gefloten ten teeken dat de paarden weder kunnen voortgaan.
+
+En de boot verwijderde zich dan ook van den oever en doorkliefde
+het kalme kanaal, door de paarden voortgetrokken. Het water lekte
+de kiel en van weerszijden schenen de boomen ons voorbij te trekken,
+verlicht door de schuine stralen van de ondergaande zon.
+
+--Wilt gij spelen? vroeg Arthur.
+
+En met een beweging van zijn hoofd zijne moeder bij zich roepende,
+nam hij hare hand en hield die in de zijne gedurende al den tijd, dat
+ik de verschillende stukken speelde, die mijn meester mij geleerd had.
+
+
+
+
+XII.
+
+MIJN EERSTE VRIEND.
+
+
+De moeder van Arthur was eene Engelsche. Zij heette mevrouw
+Milligan. Zij was weduwe en Arthur was haar eenig kind--althans haar
+eenig kind in leven, want zij had een oudsten zoon gehad, die op
+geheimzinnige wijze was verdwenen.
+
+Toen het zes maanden oud was, was dit kind verloren of gestolen,
+en nooit had men er een spoor van kunnen ontdekken. In den tijd
+waarin dit plaats had gehad, kon mevrouw Milligan dan ook niet het
+noodige onderzoek instellen. Haar echtgenoot lag toen op sterven en
+zij zelve was zwaar ziek, zoodat zij buiten kennis lag en niet wist
+wat er om haar heen gebeurde. Toen zij weder tot bewustzijn kwam,
+was haar man gestorven en haar zoon verdwenen. Het onderzoek was
+ingesteld door haar schoonbroeder, James Milligan. Maar in diens
+keuze was iets zonderlings, omdat de heer James Milligan belangen had,
+die in lijnrechten strijd waren met die zijner schoonzuster. Immers,
+stierf zijn broeder zonder kinderen, dan was hij diens erfgenaam. Zijne
+nasporingen leidden tot geenerlei ontdekking: in Engeland, Frankrijk,
+België, Duitschland en Italië--nergens was iets van het verdwenen
+kind te ontdekken.
+
+Toch erfde de heer James Milligan niet van zijn broeder, want weinige
+maanden na den dood van dezen was er een nieuwe erfgenaam: de kleine
+Arthur.
+
+Maar dat tengere en ziekelijke kind kon niet lang leven, zeiden de
+geneesheeren. Hij moest spoedig sterven en na zijn dood zou James
+Milligan eindelijk de erfgenaam worden van den titel en het fortuin van
+zijn ouderen broeder, want de wetten betreffende de nalatenschappen
+zijn niet dezelfde in alle landen, en in Engeland kan zich het geval
+voordoen, dat een oom erft, ten nadeele van eene moeder.
+
+Het uitzicht van den heer James Milligan werd dus beperkt door de
+geboorte van zijn neef; maar geheel weggenomen werd het niet. Hij
+behoefde slechts te wachten; en hij wachtte.
+
+De voorspelling van de geneesheeren werd echter niet
+verwezenlijkt. Arthur bleef wel zwak en ziekelijk, maar hij stierf
+niet zooals men voorspeld had. De zorgvuldige verpleging van zijne
+moeder hield hem in het leven. Dit is een wonder, dat, den hemel zij
+dank, zeer dikwijls plaats heeft.
+
+Twintigmaal meende men, dat hij bezwijken zou; achtervolgens, ja
+somtijds twee te gelijk, had hij alle ziekten gehad, waaraan kinderen
+onderhevig zijn.
+
+In den laatsten tijd had zich eene treurige kwaal van hem meester
+gemaakt; eene verlamming in de heupen. Als geneesmiddel had men de
+zwavelbaden voorgeschreven, en mevrouw Milligan was met hem naar de
+Pyreneën gereisd. Na daar vruchteloos de baden te hebben gebruikt, had
+men een andere kuur aangeraden: de knaap moest het lichaam gestrekt
+houden en niet op zijne voeten rusten. Toen had zijne moeder de boot
+laten inrichten, waarop ik de reis medemaakte.
+
+Zij kon er niet toe besluiten haar zoon in huis opgesloten te houden;
+dan zou hij gestorven zijn van zijn verveling en gebrek aan lucht. Daar
+Arthur zelf niet loopen kon, liet zij een huis voor hem maken, dat
+zich kon verplaatsen.
+
+De boot was dan ook geheel als een drijvende woning ingericht,
+met huiskamer, keuken, salon en veranda. In het salon of onder die
+veranda bracht Arthur den dag door van des morgens tot des avonds met
+zijne moeder aan zijne zijde, en de landschappen trokken hem voorbij;
+hij behoefde de oogen maar te openen.
+
+Eene maand geleden hadden zij Bordeaux verlaten en na de Garonne te
+zijn opgevaren, hadden zij nu het Zuider-kanaal bereikt. Dit bracht
+hen in de vijvers en kanalen naar de Middellandsche Zee, vanwaar zij
+de Rhône zouden opvaren en daarna de Saône; van deze rivier zouden
+zij in de Loire komen en dan te Briâre de Seine nemen om den loop
+dezer rivier te volgen tot Rouaan, waar zij een grooter schip zouden
+huren om naar Engeland terug te keeren.
+
+Natuurlijk vernam ik al deze bijzonderheden omtrent mevrouw Milligan
+en haar zoon niet den dag, waarop ik aankwam. Ik vernam ze eerst
+geleidelijk, een voor een en voeg ze hier slechts in volgorde samen,
+om mijn verhaal duidelijker te maken. Op den eersten dag maakte
+ik kennis met het vertrek, dat ik op _De Zwaan_--zoo heette het
+schip--bewonen zou. Het was heel klein, twee el lang en een el breed,
+het was het aardigste huisje, dat de verbeelding van een kind zich
+kan voorstellen. De meubels bestonden uit een enkele kast, maar die
+geleek wel op een tooverflesch van een goochelaar: er kwam van alles
+uit. Het bovenste gedeelte was er niet vast op bevestigd, maar kon
+opgelicht worden en dan had men een volledig bed: matras, hoofdkussen
+en dek. Natuurlijk was het niet heel groot, maar toch groot genoeg
+voor mij om er lekker in te liggen. Onder dat bed was eene lade,
+waarin men alle voorwerpen vond, die men voor zijn toilet noodig
+heeft en daaronder was een andere lade met verschillende afdeelingen
+voor ondergoed en bovenkleeren. Tafels of stoelen waren er niet;
+althans niet in den gewonen vorm, maar aan het hoofdeinde van het
+bed was tegen den wand een plankje, dat men kon neerslaan en dat dan
+eene tafel vormde en tegen den aangrenzenden wand eene andere plank,
+welke, neergeslagen, als stoel kon worden gebruikt. Een rond gat,
+dat met een glas kon worden afgesloten, diende om lucht en licht te
+geven aan deze kamer.
+
+Nooit had ik zoo iets aardigs en nets gezien. Alles was van eikenhout
+en vernist en op den grond lag een verlakt zeildoek met witte en
+zwarte ruiten.
+
+Maar niet mijn oogen alleen genoten hier. Toen ik mij had uitgekleed en
+op het bed neergevlijd, ondervond ik een gevoel, dat geheel nieuw voor
+mij was. Voor de eerste maal streelden de lakens mijn huid in plaats
+van ze open te rijten. Bij vrouw Barberin sliep ik in ruwe lakens van
+hennep gesponnen; met Vitalis heb ik gewoonlijk stroo of hooi onder
+mij, maar geen dek op me en wanneer we dit al eens in de logementen
+kregen, gebruikten wij ze wel zoo lief niet. Wat waren die, waarin
+ik mij nu wikkelde, fijn en zacht! en wat riekten zij lekker! En die
+matras scheen wel dons in vergelijking met de dennenaalden, waarop
+ik den vorigen nacht doorgebracht had.
+
+De stilte van den nacht had niets meer dat mij vrees aanjoeg; de
+duisternis was niet meer met schimmen bevolkt en de sterren, die ik
+door het ronde venster zag, spraken mij slechts woorden in van moed
+en hoop.
+
+Hoe lekker ik ook in mijn bedje lag, ik stond den anderen morgen
+reeds tijdig op, want ik was ongerust, hoe mijne acteurs den nacht
+doorgebracht hadden. Ik vond mijn gansche troepje waar ik het den
+vorigen avond had doen nederliggen en allen sliepen zoo gerust, of zij
+reeds maanden op het schip hadden gewoond. Bij mijne nadering werden
+de honden wakker en kwamen vroolijk naar mij toe om mij goeden morgen
+te wenschen. Alleen Joli-Coeur verroerde zich niet; hij had wel het
+eene oog open, maar hij begon te snorken als een trombône.
+
+Men behoefde niet lang te gissen, om te begrijpen wat dit te beteekenen
+had. Joli-Coeur was zeer lichtgeraakt en werd spoedig boos, en als
+hij eenmaal boos was, kwam hij niet zoo gauw weer in zijn humeur. In
+dit geval was hij beleedigd, dat ik hem niet medegenomen had naar
+mijne kamer en hij toonde zijne ontevredenheid door zich te houden
+of hij sliep.
+
+Ik kon hem de reden niet duidelijk maken, die mij tot mijne groote
+spijt genoopt hadden hem op dek te laten en daar ik gevoelde, dat ik
+althans in schijn onrecht jegens hem gepleegd had, nam ik hem in mijn
+armen om hem door liefkoozingen mijn leedwezen te betuigen.
+
+Eerst bleef hij uit zijn humeur, maar weldra, met de wispelturigheid
+hem eigen, dacht hij aan wat anders en gaf hij mij door gebaren
+te kennen, dat, wanneer ik met hem aan wal ging, hij mij misschien
+vergeven zou. De schipper, dien ik den vorigen dag aan het roer had
+zien staan, was reeds op en bezig het dek schoon te maken. Hij was
+zoo goed om een plank uit te leggen, waarover ik met mijn troepje
+aan wal ging.
+
+Al spelend met mijn honden en Joli-Coeur, springend en loopend en in de
+boomen klimmend, ging de tijd spoedig voorbij en toen wij terugkwamen,
+stonden de paarden reeds aan de lijn gespannen en vastgemaakt aan
+een populier op het jaagpad. Een klap met de zweep was voldoende
+om hen te doen voortgaan. Spoedig waren wij in het schip en eenige
+oogenblikken later werd het touw, waaraan de boot gemeerd lag,
+losgemaakt; de schipper nam zijn plaats weder in aan het roer; de
+jager zette zich op een der paarden; het schip kraakte even en wij
+vervolgden weder onzen weg.
+
+Hoe heerlijk is dat reizen in eene boot! De paarden stapten voort op
+het jaagpad en zonder dat wij eenige beweging gevoelden, gleden wij
+zachtkens over het water. De twee dichtbegroeide oevers spoedden ons
+voorbij en men hoorde geen ander gedruisch dan van het lekken van
+het water tegen het schip, dat zich vermengde met het rinkelen der
+schellen, die de paarden om den hals droegen. Wij gleden voorwaarts en
+op den oever zag ik de populieren, die in het malsche gras geworteld
+zich fier verhieven en wier nooit rustende bladeren trilden onder
+den zachten adem van den morgenwind. Hunne eindelooze reeks in rechte
+lijn langs den oever geplant, vormde een dicht groen gordijn, dat de
+schuinsche stralen der zon opving en slechts een door het gebladerte
+getemperd licht doorliet. Op sommige plaatsen was het water pikzwart,
+alsof het opborrelde uit onpeilbare diepten; elders daarentegen vormde
+het doorschijnende vakken, waaronder men de schitterende steenen en
+mosachtige planten zag.
+
+Ik stond verdiept in eene aandachtige beschouwing, toen ik mijn naam
+achter mij hoorde uitspreken. Ik keerde mij om en zag Arthur, die op
+zijne plank bij mij gebracht was. Zijne moeder stond aan zijne zijde.
+
+--Hebt ge goed geslapen? vroeg hij. Beter dan onder den blooten hemel?
+
+Ik kwam naderbij en antwoordde, naar beleefde woorden zoekende,
+om zoowel Arthur als zijne moeder mijn dank te betuigen.
+
+--En de honden? zeide hij.
+
+Ik riep ze, evenals Joli-Coeur; zij kwamen bij ons en bogen en ook
+de aap maakte allerlei dwaze bewegingen. Allen schenen te verwachten,
+dat wij eene voorstelling zouden geven.
+
+Maar dien morgen was er geen sprake van eene voorstelling. Mevrouw
+Milligan had haar zoon buiten de zon geplaatst en had zich naast
+hem neergezet.
+
+--Wilt gij de honden en den aap wegbrengen? vroeg zij, dan kunnen
+wij gaan werken.
+
+Ik deed wat zij verlangde en ging met mijn troepje naar den voorsteven.
+
+Maar voor welken arbeid was die arme zieke knaap geschikt?
+
+Ik zag, dat zijne moeder hem eene les overhoorde, en aandachtig in een
+boek volgde wat hij zeide. Op zijne plank uitgestrekt, zeide Arthur
+zijne les op, zonder eene enkele beweging te maken. Liever gezegd: hij
+trachtte zijne les op te zeggen, want hij haperde geweldig en bracht
+geen drie woorden vlot er uit, en dan nog vergiste hij zich dikwijls.
+
+Zijne moeder verbeterde zijne fouten met zachtheid, maar toch met
+ernst.
+
+--Gij kent uw fabel niet, zeide zij.
+
+Het trof mij, dat eene moeder tot haar kind u zeide, want ik wist
+toen nog niet, dat dit in Engeland de gewoonte was.
+
+--Ach moeder, sprak hij, op treurigen toon.
+
+--Gij maakt vandaag veel meer fouten dan gisteren.
+
+--Ik heb toch mijn best gedaan om te leeren.
+
+--En gij hebt niet geleerd.
+
+--Ik kon niet.
+
+--Waarom niet?
+
+--Ik weet het niet; omdat ik niet kon--ik ben ziek.
+
+--Gij zijt niet ziek van hoofd. Ik zal nooit gedoogen, dat gij niets
+leert, en dat gij, onder voorwendsel, dat gij ziek zijt, in onkunde
+opgroeit.
+
+Mevrouw Milligan scheen mij zeer streng toe, maar zij sprak toch
+zonder drift en met eene vriendelijke stem.
+
+--Waarom doet gij mij zoo'n verdriet aan, door uw lessen niet te
+leeren?
+
+--Ik kan niet, mama; ik verzeker u, dat ik niet kan. En Arthur begon
+te weenen.
+
+Maar mevrouw Milligan liet zich door die tranen niet van haar stuk
+brengen, ofschoon zij aangedaan was en bedroefd, zooals zij zelve
+had gezegd.
+
+--Ik had u vanmorgen met Rémi en de honden willen laten spelen,
+ging zij voort, maar gij moogt niet spelen vóór gij uw fabel zonder
+fouten opzegt.
+
+Met die woorden gaf zij aan Arthur zijn boek en verwijderde zich
+eenige schreden alsof zij naar beneden wilde gaan, terwijl zij haar
+zoontje op zijne plank alleen liet liggen.
+
+Hij snikte van 't weenen en waar ik stond, kon ik duidelijk hooren
+hoe zijn stem hokte.
+
+Hoe kon mevrouw Milligan zoo streng zijn voor haar armen kleinen
+jongen, dien zij zoo innig lief scheen te hebben? Als hij zijn les
+niet kon leeren, was het zijne schuld niet, maar de schuld van zijn
+ziekte zeker.
+
+Zou zij dan heengaan zonder hem een vriendelijk woord toe te
+voegen? Maar zij ging niet heen; in plaats van in het benedengedeelte
+van het schip te verdwijnen, kwam zij bij haar zoontje terug.--Willen
+we het samen nog eens beproeven? vroeg zij.
+
+--O ja, mama, zamen.
+
+Toen ging zij bij hem zitten en nam het boek weder op en begon langzaam
+de fabel te lezen van "de wolf en het lammetje." Arthur herhaalde
+elken volzin, woord voor woord. Toen hij dit driemaal gedaan had,
+gaf zij het boek aan Arthur en zeide, dat hij nu maar alleen verder
+moest leeren. Daarop ging zij naar beneden.
+
+Arthur begon dadelijk te leeren en van de plaats, waar ik was blijven
+staan, kon ik duidelijk zijne lippen zien bewegen. Het scheen, dat
+hij met aandacht leerde. Maar die aandacht duurde niet lang. Weldra
+sloeg hij zijne oogen op; zijne lippen bewogen zich minder snel,
+en opeens zweeg hij geheel.
+
+Hij las niet meer; hij herhaalde niet meer. Zijne oogen, die nu her-
+dan derwaarts dwaalden, ontmoetten de mijne. Met mijn hand wenkte ik
+hem, dat hij voort zou gaan met leeren.
+
+Hij glimlachte vriendelijk, alsof hij mij wilde bedanken voor mijn
+waarschuwing en zijn oogen vestigden zich opnieuw op zijn boek. Maar
+weldra sloeg hij ze weder op en zij doolden van den eenen naar den
+anderen oever. Daar hij niet in de richting zag, waar ik mij bevond,
+stond ik op om zijne aandacht te trekken en wees hem toen op zijn boek.
+
+Hij begon weder, half beschaamd, te lezen.
+
+Ongelukkigerwijze schoot een oogenblik daarna een ijsvogel pijlsnel
+over het water, vlak voor het schip en liet als eene blauwe straal
+achter zich.
+
+Arthur hief het hoofd op om hem te volgen.
+
+Toen de vogel verdwenen was, vestigde hij zijn blik op mij.
+
+Daarop sprak hij mij aan.
+
+--Ik kan niet, zeide hij, en toch zou ik zoo gaarne.
+
+Ik kwam bij hem.
+
+--Die fabel is toch zoo moeilijk niet, zeide ik.
+
+--O, dat is ze wel. Heel moeilijk.
+
+--Ze scheen me zoo gemakkelijk, en toen ik ze uwe moeder hoorde
+voorlezen, dacht ik ze al te kennen.
+
+Hij glimlachte ongeloovig.
+
+--Wil ik ze eens voor u opzeggen?
+
+--Maar dat is onmogelijk.
+
+--Dat is volstrekt niet onmogelijk. Wil ik het eens probeeren? Neem
+het boek maar.
+
+Hij nam het boek en ik begon het vers op te zeggen. Slechts een paar
+maal behoefde hij mij te helpen.
+
+--Maar hoe is 't mogelijk, dat gij ze kent! riep hij verbaasd uit.
+
+--Ik ken ze nog niet heel goed, maar nu geloof ik wel, dat ik ze
+zonder fouten zou kunnen opzeggen.
+
+--Hoe hebt gij ze dan geleerd?
+
+--Ik heb ze uw mama hooren voorlezen, maar ik heb aandachtig
+geluisterd, zonder te letten op hetgeen er om mij gebeurde.
+
+Hij bloosde en wendde het gelaat af. Na een oogenblik van schaamte,
+vervolgde hij:
+
+--Ik begrijp hoe gij geluisterd hebt, en ik zal trachten te luisteren
+zooals gij. Maar hoe hebt gij het toch aangelegd, om al die woorden
+uit elkaar te houden, die in mijn geheugen zich met elkander verwarren.
+
+Hoe ik dat had aangelegd wist ik zelf niet juist; want ik had er niet
+over nagedacht. Toch trachtte ik het hem uit te leggen en daardoor
+tevens mijzelven rekenschap ervan te geven.
+
+--Waarover loopt eigenlijk die fabel? vroeg ik. Over een lammetje? Nu
+begon ik te denken aan lammeren. Dan denk ik aan hetgeen zij doen. "De
+lammetjes waren zoo veilig in 't park." Ik zie die lammeren neergevlijd
+en slapend in hun park, omdat zij daar veilig zijn, en nu ik ze eens
+gezien heb, vergeet ik ze niet meer.
+
+--O ja, zeide hij; nu zie ik ze ook. "De lammetjes waren zoo veilig in
+'t park." Ik zie witte en zwarte; ik zie ook de schapen en het park
+zelf. Het zijn elzeboomen.
+
+--Dus zult gij 't niet meer vergeten?
+
+--O, neen.
+
+--Wie waakt er gewoonlijk over de schapen!
+
+--Honden.
+
+--Als ze niet op de schapen behoeven te passen, omdat deze veilig zijn,
+wat doen dan de honden?
+
+--Dan hebben ze niets te doen.
+
+--Dus kunnen zij slapen. Daarom zegt de fabel: "De honden sliepen."
+
+--O ja, nu wordt het gemakkelijk.
+
+--Niet waar? 't Is heel gemakkelijk. Nu denken wij aan iets anders. Wie
+bewaken de schapen nog meer dan de honden?
+
+--Een herder.
+
+--Als de schapen veilig zijn en de herder niets te doen heeft, waar
+brengt hij dan zijn tijd mee door?
+
+--Met op de fluit te spelen.
+
+--Ziet ge hem?
+
+--Ja.
+
+--Waar is hij?
+
+--Onder de schaduw van een grooten olmboom.
+
+--Is hij alleen?
+
+--Neen, met andere herders uit den omtrek.
+
+--Welnu, als gij de schapen ziet, het park, de honden, den herder,
+kunt gij dan niet zonder fouten het begin van uw fabel opzeggen?
+
+--Dat geloof ik ook.
+
+--Probeer het eens.
+
+Toen hij mij zoo hoorde praten en hem uitleggen hoe hij gemakkelijk
+eene les kon leeren, die hem eerst zoo moeilijk toescheen, zag Arthur
+mij met ontzag en zelfs eenigszins vreesachtig aan, alsof hij nog
+niet overtuigd was van de waarheid van hetgeen ik zeide. Na eenige
+oogenblikken van aarzeling, was hij echter gereed.
+
+--De lammetjes waren zoo veilig in 't park; de honden sliepen en de
+herder, onder de schaduw van een grooten olmboom, speelde op de fluit
+met andere herders uit de buurt.
+
+Toen klapte hij in de handen.
+
+--Maar ik ken ze! riep hij; ik heb geen enkele fout gemaakt.
+
+--Wilt gij het overige gedeelte van de fabel op dezelfde wijze leeren?
+
+--O, met u ben ik zeker, dat ik ze zal kennen. Wat zal mama in haar
+schik zijn.
+
+En hij leerde de rest van de fabel, zooals hij het eerste gedeelte
+geleerd had. In minder dan een kwartier kende hij ze letterlijk en
+hij was juist bezig om ze op te zeggen, toen zijn moeder bij ons kwam.
+
+Eerst keek zij een weinig knorrig, dat zij ons bij elkander zag,
+want zij dacht, dat wij samen speelden, maar Arthur liet haar den
+tijd niet een woord te zeggen.
+
+--Ik ken ze! riep hij, en hij heeft ze mij geleerd.
+
+Mevrouw Milligan zag me eenigszins verwonderd aan, en zij zou mij
+zeker iets gevraagd hebben, toen Arthur, zonder dat zij het hem vroeg,
+de fabel van "de wolf en het lammetje" begon op te zeggen. Hij deed
+dit opgewonden en vroolijk, zonder een oogenblik te haperen en zonder
+een enkele fout.
+
+Onderdehand keek ik mevrouw Milligan aan; ik zag een glimlach op haar
+schoon gelaat, en toen meende ik hare oogen vochtig te zien worden,
+maar daar zij op dat oogenblik zich over haar zoon heenboog en hem
+teeder met beide armen omhelsde, kon ik niet zien of zij weende.
+
+--Die woorden, och! zeide Arthur, die beteekenen niets; men moet
+de dingen zien en Rémi heeft mij den herder laten zien met zijne
+fluit. Als ik onder het leeren de oogen opsloeg, dacht ik niet meer
+aan 't geen om mij was; ik zag de fluit van den herder en hoorde wat
+hij speelde. Wil ik u eens voorzingen wat hij speelde, mama?
+
+En hij zong in het engelsch een droefgeestig lied.
+
+Nu weende mevrouw Milligan bepaald, en toen zij zich ophief, zag
+ik hare tranen op de wangen van haar kind. Toen kwam ze bij mij,
+nam mijne hand en drukte die zoo innig, dat ik ervan ontroerde.
+
+--Gij zijt een goede jongen, zeide zij.
+
+Als ik deze kleine geschiedenis wat uitvoerig verteld heb, is het om
+de verandering te doen begrijpen, die van dat oogenblik af in mijn
+toestand plaats had. Den vorigen dag had men mij aangezien voor een
+knaap, die honden kunstjes liet maken en voor niets deugde als om
+met zijn dieren den menschen een oogenblik van vermaak te bezorgen
+en nu juist van pas kwam, om een ziek kind wat afleiding te geven;
+maar deze les scheidde mij geheel van mijn honden en mijn aap; ik
+werd een makker, bijna een vriend.
+
+Ik moet hier al dadelijk bijvoegen, wat ik eerst later vernam, dat
+mevrouw Milligan zeer verdrietig was, dat haar zoon niet leerde of
+liever niet kon leeren. Al was hij ziek, zij wilde dat hij werken zou,
+en juist omdat die ziekte van langen duur kon wezen, wilde zij van nu
+af aan zijn geest de vorming geven, die hem in de gelegenheid stelde
+om, als hij genezen zou zijn, zijne schade in te halen.
+
+Tot hiertoe was zij daarin niet geslaagd; al had Arthur geen
+tegenzin in het werken, hij had geen aandacht en vlijtig was hij ook
+niet. Zonder tegenstand nam hij het boek, dat men hem in de handen
+gaf, en hij nam het zelfs gretig aan, maar al deed hij zijn boek open,
+zijn geest opende zich niet, en slechts werktuigelijk herhaalde hij,
+zoo goed of zoo kwaad als 't ging, de woorden, die men met moeite
+hem inpompte.
+
+Dit deed zijne moeder innig verdriet en zij werd er bijna wanhopend
+onder. Maar zooveel te blijder was zij, toen zij hem de fabel hoorde
+opzeggen, die hij in een half uur van mij geleerd had, en die zij
+verscheidene dagen lang vruchteloos getracht had hem te doen onthouden.
+
+Als ik nu aan de dagen denk op de boot doorgebracht met mevrouw
+Milligan en Arthur, komen zij mij nog voor de gelukkigste van mijne
+jeugd te zijn geweest.
+
+Arthur had eene innige genegenheid voor mij opgevat, en van mijne
+zijde gaf ik toe, zonder erover na te denken, aan hunne sympathie
+en beschouwde hem als mijn broeder. Nooit hadden wij den geringsten
+twist; van zijne zijde gaf hij nooit eenig blijk, dat hij zich boven
+mij verheven achtte, en ik was nooit verlegen voor hem; ik dacht er
+zelfs niet aan, dat ik verlegen kon zijn.
+
+Dit lag waarschijnlijk aan mijn jaren, aan mijne onbekendheid met
+het maatschappelijk leven, maar zeker nog veel meer aan de kieschheid
+en goedhartigheid van mevrouw Milligan, die mij vaak toesprak, of ik
+haar kind was.
+
+En dan die reis in eene boot was voor mij zoo rijk aan allerlei
+vreemde dingen. Geen oogenblik verveelde ik mij of voelde ik mij
+vermoeid. Van den morgen tot den avond konden wij onzen tijd besteden.
+
+Sedert men spoorwegen heeft aangelegd, reist men niet meer door
+het Zuiderkanaal; men kent het zelfs niet meer; toch is het een der
+merkwaardigheden van Frankrijk. Het is een van de meest belangrijke
+gedeelten van 't land, dat het doorsnijdt en van de mooiste tevens. Als
+wij een van de schoonste partijen bereikt hadden, legden wij maar
+enkele mijlen per dag af; was daarentegen de streek eentonig, dan
+vorderden wij wat sneller.
+
+De weg zelf besliste of wij zouden blijven of verder gaan. Geen van
+die lastige bemoeiingen, waarmede andere reizigers zich bezig hebben
+te houden, werden van ons gevergd. Wij hadden geen lange dagreizen
+te maken om een geschikt logement te vinden, waar wij zeker zouden
+zijn een goede tafel en een goed logies te bekomen.
+
+Op de daarvoor vastgestelde uren werd de tafel voor ons aangericht
+onder de verandah, en terwijl wij van den maaltijd gebruik maakten,
+volgden wij kalm de oevers die voor ons voorbijschoven. Als de zon
+onderging, hielden wij stil waar de duisternis inviel, en wij bleven
+daar tot het weer dag werd.
+
+Daar wij altijd thuis waren, kenden wij die eindelooze, vervelende
+avonduren niet, welke den reiziger zoo zwaar vallen. Die avonduren
+waren integendeel voor ons nog te kort, en de tijd om ons ter ruste
+te begeven overviel ons vóór dat wij nog aan slapen dachten.
+
+Als de boot stillag en het koud was, bleven wij in het salon, waar een
+vuurtje werd aangelegd om het vocht en de nachtlucht te verdrijven,
+die voor een zieke zoo nadeelig zijn. Er werden lampen ontstoken en
+Arthur werd bij de tafel geschoven; ik ging bij hem zitten en mevrouw
+Milligan liet ons boeken met platen of photographieën zien. Evenals het
+schip, waarop wij waren, ingericht was voor dezen bijzonderen tocht,
+zoo waren ook de boeken en platen met het oog op de reis gekozen. Waren
+wij moe van het kijken, dan las mevrouw er het een en ander uit voor,
+dat wij begrijpen konden en dat ons belang inboezemde. Soms bergde zij
+ook de platen weg en sloot de boeken en verhaalde ons de legenden,
+de gebeurtenissen die plaatsgevonden hadden in de streken, waar wij
+ons bevonden. Onder het vertellen keek zij haar zoontje steeds aan
+en het was aandoenlijk te zien, zooveel moeite zij zich gaf om zóó
+te vertellen, dat hij haar volkomen begreep.
+
+Wat mij betreft, als het mooi weer was, had ik ook mijne taak. Dan
+nam ik mijn harp, ging aan land en op eenigen afstand zette ik mij
+onder een boom, waarvan de schaduw mij verborg en zong en speelde
+dan alle liederen, die ik kende. Voor Arthur was het een groot
+genot in de stilte van den nacht muziek te hooren, zonder te zien
+wie speelde. Dikwijls riep hij: "nog eens!" en dan speelde of zong
+ik het lied ten tweedemale.
+
+Dat was een kalm en gelukkig leven voor een knaap als ik, die de
+hut van vrouw Barberin verlaten had om rond te zwerven met signor
+Vitalis. Welk een verschil tusschen den schotel aardappelen met
+zout van mijn arme pleegmoeder en de heerlijke vruchtentaarten, de
+geleien en de pasteitjes uit de keuken van mevrouw Milligan. Welk
+een onderscheid tusschen de lange tochten te voet, door slijk en in
+den regen, of onder een verzengende zon achter mijn meester, en deze
+spelevaart door de kalme wateren.
+
+Maar om mijzelven recht te doen wedervaren moet ik erkennen, dat ik
+nog gevoeliger was voor het zedelijk genot van dit nieuwe leven dan
+voor de stoffelijke voordeelen, die het mij gaf.
+
+Ja, zij waren lekker, die pasteitjes van mevrouw Milligan; het was een
+genot geen honger meer te hebben of niet meer te lijden van koude en
+hitte, maar hoeveel beter en aangenamer waren voor mij die gedachten
+en gevoelens, die mijn hart troffen en vervulden. Tot twee malen toe
+had ik de banden zien verbreken, welke mij hechtten aan hen, die ik
+liefhad; de eerste maal toen ik aan vrouw Barberin werd ontrukt;
+de tweede maal toen ik gescheiden werd van Vitalis; tot tweemaal
+toe had ik alleen gestaan op de wereld, zonder steun, zonder hulp,
+met mijn dieren tot eenige vrienden en levensgezellen.
+
+En nu had ik in mijne verlatenheid en mijn wanhopenden toestand iemand
+gevonden, die mij liefde had betoond en die ik lief kon hebben: eene
+vrouw, eene schoone, aanzienlijke dame, zacht, minzaam en teeder, een
+knaap van mijn leeftijd, die mij behandelde alsof ik zijn broeder was.
+
+Welk een genot, welk een geluk voor een hart als het mijne, dat
+zooveel behoefte had aan liefde. Als ik Arthur aanzag, die bleek en
+roerloos op zijne plank lag uitgestrekt, hoe dikwijls had ik hem dan
+zijn geluk benijd, ik, die zoo gezond en sterk was. Niet de weelde,
+waarin hij leefde, benijdde ik hem, zijn boeken, noch zijn fraai
+speelgoed, noch zijn schip, maar de liefde, die zijn moeder hem
+betoonde. Wat moest hij gelukkig zijn zóó bemind te worden, tien-,
+twintigmaal een kus te krijgen van die schoone dame en zelf een kus
+te mogen geven aan die edele vrouw, wier hand ik nauwlijks durfde
+aanraken als ze mij die toestak.
+
+En dan zeide ik treurig tot mijzelven, dat ik nooit eene moeder zou
+hebben, die mij zou kussen en die ik zou mogen kussen. Misschien zou
+ik nog eens mijne pleegmoeder, vrouw Barberin, terugzien, en dan zou
+ik mij gelukkig achten, maar dan zou ik haar niet meer moeder kunnen
+noemen, want ik wist nu, dat zij mijne moeder niet was.
+
+Alleen! Altijd zou ik alleen zijn op de wereld!
+
+Die gedachte deed mij dan ook zooveel te hooger het genot waarderen dat
+ik smaakte, als mevrouw Milligan en Arthur mij vriendelijk behandelden.
+
+Ik mocht niet te veel vergen voor mijn geluk, en daar ik nooit eene
+moeder, een broer of familie op de wereld zou bezitten, moest ik al
+tevreden zijn, als ik vrienden vond.
+
+Ik moest gelukkig zijn en dit was ik ook volkomen.
+
+Nochtans, hoe aangenaam voor mij dit nieuwe leven ook was, weldra
+moest ik er mede breken en tot mijn vroeger bestaan terugkeeren.
+
+
+
+
+XIII.
+
+DE VONDELING.
+
+
+Gedurende deze reis was de tijd zeer snel omgegaan en de dag was
+bijna aangebroken, waarop mijn meester de gevangenis zou verlaten.
+
+Naarmate wij ons meer en meer van Toulouse verwijderden, werd de
+gedachte daaraan voor mij kwellender.
+
+Het was zoo heerlijk op een schip te zijn, zoo geheel zonder zorg of
+kommer; maar ik moest terugkeeren en den weg, dien ik op het water
+had afgelegd, moest ik te voet terugmaken.
+
+Dat zou minder prettig wezen; ik zou dan geen zacht bed meer hebben,
+geen melk drinken of taartjes eten en den avond nooit meer in zulk
+een gezelligen kring doorbrengen.
+
+Maar het meest speet mij toch, dat ik Arthur en mevrouw Milligan zou
+moeten verlaten; ik zou hun liefde niet langer ondervinden en ook hen
+verliezen, evenals ik vrouw Barberin reeds verloren had. Zou ik dan
+altijd, wanneer ik van iemand hield, op zulk wreede wijze gescheiden
+worden van hen, met wie ik mijn ganse leven zou willen doorbrengen?
+
+Ik moet bekennen, dat dit de eenige sombere gedachte was, die in deze
+gelukkige dagen bij mij opwelde.
+
+Eindelijk op een morgen, besloot ik mijn verdriet aan mevrouw Milligan
+te vertellen en haar te vragen in hoeveel tijd ik naar Toulouse zou
+kunnen terugkeeren, want ik wilde gaarne voor de deur van de gevangenis
+staan, als mijn meester die zou verlaten.
+
+Toen ik van vertrekken sprak, begon Arthur te weenen.
+
+--Rémi mag niet vertrekken! riep hij.
+
+Ik gaf hem ten antwoord, dat ik mijn eigen baas niet was, dat ik aan
+mijn meester behoorde, aan wien mijn ouders mij verhuurd hadden en
+dat ik weder bij hem in dienst moest gaan, zoodra hij mij noodig had.
+
+Ik sprak van mijn ouders, zonder te zeggen, dat zij mijn vader en
+mijn moeder niet waren, want dan zou ik tevens hebben moeten bekennen,
+dat ik slechts een vondeling was; en die schande te vertellen, kon ik
+niet over mij verkrijgen, daar ik altijd onnoemlijk veel geleden had,
+als ik zag, hoe de kinderen uit het gesticht in ons dorp behandeld
+werden. Een vondeling! Het scheen mij toe, dat er geen ellendiger
+wezens op deze wereld waren.
+
+Mijn meester wist, dat ik een vondeling was, maar hij was mijn meester,
+en toch zou ik liever op de plaats zelf dood zijn neergevallen, dan
+aan mevrouw Milligan en Arthur, die mij in hun kring hadden opgenomen,
+bekend te hebben, dat ik een vondeling was; zouden zij mij dan niet
+met afkeer van zich hebben gestooten?
+
+--Mama, gij moet Rémi hier houden, vervolgde Arthur, die, als het niet
+zijn werk betrof, het meest te zeggen had en alles van haar verkreeg,
+wat hij verlangde.
+
+--Ik zou Rémi gaarne bij mij doen blijven, antwoordde mevrouw Milligan,
+gij houdt veel van hem en ook ik ben hem zeer genegen; maar om hem
+bij ons te houden, moeten wij het eerst omtrent twee voorwaarden eens
+zijn, die van u noch van mij afhankelijk zijn. In de eerste plaats:
+wil Rémi bij ons blijven....
+
+--O, Rémi wil wel, viel Arthur haar in de rede; niet waar Rémi,
+gij wilt liever niet naar Toulouse terugkeeren?
+
+--Ten tweede, vervolgde mevrouw Milligan, zonder mijn antwoord af te
+wachten, moet zijn meester eerst van de rechten, die hij op hem heeft,
+afstand doen.
+
+--Rémi, Rémi! in de eerste plaats, viel Arthur haar in de rede.
+
+Vitalis was ontegenzeglijk een goed meester voor mij geweest en ik
+was hem ook oprecht dankbaar voor zijne lessen, maar er was geen
+vergelijking te maken tusschen het leven, dat ik bij hem leidde
+en dat, hetwelk mevrouw Milligan mij aanbood; ook zou ik moeilijk
+een vergelijking kunnen maken tusschen de genegenheid, welke ik
+voor Vitalis gevoelde en die, welke mevrouw Milligan en Arthur mij
+inboezemden.
+
+Als ik daaraan dacht, dan zeide ik wel tot mezelf, dat het slecht van
+mij was om die vreemde menschen boven mijn meester te stellen, maar het
+was de waarheid; ik hield innig veel van mevrouw Milligan en Arthur.
+
+--Voordat Rémi hierop antwoordt, vervolgde zij, moet hij goed bedenken,
+dat het geen leven van louter pleizier is, dat ik hem aanbied, maar
+dat hij wel degelijk moet werken; hij moet studeeren en Arthur in al
+zijn lessen volgen; hij moet dit wel in overweging nemen en vergelijken
+met zijn vorige vrijheid.
+
+--Dit kan niet tegen elkander opwegen, mevrouw, dat verzeker ik u en
+ik gevoel volkomen welk een waarde uw voorstel voor mij heeft.
+
+--Ziet ge nu wel, mama! riep Arthur, Rémi wil wel.
+
+En hij klapte in zijn handen van genoegen. Blijkbaar had ik hem uit
+de ongerustheid geholpen, want toen zijn moeder van werken en boeken
+sprak, had zijn gelaat een angstiger uitdrukking aangenomen. Als ik
+eens weigerde! en deze vrees moet zeer groot bij hem geweest zijn,
+daar hij een afkeer had van boeken. Gelukkig echter koesterde ik
+niet denzelfden angst en in plaats dat ik een afkeer van boeken had,
+trokken zij mij veeleer aan. Wel is waar, had ik er nog niet veel
+gelezen, maar de boeken welke men mij gegeven had, hadden mij altijd
+meer genot dan verdriet verschaft. Het aanbod van mevrouw Milligan
+maakte mij dan ook zeer gelukkig en ik meende het oprecht, toen ik
+haar bedankte voor haar edelmoedigheid. Ik behoefde dus _De Zwaan_
+niet te verlaten en van dit heerlijk leven zou ik geen afscheid nemen;
+ik behoefde van Arthur en zijn moeder niet te scheiden.
+
+--Wij hebben nu nog slechts de toestemming van zijn meester noodig,
+ging mevrouw Milligan voort; ik zal hem schrijven en zeggen, dat hij
+ons te Cette vinden kan, daar wij niet meer naar Toulouse kunnen
+terugkeeren; ik zal hem de reiskosten overmaken en wanneer ik hem
+uitgelegd heb, waarom wij niet met den trein kunnen gaan, dan hoop
+ik, dat hij mijn uitnoodiging zal aannemen. Als hij mijn voorstel
+goedkeurt, dan behoef ik het nog maar met Rémi's ouders eens te worden,
+want ook zij moeten hierin geraadpleegd worden.
+
+Tot nogtoe was het gesprek voor mij geheel naar wensch geloopen;
+het was alsof een goede fee mij met haar staf had aangeraakt;
+maar deze laatste woorden brachten mij op een wreede wijze tot de
+werkelijkheid terug.
+
+Mijn ouders raadplegen!
+
+Ongetwijfeld zouden deze alles vertellen, wat ik verzwijgen wilde. De
+waarheid zou aan het licht komen. Een vondeling!
+
+Dan zou Arthur noch zijn moeder mij meer willen kennen; dan zou de
+genegenheid, die zij voor mij hadden opgevat, geheel verdwijnen;
+de herinnering aan mij zou hun zelfs onaangenaam worden. Arthur
+zou met geen vondeling gespeeld hebben; deze zou nooit zijn makker,
+zijn vriend, bijna zijn broer zijn geweest.
+
+Ik stond als vastgenageld aan den grond.
+
+Mevrouw Milligan zag mij uiterst verbaasd aan. Zij wilde, dat ik
+spreken zou, maar ik durfde hare vragen niet beantwoorden; toen
+meende zij echter zeker, dat de gedachte aan de naderende komst van
+mijn meester mij zoo aandeed, want zij drong niet langer bij mij aan.
+
+Gelukkig vond dit gesprek 's avonds plaats, weinige uren vóór dat
+wij ons te rust begaven; ik kon mij dus spoedig aan de nieuwsgierige
+blikken van Arthur onttrekken en mij in mijn hut met mijn angsten en
+zorgen opsluiten.
+
+Dat was mijn eerste slapelooze nacht, dien ik op _De Zwaan_ doorbracht.
+
+Wat zou ik zeggen? wat moest ik doen?
+
+Ik vond geen uitkomst.
+
+En nadat ik honderdmaal van gedachten veranderd was, de meest
+tegenstrijdige denkbeelden elkander waren opgevolgd, kwam ik eindelijk
+tot het besluit niets te doen en niets te zeggen. Ik zou alles zijn
+gewonen loop laten gaan en mij aan mijn lot onderwerpen, wat er ook
+gebeuren mocht.
+
+Misschien wilde Vitalis geen afstand van mij doen en dan zou de
+waarheid ook nooit bekend worden.
+
+En zoozeer vreesde ik, dat de waarheid aan het licht zou komen,
+dat ik zelfs begon te hopen, dat Vitalis het voorstel van mevrouw
+Milligan niet aannemen zou.
+
+Ik moest van Arthur en zijn moeder scheiden, om ze nooit weer te
+zien, maar in elk geval mochten zij geen onaangename herinnering aan
+mij houden.
+
+Drie dagen later ontving mevrouw Milligan een brief van mijn meester,
+dat hij den daaropvolgenden Zaterdag met den trein van twee uur te
+Cette zou komen.
+
+Ik vroeg aan mevrouw Milligan verlof om naar het station te gaan en
+de honden en Joli-Coeur met mij mede te nemen, om onzen meester op
+te wachten.
+
+De honden waren onrustig, alsof zij eenig vermoeden hadden van
+hetgeen gebeuren zou. Joli-Coeur was onverschillig en ik zelf voelde
+mij geducht zenuwachtig. Er zou thans een beslissing over mijn leven
+genomen worden. O, als ik maar gedurfd had, hoe gaarne zou ik Vitalis
+gesmeekt hebben, niet te vertellen, dat ik een vondeling was.
+
+Ik was in een hoekje van het station gaan staan; met mijn drie honden
+aan een touw naast mij en Joli-Coeur onder mijn jas, wachtte ik hem
+daar op, zonder acht te slaan op hetgeen om mij heen gebeurde.
+
+De honden waarschuwden mij, dat de trein aangekomen was, en zij onzen
+meester geroken hadden. Plotseling voelde ik mij voorttrekken en daar
+ik niet op mijn hoede was, ontsnapten de honden mij. Zij sprongen
+op Vitalis toe en dezen zag ik eensklaps voor mij in zijn bekend
+gewaad. Capi was reeds in zijn armen gesprongen en Zerbino en Dolce
+klauterden tegen zijn beenen op.
+
+Ik ging thans op mijn beurt naar hem toe, en toen Vitalis Capi op den
+grond had gezet, drukte hij mij in zijn armen. Dit deed hij voor de
+eerste maal en hij prevelde herhaaldelijk:
+
+--_Buon di, povero caro_!
+
+Mijn meester had mij nooit mishandeld, maar hij was toch ook nooit
+bijzonder zacht tegen mij geweest en ik was dergelijke ontboezemingen
+niet van hem gewoon; zij troffen mij dus te sterker en de tranen
+stonden in mijn oogen, want ik was in een toestand, waarin het hart
+zich spoedig ontsluit.
+
+Ik zag hem aan en ik bespeurde, dat hij in de gevangenis veel verouderd
+was; hij ging lang zoo recht niet meer; zijn houding was gebogen,
+de blos was van zijn wangen verdwenen en zijn lippen waren kleurloos.
+
+--Gij vindt mij veranderd, niet waar? De gevangenis is een ongezond
+verblijf en de verveling een kwade ziekte; maar dat zal nu allemaal
+wel overgaan.
+
+Hij veranderde toen plotseling van onderwerp en vroeg:
+
+--Hoe hebt gij die dame leeren kennen, die mij geschreven heeft?
+
+Toen vertelde ik hem mijne ontmoeting met _De Zwaan_ en hoe ik sedert
+dien tijd bij mevrouw Milligan en Arthur geleefd had, wat wij gezien en
+gedaan hadden. Mijn verhaal duurde zeer lang, daar ik bang was om aan
+het einde te komen en onderweg te spreken over hetgeen mij zooveel
+angst aanjoeg; want ik zou nooit aan mijn meester durven zeggen,
+dat ik hem verlaten wilde, om bij mevrouw en Arthur te blijven.
+
+Maar ik behoefde hem deze bekentenis nooit te doen, want wij waren
+het hotel genaderd, waar mevrouw Milligan haar intrek genomen had,
+vóór dat ik mijn verhaal had geëindigd. Vitalis sprak mij bovendien
+in het geheel niet van den brief, dien hij had ontvangen, evenmin
+als van het voorstel, dat zij hem waarschijnlijk daarin gedaan had.
+
+--En die dame wacht mij? vroeg hij, toen wij het hotel binnentraden.
+
+--Ja, ik zal u naar haar kamer brengen.
+
+--Dat is onnoodig, zeg mij het nommer maar; dan kunt gij hier met
+Joli-Coeur en de honden op mij wachten.
+
+Als mijn meester iets zeide, dan was ik niet gewoon hem tegen te
+spreken; toch waagde ik eene opmerking en verzocht hem opnieuw,
+hem naar mevrouw Milligan te mogen vergezellen, wat mij niet meer
+dan billijk en natuurlijk toescheen; maar met een wenk, legde hij
+mij het zwijgen op en ik moest hem wel gehoorzamen. Ik bleef in de
+gang, met de honden bij mij, op een bank wachten. Zij wilden hem ook
+volgen, maar zij durfden evenmin zich verzetten als ik: Vitalis wist
+gehoorzaamd te worden.
+
+Waarom wilde hij niet, dat ik tegenwoordig zou zijn bij het onderhoud,
+dat hij met mevrouw Milligan hebben zou? Dit vroeg ik mezelf gedurig
+af en beschouwde deze vraag van alle zijden. Ik had zelfs nog geen
+antwoord daarop gevonden, toen ik hem reeds zag terugkomen.
+
+--Ga van deze dame afscheid nemen, zeide hij; ik wacht u hier, binnen
+tien minuten zijn wij vertrokken.
+
+Ik was buiten mezelf van schrik.
+
+--Welnu, hervatte hij na een oogenblik, begrijpt gij mij niet? Gij
+blijft daar staan, alsof ge stom zijt: haast u!
+
+Het was zijn gewoonte niet om mij op zulk een harden toon toe te
+spreken, en zoolang ik bij hem was, had hij nog nooit zoo iets tegen
+mij gezegd.
+
+Ik stond op om werktuiglijk, zonder hem te begrijpen, hem te
+gehoorzamen.
+
+Maar toen ik eenige schreden gedaan had, vroeg ik hem:
+
+--Gij hebt dus gezegd....
+
+--Ik heb gezegd, dat gij mij van dienst waart en dat ik u van het
+hoogste nut was; dus, dat ik niet van plan was, om van mijn rechten
+afstand te doen; ga en kom spoedig terug.
+
+Dat gaf mij weder eenigen moed, want ik verkeerde geheel-en-al onder
+den invloed van het besef een vondeling te zijn en verbeeldde mij,
+dat, indien wij binnen tien minuten vertrokken moesten zijn, het was
+omdat mijn meester mijn geboorte had verteld.
+
+Toen ik binnentrad, vond ik Arthur in tranen badende, terwijl mevrouw
+Milligan zich over hem heenboog, om hem te troosten.
+
+--Gij gaat immers niet vertrekken, Rémi! riep Arthur uit.
+
+Mevrouw Milligan antwoordde hem in mijne plaats en vertelde hem,
+dat ik gehoorzamen moest.
+
+--Ik heb uw meester verzocht u bij ons te mogen houden, zeide zij,
+op een toon, die mij de tranen in de oogen deed komen, maar hij
+wilde er niet in toestemmen en niets heeft hem van zijn besluit
+kunnen afbrengen.
+
+--Het is een slechte man! riep Arthur.
+
+--Neen, het is geen slechte man, sprak zijn moeder; gij zijt hem van
+dienst en ik geloof bovendien, dat hij veel van u houdt. Uit zijn
+spreken kan men opmaken, dat hij een fatsoenlijk man is en dat hij het
+vroeger stellig beter gehad heeft. Om mij zijn weigering te verklaren,
+zeide hij: "ik houd van dat kind en hij van mij; het leven dat hij
+bij mij leidt is hem van meer nut dan de dienstbaarheid waarin hij,
+ondanks u zelve, bij u verkeert. Gij zoudt hem laten leeren en een
+rijke opvoeding geven, dat is waar; gij zoudt zijn geest vormen, maar
+niet zijn karakter. Hij kan uw zoon niet wezen; hij zal de mijne zijn;
+dat is beter voor hem, dan dat hij de speelbal van uw ziek kind is,
+en hoe goed en braaf deze knaap mij ook schijnt, zal ik hem toch een
+opvoeding weten te geven."
+
+--Maar hij is toch de vader niet van Rémi! riep Arthur.
+
+--Hij is zijn vader niet, daar hebt gij gelijk in, maar hij is
+zijn meester en Rémi behoort hem toe, daar zijn ouders hem verhuurd
+hebben. Voor het oogenblik moet Rémi hem gehoorzamen.
+
+--Rémi mag niet vertrekken.
+
+--Hij moet zijn meester volgen, maar ik hoop slechts voor korten
+tijd. Wij zullen aan zijn ouders schrijven en ik zal het met hen wel
+in orde brengen.
+
+--O, neen! riep ik uit.
+
+--Wat, niet?
+
+--O, neen, als het u belieft, niet!
+
+--Dat is toch het eenige middel, mijn jongen.
+
+--Och, doe dat niet!
+
+Zeker zou mijn afscheid langer geduurd hebben dan tien minuten,
+zoo mevrouw Milligan niet van mijn ouders gesproken had.
+
+--Zij wonen te Chavanon, niet waar? vervolgde zij.
+
+Zonder haar te antwoorden, trad ik naar Arthur toe en hem in mijn
+armen nemende, kuste ik hem herhaaldelijk en in mijn kus lag al de
+broederlijke genegenheid, die ik voor hem gevoelde. Ik rukte mij toen
+uit zijn omhelzing los en mij naar zijn moeder keerende knielde ik
+voor haar neder en drukte een kus op haar hand.
+
+--Arme jongen! stamelde zij, terwijl zij zich over mij heenboog en
+ook zij gaf mij een kus op het voorhoofd.
+
+Ik richtte mij toen plotseling op en snelde naar de deur.
+
+--Arthur, ik zal altijd van u blijven houden, zeide ik snikkend,
+en u mevrouw, nooit zal ik u vergeten.
+
+--Rémi! Rémi! steunde Arthur.
+
+Maar ik hoorde niets meer; ik was verdwenen en had de deur achter
+mij gesloten.
+
+Een oogenblik later stond ik naast mijn meester.
+
+--En nu vooruit! zeide hij.
+
+Wij verlieten Cette en sloegen den weg naar Frontignan in.
+
+Zoo verliet ik mijn eersten vriend en tal van lotgevallen werden mijn
+deel, waarvoor ik anders bespaard zou zijn gebleven, indien ik niet
+het slachtoffer van een afschuwelijk vooroordeel ware geweest en mij
+niet door een dwaze vrees had laten beheerschen.
+
+
+
+
+XIV.
+
+SNEEUW EN WOLVEN.
+
+
+Ik moest voortaan weder achter mijn meester loopen, met het koord van
+de harp over mijn schouder geslagen, en verre tochten door regen en
+wind, warmte en koude met hem afleggen.
+
+Het zou weder mijn lot zijn, om mij op pleinen en markten zoo dom
+mogelijk voor te doen en het geëerde publiek te doen lachen of weenen.
+
+De overgang was wreed, want niets went zoo spoedig als een gemakkelijk
+en gelukkig leven.
+
+Ik gevoelde mij dikwijls vermoeid en uitgeput, ergerde of verveelde
+mij gedurig, en ondervond allerlei gewaarwordingen, die vroeger nooit
+door mij gevoeld werden.
+
+Gedurende onze wandelingen bleef ik dikwijls ver achter, om aan
+Arthur, aan mevrouw Milligan en _De Zwaan_ te kunnen denken, en in
+mijn herinnering leefde ik dan weder in het verleden.
+
+O, welk een goede tijd was dat!
+
+En als wij 's avonds in een vuile kamer van de eene of andere herberg
+sliepen, dan dacht ik aan de hut, die ik in _De Zwaan_ had, en hoe
+hard vond ik dan mijn beddelakens.
+
+Ik zou niet meer met Arthur spelen, ik zou nooit die lieve,
+vriendelijke stem van mevrouw Milligan meer hooren!
+
+Gelukkig echter troostte mij één ding in mijn zeer groot en voortdurend
+verdriet: mijn meester was voor mij veel minzamer--hartelijker zelfs,
+zoo deze uitdrukking van toepassing kon zijn op Vitalis,--dan hij
+ooit geweest was!
+
+Zijn karakter, of liever zijn omgang met mij, had in dit opzicht een
+groote verandering ondergaan en dit althans gaf mij de kracht om mijn
+leed te dragen en mijne tranen te bedwingen, wanneer de gedachte aan
+Arthur mij het hart vervulde. Ik gevoelde dan, dat ik niet alleen op
+de wereld was en dat Vitalis méér voor mij was dan een meester.
+
+Dikwijls zelfs, wanneer ik slechts gedurfd had, gevoelde ik een
+onwederstaanbaren lust, om hem een kus te geven; zulk een behoefte
+had ik om aan de genegenheid, die ik hem toedroeg, lucht te geven,
+maar ik had den moed niet, want Vitalis was er de man niet naar,
+tegenover wien men vertrouwelijk kon zijn.
+
+In het begin en ook gedurende de eerste jaren, was het een zekere
+vrees, die mij op een afstand van hem hield; thans was het een gevoel
+van eerbied, dat hij in mij opwekte.
+
+Toen ik mijn dorp verliet, was Vitalis in mijn oog een mensch
+zooals alle anderen, want ik was toen nog niet in staat om eenig
+onderscheid te maken; maar mijn verblijf bij mevrouw Milligan had
+mij tot op zekere hoogte de oogen geopend en zonderling, wanneer ik
+Vitalis soms aandachtig gadesloeg, dan scheen het mij toe, alsof hij
+in zijn houding, zijn manieren en alles eenige overeenkomst had met
+mevrouw Milligan.
+
+Ik zeide dan wel tot mezelf, dat dit onmogelijk was, daar mijn meester
+slechts honden en apen vertoonde, en mevrouw Milligan een aanzienlijke
+dame was.
+
+Maar al zeide mijn verstand mij dit, mijn oogen moesten toch gelooven,
+wat zij aanhoudend zagen; als Vitalis het wilde, dan was zijn voorkomen
+even voornaam als dat van mevrouw Milligan; het eenige onderscheid
+tusschen hen was, dat mevrouw Milligan altijd een dame was, terwijl
+mijn meester slechts in enkele omstandigheden zich als een heer
+voordeed; maar hij was het dan ook zoo volkomen, dat hij zoowel den
+stoutmoedigste als den onbeschaamdste ontzag zou hebben ingeboezemd.
+
+Maar daar ik noch stoutmoedig, noch onbeschaamd was, gevoelde ik mij
+wel onder dien invloed, maar toch durfde ik mijn hart geen lucht geven,
+al lokte hij dit ook door eenige vriendelijke woorden uit.
+
+Nadat wij Cette verlieten, hadden wij verscheidene dagen lang niet
+over mevrouw Milligan en mijn verblijf op _De Zwaan_ gesproken, maar
+langzamerhand was dit het onderwerp van onze gesprekken geworden
+en mijn meester was altijd de eerste, die het aanroerde, en weldra
+verliep er geen dag, zonder dat de naam van mevrouw Milligan door
+ons uitgesproken werd.
+
+--Gij hieldt veel van die dame? vroeg Vitalis mij eens; ja, ik begrijp
+het; zij was goed, zeer goed zelfs voor u: gij moet dan ook altijd
+met dankbaarheid aan haar denken.
+
+Hij voegde er dan ook dikwijls bij:
+
+--Het moest!
+
+Wat moest?
+
+In 't eerst begreep ik dat niet; maar langzamerhand kwam ik tot
+de overtuiging, dat hetgeen zoo moest zijn, betrekking had op het
+voorstel, dat mevrouw Milligan had gedaan, om mij bij haar te houden.
+
+Dat beteekende het zeker, wanneer mijn meester zeide: "Het moest"; en
+het kwam mij voor, dat die enkele woorden eenig berouw verrieden; hij
+had mij wel bij Arthur willen laten, maar dat was onmogelijk geweest.
+
+En in mijn hart was ik hem dankbaar voor dit berouw; hoewel ik niet
+gissen kon, waarom hij het aanbod van mevrouw Milligan had moeten
+afslaan, de uitlegging, welke door deze herhaaldelijk aan mij gegeven
+was, scheen mij niet zeer duidelijk toe.
+
+--Misschien zou hij later het voorstel aannemen.
+
+En dit gaf mij weer eenige hoop.
+
+--Waarom ook zouden wij _De Zwaan_ niet weder ontmoeten?
+
+Zij moest de Rhône opvaren en wij volgden den oever van dezelfde
+rivier.
+
+Onder het wandelen wendde ik dan ook dikwijls den blik naar het water,
+dat aan beide zijden door vruchtbare oevers begrensd werd.
+
+Zoodra wij in een stad kwamen, in Arles, Tarascon, Montélimart,
+Valence, Tournon en Vienne, begaf ik mij altijd het eerst naar de
+kaden of naar de bruggen: ik zocht _De Zwaan_, en als ik van verre
+een boot, die half in een nevel gehuld was, ontdekte, dan bleef ik
+altijd een poos wachten, om te zien of het _De Zwaan_ ook wezen zou.
+
+Maar zij was het nooit.
+
+Soms verstoutte ik mij om het aan een schipper te vragen en ik
+beschreef hem dan de boot, die ik zocht, maar zij hadden haar nog
+nooit voorbij zien varen.
+
+Nu mijn meester besloten had om mij aan mevrouw Milligan af te
+staan--ten minste ik verbeeldde mij dit--zou ik ook niet langer
+bevreesd behoeven te zijn, dat men mij naar mijn geboorte zou vragen,
+of aan vrouw Barberin schrijven zou; alles zou tusschen mijn meester
+en mevrouw Milligan kunnen afgehandeld worden; zoo stelde ik het mij
+althans voor en ik had alles reeds geschikt: mevrouw Milligan verlangde
+mij tot zich te nemen, mijn meester stond haar zijn rechten op mij af,
+en meer zou er niet toe noodig wezen.
+
+Wij bleven verscheidene weken in Lyon, en zoodra ik vrij was, ging
+ik naar de oevers van de Rhône en de Saône; ik wist evengoed als een
+inwoner van Lyon, waar de brug van Aunay, van Tilsitt, van Guillotière
+en die bij het gasthuis gelegen was.
+
+Maar hoe ik ook zocht, _De Zwaan_ vond ik nooit.
+
+Wij moesten Lyon weder verlaten en ons naar Dijon begeven; toen
+verloor ik alle hoop om ooit mevrouw Milligan en Arthur terug te
+zien, want in Lyon had ik alle mogelijke kaarten van Frankrijk, die
+ik op de boekenstalletjes had kunnen vinden, bestudeerd en ik wist,
+dat het kanaal, dat _De Zwaan_ zou opvaren, om de Loire te bereiken,
+bij Chalon zich van de Saône scheidt.
+
+Wij kwamen te Chalon en verlieten die stad zonder _De Zwaan_ te
+hebben gezien: er viel dus niets meer aan te doen; ik moest mijn
+droom opgeven.
+
+Dit kostte mij echter veel moeite.
+
+En om mijn wanhoop nog grooter te maken, begon het weder ondragelijk
+te worden; de winter naderde met rasse schreden en onze tochten door
+weer en wind werden hoe langer hoe onaangenamer. Wanneer wij 's avonds
+een armoedige herberg of een schuur tot nachtverblijf hadden gevonden
+en ik uitgeput van vermoeienis, tot op mijn hemd toe nat en tot over
+mijn enkels beslijkt was, dan begaf ik mij niet met de gelukkigste
+gedachten ter ruste.
+
+Toen wij Dijon verlaten hadden, en de heuvels van Côte-d'Or
+overtrokken, werden wij plotseling door een hevige koude overvallen,
+die al onze ledematen deed verstijven en Joli-Coeur nog treuriger en
+knorriger stemde dan mij.
+
+Mijn meester was van plan om Parijs binnen den kortst mogelijken
+tijd te bereiken; eerst te Parijs zou er voor ons kans bestaan om
+gedurende den winter eenige voorstellingen te geven, maar hetzij hij
+geen geld genoeg had om dezen afstand met den trein af te leggen,
+of om welke andere reden ook, wij moesten te voet den weg volgen,
+die Dijon van Parijs scheidt.
+
+Als het weer het ons toestond, dan gaven wij een korte voorstelling
+in de steden of dorpen die wij doortrokken, en wanneer deze ons dan
+eenig geld opbrachten, zetten wij onze reis weder voort.
+
+Tot Chatillon toe ging alles zijn gewonen gang, hoewel wij altijd
+veel van de koude en vochtigheid te lijden hadden; maar toen wij deze
+stad hadden verlaten, werd het weder droog en draaide de wind naar
+het noorden.
+
+In het eerst was ons dit welkom, hoewel het lang geen aangenaam gevoel
+is, als de noordenwind ons vlak in het gelaat waait, maar toch was
+in elk geval aan dezen scherpen wind nog de voorkeur te schenken
+boven dien regen en mist, dien in de laatste weken zonder ophouden
+gevallen was.
+
+Ongelukkig echter hielden wij het met dezen wind ook niet droog;
+donkere wolken pakten zich aan den hemel samen, de zon scheen niet
+meer en aan alles kon men zien, dat er weldra sneeuw zou vallen.
+
+Waarschijnlijk zouden wij vóór het vallen van de eerste sneeuw een
+groot dorp hebben kunnen bereiken, maar het plan van mijn meester
+scheen, zoo snel mogelijk te Troyes te zijn, omdat Troyes een groote
+stad is, waar wij verscheidene voorstellingen zouden kunnen geven,
+als het slechte weer ons dwong, om daar geruimen tijd te vertoeven.
+
+--Ga spoedig naar bed, zeide hij, toen wij in onze herberg waren
+aangekomen; morgenochtend gaan wij reeds vroeg op reis; maar ik vrees,
+dat de sneeuw ons zal overvallen.
+
+Hijzelf begaf zich echter niet zoo spoedig ter ruste, maar hij
+bleef bij de kachel zitten om eerst Joli-Coeur nog wat te verwarmen,
+welke dien dag veel van de koude had geleden en aanhoudend gesteund
+en gekermd had, ondanks alle voorzorgen om hem in de noodige dekens
+te wikkelen.
+
+Den anderen morgen stond ik bij het aanbreken van den dag op, zooals
+hij mij bevolen had; het was nog donker en aan den zwarten hemel
+flikkerde geen enkele ster; het was alsof een groot, zwaar deksel op
+de aarde was neergedaald en deze zou verpletteren.
+
+Als men de deur opende, joeg een scherpe wind door den schoorsteen,
+die de sintels aanblies, welke men den vorigen avond onder de asch
+had ingerekend.
+
+--Als ik in uw plaats was, sprak de waardin tot mijn meester, dan
+zou ik niet vertrekken; het begint zoo straks te sneeuwen.
+
+--Ik heb haast, antwoordde Vitalis, en ik hoop Troyes te bereiken,
+vóór dat het begint te sneeuwen.
+
+--Dertig mijlen legt men niet gemakkelijk in een paar uur af.
+
+Toch begaven wij ons op reis.
+
+Vitalis stopte Joli-Coeur onder zijn jas, om hem wat van zijn eigen
+warmte te geven, en de honden welke blijde waren met dit droge weder,
+liepen voor ons uit. Mijn meester had te Dijon een schapevacht voor
+mij gekocht, waarvan ik de wol naar binnen gekeerd had en waarmede
+ik mijn gelaat bedekte, zoodat de wind, die ons in het gezicht blies,
+alleen mijn lichaam trof.
+
+Het was niet prettig den mond te moeten openen; wij liepen dus
+zwijgend naast elkander voort en stapten zoo snel mogelijk door,
+zoowel om spoediger ons doel te bereiken, als om ons te verwarmen.
+
+Hoewel het uur reeds lang was aangebroken, waarop de zon opging,
+werd het toch niets lichter om ons heen.
+
+Eindelijk brak in het oosten een witte streep door de duisternis,
+maar de zon vertoonde zich niet; het was geen nacht meer, maar ik
+zou toch zeer overdrijven, als ik beweerde, dat het dag was.
+
+Toch kon men de voorwerpen op het veld reeds duidelijker onderscheiden;
+het witte waas, dat over de aarde verspreid lag, en van het oosten
+uitging, als uit een oven, die op den grond was geplaatst, deed ons
+het geboomte zien, ontdaan van zijn reusachtig lommer en hier en daar
+de heggen, waaraan nog verdorde bladeren hingen, die een dof geluid
+maakten door den wind, welke ze telkens deed ruischen.
+
+In den geheelen omtrek was geen schepsel te ontdekken; noch het
+rollen van een rijtuig, noch het klappen met de zweep trof ons oor;
+de eenige levende wezens, die men hoorde maar niet zag, waren de
+vogels, die zich tusschen de takken verscholen; alleen de eksters
+sprongen over den weg; met opgeheven staart en den kop in de lucht,
+vlogen zij ijlings op, wanneer wij naderden om zich boven in een boom
+te zetten, vanwaar zij ons vervolgden met hun gekras, dat den indruk
+maakte van scheldwoorden, of onheilspellende waarschuwingen.
+
+Plotseling vertoonde zich in het noorden een wit puntje aan den hemel;
+het nam zeer snel in grootte toe, terwijl het ons naderde en wij
+hoorden een zonderlinge mengeling van onsamenstemmende geluiden;
+het moesten wilde eenden of zwanen zijn, die van het noorden naar
+het zuiden trokken. Zij vlogen boven ons hoofd en zij waren reeds
+een eind ver, toen wij nog eenig dons en veertjes door de lucht zagen
+dwarrelen, waarvan de witheid scherp afstak tegen den donkeren hemel.
+
+Het landschap, dat wij doortrokken, was zeer somber en verspreidde
+over al wat ons omringde een droevige eentonige tint; zoover onze
+blik reikte, zagen wij kale velden, stille heuvels en dorre boomen.
+
+De wind was een weinig naar het noordwesten gedraaid; de horizon had
+aan dien kant een koperkleurige tint, hij was zwaar en laag alsof
+hij op de toppen der boomen rustte.
+
+Het duurde ook niet lang of eenige vlokken sneeuw, die zoo groot
+waren als vlinders, begonnen te vallen, zij stoven op-en-neer, en
+warrelden dooreen zonder ooit den grond te raken.
+
+Wij hadden nog niet lang voortgeloopen, of het scheen mij reeds
+onmogelijk toe om Troyes vóór dat het sneeuwde te bereiken; daarover
+maakte ik mij echter niet bezorgd, en ik dacht zelfs, dat wanneer
+het begon te sneeuwen, die noordenwind zou ophouden en de koude
+zou afnemen.
+
+Maar ik kende geen sneeuwstorm; spoedig zou ik ondervinden wat die was,
+en wel op een wijze om het nooit te vergeten.
+
+De wolken, die uit het noordwesten al nader en nader gekomen waren en
+den hemel als met een wit schijnsel verlichtten, waren van elkander
+gespleten en groote sneeuwvlokken begonnen te vallen.
+
+Het waren nu geen vlokken die voor ons uit warrelden, het was een
+regen van sneeuw, die op ons nederviel.
+
+--Het stond zeker geschreven, dat wij Troyes niet mochten bereiken,
+sprak Vitalis; wij moeten dus een schuilplaats zoeken in de eerste
+woning de beste.
+
+Dat waren woorden die mijn hart goed deden; maar waar zouden wij
+gastvrije menschen vinden? Voordat de sneeuw ons nog in zijn sneeuwwit
+kleed had gehuld, had ik een onderzoekenden blik over het geheele
+landschap geworpen, maar geen huis in den omtrek ontdekt, dat ons
+de nabijheid van een dorp kon aankondigen. Wij stonden integendeel
+op het punt om een bosch binnen te treden, welks sombere diepten van
+alle kanten met het oneindige samensmolten.
+
+Wij moesten dus niet al te vast op die woning rekenen; maar misschien
+zou de sneeuw spoedig ophouden.
+
+Zij bleef echter vallen en veel erger dan in het begin.
+
+In weinige oogenblikken had zij den weg bedekt of liever alles wat
+zich op den weg bevond: de steenhoopen, het gras aan de zijden van
+den weg, de struiken en heggen langs de slooten, want door den wind
+voortgedreven, die niet was gaan liggen, stoof zij over den grond
+verder, om zich vast te zetten op alles wat haar tegenstand bood.
+
+Het lastigste voor ons was, dat ook wij behoorden tot de hinderpalen
+op haren weg. Als de vlokken ons troffen, gleden zij over het gladde
+heen, maar in elke plooi of opening drongen zij binnen als stof en
+smolten daar. Ik voelde hoe ze als koud water langs mijn hals afdropen
+en mijn meester, die de schapevacht had opgelicht om Joli-Coeur lucht
+te verschaffen, was niet beter beschut.
+
+Toch gingen wij verder tegen wind en sneeuw in. Wij spraken geen
+woord, maar keerden ons van tijd tot tijd om, teneinde weder eens
+adem te scheppen. De honden gingen niet meer vooruit; zij volgden
+ons vlak op de hielen en schenen ons een schuilplaats te vragen,
+die wij hun niet konden geven.
+
+Slechts langzaam kwamen wij vooruit en met moeite; half blind,
+door-en-door nat en verstijfd; ofschoon wij reeds geruimen tijd in
+het bosch waren, vonden wij nergens eenige beschutting, daar de weg
+geheel aan den wind was blootgesteld.
+
+Gelukkig--moet ik wel gelukkig zeggen?--ging de wind, die eerst
+zoo heftig was, langzamerhand liggen, maar toen begon het harder te
+sneeuwen en inplaats van zich als stof te verspreiden, viel zij nu
+in dichte zware vlokken neder. In korten tijd was de weg bedekt met
+eene dikke sneeuwlaag, waarover wij onhoorbaar voortliepen.
+
+Van tijd tot tijd zag ik hoe mijn meester naar de linkerzijde keek,
+alsof hij daar iets zocht, maar men ontdekte daar niets dan een open
+vak, waarin men in het afgeloopen voorjaar het hout had geveld en
+waar nu de jeugdige boompjes met hunne buigzame takken bijna bezweken
+onder de vracht sneeuw.
+
+Wat hoopte hij daar te vinden?
+
+Ik voor mij keek maar recht voor mij naar den weg, die zich daar
+uitstrekte en zocht of dan dat bosch nooit zou eindigen en of wij niet
+ten laatste aan een huis zouden komen. Maar het was eene vruchtelooze
+poging om door dien witten sneeuwmuur te willen doordringen. Reeds op
+weinige ellen afstand verloren de voorwerpen hunne vormen en vóór ons
+zagen wij niets dan de sneeuw, die in steeds dichter vlokken neerviel
+en ons omringde als in de mazen van een onmetelijk net.
+
+De toestand was niet opbeurend, want ik heb het nooit zien sneeuwen,
+zelfs niet als ik voor de ramen stond in eene goed verwarmde kamer,
+zonder dat zich een zeker weemoedig gevoel van mij meester maakte,
+en hier waren wij alles behalve in eene goed verwarmde kamer.
+
+Toch moesten wij maar voortloopen en den moed niet opgeven, want onze
+voeten zakten hoe langer hoe dieper in de sneeuwlaag, die weldra tot
+onze knieën reikte, terwijl bovendien de sneeuwvracht, die wij op
+onze hoeden en kleeren droegen, hoe langer hoe zwaarder werd.
+
+Opeens zag ik Vitalis de hand naar de linkerzijde uitstrekken, als om
+mijne aandacht in die richting te vestigen. Ik keek en het scheen mij
+toe, dat ik op de open vlakte den onbestemden vorm van een hutje zag,
+uit boomstammen samengesteld. Ik vroeg geen uitleg, want ik begreep,
+dat mijn meester mij niet op dat hutje opmerkzaam maakte, om het
+effect te bewonderen, dat het in dit landschap teweegbracht. Het kwam
+er maar op aan den weg te vinden, die erheen leidde.
+
+Dat was moeilijk, want de sneeuw lag al hoog genoeg om elk spoor van
+een weg of een pad te doen verdwijnen. Intusschen aan het uiteinde van
+het open vak, op de plaats waar het hooge kreupelhout weder aanving,
+scheen het mij, dat de sloot langs den grooten weg eindigde. Daar
+begon zonder twijfel de weg die naar de hut leidde.
+
+Die onderstelling was juist; de sneeuw bezweek niet onder onze
+voeten, toen wij in de gracht afdaalden en weldra waren wij bij de
+houten loods. Deze bestond uit takkenbossen en boomstammen, waarboven
+takken in den vorm van een dak waren gelegd. Dat dak was dicht genoeg,
+dat de sneeuw er niet had kunnen doordringen.
+
+Deze schuilplaats was zoo goed als een huis.
+
+De honden schenen nog meer haast te hebben of vlugger te zijn dan wij,
+want zij waren dadelijk in de hut en zij rolden zich over den drogen
+grond en in het stof, terwijl zij luid en blijde keften.
+
+Onze blijdschap was niet minder dan de hunne, maar wij legden ze op
+eene andere wijze aan den dag dan door ons in het stof te wentelen,
+al was dit misschien ook zoo kwaad niet geweest om ons te drogen.
+
+--Ik dacht wel, zeide Vitalis, dat bij dit pas gekapte hout ergens eene
+houthakkershut moest zijn. Nu kan de sneeuw vallen, wat mij betreft.
+
+--Ja, laat ze maar vallen, zeide ik op uitdagenden toon.
+
+En ik ging naar de deur, of liever naar de opening van de hut want
+zij had geen deuren of vensters, om de sneeuw van mijn buis en mijn
+hoed te schudden, opdat ons vertrek niet natter werd dan noodig was.
+
+Dat vertrek was zeer eenvoudig, zoowel wat zijne inrichting betrof
+als zijne meubels. Deze bestonden slechts uit een bank van klei en
+eenige steenen, die tot zitplaatsen konden dienen. Maar wat in de
+gegeven omstandigheden voor ons nog van het meeste belang was, waren
+de vijf of zes gebakken steenen, die in een hoek lagen gerangschikt
+en een haard vormden.
+
+Vuur! Wij konden dus vuur maken, 't Is waar, dat een haard alleen
+niet voldoende is om vuur te maken en dat men ook hout moet hebben
+om te branden. In een huis als wij nu betrokken hadden, was hout
+echter niet moeilijk te vinden. Wij konden het van het dak en van de
+wanden nemen; wij behoefden namelijk slechts de takken uit te trekken,
+zoo we maar oppasten dat wij de muren niet ineen deden storten.
+
+Dit was spoedig gedaan en weldra vlamde een flikkerend vuur lustig
+op onzen haard.
+
+Een vuurtje! Een heerlijk vuurtje!
+
+Wel-is-waar maakte het veel rook, en daar er geen schoorsteen was,
+verspreidde deze zich door de hut; maar wat bekommerden wij ons
+daarover: wij hadden vuur en het was ons om de warmte te doen.
+
+Terwijl ik op mijne beide handen steunende het vuur aanblies, hadden
+de honden zich om den haard geschaard en ernstig zaten ze nu daar
+op hun staart, met uitgestrekten hals, zóó dat zij op hun natten,
+verstijfden buik de vlammen lieten spelen.
+
+Weldra verliet ook Joli-Coeur de vacht van zijn meester en heel
+voorzichtig zijn neus naar buiten stekend, keek hij eens om zich heen
+om te zien, waar hij zich bevond. Het onderzoek stelde hem gerust en
+hij sprong vlug op den grond, nam de beste plaats bij den haard in,
+en stak zijne kleine sidderende pootjes naar de vlammen uit.
+
+Wij waren thans zeker, dat wij niet van koude zouden omkomen, maar
+hoe wij aan eten zouden komen, wisten wij niet.
+
+In die gastvrije hut was geen broodkas en stonden geen pannen op
+het vuur. Gelukkig was mijn meester een man van ervaring, die steeds
+zijne voorzorgen nam. Voordat wij dien morgen op weg waren gegaan,
+had hij reeds voor levensbehoeften gezorgd: een half brood en een stuk
+kaas. Veel was het niet, maar het was waarlijk het oogenblik niet
+om veel te eischen en aanmerkingen te maken op hetgeen wij kregen;
+toen dan ook het halve brood te voorschijn kwam, voelden wij allen
+eene gewaarwording van innige tevredenheid.
+
+Ongelukkig waren de stukken niet heel groot en voor mij was de
+teleurstelling nog sterker, want mijne verwachting, dat wij al het
+brood zouden krijgen, werd niet verwezenlijkt; mijn meester gaf ons
+niet meer dan de helft.
+
+--Ik ken hier den weg niet, zeide hij in antwoord op den vragenden
+blik, waarmede ik hem aanzag, en ik weet niet of wij vóór Troyes nog
+wel eene herberg zullen voorbijkomen. Bovendien ben ik ook in dit
+bosch niet bekend. Alleen weet ik, dat er zeer veel bosschen in dit
+land zijn en dat het eene zich aan het andere aansluit. Misschien zijn
+wij vele mijlen van elke woning verwijderd, en 't is ook mogelijk,
+dat wij langen tijd in deze hut opgesloten blijven. Het eten moeten
+wij dus bewaren voor ons middagmaal.
+
+Ik voor mij begreep den toestand heel goed, nu Vitalis mij dien
+uitlegde, maar toen de honden het brood in den zak zagen wegbergen,
+terwijl hun honger nog verre van gestild was, staken zij de pooten
+naar hun meester uit, krabden zijn knieën en vertoonden eene geheele
+pantomime om hem te beduiden, dat hij den zak moest openmaken, waarop
+zij onafgebroken de oogen gevestigd hielden.
+
+Maar hun smeeken en liefkoozen was tevergeefs: de zak bleef gesloten.
+
+Hoe schraal intusschen ook het maal geweest was, het had ons weer
+kracht gegeven; wij waren beschut tegen het weer; dank zij het vuur,
+doortintelde ons eene aangename warmte; wij konden wachten tot het
+ophield met sneeuwen.
+
+In die hut te blijven vond ik volstrekt niet naar; vooral niet omdat
+ik er niet zoolang dacht te blijven als Vitalis mij had voorgespiegeld
+om zijne zuinigheid te rechtvaardigen.
+
+Intusschen uit niets was af te leiden, dat het spoedig zou ophouden
+te sneeuwen.
+
+Door de opening van de hut zagen wij de vlokken dicht en snel naar
+beneden vallen. Daar het niet meer waaide, vielen zij bijna loodrecht
+naar beneden en de eene volgde de andere, zonder tusschenpoozen.
+
+Men zag den hemel niet en het licht viel niet van boven, maar steeg van
+beneden op: van de schitterende witte vlakte, die den grond bedekte.
+
+De honden hadden zich geschikt in dit gedwongen oponthoud. Alle drie
+lagen zij voor het vuur uitgestrekt; de een in elkander gevouwen,
+de andere op zijne zijde; Capi met zijn neus in de asch. Alle drie
+sliepen.
+
+Ik kwam op de gedachte om te doen als zij; ik was al vroeg opgestaan en
+ik vond het veel pleizieriger in het land der droomen rond te zwerven,
+dan naar de sneeuw te kijken.
+
+Ik weet niet hoe lang ik sliep; toen ik wakker werd, had het opgehouden
+met sneeuwen; ik zag naar buiten; de sneeuw lag nog veel hooger voor
+onze hut: als wij ons op weg begaven, zou ik er zeker tot over de
+knieën zijn ingezonken.
+
+Hoe laat zou het wel wezen? Ik kon het niet aan Vitalis vragen,
+want in den laatsten tijd hadden wij maar weinig verdiend, zoodat
+hetgeen hij in de gevangenis en door zijn proces verloren had, niet
+was aangevuld. Daarom had hij te Dijon, teneinde een schapevacht en
+eenige andere voorwerpen voor zichzelven en mij te kunnen aanschaffen,
+zijn horloge moeten verkoopen, het groote zilveren horloge, waarop
+Capi nog gezien had hoe laat het was, toen zijn meester mij bij zich
+in dienst nam.
+
+Ik moest dus aan den dag zien welk uur het was, daar wij ons horloge
+niet meer bezaten.
+
+Maar niets daarbuiten kon mij eenig antwoord geven. Op den grond lag
+eene onafzienbare witte laag sneeuw; daarboven hing een donkere mist:
+de lucht was effen grijs en hier en daar vertoonde zich slechts eene
+flauwe gele streep.
+
+Uit niets van dit alles kon ik opmaken hoe laat het was.
+
+Mijne ooren vertelden mij al even weinig als mijne oogen, want alom
+heerschte eene doodsche stilte, die door geen vogel werd gestoord,
+noch door het klappen van een zweep of het rollen van een wagen;
+geen nacht was ooit zoo stil geweest als deze dag.
+
+Bovendien was alles om ons henen roerloos stil. De sneeuw scheen
+alle beweging te hebben gedood, alles te hebben versteend. Slechts
+van tijd tot tijd zag men na een bijna onhoorbaar kraken den tak van
+een denneboom zich bewegen; onder de vracht die hij torste, was hij
+langzamerhand tot den grond doorgebogen, en als hij al te schuin
+hing, was de sneeuw eraf gevallen, en de tak had plotseling zich
+weder verheven. Zijn donkergroen loof vormde dan een sterk contrast
+met het witte sneeuwkleed, dat de andere boomen van den top tot den
+voet omhulde, zoodat men op een afstand meende een zwarte opening te
+zien in de witte lijkwade.
+
+Terwijl ik tegen den post der deur geleund stond, opgetogen over dit
+schouwspel, hoorde ik mijn meester mij roepen.
+
+--Hebt gij lust om weer op weg te gaan?
+
+--Ik weet het niet, het is mij alles onverschillig; ik zal alles doen
+wat u verlangt.
+
+--Welnu, dan komt het mij voor, dat we maar hier moesten blijven;
+wij zijn hier tenminste beschut en wij hebben vuur.
+
+Ik voegde er in mijn gedachten bij, dat wij niets te eten hadden maar
+ik hield die opmerking voor me.
+
+--Ik denk dat het spoedig weer zal gaan sneeuwen, ging Vitalis
+voort. Wij moeten ons niet op weg begeven, zonder dat wij weten op
+welken afstand we zijn van bewoonde huizen; de nacht zou niet heel
+aangenaam wezen temidden van die sneeuw; 't is beter dat wij hem hier
+doorbrengen; hier hebben wij tenminste droge voeten.
+
+Als ik de vraag, hoe en wat wij eten zouden er buiten liet, had dit
+besluit niets onaangenaams voor me, maar al gingen wij dadelijk weder
+op weg, dan was het nog volstrekt zoo zeker niet, dat wij vóór den
+avond eene herberg zouden bereiken, en daar ons maal zouden kunnen
+vinden; wel wachtte ons daarentegen op de wegen eene dikke laag
+sneeuw, die nog niet was platgetreden, en waardoor wij slechts met
+moeite zouden voortkomen.
+
+Men moest dus maar niet aan eten denken; dat was alles wat ons
+overschoot.
+
+Wat ik verwacht had gebeurde; voor ons middagmaal kregen wij niets
+anders dan het overschot van de mik, dat Vitalis in zessen verdeelde.
+
+Veel was dit niet en spoedig was het op, niettegenstaande wij de
+stukjes zoo klein mogelijk maakten, om ze langer te doen duren. Na
+afloop van ons kort en zeer sober maal, dacht ik dat de honden de
+vertooning van dien morgen zouden herhalen, want het was duidelijk,
+dat zij nog geduchten honger moesten hebben. Niets ervan had evenwel
+plaats, en ik zag alweder welke verstandige dieren zij waren.
+
+Toen Vitalis het mes in zijn broekzak had gestoken, wat te kennen gaf,
+dat ons middagmaal was afgeloopen, stond Capi op en na een teeken
+te hebben gegeven aan zijn twee makkers, besnuffelde hij den zak,
+waarin gewoonlijk onze voorraad geborgen was. Tevens legde hij even
+zijn poot op den zak om dien te betasten. Na dit tweeledig onderzoek
+was hij overtuigd, dat er niets meer te eten was. Toen zette hij zich
+weder op zijne oude plaats bij het vuur en na een nieuwen wenk met
+den kop aan Dolce en Zerbino, ging hij languit liggen, en slaakte
+een zucht van berusting.
+
+Er is niets meer; dus behoeven we ook niet te vragen. Dit gaf hij zoo
+duidelijk te kennen, alsof hij het met zoovele woorden zeide. Zijne
+makkers begrepen die taal en legden zich toen ook bij het vuur neer,
+eveneens een zucht slakende, maar die van hen was niet zoo onderworpen,
+want aan goeden eetlust paarde Zerbino eene bijzondere neiging voor
+hetgeen lekker was, en het gemis was voor hem dus erger dan voor
+de anderen.
+
+Het sneeuwde opnieuw geruimen tijd en de sneeuw viel weder hardnekkig
+in dichte vlokken neder. Van uur tot uur zag men de laag, die zij op
+den grond vormde, al hooger en hooger tegen de boomstammen rijzen,
+waarvan alleen de takken nog uitstaken boven de witte zee, die ze
+weldra zou verzwelgen.
+
+Maar na het eten kon men al minder en minder duidelijk zien wat er om
+de hut plaats had, want deze sombere dag was nog vroeger dan andere
+winterdagen geëindigd.
+
+De duisternis bracht evenwel geen verandering teweeg: de sneeuw bleef
+onafgebroken uit den donkeren hemel op de witte aarde vallen.
+
+Daar wij hier moesten overnachten, was het beste zoo spoedig mogelijk
+maar in te slapen. Ik volgde dus het voorbeeld van de honden, wikkelde
+mij in mijn schapevacht, die ik voor het vuur had gehangen en die nu
+nagenoeg droog was, en strekte mij bij het vuur uit, met het hoofd
+op een platten steen, die mij tot oorkussen diende.
+
+--Slaap maar, zeide Vitalis, ik zal u wakker maken als ik op
+mijn beurt ook slapen wil, want ofschoon wij in deze hut niets
+te vreezen hebben van dieren of menschen, moeten wij toch een van
+beiden wakker blijven om het vuur te onderhouden. Wij moeten onze
+voorzorgsmaatregelen nemen tegen de kou, die vrij vinnig zal wezen,
+als de sneeuw opgehouden heeft.
+
+Ik liet mij dit niet tweemaal zeggen en sliep in.
+
+Toen mijn meester mij wakker maakte, moest het al in 't holle van den
+nacht wezen; tenminste dit verbeeldde ik mij. De sneeuw had opgehouden;
+ons vuur brandde nog altijd.
+
+--Thans is het uw beurt, zeide Vitalis: gij moet maar van tijd tot
+tijd wat hout op den haard werpen; gij ziet dat ik nog genoeg voor
+u heb klaargelegd.
+
+Ik zag inderdaad een hoogen stapel takkenbossen, die binnen het
+bereik van mijn arm lag. Mijn meester, die een veel lichteren slaap
+over zich had dan ik, had willen voorkomen, dat ik hem wakker maakte,
+zoo dikwijls ik een takkenbos van den muur zou halen; daarom had hij
+dezen stapel gemaakt, waarvan ik bijna zonder gedruisch te veroorzaken
+het hout kon afnemen.
+
+Dit was een verstandige voorzorg van Vitalis, maar ze had, helaas! de
+gevolgen niet, die hij ervan verwachtte.
+
+Toen hij zag, dat ik wakker was en gereed om mijn post waar te nemen,
+was hij op zijn beurt bij het vuur gaan liggen met Joli-Coeur tegen
+zich aan. Hij had zich in zijn deken gewikkeld en weldra verkondigde
+zijne zware regelmatige ademhaling, dat hij was ingeslapen.
+
+Op mijn teenen sloop ik toen naar de deur om eens te zien hoe het
+buiten was gesteld.
+
+De sneeuw had alles bedolven; over de planten, de struiken, de boomen,
+zoo ver mijn oog kon ontwaren, lag een ongelijke, maar overal even
+witte sneeuwlaag; de hemel was bezaaid met schitterende sterren,
+maar hoe helder haar glans ook was, het landschap werd eigenlijk
+verlicht door de sneeuw. Het was koud geworden en daar buiten moest
+het vriezen, want de lucht, die in onze hut doordrong, was ijskoud. In
+de akelige stilte van den nacht hoorde men soms een zacht gekraak,
+hetwelk aanduidde, dat de oppervlakte van de sneeuw bevroor.
+
+Het was inderdaad een geluk geweest, dat wij deze hut hadden ontdekt,
+want wat zou er van ons geworden zijn in 't midden van 't bosch,
+onder die sneeuw en met die koude?
+
+Hoe weinig gedruisch ik met mijn opstaan ook gemaakt had, waren de
+honden wakker geworden, en Zerbino was eveneens opgestaan om met mij
+naar de deur te gaan. Daar hij niet met dezelfde gewaarwording als
+ik de wondervolle schoonheid van den nacht gadesloeg, begon hij zich
+spoedig te vervelen en wilde hij naar buiten.
+
+Met de hand wenkte ik hem, dat hij naar binnen zou gaan. Welk een idée
+om met die koude een wandeling te gaan maken! Was het niet veel beter
+om bij het vuur te blijven dan te gaan zwerven? Hij gehoorzaamde,
+maar hij bleef met zijn neus naar de deur gekeerd, als een koppige
+hond, die zijn plan niet wil opgeven.
+
+Nog eenige oogenblikken bleef ik naar de sneeuw kijken, want hoewel dit
+schouwspel mij zeer treurig stemde, schepte ik er toch zeker genot in:
+het bracht mij in eene stemming om te weenen en hoewel het me zeer
+gemakkelijk zou vallen om het niet meer te zien--ik behoefde daartoe
+slechts de oogen te sluiten of weer naar het vuur te gaan--verroerde
+ik mij niet.
+
+Eindelijk keerde ik naar het vuur terug, legde eenige takken
+kruiselings over elkander, en meende mij gerust te kunnen neerzetten
+op den steen, die mij tot oorkussen had gediend.
+
+Mijn meester sliep kalm voort; de honden en Joli-Coeur sliepen
+eveneens; en van het herlevende vuur stegen prachtige vlammen op,
+die dwarrelend tot het dak rezen en heldere vonken van zich deden
+afspatten. Dit was het eenige geluid, dat men hoorde in den stillen
+nacht.
+
+Een poos lang hield ik mij bezig naar die vonken te kijken, maar
+langzamerhand overviel mij de moeheid die mij verstijven deed, zonder
+dat ik er mij van bewust was.
+
+Als ik me met mijn houtvoorraad had moeten bezighouden, zou ik
+opgestaan zijn en door in de hut heen-en-weer te loopen, wakker zijn
+gebleven; maar daar ik moest blijven zitten en geen andere beweging had
+te maken dan de hand uit te strekken om takken op het vuur te werpen,
+gaf ik toe aan mijne slaperigheid, overtuigd dat ik wakker bleef,
+maar toch inslapende.
+
+Eensklaps werd ik gewekt door een luid geblaf.
+
+Het was donker; zeker had ik lang geslapen en het vuur was uitgegaan;
+althans de vlammen verlichtten de hut niet meer.
+
+Het blaffen hield aan; het was de stem van Capi, maar, vreemd genoeg,
+Zerbino, zoomin als Dolce, antwoordde op zijn stem.
+
+--Wel? wat is er? vroeg Vitalis, eveneens wakker wordende. Wat
+gebeurt er?
+
+--Ik weet het niet.
+
+--Je hebt geslapen en het vuur gaat uit.
+
+Capi was naar de deur geloopen, maar niet naar buiten gegaan. Hij
+stond er vóór te blaffen.
+
+De vraag, die mijn meester gedaan had, deed ik nu ook aan me
+zelven. Wat gebeurde er?
+
+Het blaffen van Capi werd beantwoord door twee- of driemaal herhaald
+klagend geluid, waarin ik de stem van Dolce herkende. Dat geluid kwam
+van achter onze hut en op vrij korten afstand.
+
+Ik wilde naar buiten gaan; mijn meester hield mij terug, door de hand
+op mijn schouder te leggen.
+
+--Werp eerst wat hout op het vuur, beval hij.
+
+En terwijl ik gehoorzaamde, nam hij een smeulenden tak, waarop hij
+blies om hem te doen gloeien.
+
+Inplaats van den tak weer op het vuur te werpen, toen die vlam had
+gevat, hield hij hem in de hand.
+
+--Wij zullen eens gaan zien, zeide hij; blijf achter me. Vooruit Capi!
+
+Op het oogenblik, dat wij de deur wilden uitgaan, hoorden wij een
+luid gebrul en Capi drong zich verschrikt tusschen onze beenen terug.
+
+--Het zijn wolven. Waar zijn Zerbino en Dolce?
+
+Op die vraag kon ik geen antwoord geven. Zeker waren de twee honden
+weggeloopen, terwijl ik sliep. Zerbino had aan den lust toegegeven,
+dien ik had getracht in hem te bedwingen, en Dolce was zijn makker
+gevolgd.
+
+Hadden de wolven hen meegesleurd? De toon, waarop mijn meester gevraagd
+had waar zij waren, scheen die vrees te verraden.
+
+--Neem ook een brandenden tak, zeide hij, en laten we hen helpen.
+
+In mijn dorp had ik allerlei akelige verhalen omtrent wolven gehoord;
+toch aarzelde ik niet; ik wapende mij met een tak en volgde mijn
+meester.
+
+Maar toen wij op de open vlakte kwamen, zagen wij honden noch wolven.
+
+Wij bespeurden in de sneeuw slechts de afdrukken der pooten van de
+twee honden.
+
+Wij volgden die; zij liepen om de hut, maar een weinig verder kwamen
+wij bij eene plek, waar wij, ondanks de duisternis, konden zien,
+dat zich dieren daarin hadden gewenteld.
+
+--Zoek! zoek! Capi! sprak mijn meester, en tegelijk floot hij om
+Zerbino en Dolce te roepen.
+
+Maar geen geblaf antwoordde, geen enkel geluid verstoorde de doodsche
+stilte van het bosch en Capi, inplaats van te gaan zoeken, drong zich
+tegen onze beenen aan, de duidelijkste blijken gevende van vrees en
+angst, terwijl hij anders gewoonlijk zoo gehoorzaam en dapper was.
+
+De afstraling van de sneeuw gaf niet genoeg licht om ons in staat te
+stellen het spoor te volgen, en op korten afstand verloor zich onze
+blik in de dichte duisternis.
+
+Opnieuw floot Vitalis en riep met krachtige stem Zerbino en Dolce.
+
+Wij luisterden; alles bleef stil; mijn hart kromp ineen.
+
+Arme Zerbino! arme Dolce!
+
+Vitalis bevestigde mijne vrees.
+
+--De wolven hebben hen meegesleurd, zeide hij. Waarom hebt gij hen
+ook naar buiten laten gaan?
+
+Ja, waarom? Daarop was het me onmogelijk een antwoord te geven.
+
+--Wij moeten ze gaan zoeken, zeide ik en ik liep vooruit, maar Vitalis
+hield mij terug.
+
+--Waar woudt gij ze gaan zoeken?
+
+--Ik weet het niet; overal.
+
+--Hoe zouden we onzen weg vinden in die duisternis en door de sneeuw?
+
+Dat was inderdaad niet gemakkelijk; de sneeuw reikte tot onze knieën
+en met onze smeulende takken, konden wij geen licht brengen in die
+duisternis.
+
+--Daar zij niet geantwoord hebben op mijn roepen, moeten zij
+ver.... weg zijn, sprak hij. Bovendien moeten wij ons niet blootstellen
+aan 't gevaar, dat de wolven ook ons aanvallen. Wij hebben niets om
+ons te verdedigen.
+
+Het was vreeselijk om de twee arme dieren, die twee makkers, die twee
+vrienden, prijs te geven; voor mij vooral, die aansprakelijk was voor
+hunne daad; als ik niet geslapen had, zouden zij niet weggeloopen zijn.
+
+Mijn meester was weer naar de hut gegaan en ik was hem gevolgd,
+telkens nog omziende en luisterend, maar ik zag niets dan de sneeuw
+en ik hoorde niets dan het kraken van de vorst.
+
+In de hut wachtte ons een nieuwe verrassing; terwijl wij afwezig
+waren, hadden de takken, die ik op het vuur had geworpen, vlam gevat
+en verlichtten tot de donkerste hoeken van de loods.
+
+Ik zag Joli-Coeur niet.
+
+Zijn dek lag voor het vuur, maar het was plat: de aap lag er niet
+onder.
+
+Ik riep hem; Vitalis riep hem ook; hij kwam niet te voorschijn.
+
+Wat was er van hem geworden?
+
+Vitalis zeide me, dat hij het dier bij zijn ontwaken naast hem had
+gevoeld; het moest dus verdwenen zijn, terwijl wij buiten waren.
+
+Had het ons willen volgen?
+
+Wij namen eenige brandende takken en gingen naar buiten, ons over den
+grond bukkende, om in de sneeuw de sporen van Joli-Coeur te ontdekken.
+
+Wij vonden ze niet; wel-is-waar hadden de pooten van de honden en onze
+eigene voetstappen de sneeuw hier en daar platgedrukt, maar toch niet
+in die mate, of wij moesten de afdrukken van den aap kunnen bespeuren.
+
+Hij was dus niet buiten.
+
+Wij keerden weer naar de loods terug, om te zien of hij zich niet
+onder een takkenbos had verscholen.
+
+Langen tijd bleven wij zoeken; wel tienmaal kwamen wij op dezelfde
+plek en in denzelfden hoek. Ik ging op de schouders van Vitalis
+staan om tusschen de takken te zoeken, die het dak vormden; maar
+alles tevergeefs.
+
+Van tijd tot tijd riepen wij hem weder, maar er kwam geen antwoord.
+
+Vitalis was radeloos, terwijl ik zelf innig bedroefd was.
+
+Arme Joli-Coeur!
+
+Toen ik aan mijn meester vroeg of hij dacht, dat de wolven ook den
+aap hadden medegenomen, antwoordde hij:
+
+--Neen, de wolven hebben niet in de hut durven komen; ik geloof
+wel dat zij Zerbino en Dolce hebben aangevallen, toen deze buiten
+waren, maar hierbinnen zijn zij niet geweest. Het is waarschijnlijk,
+dat Joli-Coeur zich hier of daar heeft verborgen, terwijl wij buiten
+waren en dit deed mij juist zoo ongerust over hem zijn; want met zulk
+weer moet hij kou vatten en dat is doodelijk voor hem.
+
+--Laten wij dan nog maar eens zoeken.
+
+En opnieuw hervatten wij onze nasporingen, maar wij waren niet
+gelukkiger dan de eerste maal.
+
+--Wij moeten den dag afwachten, zeide Vitalis.
+
+--Wanneer zal die aanbreken?
+
+--Over twee of drie uren, denk ik.
+
+En hij zette zich bij het vuur, met het hoofd op de handen leunend.
+
+Ik durfde hem niet storen. Onbeweeglijk bleef ik bij hem zitten en
+verroerde mij alleen om nu en dan een tak op het vuur te werpen. Van
+tijd tot tijd stond hij op en ging naar de deur; dan keek hij naar
+den hemel en boog zich naar buiten om te luisteren: daarop nam hij
+zijn plaats weder in.
+
+Ik geloof dat ik liever gewild had, dat hij mij beknorde, dan hem
+zoo somber en neerslachtig te zien.
+
+De drie uren, waarvan hij gesproken had, gingen wanhopend langzaam
+voorbij. Het scheen, dat de nacht nooit zou eindigen.
+
+Eindelijk echter begonnen de sterren te verbleeken en de lucht werd
+wit; dat was de dageraad; weldra zou het licht worden.
+
+Maar met het aanbreken van den dag werd de koude scherper; de lucht,
+die door de deur binnendrong, was ijzig koud.
+
+Als wij Joli-Coeur terugvonden, zou hij dan nog leven?
+
+Maar welke redelijke grond bestond er voor de hoop, dat wij hem terug
+zouden vinden?
+
+Wie wist of met het doorbreken van den dag ook niet de sneeuwbuien
+zouden terugkeeren?
+
+Hoe zouden wij hem dan zoeken?
+
+Gelukkig was dit niet het geval; inplaats dat wolken weder den hemel
+verduisterden, nam hij een lichtrooden gloed aan, die een mooien
+dag voorspelde.
+
+Zoodra het koude morgenlicht aan boomen en struiken hun gewoon
+voorkomen had gegeven, gingen wij naar buiten.
+
+Vitalis had zich met een dikken knuppel gewapend en ik volgde zijn
+voorbeeld.
+
+Capi scheen niet meer onder den indruk van de vrees, die hem des
+nachts bevangen had; met de oogen op zijn meester gericht, wachtte
+hij op diens wenk om vooruit te gaan.
+
+Terwijl wij nog op den grond de sporen van Joli-Coeur zochten hief Capi
+den kop omhoog en begon vroolijk te blaffen; dit deed ons aanstonds
+begrijpen, dat wij boven ons en niet op den grond moesten zoeken.
+
+Wij zagen dan ook, dat de sneeuw, die onze hut bedekte, hier en daar
+was omgewoeld tot een dikken tak, die boven het dak zich uitstrekte.
+
+Dien tak volgende met de oogen, bespeurden wij boven in den grooten
+eikeboom, waartoe hij behoorde, tusschen een paar twijgen eene kleine
+donkerkleurige massa.
+
+Het was Joli-Coeur en wat er gebeurd was, liet zich nu wel
+gissen. Joli-Coeur was bang geworden door het huilen der wolven en
+het blaffen en janken der honden, en inplaats van bij het vuur te
+blijven was hij, tijdens onze afwezigheid, op het dak geklauterd en
+vandaar in den boom, waar hij wist dat hij veilig was: daarom was
+hij er gebleven, ondanks ons roepen, waarop hij niet had geantwoord.
+
+Het arme, teedere diertje moest bevroren zijn.
+
+Mijn meester riep hem vriendelijk, maar hij bewoog zich niet, hij
+scheen dood te wezen.
+
+Eenige minuten lang bleef Vitalis roepen, maar Joli-Coeur gaf geen
+teeken van leven.
+
+Thans was het mijn plicht om mijne zorgeloosheid van dien nacht goed
+te maken.
+
+--Als gij 't goedvindt, zal ik hem gaan halen, zeide ik.
+
+--Je zult je hals breken.
+
+--Geen nood.
+
+Dat was niet zoo geheel waar; er was wel degelijk gevaar; bovendien
+was het zeer moeilijk wat ik ondernam. De boom was dik, en gedeelten
+van den stam en de takken welke aan den wind waren blootgesteld,
+waren met sneeuw bedekt.
+
+Gelukkig had ik van mijn jeugd af in boomen leeren klimmen en had
+ik in die kunst een zeer groote bedrevenheid gekregen. Hier en daar
+waren kleine takken uit den stam gesproten; deze dienden mij tot
+steunpunten voor mijn voeten, en niettegenstaande ik half verblind
+was door de sneeuw, die ik door aan den boom te schudden naar beneden
+deed vallen, had ik toch spoedig den zwaren tak bereikt. Daar werd
+het verder klimmen gemakkelijker; ik moest maar oppassen dat ik niet
+op de sneeuw uitgleed.
+
+Onder het klimmen sprak ik gedurig vriendelijk tot Joli-Coeur, die
+zich niet verroerde, maar mij met zijne schitterende oogen aanstaarde.
+
+Ik was op het punt hem te bereiken en strekte mijn hand reeds uit om
+hem te vatten, toen hij plotseling met een enkelen sprong een anderen
+tak bereikt had.
+
+Ook daar volgde ik hem, maar ongelukkig zijn menschen, ja zelfs
+jongens, in het klimmen op verre na niet opgewassen tegen apen.
+
+Waarschijnlijk zou ik dan ook nooit Joli-Coeur bereikt hebben, zoo de
+sneeuw de takken niet had bedekt, want daar die sneeuw zijn pooten
+nat maakte, was hij weldra het vluchten moede. Daarom liet hij zich
+van tak tot tak naar beneden vallen en stond weldra met één sprong
+op de schouders van zijn meester en verborg zich onder diens jas.
+
+Het was reeds veel, dat wij Joli-Coeur hadden teruggevonden, maar
+het was nog niet alles. Wij moesten nu ook de honden opsporen.
+
+Weinige schreden verder kwamen wij op de plek, waar wij dien nacht
+geweest waren en de sneeuw omgewoeld hadden gevonden.
+
+Thans was het dag, en het viel ons niet moeilijk te gissen, wat er
+had plaats gegrepen; die uithollingen in de sneeuw verhaalden de
+geschiedenis van den dood der honden.
+
+Nadat zij de hut hadden verlaten, achter elkander voortloopende,
+waren zij langs den stapel takkenbossen gegaan en wij konden duidelijk
+over eene lengte van twintig el hun spoor volgen. Daarop verdween
+dit eensklaps in de omgewoelde sneeuw en zagen wij het spoor van
+andere dieren; aan den eenen kant die, welke aanwezen hoe de wolven
+in eenige lange sprongen zich op de honden hadden geworpen; aan den
+anderen kant die, waaruit bleek, hoe zij ze hadden meegesleurd toen
+zij ze verpletterd in hun bek hadden gegrepen. Van de honden zelven
+was geen spoor meer te bekennen, behalve de bloeddroppels, die hier
+en daar de sneeuw kleurden.
+
+Wij behoefden nu onze nasporingen niet verder voort te zetten; de
+beide honden waren hier gedood en medegesleurd, om rustig opgevreten
+te worden in eenig kreupelhout.
+
+Bovendien moesten wij ons thans bezighouden met Joli-Coeur en dezen
+zoo spoedig mogelijk verwarmen.
+
+Wij traden de hut weder binnen; en terwijl Vitalis de handen en voeten
+van het dier vóór het vuur hield, zooals men dit met kleine kinderen
+doet, warmde ik zijn deken, waarin wij hem vervolgens wikkelden.
+
+Maar hij had niet slechts een warme deken noodig, doch ook een goed
+verwarmd bed, en vooral een warmen drank. Noch het een noch het ander
+was echter binnen ons bereik. Het was al wel, dat wij vuur hadden.
+
+Wij zaten bij den haard, mijn meester en ik, zonder een woord te
+spreken en wij bleven daar onbeweeglijk zitten, starende in de vlammen.
+
+Wij hadden ook geen woorden noodig, wij behoefden elkander zelfs niet
+aan te zien om te zeggen wat er in ons hart omging.
+
+--Arme Zerbino! Arme Dolce! Arme vrienden!
+
+Dit waren de eenige woorden, die wij nu en dan lieten hooren of
+althans de gedachten, die ons bezielden.
+
+Zij waren onze makkers geweest, onze lotgenooten in goede en kwade
+tijden; en voor mij, in de dagen van droefheid, mijne vrienden,
+ja schier mijne kinderen.
+
+En ik was oorzaak van hun dood!
+
+Want ik kon mij zelven niet van schuld vrijpleiten: als ik goed de
+wacht had gehouden bij het vuur, zooals ik had moeten doen, zou ik
+niet in slaap zijn gevallen en zouden zij niet weggeloopen zijn; de
+wolven zouden dan niet naar onze hut zijn gekomen om hen te verslinden,
+maar uit vrees voor het vuur op een afstand zijn gebleven.
+
+Ik had gewenscht dat Vitalis mij beknorde; ik had hem bijna kunnen
+smeèken, dat hij mij sloeg.
+
+Maar hij zeide niets; hij zag mij zelfs niet aan; hij bleef met het
+hoofd voorover bij den haard zitten. Zeker dacht hij aan hetgeen ons
+lot moest worden, wanneer wij geen honden meer hadden. Hoe zouden
+wij zonder hen voorstellingen kunnen geven? Hoe zouden wij aan den
+kost komen?
+
+
+
+
+XV.
+
+MIJNHEER JOLI-COEUR.
+
+
+Wat de doorbrekende dag had aangekondigd, werd vervuld. De zon
+schitterde aan den wolkeloozen hemel en hare zwakke stralen werden
+weerkaatst door de vlekkelooze sneeuw. Het bosch, den vorigen dag
+zoo treurig en somber, schitterde thans van een glans, die de oogen
+verblindde.
+
+Van tijd tot tijd stak Vitalis de hand onder den deken om naar
+Joli-Coeur te voelen; maar deze werd niet warmer en toen ik mij over
+hem heenboog, hoorde ik hem klappertanden.
+
+Weldra kregen wij de overtuiging, dat wij op deze wijze het bloed in
+zijne aderen niet konden verwarmen.
+
+--Wij moeten het een of ander dorp zien te bereiken, zeide Vitalis,
+opstaande, anders gaat Joli-Coeur hier dood. Het zal nog een geluk
+wezen, wanneer hij niet sterft onderweg. Kom, laat ons op weg gaan.
+
+De deken werd nog eens goed verwarmd en vervolgens de aap erin
+gewikkeld; mijn meester nam hem toen onder zijn jas en wij waren
+gereed om heen te gaan.
+
+--Dat is een herberg, die ons de gastvrijheid, welke ze ons bood,
+duur heeft laten betalen, sprak Vitalis.
+
+Hij zeide dit met bevende stem.
+
+Hij ging vooruit en ik volgde hem op de voet.
+
+Wij moesten Capi roepen, die op den drempel van de hut was blijven
+staan, met zijn neus in de richting van de plek, waar zijne makkers
+waren overvallen.
+
+Tien minuten nadat wij weder op den grooten weg waren gekomen,
+ontmoetten wij een wagen, waarvan de voerman ons mededeelde, dat wij
+na een uur gaans aan een dorp zouden komen.
+
+Dit deed ons met moed onzen tocht vervolgen, maar het gaan was even
+moeilijk als pijnlijk door de sneeuw, waarin ik halverlijf wegzonk.
+
+Van tijd tot tijd vroeg ik aan Vitalis hoe het met den aap ging,
+en hij antwoordde, dat hij hem nog altijd voelde sidderen.
+
+Eindelijk zagen wij aan den voet van een berg de witte daken van een
+groot dorp. Nog eene laatste poging en dan waren wij er.
+
+Wij plachten niet in de voornaamste herbergen onzen intrek te nemen,
+in die, welke door haar welvarend voorkomen eene goede ligging en
+eene goede tafel beloofden. Integendeel; gewoonlijk zochten wij een
+onderkomen in de eerste huizen van het dorp of in eene buitenwijk,
+bij voorkeur in eene armelijke woning, waar men ons niet zou afwijzen
+en ook niet te veel geld zou vragen.
+
+Ditmaal echter weken wij van onze gewoonte af; inplaats van in het
+begin van het dorp stil te houden, ging Vitalis naar eene herberg,
+waarvoor een fraai verguld uithangbord heen-en-weer bengelde. Door
+de keukendeur, die wagenwijd openstond, zag men eene tafel bedekt
+met vleeschschotels en op een breed fornuis ontwaarde men een aantal
+pannen van roodkoper, die allerverleidelijkst pruttelden en kleine
+witte wolkjes naar boven zonden. Reeds op straat rook men den lekkeren
+geur van een soep, die onze hongerige magen alleraangenaamst aandeed.
+
+Mijn meester, die zijn voorkomen van een heer hier aannam, trad de
+keuken binnen met den hoed op en het hoofd in den nek. Hij verlangde
+eene goede kamer met vuur.
+
+Eerst had de eigenaar der herberg, die er zeer welvarend uitzag, ons
+niet eens met een blik verwaardigd, maar de voorname manieren van mijn
+meester maakten toch indruk op hem en hij gaf aan een dienstmeisje
+last om ons eene kamer te wijzen.
+
+--Gauw, kruip in bed, zeide Vitalis, terwijl het dienstmeisje de
+kachel aanmaakte.
+
+Een oogenblik stond ik verwonderd: waarom moest ik gaan slapen? Ik had
+veel meer trek mij aan tafel te zetten dan in mijn bed te gaan liggen.
+
+--Gauw! herhaalde Vitalis.
+
+Ik gehoorzaamde.
+
+Er lag een donzen dekbed op het ledekant; Vitalis stopte mij tot mijn
+neus daaronder.
+
+--Doe je best zoo warm mogelijk te worden, zeide hij; hoe warmer
+hoe beter.
+
+Het kwam mij voor, dat Joli-Coeur veel meer behoefte aan warmte had
+dan ik, want ik was volstrekt niet koud.
+
+Terwijl ik onbeweeglijk onder het dekbed lag en trachtte warm te
+worden, wentelde Vitalis, tot groote verbazing van het dienstmeisje,
+Joli-Coeur om-en-om alsof hij hem wilde roosteren.
+
+--Heb je 't warm? vroeg hij mij na eenige oogenblikken.
+
+--Ik stik bijna.
+
+--Dat is juist wat ik wenschte.
+
+Toen kwam hij bij mij, legde Joli-Coeur in mijn bed en beval mij hem
+zoo dicht mogelijk tegen mijn lijf te houden.
+
+Het arme dier, dat anders zoo weerbarstig was, wanneer men iets met
+hem deed dat niet naar zijn zin was, onderwierp zich nu aan alles.
+
+Het drukte zich tegen mij aan zonder eene enkele poging om zich te
+verzetten. Het was niet koud meer; zijn lijf brandde.
+
+Mijn meester was naar de keuken gegaan en kwam weldra met een groote
+kom warmen wijn met suiker terug.
+
+Hij wilde Joli-Coeur eenige lepels van dien drank ingeven, maar het
+dier kon zijn bek niet openen.
+
+Met zijn schitterende oogen zag hij ons treurig aan, als smeekte hij
+ons, dat wij hem niet langer zouden plagen.
+
+Tegelijk stak hij een van zijn pooten uit bed en strekte die naar
+ons uit.
+
+Ik begreep die beweging niet, die het dier telkens herhaalde, maar
+Vitalis gaf mij er de verklaring van.
+
+Voor ik deel uitmaakte van het gezelschap, had Joli-Coeur eene
+bloedspuwing gehad en men had hem adergelaten. Thans voelde hij zich
+wederom ziek en stak ons een arm toe, om hem nogmaals ader te laten
+en te genezen, zooals de eerste maal.
+
+Was dit niet aandoenlijk?
+
+Vitalis werd er dan ook niet alleen door aangedaan, maar het
+verontrustte hem ook.
+
+Blijkbaar was de arme Joli-Coeur ziek en hij moest zich dan ook wel
+ziek gevoelen, dat hij den zoeten wijn weigerde, waarvan hij anders
+zooveel hield.
+
+--Drink den wijn uit, zeide Vitalis, en blijf in bed; ik ga een
+dokter halen.
+
+Ik moet bekennen, dat ik veel van warmen zoeten wijn hield en dat ik
+een geduchten honger had. Ik liet het mij dan ook geen tweemaal zeggen,
+en na de kom te hebben uitgedronken kroop ik weder onder het dekbed,
+waaronder ik nu, ook tengevolge van den wijn, bijna stikte.
+
+Mijn meester bleef niet lang uit, weldra kwam hij terug met een heer
+met een gouden bril; dat was de dokter.
+
+Daar hij vreesde, dat zulk een gewichtig man niet zou komen, als het
+maar voor een aap was, had Vitalis hem niet gezegd voor welke zieken
+hij hem kwam roepen; toen hij mij dan ook op bed zag liggen zoo rood
+als een pionieroos, kwam de dokter bij me en terwijl hij zijn hand
+op mijn voorhoofd legde, zeide hij: congestie, waarbij hij het hoofd
+schudde op eene wijze, die alles behalve geruststellend was.
+
+Het was tijd dat ik hem uit de dwaling hielp, anders zou hij op mij
+misschien ook een aderlating hebben toegepast.
+
+--Ik ben niet ziek, zeide ik.
+
+--Niet ziek? herhaalde de dokter. De knaap ijlt.
+
+Zonder te antwoorden sloeg ik het dek een weinig op en wees op
+Joli-Coeur, die zijn poot om mijn hals had geslagen.
+
+--Dat is de zieke, zeide ik.
+
+De dokter deed twee stappen achteruit en wendde zich tot Vitalis.
+
+--Een aap, riep hij uit. Is het voor een aap, dat gij mij met zulk
+een weer uit mijn huis hebt gehaald?
+
+Ik dacht dat hij verontwaardigd zou wegloopen.
+
+Maar mijn meester was een slim man, die niet licht van zijn stuk
+was te brengen. Zeer beleefd en met de voornaamheid hem eigen wist
+hij den dokter te bewegen om te blijven. Eerst bracht hij hem op de
+hoogte van den toestand; hoe wij overvallen waren door de sneeuw en
+Joli-Coeur, uit vrees voor de wolven, in een boom was geklauterd en
+daar kou had gevat.
+
+--'t Is waar, de zieke was maar een aap, maar welk een geniale
+aap! Bovendien was hij een makker, een vriend van ons. Hoe zou men
+zulk een merkwaardig dier, dat zoo voortreffelijk komedie speelde
+aan de behandeling van een eenvoudig veearts toevertrouwen? Iedereen
+wist dat de dorpsveeartsen groote domooren waren; terwijl iedereen
+ook wist, dat alle geneesheeren, ofschoon in verschillende mate,
+wetenschappelijke mannen zijn, zoodat men zelfs in het kleinste
+dorp zeker kon wezen dat men de hulp van een edelmoedig en bekwaam
+man bekomt, wanneer men maar bij een dokter aanschelt. Bovendien,
+ofschoon de aap slechts een dier is, volgens de natuurkundigen,
+komt hij een mensch zoo nabij, dat hij ook de ziekten van een mensch
+heeft. Was het niet van belang, ook uit een wetenschappelijk oogpunt,
+om na te gaan in hoeverre die ziekten met de menschelijke ziekten
+overeenstemmen, of daarvan afwijken?
+
+De Italianen bezitten grooten tact om te vleien en de dokter kwam
+eindelijk bij het bed.
+
+Terwijl mijn meester sprak, had Joli-Coeur, die zeker geraden had
+dat die heer met zijn bril een dokter was, wel tien keer zijn pootje
+uitgestoken om gelaten te worden.
+
+--Zie nu eens hoe verstandig die aap is; hij begrijpt dat u een dokter
+is en hij steekt zijn poot uit, om zijn pols te laten voelen.
+
+Dit gaf voor den dokter den doorslag.
+
+--In ieder geval, zeide hij, is de zaak misschien niet van belang
+ontbloot.
+
+Voor ons was die zaak echter hoogst treurig en verontrustend; de arme
+Joli-Coeur werd door een bloedspuwing bedreigd.
+
+Het pootje, dat hij zoo dikwijls had uitgestoken, nam de dokter in
+zijne hand en met zijn lancet opende hij een ader, zonder dat het
+dier een kreet slaakte.
+
+Hij wist dat dit het middel was om te genezen.
+
+Na de aderlating kwamen de pappen en de drankjes.
+
+Natuurlijk bleef ik niet in bed; ik werd de ziekenoppasser onder
+leiding van Vitalis.
+
+De arme Joli-Coeur wilde gaarne door mij verpleegd worden en hij
+beloonde me met zijn vriendelijksten glimlach; zijn blik had iets
+erg menschelijks.
+
+Hij, anders zoo vroolijk, zoo dartel, zoo weerbarstig en altijd er op
+uit om ons een streek te spelen, was thans de rust en gehoorzaamheid
+zelve.
+
+Het scheen dat hij behoefte had, dat men hem vriendschap betoonde;
+hij vroeg die zelf van Capi, dien hij zoo vaak geplaagd had.
+
+Als een bedorven kind wilde hij ons allen bij zich hebben en hij was
+boos, als een van ons de kamer verliet.
+
+Zijne ziekte had den gewonen loop, dien alle borstaandoeningen hebben;
+weldra begon hij te hoesten en die hoest matte hem af door de gestadige
+schokken, waaraan zijn lichaam was blootgesteld.
+
+De vijf stuivers, die mijne geheele bezitting uitmaakten, besteedde
+ik om sucre d'orge voor Joli-Coeur te koopen.
+
+Ongelukkigerwijze werd hij daardoor erger inplaats van beter.
+
+Aan zijn gewone opmerkzaamheid toch ontging het niet, dat ik hem
+sucre d'orge gaf zoo dikwijls hij hoestte.
+
+Van die opmerking maakte hij gebruik om elk oogenblik te hoesten,
+teneinde zooveel te vaker het geneesmiddel te krijgen, dat hij zoo
+lekker vond, zoodat hem dit, inplaats van te genezen erger maakte.
+
+Toen ik zijn list had begrepen, hield ik mijn sucre d'orge terug, maar
+dit ontmoedigde hem niet; hij begon mij met smeekende oogen aan te zien
+en, als dit niet baatte, ging hij op zijn kussen zitten, en, in tweeën
+gevouwen, met zijn hand op zijn buik, hoestte hij zoo erg als hij maar
+kon; zijn gelaat werd rood; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op;
+de tranen liepen hem over de wangen en hij eindigde met bijna te
+stikken; thans was het geen komediespel meer, maar volkomen ernst.
+
+Mijn meester had mij nooit inzage in zijne zaken gegeven en slechts
+door eene toevallige omstandigheid had ik vernomen, dat hij zijn
+horloge had moeten verkoopen, om mij een schapevacht te bezorgen. In
+de moeilijke omstandigheden, welke wij nu beleefden, meende hij van
+den regel te moeten afwijken.
+
+Op een morgen, dat hij van het ontbijt terugkwam, terwijl ik bij
+Joli-Coeur was gebleven, dien wij niet alleen lieten, deelde hij me
+mede, dat de herbergier betaling gevraagd had voor hetgeen wij hem
+schuldig waren en dat wij na de voldoening van diens rekening slechts
+een gulden overhielden.
+
+Wat nu te doen?
+
+Natuurlijk wist ik geen antwoord op die vraag.
+
+Hij zelf wist ook geen ander antwoord, dan dat wij nog dienzelfden
+avond eene voorstelling gaven.
+
+Eene voorstelling zonder Zerbino, zonder Dolce, zonder Joli-Coeur! Dit
+scheen me onmogelijk.
+
+Maar wij waren niet in een toestand om ons zelfs door het onmogelijke
+te laten weerhouden. Wij moesten, wat het ook kosten mocht,
+Joli-Coeur verplegen en redden; de dokter, de medicijnen, het vuur,
+de kamer, alles eischte dat wij onmiddellijk tenminste twintig gulden
+bijeenbrachten, teneinde den herbergier te betalen, die, als hij maar
+ééns geld van ons gezien had, ons wel langer krediet zou geven.
+
+Twintig gulden in dit dorp, met dit koude weer en de middelen die
+ons ten dienste stonden--het zou wel een wonder zijn, als wij daarin
+slaagden.
+
+Inplaats dat mijn meester daarover bleef peinzen, nam hij terstond
+maatregelen om hetgeen hij verlangde te verwezenlijken.
+
+Terwijl ik onzen zieke verpleegde, zocht hij eene plaats waar wij
+eene voorstelling konden geven op de overdekte markt, want in de
+open lucht was het niet mogelijk bij zulk eene koude. Hij maakte
+een tooneel met behulp van eenige planken en besteedde den gulden
+om kaarsen te koopen, die hij half doorsneed om het aantal lichtjes
+dubbel zoo groot te maken.
+
+Uit het raam van onze kamer zag ik hem heen-en-weer loopen in
+de sneeuw, bij herhaling de herberg voorbijgaande en niet zonder
+angst vroeg ik mijzelven af, waaruit de voorstelling van dien avond
+bestaan zou.
+
+Weldra kwam ik ook dit te vernemen: de tamboer van het dorp, met
+zijn roode soldatenmuts op het hoofd, hield voor de herberg stand,
+en na een prachtigen langen roffel las hij het programma voor.
+
+Hoe dit was samengesteld, laat zich wel denken. Vitalis had de
+buitensporigste dingen beloofd: er was sprake van een "kunstenaar
+door het gansche heelal beroemd",--dat was Capi--en van een jeugdigen
+zanger, die een "wonderkind" was.--Dat wonderkind was ik.
+
+Maar het belangrijkste gedeelte van dit programma was de slotbepaling:
+men behoefde niets te betalen; wat men geven wilde liet Vitalis geheel
+over aan de mildheid van het geachte publiek, dat eerst zijn giften
+zou offeren na gehoord, gezien en toegejuicht te hebben.
+
+Dit scheen me nogal gewaagd toe, want het was zeer de vraag óf
+men ons zou toejuichen. Capi verdiende werkelijk beroemd te worden
+genoemd; maar ik voor mij was volstrekt niet overtuigd, dat ik een
+wonderkind was.
+
+Toen hij den tamboer hoorde, had Capi vroolijk geblaft en Joli-Coeur
+had zich half opgelicht, ofschoon hij op dat oogenblik erg ziek was;
+beiden hadden begrepen, dat het eene voorstelling gold.
+
+Dit idée, dat ook bij mij opkwam, werd spoedig bevestigd door eene
+pantomime van Joli-Coeur; die wilde volstrekt opstaan en ik kon hem
+met geen geweld terughouden; hij verlangde zijn generaals-uniform,
+zijn rooden rok en broek met goud galon en zijn steek met pluimen.
+
+Hij vouwde de handen en wierp zich op de knieën om mij te smeeken.
+
+Toen hij zag, dat hij door smeeken niets verkreeg, werd hij boos en
+eindelijk stortte hij tranen.
+
+Het leed geen twijfel, of wij zouden groote moeite hebben om hem
+te bewegen afstand te doen van zijn plan om dien avond eene rol te
+vervullen en ik dacht, dat het onder deze omstandigheden het best was,
+om ons vertrek voor hem geheim te houden.
+
+Ongelukkig hoorde hij het bevel van Vitalis, die niet wist wat er
+gedurende zijne afwezigheid had plaats gegrepen, dat ik mijne harp en
+alles wat voor eene voorstelling noodig was, in gereedheid zou brengen.
+
+Bij die woorden, die Joli-Coeur maar al te goed begreep, begon hij
+opnieuw te smeeken, maar nu wendde hij zich tot onzen meester. Al had
+hij kunnen spreken, dan had hij zeker zijn wensch niet beter kunnen
+uitdrukken dan hij nu deed door de verschillende geluiden, welke hij
+maakte, door het vertrekken van zijn gelaatsspieren en de beweging van
+zijn geheele lichaam. Het waren echte tranen, die langs zijn wangen
+biggelden en echte kussen, die hij op de handen van Vitalis drukte.
+
+--Wil-je meespelen? vroeg deze.
+
+--Ja, ja, gaf Joli-Coeur met zijn gansche lichaam te kennen.
+
+--Maar je bent ziek, arme Joli-Coeur.
+
+--Ik ben niet meer ziek, antwoordde hij met zijne sprekende gebaren.
+
+Het was roerend te zien hoe de arme, kleine zieke die slechts met
+moeite ademhaalde, bad en smeekte en de grimassen die hij maakte,
+en de houdingen die hij aannam, om ons te bewegen; maar toe te staan
+wat hij vroeg, ware zijn doodvonnis geweest.
+
+Het oogenblik was gekomen, dat wij ons naar de markt moesten begeven;
+ik maakte een lekker vuur aan met eenige beukenblokken, die lang
+konden branden. Toen wikkelde ik hem in zijn dekens en de arme, kleine
+Joli-Coeur weende heete tranen en omhelsde mij keer op keer. Toen
+gingen wij heen.
+
+Terwijl wij over de sneeuw voortschreden, vertelde mij Vitalis wat
+ik doen moest.
+
+Er kon natuurlijk geen sprake wezen van onze gewone voorstellingen,
+daar onze voornaamste acteurs ontbraken; maar Capi en ik moesten nu
+ook al ons talent ten beste geven. Het was volstrekt noodig dat wij
+twintig gulden ontvingen.
+
+Twintig gulden! Dat was een vreeselijke som.
+
+Alles was door Vitalis in orde gemaakt; wij behoefden nog maar de
+kaarsen aan te steken, maar dit was eene weelde, waartoe wij eerst
+overgingen toen de zaal nagenoeg gevuld was, immers wij moesten zorgen,
+dat het licht niet uitging vóór het einde van de voorstelling.
+
+Terwijl wij ons tooneel in bezit namen, ging de tamboer nogmaals
+voor het laatst trommelend de straten door en wij hoorden zijn roffel
+nu eens van verre dan van dichterbij, naarmate de straten verder of
+minder ver van ons verwijderd lagen.
+
+Nadat ik Capi en mijzelven had aangekleed, vatte ik post achter een
+pilaar, om te zien wie er kwam.
+
+Weldra naderde de tamboer weder en wij hoorden een onbestemd gedruisch
+op straat: het was het gedreun van een twintigtal straatjongens,
+die in den pas liepen, den tamboer volgende.
+
+Zonder met zijn roffel op te houden, zette de tamboer zich tusschen
+een paar lichten neder, die aan den ingang van ons tooneel waren
+gesteld en het publiek behoefde slechts plaats te nemen in afwachting,
+dat de voorstelling beginnen zou.
+
+Helaas! het kwam slechts zeer traag op en nochtans ging de tamboer
+voort aan den ingang zijn ram-plam-plam te doen hooren. Al de
+straatjongens hadden plaats genomen, maar van hen hadden wij geen
+twintig gulden te wachten: wij moesten gezeten burgers hebben met eene
+goed gevulde beurs en geneigd om die te openen. Eindelijk besloot mijn
+meester de voorstelling te doen beginnen, hoewel de zaal op verre na
+niet gevuld was. Maar wij konden niet langer wachten, daar de kaarsen
+waren aangestoken.
+
+Het eerst moest ik zelf op het tooneel komen. Ik zong twee liederen,
+mij met mijn harp accompagneerende. Openhartig moet ik erkennen,
+dat de toejuichingen zeer schaarsch waren.
+
+Ik heb nooit groote eigenliefde gehad als acteur, maar in deze
+omstandigheden deed mij die koelheid van het publiek zeer veel
+leed. Immers nu ik niet toegejuicht werd, was er niet veel kans op
+eene ruime ontvangst. Het was waarlijk niet om de eer, dat ik zong:
+'t was voor mijn armen Joli-Coeur. O, hoe gaarne had ik dat publiek
+willen behagen, neen, in verrukking brengen, met geestdrift vervullen;
+maar voor zooveel ik zien kon in dit gewelf, door allerlei zonderlinge
+schaduwen gevuld, scheen het mij toe, dat men in mij volstrekt geen
+wonder zag.
+
+Capi was gelukkiger; men juichte hem bij herhaling en luide toe.
+
+De voorstelling duurde voort; dank zij Capi, eindigde zij onder luide
+bravo's; niet slechts klapte men in de handen, maar men trapte zelfs
+met de voeten.
+
+Het beslissende oogenblik was gekomen. Terwijl ik, door Vitalis
+geaccompagneerd, een spaanschen dans uitvoerde, ging Capi met het
+bakje in zijn bek alle banken van het publiek langs.
+
+Ik was buiten adem; toch danste ik nog altijd voort, want ik mocht
+niet ophouden vóór dat Capi was teruggekomen; hij haastte zich niet
+en als hij niets kreeg, tikte hij met zijn pootjes op den zak van hen,
+die niets wilden geven.
+
+Eindelijk zag ik hem terugkomen en ik was op het punt mijn dans te
+eindigen, toen Vitalis mij een wenk gaf, dat ik voort zou gaan.
+
+Ik danste dus voort en bij Capi komende, zag ik dat het bakje op
+verre na niet gevuld was.
+
+Vitalis zelf had met een oogopslag het bedrag van het ontvangen geld
+begroot. Hij stond op en zeide:
+
+--Ik geloof, zonder ons te vleien, te mogen verklaren, dat wij ons
+programma zijn nagekomen; evenwel daar de kaarsen nog branden zal
+ik, met goedvinden van het geëerde publiek, nog een paar liederen
+voordragen. Capi zal dan nog eene inzameling houden en de heeren
+en dames, welke den toegang tot hun zak nog niet konden vinden bij
+zijn eersten omgang, zullen misschien ditmaal gelukkiger en handiger
+zijn. Ik verzoek hun zich alvast gereed te maken.
+
+Ofschoon Vitalis mijn onderwijzer in het zingen was geweest, had ik
+hem zelf eigenlijk nog nooit hooren zingen en althans niet zooals
+dien avond.
+
+Hij koos twee liederen, die iedereen kent, maar die voor mij toen nog
+vreemd waren. Ik was toen nog te jong om te kunnen beslissen of hij
+mooi of leelijk zong, met of zonder kunst, maar dit mag ik zeggen,
+dat de gewaarwording, welke zijne manier van zingen in mij opwekte,
+mij in tranen deed uitbarsten, terwijl ik op een uithoek van het
+tooneel aandachtig naar hem luisterde.
+
+Door den nevel heen, die mijne oogen verduisterde, zag ik eene jonge
+dame op den voorsten rang met geestdrift toejuichen. Ik had haar
+vroeger al opgemerkt, want ze was geen boerin, zooals de andere vrouwen
+onder het publiek. Zij was eene wezenlijke dame, schoon en, naar ik
+opmaakte uit haar bont en mantel, de rijkste van het dorp. Naast haar
+zat een knaapje, dat ook bijzonder toejuichte als Capi zijn kunstjes
+deed. Het was zeker haar kind, want hij geleek sprekend op haar.
+
+Na het eerste lied had Capi weder zijne inzameling gehouden en met
+verbazing zag ik, dat de rijke dame niets op het bakje legde.
+
+Toen mijn meester zijn lied geëindigd had, wenkte zij mij met de
+hand. Ik ging naar haar toe.
+
+--Ik wenschte uw meester te spreken, zeide zij.
+
+Het verwonderde mij wel eenigszins dat die aanzienlijke dame mijn
+meester wilde spreken. Zij had, dacht mij, beter gedaan met haar gift
+op het bakje te leggen; maar ik deelde aan Vitalis haar wensch mede,
+terwijl Capi onderwijl bij ons kwam.
+
+De tweede inzameling had nog minder opgebracht dan de eerste.
+
+--Wat wil de dame van mij? vroeg Vitalis.
+
+--Zij wil u spreken.
+
+--Ik heb haar niets te zeggen.
+
+--Zij heeft niets gegeven aan Capi; misschien wil ze het hem nu geven.
+
+--Dan moet Capi naar haar toe gaan en niet ik.
+
+Nochtans ging hij, maar nam Capi met zich.
+
+Ik volgde hem.
+
+In dien tusschentijd was een bediende met een lantaarn en een reisdeken
+gekomen en had achter de dame en den knaap postgevat.
+
+Vitalis was haar genaderd en had gegroet, maar zeer koel.
+
+--Ik vraag u verschooning dat ik u lastig val, maar ik wilde u mijn
+compliment maken.
+
+Vitalis boog zonder te antwoorden.
+
+--Ik beoefen de muziek, ging zij voort, en dit zal wel voldoende zijn
+om u te doen beseffen, dat ik gevoelig ben voor zulk een groot talent
+als het uwe.
+
+Een groot talent! En dat zou Vitalis bezitten, een straatzanger,
+een man met gedresseerde honden! Ik was buiten mijzelven van verbazing.
+
+--Een oud alledaagsch man als ik heeft geen talent, zeide Vitalis.
+
+--Geloof niet dat onbescheiden nieuwsgierigheid mij beweegt, sprak
+de dame.
+
+--Ik zou anders zeer bereid zijn die nieuwsgierigheid te
+bevredigen. Gij waart verwonderd een man met gedresseerde honden te
+hooren zingen, of althans te doen of hij zong?
+
+--Verrukt zelfs.
+
+'t Is evenwel doodeenvoudig; ik ben niet altijd geweest wat ik nu
+ben. Voorheen, in mijne jeugd--dat is dus lang geleden--ben ik.... ja
+ben ik de bediende van een groot zanger geweest, en uit zucht tot
+nabootsing heb ik, als een papegaai, de stukken nagezongen, die mijn
+meester instudeerde. Dat is de heele zaak.
+
+De dame antwoordde niet, maar zij vestigde langen tijd haar blik op
+Vitalis, die in verlegen houding voor haar bleef staan.
+
+--Tot weerziens, mijnheer, sprak zij, den klemtoon op dit laatste woord
+leggende, dat zij op een bizonderen toon uitsprak.--Tot weerziens, en
+ontvang nogmaals mijn dank voor het genot, dat gij mij geschonken hebt.
+
+Daarop boog zij zich tot Capi en legde een goudstuk in zijn bakje.
+
+Ik dacht dat Vitalis deze dame naar haar plaats zou terugbrengen,
+maar hij deed het niet, en toen zij zich verwijderd had, hoorde ik
+hem eenige Italiaansche vloeken mompelen.
+
+--Maar zij heeft aan Capi een goudstuk gegeven, zeide ik.
+
+Ik dacht dat ik een klap zou krijgen; hij trok echter zijn opgeheven
+hand terug.
+
+--Een goudstuk, zeide hij, alsof hij uit een droom ontwaakte, o ja, het
+is waar; arme Joli-Coeur, ik vergat hem; kom laten we naar hem toegaan.
+
+Onze zaken waren spoedig geborgen en wij keerden naar de herberg terug.
+
+Ik ging het eerst de trap op en trad de kamer snel binnen; het vuur
+was niet uitgedoofd, maar toch zag men geen enkele vlam meer.
+
+Ik stak haastig een kaars aan en zocht naar Joli-Coeur, daar ik hem
+niet hoorde.
+
+Hij lag op zijn mat uitgestrekt in zijn generaalsuniform en scheen
+te slapen.
+
+Ik bukte mij over hem heen en vatte hem bij een poot, om hem wakker
+te maken.
+
+Zijn poot was koud.
+
+Op dit oogenblik trad Vitalis binnen.
+
+Ik wendde mij tot hem.
+
+--Joli-Coeur is koud.
+
+Vitalis knielde naast mij neder.
+
+--Helaas, sprak hij, hij is dood! Dat moest gebeuren. Ziet gij, Rémi,
+het was verkeerd van mij, dat ik u niet bij mevrouw Milligan liet. Ik
+ben ervoor gestraft. Zerbino, Dolce, en thans Joli-Coeur. En daarmede
+is het nog niet gedaan.
+
+
+
+
+XVI.
+
+AANKOMST TE PARIJS.
+
+
+Wij waren nog een geducht eind van Parijs verwijderd.
+
+Aanhoudend moesten wij wegen volgen, waarop de sneeuw hoog lag
+opgestapeld, en van den morgen tot den laten avond woei een scherpe
+wind ons in het gelaat.
+
+Hoe akelig waren die lange wandelingen! Vitalis liep altijd voorop,
+terwijl ik hem volgde, en Capi weder vlak achter mij.
+
+Zoo liepen wij in een rij, zonder dat we, uren lang, een woord met
+elkander wisselden, met een gelaat blauw van koude, natte voeten en
+leege maag; en de menschen, die wij tegenkwamen, stonden stil om ons
+voorbij te zien trekken.
+
+Blijkbaar maakten wij een zonderlingen indruk op hen en zij vroegen
+zichzelf af: waarheen brengt deze grijsaard dien knaap en dien hond?
+
+Die stilte was mij ondraaglijk; ik had groote behoefte om te spreken
+en mijn hart eens lucht te geven, maar Vitalis gaf mij altijd een kort
+antwoord op mijn vragen en keerde zich nooit naar mij om. Gelukkig
+was Capi hartelijker, en dikwijls voelde ik, onder het loopen, zijn
+natte, warme tong op mijn hand; Capi likte deze alsof hij daarmede
+zeggen wilde:
+
+--Gij weet toch wel, dat ik, uw vriend Capi, er nog ben.
+
+Ik streelde dan even zijn kop, zonder stil te staan.
+
+Hij scheen met dit bewijs van mijn genegenheid zeer in zijn schik,
+evenals ik met het zijne; wij begrepen elkander; wij hielden van
+elkaar.
+
+Voor mij was hij een steun en ik weet zeker, dat ik dit ook voor
+hem was; het hart van een hond is niet minder gevoelig dan dat van
+een kind.
+
+Deze liefkoozingen schonken Capi veel troost, zoodat zij hem wel
+eenigszins den dood van zijn makkers vergeten deden; de kracht der
+gewoonte behaalde ook de overhand en dikwijls stond hij eensklaps
+stil, om evenals vroeger, toen hij nog korporaal over zijn troep was,
+deze in oogenschouw te nemen. Maar dat duurde ook slechts kort;
+spoedig kwam zijn geheugen hem te hulp en herinnerde hij zich,
+waarom zijn troep niet volgde. Hij snelde ons dan voorbij en keek
+Vitalis aan, alsof hij hem wilde laten zien, dat hij er nog was;
+zoo Dolce en Zerbino niet kwamen, was het, omdat zij niet konden
+komen. Hij vertelde hem dit met zulke welsprekende blikken, die van
+zooveel verstand en smart getuigden, dat wij medelijden met hem kregen.
+
+Dit maakte onze wandeling ook niet vroolijker en toch hadden wij
+groote behoefte aan eenige afleiding; ik tenminste.
+
+Over het geheele landschap lag een bed van sneeuw gespreid; het was
+een grauwe, gure dag, waarover de zon haar stralen niet zou werpen;
+op het veld was niet de minste beweging te ontdekken; geen enkele
+boer was aan zijn werk. Noch het hinneken van een paard noch het
+loeien van een koe trof ons oor; slechts het gekras der raven, die
+in de hoogste toppen der kale boomen zaten en van honger piepten,
+daar zij geen enkele plaats op den grond zagen waar zij een wormpje
+zouden kunnen vinden; in de dorpen waren alle huizen gesloten, alles
+was stil en verlaten; de koude was vinnig, een ieder bleef bij het
+hoekje van den haard, of men arbeidde op de zolders en in schuren.
+
+En wij liepen steeds voort op den gladden en hobbeligen weg, zonder
+een oogenblik stil te staan en zonder eenige andere rust genoten te
+hebben, dan onze nachtrust in een stal of schaapskooi. Met een klein
+stuk brood moesten wij ons 's avonds tevreden stellen, en dat brood
+gold ook voor ons middagmaal. Als we het geluk slechts hadden van in
+een schaapskooi een onderkomen te vinden, dan werden wij tenminste
+door de warmte der schapen voor de koude bewaard; ook was het juist
+tijd, dat de schapen hun jongen zogen en dikwijls kregen wij verlof
+om een schaap te melken; wij zeiden wel niet, dat we bijna van honger
+omkwamen, maar Vitalis vertelde met zijn gewone slimheid, "dat het
+kereltje zooveel van schapemelk hield, daar hij als kind gewend was
+geweest die te drinken en het hem aan zijn land herinnerde." Dit
+verhaal gelukte niet altijd. Maar het was een heerlijke avond,
+wanneer het geloofd werd. Ik hield werkelijk veel van schapemelk en
+wanneer ik ze gedronken had, dan gevoelde ik mij den volgenden dag
+veel krachtiger en beter tot loopen instaat.
+
+Mijlen en uren volgden elkander op en de eene wandeling kwam na de
+andere; meer en meer naderden wij Parijs en als de boomen, die langs
+den weg geplant stonden, mij niet gewaarschuwd hadden, dan zou ik het
+toch reeds bemerkt hebben aan het grooter vertier op de wegen en ook
+aan de kleur der sneeuw, die hier lang zoo helder wit niet meer zag,
+als op de vlakten van Champagne.
+
+Het verbaasde mij ten hoogste, maar het landschap werd niet fraaier
+en de dorpen niet mooier dan die, welke wij vroeger bezochten. Ik
+had zoo dikwijls over de wonderen van Parijs hooren spreken, dat ik
+in mijn onwetendheid mij voorgesteld had, dat deze wonderen reeds
+van verre door het een of ander buitengewoons zich zouden toonen. Ik
+wist niet recht wat ik eigenlijk verwachtte en durfde het ook niet
+vragen; ik bleef dus op een wonder hopen: gouden appelen, straten met
+marmeren paleizen en wandelaars geheel in fluweel en satijn gedost;
+dat zou ik alles zeer natuurlijk gevonden hebben.
+
+Hoewel ik geen oog had dan voor de gouden boomen, die ik zocht,
+bemerkte ik toch wel, dat de voorbijgangers ons niet meer nastaarden;
+waarschijnlijk hadden zij te veel haast, of zij waren gewend aan nog
+treuriger tafereelen, dan wij thans aanboden.
+
+Dat stelde mij niet zeer gerust.
+
+Wat zouden wij te Parijs doen? en vooral in den ellendigen toestand
+waarin wij ons bevonden?
+
+Dit vroeg ik mezelf dikwijls af en gedurende de verre tochten hield
+dit meestal mijn geest geheel bezig.
+
+Gaarne zou ik het eens aan Vitalis gevraagd hebben, maar ik durfde
+niet, want hij zag er zoo treurig uit en hij gaf mij altijd een zeer
+kort antwoord.
+
+Eens echter ging hij naast mij zitten en uit de wijze, waarop hij
+mij aanzag, begreep ik, dat ik thans zou vernemen wat ik reeds zoo
+lang gewenscht had te weten.
+
+Het was nog vroeg in den ochtend; wij hadden den nacht in een
+boerderij doorgebracht, die niet ver van een groot dorp verwijderd
+lag, dat Boissy-Saint-Léger heette. Wij hadden ons bij het aanbreken
+van den morgen op weg begeven, en nadat wij geruimen tijd den muur
+van een park gevolgd waren en het dorp in zijn geheele lengte hadden
+doorloopen, waren we op een hoogte gekomen, vanwaar wij een zwarten
+rook boven een groote stad zagen opstijgen, maar waarvan wij slechts
+eenige hooge gebouwen konden onderscheiden.
+
+Ik deed mijn oogen wijd open om tusschen dat tal van daken, klokken en
+torens, die zich in den nevel en den rook verloren, op mijn verhaal
+te komen, toen Vitalis plotseling langzamer ging loopen en naast mij
+kwam zitten.
+
+--Uw leven is thans veranderd, zeide hij tot mij, alsof hij een
+gesprek voortzette; binnen vier uur zijn wij te Parijs.
+
+--O, is dat Parijs, dat daar vóór ons ligt?
+
+--Ja.
+
+Op het oogenblik zelf, toen Vitalis mij zeide, dat het Parijs was,
+brak een lichtstraal door den grijzen hemel, die plotseling, als een
+bliksemstraal, een gouden kleed over alles verspreidde.
+
+Ik had mij dus niet vergist; ik zou daar gouden boomen vinden.
+
+Vitalis vervolgde:
+
+--In Parijs moeten wij van elkander scheiden.
+
+Plotseling echter viel de duisternis in en ik zag de gouden boomen
+niet meer.
+
+Ik zag Vitalis aan; ook hij hield den blik op mij gericht en de
+bleekheid van mijn gelaat, het trillen mijner lippen zeiden hem,
+wat er in mij omging.
+
+--Gij zijt bang, en het doet u ook verdriet, ik geloof het best.
+
+--Moeten wij scheiden! riep ik, toen het eerste oogenblik van schrik
+voorbij was.
+
+--Arme jongen!
+
+Deze woorden en vooral de toon, waarop zij werden uitgesproken,
+deden mij de tranen in de oogen komen; het was zoo lang geleden,
+sedert ik een hartelijk woord van hem gekregen had.
+
+--O, gij zijt zoo goed voor mij! riep ik uit.
+
+--Gij zijt een goede jongen, een dapper kereltje. Weet je, er zijn
+oogenblikken in het leven, waarop men geneigd is dit te erkennen en
+zich te laten overreden. Wanneer het ons in de wereld goed gaat, dan
+volgt men zijn weg, zonder er ooit aan te denken, wie ons vergezelt;
+maar wanneer alles tegenloopt, als men beseft, dat men een verkeerd pad
+is ingeslagen en vooral als men oud wordt, dat is te zeggen, wanneer
+men niets meer van de toekomst verwacht, dan heeft men behoefte om
+op iemand te steunen en men gevoelt zich gelukkig, wanneer zoo iemand
+dan bij ons is. Dat ik op u steun, dat verbaast u waarschijnlijk, niet
+waar? En toch is het zoo. En gij hebt mij reeds veel troost geschonken,
+toen ik u tranen zag storten, terwijl gij naar mij luisterdet. Want
+ook mij, Rémi, doet het scheiden smart.
+
+Eerst later, toen ik iemand liefhad, gevoelde ik de waarheid van
+zijn woorden.
+
+--Het is ongelukkig, ging Vitalis voort, dat men juist dan van elkander
+scheiden moet, wanneer men zich nader tot elkander voelt aangetrokken.
+
+--Maar, vroeg ik verlegen, gij zult mij in Parijs toch niet aan mijn
+lot overlaten?
+
+--Neen, zeker niet, ik zal u niet alleen laten. Wat zoudt gij, geheel
+verlaten, in Parijs doen? En ik kan u ook gerust zeggen, dat ik het
+recht daartoe niet heb.
+
+Toen ik u niet aan de zorg van die goede dame wilde toevertrouwen,
+die u als haar zoon wenschte op te voeden, heb ik de belofte afgelegd,
+u eene opvoeding te geven, zoo goed als eenigszins in mijn vermogen
+was. Ongelukkig loopt het mij niet mede. Op het oogenblik kan ik niets
+voor u doen en daarom ben ik van plan van u te scheiden, wel niet voor
+altijd, maar toch voor eenige maanden, opdat wij het laatste gedeelte
+van dit slechte jaargetijde elk op ons zelf kunnen leven. Binnen
+weinige uren zijn wij te Parijs. Wat zouden wij daar moeten beginnen
+met een tooneelgezelschap, dat slechts uit Capi bestaat?
+
+Toen de hond zijn naam hoorde noemen, ging hij voor ons staan en toen
+hij zijn poot bij het oor gebracht had, om ons zijn militairen groet
+te brengen, legde hij dien op zijn hart, alsof hij daarmede wilde
+zeggen, dat wij op zijn genegenheid konden rekenen.
+
+In den toestand, waarin wij ons bevonden, stemde ons dit niet minder
+treurig.
+
+Vitalis zweeg een poos om hem den kop te streelen.
+
+--Gij zijt ook een goede, dappere hond; maar helaas, men leeft in
+deze wereld niet alleen van goedheid; wij moeten iets overhebben
+voor het geluk van hen, die ons omringen en ook nog iets anders,
+hetgeen ons juist ontbreekt.
+
+Wat zullen wij met Capi alleen ontvangen? Gij begrijpt het, nietwaar,
+dat wij thans geen voorstellingen kunnen geven?
+
+--Dat is waar.
+
+--De jongens zouden ons bespotten en ons met vuil naar het hoofd gooien
+en wij zouden geen halven franc ophalen; denkt gij, dat wij alle drie
+van een halven franc daags zouden kunnen leven, en daarbij de kans
+nog hebben, wanneer het koud is, regent of sneeuwt, niets te verdienen?
+
+--Maar mijn harp?
+
+--Als ik twee kinderen had, zooals gij, dan zou het misschien
+nog gaan, maar een grijsaard en een knaap, neen, dat gaat niet
+samen. Ik ben nog niet oud genoeg. Als ik nog wat gebrekkiger was
+of misschien blind.... Maar ongelukkig ben ik wat ik ben, dat is te
+zeggen, dat ik niet in een toestand ben om medelijden op te wekken,
+en om in Parijs de belangstelling te wekken van menschen, die allen
+evenveel haast hebben, moet men al in een zeer beklagenwaardigen
+toestand verkeeren. Men moet zich dan ook bovendien niet schamen om
+een beroep te doen op de publieke liefdadigheid, en daartoe zou ik
+nooit kunnen besluiten. Wij moeten dus wat anders bedenken. Ik zal u
+zeggen wat ik gedacht heb en waartoe ik dan ook besloten ben. Tot aan
+het einde van den winter zal ik u bij een _padrone_ in den kost doen,
+die u met andere kinderen op de harp zal leeren spelen.
+
+Aan zulk een plan had ik niet gedacht.
+
+Vitalis liet mij echter den tijd niet om hem in de rede te vallen.
+
+--Ik zal, vervolgde hij, les geven op de harp, op de _piva_ of op
+de viool aan Italiaansche kinderen, die op straat muziek maken. Ik
+ben in Parijs bekend, waar ik verscheidene malen gewoond heb, en
+van waar ik kwam, toen ik uw dorp bezocht; ik behoef slechts om een
+les te vragen, dan krijg ik er meer dan ik er geven kan. Wij kunnen
+dan elk op ons eigen leven. Terwijl ik les geef, kan ik tevens een
+paar andere honden dresseeren, die Zerbino en Dolce zullen moeten
+vervangen. Ik zal hun opvoeding voltooien en wanneer het dan weder
+voorjaar is, dan kunnen wij samen weder op weg gaan, Rémi, om niet
+weer van elkander te scheiden, want de fortuin begunstigt steeds
+hen, die moedig weten te strijden. Ik verg thans slechts moed en
+onderwerping van u. Later zal alles beter gaan; dit is een moeilijk
+en voorbijgaand oogenblik. In de lente neemt ons vrij leven weder een
+aanvang. Ik zal u dan naar Duitschland en naar Engeland brengen. Gij
+zijt dan ouder en verstandiger geworden. Ik zal u alles leeren en een
+man van u maken. Dit heb ik mevrouw Milligan beloofd. En die belofte
+zal ik houden. Juist met het oog op die reizen, zal ik u Engelsch
+gaan leeren; gij kent nu Fransch en Italiaansch en dat is al veel voor
+een kind op uw leeftijd; gij zijt nu ook veel sterker. Gij zult zien,
+Rémi, dat alles nog niet verloren is.
+
+Dit was misschien nog het beste, waartoe wij in onzen toestand
+besluiten konden. En wanneer ik er nu nog aan denk, dan moet ik
+erkennen, dat mijn meester al zijn best gedaan heeft om ons uit dien
+hachelijken toestand te redden. Maar niet dezelfde gedachten bezielen
+ons wanneer wij in onze herinneringen de een of andere gebeurtenis
+herdenken, als op het oogenblik, toen deze plaats greep.
+
+In hetgeen hij mij toen zeide, stonden twee dingen mij slechts
+duidelijk voor oogen:
+
+Onze scheiding.
+
+En de _padrone_.
+
+Op onze tochten door dorpen en steden hadden wij verscheidene van die
+_padrones_ ontmoet, die de kinderen, welke zij in dien tusschentijd
+hadden gehuurd, met stokslagen gedrild hadden.
+
+Zij geleken volstrekt niet op Vitalis; zij schenen mij wreed,
+onrechtvaardig en veeleischend toe, en waren meestal dronken en
+vloekten aanhoudend.
+
+Het was zeer wel mogelijk, dat ik in handen van zulk een meester
+zou vallen.
+
+En al voerde het toeval mij bij een die goedhartiger was, dan zou
+het toch eene groote verandering voor mij wezen.
+
+Na mijn pleegmoeder, Vitalis.
+
+Na Vitalis, alweer een ander.
+
+Zou het altijd zoo met mij gaan?
+
+Zou ik dan nooit, mijn geheele leven lang, aan iemand mij mogen
+hechten?
+
+Langzamerhand had ik mij aan Vitalis gehecht, alsof hij mijn vader was.
+
+Ik zou dus nooit een vader hebben?
+
+Nooit een bloedverwant?
+
+Zou ik dan altijd alleen op de wereld wezen?
+
+Altijd op die groote wereld moeten rondzwerven, zonder mij ooit ergens
+te kunnen vestigen?
+
+Op al die vragen had ik gaarne eenig antwoord gehad en zij waren mij
+bijna van de lippen gevloeid, zoo ik ze niet met moeite teruggehouden
+had.
+
+Mijn meester had van mij moed en onderwerping gevraagd; ik wilde hem
+gehoorzamen en zijn verdriet niet vermeerderen.
+
+Bovendien zat hij al niet meer naast me; alsof hij bang was al deze
+vragen te moeten aanhooren, die hij eveneens voorzien had, was hij
+eenige schreden vooruitgeloopen.
+
+Ik volgde hem en spoedig hadden wij een rivier bereikt waarover een
+brug lag, die hier vreeselijk slikkerig was; de sneeuw was geheel
+zwart en men zakte tot aan de enkels in de modder.
+
+Aan het einde van die brug bevond zich een dorp met enge straten;
+daarna was men weder geheel buiten, maar men zag hier geen arme
+woningen in vervallen toestand.
+
+Op den weg volgden en kruisten elkander tal van rijtuigen. Ik ging
+naast Vitalis loopen en Capi kwam vlak achter ons.
+
+Spoedig was men niet meer in de vrije natuur, maar kwamen wij in een
+straat, waarvan het einde niet te zien was; aan beide zijden verhieven
+zich huizen, maar het waren vuile, arme en lang zulke mooie huizen
+niet als te Bordeaux, te Toulouse en te Lyon.
+
+De sneeuw lag hier en daar opgehoopt en op die zwarte stapels had
+men asch, verrotte groente en allerlei vuil geworpen; een onaangename
+lucht kwam ons tegemoet, de kinderen, die voor de deur speelden, zagen
+er bleek en ongezond uit; telkens reden zware wagens ons voorbij,
+die zij met de grootste behendigheid wisten te ontwijken zonder er
+ooit acht op te slaan.
+
+--Waar zijn wij nu? vroeg ik aan Vitalis.
+
+--Te Parijs, mijn jongen.
+
+Te Parijs!....
+
+Was het mogelijk! Was dat Parijs?
+
+Waar stonden mijn marmeren paleizen?
+
+Waar liepen de menschen in fluweel en satijn?
+
+Hoe leelijk en akelig was de werkelijkheid!
+
+Dat was dan het Parijs, waarnaar ik zoo vurig verlangd had.
+
+Daar zou ik dus den winter doorbrengen, gescheiden van Vitalis.... en
+van Capi!
+
+
+
+
+XVII.
+
+EEN PADRONE UIT DE STRAAT LOURCINE.
+
+
+Hoewel ik al wat mij omringde even leelijk vond, moest ik toch mijn
+oogen wijd openen om alles aandachtig op te nemen en vergat ik bijna
+in welk een ernstigen toestand ik mij bevond.
+
+Hoe verder wij in Parijs doordrongen, hoe minder het aan mijn
+kinderlijke droomen en mijne verwachtingen beantwoordde: de bevroren
+grachten wasemden een vuilen geur uit; de slijk werd hoe langer
+hoe zwarter en wanneer zij niet meer uit ijs of sneeuw bestond,
+dan spatte zij om de wielen der rijtuigen en bemorste de ruiten der
+onaanzienlijke winkels.
+
+Parijs kon ongetwijfeld niet bij Bordeaux vergeleken worden.
+
+Toen wij geruimen tijd een breede straat, die minder onaanzienlijk was
+dan die welke wij reeds waren doorgegaan, hadden gevolgd en waarin de
+winkels hoe langer hoe beter werden naarmate wij verder kwamen, sloeg
+Vitalis rechts om en een oogenblik later bevonden we ons in een zeer
+armoedige wijk der stad met hooge huizen, die door hun zwarte gevels
+nog hooger schenen; het water liep uit de ontdooide goten midden door
+de straat en zonder zich om dat vuile water te bekommeren, schreed
+een dichte menigte over de modderachtige steenen voort. Nooit had
+ik zulke bleeke gezichten gezien als van deze menschen; evenzoo trof
+mij de onbeschaamdheid der kinderen; in de vele kroegen zaten mannen
+en vrouwen of stonden zij aan de toonbank te drinken, terwijl zij om
+het hardst schreeuwden.
+
+Op den hoek van een straat las ik den naam _Lourcine_.
+
+Vitalis, die den weg scheen te kennen, ontweek behoedzaam de
+voorbijgangers, die hem den doortocht belemmerden en ik volgde hem
+op den voet.
+
+--Pas op, dat gij mij niet verliest, zeide hij.
+
+Maar deze aanbeveling was noodeloos; ik liep vlak achter hem en voor
+alle zekerheid hield ik een pand van zijn jas vast.
+
+Nadat wij een groote plaats en een gang waren doorgegaan, bereikten
+wij een soort van loods, die zeer donker en vermolmd er uitzag,
+en waarin de zon zeker nooit hare stralen had geworpen. Dit was nog
+leelijker en verschrikkelijker dan alles, wat ik tot nogtoe gezien had.
+
+--Is Garofoli tehuis? vroeg Vitalis aan een man, die allerlei lompen
+tegen den muur ophing en zichzelf met een lantaarn bijlichtte.
+
+--Ik weet het niet; ga maar naar boven; gij kent den weg; de bovenste
+trap, dan hebt ge de deur recht voor u.
+
+--Garofoli is de padrone van wien ik u gesproken heb, zeide Vitalis,
+terwijl wij de trap bestegen, waarvan de treden met een laag slijk
+en aarde waren bedekt, alsof zij uit vochtige klei gehouwen waren;
+hier woont hij.
+
+De straat noch het huis of de trap waren geschikt om mij in een
+vroolijker stemming te brengen. Hoe zou de bewoner wel zijn?
+
+Wij klommen tot de vierde verdieping; Vitalis duwde, zonder te kloppen,
+de deur open en wij bevonden ons in een ruim vertrek, op een soort
+van zolder. In het midden was een groote ruimte ledig gebleven,
+terwijl langs de wanden een dozijn ledekanten geschaard stonden. De
+muren en de zoldering waren van een niet meer te onderscheiden kleur;
+ofschoon vroeger waarschijnlijk wit geweest, waren zij door rook,
+stof en onzindelijkheid zwart geworden en op verscheidene plaatsen
+zag men zelfs gaten; naast een kop met houtskool geteekend hingen
+eenige gebeeldhouwde bloemen en vogels.
+
+--Garofoli, sprak Vitalis, terwijl hij binnentrad, zijt gij thuis? Ik
+kan niets zien, dus geef mij eenig antwoord; ik ben Vitalis.
+
+Het scheen inderdaad of er zich niemand in de kamer bevond, zoo flauw
+was deze door een kleine hanglamp verlicht; maar op de vraag van mijn
+meester antwoordde een zachte en sleepende kinderstem:
+
+--Signor Garofoli is uitgegaan; eerst over een paar uur komt hij terug.
+
+Op hetzelfde oogenblik stond hij, die ons antwoord gegeven had,
+voor ons: het was een kind van omstreeks tien jaar oud; het kwam
+met een sleependen tred naar ons toe en ik was zoozeer door zijn
+uiterlijk getroffen, dat ik het thans nog vóór mij zie; het had
+eigenlijk geen lichaam en zijn groot hoofd, dat niet in de minste
+evenredigheid met zijn voorkomen was, scheen onmiddellijk op zijn
+beenen te rusten, evenals op die karikatuurplaten, die eenige jaren
+geleden zooveel opgang maakten. Op zijn gelaat lag een pijnlijke en
+zachte uitdrukking en uit zijn blik las men een groote gelatenheid,
+terwijl zijn geheele voorkomen iets wanhopends had. Zoo gevormd, kon
+hij niet schoon wezen en toch gevoelde men zich tot hem aangetrokken,
+hetzij uit medelijden of wel door zijn vriendelijk, trouwhartig oog
+en den verstandigen trek, die er op zijn gelaat lag.
+
+--Zijt gij zeker, dat hij binnen twee uren thuis zal zijn? vroeg
+Vitalis.
+
+--O, heel zeker, signor, dan is het etenstijd en hij alleen geeft
+ons het eten.
+
+--Welnu, zoo hij soms vroeger terug mocht komen, zeg hem dan, dat
+Vitalis over twee uur bij hem terugkomt.
+
+--Over twee uur, goed signor.
+
+Ik wilde mijn meester volgen, maar deze wees mij terug en zeide:
+
+--Blijf gij hier, gij kunt hier uitrusten; ik kom terug.
+
+Ik kon mijn angst niet verbergen.
+
+--Ik verzeker u, dat ik terugkom, herhaalde hij.
+
+Liever was ik, ondanks mijn groote vermoeidheid, Vitalis gevolgd,
+maar wanneer hij iets gebood, dan was ik gewoon hem te gehoorzamen
+en ik bleef dus staan.
+
+Toen wij zijn zware stappen niet meer op de trap hoorden, vroeg het
+kind, dat met zijn oor tegen de deur aandachtig geluisterd had:
+
+--Zijt gij uit het land? Hij vroeg mij dit in het
+italiaansch. Gedurende mijn omgang met Vitalis had ik genoeg
+italiaansch geleerd om bijna alles in die taal te verstaan, maar zelf
+was ik ze niet voldoende machtig om ze gaarne te spreken.
+
+--Neen, antwoordde ik in het fransch.
+
+--O, zuchtte hij en zag mij met zijn groote oogen strak in het gelaat:
+dat is jammer, ik had gehoopt dat gij ook uit het land waart.
+
+--Uit welk land?
+
+--Uit Lucca; gij zoudt mij misschien eenige tijding hebben
+medegebracht.
+
+--Ik ben een Franschman.
+
+--O, des te beter.
+
+--Houdt gij dan meer van de Franschen dan van de Italianen?
+
+--Neen, ik zeg het ook niet voor mezelf, maar voor u, want als gij
+een Italiaan waart, dan zoudt gij waarschijnlijk in dienst van signor
+Garofoli komen; en men zegt niet des te beter tot hen, die bij dezen
+in dienst treden.
+
+Deze woorden waren nu juist niet zeer geruststellend voor mij.
+
+--Is hij kwaad?
+
+Het kind gaf op deze vraag geen antwoord, maar de blik, waarmede hij
+mij aanzag, was welsprekend genoeg. Daarop, alsof hij dit onderwerp
+niet langer wilde voortzetten, keerde hij mij den rug toe, en begaf
+hij zich naar den schoorsteen aan het einde van de kamer.
+
+Een heerlijk vuur van takkenbossen brandde daarin en op dat vuur
+stond een groote ketel.
+
+Ik ging voor het vuur staan, om mij wat te verwarmen en ontdekte
+toen dat deze ketel iets bijzonders had, wat ik in het begin niet
+had opgemerkt. Het deksel met een smal tuitje bovenop, waaruit de
+stoom ontsnapte, was aan den pot bevestigd, aan de eene zijde met
+een scharnier en aan de andere zijde met een hengsel.
+
+Ik begreep, dat ik geen onbescheiden vragen omtrent Garofoli doen
+mocht, maar toch wel wat den pot betrof.
+
+--Waarom is deze ketel op slot?
+
+--Omdat ik er niet uit snoepen zou. Ik moet de soep wel gaarmaken,
+maar de meester vertrouwt mij niet.
+
+Ik kon een glimlach niet onderdrukken.
+
+--Gij lacht erom, vervolgde hij op verdrietigen toon, want gij denkt
+zeker, dat ik snoepziek ben. In mijn plaats zoudt gij het misschien
+ook zijn. Ik ben ook eigenlijk geen snoeper, maar ik ben uitgehongerd
+en de reuk van de soep, die uit het tuitje ontsnapt, doet mijn honger
+nog grooter worden.
+
+--Signor Garofoli laat u dus hongerlijden?
+
+--Wanneer gij in zijn dienst komt, dan zult gij wel ondervinden, dat
+men van honger niet sterft, maar wel ontzettend veel erdoor lijden
+kan. En vooral ik, want voor mij is het eene straf.
+
+--Een straf, hongerlijden?
+
+--Ja; en ik durf het u gerust vertellen, want als Garofoli soms uw
+meester wordt, dan zou mijn voorbeeld u van nut kunnen zijn. Signor
+Garofoli is mijn oom en hij heeft mij uit liefdadigheid bij zich
+genomen. Gij moet weten, dat mijn moeder weduwe en dus, zooals gij
+wel begrijpen kunt, niet rijk is. Toen Garofoli het vorige jaar onze
+streek bezocht, om kinderen op te halen, stelde hij mijn moeder voor
+mij met zich te nemen. Het kostte haar heelwat om mij van zich af te
+zenden; maar gij begrijpt als iets noodzakelijk is! En het was noodig,
+want wij waren met ons zessen thuis, waarvan ik de oudste was. Liever
+had Garofoli mijn broeder medegenomen, die op mij volgt, want Lenardo
+is mooi, terwijl ik leelijk ben. En als men geld verdienen moet, dan
+moet men niet leelijk zijn; zij, die leelijk zijn, krijgen niets dan
+slaag en slechte woorden. Maar mijn moeder wilde Lenardo niet afstaan;
+Mattia is de oudste, zeide zij, en wanneer er een weggaan moet, dan
+is het Mattia; de goede God heeft het zoo besloten en er valt niets
+aan den wil van God te veranderen." Ik ben dus met mijn oom Garofoli
+op reis gegaan; gij begrijpt, dat het mij hard viel om de ouderlijke
+woning en mijn moeder, die luid weende, te verlaten en vooral de
+kleine Christina, die veel van mij hield, omdat zij de jongste was
+en ik haar altijd droeg. Ook speet het mij, dat ik mijn broeders,
+mijn makkers en mijn land vaarwel moest zeggen.
+
+Ik wist bij ondervinding hoe wreed zulk een scheiding was en ook
+ik kon mij de aandoening nog levendig herinneren, toen ik voor de
+laatste maal de witte muts van vrouw Barberin zag.
+
+De kleine Mattia vervolgde zijn verhaal.
+
+--Ik was geheel alleen met Garofoli, toen ik mijn woning verliet,
+maar acht dagen later waren wij reeds met ons twaalven en begaven we
+ons op weg naar Frankrijk.
+
+O, hoe lang viel die weg aan mij en mijn makkers, die even treurig
+waren als ik. Eindelijk toch kwamen wij te Parijs; wij waren
+toen nog met ons elven, daar een onzer in het gasthuis te Dijon
+was achtergebleven. In Parijs werd er een keus uit ons gedaan; de
+sterksten kwamen bij schoorsteenvegers of rookverdrijvers in dienst;
+die niet krachtig genoeg voor een ambacht waren, gingen op straat
+zingen en op de lier spelen. Garofoli gaf mij twee witte muizen,
+die ik op straat en voor de deuren moest laten kijken en hij rekende
+uit, dat ik daarmede vijftien stuivers daags zou verdienen. "Zooveel
+stuivers als daaraan ontbreken, wanneer gij 's avonds tehuis komt,
+zooveel stokslagen krijgt gij van me." Vijftien stuivers was moeilijk
+bij elkander te zamelen; maar stokslagen waren evenmin prettig, wanneer
+Garofoli ze toediende. Ik spande dus alles in om die som op te halen,
+maar ondanks al mijn moeite, gelukte het mij niet dikwijls. Mijn
+makkers hadden gewoonlijk het aantal stuivers en ik bijna nooit. Dit
+maakte Garofoli nog boozer. "Die domkop van een Mattia, wat voert die
+dan toch uit?" vroeg hij. Een ander kind, dat evenals ik, met witte
+muizen rondliep, moest twee francs inbrengen, hetgeen hij getrouw
+iederen avond deed. Dikwijls ging ik met hem mede, om te zien, wat
+hij deed en waarin hij zich handiger gedroeg dan ik. Ik begreep toen
+waarom hij zoo gemakkelijk zijn twee francs en ik zoo moeilijk nog
+een franc bij elkander kreeg.
+
+Als een heer en een dame ons iets gaven, dan zeide de dame altijd:
+"Geef het aan dien aardigen en niet aan dien leelijken jongen." De
+leelijke was ik. Ik ging nooit meer met mijn makker mede, want al is
+het naar stokslagen te krijgen als men tehuis komt, het is toch nog
+akeliger op straat in tegenwoordigheid van iedereen een hard woord te
+hooren. Gij kent dat gevoel niet, daar men u nooit gezegd heeft, dat
+gij leelijk waart; maar ik.... Kortom, toen Garofoli zag, dat slaag
+tot niets leidde, bedacht hij een ander middel. "Voor elken stuiver,
+die er ontbreekt, krijgt gij 's middags een aardappel minder, zeide
+hij. Daar uw huid tegen slagen bestand schijnt te zijn, zal ik eens
+zien of uw maag misschien voor den honger gevoeliger is." Hebben
+bedreigingen ooit eenigen vat op u gehad?
+
+--Dat hangt ervan af.
+
+--Nu, op mij nooit; bovendien kon ik niet anders doen dan ik tot nogtoe
+gedaan had; en ik kon onmogelijk tot hen, die ik mijn hand reikte,
+zeggen: "Als gij mij geen centen geeft, dan krijg ik vanavond geen
+aardappelen." Menschen die een aalmoes aan kinderen geven, laten zich
+nooit door zulke redenen overhalen.
+
+--En door welke dan wel? Men geeft om iemand genoegen te doen.
+
+--O, wat zijt ge nog jong; men geeft om zich zelf genoegen te doen
+en niet voor het pleizier van anderen; men geeft gaarne iets aan
+een aardig kind; dat is nog de beste reden, ook wel als men een
+kind verloren heeft of men gaarne zoo'n kind zou willen hebben; men
+geeft wanneer men het zelf warm heeft en het kind van koude loopt
+te rillen. O, ja, ik weet het allemaal heel goed; ik heb al den tijd
+gehad om het te leeren. Het is koud vandaag, niet waar?
+
+--Zeer koud.
+
+--Welnu, ga voor een deur staan en steek uw hand eens uit naar een
+heer, die haastig voortloopt en een kort overjasje draagt en vertel
+mij dan eens, wat hij u gegeven heeft. Strek daarentegen uw hand eens
+uit naar een heer, die langzaam loopt en in een jas met bont gewikkeld
+is, dan zult gij misschien een stuk zilvergeld van hem krijgen. Nadat
+ik ongeveer een maand deze manier gevolgd had was ik er niet dikker
+op geworden; ik zag er bleek en ziekelijk uit en dikwijls hoorde ik
+in het voorbijgaan zeggen: dat kind sterft van honger. Mijn lijden
+gaf mij dus, wat ik door schoonheid niet had kunnen verkrijgen;
+het gaf aan mijn gelaat een uitdrukking die belangstelling scheen
+in te boezemen en het maakte mijn oogen grooter; de menschen uit de
+buurt kregen medelijden met mij, en al haalde ik niet altijd geld op,
+ik kreeg dikwijls brood of soep. Dat was een goede tijd! Ik kreeg
+geen slag, maar ook geen aardappelen, hoewel het laatste mij minder
+hinderde, daar ik gewoonlijk 's middags wat te eten gehad had. Maar
+eens betrapte Garofoli mij toen ik bij een fruitverkooper een bord
+soep at en hij begreep toen, waarom ik mij nooit beklaagde, dat ik
+geen aardappelen kreeg. Hij besloot toen mij niet meer uit te laten
+gaan en mij voortaan tehuis te houden om op de soep te passen en het
+huishouden te doen. Maar daar ik onder de hand best van de soep zou
+kunnen snoepen, verzon hij er op, om ze in dezen ketel te koken;
+iederen morgen, voordat hij uitgaat, doet hij het vleesch en de
+groenten in den pot en sluit het deksel met een hangslot; ik behoef
+dan maar te zorgen, dat het gaar wordt; ik kan dan alleen het vleesch
+ruiken, maar ervan proeven, dat begrijpt gij, dat zou nooit door zulk
+een smal tuitje gaan. Sedert ik in de keuken gekomen ben, heb ik
+zulk een vale kleur gekregen, want de reuk voedt niet, integendeel
+hij doet den honger nog erger worden. Zie ik er erg bleek uit? Daar
+ik thans niet meer op straat kom, hoor ik het ook niet meer zeggen
+en er hangt hier geen spiegel.
+
+Ik had toen nog niet veel ondervinding, maar toch wist ik, dat men
+een zieke nooit beangst moet maken door hem te zeggen, dat hij er
+ziek uitziet.
+
+--Gij ziet er niet bleeker uit dan een ander, antwoordde ik.
+
+--Ik merk wel, dat gij dit zegt om mij gerust te stellen, maar ik
+vind het prettig, als ik er bleek uitzie, want dat bewijst dat ik
+zeer ziek ben en ik wil gaarne heelemaal ziek zijn.
+
+Ik zag hem met de grootste verbazing aan.
+
+--Gij begrijpt mij niet, vervolgde hij glimlachend, en het is toch
+heel eenvoudig. Als men erg ziek is, dan wordt men òf goed opgepast
+òf men sterft.
+
+Als ik dood ga, dan is alles uit, dan heb ik geen honger meer en krijg
+ook geen slaag; en men beweert ook, dat, als men dood is, men in den
+hemel komt. Als ik in den hemel ben, dan zie ik mijn moeder weer en
+dan zal ik misschien aan onzen lieven Heer kunnen vragen, om mijn
+zuster Christina gelukkig te maken. Als men mij goed wil verzorgen,
+dan zendt men mij naar het gasthuis en dat zou ik gelukkig vinden.
+
+Het gasthuis boezemde mij altijd grooten afkeer in en dikwijls, als
+ik onderweg uitgeput was van vermoeienis, behoefde ik slechts aan
+het hospitaal te denken, om weder kracht tot loopen te vinden. Het
+verbaasde mij dus zeer, toen ik Mattia op deze wijze daarover hoorde
+spreken.
+
+--Als gij eens wist hoe goed men het in het gasthuis heeft, vervolgde
+hij; eens ben ik daar reeds geweest; men heeft daar een dokter,
+een grooten man met blonde haren, die altijd klontjes in zijn zak
+heeft. Het zijn wel gebroken klontjes, want die zijn goedkooper,
+maar daarom smaken ze niet minder lekker; en de verpleegsters zijn
+ook altijd even vriendelijk: "Kom, doe dat, mijn jongen, steek uw tong
+uit, arm kind." Ik vind het prettig als men zoo vriendelijk tegen mij
+spreekt, dan zou ik wel kunnen weenen en als ik daarin lust heb, dan
+ben ik ook gelukkig. Dat is dom, niet waar? Maar mijn moeder sprak
+altijd zoo vriendelijk tegen mij. Die pleegzusters spreken juist
+zooals mijn moeder en al zijn het niet dezelfde woorden, dan is het
+toch dezelfde muziek. En als men beter wordt, dan krijgt men bouillon
+en wijn. Ik vond het prettig, toen mijn krachten hier langzamerhand
+begonnen af te nemen, omdat ik niet meer at. Ik zeide toen tot mezelf:
+Ik word ziek en Garofoli zal mij naar het gasthuis zenden. O, ik
+word erg ziek; nu ben ik nog niet ziek genoeg; ik voel het zelf wel,
+maar het is nog niet zóó erg, dat ik Garofoli hinder; hij heeft mij
+bij zich gehouden. Het is vreemd, maar ongelukkige menschen zijn
+taai. Gelukkig heeft Garofoli het niet verleerd om mij evenals de
+anderen te tuchtigen. En acht dagen geleden heeft hij mij een slag
+met zijn stok op het hoofd gegeven. Ik hoop nu dat het beslist is;
+mijn hoofd is erg gezwollen; gij ziet daar dien grooten witten bult
+wel. Hij zeide dat het misschien een gezwel was; ik weet niet wat
+een gezwel is, maar zooals hij erover sprak, moet het wel erg zijn;
+in elk geval heb ik er vreeselijk pijn aan. Soms voel ik onder mijn
+haren zoo hevig steken en trekken, nog veel erger dan wanneer ik
+kiespijn heb. Mijn hoofd is zwaar, alsof het honderd pond weegt;
+vaak krijg ik duizelingen en alles waggelt mij voor de oogen, en 's
+nachts zelfs in mijn slaap, lig ik te steunen en te kermen. Nu geloof
+ik zeker, dat ik over een dag of drie, vier, wel naar het gasthuis zal
+gezonden worden; want ge begrijpt, een jongen die 's nachts lastig is,
+hindert ook de anderen en Garofoli wordt niet gaarne gehinderd. Hoe
+gelukkig dat hij mij een slag met zijn stok gegeven heeft! Zeg nu
+eens eerlijk of ik niet erg bleek zie?
+
+Terwijl hij dit zeide, ging hij vlak voor mij staan, en keek hij mij
+strak aan. Ik had nu geen reden om langer te zwijgen; toch wilde ik
+hem niet de volle waarheid zeggen, en hem bekennen welk een akeligen
+indruk zijn groote glinsterende oogen, zijn magere, ingevallen wangen
+en zijne bleeke lippen op mij maakten.
+
+--Ik geloof wel, dat gij ziek genoeg zijt om naar het hospitaal
+te gaan.
+
+--Eindelijk!
+
+En met zijn hinkend been trachtte hij eene buiging te maken. Daarop
+ging hij weder naar de tafel en begon deze af te vegen.
+
+--Nu heb ik genoeg gepraat, zeide hij, Garofoli komt zoo dadelijk
+tehuis, en dan vindt hij niets gereed: nu gij meent, dat ik genoeg
+slaag heb gehad, om naar het hospitaal te gaan, nu is het ook niet
+langer noodig om er meer bij te krijgen; dat zou slechts verloren
+moeite zijn en bovendien schijnen die, welke ik thans krijg, mij veel
+harder dan de klappen, die hij mij eenige maanden geleden gaf. Zij,
+die beweren dat men aan alles went, hebben gelijk, niet waar?
+
+Terwijl hij sprak, liep hij hinkende om de tafel en legde de borden en
+lepels en vorken op hun plaats. Twintig borden telde ik, dus twintig
+kinderen had Garofoli onder zijn leiding; daar ik slechts twaalf bedden
+zag staan, sliepen zij dus zeker twee aan twee. En welke bedden waren
+het! geen lakens, maar versleten wollen dekens lagen erop, die zeker
+uit een stal afkomstig waren, toen zij niet warm genoeg meer waren
+voor paardendekken.
+
+--Is het overal zooals hier? vroeg ik angstig.
+
+--Waar, overal?
+
+--Overal, waar men knapen opvoedt.
+
+--Dat weet ik niet; ik ben nooit ergens anders geweest, maar tracht
+gij ergens anders te komen.
+
+--Waar?
+
+--Dat weet ik niet, dat doet er ook niet toe; ergens waar gij beter
+zijt dan hier.
+
+"Het doet er niet toe waar", dat was zeer onbestemd en hoe zou ik
+het aanleggen, om Vitalis op zijn besluit te doen terugkomen?
+
+Terwijl ik hierover stond na te denken, ging de deur open en trad een
+knaap binnen; hij had een viool onder zijn arm en in zijn andere hand
+hield hij een stuk hout, dat van afbraak afkomstig was. Dat stuk hout,
+dat veel geleek op de stukken, welke onder den schoorsteen lagen,
+deed mij plotseling begrijpen, vanwaar Garofoli zijn voorraad hout
+opdeed en hoeveel deze hem kostte.
+
+--Geef mij uw stuk hout! zeide Mattia, terwijl hij naar den
+nieuwaangekomene toetrad.
+
+Maar inplaats van het stuk hout aan zijn makker te geven, hield hij
+het achter zijn rug.
+
+--Neen, zeker niet, zeide hij.
+
+--Geef het mij, dan wordt de soep beter.
+
+--Als gij meent, dat ik het voor de soep medegebracht heb, dan vergis
+je je, want ik heb niet meer dan vijftien stuivers kunnen ophalen
+en ik reken op dit hout, om mij de vijf stuivers, die mij ontbreken,
+niet te duur door Garofoli te laten betalen.
+
+--Dat zal dat stuk hout niet beletten; je moet ze toch betalen,
+ieder krijgt zijn beurt.
+
+Mattia zeide dit op bitsen toon, alsof hij blijde was, dat zijn makker
+ook eens gestraft zou worden. Ik was verbaasd over den harden trek,
+die er plotseling op zijn zacht gelaat kwam. Eerst later heb ik
+begrepen, dat, wanneer men aanhoudend met slechte menschen omgaat,
+men zelf ook slecht wordt.
+
+Het uur, waarop de leerlingen van Garofoli gewend waren tehuis te
+komen, scheen aangebroken te zijn; na het eene kind met het stuk hout,
+kwam het tweede en na dit nog wel tien anderen. Elke jongen hing,
+zoodra hij binnenkwam, zijn instrument aan een spijker boven zijn bed;
+de een zijn viool, de ander een harp, een derde een fluit of _piva_;
+zij, die geen muzikanten waren, maar slechts met dieren rondliepen,
+gingen hun marmotten of barbarijschen biggen voedsel geven.
+
+Een zware tred klonk op de trap; ik voelde, dat het Garofoli was;
+ik zag daarop een klein, beweeglijk mannetje, met een waggelenden
+gang binnentreden: hij droeg geen italiaansche kleederdracht, maar
+had een grijze overjas aan.
+
+Hij wierp het eerst een blik op mij; een blik, die mijn hart deed
+verstijven.
+
+--Wat doet die jongen hier?
+
+Mattia haastte zich om hem zoo beleefd mogelijk te antwoorden en hem
+mede te deelen wat Vitalis hem opgedragen had.
+
+--O, is Vitalis in Parijs, antwoordde hij, wat wil hij van mij?
+
+--Dat weet ik niet, hernam Mattia.
+
+--Ik spreek niet tot jou, maar wel tot dien knaap.
+
+--De _padrone_ komt zoo straks, zeide ik, zonder hem de waarheid te
+durven vertellen: hij zal u zelf wel zeggen wat hij wenscht.
+
+--Nu, dat ventje weet zijn woorden te wikken en te wegen. Gij zijt
+geen Italiaan?
+
+--Neen, ik ben een Franschman.
+
+Zoodra Garofoli binnengekomen was, waren twee knapen hem genaderd en
+eerbiedig naast hem blijven staan, totdat hij uitgesproken had. Wat
+wilden zij van hem? Spoedig zou ik een antwoord ontvangen op deze
+vraag, die mijn nieuwsgierigheid gaande had gemaakt.
+
+De een nam zijn hoed en legde dezen zorgvuldig op een bed; de ander
+schoof een stoel naderbij; dit alles gebeurde met den grootsten eerbied
+en plechtigheid en hieruit kon men opmaken hoe gevreesd Garofoli was,
+want zeker was het niet uit genegenheid, dat zij hem met zooveel
+ijver bedienden.
+
+Toen Garofoli gezeten was, bracht een andere knaap hem zijn pijp,
+die gestopt was en een vierde snelde met een brandende lucifer naar
+hem toe.
+
+--Die ruikt naar zwavel, kwajongen! riep hij, toen hij de lucifer
+bij zijn pijp bracht en hij wierp ze in de kachel.
+
+De schuldige haastte zich om den misslag te herstellen. Hij nam eene
+andere lucifer, die hij weder aanstak en na ze even te hebben laten
+branden zijn meester aanbood.
+
+Maar deze nam ze niet aan:
+
+--Jij niet, domkop, zeide hij, terwijl hij hem van zich afstiet. Daarop
+wendde hij zich met een glimlach, hetgeen zeker een bewijs van zijn
+gunst was, tot een anderen knaap:
+
+--Riccardo, beste jongen, geef mij eens een lucifer.
+
+En de beste jongen voldeed fluks aan zijn verlangen.
+
+--En nu, begon Garofoli, toen hij alles had, wat hij behoefde en
+zijn pijp brandde, nu zullen we onze rekeningen eens opmaken, beste
+jongens. Mattia, geef het boek.
+
+Het was inderdaad een groote gunst, wanneer Garofoli zich verwaardigde
+te spreken, want zijn leerlingen toonden zich zoo bezorgd om aan zijn
+minste wenschen te voldoen, dat zij ze reeds gisten, vóór hij ze nog
+te kennen gegeven had.
+
+Nauwelijks had hij het gevraagd, of Mattia bracht hem een vuil boek.
+
+Garofoli wenkte en het kind, dat hem een verkeerde lucifer gegeven had,
+trad naderbij.
+
+--Ik moet nog een stuiver van gisteren van je hebben; je hebt beloofd,
+dat je mij die vandaag zoudt geven; hoeveel breng je er mij thans?
+
+De knaap aarzelde eer hij antwoord gaf; een donkere blos overtoog
+zijn gelaat.
+
+--Ik kom een stuiver te kort.
+
+--Zoo, een stuiver, en gij durft mij dat zoo kalm mededeelen?
+
+--Het is niet de stuiver van gisteren; het is de stuiver, dien ik
+vandaag moet geven.
+
+--Dan zijn het twee stuivers? Ik heb nooit zoo'n jongen gezien.
+
+--Ik kan het niet helpen.
+
+--Geen onzin; gij kent onze wetten: maak uw kiel los; twee slagen
+voor gisteren en twee voor vandaag; en bovendien krijgt gij voor uw
+schandelijke onbeschaamdheid vanmiddag geen aardappelen. Riccardo,
+beste jongen, gij hebt door zoo goed op te passen, wel eene belooning
+verdiend; haal de riem.
+
+Riccardo was de knaap, die de goede lucifer gegeven had; hij nam van
+den muur een karwats met een kort handvatsel, en dat uit twee lederen
+riemen met dikke knoopen bestond. In dien tusschentijd knoopte de
+schuldige zijn kiel los en liet zijn hemd tot aan zijn middel toe
+zakken.
+
+--Wacht even, zeide Garofoli met een boozen lach, gij zijt misschien
+de eenige niet en het is altijd prettig om gezelschap te hebben;
+bovendien is Riccardo er dan met één keer af.
+
+De kinderen stonden onbeweeglijk voor hun meester; deze wreede
+spotternij perste hun allen een gedwongen lachen af.
+
+--Ik ben er zeker van, vervolgde Garofoli, dat hij, die het hardst
+lacht, de meeste stuivers te kort komt. Wie heeft er hard gelachen?
+
+Allen wezen naar den knaap, die het eerst met zijn blok hout tehuis
+gekomen was.
+
+--Nu, zeg eens eerlijk, hoeveel kom jij te kort? vroeg Garofoli.
+
+--Ik kan het niet helpen.
+
+--Voortaan zal hij, die zegt: "ik kan het niet helpen", een zweepslag
+meer krijgen, dan hem toekomt; hoeveel ontbreken er bij je?
+
+--Ik heb een stuk hout medegebracht; dit mooie stuk hout.
+
+--Dat is wat; ga er mede naar den bakker en vraag hem in ruil een
+brood. Zal hij het je geven? Hoeveel stuivers komt ge te kort? Kom,
+spreek.
+
+--Ik heb vijftien stuivers.
+
+--Vijf stuivers ontbreken er dus aan, ellendige schooier, vijf
+stuivers, en gij durft nog vóór me verschijnen! Riccardo, je bent
+een gelukkige duivel! Je zult pleizier ervan hebben! Doe je vest los.
+
+--Maar mijn blok hout!
+
+--Ik geef het je voor je middagmaal.
+
+Deze domme scherts deed de andere jongens, die niet veroordeeld
+waren, lachen.
+
+Gedurende dit verhoor waren een tiental knapen binnengekomen; allen
+kwamen op hun beurt met hem afrekenen; behalve de twee eersten,
+kwamen er nog drie, welke evenmin het aantal stuivers hadden opgehaald.
+
+--Vijf schelmen bestelen en plunderen mij dus? riep Garofoli met
+donderende stem; dat komt ervan, wanneer men te edelmoedig is; waarvan,
+denkt gij wel, dat ik het vleesch en de aardappelen, die ik je geef,
+betalen moet, als jelui niet werken wilt? Gij speelt liever; wie in
+het bosch is, moet met de wolven huilen en gij lacht liever. Gelooft
+gij niet, dat ge beter deedt, wanneer gij schijnbaar huilend uw hand
+uitsteekt, dan wanneer gij in ernst huilt en me den rug toekeert? Kom,
+trek uw jassen uit!
+
+Riccardo stond met zijn zweep in de hand, en de vijf schuldigen om
+hem geschaard.
+
+--Gij weet, Riccardo, dat ik niet naar je omzie; want ik kan niet
+tegen zulke bestraffingen; maar ik hoor ze wel, en daaruit kan ik
+zeer goed opmaken, met hoeveel kracht je ze geeft: doe het maar met
+hart en ziel, mijn jongen, je werkt voor je brood.
+
+En hij ging met zijn gelaat naar het vuur staan, alsof hij onmogelijk
+deze tuchtiging zien kon. Ik zat in een hoekje te sidderen van
+verontwaardiging en angst. Deze man zou mijn meester worden; als
+ik de twintig of dertig stuivers, die hij van mij eischen kon,
+niet ophaalde, zou ik Riccardo ook mijn rug moeten aanbieden. O,
+ik begreep toen, waarom Mattia zoo kalm en met eenig verlangen over
+zijn dood spreken kon.
+
+Toen ik den eersten zweepslag hoorde, sprongen de tranen mij in de
+oogen. Ik dacht, dat niemand op mij lette, maar ik had mij bedrogen,
+want Garofoli sloeg mij gade, hetgeen hij ook spoedig blijken liet.
+
+--Dat kind heeft een goed hart, zeide hij, terwijl hij met zijn vinger
+naar mij wees; hij is niet zooals jelui, die allen groote schelmen
+zijt en om je makkers ongeluk en mijn verdriet lacht. Al behoort hij
+niet tot jelui, neem toch maar een voorbeeld aan dien makker.
+
+Het woord makker deed mij van het hoofd tot de voeten rillen en beven.
+
+Garofoli hief zijn hand op en Riccardo liet de zweep hangen.
+
+Ik dacht, dat hij hun genade wilde schenken, maar daarom was het hem
+niet te doen.
+
+--Gij weet hoe slecht ik dat gillen kan verdragen, zeide Garofoli
+op vriendelijken toon tot zijn slachtoffer; gij weet, dat al doet de
+zweep je op je huid pijn, je kreten mij nog meer aan het hart gaan;
+ik waarschuw je dus, voor elk nieuwe gil krijgt gij een zweepslag
+meer: en dan is het je eigen schuld; pas op, dat gij mij niet van
+verdriet ziek maakt; als gij een weinig van mij hieldt, een beetje
+dankbaarheid gevoeldet, zoudt ge je mond houden. Kom, vooruit Riccardo!
+
+Deze hief de zweep op en de riem viel weder op den rug van den
+ongelukkige.
+
+--Moeder! moeder! riep deze.
+
+Gelukkig behoefde ik niet langer van dit tooneel getuige te zijn,
+want de deur ging open en Vitalis trad binnen.
+
+Met een oogopslag begreep hij de kreten, die hij op de trap gehoord
+had; hij snelde naar Riccardo toe en rukte hem de zweep uit de handen;
+daarop keerde hij zich tot Garofoli en zag hem ernstig aan, terwijl
+hij zijn armen over de borst kruiste.
+
+Dit alles had zoo snel plaats gehad, dat Garofoli een oogenblik als
+verstomd staan bleef, maar hij herstelde zich spoedig en zeide met
+zijn zoetsappigen glimlach:
+
+--Niet waar, het is vreeselijk; die jongen heeft geen hart.
+
+--Het is een schande! riep Vitalis.
+
+--Dat zeg ik ook, viel Garofoli hem in de rede.
+
+--Geen gekheid, vervolgde mijn meester ernstig, gij weet wel, dat
+ik niet tot dien knaap spreek, maar tot u; ja, het is een schande,
+een laagheid om kinderen, die zich niet verdedigen kunnen, zoo te
+mishandelen.
+
+--Waar bemoeit gij u mede, oude dwaas? vroeg Garofoli, plotseling
+van toon veranderende.
+
+--Waar de politie zich mede bemoeien moest.
+
+--De politie! riep Garofoli, terwijl hij opstond; gij dreigt mij met
+de politie?
+
+--Ik, ja, ik, hernam Vitalis zonder zich door den boozen _padrone_
+van zijn stuk te laten brengen.
+
+--Luister Vitalis, begon deze op bedaarden, zelfs eenigszins spottenden
+toon, gij moet u niet zoo boos toonen, en mij dreigen, dat gij klappen
+zult, want ik zou van mijn kant evengoed dat kunnen doen. En wie zou
+er dan het ergst aan toe zijn? Gij kunt erop rekenen, dat ik er niets
+van aan de politie zeggen zal; uw zaken gaan haar niets aan. Maar er
+zijn andere menschen, die er belang in stellen en als ik hun eens
+vertelde wat ik wist, als ik hun maar een naam, een enkelen naam
+noemde, wie zou dan zijn schande moeten verbergen?
+
+Mijn meester zweeg een oogenblik. Zijn schande! Ik stond
+versteend. Vóór ik den tijd nog gehad had om van mijn verbazing,
+door deze zonderlinge woorden opgewekt, te bekomen, had hij mij bij
+de hand genomen.
+
+--Volg mij.
+
+Hij trok mij mede naar de deur.
+
+--Kom, zeide Garofoli lachende, laten we weer goede vrienden zijn,
+oude: gij wildet mij spreken.
+
+--Ik heb u niets meer te zeggen.
+
+En zonder een woord verder te uiten, zonder zich zelfs om te keeren,
+ging hij de trap af, mij altijd vasthoudende. Met welk een verlicht
+hart volgde ik hem! Ik ontsnapte dus aan Garofoli; als ik gedurfd had,
+zou ik Vitalis wel hebben willen omhelzen.
+
+
+
+
+XVIII.
+
+DE STEENGROEVEN VAN GENTILLY.
+
+
+Zoolang wij op straat en onder de menschen waren, liep Vitalis, zonder
+een woord te spreken, voort, maar toen wij een stil en afgelegen
+gedeelte der stad bereikt hadden, ging hij op een paal zitten,
+en wreef met de hand over het voorhoofd, hetgeen hij altijd deed,
+wanneer hij in verlegenheid was.
+
+--Het is heel mooi en wel om aan zijn goed hart gehoor te geven,
+zeide hij, alsof hij tot zich zelf sprak, maar met dat al staan wij
+nu op straat, zonder een cent in den zak, of een stuk brood in de
+maag. Hebt gij honger?
+
+--Ik heb na het korstje brood, dat gij mij vanmorgen gegeven hebt,
+niets meer gegeten.
+
+--Arme jongen! en waarschijnlijk zult gij vanavond zonder eten naar
+bed moeten gaan, en als ik dan nog maar wist, waar we een nachtverblijf
+zullen vinden.
+
+--Gij waart dus van plan, om bij Garofoli den nacht door te brengen?
+
+--Ik meende u bij hem te laten, en daar hij mij een gulden of tien
+gegeven zou hebben, wanneer ik u den geheelen winter bij hem liet,
+zou ik voor het oogenblik zelf ook geholpen zijn. Maar toen ik zag,
+hoe hij de kinderen behandelde, toen kon ik mezelf niet langer meester
+blijven. Gij hebt immers geen lust om bij hem te blijven?
+
+--Gij zijt zoo goed voor me!
+
+--Misschien is het jonge hart nog niet geheel en al bij den ouden
+zwerver uitgedoofd. Ongelukkig echter heeft de grijsaard goed gerekend
+en had de jonkman het mis. Waar zullen we thans heengaan?
+
+Het was reeds laat en de koude, die overdag minder streng was geweest,
+was thans aanmerkelijk toegenomen; de wind was noord geworden en de
+nacht zou waarschijnlijk zeer koud wezen.
+
+Vitalis bleef geruimen tijd op den paal zitten, terwijl Capi en ik
+onbeweeglijk voor hem bleven staan totdat hij een beslissing genomen
+zou hebben. Eindelijk stond hij op.
+
+--Waar gaan wij heen?
+
+--Naar Gentilly en daar een steengroef opzoeken, waarin ik vroeger
+ook wel geslapen heb. Zijt gij moe?
+
+--Ik heb bij Garofoli zitten uitrusten.
+
+--Ongelukkig heb ik dat niet kunnen doen en ik kan thans niet meer
+voort. Toch moeten we verder; kom, vooruit kinderen!
+
+Als hij dit zeide, was hij altijd in zijn schik; maar nu klonken die
+woorden toch treurig.
+
+Wij liepen dus door de straten van Parijs; het was stikdonker en
+het gaslicht dat door den wind flikkerde, verlichtte den weg slecht;
+telkens gleden wij uit op de eene of andere bevroren plaats. Vitalis
+had mij bij de hand genomen, terwijl Capi ons volgde. Van tijd tot tijd
+echter bleef hij achter, om tusschen den een of anderen hoop vuil een
+beentje of een korstje brood te zoeken, want de honger kwelde ook hem;
+maar het vuil lag onder een ijskorst en zijn zoeken was tevergeefs;
+met hangende ooren haalde hij ons dan weder in.
+
+Op de groote straten volgden de stegen, en na die stegen weder breede
+straten; wij liepen maar altijd voort, en de weinigen, die wij op onzen
+weg ontmoetten, staarden ons verbaasd na; was het onze kleeding of
+onze vermoeide gang, die de aandacht trok? De agenten van politie, die
+wij tegenkwamen, bleven stilstaan en sloegen ons een oogenblik gade.
+
+Vitalis liep bijna in tweeën gebogen, zonder een woord te spreken,
+voort; ondanks de koude, voelde ik zijn hand in de mijne branden; het
+scheen mij toe, dat hij beefde. Als hij stilstond, om even op mijn
+schouder te rusten, dan voelde ik, dat een schok door zijn gansche
+lichaam ging.
+
+Gewoonlijk durfde ik hem niet lastig vallen met vragen, maar ditmaal
+brak ik met die gewoonte; ik had dan ook behoefte om hem te vertellen,
+dat ik van hem hield, of tenminste, dat ik gaarne iets voor hem
+wenschte te doen.
+
+--Gij zijt ziek! zeide ik, toen wij weder stilstonden.
+
+--Ik geloof het ook; in elk geval ben ik doodmoe; die groote
+tochten zijn voor mijn leeftijd niet meer geschikt en de koude is
+te heftig voor mijn bloed: ik had een goed bed noodig, een avondmaal
+in eene warme kamer bij een goed vuur. Maar van dat alles kan niets
+gebeuren. Kom, vooruit kinderen!
+
+Vooruit! Wij waren nu buiten de stad; of liever wij hadden thans geen
+huizen meer aan onze zijde; nu eens hadden we aan weerskanten een
+lange rij muren, dan weder bevonden we ons op het vlakke land. Geen
+voorbijgangers, geen politieagent noch gaslantaarnen waren op dezen
+weg te zien; een enkelen keer slechts een verlicht venster en boven
+ons hoofd een donkerblauwe hemel met eenige sterren. De scherpe en
+hevige wind deed onze kleeren aan ons lichaam bevriezen; gelukkig
+echter woei hij in onzen rug, maar daar de naad van mijn jas getornd
+was, blies hij door die opening tegen mijn arm, wat mij niet verwarmde.
+
+Hoewel het donker was en verscheidene wegen elkander kruisten,
+liep Vitalis toch steeds voort, als iemand die goed den weg kent;
+ik volgde hem dan ook zonder een oogenblik bevreesd te zijn, dat wij
+zouden verdwalen, slechts verlangende, dat wij eindelijk de steengroef
+zouden bereiken.
+
+Eensklaps echter bleef hij stilstaan.
+
+--Ziet gij daar ginds dat boschje boomen? vroeg hij.
+
+--Ik zie niets.
+
+--Ziet gij geen donkere massa?
+
+Ik zag eerst goed rond, vóór ik hem antwoord gaf; wij moesten
+ons midden op een vlakte bevinden, want mijn blik verloor zich in
+de duisternis, zonder iets te bespeuren, wat naar boomen of huizen
+geleek; nergens ontdekte ik eenig teeken van leven; geen ander geluid
+dan het gieren van den wind, die over den bodem heenstreek.
+
+--O, had ik uw oogen maar, sprak Vitalis, maar ik zie slecht; kijk
+ginds eens.
+
+Hij wees recht vóór zich, maar daar ik hem toen nog geen antwoord gaf,
+want ik durfde hem niet bekennen, dat ik niets zag, begon hij weder
+voort te loopen.
+
+Eenige oogenblikken zwegen wij, maar daarop bleef hij weder stilstaan
+en vroeg hij nogmaals of ik geen boschje boomen zag. Ik was toen niet
+even zeker van mijn zaak als een oogenblik te voren en een onbestemde
+angst overweldigde mij, toen ik antwoordde, dat ik weder niets zag.
+
+--Het is de angst die u alles zoo verkeerd doet zien.
+
+--Ik verzeker u, dat ik geen boomen zie.
+
+--Ook geen breeden weg?
+
+--Ik zie niets.
+
+--Dan hebben we ons vergist.
+
+Ik wist niet wat hierop te antwoorden, want ik kon niet zeggen waar
+wij ons bevonden, noch waarheen we ons begaven.
+
+--Laten wij nog vijf minuten voortloopen, en wanneer wij dan nog geen
+boomen zien, dan keeren wij terug; ik heb mij zeker in den weg vergist.
+
+Nu ik begreep, dat wij verdwaald waren, nu begonnen ook mij de krachten
+te ontbreken.
+
+Vitalis trok mij bij den arm mede.
+
+--Wat is er?
+
+--Ik kan niet meer loopen.
+
+--En denkt ge dan, dat ik u zou kunnen dragen? Wat mij nog staande
+houdt is de gedachte, dat, wanneer wij gaan zitten, wij niet weder
+op kunnen staan en van koude zouden sterven. Kom, vooruit!
+
+Ik volgde hem.
+
+--Zijn er op den weg diepe voren?
+
+--Er zijn er in het geheel geen.
+
+--Dan moeten wij omkeeren.
+
+De wind, dien wij eerst van achteren gehad hadden, blies ons thans vlak
+in het gelaat en met zooveel hevigheid, dat het was of hij ons brandde.
+
+In het gaan hadden wij niet snel kunnen loopen, maar in het terugkomen
+liepen wij nog langzamer.
+
+--Wanneer gij voren ziet, waarschuw mij dan, zeide Vitalis; de goede
+weg moet links zijn; men herkent dien aan het kreupelhout bij den
+ingang.
+
+Een kwartier lang liepen wij voort, worstelende tegen den wind; onze
+stappen weerklonken op den harden grond in dezen hollen nacht; hoewel
+ik eigenlijk het eene been niet meer voor het andere verzetten kon,
+trok ik thans Vitalis voort. Met hoeveel verlangen zag ik den weg
+aan de linkerzijde tegemoet.
+
+In het donker zag ik eensklaps een klein roode ster schitteren.
+
+--Een licht, sprak ik, mijn hand uitstrekkende.
+
+--Waar?
+
+Vitalis staarde voor zich uit, en hoewel het licht flikkerde op niet
+zeer grooten afstand, zag hij toch niets. Ik begreep hieruit dat zijn
+gezicht verzwakt was, want gewoonlijk kon hij ver zien.
+
+--Wat doet er dat licht ook toe? zeide hij: het is de lamp, die op
+de tafel van den een of anderen arbeider brandt, of misschien wel
+haar schijnsel over het bed van een stervende werpt; wij kunnen aan
+die deur toch niet aankloppen. Op het land zouden wij des nachts een
+onderkomen kunnen vragen, maar in den omtrek van Parijs is men niet
+zoo gastvrij. Hier is geen huis voor ons open--kom vooruit!
+
+Weder liepen wij eenige minuten voort; toen meende ik een weg te
+bespeuren, die den onzen doorsneed en op den hoek van dat pad een
+zwarte massa, dit moest het kreupelhout zijn. Ik liet de hand van
+Vitalis los om spoedig vooruit te komen. Deze weg was met voren
+doorploegd.
+
+--Hier is het kreupelboschje; hier zijn de voren!
+
+--Geef mij de hand, wij zijn gered: de groeve moet een minuut of
+vijf hier vandaan zijn; zie maar eens goed, dan zult gij het boschje
+boomen zien.
+
+De hoop schonk ons weder kracht; mijn beenen werden minder zwaar;
+de grond scheen mij minder hard toe.
+
+Toch waren voor mij die vijf minuten een eeuwigheid.
+
+--Wij volgen nu reeds langer dan vijf minuten den goeden weg, sprak
+Vitalis, stilstaande.
+
+--Dat geloof ik ook.
+
+--Waar loopen de voren?
+
+--Recht voor ons.
+
+--De ingang van de steengroef moet rechts zijn; we zijn hem
+voorbijgegaan, zonder hem gezien te hebben; in dezen donkeren nacht
+is het bijzonder moeilijk; toch hadden wij erom moeten denken, dat
+wij te ver gingen.
+
+--Ik verzeker u toch, dat de voren niet links afwijken.
+
+--Hoe het ook zij, laten we maar omkeeren.
+
+Wederom keerden wij terug.
+
+--Ziet ge het boschje boomen?
+
+--Ja, daar ginds, links.
+
+--En de voren?
+
+--Die zijn er niet.
+
+--Ben ik dan blind? zeide Vitalis, terwijl hij de hand over de oogen
+streek; geef mij uw hand en laten we recht op de boomen toeloopen. Is
+er een muur?
+
+--Een steenhoop?
+
+--Neen, ik verzeker u, een muur.
+
+Dat dit werkelijk zoo was, kon ik spoedig ontdekken, daar wij slechts
+weinige schreden van den muur verwijderd waren. Vitalis deed eenige
+passen en toen, alsof hij hem nog niet zag, legde hij zijn beide
+handen op den hinderpaal, dien hij een muur noemde, en dien ik voor
+een hoop steenen hield.
+
+--Het is een muur, zeide hij; alle steenen zijn geregeld geschikt en
+ik voel de kalk: waar is dan toch de ingang? Zoek de voren.
+
+Ik ging op den grond liggen en kroop den geheelen muur langs, zonder
+echter een voor te kunnen ontdekken; ik keerde toen naar Vitalis
+terug en stelde een zelfde onderzoek aan de tegenovergestelde zijde
+in. De uitslag was dezelfde, overal een muur; nergens kon men een
+opening bespeuren, noch een weg of diepe voren of het spoor dat ons
+den ingang verraadde.
+
+--Ik zie niets dan sneeuw.
+
+De toestand was onhoudbaar; ongetwijfeld was mijn meester verdwaald
+en de groeven, die hij zocht, waren niet in dezen omtrek.
+
+Toen ik geen voren vinden kon, bleef mijn meester een oogenbik zwijgend
+staan; daarop drukte hij weder zijn handen tegen den muur en betastte
+dezen van alle kanten. Capi begreep van dit alles niets en blafte
+van ongeduld.
+
+Ik liep achter Vitalis.
+
+--Moeten wij nog verder zoeken?
+
+--Neen, de groeve is ommuurd.
+
+--Ommuurd?
+
+--Men heeft den ingang gesloten, en wij kunnen onmogelijk daar
+binnen komen.
+
+--Maar wat dan?
+
+--Wat nu, niet waar? Ik weet het niet en er schiet ons niets anders
+over dan hier te sterven.
+
+--O, meester!
+
+--Ja, gij wilt niet sterven; gij zijt jong en aan het leven gehecht:
+welnu, gij kunt loopen; ga uw gang.
+
+--Maar gij dan?
+
+--Als ik niet meer voort kan, dan zal ik als een oud, versleten paard
+er bij neervallen.
+
+--Waar moet ik heen?
+
+--Naar Parijs terug; wanneer wij soms een politieagent tegenkomen,
+dan laten we ons naar het bureau van politie brengen; ik had dit
+willen vermijden, maar ik wil u niet van koude laten omkomen. Kom,
+Rémi, mijn jongen, vat moed.
+
+En wij sloegen toen weder denzelfden weg in, dien wij reeds eenmaal
+hadden afgelegd. Hoe laat het was, daarvan kon ik mij volstrekt
+geen denkbeeld maken. Wij hadden reeds lang en zelfs zeer langzaam
+geloopen. Middernacht, misschien wel een uur later. De hemel bleef
+steeds donker; de maan scheen niet en slechts enkele sterren vertoonden
+zich, die echter veel kleiner dan anders geleken. De wind was inplaats
+van te gaan liggen, met dubbele kracht opgestoken. Telkens deed hij
+de sneeuw, die aan den kant van den weg opgestapeld lag, verstuiven
+en ons in het gelaat waaien. De huizen, die wij voorbijgingen, waren
+allen gesloten en donker: ik verbeeldde mij dat de bewoners, die onder
+hun dekens lagen te slapen, de deur voor ons zouden geopend hebben,
+indien ze wisten, hoe koud wij het hadden.
+
+Als we maar hard waren gaan loopen, zouden we de koude nog hebben
+kunnen trotseeren, maar Vitalis kon slechts met moeite voort en moest
+telkens uitrusten; zijn ademhaling was snel en kort, alsof hij zeer
+haastig geloopen had. Toen ik hem iets vroeg, antwoordde hij niet, maar
+gaf met een gebaar van de hand te kennen, dat hij niet spreken kon.
+
+Wij waren nu weder in de stad gekomen, dat is te zeggen wij liepen
+tusschen muren, boven welke van tijd tot tijd een lantaarn uitstak,
+die aan een ijzerdraad scheen te hangen.
+
+Vitalis stond stil: ik begreep, dat hij niet langer voort kon.
+
+--Wilt gij, dat ik aan deze deur zal kloppen? vroeg ik.
+
+--Neen, want men zou ons toch niet openen; het zijn tuinlui en
+groenteboeren, die daar wonen; zij staan midden in den nacht niet
+op. Laten wij dus maar voortloopen.
+
+Maar hoe gaarne hij dit ook wilde, zijne krachten begaven hem. Toen
+hij eenige schreden gedaan had, stond hij weder stil.
+
+--Ik moet een oogenblik uitrusten, zeide hij, ik kan niet meer.
+
+Een deur in de heining stond open en boven deze heining uit verrees een
+groote mesthoop, zooals men ze dikwijls in de tuinen van moezeniers
+ziet; de wind, die daarover heenstreek, had het stroo losgemaakt en
+de eerste laag had zich over den weg, zelfs tot aan de heining toe,
+verspreid.
+
+--Ik ga daar zitten, hernam Vitalis.
+
+--Gij zeidet daar straks, dat, als wij eens gingen zitten, wij door
+de koude overvallen zouden worden, en niet meer zouden kunnen opstaan.
+
+Zonder mij hierop te antwoorden, wenkte hij mij, dat ik het stroo een
+weinig bij elkander moest vegen. Hij liet zich toen daarop nedervallen;
+hij klappertandde en eene rilling voer door zijn geheele lichaam.
+
+--Breng nog wat stroo, zeide hij, de mesthoop beschut ons tegen
+den wind.
+
+Hij beschutte ons tegen den wind, dat is waar, maar niet tegen
+de koude. Toen ik al het stroo zoo goed mogelijk bij elkander had
+gezameld, ging ik naast Vitalis zitten.
+
+--Kruip maar dicht naast mij en neem Capi bij u; hij zal u iets van
+zijne warmte geven.
+
+Vitalis was een man van ondervinding, die wist, dat de koude, in een
+toestand, waarin wij verkeerden, doodelijk zijn kon. Hij moest dus
+wel uitgeput zijn, om zich aan zulk een gevaar bloot te stellen.
+
+Hij was dit ook inderdaad. Veertien dagen lang was hij iederen avond
+te ruste gegaan, na een dag van inspanning, die zijn krachten te
+boven ging; deze laatste tocht had hem bewezen, dat hij te zwak en
+te oud was om dergelijke vermoeienissen te doorstaan.
+
+Had hij eenig bewustzijn van zijn toestand? Dat heb ik nooit te weten
+kunnen komen. Maar toen ik wat stroo over mij heen had gelegd en vlak
+naast hem was gekropen, toen voelde ik, dat hij zich over mij heenboog
+en mij een kus gaf. Dat was voor de tweede maal en, helaas! het was
+ook de laatste maal.
+
+Een geringe koude belet hen, die zich bibberend in bed leggen, te
+slapen; een groote koude, die men geruimen tijd heeft moeten doorstaan,
+brengt ons plotseling in een bedwelmenden, doffen toestand. Dit was
+bij ons het geval.
+
+Nauwelijks lag ik naast Vitalis of ik gevoelde, dat ik in zwijm viel en
+dat mijne oogen zich sloten. Ik deed nog een poging om ze te openen,
+maar daar dit mij niet gelukte, kneep ik mezelf met alle kracht in
+mijn arm; mijn huid was echter gevoelloos, en hoe ik ook mijn best
+deed, mocht het mij niet gelukken, mezelf pijn te doen. Toch keerde
+ik eenigszins tot mijn bewustzijn terug. Vitalis, die met zijn rug
+tegen de deur leunde, haalde zwaar en moeilijk adem. In mijn armen
+en vast tegen mijn borst gedrukt, lag Capi te slapen. De wind gierde
+steeds over ons heen en bedekte ons met stroo. Op straat was niemand;
+een doodelijke stilte omringde ons.
+
+Deze stilte maakte mij bang; waarvoor was ik bang? Ik kon me daarvan
+geen rekenschap geven, maar een onbestemde vrees en een onbeschrijflijk
+treurig gevoel deed mij de tranen in de oogen komen. Het was mij,
+of ik daar zou sterven.
+
+En de gedachte aan den dood bracht mij Chavanon in herinnering. Arme
+vrouw Barberin! Zou ik dan sterven, zonder haar te hebben weergezien,
+zonder een blik op ons huis en onzen tuin? En ik weet niet door welk
+een zonderling spel mijner verbeelding, zag ik mij plotseling in dien
+tuin verplaatst; de zon stond hoog aan den hemel, de goudsbloemen
+openden haar knoppen, de meerlen zongen in het kreupelhout en over
+de heg had vrouw Barberin het linnen gehangen, dat zij in de beek
+gewasschen had.
+
+Eensklaps dwaalde mijn geest van Chavanon naar _De Zwaan_: Arthur
+sliep in zijn bed; mevrouw Milligan was ontwaakt en toen zij den wind
+zoo hoorde loeien, vroeg zij zichzelf af, waar ik mij in deze hevige
+koude bevinden zou.
+
+Mijn oogen vielen toen weder dicht; mijn hart verstijfde en ik gevoelde
+duidelijk, dat een bedwelming zich van mij meester maakte.
+
+
+
+
+XIX.
+
+LIZE.
+
+
+Toen ik ontwaakte lag ik in een bed; een heerlijk knappend vuur
+brandde in de kamer, waarin ik te slapen lag.
+
+Ik keek eens rond.
+
+Ik kende die kamer niet.
+
+Evenmin kende ik de personen, die mij omringden: een man in een grijze
+jas en op gele klompen; drie of vier kinderen, waaronder een meisje
+van vijf of zes jaar was, die mij met de grootste verbazing stond
+aan te staren; het waren zonderlinge sprekende oogen.
+
+Zij verdrongen zich om mij heen.
+
+--Vitalis? vroeg ik.
+
+--Hij vraagt naar zijn vader, zeide een meisje, dat de oudste der
+kinderen scheen.
+
+--Hij is mijn vader niet, hij is mijn meester; waar is hij? Waar
+is Capi?
+
+Vitalis had men voor mijn vader gehouden, en men vreesde daarom zeker
+mij van hem te spreken; maar nu hij slechts mijn meester bleek te zijn,
+was men van meening, dat ik gerust de waarheid vernemen mocht en men
+vertelde mij toen het volgende:
+
+De deur die in de heining was, waartegen wij ons hadden gelegd,
+behoorde aan een tuinman. Tegen twee uur in den morgen had de tuinman
+deze deur geopend om naar de markt te gaan, en had ons toen onder het
+stroo gevonden. Men was begonnen met ons te zeggen, dat wij moesten
+opstaan, om den wagen voorbij te laten gaan; maar toen wij ons geen
+van beiden verroerden en Capi slechts tot onze verdediging kon blaffen,
+had men ons bij den arm genomen en ons eens terdege geschud. Toen zelfs
+bewogen wij ons nog niet. Men had daarop gemeend, dat het wel een zeer
+ernstig geval kon zijn. Er was een lantaarn gehaald; de uitslag van
+dit onderzoek was geweest, dat Vitalis dood en van koude gestorven was,
+en dat ik er al even slecht aan toe was als hij. Dank zij echter Capi,
+die op mijn borst gelegen had, kon ik nog ademhalen. Men had mij toen
+in de tuinmanswoning gebracht en in het bed van een der kinderen
+gelegd. Zes uur lang was ik meer dood dan levend geweest; gelukkig
+had mijn bloedsomloop zich hersteld, was de ademhaling langzamerhand
+weder op haar kracht gekomen en ontwaakte ik uit mijn bezwijming.
+
+In welk een staat van verdooving, hoe afgemat ik van lichaam en geest
+ook was, zoo had ik mijn denkvermogen toch voldoende herkregen om de
+woorden, die ik vernam, in hun geheelen omvang te begrijpen. Vitalis
+was dood!
+
+De man met de grijze jas, of liever de tuinman, deed mij dit verhaal;
+terwijl hij sprak had het kleine meisje, met haar verbaasde oogen,
+haar blik niet van mij afgewend. Toen haar vader vertelde, dat Vitalis
+dood was, besefte zij zeker, als bij ingeving, welk een zware slag
+deze tijding voor mij wezen moest, want zij trad naar haar vader toe,
+legde haar handje op zijn arm en uitte daarbij een zonderlingen klank,
+die niets van de menschelijke stem had, maar veel op een stillen,
+medelijdenden zucht geleek.
+
+Bovendien was die beweging zoo welsprekend, dat zij er geen woord
+behoefde bij te voegen; in haar blik en haar geheele houding raadde
+ik onwillekeurig een gevoel van sympathie en voor de eerste maal,
+sedert ik van Arthur gescheiden was, maakte zich een onbeschrijflijk
+gevoel van mij meester, dat mij vertrouwen en genegenheid inboezemde,
+evenals in dien goeden tijd, toen vrouw Barberin mij zoo liefderijk
+aanstaarde, vóór zij mij een kus gaf. Vitalis was dood, ik stond dus
+heel verlaten op de wereld en toch scheen het mij toe alsof ik niet
+geheel alleen was en hij nog naast mij stond.
+
+--Ja, lieve Lize, sprak haar vader, terwijl hij zich over het kind heen
+boog; gij hebt gelijk, het smart hem, maar ik moet hem toch de waarheid
+vertellen, want als wij het niet deden, dan doet de politie het toch.
+
+Hij ging toen voort mij mede te deelen, dat hij de politie gewaarschuwd
+had en deze Vitalis had medegenomen, terwijl men mij in het bed van
+Alexis, den oudsten zoon, gelegd had.
+
+--En Capi, vroeg ik, toen hij zweeg.
+
+--Capi?
+
+--Ja, de hond.
+
+--Ik weet het niet, hij is plotseling verdwenen.
+
+--Hij is de baar gevolgd, zeide een van de kinderen.
+
+--Hebt gij hem gezien, Benjamin?
+
+--Ik geloof het wel, hij volgde de dragers met hangenden kop en van
+tijd tot tijd zelfs sprong hij op de burrie, en toen zij hem begroeven,
+liet hij een klagend geluid hooren alsof hij zacht huilde.
+
+Arme Capi! hij, die zoo menigmaal als een goed acteur de begrafenis
+van Zerbino gevolgd was en dan altijd zulk een treurige houding wist
+aan te nemen en daarbij zoo steunde en jammerde, dat soms de kleinen
+aan zijn verdriet geloofden....
+
+De tuinman en zijn kinderen lieten mij toen alleen en zonder zelf
+recht te weten wat ik deed of wat ik wilde doen, stond ik op.
+
+Mijn harp lag aan het voeteinde van mijn bed; ik hing het koord
+om mijn hals, en begaf mij naar de kamer, waar de tuinman en zijn
+kinderen zaten. Ik moest wel vertrekken, maar waarheen, dat wist ik
+niet.... ik had er zelfs niet het minste begrip van, maar ik gevoelde
+dat ik vertrekken moest.... en ik vertrok.
+
+Toen ik in het zachte bed ontwaakte, gevoelde ik mij niet ziek,
+een weinig stijf en mijn hoofd brandde mij als vuur; maar toen ik
+eenmaal op was, dacht ik, dat ik zou neerstorten en ik moest mij
+aan een stoel vastgrijpen. Toch, na een oogenblik gerust te hebben,
+opende ik de deur en toen was ik weder bij den tuinman en de kinderen.
+
+Zij zaten aan een tafel, bij een helder vuur, dat in een hoogen
+schoorsteen brandde, en ze waren bezig een lekkere warme soep te eten.
+
+De reuk van de soep wekte weder mijn honger op; ik voelde dat ik in
+onmacht raakte en wankelde. Mijn machteloosheid lag op mijn gelaat
+te lezen.
+
+Zijt gij niet wel, mijn jongen? vroeg de tuinman mij op deelnemenden
+toon.
+
+Ik antwoordde, dat ik mij ongesteld gevoelde en, als men het mij
+toestond, ik gaarne een oogenblik bij het vuur ging zitten.
+
+Maar aan warmte gevoelde ik thans geen behoefte, meer aan voedsel;
+het vuur bracht mij niet bij en de damp, die uit den soepketel steeg,
+het rinkelen der borden, het klokken van de tong van hen, die aten,
+dat alles deed mijn zwakte nog toenemen.
+
+Als ik gedurfd had, zou ik om een bord soep gevraagd hebben, maar
+Vitalis had mij geen bedelen geleerd en ook had de natuur mij niet
+tot een bedelaar geschapen; liever zou ik van honger omgekomen zijn
+dan mijn honger bekend te hebben. Waarom, dat weet ik zelf niet;
+misschien omdat ik nooit om iets heb willen vragen, wat ik niet terug
+heb kunnen geven.
+
+Het meisje met haar verwonderde oogen, dat geen woord sprak en door
+haar vader Lize genoemd werd, had haar lepel nedergelegd en staarde
+mij onafgebroken aan. Eenklaps stond zij van tafel op, nam haar bord,
+dat nog vol soep was en bracht dat mij.
+
+Ik deed een poging om haar ervoor te bedanken, daar ik zelf de kracht
+tot spreken miste; maar hiertoe liet haar vader mij zelfs den tijd
+niet.
+
+--Neem het gerust aan, mijn jongen; wat Lize geeft is goed gedaan en
+als ge trek hebt, is er nog wel weer een ander te krijgen.
+
+Als ik trek had! Het bord soep was in een oogwenk ledig. Toen ik
+mijn lepel neerlegde, uitte Lize, die voor mij was blijven staan, een
+onverstaanbaren kreet, hetgeen thans geen zucht maar een uitroep van
+tevredenheid beduidde. Zij nam toen het bord en reikte het haren vader
+over om het nogmaals te vullen; toen het gevuld was, bracht zij het
+mij weder, met een glimlach zoo zacht en bemoedigend, dat ik ondanks
+mijn honger, een oogenblik dien honger vergat en het bord niet aannam.
+
+Evenals de eerste maal, was de soep in een oogwenk verdwenen; geen
+glimlach speelde er meer om de lippen van de kinderen, die mij
+omringden; allen lachten luidkeels.
+
+--Wel, vriendje, sprak de tuinman, gij zijt een goede eter.
+
+Ik kleurde tot achter de ooren; maar ik begreep terstond, dat ik
+beter deed, hem de waarheid te zeggen, dan mij van gulzigheid te
+laten beschuldigen, en ik gaf hem daarop ten antwoord, dat ik sedert
+den vorigen dag niets gegeten had.
+
+--En ontbeten?
+
+--Ook niet ontbeten.
+
+--En uw meester?
+
+--Hij had evenmin iets gegeten.
+
+--Dus is hij eigenlijk van honger en koude omgekomen.
+
+De soep had mij weder kracht gegeven, ik stond op om te vertrekken.
+
+--Waar wilt gij heen? vroeg de vader.
+
+--Vertrekken.
+
+--Waarheen wilt gij gaan?
+
+--Dat weet ik niet.
+
+--Hebt gij vrienden in Parijs?
+
+--Neen.
+
+--Geen menschen, die uit dezelfde streek komen als gij?
+
+--Niemand.
+
+--Waar woont gij?
+
+--Wij hadden geen woning; wij zijn eerst gisteren hier gekomen.
+
+--Wat wilt gij doen?
+
+--Op de harp spelen, liedjes zingen om daarmede mijn kost te verdienen.
+
+--Waar?
+
+--Te Parijs.
+
+--Gij zoudt beter doen met naar uw land, naar uw bloedverwanten of
+ouders terug te keeren.
+
+--Ik heb geen ouders.
+
+--Gij zeidet dat die grijsaard uw vader niet was?
+
+--Ik heb geen vader.
+
+--En uw moeder?
+
+--Ik heb geen moeder.
+
+--Gij hebt toch stellig wel een oom of tante, een nicht of neef?
+
+--Neen, niemand.
+
+--Waar komt gij vandaan?
+
+--Mijn meester heeft mij gekocht van den man van mijn voedster. Gij
+hebt mij met goedheid behandeld en ik ben u daarvoor hartelijk
+dankbaar; zoo gij wilt, zal ik Zondag terugkomen en voor u op de harp
+spelen, als u dat genoegen kan doen.
+
+Al pratende, was ik de deur genaderd; maar nauwelijks had ik eenige
+schreden gedaan of Lize, die mij gevolgd was, greep mij bij de hand
+en wees lachende op mijn harp.
+
+Ik kon mij niet bedriegen.
+
+--Wilt gij, dat ik voor u speel?
+
+Zij knikte toestemmend en klapte in de handen.
+
+--Kom, ja, speel een deuntje.
+
+Ik nam mijn harp en hoewel ik niet den minsten lust tot dansen
+gevoelde, begon ik een wals te spelen, die ik het best kende. O,
+hoezeer wenschte ik toen te kunnen spelen als Vitalis, om het jonge
+meisje genoegen te geven, wier oogen mij tot diep in de ziel roerden!
+
+Eerst luisterde zij, terwijl zij mij bleef aanstaren, maar daarop begon
+zij de maat met haar voetjes te trappelen; spoedig echter, alsof zij
+door de muziek werd medegesleept, begon zij in de keuken te dansen,
+terwijl haar twee broeders en zuster rustig bleven zitten; zij walste
+echter niet, maakte ook niet de gewone passen, maar draaide en wendde
+zich geheel verrukt in de meest bevallige en sierlijke houdingen.
+
+Haar vader, die bij den schoorsteen zat, verloor haar geen oogenblik
+uit het oog; hij scheen getroffen en klapte telkens in de handen.
+
+Toen de wals geëindigd was, hield ik op met spelen. Zij ging toen voor
+mij staan en maakte een diepe buiging. Zij klopte vervolgens met haar
+vinger op mijn harp, hetgeen wilde zeggen: "speel het nogmaals."
+
+Ik zou den geheelen dag wel voor haar hebben willen spelen, maar
+haar vader zeide, dat het lang genoeg geduurd had, daar hij vreesde,
+dat zij te vermoeid zou worden.
+
+Inplaats van een wals of een dans te spelen, zong ik een napolitaansch
+lied, dat Vitalis mij geleerd had, en dat mijn lievelingsstukje was.
+
+Zoodra Lize dat hoorde, ging zij tegenover mij staan en terwijl zij
+mij strak aanzag, bewoog zij hare lippen, alsof zij mijne woorden
+herhaalde; toen mijn lied droever werd, ging zij eenige passen
+achteruit en bij het laatste couplet viel zij snikkend in haar
+vaders armen.
+
+--Genoeg, zeide deze.
+
+--Hoe dwaas! riep haar broeder Benjamin, om eerst te dansen en dan
+te huilen.
+
+--Niet zoo dwaas als gij! Zij begrijpt het, sprak haar zuster,
+terwijl zij zich over haar heenboog om haar te kussen.
+
+Terwijl Lize zich in haar vaders armen had geworpen, hing ik de harp
+om mijn hals en begaf mij naar de deur.
+
+--Waar gaat gij heen? vroeg hij weder.
+
+--Ik ga weg.
+
+--Gij houdt dus zeer veel van muziek?
+
+--Ik ken niets anders.
+
+--Gij zijt dus niet bang om alleen zulke verre tochten te maken?
+
+--Ik heb geen thuis.
+
+--Toch zullen de nacht en de angsten, die gij doorgestaan hebt,
+u wel tot nadenken gebracht hebben?
+
+--Zeker, en ik houd ook meer van een goed bed en een knappend vuur.
+
+--Wenscht gij dat bed en dat vuur, tenminste als gij ervoor werken
+wilt, wel te verstaan? Als gij wilt, kunt gij hier werk vinden en
+bij ons blijven. Gij begrijpt, dat ik u geen schatten kan aanbieden,
+maar evenmin dat ik luiheid zou dulden. Wanneer gij het aanneemt,
+dan zult gij u veel moeite moeten getroosten, des morgens vroeg
+opstaan, overdag hard werken, en uw geld in het zweet uws aanschijns
+verdienen. Maar gij kunt op een stuk brood staatmaken; 's nachts
+zult ge niet meer onder den blooten hemel behoeven te slapen,
+en geen gevaar loopen van in een sloot of greppel om te komen; 's
+avonds zult gij uw bed gespreid vinden, en wanneer gij de soep eet,
+dan zult ge de voldoening genieten, dat gij ze zelf verdiend hebt,
+hetgeen ze nog wel dubbel zoo lekker smaken doet; dat verzeker ik
+u. En wanneer gij een oppassende jongen zijt--wat ik wel geloof--dan
+zult gij door ons als kind behandeld worden.
+
+Lize had zich omgewend en door haar tranen heen, zag zij mij lachend
+aan.
+
+Door dit voorstel verrast, bleef ik een oogenblik besluiteloos staan,
+zonder mezelf rekenschap te geven van hetgeen ik hoorde.
+
+Lize kwam toen naar mij toe en mij bij de hand nemende, trok zij mij
+voort naar een gekleurde plaat, die tegen den muur hing: zij stelde
+den heiligen Johannes voor in een schapevacht.
+
+Zij wenkte haar vader en broeders om naar de plaat te zien en
+tegelijkertijd strekte zij de hand naar mij uit, streek over mijn
+schapevacht en wees naar mijn haren, welke, evenals die van Johannes,
+in het midden gescheiden waren en golvend over mijn schouders hingen.
+
+Ik begreep, dat zij een gelijkenis tusschen Johannes en mij vond en
+zonder te weten waarom, deed mij dit toch genoegen en trof het mij.
+
+--Het is waar, sprak haar vader; hij lijkt op den heiligen Johannes.
+
+Lize klapte in de handen.
+
+--Welnu, hernam haar vader, op zijn voorstel terugkomende; hebt gij
+lust om in ons gezin te worden opgenomen?
+
+Een gezin!
+
+Ik zou dus een gezin hebben! O, hoe menigmaal bleek deze geliefkoosde
+droom ijdel geweest te zijn: vrouw Barberin, mevrouw Milligan, Vitalis,
+de een na de ander waren mij ontvallen.
+
+Ik zou niet langer alleen op de wereld zijn.
+
+Mijn toestand was vreeselijk: ik had een man zien sterven, met wien
+ik jaren achtereen geleefd had en die voor mij altijd een vader
+was geweest. Op hetzelfde oogenblik had ik een metgezel verloren,
+een makker, een vriend, mijn goeden, besten Capi, van wien ik zooveel
+hield en die ook een groote gehechtheid voor mij had opgevat en toch,
+toen de tuinman mij voorstelde om bij hem te blijven, begon ik weder
+eenig vertrouwen in mijn toekomst te stellen.
+
+Alles was dus nog niet voor mij verloren: het leven kon dus weder
+voor mij beginnen.
+
+En wat mij nog het meest aantrok, meer nog dan het brood, dat ik
+verdienen zou, was die kring, dat huiselijk leven, dat men mij
+beloofde.
+
+Die jongens zouden mijne broeders zijn.
+
+Die mooie lieve Lize mijne zuster.
+
+In mijn kinderlijke droomen had ik mij meer dan eens voorgesteld,
+dat ik mijn vader en moeder zou weervinden, maar nooit had ik aan
+broeders en zusters gedacht.
+
+En nu boden zij zich aan.
+
+Zij waren het niet in werkelijkheid, dat was waar, maar door hun
+vriendschap konden zij het worden; ik behoefde ze daarvoor slechts
+lief te hebben (en ik voor mij wenschte niets liever) en om mij door
+hen te laten beminnen zou niet moeilijk zijn, want zij schenen mij
+allen even goed toe.
+
+Haastig ontdeed ik mij van mijn harp.
+
+--Dat is zijn antwoord, zeide de vader lachende, en het is een goed
+ook, want men ziet dat het u genoegen geeft. Hang uw instrument aan
+dien spijker, mijn jongen, en wanneer de dag soms mocht aanbreken,
+waarop gij het niet langer met ons vinden kondt, dan neemt gij het
+daar weder af om te vertrekken; als gij dan maar het voorbeeld van
+de zwaluwen en de nachtegalen volgt en een beter jaargetijde tot
+reizen kiest.
+
+Het huis, voor welks deur wij ons ter ruste hadden gelegd, behoorde
+aan de _Glacière_ en de tuinman, die het bewoonde, heette Acquin. Toen
+ik door hem in zijn huiselijken kring opgenomen werd, bestond zijn
+gezin uit vijf personen: de vader, dien men vader Peter noemde, twee
+zoons Alexis en Benjamin, en twee dochters, Martha de oudste en Lize
+de jongste der kinderen.
+
+Lize was stom, maar niet stom geboren; dat wil zeggen, dat geen
+doofheid van haar gebrek de oorzaak was. Twee jaar lang had zij
+gesproken, maar plotseling, kort vóór haar vierde jaar, had zij haar
+spraak verloren, tengevolge van hevige stuipen. Gelukkig echter had het
+op haar verstand geen invloed uitgeoefend; dit had zich integendeel met
+een buitengewone snelheid ontwikkeld; zij begreep niet alleen alles,
+maar wist ook alles uit te drukken. In arme gezinnen en dikwijls zelfs
+bij gezeten families ook wordt zulk een kind verstooten of aan zijn
+lot overgelaten.
+
+Maar dit was met Lize het geval niet geweest; haar lieftalligheid en
+levendige geest, haar zacht en goedhartig karakter hadden haar voor
+zulk een rampzalig lot weten te bewaren. Haar broeders zorgden altijd,
+dat zij haar ongeluk vergat; de vader had slechts oogen voor haar en
+de oudste zuster aanbad haar.
+
+Vroeger was het recht van den oudste bij adellijke geslachten een
+groot voordeel; tegenwoordig is het bij arbeidersfamiliën dikwijls een
+groote verantwoordelijkheid, welke de eerstgeborene erft. De vrouw
+van Acquin was een jaar na de geboorte van Lize gestorven en sedert
+dien dag was Martha, die slechts twee jaar ouder was dan haar broeder,
+een moeder voor het gezin geworden. Inplaats van naar school te gaan,
+moest zij tehuis blijven, het eten klaarmaken, het linnengoed van haar
+vader en broeders herstellen en Lize verzorgen; men had vergeten, dat
+zij de dochter, de zuster was en was haar spoedig als een dienstbode
+gaan beschouwen, die men zelfs in geen enkel opzicht ontzag, want
+men wist, dat zij nooit zou wegloopen of boos worden.
+
+Martha had geen jeugd gekend, want toen ze nog een kind was, droeg ze
+Lize reeds in haar armen, paste op Benjamin, werkte den ganschen dag
+voor het huishouden, stond 's morgens reeds vroeg op, om haar vader,
+vóór dat hij zich naar de markt begaf, zijn soep te geven, ging laat te
+rust om alles op te bergen; waschte het linnengoed, begoot de bloemen,
+zoodra zij een uurtje vrij had, en verliet menigmaal des winters midden
+in den nacht haar bed om de stroomatten uit te leggen, wanneer de vorst
+plotseling was ingevallen. Op haar veertiende jaar lag er op haar
+gelaat een treurige, zwaarmoedige trek, alsof zij reeds dertig jaar
+oud was, maar tevens een uitdrukking van zachtheid en onderwerping.
+
+Nog geen vijf minuten hing mijn harp aan den spijker, terwijl ik nog
+bezig was mijn lotgevallen te vertellen, of wij hoorden krabben tegen
+de deur en een klagend geblaf.
+
+--Dat is Capi! zeide ik opstaande.
+
+Maar Lize was mij reeds voor, zij snelde naar de deur en opende ze.
+
+De arme Capi was in een sprong bij mij en, toen ik hem in mijn armen
+drukte, lekte hij mijn gezicht en gaf door een zacht janken zijn
+blijdschap te kennen: hij beefde over zijn geheele lichaam.
+
+--En Capi? vroeg ik.
+
+Mijn vraag werd goed verstaan.
+
+--Wel, Capi blijft bij u.
+
+Het was of hij het begreep, want hij sprong op den grond en terwijl
+hij den rechterpoot op zijn hart legde, maakte hij een buiging.
+
+Hierin hadden de kinderen groot pleizier en vooral Lize, maar toen ik
+Capi een stuk van zijn repertoire wilde laten spelen, weigerde hij
+mij te gehoorzamen en sprong weder op mijn knieën om mij te lekken;
+daarop begon hij mij aan de mouw van mijn jas te trekken.
+
+--Hij wil dat ik zal uitgaan.
+
+--Om u bij uw meester te brengen.
+
+De politie, die Vitalis had medegenomen, had gezegd, dat zij
+mij een verhoor zou doen ondergaan en in den loop van den dag zou
+terugkomen. De tijd viel mij lang. Ik verlangde naar eenige tijding
+van Vitalis. Misschien was hij niet dood, zooals men meende. Ik was ook
+niet dood. Hij kon, evenals ik, uit zijn bewusteloosheid ontwaakt zijn.
+
+De vader giste mijn bezorgdheid en nam mij naar het bureau van
+politie mede, waar men mij de eene vraag na de andere stelde die
+ik eerst beantwoordde, toen men mij verzekerd had, dat Vitalis
+dood was. Hetgeen ik wist was zeer weinig en in korte woorden te
+vertellen. Maar de commissaris wilde meer weten en ondervroeg mij
+geruimen tijd naar alles, wat betrekking had op Vitalis en mij.
+
+Wat mezelf betrof kon ik hem antwoorden, dat ik geen ouders had en
+dat Vitalis mij voor een som geld, die hij aan den echtgenoot van
+mijn voedster had gegeven, gehuurd had.
+
+--En wat gaat gij nu doen? vroeg de commissaris.
+
+Acquin antwoordde hem hierop voor mij.
+
+--Daarvoor zullen wij zorgen, indien gij hem aan ons wilt
+toevertrouwen.
+
+Niet alleen stemde de commissaris hierin toe, maar hij prees den
+tuinman zelfs voor deze goede daad.
+
+Ik moest nu alles vertellen, wat ik van Vitalis wist: dat viel mij
+moeilijk, want ik wist niets of bijna niets van hem.
+
+Toch was er een geheimzinnig punt, dat ik zou hebben kunnen aanhalen:
+hetgeen bij onze laatste voorstelling had plaats gehad, toen het
+zingen van Vitalis zoozeer de bewondering en verbazing van die
+dame had opgewekt; evenzoo de bedreigingen welke Garofoli hem had
+toegevoegd; maar ik vroeg mij af, of ik niet beter deed, dit voor
+mijzelf te houden.
+
+Wat mijn meester bij zijn leven zoo zorgvuldig bewaard had, mocht
+toch na zijn dood niet openbaar worden gemaakt.
+
+Maar een kind kan moeilijk voor een commissaris van politie iets
+verzwijgen, want deze heeft een manier om zoo te vragen, dat ieder
+spoedig alles moet bekennen.
+
+Dat gebeurde ook met mij.
+
+Eer er vijf minuten verloopen waren, had de commissaris mij alles
+laten vertellen, wat ik hem juist verbergen wilde.
+
+--Het beste is om hem bij Garofoli te brengen, zeide hij tot een
+agent; wanneer hij in de straat Lourcine is, dan zal hij het huis
+wel herkennen; gij moet dan maar met hem naar boven gaan en dien
+Garofoli ondervragen.
+
+Wij begaven ons alle drie op weg; de agent, de vader en ik.
+
+Zooals de commissaris vermoed had, zou ik spoedig het huis herkennen
+en wij gingen naar de vierde verdieping. Ik zag Mattia niet, die was
+waarschijnlijk reeds naar het gasthuis gebracht. Toen Garofoli den
+agent zag en mij herkende, verbleekte hij; zeker was hij bang.
+
+Maar spoedig werd hij gerustgesteld, toen hij de reden van ons
+bezoek vernam.
+
+--Zoo, is de arme oude dood?
+
+--Kendet gij hem?
+
+--Ja, zeer goed.
+
+--Welnu, zeg mij dan alles, wat gij van hem weet.
+
+--Dat is heel eenvoudig. Hij heette niet Vitalis; zijn naam was Carlo
+Balzani, en zoo gij een dertig of veertig jaar geleden in Italië
+geleefd hadt, zoudt gij weten, wie deze persoon was, naar wien gij
+thans onderzoek doet. In dien tijd was Balzani de beroemdste zanger
+en oogstte op het tooneel vele lauweren; hij heeft overal gezongen,
+te Napels, Rome, Milaan, Venetië, Florence, Londen en Parijs. Maar eens
+brak de dag aan, waarop hij zijn stem verloor; toen was hij niet langer
+de koning der zangers; hij wilde niet, dat zijn roem zou verminderen
+door in schouwburgen van minder rang op te treden. Hij deed afstand
+van den naam Carlo Balzani en is Vitalis geworden; voor een ieder
+die hem in zijn goeden tijd gekend had, hield hij zich verborgen. Hij
+moest echter leven, maar is nooit kunnen slagen, wat hij ook beproefd
+heeft, zoodat hij steeds lager en lager zonk en eindelijk met dieren
+ging rondreizen. Maar hoe ellendig zijn toestand ook was, zijn trots
+behield hij, en hij zou van schaamte gestorven zijn zoo het publiek
+te weten ware gekomen, dat de gevierde Carlo Balzani de arme Vitalis
+geworden was. Een toeval heeft mij dit geheim verraden.
+
+Dit was dus het geheim, dat mij altijd zooveel belang had ingeboezemd.
+
+Arme Carlo Balzani, goede, beste Vitalis!
+
+
+
+
+XX.
+
+DE TUINMAN.
+
+
+Den anderen dag zou mijn meester begraven worden en Acquin had mij
+beloofd, dat ik daarbij tegenwoordig mocht wezen.
+
+Maar den anderen morgen was ik niet in staat mij op te richten,
+want dien nacht had ik eene hevige koorts gekregen, die met een
+rilling begon en in een bad van zweet eindigde; het was mij, of een
+stuk vuur op mijn borst brandde en ik gevoelde mij zeker even ziek
+als Joli-Coeur, toen hij een nacht in een boom en in de sneeuw had
+geslapen.
+
+Ik had een heftige longontsteking, veroorzaakt door de koude, welke
+ik den nacht, waarin mijn meester gestorven was, doorstaan had.
+
+Deze ziekte deed mij nog meer de goedheid van de familie Acquin op
+prijs stellen, en vooral bleek mij toen welk een zorgvolle huishoudster
+Martha was.
+
+Hoewel men bij minder gegoede huisgezinnen niet spoedig de hulp van
+een dokter inroept, deden zich bij deze ziekte zulke onrustbarende
+verschijnselen voor, dat men voor mij een uitzondering maken moest
+op dezen regel, die even natuurlijk als algemeen is.
+
+De geneesheer behoefde mij niet lang te onderzoeken om een volledig
+verslag van mijn ongesteldheid te geven; hij verklaarde terstond,
+dat men mij naar het gasthuis brengen moest.
+
+Dit was inderdaad het eenvoudigste en gemakkelijkste wat men doen
+kon. Toch weigerde de tuinman dezen raad op te volgen.
+
+--Daar hij voor onze deur is gevallen en niet voor die van het
+gasthuis, moeten wij hem ook bij ons houden!
+
+De geneesheer trachtte op allerlei wijzen hem van dit denkbeeld af
+te brengen, maar niets mocht baten. Men wilde mij houden en men hield
+mij bij zich.
+
+En bij al haar drukke bezigheden nam Martha nog de rol van
+ziekenverpleegster op zich; zij verzorgde mij liefderijk, geheel
+volgens het voorschrift, evenals de zusters dat in het gasthuis doen,
+zonder ooit eenig ongeduld daarbij aan den dag te leggen. Als zij
+mij een oogenblik verlaten moest om haar huishouden te besturen, nam
+Lize haar plaats in en dikwijls zag ik deze in mijn koorts, aan het
+voeteinde van mijn bed, terwijl zij haar groote oogen aanhoudend op
+mij gevestigd hield. In mijn verward brein meende ik, dat zij mijn
+beschermengel was en ik sprak haar toe, zooals men tot een engel
+spreekt, aan wien men zijn wenschen en verlangen vertelt.
+
+Sedert dien tijd gewende ik mij, haar als een ideaal wezen te
+beschouwen, dat door een soort van stralenkrans omgeven was en ik
+kon nooit mijn verbazing bedwingen, wanneer ik haar zag deelnemen
+aan het gewone huiselijke leven, juist wanneer ik meende, dat zij
+haar groote witte vleugels zou uitspreiden.
+
+Ik leed veel gedurende mijn lange ziekte; telkens stortte ik weder in,
+zoodat bloedverwanten misschien den moed zouden hebben opgegeven. Maar
+Martha verloor haar geduld niet en bleef mij trouw oppassen. Nachten
+achtereen moest er bij mij gewaakt worden, want ik had dikwijls zulke
+benauwdheden, dat men bevreesd was, dat ik er in stikken zou. Alexis
+en Benjamin waakten beurtelings bij mij.
+
+Eindelijk vertoonde zich eenige beterschap; maar daar ik nu eens erger
+dan weder beter was, moest ik wachten tot het voorjaar aanbrak en de
+velden bij de Glacière met een groen waas overtogen waren.
+
+Lize, die niet werkte, nam weder de plaats van Martha in. Met haar
+wandelde ik langs de oevers van de Bièvre. Tegen den middag, als de
+zon hoog aan den hemel stond, begaven we ons samen hand aan hand op
+weg, door Capi gevolgd. Het was een mooi en zacht voorjaar, tenminste
+ik heb dien lieflijken indruk ervan behouden, hetgeen toch eigenlijk
+op hetzelfde neerkomt. Dagelijks bezochten wij het dal dat niet ver
+van onze woning verwijderd lag.
+
+Natuurlijk sprak Lize onderweg nooit, maar zonderling genoeg, wij
+hadden ook geen woorden noodig, want als wij elkander zagen, lazen
+wij in elkaars blik hetgeen we wilden zeggen, zoodat ik zelf meestal
+ook zweeg.
+
+Langzamerhand kreeg ik mijn krachten terug en zou ik in den tuin kunnen
+arbeiden; ik zag dien tijd met ongeduld tegemoet, want ik verlangde
+er naar om voor de anderen te doen, hetgeen zij voor mij gedaan
+hadden: voor hen te werken en naarmate mijn krachten het vergunden,
+terug te geven, hetgeen ze mij gegeven hadden. Ik had nooit gewerkt,
+want hoe vermoeiend verre tochten ook zijn mochten, zij zijn niet
+te vergelijken met den bestendigen arbeid, die veel goeden wil en
+ijver eischt; maar het scheen, dat ik goed werkte, tenminste dat ik
+met lust het voorbeeld van hen, die mij omringden, volgde.
+
+Het was de tijd, waarop de viooltjes naar de markt te Parijs gebracht
+werden en vader Acquin had aan deze bloemen al zijn zorg gewijd;
+in onzen tuin stonden er van allerlei soort en kleur en 's avonds,
+vóór dat de ramen gesloten werden, was de lucht met de geur van deze
+bloemen vervuld.
+
+De taak, die men mij had opgedragen, was in evenredigheid met mijn
+krachten; zij bestond voornamelijk om 's morgens de ramen van de
+broeikasten af te lichten, wanneer de vorst voorbij was, en ze 's
+avonds daarmede weder te bedekken, vóór dat deze inviel; overdag moest
+ik zorgen, dat zij met rietmatten overdekt werden, wanneer de zon soms
+al te fel scheen. Dat was moeilijk noch zwaar, maar het duurde toch
+lang, daar ik wel een paar honderd pannen tweemaal daags verleggen
+en aanhoudend moest zorgen, dat het te warm noch te koud werd.
+
+Gedurende dien tijd bleef Lize altijd bij het toestel, dat diende
+om het water voor de besproeiing op te pompen, en als de oude Coco,
+wiens oogen met een lederen klap waren geblinddoekt, vermoeid van het
+rondloopen, wilde stilstaan, dan klapte zij met haar kleine zweep;
+een van haar broeders stortte de emmers uit, die gevuld opgehaald
+werden en de ander hielp zijn vader; zoo had iedereen zijn werk en
+niemand liet tijd verloren gaan.
+
+In mijn dorp had ik de boeren menigmaal aan het werk gezien, maar
+ik had in het minst geen denkbeeld van den moed en de inspanning,
+welke de arbeid van de tuinlieden in den omtrek van Parijs vereischt,
+die 's morgens nog vóór het opkomen der zon reeds moeten opstaan,
+en eerst laat in den avond zich ter rust kunnen begeven, zich geheel
+aan hun werk wijden en daarvoor hun beste krachten inspannen; ik had
+ook het land zien bebouwen, maar ik wist niet hoeveel schatten dit
+kon voortbrengen, indien men het voortdurend bewerkte: ik was in een
+goede leer bij vader Acquin.
+
+Ook werd ik niet altijd in de broeikasten gebruikt; toen ik weder
+geheel hersteld was, mocht ik ook bloemen planten en smaakte ik het
+genot, die te zien groeien; dat was mijn werk, mijn eigendom, mijn
+schepping en dat maakte mij trotsch; ik was dus tot iets geschikt en
+ik gaf hiervan de bewijzen. Maar wat mij nog gelukkiger maakte was,
+dat ik zelf gevoelde, dat ik het goed deed, hetgeen de moeite dubbel
+loont; dit verzeker ik u.
+
+Ondanks de vermoeienissen, dat dit nieuwe leven voor mij medebracht,
+gewende ik mij toch spoedig aan al deze werkzaamheden, die zoo weinig
+geleken op mijn vorig zwervend leven. Inplaats van vrij rond te loopen,
+zooals vroeger, steeds den grooten weg te volgen, moest ik mij thans
+tusschen vier muren van een tuin opsluiten en van den morgen tot
+den avond hard werken, terwijl het hemd mij aan het lijf kleefde,
+met de gieters aan mijn arm en mijn voeten in beslijkte schoenen;
+maar iedereen werkte zoo hard; de gieters van den vader waren nog
+zwaarder dan de mijne en zijn schoenen niet minder vuil. Het doet
+ons goed, als wij, wanneer ons iets moeite kost, zien, dat anderen
+hetzelfde lot met ons deelen. Bovendien had ik hier wat ik niet dacht
+dat ik ooit genieten zou: het leven in een huiselijken kring. Ik was
+niet langer alleen, ik was niet meer het verlaten kind; ik had een
+eigen bed; ik had een plaats aan de tafel, waaraan wij ons altijd
+vereenigden. Zoo Alexis of Benjamin nu en dan eens met mij vochten,
+spoedig hadden wij onze twisten weder vergeten en 's avonds, als we
+de soep aten, waren wij weer de beste vrienden.
+
+Om de waarheid te zeggen, moet ik bekennen, dat we niet altijd werkten
+en ons vermoeiden; wij hadden ook onze uren van rust en uitspanning;
+zij waren wel kort, maar daarom juist des te prettiger.
+
+Des Zondagsmiddags kwamen wij allen in een met wingerden begroeid
+prieel bij elkander; ik nam dan mijn harp van den muur, die de gansche
+week daaraan hangen bleef, en liet de kinderen dansen. Geen van allen
+had dansen geleerd, maar de jongens hadden eens een bal bijgewoond
+en hun geheugen kwam hen bij die gelegenheid te hulp.
+
+Wanneer zij het dansen moe waren, verzochten zij mij om iets voor
+hen te zingen en wanneer ik mijn napolitaansch lied zong, dan kwamen
+altijd, evenals de eerste maal, de tranen in Lize's oogen.
+
+Om haar dan eenige afleiding te geven, liet ik terstond een vroolijk
+stukje volgen, waarbij Capi kon optreden. Voor hem waren die Zondagen
+ook feestdagen; zij herinnerden hem aan het verleden en wanneer hij
+zijn rol afgespeeld had, zou hij die gaarne weer van voren af aan
+begonnen zijn.
+
+Twee jaren gingen er op deze wijs voorbij, en daar de tuinman mij
+dikwijls naar de markt medenam of soms ook wel naar andere tuinlieden,
+bij wie wij onze planten brachten, begon ik langzamerhand Parijs te
+leeren kennen en te begrijpen, dat het geen stad van marmer en goud
+was, gelijk ik mij vroeger verbeeldde, maar dat het evenmin slechts
+vuil en slijk was, wat men er zag, zooals op den avond, toen wij voor
+de eerste maal hare straten doorkruisten.
+
+Ik zag praalgraven en monumenten, ik wandelde langs de kaden en over
+de boulevards, in het Luxemburg, de Tuileriën en de Champs Elysées.
+
+Ik zag beelden. Ik bleef de menigte vol bewondering gadeslaan. Ik
+begon mij een denkbeeld te vormen van het leven, dat men in een
+hoofdstad leidt.
+
+Gelukkig bestond mijn opvoeding niet alleen in hetgeen ik toevallig op
+mijn wandelingen of mijn tochten door Parijs zag. Voordat "de vader"
+zich zelf als tuinman gevestigd had, was hij werkzaam geweest in
+de boomkweekerij van den Plantentuin en daar was hij in aanraking
+gekomen met wetenschappelijke en gestudeerde menschen, door wier
+omgang het verlangen bij hem levendig was geworden om te lezen en
+te studeeren. Verscheidene jaren had hij van zijn inkomen gespaard
+om boeken te koopen en die in zijn vrijen tijd te lezen. Maar toen
+hij getrouwd was en kinderen had, kreeg hij minder vrijen tijd, want
+hij moest toen zorgen, dat allen aan den kost kwamen; zijn boeken
+bleven van toen af gesloten, maar hij bewaarde ze zorgvuldig in een
+kast. De eerste winter dien ik in zijn huisgezin doorbracht, duurde
+zeer lang en hoewel het werken in den tuin niet geheel gestaakt werd,
+viel er toch maanden achtereen weinig te arbeiden.
+
+Des avonds vereenigden wij ons dan bij den haard; de oude boeken
+werden te voorschijn gehaald en onder ons verdeeld. Voor het grootste
+gedeelte handelden zij over planten en kruiden en de geschiedenis
+daarvan; voorts waren er eenige reisverhalen. Alexis en Benjamin
+hadden echter niet dien lust in lezen en studeeren, dien hun vader
+in zijn jeugd bezat; geregeld vielen zij dan ook gerust over hun boek
+in slaap. Ik voor mij, die minder slaperig of misschien leergieriger
+was, bleef, totdat wij naar bed gingen, doorlezen: de eerste lessen,
+welke Vitalis mij gegeven had, waren dus niet verloren gegaan, en
+wanneer ik dit bij mezelf zeide, terwijl ik mij uitkleedde, dacht ik
+altijd met dankbaarheid aan hem.
+
+Mijn lust tot leeren herinnerde Acquin weder aan den tijd, toen hij op
+zijn eten zooveel mogelijk uitzuinigde om zich boeken aan te schaffen;
+hij bracht mij soms ook wel nieuwe boeken uit Parijs mede. Zijn keus
+liet hij aan het toeval over en dikwijls zelfs ging hij alleen op
+de titels af; in elk geval, het waren boeken en al mochten zij mijn
+geest een weinig in de war brengen, met den tijd zou dat wel in orde
+komen en ontegenzeglijk is mij veel goeds daarvan bijgebleven.
+
+Lize kon niet lezen, maar toen zij mij, zoodra ik een uur vrij had,
+in een boek verdiept zag, verlangde zij te weten, wat mij zooveel
+belangstelling inboezemde. In het eerst wilde zij mij altijd de boeken
+afnemen, die mij beletten om met haar te spelen; maar toen zij zag,
+dat ik, ondanks alles, toch altijd weer naar mijn boeken terugkeerde,
+verzocht zij mij haar te vertellen, wat erin stond. Een nieuwe band
+vormde zich daardoor tusschen ons. Daar zij vaak in zichzelf gekeerd
+was en haar verstand goed ontwikkeld was, zonder dat zij ooit kon
+deelnemen aan beuzelachtige of onbeduidende gesprekken, moest zij
+een groote vergoeding in het lezen vinden, hetgeen zij er dan ook
+werkelijk in vond: een afleiding en voedsel voor haar geest.
+
+Hoeveel uren hebben wij niet samen doorgebracht: zij naast mij, geen
+oogenblik haar oogen van mij afwendende, terwijl ik verdiept was
+in een boek. Dikwijls hield ik even op, als ik een woord of een zin
+niet begreep, en dan zag ik haar aan. Langen tijd zochten wij dan,
+en wanneer wij het niet te weten kwamen, dan beduidde zij mij met
+een gebaar, dat ik maar moest voortgaan, alsof zij zeggen wilde:
+"later". Ik leerde haar ook teekenen, dat wil zeggen, zooals ik
+teekenen kon. Dit duurde echter lang en was veel moeilijker, maar
+het gelukte mij toch. Ik was zelf geen groot meester, maar wanneer
+meester en leerling het met elkander eens zijn, is dit dikwijls meer
+waard dan talent. Welk een vreugde was het, toen zij eenige lijnen
+kon zetten, waaruit men kon opmaken, wat zij voorstellen wilde! Vader
+Acquin drukte mij toen een kus op het voorhoofd.
+
+--Ik had wel een grooter domheid in mijn leven kunnen begaan dan u
+in huis te nemen, zeide hij. Lize zal er u later wel voor betalen.
+
+Later, dat wil zeggen, wanneer zij weder spreken kon, want men had de
+hoop nog niet opgegeven, dat zij eenmaal haar spraak zou terugkrijgen;
+de dokters hadden echter gezegd, dat zij voor het oogenblik er niets
+aan doen konden en zij de krisis moesten afwachten.
+
+"Later" beteekende ook een treurig schudden met haar hoofd, wanneer ik
+een van mijn liedjes voor haar gezongen had. Zij had ook op de harp
+willen leeren spelen en al spoedig liet zij even vlug als ik haar
+vingers over dat instrument glijden. Maar natuurlijk kon ik haar niet
+leeren zingen en dat speet haar. Dikwijls zag ik tranen in haar oogen,
+die mij het bewijs waren, hoeveel zij er onder leed. Maar bij zulk
+een goed en zacht karakter duurt het verdriet niet lang; zij wischte
+hare tranen af en met een glimlach beduidde zij mij dat het "later"
+wel gebeuren zou.
+
+Door vader Acquin als kind aangenomen en door zijn zoons als een
+broeder beschouwd, zou ik waarschijnlijk mijn levenlang op de Glacière
+gebleven zijn, zoo er niet een gebeurtenis plaats had gegrepen, die
+plotseling weder een verandering in mijn leven bracht; want het stond
+geschreven, dat ik niet lang gelukkig zou kunnen zijn, en dat juist
+wanneer ik meende het zekerst van mijn rust te zijn, het oogenblik
+was aangebroken, waarop ik weder, door omstandigheden onafhankelijk
+van mijn wil, tot een leven vol avonturen en zonderlinge lotgevallen
+zou terugkeeren.
+
+
+
+
+XXI.
+
+HET HUISGEZIN WORDT OPGEBROKEN.
+
+
+Als ik alleen zat, dacht ik dikwijls bij mezelf: "Gij zijt te gelukkig,
+jongen; dat zal niet lang meer duren."
+
+Welk ongeluk mij overkomen moest, dat kon ik niet voorzien, maar ik
+was bijna zeker, dat het, van welken kant ook, zou komen opdagen.
+
+Dit stemde mij dikwijls treurig, maar toch had het in één opzicht veel
+goeds, daar ik in alles zooveel mogelijk mijn best deed om het ongeluk
+te vermijden, en mij verbeeldde, dat het mijn eigen schuld zou zijn,
+wanneer ik weder door een ramp getroffen werd.
+
+Het was echter niet door mijn toedoen, maar als ik mij niet bedrieg,
+besefte ik het ongeluk in zijn geheelen omvang.
+
+Ik zeide reeds, dat vader Acquin hoofdzakelijk viooltjes teelde. Deze
+zijn zeer gemakkelijk te kweeken en de tuinlieden, die in den omtrek
+van Parijs wonen, slagen erin wonderen daarvan voort te brengen,
+getuige de groote planten, die van boven tot onderen met bloemen
+beladen zijn en die zij in de maanden April en Mei naar de markt
+brengen. De tuinman, die van viooltjes zijn werk maakt, moet er slechts
+op letten, dat hij de dubbele planten uitkiest, omdat de dames de
+enkelen niet verlangen. Daar het zaad, in evenredigheid tenminste,
+meestal evenveel dubbele als enkele planten doet ontkiemen, is het
+van het grootste belang, dat men slechts de dubbelen behoudt; want
+anders loopt men gevaar, dat men met de grootste zorg vijftig op de
+honderd planten kweekt, die men moet wegwerpen, wanneer zij beginnen
+te bloeien, dat wil zeggen, een jaar nadat zij gezaaid zijn.
+
+Wanneer zij, die viooltjes telen, de dubbelen van de enkelen moeten
+uitzoeken, dan wenden zij zich tot andere tuinlieden die met het
+geheim bekend zijn en deze gaan naar de stad, om, evenals de dokters
+of deskundigen, een consult te houden. Vader Acquin behoorde onder
+de knapste bloemkweekers van Parijs; wanneer de tijd was aangebroken
+waarop de viooltjes uitgezocht moesten worden, was hij den ganschen dag
+bezig. Dan was het voor ons en vooral voor Martha een slechte tijd,
+want als vrienden bij elkaar komen, wordt er in den regel menig glas
+gedronken en als hij dan na zulk een dag tehuis kwam, had hij een
+hooge kleur, kon moeilijk uit zijn woorden komen en dikwijls beefden
+zijn handen.
+
+Martha ging niet naar bed voordat hij tehuis was, hoe laat in den
+nacht dit ook wezen mocht.
+
+Als ik dan nog wakker was, of door het gedruisch, dat hij veroorzaakte,
+ontwaakte, hoorde ik vanuit mijn kamer, wat zij spraken.
+
+--Waarom zijt ge niet naar bed gegaan? vroeg de vader.
+
+--Omdat ik wilde zien, of gij soms nog iets noodig mocht hebben.
+
+--Dat wil zooveel zeggen, als dat gij mij bespied.
+
+--Als ik niet meer wakker was, tot wien zoudt u dan spreken?
+
+--Gij wilt zien of ik nog goed kan loopen; zie nu maar, of ik niet
+heel goed tot aan gindsche deur kan gaan zonder een oogenblik van de
+streep af te wijken.
+
+Ik hoorde hem in de keuken eenige ongeregelde schreden doen; daarop
+volgde er een stilte.
+
+--Gaat het met Lize goed?
+
+--Ja, zij slaapt, wilt gij zorgen dat gij geen leven maakt.
+
+--Ik maak geen leven; ik loop recht voor mij uit; ik moet wel
+recht voor mij uit loopen, daar de dochters anders haar vader
+beschuldigen. Wat zeide zij wel, toen ze mij niet bij het avondeten
+zag?
+
+--Niets; zij heeft aanhoudend naar uw plaats gekeken.
+
+--O, zag zij naar mijn plaats?
+
+--Ja.
+
+--Dikwijls? Zag zij er dikwijls naar?
+
+--Dikwijls.
+
+--En wat zeide zij?
+
+--Haar oog zeide, dat gij daar niet zat.
+
+--Toen vroeg zij u zeker, waarom ik er niet was en gij hebt haar toen
+verteld, dat ik bij mijn vrienden was?
+
+--Neen, zij vroeg mij niets en ik heb haar ook niets verteld, zij
+wist wel waar gij waart.
+
+--Zij wist het, zij wist dat.... Is zij spoedig gaan slapen?
+
+--Neen; eerst een kwartier geleden heeft zij den slaap kunnen vatten;
+zij wilde op u wachten.
+
+--En wat wildet gij?
+
+--Ik wilde niet hebben, dat zij u thuis zag komen.
+
+Na een oogenblik stilte.
+
+--Martha, gij zijt een goede dochter; luister eens; morgen ga ik naar
+Louisot, ik beloof u plechtig, dat ik dan bijtijds terug zal wezen;
+ik wil niet, dat gij zoo lang op mij moet wachten; ik wil niet,
+dat Lize ongerust gaat slapen.
+
+Maar die beloften werden gewoonlijk niet nagekomen en dikwijls kwam
+hij weer even laat thuis. In huis was Lize almachtig, buitenshuis
+werd zij vergeten.
+
+Weet ge, men drinkt zonder er bij te denken, omdat men het zijn
+vrienden niet weigeren wil; men drinkt de tweede maal, omdat men de
+eerste maal gedronken heeft en men is dan vast besloten om geen derden
+keer te drinken: maar drinken geeft nadorst. De wijn stijgt dan naar
+het hoofd; men weet, dat, als men een goed glas gebruikt heeft, men de
+zorgen vergeet; men denkt niet langer aan schuldeischers; alles ziet
+men van de zonnige zijde; het is of men in een andere wereld komt,
+in die wereld, waarin men zoo gaarne zou willen zijn. En men blijft
+voortdrinken; daar schuilt het gevaar.
+
+Ik moet eerlijk zeggen, dat het niet dikwijls gebeurde. Bovendien
+duurde die tijd niet lang en als deze voorbij was, dan had vader Acquin
+ook geen reden om van huis te gaan. Hij was geen man, die uit luiheid
+of om zijn tijd zoek te brengen, naar kroegen of herbergen liep.
+
+Toen de viooltjes uitgebloeid waren, gingen we onze zorg aan andere
+planten wijden, want een tuinman mag nooit een plekje in zijn tuin
+onbebouwd laten: zoodra de eene plant verkocht is, moet er een andere
+voor in de plaats komen.
+
+De kunst van den tuinman die zijn bloemen naar de markt brengt, bestaat
+hoofdzakelijk daarin, dat hij het juiste oogenblik weet te kiezen,
+dat de marktprijzen het hoogst staan, en vader Acquin vergiste zich
+daarin nooit.
+
+De maand Augustus beloofde veel goeds, alle planten stonden zoo
+voordeelig mogelijk en hij zeide dikwijls tot zijn zoons, terwijl
+hij vergenoegd de handen wreef:
+
+--Alles staat prachtig. En bij zichzelf rekende hij reeds uit,
+hoeveel de bloemen hem zouden opbrengen.
+
+Er was hard gewerkt om het zoover te brengen; wij hadden geen uur
+vrijaf gehad en zelfs Zondags was ons geen rust gegund. Alles was
+thans ook in orde en, tot belooning van ons werken, zouden wij op een
+Zondag bij een vriend van Lize's vader gaan eten; Capi zelfs mocht van
+de partij zijn. Wij zouden tot een uur of drie werken en dan zou alles
+gereed zijn en we mochten het huis sluiten en ons op weg begeven; wij
+zouden echter niet laat terugkeeren, daar wij vroeg naar bed moesten
+gaan, om den anderen morgen bijtijds den arbeid te kunnen hervatten.
+
+Wat waren wij in onzen schik.
+
+Alles bleef zoo afgesproken, en eenige minuten vóór vieren draaide
+Acquin den sleutel om in de groote deur en zeide met een verheugd
+gezicht:
+
+--En nu voorwaarts!
+
+--Vooruit, Capi!
+
+Ik vatte Lize bij de hand en snelde met haar vooruit, terwijl Capi
+ons blaffende volgde en vroolijk tegen ons opsprong. Misschien meende
+hij, dat onze verre tochten weder een aanvang namen, wat hij stellig
+prettiger vond, dan thuis te blijven, waar hij zich verveelde, daar
+ik mij niet altijd met hem kon bezighouden--en dit vond hij toch nog
+altijd het prettigste van alles.
+
+Wij hadden allen onze beste kleeren aan; de menschen bleven zelfs
+stilstaan, om ons na te kijken. Ik weet niet hoe ik zelf er uitzag,
+maar Lize met haar stroohoedje, haar blauw jurkje en grijs linnen
+laarzen, was het mooiste kind, dat men zich denken kon; zij was
+levendig en bevallig; haar geheele voorkomen, al haar gebaren en
+bewegingen, spraken van het genot, dat deze wandeling haar verschafte.
+
+De tijd ging voorbij, zonder dat ik eraan dacht; alles wat ik er mij
+van kan herinneren is, dat, toen ons middagmaal bijna was afgeloopen,
+wij donkere wolken aan den hemel zich zagen samenpakken, daar onze
+tafel in de open lucht onder een vlierboom gedekt was, konden wij
+gemakkelijk het onweder zien opkomen.
+
+--Kinderen, zeide Acquin, wij moeten ons haasten om tehuis te komen.
+
+Bij deze woorden riepen wij van alle kanten:
+
+--Nu reeds!
+
+Lize zeide niets, maar zij gaf door gebaren duidelijk haar tegenzin
+te kennen.
+
+--Als de wind opsteekt, ging Acquin voort, dan kan hij de pannen van
+de broeikasten afwerpen: dus vooruit!
+
+Hier viel niets tegen te zeggen, want wij wisten allen, dat de
+glazenpannen het fortuin van den tuinman uitmaken, en wanneer de wind
+ze breekt, dit zijn ondergang is.
+
+--Ik ga alvast vooruit, zeide vader Acquin; Benjamin en Alexis zullen
+met mij medegaan. Rémi, Martha en Lize volgen ons dan wel.
+
+En zonder meer te zeggen, vertrok hij in allerijl, met niet minder
+haastigen tred door ons gevolgd.
+
+Nu was het geen tijd meer voor scherts; wij speelden geen krijgertje,
+noch verscholen ons achter boom of struik.
+
+De lucht betrok hoe langer hoe meer en het onweder kwam steeds
+dichterbij, door een hevige windvlaag voorafgegaan, die de stof
+van alle kanten opjoeg. Als wij ons midden in zulk een wervelwind
+bevonden, moesten we blijven stilstaan, ons omkeeren en onze handen
+voor de oogen houden, want al het zand woei ons in het gelaat. Als
+wij niet voorzichtig ademhaalden, kwam onze mond vol stof.
+
+De donder rolde reeds in de verte en naderde langzaam, vergezeld van
+een oogverblindend licht.
+
+Martha en ik hadden Lize bij de hand genomen en trokken haar bijkans
+voort, maar zij had moeite om ons te volgen en wij konden dus niet
+zoo hard loopen als we wel gewenscht hadden.
+
+Zouden wij nog vóór het onweder tehuis zijn?
+
+Zouden Acquin en zijn zoons hun woning nog bijtijds bereiken?
+
+Voor hen was dit van nog meer gewicht dan voor ons, daar wij alleen
+door-en-door nat konden worden, terwijl zij hun broeikasten voor
+geheele verwoesting moesten behoeden.
+
+Telkens volgden de donderslagen elkander met kortere tusschenpoozen op,
+terwijl de wolken steeds zwaarder geworden waren, zoodat het bijna
+nacht was. Als ze door den wind uiteengedreven werden, zag men hare
+donkere scherpe omtrekken. Waarschijnlijk zouden die wolken op een
+gegeven oogenblik plotseling losbarsten.
+
+Zonderling, temidden van die donderslagen, hoorden wij een
+oorverdoovend geraas naderkomen; het scheen wel of een troep ruiters
+het onweder haastig ontvluchtte; maar dat was onmogelijk; hoe zouden
+in deze streek ruiters komen?
+
+Eensklaps begon het te hagelen; eerst troffen enkele hagelsteenen
+ons gelaat, maar oogenblikkelijk daarop volgde een dichte bui, zoodat
+wij onder een afdak moesten schuilen.
+
+Wij zagen toen zulk een geduchte hagelbui, als we er ons moeilijk
+een konden voorstellen; in een oogenblik lag er een witte laag
+over de straat alsof we midden in den winter waren; de hagelsteenen
+waren zoo groot als duiveneieren en terwijl zij vielen, maakten zij
+een dof geraas, dat van tijd tot tijd door het rinkelen van glazen
+afgewisseld werd.
+
+--Hoe jammer van onze pannen, zeide Martha.
+
+Hetzelfde had ik gedacht.
+
+--Misschien zijn ze nog bijtijds gekomen.
+
+--Al zijn ze nog vóór deze hagelbui thuis geweest, dan hebben zij
+toch geen tijd gehad om het stroo over de kasten te leggen; alles
+zal verloren zijn.
+
+--Men zegt wel eens, dat hagel maar op enkele plaatsen valt.
+
+--Wij zijn te dicht bij huis, dan dat onze tuin gespaard zou zijn
+gebleven; als de bui daar evenzoo nedervalt als hier, dan zijn we
+geruïneerd. Arme, beste vader! Wat had hij niet op een voordeeligen
+oogst gerekend; vooral daar hij zooveel geld noodig heeft!
+
+Ik wist niet juist hoeveel deze pannen kostten, maar toch had ik
+dikwijls gehoord, dat glazen pannen zeer kostbaar zijn en ik begreep
+dus, dat, zoo er vijf- of zeshonderd braken, wij een aanzienlijke
+som verliezen zouden, zonder nog de verwoesting te rekenen, die het
+onweder in de serres en onder de bloemen had aangebracht.
+
+Ik had gaarne aan Martha willen vragen hoe zij er over dacht, maar wij
+konden elkander nauwelijks verstaan en Martha scheen ook geen lust te
+gevoelen om met mij te praten; ik keek met zulk een wanhopend gelaat
+naar deze hagelsteenen, als menschen naar hun woning zien wanneer
+die afbrandt.
+
+Die vreeselijke stortbui duurde niet langer dan een minuut of vijf,
+zes, en zij hield even plotseling op, als zij gevallen was; de wolken
+trokken af en spoedig konden wij onze schuilplaats verlaten. In de
+straten rolden de harde en ronde hagelsteenen onder onze voeten,
+als de schelpen, die uit de zee worden opgeworpen en vormden weldra
+zulk een dikke laag, dat wij er tot over de enkels inzonken.
+
+Lize kon met haar linnen schoentjes niet over deze bevroren
+hagelsteenen loopen en ik nam haar op mijn rug; op haar gezichtje,
+dat in het gaan zoo vroolijk en opgeruimd was geweest, lag nu een
+droeve trek, terwijl tranen haar langs de wangen biggelden.
+
+Spoedig bereikten wij ons huis, waarvan de deur open was blijven staan;
+onmiddellijk begaven we ons naar den tuin.
+
+Welk een tooneel! alles was verbrijzeld en lag in stukken over den
+grond verspreid: pannen, bloemen, glas en hagelsteenen vormden een
+verwarde massa, waarin niets meer te herkennen viel; de tuin, welke
+dien morgen nog zoo fraai was, zoo vol bloemen stond, was thans in
+een puinhoop veranderd.
+
+Waar was vader?
+
+Wij zochten hem overal, maar zagen hem nergens; toen wij bij de groote
+broeikast kwamen, waarvan ook geen enkel glas heel was gebleven, vonden
+wij hem op een bankje zitten, temidden van de treurige overblijfselen,
+welke den grond bedekten, terwijl Benjamin en Alexis onbeweeglijk
+naast hem stonden.
+
+--O, mijn arme kinderen! riep hij, het hoofd opheffende, toen hij
+ons hoorde naderen, doordat wij het glas, dat onder onze voeten kwam,
+stuk trapten. O, mijn arme kinderen!
+
+Toen hij Lize in de armen drukte, begon hij te weenen, zonder een
+woord meer te spreken.
+
+Wat zou hij ook gezegd hebben? Het was een ramp, zóó groot dat wij
+nauwelijks erover durfden nadenken; maar nog vreeselijker waren de
+gevolgen, welke zij na zich sleepte.
+
+Spoedig vernam ik door Martha en de jongens, dat hun vaders wanhoop
+zeer te verklaren was. Tien jaar geleden had Acquin dezen tuin gekocht
+en er zelf het huis naast gebouwd. De persoon, die hem den grond had
+afgestaan, had hem ook geld geleend, om hem in staat te stellen,
+zich de noodige gereedschappen aan te schaffen, die hij voor zijn
+arbeid noodig mocht hebben. Alles zou binnen de vijftien jaar worden
+betaald door een jaarlijksche aflossing. Tot nogtoe had hij jaarlijks
+deze aflossing kunnen betalen, door ijverig te werken en zeer zuinig
+te leven. Die geregelde aflossing was vooral onvermijdelijk, daar
+zijn schuldeischer de eerste de beste gelegenheid zou aangrijpen,
+om den grond en het huis terug te nemen en natuurlijk ook de tien
+aflossingen, die hij reeds ontvangen had, tevens te behouden; het
+scheen zelfs een speculatie van hem te zijn en daar hij overtuigd was,
+dat in vijftien jaren wel ééns een dag zou aanbreken, waarop Acquin
+zijn schuld niet zou kunnen voldoen, had hij deze speculatie durven
+wagen, zonder bevreesd te zijn, daarbij te verliezen--terwijl zijn
+schuldenaar daarentegen altijd gebonden bleef.
+
+Eindelijk was dan die dag gekomen, dank zij den hagelslag.
+
+Wat zou er nu gebeuren? Niet lang verkeerden wij hieromtrent in de
+onzekerheid, want den anderen dag moest de tuinman juist een gedeelte
+weder aflossen met de opbrengst van zijn planten. Wij zagen toen
+een in het zwart gekleed heer binnentreden, die er niet heel beleefd
+uitzag en ons een verzegeld papier overhandigde, waarop hij eenige
+woorden schreef op een oningevulden regel.
+
+Het was een deurwaarder.
+
+Van dien dag af bezocht hij ons dagelijks en eindelijk leerde hij
+zelfs onze namen kennen.
+
+--Dag Rémi zeide hij, hoe maakt het Alexis, en hoe gaat het juffrouw
+Martha?
+
+Hij gaf ons dan lachend het verzegeld papier, alsof wij de beste
+vrienden met hem waren.
+
+--Tot weerziens, jongens.
+
+--Loop naar den drommel!
+
+Acquin bleef niet meer tehuis, hij ging dagelijks naar de stad. Waar
+ging hij heen? dat wisten wij geen van allen, want al vertelde hij
+ons vroeger alles, thans zweeg hij meestal. Hij ging naar advocaten,
+misschien ook naar de rechtbank.
+
+De gedachte daaraan alleen deed mij huiveren; Vitalis was ook voor de
+rechtbank verschenen en ik wist nog maar al te goed, wat het gevolg
+daarvan geweest was.
+
+Bij hem duurde het echter veel langer, eer hij den uitslag vernam; de
+gansche winter verliep er zelfs mede. Daar wij niet in staat geweest
+waren om onze serres te herstellen, begonnen we in den tuin groenten
+en bloemen te planten, die onder den blooten hemel gekweekt konden
+worden; deze brachten echter niet veel op, maar in elk geval was het
+toch een kleine verdienste en bezorgde het ons werk.
+
+Op een avond kwam Lize's vader tehuis, treuriger gestemd en meer
+terneergeslagen dan ooit.
+
+--Kinderen, sprak hij, het is met ons gedaan.
+
+Ik wilde mij verwijderen, want ik begreep, dat iets gewichtigs zou
+gebeuren, daar hij uitsluitend tot zijn kinderen sprak en ik meende,
+dat ik onbescheiden handelde, als ik daarbij bleef.
+
+Maar hij wenkte mij te blijven.
+
+--Behoort gij ook niet tot mijn gezin? vroeg hij; hoewel gij nog
+niet oud genoeg zijt om hetgeen ik u ga mededeelen te begrijpen,
+zijt gij reeds meermalen door het ongeluk beproefd geworden om mijn
+bedoelingen te vatten. Kinderen, ik ga u verlaten.
+
+Deze woorden werden door een uitroep en een kreet van smart beantwoord.
+
+Lize wierp zich snikkend in zijn armen.
+
+--O, gij begrijpt, dat ik niet vrijwillig besluit om zulke goede
+kinderen als gij zijt te verlaten en mijn lieve kleine Lize niet meer
+te zien.
+
+Hij drukte Lize met kracht tegen de borst.
+
+--Maar men heeft mij tot betalen veroordeeld, en daar ik geen geld heb,
+gaat men hier alles verkoopen en waarschijnlijk zal dit zelfs niet
+toereikend zijn en zal ik naar de gevangenis moeten gaan, waarin ik
+dan vijf jaren blijven moet; daar ik het niet met mijn geld doen kan,
+zal ik mijn schuld met mijn lichaam, met mijn vrijheid moeten aflossen.
+
+Wij begonnen allen te weenen.
+
+--Ja, dat is heel treurig, maar er valt tegen de wet niets te doen en
+het is de wet; vroeger was deze nog strenger, zeide mij een advocaat;
+als toen een schuldenaar zijn schuldeischers niet betalen kon,
+dan hadden dezen het recht zijn lichaam in stukken te snijden en
+het tusschen elkander in zooveel deelen te verdeelen, als zij maar
+wilden; mij zet men eenvoudig in de gevangenis, binnen weinige dagen
+zal dat waarschijnlijk gebeuren. Wat zal er in die vijf jaren van u
+worden? Dat is het ergste.
+
+Hij zweeg toen; ik weet niet welke gedachten deze stilte bij de
+anderen teweegbracht, maar voor mij was zij een van de vreeselijkste
+uit mijn leven.
+
+--Gij kunt wel nagaan, dat ik hierover veel nagedacht heb en ik zal
+u mijn besluit mededeelen, waardoor gij dan niet, nadat ik u verlaten
+heb, alleen zult behoeven achter te blijven.
+
+Ik kreeg weder eenige hoop.
+
+--Rémi zal aan mijn zuster Katherina Suriot schrijven; zij is een
+zeer verstandige vrouw en zal ons, wanneer zij hier is, stellig ten
+beste raden.
+
+Het was voor de eerste maal, dat ik een brief schreef: het was een
+moeilijke en zware taak, die mij werd opgelegd.
+
+Hoewel, na alles wat Acquin ons had medegedeeld, voor ons niet veel
+overschoot waarop wij konden rekenen, behielden we toch altijd nog
+eenige hoop en in den toestand, waarin wij verkeerden, was deze hoop
+van veel waarde voor ons.
+
+Wat hoopten wij?
+
+Dat wisten we zelf niet; maar wij hoopten; Katherina zou bij ons
+komen en zij was een vrouw, die verstand van zaken had; dat was voor
+onwetende en eenvoudige kinderen, zooals wij waren, reeds voldoende.
+
+Zij kwam echter niet zoo spoedig als wij ons hadden voorgesteld en
+de deurwaarder en de justitie verschenen eerder dan zij.
+
+Vader Acquin wilde zich juist naar een zijner vrienden begeven,
+toen hij, zijn huis verlatende, plotseling tegenover hen stond; ik
+vergezelde hem en in een oogwenk waren we allen om hem heen. Maar
+hij wilde niet vluchten. Ik zag hem verbleeken en met een zwakke stem
+vroeg hij de agenten verlof, zijn kinderen vaarwel te mogen zeggen.
+
+--Gij moet er niet zoo wanhopend onder zijn, vriendlief; wanneer men
+voor schulden in de gevangenis gaat, is het nog zoo erg niet.
+
+Wij keerden in huis terug, door de agenten gevolgd.
+
+Ik ging de jongens uit den tuin roepen.
+
+Toen wij weer bij hun vader kwamen, hield deze Lize in zijn armen,
+die luid weende.
+
+Een van de agenten fluisterde hem toen iets in, wat ik niet verstaan
+kon.
+
+--Ja, gij hebt gelijk; het moet, antwoordde Acquin.
+
+Hij richtte zich eensklaps op, zette Lize op den grond, die zich
+echter aan hem vastklemde en zijn hand niet wilde loslaten.
+
+Hij drukte toen Martha, Alexis en Benjamin een kus op het voorhoofd.
+
+Ik had mij in een hoekje teruggetrokken om ongestoord mijn tranen te
+kunnen laten vloeien, hij riep mij:
+
+--En gij Rémi? komt gij mij niet goedendag zeggen? zijt gij ook geen
+kind van mij?
+
+Wij waren buiten ons zelf van smart.
+
+--Blijf, beval Acquin, ik beveel het u.
+
+En haastig vertrok hij, nadat hij Lize's hand in die van Martha
+gelegd had.
+
+Ik wilde hem volgen en begaf mij reeds naar de deur, toen Martha
+mij terughield.
+
+Waar zou ik zijn heengegaan en wat zou ik gedaan hebben?
+
+Wij bleven allen geheel verbijsterd en terneergeslagen in de keuken
+staan; wij weenden allen en geen van ons kon een woord spreken.
+
+Wat zouden wij ook gezegd hebben?
+
+Wij wisten allen dat eenmaal de dag zou aanbreken, waarop hij
+gevangen zou genomen worden, maar wij hadden gedacht dat Katherina
+er dan geweest zou zijn en Katherina, meenden wij, zou ons weten
+te verdedigen.
+
+Maar Katherina was er niet.
+
+Zij verscheen echter ongeveer een uur nadat vader Acquin in hechtenis
+was genomen en vond ons allen zwijgend bij elkaar in de keuken. Zij,
+die ons tot nogtoe altijd tot steun en raad was geweest, stond nu
+op hare beurt sprakeloos; Martha, die zoo krachtig was, alles altijd
+moedig had gedragen, was thans even zwak als wij; zij sprak ons geen
+moed in, en al haar wilskracht scheen verdwenen; ternauwernood was zij
+instaat zich een oogenblik te beheerschen om Lize te troosten. De loods
+was in zee gevallen en de kinderen waren zonder stuurman, zonder baak
+om hun den weg te wijzen, zonder eenig hulpmiddel, dat hen veilig de
+haven kon binnenvoeren, zonder zelfs te weten of er een haven voor hen
+bestond, bleven zij als versteend, midden in dien levensoceaan staan,
+aan de willekeur van den wind overgelaten, onbekwaam om iets te doen
+of te denken, radeloos van schrik en met de wanhoop in het hart.
+
+Tante Katherina was een flinke vrouw, die gewend was te handelen
+en haar wil door te drijven; zij had te Parijs tien jaar lang als
+kindermeid gediend; zij was met de moeilijkheden des levens bekend
+geworden en, zooals zij zelve zeide, zij wist ermede om te springen.
+
+Het was een groote uitkomst voor ons, toen wij haar eenige bevelen
+hoorden geven en wij die moesten opvolgen; wij hadden nu weer een
+wegwijzer gevonden en gevoelden ons in staat om op onze beenen
+te staan.
+
+Voor een boerin zonder opvoeding en zonder geld, zou zulk een
+gebeurtenis een zeer groote verantwoordelijkheid hebben medegebracht,
+waardoor de moedigsten zelfs in verlegenheid zouden zijn geraakt:
+te zorgen voor eenige weezen, waarvan de oudste zestien jaar telde
+en de jongste stom was. Wat zou zij met die kinderen aanvangen? Hoe
+zich er mede te belasten, wanneer men zelve moeite heeft om aan den
+kost te komen?
+
+Zij had bij een notaris gediend en deze ging zij raadplegen wat zij
+met ons zou beginnen. Diens raadgevingen beslisten over ons lot. Zij
+begaf zich daarop naar de gevangenis, waar zij een onderhoud met den
+tuinman had en acht dagen na haar komst te Parijs, zonder ons ooit
+haar plannen en overwegingen te hebben medegedeeld, maakte zij ons
+haar besluit bekend.
+
+Daar wij te jong waren om alleen te werken, zou ieder kind in huis
+komen bij een oom of tante, die het wilde opnemen.
+
+Lize zou bij tante Katherina blijven in Bretagne.
+
+Alexis naar een oom gaan, die mijnwerker te Varses was in de Cevennes.
+
+Benjamin naar een anderen oom, die tuinman was te Saint-Quentin.
+
+En Martha bij een tante, die gehuwd was te Charente, aan den oever
+van de zee, te Esnandes.
+
+Ik luisterde naar al deze schikkingen, terwijl ik wachtte totdat de
+beurt aan mij kwam. Maar daar tante Katherina zweeg, vroeg ik:
+
+--En ik?
+
+--Gij? wel gij behoort niet tot dit gezin.
+
+--Ik zal voor u werken.
+
+--Gij behoort niet tot dit gezin.
+
+--Vraag het aan Alexis, aan Benjamin, of ik niet vlijtig werk.
+
+--Ja, en ook goed soep eet, niet waar?
+
+--Ja, ja, hij hoort wel tot ons gezin! riepen allen uit één mond.
+
+Lize trad naar haar tante toe en vouwde smeekend de handjes, hetgeen
+meer zeggen wilde dan een vloed van woorden.
+
+--Arme kleine, zeide tante Katherina, ik begrijp u; gij zoudt willen,
+dat hij met u medeging; maar, weet gij, in het leven doet men niet,
+wat men gaarne wil. Gij zijt mijn nichtje en als wij thuis komen
+en mijn man zich er tegen verklaart of bevreesd is, dat wij niet
+zullen uitkomen, dan kan ik altijd antwoorden: zij behoort tot onze
+familie en wie anders kan zich haar lot aantrekken, dan wij? En zoo
+gaat het ook met de anderen. Men neemt zijn bloedverwanten op, maar
+geen vreemdelingen; het stukje brood kan wel een familie voeden,
+maar niet de geheele wereld.
+
+Ik gevoelde wel, dat ik hiertegen niets kon inbrengen, niets kon
+antwoorden. Hetgeen zij zeide was maar al te waar: "ik behoorde niet
+tot de familie." Ik kon niets eischen; als ik iets vroeg, dan bedelde
+ik. En toch zou ik niet meer van hen hebben kunnen houden, dan wanneer
+ik tot hun gezin behoord had. Waren zij niet mijn broeders? Waren
+Martha en Lize geen zusters voor mij? Hield ik dan niet genoeg van
+hen? En hield Lize niet evenveel van mij als van Alexis en Benjamin?
+
+Tante Katherina stelde het nooit lang uit om een eenmaal genomen
+besluit ten uitvoer te brengen; zij deelde ons mede, dat wij den
+anderen dag van elkaar zouden scheiden en zond ons daarop naar bed.
+
+Zoodra wij in onze kamer waren, kwamen zij allemaal naar mij toe
+en viel Lize mij weenend om den hals. Ik begreep toen, dat ondanks
+het smartelijke van deze scheiding, zij meer aan mij dachten en
+mij beklaagden en ik gevoelde, dat ik inderdaad een broeder van hen
+was. Plotseling schoot mij toen een gedachte te binnen, of liever--want
+ik moet zoowel het goede als het kwade zeggen--een stem des harten
+drong tot mijn geest door.
+
+--Luister, zeide ik tot hen; ik zie wel, dat uw bloedverwanten niets
+van mij willen weten, maar gij neemt mij toch tot uw familie aan?
+
+--Ja, zeiden zij alle drie; gij zult altijd een broeder van ons zijn.
+
+Lize, die niet kon spreken, drukte mij de hand, terwijl zij mij met
+tranen in de oogen aanzag.
+
+--Welnu, ja, ik zal het zijn en zal het u bewijzen.
+
+--Waar zult gij een betrekking zoeken? vroeg Benjamin.
+
+--Bij Pernuit is de dienst open; zal ik morgen voor u
+daarheengaan? vroeg Martha.
+
+--Ik wil niet in een betrekking gaan; wanneer ik dat deed, dan zou ik
+u niet meer zien, want dan zou ik te Parijs moeten blijven. Ik hang
+mijn schapevacht weder om de schouders, neem mijn harp en bezoek u dan
+beurtelings, en zoo zult gij voor mij dan altijd te zamen zijn. Ik heb
+mijn liedjes en wijsjes niet vergeten en zal mijn kost wel verdienen.
+
+Op ieders gelaat kwam terstond een trek van voldoening en ik zag, dat
+dit plan geheel met hun bedoelingen overeenkwam; in al mijn verdriet
+gevoelde ik mij toch gelukkig. Nog geruimen tijd spraken wij over ons
+plan, over de scheiding en wanneer wij elkander zouden terugzien, over
+ons verleden en over de toekomst. Martha zeide toen, dat wij naar bed
+moesten gaan, maar geen van allen deden we dien nacht een oog dicht.
+
+Bij het aanbreken van den morgen nam Lize mij mede naar den tuin en
+ik begreep toen, dat zij mij iets te zeggen had.
+
+--Hebt gij mij iets te zeggen?
+
+Zij knikte toestemmend.
+
+--Het spijt u, dat wij van elkander moeten scheiden; gij behoeft mij
+dat niet te zeggen, ik lees het in uw oogen en mijn hart zegt het mij.
+
+Zij gaf mij te kennen, dat hiervan geen sprake was.
+
+--Over veertien dagen kom ik te Dreuzy.
+
+Zij schudde het hoofd.
+
+--Wilt gij niet, dat ik naar Dreuzy ga?
+
+Om elkander te begrijpen, deed ik gewoonlijk verscheidene vragen die
+zij door een knikje met het hoofd beantwoordde.
+
+Zij zeide mij, dat zij gaarne wilde, dat ik te Dreuzy zou komen;
+maar--zij wees met haar hand in drie verschillende richtingen--waarmede
+zij bedoelde, dat ik eerst haar broeders en zusters moest bezoeken.
+
+--Gij wilt dat ik eerst naar Varses, Esnandes en Saint-Quentin ga?
+
+Zij glimlachte en scheen blijde, dat ik haar begrepen had.
+
+--Waarom? Ik wilde juist u het eerst zien.
+
+Zij beduidde mij toen, waarom zij dit wenschte. Ik zal het u
+mededeelen.
+
+--Daar ik gaarne eenige tijding van Martha, Alexis en Benjamin zou
+willen hebben, zoo moet gij met hen beginnen; daarop bezoekt gij mij
+te Dreuzy en gij kunt mij dan alles van hen vertellen.
+
+Lieve, goede Lize!
+
+Zij moesten dien dag om acht uur vertrekken en tante Katherina had een
+groot rijtuig besteld, waarmede zij eerst naar hun vader zou rijden en
+daarop elk, met hun eigen pakje kleeren, naar den trein zou brengen,
+die hen naar de plaats hunner bestemming zou voeren.
+
+Tegen zeven uur nam Martha mij mede naar den tuin.
+
+--Wij zullen over een uur elkaar verlaten, zeide zij; ik wilde u
+gaarne eene herinnering geven; neem dit: het is een naaitaschje, gij
+zult daarin eenig garen, naalden en ook een schaar vinden, die mijn
+peet mij gegeven heeft; op uw reizen zult gij dat alles noodig hebben,
+want ik ben er dan niet om uw kleeren te verstellen of een knoop voor
+u aan te zetten. Wanneer gij dit gebruikt, dan kunt gij aan ons denken.
+
+Gedurende dit gesprek was Alexis ook in den tuin gekomen en zoodra
+Martha in huis teruggekeerd was, naderde hij mij.
+
+--Ik heb twee gulden, zeide hij, en gij zoudt mij veel genoegen doen,
+een daarvan aan te nemen.
+
+Van ons vijven was Alexis de eenige, die iets voor geld gevoelde en
+wij plaagden hem steeds met zijn gierigheid; hij bespaarde altijd
+elke cent en hij was niet weinig in zijn schik, wanneer hij er zooveel
+bij elkander had, dat hij ze voor zilvergeld kon inwisselen.
+
+Zijn aanbod trof mij daarom des te dieper; ik wilde weigeren, maar
+hij drong er zoo op aan, en eindelijk liet hij er een van in mijn
+hand glijden. Ik besefte toen, hoe sterk de genegenheid was, die hij
+voor mij gevoelde, daar deze hem afstand van zijn schat deed doen.
+
+Benjamin vergat mij evenmin; hij wilde mij ook een geschenk geven,
+maar eischte in ruil daarvan een stuiver, "daar een mes de vriendschap
+afsnijdt."
+
+Het uur ging snel voorbij; nog een kwartier en vijf minuten, en dan
+zouden wij van elkaar moeten scheiden; zou Lize niet aan mij denken?
+
+Toen wij het rijtuig over den weg hoorden rollen, kwam zij uit de
+kamer van tante Katherina en wees mij, haar in den tuin te volgen.
+
+--Lize! riep tante Katherina.
+
+Maar Lize gaf geen antwoord en liep snel voort.
+
+Bloemisten en moezeniers gebruiken altijd elk plekje van hun tuin zoo
+nuttig mogelijk; toch groeide in onzen tuin een prachtige bengaalsche
+stamroos, die in een verloren hoekje was blijven staan.
+
+Lize begaf zich daarheen en sneed een tak van deze roos af; zij keerde
+zich daarop tot mij, verdeelde het takje, waaraan twee knoppen zaten,
+die bijna uitliepen en gaf mij er een van.
+
+O, hoe welsprekend waren hare stomme lippen en wat lag er niet in
+haar blik te lezen! Hoe koud en onverschillig zijn woorden, vergeleken
+bij dien blik!
+
+--Lize! Lize! riep tante.
+
+Alle pakjes waren reeds in het rijtuig gezet.
+
+Ik nam mijn harp en riep Capi, die, toen hij mijn instrument en
+mijn vroegere kleederdracht weder zag, die niets vreeselijks voor
+hem hadden, vroolijk om mij heen sprong, daar hij begreep, dat wij
+weder op reis zouden gaan en hij zijn vrijheid daarmede herkreeg,
+wat voor hem wel zoo verkieslijk was.
+
+Het oogenblik van scheiding was aangebroken. Tante Katherina zorgde,
+dat het van korten duur zou wezen; zij liet Martha, Alexis en Benjamin
+instijgen en beval mij, Lize op haar schoot te zetten.
+
+Toen ik geheel terneergeslagen bleef staan, duwde zij mij een weinig
+weg en sloot het portier.
+
+--Vooruit! zeide zij.
+
+En het rijtuig reed weg.
+
+Door mijn tranen heen zag ik Lize's gezichtje nog even uit het
+rijtuig steken en wuifde zij met de hand. Een oogenblik later sloeg
+het rijtuig een hoek om en zag ik niets dan een grijze stofwolk.
+
+Alles was voorbij.
+
+Op mijn harp geleund, met Capi aan mijn voeten, bleef ik gedachteloos
+voor mij uitstaren en het stof gadeslaan, dat op straat neerviel.
+
+Een buurman zou ons huis sluiten en de sleutels voor den eigenaar
+bewaren; hij stoorde mij in mijn overpeinzing en bracht mij in de
+werkelijkheid terug.
+
+--Blijft gij hier? vroeg hij.
+
+--Neen, ik vertrek.
+
+--Waar gaat gij heen?
+
+--Recht toe recht aan.
+
+Waarschijnlijk gevoelde hij medelijden met mij, want hij reikte mij
+de hand.
+
+--Als gij hier wilt blijven, kunt gij bij mij komen, maar zonder iets
+te verdienen; want gij zijt niet sterk genoeg; later misschien wel.
+
+Ik bedankte hem.
+
+--Zooals gij wilt, het was voor uw bestwil, goede reis!
+
+En hij verwijderde zich. Het rijtuig was vertrokken; het huis gesloten.
+
+Ik hing mijn harp over den schouder; dit had ik vroeger zoo menigmaal
+gedaan en het trok thans Capi's aandacht; hij richtte zich op en keek
+mij met zijn glinsterende oogen aan.
+
+--Kom Capi!
+
+Hij begreep dit en sprong blaffende tegen mij op. Ik wendde mijn
+oogen van het huis af, waarin ik twee jaar lang gelukkig had mogen
+zijn en waarin ik altijd had willen blijven.
+
+Ik zag recht voor mij uit.
+
+De zon stond hoog aan den hemel; het was een heldere lucht en zeer
+warm; het had niets van dien kouden nacht, waarin ik uitgeput van
+vermoeienis voor deze deur nederviel.
+
+Die twee jaren waren slechts een oponthoud geweest en thans was ik
+weder genoodzaakt mijn weg te hervatten.
+
+Maar dit oponthoud had weldadig op mij gewerkt.
+
+Het had mij krachtiger gemaakt. En hetgeen nog dubbel zooveel voor
+mij was, ik gevoelde, dat ik vrienden had gekregen.
+
+Ik was niet meer alleen op de wereld.
+
+Ik had voortaan een doel in mijn leven: hun die van mij hielden en
+van wie ik hield, nuttig te zijn en genoegen te geven.
+
+Een nieuw leven opende zich voor mij.
+
+Voorwaarts!
+
+
+
+
+XXII.
+
+VOORWAARTS.
+
+
+Voorwaarts!
+
+De wijde wereld lag daar voor mij open, het deed er niet toe, naar
+welken kant ik mijn schreden richtte, het kwam er niet op aan of
+ik naar het noorden of het zuiden, het oosten of het westen ging;
+ik was geheel vrij.
+
+Hoewel nog maar een knaap, was ik geheel mijn eigen meester.
+
+Helaas! juist dit was het meest treurige van mijn toestand.
+
+Er zijn kinderen, die dikwijls bij zichzelf zeggen: "O, kon ik maar
+doen, wat ik gaarne wilde!" en die met verlangen den dag tegemoetzien,
+waarop zij van hun vrijheid kunnen gebruik maken ... om dwaasheden
+te begaan.
+
+Ik dacht bij mezelf: "Och, had ik toch maar iemand, die mij kon raden
+en leiden."
+
+Tusschen die kinderen en mij was er dus een treurig onderscheid.
+
+Wanneer zij eene dwaasheid begaan, dan hebben zij altijd iemand in
+hun nabijheid, die hun de hand reikt, wanneer zij struikelen, of om
+hen op te beuren als zij gevallen zijn, terwijl ik niemand had. Als
+ik struikelde, zou ik moeten vallen en beproeven alleen op te staan,
+zoo ik althans nog in staat was om op te staan.
+
+Ik had genoeg ondervinding om te begrijpen, dat dit mijn toestand
+wezen kon--wat mij, ik moet het bekennen, wel eenigen angst aanjoeg.
+
+Hoewel nog zeer jong, was ik reeds vaak door het ongeluk getroffen
+en ik was er dus op bedacht voorzichtiger te zijn dan andere kinderen
+van mijn leeftijd; maar dat voordeel had ik echter duur moeten koopen.
+
+Vóór ik den weg, die voor mij openlag, betrad, wilde ik eerst hem,
+die de laatste jaren een vader voor mij geweest was, bezoeken: daar
+tante Katherina mij niet met de kinderen had medegenomen om hem vaarwel
+te zeggen, moest ik thans wel alleen afscheid van hem gaan nemen.
+
+Zonder ooit zelf voor schuld in hechtenis te zijn genomen, had ik
+er toch genoeg over hooren spreken om zeker te zijn, dat ik hem in
+de gevangenis zou vinden. Ik volgde den weg naar de Madeleine, dien
+ik zeer goed kende. Daar tante Katherina en de kinderen bij hem waren
+toegelaten, zou men ook mij niet weigeren. Ik was immers ook zijn kind,
+of liever ik was zijn kind geweest, want hij had mij liefgehad!
+
+Ik durfde, met Capi op mijne hielen, mij niet in alle straten
+van Parijs wagen. Wat zou ik den agenten van politie hebben moeten
+antwoorden, als zij mij aanhielden? Voor hen was ik het meest bevreesd
+geworden, want ik had niet vergeten wat er te Toulouse gebeurd was. Ik
+bond Capi dus een touw om den hals, wat hem zeer in zijn eigenliefde
+scheen te kwetsen, en daarop begaven wij ons naar de gevangenis
+van Clichy.
+
+Er zijn in de wereld dikwijls zeer treurige dingen, die, als wij ze
+zien, ons in somber gepeins doen vervallen; ik ken er geen droever en
+onaangenamer dan de deur van een gevangenis; dit maakt ons koud om het
+harte, meer nog dan de ingang van een grafkelder; de dooden, waarop
+een steen rust, gevoelen dien niet; de gevangenen zijn levend begraven.
+
+Ik bleef een oogenblik stilstaan vóór ik de gevangenis van Clichy
+durfde binnentreden, zoo bekroop mij de angst, dat men mij er zou
+houden, en dat die deur, die zware deur, zich nooit weder voor mij
+zou openen.
+
+Ik verbeeldde mij, dat het zeer moeilijk was om een gevangenis
+te verlaten, maar ik wist niet, dat er ook heelwat zwarigheden te
+overwinnen waren, eer men ze kon binnentreden. Ik ondervond dit thans.
+
+Eindelijk echter gelukte het mij, daar ik mij niet liet afschrikken
+of terugzenden, om te worden toegelaten bij hem, dien ik zien wilde.
+
+Men liet mij in een spreekkamer, waar geen tralies voor de vensters
+waren, zooals ik dacht, dat er zijn zouden, en vader Acquin trad
+ongeboeid binnen.
+
+--Ik verwachtte u, mijn beste Rémi, zeide hij, en ik heb Katherina
+beknord, dat zij u niet met de kinderen medegebracht had.
+
+Dien geheelen morgen was ik zeer neerslachtig geweest; zijn woorden
+beurden mij eenigszins op.
+
+--Tante Katherina wilde mij niet medenemen.
+
+--Dat was ook onmogelijk, beste jongen; men doet in deze wereld
+niet alles wat men wil. Ik ben ervan overtuigd dat gij hard zoudt
+gewerkt hebben om uw kost te verdienen, maar mijn zwager Suriot zou
+u geen werk hebben kunnen verschaffen. Hij is sluiswachter aan het
+kanaal van Nivernais en de sluiswachters, dat weet ge, kunnen geen
+tuinlieden gebruiken. De kinderen hebben mij verteld, dat gij weder
+wilt gaan zingen. Gij zijt dus vergeten, dat gij bijna van koude en
+honger zijt omgekomen.
+
+--Neen, dat ben ik niet vergeten.
+
+--Toen waart gij niet alleen, toen hadt gij iemand, die u leiden kon;
+op uw leeftijd, mijn jongen, is het een gewaagde stap om geheel alleen
+zulke verre tochten af te leggen.
+
+--Ik heb Capi nog.
+
+Wanneer Capi zijn naam hoorde noemen, begon hij altijd te blaffen,
+alsof hij daarmede zeggen wilde: "Ik ben er nog, als gij mij noodig
+hebt, hier sta ik."
+
+--Ja, Capi is een goede hond, maar hij is slechts een hond. Hoe zult
+gij uw kost verdienen?
+
+--Met zingen en door Capi comedie te laten spelen.
+
+--Capi kan toch alleen geen comedie-spelen.
+
+--Ik zal hem kunstjes leeren, niet waar Capi, gij wilt immers alles
+leeren, wat ik wil?
+
+Hij legde zijn poot op de borst.
+
+--Geloof mij, mijn jongen, als gij verstandig doet, moet ge een dienst
+zoeken; gij zijt een goed werkman en daarmede kunt gij verder komen
+dan met langs den weg te loopen; dat is toch eigenlijk maar goed
+voor luiaards.
+
+--Ik ben niet lui, dat weet ge wel en ik heb mij ook nooit beklaagd,
+dat ik te veel werk had. Bij u zou ik zooveel gewerkt hebben als ik
+kon, en ik zou altijd bij u gebleven zijn, maar ik wil niet bij een
+ander in dienst gaan.
+
+Ik zeide deze woorden zeker op zonderlingen toon, want vader Acquin
+zag mij aan zonder te antwoorden.
+
+--Gij hebt ons dikwijls verteld, begon hij eindelijk, dat gij niet
+wist, wie Vitalis was, en dat gij bij u zelf dikwijls verwonderd
+waart over de wijze, waarop hij de menschen aanzag, en over zijn
+voorname manieren, waarmede hij ze behandelde; maar weet gij wel, dat
+ook gij die manieren hebt en men u, naar uw voorkomen te oordeelen,
+ook niet voor een armen drommel zou houden? Gij wilt niet bij anderen
+gaan dienen. Nu, misschien hebt gij gelijk en wat ik u daareven zeide
+was voor uw bestwil, voor niets anders, geloof dat maar. Ik meende,
+dat het mijn plicht was, om zoo tot u te spreken. Maar gij zijt uw
+eigen meester, daar gij geen ouders hebt en ik voortaan uw vader niet
+meer zijn kan. Een arme ongelukkige, zooals ik ben, heeft geen recht
+van spreken.
+
+Zijn woorden hadden mij diep getroffen, vooral daar ik dit ongeveer
+tot mezelf ook reeds gezegd had.
+
+Ja, het was gewaagd om geheel alleen langs de groote wegen te loopen;
+ik gevoelde dat, ik zag het zelf ook in, en wanneer men, zooals
+ik, reeds een zwervend leven geleid had, als men nachten had moeten
+doorbrengen als die, toen onze honden door de wolven verslonden werden,
+of die als in de steengroeven van Gentilly; wanneer men het eene
+dorp na het andere wordt uitgejaagd, zonder een stuiver te verdienen,
+zooals mij overkomen was, toen Vitalis in de gevangenis zat, dan wist
+men ook aan welke gevaren men zich blootstelde, en welk een ellende
+zulk een zwervend leven medebrengt, en men nooit zeker kan zijn van
+den dag die volgen moet, als men zelfs niet zeker is van het oogenblik.
+
+Maar zoo ik dit leven varen liet, dan schoot mij slechts één ding over
+wat vader Acquin mij ook aan de hand gedaan had--een dienst zoeken,
+en ik wilde niet in dienst gaan. Misschien was het een zeer verkeerde
+trots van mij, vooral in mijn toestand; maar ik had een meester gehad,
+aan wien ik verkocht was geworden, en hoewel deze zeer goed voor mij
+was geweest, wenschte ik thans toch geen ander, dat stond bij mij vast.
+
+Wat mij nog eer besluiten deed, bij mijn voornemen te blijven om
+een vrij leven te leiden, was de belofte, die ik aan de kinderen van
+Acquin had gedaan, want dan zou ik ze aan hun lot moeten overlaten. 't
+Is waar, zij konden zeer goed buiten mij, want zij zouden elkander
+kunnen schrijven; maar Lize! Lize niet, want zij kon niet schrijven
+en tante Katherina evenmin. Lize zou dus voor ons verloren zijn,
+als ik haar niet bezocht. Wat zou zij van mij denken? Zij kon niet
+anders gelooven, dan dat ik niet meer van haar hield, van haar, die
+altijd even lief voor mij geweest was, die mij steeds gelukkig had
+gemaakt. Dat was niet mogelijk.
+
+--Wilt gij dan niet, dat ik u nu en dan eenige tijding van hen
+breng? vroeg ik hem.
+
+--Zij hebben mij daar iets van verteld; maar ik dacht ook niet aan
+ons, toen ik u aanraadde om van uw muzikanten-leven af te zien;
+men moet niet eerst aan zich zelf denken en dan aan anderen.
+
+--Juist, vader; gij ziet dus dat gij mij zelf aanwijst, wat mij te
+doen staat; wanneer ik van mijn voornemen afzie, uit vrees voor de
+gevaren, waarvan gij spreekt, dan zou ik aan mezelf denken en niet
+aan u en aan Lize.
+
+Hij zag mij weder aan, maar nu nog langer; daarop vatte hij eensklaps
+mijn beide handen.
+
+--Voor die woorden moet ik je danken, mijn jongen; gij hebt een hart
+en dat krijgt men niet met de jaren.
+
+Wij waren alleen in de spreekkamer en zaten naast elkander op een
+bank. Zijn woorden deden mij goed en ik was er trotsch op hem te
+hooren zeggen, dat ik een hart had.
+
+--Ik zeg niets meer, mijn jongen, hervatte hij, dan: God behoede u.
+
+Een oogenblik zwegen wij beiden; de tijd was bijna verstreken en wij
+moesten scheiden.
+
+Plotseling stak hij de hand in zijn vestzak en haalde een groot
+zilveren horloge daaruit te voorschijn, dat met een koord aan een
+knoop van zijn buis bevestigd was.
+
+--Wij mogen niet van elkander scheiden, zonder dat gij een aandenken
+van mij hebt. Hier hebt ge mijn horloge. Het heeft niet veel waarde,
+want ge begrijpt, dat ik het anders verkocht zou hebben. Het loopt
+evenmin goed en nu en dan moet gij er maar eens een duwtje aan
+geven. Maar het is al, wat ik op het oogenblik bezit; daarom geef ik
+het u.
+
+Dit zeggende, legde hij het in mijn hand; toen ik er mij tegen verzette
+om zulk een geschenk van hem aan te nemen, voegde hij er op treurigen
+toon bij:
+
+--Gij begrijpt, dat ik hier niet behoef te weten, hoe laat het is;
+de tijd duurt hier toch maar al te lang; ik zou er van sterven, als
+ik de uren tellen moest. Vaarwel, goede Rémi, geef mij nog een kus;
+gij zijt een brave jongen; zorg dat altijd te blijven.
+
+Ik geloof, dat hij mij toen bij de hand nam om mij naar de deur
+te brengen; maar wat toen tusschen ons voorviel, wat wij toen tot
+elkander zeiden, dat herinner ik mij niet meer; ik was te aangedaan.
+
+Als ik nog aan deze scheiding denk, als ik ze mij weder in het geheugen
+terugroep, dan maakt zich weder dezelfde verslagenheid van mij meester.
+
+Ik geloof dat ik geruimen tijd voor de deur van de gevangenis staan
+bleef, zonder er toe te kunnen komen om rechts of links te gaan en
+misschien zou ik 's avonds daar nog gestaan hebben, als mijn hand
+niet toevallig in mijn zak een rond en hard voorwerp gevoeld had.
+
+Werktuiglijk en zonder te weten wat ik deed, stamelde ik: "Mijn
+horloge!"
+
+Voor het oogenblik vergat ik al mijn verdriet en kommer; ik dacht
+slechts aan mijn horloge. Ik had een horloge, een eigen horloge in mijn
+zak, waarop ik zien kon hoe laat het was: het stond op twaalf uur. Dat
+was voor mij echter volstrekt van geen belang: mij was twaalf, tien of
+twee uur even onverschillig; maar toch was ik blijde, dat het twaalf
+uur was. Waarom? ik zou het moeilijk hebben kunnen zeggen; maar het
+was zoo. O, twaalf uur, gelukkig reeds twaalf uur! Het scheen mij toe,
+alsof een horloge een vertrouwd vriend was, aan wien men raad vraagt
+en met wien men een gesprek voert.
+
+--Hoe laat is het, mijn vriend?
+
+--Twaalf uur, beste Rémi.
+
+--O twaalf uur, dan moet ik dit of dat gaan doen.--Zeker.
+
+--Gij hadt gelijk, dat ge mij er aan herinnerdet, want zonder u zou ik
+het vergeten hebben.--Ik ben er immers om het u te helpen herinneren?
+
+Met Capi en mijn horloge kon ik dus voortaan spreken.
+
+Mijn horloge! Dat waren een paar heerlijke woorden om uit te
+spreken. Ik had altijd naar een horloge verlangd en ik was er steeds
+van overtuigd geweest, dat ik er nooit een bezitten zou. En toch had
+ik er nu een in mijn zak, een dat voortdurend tikte. Het liep niet erg
+goed, had vader Acquin gezegd. Het liep, en dat was voldoende. Nu en
+dan moest ik eens aan de wijzers duwen. Dat zou ik van tijd tot tijd
+doen en als dat niet hielp, zou ik het zelf wel eens nazien. Dat zou
+eerst prettig zijn; ik zou het van binnen bekijken en zien hoe het
+liep. Het moest goed loopen, want ik zou het zeer streng behandelen.
+
+Ik had mij zoo geheel door mijn vreugde laten medesleepen, dat ik niet
+eens de blijdschap van Capi bemerkte; hij sprong tegen mijn beenen op
+en liet van tijd tot tijd een zacht geblaf hooren. Eindelijk gelukte
+het hem, om mij in mijn gepeins te storen.
+
+--Wat wilt gij Capi?
+
+Hij keek mij aan en daar ik hem niet terstond begreep, richtte hij
+zich op en legde zijn poot op mijn zak, waarin ik het horloge bewaarde.
+
+Hij wilde weten hoe laat het was, om het aan het "geëerde publiek"
+te kunnen zeggen, evenals toen hij nog bij Vitalis was.
+
+Ik liet het hem zien; een poos bleef hij er op staren, alsof hij zich
+iets wilde herinneren; daarop kwispelde hij met den staart en blafte
+twaalf maal: hij had het niet vergeten. Wat een geld zouden wij al
+niet met dit horloge verdienen! Dat was nog een kunstverrichting,
+waarop ik niet gerekend had.
+
+Dat dit allemaal op straat gebeurde, juist tegenover de deur van
+de gevangenis, bleven verscheidene menschen stilstaan om ons gade
+te slaan.
+
+Als ik gedurfd had, zou ik onmiddellijk een voorstelling gegeven
+hebben, maar uit vrees voor de politie, stelde ik het voorloopig uit.
+
+Het was bovendien twaalf uur en juist een geschikte tijd om opweg
+te gaan.
+
+--Voorwaarts!
+
+Ik wierp een laatsten blik, een laatst vaarwel naar de gevangenis,
+achter wier muren de ongelukkige Acquin zat opgesloten, terwijl ik
+vrij was en gaan kon, waarheen ik wilde. Wij vertrokken.
+
+Wat mij op mijn reizen het meest van pas kon komen, was een kaart van
+Frankrijk; ik wist waar ik die koopen kon en begaf mij in de eerste
+plaats daarheen.
+
+Toen ik een plein overstak, viel mijn oog op de wijzerplaat van den
+toren der Tuileriën en gevoelde ik lust om te zien of de klok en mijn
+horloge gelijk gingen. Mijn horloge stond op halfeen en de klok wees
+één uur. Wie van beide liep dus te langzaam of te snel? Ik gevoelde
+grooten lust om mijn horloge wat vooruit te zetten, maar na een
+oogenblik nadenken zag ik hiervan af: het was volstrekt niet zeker, dat
+mijn horloge verkeerd liep; het kon zeer wel zijn, dat de klok slecht
+ging. Ik borg mijn horloge dus weer in mijn zak en zeide tot mezelf,
+dat voor hetgeen ik te doen had, dit juist de geschiktste tijd was.
+
+Het duurde lang eer ik een kaart had, tenminste zoo'n kaart als
+ik wenschte te hebben, namelijk een, die op linnen geplakt was en
+dichtgevouwen kon worden, en niet duurder dan twee francs, wat voor
+mij al zeer veel was. Gelukkig vond ik er een, die geel was geworden
+en die ik voor een prijsje kon koopen.
+
+Nu kon ik Parijs verlaten, wat ik dan ook besloot zoo spoedig mogelijk
+te doen.
+
+Tusschen twee wegen kon ik kiezen, dien van Fontainebleau naar de
+grenzen van Italië of dien van Orléans over Montrouge; de een was mij
+even onverschillig als de ander en het toeval wilde, dat ik dien van
+Fontainebleau koos.
+
+Toen ik op een bordje den naam van de straat Mouffetard las, kwamen
+tal van herinneringen bij mij op: Garofoli, Mattia, Riccardo, de
+knaap met zijn marmotjes, de zweep en Vitalis, mijn goede meester,
+die gestorven was, omdat hij mij niet verhuurd had aan den _padrone_
+in de straat Lourcine; ik meende zelfs bij den ingang van de naburige
+kerk in een knaap Mattia te herkennen: hij had hetzelfde groote hoofd,
+dezelfde starende oogen en sprekende trekken, kortom, zijn gansche
+voorkomen deed mij aan hem denken; maar zonderling, hij was in dien
+tusschentijd niet gegroeid.
+
+Ik naderde hem om mezelf te overtuigen; er viel niet meer te twijfelen;
+hij was het. Ook hij herkende mij, want op zijn bleek gelaat kwam
+een glimlach.
+
+--Gij zijt immers met dien ouden man bij Garofoli geweest, juist toen
+ik op het punt stond om naar het hospitaal te gaan? O wat had ik toen
+een hoofdpijn!
+
+--En is Garofoli nog altijd uw meester?
+
+Hij wierp eerst een blik om zich heen, vóór dat hij mij antwoordde.
+
+--Garofoli is in de gevangenis; men heeft hem in hechtenis genomen,
+omdat hij Orlando doodgeslagen heeft.
+
+Het deed mij genoegen, dat Garofoli in de gevangenis zat en voor
+de eerste maal in mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat de
+gevangenissen, die mij gewoonlijk zooveel afschuw inboezemden, toch
+ook haar nut hadden.
+
+--En de jongens? vroeg ik.
+
+--O, dat weet ik niet; ik was niet bij Garofoli's inhechtenisneming
+tegenwoordig. Toen ik het gasthuis verliet, zag Garofoli in, dat ik
+niet geschikt was om geslagen te worden, daar ik er altijd ziek van
+werd; hij besloot toen om mij weg te zenden en verhuurde mij voor twee
+jaar, met vooruitbetaling, aan het paardenspel van Gassot. Kent gij
+het paardenspel van Gassot niet? Het is niet heel groot, maar het is er
+toch een. Zij hadden daar een knaap noodig om bij den ingang te staan
+en Garofoli verhuurde mij aan Gassot. Bij dezen ben ik tot verleden
+Maandag gebleven; toen heeft hij mij weggezonden, omdat mijn hoofd
+te groot is om achter het loketje te zitten. Ik heb Gisors, waar het
+cirque was opgeslagen, verlaten om weder bij Garofoli te komen, maar
+deze was nergens te vinden; het huis was gesloten en een buurman heeft
+mij verteld, dat Garofoli in de gevangenis zat. Ik ben toen daarheen
+gegaan, daar ik niet wist wat te doen of waarheen mij te begeven.
+
+--Waarom zijt ge niet naar Gisors teruggekeerd?
+
+--Omdat dienzelfden dag, toen ik het paardenspel verliet, dit naar
+Rouaan vertrok, en hoe zou ik te Rouaan komen? Het is veel te ver en
+ik heb geen geld; sedert gisterenmiddag heb ik niets gegeten.
+
+Ik was niet rijk, maar ik had toch geld genoeg om dit ongelukkige kind
+niet van honger te laten omkomen; hoe dankbaar zou ik niet geweest
+zijn als men mij op weg naar Toulouse, toen ik even hongerig was als
+Mattia op dit oogenblik, een stukje brood gegeven had.
+
+--Wacht hier op mij, zeide ik.
+
+Ik liep zoo gauw ik kon naar een bakker, die op den hoek van de straat
+woonde en keerde met een stuk brood terug, dat ik hem aanbood; hij
+brak het klein en begon er met gulzigheid van te eten.
+
+--En wat wilt gij nu gaan doen? vroeg ik.
+
+--Dat weet ik niet.
+
+--Gij moet toch iets gaan beginnen.
+
+--Ik wilde juist mijn viool gaan verkoopen, toen gij mij aanspraakt
+en zeker zou ik ze reeds verkocht hebben, als het mij niet zooveel
+kostte om ervan te scheiden. Het is mijn eenig genot en troost. Als
+ik mij erg treurig gevoel, dan zonder ik mij af en speel voor mezelf
+eenigen tijd en dan zie ik allerlei mooie dingen in den hemel, veel
+mooier nog dan in mijn droomen; dat spreekt.
+
+--Waarom speelt gij dan niet op straat op uw viool?
+
+--Ik heb erop gespeeld, maar niemand heeft mij er iets voor gegeven.
+
+Ik wist hoe onaangenaam het was, als niemand eraan dacht om zijn hand
+in den zak te steken.
+
+--En gij? vroeg Mattia, wat gaat gij thans doen?
+
+Ik weet niet waarom, maar door een gevoel van ijdelheid gedreven,
+zeide ik:
+
+--Wel, ik ben het hoofd van een troep.
+
+Het was de waarheid, dat ik een troep bezat, want Capi maakte er een
+deel van uit, maar toch grensden mijn woorden zeer nauw aan een leugen.
+
+--O, als gij dan wilt.... begon Mattia.
+
+--Wàt?
+
+--Mij bij uw troep opnemen.
+
+Toen werd ik weder oprecht.
+
+--Hier hebt gij mijn heelen troep, zeide ik, op Capi wijzende.
+
+--Welnu, wat doet er dat toe, dan zijn we met ons drieën. Ik
+bid u, laat mij niet aan mijn lot over; wat zou er van mij
+worden? waarschijnlijk zou ik van honger sterven.
+
+Van honger sterven! Allen, die dezen kreet hooren, zullen er
+niet denzelfden zin aan hechten en menigeen zal hem zelfs niet
+begrijpen. Mij sneed hij door de ziel: ik wist wat het zeggen wilde
+van honger te sterven.
+
+--Ik kan werken, vervolgde Mattia; ik speelde viool, ik kan
+koorddansen, door een hoepel springen en zingen; gij zult zien, ik zal
+alles doen wat gij wilt; ik zal uw knecht zijn, ik zal u gehoorzamen;
+ik behoef geen geld, maar slechts voedsel, als ik iets verkeerd doe,
+dan kunt gij mij slaan; maar gij moet mij niet op mijn hoofd slaan,
+dat moet gij mij beloven, want mijn hoofd is zeer gevoelig, daar
+Garofoli mij zoo dikwijls erop geslagen heeft.
+
+Toen ik dien armen Mattia zoo hoorde spreken, voelde ik dat er tranen
+in mijn oogen welden. Het zou mij onmogelijk zijn geweest hem zijn
+verzoek niet in te willigen. Van honger sterven! Maar had hij met mij
+daar niet evenveel kans op als wanneer hij alleen bleef? Ik maakte
+hem daarop opmerkzaam, maar hij wilde er niets van hooren.
+
+--Neen, antwoordde hij, met zijn beiden sterft men niet van honger;
+men steunt en helpt elkander; hij die iets heeft, geeft aan den ander
+een deel van het zijne.
+
+Deze woorden maakten een eind aan mijn aarzeling: daar ik iets had,
+moest ik hem dus helpen.
+
+--Nu, sla dan toe, zeide ik.
+
+Hij vatte mijn hand en kuste die, en dit trof mij zoo, dat ik niet
+langer mijn tranen bedwingen kon.
+
+Ga met mij mede, zeide ik, maar niet als mijn knecht, als mijn makker.
+
+Ik hing toen mijn harp weder over den schouder.
+
+--Voorwaarts! sprak ik.
+
+Een kwartier later hadden wij Parijs verlaten.
+
+De voorjaarszon had de wegen gedroogd en de grond was zelfs hard,
+zoodat wij gemakkelijk konden voortloopen.
+
+Het was zoel in de lucht en de aprilzon stond aan den blauwen,
+onbewolkten hemel.
+
+Welk een verschil met dien dag, toen ik voor de eerste maal Parijs
+binnentrad, die stad waarnaar ik zoo vurig had verlangd, alsof Parijs
+het beloofde land was.
+
+Langs de slooten zag men hier en daar reeds eenige grassprieten en
+een meizoentje of krokus kwam van afstand tot afstand uit de aarde
+te voorschijn.
+
+Als wij voorbij tuinen kwamen, zagen wij de takjes der seringen
+tusschen het groen, dat door een zacht koeltje bewogen werd en soms
+viel de bloesem van een vroeg bloeienden boom ons op 't hoofd.
+
+In de tuinen, in het kreupelhout langs den weg, in de hooge boomen,
+overal hoorden wij het tjilpen der vogels en voor ons uit scheerden
+van tijd tot tijd de zwaluwen langs den weg, om het een of ander
+onzichtbaar mugje te vervolgen.
+
+Onze reis begon goed en vol vertrouwen stapte ik voort; Capi, die nu
+van zijn touw bevrijd was, sprong om ons heen en blafte alle rijtuigen
+en steenhoopen aan, blafte tegen alles en niets, uit louter pleizier
+om te blaffen, wat voor de honden waarschijnlijk een even groot genot
+moet zijn als voor de menschen om te zingen.
+
+Mattia liep zwijgend naast mij voort; ongetwijfeld dacht hij over
+alles na en ik zeide ook niets, daar ik hem niet wilde storen en ik
+zelf ook tot nadenken wilde komen.
+
+Waarheen gingen wij met zulk een vastberaden tred?
+
+Eerlijk gezegd wist ik het zelf niet goed, of liever in het geheel
+niet.
+
+Voorwaarts!
+
+Maar dan?
+
+Ik had aan Lize beloofd, dat ik eerst Martha en haar broeders zou gaan
+zien, vóór ik haar bezoeken zou; maar verder had ik geen afspraak
+gemaakt; het was dus hetzelfde met wien ik begon, of ik eerst naar
+Cevennes, naar Charente of naar Picardië ging.
+
+Daar ik Parijs in een zuidelijke richting verlaten had, sprak het
+vanzelf, dat Benjamin niet in de termen van een bezoek viel, maar
+dat ik tusschen Alexis en Martha kiezen moest.
+
+Niet zonder reden had ik Parijs aan die zijde verlaten, want ik had
+een onbestemd verlangen om vrouw Barberin terug te zien.
+
+Al heb ik in lang niet over haar gesproken, men moet daaruit niet
+opmaken, dat ik haar als een ondankbare vergeten had.
+
+Evenmin moet men mij voor ondankbaar houden, omdat ik haar nooit had
+geschreven in al den tijd, dat ik van haar gescheiden was geweest.
+
+Hoe dikwijls kwam de gedachte niet bij mij op om aan haar te schrijven
+en haar te zeggen: "Ik denk aan u en ik houd altijd nog veel van u";
+maar daar ik bang was voor Barberin, zag ik telkens van dit plan af.
+
+Als Barberin mij eens door middel van mijn brief terugvond, en mij
+dan weder bij zich nam; als hij mij nogmaals aan een anderen Vitalis
+verkocht, die niet als mijn oude Vitalis zou zijn? Ongetwijfeld had
+hij daartoe het recht. En deze gedachte deed mij telkens besluiten,
+liever van ondankbaarheid beschuldigd te worden, dan gevaar te loopen
+weder in Barberins macht te vallen, hetzij hij daarvan gebruik maakte
+om mij te verkoopen, hetzij hij mij onder zijn opzicht zou laten
+werken. Liever zou ik sterven--desnoods van honger sterven--dan aan
+een dergelijk gevaar te worden blootgesteld, waarvan het denkbeeld
+alleen mij reeds schrik aanjoeg.
+
+Maar zoo ik niet aan vrouw Barberin had durven schrijven, scheen het
+mij toch toe, dat ik vrij was om te gaan waar ik wilde, en ik kon
+tenminste beproeven haar te zien. Zelfs sedert ik Mattia bij mijn
+troep had opgenomen, zeide ik tot mezelf, dat het zeer gemakkelijk
+gaan zou. Ik zou Mattia vooruitzenden, terwijl ik uit voorzichtigheid
+achter zou blijven; hij zou bij vrouw Barberin binnengaan en haar
+onder het een of ander voorwendsel laten praten; als zij alleen was,
+zou hij haar de waarheid kunnen zeggen, mij komen waarschuwen en ik
+zou den drempel van het huis weder betreden, waar ik als kind gewoond
+had en mij in de armen werpen van haar, die mij in mijn eerste jeugd
+had verzorgd; maar als Barberin tehuis was, dan zou Mattia vrouw
+Barberin verzoeken op een bepaalde plaats te komen, en daar zou ik
+haar dan komen omhelzen.
+
+Terwijl ik voortliep, bouwde ik deze luchtkasteelen en dit maakte mij
+stil, want ik had al mijn gedachten en al mijn overleg wel noodig om
+zulk een belangrijk punt vast te stellen.
+
+Ik moest niet alleen de gelegenheid vinden om vrouw Barberin op te
+zoeken, maar ik moest ook mezelf overtuigen, dat wij door steden en
+dorpen zouden trekken, die ons een voldoende opbrengst zouden geven.
+
+Daarvoor moest ik eerst mijn kaart raadplegen.
+
+Wij waren nu geheel buiten en wij konden zeer goed een oogenblik
+uitrusten, zonder dat we bevreesd behoefden te zijn om gestoord
+te worden.
+
+--Als gij het goedvindt, zeide ik tot Mattia, dan zullen we hier wat
+uitrusten. Vindt ge het goed, dat we nu eens praten?
+
+--Hebt gij mij iets te zeggen?
+
+--Ja.
+
+Ik haalde uit mijn reiszak de kaart te voorschijn en spreidde die op
+het gras uit. Het duurde lang eer ik mij goed op de hoogte gesteld had,
+maar eindelijk gelukte het mij toch mijn weg af te bakenen: Corbeil,
+Fontainebleau, Montargis, Gien, Bourges, Saint-Amand, Montlucour. Wij
+konden dus zeer goed naar Chavanon gaan en als het ons nu wat medeliep,
+dan zouden we op weg geen honger behoeven te lijden.
+
+--Wat is dat? vroeg Mattia, op de kaart wijzende.
+
+Ik legde hem toen uit wat het was en waartoe het diende, met ongeveer
+dezelfde woorden, als Vitalis gebruikt had, toen hij mij de eerste
+les in de aardrijkskunde gaf.
+
+Hij luisterde aandachtig, terwijl hij mij strak aanzag.
+
+--Maar dan moet men kunnen lezen.
+
+--Zeker; kunt gij dan niet lezen?
+
+--Neen.
+
+--Wilt gij het leeren?
+
+--Kan men dan op de kaart den weg van Gisors naar Parijs vinden.
+
+--Zeker, zeer gemakkelijk zelfs.
+
+En ik wees hem dien op de kaart.
+
+In het eerst wilde hij niet gelooven wat ik hem vertelde, terwijl ik
+met mijn vinger den weg op de kaart volgde.
+
+Ik legde hem toen zoo goed mogelijk, hoewel niet zeer duidelijk,
+uit, op welke wijze de afstanden op de kaart worden aangewezen; hij
+luisterde wel naar mij, maar scheen niet zeer veel vertrouwen in mijn
+wetenschap te stellen.
+
+Toen ik mijn zak geopend had, kwam ik op de gedachte om hem eens
+nader te onderzoeken en ik was ook blijde, dat ik al mijn schatten
+aan Mattia kon laten zien. Ik legde ze allen op het gras.
+
+Ik bezat drie linnen hemden, drie paar kousen, vijf zakdoeken; alles
+was zeer goed in orde, behalve een paar halfversleten schoenen.
+
+Mattia stond als verstomd.
+
+--En wat hebt gij? vroeg ik.
+
+--Ik heb mijn viool en die draag ik altijd bij mij.
+
+--Welnu, zeide ik, wij zullen alles deelen, zooals dat onder makkers
+behoort: gij krijgt twee hemden, twee paar kousen en drie zakdoeken;
+daar wij alles eerlijk moeten deelen, zullen wij beurtelings elk een
+uur lang de reistasch dragen.
+
+Mattia weigerde eerst dit aanbod aan te nemen, maar ik was reeds
+gewend om bevelen te geven, wat ik zeer prettig vond--dat moet ik
+bekennen--en ik verbood hem dus zich hiertegen langer te verzetten.
+
+Op mijn hemden had ik het werktaschje van Martha uitgestald en het
+doosje van Lize daarnaast gelegd; hij wilde dit openen, maar dat
+stond ik hem niet toe; ik legde het daarom weder in de tasch zonder
+het zelf te openen.
+
+--Zoo ge mij plezier wilt doen, zeide ik, dan zult ge nooit aan dit
+doosje komen; dat is een geschenk.
+
+--Goed, hernam hij, ik beloof het u.
+
+Sedert ik weder mijn schapevacht en mijn harp had omgehangen, had
+ik toch iets, dat mij hinderde:--het was mijn broek. Ik meende dat
+een kunstenaar geen lange broek moest dragen; als men in het publiek
+optrad, moest men korte broeken dragen met kousen, waarover gekleurde
+schoenlinten kruiselings gebonden waren. Een lange broek was goed
+voor een tuinman, maar niet voor mij, die nu kunstenaar was!...
+
+Als men zich eenmaal iets in het hoofd gesteld heeft en meester over
+zijn eigen daden is, dan wacht men niet lang om zijn wil ten uitvoer
+te brengen. Ik opende Martha's werktaschje en haalde de schaar eruit
+te voorschijn.
+
+--Terwijl ik mijn broek in orde maak, zeide ik tot Mattia, moet gij
+mij in dien tijd eens laten hooren, hoe gij op de viool speelt.
+
+--O, dat is goed.
+
+Hij nam daarop de viool en begon te spelen.
+
+In dien tusschentijd zette ik dapper de punt der schaar in de stof
+van mijn broek, even boven de knie en begon er de beenen af te knippen.
+
+Het was een goede broek van grijs laken, evenals mijn jas en vest,
+en toen vader Acquin haar mij gegeven had, was ik er erg mede in
+mijn schik geweest; maar het kwam niet bij mij op, dat ik haar geheel
+vernielde door er een stuk af te knippen; integendeel.
+
+In het eerst had ik onder het knippen naar Mattia geluisterd, maar
+al spoedig had ik de schaar opzijde gelegd en was ik geheel gehoor;
+Mattia speelde bijna even mooi als Vitalis.
+
+--En wie heeft u viool leeren spelen? vroeg ik, in de handen klappend.
+
+--Niemand, of liever iedereen, en vooral mezelf, door mij veel
+te oefenen.
+
+--En wie heeft u muziek geleerd?
+
+--Dat weet ik niet; ik speel wat ik heb hooren spelen.
+
+--Kent gij de noten?
+
+--Neen.
+
+--Ik zal ze u leeren.
+
+--Gij kent dus alles?
+
+--Dat moet wel, daar ik directeur van een tooneelgezelschap ben.
+
+Men is geen kunstenaar zonder eigenwaan; ik wilde aan Mattia toonen,
+dat ik ook musicus was.
+
+Ik nam mijn harp, en zonder eenige inleiding begon ik mijn beroemd
+lied.
+
+
+ "Fenesta vascia e
+ padrona crudele".
+
+
+En zooals het onder artisten behoort, betaalde Mattia mijn spel met
+dezelfde loftuitingen als ik het zijne; hij had veel talent, maar
+ook ik had talent en wij waren elkander waardig.
+
+Maar toch konden wij daar niet blijven zitten en elkaar tal van
+complimenten maken; wij moesten, na voor ons zelven en ons eigen
+genot muziek te hebben gemaakt, muziek maken voor een avondmaal en
+een slaapplaats.
+
+Ik sloot mijn reiszak weder, dien Mattia thans over zijn schouder hing.
+
+En nu voorwaarts over den bestoven weg; nu moesten wij in het eerste
+dorp, waar wij aankwamen, blijven en daar een voorstelling geven;
+"eerste optreden van het gezelschap Rémi."
+
+--Leer mij uw lied, zeide Mattia, wij zullen het dan samen zingen en
+ik denk, dat ik het wel spoedig met de viool zal kunnen begeleiden;
+dat moet zeer mooi zijn.
+
+Dat zou zeker zeer mooi zijn en het "geëerde publiek" zou wel een hart
+van steen moeten hebben om ons niet ruimschoots daarvoor te beloonen.
+
+Die studie werd ons echter bespaard. Toen wij een dorp bereikten en
+wij bezig waren een geschikte plaats voor onze voorstelling uit te
+zoeken, kwamen wij voorbij een boerderij, waar tal van menschen,
+gedost in hun zondagsche kleeren met bloemen en linten versierd,
+bij elkander waren; men behoefde niet heel slim te zijn om te raden,
+dat dit een bruiloft was.
+
+Plotseling viel het mij in, dat deze menschen het misschien wel prettig
+zouden vinden, als wij muziek maakten om hen te laten dansen; ik liep
+de plaats dus op, gevolgd door Mattia en Capi, en met mijn hoed in
+de hand en eene diepe buiging--de deftige buiging van Vitalis--deed
+ik aan den eersten persoon, dien ik tegenkwam, dit voorstel.
+
+Het was een groote jonge man, wiens rood gelaat door een paar stijve
+hooge boorden, die tot aan de ooren reikten, was ingesloten; hij zag
+er goedhartig en bedaard uit.
+
+Hij gaf mij geen antwoord; maar zich geheel omkeerende tot eenige
+bruiloftsgasten--want zijn fonkelnieuwe jas scheen hem in zijn
+bewegingen te hinderen--stak hij twee vingers in den mond, en liet
+daarop een schel gefluit hooren, waarvan zelfs Capi schrikte.
+
+--Heilo, ho! vrienden! riep hij; wat dunkt u van een stukje
+muziek? Hier komen juist eenige muzikanten.
+
+--O ja, ja! muziek, muziek! riepen allen als uit één mond.
+
+--Ruimte voor een quadrille.
+
+En binnen weinige minuten hadden de dansers een kring gevormd en
+waren alle kippen en vogels die rondliepen op de vlucht geslagen.
+
+--Hebt gij wel eens een quadrille gespeeld? vroeg ik Mattia fluisterend
+in het italiaansch, want ik gevoelde mij in het geheel niet gerust.
+
+--Ja.
+
+En hij begon er een op zijn viool te spelen, toevallig kende ik de
+wijs. Wij waren dus gered.
+
+Er werd een karretje uit den stal gehaald en de boomen op den grond
+gelegd, zoodat wij er konden instijgen.
+
+Hoewel we nooit samen gespeeld hadden, bleef onze quadrille toch
+goed in de maat. Het is waar, ons publiek was niet zeer fijn noch
+aan veel gewend.
+
+--Kan een van u op den waldhoren blazen? vroeg de groote man.
+
+--Ja, ik, antwoordde Mattia, maar ik bezit er geen.
+
+--Ik zal er een gaan halen, want ik vind een viool wel heel mooi,
+maar ijselijk pieperig.
+
+--Speelt gij dan ook op den waldhoren? vroeg ik in het italiaansch
+aan Mattia.
+
+--Ook op de schuiftrompet en de fluit.
+
+Mattia was ongetwijfeld een groote aanwinst voor mij.
+
+De waldhoren was spoedig gehaald en weder begonnen wij quadrilles,
+polka's en walsen te spelen.
+
+Wij speelden, zonder een oogenblik op te houden, tot aan den nacht
+toe door; dat was voor mij niet heel erg, maar wel voor Mattia, want
+hij had de zwaarste partij, daar hij bovendien vermoeid was van de
+reis en de ontberingen.
+
+Van tijd tot tijd zag ik hem bleek worden, maar hij speelde toch door,
+en blies zoo hard hij kon door den horen.
+
+Gelukkig was ik niet de eenige, die zijn bleekheid opmerkte; de bruid
+zag het eveneens.
+
+--Nu is het genoeg, sprak zij, de kleine jongen kan het niet langer
+volhouden; nu moet ieder zijn beurs openen voor de muzikanten.
+
+--Als gij het goedvindt, zeide ik, terwijl ik uit den wagen sprong,
+dan zal onze kassier met het bakje rondgaan.
+
+Ik wierp Capi mijn hoed toe, dien hij in zijn bek opving.
+
+Allen bewonderden om strijd de bevallige buiging, die hij maakte,
+als men hem iets gegeven had, maar wat voor ons nog wel het meeste
+waard was, hij haalde zeer veel op; daar ik hem met de oogen volgde,
+kon ik telkens een stuk zilver zien glinsteren; bij de bruid kwam
+hij het laatst en deze legde er een vijf francs stuk in.
+
+Welk een schat! En daarmede was het nog niet gedaan. Men noodigde
+ons in de keuken en zorgde in een schuur voor een slaapplaats. Als
+wij den anderen morgen deze gastvrije woning verlieten, zouden wij
+minstens dertig francs bezitten.
+
+--Dat hebben we aan u te danken, Mattia, zeide ik tot mijn makker;
+alleen zou ik nooit zoo'n orkest hebben kunnen samenstellen.
+
+Toen ik dit zeide, schoten mij plotseling de woorden van vader Acquin
+te binnen, toen ik begonnen was met Lize les te geven. Weder had ik
+een bewijs, dat men beloond wordt voor het goede, dat men doet.
+
+--Ik had een dwazer streek kunnen begaan dan u in mijn troep op
+te nemen.
+
+Met dertig francs in onzen zak waren wij rijk, en toen wij te
+Corbeil kwamen, durfde ik, zonder al te onvoorzichtig te zijn, eenige
+noodzakelijke inkoopen doen; in de eerste plaats een waldhoren, die
+ons bij een oudroest drie francs kostte; hij was wel niet nieuw, maar
+toch tamelijk onderhouden en zeker zou hij ons goed te stade komen;
+voorts kocht ik rood lint voor onze kousen en een versleten ransel
+voor Mattia, want het was minder vermoeiend om altijd een lichten zak,
+dan nu en dan een zwaren op den rug te dragen. Wij zouden alles wat
+wij dragen moesten eerlijk verdeelen en op die wijze veel vlugger
+kunnen loopen.
+
+Toen we Corbeil verlieten, waren wij werkelijk goed ingespannen,
+al onze inkoopen waren betaald, en wij hadden nog acht en twintig
+francs over, daar onze voorstellingen zeer veel hadden opgebracht. Ons
+répertoire hadden we zóó samengesteld, dat we verscheidene dagen
+achtereen in dezelfde streek konden blijven, zonder dat we te veel in
+herhalingen behoefden te vervallen; gelukkig konden Mattia en ik het
+uitmuntend met elkaar vinden en waren wij als broeders voor elkander.
+
+--Gij begrijpt toch wel, dat het al te mooi is, dat de chef van een
+troep nooit slaat, zeide hij dikwijls, lachende.
+
+--Gij zijt dus tevreden?
+
+--Of ik tevreden ben! Voor het eerst van mijn leven, sedert ik mijn
+land verlaten heb, verlang ik niet naar het ziekenhuis.
+
+Deze gunstige toestand prikkelde mijne eerzucht.
+
+Toen wij Corbeil verlaten hadden, begaven we ons naar Montargis,
+welke stad in dezelfde richting ligt als het dorp van vrouw Barberin.
+
+Als ik moeder Barberin ging opzoeken, kweet ik mij tevens van mijn
+schuld; toch kon ik haar maar zeer weinig en lang niet voldoende mijn
+dank bewijzen.
+
+Als ik eens iets voor haar medebracht....
+
+Nu ik rijk was, mocht ik haar ook wel een geschenk aanbieden.
+
+Wat zou ik haar geven?
+
+Lang zou ik niet behoeven te zoeken.
+
+Eén ding zou haar overgelukkig maken, niet alleen voor het oogenblik,
+maar zelfs op haar ouden dag,--een koe, die de plaats van de arme
+_Roussette_ zou kunnen innemen.
+
+Hoe blijde zou vrouw Barberin zijn als ik haar een koe gaf, maar welk
+een genot zou dit ook voor mij zijn!
+
+Vóór dat wij te Chavanon kwamen, zou ik een koe koopen en
+Mattia zou haar dan aan een touw het hek van vrouw Barberin
+binnenleiden. Tenminste als Barberin er niet was.--Vrouw Barberin, zou
+Mattia zeggen, hier breng ik u een koe.--Een koe! gij zijt verkeerd,
+mijn jongen.--En zij zou zuchten.--Neen vrouwtje, ik ben niet verkeerd,
+want gij zijt immers vrouw Barberin uit Chavanon? Welnu, bij vrouw
+Barberin heeft de prins (evenals in de sprookjes) gezegd, dat ik deze
+koe brengen moest.--Welke prins? Ik zou dan te voorschijn komen en mij
+in de armen van mijn pleegmoeder werpen, en als we elkaar dan alles
+verteld hadden, zouden we wafels gaan bakken, die wij drieën en niet
+Barberin zouden eten, zooals op dien Woensdag, toen hij teruggekomen
+was en onze pan omgeworpen en de boter voor zijn uiensoep gebruikt had.
+
+Welk een heerlijke droom! Maar om dien te verwezenlijken moest ik
+een koe kunnen koopen.
+
+Wat zou een koe wel kosten? Daar had ik volstrekt geen begrip van;
+zeker zeer duur; maar hoe duur dan wel?
+
+Ik wilde geen heel groote en geen heel zware koe. Want in de eerste
+plaats, hoe zwaarder ze weegt, hoe duurder zij is en bovendien,
+hoe vetter een koe is, hoe meer zij eet, en ik wilde niet dat mijn
+geschenk vrouw Barberin in verlegenheid zou brengen.
+
+Voor het oogenblik moest ik dus slechts den prijs der koeien weten,
+of liever van een koe, zooals ik er een verlangde.
+
+Gelukkig was dit niet zeer moeielijk voor mij en onderweg of 's avonds
+in de herberg kwamen wij dikwijls in aanraking met koeiendrijvers of
+verkoopers. Niets was dus eenvoudiger dan hun naar den prijs te vragen.
+
+De eerste maal, dat ik deze vraag aan een ossendrijver deed, wiens
+eerlijk gelaat mij had aangetrokken, lachte hij mij in mijn gezicht
+uit.
+
+De man sloeg met zijn vuist op de tafel, terwijl hij zijn rug in zijn
+stoel wierp; daarop riep hij de waardin.
+
+--Weet ge, wat mij die kleine muzikant vraagt? Wat een koe kost, geen
+groote en geen zware, maar toch een goede koe. Moet zij misschien
+kunstjes leeren?
+
+En wederom begon hij te lachen, maar ik liet mij niet van mijn stuk
+brengen.
+
+--Zij moet veel melk geven en niet velen eten.
+
+--Moet zij misschien evenals uw hond aan een touw langs den weg loopen?
+
+Toen hij eindelijk uitgelachen had en zijn spotternijen ophielden,
+was hij wel geneigd mij een ernstig antwoord te geven en begon hij
+zelfs een gesprek met mij.
+
+Hij had juist wat ik verlangde, een goede koe, die veel melk gaf,
+melk zoo dik als room, en bijna niets at; als ik hem tweehonderd
+francs gaf, dan kreeg ik de koe.
+
+Hoeveel moeite het mij gekost had om hem tot spreken te krijgen,
+het viel mij nog zwaarder om hem te doen zwijgen, toen hij eenmaal
+begonnen was.
+
+Eindelijk konden wij naar bed gaan en ik had alle gelegenheid om over
+zijn woorden na te denken.
+
+Tweehonderd francs, zoo'n som zou ik nog in langen tijd niet bij
+elkander hebben.
+
+Zou ik die kunnen verdienen? Het scheen mij onmogelijk toe en toch,
+als het ons nu evenzoo bleef medeloopen als in de eerste dagen het
+geval was, dan zou ik er misschien kunnen komen. Maar ik moest er
+den tijd voor hebben.
+
+Ik kwam toen op een andere gedachte; als wij inplaats van naar Chavanon
+te gaan, eerst Varses bezochten, daarmede zouden wij dan tevens tijd
+winnen, daar het een omweg was.
+
+We moesten dus eerst naar Varses trekken en vrouw Barberin op onzen
+terugweg bezoeken; ik zou dan zeker mijn honderd gulden hebben en
+wij konden ons tooneelstuk: "_De koe van den Prins_" vertoonen.
+
+Den anderen dag maakte ik Mattia met mijn plan bekend, en deze verzette
+er zich volstrekt niet tegen.
+
+--Laten wij naar Varses gaan, zeide hij; de mijnen zijn zeer
+belangrijk, vooral daar ik er nooit een gezien heb.
+
+
+
+
+XXIII.
+
+EEN ZWARTE STAD.
+
+
+Het is een lange weg van Montargis naar Varses, dat in het midden
+van de Cevennes ligt op de helling van den berg, die zich naar de
+Middellandsche Zee buigt; vijf- of zeshonderd mijl recht toe recht
+aan. Voor ons was hij zelfs wel duizend mijl, daar wij genoodzaakt
+waren verscheidene omwegen te maken, om onze levenswijs te kunnen
+voortzetten. Wij moesten heelwat steden en dorpen bezoeken om eene
+goede som te maken.
+
+Bijna drie maanden hadden wij noodig om den weg af te leggen, maar
+toen wij in de nabijheid van Varses kwamen, mocht ik dan ook, nadat ik
+mijn geld had nageteld, de voldoening smaken, mijn tijd goed besteed
+te hebben; in mijn leeren beurs had ik honderd zeventig francs, die
+ik bespaard had op mijn uitgaven; ik kwam dus nog dertig francs te
+kort voor de koe, die ik voor vrouw Barberin koopen wilde.
+
+Mattia was hierover bijna even blij als ik en hij was er niet weinig
+trotsch op, dat hij er van zijn kant ook veel toe bijgebracht had om
+zulk een aanzienlijke som bijeen te garen. Zijn aandeel was dan ook
+werkelijk groot, want zonder hem, en vooral zonder zijn waldhoren,
+zouden Capi en ik nooit honderd zeventig francs bijeengezameld hebben.
+
+Van Varses naar Chavanon zou het ons stellig wel gelukken om de dertig
+francs, die ons nog ontbraken, te verdienen.
+
+Varses, waar wij het eerst aankwamen, was honderd jaar geleden
+een arm dorp, dat als in de bergen verloren lag en slechts bekend
+was door _de kinderen van God_, die onder de leiding stonden van
+Jean Cavalier. Zijn ligging, midden in de bergen, was vooral zeer
+belangrijk wegens de vervolging der Camisards, maar die ligging was
+tevens juist oorzaak van de armoede, welke er heerschte. Omstreeks
+1750 ontdekte een bejaard edelman, die een manie voor opgravingen
+had, verscheidene kolenmijnen te Varses en sedert dien tijd voorzag
+deze stad met Alais en Saint-Gervais het zuiden van Frankrijk van
+steenkolen en wel in zulk een hoeveelheid, dat ze aan de Engelschen
+het kolendebiet in de Middellandsche Zee betwistten. Toen de edelman
+met zijn nasporingen begonnen was, werd hij van alle zijden bespot,
+en toen hij tot op een diepte van honderd vijftig meter had gegraven,
+zonder nog iets gevonden te hebben, nam men zelfs maatregelen om hem
+als krankzinnige in een gesticht op te sluiten, daar zijn gansche
+fortuin met deze opgravingen geheel te gronde zou gaan. Varses bezat,
+naar men vroeger beweerd had, ijzermijnen; men vond ze niet; men
+zou er ook nooit steenkolen vinden. Zonder hierop te antwoorden en
+om zich aan de spotternijen te onttrekken, sloot hij zich in zijn
+groeve op en verliet deze niet meer; hij at en sliep daar en niemand
+dan zijn werklieden konden zijn beweren in twijfel trekken; bij elken
+slag, dien zij met het houweel deden, haalden zij de schouders op,
+maar aangespoord door de overtuiging van hun meester, volhardden
+zij bij hun arbeid en de groeven werden dieper. Toen zij tweehonderd
+meter diep gegraven hadden, vonden zij een steenkolenlaag: de bejaarde
+edelman was niet langer een krankzinnige; hij was toen een geniaal man;
+in één dag was de verandering volkomen.
+
+Tegenwoordig telt Varses 12,000 inwoners, en gaat het een groote
+toekomst voor zijn nijverheid tegemoet, daar 't op het oogenblik met
+Alais en Bességes de hoop van het Zuiden is.
+
+Wat Varses' fortuin maakt en maken zal is juist hetgeen zich onder
+en niet boven den grond bevindt. Het levert een treurig en verlaten
+tafereel op; alles is even onvruchtbaar; men ziet er geen boomen dan
+hier en daar een kastanje, een moerbeziënboom of eenige kwijnende
+olijfboomen; maar de grond voedt de planten niet: alom aanschouwt
+men grijze of witte steenen; slechts daar waar de aarde eenige diepte
+heeft en de regen erin wordt opgenomen, ontwikkelt zich een weelderige
+plantenwereld, die een lieflijk verschil oplevert met de naakte bergen.
+
+Uit de onvruchtbaarheid ontstonden zware overstroomingen, want als
+het regent, loopt het water langs de steile hellingen, als over een
+geplaveide straat en de beken, die gewoonlijk droog zijn, zwellen dan
+weder in die mate, dat de rivieren, welke zij voeden, buiten hare
+oevers treden en de dalen overstroomen. In weinige minuten stijgt
+het peil van de bedding, drie, vier, vijf el en soms meer.
+
+Varses ligt op de beide oevers van eene der rivieren, de Divonne,
+die in de stad zelve twee kleine, maar krachtige stroompjes in zich
+opneemt: de Truyère en de Saint-Andéol. Het is geene fraaie stad,
+niet zeer zindelijk en zeer onregelmatig. De wagens met ijzererts of
+met steenkolen beladen, die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat
+over de rails loopen, welke dwars door de straten zijn aangelegd,
+laten daar onophoudelijk eene roode en zwarte stof achter, die op
+regenachtige dagen eene dikke slijklaag vormt, en den grond in
+een moeras herschept. Als daarentegen de zon schijnt en de wind
+waait, stijgen en dwarrelen wolken op, die tot boven de huizen zich
+verheffen. Van boven tot onder zijn de huizen zwart, zwart door
+slijk en stof, die tot aan de daken oprijst; zwart door den rook der
+ovens en fornuizen, welke uit de schoorsteenen neerslaat tot op de
+straat; alles is zwart, de grond, de lucht, tot zelfs het water in
+de Divonne. Nochtans zijn de menschen op straat nog zwarter dan hunne
+omgeving: de zwarte paarden, de zwarte wagens, de bladeren der zwarte
+boomen; nu en dan verkrijgt men den indruk, dat een wolk van roet op
+de stad is neergedaald of dat eene overstrooming van modderig water
+de huizen tot aan den nok heeft omspoeld.
+
+De straten zijn niet aangelegd voor wagens en ook niet voor
+voetgangers, maar voor spoortreinen en karren uit de mijnen; de bodem
+is geheel bedekt met rails, door wissels met elkander verbonden;
+boven de hoofden zijn hangende bruggen gemaakt, ziet men drijfriemen
+loopen of kettingen, die met een oorverdoovend gedruisch lasten
+ophijschen of aflaten; de uitgestrekte gebouwen, die men voorbijgaat,
+dreunen tot op hunne grondvesten en wanneer men door de deuren of
+vensters naar binnen ziet, ontwaart men smeltende massa's, die als
+reusachtige dieren over den grond voortkruipen; stoomhamers, die een
+vuur van vonken om zich verspreiden en overal en altijd de zuigers der
+stoomwerktuigen, die regelmatig rijzen en dalen. Geen monumenten, geen
+tuinen, geen beelden op de pleinen; alles gelijkt elkander en is naar
+hetzelfde model gebouwd: log en vierkant. De kerk en het gerechtshof
+en de school, allen zijn kubieke blokken met meer of minder ramen,
+naarmate hunne bestemming medebrengt.
+
+Toen wij in de nabijheid van Varses kwamen, was het ongeveer drie
+uren in den namiddag en de zon schitterde aan den effen hemel; maar
+naarmate wij dichterbij kwamen, werd de lucht somberder; tusschen hemel
+en aarde hing een dichte wolk van rook, die langzaam zich voortbewoog
+en bij de hooge schoorsteenen zich verdeelde. Sedert een uur hoorden
+wij een dreunend zuchten, een zwaar geruisch als dat eener onstuimige
+zee met zware slagen vermengd. Dit dreunen werd veroorzaakt door de
+wentelende assen, de slagen door de hamers en zuigers.
+
+Ik wist dat de oom van Alexis in de mijnen van Varses werkte en wel
+in die van Truyère, maar meer ook niet. Of hij in Varses zelf woonde
+of in den omtrek, was mij onbekend.
+
+Toen ik in de stad kwam, vroeg ik, waar ik de mijn van Truyère kon
+vinden en men wees mij een weg in de richting van den linkeroever der
+Divonne, eene kleine vallei door een beek doorsneden, welke haar naam
+aan de mijn gegeven heeft.
+
+Zoo het uiterlijk der stad weinig bekoorlijk is, de vallei zelve ziet
+er akelig en somber uit: een kring van naakte rotsen, waarop boom noch
+plant groeit, is bedekt met eene laag grijsachtige puin, waardoor hier
+en daar de roode bodem zichtbaar is. Aan den ingang der vallei zijn
+de gebouwen die voor de exploitatie der mijn dienen, bergplaatsen
+van karren, stallen, magazijnen, kantoren en de schoorsteenen der
+stoommachines. Daaromheen lagen hooge stapels steenkolen en steenen.
+
+Toen wij de gebouwen genaderd waren, trad een jonge vrouw met een
+verwilderd voorkomen en loshangende haren ons tegemoet; zij sleepte
+een klein kind met zich voort; zij hield ons staande en vroeg mij:
+
+--Weet gij een koelen weg?
+
+Ik zag haar verwonderd aan.
+
+--Ja, een weg waarop boomen staan, waar het lommerrijk is en waarlangs
+een beekje kabbelt en waar de vogels tjilpen.
+
+En zij begon zachtkens te fluiten.
+
+--Zijt gij niet langs dien weg gekomen? vervolgde zij, toen ik haar
+geen antwoord gaf, maar zonder, naar het scheen, mijn verbazing op
+te merken; dat spijt mij. Hij is dus zeker nog ver. Is hij rechts of
+links? Wees zoo vriendelijk het mij te zeggen, mijn jongen, want ik
+zoek hem en kan hem niet vinden.
+
+Zij sprak zeer snel, terwijl zij onophoudelijk met haar eene hand
+wuifde en met de andere over het hoofd van het kind streek.
+
+--Ik vraag u naar dien weg, want ik weet zeker, dat ik Marius daar
+vinden zal. Hebt gij Marius gekend? Niet? Welnu, hij is de vader van
+mijn kind. Toen het mijngas zich ontwikkelde, vluchtte hij naar dien
+koelen weg; hij wandelt nu slechts op de koele wegen, daar die goed
+zijn voor zijn brandwonden. Hij weet ze te vinden, maar ik niet:
+daarom heb ik hem al in geen halfjaar gezien. Een halfjaar is lang,
+wanneer men elkaar liefheeft. Een halfjaar, zes maanden!
+
+Zij keerde zich naar de gebouwen der mijn en wees toen met eene
+onstuimige beweging naar de schoorsteenen van de machine, waaruit
+dikke rookkolommen omhoog stegen.
+
+--Werken der duisternis zijn duivelswerken! riep zij uit. Hel, geef
+mij mijn vader en mijn broeder en Marius terug; vervloekt zijt gij!
+
+Daarop keerde zij zich weder tot mij.
+
+--Gij zijt hier niet vandaan, niet waar? Uw schapevacht en uw hoed
+zeggen mij, dat gij van verre komt: ga naar het kerkhof: tel een,
+twee, drie, een, twee, drie, allen zijn ze in de mijn omgekomen.
+
+Daarop greep zij haar kind en drukte het in haar armen.
+
+--Gij krijgt mijn kleinen Pierre niet, nooit!.... het water is zoet,
+het water is frisch. Waar is de weg? Daar gij het niet weet, zijt ge
+dus even dom als de anderen, die mij uitlachen. Waarom houdt gij mij
+dan staande? Marius wacht mij.
+
+Zij keerde mij den rug toe en snelde voort, terwijl zij weder begon
+te fluiten.
+
+Ik begreep, dat zij krankzinnig was en haar echtgenoot had verloren
+door een mijnontploffing, en dit gevaar en de ontmoeting met deze
+ongelukkige vrouw, die van smart krankzinnig was geworden, bij den
+ingang van de mijn, in dit verlaten land, onder dien somberen hemel,
+stemde ons zeer treurig.
+
+Men wees ons het huis van oom Gaspard; hij woonde op een kleinen
+afstand van de mijn, in een nauwe en steile straat, die naar den
+heuvel bij de rivier voerde.
+
+Toen ik naar hem vroeg, gaf een vrouw, die tegen de deur geleund
+stond en met een harer buurvrouwen in gesprek was, mij ten antwoord,
+dat hij eerst tegen zes uur van zijn werk terugkeerde.
+
+--Wat wilt gij van hem hebben? vroeg zij.
+
+--Ik wilde Alexis bezoeken.
+
+Zij nam mij toen van het hoofd tot de voeten op en wierp vervolgens
+een blik op Capi.
+
+--Zijt gij dan Rémi? Alexis heeft ons veel van u verteld; hij wachtte
+u. Maar wie is hij?
+
+Zij wees op Mattia.
+
+--Dat is mijn makker.
+
+Het was de tante van Alexis. Ik dacht, dat zij ons zou uitnoodigen
+binnen te treden en wat uit te rusten, want wij waren doodmoe en
+verlangden erg naar rust; maar daar kwam niets van in; zij herhaalde
+slechts, dat ik, tegen zes uur terugkomende, Alexis zou vinden,
+die nu in de mijn werkte.
+
+Ik durfde niet vragen, wat men mij niet aanbood; ik bedankte haar en
+wij begaven ons weder op weg om een bakker te zoeken, want wij hadden
+ergen honger, daar wij den geheelen dag nog niets gehad hadden dan een
+korstje brood, dat wij van den vorigen avond hadden overgehouden. Ik
+schaamde mij zelfs over deze ontvangst, want ik gevoelde, dat Mattia
+bij zichzelven vroeg, wat dit beteekende.
+
+Hadden wij daarom zooveel mijlen geloopen?
+
+Ik meende, dat Mattia al een zeer slechte gedachte van mijn vrienden
+zou krijgen en dat, als ik hem weer over Lize sprak, hij niet met
+dezelfde aandacht naar mij luisteren zou. En ik was er bijzonder op
+gesteld, dat hij vooruit reeds van haar zou houden.
+
+De wijze, waarop wij ontvangen waren, spoorde mij niet aan om weer
+naar die woning terug te keeren en wij besloten Alexis bij den uitgang
+van de mijn op te wachten.
+
+Men haalt de kolen uit de mijn Truyère door drie schachten: de
+Saint-Julien, Saint-Alphonsine en Saint-Pancrace; wij vatten post
+bij een van deze schachten om Alexis op te wachten. Eenige minuten
+vóór zessen, zag ik in de diepte van die duistere gangen lichtjes
+flikkeren, die al spoedig grooter werden. Het waren de mijnwerkers,
+die, met hun lampje in de hand, weder in het daglicht terugkeerden,
+nadat hun arbeid volbracht was.
+
+Zij naderden langzaam met zwaren tred, alsof zij pijn in de knieën
+hadden, wat ik mij later zeer goed begrijpen kon, toen ik zelf
+verscheidene trappen en ladders, die tot de onderste gangen leiden, was
+afgedaald; hun gelaat was even zwart als dat van de schoorsteenvegers
+en hun kleederen en hoeden waren met een laag stof en moddervlekken
+bedekt.
+
+Toen zij voorbij de plaats kwamen, waar de lampen bewaard werden,
+hing elk zijn lamp aan een spijker.
+
+Hoewel ik zeer oplettend toekeek, zag ik Alexis er toch niet uitkomen,
+en als hij mij niet om den hals gevallen was, zou ik hem zeker voorbij
+hebben laten gaan, zonder hem te herkennen, zoo weinig geleek hij
+thans, nu hij met stof en roet bedekt was, op mijn makker, die in
+den tuin met ons speelde in zijn hagelwit hemd en zijn lagen kraag,
+waaruit zijn blanke borst te voorschijn kwam.
+
+--Dat is Rémi, zeide hij tot een man van omstreeks veertig jaar,
+die naast hem liep en een open, goedhartig gelaat had, evenals vader
+Acquin, wat ook niet te verwonderen was, daar zij broeders waren.
+
+Ik begreep dat het oom Gaspard moest zijn.
+
+--Wij wachtten u reeds lang, zeide hij vriendelijk.
+
+--Het is een lange weg van Parijs naar Varses.
+
+--En uw beenen zijn kort, hernam hij lachend.
+
+Capi, die blijde was, dat hij Alexis terugzag, sprong aanhoudend
+tegen hem op en beet nu eens in zijn mouw, dan weder in zijn broek.
+
+Intusschen vertelde ik aan oom Gaspard, dat Mattia mijn vriend en
+mijn metgezel was, een goede jongen, dien ik reeds vroeger had gekend
+en dien ik thans weergevonden had en die mooier dan iemand anders op
+den waldhoren blazen kon.
+
+--En dat is Capi? vroeg oom Gaspard. Morgen is het Zondag en als gij
+dan uitgerust zijt, kunt ge ons dus een voorstelling geven. Alexis
+zegt, dat deze hond verstandiger is dan een schoolmeester of een
+tooneelspeler.
+
+Zoo weinig als ik mij in tegenwoordigheid van tante Gaspard op mijn
+gemak gevoeld had, zoo weinig verlegen was ik in het bijzijn van haar
+echtgenoot: hij was werkelijk de waardige broeder van vader Acquin.
+
+--Ga nu maar met elkander vooruit, want gij zult elkaar wel veel
+te vertellen hebben; ik zal mij bezighouden met dit jonge mensch,
+dat zoo mooi op den waldhoren blaast.
+
+Wij zouden stof voor een gansche week gehad hebben, en dan zelfs
+zouden wij nog niet uitgepraat zijn. Alexis wilde alles van mijn
+reis weten en ik, van mijn kant, wenschte te vernemen, hoe hem dit
+nieuwe leven aanstond; op die wijze deden we elkaar zooveel vragen,
+dat we geen van beiden aan antwoorden dachten.
+
+Wij liepen langzaam en alle werklieden, die zich naar huis begaven,
+haalden ons in; het was een lange rij, die bijna de geheele straat
+besloeg en allen waren even zwart en met dezelfde stof overdekt,
+die op den grond in een dikke laag lag gespreid.
+
+Toen wij het huis genaderd waren, voegde oom Gaspard zich bij ons.
+
+--Jongens, gij blijft bij ons eten.
+
+Nooit heeft een uitnoodiging mij meer genoegen gedaan, want terwijl
+wij voortliepen, had ik mezelf reeds afgevraagd, of wij, wanneer we
+de deur bereikt hadden, van elkander zouden moeten scheiden, daar de
+wijze waarop de tante ons ontvangen had, niet veel goeds beloofde.
+
+--Daar is Rémi, zeide hij het huis binnentredende, en zijn vriend.
+
+--Ik heb ze daar straks reeds gezien.
+
+--Des te beter, dan is de kennis al gemaakt; zij blijven bij ons eten.
+
+Ik vond het heerlijk om met Alexis te eten, dat is te zeggen, om den
+geheelen avond bij hem te kunnen zijn, maar eerlijk gezegd, vond ik het
+ook prettig, dat ik een middagmaal kreeg. Sedert wij Parijs verlaten
+hadden, was onze maaltijd er steeds bij ingeschoten, nu en dan een
+korstje brood of een stukje spek, maar nooit een wezenlijk middagmaal,
+aan een tafel, met een bord en vork. Onze verdiensten stelden ons wel
+instaat een beter leven te leiden, maar wij moesten zooveel mogelijk
+bezuinigen om de koe te koopen en Mattia was zoo goedhartig, dat hij
+het bijna even gaarne deed als ik, bij de gedachte aan die koe.
+
+Dien avond echter zouden wij niet het genot van een maaltijd smaken;
+ik zette mij aan tafel op een stoel, maar wij kregen geen soep. Tante
+had den geheelen dag verpraat, eerst op het laatste oogenblik had zij
+aan het eten voor haar man gedacht, met dit gevolg, dat wij koffie
+en varkensvleesch kregen. Oom Gaspard was spoedig tevreden, want hij
+hield veel van rust; hij at dus zijn spek en beklaagde zich niet,
+of, zoo hij zich al een opmerking veroorloofde, dan deed hij dit zeer
+kalm en bescheiden.
+
+--Zoo ik geen drinker word, zeide hij, zijn glas met water vullende,
+dan is het omdat ik er te braaf voor ben; tracht ons morgen dus soep
+te geven.
+
+--Als er tijd voor is.
+
+--Gaat de tijd dan boven de aarde sneller voorbij dan daaronder?
+
+--En wie zal uw goed verstellen? gij verslijt alles. Hij wierp toen
+een blik op zijn gescheurde kleederen.
+
+--Wij zijn werkelijk gekleed als prinsen. Onze maaltijd duurde
+niet lang.
+
+--Gij kunt bij Alexis slapen, mijn jongen. Daarop keerde hij zich
+tot Mattia.
+
+--En voor u zal ik een bed van stroo maken.
+
+De avond en een groot gedeelte van den nacht werden door Alexis en
+mij wakend doorgebracht.
+
+Oom Gaspard moest de steenkolen met het houweel losmaken, terwijl zijn
+neef tot taak had de blokken op het wagentje, dat op de rails liep,
+weg te rijden naar de plaats, waar het werd opgehaald.
+
+Hoewel hij nog sedert kort mijnwerker was, hield Alexis toch reeds
+veel van zijn mijn en was hij trotsch op haar; zij was de mooiste en de
+belangrijkste uit het land; hij sprak er over zooals een reiziger, die
+uit een onbekende streek komt en nieuwsgierige ooren gevonden heeft.
+
+Eerst volgt men een gang, die in de rots is uitgehouwen en als men
+tien minuten daarin geloopen heeft, komt men aan een rechte en steile
+trap; onder aan die trap bevindt zich een houten ladder, daarna nog
+een ladder en weer een ladder; dan heeft men de eerste laag bereikt,
+die tot een diepte van vijftig meter gegraven is. Om tot de tweede
+laag te komen, die op negentig meter en de derde, welke op tweehonderd
+meter zich bevindt, is hetzelfde laddersysteem aangebracht. In die
+derde laag werkte Alexis en om tot zijn werkplaats door te dringen,
+had hij een driemaal langer weg af te leggen dan zij, die de torens
+van de kerk _Notre-Dame_ te Parijs beklimmen.
+
+Maar terwijl de trappen van de _Notre-Dame_ gemakkelijk op en af zijn
+te gaan, daar zij recht gebouwd en goed verlicht zijn, is dit in de
+mijn niet het geval, omdat de treden, in verband met het gehalte van
+de rots, nu eens verder van elkander verwijderd, dan weer dichter
+bij elkander zijn. Geen ander licht schijnt hier dan het lampje,
+dat men in de hand draagt en de grond is bedekt met vette aarde,
+die aanhoudend door het druppelsgewijs doorsijpelend water vochtig
+wordt gehouden en dikwijls ijskoud op het gelaat valt.
+
+Tweehonderd el te dalen, dit is veel, maar nog niet alles; men moest
+dan door gangen naar de verschillende trappen gaan om zich naar de
+werkplaats te begeven; de gangen in de mijn la Truyère hadden een
+gezamenlijke lengte van 30 à 40 mijlen.
+
+Natuurlijk behoefde men die 40 mijlen niet af te leggen, maar
+somtijds was het een vermoeiende tocht, want men liep in het water,
+dat voortdurend door de rots sijpelde en middenop den weg zich tot
+een beek vormde en tot aan de groeven stroomde, waar de machines het
+opzogen om het buiten de mijn te brengen.
+
+Waar deze gangen door harde rotsen loopen, zijn het slechts
+onderaardsche gewelven, maar als zij in een broze en deels
+afgebrokkelde steenlaag zich bevinden, worden zij van boven beschoten
+met een houten dak, dat door dennenhouten palen wordt geschut, omdat
+door het uitzagen, het hout spoedig tot verrotting overgaat. Hoewel de
+boomstammen zoo gesteld waren dat zij aan de drukking van het gewelf
+weerstand konden bieden, is deze soms zoo sterk, dat de palen ombuigen,
+de gangen smaller worden, of zoo laag, dat men er slechts op handen en
+voeten door kan kruipen. Op dit hout ontwikkelden zich paddestoelen en
+witte, wolachtige vlokjes, waarvan de witheid zonderling afstak bij den
+zwarten grond; de gisting der boomen deed een sterken geur ontstaan,
+en op de champignons, op de onbekende planten, op het witte mos, zag
+men vliegen, spinnekoppen en vlinders, die niet op de soorten geleken,
+welke men boven den grond ziet. Ook ratten kropen door deze holen en
+vledermuizen hingen aan de palen met de koppen naar beneden.
+
+Deze gangen kruisen elkander op verschillende punten, evenals in Parijs
+de pleinen en straten; er waren mooie en groote zooals de boulevards,
+nauwe en lage zooals de onaanzienlijke straten in de achterbuurten;
+deze onderaardsche stad was echter veel slechter verlicht dan de
+straten zelfs bij nacht, want hier waren geen lantaarnen of gaspitten,
+maar slechts de lampjes, welke de mijnwerkers bij zich dragen. Al was
+het zeer donker, toch hoorde men aan het leven, dat er heerschte,
+dat men niet onder de dooden toefde; in de werkplaatsen vernam men
+de ontploffingen van het kruit, waarvan de lucht en de rook tot den
+arbeider doordrongen; in de gangen hoorde men het rollen van de wagens;
+in de schachten het wrijven tegen de touwen van de korven, waarmede
+menschen en kolen opgehaald en neergelaten werden; en daar bovenuit
+het dreunen der stoommachine, die op de tweede verdieping was gesteld.
+
+Vooral echter was men van een zonderling schouwspel getuige in de
+gangen, die den loop der helling volgden. Daar zag men de halfnaakte
+mijnwerkers, op hunne zijde liggende of op hunne knieën de kolen
+uithouwen, die naar de benedengangen afrolden en vandaar naar de
+schacht, waaruit zij werden opgeheschen.
+
+Zoo zag de mijn er uit op de dagen, dat er gewerkt werd, maar er waren
+ook dagen, dat er buitengewone, helaas! altijd treurige gebeurtenissen
+plaats grepen. Veertien dagen na zijne komst te Varses was Alexis van
+een dier rampen getuige geweest, en bijna was hij zelf het slachtoffer
+ervan geworden. Er had eene ontploffing van mijngas plaats gehad. Het
+mijngas ontwikkelt zich vanzelf in de mijnen en ontploft zoodra
+het met eene vlam in aanraking komt. Niets is vreeselijker dan zulk
+eene ontploffing, waardoor alles verbrand en vernield wordt, wat het
+gas op zijn weg ontmoet. Het is niet beter te vergelijken dan met de
+ontploffing van een kruitmagazijn. Zoodra de vlam van eene lamp of van
+een lucifer in aanraking komt met het mijngas, ontploft dit eensklaps
+in alle gangen en verwoest alles in de mijn: zelfs in de schacht tot
+toegang of luchtverversching dienende, waarvan zij vaak de houten
+loods, die er boven gebouwd is, uiteenslaat. De hitte is somtijds
+zoo groot, dat de steenkolen in de mijn in cokes worden veranderd.
+
+Zulk een mijnontploffing had zes weken geleden aan een tiental
+arbeiders het leven gekost, en de weduwe van een dier werklieden was
+tengevolge daarvan krankzinnig geworden; ik begreep dat dit de vrouw
+met haar kind was, welke ik bij mijne aankomst had ontmoet en die
+een lommerrijken weg zocht.
+
+Tegen de ontploffingen worden alle voorzorgsmaatregelen genomen. Het
+was verboden te rooken en dikwijls waren de ingenieurs, wanneer zij
+de ronde deden, verplicht den adem der mijnwerkers te ruiken, om te
+ontdekken of zij ook het verbod overtreden hadden. Om die noodlottige
+ontploffingen te voorkomen, maakte men gebruik van de Davy-lampen,
+waarvan de vlam met dicht ijzergaas is omgeven, zoodat zij niet
+in aanraking kan komen met het gas; in dien ontplofbaren dampkring
+ontbrandt het gas wel in de lamp, maar de vlam deelt zich niet aan
+de lucht daarbuiten mede.
+
+Alles wat Alexis mij vertelde wekte in hooge mate mijne
+nieuwsgierigheid op, die toch reeds bij mijne komst te Varses vrij
+groot was en versterkte mijn lust om in de mijnen te gaan; maar toen ik
+den anderen morgen oom Gaspard daarvan sprak, gaf hij mij ten antwoord,
+dat dit onmogelijk was, omdat niemand anders in de mijnen mocht komen
+dan zij, die er in werkten.
+
+--Als ge mijnwerker wilt worden, voegde hij er lachend bij,--en dat
+kost niet veel moeite--kunt gij gemakkelijk uw zin krijgen. Trouwens
+dit vak is niet slechter dan eenig ander, en als ge bang zijt voor
+regen of onweer is dit juist het baantje, dat u lijken zou. In ieder
+geval is het beter dan straatzanger. Gij blijft dan bij Alexis. Wat
+denk ge ervan, jongen? Voor Mattia zal ook wel iets gevonden worden
+om aan den kost te komen, maar niet door op zijn horen te blazen.
+
+Maar ik was niet te Varses gekomen om daar te blijven; ik had mij eene
+andere taak gesteld, een ander doel dan den ganschen dag kolenwagens
+voort te duwen in de onderaardsche gangen der Truyère.
+
+Ik moest dus mijn begeerte om mijne nieuwsgierigheid te voldoen laten
+varen en dacht, dat ik de stad verlaten zou zonder iets meer van de
+mijnen te leeren kennen dan hetgeen Alexis er mij van verteld had,
+of door mij kon opgemaakt worden uit de antwoorden, welke ik oom
+Gaspard ontlokte, totdat geheel onverwachte, toevallige omstandigheden
+mij de gevaren, waaraan de mijnwerkers zijn blootgesteld, in al hun
+vreeselijkheid deden kennen.
+
+
+
+
+XXIV.
+
+OPPERMAN.
+
+
+Het leven van een mijnwerker is niet ongezond en behalve nu en dan
+een kleine ongesteldheid, die het gevolg is van gebrek aan licht en
+lucht, welke bloedarmoede veroorzaakt, is de mijnwerker even gezond als
+de boer, die op het land woont; hij heeft zelfs nog dit boven dezen
+voor, dat hij niet blootgesteld is aan de guurheden van het klimaat,
+aan regen, koude of bovenmatige hitte.
+
+Voor hem echter bestaat het groote gevaar in mijninstortingen,
+ontploffingen en overstroomingen, en tevens in de ongelukken, die
+niet zijn arbeid gepaard gaan en het gevolg zijn van onvoorzichtigheid
+of onhandigheid.
+
+Den avond vóór mijn vertrek keerde Alexis huiswaarts met een gekneusden
+arm, daar een zwaar blok steenkool op hem was nedergevallen; een van
+zijn vingers was bijna geheel verbrijzeld en de geheele hand gekwetst.
+
+De geneesheer kwam hem verbinden en deze verklaarde, dat zijn toestand
+niet gevaarlijk was, dat zijn hand en vinger ongetwijfeld genezen
+zouden, maar dat rust een eerste vereischte was.
+
+Oom Gaspard had de gewoonte om het leven te nemen, zooals het viel,
+zonder ooit verdrietig of moedeloos er onder te worden; slechts één
+ding was instaat hem zijn goed humeur te doen verliezen: een tijdelijke
+verhindering om te werken.
+
+Toen hij hoorde dat Alexis gedwongen was om verscheidene dagen rust te
+houden, was hij zeer knorrig: wie zou nu het wagentje voortrollen? hij
+had niemand, die het werk van Alexis kon waarnemen; wanneer het
+voor vast was, dan zou hij wel iemand vinden, maar voor enkele dagen
+slechts was het op dit oogenblik zelfs onmogelijk; er bestond gebrek
+aan mannen en vooral aan kinderen.
+
+Hij stelde wel pogingen in het werk om er een op te sporen, maar
+keerde onverrichterzake huiswaarts.
+
+Hij begon toen weder te klagen en te jammeren; 't was waarlijk om
+wanhopend te worden, want hij zou nu ook genoodzaakt worden zijn werk
+te laten rusten, en hiertoe stelde zijn beurs hem niet instaat.
+
+Toen ik dit zag en de reden van zijn wanhoop begreep, gevoelde ik,
+dat het bijna mijn plicht was om in zulke omstandigheden hem de mij
+betoonde gastvrijheid te betalen; ik vroeg hem of het moeilijk was
+om die betrekking te vervullen.
+
+--Niets is gemakkelijker; men behoeft slechts een wagen voort te duwen,
+die over rails loopt.
+
+--Is die wagen zwaar?
+
+--Niet erg zwaar, daar Alexis hem kan voortduwen.
+
+--Welnu, als Alexis het kan, dan zou ik het ook wel kunnen.
+
+--Gij?
+
+En hij begon hartelijk te lachen, maar werd spoedig weder ernstig.
+
+--'t Is waar, gij zoudt het kunnen, zoo ge wildet.
+
+--Ik wil het, daar ik u dan van dienst kan zijn.
+
+--Gij zijt een goede jongen en het blijft afgesproken; morgen gaat gij
+met mij naar de mijn; gij zult mij daar werkelijk van dienst kunnen
+wezen; misschien is het voor u zelf ook wel nuttig; als ge lust
+mocht gevoelen mijnwerker te worden, was dat stellig wel zoo goed,
+dan langs den weg te loopen. In de mijnen behoeft men voor wolven
+niet bevreesd te zijn.
+
+Wat zou Mattia doen, terwijl ik in de mijn was? Hij kon oom Gaspard
+toch niet tot overlast zijn?
+
+Ik vroeg hem of hij alleen met Capi voorstellingen in den omtrek
+wilde geven, waarin hij terstond toestemde.
+
+--Ik ben blij, dat ik nu alleen geld voor de koe kan verdienen,
+zeide hij lachende.
+
+Sedert de drie maanden, dat wij samen in de open lucht leefden,
+geleek Mattia volstrekt niet meer op het ziekelijke, bleeke kind
+dat ik bij de kerk, bijna van honger stervende, gevonden had en nog
+minder op den mismaakten knaap, dien ik voor het eerst op den zolder
+van Garofoli ontmoette, bezig diens soep te koken en die van tijd
+tot tijd zijn gezwollen hoofd in de handen moest laten rusten.
+
+Hij had thans geen hoofdpijn meer; hij had geen verdriet en voelde
+zich nooit ziek; de straat Lourcine maakte hem zoo treurig; de zon
+en de lucht schonken hem zijn gezondheid en zijn vroolijkheid terug.
+
+Gedurende onze reis was hij zeer opgewekt geweest en beschouwde hij
+alles altijd van de goede zijde, schepte in alles behagen, was met een
+kleinigheid gelukkig en trachtte steeds in het slechte het goede te
+erkennen. Wat zou er zonder hem van mij geworden zijn? Hoe menigmaal
+maakten vermoeidheid en zwaarmoedigheid mij niet wanhopend?
+
+Dit verschil tusschen ons kwam ongetwijfeld door ons karakter en onze
+natuur, maar ook door de verscheidenheid van afkomst en ras.
+
+Hij was Italiaan en bezat eene zorgeloosheid, eene gemakkelijkheid
+om zich in alle moeilijkheden zonder morren of klagen te schikken,
+hetgeen mijn landgenooten niet kunnen, daar zij meer tot verzet en
+strijd geneigd zijn.
+
+--Wat is dan uw land? zult gij vragen, hebt gij dan een land?
+
+Dat zal ik eerst later beantwoorden; voor het oogenblik bedoel ik
+hiermede slechts, dat Mattia en ik niets op elkander geleken, waaraan
+juist onze goede verstandhouding moet toegeschreven worden, die zelfs
+dan niet minder werd, wanneer ik hem de noten en letters leerde. De
+muziekles leverde volstrekt geen bezwaren op, maar met het lezen was
+dit niet het geval geweest en licht had er een twist tusschen ons
+kunnen ontstaan, daar ik niet het geduld en de toegevendheid bezat van
+hen, die gewoon zijn kinderen te onderwijzen. Gelukkig kwam het nooit
+tot eene uitbarsting tusschen ons, en zelfs wanneer ik onrechtvaardig
+handelde, hetgeen meermalen gebeurde, werd Mattia niet boos.
+
+Wij besloten dus, dat, terwijl ik in de mijn werkte, Mattia eenige
+voorstellingen zou geven, om ons inkomen te vermeerderen en Capi, dien
+ik met deze schikking bekend maakte, scheen het evenzoo te begrijpen.
+
+Den anderen morgen gaf men mij het werkpak van Alexis.
+
+Nadat ik Mattia en Capi nogmaals op het hart gedrukt had om toch
+vooral voorzichtig te wezen, volgde ik oom Gaspard.
+
+--Pas op, zeide hij, terwijl hij mij het licht overhandigde, volg
+mijne schreden en als gij de ladder afdaalt, laat dan nooit de eene
+trede los, vóór dat gij een andere vasthebt.
+
+Wij verdwenen in de gangen, hij vooruit en ik hem op de hielen
+volgende.
+
+--Als gij op de ladder uitglijdt, vervolgde hij, laat u dan nooit
+vallen, maar houd u tegen, want de bodem is diep en hard.
+
+Ik had zijn waarschuwingen niet noodig om ontroerd te wezen; ik
+was uit mezelven reeds ontroerd genoeg, want niet zonder een zeker
+gevoel van angst verlaat men het daglicht, om den nacht tegemoet te
+treden, de oppervlakte van de aarde te verwisselen met haar peillooze
+diepten. Onwillekeurig keerde ik mij om, maar wij waren reeds te ver
+in de gang gevorderd en het daglicht in dien langen donkeren koker
+was niet meer dan een witte schijf, evenals de maan wanneer ze aan
+een donkeren hemel zonder sterren schijnt. Ik schaamde mij over deze
+werktuiglijke beweging, die slechts een oogenblik duurde en volgde
+terstond zijn schreden.
+
+--De trap, zeide hij weldra.
+
+Wij bevonden ons voor een donker gat, in welks voor mij bodemlooze
+diepte tallooze lichtjes flikkerden, die bij den ingang vrij groot
+waren, maar slechts puntjes werden, naarmate zij meer van ons
+verwijderd waren. Het waren de lampen der mijnwerkers, die vóór
+ons de mijn waren binnengegaan; het geluid hunner stemmen drong als
+een dof gemurmel tot ons door, voortgedragen door een zwoele lucht,
+die ons in het gelaat woei; die lucht had een geur, dien ik voor het
+eerst in mijn leven rook; hij was echter met iets aromatisch vermengd.
+
+Na de trap volgden de ladders en na de ladders een andere trap.
+
+--Nu hebben we de eerste laag bereikt, zeide hij.
+
+Wij waren in een gewelfde gang met rechte wanden, waarvan de muren
+waren gemetseld. Het gewelf was niet hooger dan een manslengte, maar
+op enkele plaatsen moest men zich bukken om erdoor te gaan, hetzij
+omdat het gewelf gezakt was, of omdat de grond hooger was geworden.
+
+--Dat is het gevolg van de verschuiving van het terrein, sprak
+Gaspard. Daar de berg overal doorgraven is en zich telkens holten
+vormen, zakt de aarde en wanneer zij te zwaar drukt, dan worden de
+gangen saamgeperst.
+
+Op den grond lagen spoorwegrails en naast de gang stroomde een beekje.
+
+--Deze beek vereenigt zich met andere, die, evenals zij, het
+doorgesijpelde water in zich opnemen: zij storten zich allen in een
+put. Duizend of twaalfhonderd kubiek meter water moet de machine
+dagelijks in de Divonne werpen. Wanneer zij stilstond, zou er
+onmiddellijk een overstrooming volgen. Op dit oogenblik bevinden we
+ons juist onder de Divonne.
+
+Toen ik een onwillekeurige beweging maakte, begon hij hartelijk
+te lachen.
+
+--Op vijftig meter diepte bestaat er volstrekt geen gevaar, dat zij
+in uw hals zal vallen.
+
+--Als ze een gat boorde?
+
+--O ja, een gat. Wel tien gangen loopen onder de rivier; er zijn
+mijnen, waarin men voor overstroomingen bevreesd is, maar dat is bij
+deze het geval niet; hier hebben we genoeg aan ontploffingen van het
+mijngas en de instortingen.
+
+Toen wij onze werkplaats genaderd waren, legde Gaspard mij uit, wat
+ik te verrichten had, en toen onze wagen vol steenkolen geladen was,
+duwde hij hem voort om mij te wijzen hoe ik hem naar den put moest
+rollen en wat ik doen moest, als ik een anderen wagen tegenkwam.
+
+Hij had gelijk, toen hij zeide, dat het geen moeilijk werk was,
+en al was ik binnen weinige uren geen bekwaam arbeider, kon ik hem
+toch voldoende bijstaan. Wel had ik er nog den slag niet van en was
+ik ook niet handig, en wanneer men deze beide eigenschappen mist,
+dan slaagt men zelden in een vak. Ik was dus genoodzaakt om mij meer
+in te spannen, waarvan langzamer werken en grooter vermoeidheid het
+gevolg was.
+
+Gelukkig was ik bestand tegen dergelijke vermoeienissen door mijn
+levenswijze en vooral door de laatste reis; ik beklaagde mij dus
+niet en oom Gaspard verklaarde, dat ik een flinke jongen was en later
+ongetwijfeld een goed mijnwerker worden zou.
+
+Maar had ik grooten lust gevoeld om in de mijn af te dalen, ik had
+weinig zin om er in te blijven; mijn nieuwsgierigheid had mij er toe
+doen besluiten, maar toch gevoelde ik voor het mijnwerken niet de
+minste roeping.
+
+Om onder den grond te leven moet men bijzondere hoedanigheden
+bezitten, die ik miste; men moet van stilte en eenzaamheid en een
+in-zich-zelf gekeerd leven houden. Men moet urenlang, geheele dagen,
+verdiept in eigen mijmeringen, zonder ooit met iemand een woord te
+kunnen wisselen, noch zich eenige afleiding te kunnen verschaffen,
+in de mijn doorbrengen. En tot zulk een bestaan was ik ten eenemale
+ongeschikt, daar ik te veel gewend was aan een zwervend leven, waarbij
+ik zingen en loopen kon zooveel ik wilde; ik gevoelde mij al dien tijd,
+dat ik het wagentje door die donkere gangen voortrolde, treurig en
+droefgeestig gestemd; het flauwe licht, dat uit mijn lampje straalde,
+het geluid van het rollen der andere wagens in de verte, het kletteren
+van het water in de beek en nu en dan de kruitontploffingen in de mijn,
+die in deze doodelijke stilte nog akeliger en zwaarder klonken--dat
+alles viel niet in mijn geest.
+
+Daar het reeds een zwaar werk is, om de mijn binnen te gaan of ze te
+verlaten, blijft men den ganschen dag, die twaalf uren duurt, er in
+en men komt niet boven om te eten; men gebruikt het middagmaal onder
+den grond.
+
+In de mijn van oom Gaspard was een opperman werkzaam, die inplaats
+van een kind te zijn, zooals ik en de anderen, integendeel een oud
+man was met een witten baard. Als ik zeg met een witten baard, moet
+men daarbij wel in aanmerking nemen, dat die slechts des Zondags wit
+was, wanneer de man zich goed had gewasschen, want in de week begon
+hij des Maandags met grijs te zijn, om des Zaterdags geheel zwart
+te wezen. De man was ongeveer zestig jaar oud. In zijn jeugd was hij
+tuinman geweest; daarna moest hij zorgen voor het onderhoud van het
+hout, dat in de gangen aangebracht was; maar bij een instorting waren
+drie zijner vingers verbrijzeld, zoodat hij zijn taak niet langer had
+kunnen volhouden. De maatschappij in wier dienst hij was, had hem een
+klein jaargeld verstrekt, want deze ramp had hem getroffen, terwijl
+hij drie zijner makkers redde. Gedurende eenige jaren had hij van dit
+jaargeld geleefd. De maatschappij was toen failliet gegaan, en hij
+verloor daarbij zijn pensioen en was wel genoodzaakt om als opperman in
+de mijn van Truyère te gaan werken. Men noemde hem _de schoolmeester_,
+omdat hij veel wist, dat de andere mijnwerkers niet wisten, en omdat
+hij gaarne daarvan vertelde en trotsch was op zijn wetenschap.
+
+In de schofturen maakte ik kennis met hem en spoedig had hij een
+groote genegenheid voor mij opgevat; ik was een onvermoeid vrager en
+hij een onvermoeid prater. Wij werden zelfs onafscheidelijk. In de mijn
+spreekt men gewoonlijk weinig en men noemde ons dan ook de babbelaars.
+
+Alexis had mij niet alles verteld wat ik weten wilde, en evenmin
+hadden de antwoorden, die oom Gaspard mij gaf, mij kunnen voldoen,
+want als ik hem vroeg: "Wat is steenkool?" gaf hij mij ten antwoord:
+"Dat zijn kolen, die men onder den grond vindt."
+
+Zulke antwoorden konden mij niet bevredigen, daar Vitalis mij geleerd
+had om mij niet zoo spoedig tevreden te stellen. Toen ik dezelfde vraag
+herhaalde aan den schoolmeester, kreeg ik de bekende verklaringen,
+dat steenkolen gevormd waren door de versteening van geheele levende
+bosschen.
+
+--Wij hebben thans geen tijd om veel te praten, maar morgen is het
+Zondag, kom dan maar eens bij mij, dan zal ik u allerlei soort van
+steenkolen laten zien. Zij noemen mij den schoolmeester, maar gij zult
+zien, dat die schoolmeester toch tot iets deugt. De mensch heeft zijn
+leven niet alleen in zijn hand, maar ook in zijn hoofd. Evenals gij,
+stelde ik op uw leeftijd in veel dingen belang; ik leefde in de mijn
+en ik wilde alles, wat ik iederen dag in mijn omgeving zag, kennen;
+ik heb veel van de ingenieurs geleerd, wanneer deze mij iets wilden
+mededeelen en ik heb veel gelezen. Na mijn ongeluk heb ik veel vrijen
+tijd gehad en dien heb ik nuttig besteed; als men oogen heeft om te
+zien, en als men op die oogen de bril zet, die de boeken u geven, dan
+eindigt men met veel op te merken. Nu heb ik niet veel tijd tot lezen,
+en ik bezit geen geld om boeken te koopen, maar ik heb nog oogen en
+die houd ik open. Kom morgen bij mij, dan zal ik u een massa dingen
+laten zien. Men weet niet welk zaad een woord kan doen ontkiemen,
+dat in een vruchtbaar oor gevallen is. Ik heb naar de mijnen te
+Bessèges een geleerd man, Brouguiart genaamd, gevolgd en van dezen
+heb ik gedurende zijn onderzoekingen veel gehoord, wat mij op het
+denkbeeld bracht zelf te gaan leeren en dat is de oorzaak waarom ik
+thans wat meer weet dan mijne makkers. Tot morgen.
+
+Den volgenden dag zeide ik aan oom Gaspard, dat ik den schoolmeester
+een bezoek ging brengen.
+
+--O zoo, zeide hij lachend, hij heeft eindelijk een geduldig oor
+gevonden; ga, mijn jongen, daar uw hart het u ingeeft; gij zult toch
+wel gelooven, wat ge zelf wilt. Wanneer gij echter iets van hem leert,
+wees er dan niet zoo ijdel op; als de schoolmeester niet zoo pedant
+was, zou hij een beste kerel zijn.
+
+De schoolmeester woonde niet, evenals zijn makkers, in de kom van
+de gemeente, maar op een kleinen afstand in een zeer onaanzienlijk
+en armoedig gedeelte. Hij woonde bij een oude vrouw, de weduwe van
+een mijnwerker, die bij een ontploffing het leven verloren had. Zij
+verhuurde hem een soort kelder, waarin hij op de droogste plek zijn
+bed geplaatst had, die echter zoo droog niet was of er groeiden nog
+paddestoelen onder. Maar voor een mijnwerker, die gewend is met de
+voeten in het water te staan en den ganschen dag water op zijn lijf
+voelt druppelen, was dit iets van weinig belang. Hij had deze woning
+gekozen, omdat hij dan in de nabijheid der kolenlagen zou zijn,
+en daarin zijn nasporingen kon voortzetten en vooral omdat hij hier
+naar welbehagen over steenkolen met afdrukken, fossielen enz. voor
+zijn verzameling kon beschikken.
+
+Hij kwam mij halverwege te gemoet, toen ik binnentrad en op vroolijken
+toon zeide hij:
+
+--Ik heb ook voor een lekker kostje gezorgd, want evengoed als de
+jeugd ooren en oogen heeft, heeft zij een maag en die moet ook gevuld
+worden; men voldoet dan aan alle eischen.
+
+Het lekkere kostje bestond uit gebraden kastanjes, die in witten wijn
+gedoopt worden, wat men in de Cevennes voor een groote lekkernij houdt.
+
+--Als we dat op hebben, vervolgde de schoolmeester, dan zal ik u mijn
+verzameling eens laten zien.
+
+Hij sprak het woord "_mijn verzameling_" op een toon, die het verwijt
+van zijn makkers volkomen rechtvaardigde en ongetwijfeld kon een
+conservator van een museum er niet trotscher op zijn. Bovendien
+scheen mij de collectie zeer rijk toe, tenminste voor zoover ik er
+over oordeelen kon, en zij nam bijna zijn geheele kamer in beslag,
+daar de kleine stukken op de stoelen en de tafel waren uitgestald
+en de grootere op den grond lagen. Twintig jaren lang had hij alles
+verzameld, wat hij bij zijn werk vond en de moeite waard achtte om
+te bewaren, en daar de mijnen van Cère en Divonne zeer rijk zijn
+aan delfstoffen, bezat hij inderdaad zeldzame stukken, die een
+natuurvorscher of een geoloog gelukkig gemaakt zouden hebben.
+
+Hij verlangde evenzeer om te spreken als ik om te luisteren; wij
+hadden dus in zeer korten tijd onze kastanjes naar binnen gewerkt.
+
+Hij vertelde mij toen alles, wat ik gaarne weten wilde, terwijl hij
+mij de verschillende namen zijner steenen opnoemde. De avond begon
+reeds te vallen, eer hij hiermede geëindigd had, maar ik was toen
+wel gedwongen, om naar de woning van oom Gaspard terug te keeren.
+
+
+
+
+XXV.
+
+DE OVERSTROOMING.
+
+
+Den anderen morgen begaven wij ons weder naar de mijn.
+
+--Wel, vroeg oom Gaspard aan den schoolmeester, zijt gij gisteren
+tevreden over den knaap geweest?
+
+--Zeker, hij heeft ooren, en ik hoop, dat hij spoedig ook oogen
+zal hebben.
+
+--Het voornaamste is dat hij armen heeft, antwoordde oom Gaspard.
+
+Hij gaf mij een houweel, om hem behulpzaam te wezen in het afbeitelen
+van een stuk steenkool, waarvan hij het benedengedeelte onderhanden
+had; de opperman moet den arbeider soms in het werk bijstaan.
+
+Toen ik de derde maal het wagentje naar den put Saint-Alphonsine
+rolde, hoorde ik plotseling een oorverdoovend geraas, een vreeselijk
+geweld zooals ik nog nooit gehoord had. Was het een verzakking of een
+instorting? Ik luisterde; het geraas bleef voortduren en drong van
+alle zijden naar binnen. Wat beteekende dit? Ik schrikte hevig en mijne
+eerste gedachte was om naar de ladder te snellen en te ontvluchten.
+
+Maar men had reeds dikwijls met mijn bangheid den spot gedreven; uit
+schaamte besloot ik te blijven. Was het een mijnontploffing of een
+wagen, die in een put werd geledigd; of waren het slechts aardhoopen,
+die door de gangen naar beneden stortten?
+
+Eensklaps snelde een bende ratten langs mij heen alsof zij een
+escadron huzaren waren, die op de vlucht geslagen werden; daarop
+hoorde ik een zonderling geritsel tegen den grond en de muren,
+als het kabbelen van doorstroomend water. De plaats waar ik stond,
+was echter geheel droog en dat geluid was mij dus onverklaarbaar.
+
+Ik nam mijn lampje en nadat ik een blik in het rond geworpen had,
+bukte ik mij om langs den grond te kijken.
+
+Het was inderdaad het water; het kwam uit de putten en steeg naar de
+gangen. Dat geweldige leven, dat gedonder werd dus veroorzaakt door
+een waterloozing die de mijn binnendrong.
+
+Ik liet mijn wagen op de rails staan en ijlde naar de werkplaats.
+
+--Oom Gaspard, het water is in de mijn!
+
+--Wat een onzin!
+
+--Er is een gat door de Divonne geboord, laten wij ons redden.
+
+--Laat mij met rust.
+
+--Luister dan zelf.
+
+Ik zeide dit op zulk een angstigen toon, dat oom Gaspard zijn werk
+een oogenblik staakte om te luisteren; hetzelfde geluid was het, maar
+nog veel sterker, veel onheilspellender. Men kon zich niet vergissen:
+het water stroomde met alle kracht binnen.
+
+--Red u, riep hij, het water is in de mijn!
+
+En al roepende: "het water is in de mijn", greep oom Gaspard zijn
+lampje, want hiervoor zorgt de mijnwerker altijd in de eerste plaats,
+en snelde de gang in.
+
+Nog geen tien stappen had ik gedaan, of ik zag den schoolmeester
+eveneens zich naar de gang begeven, om naar het geluid te onderzoeken.
+
+--Water in de mijn! riep oom Gaspard hem toe.
+
+--De Divonne heeft een gat geboord! voegde ik er bij.
+
+--Zijt ge dwaas!
+
+--Redt u! riep de schoolmeester.
+
+De oppervlakte van het water was spoedig in de gang gestegen, en
+reikte bijna tot onze knieën, wat ons het voortgaan zeer belemmerde.
+
+De schoolmeester liep met ons mede en alle drie snelden wij voort,
+terwijl wij bij elke werkplaats riepen:
+
+--Redt u! Het water is in de mijn!
+
+Het water steeg met eene ontzettende snelheid; gelukkig waren wij
+niet ver van de ladders verwijderd, daar wij deze anders nooit zouden
+hebben bereikt. De schoolmeester was de eerste, maar hij wachtte.
+
+--Gaat gij maar vooruit, ik ben de oudste en ik heb een gerust geweten.
+
+Het was hier de plaats niet om beleefdheden met elkander te
+wisselen; oom Gaspard klom het eerst naar boven, ik volgde hem en de
+schoolmeester achter mij en na dezen, maar een heel eind achter hem,
+eenige werklieden, die zich bij ons gevoegd hadden.
+
+Nooit waren de veertig meters, welke de eerste van de tweede laag
+scheidden, met grootere snelheid afgelegd. Maar vóór dat wij de
+laatste trede bereikt hadden, viel een stroom water ons op het hoofd,
+waardoor onze lampen uitdoofden. Het was een waterval.
+
+--Houd je goed vast! riep oom Gaspard.
+
+Wij klemden ons alle drie zoo vast mogelijk aan de sporten om het
+water weerstand te bieden, maar zij, die achter ons kwamen, werden
+medegesleurd, en ongetwijfeld zouden wij, wanneer we nog een tiental
+sporten moesten stijgen, evenals zij, in de diepte gestort zijn,
+want de waterval was een stortvloed geworden.
+
+Toen wij de eerste laag bereikt hadden, waren wij nog niet gered, want
+nog een vijftig el hadden wij af te leggen, eer we bij den uitgang
+waren, en ook in de gaanderij bevond zich het water; wij hadden geen
+licht, nu onze lampen waren uitgedoofd.
+
+--Wij zijn verloren, zeide de schoolmeester bedaard; beveel uw ziel
+aan God, Rémi.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik verschenen in de gang zeven of acht lampen,
+die ons tegemoet snelden; het water reikte tot aan onze knieën en
+zonder ons te bukken, raakten wij het met de hand aan. Het was geen
+kalm stroomend water, het was een vloed, een draaikolk, die alles
+medevoerde wat hij op zijn weg vond en stukken hout als veertjes
+draaien deed.
+
+De mannen, die ons te hulp schoten en wier lampen wij bespeurden,
+wilden de gang volgen en op deze wijze de trappen en de ladders, die
+zich in de nabijheid bevonden, bereiken; maar tegen zulk een stroom
+waren zij niet opgewassen; hoe dezen te stuiten, hoe weerstand te
+bieden aan zijn kracht en aan het hout, dat hij met zich voortsleurde?
+
+Ook hun ontsnapte dezelfde uitroep, dien de schoolmeester zich had
+laten ontvallen:
+
+--Wij zijn verloren!
+
+Zij waren ons thans genaderd.
+
+--Dien kant! riep de schoolmeester, die de eenige scheen, welke zijn
+tegenwoordigheid van geest behouden had; ons eenige toevluchtsoord
+zijn de oude werken.
+
+De oude werken waren een gedeelte van de mijn, waarin sedert langen
+tijd niet meer gearbeid werd en waar niemand ooit kwam; maar de
+schoolmeester had ze dikwijls bezocht als hij eenige merkwaardige
+steenen voor zijn collectie zocht.
+
+--Keert terug! riep hij, en geef mij een uwer lampen, dan zal ik u
+daarheen brengen.
+
+Gewoonlijk lachte men om hetgeen hij zeide, of keerde men hem
+schouderophalend den rug toe; maar de sterksten hadden thans zelf hun
+kracht verloren, waarop zij zoo trotsch plachten te zijn en een ieder
+volgde het bevel op, dat uit den mond van den man kwam, dien men vijf
+minuten geleden nog bespotte; werktuigelijk reikte elk hem zijn lampje.
+
+Haastig greep hij er een met de eene hand, en vatte hij mij met de
+andere vast, terwijl hij zich aan het hoofd van den troep stelde. Daar
+wij nu dezelfde richting als de stroom volgden, liepen wij veel
+sneller.
+
+Ik wist niet waarheen wij ons begaven, maar mijn hoop was teruggekeerd.
+
+Nadat wij de gang eenige minuten lang gevolgd hadden--ik weet niet
+of het minuten, dan wel seconden waren, want wij hadden geen besef
+meer van tijd--bleef hij stilstaan.
+
+--Wij zullen daartoe geen tijd meer hebben! riep hij, want het water
+stijgt met te groote snelheid.
+
+Werkelijk rees de spiegel al hooger en hooger; van mijn knieën was
+het tot aan de heupen gekomen en van de heupen tot aan mijn borst.
+
+--Wij moeten de wijk nemen naar een der zijgangen, die naar boven
+loopt, zeide de schoolmeester.
+
+--En dan?
+
+--De zijgang leidt nergens heen.
+
+Een zijgang in te slaan was de laatste kans op redding, want dezen
+hebben geen uitgang; maar het was hier kiezen of deelen: wij moesten
+òf de zijgang nemen en daardoor eenige minuten tijd winnen, dat is
+te zeggen, daarmede de uitkomst op redding vermeerderen, òf de gang
+volgen met de zekerheid van binnen weinige oogenblikken verzwolgen
+te worden door de golven.
+
+De schoolmeester voerde ons dus naar de zijgang. Twee onzer makkers
+wilden de gaanderij doorwaden en hen hebben wij ook nooit teruggezien.
+
+Toen wij de gang hadden bereikt en weder tot bewustzijn kwamen, hoorden
+wij een donderend geraas, dat alles overstemde. Dat geluid was reeds
+onstaan vóór dat wij vluchtten, maar wij hadden er niet op gelet. Het
+werd veroorzaakt door de instortingen, het doorbreken van het water,
+het neerploffen in de kolken, het uiteenrukken van het houtwerk en
+de losbarstingen van de saamgeperste lucht. Dit alles deed in de mijn
+een ontzaggelijk gedruisch ontstaan, waarbij hooren en zien verging.
+
+--Het is de zondvloed.
+
+--Het einde van de wereld.
+
+--Groote God, heb medelijden met ons!
+
+Sedert wij ons in de zijgang bevonden, had de schoolmeester geen woord
+gesproken, want zijn krachtige geest was verheven boven ijdel klagen.
+
+--Kinderen, zeide hij, wij moeten ons niet vermoeien; wanneer wij
+onze handen en voeten zoo vastgeklemd houden, dan verliezen wij onze
+krachten; wij moeten rustpunten uithouwen in de wanden.
+
+Deze raad was van het grootste belang, maar zeer moeilijk om ten
+uitvoer gebracht te worden, want niemand had zijn houweel medegenomen;
+wij hadden alleen onze lamp, maar geen van ons zijn gereedschap.
+
+--Met de haken van onze lampen, zeide de schoolmeester.
+
+En wij begonnen allen den grond met de haken van de lampen uit te
+houwen; het was een zwaar werk, want de zijgang was zeer steil en
+de wanden zeer glad. Maar wanneer men weet, dat, als men uitglijdt,
+men den dood in de diepte vindt, dan is men krachtig en behendig.
+
+Binnen weinige minuten hadden wij elk een holte uitgehouwen, waarin
+wij onzen voet konden doen steunen.
+
+Toen wij dit gedaan hadden, durfden we ademhalen en elkander
+aanzien. Wij waren met ons zevenen: de schoolmeester, ik, oom Gaspard,
+drie houwers en een opperman; de andere werklieden waren in de gang
+verdwenen.
+
+Het gedruisch in de mijn ging steeds met dezelfde hevigheid voort;
+geen woorden kunnen de kracht ervan uitdrukken en het gebulder van
+het geschut, dat zich paart aan het ratelen van den donder en het
+dreunen der instortende bergmassa, zou geen ontzaglijker geweld
+teweeggebracht hebben.
+
+Verschrikt, buiten ons zelf van angst, staarden wij elkander aan en
+trachtten in elkanders blik een verklaring te lezen, die het verstand
+ons niet aangaf.
+
+--Het is de zondvloed, sprak de een.
+
+--De wereld vergaat.
+
+--Een aardbeving.
+
+--De genius der mijn, die vertoornd is en zich wreken wil.
+
+--Een overstrooming, die door een opeenhooping van het water in de
+oude werken veroorzaakt is.
+
+--Een gat dat de Divonne heeft geboord.
+
+Deze laatste opmerking kwam van mij, want ik hield vol, dat het niets
+anders zijn kon.
+
+De schoolmeester zeide niets en zag ons beurtelings aan, terwijl hij
+de schouders ophaalde, alsof op klaarlichten dag deze vraag besproken
+werd, onder het lommer van een moerbezieboom, bij het genot van de
+een of andere lekkernij.
+
+--Het is een overstrooming, zeide hij ten laatste, toen ieder zijn
+meening had uitgesproken.
+
+--Door een aardbeving veroorzaakt.
+
+--Door den boozen geest van de mijn gezonden.
+
+--Zij komt van de oude werken.
+
+--Het is een gat, dat de Divonne in den weg geslagen heeft.
+
+Ieder herhaalde zijn meening.
+
+--Het is een overstrooming, vervolgde de schoolmeester.
+
+--En verder? Waar komt ze vandaan? vroegen verscheidene stemmen,
+als uit één mond.
+
+--Dat weet ik niet, maar wat den boozen geest van de mijn betreft,
+dat is onzin; wat de oude werken aangaat, dat is onmogelijk; het zou
+alleen waar kunnen zijn, wanneer de derde laag slechts overstroomd
+was, maar de tweede en de eerste is het ook; gij weet wel dat het
+water niet stijgt, maar altijd zakt.
+
+--Een gat.
+
+--Zulke gaten kunnen niet geboord worden.
+
+--Een aardbeving.
+
+--Dat weet ik niet.
+
+--Als gij het niet weet, zeg het dan ook niet.
+
+--Ik weet wat een overstrooming is, en dat beteekent al iets, een
+overstrooming die van boven komt.
+
+--Dat zien we allemaal, want ze is ons gevolgd.
+
+Daar we nu droog stonden, keerde meer en meer onze bedaardheid terug
+en daar het water niet langer steeg, wilde men niet meer naar den
+schoolmeester luisteren.
+
+--Doe maar niet of gij een geleerde zijt, want gij weet het evenmin
+als wij.
+
+De overmacht, die hij door zijn moed had verkregen, toen wij in gevaar
+verkeerden, had hij wederom verloren. Hij zweeg oogenblikkelijk.
+
+Om het geraas te overstemmen, spraken wij zoo luid mogelijk en toch
+klonk onze stem nog dof.
+
+--Zeg eens wat.
+
+--Wat zal ik zeggen?
+
+--Alles wat ge wilt, zeg maar wat, het eerste wat u invalt.
+
+Ik sprak eenige woorden.
+
+--Goed, nu wat zachter. Juist, goed.
+
+--Hebt ge uw verstand verloren, zeg, schoolmeester? vroeg er een.
+
+--Wordt ge krankzinnig van angst?
+
+--Denkt gij, dat ge dood zijt?
+
+--Ik geloof dat hier het water ons niet zal kunnen bereiken en dat,
+al mochten wij hier omkomen, wij niet zullen verdrinken.
+
+--Dat beduidt....
+
+--Kijk eens naar uw lamp.
+
+--Wel, zij brandt.
+
+--Zooals altijd?
+
+--Neen, de vlam is sterker, maar kleiner.
+
+--Is hier dan mijngas?
+
+--Neen, antwoordde de schoolmeester, daarvoor behoeven wij ook niet
+bevreesd te zijn; het mijngas evenmin dreigt ons, als thans het water,
+dat geen voet meer stijgt.
+
+--Doe maar niet of ge een toovenaar zijt.
+
+--Dat is mijn plan ook niet; wij bevinden ons als onder een stolp,
+waar de lucht niet in doordringt en juist daardoor wordt het water
+belet er in op te stijgen; de zijgang, die aan het einde afgesloten is,
+is thans voor ons, wat een duikerklok voor een duiker is; de lucht
+die door het water is opgedrongen, is in deze gang samengeperst,
+biedt nu aan den stroom weerstand en dringt dien terug.
+
+Toen wij den schoolmeester hoorden uitleggen, dat wij ons in een soort
+van duikerklok bevonden, waarin het water ons niet kon bereiken, daar
+het door de lucht tegengehouden werd, hoorde men van verschillende
+zijden halfluide opmerkingen die getuigden, dat niemand er geloof
+aan sloeg.
+
+--Wat een onzin! Heeft het water dan niet de meeste kracht?
+
+--Ja, wanneer het buiten, geheel in vrijheid stroomt; maar als ge
+een glas het onderstboven in een emmer dompelt, dan zult gij zien,
+dat het water niet tot bovenin uw glas doordringt. Een gedeelte blijft
+ledig. Welnu, in die ledige ruimte bevindt zich de lucht. Hier heeft
+thans hetzelfde plaats; wij zijn bovenin het glas, het water zal niet
+tot ons komen.
+
+--Dat begrijp ik, hernam oom Gaspard, en ik zie nu in, dat gij allen
+ongelijk hebt om den schoolmeester te bespotten; hij weet dingen,
+die wij niet verstaan.
+
+--Wij zijn dus gered?
+
+--Gered? Dat zeg ik niet. Wij zullen niet verdrinken, dat beloof
+ik u. Wij zijn gered, doordat de zijgang gesloten was en de lucht
+niet ontsnappen kon; maar juist wat ons nu redt, kan ons het leven
+kosten; de lucht kan er niet uit, ze is opgesloten. Maar wij zijn
+ook opgesloten en wij kunnen de gang niet verlaten.
+
+--Als het water gaat dalen....
+
+--Zal het dalen? dat weet ik niet; om dat te weten, moeten wij eerst
+bekend zijn met de oorzaak der stijging, en wie kan dat zeggen?
+
+--En gij zegt dat het een overstrooming is?
+
+--Welnu, wat dan nog? Het is een overstrooming, dat is zeker, maar waar
+komt ze vandaan? Is de Divonne buiten haar oevers getreden en heeft
+zij de putten doen volloopen; is het een stortregen, een bron, die den
+omtrek overstroomd heeft, of is het een aardbeving? Wij zouden boven
+moeten zijn om dat te kunnen beoordeelen en ongelukkig zijn we beneden.
+
+--Misschien is de stad weggespoeld?
+
+--Misschien....
+
+Een oogenblik heerschte er een diepe stilte en waren we allen hevig
+ontsteld.
+
+Het gedruisch van het water had opgehouden; van tijd tot tijd hoorde
+men nog slechts een dof gerommel en nu en dan voelde men een schok.
+
+--De mijn moet vol zijn, sprak de schoolmeester, het water dringt er
+niet langer in door.
+
+--En Marius! riep een der werklieden, wanhopend.
+
+Marius was zijn zoon en, evenals hij, houwer, die in de derde laag in
+de mijn werkte. Tot op dit oogenblik had de zorg voor eigen veiligheid,
+die altijd het krachtigst spreekt, hem belet om aan zijn zoon te
+denken; maar toen de schoolmeester zeide, dat de mijn gevuld was,
+begon hij aan zijn kind te denken.
+
+--Marius! Marius! riep hij op hartverscheurenden toon; Marius!
+
+Maar hij kreeg geen antwoord, zelfs de echo weerkaatste de stem niet,
+die binnen de wanden van de gang besloten bleef.
+
+--Hij zal ook een zijgang hebben opgezocht, hernam de schoolmeester;
+honderdvijftig menschen zullen toch niet verdrinken; dat zou vreeselijk
+zijn.
+
+Dit echter sprak hij niet op denzelfden overtuigenden
+toon. Honderdvijftig menschen minstens waren 's morgens de mijn
+ingegaan; hoeveel hadden haar door de schacht kunnen verlaten of een
+schuilplaats kunnen opzoeken, zooals wij? Al onze makkers omgekomen,
+verdronken, dood! Niemand durfde een woord spreken.
+
+Maar in een toestand als de onze, wordt het hart niet door medelijden
+of sympathie blijvend beheerscht.
+
+--En wij dan? vroeg een ander, na een poos gezwegen te hebben, wat
+zullen wij doen?
+
+--Wat wilt gij doen?
+
+--Er schiet ons niets anders over dan geduldig af te wachten, hernam
+de schoolmeester.
+
+--Wat afwachten?
+
+--Wachten; want zoudt gij dan die veertig of vijftig meters, die ons
+van het daglicht scheiden, met het haakje van uw lamp willen doorboren?
+
+--Maar wij zullen van honger sterven.
+
+--Dat is niet het grootste gevaar, dat ons bedreigt.
+
+--Kom, meester, zeg ons wat gij ervan denkt, gij maakt ons waarlijk
+bang; waar schuilt dan het gevaar, het grootste gevaar?
+
+--Aan den honger kan men weerstand bieden; ik heb wel eens gelezen,
+dat mijnwerkers, die, evenals wij, door het water overvallen waren,
+vier-en-twintig dagen zonder eten gebleven zijn; het is vele jaren
+geleden, het gebeurde tijdens de godsdienstoorlogen, maar al was het
+gisteren gebeurd, dan zou dit hetzelfde wezen. Neen, ik ben voor den
+hongerdood niet bang.
+
+--Waarvoor zijt ge dan bevreesd, daar ge zelf beweert, dat het water
+niet meer stijgt?
+
+--Voelt gij u niet zwaar in het hoofd, geen kloppen of bonzen? Haalt
+gij gemakkelijk adem?
+
+--Ik niet.
+
+--Ik heb hoofdpijn.
+
+--Ik voel mij of ik in zwijm zal vallen.
+
+--Mijn slapen bonzen geducht.
+
+--Ik ben krachteloos.
+
+--Juist, daarin schuilt het gevaar. Hoelang kunnen wij in deze
+lucht leven? Dat weet ik niet. Als ik een geleerde, inplaats van
+een domkop was, dan zou ik het u zeggen. Thans weet ik het niet. Wij
+bevinden ons een veertig el onder den grond; waarschijnlijk hebben
+wij vijf-en-dertig of veertig meter boven ons: dat beteekent dat de
+lucht een drukking van vier of vijf atmosferen ondergaat. Hoelang
+kan men in zulke samengeperste lucht leven? dat moeten wij in de
+eerste plaats weten en misschien zullen wij het ten koste van ons
+eigen leven te weten komen.
+
+Ik kon mij in het minst geen denkbeeld vormen wat samengeperste
+lucht was en dit misschien was de oorzaak, dat de woorden van den
+schoolmeester mij zoo hevig ontstelden; mijn makkers schenen ook
+niet minder verschrikt dan ik; zij wisten het evenmin en op hen,
+evenals op mij, maakte het onbekende een diepen indruk.
+
+De schoolmeester verloor geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van
+geest in dezen wanhopenden toestand, en hoewel hij zelf zeer goed
+het hachelijke van de zaak inzag, dacht hij slechts aan de middelen,
+die hij tot ons behoud kon aanwenden.
+
+--Het voornaamste is thans om ons hier zóó in te richten, dat wij
+niet door het water meegesleept worden.
+
+--Wij hebben holten gemaakt.
+
+--Gelooft gij, dat ge ook niet vermoeid zult worden door voortdurend
+in dezelfde houding te moeten blijven?
+
+--Denkt gij dan, dat we hier lang moeten blijven?
+
+--Weet ik dat?
+
+--Men zal ons zeker hulp zenden?
+
+--Zeker, maar om ons hulp te verleenen, moet men daartoe instaat
+zijn. Hoelang zal het duren, eer men in onze redding slaagt? Zij,
+die boven den grond zijn weten dat alleen. Wij, die er onder zijn,
+moeten ons zoo goed mogelijk inrichten, want indien een van ons
+uitglijdt, dan is hij verloren.
+
+--Wij moeten ons aan elkander vastmaken.
+
+--En de touwen?
+
+--Wij moeten elkander een hand geven.
+
+--Ik geloof, dat we het best doen, door treden uit te houwen, en een
+trap te maken; wij zijn met ons zevenen, op twee treden kunnen we
+dus allen gemakkelijk staan: vier op de eerste, drie op de tweede.
+
+--Waarmede zullen we ze uithouwen?
+
+--Wij hebben geen houweelen.
+
+--Met onze lampehaken in het zachte gedeelte, met onze messen in
+het harde.
+
+--Daarin zullen we nooit slagen.
+
+--Zeg dat toch niet, Pagès; in onzen toestand kan men alles als het
+op zelfbehoud aankomt; als op dit oogenblik een van ons door den
+slaap overvallen wordt, dan is hij verloren.
+
+Door zijn koelbloedigheid en vastberadenheid had de schoolmeester weder
+zijn heerschappij over ons verkregen, die hoe langer hoe machtiger
+werd; wij beseften allen, dat zijn zedelijke moed grooter was dan de
+onze en allen verwachtten hulp van deze kracht.
+
+Wij begonnen te werken, want blijkbaar was het uithouwen dier treden
+het eerst wat wij doen moesten; wij moesten trachten ons zoo goed
+mogelijk in te richten, tenminste zoo, dat wij niet konden uitglijden
+in de diepte, die zich onder onze voeten uitstrekte. Vier lampen waren
+aangestoken en deze verspreidden voldoende licht om ons bij het werk
+te leiden.
+
+--Laten we een plaats uitzoeken, die het best geschikt is voor het
+uithouwen, hernam de meester.
+
+--Luistert, sprak oom Gaspard, ik heb u een voorstel te doen;
+als iemand van ons goed zijn verstand heeft, dan is het wel de
+schoolmeester; toen wij half waanzinnig van angst waren, behield hij
+zijn kalmte; hij is een man en hij heeft bovendien een goed hart. Hij
+is evenals wij trouw geweest, en hij weet van heel veel dingen meer
+dan wij. Laat hij ons thans leiden en het werk verdeelen.
+
+--De schoolmeester! viel een der anderen in, waarom ik niet? Ik ben
+even goed opperman als hij.
+
+--Hij is geen opperman; hij is een man en nog wel de dapperste van
+ons allen.
+
+--Gisteren zeidet gij dat ook niet.
+
+--Gisteren was ik even dom als gij, ik dreef evenals gij den spot
+met hem en wilde zijn meerderheid niet erkennen. Vandaag verzoek ik
+hem over ons te bevelen. Kom meester, zeg maar wat ik doen moet! Ik
+heb sterke armen, dat weet gij. En wat zegt gij?
+
+--Kom, meester, wij gehoorzamen u.
+
+--En wij zullen u gehoorzamen.
+
+--Luistert, sprak hij: daar gij wilt, dat ik mij aan het hoofd zal
+stellen, stem ik daarin toe; maar op die voorwaarde, dat gij alles
+doet, wat ik u zeg. Wij kunnen hier lang blijven, verscheidene dagen;
+ik weet niet wat er gebeuren zal; wij zijn hier als schipbreukelingen
+op een wrak in den meest hachelijken toestand, want op een wrak heeft
+men lucht en licht, men ademt en kan naar redding uitzien; wat er
+ook gebeuren moge, als ik uw leidsman ben, moet gij mij gehoorzamen.
+
+--Men zal u gehoorzamen! riepen allen.
+
+--Als gij gelooft, dat alles wat ik verzoek billijk is, ja, dan zult
+gij gehoorzamen; maar wanneer gij het niet gelooft?
+
+--Wij zullen het gelooven.
+
+--Men weet, dat gij een verstandig man zijt, meester.
+
+--En een moedig man.
+
+--En een man van ondervinding.
+
+--Gij moet ons het spotten vergeven, meester.
+
+Ik bezat toen nog niet de ondervinding, die ik op later leeftijd
+verkreeg, en ik was verbaasd, hoe zij, die eenige uren geleden nog
+duchtig den spot met hem dreven, thans al zijne goede hoedanigheden
+erkenden. Ik wist toen niet hoezeer de omstandigheden de meeningen
+en gevoelens van sommige menschen kunnen doen veranderen.
+
+--Gij zweert het mij dus? sprak de schoolmeester.
+
+--Wij zweren, antwoordden allen tegelijk.
+
+Wij begonnen toen te werken; wij hadden allen een mes in onzen zak,
+goede, stevige messen, die veel konden verdragen.
+
+--Drie moeten de zijgang onderhanden nemen; de drie sterksten en
+de zwaksten, waaronder Rémi en ik behooren, zullen de uitgehouwen
+steenen wegwerpen.
+
+--Neen, gij moet niet werken, zeide een krachtige kerel, gij zijt
+niet sterk genoeg; de ingenieurs bevelen, maar werken zelf niet.
+
+Een ieder stemde hierin toe; men gevoelde van hoeveel nut hij ons
+was in gevaar, zoodat men wel alles had willen aanwenden om hem voor
+verdere ongelukken of rampen te bewaren: hij was onze loods.
+
+Het werk, dat wij moesten verrichten, was zeer eenvoudig geweest,
+zoo we ons gereedschap gehad hadden, maar met messen duurde het
+langer en was het moeilijker. Wij moesten twee treden in den wand
+uitgraven en opdat wij geen gevaar zouden loopen om in den afgrond te
+storten, moesten die treden vrij breed zijn en er voor drie of vier
+personen plaats op wezen. De opzichter sloeg ons werk met de grootste
+aandacht gade. Terwijl wij groeven, vonden wij onder het zand eenige
+stukjes hout, die ons van zeer veel nut waren om te beletten, dat de
+uitgehouwen steenen weggleden.
+
+Toen wij drie uren gewerkt hadden, zonder een oogenblik te rusten,
+hadden wij een vloer uitgehouwen, waarop wij konden zitten.
+
+--Voor het oogenblik is het genoeg, beval de schoolmeester; later
+zullen wij den houten vloer verbreeden, zoodat wij erop kunnen liggen;
+wij moeten onze krachten niet noodeloos verspillen, want we zullen
+ze nog te veel moeten gebruiken.
+
+Wij namen plaats: vier op de benedenste en drie op de bovenste trede.
+
+--Wij moeten ook zuinig met ons licht zijn, waarschuwde de meester,
+laten we de lampen dus, op een na, uitdooven.
+
+Deze bevelen werden terstond opgevolgd. De lampen zouden uitgedraaid
+worden, maar plotseling wenkte hij, dat men hiermede niet moest
+voortgaan.
+
+--Wacht even, hernam hij, een tocht kan ons licht uitdooven; het is
+niet waarschijnlijk, maar wij moeten zooveel mogelijk op alles rekenen;
+wie heeft er lucifers bij zich?
+
+Hoewel het streng verboden was om in de mijn licht aan te steken,
+hadden bijna alle werklieden lucifers in den zak, en daar de
+opzichter niet tegenwoordig was om deze inbreuk op de wet te straffen,
+antwoordden vier stemmen op deze vraag: Ik.
+
+--Ik heb ze ook, vervolgde de meester, maar zij zijn vochtig.
+
+Dit was met de anderen eveneens het geval, want ieder had de lucifers
+in zijn broekzak en wij waren tot aan de borst of de schouders in
+het water geweest.
+
+Een der arbeiders, Carrory, sprak toen:
+
+--Ik heb ze ook.
+
+--Vochtig?
+
+--Dat weet ik niet, ze zijn in mijn muts.
+
+--Geef dan uw muts hier.
+
+Inplaats van zijn muts te geven, zooals men hem verzocht, een zwarte
+bonten muts, reikte hij ons zijn lucifersdoosje; dank zij de goede
+bewaarplaats, waren deze tenminste niet vochtig geworden.
+
+--Blaast nu de lampen uit, beval de schoolmeester.
+
+Eén lamp bleef nog branden, maar deze verlichtte ternauwernood onze
+steenen stolp.
+
+
+
+
+XXVI.
+
+IN DE ZIJGANG.
+
+
+Diepe stilte heerschte er in de mijn, geen geluid drong meer tot
+ons door; het water lag onbeweeglijk aan onze voeten, zonder dat
+een rimpel het plooide of het minste gekabbel werd gehoord; de mijn
+was vol, zooals de meester gezegd had, en het water, nadat het alle
+gangen van boven tot onder had gevuld, sloot ons in onze gevangenis
+steviger en hermetischer dan een steenen muur dit had kunnen doen. Die
+loodzware, ondoordringbare stilte, die doodsche kalmte was vreeselijker
+en kwellender, dan het helsche leven, dat wij gehoord hadden bij het
+binnendringen van het water; wij waren in een graf, levend begraven
+onder dertig of veertig meter aarde.
+
+Het werk hield den geest bezig en gaf ons afleiding; de rust deed
+ons den toestand, waarin wij verkeerden, beseffen en van allen,
+zelfs van den meester, maakte zich een soort van bedwelming meester.
+
+Eensklaps voelde ik op mijn hand warme droppels vallen. Een der
+arbeiders weende in stilte.
+
+Op hetzelfde oogenblik hoorden wij op de bovenste trede een diepen
+zucht slaken en op klagenden toon roepen:
+
+--Marius! Marius!
+
+De vader dacht aan zijn zoon....
+
+Met moeite slechts ademden wij de lucht in; ik gevoelde mij bedrukt
+en aanhoudend suisde het in mijn ooren.
+
+Misschien verkeerde de meester in een minder bewusteloozen toestand
+dan wij, of wilde bij daartegen strijden en ons beletten om er ons
+aan over te geven; althans hij was de eerste, die de stilte verbrak:
+
+--Nu, zeide hij, moeten wij eens zien hoe groot onze voorraad
+eetwaren is.
+
+--Gelooft gij dan, dat wij lang zullen opgesloten blijven? viel
+Gaspard hem in de rede.
+
+--Neen, maar wij moeten onze voorzorgen nemen; wie heeft er brood
+bij zich?
+
+Niemand gaf antwoord.
+
+--Ik, zeide ik, ik heb een korstje brood in mijn zak.
+
+--In welken zak?
+
+--In mijn broekzak.
+
+--Dan zal het wel doorweekt zijn; maar laat het ons toch eens zien.
+
+Ik stak mijn hand in den zak, waarin ik dien morgen een snede versch
+brood bewaard had; ik haalde een stuk deeg te voorschijn, dat ik op het
+punt was om teleurgesteld weg te werpen, toen de meester mij weerhield.
+
+--Bewaar het nog, hoe slecht het ook is, gij zult het spoedig genoeg
+lekker vinden.
+
+Dat was geen geruststellende waarschuwing, maar wij sloegen er geen
+acht op; later eerst kwamen die woorden mij weder in het geheugen
+en bewezen mij toen, dat de meester van het eerste oogenblik af het
+volle bewustzijn van onzen toestand had, en al zag hij nu niet juist
+in, welk een gebrek aan voedsel ons te wachten zou staan, en hoe
+vreeselijk wij daaronder zouden lijden, hij begreep toch ten volle
+met welke moeilijkheden onze redding zou gepaard gaan.
+
+--Heeft nog iemand van u brood? vroeg hij.
+
+Men gaf geen antwoord.
+
+--Dat is jammer, vervolgde hij.
+
+--Hebt ge dan honger? vroeg er een.
+
+--Ik spreek niet voor mezelf, maar voor Rémi en Carrory; het brood
+zou voor hen zijn.
+
+--En waarom zouden wij het niet onder elkander verdeelen? vroeg
+Bergounhoux; dat zou onbillijk zijn, de honger is voor ons allen
+hetzelfde.
+
+--Dus als er brood was, dan zouden we twist gekregen hebben. Gij
+hebt beloofd, mij te zullen gehoorzamen; maar ik zie, dat gij mij
+niet gehoorzaamt, dan na uw misnoegen te kennen gegeven en na met
+elkander uitgemaakt te hebben of ik rechtvaardig handelde.
+
+--Bergounhoux zou gehoorzamen.
+
+--Er zou misschien een twist uit ontstaan, en twisten mogen wij niet;
+ik zal u dus zeggen, waarom Rémi en Carrory het brood zouden gehad
+hebben. Niet ik heb dat zoo bepaald, maar de wet; "De wet heeft gezegd,
+dat wanneer bij eene algemeene ramp verscheidene personen omkomen,
+de oudste beneden de zestig jaren geacht zal worden, de anderen
+te hebben overleefd," waarin opgesloten ligt, dat Rémi en Carrory,
+uithoofde van hun jeugd, minder weerstand aan den dood zullen bieden
+dan Pagès en Compayrou.
+
+--Gij zijt toch ook ouder dan zestig jaar.
+
+--O, ik tel niet mede; bovendien ben ik gewoon mij zeer matig te
+voeden.
+
+--Dus zou het brood, als ik het gehad had, toch voor mij wezen? vroeg
+Carrory.
+
+--Voor u en Rémi.
+
+--Als ik het niet had willen geven?
+
+--Dan zou men het u hebben afgenomen; gij hebt immers gezworen te
+zullen gehoorzamen?
+
+Hij bleef geruimen tijd zwijgen; eensklaps haalde hij een snede uit
+zijn muts te voorschijn.
+
+--Daar hebt gij een stuk.
+
+Die muts van Carrory was dus onuitputtelijk.
+
+Carrory spande alle krachten in om zijn muts te behouden, maar hij
+moest voor de overmacht zwichten en de muts werd aan den meester
+overhandigd.
+
+Deze verzocht om de lamp en wierp toen een blik tusschen de voering
+van het hoofddeksel. Hoewel wij niet in een zeer vroolijken toestand
+waren, werd dit onderzoek met vreugdegejuich begroet.
+
+Die muts bevatte: een pijp, tabak, een sleutel, een stukje worst, een
+perzikpit waarvan een fluitje was gemaakt, afgekloven schapecoteletten,
+drie versche noten en een ui. Zij was dus provisiekast en kleedingstuk
+tevens.
+
+--Het brood en de worst zullen we tusschen Rémi en u verdeelen.
+
+--Maar ik heb honger, hernam Carrory op smeekenden toon; ik heb nu
+reeds honger.
+
+--Van avond zult gij nog meer honger hebben.
+
+--Hoe jammer dat hij geen horloge ook in zijn pet heeft! Wij zouden
+nu weten hoe laat het was; het mijne staat stil.
+
+--Het mijne ook.
+
+De gedachte aan een horloge bracht ons tot de werkelijkheid terug. Hoe
+laat was het? Hoelang bevonden wij ons in de gang? Wij wisselden
+daarover van gedachten, maar konden het niet eens worden. De een
+meende, dat het twaalf uur in den morgen was; de ander weder, dat
+het zes uur 's avonds was. Hiermede bedoelde deze, dat wij reeds tien
+uren en de anderen, dat wij pas vijf uren waren opgesloten.
+
+Dit was het eerste verschil van gevoelen, dat zich openbaarde, een
+verschil, dat ook later bij herhaling bleek en een groote verwijdering
+teweegbracht. Wij waren niet in een stemming om te spreken, alleen om
+iets te zeggen. Toen de gedachtewisseling over den tijd geëindigd was,
+zwegen allen en ieder scheen zich aan eigen mijmeringen over te geven.
+
+Waarover liepen de mijmeringen van mijn kameraden? Ik weet het niet;
+maar als ik ze beoordeel naar de mijne, dan waren ze verre van
+opbeurend. Ondanks den beslissenden invloed van den meester, was ik
+nog volstrekt zoo zeker niet, dat we gered zouden worden. Ik was bang
+voor het water, bang voor de duisternis, bang voor den dood. Die stilte
+drukte mij loodzwaar; die donkere wanden van de gang schenen mij toe
+met al hun zwaarte op mijn lichaam te rusten. Zou ik dan nooit Lize
+terugzien, noch Martha, noch Alexis, noch Benjamin? Wie zou ze bij
+elkander houden, wanneer ik er niet meer wezen zou? Zou ik dan Arthur
+niet meer weerzien, noch mevrouw Milligan, noch Mattia? Zou men ooit
+aan Lize kunnen doen begrijpen, dat ik dood voor haar was? En moeder
+Barberin, arme moeder Barberin! Mijn gedachten werden hoe langer hoe
+treuriger; en wanneer ik tot eenige afleiding een blik wierp op mijn
+makkers, zag ik, dat zij even droevig gestemd waren als ik, en gaf ik
+mij weder aan mijn zwaarmoedig gepeins over. Zij echter waren aan het
+leven in de mijn gewend en daardoor gevoelden zij minder behoefte aan
+versche lucht, licht en zonneschijn; de aarde woog hun niet zoo zwaar.
+
+Plotseling maakte de stem van oom Gaspard een einde aan deze stilte.
+
+--Ik denk, dat men niets voor onze redding beproeft.
+
+--Waarom denkt gij dat?
+
+--Wij hooren niets.
+
+--De stad is verwoest, het was een aardbeving.
+
+--Of men meent in de stad, dat wij allen verloren zijn en dat er
+niets voor ons te doen is.
+
+--Men heeft ons dus vergeten?
+
+--Waarom denkt gij dat van uw makkers? viel de meester in de rede;
+het is niet billijk van u om ze zoo te beoordeelen. Gij weet wel,
+dat als een ramp de mijnwerkers treft, zij elkander altijd bijstaan;
+en dat twintig, ja honderd mannen zich eer zullen laten dooden, dan dat
+zij één makker niet te hulp zouden snellen. Dat weet gij immers wel?
+
+--Dat is waar.
+
+--Als dat waar is, waarom meent gij dan dat men ons zou vergeten?
+
+--Wij hooren niets.
+
+--Het is waar, wij hooren niets. Maar kunnen wij hier hooren? Wie
+weet dat? ik niet. En zoo wij al konden hooren en daardoor een blijk
+kregen, dat men niet werkte, is dat dan nog een bewijs, dat men
+ons aan ons lot overlaat? Weten wij de oorzaak van deze ramp? Als
+het een aardbeving is, dan moeten zij, die daaraan ontsnapt zijn,
+de stad eerst helpen. Als het slechts een overstrooming is, zooals ik
+onderstel, moet men eerst weten in welk een toestand de schachten zich
+bevinden. Misschien zijn zij ineengezakt. De plaats waar de lampen
+bewaard worden, is misschien ingestort. Het kan dus lang duren eer
+men iets tot onze redding kan aanbrengen. Ik zeg niet, dat wij gered
+zullen worden, maar ik ben ervan verzekerd, dat men iets tot onze
+redding in het werk stelt.
+
+Hij zeide dit met zulk een nadruk, dat het de meest ongeloovigen wel
+moest overtuigen.
+
+Bergounhoux echter hernam:
+
+--En als men meent, dat wij allen dood zijn?
+
+--Dan werkt men toch; maar als gij daarvoor bang zijt, laat ons hun
+dan een bewijs geven, dat we nog leven; laten we zoo hard mogelijk
+tegen den wand slaan; gij weet hoe het geluid zich voortplant door
+de aarde; als men ons hoort, dan weet men, dat men zich haasten moet,
+en onze geluiden zullen hen op het spoor kunnen brengen bij welk punt
+zij hun onderzoek moeten aanvangen.
+
+Zonder verder iets te zeggen, begon Bergounhoux, die zware schoenen
+aanhad, met alle kracht tegen den wand te schoppen om de mijnwerkers
+aan ons te herinneren en dit geraas, vooral de gedachte die het bij
+ons opwekte, deed ons uit den toestand van verdooving ontwaken. Zou
+men ons hooren? Zou men ons antwoorden?
+
+--Wat zou men doen, meester, vroeg Gaspard, als men ons hoort: zal
+men ons dan te hulp komen?
+
+--Er zijn twee middelen, en ik ben zeker, dat de ingenieurs ze beide
+gebruiken zullen: zij zullen zoolang boren, tot zij ons bereikt hebben
+en dan het water uitpompen.
+
+--O, een schacht boren!
+
+--Het water uitpompen!
+
+Deze opmerkingen brachten den meester niet van zijn meening terug.
+
+--Wij bevinden ons veertig meter onder den grond, niet waar? Als men
+zes of acht meter elken dag boort, dan zal men binnen zeven of acht
+dagen ons bereikt hebben.
+
+--Men kan geen acht meter daags boren.
+
+--Als men gewoon werkt niet, maar als men zijn makkers moet redden,
+kan men zoo veel.
+
+--Wij kunnen hier geen acht dagen leven: denk eens meester, acht
+heele dagen!
+
+--En dan het water? Hoe moet dat uitgepompt worden?
+
+--Het water, dat weet ik niet; eerst zou ik moeten weten, hoeveel
+water er in de mijn is: 200,000 kubieke meter of 300,000 misschien;
+dat kan ik niet beslissen. Maar om tot ons door te dringen, behoeft men
+niet alles eerst uit te pompen; wij bevinden ons in de bovenste laag
+en daar men de drie putten tegelijk met twee tonnen zal uitloozen,
+zullen zes tonnen elk 25 hectoliter water putten: dus 150 hectoliter
+zullen tegelijk worden uitgepompt. Gij ziet dus, dat het vrij snel
+in zijn werk kan gaan.
+
+Men begon toen te overleggen, welke maatregelen het best waren; ik voor
+mij begreep uit dit gesprek alleen dat, alles van de gunstigste zijde
+gezien, wij minstens acht dagen lang levend begraven zouden blijven.
+
+Acht dagen! De meester had wel gesproken van werklieden, die vier en
+twintig dagen opgesloten waren gebleven, maar dat was een verhaal en
+wij verkeerden in de werkelijkheid. Toen deze gedachte bij mij had
+post gevat, luisterde ik niet meer naar het gesprek.
+
+Ik weet niet sedert hoe lang deze gedachte mij overstelpte, toen zij
+allen zwegen.
+
+--Luister, sprak Carrory, in wien, juist omdat hij zoo weinig beschaafd
+was, de dierlijke eigenschappen meer ontwikkeld waren dan bij ons.
+
+--Waarnaar?
+
+--Ik hoor iets in het water.
+
+--Gij zult een steen hebben laten vallen.
+
+--Neen, het is een dof geluid.
+
+Wij luisterden.
+
+Ik had een zeer fijn gehoor, maar slechts voor die geluiden, welke
+men in het leven op de wereld waarneemt; hier hoorde ik niets. Mijn
+makkers, die gewoon waren aan de geluiden in de mijn, waren gelukkiger
+dan ik.
+
+--Ja, antwoordde de meester, er gebeurt iets in het water.
+
+--Wat, meester?
+
+--Dat weet ik niet.
+
+--Het water valt.
+
+--Neen, het geluid is niet aanhoudend; het is telkens een geregelde
+schok.
+
+--Geregelde schokken! dan zijn wij gered, kinderen! het is het
+uitpompen van het water met de tonnen.
+
+--Het uitpompen van het water....
+
+Allen tegelijk en op denzelfden toon herhaalden wij deze woorden en
+als door een electrische vonk getroffen, richtten wij ons op.
+
+Wij waren slechts veertig el onder den grond; de lucht was niet meer
+drukkend; de wanden van de gang wogen niet loodzwaar meer op ons hoofd;
+het gesuis in onze ooren had opgehouden; wij haalden vrij adem en
+ons hart klopte weder in onze borst.
+
+Carrory greep mijn hand en drukte deze krachtig:
+
+--Ge zijt een beste jongen, zeide hij.
+
+--Wel neen, gij zijt het.
+
+--Ik zeg, dat gij het zijt.
+
+--Gij hebt het eerst de tonnen gehoord.
+
+Maar hij wilde met alle geweld, dat ik een beste jongen was; hij deed
+denken aan de vriendschapsbetuigingen van een dronken man en inderdaad,
+wij waren dan ook dronken: dronken van hoop.
+
+Helaas! deze hoop zou niet zoo spoedig verwezenlijkt worden; voor
+geen van ons.
+
+Vóór wij het warme zonlicht zouden terugzien, vóór wij het ruischen
+van den wind door de bladeren zouden hooren, zouden wij nog vele
+lange en treurige dagen hier moeten doorbrengen, allerlei leed en
+kwellingen moeten doorstaan, ons zelf en elkander telkens afvragende
+of wij wel ooit het daglicht zouden terugzien en of wij wel ooit dat
+geruisch in de boomen weer zouden hooren.
+
+Maar om die vreeselijke ramp, welke de mijnen van Truyère getroffen
+heeft, te verhalen, zooals zij gebeurd is, moet ik thans de oorzaak
+ervan mededeelen en welke middelen de ingenieurs tot onze redding
+hadden aangewend.
+
+Toen wij dien maandagmorgen in de mijn waren nedergedaald, was de hemel
+bedekt en gevoelde men het naderen van een onweder. Tegen zeven uur was
+dit onweder losgebarsten en ging het met een waren zondvloed gepaard;
+de wolken, die zeer laag hingen, hadden zich in de kronkelende vallei
+der Divonne ontlast en toen zij eenmaal tusschen dien heuvelring
+besloten waren, hadden zij zich er niet boven kunnen verheffen; zij
+hadden den ganschen voorraad water in het dal uitgestort; het was geen
+overstrooming, geen waterval, het was een wolkbreuk, een zondvloed
+geweest. In een oogenblik was de Divonne en haar zijtakken boordevol
+geloopen, wat zeer natuurlijk was, daar de steenen bodem het water
+niet in zich opneemt, maar dit de helling van het terrein volgt om
+zich in de rivier te storten. Onmiddellijk was de steile bedding der
+rivier gevuld geraakt en de Saint-Andéol en de Truyère waren buiten
+hare oevers getreden. Door den was der Divonne teruggehouden, had het
+water uit de bedding der Truyère geen uitloozing kunnen krijgen en
+zich verspreid over het terrein, waaronder de mijnen gelegen zijn. Die
+overstrooming was plotseling geweest, maar de werklieden, die buiten
+arbeidden en op dat oogenblik bezig waren met het wasschen der erts
+en genoodzaakt om een schuilplaats op te zoeken, hadden geen gevaar
+geleden. Het was de eerste maal niet, dat de Truyère eene overstrooming
+ontstaan deed, en daar de openingen der drie schachten zoo hoog
+boven den grond waren, dat het water er zich niet kon instorten,
+had men geene andere maatregelen genomen, dan het hout weg te halen,
+hetwelk gereed lag om tot wanden in de mijngangen gebruikt te worden.
+
+Het was met dezen arbeid, dat de ingenieur der mijnen bezig was,
+toen hij eensklaps ontdekte, dat het water eene draaikolk vormde,
+en zich in een spleet stortte, die het zelf had uitgehold. Die spleet
+mondde uit in eene opening van de mijn.
+
+Men behoeft niet diep na te denken om te begrijpen, wat er plaats
+gegrepen had: het water stortte zich in de mijn door de gangen. Daar
+buiten daalde het peil, maar de mijn werd overstroomd en zou weldra
+geheel met water gevuld zijn, zoodat de arbeiders moesten verdrinken.
+
+De ingenieur snelde naar de schacht Saint-Julien en gaf bevel, dat men
+hem in de ton zou neerlaten; maar toen hij zijn voet daarin zette,
+gaf hij een teeken, dat men wachten zou. Daaronder hoorde men een
+onzaglijk gedruisch; het was de heftige stroom van het water.
+
+--Ga er niet in, riepen de arbeiders en wilden hem terughouden;
+maar hij rukte zich los en zijn horloge uit den zak nemend gaf hij
+dit aan een van hen met de woorden:
+
+--Dat is voor mijne dochter, als ik niet terugkom.
+
+Daarop wendde hij zich tot de mannen, die het windas hanteerden en
+gaf toen bevel, hem te laten zakken.
+
+De ton daalde; toen hief hij het hoofd op en riep den arbeider toe
+wien hij zijn horloge gegeven had:
+
+--Zeg haar, dat haar vader haar in gedachten omhelst.
+
+De ton is beneden. De ingenieur roept; vijf mijnwerkers komen tot hem;
+hij laat hen plaats nemen in de ton. Terwijl zij opgeheschen worden,
+roept hij opnieuw, maar tevergeefs; zijne stem wordt niet gehoord door
+het gedruisch van het water en het instorten der gangen van den grond.
+
+Intusschen dringt het water door in de gaanderij en op dat oogenblik
+ontwaart de ingenieur eenige lampen.
+
+Hij begeeft zich in die richting, tot over de knieën door het water
+wadende en brengt nog drie man bij de ton, die middelerwijl weder
+is neergelaten. Hij doet hen daarin plaats nemen en wil zich naar
+de andere lampen begeven, die hij gezien heeft. Maar de mannen,
+die hij heeft gered, houden hem met geweld tegen en trekken hem
+in de ton, terwijl zij het signaal tot ophijschen geven. Het was
+tijd, het water had alles overstroomd. Dit redmiddel was dus verder
+onmogelijk. Men moest een ander zoeken, maar welk? Hij stond bijna
+geheel alleen; honderd-vijftig arbeiders waren in de mijn neergedaald,
+want honderd-vijftig lampen waren dien morgen uitgereikt. Slechts
+dertig lampen waren teruggebracht: alzoo moesten er honderd-twintig
+man in de mijn wezen. Waren zij omgekomen? Leefden zij nog? Hadden
+zij een schuilplaats weten te vinden? Die vragen rezen bij hem op en
+vervulden hem met vrees en angst.
+
+Op het oogenblik dat de ingenieur zich overtuigde, dat er honderd
+twintig man in de mijn opgesloten waren, hadden er buiten verschillende
+ontploffingen plaats; reusachtige steenblokken werden in de hoogte
+geworpen; de huizen sidderden alsof zij door een aardbeving heen
+en weer geschud werden. Dit verschijnsel verklaarde de ingenieur
+aldus: het gas en de lucht, die door het water teruggedrongen werden,
+hebben zich in de zijgangen, die geen uitgangen hebben, saamgehoopt
+en daar, waar de aardlaag te zwak is boven de spleten, hebben zij de
+aardkorst doen barsten als de wanden van een ketel. De mijn is vol;
+de ramp is geschied.
+
+In dien tusschentijd was het gebeurde in Varses bekend geworden; van
+alle kanten daagde de menigte op, werklieden, nieuwsgierigen, vrouwen
+en kinderen der bedolven arbeiders kwamen toesnellen. Deze vroegen,
+andere zochten. En daar men hun niets kon antwoorden, verkeerde hun
+smart in toorn. Men hield de waarheid geheim. Dat was de schuld van
+den ingenieur! En men maakte zich gereed om de bureau's binnen te
+dringen, waar de ingenieur over zijn plan gebogen zat, niets van
+de eischers hoorde, de plaatsen berekenende, waar de arbeiders een
+schuilplaats hadden kunnen zoeken en waar de redding het eerst moest
+begonnen worden.
+
+Gelukkig waren de ingenieurs van de naburige mijnen met hun
+arbeiders toegesneld en met hen de werklieden uit de stad. Men kon
+de menigte tegenhouden, tot haar spreken. Maar wat kon men tot haar
+zeggen? Honderd-twintig man ontbreken nog. Waar zijn zij?
+
+--Mijn vader?
+
+--Waar is mijn man?
+
+--Geef mij mijn zoon terug! De stemmen hebben geen klank, de vragen
+worden door snikken afgebroken. Wat dien kinderen, die vrouwen en
+moeders te antwoorden?
+
+Één woord slechts: de ingenieurs zijn met elkander in overleg.--Wij
+zullen zoeken, wij zullen het onmogelijke beproeven. Vooruit!
+
+De middelen welke tot redding moesten aangewend worden, waren die,
+welke de meester ook voorzien had. De tonnen, die het water moesten
+uitpompen, waren reeds in de drie putten gebracht, en zij zouden dag
+noch nacht met werken eindigen, totdat het oogenblik gekomen was,
+waarop de laatste droppel water in de Divonne geloosd zou zijn.
+
+Gelijktijdig zou men met het uithouwen der gangen een aanvang
+maken. Waarom boorde men in die en niet in eene andere richting? dat
+wist men zelf niet. Voor een gedeelte moest men 't aan het toeval
+overlaten; maar men werkte. De ingenieurs konden het niet eens worden
+welk nut het had om de gangen, zonder eenige zekerheid in welken
+toestand de nog levende mijnwerkers verkeerden, te onderzoeken;
+maar de mijningenieur hoopte dat de arbeiders in de oude werken een
+schuilplaats zouden gevonden hebben, waar de overstrooming hen niet
+had kunnen bereiken, en hij wilde, dat men beginnen zou met die plaats
+te doorboren, al zou men niemand redden.
+
+De opening, welke voor deze doorboring noodig was, zou men zoo
+klein mogelijk maken, om alles in den kortst mogelijken tijd te
+laten geschieden.
+
+Zonder zich dag noch nacht een oogenblik rust te gunnen, zou men met
+dezen arbeid voortgaan; aanhoudend zou men pompen en boren tegelijk.
+
+Al duurde het lang voor hen, die buiten de mijn tot onze bevrijding
+werkten, hoeveel langzamer moest de tijd omgaan voor ons, die
+machteloos en gevangen waren, die verplicht waren te wachten, zonder
+eenige zekerheid of men nog tijds genoeg zou komen om ons te redden.
+
+Het pompen deed ons niet lang in dienzelfden opgewonden toestand
+blijven, waarin het ons eerst gebracht had. Door nadenken geraakten wij
+in een andere stemming. Wij waren niet vergeten; men had alles tot onze
+redding in het werk gesteld; onze hoop zou dus niet ijdel zijn; maar
+zou het uitpompen spoedig genoeg voortgaan? dit maakte ons angstig.
+
+Bij het lijden van den geest voegden zich thans de kwellingen van
+het lichaam. De moeilijke houding, waarin wij verplicht waren op den
+uitgehouwen bodem te blijven staan, werd hoe langer hoe afmattender;
+wij konden ons niet bewegen om onzen strammen leden weder lenigheid
+te geven en onze hoofdpijn werd erger en hinderlijker.
+
+Carrory was het minst aangedaan.
+
+De schoolmeester gaf ons brood.
+
+--Het is niet genoeg, zeide Carrory.
+
+--Het stukje brood moet langer duren.
+
+De anderen zouden gaarne deelgenomen hebben aan onzen maaltijd,
+maar zij hadden gezworen te gehoorzamen en zij hielden hun eed.
+
+--Al is ons het eten verboden, drinken mogen wij zooveel wij lusten,
+sprak Compayrou.
+
+--Zooveel ge wilt; wij hebben water in overvloed.
+
+--Drink de gang maar leeg.
+
+Pagès wilde naar beneden gaan, maar de meester veroorloofde dit niet.
+
+--Gij zult een wand doen instorten; Rémi is lichter en vlugger,
+hij zal naar beneden gaan en ons het water aanreiken.
+
+--Waarin?
+
+--In mijn schoen.
+
+Men gaf mij een schoen en ik maakte mij gereed om mij naar beneden
+te laten glijden.
+
+--Wacht even, sprak de meester, laat ik u een hand geven.
+
+--Wees maar niet bang: als ik val, dan is het nog niets, want ik
+kan zwemmen.
+
+--Ik wil u een hand geven.
+
+Op het oogenblik, dat de meester zich vooroverboog, gleed hij vooruit
+en, hetzij hij zijn beweging slecht had berekend, of wel zijn lichaam
+stijf was geworden door den langen tijd van rust, of het hout hem
+niet meer kon torsen, hij gleed langs de helling van den zijgang en
+verdween met het hoofd voorover in den duisteren afgrond. De lamp,
+die hij vasthield, om mij bij te lichten, viel eveneens. Er heerschte
+thans volslagen duisternis en uit aller borst ontsnapte een angstkreet.
+
+Gelukkig was ik op het punt om neer te dalen en ik liet mij langs
+mijn rug afglijden, zoodat ik een seconde na den meester mij in het
+water bevond.
+
+Gedurende mijn reizen met Vitalis had ik genoeg zwemmen geleerd,
+om mij even zoo op mijn gemak te gevoelen in het water als op den
+vasten grond; maar hoe zou ik mij in dat donkere hol bewegen?
+
+Daaraan had ik niet gedacht, toen ik mij naar beneden liet vallen;
+ik had slechts aan den meester gedacht, die zou verdrinken, en met
+het instinct van een nieuwfoundlander had ik mij in het water geworpen.
+
+Waar te zoeken? In welke richting zou ik mijn arm uitstrekken? Hoe
+zou ik duiken?
+
+Dit overlegde ik bij mezelf, toen ik mij krampachtig bij den schouder
+voelde grijpen en in het water getrokken werd. Een flinke stoot met
+mijn voet deed mij weder boven komen; de hand had mij niet losgelaten.
+
+--Houd mij goed vast, meester, en steun op mij, terwijl gij uw hoofd
+omhoog houdt; dan zijt gij gered.
+
+Gered! wij waren het geen van beiden, want ik wist niet in welke
+richting ik zwemmen moest; plotseling viel mij iets in.
+
+--Zeg eens iets, riep ik mijn makkers toe.
+
+--Waar zijt gij, Rémi?
+
+Het was de stem van oom Gaspard; zij duidde mij de richting aan;
+ik moest naar de linkerzijde zwemmen.
+
+--Steek een lamp aan.
+
+Oogenblikkelijk zag ik eenig licht; ik behoefde mijn arm slechts uit
+te strekken om den oever te bereiken en klemde mij aan een stuk steen
+vast, terwijl ik den meester naar mij toe trok.
+
+Het werd hoog tijd, want hij had reeds veel water ingeslikt en hij
+begon bijna te stikken; ik trachtte zijn hoofd boven water te houden
+en hij kwam spoedig weder tot zich zelf.
+
+Oom Gaspard en Carrory bogen zich voorover en reikten ons de hand,
+terwijl Pagès op onze trede was komen staan en ons met zijn lamp
+bijlichtte. Oom Gaspard vatte den meester bij de eene hand en Carrory
+bij de andere, waarop beiden hem toen omhoog heschen, terwijl ik hem
+van achter steunde. Toen hij boven was, klom ik ook de trap op.
+
+Hij was weder geheel tot kennis gekomen.
+
+--Kom hier, zeide hij tot mij, ik moet u aan mijn hart drukken;
+gij hebt mijn leven gered.
+
+--Gij hebt ons aller leven gered.
+
+--Met dat al, hernam Carrory, die zich nooit door zijn gevoel liet
+medesleepen, heb ik mijn schoen verloren.
+
+--Ik zal uw schoen gaan halen.
+
+Maar men hield mij tegen.
+
+--Ik verbied het u, sprak de meester.
+
+--Geef mij dan een anderen, dan zal ik tenminste wat water om te
+drinken halen.
+
+--Ik heb geen dorst meer, antwoordde Compayrou.
+
+--Laten wij op de gezondheid van den meester drinken.
+
+En ik liet mij voor de tweede maal naar beneden glijden, maar minder
+snel en met meer behoedzaamheid dan den eersten keer.
+
+Wel waren wij niet verdronken, maar door-en-door nat. In het eerst
+hadden wij niet gedacht aan de gevolgen, maar de koude van onze natte
+kleederen herinnerde er ons spoedig aan.
+
+--Men moet een jas aan Rémi afstaan, zeide de meester.
+
+Maar niemand gaf eenig antwoord op dit verzoek, daar het tot allen
+tegelijk gericht was, en dus niemand gedwongen werd.
+
+--Niemand spreekt?
+
+--Ik heb het ook koud, antwoordde Carrory.
+
+--Hebben wij het met onze natte kleeren dan warm?
+
+--Gij behoeft niet in het water te vallen.
+
+--Als het zoo gesteld is, hernam de meester, dan zal hier het lot
+moeten beslissen, wie een gedeelte van zijn kleederen zal afstaan. Ik
+kan wel zonder jas, maar thans eisch ik gelijkheid.
+
+Daar niemand van ons droge kleederen meer aanhad en de meesten tot aan
+de heupen in het water hadden gestaan, was het verwisselen van jas niet
+van zoo heel veel belang; maar de meester wilde deze verandering en,
+toen het lot beslist had, trok ik de jas aan van Compayrou, en daar
+de beenen van dezen wel zoo lang waren als mijn geheele lichaam,
+was zijn jas droog.
+
+Toen ik daarin gewikkeld was, werd ik terstond warm.
+
+Na dit onaangename voorval, dat ons een oogenblik uit onzen dommeligen
+toestand gewekt had, vervielen wij weder in den staat van halve
+bedwelming en maakte de gedachte aan den naderenden dood zich opnieuw
+van ons meester.
+
+Ongetwijfeld drukte die gedachte zwaarder op mijne makkers dan op mij,
+want terwijl zij wakker bleven in een toestand van doffe wezenloosheid,
+raakte ik in slaap.
+
+Daarvoor intusschen was mijne plaats niet zeer gunstig en elk oogenblik
+liep ik gevaar in het water te vallen. De meester zag dit en nam
+mijn hoofd onder zijn arm. Hij knelde mij wel niet tegen zich aan,
+maar toch hield hij mij stevig genoeg vast om te voorkomen, dat ik
+viel. Hij was als een moeder, die haar kind op den schoot houdt. Niet
+alleen had de meester een krachtigen geest, hij bezat ook een goed
+hart. Eerst toen ik half ontwaakte, gaf hij een andere houding aan
+zijn arm, die verstijfd was, maar toen bleef hij weder onbeweeglijk
+en fluisterde mij toe:
+
+--Slaap maar, mijn jongen, ik heb u goed vast; slaap gerust door.
+
+En ik sliep door zonder vrees, want ik gevoelde wel, dat hij mij niet
+zou loslaten.
+
+De tijd ging voort en altijd hoorden wij het regelmatig neerploffen
+en ophalen van de tonnen.
+
+
+
+
+XXVII.
+
+DE REDDING.
+
+
+Wij konden het bijna op die nauwe trap niet langer uithouden; wij
+besloten dus om de treden te verbreeden en ieder toog aan het werk. Met
+onze messen begonnen wij den muur uit te houwen en de steenkolen,
+op die wijs verkregen, weg te ruimen.
+
+Daar wij nu een vast steunpunt hadden bekomen, werd onze arbeid
+ook veel gemakkelijker, en eindelijk gelukte het ons diep genoeg
+in de aarde door te dringen om onze gevangenis een aanzienlijk stuk
+te verwijden.
+
+Het gaf een gevoel van rust, toen wij ons in onze volle lengte konden
+uitstrekken en niet langer met schommelende beenen behoefden te zitten.
+
+Hoewel wij een zeer klein gedeelte van Carrory's brood hadden gekregen,
+was het toch reeds op. Het laatste stuk had men ons juist bijtijds
+gegeven om weder tot ons zelf te komen. Want toen de meester het ons
+gaf, was het licht te begrijpen--te oordeelen naar den blik, dien
+de houwers er op wierpen--dat zij een tweede verdeeling niet dulden
+zouden, zonder er ook om te vragen, en zoo men het hun niet gaf,
+zelf hun deel te nemen.
+
+Het was zelfs zoover tusschen ons gekomen, dat wij niets meer tegen
+elkander zeiden, en zoo spraakzaam als wij in het begin van onze
+gevangenschap geweest waren, zoo stil waren wij, toen deze voortduurde.
+
+Ons gesprek kwam altijd op dezelfde onderwerpen terug en wij
+behandelden steeds dezelfde vraag: welke middelen men zou aanwenden
+om tot ons door te dringen en hoelang wij opgesloten zouden blijven.
+
+Maar deze gesprekken werden niet met dezelfde belangstelling gevoerd
+als in het begin; als een van ons iets zeide, dan werd daarop dikwijls
+geen acht geslagen, of zoo dit al gebeurde, dan was het slechts met
+een enkel woord; de dag kon in nacht verkeeren, wit in zwart, zonder
+dat dit een oogenblik onze belangstelling kon opwekken of ons tot
+eenige gedachtewisseling aanleiding gaf.
+
+--Het is goed; wij zullen zien, was het eenige antwoord.
+
+Waren we twee of zes dagen levend begraven? Men zou zich hiervan
+eerst kunnen overtuigen, wanneer wij weder bevrijd waren. Maar zou
+dat oogenblik aanbreken?
+
+Ik voor mij begon hieraan hard te twijfelen.
+
+Ik was niet de eenige en dikwijls lieten ook mijn makkers zich eene
+opmerking ontvallen, die voldoende bewees, dat zij niet vrij van
+twijfel waren.
+
+--Eén troost is het, zeide Bergounhoux, dat, als ik hier mocht blijven,
+de maatschappij aan mijn vrouw en kinderen een jaarlijksch inkomen
+zal geven; zij zullen tenminste niet aan het armbestuur vervallen.
+
+Ongetwijfeld had de meester, toen hij zijn waardigheid van bevelhebber
+op zich nam, bij zichzelf besloten, ons niet alleen te beschermen
+voor de onheilen, welke deze ramp ten gevolge kon hebben, maar ons
+ook tegen ons zelven te verdedigen, en wanneer een van ons zijn
+zelfvertrouwen verloor, hem moed in te spreken.
+
+--Gij zult hier evenmin blijven als wij; de tonnen werken, het
+water daalt.
+
+--Waar daalt het?
+
+--In de putten.
+
+--En in de gang?
+
+--Dat zal wel gebeuren; geduld slechts.
+
+--Zeg, Bergounhoux, viel Carrory hem in de rede, met de
+tegenwoordigheid van geest en de gevatheid, die alles kenmerkte wat hij
+deed, als de maatschappij failliet gaat, zooals die van den meester,
+dan heeft uw vrouw niets.
+
+--Wilt ge wel eens zwijgen, domkop, de maatschappij is rijk.
+
+--Zij was rijk, zoolang ze de mijn bezat; maar nu de mijn onder water
+staat, niet meer. In elk geval zou ik, als ik boven was, inplaats
+van hier, wel zoo in mijn schik zijn.
+
+--Omdat....?
+
+--Waarom waren die directeuren en ingenieurs zoo trotsch? Dit zal
+hun tot een les zijn. Als de ingenieur eens naar beneden gegaan was
+... dat zou dwaas zijn, niet waar, zulk een heer!
+
+--Als de ingenieur naar beneden gegaan was, dan zoudt gij hier blijven
+en wij ook.
+
+--O gij, gij weet, dat gij u om niets behoeft te bekommeren, maar ik
+heb wel iets anders te doen; mijn kastanjes, wie zal ze drogen? Ik
+verzoek dus den ingenieur om weer naar boven te gaan; het is om te
+lachen. Goedendag, mijnheer de ingenieur!
+
+Behalve de meester, die zijn gevoel wist te verbergen en Carrory,
+die niet veel gevoel had, spraken wij niet meer over onze bevrijding,
+maar slechts de woorden dood en honger kwamen over onze lippen.
+
+--Gij hebt mooi praten, meester, de tonnen kunnen nooit genoeg water
+ophalen.
+
+--Ik heb het u al wel twintigmaal voorgerekend; een weinig geduld nog.
+
+--Dat rekenen zal er ons niet uitredden.
+
+Deze opmerking werd door Pagès geuit.
+
+--Wie dan?
+
+--De goede God. Deze heeft gedoogd, dat wij hier onze toevlucht
+zochten. Hij zal ook redding geven.
+
+--Zoo God ons hier gebracht heeft, dan is het zeker geschied omdat
+er onder ons zijn, die Hij straffen wilde.
+
+Deze opmerking ging gepaard met een zijdelingschen blik op Bergounhoux.
+
+Inplaats van heftig daartegen op te komen, bevestigde deze de woorden
+van zijn aanklager.
+
+--Ik ben overtuigd, begon hij, dat God mij straffen wil, omdat ik
+in den laatsten tijd geen goed christen ben geweest; en ik smeek Hem
+thans uit het diepst mijner ziel vergiffenis.
+
+Hij viel op zijn knieën en sloeg zich verscheidene malen op de borst.
+
+--Ik voor mij durf ook niet beweren, dat ik geheel zonder zonde ben en
+ik wil ook gaarne de mijne belijden; maar onze lieve Heer weet, dat
+ik ze niet uit moedwil bedreven heb; ik heb nooit iemand opzettelijk
+iets misdaan, sprak Pagès.
+
+--Ik weet niet of die donkere gevangenis eenigen invloed op mij
+uitoefende, of dat het de vrees voor den dood was, of wel dat wij
+door den honger verzwakt waren en het geheimzinnige schijnsel van de
+lamp, die nauwlijks eenig licht over ons wierp; maar ook ik gevoelde
+mij diep ontroerd, terwijl ik naar de belijdenis der zonden van de
+anderen luisterde en ook ik stond op het punt om, evenals Pagès en
+Bergounhoux, mij op de knieën te werpen en mijne feilen te biechten.
+
+Plotseling hoorde ik achter mij luid snikken en toen ik mij omwendde,
+zag ik den grooten Compayrou op den grond liggen.
+
+--De schuldige, riep hij, is noch Pagès noch Bergounhoux, ik ben
+het. De goede God straft mij, maar ik heb berouw, oprecht berouw. Ik
+zal u de zuivere waarheid vertellen, als wij gered worden, dan
+zweer ik, dat ik mijn misdaad zal herstellen. Een jaar geleden werd
+Rouquette tot vijf jaren tuchthuisstraf veroordeeld, omdat hij een
+horloge bij vrouw Vidal gestolen had. Hij is onschuldig. Ik heb die
+misdaad gepleegd. Het horloge ligt onder mijn bed, en als men de
+derde plank links opbeurt, zal men het vinden.
+
+--Gooi hem in het water! Gooi hem in het water! riepen Pagès en
+Bergounhoux als uit één mond.
+
+Ongetwijfeld zouden zij den misdadiger in den afgrond geworpen hebben,
+maar vóór dat zij hiertoe nog konden overgaan was de meester reeds
+tusschenbeiden getreden.
+
+--Wilt gij dan dat hij voor God verschijnen zal met die misdaad op
+zijn geweten? riep hij; laat hem eerst tot zich zelf inkeeren.
+
+--Ik heb berouw, oprecht berouw, herhaalde Compayrou op zulk een
+zwakken toon, alsof hij een kind was, inplaats van een forschen kerel.
+
+--Gooi hem in het water, herhaalde men.
+
+--Neen, riep de meester.
+
+Hij begon hen toen op kalmen toon toe te spreken, en bracht hun onder
+het oog, dat wij rechtvaardig en verstandig handelen moesten. Maar
+zij wilden niets daarvan hooren en dreigden hem in de diepte te
+zullen werpen.
+
+--Geef mij uw hand, zeide de meester, terwijl hij Compayrou naderde.
+
+--Verdedig hem niet, meester.
+
+--Ik zal hem verdedigen, en als gij hem in het water wilt werpen,
+dan moet gij mij er ook inwerpen.
+
+--Welnu, neen dan! zeiden zij eindelijk; wij zullen hem niet in het
+water gooien; maar op één voorwaarde; gij moet hem in gindschen hoek
+laten liggen en niemand mag een woord tot hem spreken; niemand moet
+zich met hem bemoeien.
+
+--Dat is billijk, hernam de meester, dat is zijn verdiende loon.
+
+Toen de meester dit gezegd had, hetgeen voor Compayrou als een vonnis
+gold, schoven oom Gaspard, de meester en ik dichter naar elkander
+toe en lieten wij den ongelukkige op den grond aan zijn lot over.
+
+Verscheidene uren achtereen bleef hij daar overstelpt van droefheid
+liggen, zonder zich te verroeren, en van tijd tot tijd herhalende:
+
+--Ik heb berouw.
+
+Bergounhoux of Pagès riepen hem dan toe:
+
+--Het is te laat, gij hebt berouw, omdat gij bang zijt, lafaard. Al
+een halfjaar, al een jaar lang, hadt gij berouw kunnen gevoelen.
+
+Hij haalde met moeite adem en zonder hun bepaald te antwoorden,
+kermde hij:
+
+--Ik heb berouw, oprecht berouw.
+
+Hij had de koorts gekregen, want hij sidderde over zijn geheele
+lichaam, terwijl hij klappertandde.
+
+--Ik heb dorst, zeide hij, geef mij den schoen.
+
+Er was geen water meer in den schoen; ik stond op om dit voor hem te
+halen; maar Pagès, die het bemerkte, riep mij toe, dat ik dit niet
+doen mocht en ook oom Gaspard hield mij ervan terug.
+
+--Men heeft gezworen hem aan zijn lot over te laten.
+
+Eenige oogenblikken lang riep hij nog om water, maar toen hij zag,
+dat wij hem dit niet wilden geven, richtte hij zich op om het zelf
+te halen.
+
+--Hij sleept de steenkolendam mede! riep Pagès.
+
+--Laat hem tenminste zijn vrijheid behouden, antwoordde de meester.
+
+Hij had gezien, dat ik mij langs den rug naar beneden had laten glijden
+en wilde dit ook beproeven; maar ik was licht en hij zeer zwaar; ik
+vlug en behendig, en hij een log wezen. Nauwlijks lag hij dan ook
+op zijn rug, of de steenkolen gleden onder hem weg en zonder zich
+een oogenblik tegen te kunnen houden, verdween hij in den donkeren
+afgrond. Het water plaste ons in het gelaat, maar kabbelde een minuut
+later weer rustig voort.
+
+Ik boog mij voorover, maar oom Gaspard en de meester hielden mij elk
+bij een arm terug.
+
+--Wij zijn gered! riepen Bergounhoux en Pagès; wij zullen hieruit
+komen.
+
+Bevende van schrik, wierp ik mij achterover; ik was ijskoud, bijna
+halfdood van angst.
+
+--Hij was geen braaf man, zeide oom Gaspard.
+
+De meester sprak niet, maar mompelde een oogenblik later:
+
+--In elk geval verminderde hij de hoeveelheid zuurstof, die wij hadden.
+
+Dit woord, dat ik voor het eerst hoorde, trof mij en nadat ik een
+poos had nagedacht, vroeg ik den meester, wat hij zeide.
+
+--Iets onbillijks en egoïstisch, jongenlief, en ik heb er berouw over.
+
+--Wat bedoelt gij?
+
+--Wij leven van brood en lucht. Brood hadden wij niet, ook van lucht
+waren wij niet ruim voorzien, want de lucht, die wij inademden, kunnen
+wij niet voor de tweede maal gebruiken; toen ik hem zag verdwijnen,
+zeide ik, dat hij nu niet meer zijn deel aan de lucht zou eischen,
+en over die woorden zal ik mijn leven lang berouw hebben.
+
+--Kom, kom, zeide oom Gaspard, hij heeft wat hem toekomt.
+
+--Nu zal alles goedgaan, zeide Pagès, terwijl hij met beide voeten
+tegen den wand schopte.
+
+Als alles nu niet spoedig goedging, zooals Pagès het hoopte, dan was
+het niet de schuld van de ingenieurs en de werklieden, die voor onze
+redding werkten.
+
+Aan den put, dien men begonnen was te graven, werd zonder ophouden
+gearbeid. Maar het was een moeilijk werk.
+
+De steenkolen, waardoorheen men een gang moest maken, waren zeer
+hard en daar maar één houwer in die nauwe gang kon werken, was men
+genoodzaakt hem telkens te vervangen, vooral daar allen om strijd
+aan de redding wilden arbeiden.
+
+Bovendien was de luchtverversching in deze gang zeer slecht; men
+had van afstand tot afstand blikken pijpen aangebracht, die met klei
+aan elkander waren gevoegd; maar ofschoon een krachtige ventilator
+de lucht door die pijpen joeg, brandden de lampen niet dan in de
+onmiddellijke nabijheid van de opening.
+
+Dit alles was een belemmering bij het boren en den zevenden dag, nadat
+wij waren bedolven, was men nog slechts twintig meter gevorderd. Onder
+gewone omstandigheden zou men meer dan een maand noodig gehad hebben
+om tot die diepte te komen, maar in verhouding tot de middelen,
+welke men ter beschikking had en den ijver, waarmede men arbeidde,
+was dit zeer weinig.
+
+Bovendien moest men de edele volharding bezitten van den ingenieur,
+om dezen arbeid voort te zetten, want volgens het eenparig gevoelen
+van de mijnwerkers was hij geheel nutteloos. Allen die in de mijnen
+waren, moesten omgekomen zijn; men had niets anders meer te doen,
+dan het water uithoozen door middel van de tonnen en men zou dan
+later wel de lijken vinden. Welk nut stak er dus in, dat men eenige
+uren vroeger of later dezen ontdekte?
+
+Dat was de meening, zoowel van de mijnwerkers als van het publiek;
+de bloedverwanten, de vrouwen, ja zelfs de moeders hadden den rouw
+reeds aangenomen. Niemand zou meer levend uit de Truyère komen.
+
+Zonder de uithoozing te doen staken, welke onverpoosd voortgezet werd
+en waarmede men alleen ophield, wanneer aan de toestellen eenige averij
+was gekomen, werd op last van den ingenieur, trots alle opmerkingen
+van het publiek, van zijn ambtgenooten en van zijn vrienden, met de
+boring voortgegaan.
+
+De hardnekkigheid, die aan Columbus eenmaal een nieuwe wereld ontdekken
+deed, was ook zijn karaktertrek.
+
+--Één dag nog maar, vrienden, zeide hij tot de werklieden, en als wij
+morgen niets ontdekt hebben, dan zullen wij ervan afzien; ik vraag
+voor uwe kameraden wat ik vragen zou voor u, indien gij in hunne
+plaats waart.
+
+Zijn vast geloof deelde zich ook mede aan de harten der mijnwerkers,
+die uit de stad komende, den twijfel van allen deelden, maar door
+hem weder tot een andere overtuiging waren gebracht.
+
+En eendrachtig, met elkander wedijverend in vlijt, bleven zij
+voortwerken.
+
+Van den anderen kant moest de gaanderij, waar de lampen bewaard werden,
+die op verschillende punten was ineengestort, uitgehoosd worden, en
+door alle mogelijke middelen trachtte hij aan de mijn hare slachtoffers
+te ontrukken zoo dezen nog in leven mochten zijn.
+
+Den zevenden dag meende de opperman, die bij een afwisseling van
+posten de steenkolen moest weghalen, een geluid te hooren, dat veel
+op een zacht kloppen geleek; inplaats van met zijn houweel te hakken,
+hield hij dit in de hoogte en luisterde aandachtig of hij het geraas
+ook kon onderscheiden. Hij meende wel dat hij zich vergiste maar riep
+toch een van zijn makkers om met hem te luisteren. Beiden bukten zich
+met ingehouden adem voorover, en een poos later herhaalde zich zeer
+regelmatig dat kloppen en tikken.
+
+Deze tijding ging spoedig van mond tot mond en zonder dat het door
+iemand geloofd werd, kwam het den ingenieur ter ooren, die onmiddellijk
+naar de gang snelde.
+
+Hij had dus eindelijk gelijk! Er bevonden zich in de mijn nog levende
+wezens, die gered konden worden.
+
+Velen hadden hem gevolgd; hij baande zich een weg door de mijnwerkers
+en luisterde aandachtig, maar hij was zoo zenuwachtig en beefde zoozeer
+over zijn gansche lichaam, dat hij niet instaat was te luisteren.
+
+--Ik hoor niets, zeide hij wanhopend.
+
+--Het is de mijngeest, antwoordde een werkman; hij wil ons een trek
+spelen en hij klopt om ons te misleiden.
+
+Maar de beide houwers, die het eerst het geluid gehoord hadden,
+hielden vol dat zij zich niet hadden vergist en dat hun kloppen
+beantwoord was geworden. Het waren mannen van ondervinding, die in
+de mijnen oud waren geworden, en wier woorden gezag hadden.
+
+De ingenieur verwijderde allen, die hem gevolgd waren, uit de gang,
+en van de werklieden, die een keten hadden gemaakt om de steenkolen
+weg te dragen, behield hij er slechts twee.
+
+Daarop liet hij door een herhaaldelijk geregeld kloppen de gevangenen
+waarschuwen, waarop hij telkens weder met ingehouden adem luisterde,
+of zij ook eenig sein terugzonden.
+
+Na een oogenblik wachtens hoorden zij zeer in de diepte eenig geluid;
+een zacht kloppen, waarvan de slagen elkander snel opvolgden en hun
+tot antwoord dienden.
+
+--Klop nogmaals en met groote tusschenpoozen, om ons te overtuigen,
+dat het niet de echo van ons kloppen is.
+
+De houwers klopten, en oogenblikkelijk hoorden zij denzelfden klop,
+die als antwoord der mijnwerkers gelden moest.
+
+Alle twijfel was thans opgeheven: zij leefden nog en men kon hen
+redden.
+
+Het nieuws verspreidde zich met bliksemsnelheid door de stad en
+een nog talrijker en nog ontroerder menigte dan den dag van het
+ongeval, snelde naar de Truyère. Vrouwen, kinderen en moeders, alle
+bloedverwanten der slachtoffers, kwamen bevende van angst of vol hoop,
+in diepen rouw gedompeld, naar de plaats des onheils.
+
+Hoeveel leefden nog? Velen misschien. De uwe ongetwijfeld, maar de
+mijne misschien....
+
+Men had den ingenieur wel om den hals willen vallen.
+
+Maar hij behield onder die uitgelaten vreugde evenzeer zijne
+bedaardheid als hij kalm gebleven was onder den spot en twijfel; hij
+dacht slechts aan de redding en, om zoowel de belangstellenden als de
+bloedverwanten te verwijderen, beval hij den soldaten om de gang af te
+zetten en te zorgen, dat de arbeiders een voldoende ruimte behielden.
+
+Het kloppen was zoo zwak, dat men onmogelijk de juiste plaats bepalen
+kon, vanwaar het kwam. Toch was de aanwijzing duidelijk genoeg om zich
+te overtuigen, dat de arbeiders, die aan de overstrooming ontsnapt
+waren, zich in een van de drie zijgangen der oude werken bevonden.
+
+Niet één put, maar drie zou men moeten graven, om de gevangenen te
+kunnen bereiken. Als men meer gevorderd was en men daardoor beter
+zou kunnen hooren, kon men altijd een der schachten, die niet meer
+noodig waren, prijsgeven, om alle krachten aan de goede aan te wenden.
+
+Het werk werd met meer ijver nog dan te voren hervat, en de
+maatschappijen uit den omtrek zonden om strijd hun beste werklieden
+naar de Truyère.
+
+De hoop, die weder bij een ieder onder het graven levendig was
+geworden, nam toe, naarmate men de gang naderde en het water in de
+putten daalde.
+
+Toen wij in onze zijgang het kloppen van den ingenieur hoorden,
+maakte zich dezelfde gewaarwording van ons meester als toen wij het
+water hoorden uitpompen.
+
+--Gered!
+
+Het was een vreugdekreet, die ons aller borst ontsnapte en zonder
+verder na te denken, meenden wij, dat men ons weldra de hand zou
+reiken.
+
+Daarop maakte weder, evenals na het uithoozen van het water, deze
+blijdschap voor diepe wanhoop plaats.
+
+Uit het houwen en graven maakten wij spoedig op, dat de arbeiders
+nog ver verwijderd waren. Misschien nog tien, mogelijk wel
+twintig meter. Hoeveel tijd was er noodig om die dikke steenlaag
+te doorboren? Onze berekeningen waren zeer verschillend: een maand,
+een week, minstens zes dagen. Hoe zouden wij het nog een maand, een
+week, zes dagen kunnen uithouden? Wie van ons zou er nog zes dagen
+leven? Hoelang waren wij reeds zonder eten geweest?
+
+De meester was de eenige, die nog eenige blijken van moed gaf, maar
+op den langen duur begon ook hij in onze neerslachtigheid te deelen
+en verminderde langzamerhand zijn vertrouwen.
+
+Zooveel wij wilden konden wij drinken, maar eten niet, en de honger
+kwelde ons zoo vreeselijk, dat we eindelijk besloten waren om vermolmd,
+in water geweekt hout, te eten.
+
+Carrory, die het meest uitgehongerd van ons allen was, had zijn laars
+in stukken gesneden en kauwde voortdurend op een stuk leder.
+
+Toen ik zag waartoe mijn makkers, door den honger gedreven, instaat
+waren, moet ik bekennen, dat zich een gevoel van angst van mij meester
+maakte, en dit, gevoegd bij de vrees die ik reeds koesterde, mij
+weinig gerust stelde. Ik had Vitalis dikwijls van een schipbreuk hooren
+vertellen, want hij had menige zeereis gemaakt, en onder die verhalen
+was er een, dat, sedert de honger mij pijnigde, mij onophoudelijk
+voor den geest kwam. Het was de geschiedenis van matrozen, die op een
+zandbank waren geworpen, waar geen voedsel voor hen te vinden was,
+en toen den kajuitsjongen gedood hadden om hun honger te stillen. Ik
+vroeg mezelf af, terwijl ik mijn makkers van honger hoorde kermen,
+of mij niet een zelfde lot beschoren was en of ik op onze kolenbank
+niet gedood en opgegeten zou worden. Ik was zeker dat de meester en
+oom Gaspard mij tot het laatst toe zouden verdedigen; maar Pagès,
+Bergounhoux en Carrory! Carrory vooral, met zijn groote witte tanden,
+die aanhoudend op een stuk leder knabbelde, boezemden mij volstrekt
+geen vertrouwen in.
+
+Ongetwijfeld was mijn vrees zeer dwaas; maar in den toestand, waarin
+wij verkeerden, werd onze geest noch onze verbeelding door het koele,
+gezonde verstand geleid.
+
+Onze angst werd vooral vermeerderd, omdat wij geen licht hadden. De
+lampen waren achtereenvolgens uitgebrand bij gebrek aan olie. En
+toen wij er niet meer dan twee overhadden, had de meester besloten,
+dat zij niet eer aangestoken zouden worden, voordat zij noodzakelijk
+zouden zijn. Wij bleven dus voortdurend in de duisternis gedompeld.
+
+Dit was niet slechts onverdraaglijk, maar bovendien gevaarlijk, want,
+als wij ons maar even onbedachtzaam bewogen, hadden wij kans in het
+water te storten.
+
+Sedert den dood van Compayrou, lagen op elke trede drie werklieden,
+waardoor wij dan ook een weinig meerplaats kregen; oom Gaspard rustte
+in een hoek, de meester in een anderen en ik lag in het midden.
+
+Op een gegeven oogenblik, terwijl ik half was ingedommeld, hoorde
+ik tot mijn verbazing den meester op zachten toon, alsof hij hardop
+droomde, eenige woorden stamelen.
+
+Ik ontwaakte en luisterde.
+
+--Daar zijn wolken, zeide hij, hoe mooi zijn die wolken toch. Er
+zijn menschen die er niet van houden; ik vind ze wel schoon. O,
+wij krijgen wind, des te beter, ik houd ook van wind.
+
+Droomde hij? Ik trok hem bij den arm, maar hij vervolgde:
+
+--Wilt ge mij een eierstruif geven van zes en niet van acht eieren;
+snijd hem maar in twaalven; dan zal ik hem opeten, als ik thuis kom.
+
+--Hoort gij hem, oom Gaspard?
+
+--Ja, hij droomt.
+
+--Welneen, hij is wakker.
+
+--Hij praat onzin.
+
+--Ik verzeker u, dat hij wakker is.
+
+--Heila, meester!
+
+--Wilt gij medeeten, Gaspard? Kom dan, maar ik zeg u, dat wij wind
+krijgen.
+
+--Hij weet niet wat hij zegt, hernam oom Gaspard; het is de honger
+en de koorts.
+
+--Neen, hij is dood, zeide Bergounhoux, zijn ziel spreekt; gij
+ziet wel, dat hij elders vertoeft. Waar is de wind, meester, is
+hij noordwest?
+
+--Er is geen noordwestenwind in de hel, riep Pagès, en de meester
+is in de hel; gij wildet mij niet gelooven, toen ik zeide, dat wij
+daarheen gaan.
+
+Wat bezielde hen? hadden zij allen hun verstand verloren? werden zij
+krankzinnig? Maar dan zouden zij twist krijgen en gaan vechten en
+elkaar misschien doodslaan.
+
+Wat zou ik doen?
+
+--Wilt gij drinken, meester?
+
+--Neen dank u, ik zal wel drinken als ik mijn eierstruif eet.
+
+Geruimen tijd spraken zij met hun drieën, zonder elkander te
+antwoorden, en te midden van hun onsamenhangende woorden, hoorden
+wij altijd "eten, uitgaan, hemel, wind."
+
+Op eens kwam ik op de gedachte om een lamp aan te steken. Zij stond
+naast den meester met de lucifers erbij, en ik stak ze aan.
+
+Zoodra er licht was, zwegen allen.
+
+Na een oogenblik stilte vroegen zij elkaar af wat er eigenlijk
+gebeurde, alsof zij uit een droom ontwaakten.
+
+--Gij hebt geijld, antwoordde oom Gaspard.
+
+--Wie?
+
+--Gij zelf meester, en ook Pagès en Bergounhoux; gij zeidet dat gij
+buiten waart en dat het waaide.
+
+Van tijd tot tijd klopten wij tegen den muur, om onzen redders te
+laten weten, dat wij nog leefden, en wij hoorden dan hun houweelen
+zonder ophouden op de steenen vallen. Maar de slagen werden niet
+veel harder, wat ons duidelijk te kennen gaf, dat zij nog ver van
+ons verwijderd waren.
+
+Toen de lamp aangestoken was, liet ik mij afglijden, om water te halen
+in de schoen, en het scheen mij toe dat het water eenige centimeters
+gezakt was.
+
+--Het water daalt.
+
+--Groote God!
+
+En een oogenblik keerde in aller harten de hoop terug.
+
+Men wilde de lamp aangestoken laten om te zien, hoever het water
+gezakt was, maar de meester verzette zich hiertegen.
+
+Ik dacht dat er toen een opstand zou losbreken. Maar de meester had
+altijd een goede reden voor hetgeen hij verzocht.
+
+--Wij zullen later de lampen veel meer noodig hebben; als wij ze
+nu voor niets gebruiken, wat zullen we dan later doen als we ze
+noodig hebben? En denkt gij niet, dat ge van ongeduld zoudt sterven
+wanneer gij het water bijna onmerkbaar zaagt dalen? Want gij moet
+niet verwachten, dat het plotseling zakt. Wij zullen gered worden,
+houdt dus goeden moed. Wij bezitten nog dertien lucifers. Wij zullen
+die, telkens als gij het verlangt, aansteken.
+
+De lamp werd uitgedoofd. Wij hadden allen naar hartelust gedronken;
+geen van ons begon nu meer te ijlen. En vele uren, misschien
+verscheidene dagen lang, bleven wij roerloos liggen, zonder door
+iets anders aan het leven herinnerd te worden, dan door het tikken
+der houweelen, die een put groeven en het uithoozen der tonnen.
+
+Geleidelijk werden nu de slagen luider en luider; het water daalde en
+men naderde ons. Maar zou men ons bijtijds bereiken? vorderden onze
+redders in hun werk met reuzenschreden? zouden onze krachten, die
+voortdurend afnamen, dan nog toereikend wezen? Wij waren zwak naar
+lichaam en geest. Sedert den dag van de overstrooming, hadden mijn
+makkers geen voedsel gebruikt. Maar wat nog erger was, wij hadden van
+dat oogenblik af geen versche lucht ingeademd en deze was hoe langer
+hoe vunziger geworden. Gelukkig was de luchtdrukking verminderd,
+naarmate het water daalde, want ware de waterstand gebleven, zooals
+hij in het eerst was, dan zouden wij ongetwijfeld gestikt zijn. Op
+welke wijze wij ook gered werden, wij hadden dit te danken aan den
+ijver en de juistheid waarmede de ingenieur den arbeid leidde.
+
+Het geluid der tonnen en der houweelen ging met de grootste
+gelijkmatigheid, alsof het de slinger van een klok was en bij iedere
+postafwisseling gevoelden wij een koortsachtige aandoening. Zag men van
+de redding af, of ondervond men onoverkomelijke bezwaren? Gedurende
+het uitpompen van het water hoorden wij eensklaps een oorverdoovend
+geraas, een schel gefluit.
+
+--Het water valt in de mijn, riep Carrory.
+
+--Het is niet het water, hernam de meester.
+
+--Wat is het dan?
+
+--Ik weet het niet; maar het is niet het water.
+
+Hoewel de meester ons verscheidene malen bewijzen gegeven had van zijn
+doorzicht en gezond verstand, hechtte men geen geloof aan hetgeen
+hij zeide, dan wanneer hij dit door bewijzen staafde. Hij erkende,
+dat hij niet wist, waaraan dit geluid was toe te schrijven--later
+vernamen wij, dat het ontstond door de kettingen van een ventilator,
+dien men opheesch om versche lucht aan de werklieden te verschaffen--en
+nu maakte zich een dolle vrees van ons meester, bij de gedachte aan
+een overstrooming.
+
+--Steek de lamp aan.
+
+--Dat is niet noodig.
+
+--Steek aan, steek aan!
+
+Hij moest wel gehoorzamen, want allen waren het hierover eens. Bij het
+schijnsel van de lamp konden wij zien dat het water niet gerezen was,
+maar dat het eer daalde.
+
+--Gij ziet dat ik gelijk heb, sprak de meester.
+
+--Het stijgt en thans zullen wij verdrinken.
+
+--Welnu, hoe eer hoe beter dan maar, want ik kan het niet langer
+uithouden.
+
+--Geef de lamp, meester, ik wil op een stukje papier aan mijn vrouw
+en kinderen schrijven.
+
+--Schrijf voor mij ook.
+
+--Voor mij ook.
+
+Bergounhoux had gevraagd om de lamp aan te steken, teneinde, voordat
+hij stierf, nog aan zijn vrouw en kinderen te schrijven; hij had
+in zijn zak een stukje papier en een potlood en maakte zich tot
+schrijven gereed.
+
+--Luister, dit zal ik schrijven:
+
+"Gaspard, Pagès; de schoolmeester, Carrory en Rémi zijn in de zijgang
+opgesloten en zullen daarin omkomen."
+
+"Ik Bergounhoux, smeek God, om een man voor de weduwe en een vader
+voor de weezen te zijn; ik geef hun mijn zegen."
+
+--Gij, Gaspard?
+
+"Gaspard geeft wat hij bezit aan zijn neef Alexis."
+
+"Pagès draagt zijn vrouw en kinderen aan God, de Heilige Maagd en de
+maatschappij op."
+
+--Gij meester.
+
+--Ik heb niemand, antwoordde de meester op droevigen toon, niemand
+zal mij betreuren.
+
+--Gij Carrory.
+
+--Ik, riep Carrory, ik verlang, dat mijn kastanjes verkocht zullen
+worden, voordat zij gedroogd zijn.
+
+--Op ons papier schrijven we niet zulken onzin.
+
+--Het is geen onzin.
+
+--Wilt gij niemand vaarwelzeggen. Uw moeder?
+
+--Mijn moeder zal van mij erven.
+
+--En gij Rémi?
+
+"Rémi geeft aan Mattia Capi en zijn harp; hij groet Alexis en
+verzoekt hem om naar Lize te gaan, en wanneer hij haar zijn groeten
+overbrengt, haar tevens een gedroogde roos te geven; die hij in zijn
+jaszak bewaart.
+
+Wij zullen allen onze handteekening eronder zetten."
+
+--Ik zet een kruis, sprak Pagès.
+
+--Nu, zeide Bergounhoux, toen wij allen onzen naam gezet hadden,
+vraag ik niets meer, dan dat men mij rustig sterven laat, zonder iets
+meer tegen mij te zeggen. Vaartwel, makkers.
+
+Hij verliet daarop zijn trede en begaf zich naar de onze, om van ons
+drieën afscheid te nemen. Daarop klom hij weder naar de zijne, omhelsde
+Pagès en Carrory, en maakte toen van zand en vermolmd hout een hoogte,
+waarop hij met zijn hoofd kon rusten en strekte zich vervolgens in
+zijn geheele lengte uit, zonder zich verder meer te verroeren.
+
+De aandoeningen, welke deze brief bij ons teweeggebracht had, en de
+gelatenheid van Bergounhoux maakten ons niet moediger.
+
+Intusschen was het kloppen veel duidelijker geworden en ongetwijfeld
+was men ons reeds zoover genaderd, dat men ons spoedig zou kunnen
+bereiken.
+
+Hiermede troostte ons de meester, teneinde zoodoende een weinig kracht
+te geven.
+
+--Als men zoo dicht bij ons is, als gij meent, dan zouden wij hen
+kunnen hooren schreeuwen en wij hooren hen niet, evenmin als men
+ons hoort.
+
+--Al waren zij slechts weinige meters van ons verwijderd dan zouden
+wij hen nog niet kunnen hooren; dit hangt geheel af van het gehalte
+der aardkorst, die zij doorboren moeten.
+
+--Of van den afstand.
+
+Het water daalde echter voortdurend en weldra kregen wij het bewijs,
+dat het de daken der gangen niet meer bereikte.
+
+Wij hoorden tegen den wand van de zijgang eenig gedruisch en het
+water klotste alsof er stukjes steenkool invielen.
+
+Men stak een lamp aan en wij zagen verscheidene ratten beneden in
+de zijgang loopen. Zij hadden, evenals wij, een schuilplaats in een
+duikerklok gevonden en toen het water gedaald was, hadden zij haar
+toevluchtsoord verlaten om eenig voedsel te zoeken. Als zij ons
+hadden kunnen bereiken, dan was dit omdat het water de gangen niet
+meer geheel vulde.
+
+Deze ratten waren voor onze gevangenis, wat de duif voor de ark van
+Noach was: het einde van den zondvloed.
+
+--Bergounhoux, sprak de meester, terwijl hij zich tot aan de bovenste
+trede oprichtte, vat maar weer moed. En hij bracht hem toen aan het
+verstand, dat de ratten onze naderende bevrijding aankondigden.
+
+Maar Bergounhoux liet zich niet overtuigen.
+
+--Als de hoop weder voor wanhoop moet plaats maken, dan wil ik liever
+in het geheel geen hoop meer koesteren; ik wacht den dood; als er
+redding komt, dan zij God geloofd.
+
+Ik wilde onze trede verlaten, om zelf me te overtuigen of het water
+inderdaad daalde. Het zakte aanmerkelijk en er was een groote ruimte
+gekomen tusschen het water en het bovenste gedeelte van de gaanderij.
+
+--Vang eenige ratten, dan kunnen wij ze opeten, riep Carrory.
+
+Maar om de ratten te vangen, moest men vlugger zijn dan ik thans was.
+
+De hoop op redding evenwel had mij weder kracht gegeven en het zien
+van de ruimte deed mij besluiten een denkbeeld ten uitvoer te brengen,
+dat mij reeds lang gekweld had. Ik klom weder naar onze trede.
+
+--Meester, ik weet iets; daar de ratten in de gang loopen, bewijst
+dit, dat men erdoor kan gaan; ik zal zwemmende de ladders bereiken en
+daar om hulp roepen; men zal ons komen zoeken, dat zal eerder kunnen
+gebeuren dan door de schacht.
+
+--Ik verbied u dat!
+
+--Maar, meester, ik zwem even goed als gij loopt en als een paling
+schiet ik door het water.
+
+--En de slechte lucht.
+
+--Als de ratten erdoor komen, dan is de lucht niet slechter voor mij
+dan voor haar.
+
+--Ga, Rémi! riep Pagès, ik zal u mijn horloge geven.
+
+--Wat zegt gij ervan, Gaspard? vroeg de meester.
+
+--Niets; als hij denkt, dat hij de ladders bereiken kan, laat hij
+dan gaan, ik heb het recht niet hem dit te beletten.
+
+--En als hij verdrinkt?
+
+--En als hij zich redt, inplaats van hier wachtende om te komen?
+
+Een oogenblik peinsde de meester hierover na; daarop vatte hij mij
+bij de hand.
+
+--Gij zijt een brave knaap, mijn jongen, doe zooals gij wilt; ik
+geloof, dat gij het onmogelijke wilt beproeven, maar het zou niet
+voor de eerste maal zijn, dat gij in het onmogelijke slaagdet. Neem
+van ons allen afscheid.
+
+Ik zeide allen vaarwel en nadat ik mijn kleederen had uitgetrokken,
+liet ik mij in het water glijden.
+
+--Gij moet aanhoudend luid spreken, zeide ik, voordat ik begon te
+zwemmen: uw stem zal mij leiden.
+
+Welke ruimte was er tusschen het dak en de gang? Was ze groot genoeg
+om mij vrij daarin te kunnen bewegen? Dat was de vraag.
+
+Nadat ik eenige slagen gedaan had, bemerkte ik, dat ik zeer langzaam
+zwemmen moest, daar ik anders misschien mijn hoofd zou stooten; het
+waagstuk, dat ik wilde ondernemen, was alzoo mogelijk. Zou het einde
+de bevrijding of de dood zijn?
+
+Ik wendde mij om en zag het schijnsel van de lampen in den donkeren
+afgrond weerkaatsen: dit was mijn vuurtoren.
+
+--Gaat het goed? riep de meester.
+
+--Ja.
+
+En met behoedzaamheid ging ik voorwaarts.
+
+De grootste moeilijkheid om van de zijgang naar de ladders te komen,
+bestond hoofdzakelijk hierin om de goede richting te houden, want ik
+wist dat op een bepaald punt, waarvan ik niet ver verwijderd was,
+de gangen in elkander liepen. Ik moest dus niet door de duisternis
+mij laten misleiden, want dan zou mijn tocht tevergeefs zijn.
+
+Het dak en de wanden van de gaanderij waren dus geen voldoende
+gidsen voor mij, maar op den grond had ik een veel beter leidsman
+in de rails. Als ik die volgde, dan was ik zeker, dat ik de trappen
+bereiken zou.
+
+Van tijd tot tijd raakte ik even met mijn voeten op den grond en als
+ik dan een rail voelde, liet ik mij weder langzaam bovenkomen. De
+rails onder mij, de stemmen van mijn makkers achter mij, ik kon dus
+onmogelijk verdwalen.
+
+Het voortdurend afnemen van het geluid der stemmen en het steeds
+toenemend geraas, dat het uithoozen van het water veroorzaakte,
+gaven mij de overtuiging, dat ik vorderde. Eindelijk zou ik dus
+weder het daglicht aanschouwen en door mij zouden mijn kameraden
+gered worden. Dat schonk mij kracht.
+
+Ik hield altijd het midden van de gang en behoefde slechts even te
+duiken om een rail aan te raken, wat ik meestal met de punt van mijn
+voet deed. Toen ik dit weder beproefde en haar niet met mijn voet
+vinden kon, dook ik geheel onder om er met mijn hand naar te zoeken,
+maar dit was tevergeefs; ik zwom van de eene zijde naar de andere,
+maar vond niets.
+
+Had ik mij bedrogen?
+
+Ik bleef een oogenblik onbeweeglijk liggen om over mijn toestand na
+te denken; de stemmen van mijn makkers drongen slechts zeer flauw,
+als een zacht, bijna onhoorbaar gemompel tot mij door. Toen ik weder
+ademgehaald en een goede hoeveelheid lucht in mij opgenomen had, dook
+ik geheel onder, maar zonder een gelukkiger uitslag dan de eerste
+maal. Geen rails.
+
+Ik was de verkeerde gang ingeslagen, zonder het te bemerken, en moest
+dus weder omkeeren.
+
+Maar hoe? mijn makkers riepen niet langer, of wat hetzelfde is,
+ik kon ze niet meer hooren.
+
+Een oogenblik gevoelde ik mij als verlamd, en een diepe smart
+overweldigde mij, toen ik niet wist in welke richting ik zwemmen
+zou. Ik was dus verdwaald in dien duisteren afgrond; onder dien zwaren
+steenklomp en in dat ijskoude water.
+
+Maar eensklaps drong weder het geluid van stemmen tot mij door en ik
+wist daardoor in welke richting ik mij bewegen moest.
+
+Toen ik eenige slagen achterwaarts gedaan had, dook ik opnieuw en
+reikte met mijn voet een rail. Op dit punt liepen de gangen dus te
+zamen. Ik zocht naar de metalen plaat op den muur; ik vond die niet;
+ik zocht naar de openingen en vond ze evenmin; rechts en links tastte
+ik altijd tegen den muur. Waar lag de rail?
+
+Ik volgde ze tot aan het einde, maar plotseling hield zij op.
+
+Ik begreep toen, dat de spoorbaan weggespoeld was door den stortvloed
+van water en dat ik mijn gids verloren had.
+
+Door deze omstandigheid werd het mij onmogelijk gemaakt om mijn plan
+ten uitvoer te brengen en schoot mij niets anders over dan terug
+te keeren.
+
+Ik had dien weg reeds eenmaal afgelegd en wist, dat ik hier buiten
+gevaar verkeerde; ik zwom dus met groote snelheid voort om de zijgang
+te bereiken; de stemmen leidden mij.
+
+Naarmate ik onze schuilplaats naderde, scheen het mij toe, dat
+de stemmen duidelijker werden, alsof mijn makkers nieuwe krachten
+verzameld hadden.
+
+Spoedig bevond ik mij aan het begin van de gang en riep ook.
+
+--Kom, kom spoedig, riep de meester.
+
+--Ik heb de schacht niet gevonden.
+
+--Dat doet er niet toe; de opening vordert; zij hooren ons roepen en
+wij hen; weldra zullen wij met elkander kunnen spreken.
+
+Snel beklom ik de trede en luisterde met ingehouden adem. De slagen
+waren werkelijk veel harder; en de stemmen van hen, die tot onze
+bevrijding werkten, waren nog wel zwak, maar toch vrij duidelijk.
+
+Toen de eerste opwelling van vreugde voorbij was, voelde ik dat ik
+half bevroren was, en daar er geen warme kleederen waren om mij af
+te drogen, begroef men mij tot aan het hoofd onder de steenkolen,
+die altijd een zekere warmte behouden en oom Gaspard met den
+meester drukten zich tegen mij aan. Ik vertelde hun toen mijn
+onderzoekingstocht en hoe ik een oogenblik verdwaald was geraakt.
+
+--Hebt gij durven duiken?
+
+--Waarom niet? Ongelukkig heb ik niets kunnen vinden.
+
+Maar, zooals de meester ook gezegd had, dat deed er nu weinig toe;
+want, al waren wij niet door de gang gered, het zou door een schacht
+gebeuren.
+
+Het geroep werd duidelijker en duidelijker, zoodat wij alle hoop
+hadden spoedig de stemmen te kunnen onderscheiden.
+
+Eenige minuten later hoorden wij deze woorden langzaam uitspreken:
+
+--Met hoeveel zijt gij?
+
+Oom Gaspard had de sterkste stem van ons allen. Hij zou dus antwoorden.
+
+--Zes!
+
+Er heerschte een poos een diepe stilte. Waarschijnlijk hadden zij
+boven op een grooter aantal gerekend.
+
+--Haast u, riep oom Gaspard, wij kunnen het hier niet langer uithouden.
+
+--Uw namen.
+
+Hij noemde onze namen:
+
+--Bergounhoux, Pagès, de schoolmeester, Carrory, Rémi en Gaspard.
+
+Gedurende onze redding was dit het vreeselijkste ongeluk voor hen,
+die boven waren. Toen men vernam, dat men weldra eenige woorden met
+ons zou kunnen wisselen, waren alle mijnwerkers, alle bloedverwanten
+en vrienden komen toesnellen en de soldaten hadden groote moeite om
+hun te beletten de gang binnen te dringen.
+
+Toen de ingenieur mededeelde, dat wij slechts met ons zessen waren,
+heerschte er algemeene teleurstelling, maar toch bleef een ieder voor
+zichzelf nog eenige hoop koesteren, daaronder die zes zich juist de
+persoon bevinden kon, dien men wachtte.
+
+Hij herhaalde onze namen.
+
+Helaas! op honderd en twintig moeders of vrouwen, waren er slechts
+vier, wier hoop verwezenlijkt zou worden. Welk een groote smart was
+dat voor de anderen en hoeveel tranen werden er niet gestort!
+
+Ook wij van onzen kant dachten aan hen, die gered hadden kunnen worden.
+
+--Hoeveel zijn er gered? vroeg oom Gaspard.
+
+Men antwoordde niet.
+
+--Vraag waar Marius is, zeide Pagès.
+
+De vraag werd gedaan; maar bleef evenals de eerste, onbeantwoord.
+
+--Zij hebben het niet gehoord.
+
+--Zeg liever, dat zij niet willen antwoorden.
+
+Ik brandde van verlangen, om een vraag te doen.
+
+--Vraag eens hoelang wij hier reeds zijn opgesloten.
+
+--Sedert veertien dagen.
+
+Veertien dagen! Bij onze hoogste berekening waren wij op vijf of zes
+dagen gekomen.
+
+--Gij behoeft er nu niet langer meer in te blijven. Houdt goeden
+moed. Laten wij nu zwijgen, anders kunnen wij niet voortwerken. Nog
+slechts weinige uren.
+
+Deze duurden, geloof ik, het langst van onze geheele gevangenschap, in
+elk geval, behoorden zij onder de smartelijkste. Bij iederen hamerslag
+die er viel, dachten wij dat het de laatste was; maar altijd werd
+hij door een anderen en weder een anderen gevolgd.
+
+Van tijd tot tijd werd er een vraag gedaan.
+
+--Hebt gij honger?
+
+--Ja, zeer veel.
+
+--Kunt gij wachten? als gij te zwak zijt, dan zal men een gat boren
+en daarin bouillon gieten, maar dat zal uwe bevrijding vertragen;
+als gij nog wachten kunt, dan zult gij eerder uw vrijheid terugkrijgen.
+
+--Wij zullen wachten, haast u dan ook.
+
+De tonnen waren voortdurend in werking gebleven en het water zakte
+aanhoudend en geregeld.
+
+--Zeg dat het water zakt, zeide de meester.
+
+--Wij weten het; zoowel door de schacht als door de gang; men zal u
+spoedig bereiken.... zeer spoedig.
+
+De slagen klonken minder krachtig.
+
+Blijkbaar stond men op het punt om een opening te boren, en daar wij
+medegedeeld hadden, in welken toestand wij verkeerden, vreesde men
+een instorting teweeg te brengen, die op ons hoofd zou neerkomen en
+ons kwetsen of wellicht dooden zou of in het water doen storten.
+
+De meester legde ons toen ook uit, dat het zeer wel mogelijk kon zijn,
+dat men bevreesd was voor de luchtdrukking, waardoor zoodra er een
+gat geboord was, de lucht ontsnappen zou als de kogel uit een kanon
+en alles in puin doen storten.--Wij moeten dus op onze hoede zijn en
+evenals de opzichters over ons zelf waken.
+
+De schokken aan den bodem toegebracht door de houweelen, waren oorzaak
+geweest, dat de steenkool in de zijgang had losgelaten en tal van
+brokstukken in het water vielen.
+
+Zonderling, hoe meer het oogenblik van onze bevrijding naderde,
+hoe zwakker wij werden; mijn krachten waren uitgeput en onder de
+steenkolen begraven, was ik zelfs niet instaat mijn arm op te tillen;
+ik beefde over mijn gansche lichaam, zonder het koud te hebben.
+
+Eindelijk rolden grootere stukken tusschen ons; de opening was boven
+in de zijgang aangebracht; wij waren als verblind door het licht
+der lampen.
+
+Maar onmiddellijk was alles om ons weder in het duister gehuld;
+de tocht, een vreeselijke tocht, een windvlaag, die verscheidene
+stukken steenkool met zich voerde, vloog ons in het gelaat.
+
+--Dat komt van de tocht, stel u gerust, men zal de lampen spoedig
+weder aansteken. Hebt slechts even geduld.
+
+Wachten! Alweder wachten!
+
+Maar op hetzelfde oogenblik hoorden wij in de gang een vreeselijk
+geraas, en toen ik mij omkeerde zag ik dat een helder licht zich over
+het water verspreidde.
+
+--Moed! Moed! riep men ons toe.
+
+En terwijl men door de opening aan de mannen, die zich op de bovenste
+trede bevonden, de hand reikte, naderde men ons door de gaanderij.
+
+De ingenieur had zich aan het hoofd gesteld; hij was de eerste die
+op de trede stapte en ik lag in zijn armen, vóór ik nog een woord
+had kunnen uiten.
+
+Het was hoog tijd, want mijn hart klopte bijna niet meer.
+
+Toch besefte ik dat men mij wegdroeg, en dat, toen wij buiten de gang
+waren, men mij in dekens wikkelde.
+
+Ik opende de oogen, maar een oogenblik daarop werd ik als verblind,
+zoodat ik genoodzaakt was ze weder te sluiten.
+
+Het was dag, wij bevonden ons in de open lucht.
+
+Op hetzelfde oogenblik wierp zich een wit lichaam op mij: het was
+Capi, die met een sprong op den arm van den ingenieur zat en mijn
+gelaat lekte. Ook voelde ik, dat men mijn rechterhand vatte en die
+kuste--Rémi fluisterde een stem,--het was Mattia. Ik wierp een blik
+om mij heen en ik ontdekte toen een talrijke menigte, die zich in twee
+rijen geschaard had, zonder den doortocht te belemmeren. Er heerschte
+een diepe stilte onder de menigte, want men had ieder gewaarschuwd
+ons door tranen noch klachten nieuwe aandoeningen te bezorgen; maar
+de houding en de blikken van allen spraken meer dan de stomme lippen.
+
+In de eerste rij zag ik witte, met gouden versierselen bedekte gewaden,
+die in de zon schitterden. Het was de geestelijkheid van Varses,
+die zich naar den ingang van de mijn begeven had om daar voor onze
+bevrijding te bidden.
+
+Toen wij te voorschijn traden, knielden zij in het stof, want gedurende
+veertien dagen was de bodem, die door stortregens door-en-door nat
+was geworden, gedroogd.
+
+Twintig armen strekten zich uit om mij aan te nemen, maar de ingenieur
+wilde mij niet afstaan en, trotsch op zijn overwinning, gelukkig en
+fier bracht hij mij naar het kantoor, waar men eenige bedden gespreid
+had om ons daarop neer te leggen.
+
+Twee dagen later wandelde ik door de straten van Varses, gevolgd
+door Mattia, Alexis en Capi, en ieder, dien wij tegenkwamen, bleef
+stilstaan om ons na te staren.
+
+Sommigen zelfs kwamen naar mij toe en drukten mij de hand, met tranen
+in de oogen.
+
+Anderen weer wendden het hoofd van mij af. Deze waren in rouw gedompeld
+en vroegen zich af, waarom dit kind, dat alleen op de wereld was, gered
+was geworden, terwijl een huisvader of de zoon zich nog in de mijn
+bevonden, en nu met verminkte lichamen door het water werden verteerd.
+
+Maar onder hen, die mij staande hielden, waren er velen, die het mij
+lastig maakten, daar zij volstrekt wilden, dat ik met hen zou eten
+of naar een koffiehuis gaan.
+
+--Gij moet alles eens aan ons vertellen, zeiden zij.
+
+Ik bedankte altijd voor dergelijke uitnoodigingen, want ik gevoelde
+in het minst geen lust mijn lotgevallen mede te deelen aan hen,
+die mij met een middagmaal of een glas bier wilden betalen.
+
+Ik luisterde bovendien ook liever dan dat ik zelf vertelde en ik
+hoorde met genoegen naar Alexis en Mattia, die mij alles verhaalden
+wat er gebeurd was, terwijl wij ons onder den grond bevonden.
+
+--Als ik dacht, dat gij door mijn toedoen gestorven waart, zeide
+Alexis, dan was het of mijn armen en beenen afvielen, want ik geloofde
+dat gij dood waart.
+
+--Ik heb het nooit gedacht, sprak Mattia; ik wist niet, dat gij
+levend uit de mijn komen zoudt en of men wel bijtijds zou komen,
+om u te redden; maar ik geloofde geen oogenblik, dat gij verdronken
+zoudt zijn, zoodat, als het uithoozen maar snel genoeg gebeurde, men
+u ergens vinden zou. En terwijl Alexis klaagde en weende, herhaalde
+ik altijd bij mezelf: hij is nog niet dood, maar misschien zal hij
+sterven. En een ieder vroeg ik naar zijn meening. Hoelang kan men
+zonder eten leven? Wanneer zou het water uitgepompt zijn? Wanneer
+zal met de gang hebben doorboord? Maar niemand gaf mij het gewenschte
+antwoord. Toen men uw namen gevraagd had en de ingenieur na Carrory,
+Rémi riep, ben ik weenend op den grond gevallen, en nadat men over
+mij heengeloopen had, ben ik opgestaan, zonder iets daarvan te hebben
+bemerkt, zoo gelukkig was ik.
+
+Ik was er recht trotsch op, dat Mattia zooveel vertrouwen in mij
+stelde, zoo zelfs dat hij niet had willen gelooven dat ik sterven zou.
+
+
+
+
+XXVIII.
+
+EEN MUZIEKLES.
+
+
+Ik had mij in de mijn vrienden gemaakt: zulk een leed te zamen
+gedragen brengt de harten nader tot elkander; men lijdt te zamen,
+men koestert dezelfde hoop, men maakt een geheel uit.
+
+Zoowel oom Gaspard als de meester waren mij bijzonder genegen geworden;
+en hoewel de ingenieur onze gevangenschap niet gedeeld had, had hij
+zich aan mij gehecht, zooals men onwillekeurig doet aan een kind, dat
+men van een wissen dood gered heeft; hij had mij bij zich genoodigd
+en ik moest toen aan zijn dochter een uitvoerig verhaal geven van
+alles wat gedurende onze opsluiting had plaats gevonden.
+
+Iedereen in Varses wilde mij zien.
+
+--Ik zal een plaats als werkman voor u zoeken, zeide oom Gaspard,
+en dan blijft gij bij ons.
+
+--Als gij op een onzer kantoren werkzaam wilt zijn, zeide de ingenieur,
+dan zal ik daarvoor zorgen.
+
+Oom Gaspard vond het zeer natuurlijk, dat ik naar de mijn terugkeerde,
+waarin ook hij spoedig weder zou nederdalen, met die onbezorgdheid van
+hen, die gewend zijn iederen dag het gevaar te trotseeren; maar ik, die
+zijn zorgeloosheid noch zijn moed bezat, ik was volstrekt niet geneigd
+om mijn tijdelijk beroep van mijnwerker weder te aanvaarden. Een mijn
+was heel mooi en belangrijk en ik was blijde, dat ik er een gezien had,
+maar ik had er genoeg van gezien en ik gevoelde niet den minsten lust
+om naar de zijgang terug te keeren.
+
+Die gedachte alleen joeg mij reeds schrik aan. Ik was bepaald niet
+geschikt voor onderaardschen arbeid; het leven in de open lucht,
+met de zon boven mijn hoofd, of zelfs een bedekte lucht, stonden
+mij meer aan. Dit trachtte ik ook oom Gaspard en den meester aan het
+verstand te brengen, waarover de een zeer verbaasd scheen terwijl de
+ander zich beklaagde, dat ik zoo weinig lust gevoelde om mijnwerker
+te worden. Carrory, dien ik ontmoette, noemde mij een domkop.
+
+Den ingenieur kon ik natuurlijk niet antwoorden, dat ik niet onder
+den grond wilde werken, daar hij mij een plaats in zijn bureau aanbood
+en mij, indien ik goed oppaste, onderwijs wilde doen geven; ik deelde
+hem dus liever de geheele waarheid mede.
+
+--Gij stelt dus meer prijs op een zwervend leven en uw vrijheid; ik
+heb het recht niet u dit te beletten, mijn jongen, volg uw eigen zin.
+
+Het was waar, ik hield van een zwervend leven; ik had dit nooit zoo
+gevoeld als gedurende mijn gevangenschap in de zijgang: niet voor
+niets gewent men zich om te gaan waarheen en te doen wat men wil en
+zijn eigen meester te blijven.
+
+Zoolang men alles in het werk stelde om mij te Varses te houden,
+was Mattia al dien tijd treurig en afgetrokken geweest. Ik vroeg hem
+naar de oorzaak hiervan; hij had mij steeds ten antwoord gegeven,
+dat hij was zooals altijd; eerst toen ik hem vertelde, dat wij binnen
+drie dagen zouden vertrekken, bekende hij mij de reden van zijn
+zwaarmoedigheid, terwijl hij mij met tranen in de oogen de hand drukte.
+
+--Gij zult mij dus niet aan mijn lot overlaten! riep hij uit.
+
+Toen hij dit zeide, gaf ik hem een flinken duw om hem te leeren, dat
+hij niet aan mij twijfelen mocht en ook om voor hem de aandoening te
+verbergen, die bij mij opwelde, toen ik deze ontboezeming hoorde.
+
+Dien kreet had hij geslaakt uit vriendschap en niet uit
+eigenbelang. Mattia had mij niet noodig om aan den kost te komen;
+hij was zeer goed instaat dien alleen te verdienen.
+
+Inderdaad had hij aangeboren talenten, die ik in de verste verte niet
+bezat. Hij was in de eerste plaats veel bekwamer in het bespelen van
+verscheidene muziekinstrumenten, in het zingen en dansen en om allerlei
+rollen te vervullen. Bovendien was hij veel beter geschikt dan ik om
+het "geëerde gezelschap", zooals Vitalis altijd zeide, de hand in den
+zak te doen steken. Zijn glimlach alleen, zijn vriendelijke blik,
+zijn witte tanden en gul gelaat trof zelfs hen, die niet mild van
+aard waren en zonder te vragen, deed hij bij het publiek de neiging
+ontwaken om iets te geven; men schepte er behagen in hem genoegen te
+doen. Dit was zóó waar, dat, gedurende zijn korte uitstapjes met Capi,
+hij in de gelegenheid was geweest twintig francs bij elkaar te zamelen,
+wat voor ons een belangrijke som was.
+
+Honderd dertig francs hadden wij in kas en de twintig, welke Mattia
+erbij verdiend had, maakten een totaal van honderd vijftig francs;
+dus slechts weinig francs ontbraken ons om de koe te koopen.
+
+Hoewel ik niet in de mijnen wilde werken, speet het mij toch, dat ik
+Varses verlaten moest, want ik moest dan ook van Alexis, oom Gaspard
+en den meester scheiden; maar het lag eenmaal in mijn bestemming te
+moeten scheiden van hen, die ik liefhad en die mij vriendschap bewezen.
+
+Voorwaarts!
+
+Met de harp over den schouder en den ransel op den rug, betraden wij
+weder den grooten weg, met Capi vroolijk voor ons uitspringende.
+
+Ik moet eerlijk bekennen, dat zich een aangenaam gevoel van mij meester
+maakte, toen ik Varses achter mij had, en toen ik met mijn voet op
+den harden weg stapte, deze geheel anders klonk dan de slijkerige
+grond der mijn, terwijl ik de zon en de boomen boven mij zag.
+
+Vóór ons vertrek hadden Mattia en ik ons reisplan vastgesteld, want
+ik had hem op de kaart leeren zien en hij verbeeldde zich niet meer,
+dat de afstanden langer waren voor een paar beenen, die ze moesten
+afleggen, dan voor een vinger, die van de eene stad naar de andere
+wijst. Na geruimen tijd het vóór en tegen overwogen te hebben, hadden
+wij besloten, dat inplaats van ons regelrecht naar Ussel te begeven
+en van daar naar Chavanon, wij over Clermont zouden gaan, daar dit
+een niet al te groote omweg was en wij daarbij de gelegenheid hadden
+om de badplaatsen te bezoeken, waar zich in dezen tijd veel zieken
+ophielden: Saint Nectaire, Mont-Dore, Royat, Bourboule. Terwijl ik
+in de mijn arbeidde, had Mattia op zijn tochten met een berenleider
+kennis gemaakt, die eveneens de badplaatsen ging bezoeken, waar men
+volgens zijn meening veel geld kon verdienen. En Mattia wilde veel
+geld verdienen, daar hij honderd vijftig francs niet genoeg vond om
+een koe te koopen. Hoe meer geld wij hadden, hoe mooier koe wij koopen
+konden en hoe blijder vrouw Barberin wezen zou. En hoe blijder vrouw
+Barberin was, des te gelukkiger zouden wij zijn.
+
+Wij moesten de richting van Clermont volgen.
+
+Op onze reis van Parijs naar Varses, was ik begonnen Mattia onderwijs
+te geven; ik had hem lezen geleerd en ook de beginselen der muziek,
+en op onze wandeling tusschen Varses en Clemont zette ik mijn lessen
+voort.
+
+Hetzij mijne manier van onderwijzen niet deugde,--wat zeer wel mogelijk
+was--of Mattia geen vlugge leerling--wat ook mogelijk was--in het
+lezen maakte hij weinig vorderingen, zooals ik reeds gezegd heb.
+
+Hoe hij ook in zijn boek staarde en op de letters tuurde, hij las
+altijd iets anders dan er werkelijk stond, wat zijn verbeelding meer
+dan zijn oplettendheid eer aandeed.
+
+Dikwijls werd ik dan ongeduldig, en terwijl ik driftig op het boek
+sloeg, zeide ik in mijn boosheid, dat zijn hersens gesloten waren.
+
+Zonder zich hierover gekrenkt te gevoelen, zag hij mij met zijn
+vriendelijke oogen lachend aan.
+
+--Het is waar, gaf hij ten antwoord, eerst als men mij slaat, gaan
+mijn hersens open; Garofoli was zoo dom niet, want hij bemerkte
+dit terstond.
+
+Hoe zou ik lang boos kunnen blijven na zulk een antwoord? Ik begon
+te lachen en onze les werd weder voortgezet.
+
+Maar bij de muziek hadden zich niet dezelfde moeilijkheden voorgedaan
+en sedert zijn eerste optreden had Mattia geduchte vorderingen gemaakt,
+zoo zelfs, dat hij al spoedig mij door zijn vragen verbaasde. Mijne
+verwondering veranderde in verlegenheid en eindelijk was het zoo ver
+gekomen, dat ik hem mijne onwetendheid had moeten bekennen.
+
+Ik moet verklaren, dat mij dit hinderde en ergerde; ik nam mijn rol
+van onderwijzer zeer ernstig op en vond het vernederend voor mezelf,
+dat mijn leerling mij vragen deed, waarop ik geen antwoord wist te
+geven; het scheen mij toe, dat ik hem in zeker opzicht bedroog.
+
+En mijn leerling bespaarde mij geen enkele vraag.
+
+--Waarom zet men voor alle muziek niet denzelfden sleutel?
+
+--Waarom gebruikt men de kruizen als men hooger spelen moet en mollen
+wanneer het lager is?
+
+--Waarom heeft de eerste en laatste maat van een stuk niet hetzelfde
+tempo?
+
+--Waarom kan men zijn viool niet op alle noten stemmen?
+
+Op deze laatste vraag kon ik met waardigheid antwoorden, dat een
+viool mijn instrument niet was en ik nooit de moeite genomen had om
+te weten hoe zij wèl of hoe zij niet gestemd moest worden, en Mattia
+had hierop niets weten te antwoorden.
+
+Maar ik had mij niet op dezelfde wijze uit de verlegenheid kunnen
+redden, toen hij mij vragen deed over de mollen en de maatverdeeling:
+dat had geheel-en-al betrekking op de muziek in 't algemeen, op
+de theorie van de muziek; ik was muziekonderwijzer en ik moest dus
+antwoorden, of ik verloor mijn macht en mijn invloed. Dit besefte ik
+zeer goed en ik was er bijzonder op gesteld beide te behouden.
+
+Als ik dan niet wist wat erop te antwoorden, redde ik mij uit mijn
+verlegenheid door het voorbeeld van oom Gaspard te volgen, die, toen ik
+hem vroeg, wat steenkolen waren, mij op overtuigenden toon antwoordde:
+"Dat zijn kolen, die men onder de steenen vindt."
+
+Met niet minder zekerheid antwoordde ik aan Mattia, wanneer ik niet
+wist wat te zeggen:
+
+--Dat is zoo, omdat het zoo zijn moet; het is een wet.
+
+Mattia had geen karakter, dat zich tegen de wet verzetten zou; hij
+zag mij dan slechts aan met groote oogen en half-ontsloten mond wat
+niet zeer geschikt was om voldaan over mezelf te zijn.
+
+Drie dagen was het geleden, sedert wij Varses verlaten hadden, toen
+hij mij een dergelijke vraag stelde en inplaats van op zijn "waarom"
+te antwoorden: "Ik weet niet," zeide ik toen met zekere waardigheid:
+"Omdat het zoo is."
+
+Hij werd toen afgetrokken en in zichzelf gekeerd, en den geheelen dag
+kon ik geen woord meer uit hem krijgen, wat ik niet van hem gewoon was,
+daar hij altijd bereid was om te babbelen en te lachen.
+
+Eindelijk gelukte het mij hem tot spreken te krijgen.
+
+--Gij zijt ongetwijfeld een goed onderwijzer en ik ben ervan overtuigd,
+dat niemand mij alles wat ik geleerd heb zoo goed zou hebben kunnen
+doen begrijpen, toch....
+
+Hij zweeg.
+
+--Wat toch?
+
+--Toch zijn er misschien dingen, die gij niet weet; dat overkomt
+den wijsten misschien wel, niet waar? Als gij mij dan antwoordt:
+"dat is, omdat het zoo is," dan zijn er misschien wel andere redenen,
+die gij niet zegt, omdat gij ze zelf niet weet. Wanneer gij dan zoo
+redeneert, heb ik altijd tot mezelf gezegd, dat, als gij wildet,
+wij misschien wel heel goedkoop ons een boekje konden aanschaffen,
+waarin de regelen voor de muziek staan.
+
+--Daar hebt gij gelijk in.
+
+--Niet waar? Ik meende ook, dat dit goed zou zijn, want gij kunt toch
+niet alles, wat er in de boeken staat, weten, daar gij niet uit boeken
+geleerd hebt.
+
+--Een goed meester is meer waard dan het beste boek.
+
+--Wat gij daar zegt, brengt mij nog iets anders in de gedachte:
+als gij het goedvindt, zou ik aan een echten meester een les vragen,
+één les ook maar, en dan kon hij alles vertellen, wat ik niet weet.
+
+--Waarom hebt ge zoo'n les bij een echten meester niet genomen,
+toen gij alleen waart?
+
+--Omdat echte meesters duur betaald worden en ik wilde die som niet
+van uw geld afnemen.
+
+Ik nam het Mattia kwalijk, dat hij zoo over een wezenlijken meester
+dacht, maar mijn dwaze ijdelheid was tegen zijn laatste woorden
+niet bestand.
+
+--Gij zijt een veel te goede jongen, gaf ik hem ten antwoord; mijn geld
+is uw geld, daar gij het, evenals ik, verdient, meer en beter zelfs dan
+ik; gij kunt zooveel lessen nemen als gij wilt en ik zal het ook doen.
+
+Ik voegde er toen bij, hem moedig mijn onwetendheid bekennende:
+
+--Dan kan ik ook leeren wat ik niet weet.
+
+De meester, de ware meester, dien wij voor ons wenschten, was geen
+ketellapper uit het een of ander dorp, maar een artist, een groot
+kunstenaar, zooals men die in voorname steden vindt. Op de kaart zag
+ik, dat, vóór wij Clermont bereikten, de grootste stad, die op onzen
+weg lag, Mende heette.
+
+Maar was Mende inderdaad een aanzienlijke stad? dat wist ik niet,
+maar, daar de letters, waarmede de naam van de stad geschreven was,
+op de kaart vrij groot waren, moest ik mijn kaart wel gelooven.
+
+Wij besloten daarom in Mende de groote uitgave van een muziekles te
+bekostigen, want hoewel onze verdiensten zeer weinig beteekenden,
+wilde ik toch het genoegen, dat Mattia wachtte, niet langer uitstellen.
+
+Nadat wij in zijn gansche uitgestrektheid de vlakte van Méjean
+doorgetrokken waren, die ongetwijfeld de ellendigste en onvruchtbaarste
+streek ter wereld is, waar water noch bosch is te zien, en handel
+noch landbouw wordt uitgeoefend, waar men dorpen noch bewoners vindt,
+kortom, waar men niet aan het leven wordt herinnerd en voortdurend
+omringd is door verlaten en eenzame oorden, die slechts bekoorlijkheid
+bezitten voor hen, welke ze in een rijtuig voorbijsnellen, bereikten
+wij eindelijk Mende.
+
+Daar de avond reeds eenigen tijd was gevallen, konden wij dien dag
+aan ons voornemen geen gevolg geven om nog een les te nemen; bovendien
+waren wij uitgeput van vermoeienis.
+
+Mattia was echter zoo verlangend om te weten of Mende, dat hem
+volstrekt niet zulk een belangrijke stad toescheen als ik hem gezegd
+had, een muziekonderwijzer bezat, dat ik onder ons avondeten aan de
+waardin vroeg of zij niet een goed onderwijzer kende, die muziekles
+gaf.
+
+Zij antwoordde, dat onze vraag haar ten hoogste verwonderde; kenden
+wij dan den heer Espinassous niet.
+
+--Wij komen uit een zeer ver verwijderde stad, zeide ik.
+
+--Heel ver dus?
+
+--Uit Italië, antwoordde Mattia.
+
+Haar verbazing week, toen zij dit hoorde en zij begreep, dat, als we
+van zóóver kwamen, wij den heer Espinassous niet kenden, maar, zoo wij
+uit Lyon of Marseille afkomstig waren, zou zij ons stellig niet langer
+geantwoord hebben, daar wij al een zeer slechte opvoeding moesten
+hebben genoten om nooit van dezen beroemden man te hebben gehoord.
+
+--Ik hoop, dat wij in goede handen zijn gevallen, zeide Mattia in
+het italiaansch.
+
+En de oogen van mijn reisgezel schitterden van blijdschap. Ongetwijfeld
+zou de heer Espinassous onmiddellijk al onze vragen beantwoorden:
+hij zou niet verlegen staan om ons alle redenen op te sommen, waarom
+de mollen de tonen verlagen en de kruizen die verhoogen.
+
+Één vrees bekroop mij echter: zou zulk een beroemd kunstenaar er ooit
+in toestemmen om ons, arme drommels, les te geven.
+
+--Heeft mijnheer Espinassous veel lessen? vroeg ik.
+
+--O ja, ik geloof dat hij er heel veel heeft; waarom zou hij niet?
+
+--Denkt gij, dat hij ons morgenochtend zou willen ontvangen?
+
+--Zeker; hij ontvangt iedereen, als men maar geld op zak heeft;
+dat spreekt vanzelf.
+
+Daar wij dit ook begrepen, waren wij gerustgesteld en vóór dat wij
+insliepen, bespraken wij nog lang en breed, ondanks onze vermoeienis,
+alle vragen, die door ons den anderen dag onderworpen konden worden
+aan dezen beroemden onderwijzer.
+
+Nadat wij ons met de uiterste zorg gekleed hadden, of liever schoon
+goed hadden aangetrokken, de eenige weelde, die wij ons konden
+veroorloven, daar wij geen andere kleederen bezaten dan die, welke wij
+op onzen rug droegen, namen wij ons muziekinstrument, Mattia zijn viool
+en ik mijn harp, en we begaven ons op weg naar den heer Espinassous.
+
+Capi had, zooals gewoonlijk, met ons mede willen gaan, maar wij hadden
+hem in den stal van de herberg vastgelegd, daar wij het niet passend
+achtten om met een hond dien beroemden musicus uit Mende op te zoeken.
+
+Toen wij de woning bereikt hadden, welke men ons als die van den
+onderwijzer had aangewezen, meenden wij, dat men zich vergist had,
+want aan de deur van dit huis bengelden twee koperen bekkens, wat
+nooit het uithangbord van een muziekonderwijzer zijn kon.
+
+Terwijl wij dit uithangbord gadesloegen, dat gewoonlijk door een
+barbier gebruikt wordt, trad ons juist een man voorbij, aan wien wij
+de woning van den heer Espinassous vroegen.
+
+--Daar binnen, gaf hij ten antwoord, op den barbierswinkel wijzend.
+
+Waarom zou een muziekonderwijzer ook niet in dezelfde woning als een
+barbier gehuisvest zijn?
+
+Wij traden binnen; de winkel was in twee gelijke deelen verdeeld;
+aan de rechterzijde lagen op eenige planken borstels, kammen, potjes
+pomade en zeep; aan de linkerzijde hingen tegen den muur verscheidene
+muziekinstrumenten.
+
+--Is mijnheer Espinassous tehuis? vroeg Mattia.
+
+Een klein levendig mannetje, die luchtig heen-en-weer zweefde, was
+bezig een boer te scheren en antwoordde met een zware basstem:
+
+--Die ben ik.
+
+Ik wierp Mattia een blik toe om hem aan het verstand te brengen,
+dat deze muzikant-barbier niet de geschiktste persoon was, om les te
+geven en dat het geld in 't water gegooid zou zijn, om ons tot hem
+te richten; maar inplaats van mij te begrijpen en te gehoorzamen,
+ging Mattia op een stoel zitten en zeide hij op vastbesloten toon:
+
+--Wilt gij mijn haar knippen als gij dezen heer geschoren hebt?
+
+--Zeker, jongmensch, en ik zal u ook scheren, indien gij dat verlangt.
+
+--Dank u, zeide Mattia, vandaag niet; als ik terugkom.
+
+Ik was verbaasd over deze kalme vastberadenheid, welke Mattia aan
+den dag legde; hij gaf mij in het voorbijgaan een knipoogje, om mij
+te waarschuwen, dat ik mij nog niet boos moest maken.
+
+Espinassous was spoedig gereed met het scheren van den boer en met het
+servet in de hand, maakte hij zich gereed om Mattia's haar te knippen.
+
+--Mijnheer, zeide Mattia, terwijl het servet hem om den hals gebonden
+werd, mijn vriend en ik waren het daareven niet met elkander eens
+en daar wij weten, dat gij een beroemd musicus zijt, meenden wij,
+dat gij ons wel met uw raad zoudt willen bijstaan.
+
+--Vertel mij maar, waarover gij het niet eens worden kondt, jongelui.
+
+Ik begreep nu welk doel Mattia had: in de eerste plaats wilde hij
+weten of deze musicus wel instaat was onze vragen te beantwoorden
+en dan, zoo zijn antwoorden ons voldeden, of hij ons een muziekles
+wilde geven voor denzelfden prijs als men haar snijdt; Mattia was slim.
+
+--Waarom, vroeg Mattia, stemt men de viool altijd op dezelfde noten?
+
+Ik dacht dat de kapper, die juist op het punt stond om de kam door
+het lange haar van Mattia te halen, een soortgelijk antwoord als ik
+wilde geven en ik lachte reeds in mijn vuistje, toen hij eensklaps
+het woord nam:
+
+--De tweede snaar aan den linkerkant van het instrument moet de _la_
+van den normalen toon aangeven; de andere snaren moeten zóó gestemd
+worden, dat zij van quint tot quint de noten aangeven, dat is te
+zeggen, de _sol_, vierde snaar; _ré_, derde snaar; _la_ tweede snaar;
+_mi_, eerste snaar.
+
+Ik begon niet te lachen, maar Mattia barstte in een schaterlach
+los; dreef hij den spot met mijn verbaasd gelaat? of was het slechts
+blijdschap dat hij vernam, wat hij te weten wilde komen? In elk geval,
+dit is zeker, dat hij schaterend lachte.
+
+Ik bleef met open mond den haarsnijder gadeslaan, die, terwijl hij
+zich om Mattia keerde en wendde en met zijn schaar klapte, zooveel
+wijsheid uitkraamde.
+
+--Welnu, zeide hij, plotseling voor mij stilstaande, ik geloof dat
+mijn kleine klant geen ongelijk had.
+
+Gedurende het knippen van zijn haar, raakte Mattia niet uitgeput
+in vragen en overal gaf de barbier een antwoord op met dezelfde
+gemakkelijkheid en zekerheid.
+
+Maar toen hij zijn antwoord gegeven had, begon hij zelf te vragen en
+spoedig wist hij met welk doel wij hem hadden opgezocht.
+
+Hij barstte toen zelf in een schaterlach los.
+
+--Je bent een paar flinke jongens, zeide hij, maar hoe dwaas van jelui!
+
+Daarop wilde hij, dat Mattia, die nog wèl zoo dwaas was als ik, hem een
+stukje zou voorspelen: Mattia nam dapper zijn viool en begon te spelen.
+
+--En gij kent geen noot muziek! riep de kapper, in de handen klappende.
+
+Ik heb reeds verteld, dat er verscheidene instrumenten tegen den muur
+hingen, waaronder zich ook een klarinet bevond, die Mattia loshaakte
+en waarop hij toen begon te spelen.
+
+--Ik speel ook op de klarinet en de trompet, zeide hij.
+
+--Speel dan maar voort! riep Espinassous.
+
+En Mattia speelde op elk instrument een stukje.
+
+--Je bent een wonderkind! riep de barbier; als gij bij mij blijven
+wilt, dan zal ik een groot muzikant van je maken!'s Morgens helpt gij
+mij in het scheren en den verderen dag moogt gij met mij werken. Meen
+niet, dat ik u geen goed onderwijs zou geven, omdat ik barbier ben; men
+moet leven, eten, drinken, slapen en daarvoor zorgt mijn scheermes; al
+zorg ik voor een ieders baard, daarom ben ik nog geen slecht musicus.
+
+Toen ik dit hoorde, zag ik Mattia bezorgd aan. Wat zou hij
+antwoorden? Zou ik mijn vriend, mijn makker, mijn broeder verliezen,
+zooals ik achtervolgens allen die ik liefhad, verloren had? Mijn hart
+kromp ineen. Toch wilde ik aan mijn gevoel niet toegeven. De toestand
+waarin wij ons bevonden, geleek zeer veel op dien, waarin ik met
+Vitalis verkeerd had, toen mevrouw Milligan mij bij zich wilde houden:
+ik wilde mij niet dezelfde verwijten doen, die Vitalis zich gedaan had.
+
+--Denk slechts aan u zelf, Mattia, zeide ik op ontroerden toon. Maar
+hij wendde zich eensklaps tot mij, terwijl hij mijn hand vatte.
+
+--Mijn vriend verlaten! dat zou mij niet mogelijk zijn. Ik dank u
+zeer voor uw aanbod, mijnheer.
+
+Espinassous bleef echter bij hem aandringen en beweerde, dat,
+als Mattia zijn eerste opvoeding bij hem genoten had, men wel een
+middel zou vinden, om hem naar Toulouse te zenden en vandaar naar
+het conservatoire te Parijs; maar Mattia antwoordde onveranderlijk:
+
+--Nooit zal ik Rémi verlaten.
+
+--Welnu, mijn jongen, ik wil toch iets voor u doen, zeide Espinassous;
+ik zal u een boek geven, waaruit gij alles kunt leeren, wat gij
+niet weet.
+
+Hij begon toen in zijn laden te zoeken: na geruimen tijd vond hij
+een boek, dat den titel droeg: _Theorie der muziek_; het was een oud
+versleten boek, maar dat deed er niets toe.
+
+Daarop nam hij een pen en schreef op de eerste bladzijde: "Een geschenk
+aan het kind, dat, als het eenmaal een kunstenaar geworden is, zich
+den kapper van Mende herinneren zal."
+
+Ik weet niet of zich in dien tijd andere muziekonderwijzers in Mende
+bevonden dan de barbier Espinassous, maar dezen hebben wij gekend en
+wij hebben hem nooit vergeten.
+
+
+
+
+XXIX.
+
+DE KOE VAN DEN PRINS.
+
+
+Ik hield veel van Mattia toen wij te Mende kwamen; maar toen wij
+de stad verlieten, hield ik nog veel meer van hem. Niets maakt de
+vriendschap inniger dan de zekerheid, dat zij wederkeerig is.
+
+Geen grooter bewijs voor zijne genegenheid kon Mattia mij geven
+dan, zooals hij nu gedaan had, het voorstel van Espinassous te
+weigeren. Want daarmede deed hij afstand van een rustig, veilig
+leven met welvaart en rijkdom in het verschiet en van de gelegenheid
+om onderwijs te genieten, terwijl hij mijn avontuurlijk en onzeker
+bestaan zou deelen, dat hem geenerlei waarborg opleverde voor de
+toekomst, ja niet eens voor den dag van morgen.
+
+In tegenwoordigheid van Espinassous kon ik hem niet zeggen, welk een
+indruk die woorden "mijn vriend verlaten" op mij hadden gemaakt; maar
+toen wij alleen waren, drukte ik hem met aandoening de hand en zeide:
+
+--Van dit oogenblik af zijn wij tot aan den dood toe aan elkander
+verbonden.
+
+Hij zag mij met zijne groote oogen glimlachend aan.
+
+--Dat wist ik vroeger ook al, zeide hij.
+
+Mattia, die tot dusverre zich heel weinig met boeken had beziggehouden,
+maakte zeer groote vorderingen van het oogenblik af, dat hij de
+theorie der muziek van Kuhn las. Ongelukkig kon ik hem niet zoo laten
+werken, als ik wel gewild had en als hij zelf zou hebben verlangd,
+want wij moesten van 's morgens tot 's avonds loopen en legden groote
+afstanden af om zoo spoedig mogelijk Lozère en Auvergne achter den rug
+te hebben, daar beiden niet veel opleverden voor reizende zangers en
+muzikanten. In dit arme land verdient de landbouwer weinig en is hij
+dus niet zeer bereid om in zijn zak te tasten; doodkalm hoort hij toe,
+maar als hij bemerkt, dat men hem geld komt vragen, keert hij zich
+om en sluit zijne deur.
+
+Over Saint-Flour en Issoire kwamen wij eindelijk aan de kleine
+badplaatsen, die het doel van onze reis waren, en het bleek nu dat
+de berenleider ons goed had ingelicht: te Bourboule en vooral te
+Mont-Dore deden wij voordeelige zaken.
+
+Ik moet eerlijk bekennen, dat wij dit vooral aan Mattia te danken
+hadden, aan zijn slimheid en aan zijn tact. Wat mij betreft, zoodra
+ik eenige menschen bijeen zag, nam ik mijne harp en begon zoo goed
+mogelijk te spelen, maar altijd min of meer onverschillig. Mattia
+kweet zich beter van zijne taak; het was voor hem niet genoeg dat er
+eenige menschen samen waren om dan terstond te gaan spelen: vóór hij
+zijn viool of trompet nam, sloeg hij zijn publiek aandachtig gade,
+en dan wist hij al zeer spoedig of hij al of niet moest spelen en
+ook wat hij spelen moest.
+
+In de school van Garofoli, die op groote schaal van de publieke
+weldadigheid partij trok, had hij in alle bijzonderheden de zoo
+moeilijke kunst geleerd om de mildheid of de sympathie van het publiek
+op te wekken, en de eerste maal, dat ik hem ontmoette op den zolder
+in de rue Lourcine, had hij mijne bewondering gaande gemaakt toen
+hij mij uitlegde hoe men de menschen tot geven bewegen kon; maar ik
+bewonderde hem nog veel meer, toen ik hem aan het werk zag.
+
+In de badplaatsen vooral gaf hij bewijzen van zijn talent, in de
+eerste plaats tegenover de Parijzenaars, zijn vroeger publiek, dat
+hij had leeren kennen en hier terugvond.
+
+--Opgepast, zeide hij, toen wij eene jonge dame in den rouw door
+de Capucijnerlaan zagen komen; wij moeten iets treurigs spelen; wij
+moeten trachten haar te doen denken aan den dierbaren afgestorvene,
+dien zij verloren heeft; als zij weent, is ons fortuin gemaakt.
+
+En dan speelden wij zoo weemoedig en langzaam, dat het hart er van
+breken zou.
+
+Op de wandelingen in de omstreken van Mont-Dore zijn er plekjes,
+die men salons noemt; het zijn groepen boomen, kleine boschjes, in
+wier lommer de badgasten eenige uren in de open lucht doorbrengen;
+Mattia sloeg het publiek van die salons aandachtig gade en naar gelang
+van den indruk, dien het op hem maakte, koos hij zijne stukken.
+
+Als wij een zieke zagen, die zwaarmoedig op een stoel was neergezonken,
+bleek, met glazige oogen en uitgeteerde wangen, dan wachtten wij
+ons wel in zijne onmiddellijke nabijheid te gaan spelen en hem in
+zijne treurige overpeinzingen te storen. Wij plaatsten ons op een
+afstand, alsof wij muziek maakten voor ons zelven, maar wij speelden
+zoo goed mogelijk; nu en dan wierp hij een schuinschen blik op ons;
+als hij ons boos aanzag, gingen wij heen; als hij met genoegen naar
+ons scheen te luisteren, kwamen wij langzamerhand nader en Capi
+kon dan gerust zijn bakje ophouden; hij behoefde niet bang te zijn,
+dat hij een schop kreeg.
+
+Maar vooral bij de kinderen maakte Mattia opgang; met zijn strijkstok
+scheen hij veerkracht aan hunne beenen te geven en wekte hij den lust
+tot dansen in hen op; als hij glimlachte, begonnen zij ook te lachen,
+zelfs als ze uit hun humeur waren. Hoe deed hij dat? Ik weet het niet;
+maar toch was het zoo; men schepte behagen in hem; men hield van hem.
+
+De verdienste op onze reis overtrof verre onze verwachtigen; nadat
+wij alle verteringen betaald hadden, bezaten wij na korten tijd
+zeventig francs.
+
+Zeventig francs met de honderd veertig, die wij in kas hadden, maakte
+tweehonderd tien; nu was de tijd gekomen om zoo spoedig mogelijk naar
+Chavanon te reizen over Ussel, waar, naar men ons had medegedeeld,
+in dezen tijd eene groote beestenmarkt werd gehouden, die met een
+kermis gepaard ging.
+
+Een kermis, dat was juist iets voor ons; en eindelijk zouden wij dan
+die koe kunnen koopen, waarover wij zoo dikwijls hadden gesproken en
+waarvoor wij zoolang hadden gespaard.
+
+Tot dusverre hadden wij ons slechts gelukkig gevoeld door dit
+vooruitzicht en hadden wij die koe zoo mooi gemaakt, als onze
+verbeelding ze maken kon: het zou eene witte koe zijn; daar stond
+Mattia bepaald op; zij zou lichtrood zijn; dat was mijn verlangen,
+ontstaan uit de herinnering aan Roussette van vrouw Barberin. Zij
+zou heel mak zijn en elken dag emmers melk geven. Het was meer dan
+heerlijk wat wij ons voorstelden.
+
+Maar nu zouden al die droomen verwezenlijkt worden, en thans begonnen
+wij min of meer met de zaak verlegen te zijn.
+
+Hoe zouden wij bij de keus van eene koe de zekerheid hebben, dat zij
+al de eigenschappen bezat, die wij in haar wenschten? Dat was eene
+zaak van gewicht! Welk eene verantwoordelijkheid rustte op ons! Ik
+wist niet hoe men eene goede koe kon onderscheiden van eene slechte
+en Mattia wist er niet veel meer van dan ik.
+
+Wat ons nog ongeruster maakte, waren de zonderlinge verhalen, die wij
+in de herbergen hadden gehoord, sinds wij ons in het hoofd gesteld
+hadden om eene koe te koopen. Paardenkoopers en ossenkoopers waren
+allen bedriegers en schurken. Al die verhalen waren ons bijgebleven
+en maakten ons bevreesd voor de verwezenlijking van ons plan. Een
+boer koopt op de markt eene koe, die den mooisten staart heeft, dien
+ooit een koe heeft bezeten; met zoo'n staart kon zij haar neus zelfs
+afvegen, wat, zooals men weet, eene gewichtige eigenschap is; hij
+komt zeer tevreden thuis, want hij heeft niet te veel betaald voor dit
+merkwaardige dier. Den anderen morgen gaat hij eens naar zijn beestje
+kijken: het heeft volstrekt geen staart meer; die, welken zij scheen
+te hebben, was er aangeplakt, 't was een valsche staart. Een ander had
+een koe gekocht met valsche horens; een derde bespeurde, dat de uiers
+waren opgeblazen en dat zij niet meer dan een paar glazen melk gaf
+in de vier-en-twintig uren. Als wij eens op die wijze bedrogen werden!
+
+Voor een valschen staart is Mattia niet bang; hij zal met zijn volle
+gewicht gaan hangen aan den staart van alle koeien, die hij plan heeft
+te koopen; en hij zal zoo hard trekken, dat de staart, als hij valsch
+is, wel in zijn handen zal blijven. Voor de opgeblazene uiers heeft
+hij ook een goed middel: hij zal er met een lange speld in prikken.
+
+Dit waren middelen, die ontegenzeggelijk doeltreffend zouden wezen,
+als de staart valsch is of de uiers opgeblazen zijn; maar als de
+staart echt is, zal dan de koe geen geweldigen trap tegen den buik
+of het hoofd geven van hem, die eraan trekt, en zou zij hetzelfde
+niet doen, als men haar met een speld in het lichaam prikt?
+
+De kans op zulk een trap bracht eenige kalmte in de plannen van
+Mattia en wij bleven aan dezelfde onzekerheid ten prooi: het zou een
+vreeselijke zaak zijn aan vrouw Barberin eene koe te geven, die geen
+melk gaf of geen horens had.
+
+Onder de verhalen die men ons had verteld, was er een, waarbij een
+veearts een strenge rol speelde, althans tegenover een ossenkooper. Als
+wij een veearts in den arm namen, zou ons dit ongetwijfeld wel wat
+kosten, maar wij zouden dan zeker zijn van onze zaak.
+
+In onze verlegenheid besloten wij tot het laatste, wat ons, in alle
+opzichten, nog het verstandigst voorkwam, en wij zetten vroolijk en
+tevreden onze reis voort.
+
+Mont-Dore en Ussel liggen niet ver van elkander; wij legden dien
+afstand in twee dagen af en kwamen vrij vroeg in Ussel aan.
+
+Ik was hier in zekeren zin in mijn eigen land; te Ussel was ik
+voor het eerst in het publiek opgetreden als _de knecht van den heer
+Joli-Coeur of de domste is niet hij, dien men er voor houdt_. Te Ussel
+was het ook dat Vitalis mij mijn eerste paar schoenen had gekocht,
+die schoenen met spijkers, die mij zoo gelukkig gemaakt hadden.
+
+Arme Joli-Coeur; hij was er niet meer met zijn mooie roode uniform
+van engelsch admiraal, en Zerbino en de bevallige Dolce waren er ook
+niet meer.
+
+Arme Vitalis; ook hem had ik verloren en nooit zou ik hem meer zien,
+zooals hij met opgeheven hoofd en met zijn breede borst vooruitstapte,
+terwijl hij met zijn armen en beenen de maat aangaf, een wals spelende
+op zijn schelle fluit.
+
+Van ons zestal waren er maar twee meer overgebleven: Capi en
+ik. Geen wonder dat ik treurig te moede was, toen ik te Ussel kwam;
+onwillekeurig verbeeldde ik mij, dat ik zoo straks den grijzen hoed
+van Vitalis zou zien, wanneer ik den hoek eener straat omsloeg, en
+dat ik weer die bekende woorden zou hooren, die mij zoo vaak in de
+ooren klonken: "voorwaarts!"
+
+De winkel van den oudkleerkoop, waarheen Vitalis mij gebracht had
+om een kunstenaarsvoorkomen aan me te geven, verdreef gelukkig die
+sombere gedachten; ik vond dien nog evenzoo als ik hem de eerste
+maal gezien had, toen ik de drie glibberige trappen afging. Voor
+de deur hing nog dezelfde rok met galons op de naden, die mij toen
+met bewondering had vervuld; en in de toonkast zag ik dezelfde oude
+geweren en dezelfde oude lompen.
+
+Ik wilde ook de plaats terugzien, waar ik het eerst was opgetreden,
+toen ik de rol vervulde van "de knecht van den heer Joli-Coeur,"
+namelijk van den domste der twee. Capi herkende eveneens de plek
+en kwispelstaartte.
+
+Nadat wij onze reiszakken en instrumenten in de herberg hadden
+gebracht, waar ik met Vitalis had gelogeerd, gingen wij een veearts
+zoeken.
+
+Toen deze vernam wat wij van hem vroegen, begon hij ons hartelijk
+uit te lachen.
+
+--Maar er zijn geen geleerde koeien in dit land, zeide hij.
+
+--Wij willen ook geen koe hebben die kunsten maakt, maar eene die
+goede melk geeft.
+
+--En die een heuzigen staart heeft, voegde Mattia erbij, wien de
+gedachte aan een valschen staart bijzonder kwelde.
+
+--In één woord, mijnheer de veearts, wij komen uw hulp en kennis
+vragen om te voorkomen, dat wij door beestenkoopers worden bedrogen.
+
+Ik zeide dat op een voornamen toon, zooals Vitalis aannam, als hij
+de menschen wilde overbluffen.
+
+--En wat drommel woudt ge met een koe doen? vroeg de veearts.
+
+In weinige woorden had ik hem uitgelegd wat mijn doel was.
+
+--Je bent een paar goede jongens, sprak hij; morgenochtend zal ik
+met je naar de beestenmarkt gaan, en ik beloof je, dat de koe die ik
+koopen zal geen valschen staart zal hebben.
+
+--En ook geen valsche horens? zeide Mattia.
+
+--Ook geen valsche horens.
+
+--En geen opgeblazen uiers?
+
+--Het zal een mooie, goede koe zijn, maar om ze te koopen, moet men
+geld hebben.
+
+Als eenig antwoord knoopte ik mijn zakdoek los, waarin wij onzen
+schat bewaarden.
+
+--In orde; kom mij morgenochtend maar afhalen om zeven ure.
+
+--En hoeveel zijn we u schuldig, mijnheer de veearts?
+
+--Niemendal; denkt ge dat ik geld zou aannemen van zulke flinke
+jongens, als jelui!
+
+Ik wist niet wat ik zeggen zou om hem onzen dank te betuigen; maar
+Mattia had een idée.
+
+--Houdt u van muziek, mijnheer, vroeg hij?
+
+--Heel veel, beste jongen.
+
+--En u gaat vroeg naar bed?
+
+--Met het slaan van negenen.
+
+--Nogmaals dank, mijnheer. Morgen om zeven uren zullen wij bij u zijn.
+
+Ik begreep wat Mattia van plan was.
+
+--Je wilt een concert aan den veearts geven, zeide ik.
+
+--Juist; een serenade als hij naar bed gaat; dat doet men voor
+menschen, van wie men houdt.
+
+--Dat is een goed idee; laten wij nu naar onze herberg teruggaan en
+voor ons concert gaan zorgen; voor de menschen, die betalen, doet het
+er zooveel niet toe, maar als men zich zelven betaalt, dan zorgt men
+dat het goed is.
+
+Drie minuten voor negenen stonden wij voor 't huis van den veearts;
+Mattia met zijn viool en ik met mijn harp; de straat was donker,
+want de maan ging pas te negen uren op en men had goedgevonden om
+de lantaarnen niet aan te steken, terwijl de winkels al gesloten
+waren. Men zag bijna geen menschen meer op straat.
+
+Met den eersten slag van negenen begonnen wij. In die enge stille
+straat klonken onze instrumenten als in de beste zaal; men opende de
+vensters en wij zagen een aantal hoofden met doeken, petten en mutsen
+daaruit te voorschijn komen; men riep elkander uit het eene venster
+naar het andere toe.
+
+Onze vriend de veearts woonde in een huis dat op een zijner hoeken een
+kleinen bevalligen toren had. Een der vensters van het torentje werd
+geopend en hij stak zijn hoofd naar buiten om te zien wie er speelde.
+
+Zeker herkende hij ons en hij begreep onze bedoeling, want hij wenkte
+met de hand, dat wij niet voort zouden gaan.
+
+--Ik zal de deur openen, zeide hij, dan kunt gij in den tuin spelen.
+
+Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend.
+
+--Ge zijt goede jongens, sprak hij, terwijl hij ons beiden hartelijk
+de hand drukte, maar ge zijt dwaas; hebt ge er dan niet aan gedacht
+dat een agent van politie u zou kunnen oppakken wegens straatgerucht!
+
+Wij zetten ons concert voort in den tuin, die niet zeer groot was,
+maar zeer netjes aangelegd, met een priëel dat met slingerplanten
+was begroeid.
+
+De veearts was gehuwd en had verscheidene kinderen; wij hadden dus
+spoedig een ganschen kring van toehoorders om ons heen; men stak
+kaarsen aan in het priëel en wij speelden tot tien ure. Als er een
+stukje uit was, juichte men ons toe en vroeg men een ander.
+
+Als de veearts ons niet eindelijk schertsend weggejaagd had, zouden
+wij den halven nacht hebben voortgespeeld.
+
+--Kom jongens, zeide hij, maakt nu dat je wegkomt, want morgenochtend
+om zeven ure moet ge weer hier zijn.
+
+Maar hij liet ons niet gaan, zonder ons een goed maal voor te zetten,
+dat ons recht naar den zin was. Om hem onze dankbaarheid te bewijzen,
+liet ik Capi nog eenige van zijn mooiste kunsten vertoonen, wat vooral
+bijzonder in den smaak der kinderen viel. 't Was bijna middernacht
+toen wij heengingen.
+
+In het stadje Ussel, dat des avonds zoo kalm en rustig was, heerschte
+den anderen morgen groote drukte en getier. Vóór de zon nog aan den
+hemel was, hoorden wij in onze kamer onophoudelijk het geratel van
+wagens op de steenen en het hinniken van paarden, het loeien van koeien
+en het blaten van schapen, vermengd met het praten en schreeuwen van
+de boeren die ter markt gingen.
+
+Toen wij beneden kwamen, was het plein achter de herberg vol wagens
+en karren, terwijl uit de rijtuigen, die voor de deur stilhielden,
+boeren in hun zondagskleeren stegen, die hunne vrouwen in de armen
+namen om ze op den grond te zetten. Als ze daar stonden, schudden en
+rekten allen zich uit en streken de vrouwen hare gekreukte rokken glad.
+
+In de straat vormden de menschen een breeden stroom, die naar het
+marktveld vloeide, en daar het nog geen zes ure was, gingen ook wij
+er heen om de koeien te zien, die reeds aangevoerd waren en eene
+keuze te doen.
+
+Welke prachtige koeien waren er bij! Men had er van allerlei kleur
+en van allerlei grootte; er waren vette en magere; sommige met hare
+kalveren, andere met zware uiers; op het marktplein waren ook paarden,
+die hinnikten; merries, die haar veulens lekten; vette varkens, die
+kuilen in den grond groeven; speenvarkens, die schreeuwden of zij
+gevild werden; voorts schapen, kippen en ganzen. Maar om die allen
+bekommerden wij ons niet; wij hadden alleen maar oogen voor de koeien,
+die ons onderzoek doorstonden, terwijl zij met haar groote oogen
+knipten en langzaam met haar onderkaak heen-en-weder schoven, haar
+laatsten maaltijd herkauwend, zonder eraan te denken, dat zij nooit
+meer het gras zouden eten van de weiden, waar zij werden grootgebracht.
+
+Na een halfuur te hebben rondgedoold, hadden wij er zeventien gevonden,
+die volkomen aan ons doel beantwoordden, de eene om deze, de andere om
+gene eigenschap; drie omdat zij rood waren, twee andere omdat zij wit
+waren, wat natuurlijk een punt van geschil was tusschen Mattia en mij.
+
+Te zeven ure waren wij bij den veearts, die ons wachtte en wij gingen
+met hem naar de markt terug. Onderweg vertelden wij hem nogmaals,
+welke eigenschappen wij in onze koe verlangden.
+
+Deze kwamen in hoofdzaak hierop neder, dat zij weinig moest eten en
+veel melk moest geven.
+
+--Dat moet een goede zijn, zeide Mattia, naar eene witte koe wijzende.
+
+--Ik geloof dat die andere beter is, zeide ik, en wees naar eene roode.
+
+De veearts maakte ons geschil uit door noch de eene noch de andere te
+kiezen; hij ging naar eene derde; eene kleine koe met magere pooten,
+rood van haar met bruine ooren en wangen, zwarte kringen om de oogen
+en een witten kring aan den snuit.
+
+--Dit is eene koe uit Rouergue, zeide hij; juist eene zooals gij
+hebben moet.
+
+Een boer met een armelijk voorkomen had haar aan een touw.
+
+--Wat moet gij voor die koe hebben? vroeg de veearts.
+
+--Drie honderd francs.
+
+Reeds had die kleine vlugge koe, zoo fijn van vormen en met zoo'n
+verstandigen kop ons hart gestolen; maar toen hij drie honderd francs
+vroeg, waren wij nog wanhopend.
+
+Drie honderd francs! dat maakte onze rekening volstrekt niet. Ik wenkte
+den veearts, dat wij maar naar eene andere koe moesten omzien; hij,
+van zijn kant, gaf me een wenk, dat wij integendeel moesten volhouden.
+
+Toen volgde er een loven en bieden tusschen den boer en den veearts;
+hij bood honderd vijftig francs; de boer sloeg tien francs af. De
+veearts kwam tot honderd tachtig francs, de boer tot twee honderd
+tachtig.
+
+Maar toen de onderhandeling zóó ver was gevorderd, en onze hoop weder
+begon te herleven, nam zij opeens eene andere wending. De veearts
+begon de koe eens nauwkeurig op te nemen; zij had te zwakke pooten;
+de nek was te kort; de horens waren te lang; zij had geen longen;
+de uiers waren niet goed gevormd.
+
+De boer zeide, dat, daar wij zooveel verstand van koeien hadden, hij
+de koe voor twee honderd vijftig francs zou verkoopen, omdat zij in
+goede handen kwam.
+
+Toen kregen we opeens een heimelijken angst, dat de koe niet deugde.
+
+--Laten wij maar eens naar andere koeien gaan kijken.
+
+Toen hij dit hoorde, sloeg de boer opnieuw tien francs af.
+
+Zoo kwam hij ten slotte op twee honderd francs: maar lager wilde hij
+niet gaan.
+
+De veearts stootte mij tersluiks aan om mij te doen begrijpen, dat
+het kwaad, hetwelk hij van de koe gezegd had, niet was gemeend en
+dat het dier, inplaats van zooveel gebreken te hebben, voortreffelijk
+was. Maar twee honderd tien francs was eene geduchte som voor ons.
+
+Onderwijl was Mattia achter de koe gaan staan en had ze een haar uit
+den staart getrokken, waarop het dier met een trap had geantwoord.
+
+Dit gaf den doorslag.
+
+--Welnu, voor twee honderd tien francs neem ik de koe, zeide ik,
+en meende, dat nu alles in orde was.
+
+Ik stak mijn hand al uit om het touw te vatten, maar de boer liet
+het niet los.
+
+--En de fooi? zeide hij.
+
+Opnieuw gingen wij aan het onderhandelen; thans over de fooi en wij
+kwamen overeen, dat we een franc zouden geven. Wij hadden dan nog
+drie francs over.
+
+Wederom stak ik mijn hand uit; de boer drukte mij die zoo stevig of
+wij oude vrienden waren.
+
+Omdat ik zijn vriend was, zou ik het drinkgeld niet vergeten.
+
+Dat was weder een halve franc.
+
+Voor de derde maal wilde ik het touw vatten, maar mijn vriend, de boer,
+hield mij tegen.
+
+--Ge hebt geen halster, zeide hij; ik verkoop wel de koe, maar niet
+den halster.
+
+Daar ik zijn vriend was, wilde hij mij echter wel den halster
+overdoen. Met anderhalven franc was hij tevreden; dat was niet duur.
+
+Een halster hadden wij noodig om onze koe te leiden, en ik stemde er
+dus in toe. Ik hield toch nog altijd een franc over.
+
+--Waar is je touw? vroeg hij. Ik heb u den halster verkocht, maar
+niet het touw.
+
+Het touw kostte ons een franc; dat was onze laatste.
+
+Toen die betaald was, werd ons de koe afgeleverd met haar halster
+en touw.
+
+Wij hadden nu eene koe, maar geen stuiver meer om haar te voeden of
+in ons eigen onderhoud te voorzien.
+
+--Dan gaan we maar weer aan 't werk, zeide Mattia: de herbergen zijn
+vol menschen en als wij elk onzen weg gaan, kunnen wij overal gaan
+spelen en van avond zullen wij met eene goede som thuiskomen.
+
+Wij brachten onze koe in den stal van onze herberg, waar wij haar
+stevig vastmaakten. Daarop gingen wij beiden de stad in en toen wij
+'s avonds onze rekening opmaakten, bleek het, dat Mattia vier en een
+halven franc en ik drie francs had ontvangen.
+
+Zeven en een halven franc hadden wij weer: wij waren rijk.
+
+Maar het genot dat wij zeven en een halven franc hadden verdiend,
+beteekende niets vergeleken met onze vreugde, dat wij er twee honderd
+veertien hadden uitgegeven.
+
+Wij wisten de keukenmeid over te halen, dat zij onze koe zou melken
+en wij dronken des avonds haar melk; nooit hadden wij zulke lekkere
+melk gedronken. Mattia verzekerde, dat er suiker in was en dat zij
+naar oranjebloesem smaakt. Zij was nog beter dan de melk die hij in
+het gasthuis had gedronken.
+
+In onze opgetogen blijdschap gingen wij naar den stal en kusten
+onze koe op haar zwarten snuit; blijkbaar was zij gevoelig voor die
+liefkoozing, want zij lekte onze wangen met haar ruwe tong.
+
+--Ze zoent me, riep Mattia, buiten zich zelven van opgetogenheid.
+
+Het genot de koe te liefkoozen en door haar geliefkoosd te worden
+zal men beter begrijpen, als men weet dat Mattia noch ik in dit
+opzicht verwend was; wij behoorden niet tot die gelukkige kinderen,
+die door hunne moeders zóó overladen worden, dat zij er zich zelfs
+tegen verzetten. Beiden gevoelden wij, dat ook wij gaarne dat genot
+zouden hebben gesmaakt.
+
+Den anderen morgen stonden wij op met het krieken van den dag en
+begaven ons terstond op weg naar Chavanon.
+
+Daar ik Mattia dankbaar was voor de hulp, die hij mij had
+verleend--want zonder hem zou ik nooit die som van twee honderd
+veertien francs bijeen hebben gekregen--gaf ik hem het genoegen
+onze koe te leiden en hij was recht gelukkig, dat hij het touw mocht
+vasthouden, terwijl ik er achter liep. Eerst toen wij buiten de stad
+waren gekomen, ging ik naast hem loopen, om als gewoonlijk met hem
+te praten, maar vooral om onze koe te zien. Nooit had ik zoo'n mooie
+koe ontmoet.
+
+Zij zag er dan ook heel goed uit; langzaam stapte zij voort, met haar
+kop buigende, als een dier, dat volkomen zijne waarde beseft.
+
+Thans behoefde ik niet onophoudelijk mijne kaart te raadplegen zooals
+ik deed sedert wij Parijs verlaten hadden; ik wist waar ik heenging;
+en ofschoon er reeds vele jaren verloopen waren sinds ik met Vitalis
+dien weg had afgelegd, herkende ik toch alle bijzonderheden.
+
+Teneinde onze koe niet te vermoeien en om niet te laat in den avond
+te Chavanon te komen was mijn plan, te overnachten in het dorp, waar
+ik den eersten nacht met Vitalis had doorgebracht, op het varen bed
+waar de goede Capi, toen hij mijn verdriet had bemerkt, zich naast
+mij uitstrekte en zijn poot in mijne hand legde om mij te kennen te
+geven, dat hij mijn vriend wilde zijn. Van daar begaven wij ons den
+anderen morgen op weg, om reeds bijtijds bij moeder Barberin te komen.
+
+Maar het lot, dat ons tot hiertoe zoo gunstig was geweest, werkte
+ons thans tegen en deed ons van plan veranderen.
+
+Wij hadden bepaald dat wij onzen tocht in tweeën zouden verdeelen
+en tegen het midden van den dag ons ontbijt zouden gebruiken, vooral
+ook om onze koe te laten eten van het gras, dat langs den weg groeide.
+
+Tegen tien uur vonden wij een plek waar het gras welig en malsch was;
+daar legden wij onze zakken neder en lieten onze koe in de greppel
+afdalen.
+
+Eerst wilde ik haar aan het touw vasthouden, maar zij was zoo rustig
+en zoo gewoon om te grazen, dat ik haar het touw om de horens wond
+en bij haar ging zitten om mijn boterham te eten.
+
+Natuurlijk waren wij veel spoediger daarmede gereed dan zij. Toen
+wij haar een poos lang bewonderd hadden, gingen wij, om den tijd
+te dooden, met ons beiden knikkeren, want men moet niet gelooven,
+dat wij een paar brave, ernstige, oude mannetjes waren, die alleen
+maar dachten aan geld verdienen. Al leidden wij ook een leven, zooals
+knapen op onze jaren niet gewoon zijn, toch waren wij in ons hart nog
+jongens van denzelfden aard als anderen en speelden wij gaarne. Geen
+dag ging er voorbij dat wij niet een uurtje knikkerden, met den bal
+speelden, of haasje-over sprongen. Dikwijls gebeurde het dat Mattia
+mij zonder aanleiding opeens vroeg: "willen wij wat spelen?" En dan
+wierpen wij onmiddellijk onze zakken en onze instrumenten neder en
+middenop den weg begonnen wij dan ons spel. Als ik geen horloge gehad
+had, dat mij zeide hoe laat het was, zouden wij tot 's avonds hebben
+doorgespeeld. Maar dan ontwaakte het besef in mij, dat ik aan het
+hoofd van den troep stond en dat wij werken moesten om het geld te
+verdienen, dat wij voor ons onderhoud noodig hadden. Dan legde ik den
+riem van mijne harp over den schouder en voorwaarts ging het dan weder.
+
+Wij waren klaar met spelen vóórdat de koe klaar was met grazen, en
+toen zij ons naar zich toe zag komen, begon zij groote plukken gras
+met haar tong af te rukken, alsof zij ons zeggen wilde, dat zij nog
+lang niet gereed was.
+
+--Laten wij nog maar een oogenblik wachten, zeide Mattia.
+
+--Weet gij dan niet, dat eene koe den ganschen dag kan eten?
+
+--Een oogenblikje maar.
+
+Al wachtende, namen wij onze zakken en instrumenten weder op.
+
+--Als ik eens een deuntje op mijn horen voor haar speelde? zeide
+Mattia, die niet werkeloos kon zijn. Wij hadden in het paardenspel
+van Gassot eene koe, die veel van muziek hield.
+
+Zonder mijn antwoord af te wachten, maakte Mattia een fanfare.
+
+Bij de eerste tonen lichtte onze koe den kop op, maar eensklaps, vóór
+ik haar nog bij de horens had kunnen grijpen, om het touw te vatten,
+rende zij in galop voort.
+
+Wij renden haar na en liepen zoo hard wij konden, met alle macht
+haar terugroepende.
+
+Ik riep Capi toe, dat hij ze zou tegenhouden; maar men kan niet alle
+talenten te gelijk bezitten. Een hond van een koeherder zou haar
+tegen den neus zijn gesprongen, maar Capi, die een geleerde hond was,
+sprong tegen haar pooten op.
+
+Dit hield haar natuurlijk niet tegen; zij rende voort en wij haar
+achterna.
+
+Onder het loopen riep ik tot Mattia: "Stommerik!" En hij antwoordde,
+eveneens voortdravende:
+
+--Je moogt me een pak slaag geven; ik heb het verdiend.
+
+Wij hadden ons neergezet om te ontbijten op een halfuur afstand van een
+groot dorp; daarheen rende nu onze koe en zij kwam er natuurlijk veel
+eerder aan dan wij. De weg was recht en wij zagen nu, niettegenstaande
+wij nog op verren afstand waren, dat men haar tegenhield en zich van
+haar meester maakte.
+
+Toen liepen wij minder snel; wij behoefden haar slechts te vragen
+van de goede menschen, die haar hadden vastgehouden, en die zouden
+ze ons wel teruggeven.
+
+Naarmate wij dichterbij kwamen, was het aantal omstanders toegenomen,
+en toen we eindelijk naast haar stonden, zagen wij ons omringd door
+een twintigtal mannen, vrouwen en kinderen, die het zeer druk over
+ons hadden.
+
+Ik had gedacht dat ik mijne koe maar behoefde te vragen, om ze
+te krijgen, maar inplaats daarvan, deed men ons van alle kanten
+allerlei vragen: waar wij vandaan kwamen en hoe die koe in ons bezit
+was gekomen?
+
+Onze antwoorden waren even eenvoudig als gemakkelijk: maar zij
+overtuigden die menschen volstrekt niet en twee of drie stemmen gingen
+er op, die ons toeriepen, dat wij de koe, die ons ontloopen was,
+gestolen hadden; dat wij naar de gevangenis moesten gebracht worden,
+in afwachting dat de zaak werd opgehelderd.
+
+Dat vreeselijke woord "gevangenis" joeg mij een killen schrik op het
+lijf; ik raakte verward en dat was ons ongeluk: ik verbleekte, begon
+te stotteren en daar ik door het harde loopen mijn adem verloren had,
+was ik buiten staat te antwoorden.
+
+Middelerwijl was er een gendarme gekomen; met een paar woorden vertelde
+men hem onze geschiedenis, en daar ze hem niet in orde scheen, zeide
+hij, dat onze koe zou worden opgestald en hij ons naar de gevangenis
+brengen zou.
+
+Ik wilde er mij tegen verzetten; Mattia wilde ook wat zeggen, maar
+op strengen toon legde de gendarme ons het stilzwijgen op, en daar
+ik mij herinnerde wat er met Vitalis te Toulouse was gebeurd, zeide
+ik tot Mattia, dat wij maar moesten zwijgen en den gendarme volgen.
+
+Het gansche dorp liep ons na tot het stadhuis, waar de gevangenen
+bewaard werden. Men omringde ons van alle zijden; men duwde ons; men
+schold ons uit en als de gendarme er niet bij geweest was, zou men
+ons met steenen hebben geworpen, misschien nog wel erger, alsof wij de
+grootste misdadigers, moordenaars of brandstichters waren. Toch hadden
+wij volstrekt geen kwaad gedaan. Maar zoo is nu eenmaal de menigte; zij
+vindt er genot in ongelukkigen te mishandelen, zonder te weten wat zij
+gedaan hebben, ja zelfs zonder te weten of zij schuldig zijn of niet.
+
+Aan de gevangenis gekomen, had ik nog een oogenblik hoop: de portier
+van het stadhuis, die tevens cipier was en veldwachter bovendien,
+wilde ons eerst niet toelaten. Ik zeide al bij mij zelven, dat dit
+tenminste een braaf man was. Maar toen de gendarme aanhield, gaf hij
+eindelijk toe. Voor ons uitgaande, opende hij eene groote deur, die van
+buiten met een zwaar slot en twee stevige grendels was gesloten. Toen
+eerst bemerkte ik, waarom hij eerst moeilijkheid had gemaakt om ons te
+ontvangen: hij had namelijk het vertrek, dat tot gevangenis diende, tot
+bewaarplaats voor zijn uien ingericht en daarmee lag dan ook de grond
+bedekt. Terwijl men onze zakken doorzocht, onze messen en lucifers
+enz. afnam, veegde de cipier zijne uien in een hoek bijeen. Toen sloot
+men de deur en het gedruisch dat het omdraaien van den sleutel en het
+dichtschuiven van de grendels maakten, klonk verschrikkelijk akelig.
+
+Wij zaten dus in de gevangenis. Voor hoelang?
+
+Toen ik mezelven die vraag deed, kwam Mattia voor mij staan en zeide,
+terwijl hij zijn hoofd voor mij boog:
+
+--Geef me maar een geducht pak slaag; sla nu maar goed raak; je kunt
+me niet zwaar genoeg straffen voor mijn domheid.
+
+--Je hebt een domme streek begaan en ik heb ze toegelaten; ik ben
+even dom geweest als jij.
+
+--Ik zou liever hebben dat je me een pak slaag gaaft; dan zou ik
+minder verdriet hebben; onze koe! onze arme koe! de koe van den prins!
+
+Hij begon bitter te schreien.
+
+Toen was het mijn beurt om hem te troosten en hem aan 't verstand te
+brengen, dat onze toestand zoo erg niet was. Wij hadden geen kwaad
+gedaan en het zou ons niet moeilijk vallen te bewijzen, dat wij onze
+koe gekocht hadden; de goede veearts uit Ussel zou onze getuige wezen.
+
+--En als men ons beschuldigt, dat wij het geld gestolen hebben,
+waarvoor wij de koe hebben gekocht, hoe zullen wij dan bewijzen, dat
+wij het eerlijk hebben verdiend? Je ziet toch wel dat ongelukkigen
+van alles worden verdacht en beschuldigd.
+
+Mattia had gelijk; ik wist maar al te goed, dat men hardvochtig is
+voor ongelukkigen; de kreten waarmede men ons vervolgd had tot voor
+de deur der gevangenis, bewezen het immers maar al te goed.
+
+--En dan, zeide Mattia, nog altijd weenende, als wij uit de gevangenis
+ontslagen worden en onze koe terugkrijgen, zullen wij dan vrouw
+Barberin vinden?
+
+--Waarom zouden wij haar niet vinden?
+
+--Zij is mogelijk gestorven in den tijd, dat gij haar niet gezien hebt.
+
+Die vrees sloeg ook mij om 't hart. Het was inderdaad heel goed
+mogelijk, dat vrouw Barberin gestorven was; want hoewel ik nog niet
+op den leeftijd was, waarop men aan den dood denkt, wist ik toch bij
+ondervinding, dat men verliezen kon wie men liefheeft. Had ik Vitalis
+niet verloren? Hoe kwam het, dat ik zelf daaraan niet reeds vroeger
+had gedacht?
+
+--Waarom hebt ge me dat niet eerder gezegd? vroeg ik.
+
+--Heel eenvoudig; als ik gelukkig ben, heb ik slechts prettige dingen
+in mijn hersens, en als ik ongelukkig ben, alleen treurige. En ik
+was zoo gelukkig bij de gedachte, een koe thuis te brengen bij vrouw
+Barberin, dat ik haar alleen maar voor me had, blijde en lachend over
+haar koe en ook enkel onze blijdschap zag. Dat vervulde me zoo met
+vroolijke gedachten, dat ik voor niets anders gevoel had.
+
+--Uw hoofd is niet dommer dan het mijne, beste Mattia, want ik heb
+evenmin als gij aan iets anders gedacht. Evenals gij had ik voor
+niets gevoel dan voor dat ééne gelukkige oogenblik, waarop wij vrouw
+Barberin haar koe zouden geven.
+
+--Och, och! die koe van den prins! riep Mattia schreiend uit. 't Is
+een mooie prins!
+
+Plotseling stond hij op en met heftige gebaren riep hij uit:
+
+--Als vrouw Barberin eens dood was en die ellendeling van een Barberin
+nog leefde en onze koe ons afnam en misschien u zelven ook nog hield!
+
+Zeker was het de invloed van de gevangenis, die zulke zwaarmoedige
+gedachten bij ons deed oprijzen; 't was dat geschreeuw van de menigte;
+'t was de gendarme; 't was het gedruisch van het slot en de grendels,
+die men achter ons had gesloten.
+
+Maar Mattia dacht niet slechts aan ons, maar ook aan onze koe.
+
+--Wat zal men ze te eten geven? Wie zal haar melken?
+
+Het eene uur na het andere verstreek, terwijl wij ons aan die
+treurige overpeinzingen overgaven, en hoe langer het duurde, zooveel
+te zwaarmoediger werden wij.
+
+Ik trachtte Mattia op te beuren door hem te zeggen, dat men ons in
+ieder geval toch verhooren zou.
+
+--En wat zullen wij dan zeggen?
+
+--De waarheid.
+
+--Maar dan zullen ze ons aan Barberin overgeven, of, als vrouw Barberin
+alleen thuis, zal men haar ondervragen om te zien of wij niet liegen,
+en dan zullen we haar niet meer kunnen verrassen.
+
+Eindelijk werd de deur met groot geweld geopend en wij zagen een ouden
+heer binnenkomen, wiens open gelaat terstond onze hoop herleven deed.
+
+--Alloh! kwajongens, staat op, zeide de cipier, en antwoordt op
+hetgeen mijnheer de vrederechter je vragen zal.
+
+--'t Is goed, 't is goed, sprak de vrederechter, terwijl hij den cipier
+een wenk gaf om hem alleen te laten; ik zal eerst dien knaap in verhoor
+nemen--daarbij wees hij met zijn vinger naar mij--, breng den anderen
+zoolang weg en bewaar hem goed; ik zal later met hem spreken.
+
+Ik achtte het noodig in de gegeven omstandigheden Mattia te
+waarschuwen hoe hij antwoorden moest en zeide: "Evenals ik, mijnheer
+de vrederechter, zal hij u de waarheid en niets meer dan de waarheid
+zeggen."
+
+--Dat is goed, dat is goed, sprak de vrederechter weder kortaf,
+alsof hij voorkomen wilde, dat ik nog meer zeide.
+
+Mattia werd weggebracht, maar hij had toch nog gelegenheid om mij
+door een blik te kennen te geven, dat hij mij had begrepen.
+
+--Men beschuldigt u eene koe te hebben gestolen, zeide de vrederechter,
+mij strak in de oogen ziende.
+
+Ik antwoordde, dat wij die koe gekocht hadden te Ussel en ik noemde
+den naam van den veearts, die ons bij het koopen geholpen had.
+
+--Dat zal kunnen blijken.
+
+--Dat hoop ik, want daardoor alleen kan onze onschuld aan het licht
+komen.
+
+--En met welk doel hebt gij die koe gekocht?
+
+--Om ze naar Chavanon te brengen en ze present te geven aan eene vrouw,
+die mijne min is geweest en die ik nu mijne dankbaarheid wilde betoonen
+voor hare zorgen en een bewijs van genegenheid wilde geven.
+
+--Hoe heet die vrouw?
+
+--Barberin.
+
+--Is dat de vrouw van een metselaar, die eenige jaren geleden te
+Parijs een ongeluk kreeg?
+
+--Ja, mijnheer.
+
+--Ook dat zal kunnen blijken.
+
+Op die woorden antwoordde ik niet zooals ik gedaan had, toen het den
+veearts te Ussel gold.
+
+Toen hij mijne verlegenheid bespeurde, deed de vrederechter mij
+allerlei vragen en eindelijk bekende ik de reden van mijn zwijgen:
+als hij bij vrouw Barberin een onderzoek instelde, zou ons plan geheel
+verijdeld zijn; wij zouden haar dan niet meer kunnen verrassen.
+
+Ondanks mijne verlegenheid, maakte zich toch een gevoel van gerustheid
+van mij meester; nu de vrederechter vrouw Barberin kende en narichten
+bij haar wilde inwinnen, om te weten of ik waarheid had gesproken,
+was dit een bewijs, dat zij nog in leven was.
+
+Maar nog meer genoegen deed het mij, uit hetgeen de vrederechter
+verder sprak te kunnen opmaken, dat Barberin voor eenigen tijd weder
+naar Parijs was teruggekeerd.
+
+Dit maakte mij zóó gelukkig, dat ik hem wist over te halen om zich
+tot het onderzoek bij den veearts te bepalen, daar dit toch voldoende
+was om te bewijzen, dat wij onze koe niet hadden gestolen.
+
+--En hoe zijt gij aan zooveel geld gekomen, om een koe te kunnen
+koopen?
+
+Dat was de vraag, waarover Mattia zich zoo ongerust maakte, toen hij
+voorzag, dat zij ons zou worden gedaan.
+
+--Dat hebben wij verdiend.
+
+--Waar en hoe?
+
+Ik vertelde hem toen hoe wij van Parijs naar Varses en van Varses
+tot Mont-Dore, stuiver voor stuiver hadden verdiend en bewaard.
+
+--En wat ging-je te Varses doen?
+
+Die vraag noodzaakte mij opnieuw een heel verhaal te geven van mijn
+lotgevallen. Toen de vrederechter hoorde, dat ik in de mijn van Truyère
+begraven was geweest, viel hij mij in de rede en op veel zachteren,
+bijna vriendelijken toon vroeg hij:
+
+--Wie van u beiden is Rémi?
+
+--Die ben ik, mijnheer.
+
+--Hoe bewijst gij dat? Gij hebt geen papieren, zooals de gendarme
+mij gezegd heeft.
+
+--Neen, die heb ik niet.
+
+--Vertel mij dan eens hoe dat ongeluk te Varses in zijn werk is
+gegaan. Ik heb het verhaal daarvan in de couranten gelezen, en als gij
+de wezenlijke Rémi niet zijt, kunt gij mij niet misleiden. Ik luister;
+pas dus goed op.
+
+De vriendelijke toon van den vrederechter gaf mij moed: ik zag
+duidelijk, dat hij ons niet vijandig gezind was.
+
+Toen ik mijn verhaal had geëindigd, zag de vrederechter mij een
+poos lang aan en op zijn gelaat was hartelijkheid en deelneming te
+lezen. Ik verbeeldde me, dat hij mij nu terstond in vrijheid zou
+stellen; maar dat gebeurde niet. Zonder een woord verder te spreken,
+liet hij mij alleen. Zeker ging hij thans Mattia in verhoor nemen,
+om te zien of onze twee verhalen overeenstemden.
+
+Geruimen tijd bleef ik aan mijne eigene overdenkingen overgelaten;
+eindelijk kwam de vrederechter terug met Mattia.
+
+--Ik zal narichten inwinnen te Ussel, zeide hij, en als die, zooals
+ik hoop, bevestigen wat gij mij verteld hebt, dan zal ik u morgen in
+vrijheid doen stellen.
+
+--En onze koe? vroeg Mattia.
+
+--Die krijgt gij dan terug.
+
+--Dat bedoel ik niet, hernam Mattia, maar wie zal ze te eten geven? en
+wie zal ze melken?
+
+--Maak je daar maar niet ongerust over, vriendje.
+
+Mattia was door die woorden geheel gerustgesteld.
+
+--Als men onze koe melkt, zeide hij met een glimlach, zou men ons dan
+de melk niet kunnen bezorgen? Dat zou heerlijk zijn voor ons avondeten.
+
+Zoodra de vrederechter vertrokken was, deelde ik aan Mattia de twee
+gewichtige tijdingen mede, die me bijna deden vergeten, dat ik in de
+gevangenis was: vrouw Barberin leefde en Barberin zelf was te Parijs.
+
+--De koe van den prins zal dan een luisterrijken intocht houden,
+zeide Mattia.
+
+En in zijne vreugde begon hij te dansen en te zingen; ik greep zijne
+twee handen, door zijne vroolijkheid medegesleept en Capi, die tot
+hiertoe treurig en onrustig in zijn hoek had gelegen, ging op zijne
+achterpooten tusschen ons beiden instaan. Toen begonnen wij zoo lustig
+en levendig te dansen, dat de cipier ongerust werd--waarschijnlijk
+om zijne uien--en kwam zien wat wij uitvoerden.
+
+Hij verzocht ons wat bedaard te zijn; maar hij sprak nu niet zoo ruw
+als toen hij de eerste maal met den vrederechter binnenkwam.
+
+Ook daaruit leidden wij af, dat onze toestand zoo erg niet was en
+spoedig ontvingen we het bewijs, dat we ons hierin niet bedrogen;
+want weldra kwam hij terug met eene groote terrine vol melk--melk
+van onze koe! Maar dat was nog niet alles: hij gaf ons ook een groot
+wittebrood met een stuk koud kalfsvleesch, dat, zooals hij zeide,
+van den vrederechter kwam.
+
+Nooit werden gevangenen zoo goed behandeld; toen ik mijn kalfsvleesch
+at en mijn melk erbij dronk, kreeg ik een veel betere meening omtrent
+gevangenissen; zij waren blijkbaar veel aangenamer dan ik mij ooit
+had voorgesteld.
+
+Dat was ook het oordeel van Mattia.
+
+--Eten en slapen zonder dat het een cent kost, zeide hij lachend;
+dat is een buitenkansje.
+
+Ik wilde hem bang maken en zeide:
+
+--Als nu de veearts eens plotseling gestorven was, wie zou dan voor
+ons getuigen?
+
+--Zulke dingen denkt men alleen maar, als men ongelukkig is, antwoordde
+hij, zonder boos te worden, en dat zijn wij op dit oogenblik niet.
+
+
+
+
+XXX.
+
+VROUW BARBERIN.
+
+
+Onze nacht op een veldbed was niet al te slecht: wij hadden er wel
+slechter doorgebracht, als wij onder den blooten hemel moesten slapen.
+
+--Ik heb gedroomd dat onze koe haar intocht hield, zeide Mattia toen
+hij ontwaakte.
+
+--Ik ook.
+
+Te acht uren werd onze deur geopend en wij zagen den vrederechter
+binnenkomen, gevolgd door onzen vriend den veearts, die ons zelf in
+vrijheid had willen stellen.
+
+Wat den vrederechter betreft, zijne belangstelling voor twee
+onschuldige gevangenen bepaalde zich niet tot het eten, dat hij ons
+den vorigen avond had gezonden; hij gaf mij een groot vel papier met
+een zegel er op.
+
+--Gij zijt een paar domme jongens, sprak hij minzaam, dat gij zoo maar
+op weg gaat; hier hebt gij een paspoort, dat ik door den burgemeester
+in orde heb doen maken, en dat zal u voortaan voor moeilijkheden
+bewaren. Goede reis, jongens!
+
+Toen gaf hij elk van ons de hand en de veearts drukte die eveneens
+recht hartelijk.
+
+Op schandelijke wijze waren wij het dorp binnengekomen; zegepralend
+mochten wij het thans verlaten; wij hadden onze koe aan het touw en
+stapten voort met opgeheven hoofd, met fiere blikken de dorpelingen
+aanziende, die zich voor hunne woning vertoonden.
+
+--Eén ding spijt mij maar, zeide Mattia: dat wij den gendarme niet
+tegenkomen, die ons naar de gevangenis heeft gebracht.
+
+--De gendarme had ongelijk, maar wij hadden ook ongelijk, toen
+wij geloofden dat zij, die ongelukkig zijn, ook niets goeds hebben
+te wachten.
+
+--Omdat wij niet heelemaal ongelukkig waren, hebben wij nog wat
+goeds ondervonden; als men vijf francs op zak heeft, is men nog niet
+heelemaal ongelukkig.
+
+--Gisteren mocht gij dat nog zeggen, maar vandaag niet meer; je hebt
+toch gezien, dat er nog brave menschen in de wereld zijn.
+
+Wij hadden eene te goede les gehad om weder het touw van onze koe
+los te laten; zij was heel goedig, dat is waar, maar zij was ook
+geducht schichtig.
+
+Weldra hadden wij het dorp bereikt, waar ik den eersten nacht met
+Vitalis doorgebracht had. Van daar hadden wij nog slechts eene vlakte
+door te trekken om aan den heuvel te komen, aan welks voet het dorpje
+Chavanon ligt.
+
+Toen ik de straat doorging van het dorp, juist vóór het huis, waar
+Zerbino een korst brood had gestolen, kwam er eene gedachte bij mij
+op, die ik terstond aan Mattia mededeelde.
+
+--Je weet wel dat ik je beloofd heb, dat wij wafels bij vrouw Barberin
+zouden eten; daar is boter voor noodig en bloem en eieren.
+
+--Dat zal dan wel lekker smaken.
+
+--Nu, dat zou ik denken! Maar gij zult het zelf proeven; het smelt in je
+mond. Maar misschien heeft vrouw Barberin geen boter en geen bloem. Wat
+zoudt ge er van denken, als wij dat eens voor haar meebrachten?
+
+--Dat is een voortreffelijk idee.
+
+--Houd dan de koe eens vast, maar laat ze vooral niet los; ik ga
+in dien kruidenierswinkel wat bloem en boter koopen. Wat de eieren
+betreft, als vrouw Barberin ze niet heeft, zal ze die wel leenen;
+wij zouden ze maar breken onderweg.
+
+Ik trad den winkel binnen, waar Zerbino zijn korst brood gestolen
+had en kocht een pond boter en twee kop meel. Toen zetten wij de
+reis voort.
+
+Ik wilde onze koe niet hard laten loopen, maar had onwillekeurig
+zooveel haast, dat ik mijn pas versnelde.
+
+Nog tien mijlen! nog acht! nog zes! zonderling; de weg naar vrouw
+Barberin scheen mij veel langer dan toen ik haar verlaten had en toch
+viel er dien dag een slagregen, welken ik mij thans nog herinnerde.
+
+Maar ik was zoo ontroerd; ik had de koorts van verlangen, en elk
+oogenblik keek ik op mijn horloge.
+
+--Is dit geen mooi land? vroeg ik aan Mattia.
+
+--Tenminste de boomen beletten het uitzicht niet.
+
+--Als wij de helling van den berg afdalen naar Chavanon, zult gij
+eene menigte boomen zien en mooie ook: eiken en kastanjeboomen.
+
+--Met kastanjes er aan?
+
+--Dat beloof ik je! En in den tuin van vrouw Barberin is een kromme
+pereboom, waarin men ruiter te paard kan zitten. Daar groeien groote
+peren aan en lekkere ook; dat zult gij zien.
+
+En bij al wat ik hem vertelde, eindigde ik met te zeggen: dat zult
+gij zien. Voor mijzelven geloofde ik inderdaad, dat ik Mattia in het
+land der wonderen bracht. Maar dat was het dan ook voor mij. Daar
+hadden mijne oogen het eerste licht gezien; daar had ik het leven
+leeren kennen; daar was ik zoo gelukkig geweest; daar had men mij
+liefgehad. En al die lieflijke gewaarwordingen van mijne eerste jeugd
+werden nog aangenamer door de herinnering aan al het leed, dat ik op
+mijne zwerftochten had doorstaan, en drongen zich nu alle aan mijn
+hoofd en mijn hart op, naarmate wij het dorp meer naderden. Het was
+of die lucht van mijn geboortegrond mij bedwelmde; alles vond ik
+even mooi.
+
+Het gevoel dat mij beheerschte, was aanstekelijk en ook Mattia
+keerde--helaas! slechts in zijne verbeelding--terug naar het land
+waar hij geboren was.
+
+--Als ge eens te Lucca kwaamt, zeide hij, zou ik u ook wat prachtigs
+vertoonen; dat zoudt gij zien.
+
+--Maar wij zullen naar Lucca gaan als wij Martha, Lize en Benjamin
+hebben opgezocht.
+
+--Zoudt gij wel eens te Lucca willen zijn?
+
+--Gij zijt met mij naar vrouw Barberin medegegaan, ik ga met u mede
+naar uw moeder en uw zusje Christina, dat ik op mijn arm zal dragen,
+als zij er al niet te groot voor is; ze zal mijn zusje ook zijn.
+
+--O Rémi!
+
+Hij kon er geen woord meer bijvoegen, zoo aangedaan was hij.
+
+Terwijl wij zoo praatten, stapten wij altijd stevig door en weldra
+waren wij op de kruin van den heuvel, waar de weg begon, die met vele
+kronkelingen naar Chavanon en langs het huis van vrouw Barberin leidde.
+
+Nog eenige stappen en dan waren wij op de plek, waar ik aan Vitalis
+verlof had gevraagd, op den rand van den weg te gaan zitten om het
+huis nog eens te zien van vrouw Barberin, waar ik nooit meer dacht
+terug te komen.
+
+--Houd het touw vast, zeide ik tot Mattia.
+
+En met een sprong was ik op den dijk langs den weg. Niets was er in
+onze vallei veranderd; zij zag er nog juist uit als voorheen; tusschen
+de twee groepen boomen ontdekte ik het huis van vrouw Barberin.
+
+--Wat hebt gij toch? vroeg Mattia.
+
+--Daar! daar!
+
+Hij kwam bij mij staan, maar zonder op het dijkje te klimmen, waarvan
+onze koe het gras at.
+
+--Volg mijn hand eens; daar is het huis van vrouw Barberin; daar
+staat de pereboom; dat was mijn tuin.
+
+Mattia, wiens oog niet, zooals het mijne, geleid werd door zijne
+herinneringen, zag er niet veel van; maar hij zei mij dit niet.
+
+Op dat oogenblik steeg een dunne gele rookkolom uit den schoorsteen
+en daar er geen wind was, rees zij loodrecht op langs de helling van
+den heuvel.
+
+Toen voelde ik hoe plotseling tranen mijn oogen verduisterden; ik
+sprong van het dijkje en omhelsde Mattia. Capi sprong tegen mij op
+en ik nam hem in mijn armen en kuste hem.
+
+--Nu gauw naar beneden.
+
+--Als vrouw Barberin thuis is, hoe zullen we haar dan met de koe
+verrassen? vroeg Mattia.
+
+--Gij gaat alleen naar binnen en vertelt haar, dat ge een koe brengt
+van den prins, en als zij vraagt: van welken prins? dan kom ik te
+voorschijn.
+
+--Hoe jammer dat wij onzen intocht niet kunnen maken met muziek,
+dat zou eerst aardig zijn!
+
+--Mattia, geen gekheid!
+
+--Wees maar niet bang; ik heb geen plan om dezelfde domheid nog eens
+te doen; maar dat is toch zeker, als die vrouw veel van muziek houdt,
+zou eene fanfare hier recht op zijn pas wezen.
+
+Toen wij aan eene bocht van den weg kwamen, juist boven het huis van
+vrouw Barberin, zagen wij een witte muts in den tuin te voorschijn
+komen: dat was vrouw Barberin; zij opende het hek en ging den weg op
+naar den kant van het dorp.
+
+Ik vertelde aan Mattia dat dit vrouw Barberin was en wij bleven een
+oogenblik stilstaan.
+
+--Zij gaat uit. Hoe doen wij dan met onze verrassing?
+
+--Wij zullen eene andere verzinnen.
+
+--Welke?
+
+--Dat weet ik nog niet.
+
+--Zoudt gij ze niet roepen?
+
+De verleiding was groot, maar ik weerstond haar toch; maanden lang
+had ik er mij een feest van gemaakt, dat ik vrouw Barberin verrassen
+zou en daarvan kon ik nu niet zoo opeens afstand doen.
+
+Spoedig stonden wij aan het hek voor mijn voormalig huis en ik trad
+binnen zooals voorheen.
+
+Ik kende de gewoonte van vrouw Barberin en ik wist, dat de deur slechts
+op de klink stond en wij dus gemakkelijk in huis konden komen; maar
+eerst moest ik onze koe op stal brengen. Ik ging dus eens zien in
+welken toestand die stal verkeerde en ik zag, dat hij nog precies
+was als voorheen, behalve dat er eenige takkenbossen in lagen. Ik
+riep Mattia en nadat wij de koe hadden vastgemaakt, begonnen wij
+met ijver de takkenbossen opzijde te leggen, en daarmede waren wij
+spoedig gereed, want heel veel hout had vrouw Barberin niet opgedaan.
+
+--En nu, zei ik tot Mattia, gaan wij naar binnen; ik ga in 't hoekje
+bij den haard zitten, waar vrouw Barberin mij dan kan vinden. Daar
+het hek op de hengsels knarst, als het geopend wordt, hebt gij al
+den tijd, als zij terugkomt, om met Capi u achter het ledekant te
+verschuilen. Dan zal ze mij alleen zien... wat zal ze opkijken!
+
+Toen wij dit afgesproken hadden, gingen wij in huis en zette ik mij
+bij den haard neder op het plaatsje, waar ik zoo menigen winteravond
+had doorgebracht. Daar ik mijn lange haren niet kon afknippen, verborg
+ik ze onder den kraag van mijn jas en ik kroop zooveel mogelijk in
+elkander, om nog meer te gelijken op den "kleinen Rémi", die vrouw
+Barberin moeder noemde.
+
+Van de plek, waar ik zat, kon ik het hek zien en wij behoefden dus
+niet bang te wezen, dat vrouw Barberin ons plotseling overvallen zou.
+
+Ik keek eens rond, en het scheen mij toe, dat ik eerst gisteren het
+huis had verlaten. Niets was veranderd; alles stond nog op zijne
+zelfde plaats; ja zelfs het papier, waarmede de ruit was beplakt,
+die ik eens gebroken had, was nog altijd hetzelfde; het was alleen
+maar erg geel en berookt geworden.
+
+Als ik mijne plaats had durven verlaten, zou ik graag elk voorwerp
+eens van nabij hebben bekeken; maar ieder oogenblik kon vrouw Barberin
+terugkomen en ik moest dus op den uitkijk blijven.
+
+Opeens zag ik eene witte muts en tegelijk knarste het hengsel van
+het hek.
+
+--Gauw, kruip weg! riep ik tot Mattia.
+
+Ik maakte mij nu nog kleiner.
+
+De deur ging open: op den drempel reeds ontdekte mij vrouw Barberin.
+
+--Wie is daar? vroeg zij.
+
+Ik zag haar aan zonder antwoord te geven en ook zij zag mij aan.
+
+Eensklaps begon zij over haar geheele lichaam te beven; sidderend
+stak zij hare handen uit.
+
+--Groote God! prevelde zij.... Goede God! is het mogelijk!... Rémi!
+
+Ik stond op en vloog in hare armen.
+
+--Moeder!
+
+--Mijn jongen! 't Is mijn jongen!
+
+Het duurde eenige minuten, eer wij tot ons zelven kwamen en onze
+tranen hadden bedwongen.
+
+--Dat is zeker, zeide zij, als ik niet altijd aan je gedacht had,
+zou ik je nu ook niet herkend hebben. Wat ben je veranderd! En zoo
+groot geworden! En zoo breed!
+
+Een onderdrukt kuchje herinnerde mij, dat Mattia achter het ledekant
+verborgen was. Ik riep hem en hij kwam te voorschijn.
+
+--Dat is Mattia, mijn broer.
+
+--O, hebt ge dan uw ouders gevonden? riep vrouw Barberin uit.
+
+--Neen; hij is mijn makker, mijn vriend; en daar is Capi, ook een
+makker en een vriend van mij. Maak je kompliment eens voor de moeder
+van je baas, Capi.
+
+Capi ging op zijne achterpooten staan en legde zijn eenen poot op zijn
+hart, terwijl hij eene diepe buiging maakte. Vrouw Barberin moest er
+hartelijk om lachen en wischte hare tranen af.
+
+Mattia, die niet, zooals ik, door aandoening overstelpt was, gaf mij
+een wenk, dat ik aan onze verrassing zou denken.
+
+--Als ge 't goedvindt, gaan wij nu eens naar den tuin om den krommen
+pereboom te zien, waarvan ik Mattia zooveel verteld heb.
+
+--Uw tuin kunnen wij dan ook gaan zien, want dien heb ik gelaten,
+zooals gij hem hebt aangelegd, opdat je hem terug zoudt vinden als
+gij weer hier kwaamt; want dat je terug zoudt komen heb ik altijd en
+tegen ieder volgehouden.
+
+--En de peerappelen, die ik geplant heb, waren ze lekker?
+
+--Dus heb jij me die verrassing bezorgd? Ik heb het wel gedacht;
+je woudt me altijd verrassen.
+
+Nu was het oogenblik gekomen.
+
+--En de koestal, vroeg ik, is die veel veranderd sedert Roussette
+heenging? die arme Roussette; die wilde ook niet gaan, evenmin als ik.
+
+--De stal is ook dezelfde gebleven, behalve dat ik er nu mijn brandhout
+in berg.
+
+Daar wij juist voor den stal waren gekomen, deed vrouw Barberin de
+deur open en op hetzelfde oogenblik begon onze koe, die honger had,
+en zeker dacht dat men haar eten kwam brengen, luid te loeien.
+
+--Een koe! een koe op stal! riep vrouw Barberin.
+
+Toen konden we ons niet meer inhouden en Mattia en ik begonnen
+hartelijk te lachen.
+
+Vrouw Barberin zag ons verbaasd aan, maar het was zoo iets onmogelijks
+dat er een koe bij haar op stal stond, dat zij, in weerwil van ons
+lachen, niets ervan begreep.
+
+--'t Is een verrassing, zeide ik, een verrassing, die wij u bezorgen
+en die zeker wel opweegt tegen die van de peerappels.
+
+--Eene verrassing, herhaalde zij, eene verrassing!
+
+--Ik wou niet met leege handen bij moeder Barberin komen, die altijd
+zoo goed was voor haar kleinen Rémi, het verlaten kind; toen heb ik
+eens nagedacht wat u van 't meeste nut zou kunnen zijn, en ik meende
+dat eene koe, die de plaats innam van Roussette, u het liefst zou
+wezen. Op de beestenmarkt te Ussel hebben wij toen de koe gekocht
+voor het geld, dat Mattia en ik verdiend hebben.
+
+--Och, die goeie jongen! Die lieve jongen! riep vrouw Barberin uit,
+terwijl ze mij opnieuw in de armen drukte.
+
+Toen gingen wij den stal binnen, opdat vrouw Barberin onze koe eens
+zou bekijken, die nu _haar_ koe was. Bij alles wat zij aan de koe
+voor goeds ontdekte, uitte zij opnieuw kreten van tevredenheid en
+bewondering.
+
+--Wat een mooie koe.
+
+Eensklaps stond zij stil en vroeg, terwijl zij mij aanzag:
+
+--Maar dan ben je rijk geworden?
+
+--Dat zou ik ook denken, antwoordde Mattia lachend; wij hebben nog
+drie francs.
+
+En vrouw Barberin herhaalde alweder, maar nu eenigszins gewijzigd:
+
+--Die goede jongens!
+
+Het deed me goed, dat zij ook aan Mattia dacht en ons in haar hart
+vereenigde.
+
+Onze koe bleef intusschen maar voortloeien.
+
+--Zij wil gemolken worden, zeide Mattia.
+
+Oogenblikkelijk liep ik naar huis om den netgeschuurden blikken emmer
+te halen, waarin vroeger Roussette werd gemolken en dien ik op zijne
+gewone plaats had zien hangen, hoewel het al heel lang geleden was,
+sedert vrouw Barberin een koe op stal had. In het teruggaan vulde
+ik den emmer met water, zoodat vrouw Barberin de uiers kon wassen,
+die vol stof waren.
+
+Welk een genot voor de goede vrouw, toen zij haar emmer voor driekwart
+gevuld zag met prachtige schuimende melk.
+
+--Ik geloof, dat zij meer melk geeft dan Roussette, zeide zij.
+
+--En wat lekkere melk, zeide Mattia; ze riekt naar oranjebloesem.
+
+Vrouw Barberin zag Mattia vragend aan; zeker wilde zij te weten komen
+wat oranjebloesem was.
+
+--Dat is iets heel lekkers, dat men in het hospitaal krijgt, als men
+ziek is, zeide Mattia, die graag vertelde wat hij wist.
+
+Toen de koe gemolken was, brachten wij haar op 't grasveld om daar
+te grazen, en wij gingen in huis, waar ik, toen ik den emmer haalde,
+onze boter en bloem midden op tafel had gezet.
+
+Toen vrouw Barberin die nieuwe verrassing zag, slaakte zij opnieuw
+allerlei kreten van verbazing, maar toen meende ik dat het maar beter
+was openhartig te zijn en ik viel haar in de rede:
+
+--Dat is eigenlijk evengoed voor ons als voor u; wij hebben allebei
+een geweldigen honger en wij zouden zoo graag pannekoeken eten. Weet
+ge nog wel hoe, den voorlaatsten avond toen ik hier was, onze wafels
+niet klaar kwamen en de boter, die u ervoor geleend had, diende om
+uien in de pan te bakken: dezen keer zullen wij niet gestoord worden.
+
+--Weet-je dan, dat Barberin te Parijs is? vroeg zij.
+
+--Ja.
+
+--En weet je ook wat hij te Parijs is gaan doen?
+
+--Neen.
+
+--Het heeft betrekking op jou.
+
+--Op mij? vroeg ik verschrikt.
+
+Voor zij verder ging, zag vrouw Barberin Mattia aan, als vreesde zij,
+dat ze in zijn bijzijn te veel zou zeggen.
+
+--O, u kunt gerust spreken waar Mattia bij is, zeide ik: ik heb u
+verteld, dat hij een broer voor mij is; al wat mij betreft, gaat ook
+hem ter harte.
+
+--'t Is nogal lang om te vertellen, zeide zij.
+
+Ik bespeurde, dat zij ertegen opzag, om te spreken, en nu wilde ik
+in het bijzijn van Mattia er niet langer op aandringen, omdat, zoo
+zij weigerde, dit hem leed zou doen. Ik besloot dus maar liever te
+wachten tot een geschikter oogenblik, om te vernemen wat Barberin te
+Parijs was gaan doen.
+
+--Zou Barberin spoedig terugkomen? vroeg ik.
+
+--O, zeker niet.
+
+--Dan hebben wij geen haast; laten wij dan maar over de pannekoeken
+praten; later hoor ik dan wel eens van u wat er voor mij aan die
+Parijsche reis is gelegen; daar hij vanavond zijne uien niet in onze
+koekepan zal komen fruiten, hebben wij al den tijd aan ons. Hebt
+ge eieren?
+
+--Neen, ik houd geen kippen meer.
+
+--Wij hebben geen eieren meegebracht, omdat wij bang waren dat zij
+onderweg zouden breken. Kunt gij ze ergens leenen?
+
+Die vraag bracht haar in verlegenheid en ik begreep, dat zij bij
+niemand meer durfde aankloppen.
+
+--Dan is het beste maar, dat ik ze zelf ga koopen, zeide ik, en in
+dien tusschentijd maakt u het beslag klaar met de melk. Soquet is er
+immers nog? Dan loop ik er gauw heen. Zeg aan Mattia dat hij het hout
+klooft, dat kan hij best.
+
+Bij Soquet kocht ik niet alleen eieren, maar ook een stukje spek.
+
+Toen ik terugkwam, was de bloem al met de melk aangemaakt en alleen
+de eieren behoefden nog maar in het beslag te worden geroerd. 't Is
+waar, er was geen tijd om het deeg te doen rijzen, maar wij hadden te
+veel honger om daarop te wachten. Mochten de pannekoeken al wat zwaar
+uitvallen, onze magen waren stevig genoeg om het te kunnen dragen.
+
+--Maar vertel me nu eens, zei vrouw Barberin, terwijl zij het deeg
+besloeg, hoe komt het toch, dat zoo'n goede jongen als jij me nooit
+iets van zich heeft doen hooren? Weet je wel, dat ik dikwijls dacht,
+dat je dood waart, want, zei ik bij mezelf, als Rémi nog leefde,
+zou hij zeker wel aan zijn moeder Barberin iets hebben doen weten.
+
+--Die moeder Barberin was niet alleen; bij haar woonde een vader
+Barberin, die heer des huizes was en die dat ook getoond heeft te zijn,
+door mij voor twintig gulden aan een ouden muzikant te verkoopen.
+
+--Daar moet ge niet meer van spreken, beste Rémi.
+
+--Ik beklaag er mij niet over, maar ik zeg het alleen om u te doen
+begrijpen, waarom ik u niet schreef. Ik was bang, dat hij mij weder
+zou verkoopen, als hij ontdekte waar ik was, en ik wilde niet verkocht
+worden. Daarom heb ik u ook niet geschreven, toen ik mijn armen ouden
+meester verloor, die een goed man was.
+
+--Ach, is hij dood, die oude muzikant?
+
+--Ja, en ik heb hem oprecht betreurd, want als ik iets ben op 't
+oogenblik en instaat ben mijn eigen kost te verdienen, dan heb ik
+het aan hem te danken. Na zijn dood heb ik goede menschen gevonden,
+die mij in hun huis opnamen en voor wie ik gewerkt heb. Maar als ik
+geschreven had: ik ben tuinman bij de Glacière, dan zou men mij komen
+halen, of men zou aan die goede menschen geld gevraagd hebben. Ik
+wilde het een zoomin als het ander.
+
+--Ja, ja, dat kan ik wel begrijpen.
+
+--Maar dit heeft niet belet, dat ik altijd aan u dacht, en als ik
+heel ongelukkig was, is 't mij wel gebeurd, dat ik moeder Barberin
+riep om mij te helpen. Zoodra ik vrij was om te doen wat ik wilde,
+ben ik naar haar toe gekomen, maar niet zoo dadelijk, dat is waar:
+men kan niet altijd doen wat men wil, en ik had een plan, dat niet
+zoo gemakkelijk ten uitvoer was te brengen. Wij moesten onze koe
+verdienen vóór dat we u die konden thuis bezorgen, en het geld kwam
+niet bij rijksdaalders in. Wij hebben heel wat stukjes moeten spelen,
+dag aan dag, overal, vroolijke en treurige; wij moesten maar loopen,
+ons inspannen in 't zweet van ons aangezicht, en ons allerlei ontbering
+getroosten. Maar hoe moeilijker het viel, zooveel te meer genot hadden
+wij, niet waar Mattia?
+
+--Elken avond telden wij ons geld, niet enkel wat wij dien dag
+verdiend hadden, maar ook hetgeen wij al hadden, om te zien of het
+niet verdubbeld was.
+
+--Die goede jongens! Die beste jongens!
+
+Al pratende bleef vrouw Barberin het deeg voor onze koeken beslaan
+en Mattia zorgde voor het hout, en ik zette de borden gereed en de
+vorken en de glazen, waarna ik een kruik versch water aan de fontein
+ging halen.
+
+Toen ik terugkwam stond er eene volle terrine met geelachtig beslag,
+en vrouw Barberin schuurde met een bosje stroo de koekepan schoon
+en onder den schoorsteen vlamde een hoog vuur, dat Mattia onderhield
+door er voortdurend stukken hout op te werpen.
+
+In een hoek naast den haard gezeten, sloeg Capi al die voorbereidende
+werkzaamheden gade, en daar hij half verschroeide, lichtte hij nu den
+eenen en dan weder den anderen poot op, even jankend. De heldere vlam
+verlichtte tot de uiterste hoeken van het vertrek en ik zag de figuren
+op de katoenen gordijnen van het ledekant dansen, gelijk voorheen, toen
+zij mij zoo dikwijls angst aanjoegen als ik bij maneschijn wakker werd.
+
+Vrouw Barberin zette de pan op het vuur, nam toen een stukje boter
+met de punt van het mes en liet dit in de pan glijden, waar het
+dadelijk smolt.
+
+--Dat riekt heerlijk! riep Mattia, die zijn neus boven het vuur hield
+zonder vrees, dat hij zich branden zou.
+
+De boter begon te sissen.
+
+--Zij zingt, riep Mattia; ik zal ze accompagneeren.
+
+Voor Mattia loste zich alles op in muziek. Hij nam zijne viool en begon
+zachtjes te spelen en volgde op de snaren het sissen van de boter,
+en vrouw Barberin lachte, dat de tranen haar over de wangen liepen.
+
+Maar het oogenblik was te gewichtig om zich aan luidruchtige
+vroolijkheid over te geven; met haar potlepel had vrouw Barberin in
+de terrine geroerd en schepte er het beslag uit, dat in dikke stralen
+neerviel; toen goot zij het in de pan en de boter, die terugvloeide
+bij den stroom van deeg, vormde er een rossen kring om.
+
+Op mijne beurt boog ik mij voorover; vrouw Barberin gaf een tik op
+den steel van de pan en deed toen den pannekoek omdraaien tot grooten
+schrik van Mattia; maar het kon geen kwaad; na een eind in de hoogte
+in den schoorsteen te zijn gevlogen, viel de pannekoek weder omgekeerd
+in de pan en met zijn gebakken zijde boven.
+
+Ik nam spoedig een bord en de pannekoek gleed erin.
+
+Hij was voor Mattia, die zijn vingers, zijn lippen, zijn tong en
+zijn keel brandde, maar dat kwam er niet op aan; hij dacht er niet
+aan dat hij zich brandde.
+
+--Hè! hoe lekker! riep hij met vollen mond.
+
+Toen was het mijn beurt om mij te branden, en evenmin als Mattia
+voelde ik iets van de pijn.
+
+De derde pannekoek was gaar en Mattia stak de hand uit, maar nu begon
+Capi geducht te blaffen: het was zijne beurt, hij had er recht op
+en Mattia gaf hem dan ook den pannekoek tot groote verontwaardiging
+van vrouw Barberin, die voor beesten het gevoel had, dat de boeren
+er algemeen voor koesteren: zij begreep niet, dat men aan een hond
+"het eten van een christenmensch" gaf. Om haar tevreden te stellen,
+zeide ik, dat Capi een geleerde hond was en dat hij bovendien een deel
+van de koe had verdiend; bovendien was hij onze kameraad en had hij
+recht om te eten wat wij kregen, en te gelijk met ons, daar zij gezegd
+had zelve niet te zullen eten vóór onze ergste honger was gestild.
+
+Het duurde lang eer het zoover was en toen wij geen honger meer hadden,
+lustten wij ze toch nog even graag. Maar eindelijk kwam er toch een
+oogenblik, dat wij beiden verklaarden geen pannekoeken meer te zullen
+eten vóór dat vrouw Barberin zelve er een paar genuttigd had.
+
+Toen wilden wij zelf pannekoeken bakken. Eerst mocht ik het probeeren
+en daarna Mattia; boter in de pan te leggen en dan het beslag erop
+te gieten was vrij gemakkelijk, maar niet om den pannekoek te keeren;
+de mijne kwam in de asch terecht; die van Mattia viel op zijne handen.
+
+Eindelijk was de pot leeg, en daar Mattia zeer goed bemerkt had,
+dat vrouw Barberin zoolang hij erbij was niet wilde spreken over
+hetgeen mij betrof, zeide hij, dat hij nog eens naar de koe wilde
+gaan kijken en liet vrouw Barberin en mij alleen.
+
+Ik had tot nu toe gewacht op hetgeen zij mij te vertellen had, maar
+ik kon niet zeggen, dat ik met bijzonder groot ongeduld gewacht had,
+want het bakken van de pannekoeken had mijne aandacht zoo geheel-en-al
+beziggehouden, dat ik aan andere dingen niet had gedacht.
+
+Barberin was, meende ik, alleen naar Parijs gegaan om Vitalis
+op te zoeken en het jaargeld te krijgen, waarvoor hij mij had
+verhuurd. Daarmede had ik niets te maken. Vitalis was dood en hij kon
+dus niet betalen, en van mij zou men het geld toch wel in de laatste
+plaats kunnen vragen. Maar zoo Barberin al geen geld van mij krijgen
+kon, zou hij misschien beslag kunnen leggen op mijzelven, en dan
+zou hij mij kunnen plaatsen waar hij wilde, als men maar voor mij
+betaalde. En dat boezemde mij belang in, want ik had vast besloten
+het uiterste te beproeven voor ik mij onderwierp aan het gezag van
+dien naren Barberin. Als het moest, zou ik uit Frankrijk vluchten en
+met Mattia naar Italië of Amerika gaan, of naar het einde der wereld.
+
+Met die gedachte vervuld, had ik mij voorgenomen, zeer voorzichtig
+te zijn in mijne woorden als ik met vrouw Barberin sprak; voor die
+goede vrouw zelve behoefde ik mij niet inacht te nemen, want ik wist,
+dat zij veel van mij hield en alles voor mij overhad; maar zij was bang
+voor haar man, dat had ik gezien; en als ik te veel zeide, zou zij het
+wel eens aan haar man kunnen oververtellen en op die wijze aan Barberin
+het middel in de hand geven, om mij op te sporen en zich weder meester
+van mij te maken. Als dit gebeuren mocht, moest het tenminste niet
+aan mijzelven worden toegeschreven, en daarom was ik op mijn hoede.
+
+Toen Mattia de deur uit was, zeide ik tot vrouw Barberin:
+
+--Nu zijn wij alleen; kunt gij mij nu zeggen wat Barberin voor mij
+te Parijs is gaan doen?
+
+--Welzeker, mijn jongen, en met veel genoegen.
+
+Met veel genoegen! Ik stond verstomd.
+
+Vóór zij verder ging, wierp vrouw Barberin een blik naar de deur. Opdat
+niemand ons hooren zou, kwam zij dichter bij me en met een glimlach op
+'t gelaat sprak ze:
+
+--Het schijnt dat uw familie u zoekt.
+
+--Mijn familie?
+
+--Ja, uw familie, Rémi.
+
+--Heb ik dan familie? Ik? Ik, het kind dat te vondeling werd gelegd?
+
+--Het schijnt, dat men u niet opzettelijk heeft verlaten, want thans
+zoekt men u.
+
+--Wie zoekt mij? O spreek, vrouw Barberin, spreek, ik bid u.
+
+Opeens scheen het me, dat ik krankzinnig zou worden en ik riep uit:
+
+--Maar dat is niet mogelijk! Neen, Barberin zoekt mij.
+
+--Dat doet hij ook, maar voor uw familie.
+
+--Neen, voor hem zelven, om mij weer te kunnen verkoopen, maar hij
+zal mij niet hebben.
+
+--Och, Rémi, hoe kunt gij denken, dat ik tot zoo iets de hand zou
+willen leenen!
+
+--Hij wil ook u bedriegen, moeder Barberin.
+
+--Maar jongenlief, wees toch verstandig, luister naar hetgeen ik
+u zeggen zal, dan zult ge mij wel gelooven. Aanstaanden Maandag is
+het juist een maand geleden, dat ik op de deel aan 't werk was, toen
+een man, of liever een heer, het huis binnentrad, waar Barberin op
+dat oogenblik zich bevond. "Heet gij Barberin?" vroeg de heer, die
+met een eenigszins vreemden tongval sprak.--"Ja, zeide Jérôme, zoo
+heet ik."--"Zijt gij het, die een kind gevonden hebt in de avenue de
+Breteuil en de taak op u nam om het groot te brengen?"--"Ja."--"Mag
+ik u dan vragen waar dat kind nu is?"--"Mag ik u vragen wat u dat
+aangaat?" antwoordde Jérôme met een wedervraag.
+
+Mocht ik al getwijfeld kunnen hebben aan de oprechtheid van vrouw
+Barberin, aan dat brutale antwoord van haar man bemerkte ik dadelijk,
+dat zij goed geluisterd had.
+
+--Gij weet, ging zij voort, dat men op de deel alles kan hooren wat
+hier gezegd wordt en bovendien, nu er sprake was van u, had ik een
+onweerstaanbaren lust om te luisteren. Ik deed dus een paar stappen
+nader, maar daarbij trad ik op een tak die kraakte.--"Zijn wij niet
+alleen?" vroeg de heer.--"Dat is mijn vrouw," antwoordde Jérôme.--"Het
+is hier erg warm," ging de heer voort, "laat ons liever buiten gaan
+om daar te praten." Zij gingen toen samen naar buiten en eerst drie
+of vier uur later kwam Jérôme alleen terug. Gij kunt begrijpen hoe
+nieuwsgierig ik was om te weten, wat er was behandeld tusschen mijn man
+en dien heer, die misschien uw vader was, maar op al mijn vragen gaf
+Jérôme geen antwoord. Hij zeide mij alleen, dat die heer niet uw vader
+was, maar dat hij op verzoek van de familie onderzoek naar u deed.
+
+--En waar is mijn familie? Wie is ze? Heb ik een vader? een moeder?
+
+--Dat heb ik, evenals gij nu, ook aan Jérôme gevraagd. Hij zeide,
+dat hij er niets van wist. Toen vertelde hij, dat hij naar Parijs ging
+om den muzikant op te zoeken, aan wien hij u verhuurd had en die hem
+zijn adres had gegeven in de rue Lourcine bij een anderen muzikant,
+Garofoli. Die beide namen heb ik onthouden; onthoud ze ook.
+
+--Ik ken die namen al, wees gerust. En heeft Barberin na zijn vertrek
+niets meer van zich doen hooren?
+
+--Neen; zeker zoekt hij u nog altijd; de heer heeft hem vijftig
+gulden in goud gegeven en na dien tijd heeft hij hem zeker nog meer
+geld gezonden. Dat alles en ook de mooie luiers, waarin gij gewikkeld
+waart, toen men u vond, is het bewijs, dat uwe ouders vermogende
+menschen zijn. Toen ik u daar in den hoek van den haard zag zitten,
+dacht ik, dat gij ze teruggevonden hadt en daarom meende ik, dat uw
+makker uw broeder was.
+
+Op dit oogenblik ging Mattia juist voorbij; ik riep hem.
+
+--Mattia, mijne ouders zoeken mij; ik heb eene familie, eene wezenlijke
+familie!
+
+Vreemd genoeg scheen Mattia mijne vreugde en opgewondenheid niet
+te deelen.
+
+Toen vertelde ik hem, wat vrouw Barberin mij had medegedeeld.
+
+
+
+
+XXXI.
+
+HET OUDE EN NIEUWE GEZIN.
+
+
+Ik sliep dien nacht weinig; en hoe dikwijls had ik in den laatsten
+tijd verlangd naar het genot dat ik smaken zou, als ik weder in het
+bed zou slapen, waarin ik zoo menigen nacht als kind gelegen had,
+zonder ooit wakker te worden, in een hoekje gedoken met de dekens tot
+aan mijn kin; hoe dikwijls ook, als ik onder den blooten hemel lag,
+had ik met weemoed aan dat warme dek gedacht, als ik half-bevroren
+door de nachtvorst of door-en-door nat van den ochtenddauw ontwaakte
+uit een bangen droom.
+
+Zoodra ik in mijn bed lag, was ik ingeslapen, want ik was dien dag zeer
+vermoeid geweest en ook verlangde ik, na dien nacht in de gevangenis,
+naar rust; maar zoodra ik even was ingedommeld, werd ik met schrik
+weder wakker en toen was het mij onmogelijk den slaap weder te vatten;
+ik was daartoe veel te zenuwachtig en koortsig.
+
+Mijn familie!
+
+Toen ik weder insliep, dacht ik aan die familie, en gedurende
+den korten tijd dien ik slapende doorbracht, droomde ik van haar,
+van mijn vader, mijn moeder, mijn broeders en zusters; die korte
+oogenblikken had ik met hen geleefd die ik nog niet kende, en die ik
+slechts voor het eerst zag; zonderling, Mattia, Lize, vrouw Barberin,
+mevrouw Milligan en Arthur behoorden allen tot mijn familie en Vitalis
+was mijn vader; hij was weder levend geworden en thans zeer rijk;
+terwijl wij van elkaar gescheiden waren geweest, had hij Zerbino en
+Dolce teruggevonden, die niet door de wolven opgegeten waren, zooals
+wij gemeend hadden.
+
+Iedereen heeft, geloof ik, zulke visioenen gehad, waarin hij in
+den kortst mogelijken tijd een aantal jaren doorleeft of wel de
+onoverkomelijkste bezwaren overwint; iedereen weet ook, dat men bij
+zijn ontwaken zich alles nog levendig voorstelt, wat men ondervonden
+heeft.
+
+Toen ik ontwaakte, zag ik allen voor mij, van wie ik gedroomd had,
+alsof ik den avond met hen had doorgebracht, en natuurlijk was het
+mij onmogelijk den slaap weder te vatten. Langzamerhand echter werden
+deze beelden minder duidelijk, maar de werkelijkheid drong zich met
+zooveel kracht aan mijn geest op dat mij dit nog meer den slaap benam.
+
+Mijn familie zocht mij, maar om ze weer te vinden, moest ik mij tot
+Barberin wenden.
+
+Deze gedachte alleen was voldoende om mijn vreugde aanmerkelijk
+te matigen. Het kwelde mij, dat Barberin bij mijn geluk betrokken
+was. Ik had niet vergeten wat hij tot Vitalis gezegd had, toen hij
+mij aan dezen verkocht, en dikwijls had ik het bij mezelf herhaald:
+"zij, die dit kind hebben opgevoed, zullen er voordeel van genieten;
+als ik daarop niet gerekend had, dan zou ik mij nooit met die zorg
+belast hebben." Deze woorden waren van dat oogenblik af oorzaak
+geweest, dat ik weinig hart voor Barberin gevoelde.
+
+Barberin had mij niet uit medelijden van de straat opgeraapt, en
+evenmin had hij uit medelijden zich met de zorg voor mij belast;
+het was alleen, omdat ik in fraaie kleederen gewikkeld was, en omdat
+hij vroeg of laat voordeel van mij halen zou, als hij mij aan mijn
+ouders teruggaf. Die tijd was echter niet zoo spoedig aangebroken,
+als hij wel had gewenscht; hij had mij daarom aan Vitalis verkocht;
+nu zou hij mij aan mijn vader verkoopen.
+
+Welk een onderscheid tusschen die vrouw en haar man; zij had mij
+niet om mijn geld bemind, die goede moeder Barberin! O, wat zou ik
+gaarne een middel gevonden hebben om haar dat voordeel te bezorgen
+en niet Barberin!
+
+Maar hoe ik ook peinsde en mij in mijn bed keerde en wendde, ik kon
+er geen bedenken en altijd kwam die wanhopende gedachte mij weer voor
+den geest, dat Barberin mij bij mijn ouders terugbrengen zou en dat
+hij bedankt en beloond zou worden.
+
+Ik moest mij dit in elk geval laten welgevallen, daar het onmogelijk
+anders kon, en mij voorloopig troosten met de gedachte, later, als
+ik rijk was geworden, te toonen welk onderscheid ik tusschen den man
+en de vrouw maakte, als ik in de gelegenheid was haar te bedanken en
+te beloonen.
+
+Voor het oogenblik moest ik mij slechts met Barberin bezighouden, of
+liever ik moest hem zoeken en vinden, want hij behoorde niet tot die
+echtgenooten, die geen stap doen zonder hun vrouwen daarvan vooraf
+kennis te geven en haar te zeggen waar zij te vinden zijn, indien
+zij hem noodig hebben. Alles wat moeder Barberin wist, was dat haar
+echtgenoot zich te Parijs bevond. Sedert zijn vertrek had hij haar
+niet geschreven, evenmin had hij iets van zich laten hooren door
+tusschenkomst van een buurman of landgenoot; het was zijn gewoonte
+niet om zich aan dergelijke vriendschapsbetuigingen schuldig te maken.
+
+Waar was hij! waar vertoefde hij op het oogenblik? Zij wist het niet
+juist genoeg om hem een brief te zenden; men kon nergens anders zoeken
+dan bij twee of drie logementhouders, wier namen zij kende en bij
+wie men hem zonder twijfel vinden zou.
+
+Ik moest dus maar naar Parijs gaan en hem zelf opzoeken.
+
+Mijn blijdschap was zeer groot, dat ik mijn familie zou terugzien, maar
+toch ging zij met een gevoel van weerzin, zelfs van verdriet gepaard.
+
+Ik had gehoopt, dat ik eenige rustige, gelukkige dagen bij moeder
+Barberin zou doorbrengen, mijn kinderspeelgoed met Mattia voor den
+dag zou halen en zie, nu moesten wij ons den anderen dag weder op
+weg begeven.
+
+Als wij vrouw Barberin verlieten, was ons plan geweest den zeekant
+langs te reizen om Martha te bezoeken--wij moesten van deze reis
+dus afzien en ik zou die goede Martha, die altijd zoo lief voor mij
+geweest was, vooreerst niet wederzien.
+
+Van daar zouden wij naar Lize gegaan zijn, om haar de groeten van
+haar broeder en zuster over te brengen--ook dit genoegen moest ik
+mij ontzeggen.
+
+Terwijl deze gedachten mijn geest doorkruisten, was de nacht
+voorbijgegaan, zonder dat ik voor mezelf had kunnen beslissen of ik
+Lize en Martha niet eerst moest gaan bezoeken, of dat het verstandiger
+zou wezen mij zonder oponthoud naar Parijs te begeven.
+
+Ik sliep eindelijk in zonder een besluit genomen te hebben en die
+nacht, dien ik mij voorgesteld had dat de heerlijkste uit mijn leven
+zou zijn, was de woeligste en onrustigste, dien ik mij herinneren kan.
+
+Toen wij den anderen morgen weder alle drie bij elkander waren, en
+bij de kachel zaten, waarop de melk van onze koe kookte, bespraken
+wij wat ons te doen stond.
+
+Wat moest ik doen?
+
+Ik vertelde hun wat mij dien nacht zoo gekweld had en hoe besluiteloos
+ik was geweest.
+
+--Gij moet terstond naar Parijs gaan, antwoordde moeder Barberin;
+uw ouders zoeken u, en gij moet zoo spoedig mogelijk hun verlangen
+naar u trachten te bevredigen.
+
+Zij voegde hierbij nog tal van redenen, waarom een onmiddellijk
+vertrek wenschelijk was en ik was eindelijk volkomen overtuigd,
+dat zij groot gelijk had.
+
+--Laten wij naar Parijs gaan, zeide ik; dit is dus afgesproken.
+
+Maar Mattia stemde dit volstrekt niet toe, integendeel.
+
+--Gij vindt dat wij niet naar Parijs moeten gaan, gaf ik hem ten
+antwoord. Waarom geeft gij dan geen betere reden op dan moeder
+Barberin?
+
+Hij schudde het hoofd.
+
+--Waarom helpt gij mij niet, als ge ziet hoe moeilijk het mij valt
+een besluit te nemen?
+
+--Ik vind, begon hij, dat de nieuwe de oude niet mogen doen vergeten:
+tot nu toe behoorden Lize, Martha, Alexis en Benjamin tot uw familie;
+zij zijn als broeders en zusters voor u geweest en hielden veel van
+u; maar nu een nieuwe familie voor u opdaagt, die gij niet kent,
+die niets anders voor u gedaan heeft dan u op straat te leggen, nu
+verlaat gij hen, die goed voor u geweest zijn, terwille van anderen,
+die u slechts kwaad berokkend hebben; ik vind dat dit niet billijk is.
+
+--Gij moet niet zeggen, dat zijn ouders Rémi verlaten hebben, viel
+moeder Barberin hem in de rede; misschien hebben ze hun het kind
+ontstolen en betreuren zij het verlies nog altijd en zoeken zij
+hem voortdurend.
+
+--Ik weet het niet, maar wel weet ik, dat de tuinman Acquin Rémi
+halfdood heeft opgenomen en hem als zijn eigen kind heeft verzorgd en
+zijn kinderen als broers en zusters van hem hielden; en ik meen, dat
+zij, die zich zoo jegens hem gedragen hebben, evenveel recht op zijn
+vriendschap hebben, als zij, die willens of onwillens, hem aan zijn lot
+hebben overgelaten. Bij vader Acquin hebben zij hem uit eigen beweging
+zooveel vriendschap betoond; zij waren dit volstrekt niet verplicht.
+
+Mattia zeide dit op een toon, alsof hij boos op mij was, want hij
+verwaardigde mij noch vrouw Barberin met een blik. Dit deed mij
+leed, maar het pijnlijke van het verwijt belette niet, dat ik toch
+de juistheid ervan geheel gevoelde. Bovendien verkeerde ik in dien
+toestand, waarin besluitelooze menschen zich dikwijls aan de zijde
+scharen van hen, die het laatst gesproken hebben.
+
+--Mattia heeft gelijk, hernam ik, en het heeft mij dan ook niet weinig
+moeite gekost, om tot het besluit te komen, naar Parijs te gaan,
+vóór dat ik Martha en Lize bezocht had.
+
+--Maar uw ouders! herhaalde moeder Barberin.
+
+Ik moest nu voor mijne meening uitkomen en tevens allen
+tevredenstellen.
+
+--Wij zullen niet naar Martha gaan, zeide ik, omdat dit een te groote
+omweg zijn zou; zij kan ook lezen en schrijven; wij kunnen haar dus
+door een brief van alles op de hoogte stellen; maar vóór wij naar
+Parijs gaan, kunnen wij ons naar Dreuze begeven, om Lize te bezoeken;
+al kost dit wat meer tijd, dan maakt dat toch niet zoo'n groot verschil
+uit, en Lize kan niet schrijven of lezen. Vooral ook om harentwille
+besloot ik mijn reis op deze wijs te nemen; ik zal haar alles van
+Alexis vertellen, en aan Martha wil ik verzoeken mij een brief te
+schrijven, dien ik haar dan zal voorlezen.
+
+--Goed, antwoordde Mattia glimlachend.
+
+Wij kwamen daarop overeen, dat wij den anderen morgen vertrekken
+zouden, en een gedeelte van den dag gebruikte ik om aan Martha te
+schrijven en haar mede te deelen, waarom ik haar niet, zooals mijn
+voornemen was, kwam bezoeken.
+
+En den anderen morgen moest ik andermaal al het smartelijke van een
+afscheid ondervinden; maar nu tenminste verliet ik Chavanon niet
+zooals den vorigen keer met Vitalis; ik mocht moeder Barberin thans
+een afscheidskus geven, en haar beloven, dat ik zoo spoedig mogelijk
+met mijn ouders bij haar zou terugkomen. Den avond vóór ons vertrek
+spraken wij nog geruimen tijd over het geschenk dat ik haar geven zou:
+niets zou te mooi en te goed voor haar zijn; ik zou immers rijk worden?
+
+--Niets heeft voor mij zooveel waarde als de koe, mijn beste Rémi,
+zeide zij, en met al uw rijkdom kunt gij mij niet gelukkiger maken
+dan gij gedaan hebt, toen gij arm waart.
+
+Wij moesten ook onze lieve kleine koe verlaten. Mattia drukte
+herhaaldelijk een kus op haar snuit, dat zij zeer prettig scheen te
+vinden, want bij elken kus stak zij haar tong uit.
+
+Wij bevonden ons thans weder op den grooten weg, met onzen ransel op
+den rug en Capi naast ons. Wij liepen met haastigen tred, of liever,
+van tijd tot tijd zonder te weten wat ik deed, zette ik het op een
+drafje, zoo groot was mijn verlangen om Parijs te bereiken.
+
+Maar Mattia, die mij een korte poos bijgehouden had, waarschuwde mij,
+dat, zoo ik op deze wijze bleef loopen, mijn krachten spoedig zouden
+zijn uitgeput. Ik volgde zijn raad, om een oogenblik daarna weder
+denzelfden tred te nemen.
+
+--Wat hebt gij een haast! zeide Mattia op verdrietigen toon.
+
+--Dat heb ik ook, en ik vind dat gij die ook wel mocht hebben, want
+mijn familie zal ook uw familie zijn.
+
+Hij schudde het hoofd.
+
+Deze beweging, die ik reeds meer had opgemerkt als er van mijn familie
+sprake was, ergerde mij en deed mij leed.
+
+--Wij zijn immers broeders?
+
+--O, dat zijn wij voor elkander, daar twijfel ik niet aan, ik ben
+heden uw broeder en zal dat morgen ook zijn, dat geloof ik zeer goed,
+dat voel ik zelfs.
+
+--Welnu dan?
+
+--Welnu? Meent gij dan dat ik een broeder zijn zou van uw broeders
+en zusters, zoo gij die hebt, de zoon van uw vader en moeder?
+
+--Als wij naar Lucca zouden gegaan zijn, was ik dan niet de broeder
+geworden van uw zuster Christina?
+
+--O ja, zeer zeker.
+
+--Waarom zoudt gij dan niet de broeder worden van mijn broeders en
+zusters, zoo ik die heb?
+
+--Omdat dit niet hetzelfde is, volstrekt niet hetzelfde.
+
+--Waarom niet?
+
+--Ik ben niet in zulk fijn linnen gewikkeld geweest, antwoordde Mattia"
+
+--Wat doet er dat toe?
+
+--Dat doet er zeer veel toe; dat doet er alles toe; dat weet gij
+evengoed als ik. Gij zoudt in Lucca gekomen zijn--en ik zie thans zeer
+goed dat gij nooit daarheen zult gaan--en daar door arme menschen zijn
+ontvangen, die mijn ouders waren en die u niets te verwijten hadden,
+omdat zij veel armer zijn dan gij. Maar als het uitkomt, zooals
+het fijne linnen voorspelt, zooals moeder Barberin denkt en zooals
+werkelijk het geval zal zijn, dan zijn uw ouders rijk; misschien
+behooren zij zelfs tot de aanzienlijkste menschen! Hoe zouden zij
+dan zulk een kleinen armen knaap, als ik ben, kunnen ontvangen?
+
+--Ben ik dan zelf iets meer?
+
+--Op het oogenblik niet, maar morgen zijt gij hun zoon en ik zal
+altijd dezelfde arme knaap blijven, die ik heden ben; men zal u
+naar de akademie zenden; men zal u meesters geven, terwijl ik altijd
+alleen in de wereld zal blijven en mijn eigen weg zal moeten vinden,
+om dan aan u te denken, zooals ik hoop, dat gij ook aan mij zult doen.
+
+--O, mijn goede, beste Mattia! hoe kunt gij zoo spreken?
+
+--Ik spreek zooals ik denk, _o mio caro_, en daarom kan ik mij niet
+in uw geluk verheugen; daarom, dáárom alleen ook, omdat wij van
+elkander zullen moeten scheiden; en ik meende, ik verbeeldde mij,
+dikwijls zelfs heb ik dat gedroomd, dat wij altijd bij elkander
+zouden blijven, zooals thans. Maar niet geheel-en-al zooals nu,
+niet als arme straatmuzikanten; wij zouden samen gewerkt hebben, wij
+zouden groote artisten worden en voor een muzikaal publiek optreden,
+en elkander nooit verlaten.
+
+--Maar dat zal allemaal gebeuren, mijn goede Mattia; als mijn ouders
+rijk zijn, dan zullen zij dat evengoed voor u als voor mij zijn; als
+ik naar de akademie ga, gaat gij met mij mede; wij zullen elkander
+niet meer verlaten; wij zullen samen werken, samen opgroeien en leven,
+zooals gij dat verlangt en zooals ik het ook wensch; dat verzeker ik u.
+
+--Ik weet wel, dat gij het wenscht, maar gij zult dan niet meer uw
+eigen meester zijn, gelijk thans.
+
+--Luister eens: als mijn ouders mij zoeken, dan is dit een bewijs,
+niet waar, dat zij belang in mij stellen, dat zij mij liefhebben of
+mij zullen liefhebben. In dat geval zullen ze mij niets weigeren. En
+ik verlang slechts, dat zij hen gelukkig maken, die goed voor mij
+geweest zijn, die mij liefgehad hebben toen ik alleen op de wereld was,
+zooals moeder Barberin, vader Acquin, dien zij zeker uit de gevangenis
+zullen bevrijden, Mattia, Alexis, Benjamin, Lize en gij; Lize zullen
+zij bij zich nemen, laten genezen en leeren, en u zullen zij met mij
+naar de akademie zenden, zoo ik daarheen moet gaan. Geloof mij, zoo
+zal de zaak zich toedragen, als mijn ouders rijk zijn en gij weet,
+dat ik het heerlijk zou vinden, als zij het waren.
+
+--En ik zou het prettig vinden, als zij arm waren.
+
+--Hoe dom!
+
+--Misschien.
+
+En zonder meer te spreken, riep Mattia Capi; het was langzamerhand
+tijd geworden om iets te eten; hij nam den hond in den arm en sprak
+tegen hem alsof het een mensch was, die hem verstaan en begrijpen kon.
+
+--Niet waar, oude Capi, gij zoudt het ook prettiger vinden als de
+ouders van Rémi arm waren?
+
+Toen Capi mijn naam hoorde, begon hij, zooals altijd, te blaffen en
+hij legde den rechterpoot op zijn hart.
+
+--Als zijn ouders arm waren, dan behielden wij dit vrije leven,
+dan konden wij gaan waarheen wij wilden, en wij behoefden slechts te
+zorgen, dat het "geëerde gezelschap" tevreden over ons was.
+
+--Ouaf! Ouaf!
+
+--Nu zijn ouders rijk zijn, gebeurt juist het tegenovergestelde;
+Capi krijgt een groot hok op een plein en wordt aan een blinkenden
+ijzeren ketting gelegd, in elk geval aan een ketting, omdat de honden
+niet in de huizen van rijke lui mogen komen.
+
+Eigenlijk was ik boos op Mattia, nu hij wenschte, dat ik arme ouders
+zou hebben, inplaats van hetzelfde droombeeld als ik te koesteren; maar
+aan den anderen kant was ik blijde, dat ik de oorzaak van zijn verdriet
+kende--het sproot voort uit zijn vriendschap, uit zijne vrees van
+mij gescheiden te worden; ik kon hem hiervan dus geen verwijt maken,
+daar het een bewijs was van zijn genegenheid en gehechtheid. Hij had
+mij lief, en daar hij slechts aan onze wederkeerige genegenheid dacht,
+wilde hij niet, dat men ons van elkander scheidde.
+
+Zoo wij niet verplicht waren geweest te zamen ons dagelijksch brood te
+verdienen, zou ik, ondanks Mattia, met dezelfde snelheid zijn blijven
+voortloopen, maar wij moesten in de groote dorpen voorstellingen geven
+en in afwachting, dat mijne rijke ouders hun rijkdom met ons zouden
+deelen, moesten wij ons met de weinige stuivers vergenoegen, die wij
+toevallig en met groote moeite hier en daar ophaalden. Wij waren dus
+wel genoodzaakt langer onderweg te blijven dan oorspronkelijk ons
+plan was geweest.
+
+Bovendien was er nog eene andere reden dan het verdienen van ons
+dagelijksch brood, die ons besluiten deed om zooveel geld mogelijk met
+onze voorstellingen op te halen. Ik was de woorden van vrouw Barberin
+niet vergeten, toen zij mij verzekerde, dat met al mijn rijkdom ik
+haar niet gelukkiger maken kon, dan ik gedaan had toen ik arm was,
+en ik wilde dat mijn kleine Lize even gelukkig zijn zou als vrouw
+Barberin. Lize zou natuurlijk mijn rijkdom deelen; dat leed geen
+twijfel; maar vóórdat ik nog rijk was, wilde ik Lize een geschenk
+geven, dat ik met eigen verdiend geld voor haar gekocht had--een
+geschenk van mijn armoede.
+
+Wij kochten te Dreuze een pop voor haar, die gelukkig niet zoo
+duur was als de koe, en van daar konden wij ons met de meeste haast
+voortspoeden naar de plaats onzer bestemming; want de dorpen, die
+wij moesten doortrekken, waren alle even arm en de bewoners zelven
+konden nauwelijks hun eigen brood verdienen, dus veel minder waren
+zij instaat mild jegens ons te zijn.
+
+Van Chatillon af volgden wij de oevers van het kanaal en de boschrijke
+dreven, het zacht kabbelende water en de scheepjes, die langzaam door
+de paarden werden voortgetrokken, brachten mij de gelukkige dagen weder
+in herinnering, die ik op _De Zwaan_ met mevrouw Milligan en Arthur had
+mogen doorbrengen, toen ook ik op het water dobberde. Waar bevond zich
+thans _De Zwaan_? Hoe dikwijls had ik, als wij een rivier overstaken
+of langs een kanaal liepen, mij zelf afgevraagd of men niet het een
+of ander pleizierbootje had zien voorbijstoomen, dat, door zijn dek,
+zijn smaakvolle versierselen met geen ander verward kon worden. Mevrouw
+Milligan was ongetwijfeld weder naar Engeland teruggekeerd en Arthur
+zou zeker genezen zijn. Dit was het meest waarschijnlijke en het
+verstandigste om te gelooven en toch, meer dan eens, als wij langs
+dat kanaal liepen, dacht ik bij mezelf, als ik in de verte een boot
+zag naderen, of dat niet _De Zwaan_ was, die ons tegemoet stevende.
+
+Het was intusschen herfst geworden; de dagen waren minder lang dan
+in den zomer en wij stelden alles in het werk om tegen den nacht een
+schuur te bereiken, waar wij een onderkomen zouden kunnen vinden.
+
+Hoe wij onzen pas ook versneld hadden, was het toch reeds middenin
+den nacht toen wij te Dreuze aankwamen.
+
+Om de woning van Lize's tante te bereiken, hadden wij slechts het
+kanaal te volgen, daar de man van tante Katharina, die sluiswachter
+was, in de onmiddellijke nabijheid van de sluis woonde. Dit bespaarde
+ons veel tijd, en spoedig hadden wij de woning gevonden, die aan het
+einde van het dorp was gelegen, omringd van hooge boomen, wier takken
+in den nevel schenen te wiegelen.
+
+Mijn hart klopte onstuimig, toen wij dit huis naderden, waarvan
+het venster verlicht werd door het schijnsel van een groot vuur,
+dat onder den schoorsteen brandde en nu en dan een rood licht over
+onzen weg wierp.
+
+Toen wij zeer dicht bij het huis waren gekomen, zag ik dat de deur en
+het venster gesloten waren, maar door het venster, dat blinden noch
+gordijnen had, zag ik Lize voor de tafel zitten, naast hare tante,
+terwijl een man, ongetwijfeld haar man, naast haar zat, met den rug
+naar haar toegekeerd.
+
+--Zij zijn aan het avondeten, merkte Mattia op; het is juist het
+geschiktste oogenblik.
+
+Maar ik hield hem terug en wenkte Capi om stil achter ons te blijven.
+
+Daarop gespte ik de harp los en maakte mij gereed om erop te spelen.
+
+--O, ja, fluisterde Mattia, een serenade, dat is een goede inval.
+
+--Neen, gij niet, ik alleen.
+
+En ik begon de eerste noten te spelen van mijn napolitaansch lied,
+maar zonder te zingen, zoodat mijn stem mij niet kon verraden.
+
+Terwijl ik speelde, hield ik mijn blik op Lize gericht; zij hief
+plotseling het hoofd op en uit haar oogen straalde een flikkerend
+licht.
+
+Ik begon te zingen. Zij sprong toen van haar stoel en snelde naar
+de deur; ik had slechts den tijd om mijn harp aan Mattia te geven,
+want Lize hing reeds aan mijn hals.
+
+Men liet ons binnen en toen tante Katherina mij goedendag gezegd had,
+zette zij twee borden op tafel.
+
+Ik verzocht haar toen om er nog een derde naast te plaatsen.
+
+--Als gij het goedvindt, breng ik nog een derden makker mede.
+
+Ik haalde uit mijn reistasch de pop te voorschijn, die ik op een
+stoel naast Lize zette.
+
+De blik, dien Lize mij toewierp, zal ik nooit vergeten en dikwijls
+voel ik hem nog op mij gericht.
+
+
+
+
+XXXII.
+
+BARBERIN.
+
+
+Als ik niet zulk een haast gehad had om Parijs te bereiken, dan zou
+ik ongetwijfeld nog zeer lang bij Lize gebleven zijn; wij hadden
+elkander zooveel te vertellen, en wij konden elkaar, met de taal,
+waartoe wij onze toevlucht moesten nemen, zoo weinig zeggen.
+
+Lize moest mij toch hare komst te Dreuze vertellen, hoe lief en
+goed haar oom en tante voor haar waren, die van de vijf kinderen,
+welke zij gehad hadden, geen een meer hadden overgehouden; een ramp
+die vele gezinnen treft, daar de moeders haar eigen kinderen dikwijls
+verlaten om als voedsters naar Parijs te gaan. Hoe zij haar behandelden
+alsof zij hun eigen dochter was, wat zij in de huishouding verrichtte
+en welke bezigheden en genoegens men haar gaf; met visschen, roeien
+en wandelen bracht zij bijna al haar tijd door, daar zij niet naar
+school kon gaan.
+
+En ik wilde, van mijn kant, haar ook alles vertellen, wat gebeurd was,
+sedert wij elkander verlaten hadden en hoe ik bijna omgekomen was in
+de mijn, waarin Alexis werkte en hoe ik, toen ik bij moeder Barberin
+kwam, vernam dat mijn familie mij zocht, en daardoor verhinderd was
+geworden om Martha te bezoeken.
+
+Natuurlijk speelde mijn familie een groote rol in mijn verhalen en
+vooral mijn rijke familie. Ik herhaalde aan Lize wat ik Mattia reeds
+gezegd had en sprak vooral over het vooruitzicht op een groot fortuin,
+en als wij dat hadden, zouden wij allen gelukkig kunnen worden:
+haar vader, hare zuster, hare broers en zij zelve, ja zij vooral.
+
+Lize, die niet zoo vroeg ontwikkeld was als Mattia en die, gelukkig
+voor haar, niet de ondervinding had van de school der leerlingen
+van Garofoli, was zeer geneigd te gelooven, dat zij die rijk waren
+niet anders dan gelukkig op aarde konden zijn en dat de fortuin
+een talisman was die, evenals in de sprookjes, onmiddellijk alles
+verschafte wat men maar verlangen kon. Immers haar vader was alleen in
+de gevangenis gezet omdat hij arm was en zijn armoede was de oorzaak,
+dat zijn gezin wijd en zijd was verspreid. Of ik rijk was, of zij,
+was volkomen hetzelfde; althans hetzelfde wat de gevolgen betrof;
+wij zouden beiden gelukkig zijn en om het overige bekommerde zij zich
+niet: wij zouden allen weder vereenigd worden en gelukkig leven.
+
+Wij brachten onzen tijd niet door met bij de sluis te staan praten
+bij het ruischen van het water, dat door de deuren stroomde,
+maar wij maakten ook met ons drieën, Lize, Mattia en ik, groote
+wandelingen. Eigenlijk waren wij met ons vijven, want Capi was altijd
+van het gezelschap, evenals de pop, die ik voor Lize had medegebracht.
+
+Mijne zwerftochten door Frankrijk met Vitalis gedurende eenige jaren
+en met Mattia gedurende de laatste maanden hadden mij bekend gemaakt
+met een groot deel van het land; maar ik had geen merkwaardiger oord
+gezien dan dat, waarin ik mij thans bevond: onmetelijke bosschen,
+schoone weilanden, rotsen, heuvels, spelonken, schuimende watervallen,
+kalme vijvers, enge dalen met stille rotswanden langs den stroom,
+die zich door de streek kronkelde. Het was prachtig in alle opzichten;
+men hoorde slechts het ruischen van het water, het gezang der vogels,
+of het suizen van den wind in de hooge boomen. Ik moet erkennen,
+dat ik ook eenige jaren geleden de vallei van de Bièvre zeer schoon
+had gevonden; men behoeft mij dus niet zoo onbepaald op mijn woord
+te gelooven, maar dit kan ik verzekeren dat overal, waar ik met Lize
+gewandeld heb en waar wij te zamen speelden, het land mij voorkwam
+eene schoonheid en bekoorlijkheid te bezitten, die andere streken,
+welke men beweert dat schooner zijn, in mijn oog niet bezaten: ik heb
+dat land gezien met Lize en daaraan is mij eene herinnering gebleven,
+die beschenen wordt door het geluk, dat ik toen genoot.
+
+Des avonds, als het niet te vochtig was, zetten wij ons voor de deur
+der woning neder, of, was de nevel te zwaar, bij den haard, en ik
+speelde voor Lize op de harp, waarvan zij zooveel hield. Ook Mattia
+speelde op de viool of den wandhoren, maar Lize gaf de voorkeur aan
+de harp, wat mijn eigenliefde niet weinig streelde. Als het oogenblik
+gekomen was om ons ter rust te begeven, vroeg Lize mij altijd nog
+eens het napolitaansche lied en dat zong ik dan voor haar.
+
+Maar eindelijk kwam de dag, waarop ik haar verlaten moest en weder
+op weg moest gaan.
+
+Wat mij betreft, het heengaan viel mij zoo zwaar niet; ik had zoo
+dikwijls gedacht aan den rijkdom, die mij wachtte, dat ik niet alleen
+geloofde dat ik eenmaal rijk zou worden, maar dat ik al rijk was, en
+dat alles wat ik wenschte binnen zeer korten tijd kon verwezenlijkt
+worden, ja misschien wel dadelijk.
+
+Mijn laatste woord tot Lize, wat ik evenwel niet uitsprak, maar
+duidelijk te kennen gaf, kan beter dan door uitvoerige bespiegelingen
+doen begrijpen hoe vast mijne overtuiging was omtrent mijn toekomstigen
+rijkdom:
+
+--Ik zal u komen afhalen met een rijtuig met vier paarden, zeide ik.
+
+En zij geloofde me en met hare hand wees zij hoe de zweep zou
+klappen. Ook zij zag zeker het rijtuig met vier paarden, evengoed
+als ik het zag.
+
+Vóór ik evenwel in een rijtuig met vier paarden den weg van Parijs naar
+Dreuze aflegde, moest ik te voet van Dreuze naar Parijs. Ware Mattia
+niet bij mij geweest, dan zou ik steeds zeer groote afstanden afgelegd
+en mij bepaald hebben om slechts zooveel te verdienen, als wij voor
+ons onderhoud volstrekt noodig hadden. Waarom zouden wij ons zooveel
+moeite geven? Wij behoefden geen koe en geen pop meer te koopen;
+als wij ons dagelijksch brood dus maar hadden, was het voldoende,
+want aan mijne ouders behoefde ik waarlijk geen geld te brengen.
+
+Maar Mattia liet zich volstrekt niet overtuigen door de redenen,
+die ik voor de verdediging van mijne meening aangaf.
+
+--Laten wij maar verdienen wat wij krijgen kunnen, zeide hij, terwijl
+hij mij noodzaakte mijn harp te bespelen. Wie weet of wij Barberin
+wel zoo spoedig zullen vinden.
+
+--Als wij hem om twaalf uren niet mochten vinden, zullen wij hem
+zeker om twee uren ontmoeten: de rue Mouffetard is zoo groot niet.
+
+--En als hij nu eens niet in de rue Mouffetard woonde?
+
+--Dan zullen wij gaan daar, waar hij elders woont.
+
+--En als hij naar Chavanon is teruggekeerd, zullen wij hem moeten
+schrijven en op zijn antwoord moeten wachten. Waar zullen wij in dien
+tusschentijd van leven, als wij niets in onzen zak hebben? Men zou
+wezenlijk zeggen, dat gij Parijs niet kent. Hebt gij dan de groeven
+van Gentilly vergeten?
+
+--Neen.
+
+--Welnu, ik voor mij heb den muur van de kerk Saint-Médard ook niet
+vergeten, waartegen ik leunde om niet te vallen, toen ik dacht van
+honger om te komen. Ik wil geen honger meer lijden in Parijs.
+
+--Des te beter zullen wij eten, als we bij onze ouders aankomen.
+
+--Nu ik eet toch, al heb ik goed ontbeten, maar als ik niet ontbeten
+en niet gegeten heb, dan ben ik volstrekt niet zooals ik wezen moet;
+en dat bevalt mij volstrekt niet. Laten wij dus maar werken of wij
+ook voor uwe ouders een koe moesten koopen.
+
+Dat was een zeer verstandige raad; ik moet evenwel bekennen, dat ik
+niet meer zoo zong als toen wij stuiver voor stuiver moesten verdienen
+om eene koe voor vrouw Barberin en een pop voor Lize te koopen.
+
+--Wat zult ge lui wezen, als ge rijk zijt, zeide Mattia.
+
+Van Corbeil af volgden wij den weg dien wij zes maanden geleden hadden
+afgelegd, toen wij Parijs hadden verlaten om naar Chavanon te gaan, en
+vóór wij te Villejuif kwamen, traden wij dezelfde hoeve binnen, waar
+wij ons eerste concert hadden gegeven, toen wij voor de eerste maal
+samen speelden en de bruiloftsgasten lieten dansen. Het jonge echtpaar
+herkende ons en wij verzochten, dat wij hen nogmaals zouden laten
+dansen. Men gaf ons een goed avondmaal en liet ons in de schuur slapen.
+
+Van daar vertrokken wij den anderen morgen om onzen intocht in Parijs
+te houden. Er waren juist zes maanden en veertien dagen verloopen,
+sinds wij Parijs verlaten hadden.
+
+Maar de dag, waarop wij terugkwamen, verschilde geheel met dien, waarop
+wij de stad verlieten; het was nevelachtig en koud; de zon scheen niet;
+bloemen waren er niet meer en ook geen gras langs den weg; de zomerzon
+had hare taak volbracht; toen was de eerste herfstnevel gekomen:
+thans vielen geene seringen meer op ons neder van de muren, maar
+verdorde bladeren, die langzaam zich losmaakten van de droge takken.
+
+Maar wat deerde ons dat treurige weder! ons hart klopte van vreugde
+en wij behoefden niet meer door onze omgeving tot vroolijkheid te
+worden gestemd.
+
+Als ik zeg wij, dan druk ik mij niet heel juist uit: eigenlijk was
+ik het slechts, die zich zoo opgeruimd voelde.
+
+Wat Mattia betrof, naarmate wij Parijs meer naderden, werd hij
+treuriger gestemd en soms liep hij uren lang zonder een woord te
+spreken.
+
+Nooit had hij mij de oorzaak van die treurigheid verteld en ik voor
+mij schreef ze slechts toe aan zijne vrees, dat wij zouden scheiden,
+en daarom wilde ik niet herhalen, wat ik hem reeds zoo dikwijls had
+gezegd, dat mijne ouders er volstrekt niet aan zouden denken om ons
+van elkander te doen gaan.
+
+Eerst toen wij halt hielden om te ontbijten, vóór wij aan de
+buitenwerken kwamen, vertelde hij mij, terwijl hij op een steen zat,
+wat hem bezighield.
+
+--Weet ge aan wien ik denk, nu ik weder te Parijs kom?
+
+--Aan wien dan?
+
+--Aan wien? wel, aan Garofoli. Als hij weer eens uit de gevangenis
+was? Toen men mij vertelde, dat hij in de gevangenis zat, heb ik niet
+gevraagd voor hoelang? misschien is hij dus weer op vrije voeten
+en zit hij weder in de rue Lourcine. In de rue Mouffetard moeten
+wij Barberin zoeken, dus in dezelfde wijk waarin Garofoli woont,
+in de onmiddellijke nabijheid van zijne woning. Wat zal er gebeuren
+als hij ons eens toevallig tegenkwam? Hij is mijn meester; hij is
+mijn oom. Hij kan mij dus weder bij zich nemen en onmogelijk zou
+ik hem weer kunnen ontsnappen. Gij waart bang nogmaals in de handen
+te vallen van Barberin; ge begrijpt dus hoe ik te moede ben bij het
+vooruitzicht, dat ik misschien weer in de handen van Garofoli vallen
+zal. O! mijn arm hoofd! En och, die klappen beteekenen nog niets, als
+ik denk aan eene scheiding. Wij zullen niet meer bij elkander zijn
+en die scheiding, door mijne familie teweeggebracht, zou nog erger
+zijn dan die, welke uwe familie vorderde. Zeker zou Garofoli ook u
+wel bij zich willen nemen en u dezelfde opvoeding willen geven als
+aan zijn andere jongens: de opleiding met de zweep; maar gij zoudt
+niet bij hem willen zijn en ik zou het ook niet wenschen, dat ge dan
+bij me bleeft. Gij hebt nooit zooveel slaag gehad.
+
+Ik was zoo geheel met mijn eigen vooruitzichten vervuld, dat ik
+niet aan Garofoli had gedacht; maar al wat Mattia mij vertelde, was
+mogelijk en ik had geen nadere toelichting meer noodig om te begrijpen,
+aan welke gevaren wij waren blootgesteld.
+
+--Wat wilt ge dan? vroeg ik. Willen wij dan maar niet naar Parijs gaan?
+
+--Als ik maar niet naar de rue Mouffetard ga, zou ik de kans niet
+loopen Garofoli te ontmoeten.
+
+--Welnu, ga dan niet naar de rue Mouffetard; ik zal er alleen heengaan
+en wij zullen van avond te zeven uren hier of daar elkander vinden.
+
+Mattia en ik spraken toen af, dat wij elkaar aan het einde van de
+brug de l'Archevêché zouden wachten aan den kant der Notre-Dame,
+en toen dit bepaald was, ging ik alleen Parijs binnen.
+
+Toen wij op de Place d'Italie kwamen, namen wij van elkander
+afscheid. Wij waren beiden zoo aangedaan, of wij elkaar nooit meer
+zouden terugzien en terwijl Mattia en Capi den kant gingen van den
+Plantentuin, sloeg ik de richting in van de rue Mouffetard, die niet
+ver verwijderd was.
+
+Dit was voor de eerste maal in de laatste zes maanden, dat ik nu
+alleen kwam zonder Mattia en Capi bij mij, en nog wel in dat groote
+Parijs. Dit greep mij nog sterker aan.
+
+Maar ik mocht mij niet aan mijne gewaarwordingen overgeven. Ik zou
+immers Barberin ontmoeten en door hem mijne familie.
+
+Op een stuk papier had ik namen en woonplaatsen geschreven van de
+menschen, bij wie ik Barberin zou kunnen vinden; maar dit was een
+noodelooze voorzorg, want ik had noch de namen noch de adressen
+vergeten en ik behoefde mijn papier niet in te zien om te weten,
+dat ik bij Pajot, Barrabaud of Chapinet moest wezen.
+
+Het eerst kwam ik aan het huis van Pajot, toen ik de rue Mouffetard
+insloeg. Moedig stapte ik dat huis binnen, waarvan Pajot het
+ondergedeelte bewoonde; toch beefde mijne stem een weinig toen ik
+naar Barberin vroeg.
+
+--Wat voor een Barberin bedoelt ge?
+
+--Barberin uit Chavanon.
+
+En ik beschreef het voorkomen van Barberin, tenminste zooals ik
+hem gezien had op dien avond, dat hij uit Parijs kwam: stug gelaat,
+norsche uitdrukking, met het hoofd eenigszins naar den rechterschouder
+overhellend.
+
+--Die is hier niet, dien kennen wij niet.
+
+Ik bedankte en ging verder naar Barrabaud. Deze verhuurde gemeubelde
+kamers en hield een fruitwinkel.
+
+Opnieuw vroeg ik naar Barberin.
+
+Eerst kostte het me moeite om mijn vraag aan den man te brengen, want
+Barrabaud en zijne vrouw waren samen bezig: de een om een groene klomp
+door te hakken met eene soort van troffel; het was spinazie zeide hij;
+de andere was aan 't kijven met een klant over een stuiver, dien deze
+beweerde dat hij te weinig terugontvangen had. Toen ik tot driemaal
+toe mijne vraag herhaald had, kreeg ik eindelijk antwoord.
+
+--O, ja Barberin; die woonde indertijd hier, zoowat vier jaar geleden.
+
+--Vijf, zeide de vrouw, en hij is ons nog een week schuldig. Waar
+zit die kerel nu?
+
+Dat was het juist wat ik wilde weten.
+
+Teleurgesteld en min of meer ongerust ging ik verder. Chapinet alleen
+bleef mij nog over. Tot wien zou ik mij wenden, als die ook niet wist
+waar Barberin was? Waar hem dan te zoeken?
+
+Evenals Pajot had ook Chapinet een eethuis, en toen ik het vertrek
+binnentrad waar hij kookte en tevens zijn bezoekers bediende, zag ik
+aan de tafeltjes verscheidene menschen.
+
+--Barberin is niet meer hier, antwoordde hij.
+
+--Waar is hij dan? vroeg ik bevend.
+
+--Dat weet ik niet.
+
+Het was of ik eene duizeling kreeg; de potten en pannen dansten mij
+voor de oogen.
+
+--Waar kan ik hem zoeken?
+
+--Hij heeft zijn adres niet achtergelaten.
+
+Zeker drukte mijn gelaat op welsprekende en treffende wijze mijne
+teleurstelling uit, want een der mannen, die aan een tafeltje bij
+het fornuis zat te eten, richtte het woord tot mij.
+
+--Wat wilt ge van Barberin? vroeg hij.
+
+Het viel mij onmogelijk hem openhartig te antwoorden en mijne
+geschiedenis hem te vertellen.
+
+--Ik kom uit zijn land, uit Chavanon, en ik kom hem tijding brengen
+van zijne vrouw. Zij had me gezegd, dat ik hem hier zou vinden.
+
+--Als ge weet waar Barberin is, sprak Chapinet, zich tot den man
+wendende, die tot me gesproken had, kunt gij het wel aan dien jongen
+vertellen; die wil hem geen kwaad; is 't wel, vriendje?
+
+--O neen, mijnheer.
+
+Ik kreeg weder hoop.
+
+--Barberin moet thans in het logement van Cantal wonen, in de passage
+d'Austerlitz, daar was hij tenminste drie weken geleden.
+
+Ik betuigde mijn dank, maar vóór ik naar de passage d'Austerlitz ging,
+die, meende ik, aan het andere einde van de brug van Austerlitz lag,
+wilde ik iets omtrent Garofoli vernemen, om Mattia op de hoogte te
+brengen van diens toestand.
+
+Ik was vlak bij de rue de Lourcine en ik had maar weinige schreden
+te doen om het huis te vinden, waar ik eens met Vitalis geweest
+was. Evenals de eerste maal toen ik die woning binnentrad, was een
+oud mannetje, hetzelfde als toen, bezig met behulp van een stok met
+een haak oude lorren tegen een groenachtigen muur te hangen. Men zou
+gezegd hebben, dat hij in al dien tijd niets anders had gedaan.
+
+--Is baas Garofoli al terug? vroeg ik.
+
+Het oude mannetje zag mij eens aan en begon te hoesten. Het scheen
+mij toe, dat ik hem moest doen begrijpen, dat ik wist waar Garofoli
+was en zonder dit van den voddenraper niets te weten zou komen.
+
+--Zit hij nog altijd? vroeg ik met een blik van verstandhouding. Dan
+zal hij zich wel vervelen.
+
+--Misschien; maar de tijd gaat toch om.
+
+--Toch niet zoo gauw voor hem als voor u.
+
+Het mannetje lachte om die aardigheid, en begon toen geweldig te
+hoesten.
+
+--Weet ge ook wanneer hij terug moet komen? vroeg ik, toen zijn hoest
+wat bedaard was.
+
+--Over drie maanden.
+
+Garofoli moest dus nog drie maanden zitten. Mattia kon alzoo veilig
+ademhalen; binnen drie maanden zouden mijne ouders wel het middel
+gevonden hebben, om dien vreeselijken _padrone_ in de onmogelijkheid
+te stellen iets tegen zijn neef te ondernemen.
+
+Had ik bij Chapinet mij een oogenblik diep ongelukkig gevoeld, thans
+was ik weder vol hoop en ik ging Barberin zoeken in het logement
+van Cantal.
+
+Zonder dralen begaf ik mij naar de passage d'Austerlitz, vol hoop en
+vreugd, en, bezield met die gewaarwordingen, was ik zeer welwillend
+jegens Barberin gestemd.
+
+Wel beschouwd, was hij dan ook zoo kwaad niet als hij er uitzag. Zonder
+hem zou ik hoogstwaarschijnlijk van honger en koude zijn omgekomen in
+de avenue de Breteuil. Wel had hij mij van vrouw Barberin afgenomen,
+om mij aan Vitalis te verkoopen, maar hij kende mij niet en hij
+kon dus geen liefde koesteren voor een kind, dat hij nooit gezien
+had. Bovendien leed hij armoede en uit armoede doet men zooveel, dat
+verkeerd is. Thans zocht hij mij en hij was voor mij werkzaam, en als
+ik mijne ouders terugvond, zou ik dit aan hem te danken hebben. Die
+gedachten spraken luider in mij dan het gevoel van afkeer, dat ik
+jegens hem koesterde van het oogenblik af, dat ik Chavanon verlaten had
+en Vitalis mijn pols in zijn hand omklemde. Ook tegenover hem zou ik
+mijne dankbaarheid toonen: al was dit niet uit genegenheid en liefde,
+zooals voor vrouw Barberin, dan was het toch uit plichtbesef.
+
+Als men den Plantentuin doorgaat, is de afstand van de rue de Lourcine
+tot de passage d'Austerlitz zoo groot niet en weldra was ik dan ook
+aan het logement van Cantal, dat van een logement niets anders had
+dan den naam, want in werkelijkheid was het een ellendig huis met
+gemeubelde kamers. De eigenares was eene oude vrouw, wier hoofd
+onophoudelijk trilde en die erg hardhoorend was.
+
+Toen ik ook haar dezelfde vraag had gedaan als aan de anderen, bracht
+zij haar hand achter hare muts aan 't oor en verzocht mij nog eens
+mijn vraag te herhalen.
+
+--Ik ben een beetje doof, zeide zij.
+
+--Ik wenschte Barberin te spreken, Barberin uit Chavanon. Die woont
+bij u, niet waar?
+
+Zij gaf geen antwoord, maar hief hare handen omhoog, met zulk eene
+plotselinge beweging, dat de kat, die op haar schoot lag te slapen,
+plotseling verschrikt op den grond sprong.
+
+--Och hemel! Och hemel! riep zij.
+
+Toen keek ze mij aan, terwijl haar hoofd nog erger begon te trillen
+en vroeg:
+
+--Zijt gij dan dat jongetje?
+
+--Welk jongetje?
+
+--Dat hij zocht.
+
+Dat hij zocht! Toen ik dat hoorde, begon mijn hart hevig te bonzen.
+
+--Barberin! riep ik uit.
+
+--Wijlen Barberin, moet ge zeggen. Wijlen Barberin.
+
+Ik hield mij aan mijn harp vast.
+
+--Is hij dan dood? riep ik, hard genoeg om verstaan te worden, en
+met een stem, heesch van aandoening.
+
+--Acht dagen geleden gestorven in het gasthuis van Saint-Antoine.
+
+Ik stond verplet. Barberin dood! I Hoe zou ik thans mijn familie zoeken
+en vinden?
+
+--Dus zijt gij het jongske, ging de oude vrouw voort, dat hij zocht
+om aan zijn rijke familie terug te geven.
+
+Ik kreeg weder hoop en klampte mij aan die woorden vast.
+
+--Wist gij dan....? begon ik.
+
+--Ik wist wat hij vertelde, die arme man: hij had een kind gevonden
+en grootgebracht, dat nu de familie wilde terughebben en dat hij te
+Parijs zocht.
+
+--Maar de familie? vroeg ik met hijgende stem, mijn familie?
+
+--Dus zijt gij het jongske? Gij, gij! Zijt gij 't wezenlijk? En met
+haar trillend hoofd zag zij mij strak aan.
+
+Maar ik maakte spoedig een einde aan haar onderzoek.
+
+--Vertel mij toch spoedig wat gij weet.
+
+--Maar ik weet niets meer dan ik u nu verteld heb, beste jongen.... ik
+wil zeggen, jongenheer.
+
+--Wat heeft Barberin u omtrent mijn familie verteld? O! zie dan toch
+hoe ontroerd ik ben; ik sterf van verlangen iets te weten.
+
+Zonder mij te antwoorden hief zij weder de handen in de hoogte
+en zeide:
+
+--Dat is me een geschiedenis!
+
+Op dat oogenblik kwam eene vrouw binnen, die al het voorkomen had van
+eene dienstbode. De eigenares van het logement van Cantal wendde zich
+tot deze:
+
+--Dat is me een geschiedenis! Dat jongetje, die jongenheer, dien je
+daar ziet, is de knaap van wien Barberin altijd sprak; en nu komt
+hij en Barberin is er niet meer! Dat is me een geschiedenis!
+
+--Heeft Barberin u dan nooit over mijn familie gesproken?
+
+--Wel twintig keer! wel honderd keer! 't Is een rijke familie.
+
+--En waar woont ze? Hoe heet ze?
+
+--Ja, zie je, dat heeft Barberin mij nooit verteld. Ge begrijpt,
+dat hij dit vóór zich hield. Hij wilde de belooning alleen hebben;
+en dat is billijk ook. Hij was slim genoeg om die niet te verspelen.
+
+Ik begreep het en ik begreep maar al te goed de beteekenis van 'tgeen
+die vrouw mij vertelde: Barberin had zijn geheim, het geheim mijner
+geboorte, met zich in 't graf genomen.
+
+Ik was dus slechts zóó ver mijn doel genaderd om voor altijd de kans te
+verliezen, om het te bereiken. Verijdeld waren mijne schoone droomen
+en mijne wenschen.
+
+--En kent gij niemand, aan wien Barberin misschien iets meer kan
+hebben verteld dan aan u?
+
+--Zoo dom was Barberin niet, dat hij aan iemand zijn vertrouwen
+schonk. Hij wantrouwde iedereen.
+
+--En hebt gij nooit iemand van mijn familie gezien, die mij zocht?
+
+--Nooit.
+
+--Had hij misschien vrienden, met wie hij over mijn familie kan
+hebben gesproken.
+
+--Hij had geen vrienden.
+
+Ik drukte beide handen tegen het hoofd; maar of ik al dacht en nog
+eens dacht, niets was er, dat mij den weg kon wijzen. Bovendien was
+ik zoo ontroerd, zoo onthutst, dat ik onmogelijk mijne gedachten
+kon verzamelen.
+
+--Eens heeft hij een brief gekregen, zeide de oude vrouw, na lang te
+hebben nagedacht; een aangeteekenden brief.
+
+--Waar kwam die vandaan?
+
+--Dat weet ik niet; de brievenbesteller gaf den brief aan hem zelf
+en ik heb het poststempel niet gezien.
+
+--Dien brief kan men toch wel terugvinden?
+
+--Toen hij gestorven was, hebben wij alles doorzocht wat hij had
+nagelaten. Niet uit nieuwsgierigheid, dat verzeker ik u, maar om
+zijn vrouw bericht te zenden. Maar wij hebben niets gevonden. En in
+'t hospitaal evenmin. In geen van zijn kleeren vond men een letter
+schrift, en als hij niet gezegd had, dat hij uit Chavanon was, zou
+men nooit zijn vrouw de tijding van zijn dood hebben kunnen zenden.
+
+--Dus weet vrouw Barberin, dat hij dood is?
+
+--Wis en zeker.
+
+Geruimen tijd bleef ik sprakeloos tegenover de vrouw staan. Wat zou
+ik zeggen? Wat zou ik vragen? De menschen hadden mij alles verteld
+wat zij wisten; en zij wisten niets. En zeer zeker hadden zij alles
+beproefd om van Barberin te weten te komen, wat hij voor hen verborgen
+wilde houden.
+
+Ik bedankte dus voor hetgeen zij gezegd hadden en ging naar de deur.
+
+--Waar ga je nu naartoe? vroeg de oude vrouw.
+
+--Ik ga mijn kameraad opzoeken.
+
+--Zoo; hebt ge een kameraad?
+
+--Ja zeker.
+
+--Woont die te Parijs?
+
+--Wij zijn van morgen eerst samen te Parijs gekomen.
+
+--Welnu, hoor eens, als je geen onderkomen hebt, kunt ge hier uw
+intrek nemen. Ge zult hier goed zijn, dat durf ik gerust zeggen en in
+een fatsoenlijk huis. Vergeet ook niet, dat als je familie je zoekt,
+wanneer zij niets meer van Barberin hoort, zij het eerst hier zal komen
+en niet ergens anders. Dan zijt ge er zelf om haar te helpen. Dat is
+al één voordeel. Waar zouden ze je vinden, als je niet hier waart? Ik
+zeg het alleen maar in je eigen belang. Hoe oud is je kameraad?
+
+--Hij is iets jonger dan ik.
+
+--Denk eens aan! Zoo'n paar kleine jongens in dat groote Parijs! Je
+zoudt slechte kennissen kunnen treffen; er zijn huizen, waar kwaad
+volk komt. 't Is niet zooals hier, waar men rustig en kalm leeft. Maar
+dat brengt deze wijk ook mede.
+
+Ik was niet zoo bepaald overtuigd dat deze wijk zoo rustig en kalm was,
+en bovendien was dit logement Cantal een van de vuilste en ellendigste
+huizen, dat men zich denken kon en op al mijne omzwervingen had ik
+nooit zoo'n jammerlijk logement ontmoet. Maar wat die vrouw zeide,
+verdiende toch wel overweging. In elk geval was het nu geen zaak om
+al te kieskeurig te zijn, en ik had mijn familie niet, mijne rijke
+familie, om met deze een van die mooie hotels aan de boulevards te
+betrekken, of in haar eigen huis, als zij te Parijs woonde. In het
+logement Cantal zouden wij niet duur zijn, en thans kwam het erop
+aan om zoo zuinig mogelijk te leven. Mattia had wel gelijk gehad toen
+hij erop aandrong, dat wij op onzen tocht van Dreuze naar Parijs geld
+zouden verdienen. Wat zouden wij beginnen, als wij nu geen acht gulden
+op zak hadden!
+
+--Voor hoeveel verhuurt ge aan mij en mijn vriend een kamertje? vroeg
+ik.
+
+--Een halven franc daags. Is dat te duur?
+
+--Dan kom ik van avond met mijn kameraad hier.
+
+--Kom niet te laat; in Parijs is het 's avonds niet veilig.
+
+Vóór ik hier mijn intrek nam, moest ik Mattia gaan opzoeken en er
+moesten nog vele uren voorbijgaan eer de tijd daar was, waarop wij
+elkander zouden vinden. Daar ik niet wist wat ik in dien tijd moest
+doen, ging ik in treurige stemming naar den Plantentuin en zette mij
+daar op een eenzame plek op een bank. Mijne beenen konden niet meer
+voort en mijn hart was gebroken.
+
+De slag was zoo fel, zoo onverwacht, zoo verpletterend. Moest ik dan
+alle ongelukken ondervinden, het een na het ander? Zoo dikwijls ik
+de hand uitstak om vast te grijpen, brak de tak dien ik vatte in mijn
+handen en viel ik weer neder! Zoo ging het altijd.
+
+Was het niet het noodlot zelf, dat Barberin juist moest sterven op
+het oogenblik, dat ik behoefte aan hem had, en dat hij uit winzucht
+den naam en de woonplaats had verborgen van den persoon--zeker mijn
+vader--die hem opgedragen had om mij op te sporen?
+
+Terwijl ik in zwaarmoedig gepeins verzonken zat en de tranen mij
+over de wangen biggelden, kwamen een heer en dame, door een kind
+gevolgd, den lommerrijken boom voorbij, in wiens schaduw ik mij had
+neergezet. Het kind trok een wagentje achter zich voort en bleef bij
+mij stilstaan. De heer en dame zetten zich op een bank en riepen den
+kleine bij zich, die toen zijn wagentje liet staan en met open armen
+naar hen toeliep. Zijn vader nam hem op, kuste zijn blonden krullebol
+en gaf hem toen aan zijne moeder, die hem ook met kussen overdekte
+op dezelfde plaats en op dezelfde wijze, terwijl de knaap schaterde
+van 't lachen en de wangen van zijne ouders met zijne kleine, dikke,
+mollige handjes bedekte.
+
+Toen ik dit zag, dat geluk en die vroolijkheid van het kind, begon
+ik, ondanks mij zelven, bitter te weenen. Zóó was ik nog nooit
+geliefkoosd. Mocht ik thans nog hopen, dat dit geluk ook eenmaal mijn
+deel zou zijn?
+
+Daar kwam ik op de gedachte, om voor het kind wat te spelen. Ik nam
+mijn harp en tokkelde langzaam een wals, terwijl de knaap de maat
+trappelde met zijn voetjes. De heer kwam naar mij toe en gaf mij een
+stuk zilvergeld, maar ik weigerde beleefd.
+
+--Och neen, mijnheer, zei ik, gun mij het genoegen, dat ik voor uw
+kind speel. 't Is zoo'n lief kind!
+
+Hij zag mij aandachtig aan, maar op dat oogenblik verscheen er een
+agent van politie, die, ondanks de tegenkanting van den heer, mij
+gelastte me zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken, als ik niet
+opgepakt wilde worden, omdat ik in den tuin muziek had gemaakt.
+
+Ik sloeg den band van mijn harp weder over den schouder en ging heen,
+maar nog dikwijls zag ik om naar den heer en dame, die mij met een
+weemoedigen blik nastaarden.
+
+Daar het nog geen tijd was om naar de brug de l'Archevêché te gaan
+en Mattia op te zoeken, doolde ik langs de kade en zag naar de
+stroomende rivier.
+
+De avond begon te vallen; men stak de gaslichten aan. Toen richtte
+ik mij naar de kerk Nôtre-Dame, waarvan de twee torens als donkere
+massa's afstaken tegen den purperen hemel. Niet ver van de kerk vond
+ik eene bank, waarop ik mij kon neerzetten en dat deed mij goed, want
+mijne beenen waren als lood, alsof ik uren lang geloopen had, en daar
+gaf ik mij weder aan mijne treurige overpeinzingen over. Nooit had
+ik mij zoo afgemat en moe gevoeld. In mij en om mij was alles even
+somber; in dat groote Parijs, zoo vol licht en leven en beweging,
+voelde ik mij eenzamer dan temidden van de velden en bosschen.
+
+De menschen, die voorbijgingen, keerden zich somtijds om en zagen mij
+aan; maar wat raakte mij hunne nieuwsgierigheid of hun medelijden;
+op de belangstelling van vreemde menschen was mijne hoop niet gebouwd.
+
+De eenige afleiding die ik had, was de uren te tellen, die de torenklok
+aangaf. Ik berekende dan hoeveel tijd ik nog wachten moest, om weder
+kracht en moed te putten uit de vriendschap van Mattia. Welk een
+troost gaf mij dat vooruitzicht, weder die trouwhartige, vroolijke
+oogen te zien!
+
+Kort vóór zeven uren hoorde ik een luidruchtig geblaf, en bijna
+terstond daarop zag ik in de duisternis eene witte gedaante mij
+naderen. Vóór ik het zelf wist, was Capi op mijn knieën gesprongen
+en likte mijne handen; ik drukte hem in de armen en kuste hem op
+zijn snuit.
+
+Mattia was ook weldra bij me.
+
+--Hoe is het? riep hij mij reeds van verre toe.
+
+--Barberin is dood.
+
+Hij liep nog harder, om spoedig bij mij te zijn. In weinige woorden
+had ik hem in hoofdzaak mijn wedervaren verteld en wat ik vernomen had.
+
+Ook hij was bedroefd over mijne teleurstelling en dat deed mij goed. Ik
+voelde, dat, zoo hij voor zichzelven alles van mijne familie vreesde,
+hij niettemin, om mijnentwil, oprecht verlangde, dat ik ze terug
+mocht vinden.
+
+Door zijne goede, hartelijke woorden trachtte hij mij te troosten en
+vooral de hoop in mij op te wekken, dat niet alles verloren was.
+
+--Uw ouders, zeide hij, hebben Barberin wel weten te vinden, en wanneer
+zij niets meer van hem hooren, zullen zij zeker onderzoeken wat er
+van hem geworden is. Natuurlijk zullen zij dan in het logement van
+Cantal komen. Laten we dus naar dat logement gaan; het is maar een
+uitstel van een paar dagen; meer niet.
+
+Dat had die oude vrouw met haar schuddend hoofd mij ook gezegd,
+maar in den mond van Mattia kregen die woorden voor mij eene geheel
+andere beteekenis; ontegenzeggelijk was het maar een uitstel van een
+paar dagen. Hoe dom en onnoozel van mij, dadelijk alle hoop en moed
+op te geven.
+
+Toen ik weer wat kalmer was geworden, vertelde ik aan Mattia wat ik
+omtrent Garofoli had vernomen.
+
+--Dus nog drie maanden! riep hij uit.
+
+En hij begon middenop straat te dansen en te zingen.
+
+Plotseling stond hij stil en kwam naar mij toe.
+
+--De familie van den een is toch heel anders dan de familie van den
+ander, zeide hij. Gij waart wanhopend omdat ge uw familie niet hadt
+gevonden, en ik ben dol blij dat ik de mijne verloren heb.
+
+--Een oom, dat is geen familie; tenminste een oom als Garofoli:
+als je je zuster Christina verloren hadt, zou-je dan ook dansen?
+
+--O, zeg dat niet!
+
+--Zie-je-wel!
+
+Wij volgden de kade en kwamen zoo aan de passage d'Austerlitz, en
+daar mijn oogen nu niet met tranen waren gevuld, kon ik zien hoe
+prachtig de Seine des avonds was, wanneer zij verlicht wordt door de
+vollemaan, die hier en daar een zilveren gloed werpt op de golven,
+welke een onmetelijken golvenden spiegel vormen.
+
+Het logement van Cantal mocht een fatsoenlijk huis zijn, mooi was het
+volstrekt niet, en toen wij eene kleine berookte kamer hadden betrokken
+onder de dakpannen, en zoo eng, dat de een op het bed moest gaan zitten
+als de ander overeind wilde staan, kon ik niet nalaten bij mij zelven
+te denken, dat het een geheel andere kamer was, waarin ik gehoopt had
+te slapen. En de lakens van ongebleekt katoen geleken in het geheel
+niet op het prachtige lijnwaad, waarvan vrouw Barberin mij had verteld.
+
+Het stuk brood met schapekaas besmeerd, dat wij voor ons avondeten
+kregen, had ook niets van het feestmaal, dat ik mij voorgesteld had
+aan Mattia te kunnen aanbieden.
+
+Maar alles was toch nog niet verloren; het was maar een uitstel.
+
+Met die gedachte viel ik in slaap.
+
+
+
+
+XXXIII.
+
+NASPORINGEN.
+
+
+Den anderen morgen was mijn eerste werk, aan vrouw Barberin te
+schrijven om haar mede te deelen wat ik had vernomen, en dat was een
+heel werk voor me.
+
+Hoe kon ik haar zoo maar botweg vertellen, dat haar man dood was? Zij
+hield van haar Jérôme; zij hadden jarenlang samen geleefd, en het
+zou haar leed doen als ik niet in hare droefheid deelde.
+
+Zoo goed als het ging en met herhaalde betuigingen van genegenheid,
+was ik ten slotte aan het einde van mijn papier. Natuurlijk sprak
+ik haar over mijne teleurstelling en de verijdeling van mijne
+vurigste hoop. Eigenlijk was dit wel het voornaamste waarover ik
+schreef. Ingeval mijne familie zich tot haar wendde, teneinde iets
+omtrent Barberin te vernemen, verzocht ik haar mij onmiddellijk te
+waarschuwen en vooral om mij het adres te zenden, dat men haar mocht
+aangeven; mij kon men altijd in het logement van Cantal vinden.
+
+Toen ik die taak had volbracht, rustte er nog eene andere op me
+tegenover den vader van Lize, en ook die taak was zwaar, althans
+tot op zekere hoogte. Toen ik aan Lize te Dreuze beloofd had, om de
+eerste maal, dat ik in Parijs zou uitgaan, aan haar vader een bezoek te
+brengen, had ik haar gezegd, dat, als mijne ouders rijk waren, gelijk
+ik hoopte, ik van hen de som zou vragen, die haar vader schuldig was,
+zoodat ik slechts naar de gevangenis zou gaan om hem in vrijheid te
+doen stellen. Dat was een van de nommers van mijn programma van de
+goede dingen, die ik genieten zou. Eerst vader Acquin, dan moeder
+Barberin, vervolgens Lize, na haar Martha en Alexis en eindelijk
+Benjamin. Wat Mattia betreft, men zou voor hem hetzelfde doen als
+voor mij en hij was gelukkig, als ik gelukkig was.
+
+Welk eene teleurstelling dus voor me, om met leege handen naar de
+gevangenis te gaan en vader Acquin te bezoeken, voor wien ik thans
+even weinig doen kon als bij mijn vertrek, om hem de schuld mijner
+dankbaarheid te betalen.
+
+Gelukkig kon ik hem goede tijding brengen en de groeten van Lize en
+Alexis, en zijn blijdschap over hetgeen hij omtrent zijne kinderen
+vernam, zou tenminste eenigermate vergoeden, dat ik zijne vrijheid
+niet medebracht. Ik had dus altijd het bewustzijn, iets goeds voor
+hem te kunnen doen, al was dit dan ook nog het voornaamste niet.
+
+Mattia, die erg verlangde om eens eene gevangenis te zien, ging met
+mij mede; bovendien stelde ik er prijs op, dat hij den man zou leeren
+kennen, die twee jaar lang zulk een goed vader voor mij geweest was.
+
+Ik kende thans het middel om in de gevangenis van Clichy te worden
+toegelaten en wij bleven nu niet zoolang voor de groote poort wachten,
+als toen ik de eerste maal Acquin wilde bezoeken.
+
+Men liet ons in een spreekvertrek en weldra verscheen vader
+Acquin. Reeds op den drempel opende hij zijn armen voor me.
+
+--O, wat een goede jongen ben je toch, Rémi, je bent een beste
+jongen! riep hij uit.
+
+Ik vertelde hem dadelijk alles wat ik wist van Lize en Alexis en
+toen ik hem wilde uitleggen, waarom ik niet bij Martha was geweest,
+viel hij mij in de rede met de vraag:
+
+--En je ouders?
+
+--Weet ge dan, dat die mij zoeken?
+
+Toen deelde hij mij mede, dat veertien dagen geleden Barberin bij
+hem was geweest.
+
+--Die is dood, zeide ik.
+
+--Dat is eerst een ongeluk!
+
+Toen verhaalde hij mij hoe Barberin bij hem geweest was om te vernemen
+wat er van mij was geworden. Toen hij te Parijs was geweest, had
+Barberin zich naar Garofoli begeven, maar dien had hij natuurlijk
+niet gevonden; toen was hij hem gaan opzoeken in de provincie, heel
+ver van Parijs, waar Garofoli zijn straftijd doorbracht, en deze
+had hem verteld, dat ik na den dood van Vitalis opgenomen was bij
+zekeren tuinman Acquin. Barberin was toen teruggekeerd en had zich
+aan de Glacière vervoegd en daar vernomen, dat die tuinman in Clichy
+gevangen zat. Hij was daarop naar de gevangenis gegaan en Acquin had
+hem meegedeeld, dat ik rondzwierf in Frankrijk, zoodat het met geene
+mogelijkheid was te zeggen, waar ik mij op dit oogenblik bevond;
+maar hij was zeker, dat ik den een of anderen dag bij een van zijne
+kinderen zou komen. Toen had hij zelf naar Dreuze, naar Vares, Esnandes
+en Saint-Quentin geschreven. Zoo ik den brief niet te Dreuze gevonden
+had, was het, omdat ik al vertrokken was vóór die daar was aangekomen.
+
+--En wat heeft Barberin u van mijne familie verteld? vroeg ik.
+
+--Niets, of althans heel weinig. Uwe ouders hadden bij den commissaris
+van politie in de wijk des Invalides vernomen, dat het kind,
+hetwelk in de Avenue de Breteuil was neergelegd, gevonden was door
+een metselaar uit Chavanon, zekeren Barberin, en toen zijn zij u bij
+hem komen opvragen. Toen ze u niet vonden, hadden zij hem verzocht
+hem behulpzaam te zijn bij hunne nasporingen.
+
+--Heeft hij u hun naam niet gezegd? Heeft hij niet verteld waar
+zij woonden?
+
+--Toen ik hem die vragen deed, antwoordde hij, dat hij mij dit later
+wel zeggen zou. Toen heb ik er niet op aangedrongen, daar ik begreep,
+dat hij den naam van uwe ouders geheim hield, om niet minder geld van
+hen te trekken dan hij gehoopt had te zullen krijgen. Daar ik een poos
+lang ook uw vader was geweest, verbeeldde die Barberin zich, dat ik
+mij daarvoor wilde laten betalen. Toen heb ik me niet meer met hem
+bemoeid en is hij ook niet teruggekomen; maar dat hij dood was, wist
+ik niet. Alzoo, jongenlief, hebt ge uwe ouders niet, en weet gij door
+die inhaligheid van den ouden schraper ook niet wie of waar zij zijn.
+
+Ik vertelde hem wat wij hoopten en hij versterkte die hoop door tal
+van goede redenen.
+
+--Daar uwe ouders dien Barberin wel te Chavanon hebben weten te vinden
+en die Barberin Garofoli en zelfs mij heeft weten te ontdekken, zal
+men u ook wel in het logement van Cantal weten op te sporen. Daar
+kunt gij zeker van zijn.
+
+Die woorden deden mij bepaald goed en maakten mij weder vroolijk
+en opgeruimd. Den overigen tijd brachten wij door met over Elize en
+Alexis te spreken en over mijn ongeluk in de mijn.
+
+--Wat een vreeselijk vak! zeide hij, toen ik aan het slot van mijn
+verhaal was; en is dat nu het leven van mijn armen Alex? Och, hoeveel
+gelukkiger was het, toen hij in mijn tuin bloemen kon kweeken.
+
+--Die tijd zal wel weer komen, antwoordde ik.
+
+--God geve, dat dit gebeure, beste Rémi.
+
+Het brandde mij op de lippen om hem te zeggen, dat mijne ouders hem
+wel spoedig uit de gevangenis zouden halen, maar bijtijds bedacht
+ik, dat het toch niet paste om te pochen op het genot, dat men later
+iemand doen zou, en ik bepaalde mij dus tot de verzekering, dat hij
+wel spoedig weer zijne vrijheid zou herkrijgen en al zijne kinderen
+bij zich hebben zou.
+
+--En in afwachting van dat gelukkig oogenblik, zeide Mattia, toen wij
+buiten waren gekomen, moeten wij geen tijd laten voorbijgaan om geld
+te verdienen.
+
+--Als wij minder tijd hadden besteed om geld te verdienen op den weg
+van Chavanon naar Dreuze en van Dreuze naar Parijs, zouden wij nog
+bijtijds gekomen zijn om Barberin in leven te vinden.
+
+--Dat is waar, en ik heb er me zelven ook al een verwijt van gemaakt,
+dat wij ons zoolang hebben opgehouden; waarlijk, gij kunt er niet
+knorriger om zijn dan ik.
+
+--O, ik verwijt het je niet, mijn goede Mattia, dat verzeker ik
+u. Zonder u zou ik aan Lize haar pop niet hebben kunnen geven en
+zonder u zouden wij thans in Parijs zijn zonder een stuiver op zak,
+om in ons onderhoud te voorzien.
+
+--Welnu, als ik gelijk had dat ik er op aandrong om geld te verdienen,
+laten wij dan doen, of ik ook nu gelijk heb. Bovendien schiet ons
+niet beter over dan te zingen en te spelen; later zullen wij den tijd
+wel hebben om uit te rusten, als wij in uw rijtuig kunnen zitten. Te
+Parijs ben ik thuis en ik ken de goede plekjes.
+
+Hij kende die plekjes zoo goed, de groote pleinen, de binnenplaatsen,
+de koffiehuizen enz., dat wij dien avond, toen wij naar bed gingen,
+vijftien francs hadden opgehaald.
+
+Toen ik mij te ruste legde, herhaalde ik bij mijzelven een woord,
+dat ik dikwijls gehoord had van Vitalis: hun slechts die het niet
+noodig hebben, is de fortuin gunstig. Zeker was die ruime verdienste
+een zeker bewijs, dat opeens mijne ouders vóór me zouden staan.
+
+Ik was zoo overtuigd van de waarheid van mijn voorgevoel, dat ik den
+anderen dag gaarne in het logement zou zijn gebleven; maar Mattia
+dwong me om met hem uit te gaan, en hij dwong mij ook om te spelen
+en te zingen, en dien dag ontvingen wij wederom tusschen de tien en
+twaalf francs.
+
+--Als uw ouders ons niet spoedig rijk maken, zeide Mattia lachend,
+dan zullen wij het wel zonder hen ook worden. Dat zou nog wel zoo
+aardig zijn.
+
+Drie dagen gingen er op die wijze voorbij, zonder dat er iets nieuws
+gebeurde en zonder dat de eigenares van het logement op mijne vragen,
+die altijd dezelfde waren, iets anders antwoordde dan: niemand is
+naar Barberin komen vragen en ik heb ook geen brief voor u of voor
+Barberin ontvangen. Den vierden dag echter gaf zij mij een brief.
+
+Het was een antwoord van vrouw Barberin, of liever een antwoord,
+dat zij mij had laten schrijven, want zelve kon zij evenmin schrijven
+als lezen.
+
+Zij meldde mij, dat zij de tijding had ontvangen van Barberins dood
+en dat zij kort te voren een brief van hem had gekregen, dien zij
+hier bij voegde, in de hoop, dat die mij van dienst kon zijn, daar
+hij eenige bijzonderheden omtrent mijne familie bevatte.
+
+--Gauw, gauw, riep Mattia uit, laten wij dadelijk den brief van
+Barberin lezen.
+
+Met bevende hand en kloppend hart opende ik den brief. Hij luidde:
+
+
+ "Lieve vrouw!
+
+ "Ik lig in het gasthuis, zoo ziek, dat ik niet geloof, dat ik
+ er van op zal komen. Als ik er de kracht toe had, zou ik u
+ vertellen hoe het gekomen is, dat ik zoo ziek ben geworden;
+ maar dat kan tot niets leiden; liever deel ik u mede wat
+ van meer belang is. Als ik er niet van opkom, schrijf dan
+ aan Greth en Galley, Green square, Lincoln's te Londen. Dat
+ zijn rechtsgeleerden, die belast zijn met de taak om Rémi op
+ te sporen. Schrijf hun, dat gij alleen narichten omtrent het
+ kind kunt geven en zorg, dat ge u voor die narichten goed laat
+ betalen. Dat geld moet strekken om u een rustigen ouden dag
+ te bezorgen. Gij zult vernemen wat er van Rémi geworden is,
+ als gij schrijft aan zekeren Acquin, vroeger tuinier, thans in
+ de gevangenis Clichy te Parijs. Laat al de brieven door den
+ pastoor schrijven, want in deze zaak moet gij aan niemand uw
+ vertrouwen schenken. Doe evenwel niets vóór gij zeker weet,
+ dat ik dood ben.
+
+ "Wees voor de laatste maal gegroet van
+
+ Barberin."
+
+
+Ik had het laatste woord van den brief nog niet gelezen, toen Mattia
+opsprong met den kreet:
+
+--Wij gaan naar Londen?
+
+--Ik was zoo verbaasd over hetgeen ik gelezen had, dat ik Mattia
+aanzag, zonder juist te begrijpen wat hij zeide.
+
+--Daar Barberin schrijft dat het engelsche advocaten zijn, wien de
+taak is opgedragen om u op te sporen, ging hij voort, ligt daarin
+opgesloten, dat uw ouders Engelschen zijn.
+
+--Maar.....
+
+--Gij vindt het niet prettig een Engelschman te wezen, niet waar?
+
+--Ik zou van hetzelfde land willen zijn als Lize en de kinderen.
+
+--Ik had liever gehad, dat gij een Italiaan waart.
+
+--Als ik een Engelschman ben, behoor ik tot hetzelfde land als Arthur
+en mevrouw Milligan.
+
+--Als ge een Engelschman zijt? Maar dat is zeker; als uw ouders
+Franschen waren, zouden zij toch geen engelsche advocaten belasten om
+in Frankrijk het kind op te sporen, dat zij verloren hebben. Nu gij
+een Engelschman zijt, moet gij naar Engeland gaan. Dat is het beste
+middel om bij uwe ouders te komen.
+
+--Als ik eens aan die advocaten schreef?
+
+--Waarom zoudt ge dat doen? Men kan veel verder komen met praten dan
+met schrijven. Toen wij te Parijs kwamen, hadden wij zeventien francs;
+toen hebben wij vijftien francs gemaakt, vervolgens tien en twaalf,
+daarna tien: dit maakt zoowat te zamen vijftig francs; vier francs
+hebben wij uitgegeven, dus hebben wij nog ruim veertig francs, en
+dat is meer dan wij noodig hebben om naar Londen te gaan. Men gaat
+te Boulogne in de boot naar Londen en dat kost niet veel geld.
+
+--Ben je wel eens te Londen geweest?
+
+--Dat weet ge wel beter; maar wij hadden in het paardenspel van Gassot
+twee clowns die Engelschen waren, en deze hebben mij dikwijls van
+Londen gesproken en zij hebben mij een paar engelsche woorden geleerd,
+om met elkander te kunnen praten zonder dat de vrouw van Gassot, die
+zoo nieuwsgierig was als een uil, kon verstaan wat wij zeiden. Wat
+we haar in 't engelsch gekheden in 't gezicht hebben gezegd, zonder
+dat zij er iets van begreep! Ik zal je naar Londen brengen.
+
+--Ik heb bij Vitalis ook engelsch geleerd.
+
+--Dat wil ik wel gelooven; maar in die drie jaren hebt ge 't wel
+moeten vergeten, terwijl ik het nog ken: dat zult gij zien. Bovendien,
+'t is niet alleen omdat ik je in Londen van dienst zal kunnen zijn,
+dat ik met je naar Engeland wil gaan, maar, om je de waarheid te
+zeggen, heb ik nog eene andere reden.
+
+--En die is?
+
+--Als je ouders je te Parijs kwamen halen, zouden zij mij misschien
+niet met je willen meenemen; maar ben ik eens in Engeland, dan zullen
+zij mij niet terugzenden.
+
+Zulk eene onderstelling scheen mij eene beleediging toe voor mijne
+ouders, maar zoo volstrekt onmogelijk was het echter niet en 't was dus
+eene geldige reden. Al was er maar ééne kans dat mijne reis gelukken
+kon, dan moest ik die eenige kans wagen en aan het idee van Mattia
+gevolg geven, om dadelijk met hem naar Engeland te gaan.
+
+--Laten wij dan maar gaan, zeide ik.
+
+--Wilt ge?
+
+In twee minuten waren onze reiszakken gepakt en wij gingen naar
+beneden, geheel gereed om te vertrekken.
+
+Toen zij ons met onze reiszakken zag, riep de logementhoudster vol
+verbazing uit:
+
+--Gaat de jongenheer--die jongenheer was ik--vertrekken? Wacht hij
+zijn ouders niet af? Dat zou toch wel zoo verstandig zijn; en dan
+zouden zijne ouders eens kunnen zien, hoe goed hij het hier heeft.
+
+Maar door zulke mooie woorden liet ik mij niet weerhouden. Nadat
+ik betaald had wat wij schuldig waren, wilde ik naar buiten gaan,
+waar Mattia en Capi mij reeds wachtten.
+
+--En uw adres? vroeg de oude vrouw.
+
+Zij had gelijk; het was verstandig haar mijn adres achter te laten. Ik
+schreef dit dus in haar boek.
+
+--Naar Londen! riep zij uit. Zoo'n paar knapen naar Londen! Zoo'n
+heele reis, en dan over zee!
+
+Vóór wij ons naar Boulogne begaven, moest ik nog afscheid nemen van
+vader Acquin. Dat afscheid was niet treurig. Ook hij was zeer blij dat
+ik mijn ouders zou terugvinden en het was mij een genot hem nogmaals
+te verzekeren, dat ik spoedig zou terugkomen met mijne ouders, om
+hem onzen dank te betuigen.
+
+--Tot weerzien dan, beste jongen, en veel geluk. Zoo ge niet zoo
+spoedig mocht terugkomen als ge u wel voorstelt, schrijf mij dan.
+
+--Ik kom terug.
+
+Dien dag reisden wij, zonder ons ergens op te houden, voort tot
+Moiselles, waar wij den nacht doorbrachten op eene hoeve, want wij
+moesten zuinig op ons geld zijn, teneinde onzen overtocht te kunnen
+betalen. Mattia had wel gezegd, dat hij niet duur was, maar wat noemde
+hij duur?
+
+Onder het wandelen leerde Mattia mij eenige engelsche woorden, want
+ik was geheel vervuld met eene zelfde gedachte, die mij al mijn genot
+benam; zouden mijne ouders fransch of italiaansch spreken? Hoe zouden
+wij met elkander kunnen praten, als zij niets anders dan engelsch
+verstonden? Wat zou dit lastig zijn. Hoe zou ik met mijn broers en
+zusters omgaan, als ik die had? Zou ik geen vreemdeling voor hen
+blijven, zoolang ik mij niet met hen onderhouden kon? Hoe dikwijls
+ik mij voorgesteld had bij mij thuis te komen, en zeer dikwijls had
+ik mij dit, na mijn vertrek uit Chavanon, voorgesteld--nooit had ik
+kunnen denken dat ik op zulk een bezwaar zou kunnen stuiten. Hoelang
+toch zou het kunnen duren, eer ik het engelsch meester was, dat mij
+eene zeer moeilijke taal toescheen.
+
+Acht dagen hadden wij noodig om van Parijs naar Boulogne te komen,
+want in de groote steden, die wij doortrokken, Beauvais, Abbeville en
+Montreuil-sur-Mer, hielden wij ons eenigen tijd op om voorstellingen
+te geven, teneinde ons kapitaal aan te vullen.
+
+Toen wij te Boulogne aankwamen, hadden wij nog drie en dertig francs
+in onze beurs, dus veel meer dan wij noodig hadden om onzen overtocht
+te betalen.
+
+Mattia had nooit de zee gezien en onze eerste wandeling was dus naar
+de kade. Een tijdlang stond hij met wijd opengesperde oogen en staarde
+naar den horizon, die in nevelen was gehuld; toen klokte hij met zijn
+tong en zeide, dat het leelijk, somber en vuil was.
+
+Dit gaf aanleiding tot een klein geschil tusschen ons, want wij
+hadden dikwijls over de zee gesproken en ik had hem altijd gezegd,
+dat dit het mooiste was dat men ooit kon zien. Ik hield dus ook nu
+mijn meening vol.
+
+--Misschien hebt ge gelijk, als de zee zoo blauw is, zooals te Cette,
+gelijk ge me verhaald hebt, zeide Mattia; maar als zij er uitziet
+als deze zee, zoo geel en groen, met die grijze lucht en die donkere
+wolken erboven, dan is zij leelijk, heel leelijk, en ik heb volstrekt
+geen lust in een zeereis.
+
+In den regel waren Mattia en ik het volkomen eens; hij vereenigde zich
+met mijne meening of ik gaf de zijne toe; maar in dit geval hield
+ik vol, dat ik gelijk had en ik beweerde zelfs, dat die groene zee
+met hare geheimzinnige diepte en die donkere wolken, welke de wind
+door elkander joeg, net zoo mooi was als eene blauwe zee onder een
+blauwen hemel.
+
+--Dat zegt ge maar, omdat ge een Engelschman zijt, antwoordde Mattia,
+en ge houdt van die leelijke zee, omdat zij aan uw land behoort.
+
+De boot naar Londen vertrok den anderen morgen vroeg, te vier uren;
+tegen halfvier waren wij aan boord en wij zochten eene plaats achter
+eenige kisten, waar wij tegen den wind beschermd waren, die uit het
+noorden woei en koud en vochtig was.
+
+Bij het schijnsel van eenige doffe lantaarnen zagen wij hoe het schip
+geladen werd; de katrollen piepten, de kisten, die men in het ruim
+neerliet, kraakten, en de matrozen, die van tijd tot tijd eenige
+woorden met elkander wisselden, hadden ruwe stemmen; maar boven al
+het gedruisch hoorden wij het geluid van den stoom, die in kleine
+witte vlokken door den schoorsteen opsteeg. De bel luidde; de touwen
+werden losgemaakt; wij waren op reis, op reis naar mijn land.
+
+Dikwijls had ik aan Mattia verteld, dat er niets zoo prettig was als
+een tocht op eene boot; men gleed zachtkens over het water zonder te
+bemerken, dat men voortging; het was prachtig--het was als een droom.
+
+Als ik dit vertelde, dacht ik aan _De Zwaan_, en aan onze reis op het
+kanaal in het Zuiden, maar de zee had niets van een kanaal. Nauwlijks
+waren wij van wal gestoken, of de boot scheen in de zee te willen
+verzinken, dan rees zij weder op om nog dieper in het water door te
+dringen, en dit vijf- of zesmaal achtereen met geduchte schokken,
+alsof wij op een reusachtigen schommel zaten. Bij die schokken
+kwamen de rookwolken met een snerpend geluid uit den schoorsteen,
+en dan ontstond er een oogenblik van stilte en men hoorde slechts
+het klotsen van het water tegen de raderen, nu eens aan de eene dan
+aan de andere zijde, naarmate het schip rechts of links overhelde.
+
+--Nu, zeide Mattia, dat glijden over het water laat wel wat te
+wenschen over.
+
+Ik kon hem niet veel daarop antwoorden, want ik wist niet wat een
+branding was.
+
+Maar niet slechts de branding deed het schip stooten en slingeren,
+ook de volle zee, die zeer onstuimig was, wierp onophoudelijk het
+schip van de eene zijde naar de andere.
+
+Mattia, die een geruimen tijd niets had gezegd stond plotseling op.
+
+--Wat deert je? vroeg ik.
+
+--Alles danst in me, en ik voel mij heel onpleizierig.
+
+--Dat zal de zeeziekte zijn.
+
+--Nu, dat voel ik ook wel.
+
+Een oogenblik later leunde Mattia over de verschansing.
+
+Wat was de arme jongen ziek! Of ik hem al in mijne armen nam en zijn
+hoofd op mijn schouders liet rusten, hij werd niet beter; hij zuchtte
+en nu en dan snelde hij weer naar de verschansing, en eerst na eenige
+minuten kwam hij weer bij mij, om opnieuw tegen mij aan te leunen.
+
+Zoo dikwijls hij bij mij kwam, balde hij zijn vuist tegen me en half
+lachend, half boos, zeide hij:
+
+--O, die Engelschen! ze hebben geen hart en geen ingewanden.
+
+--Gelukkig!
+
+Toen de dag doorbrak, een sombere dag zonder zon, waren wij in het
+gezicht van de hooge krijtrotsen en hier en daar zag men onbeweeglijke
+schepen zonder zeilen. Langzamerhand werd het schommelen minder en ons
+schip gleed over het rustige water even zacht als in het kanaal. Wij
+waren niet meer in zee en aan beide zijden, geheel in de verte, zag
+men de begroeide kusten, of liever gezegd begreep men, dat zij daar
+wezen moesten, want de ochtendnevel belette ze te zien. Wij waren op
+de Theems.
+
+--Wij zijn in Engeland, zeide ik tot Mattia.
+
+Maar die goede tijding maakte geen aangenamen indruk op hem. Hij
+strekte zich in zijne volle lengte op het dek uit en zeide:--Laat
+mij slapen.
+
+Daar ik op reis geen last van zeeziekte gehad had, gevoelde ik geen
+behoefte aan slaap. Ik legde Mattia zoo gemakkelijk mogelijk, en op
+een paar kisten klimmende, plaatste ik mij zoo hoog als ik kon met
+Capi naast mij.
+
+Ik overzag nu de geheele rivier en volgde aan beide zijden en voor
+en achter mij haar geheelen loop. Rechts strekte zich een groote
+zandbank uit, waaraan het schuim een breede franje van kantwerk scheen
+te vlechten; links scheen het, dat men weder in volle zee kwam.
+
+Maar dit was slechts in schijn; de blauwe oevers naderden elkander
+weldra weder en bleken toen geel en moerassig te zijn.
+
+In het midden van den stroom lag eene geheele vloot van schepen voor
+anker, in wier midden zich stoomschepen bewogen, die eene lange zwarte
+rookwolk achter zich lieten.
+
+Welk een menigte schepen; welk een tal van zeilen! Ik had mij nooit
+kunnen voorstellen, dat eene rivier zoo bevolkt kon wezen, en zoo de
+Garonne mij verbaasd had, de Theems maakte een overweldigenden indruk
+op me. Verscheidene schepen maakten zich gereed om te vertrekken en
+in het tuig zag men de matrozen op en afklimmen langs de touwladders,
+die op een afstand zoo dun waren als draden van een spinneweb.
+
+Ons schip liet een schuimende voor achter zich in het gele water,
+waarop allerlei stukken van vaartuigen dreven; planken, blokken hout,
+dik gezwollen lijken van dieren, kurken en planten; van tijd tot tijd
+schoot een vogel met breede vleugelen op die krengen neder en vloog
+dan met een schellen kreet weer op, zijn prooi in den bek houdend.
+
+Waarom wilde Mattia liever slapen? Hij zou beter doen met wakker te
+worden en ook te komen kijken; want het was een schouwspel, dat wel
+verdiende gezien te worden.
+
+Naarmate onze boot verder de rivier opstoomde, werd dit schouwspel
+merkwaardiger en mooier. Het waren geen zeilschepen en stoombooten
+meer, die men met de oogen kon volgen: de groote driemasters, de
+reusachtige stoomschepen, die van ver verwijderde landen kwamen,
+pikzwarte kolenschepen, vaartuigen hoog beladen met hooi of stroo en
+die hooischelven schenen, welke door den stroom waren medegesleept,
+groote roode, witte of zwarte tonnen, die de stroom deed ronddraaien;
+maar ook op de beide oevers kon men duidelijk allerlei dingen zien,
+ook huizen met levendige kleuren beschilderd, groene weilanden,
+boomen, die nog nooit waren gesnoeid en hier en daar landingsplaatsen,
+die in het donkere water uitstaken, seinpalen voor den waterstand en
+groenachtige, slibberige balken.
+
+Langen tijd bleef ik dit tafereel gadeslaan met wijd geopende oogen
+en dacht aan niets dan om rond te zien en te bewonderen.
+
+Maar daar begonnen de huizen op beide oevers van de Theems zich al
+meer en meer samen te pakken in lange roode rijen en de lucht werd
+al somberder en somberder. Rook en mist vermengden zich, zonder dat
+men zeggen kon wie de bovenhand had in dikte, de mist of de rook;
+inplaats van boomen of vee in de weide, zag ik opeens een bosch van
+masten vóór mij verrijzen; de schepen vulden het weiland.
+
+Ik kon het niet langer meer uithouden; ik klauterde naar beneden om
+Mattia te halen; hij werd wakker en daar zijne zeeziekte voorbij was,
+was ook zijn knorrig humeur geweken, zoodat hij er niets tegen had
+om met mij op mijne kisten te klimmen. Ook hij was verbijsterd door
+het schouwspel en wreef zijne oogen uit; hier en daar doorsneden de
+kanalen de weilanden en stortten zich dan in de rivier uit, hunne
+vracht van schepen met zich voerende.
+
+Ongelukkig werden de rook en de mist nog dikker; men zag slechts nu
+en dan iets om zich heen en hoe verder men kwam, zooveel te donkerder
+werd het.
+
+Eindelijk verminderde onze boot hare vaart; de machine stond stil;
+de touwen werden naar den oever geworpen; wij waren te Londen en
+stapten aan wal temidden van menschen, die ons aanstaarden, maar
+zonder een woord tot ons te spreken.
+
+--Nu is het oogenblik gekomen, dat ge van uw engelsch partij kunt
+trekken, Mattia, zeide ik.
+
+En Mattia, die het volste vertrouwen had in zijne kennis van de taal,
+gaat recht op een grooten man met een rooden baard af en vraagt hem
+heel beleefd, met den hoed in de hand, den weg naar Green-Square.
+
+Het kwam me voor, dat het zeer lang duurde eer Mattia den man aan
+het verstand had gebracht wat hij bedoelde: bij herhaling moest hij
+hetzelfde vragen, maar ik hield me of ik volstrekt niet twijfelde
+aan de kennis van mijn vriend.
+
+Eindelijk kwam hij terug.
+
+--'t Is heel gemakkelijk te vinden, zeide hij; wij behoeven maar den
+loop van de Theems te volgen en de kaden te houden.
+
+Maar er zijn geen kaden te Londen, of liever zij waren er niet in
+dien tijd; de huizen, staken vooruit tot in de rivier. Wij waren dus
+genoodzaakt de straten te volgen, die, naar wij meenden, evenwijdig
+met de rivier liepen.
+
+Het waren donkere straten, slijkerig, onophoudelijk versperd door
+wagens en kisten en balen en pakken van allerlei aard, en slechts met
+moeite baanden wij ons een weg door de hinderpalen, die telkens zich
+vernieuwden. Ik had Capi aan een touw gebonden en hij volgde mij op
+de hielen; het was pas één uur in den namiddag en toch was in alle
+winkels het gaslicht aangestoken; het regende roet.
+
+Onder deze omstandigheden gezien, maakte Londen op ons niet denzelfden
+indruk als de Theems.
+
+Wij gingen maar altijd verder en van tijd tot tijd vroeg Mattia of wij
+nog ver van Lincoln's Inn waren. Hij vertelde mij toen, dat wij onder
+een groote poort moesten doorgaan, welke den weg, dien we volgden,
+versperde. Dit scheen mij zeer vreemd toe, maar ik durfde niet zeggen
+dat ik vreesde, dat hij zich vergiste.
+
+Hij vergiste zich dan ook niet en wij kwamen aan een geverfde poort,
+die zich met twee zijpoortjes over een straat uitstrekte: dat was
+Temple Bar. Opnieuw vroegen wij den weg en men zeide ons, dat wij
+rechts moesten afslaan.
+
+Toen bevonden wij ons niet langer in die breede straten vol beweging
+en gedruisch: integendeel, volgden wij smalle, stille straten, die
+zich in elkander kronkelden en het scheen ons toe, dat wij zelven in
+een kring rondliepen en in dezen doolhof niet verder kwamen.
+
+Opeens, toen wij ons al verdoold achtten, stonden wij voor een klein
+kerkhof vol grafteekens, waarvan de steenen zoo zwart zagen of men
+ze met roet of schoensmeer had gepoetst: dit was Green Square--het
+groene plein!
+
+Terwijl Mattia den weg vroeg aan eene schim, die wij ontmoetten,
+stond ik stil om het kloppen van mijn hart te bedwingen; ik haalde
+bijna geen adem meer, zoo beefde ik.
+
+Daarop volgde ik Mattia weder en wij stonden stil voor eene koperen
+plaat, waarop men las "Greth and Galley."
+
+Mattia deed een paar schreden voorwaarts om aan de schel te trekken,
+maar ik hield zijn arm terug.
+
+--Wat hebt ge? vroeg hij. Gij ziet zoo bleek.
+
+--Wacht een oogenblik, tot ik al mijn moed bijeengezameld heb.
+
+Hij schelde en wij traden binnen.
+
+Ik was zoozeer onder den indruk, dat ik niets onderscheiden kon van
+hetgeen ik om me zag; het scheen me toe, dat wij in een kantoor waren
+en dat twee of drie personen, over schrijftafels gebogen, schreven
+bij het schijnsel van verscheidene gaspitten, die een krassend
+geluid maakten.
+
+Tot een van die heeren richtte Mattia zich, want natuurlijk had ik
+het aan hem overgelaten het woord te voeren. In hetgeen hij zeide
+kwamen herhaaldelijk de woorden "boy", "family" en "Barberin" voor; ik
+begreep dat hij vertelde dat ik de knaap was, dien men door Barberin
+had doen zoeken. De naam van Barberin maakte indruk: men zag ons aan
+en de persoon, tot wien Mattia zich had gericht, stond op en opende
+ons eene deur.
+
+Wij kwamen in eene kamer vol boeken en papieren; een heer, voor eene
+schrijftafel gezeten, en een ander in een zwarten toga en met een
+pruik op, die verscheidene blauwe zakken in zijn hand had, was met
+hem in gesprek.
+
+Met een paar woorden vertelde hij, die ons was voorgegaan, wie wij
+waren en de beide heeren beschouwden ons toen van het hoofd tot
+de voeten.
+
+--Wie van u beiden is het kind dat door Barberin is opgevoed? vroeg
+in het fransch de heer, die voor de schrijftafel gezeten was.
+
+Toen ik fransch hoorde spreken, voelde ik mij weer geruster en ik
+deed een stap voorwaarts.
+
+--Dat ben ik, mijnheer.
+
+--Waar is Barberin?
+
+--Die is dood, mijnheer.
+
+De beide heeren zagen elkander een oogenblik aan; toen ging hij,
+die de pruik op had, heen, de zakken met zich nemende.
+
+--Hoe ben je dan hier gekomen? vervolgde de heer, die begonnen was
+met ons te ondervragen.
+
+--Te voet tot Boulogne en van Boulogne naar Londen met eene stoomboot;
+wij zijn pas aangekomen.
+
+--Heeft Barberin u geld gegeven?
+
+--Wij hebben Barberin niet gezien.
+
+--Maar hoe wist gij dan, dat gij hier moest wezen?
+
+Ik vertelde hem zoo kort mogelijk wat hij verlangde te weten.
+
+Ik verlangde op mijne beurt eenige vragen te doen, die mij op de
+lippen brandden, maar ik kreeg er den tijd niet toe.
+
+Ik moest vertellen hoe ik grootgebracht was door Barberin, hoe ik door
+dezen aan Vitalis was verkocht, hoe ik, na den dood van mijn meester,
+door de familie Acquin was opgevoed, hoe de vader in de gevangenis was
+gebracht wegens schuld en hoe ik daarop mijn bedrijf als rondreizend
+muzikant weder had voortgezet.
+
+Terwijl ik vertelde, maakte de heer eenige aanteekeningen en zag hij
+mij aan op eene wijze, die mij hinderde; hij had dan ook een stug
+voorkomen en iets schurkachtigs in zijn glimlach.
+
+--En wie is die jongen? vroeg hij, naar Mattia wijzend met de punt
+van zijn stalen pen, alsof hij hem die als een spies naar het hoofd
+wilde werpen.
+
+--Een vriend, een makker, een broeder.
+
+--Heel goed; dus maar een kennis, onderweg opgedaan, niet waar.
+
+--Neen, de beste, de innigste broederlijke vriend.
+
+--O, daar twijfel ik niet aan.
+
+Het oogenblik scheen mij nu gekomen om eindelijk ook de vraag te doen,
+die mij van het begin van ons gesprek af op de lippen had gelegen.
+
+--Woont mijn familie in Engeland, mijnheer?
+
+--Zeker; ze woont in Londen, tenminste voor het oogenblik.
+
+--Dus zal ik haar zien?
+
+--Over eenige oogenblikken zult gij bij haar zijn. Ik zal er u heen
+laten brengen.
+
+Hij schelde.
+
+--Nog een enkel woord, als ik mag: heb ik een vader?
+
+Slechts met moeite kon ik dit woord uitspreken.
+
+--Niet alleen een vader, maar een moeder, broers en zusters.
+
+--O, mijnheer....
+
+--Maar de deur ging open en dit maakte dat ik mijn gevoel moest
+bedwingen; ik kon slechts met betraande oogen Mattia aanzien.
+
+De heer zeide in het engelsch iets tot den binnenkomende en ik meende
+eruit te begrijpen, dat hij dezen last gaf om ons te begeleiden.
+
+Ik was opgestaan.
+
+--O, ik vergat het u nog te zeggen, sprak de heer; uw naam is Driscoll;
+zoo heet uw vader.
+
+Ondanks zijn stug voorkomen had ik hem wel om den hals kunnen vallen,
+als hij er mij de gelegenheid toe gelaten had, maar hij wees met de
+hand naar de deur en wij gingen heen.
+
+
+
+
+XXXIV.
+
+DE FAMILIE DRISCOLL.
+
+
+De klerk, die mij bij mijne ouders zou brengen, was een mager mannetje
+met een perkamentachtig gerimpeld gezicht, in een zwarten herstelden
+rok gekleed, die blonk van ouderdom, en met een witte das. Toen wij
+buiten waren gekomen, wreef hij zich zoo hartstochtelijk in de handen,
+dat zijne vingers en polsen kraakten. Toen zette hij zijne beenen
+uit of hij zijne gelapte laarzen van zich wilde werpen en den neus in
+de lucht stekend, ademde hij met kracht en herhaaldelijk de mistige
+lucht in met het zalig gevoel van iemand, die opgesloten is geweest.
+
+--Hij vindt dat die lucht lekker ruikt, zeide Mattia in het
+italiaansch.
+
+Het mannetje zag ons aan en zonder een woord te spreken, riep hij:
+Pst! pst! alsof wij een paar honden waren, en dit beteekende, dat
+wij hem op de hielen moesten volgen en hem niet uit het oog moesten
+verliezen.
+
+Weldra waren wij in eene groote straat gekomen, waar het wemelde
+van wagens en rijtuigen; hij hield er een aan, waarvan de koetsier,
+inplaats van op den bok vlak achter zijn paard, hoog boven en achter
+de kap zat. Later vernam ik, dat zulke rijtuigen cabs heeten.
+
+Hij deed ons plaats nemen in het rijtuig, dat van voren open
+was en door een opening in de kap begon hij een gesprek met den
+koetsier. Verscheidene malen sprak hij het woord _Bethnal-Green_
+uit en ik dacht, dat dit de naam was van de wijk waar mijne ouders
+woonden. Ik wist dat _green_ in het engelsch groen beteekende en
+dit deed me vermoeden, dat die wijk met fraaie boomen was beplant,
+wat mij recht aangenaam was. Dat zou dus heel iets anders zijn dan
+die leelijke sombere straten van Londen, die wij bij onze aankomst
+doorkruist hadden. Het was zeker een mooi huis op een ruim plein,
+omringd van boomen.
+
+Het gesprek tusschen onzen geleider en den koetsier duurde zeer
+lang; nu eens richtte de een zich op om door de opening eenige
+inlichtingen aan den koetsier te geven; dan weder was het deze die
+van zijn bok scheen te willen klimmen om door de opening te zeggen,
+dat hij volstrekt niets begreep van hetgeen men hem uitduidde.
+
+Mattia en ik hadden ons in een hoek teruggedrongen met Capi tusschen
+ons en luisterden naar het gesprek. Het verwonderde me inwendig, dat
+die koetsier eene plaats, zoo mooi als Bethnal-Green, niet kende;
+er moesten dus vele van die groene pleinen in Londen zijn. Dat was
+vreemd, want te oordeelen naar hetgeen wij gezien hadden, zou ik eer
+gedacht hebben, dat alles met roet was bedekt.
+
+Wij reden vrij snel door breede straten, dan door enge straten,
+dan weder door breede straten, maar zonder iets om ons heen te
+onderscheiden, zoo dicht was de nevel, die alles omhulde. Het begon
+koud te worden en toch voelden wij eene belemmering in de ademhaling,
+alsof wij stikken zouden. Als ik zeg "wij", bedoel ik Mattia en mij,
+want onze geleider scheen het weer prettig te vinden; telkens haalde
+hij diep adem met wijd geopenden mond, als wilde hij een grooten
+voorraad lucht in zijn longen opdoen en nu en dan deed hij weder zijn
+vingers kraken en rekte hij zijne beenen uit. Zou hij jarenlang in
+een toestand hebben doorgebracht, dat hij zich niet bewegen kon en
+haast geen adem kon halen?
+
+Ondanks de ontroering, die zich van mij had meester gemaakt bij
+de gedachte, dat ik zoo straks, over een paar minuten misschien,
+mijne ouders zou omhelzen, mijn vader, mijne moeder, mijne broers en
+mijne zusters, had ik grooten lust om de stad eens te zien die wij
+doorreden. Dat was toch _mijn_ stad; _mijn_ vaderland.
+
+Maar hoe ik de oogen ook opende, ik zag niets of bijna niets dan
+de roode gasvlammen, die in den mist brandden als in eene dichte
+rookwolk. Ternauwernood onderscheidde men de lichten der rijtuigen,
+die ons voorbij reden en van tijd tot tijd moest het onze plotseling
+stilstaan, om niet met andere wielen in aanraking te komen of de
+menschen niet te overrijden die zich op straat verdrongen.
+
+Wij reden nog maar altijd voort; het was al lang geleden sinds wij
+Greth and Galley hadden verlaten en dit versterkte mij in de meening,
+dat mijne ouders buiten woonden; ongetwijfeld zouden wij weldra van
+de enge straten in de vrije natuur komen.
+
+Daar Mattia en ik elkander bij de hand hielden, deed mij de gedachte
+dat ik mijne ouders zou vinden, zijne hand drukken; het scheen mij
+toe dat ik hem moest doen gevoelen, dat ik nog altijd zijn vriend was,
+op dit oogenblik zelfs meer dan ooit.
+
+Maar inplaats van in de vrije natuur te komen, reden wij nog engere
+straten in en hoorden wij het fluiten der locomotieven.
+
+Toen verzocht ik Mattia, aan onzen geleider te vragen of wij niet
+spoedig bij mijn ouders zouden zijn; het antwoord van Mattia was
+wanhopend. Hij beweerde, dat de klerk van Greth and Galley gezegd
+had, dat hij nooit in dit dieven-kwartier was geweest. Ongetwijfeld
+moest Mattia zich bedriegen en begreep hij niet wat deze hem had
+geantwoord. Maar hij hield vol, dat _thieves_, het engelsche woord,
+dat de klerk gebruikt had, geen andere beteekenis had en dat hij daar
+volkomen zeker van was.
+
+Een oogenblik bracht mij dit geheel van mijn stuk, maar ik dacht bij
+mij zelven, dat, zoo de klerk bang was voor dieven, dit een bewijs was,
+dat wij buiten de stad zouden komen en dat het woord _Green_ achter
+Bethnal evengoed van boomen als van het land kon worden gebezigd. Ik
+deelde die opvatting aan Mattia mede, en wij moesten lachen om de vrees
+van den klerk: wat waren die menschen die nooit buiten de stad komen,
+toch dom!
+
+Maar niets kondigde de nadering van het veld aan: was dan gansch
+Engeland slechts één stad van steenen en slijk, Londen genaamd? Dat
+slijk drong zelfs in ons rijtuig door, en viel in zwarte spatten op
+ons neder. Een walgelijke geur omringde ons al geruimen tijd. Alles
+duidde aan, dat wij in een zeer armoedige buurt waren; de laatste zeker
+vóór wij te Bethnal-Green kwamen. Het scheen me toe, dat wij altijd
+in denzelfden kring rondreden en van tijd tot tijd liet de koetsier
+zijn paard stappen, als wist hij niet meer waar hij was. Eensklaps
+hield hij geheel stil en het raampje in de cab ging weder open.
+
+Toen volgde er nogmaals een gesprek of liever een twist tusschen
+koetsier en klerk. Mattia zeide, dat de koetsier weigerde verder te
+gaan, omdat hij den weg niet kende; hij vroeg inlichtingen aan den
+klerk van Greth and Galley en deze antwoordde weder, dat hij nooit
+in deze dievenwijk was geweest. Ook ik verstond nu duidelijk het
+woord _thieves_.
+
+Wij waren blijkbaar hier niet in Bethnal-Green.
+
+Wat zou er gebeuren?
+
+De twist werd door het openingetje voortgezet en de koetsier en de
+klerk werden al driftiger en driftiger.
+
+Eindelijk gaf de klerk geld aan den koetsier, die het brommend
+aannam. Hij steeg uit de cab en riep ons weder met zijn "pst! pst!" Dit
+beduidde, dat ook wij eruit moesten komen.
+
+Daar stonden wij in eene slijkerige straat, temidden van den dichten
+mist; een der winkels was schitterend verlicht en de gasvlammen
+werden weerkaatst door spiegels en verguldsel en als kristal
+geslepen flesschen. Het licht drong door den mist heen tot aan
+de straatgoot. Het was een tapperij, of, zooals de Engelschen het
+noemen, een _gin-palace_, een paleis waar men jenever verkoopt en
+allerlei soort van sterkendrank, gestookt uit den alcohol van koren
+of beetwortels.
+
+--Pst! Pst! riep onze geleider opnieuw.
+
+Met hem traden wij het _gin-palace_ binnen. Wij bedrogen ons bepaald
+als wij meenden in eene armenwijk te zijn. Nooit had ik zoo iets
+prachtigs gezien; overal spiegels en verguldsel; de toonbank scheen
+wel van zilver. Evenwel, de menschen die voor deze toonbank stonden,
+of tegen de muren of vaten geleund, waren in lompen gekleed; sommigen
+hadden niet eens schoenen aan hunne voeten, waarmede zij door het
+slijk der straten en goten gebaggerd hadden, en zagen zoo zwart of
+zij met schoensmeer waren bestreken, dat nog den tijd niet gehad had
+om te drogen.
+
+Op deze zilveren toonbank liet de klerk zich een glas vullen met een
+wit vocht, dat lekker rook, en na dit in één teug te hebben geledigd
+met dezelfde begeerigheid als hij vroeger de lucht had ingeademd, begon
+hij een praatje met den man met bloote armen, die hem bediend had.
+
+Het was niet moeilijk te begrijpen, dat hij den weg vroeg en Mattia
+behoefde mij dit niet eens te zeggen.
+
+Wederom volgden wij onzen geleider op de hielen; hier was de straat
+zoo smal, dat wij ondanks den mist de huizen aan beide zijden konden
+zien; boven ons waren touwen gespannen van het eene huis naar het
+andere en daarop hingen linnengoed en oude kleeren. Zeker hing het
+daar niet om te drogen.
+
+Waar gaan wij heen? Ik begon mij ongerust te maken en van tijd tot
+tijd zag Mattia mij aan. Maar hij deed mij geen enkele vraag.
+
+Uit de straat sloegen wij een steegje in, dat ons op een klein plein
+bracht en daarop weder een steegje. De huizen zagen er nog ellendiger
+uit dan in het kleinste dorpje in Frankrijk. Verscheidene bestonden
+slechts uit planken als schaapskooien of stallen; toch waren het
+huizen; vrouwen blootshoofds en kinderen in lompen zaten op den
+drempel.
+
+Als eene flauwe schemering ons in staat stelde iets beter te zien,
+bespeurde ik dat die vrouwen zeer bleek zagen, haar lichtblonde haren
+hingen over de schouders; de kinderen waren bijna naakt en de weinige
+kleeren, die ze aan 't lijf hadden, waren lompen. In een der steegjes
+zagen wij varkens in het stilstaande water der goot wroeten, waaruit
+een walgelijke geur oprees.
+
+Onze geleider stond weldra stil; blijkbaar wist ook hij nu den weg
+niet meer; maar op dat oogenblik naderde ons een man, met een lange
+blauwe jas aan en een glimmend lederen hoed op en die een half zwart-
+half witten band om den arm droeg. Een koker hing aan zijn gordel. Het
+was een _policeman_.
+
+Onze geleider sprak hem aan en weldra begaven wij ons op weg,
+voorgegaan door den policeman; wij gingen steegjes en poorten en
+kronkelende straten door, en het scheen me toe, dat verscheidene
+huizen op het punt waren van in te storten.
+
+Eindelijk stonden wij stil op een plein, waarvan het middenvak uit
+een moeras bestond.
+
+--_Red Lion court_, zeide de agent van politie.
+
+Die woorden, welke ik reeds meermalen gehoord had, beteekenden:
+de Plaats van den Roode Leeuw, zooals Mattia voor mij vertaalde.
+
+Waarom stonden wij stil? Onmogelijk konden wij reeds te Bethnal-Green
+zijn; woonden in dit huis mijn ouders? Maar dan!....
+
+Ik had den tijd niet om over die vragen, die in mijn onrustig hart
+oprezen, na te denken. De agent van politie klopte op de deur van eene
+soort van houten loods, en onze geleider bedankte hem: wij waren dus
+waar wij wezen moesten.
+
+Mattia, die mijn hand niet losgelaten had, drukte die en ik drukte
+wederkeerig de zijne.
+
+Wij begrepen elkander; de angst, die zich van mijn hart had meester
+gemaakt, deed ook het zijne kloppen.
+
+Ik was zoo ontroerd, dat ik niet weet hoe de deur, waarop de agent
+van politie geklopt had, geopend werd; maar van het oogenblik af,
+dat wij binnengetreden waren in het groote vertrek, dat verlicht werd
+door eene lamp en een groot kolenvuur op een fornuis, heb ik mijne
+herinnering behouden.
+
+Vóór dat vuur, in een matten stoel, die den vorm had van een nis,
+waarin ik wel eens heiligbeelden had gezien, zat onbeweeglijk een
+grijsaard met een witten baard en een zwarte muts op het hoofd;
+tegenover hem, maar aan de andere zijde van de tafel, waren een
+man en een vrouw gezeten; de man moest zoowat veertig jaar zijn;
+hij droeg een grijs fluweelen jas en hij had een schrander, maar
+stug voorkomen. Zijne vrouw was vijf of zes jaar jonger; zij had
+lange, blonde haren, die neerhingen op een wit en zwart geruiten
+doek, die zij omgeknoopt had. Hare oogen hadden geen uitdrukking
+en onverschilligheid of lusteloosheid lag zoowel op haar gelaat,
+dat vroeger schoon moest zijn geweest, als in hare houding. Er waren
+vier kinderen in het vertrek, twee jongens en twee meisjes, allen
+blond, van hetzelfde vlasblond als hunne moeder. De oudste knaap kon
+ongeveer elf of twaalf jaar zijn; het jongste der twee meisjes was
+op zijn best drie jaar; het kroop meer dan het liep.
+
+Ik had dit alles met een enkelen oogopslag overzien vóór dat onze
+geleider, de klerk van Greth and Galley, nog had uitgesproken.
+
+Wat vertelde hij? Ik hoorde het ternauwernood en ik begreep het
+volstrekt niet; alleen de naam van Driscoll, mijn naam, trof mijn oor.
+
+Aller oogen waren gericht op Mattia en mij, zelfs die van den
+onbeweeglijken grijsaard. Het kleinste meisje was de eenige, die hare
+aandacht schonk aan Capi.
+
+--Wie van u beiden is Rémi? vroeg in het fransch de man in de grijs
+fluweelen jas.
+
+Ik deed een stap vooruit.
+
+--Ik, zeide ik.
+
+--Omhels dan uw vader, mijn jongen.
+
+Zoo dikwijls ik aan dat oogenblik had gedacht, had ik mij voorgesteld,
+dat eene hevige ontroering mij zou aangrijpen, en dat ik mijn vader
+om den hals zou zijn gevlogen; maar niets van die aandoening voelde
+ik in mij. Toch ging ik naar hem toe en omhelsde hem.
+
+--En nu, ging hij voort, dat is uw grootvader, uwe moeder, uwe broers
+en uwe zusters.
+
+Eerst ging ik naar mijne moeder en omhelsde haar met beide armen;
+zij liet dit toe, maar kuste mij niet; zij zeide slechts een paar
+woorden tot me, die ik niet begreep.
+
+--Geef een hand aan uw grootvader, zeide mijn vader, maar voorzichtig:
+hij is lam.
+
+Ik gaf ook een hand aan mijn twee broers en mijn oudste zusje; ik
+wilde de jongste in mijn armen nemen, maar zij was juist bezig om
+Capi te streelen en wilde niets van mij weten.
+
+Terwijl ik van den een naar den ander ging, was ik inwendig
+verontwaardigd over mij zelven. Hoe was het mogelijk, dat ik volstrekt
+niets gevoelde, nu ik eindelijk mijn familie gevonden had! Ik had
+een vader, eene moeder, broers en zusters en zelfs een grootvader; ik
+was in hun midden en ik bleef koud en ongevoelig. Met een koortsachtig
+verlangen had ik dit oogenblik tegemoet gezien; ik was half krankzinnig
+van blijdschap geweest bij de gedachte, dat ook ik een tehuis zou
+hebben, ouders, die ik kon liefhebben en die mij zouden liefhebben,
+en daar stond ik nu verlegen en keek hen allen nieuwsgierig aan,
+maar in mijn hart voelde ik niets; er rees geen woord op, dat ik hun
+kon toevoegen. Was ik dan een monster? Was ik dan niet waard ouders
+en broers en zusters te hebben?
+
+Als ik mijn ouders in een paleis gevonden had, inplaats van in zulk
+een stulp, zou ik dan niet voor hen die teederheid hebben gevoeld,
+die vroeger mijn hart vervulde bij de gedachte aan een vader en een
+moeder, die ik niet kende, eene liefde die ik niet aan den dag kon
+leggen tegen den vader en de moeder, die ik zag?
+
+Die gedachte deed mij bijna blozen van schaamte. Ik ging weer naar
+mijne moeder toe, omhelsde haar opnieuw en kuste haar vurig. Zeker
+begreep zij niet waaraan zij die opwelling moest toeschrijven,
+want inplaats van mijne kussen te beantwoorden, zag zij mij met haar
+onverschilligen blik aan en zeide toen iets tot haar man, mijn vader,
+waarbij ze even de schouders ophaalde. Zij sprak iets dat ik niet
+verstond, maar dat hem deed lachen. Die onverschilligheid van de eene
+en dat lachen van den ander deden mijn hart bijna breken; ik meende,
+dat die teederheid van mijn kant toch niet verdiende zóó beantwoord
+te worden.
+
+Maar men liet mij geen tijd om lang aan mijn indrukken toe te geven.
+
+--En die daar? vroeg mijn vader, naar Mattia wijzend, wie is dat?
+
+Ik vertelde hem welke banden mij aan Mattia hechtten en ik trachtte
+in mijne woorden iets in te lasschen van de vriendschap, die ik van
+hem ondervond en de dankbaarheid, die ik hem verschuldigd was.
+
+--Jawel, zeide mijn vader; hij heeft de wereld eens willen zien.
+
+Ik wilde antwoorden, maar Mattia voorkwam me.
+
+--Juist, dat is het, zeide hij.
+
+--En Barberin? vroeg mijn vader. Waarom is die niet meegekomen?
+
+Ik vertelde hem, dat Barberin dood was en welk eene teleurstelling dit
+voor mij was, toen wij te Parijs waren gekomen, omdat wij te Chavanon
+van vrouw Barberin hadden gehoord, dat mijne ouders mij zochten.
+
+Mijn vader vertaalde toen voor mijne moeder wat ik gezegd had en
+ik meende te verstaan, dat zij zeide, dat dit heel goed en wel was;
+althans zij gebruikte bij herhaling de woorden _well_ en _good_, die
+ik kende. Waarom was het goed en wel, dat Barberin dood was? Dat vroeg
+ik me telkens af, zonder dat ik een antwoord op die vraag kon vinden.
+
+--Ge kent geen engelsch? vroeg mijn vader.
+
+--Neen, ik ken alleen fransch en ook italiaansch; dat heb ik geleerd
+van den patroon, aan wien Barberin mij verhuurd had.
+
+--Vitalis.
+
+--Wist gij dan...
+
+--Barberin heeft me zijn naam meegedeeld, toen ik voor eenigen tijd
+in Frankrijk was om u te zoeken. Maar ge zult wel nieuwsgierig zijn
+om te weten, waarom wij dertien jaar lang geen nasporingen naar u
+gedaan hebben en plotseling op het denkbeeld zijn gekomen om Barberin
+op te zoeken.
+
+--Ja, heel nieuwsgierig, dat verzeker ik u: erg nieuwsgierig.
+
+--Ga dan bij het vuur zitten, dan zal ik het u vertellen.
+
+Bij het binnenkomen had ik mijn harp tegen den wand gezet; ik legde
+nu ook mijn reiszak neer en zette mij op de aangewezen plaats.
+
+Maar toen ik mijne beslijkte en natte voeten bij het vuur uitstrekte,
+spuwde mijn grootvader in die richting, zonder een woord te spreken,
+maar als eene oude kat die nijdig wordt. Dit was genoeg om mij te
+doen begrijpen, dat ik hem hinderde, en ik trok mijne voeten terug.
+
+--Doe maar of gij 't niet merkt, zeide mijn vader; de oude heeft
+niet graag, dat men zich bij zijn vuur zet, maar als ge 't koud hebt,
+warm u dan. Met hem behoeft men zooveel omslag niet te maken.
+
+Het trof me hem zoo te hooren spreken over een oud man met grijze
+haren; ik dacht, dat zoo men voor iemand ontzag moet hebben, dit wel
+was voor iemand als deze; ik hield dus mijn beenen onder mijn stoel.
+
+--Ge zijt onze oudste zoon, zeide mijn vader, en ge werdt geboren een
+jaar nadat ik met uwe moeder gehuwd was. Toen ik haar trouwde was er
+een meisje, die meende dat ik haar ten huwelijk zou vragen en die
+woedend was, nu ik eene andere nam en een doodelijken haat opvatte
+jegens haar, die ze als hare mededingster beschouwde. Om zich te
+wreken stal zij u juist op den dag, dat gij zes maanden oud waart
+en bracht u naar Frankrijk, naar Parijs, waar zij u te vondeling
+legde. Wij deden alle mogelijke nasporingen, maar wij gingen niet
+naar Parijs, want wij konden niet denken, dat zij zoover met u was
+heengetrokken. Wij vonden u dus niet en meenden, dat gij dood en
+voor altijd voor ons verloren waart, toen drie maanden geleden die
+vrouw, door eene doodelijke ziekte aangetast, op haar sterfbed de
+waarheid mededeelde. Onverwijld begaf ik mij naar Frankrijk, naar den
+commissaris van politie van de wijk waarin gij te vondeling waart
+gelegd. Van hem vernam ik, dat gij door een metselaar uit Chavanon
+waart gevonden en ik reisde naar Chavanon. Barberin deelde mij mede,
+dat hij u aan een reizenden muzikant, Vitalis, had verhuurd en dat
+gij met dezen door Frankrijk zwierft. Daar ik niet in Frankrijk kon
+blijven en Vitalis opzoeken, droeg ik aan Barberin die taak op en
+gaf hem het geld, dat hij noodig had om naar Parijs te komen. Tevens
+verzocht ik hem, de rechtsgeleerden, aan wie ik mijne zaken in handen
+had gegeven, de heeren Greth and Galley, kennis te geven, als hij
+u gevonden had. Mijn eigen adres gaf ik hem niet, omdat wij alleen
+'s winters in Londen wonen. Des zomers doorkruisen wij Engeland en
+Schotland voor onzen handel, want wij zijn reizende kooplui en nemen
+onze wagens en ons gezin mede. Nu weet ge hoe gij teruggevonden zijt
+en hoe gij, na dertien jaar, weder uwe plaats in ons gezin inneemt. Ik
+begrijp best, dat gij er u nog niet geheel thuis gevoelt, want gij
+kent ons nog niet, en gij verstaat niet wat wij zeggen, evenmin als
+mijn vrouw en kinderen u kunnen verstaan; maar ik vertrouw, dat dit
+wel spoedig zal komen en gij u hier weldra gewennen zult.
+
+Zonder twijfel zou ik mij spoedig gewennen. Dat was dan ook natuurlijk,
+want ik was nu bij mijne familie en zij, met wie ik voortaan leven zou,
+waren mijn vader, moeder, broers en zusters.
+
+Die mooie luiers waren dus bedrog; voor vrouw Barberin, voor Lize,
+voor vader Acquin en voor allen, die mij geholpen hadden, was dit
+recht ongelukkig. Ik kon voor hen niet doen wat ik mij altijd had
+voorgesteld, want reizende kooplui, vooral zij, die in zulk een stulp
+woonden, zijn geen rijke menschen; maar voor mij zelven was dit een
+vrij onverschillige zaak. Ik had een familie en het was een dwaze
+kinderdroom van mij geweest te meenen, dat ik, mijn ouders vindende,
+rijk zou worden. Liefde is meer dan rijkdom en aan rijkdom had ik
+geen behoefte, maar wel aan liefde.
+
+Terwijl ik naar het verhaal van mijn vader luisterde en slechts ooren
+en oogen had voor hem, had men de tafels gedekt: borden met blauwe
+bloemen, en op een tinnen schotel een groot stuk gebraden ossenvleesch
+met aardappelen er omheen.
+
+--Hebt ge honger, jongens? vroeg mijn vader aan Mattia en mij. Mattia
+zeide niets, maar liet zijne witte tanden zien.
+
+--Laten wij dan aan tafel gaan.
+
+Vóór hij zitten ging, schoof hij den stoel van grootvader aan; toen
+zette hij zich met den rug naar 't vuur en begon het vleesch te
+snijden en gaf ons elk een snee met aardappelen.
+
+Hoewel ik niet zoo geheel in de vormen was opgevoed, of liever
+ofschoon ik in het geheel niet was opgevoed, merkte ik toch op,
+dat mijn broers en mijne oudste zuster meest met de handen aten,
+dat ze de vingers in de saus doopten en ze aflikten zonder dat mijn
+vader en moeder dit schenen op te merken. Wat mijn grootvader betrof,
+de hand die hij tot zijn dienst had, ging onophoudelijk van zijn bord
+naar zijn mond. Toen hij een stukje uit de bevende vingers liet vallen,
+begonnen mijn broers om hem te lachen.
+
+Toen het avondeten was gebruikt, dacht ik dat wij den avond bij het
+vuur zouden doorbrengen; maar mijn vader zeide, dat hij menschen
+wachtte en dat wij naar bed moesten gaan. Toen nam hij eene kaars en
+bracht ons in een stal, die grensde aan het vertrek, waar wij gegeten
+hadden. Daar stonden twee wagens, zooals gewoonlijk reizende kooplui
+gebruiken. Hij opende de deur van een dier wagens en wij zagen daarin
+twee heerlijke bedden.
+
+--Daar kunt ge slapen; rust wel.
+
+Dat was de ontvangst bij mijne familie--de familie Driscoll.
+
+
+
+
+XXXV.
+
+EERT UW VADER EN UWE MOEDER.
+
+
+Bij het heengaan had mijn vader de kaars achtergelaten, maar hij had
+de deur van den wagen gesloten. Er bleef ons dus niets anders over
+dan te gaan slapen. En dat deden wij ook, maar zoo spoedig mogelijk
+zonder te blijven praten, gelijk wij 's avonds gewoon waren en zonder
+elkander den indruk mede te deelen, dien het gebeurde van den dag op
+ons gemaakt had.
+
+--Rust wel, Rémi, zeide Mattia.
+
+--Rust wel, Mattia.
+
+Mattia had niet meer lust om te spreken dan ik zelf, en het deed mij
+genoegen dat hij zweeg.
+
+Maar al heeft men geen lust om te praten, dan heeft men nog niet
+altijd lust om te gaan slapen. Toen het licht was uitgegaan, was het
+mij onmogelijk de oogen te sluiten; ik begon na te denken over al
+hetgeen er had plaats gehad, en legde mij nu eens op de eene dan op
+de andere zijde.
+
+Terwijl ik lag te peinzen, hoorde ik Mattia, die de slaapplaats boven
+de mijne innam, eveneens zich telkens omkeeren; ook hij sliep dus niet.
+
+--Slaap je? vroeg ik op gedempten toon.
+
+--Nog niet.
+
+--Gij hebt toch niets?
+
+--Neen, niets; ik voel me integendeel heel wel, maar alles draait om
+me heen; 't is of ik nog op zee ben en de wagen op en neer gaat als
+de golven.
+
+Zouden het alleen de gevolgen van zeeziekte zijn, die Mattia beletten
+te slapen? Waren de gedachten, die hem vervulden, niet dezelfde als
+de mijne? Hij hield genoeg van me en wij waren eens genoeg van geest,
+zoowel als van hart, om te gevoelen wat ik gevoelde.
+
+De slaap kwam maar niet en naarmate de tijd voorbijging, vermeerderde
+mijn onbestemde angst. Eerst had ik niet juist den indruk beseft, die
+alles overheerschte wat er in mijn hoofd verward en nevelachtig omging;
+maar nu begon ik te gevoelen dat het vrees was. Vrees voor wat? ik
+wist het niet, maar vrees was het. Maar ik was niet bang, omdat ik
+in dien wagen lag temidden van die ellendige wijk Bethnal-Green. Hoe
+menigen nacht had ik in mijn leven reeds doorgebracht, waarin ik niet
+zoo veilig was als hier. Ik was bewust dat geen gevaar mij dreigde
+en toch was ik beangst: hoe meer ik er mij tegen verzette, zooveel
+te minder slaagde ik erin mij gerust te stellen.
+
+Het eene uur ging voorbij na het andere, zonder dat ik mij rekenschap
+kon geven van den tijd, want er waren in den omtrek geen klokken die
+sloegen. Op eens hoorde ik een groot gedruisch aan de staldeur, die
+in een andere straat uitkwam als De Roode Leeuw, en na een herhaald
+geroep met gelijkmatige tusschenpoozen, drong het schijnsel van een
+licht in onzen wagen door.
+
+Verrast zag ik om mij, terwijl Capi, die tegen mijn legerstede lag te
+slapen, oprees en begon te knorren. Ik zag toen dat het schijnsel tot
+ons doordrong door een raampje in den wand van onzen wagen, waartegen
+onze slaapplaatsen waren gemaakt en dat ik bij het naar bed gaan
+niet gezien had, omdat er een gordijn voor hing. Een gedeelte van het
+raampje kwam uit in de slaapstede van Mattia; het andere gedeelte in
+de mijne. Daar ik niet wilde dat Capi het geheele huis in opschudding
+zou brengen, legde ik de hand op zijn bek en keek naar buiten.
+
+Mijn vader was het, die in den stal was gekomen en met kracht, maar
+zonder gedruis, de straatdeur had geopend en vervolgens op dezelfde
+wijze gesloten, nadat hij twee mannen had ingelaten die elk een
+grooten zwaren zak droegen.
+
+Hij legde een vinger op zijn mond en wees met de andere hand waarin
+hij een dievenlantaarn hield, naar den wagen, waarin wij lagen. Dit
+beteekende waarschijnlijk, dat men geen gedruisch moest maken, daar
+wij anders wakker zouden worden.
+
+Die bezorgdheid voor ons deed mij goed en ik was op het punt hem toe
+te roepen, dat men zich niet behoefde te ontzien, want dat ik niet
+sliep, maar daar dan ook Mattia wakker zou worden, die naar ik meende
+in diepen slaap was gedompeld, hield ik mij stil.
+
+Mijn vader hielp de mannen hun zakken afleggen en ging toen een
+oogenblik heen om met mijne moeder terug te komen. Terwijl hij weg was,
+hadden de mannen hunne zakken geopend; de een was vol manufacturen;
+in den anderen was bontwerk, gebreid goed, onderbroeken, kousen,
+handschoenen enz.
+
+Toen begreep ik wat mij eerst had verwonderd; die mannen waren kooplui,
+die hunne waar aan mijne ouders kwamen brengen.
+
+Mijn vader nam alles stuk voor stuk in handen en bekeek het bij
+zijn lantaarn, terwijl mijne moeder met eene schaar de aangehechte
+papiertjes er afknipte en die in haar zak stak.
+
+Dit kwam mij vreemd voor, evenals het uur, waarop die verkoop plaats
+had, mij verwonderde.
+
+Gedurende het onderzoek zeide mijn vader nu en dan op fluisterenden
+toon een paar woorden tot de mannen, die de zakken hadden gebracht. Als
+ik engelsch had gekend, zou ik die woorden misschien verstaan hebben,
+maar men verstaat slecht wat men niet begrijpt. Alleen het woord
+_policeman_, dat bij herhaling werd gebruikt, trof mijn oor.
+
+Nadat de inhoud van de zakken zorgvuldig was bekeken, verlieten mijne
+ouders en de twee mannen den stal en gingen in huis; zeker om af te
+rekenen. Toen was alles weder donker om ons heen.
+
+Ik wilde mij diets maken, dat al wat ik gezien had heel natuurlijk
+was, maar hoe ik ook mijn best deed, ik kon me zelven maar niet
+overtuigen. Waarom waren die menschen niet door de deur van De Roode
+Leeuw binnengekomen? Waarom had men op zoo fluisterenden toon over de
+politie gesproken, alsof men bang was buiten te worden gehoord? Waarom
+had mijne moeder de briefjes afgeknipt van de stukken goed, die zij
+gekocht had?
+
+Die vragen waren niet geschikt om mij spoedig te doen inslapen en
+daar ik er geen antwoord op vond, trachtte ik ze uit mijn geest te
+verdrijven, maar tevergeefs. Na verloop van eenigen tijd zag ik weder
+het schijnsel van een licht in onzen wagen vallen en wederom keek ik
+door eene reet van het gordijn; maar ditmaal was het ondanks mijzelven
+en tegen mijn wil, terwijl ik de eerste maal meer natuurlijk met opzet
+had gekeken. Thans zeide ik tot mezelven dat ik niet kijken mocht,
+en toch keek ik. Ik was zeker dat het beter was niet te zien en toch
+wilde ik zien.
+
+Mijn vader en moeder waren alleen; terwijl mijne moeder snel twee
+pakken maakte van de artikelen, die men had neergelegd, veegde mijn
+vader een hoek van den stal schoon; onder het droge zand, dat hij met
+krachtige vegen met den bezem opzijde schoof, werd weldra een luik
+zichtbaar; hij lichtte het op; mijne moeder was intusschen gereed
+gekomen met het vullen en toebinden der twee zakken en hij daalde er
+mede in een kelder, waarvan ik de diepte niet zien kon, terwijl mijne
+moeder hem bijlichtte met de lantaarn. Toen de twee pakken geborgen
+waren, kwam mijn vader weder te voorschijn, sloot het luik en veegde
+weder het zand er overheen. Toen hij dit gedaan had, was het onmogelijk
+den ingang van den kelder te bespeuren. Over het zand strooiden zij
+weder eenig hooi, waarmede de vloer van den stal bedekt was.
+
+Toen gingen zij heen.
+
+Op het oogenblik dat zij zonder gedruisch de deur sloten, kwam het
+mij voor dat ik Mattia zich hoorde bewegen: het was alsof hij zijn
+hoofd op zijn kussen legde.
+
+Had hij ook gezien wat er gebeurd was? Ik durfde het hem niet vragen;
+het was geene onbestemde vrees meer, die mij vervulde; ik wist thans,
+waarom ik zoo angstig te moede was: van het hoofd tot de voeten brak
+mij het koude zweet uit.
+
+Zoo bleef ik den ganschen nacht liggen; een haan in de buurt kondigde
+het aanbreken van den dag aan; eerst toen viel ik in slaap maar het
+was eene zware, koortsachtige slaap, vol akelige droombeelden, die
+mij met schrik en angst vervulden.
+
+Het piepen van scharnieren deed mij ontwaken en de deur van onzen
+wagen werd geopend; maar daar ik mij verbeeldde dat het mijn vader
+was, die ons kwam zeggen dat het tijd was om op te staan, sloot ik
+de oogen om hem niet te zien.
+
+--'t Is uw broer, zeide Mattia, die ons bevrijden kwam, hij is al
+weg ook.
+
+Wij stonden op; Mattia vroeg mij niet of ik goed geslapen had en ook
+ik vroeg hem niets. Toen hij mij op zeker oogenblik aanzag, wendde
+ik de oogen af.
+
+Wij moesten naar de keuken, maar mijn vader en moeder waren er niet;
+mijn grootvader zat in zijn leunstoel, alsof hij er niet uit was
+geweest sedert den vorigen dag en mijn oudste zuster, die Annie
+heette, maakte de tafel schoon, terwijl mijn oudste broer, Allen,
+het vertrek aanveegde.
+
+Ik ging naar hen toe om hun een hand te geven, maar zij gingen voort
+met hun arbeid zonder mij te antwoorden.
+
+Ik ging toen naar mijn grootvader, maar deze liet mij niet bij zich
+komen en evenals den vorigen dag spuwde hij naar mijn kant, wat mij
+terug deed keeren.
+
+--Vraag eens hoe laat ik mijn vader en moeder zal zien, zeide ik
+tot Mattia.
+
+Mattia deed wat ik hem verzocht, en toen mijn grootvader engelsch
+hoorde spreken, scheen hij wat vriendelijker te worden; zijn gezicht
+verloor iets van die akelige strakheid en hij antwoordde.
+
+--Wat zegt hij? vroeg ik.
+
+--Dat uw vader den ganschen dag uit is, dat uw moeder slaapt en dat
+wij kunnen gaan wandelen.
+
+--Heeft hij niets meer gezegd? vroeg ik, daar mij dit veel korter
+toescheen dan hetgeen de grijsaard gesproken had.
+
+Mattia scheen een weinig verlegen.
+
+--Ik weet niet of ik het andere wel goed heb begrepen.
+
+--Zeg mij maar wat ge begrepen hebt.
+
+--Het kwam me voor, dat hij zeide, dat, als wij onze kans konden
+waarnemen in de stad, wij die niet moesten voorbij laten gaan en toen
+voegde hij er bij--en dit weet ik zeker--"onthoud dit: men moet leven
+ten koste van de onnoozelen."
+
+Zeker giste mijn grootvader wat Mattia mij uitlegde, want bij die
+laatste woorden maakte hij met de hand, die niet lam was, eene
+beweging, alsof hij iets in zijn zak stak en hij knipte daarbij met
+de oogen.
+
+--Laat ons heengaan, zeide ik tot Mattia.
+
+Twee of drie uren lang zwierven wij in den omtrek van De Roode Leeuw;
+wij durfden ons niet ver verwijderen, uit vrees, dat wij den weg
+niet meer zouden vinden. Bij daglicht scheen Bethnal-Green mij nog
+vreeselijker toe dan toen wij het in de schemering hadden gezien:
+de huizen, zoowel als de menschen hadden een allerellendigst voorkomen.
+
+Wij keken, Mattia zoowel als ik, maar wij zeiden niets tegen elkander.
+
+Telkens langs denzelfden weg terugkeerende, kwamen wij eindelijk
+weder op het pleintje voor De Roode Leeuw, en traden in huis.
+
+Mijne moeder had hare kamer verlaten; op den drempel zag ik haar
+reeds met het hoofd rustend op de tafel. Ik verbeeldde mij, dat zij
+ziek was, en ik ging naar haar toe om haar een kus te geven, want
+met haar praten kon ik niet.
+
+Ik sloeg mijn armen om haar hals; zij richtte het hoofd op, dat op
+haar schouders bengelde en zag mij aan, maar blijkbaar zonder mij
+te zien; toen rook ik de lucht van jenever, die haar adem mij in 't
+gezicht blies. Ik deinsde terug en zij liet het hoofd weder zinken
+op hare armen, die op tafel lagen uitgestrekt.
+
+--Gin, zeide mijn grootvader.
+
+En hij zag mij grinnikend aan, terwijl hij eenige woorden sprake die
+ik niet verstond.
+
+Eerst bleef ik onbeweeglijk, als versteend staan; toen wierp ik een
+blik op Mattia, wien eveneens de tranen in de oogen stonden.
+
+Ik gaf een wenk en weder gingen wij heen.
+
+Langen tijd liepen wij naast elkander voort, elkanders hand
+vasthoudende, maar zonder een woord te spreken en zonder te weten,
+waar wij heengingen.
+
+--Waar wilt ge naar toe? vroeg Mattia met zekere onrust.
+
+--Ik weet het niet, naar de eene of andere plek, waar wij samen
+kunnen praten. Ik heb u iets te zeggen en hier, onder al die menschen,
+kan ik dat niet doen.
+
+Toen ik nog over velden en door bosschen zwierf had ik dan ook, op het
+voorbeeld van Vitalis, mij gewend, om nooit iets van eenig belang te
+zeggen, wanneer wij ons in eene straat van een stad of dorp bevonden;
+als ik menschen om mij heen zag, kon ik nooit goed mijne gedachten
+bij elkander houden; nu wilde ik met Mattia ernstig spreken en wel
+weten wat ik zeide.
+
+Op het oogenblik dat Mattia mij de vraag deed, waren wij in eene straat
+gekomen breeder dan de stegen, waar wij tot hiertoe hadden rondgedoold;
+ik meende aan het einde van die straat boomen te bespeuren. Misschien
+was daar wel de vrije natuur. Wij volgden die richting. Het was de
+vrije natuur niet, maar een zeer groot park met uitgestrekte grasvelden
+en hier en daar groepjes jonge boomen. Hier waren wij waar wij wezen
+moesten om samen te praten.
+
+Mijn besluit was genomen en ik wist wat ik zeggen wilde.
+
+--Ge weet dat ik veel van u houd, mijn beste Mattia, zeide ik tot mijn
+makker, zoodra wij op een afgelegen schaduwrijk plekje ons hadden
+neergezet, en ge weet ook wel, dat ik uit vriendschap u gevraagd
+heb om met me naar mijn ouders te gaan. Je zult dus niet aan mijne
+vriendschap twijfelen, wat ik u ook vragen mocht.
+
+--Wat een domme vraag! zeide hij, terwijl hij poogde te glimlachen.
+
+--Je wilt lachen, opdat ik niet bedroefd zou zijn, maar het doet er
+niet toe of ik bedroefd ben; bij wien kan ik weenen, als het niet
+bij u is?
+
+En mijn armen om Mattia heenslaande, barstte ik in tranen los; nooit
+had ik mij zoo ongelukkig gevoeld als ik alleen was, temidden van
+die groote, woelige wereld.
+
+Toen ik uitgeweend had, trachtte ik weder bedaard te worden; ik had
+Mattia niet in dit park gebracht om mij door hem te doen beklagen;
+'t was niet voor mij, maar voor hem dat ik er heengegaan was.
+
+--Mattia, zeide ik, gij moet heengaan; gij moet naar Frankrijk
+terugkeeren.
+
+--U verlaten? Nooit.
+
+--Ik wist vooruit, dat ik dit antwoord van je krijgen zou en ik
+ben gelukkig, dit verzeker ik je, dat gij mij nooit wilt verlaten;
+maar toch moet het; ge moet naar Frankrijk of naar Italië of ergens
+anders heengaan, maar niet in Engeland blijven.
+
+--En gij dan--waar wilt gij heengaan? Waar zullen wij samen heengaan?
+
+--Ik? Ik moet hier blijven, te Londen, bij mijn familie. Het is
+immers mijn plicht om bij mijne ouders te blijven? Neem het geld,
+dat wij overhebben en vertrek.
+
+--Zeg dat niet, Rémi; als er iemand heen moet gaan, dan zijt gij
+het ongetwijfeld.
+
+--Waarom?
+
+--Omdat....
+
+Hij voltooide den zin niet, maar wendde de oogen af voor mijn
+vorschenden blik.
+
+--Mattia, zeg eens oprecht, zonder mij te ontzien en zonder vrees:
+ge hebt vannacht niet geslapen? Hebt ge wat gezien?
+
+Hij hield de oogen neergeslagen en met gedempte stem zeide hij:
+
+--Ik sliep niet.
+
+--Wat hebt gij gezien?
+
+--Alles.
+
+--En wat hebt gij begrepen?
+
+--Dat men goed bracht dat men niet gekocht had. Uw vader heeft die
+menschen beknord, dat zij aan den stal geklopt hadden inplaats van op
+zijn huisdeur, en toen zeiden ze, dat zij in 't oog werden gehouden
+door agenten van politie.
+
+--Ziet ge nu wel, dat gij hier vandaan moet!
+
+--Als ik hier vandaan moet, moet gij ook weg. Het is voor den een
+evenmin goed als voor den ander.
+
+--Toen ik u vroeg om met mij mede te gaan, meende ik, naar hetgeen
+vrouw Barberin mij had gezegd en ook naar mijn voorgevoel, dat
+mijn ouders ons allebei konden doen onderwijzen en dat wij niet
+van elkander behoefden te scheiden; maar 't is nu geheel anders
+gesteld. Mijn droom..., was een droom. Wij moeten dus van elkaar.
+
+--Nooit.
+
+--Luister, Mattia, begrijp mij goed, en maak mij niet ongelukkiger
+dan ik ben. Als wij te Parijs Garofoli hadden ontmoet en deze had u
+weer bij zich genomen, dan zoudt gij niet gewild hebben, dat ik bij
+u bleef, nietwaar? en wat ik thans tot u zeg, zoudt gij dan tot mij
+gezegd hebben.
+
+Hij gaf geen antwoord.
+
+--Is het waar of niet?
+
+Na een oogenblik te hebben nagedacht, zeide hij:
+
+--Luister nu eens op uwe beurt: toen gij mij te Chavanon gesproken
+hebt van uw familie, deed mij dit veel verdriet; ik had mij gelukkig
+moeten gevoelen toen ik wist, dat gij uw ouders zoudt terugvinden, en
+het speet mij integendeel. Inplaats van aan uwe vreugde en uw geluk
+te denken, heb ik slechts aan mij zelven gedacht; ik dacht bij mij
+zelven, dat als gij broers en zusters hadt, gij die zoudt liefhebben
+als mij en meer misschien dan mij; rijke broers en zusters, die goed
+waren opgevoed, veel wisten, mooie jongeheeren en jongejuffrouwen,
+en ik was jaloersch van hen. Dit moet gij weten; dat is de waarheid,
+die ik u beken en waarvoor ik vergiffenis vraag, als gij zulke slechte
+gedachten vergeven kunt.
+
+--O Mattia!
+
+--Zeg, dat ge mij vergeeft.
+
+--Van ganscher harte: ik heb uw verdriet wel opgemerkt, maar ik neem
+het u niet kwalijk.
+
+--Omdat ge zoo'n goed hart hebt; ge moet over hen, die slecht zijn,
+niet zoo goed denken, en ik ben slecht geweest. Maar als ge mij
+vergeeft, omdat ge goed zijt, ik vergeef niet, omdat ik slecht
+ben. Gij weet nog niet alles. Ik dacht bij me zelven: ik ga met
+hem naar Engeland, omdat ik het land wel eens zien wil; maar als hij
+gelukkig zal zijn, heel gelukkig, dan ga ik heen en zonder ergens op te
+houden, reis ik naar Lucca, om Christina te omhelzen. Maar inplaats
+van rijk en gelukkig, zooals we geloofden, dat gij worden zoudt,
+zijt gij nu niet rijk en.... in ieder geval, gij zijt niet, wat gij
+gedacht hadt te zullen wezen. Daarom moet ik nu ook niet heengaan
+en niet mijn zusje moet ik gaan omhelzen, maar mijn goeden makker,
+mijn Rémi, moet ik gezelschap houden; hij is mijn vriend, mijn broeder.
+
+Met die woorden greep hij mijn hand, terwijl tranen in zijn oogen
+welden, maar zij waren nog heeter en bitterder dan de tranen, die ik
+gestort had.
+
+Hoe aangedaan ik ook was, mijn besluit liet ik daarom niet varen.
+
+--Gij moet heen; gij moet naar Frankrijk terugkeeren, om daar Lize te
+bezoeken, vader Acquin en vrouw Barberin, en al mijne vrienden en hun
+meedeelen, waarom ik niet doe wat ik wilde, wat ik mij voorstelde en
+wat ik hun beloofd heb. Gij zult hun zeggen, dat mijne ouders niet
+rijk zijn, zooals wij geloofd hadden en dit zal voldoende zijn voor
+mijne verontschuldiging. Gij begrijpt het nu nietwaar? Zij zijn niet
+rijk; dit verklaart alles: het is geen schande niet rijk te zijn.
+
+--Het is niet omdat zij niet rijk zijn, dat gij mij wilt heen doen
+gaan; daarom ga ik dan ook niet heen.
+
+--Mattia, ik smeek u, vermeerder mijn verdriet niet; gij ziet hoe
+groot het reeds is.
+
+--O, ik wil u niet dwingen om mij iets te zeggen, waarover gij u
+schaamt. Ik ben niet slim; ik ben niet verstandig; maar zoo ik al
+niet begrijp wat tot mijn hersens moest kunnen doordringen, ik gevoel
+toch wat mij hier treft--hij legde bij die woorden zijn hand op het
+hart--. 't Is niet, omdat uw ouders arm zijn, dat gij mij wilt doen
+vertrekken; 't is niet, omdat zij mij niet kunnen voeden, want ik zou
+hun niet tot last zijn, ik zou voor hen werken, maar 't is omdat--na
+hetgeen gij vannacht gezien hebt--gij bang voor mij zijt.
+
+--Mattia; zeg dat niet.
+
+--Gij zijt bang dat ook ik de briefjes zal moeten afknippen van de
+waren, die niet gekocht zijn.
+
+--O, zwijg toch, Mattia; mijn beste Mattia, zwijg toch.
+
+En ik bedekte met beide handen mijn gelaat, dat rood was van schaamte.
+
+--Welnu, zoo gij niet bang voor mij zijt, ging Mattia voort, ik ben
+bang voor u en daarom zeg ik: laten wij samen heengaan, laat ons naar
+Frankrijk terugkeeren, om vrouw Barberin en Lize en uwe vrienden op
+te zoeken.
+
+--Dat is onmogelijk; mijne ouders zijn voor u niets; gij zijt hun
+niets verschuldigd; maar voor mij zijn zij mijne ouders en ik moet
+bij hen blijven.
+
+--Uwe ouders! Die oude, lamme man, uw grootvader! Die vrouw, die over
+de tafel lag, uwe moeder.
+
+Ik sprong op en thans bevende, en niet meer als een verzoek riep
+ik uit:
+
+--Zwijg, Mattia; spreek zoo niét; ik verbied het u. 't Is mijn
+grootvader; 't is mijne moeder, van wie gij spreekt. Ik moet eerbied
+en liefde voor hen hebben.
+
+--Dat moet ge, als zij werkelijk uwe ouders waren; maar als het noch
+uw grootvader, noch uw vader, noch uw moeder is, dan behoeft gij hen
+niet te eeren en lief te hebben.
+
+--Hebt gij dan het verhaal van mijn vader niet gehoord?
+
+--Wat bewijst dat verhaal? Zij hebben een kind verloren van uw
+leeftijd; zij hebben het laten zoeken en zij hebben er een gevonden
+van denzelfden ouderdom als zij verloren hadden; dat is al.
+
+--Gij vergeet dat het kind, hetwelk men hun ontstolen heeft, te
+vondeling is gelegd in de avenue de Breteuil en dat ik in dezelfde
+straat op denzelfden dag gevonden werd, als dat kind werd verloren.
+
+--Waarom zouden niet twee kinderen op denzelfden dag in dezelfde straat
+te vondeling zijn gelegd? Waarom zou de commissaris van politie zich
+niet kunnen vergist hebben, toen hij Driscol naar Chavanon zond? Dat
+is mogelijk.
+
+--Dat is al te dwaas.
+
+--Misschien; wat ik zeg, wat ik tracht te betoogen schijnt misschien
+onmogelijk, maar alleen, omdat ik het verkeerd zeg en verkeerd uitleg;
+omdat ik een dom schepsel ben; een ander zou het beter weten uit te
+leggen en dan zou het zeer verklaarbaar zijn. Ik ben dwaas, maar niet
+mijn denkbeeld. Dat is al.
+
+--Helaas! neen; dat is _niet_ al.
+
+--Dan moet gij ook in aanmerking nemen, dat gij noch op uw vader, noch
+op uw moeder gelijkt en dat gij geen blonde haren hebt als uw broers
+en zusters, die allen, allen zonder uitzondering, dezelfde kleur van
+haar hebben. Waarom zoudt gij dan ook niet zulk haar hebben? Van de
+andere zijde is er nog een zeer zonderlinge zaak: hoe hebben menschen,
+die niet rijk zijn, zooveel geld kunnen uitgeven om hun kind terug
+te vinden? Om al deze redenen zijt gij, naar mijne overtuiging, geen
+Driscoll. Ik weet wel dat ik dom ben; dat heeft men altijd gezegd;
+maar dat is de schuld van mijn hoofd. Gij zijt geen Driscoll en gij
+moet niet bij de Driscoll's blijven. Als gij nochtans bij hen blijven
+wilt, dan blijf ik bij u. Maar gij moet aan vrouw Barberin verzoeken
+ons te schrijven hoe uwe luiers er precies uitzagen; als wij haar
+brief zullen ontvangen hebben, kunt gij hem, die zich uw vader noemt,
+ondervragen en dan zullen wij wat meer licht krijgen in deze zaak. Tot
+zoolang verlaat ik u niet en blijf ik bij u, ondanks u zelven. Als
+er gewerkt moet worden, zullen wij samen werken.
+
+--Maar als men Mattia weder eens op zijn hoofd sloeg?
+
+Hij lachte treurig.
+
+--Dat zou zooveel pijn niet doen; men voelt de klappen niet, die men
+ter wille van een vriend bekomt.
+
+
+
+
+XXXVI.
+
+CAPI OP DEN SLECHTEN WEG.
+
+
+Eerst tegen het vallen van den avond keerden wij in De Roode Leeuw
+terug; den geheelen dag bleven wij in het fraaie park wandelen en
+praten, nadat wij ontbeten hadden met een stuk brood, dat we hadden
+gekocht.
+
+Mijn vader was thuis gekomen en mijn moeder stond overeind. Hij noch
+zij maakte eenige opmerking over onze lange wandeling; eerst na het
+avondeten zeide mijn vader, dat hij een woord met ons beiden, Mattia
+en mij, wilde spreken en hij liet ons bij den grooten schoorsteen
+komen, waarop de oude man begon te brommen, daar hij blijkbaar aan
+zijne plaats bij den haard gehecht was.
+
+--Vertel me nu eens hoe ge in Frankrijk aan den kost zijt gekomen,
+sprak mijn vader.
+
+Ik vertelde hem wat hij vroeg.
+
+--Dus zijt gij nooit bang geweest, dat gij van honger zoudt omkomen?
+
+--Nooit; niet alleen hebben wij in ons onderhoud kunnen voorzien,
+maar wij hebben ook nog zooveel overgehouden, dat wij eene koe konden
+koopen, zeide Mattia vrijmoedig, en op zijne beurt vertelde hij hoe
+wij aan onze koe gekomen waren.
+
+--Dus hebt gij wezenlijk talent? vroeg mijn vader. Laat me eens hooren
+wat gij kunt.
+
+Ik nam mijn harp en speelde een lied, maar niet het napolitaansche.
+
+--Heel goed, heel goed; en wat kan Mattia?
+
+Deze speelde eerst een deuntje op de viool en daarna op den horen.
+
+Dit verwierf vooral den bijval der kinderen die, in een kring om ons
+heen geschaard, naar ons stonden te luisteren.
+
+--En Capi? vroeg mijn vader, waar speelt die op? Ik denk niet, dat gij
+alleen voor uw pleizier dien hond met u medeneemt. Hij moet minstens
+in staat zijn om zijn eigen kost te verdienen.
+
+Ik was trotsch op de talenten van Capi, niet alleen om hem zelven,
+maar ook om Vitalis; ik liet hem eenige kunstjes doen en als
+gewoonlijk vonden de kinderen dit weder alleraardigst en werd hij
+luide toegejuicht.
+
+--Maar die hond is een fortuin, zeide mijn vader.
+
+Ik beantwoordde dat compliment met een lofrede op Capi en verzekerde
+hem, dat hij in korten tijd alles kon leeren wat men wilde, ook dingen,
+die men gewoonlijk niet van een hond ziet.
+
+Mijn vader vertaalde die woorden in het engelsch en hij scheen
+er eenige woorden bij te voegen, die ik niet verstond, maar die
+allen deden lachen, mijne moeder, zoowel als de kinderen en ook
+mijn grootvader, die bij herhaling met de oogen knipte en uitriep:
+"_a fine dog_," wat beteekende: een mooie hond. Maar Capi was er niet
+trotsch op.
+
+--Nu dit het geval is, vervolgde mijn vader, wil ik u een voorstel
+doen. Maar eerst moet ik weten of Mattia in Engeland wil blijven en
+of hij bij ons zijn intrek wil nemen.
+
+--Ik wensch bij Rémi te blijven, antwoordde Mattia, die veel slimmer
+was dan hij wel deed schijnen en ook dan hij zelf wel wist. Waar Rémi
+gaat, daar ga ik ook.
+
+Mijn vader, die niet gissen kon wat er met dat antwoord bedoeld werd,
+scheen ermede tevreden.
+
+--Als de zaken zoo gesteld zijn, kom ik op mijn voorstel terug. Wij
+zijn niet rijk en wij werken allen om aan den kost te komen. Des zomers
+doorkruisen wij Engeland en mijne kinderen gaan onze koopwaar aanbieden
+aan de menschen, die zich de moeite niet willen geven om tot ons te
+komen, maar 's winters hebben wij niet veel te doen. Zoolang wij te
+Londen zijn, zullen Rémi en Mattia muziek maken op straat en ik twijfel
+er niet aan of zij zullen goed geld verdienen, vooral tegen Kersttijd
+bij de zoogenaamde _waits_ of nachtwaken. Maar daar wij niets moeten
+verloren laten gaan, zal Capi voorstellingen geven met Allen en Ned.
+
+--Capi kan alleen zijn kunstjes vertoonen met ons, zeide ik levendig,
+want het beviel me volstrekt niet, dat ik van hem zou moeten scheiden.
+
+--Hij zal 't wel leeren met Allen en Ned, wees maar gerust, hervatte
+mijn vader, en door ons zoo te verdeelen, verdienen wij veel meer.
+
+--Maar ik verzeker u, dat hij niets goed zal doen, en bovendien zullen
+Mattia en ik minder verdienen; met Capi bij ons zullen wij veel beter
+zaken maken.
+
+--'t Is genoeg, zeide mijn vader; als ik eens iets gezegd heb, moet dit
+terstond gebeuren, dat is zoo de regel van mijn huis, en ik verlang,
+dat ge u daaraan onderwerpt, evenals al de anderen.
+
+Ik mocht niets meer zeggen en ik zeide ook niets meer, maar ik dacht
+bij me zelven, dat mijn mooie droomen voor Capi even treurig zouden
+eindigen als voor mij zelven. Wij zouden dus gescheiden worden! Welk
+een treurig lot voor hem en voor mij.
+
+Wij gingen nu naar onzen wagen om ons te rust te leggen, maar thans
+sloot mijn vader de deur niet af.
+
+Toen ik mij te rusten legde, kwam Mattia, die langer bezig was geweest
+om zich te ontkleeden, bij mij en fluisterde me op gedempten toon toe:
+
+--Ge merkt dat hij, die zich uw vader noemt, niet alleen kinderen
+wil hebben, die voor hem werken, maar ook honden; kan dat nu uw oogen
+nog niet openen? Morgen schrijven wij aan vrouw Barberin.
+
+Maar den anderen dag moest ik Capi zijn les leeren; ik nam hem in
+mijn armen en zachtjes, terwijl ik hem liefkoosde en kuste vooral op
+zijn snuit, vertelde ik hem wat ik van hem verwachtte. Het arme dier
+keek mij aan en luisterde aandachtig toe.
+
+Toen ik het touw aan Allen in de hand gaf, herhaalde ik mijne les
+en Capi was zoo verstandig, zoo leerzaam, dat hij mijn twee broers
+volgde, wel heel neerslachtig, maar toch zonder zich te verzetten.
+
+Wat Mattia en mij betreft, mijn vader wilde zelf ons in een gedeelte
+der stad brengen, waar wij kans hadden goede zaken te doen, en wij
+doorkruisten heel Londen om in eene wijk te komen, waar fraaie
+huizen stonden met groote deuren, en straten met tuinen voor de
+gebouwen. In die prachtige straten zag men geen arme menschen meer
+in lompen gehuld en met hongerige gezichten, maar schoone dames met
+prachtige toiletten, rijtuigen met beschilderde paneelen, die blonken
+als spiegels en mooie paarden, die gemend werden door dikke, groote
+koetsiers met gepoederde pruiken.
+
+Eerst laat keerden wij in De Roode Leeuw terug, want de afstand is
+groot tusschen Westend en Bethnal-Green, en ik was recht blij Capi
+weer te zien, wel wat beslijkt, maar gezond en vroolijk.
+
+Ik was zoo in mijn schik, toen ik hem weerzag, dat ik hem terstond
+met mijn droge hand afwreef en hem in mijn schapevacht wikkelde en
+in mijn bed legde. Wie de gelukkigste van ons beiden was, hij of ik,
+zou ik moeilijk kunnen zeggen.
+
+Zoo leefden wij eenige dagen; des morgens vroeg gingen wij uit en des
+avonds laat keerden we terug, na al onze stukjes te hebben gespeeld,
+nu eens in de eene buurt dan in de andere, terwijl, van zijn kant,
+Capi voorstellingen ging geven onder leiding van Allen en Ned; maar
+op een avond zeide mijn vader, dat ik den volgenden morgen Capi met
+mij zou kunnen nemen, daar hij Allen en Ned thuis zou houden.
+
+Dat deed ons veel plezier en Mattia en ik namen ons voor, dat wij dien
+dag zulk eene goede som gelds zouden thuis brengen, dat men hem ons
+voortaan altijd zou meegeven. Wij moesten Capi weder voor ons winnen
+en wij zouden dus geen moeite ontzien.
+
+Des morgens maakten wij hem dus zoo mooi mogelijk, en na het ontbijt
+begaven wij ons op weg naar die buurt, waar wij bij ondervinding
+wisten, dat het geachte publiek het mildst was. Wij moesten daartoe
+geheel Londen van het oosten naar het westen doorsteken door Old
+Street Holborn en Oxford Street.
+
+Ongelukkig voor ons en zeer nadeelig voor onze onderneming, trok de
+mist, die al twee dagen duurde, maar niet op. De lucht, of wat men
+in Londen de lucht noemt, bestond uit een oranjeachtigen nevel en in
+de straten hing eene soort van grijzen damp, die belette, dat men
+verder dan een paar schreden voor zich uit kon zien. De menschen
+zouden dus hun huis niet uitkomen, en zoo men ons al kon hooren,
+men zou Capi niet zien. Er was dus niet veel kans op een goeden dag,
+en Mattia verwenschte den mist, dien akeligen fog, zonder te gissen
+welk een dienst hij een oogenblik later aan ons alle drie bewijzen zou.
+
+Wij stapten stevig door, en hielden Capi vlak achter ons; een woord,
+dat ik hem van tijd tot tijd toevoegde, was daartoe meer voldoende dan
+de stevigste ketting. Zoo kwamen wij in Holborn, dat, zooals men weet,
+een der drukste straten van Londen is, waarin men de meeste winkels
+vindt. Opeens ontdekte ik, dat Capi ons niet meer volgde. Wat was
+er met hem gebeurd? Dit was iets geheel buitengewoons. Ik stond stil
+om hem op te wachten, vatte post op den hoek van eene dwarsstraat en
+floot zachtjes, want ik kon niet ver van mij afzien. Ik was al bang,
+dat hij gestolen zou zijn, toen hij plotseling bij mij stond met een
+paar wollen kousen in zijn bek. Hij zette kwispelstaartend de pooten
+tegen mijne knieën, bood mij de kousen aan en scheen me te verzoeken,
+dat ik die zou aannemen. Hij scheen er zeer mede in zijn schik, alsof
+hij een zijner mooiste toeren had vertoond, en nu mijne goedkeuring
+verwachtte.
+
+Dit had slechts een oogenblik geduurd, toen eensklaps Mattia de kousen
+met de eene hand greep en met de andere mij voorttrok.
+
+--Laten we gauw voortgaan, maar zonder hard te loopen, fluisterde hij.
+
+Eerst na eenige minuten gaf hij mij de verklaring van die vlucht.
+
+--Evenals gij, zeide hij, vroeg ik me af, waar dat paar kousen vandaan
+kwam, toen ik een man hoorde uitroepen: "waar is de dief?" De dief,
+dit vat ge, was Capi. Als er niet zoo'n zware mist hing, zouden wij
+als dieven zijn gepakt.
+
+Ik begreep het nog niet best: een oogenblik stond ik als verbijsterd;
+zij hadden een dief gemaakt van mijn goeden, eerlijken Capi!
+
+--Laten wij naar huis gaan, zeide ik tot Mattia, en bond Capi aan
+een touw.
+
+Mattia zeide geen woord en wij keerden zoo snel mogelijk naar De
+Roode Leeuw terug.
+
+Vader, moeder en de kinderen zaten om de tafel en waren bezig om
+de manufacturen uit te vouwen. Ik wierp het paar kousen op tafel,
+waarover Allen en Ned hartelijk begonnen te lachen.
+
+--Daar is een paar kousen, zeide ik, dat Capi gestolen heeft, want
+men heeft een dief van hem gemaakt. Ik hoop dat het maar voor de
+aardigheid was.
+
+Ik beefde terwijl ik dit zeide, maar nooit had ik me zoo vastberaden
+gevoeld.
+
+--En als het eens niet voor de aardigheid was, zeide mijn vader,
+wat zoudt ge dan doen? zeg dat eens.
+
+--Dan zou ik Capi een touw om den hals binden en hem in de Theems
+verdrinken. Ik wil niet, dat Capi een dief wordt, evenmin als ik
+zelf een dief worden wil. Als ik dacht, dat dit me overkomen moest,
+zou ik me tegelijk met hem gaan verdrinken.
+
+Mijn vader zag mij dreigend aan en maakte eene beweging of hij me
+wilde vermoorden, zijn oogen kwamen bijna uit de kassen; maar ik
+sloeg de mijne niet neer; langzamerhand nam zijn gelaat weder de
+gewone uitdrukking aan.
+
+--Ge hebt gelijk, zeide hij; 't was maar voor de aardigheid. Opdat
+het niet meer gebeure, zal Capi voortaan alleen met u uitgaan.
+
+
+
+
+XXXVII.
+
+DE MOOIE LUIERS WAREN BEDROG.
+
+
+Wat ik ook gedaan had om goede vrienden met mijn broeders Ned en
+Allen te worden, zij hadden mij altijd nijdig van zich gestooten,
+en alles wat ik voor hen had willen doen, hadden zij geweigerd:
+blijkbaar was ik in hun oog geen broer van hen.
+
+Na het gebeurde met Capi, werd onze verhouding zuiverder
+aangegeven. Wel niet met woorden, want ik kon mij niet gemakkelijk in
+het engelsch uitdrukken, maar door eenige duidelijke gebaren, waarbij
+mijne vuisten eene voorname rol speelden, gaf ik hun te kennen, dat,
+zoo zij het minste tegen Capi ondernamen, ze met mij te doen zouden
+hebben om hem te verdedigen of te wreken.
+
+Nu ik geen broers had, wilde ik toch zusters hebben; maar Annie,
+de oudste, betoonde mij al niet meer genegenheid dan hare broeders;
+evenals zij, beantwoordde zij elke poging tot toenadering met
+stuurschheid en geen dag ging er voorbij, zonder dat zij mij eenige
+streek speelde, waarin zij--dit moet ik erkennen--zeer ver was.
+
+Door Allen en Ned afgestooten en afgestooten ook door Annie, bleef
+mij niets dan de kleine Kate, die pas drie jaar oud was en dus te
+jong om met haar broers en zusters samen te spannen. Zij liet zich
+dan ook door mij liefkoozen, eerst omdat ik Capi kunstjes voor haar
+liet doen en later, toen ik Capi weder terugkreeg, omdat ik haar
+koekjes, sinaasappelen en andere lekkernijen gaf, die ik kreeg van
+de kinderen, als ze met een heel voornaam gezichtje riepen: "voor den
+hond." Sinaasappelen aan een hond te geven was niet heel verstandig,
+maar ik nam ze dankbaar aan, want op die wijze kon ik de liefde winnen
+van Kate.
+
+Dus was er van het geheele gezin, waarvoor ik zooveel liefde gevoelde,
+toen ik in Engeland aan wal stapte, slechts een enkel lid, de kleine
+Kate, die ik mocht liefhebben. Mijn grootvader ging nog maar altijd
+voort met te spuwen naar mijn kant, als ik dicht bij hem kwam;
+mijn vader bemoeide zich niet met me, behalve des avonds om het
+geld te ontvangen dat wij hadden verdiend; mijn moeder was in den
+regel buiten westen. Allen, Ned en Annie hadden een hekel aan mij;
+Kate alleen, liet zich aanhalen, en nog maar alleen, omdat ik mijn
+zakken vol lekkers had.
+
+Welk eene teleurstelling!
+
+In mijne droefheid zeide ik dan ook bij mij zelven, niettegenstaande
+ik de onderstelling van Mattia in het eerst had afgewezen, dat,
+zoo ik werkelijk het kind was van die familie, men andere gevoelens
+mij zou toedragen dan mij nu zoo onbewimpeld werden getoond, terwijl
+ik, van mijn kant, niets gedaan had om die onverschilligheid en die
+hardheid te verdienen.
+
+Toen Mattia mij onder den indruk zag van die treurige overpeinzing,
+begreep hij zeer goed, wat er de oorzaak van was, en alsof hij tot
+zich zelven sprak, zeide hij:
+
+--Ik ben erg nieuwsgierig wat vrouw Barberin zal antwoorden.
+
+Teneinde den brief te bekomen, die mij "poste restante" zou worden
+toegezonden, waren wij van onzen gewonen tocht afgeweken en inplaats
+van naar Holborn te gaan, begaven wij ons over West-Smithfield naar
+het postkantoor. Zeer dikwijls deden wij dien tocht tevergeefs, maar
+eindelijk werd de brief, dien wij met zooveel ongeduld verwachtten,
+mij ter hand gesteld.
+
+Het groote gebouw van het postkantoor was geen plaats bijzonder
+geschikt om brieven te lezen. Wij zochten daarom een gang op in eene
+naburige straat, wat mij tevens den tijd gaf om mijne ontroering
+eenigszins meester te worden. Daar kon ik eindelijk den brief van
+vrouw Barberin, of liever van den pastoor van Chavanon, openmaken. Hij
+luidde:
+
+
+ Mijn lieve Rémi!
+
+ "Ik ben zeer verwonderd en ontstemd over hetgeen in uw brief te
+ lezen staat, want naar hetgeen mijn goede Barberin mij altijd
+ gezegd had, zoowel nadat hij u in de Avenue de Breteuil had
+ gevonden als nadat hij met den persoon gesproken had, die
+ u zocht, moesten uwe ouders bemiddelde, ja zelfs vermogende
+ menschen zijn.
+
+ "In die meening werd ik bevestigd door de wijze, waarop gij
+ gekleed waart toen Barberin u te Chavanon bracht en uit de
+ kleeren, die gij toen aanhadt, bleek klaar, dat zij tot de
+ luiermand behoorden van een rijk kind. Gij verzoekt mij u
+ duidelijk te beschrijven hoe de kleertjes er uitzagen, waarin
+ men u had gewikkeld. Ik kan dit des te gemakkelijker doen,
+ omdat ik al die voorwerpen heb bewaard, daar zij eenmaal
+ misschien strekken konden om u te doen herkennen, als men u
+ mocht opvorderen, wat volgens mij zeker moest gebeuren.
+
+ "Maar vooraf moet ik u zeggen, dat gij eigenlijk geen luiers
+ hadt; als ik daarvan soms gesproken mocht hebben was dit uit
+ gewoonte en omdat de kinderen bij ons luiers dragen. Gij hadt
+ die niet; integendeel; zie hier hoe gij waart aangekleed en
+ welke dingen ik bij u heb gevonden: een kanten mutsje, dat
+ niets bijzonders had behalve dat het zeer fraai en kostbaar
+ was; een nauwsluitend hemdje van fijn linnen met een kantje
+ aan den hals en aan de armen; een flanellen hemdje; witte
+ wollen kousjes; gebreide witte schoentjes; een manteltje met
+ een kap van wit cachemir met zijde gevoerd en fraai geborduurd.
+
+ "Gij hadt een wollen luier aan, die tot dezelfde luiermand
+ behoorde, maar bij den commissaris van politie had men u eene
+ andere aangedaan, een gewonen doek.
+
+ "Ik moet er ten slotte nog bijvoegen, dat geen van die
+ kleeren gemerkt waren, maar de wollen luier en het hemdje
+ moeten gemerkt zijn geweest, want de hoeken, waarop gewoonlijk
+ het merk staat, waren afgeknipt, waaruit genoeg blijkt, dat
+ men alle voorzorgen had genomen om nasporingen vruchteloos
+ te maken.
+
+ "Ziedaar, lieve Rémi, alles wat ik u vertellen kan. Als gij
+ meent die dingen noodig te hebben, schrijft mij dan maar;
+ dan zal ik ze u zenden.
+
+ "Laat het u maar niet spijten, kindlief, dat gij mij de
+ mooie presenten niet geven kunt, die gij mij hebt beloofd:
+ de koe, waarvoor gij het geld uit uw mond gespaard hebt,
+ is voor mij mooier dan het kostbaarste geschenk. Ik kan u
+ tot mijn blijdschap zeggen, dat zij nog altijd gezond is;
+ zij blijft evenveel melk geven en door haar heb ik nu alles
+ wat ik noodig heb en leef ik in overvloed. Zoo dikwijls ik
+ ze zie, denk ik aan u en aan uw vriendje Mattia.
+
+ "Gij zult mij genoegen doen als gij weer eens iets van u laat
+ hooren; moge het altijd iets goeds zijn. Gij zijt zoo lief
+ en hartelijk: wat zoudt gij gelukkig zijn met eene familie,
+ een vader, een moeder, broers en zusters, die u liefhadden,
+ zooals gij verdient.
+
+ "Vaarwel, mijn lief kind; ik omhels u hartelijk in gedachten.
+
+
+ Uw pleegmoeder,
+ Weduwe Barberin."
+
+
+Het slot van den brief deed mijn hart kloppen: arme vrouw Barberin! wat
+was zij goed voor mij. Dat was omdat zij mij liefhad en zij zich
+verbeeldde dat iedereen mij moest liefhebben zooals zij.
+
+--'t Is eene goede vrouw, zeide Mattia, zij heeft aan mij ook gedacht;
+maar al had zij mij vergeten, dan zou ik haar toch dankbaar zijn
+voor haar brief om die uitvoerige beschrijving; die Driscoll moet
+zich nu niet vergissen als hij de kleeren opnoemt, die gij aanhadt,
+toen men u stal.
+
+--Hij kan ze vergeten hebben.
+
+--Zeg dat nu niet: zou men de kleeren kunnen vergeten van het kind,
+dat men verloren heeft,--want die zouden juist het eenige middel zijn
+om het terug te vinden.
+
+--Zoolang mijn vader mij nog niet geantwoord heeft, moet gij niet
+zulke onderstellingen maken, als ik je verzoeken mag.
+
+--Welnu, wij zullen zien.
+
+Het was geen gemakkelijke zaak om aan mijn vader te vragen hoe
+ik gekleed was, toen ik gestolen werd. Als ik hem heel argeloos,
+zonder bijgedachte, die vraag kon doen, zou niets eenvoudiger zijn
+geweest; maar dit was zoo niet; en het was juist die bijgedachte,
+die mij beschroomd en aarzelend maakte.
+
+Eindelijk, toen een ijskoude regen ons eens op een avond vroeger
+naar huis had gedreven dan gewoonlijk, vatte ik moed en bracht ik
+het gesprek op het onderwerp, dat mij zoo onophoudelijk kwelde.
+
+Bij het eerste woord zag mijn vader mij strak aan en trachtte met
+zijn blik mijne gedachte uit te vorschen, zooals hij gewoon was te
+doen, wanneer hij zich gekrenkt gevoelde door hetgeen ik zeide, maar
+ik doorstond zijn blik beter dan ik op dat oogenblik gemeend had te
+kunnen doen.
+
+Ik dacht dat hij woedend boos zou worden en wierp een angstigen blik
+naar Mattia, die naar ons luisterde, zonder den schijn ervan aan te
+nemen, om hem getuige te doen zijn van de onhandigheid, die hij mij
+had doen begaan; maar dit gebeurde niet; toen de eerste aanval van
+drift voorbij was, begon hij te glimlachen; wel is waar was er iets
+hards en wreeds in dien glimlach, maar hij glimlachte toch.
+
+--Wat mij het meest geholpen heeft om u terug te vinden, zeide hij,
+was de beschrijving van de kleeren die gij aanhadt den dag dat men u
+gestolen heeft: een kanten mutsje, een linnen hemdje met kant geboord,
+een luier en flanellen jurk, wollen kousjes, gebreide schoentjes, een
+cachemiren geborduurd manteltje met een kap. Ik had vooral gehoopt,
+dat de letters, waarmede uw goed gemerkt was, F. D.--Francis Driscoll,
+want zoo is uw naam,--mij op het spoor zouden brengen; maar dat merk
+is er afgeknipt door haar, die u gestolen heeft en daardoor meende
+zij te beletten, dat men u ooit ontdekte; ik moest uw geboorte-akte
+overleggen, die ik in de parochie gelicht had; deze heeft men mij
+gegeven en ik moet ze nog hebben.
+
+Toen hij dit zeide, zoo vriendelijk als hij nooit sprak, ging hij
+zoeken in een lade en weldra kwam hij met een groot stuk papier met
+verschillende lakken, dat hij mij overreikte.
+
+Ik wendde een laatste poging aan.
+
+--Als gij 't goedvindt, zeide ik, zal Mattia het voor mij vertalen.
+
+--Met genoegen.
+
+Uit die vertaling van Mattia, zoo goed en zoo kwaad als 't kon, bleek,
+dat ik op Donderdag den 2den Augustus was geboren en de zoon was van
+Patrick Driscoll en Margaret Grange, zijne vrouw.
+
+Wat behoefde ik nog meer te vragen?
+
+Mattia evenwel was minder voldaan, en toen wij des avonds in onzen
+wagen hadden plaatsgenomen, boog hij zich naar mij toe met zijn mond
+aan mijn oor, alsof hij mij een geheim wilde toevertrouwen.
+
+--Dat alles is prachtig, zeide hij, maar dat heldert toch nog volstrekt
+niet op, hoe Patrick Driscroll, rondreizend koopman, en Margaret
+Grange, zijne vrouw, zoo rijk waren, dat zij aan hun kind een kanten
+muts konden geven en een hemd met kant geboord en een geborduurd
+cachemiren manteltje: reizende kooplieden zijn zoo rijk niet.
+
+--Juist omdat zij kooplui waren, kostten hun die kleeren niet zoo
+veel geld.
+
+Mattia schudde het hoofd en begon te fluiten; toen fluisterde hij
+weder en zeide:
+
+--Wil ik u eens zeggen wat mij maar niet uit het hoofd wil: dat gij
+niet het kind zijt van dien Driscoll, maar het kind dat door Driscoll
+gestolen werd.
+
+Ik wilde antwoorden, maar Mattia was al in zijn bed geklommen.
+
+
+
+
+XXXVII.
+
+DE OOM VAN ARTHUR: JAMES MILLIGAN.
+
+
+Als ik in de plaats van Mattia was geweest, zou ik misschien even zoo
+gedacht hebben als hij; maar in den toestand, waarin ik verkeerde,
+waren mij zulke onderstellingen niet geoorloofd.
+
+Het gold toch mijn vader.
+
+Voor Mattia was deze slechts Driscoll en niets anders.
+
+En als ik met mijn geest Mattia wilde volgen, dan hield ik mij zelven
+terug, maar toch niet zóó, als ik wel zou verlangen.
+
+Mattia kon van Driscoll denken al wat hij goedvond; voor hem was deze
+een vreemdeling, aan wien hij niets verplicht was.
+
+Ik daarentegen was allen eerbied aan mijn vader verschuldigd.
+
+Zeker waren er zonderlinge dingen in mijn toestand, maar ik was niet
+vrij om erover na te denken van hetzelfde standpunt als Mattia.
+
+Mattia mocht eraan twijfelen.
+
+Aan mij was dit niet geoorloofd. En toen Mattia mij zijn twijfel
+wilde mededeelen, was het mijn plicht hem het zwijgen op te leggen.
+
+Dat trachtte ik ook te doen, maar Mattia was koppig en ik kon er niet
+in slagen om die koppigheid te overwinnen.
+
+--Sla er maar op, als ge lust hebt, zeide hij, word boos maar luister.
+
+En toen moest ik wel luisteren naar zijn vragen.
+
+--Waarom hadden Allen, Ned, Annie en Kate lichtblond haar, terwijl
+het mijne niet blond was?
+
+--Waarom gedroegen al de leden van de familie Driscoll, behalve Kate,
+die nog niet wist wat zij deed, zich tegenover mij zoo onaangenaam,
+alsof ik een schurftige hond was?
+
+--Hoe konden menschen, die niet rijk waren, hun kinderen kleeren met
+kant geven?
+
+Op al die vragen waarom en hoe, had ik maar één antwoord, dat zelf
+eene vraag was:
+
+--Waarom zou de familie Driscoll mij gezocht hebben, als ik haar
+kind niet was? Waarom zou zij geld gegeven hebben aan Barberin en
+aan Greth and Galley?
+
+Mattia verklaarde, dat hij het niet beantwoorden kon. Maar toch gaf
+hij zich niet gewonnen.
+
+--Omdat ik geen antwoord kan geven op uwe vraag, zeide hij, bewijst
+dit niet, dat ik ongelijk heb; want gij kunt geen antwoord geven op
+een van mijne vragen. Een ander in mijne plaats zou heel goed kunnen
+ophelderen, waarom Driscoll u heeft laten zoeken en met welk doel
+hij zooveel geld heeft besteed. Ik kan dat niet, omdat ik niet slim
+ben en omdat ik nergens verstand van heb.
+
+--Zeg dat toch niet; ge zijt integendeel heel slim.
+
+--Als ik dat was, zou ik u dadelijk weten uit te leggen wat ik nu
+niet begrijp, maar ge moet het voelen, neen, gij zijt geen kind van
+de familie Driscoll; gij zijt het niet en gij kunt het niet zijn. Dat
+zal later wel aan 't licht komen, daar ben ik zeker van; maar het
+oogenblik, dat alles moet ophelderen, vertraagt gij door uwe oogen
+maar niet te willen openen. Ik begrijp wel, dat gij u weerhouden laat
+door eerbied voor uwe ouders; maar dit moet u toch niet stomp maken.
+
+--Maar wat wilt gij dan dat wij doen zullen?
+
+--Naar Frankrijk terugkeeren.
+
+--Onmogelijk.
+
+--Omdat uw plicht u noopt bij uwe familie te blijven; maar als het
+uwe familie niet is, wat weerhoudt u dan?
+
+Zulke gesprekken konden tot niets leiden dan alleen om mij nog
+ongelukkiger te maken dan ik reeds was.
+
+Niets toch is erger dan twijfel. En hoewel ik niet _wilde_ twijfelen,
+twijfelde ik toch.
+
+Was die vader mijn vader? Was die moeder mijne moeder? Waren die
+kinderen mijn broers en zusters?
+
+Het was vreeselijk dit te moeten erkennen; ik had nog minder smart
+en gevoelde mij nog minder ongelukkig, toen ik alleen was.
+
+Wie zou ooit gedacht hebben, toen ik in eenzaamheid weende, omdat
+ik geen familie had, dat ik nog rampzaliger wezen zou, als ik er wèl
+eene had?
+
+Hoe zou ik licht vinden? Wie zou mij licht schenken? Hoe zou ik ooit
+de waarheid vernemen?
+
+Voor die vragen stond ik stil, onder het drukkend besef van mijne
+onmacht en ik zei tot mijzelven, dat ik vruchteloos mijn leven lang
+met het hoofd zou bonzen op dien muur, die geen uitgang aanbood.
+
+Toch moest ik zingen, deuntjes spelen, waarop men dansen kon, en
+aardig zijn, terwijl ik in mijn hart zoo diep bedroefd was.
+
+De zondagen waren mijne gelukkigste dagen, omdat er des zondags
+te Londen geen muziek op straat mag worden gemaakt; dan kon ik mij
+ongestoord aan mijne droefheid overgeven, als ik wandelde met Mattia
+en Capi. Hoe weinig was er in mij nog over van den knaap, die ik
+eenige maanden geleden was!
+
+Op een van die zondagen, toen ik mij gereed maakte om met Mattia
+uit te gaan, hield mijn vader mij thuis en zeide, dat ik hem dien dag
+behulpzaam moest wezen. Hij liet Mattia alleen uitgaan. Mijn grootvader
+was nog niet beneden; mijne moeder was uitgegaan met Kate en Annie en
+mijne broers liepen op straat; mijn vader en ik waren dus alleen thuis.
+
+Een uur lang waren wij alleen geweest, toen men aan de deur klopte;
+mijn vader ging openen en keerde terug met een heer, die niets geleek
+op de vrienden, welke hij gewoonlijk ontving; dit was inderdaad
+een heer, iemand dien men in Engeland een _gentleman_ noemt. Hij
+was zeer netjes gekleed en hij had een voornaam voorkomen en een
+trotsch gelaat, met eenigszins vermoeide trekken. Hij moest ongeveer
+vijftig jaar zijn. Wat mij het meest in hem trof was zijn glimlach:
+dan openden zich zijne lippen en vertoonden zich twee rijen witte
+puntige tanden als van een jongen hond. Dit maakte een eigenaardigen
+indruk en ik vroeg mij af, of het eigenlijk wel een glimlach was dan
+wel een beweging om te bijten.
+
+Terwijl hij met mijn vader Engelsch sprak, wierp hij telkens een
+blik naar mij; maar als hij den mijnen ontmoette, wendde hij de oogen
+terstond af.
+
+Nadat hij een poos lang met mijn vader gesproken had, wisselde hij
+het Engelsch met het Fransch, dat hij vloeiend en bijna zuiver sprak.
+
+--Is dat de knaap, waarvan gij me gesproken hebt? zeide hij tot mijn
+vader, met den vinger naar mij wijzend. Hij schijnt een gezonde jongen
+te zijn.
+
+--Antwoord mijnheer, zeide mijn vader.
+
+--Ben je gezond? vroeg de voorname heer.
+
+--Ja, mijnheer.
+
+--Ben je nooit ziek geweest.
+
+--Ik heb eens eene bloedspuwing gehad.
+
+--Zoo, zoo; hoe kwam dat?
+
+--Ik had 's nachts in de sneeuw geslapen, toen het vinnig koud was;
+mijn meester is dien nacht van koude gestorven; ik heb er maar eene
+bloedspuwing van gekregen.
+
+--Is dat lang geleden?
+
+--Drie jaar.
+
+--En heb je later nooit gevolgen van die ziekte ondervonden?
+
+--Neen.
+
+--Geen vermoeidheid, geen afgemat gevoel? Zweette je 's nachts erg?
+
+--Neen nooit; als ik mij moe gevoelde, was het omdat ik lang geloopen
+had; maar ziek was ik er niet van.
+
+--En kunt ge goed tegen vermoeienis?
+
+--Dat moet ik wel.
+
+Hij stond op en kwam naar mij toe; hij voelde mijn armen, legde toen
+zijn hand op mijn hart en vervolgens zijn hoofd tegen mijn rug en
+vervolgens tegen mijn borst en beval mij diep adem te halen, alsof
+ik hard had geloopen; toen liet hij mij ook hoesten.
+
+Toen dit afgeloopen was, zag hij mij zeer aandachtig een poos aan
+en toen vooral kwam de gedachte bij mij op, dat hij bijten wilde;
+zoo dreigend was zijn glimlach.
+
+Zonder verder iets te zeggen, zette hij in het Engelsch het gesprek
+met mijn vader voort; daarop gingen zij samen heen, niet naar de
+straatdeur, maar naar den stal.
+
+Toen ik alleen was, vroeg ik mijzelven af, wat al die vragen van den
+voornamen heer beteekenden? Wilde hij mij in zijn dienst nemen? Maar
+dan moest ik scheiden van Mattia en Capi! Bovendien had ik het vaste
+besluit genomen om nooit meer bij iemand in dienst te zijn, zoomin van
+dien gentleman, aan wien ik nu al een hekel had, als van een ander,
+wien ik misschien genegen zou zijn.
+
+Na verloop van eenigen tijd kwam mijn vader terug. Hij zei, dat
+hij uit moest, en dat hij mij dus niet noodig had, zooals hij eerst
+gedacht had; ik kon dus ook uitgaan als ik wilde, zeide hij.
+
+Ik had er volstrekt geen lust in; maar wat moest ik in dit treurige
+huis beginnen? Ik kon evengoed gaan wandelen als hier blijven en
+mij vervelen.
+
+Daar het regende, ging ik naar onzen wagen om mijn schapevacht te
+halen: hoe verwonderd was ik daar Mattia te vinden; ik wilde iets
+tegen hem zeggen, maar hij legde de hand op mijn mond en sprak op
+fluisterenden toon:
+
+--Maak de staldeur open, ik zal stil achter u komen; men mag niet
+weten, dat ik in den wagen was.
+
+Eerst toen wij op straat waren, besloot Mattia te spreken.
+
+--Weet gij wie die heer is, die straks bij uw vader was? vroeg hij. De
+heer James Milligan, de oom van uw vriend Arthur.
+
+Daar ik onbeweeglijk middenop straat bleef staan, nam hij mij bij
+den arm, en voortloopende, vervolgde hij:
+
+--Daar het mij verveelde alleen door die sombere straten te loopen, op
+zoo'n triestigen zondag, ben ik maar naar huis gegaan om te gaan slapen
+en ben toen in mijn bed gaan liggen; maar ik heb niet geslapen. Uw
+vader kwam met een heer in den stal en ik hoorde wat zij zeiden,
+zonder bepaald te luisteren. "Zoo stevig als ijzer en staal," zeide
+de heer; "tien anderen zouden dood zijn gegaan; hij heeft er maar een
+bloedspuwing van gekregen." Toen begreep ik, dat men over u sprak en
+luisterde ik; maar het gesprek nam een andere wending.--"Hoe gaat het
+met uw neef?" vroeg uw vader.--"Beter; hij zal er nog wel van opkomen;
+drie maanden geleden hadden alle dokters hem opgegeven; zijne goede
+moeder heeft hem nog gered door hare oppassing; o,'t is een goede
+moeder, die mevrouw Milligan." Gij kunt denken hoe ik mijn ooren
+spitste, toen ik dien naam hoorde. "Dus als uw neefje beter wordt,"
+ging uw vader voort, "zijn al uwe voorzorgen overbodig?"--"Voor het
+oogenblik misschien," antwoordde de heer, "maar ik kan niet aannemen,
+dat Arthur in het leven blijft; dat zou een wonder zijn en wonderen
+zijn er niet meer; maar als hij sterft, moet ik zeker zijn, dat er
+geen andere opdaagt en moet ik, James Milligan, de eenige erfgenaam
+zijn."--"Wees gerust," zeide uw vader, "dat zal gebeuren; daar sta ik
+u voor in."--"Ik reken op u," zeide de gentleman.--En hij voegde er nog
+iets bij, dat ik niet juist begreep, maar dat mij scheen te beteekenen:
+"Voor 't oogenblik zullen wij zien wat ons te doen staat." Toen ging
+hij heen.
+
+Mijne eerste gedachte was naar huis te gaan om aan mijn vader het adres
+van den heer Milligan te vragen, teneinde iets te vernemen omtrent
+Arthur en zijne moeder, maar ik zag terstond in, dat dit een dwaasheid
+zou zijn: een man, die met ongeduld op den dood van zijn neef wachtte,
+was waarlijk de geschikte persoon niet, om hem narichten omtrent dien
+neef te vragen. Van den anderen kant ware het ook zeer onvoorzichtig,
+om aan den heer Milligan te zeggen, dat men had gehoord wat hij zeide.
+
+Arthur leefde; hij was weer beter. Voor het oogenblik gaf die goede
+tijding mij al genot genoeg.
+
+
+
+
+XXXIX.
+
+DE KERSTNACHTEN.
+
+
+Wij spraken over niets anders meer dan over Arthur, mevrouw Milligan
+en James Milligan.
+
+Waar waren Arthur en zijne moeder? Waar zouden wij ze zoeken? Waar
+hen vinden?
+
+Het bezoek van den heer James Milligan had ons op een denkbeeld
+gebracht en een plan doen vormen, dat, naar wij meenden, zeker moest
+gelukken: daar de heer Milligan eenmaal in De Roode Leeuw was geweest,
+konden wij zeker zijn, dat hij er nog wel eene tweede en eene derde
+maal zou komen. Hij deed immers zaken met mijn vader? Als hij dan
+weder wegging, zou Mattia, dien hij niet kende, hem volgen; hij zou
+dan diens woning ontdekken; hij zou zijne bedienden aan 't praten
+brengen, en misschien zou hij ons bij Arthur brengen.
+
+Waarom niet? Dit scheen ons, in ons idee, volstrekt niet zoo
+onmogelijk toe.
+
+Dat mooie plan zou ons niet alleen het voordeel verschaffen, dat wij
+Arthur terugvonden, maar ook een ander, dat reeds dadelijk een einde
+maakte aan de moeielijkheid, waarin ik mij bevond.
+
+Sedert het gebeurde met Capi en na het antwoord van vrouw Barberin,
+hield Mattia niet op in allerlei vorm mij toe te voegen: "Laten wij
+naar Frankrijk terugkeeren." Dat liedje zong hij elken dag op eene
+nieuwe wijs. Maar ik stelde er altijd een ander tegenover, dat ook
+steeds hetzelfde was: "Ik mag mijn ouders niet verlaten." Omtrent de
+vraag wat in dit geval mijn plicht gebood, konden wij het niet eens
+worden, en hoe lang wij erover praatten, het bracht ons niet verder,
+want ieder bleef bij zijne meening. "Gij moet heengaan."--"Ik moet
+blijven."
+
+Toen ik op mijn onveranderlijk antwoord volgen liet: "om Arthur terug
+te vinden", had Mattia niets meer te zeggen: hij kon geen partij vatten
+tegen Arthur; en moest ook niet mevrouw Milligan met de plannen van
+haar schoonbroeder bekend worden gemaakt?
+
+Als wij op den heer James Milligan hadden willen wachten, terwijl wij
+dagelijks van den morgen tot den avond uitgingen, gelijk wij sedert
+onze komst te Londen hadden gedaan, zou dit niet heel verstandig
+zijn geweest, maar de tijd naderde, dat wij, inplaats van overdag op
+straat muziek te maken, dit 's nachts zouden gaan doen; want 't is
+midden in den nacht dat de zoogenaamde _waits_, de kerstconcerten,
+plaats hebben. Dan zouden wij overdag thuis blijven, een van ons zou
+de wacht houden en zeker zouden wij dan den oom van Arthur wel snappen.
+
+--Als gij eens wist hoe ik verlang, dat gij mevrouw Milligan mocht
+terugvinden, zeide Mattia eens.
+
+--Waarom?
+
+Hij aarzelde geruimen tijd en zeide eindelijk:
+
+--Omdat zij zoo goed voor u is geweest.
+
+Toen voegde hij erbij:
+
+--En omdat zij u misschien behulpzaam zou kunnen zijn om uwe ouders
+terug te vinden.
+
+--Mattia!
+
+--Ge wilt dat niet van me hooren: ik verzeker u, dat het mijne schuld
+niet is; maar 't is me onmogelijk een oogenblik aan te nemen, dat
+gij tot de familie Driscoll behoort.--Zie al de leden van dat gezin
+eens aan en vergelijk u zelven dan met hen. Ik spreek nu niet eens
+van hun vlasbollen, maar hebt ge die eigenaardige beweging van de
+hand en dien glimlach van uw grootvader gezien? Zijt gij ooit op de
+gedachte gekomen om manufacturen bij lamplicht te bekijken, zooals
+Driscoll? Is het ooit gebeurd, dat gij met uw armen op tafel in slaap
+zijt gevallen? En hebt gij ooit, als Allen en Ned, aan Capi de kunst
+geleerd om wollen kousen te apporteeren, die niet verloren waren? Neen,
+duizendmaal neen! Men heeft altijd eenige karaktertrekken met zijne
+familie gemeen; en als gij een Driscoll waart geweest, zoudt gij niet
+geaarzeld hebben om u op die manier wollen kousen te verschaffen,
+als gij ze noodig en geen geld in uw zak hadt, wat u meer dan eens
+overkomen is. Wat hebt gij gedaan, toen Vitalis in de gevangenis
+zat? Denkt ge, dat een Driscoll toen zonder eten naar bed zou zijn
+gegaan? En als ik de zoon van mijn vader niet was, zou ik dan op
+den horen kunnen blazen en op de klarinet of de trombône of op welk
+instrument men maar wil, zonder dat ik het ooit geleerd heb? Mijn
+vader was muzikant en ik ben het daarom ook. Dat is heel natuurlijk;
+even natuurlijk is het, dat gij een heer zijt en dat zult gij ook
+worden, zoodra gij mevrouw Milligan hebt teruggevonden.
+
+--En hoe dan?
+
+--Ik heb mijn plan.
+
+--Wilt ge mij uw plan zeggen?
+
+--Neen, zeker niet.
+
+--Waarom niet?
+
+--Omdat het te dom is.
+
+--Zeg het toch maar.
+
+--Het zou al te dom zijn, als het niet gelukte; en men moet zich niet
+verheugen over dingen, die niet gebeuren. Wat wij ondervonden hebben,
+toen wij meenden dat Bethnal-Green een lommerrijk plekje was, moet ons
+wijzer hebben gemaakt. Hebben wij toen ook geen groene velden gezien
+in onze verbeelding en in werkelijkheid slechts modderpoelen gevonden?
+
+Ik drong er niet verder op aan, want ook ik had mijn plan.
+
+Het was wel heel vaag en nevelachtig, veel onnoozeler en veel dommer
+dan dat van Mattia zijn zou, dacht ik, maar juist daarom durfde ik
+er niet op aandringen, dat Mattia mij zijn plan zou mededeelen: wat
+zou ik geantwoord hebben, als dit hetzelfde was als hetgeen mij als
+een droom voor den geest zweefde? Dan zou ik het in woorden hebben
+moeten omschrijven en het met hem durven bespreken.
+
+Wij moesten maar wachten en wij wachtten.
+
+Al wachtende doorkruisten wij Londen, want wij behoorden niet tot die
+bevoorrechte muzikanten, die bezit nemen van een geheele wijk en daar,
+om zoo te zeggen, hun eigen publiek hebben.
+
+Wij waren nog maar knapen en nog te nieuw in het vak om zooveel
+aanspraken te maken, en wij moesten het veld ruimen voor hen, die
+hunne eigendomsrechten konden doen gelden door middelen, waartegen
+wij niet waren opgewassen.
+
+Hoe dikwijls was het gebeurd, dat wij, op het punt om rond te
+gaan met het bakje, na onze mooiste stukken te hebben gespeeld,
+verplicht waren zoo spoedig mogelijk ons uit de voeten te maken voor
+eenige reusachtige Schotten met bloote beenen en bontgeruite rokken,
+plaids en mutsen met een veer, die, zoodra wij maar hun doedelzak
+hoorden, ons de vlucht deden nemen! Met zijn horen had Mattia hunne
+doedelzakken wel kunnen overstemmen, maar tegen de mannen, die de
+doedelzakken bliezen, waren wij niet bestand.
+
+Evenmin konden wij het uithouden tegen de benden negers-muzikanten, de
+_nigger-melodist_, die de straten doorkruisen. Voor die valsche negers,
+die zich zoo potsierlijk uitdossen met rokken met lange smalle panden
+en groote witte boorden, waarin hun hoofd omvat is als een ruiker
+door een stuk papier, waren wij nog banger dan voor de schotsche
+zangers. Zoodra wij hen zagen aankomen of maar hun _banjo_ hoorden,
+zwegen wij eerbiedig en gingen wij naar eene andere wijk, waar wij
+hoopten geen van die benden te ontmoeten; of wel wij schaarden ons
+onder de omstanders en wachtten tot zij hun kattenmuziek geëindigd
+hadden.
+
+Eens dat wij weder in den kring stonden, die zich om hen had
+gevormd, zag ik een van hen, den potsierlijkste van den troep, Mattia
+toewenken. Eerst dacht ik, dat hij den gek met ons stak en het publiek
+wilde onthalen op het een of ander dwaas tafereel, waarbij wij de
+lijdende rol vervullen zouden; maar tot mijne groote verwondering
+zag ik, dat Mattia hem vriendschappelijk toeknikte.
+
+--Kent gij dien man? vroeg ik.
+
+--'t Is Bob.
+
+--Wie is Bob?
+
+--Mijn vriend Bob uit het paardenspel van Gassot, een van de twee
+clowns, van wie ik u wel eens gesproken heb; hij is het, van wien ik
+het beetje engelsch heb geleerd, dat ik ken.
+
+--Hadt ge hem dan niet dadelijk herkend?
+
+--Hoe zou ik hem herkend hebben! Bij Gassot maakte hij zijn hoofd
+wit met meel; hier smeert hij er schoensmeer op.
+
+Toen de voorstelling van de _nigger-melodist_ geëindigd was, kwam
+Bob bij ons en uit de wijze, waarop hij Mattia aansprak en de hand
+drukte, zag ik hoeveel men van mijn vriendje moest hebben gehouden:
+bij een broer had niet zooveel blijdschap uit de oogen en de stem
+kunnen spreken als bij dien voormaligen clown, die om de dure tijden,
+zooals hij zeide, reizend muzikant had moeten worden. Maar wij moesten
+al spoedig scheiden; hij om met zijn troep mede te gaan, wij om eene
+buurt op te zoeken waar zij niet waren. De twee vrienden spraken
+af den volgenden Zondag elkander te zullen vinden, om dan elkaar
+eens te vertellen wat zij beiden ondervonden hadden, sedert zij
+van elkander waren gescheiden. Uit vriendschap voor Mattia zeker,
+was Bob ook voor mij zeer vriendelijk en weldra hadden wij een
+vriend, die door zijne rijpere ervaring het verblijf in Londen ons
+veel aangenamer maakte dan het tot nu toe voor ons geweest was. Hij
+vatte ook een groote genegenheid op voor Capi en dikwijls zeide hij,
+dat als hij een hond had als deze, zijn fortuin spoedig zou gemaakt
+zijn. Meer dan eens deed hij ons ook het voorstel om met ons drieën,
+of liever met ons vieren, bij elkander te blijven: hij, Mattia, Capi
+en ik; maar zoo ik mijn familie niet verlaten wilde om naar Frankrijk
+terug te keeren en Lize en mijne vroegere vrienden te zien, nog veel
+minder wilde ik met Bob Engeland doorkruisen.
+
+Zoo naderde voor ons het Kerstfeest. Inplaats van dan des morgens De
+Roode Leeuw te verlaten, gingen wij elken avond tegen acht of negen
+uur op pad en begaven ons naar de buurten, die wij gekozen hadden.
+
+Het eerst begonnen wij op de meer afgelegen pleinen en straten, waar
+de rijtuigen waren verdwenen: het moest stil zijn, wilde onze muziek
+door de deuren en ramen doordringen en de kinderen doen ontwaken, om
+hun de nadering van het Kerstfeest aan te kondigen, welk feest bij de
+Engelschen in hooge eer wordt gehouden. Naarmate het later in den nacht
+werd, begaven wij ons in de grootere straten. Als de laatste rijtuigen,
+waarmede de menschen uit de schouwburgen terugkeerden, voorbij waren,
+werd het rustiger en zekere kalmte volgde op de woelige drukte van den
+dag. Dan speelden wij onze zachtste, liefelijkste stukjes, die iets
+zwaarmoedigs en godsdienstigs hadden: Mattia's viool scheen te weenen
+en mijne harp zuchtte, en als wij een oogenblik pauze hielden, bracht
+de wind de tonen tot ons over van de muziek, die andere muzikanten een
+paar straten verder maakten. Ons concert was uit. "Heeren en dames,
+goeden nacht en vroolijke Kerstmis."
+
+Dan gingen wij verder, om op eene andere plaats te spelen.
+
+Het moet heerlijk zijn muziek te hooren des nachts, als men in zijn
+bed ligt onder de warme dekens, en op een zachte peluw. Maar voor
+ons waren er geen dekens of peluws: wij moesten spelen met stramme,
+halfbevroren vingers. Nu eens was het een dikke lucht en de natte
+mist drong door onze kleeren heen; dan weder was de hemel helder
+en de scherpe noordenwind scheen het merg in onze beenderen te
+verstijven. Een zachten, zwoelen nacht kent men in Engeland niet,
+vooral niet tegen Kersttijd. O, die Kerstdagen waren wel hard voor
+ons! Toch bleven wij gedurende die drie weken geen enkelen nacht
+in huis.
+
+Hoe dikwijls stonden wij stil, vóór zij nog gesloten waren, voor die
+winkels, waarin gevogelte, vruchten, taarten en wat dies meer zij,
+verkocht werd. Welke prachtige ganzen en kalkoenen en kippen zagen wij
+daar! gansche bergen sinaasappelen en appelen, kastanjes en gedroogde
+pruimen. Vooral de ingelegde vruchten deden ons watertanden.
+
+Er waren zeker veel blijde kinderen, die al dat lekkers genoten en
+zich opgetogen in de armen hunner ouders wierpen.
+
+En terwijl wij door de straten doolden, zagen wij, arme zwervende
+jongens, in onze gedachten de huisgezinnen feestelijk bijeen, zoowel
+in de aanzienlijkste huizen der rijken als in de stulpen van de armen.
+
+En wij wenschten een vroolijke Kerstmis aan hen, die liefde genoten.
+
+
+
+
+XL.
+
+DE ANGST VAN MATTIA.
+
+
+De heer James Milligan kwam niet meer in De Roode Leeuw, of althans
+wij zagen hem niet, hoe wij ook opletten.
+
+Na Kerstmis moesten wij weder overdag uit en onze kans om hem
+te ontmoeten werd minder; onze hoop was nu nog op den zondag
+gevestigd. Wij bleven dan ook dikwijls thuis inplaats van gebruik te
+maken van den vrijen dag, om voor ons pleizier te gaan wandelen.
+
+Wij wachtten.
+
+Zonder onzen toestand geheel te vertellen, had Mattia toch aan zijn
+vriend Bob het een en ander medegedeeld en hem gevraagd of er geen
+mogelijkheid was het adres te ontdekken van eene zekere mevrouw
+Milligan, die een lam zoontje had, of zelfs maar van den heer James
+Milligan. Maar Bob zeide dat men dan allereerst weten moest wie
+die mevrouw Milligan was, of welke betrekking de heer James Milligan
+bekleedde, daar zeer vele menschen in Londen, en nog meer in Engeland,
+den naam van Milligan droegen.
+
+Daaraan hadden wij niet gedacht. Voor ons was er maar één mevrouw
+Milligan, de moeder van Arthur, en een mijnheer James Milligan,
+die de oom was van Arthur.
+
+Toen begon Mattia alweder met zijn raad om naar Frankrijk terug te
+keeren, en opnieuw begonnen wij daarover te kibbelen.
+
+--Gij wilt het dus opgeven om mevrouw Milligan te zoeken? vroeg ik.
+
+--Neen, zeker niet; maar 't is niet uitgemaakt, dat mevrouw Milligan
+nog in Engeland is.
+
+--Evenmin, dat zij in Frankrijk is.
+
+--Dat is toch waarschijnlijk; daar Arthur ziek is geweest, zal zijn
+moeder hem wel naar een land hebben gebracht, waarvan het klimaat
+geschikt is voor zijn herstel.
+
+--Frankrijk is het eenige land niet, waar men een klimaat vindt,
+dat heilzaam is voor eene zwakke gezondheid.
+
+--Arthur is eenmaal in Frankrijk hersteld, daarheen zal zijn moeder
+hem dus wel voor de tweede maal ook gebracht hebben, en bovendien
+zou ik ook gaarne zien, dat gij van hier gingt.
+
+Mijn toestand was van dien aard, dat ik aan Mattia niet durfde vragen,
+waarom hij mij volstrekt hiervandaan wilde hebben; ik was bang,
+dat hij juist datgene zou zeggen wat ik niet wilde hooren.
+
+--Ik ben bang, ging Mattia voort; laat ons dus heengaan. Gij zult zien,
+dat ons een ongeluk overkomt; laat ons gaan.
+
+Ofschoon het gedrag van mijn familie tegenover mij niet veranderd was;
+mijn grootvader nog altijd spuwde als hij mij in zijne nabijheid zag;
+mijn vader mij slechts enkele woorden op een toon van gezag toevoegde;
+mijn moeder mij nooit aanzag, en mijn broers en zusters onuitputtelijk
+waren in het uitdenken van allerlei streken, die mij onaangenaam waren;
+Annie mij haar afkeer toonde bij elke gelegenheid en Kate slechts lief
+was, als ik haar lekkers meebracht, kon ik nog maar niet besluiten
+om den raad van Mattia te volgen, evenmin als ik hem gelooven wilde,
+dat ik de zoon van Driscoll niet was. Twijfelen kon ik, maar vast
+gelooven, dat ik geen Driscoll was, viel mij onmogelijk.
+
+De tijd ging langzaam voorbij, zeer langzaam, maar de dagen volgden
+toch op de dagen en de weken op de weken en het tijdstip naderde,
+waarop de Driscoll's Londen zouden verlaten om hun zwerftocht door
+Engeland te ondernemen.
+
+De twee wagens waren opgeschilderd en zij waren gevuld met al de
+koopwaren, die zij maar bevatten konden en die men in den loop van
+den zomer zou verkoopen.
+
+Er was een ontzaglijke hoeveelheid van allerlei artikelen en het
+was bijna niet te begrijpen, dat alles in die twee wagens kon worden
+gepakt. Het waren manufacturen, gebreid goed, mutsen, omslagdoeken,
+zakdoeken, kousen, onderbroeken, vesten, knoopen, garen, katoen,
+naai- en breikatoen, naalden, scharen, scheermessen, oorringen,
+ringen, zeep, pommade, schoensmeer, slijpsteenen, poeders voor zieke
+paarden en honden, vlekkenwater, tandwater, middelen om 't haar te
+doen groeien of om het te verven, enz.
+
+En terwijl wij in de schuur waren, zagen wij uit den kelder de pakken
+te voorschijn komen, die des nachts in De Roode Leeuw waren gebracht en
+niet geleverd waren door de magazijnen, waar die voorwerpen doorgaans
+worden verkocht.
+
+Eindelijk waren de wagens gevuld; er werden paarden gekocht: hoe en
+waar, dat wist ik niet; maar wij zagen ze thuisbrengen en alles was
+gereed voor het vertrek.
+
+En wat zouden wij gaan doen? zouden wij te Londen blijven met
+grootvader, die De Roode Leeuw niet zou verlaten? zouden wij evenals
+Allen en Ned, de waren moeten te koop bieden; of zouden wij met de
+wagens medegaan en ons vak van muzikant voortzetten in al de steden
+en dorpen, waar wij op onze reis doortrokken?
+
+Mijn vader vond, dat wij een goed daggeld maakten met onze viool
+en onze harp en hij besliste daarom, dat wij muzikanten zouden
+blijven. Dit deelde hij ons mede den dag vóór ons vertrek.
+
+--Laten wij naar Frankrijk terugkeeren, zeide Mattia, en van de eerste
+gelegenheid de beste gebruik maken om te vluchten.
+
+--Waarom zouden wij geen reisje door Engeland maken?
+
+--Omdat ons een ongeluk overkomen zal.
+
+--Wij hebben kans mevrouw Milligan in Engeland te ontmoeten.
+
+--Ik geloof, dat wij daarop veel meer kans hebben in Frankrijk.
+
+--Wij kunnen het altijd in Engeland beproeven; daarna kunnen wij zien.
+
+--Weet ge wat gij verdient?
+
+--Neen.
+
+--Dat ik u verlaat en alleen naar Frankrijk ga.
+
+--Gij hebt gelijk; dat raad ik u ook aan; ik weet wel, dat ik het
+recht niet heb u terug te houden, en ik weet ook wel, dat gij te goed
+zijt om bij mij te blijven; ga dus heen; gij zult Lize opzoeken en
+haar zeggen...
+
+--Als ik haar ontmoet, zou ik haar zeggen, dat gij dom en slecht zijt
+om te gelooven dat ik u ooit zou verlaten, terwijl gij ongelukkig
+zijt. Want gij zijt ongelukkig, zeer ongelukkig! Wat heb ik u gedaan,
+dat gij zoo iets van mij zoudt kunnen denken? Zeg, wat heb ik u
+gedaan? Niets nietwaar? Welnu, vooruit dan!
+
+Alweder waren wij op de groote wegen, maar ditmaal was ik niet vrij
+om te gaan waar ik wilde en te doen wat ik goedvond. Toch had ik
+een gevoel van verlichting toen ik Londen verliet. Ik zou De Roode
+Leeuw niet meer zien en dat luik, dat mij, ondanks mij zelven,
+aantrok. Hoe dikwijls ben ik des nachts met schrik wakker geworden,
+terwijl ik in een benauwden droom een rood schijnsel door het raampje
+zag vallen. Het was een droom, een visioen; maar wat deed dit er toe:
+eenmaal had ik werkelijk dat licht gezien en dit was genoeg om het
+altijd als een brandende vlam voor oogen te hebben.
+
+Wij stapten achter de wagens aan en inplaats van de stinkende en
+ongezonde geuren van Bethnal-Green, ademden wij de zuivere lucht van
+de schoone landschappen, die wij doortrokken en die misschien het
+woord _green_ niet in hun naam hadden, maar groen waren voor de oogen,
+terwijl onze ooren vergast werden op het gezang der vogelen.
+
+Op den dag zelf reeds van ons vertrek, zag ik hoe de verkoop plaats
+had van de waren, die zoo weinig gekost hadden. Wij waren in een groot
+dorp gekomen en de wagens werden op het plein gebracht. Een der wanden,
+die uit verschillende paneelen bestond, werd neergeslagen en de geheele
+voorraad werd uitgestald om de aandacht van het publiek te trekken.
+
+--Koopjes! koopjes! zoo iets heb je nooit gezien! riep mijn vader. Daar
+ik mijn waar niet betaal, kan ik ze goedkoop leveren. Ik verkoop ze
+niet; ik geef ze present. Koopjes! Koopjes!
+
+Ik hoorde menschen, die de prijzen hadden gelezen, onder het weggaan
+tot elkander zeggen:
+
+--'t Zal wel gestolen waar zijn.
+
+--Dat erkent hij zelf.
+
+Als zij mijn kant hadden uitgekeken, zouden zij aan mijn blozen gezien
+hebben, dat hun vermoeden maar al te gegrond was.
+
+Maar zagen zij dien blos niet, Mattia had hem opgemerkt en des avonds
+sprak hij er mij over, hoewel hij gewoonlijk vermeed openhartig over
+dat punt te spreken.
+
+--Zult gij die schande altijd kunnen verduren? vroeg hij.
+
+--Spreek er niet over, als gij niet wilt, dat die schande mij nog
+meer kwelt.
+
+--Dat wil ik niet; maar ik wil samen naar Frankrijk terugkeeren. Ik heb
+u altijd gezegd, dat er een ongeluk gebeuren zal, en ik zeg het u nog;
+en ik voeg er nu bij, dat het niet lang meer zal uitblijven. Begrijp
+dan toch, dat er een politie is en dat deze den een of anderen dag
+zal willen weten hoe Driscoll voor zoo lage prijzen zijn waar kan
+verkoopen. En wat zal er dan gebeuren?
+
+--Mattia, ik bid je....
+
+--Als gij zelf dan niet zien wilt, moet ik het wel voor u doen. Ge
+zult zien dat men ons allen oppakt, ook u en mij, die niets
+gedaan hebben. Maar hoe zullen wij dat bewijzen? Hoe zullen wij ons
+verdedigen? En is het niet waar, dat wij het brood eten voor het geld
+van die gestolen waar gekocht?
+
+Die gedachte was nog nooit bij mij opgekomen; zij trof me, alsof men
+met een hamer op mijn hoofd had geslagen.
+
+--Maar wij verdienen ons brood, zeide ik, om mij te verdedigen,
+niet zoozeer tegen Mattia dan wel tegen die gedachte.
+
+--Dat is waar, hernam Mattia, maar 't is evenzeer waar, dat wij
+vereenigd zijn met menschen, die het hunne niet verdienen. Dat zal men
+zien, en overigens niets anders zien; wij zullen veroordeeld worden,
+evenzeer als zij. Het zou mij diep leed doen, zoo ik veroordeeld werd
+als dief, maar nog veel meer wanneer gij als dief werdt veroordeeld. Ik
+ben maar een arme drommel, en ik zal nooit iets anders zijn; maar
+gij, als gij uw familie hebt weergevonden, uw echte familie, wat
+zal het dan een smart en een schande voor u zijn, als gij zulk een
+vonnis hebt gehad! En als wij in de gevangenis zitten, zullen wij
+allerminst gelegenheid hebben om uwe ouders te ontdekken. En als
+wij in de gevangenis zitten, kunnen wij mevrouw Milligan ook niet
+waarschuwen voor hetgeen James Milligan tegen Arthur in 't schild
+voert. Laten wij ons dus redden, terwijl het nog tijd is.
+
+--Red u zelven.
+
+--Gij zegt altijd dezelfde domheid; wij zullen ons samen redden of
+wij zullen samen opgepakt worden; en als dat gebeurt, wat niet lang
+meer duren kan, zult gij de verantwoordelijkheid dragen, dat gij
+mij met u meegesleept hebt, en wij zullen eens zien of dat besef
+zoo licht te dragen is. Als gij nuttig waart voor hen, bij wie gij
+nu zoo hardnekkig wilt blijven, zou ik dat volhouden begrijpen; maar
+gij zijt volstrekt niet onmisbaar voor hen: zij zullen ook zonder u
+wel leven. Laat ons dus spoedig heengaan.
+
+--Welnu, laat mij nog een paar dagen, om er over na te denken; dan
+zullen wij zien.
+
+--Haast u! de wildeman rook menschenvleesch; ik ruik het gevaar.
+
+Nooit hadden de woorden, de redeneering en de beden van Mattia mij
+zoo sterk getroffen als thans, en als ik eraan dacht, zeide ik tot mij
+zelven, dat de besluiteloosheid, waaraan ik mij maar niet onttrekken
+kon, laf was en dat ik beslissen moest en eindelijk moest weten wat
+ik wilde.
+
+De omstandigheden deden voor mij wat ik zelf niet durfde.
+
+Reeds eenige weken waren voorbijgegaan sinds wij Londen verlaten
+hadden en wij waren in een stad gekomen, in welker omtrek wedrennen
+moesten plaats hebben. In Engeland zijn de wedrennen niet wat zij in
+andere landen zijn, een vermaak alleen voor de rijken, die drie of
+vier paarden tegen elkander laten loopen en zich zelven eens komen
+vertoonen om dan met elkander weddenschappen om een gulden of wat aan
+te gaan. Daar zijn zij volksfeesten voor eene geheele streek en het
+zijn niet de paarden alleen, die men komt zien; op de vlakte of langs
+de kust, waar de wedrennen plaats hebben, komen, somtijds reeds dagen
+te voren, kunstenmakers, muzikanten, reizende kooplieden enz. die daar
+een soort van kermis aanrichten. Wij hadden ons gehaast om eene plaats
+daar te krijgen, wij als muzikanten en de Driscoll's als kooplieden.
+
+Maar inplaats van op het terrein van de wedrennen zich te vestigen,
+had mijn vader eene standplaats ingenomen in de stad zelve, waar hij
+waarschijnlijk betere zaken dacht te maken.
+
+Wij waren al vroeg aangekomen, en daar wij niet behoefden te helpen
+aan het uitstallen der koopwaar, gingen Mattia en ik het terrein van
+de wedrennen eens opnemen, dat op korten afstand van de stad op eene
+heide was gelegen. Er waren een groot aantal tenten opgeslagen en
+van verre zag men smalle rookkolommen opstijgen op de punten, die de
+grenzen vormden van het veld voor de wedrennen. Weldra kwamen wij door
+een hollen weg op de gewoonlijk dorre, naakte vlakte, maar waar dien
+avond houten loodsen waren opgeslagen, waarin men nu ververschingen
+kon bekomen en zelfs nachtverblijf, barakken, tenten en wagens of zelfs
+legerplaatsen met vuren in de open lucht, waaromheen een groot aantal
+menschen in allerlei kleederen zich bewogen, die de schilderachtigste
+groepen vormden.
+
+Toen wij een van die vuren voorbijgingen, waarboven een ketel hing,
+herkenden wij onzen vriend Bob. Hij was recht blij dat hij ons
+zag. Met twee zijner kameraden was hij naar de wedrennen gegaan om
+voorstellingen te geven, maar de muzikanten, op wie zij gerekend
+hadden, hadden geen woord gehouden, zoodat de andere dag, inplaats
+van een goede winst af te werpen, zooals zij gehoopt hadden, zeer
+onvoordeelig zou zijn. Als wij wilden, konden wij hun een grooten
+dienst bewijzen, door de taak van die muzikanten op ons te nemen. De
+opbrengst zouden wij met ons vijven deelen, want ook Capi zou zijn
+aandeel hebben.
+
+Uit een blik van Mattia begreep ik, dat het pleizier zou doen aan
+mijn vriend als wij het voorstel van Bob aannamen, en daar wij vrij
+waren om te doen wat wij wilden, onder voorwaarde slechts dat wij
+eene goede som thuisbrachten, nam ik het aan.
+
+Wij spraken dus af, dat wij den anderen morgen ons ter beschikking
+van Bob en zijne beide vrienden zouden stellen.
+
+Maar toen wij weder in de stad kwamen, deed zich eene moeilijkheid
+voor. Ik vertelde aan mijn vader welke afspraak wij hadden gemaakt.
+
+--Den hond heb ik zelf noodig, zeide hij: gij kunt hem dus niet
+meenemen.
+
+Die woorden maakten mij eenigszins ongerust: wilde hij Capi weder
+voor de eene of andere slechte streek gebruiken? Maar mijn vader deed
+terstond alle vrees bij mij verdwijnen.
+
+--Capi heeft een fijn gehoor, zeide hij, en hij is zeer waakzaam;
+hij kan ons dus van grooten dienst wezen bij de wagens, want bij
+dien toevloed van menschen zouden er wel eens onder kunnen zijn,
+die ons wilden bestelen. Gij gaat dus alleen spelen met Bob en als
+het wat heel laat mocht worden, wat zeer goed mogelijk is, kunt gij
+ons opzoeken in de herberg De Eikenboom, waar wij onzen intrek nemen,
+daar het mijn plan is tegen het vallen van den nacht te vertrekken.
+
+Die herberg De Eikenboom, waar wij den vorigen nacht hadden
+doorgebracht, was een kwartier van de stad gelegen, op het open veld,
+in eene eenzame, sombere streek. Zij werd door een echtpaar gehouden,
+dat niet zeer geschikt was om vertrouwen in te boezemen. Die herberg
+des nachts terug te vinden was niet moeilijk; het was een rechte weg;
+het eenige onaangename was, dat zij nog al ver af lag, wat vooral na
+een zwaren dag geen genoegen was.
+
+Maar dat kon ik aan mijn vader niet zeggen, want deze gedoogde geen
+tegenspraak. Als hij iets gezegd had, moest men gehoorzamen.
+
+Den anderen dag, nadat ik een poos met Capi had geloopen om hem te
+eten en te drinken te geven, zoodat ik zeker kon zijn, dat hij geen
+gebrek zou lijden, maakte ik zelf hem vast aan den wagen, dien hij
+bewaken moest en Mattia en ik gingen naar het terrein van de wedrennen.
+
+Zoodra wij aangekomen waren, begonnen wij muziek te maken en dit
+duurde voort tot des avonds laat. Mijn vingers deden eindelijk zoo
+zeer, of zij door duizenden naalden werden gestoken, en Mattia had
+zooveel op den horen geblazen, dat hij bijna geen adem meer halen
+kon. Toch moesten wij maar blijven spelen, daar Bob en zijn makkers
+met hunne kunsten niet ophielden; van onzen kant mochten wij dus
+ook geen lust nemen. Toen de avond gevallen was, dacht ik dat wij
+rust zouden gaan nemen; maar wij verwisselden onze plaats in de open
+lucht met eene groote houten loods en daar begonnen de kunsten en de
+muziek opnieuw. Dit duurde tot bij middernacht; ik maakte nog altijd
+geluid op mijn harp, maar ik wist niet meer wat ik speelde en Mattia
+wist het evenmin als ik. Al twintigmaal had Bob medegedeeld dat het
+nu de laatste voorstelling zou zijn, en twintigmaal waren wij weder
+opnieuw begonnen.
+
+Zoo wij moe waren, onze makkers, die veel meer hunne krachten moesten
+inspannen dan wij, waren afgemat en al meer dan een van hun toeren
+was mislukt. Bij een van die toeren gebeurde het, dat een staak,
+die daarbij dienst deed, op den voet van Mattia terecht kwam. De
+pijn was zoo hevig, dat hij het uitschreeuwde; ik dacht dat zijn voet
+verpletterd was en wij snelden allen naar hem toe. Gelukkig was de wond
+niet gevaarlijk; zijn voet was gekneusd en het vleesch opengereten,
+maar er was niets gebroken. Loopen kon Mattia evenwel niet.
+
+Wat te doen?
+
+Er werd besloten, dat hij in den wagen van Bob zou slapen en dat ik
+alleen naar de herberg De Eikenboom zou gaan. Ik moest toch weten
+waarheen de familie Driscoll den anderen dag zou heengaan.
+
+--Ga er niet heen, zeide Mattia bij herhaling, dan gaan wij morgen
+samen.
+
+--En als wij dan niemand in de herberg De Eikenboom vinden?
+
+--Des te beter; dan zijn wij vrij.
+
+--Als ik de familie Driscoll verlaat, zal het niet op die manier
+zijn. Bovendien, gelooft gij niet dat zij ons spoedig zou weergevonden
+hebben? Waar wilt gij dan heengaan met uw voet.
+
+--Welnu, wij zullen morgen erheen gaan, als gij wilt, maar niet
+vanavond. Ik ben bang.
+
+--Waarvoor?
+
+--Dat weet ik niet, maar ik ben bang voor u.
+
+--Laat me toch gaan; ik beloof u, morgen terug te zullen komen.
+
+--En als men u terughoudt?
+
+--Om dit te beletten, zal ik mijn harp hier laten; dan moet ik wel
+terugkomen om die te halen.
+
+Ondanks de vrees van Mattia, ging ik op weg, want zelf was ik volstrekt
+niet bang.
+
+Voor wie, voor wat zou ik bang zijn? Wat zou men kunnen verlangen
+van een armen drommel als ik?
+
+Maar al voelde ik niet de minste vrees of een zweem van angst, ik was
+toch zeer ontroerd; 't was voor de eerste maal, dat ik werkelijk alleen
+was, zonder Capi, zonder Mattia, en dat gevoel van verlatenheid drukte
+mij, terwijl de geheimzinnige stemmen van den nacht den gewonen indruk
+op mij maakten. Ook de maan, die mij met haar bleek gelaat aanstaarde,
+stemde mij zwaarmoedig.
+
+Hoe vermoeid ik ook was, ik stapte stevig door en kwam eindelijk aan
+de herberg De Eikenboom, maar hoe ik onze wagens ook zocht, ik vond
+ze niet. Er waren twee of drie ellendige karretjes met huiven, een
+groote loods van planken en twee overdekte karren waaruit het gebrul
+van wilde dieren zich deed hooren, toen ik naderde; maar de fraaie
+wagens met de helle kleuren van de familie Driscoll zag ik nergens.
+
+Toen ik de herberg omliep, zag ik een licht, dat achter een ongesloten
+raam brandde, en daar ik hieruit opmaakte, dat niet ieder nog sliep,
+klopte ik op de deur. De herbergier met zijn ongunstig uiterlijk,
+dien ik den vorigen dag had gezien, deed zelf mij open en hield zijn
+lantaarn vóór me, zoodat het volle licht op mijn gelaat viel. Ik zag,
+dat hij mij herkende, maar inplaats van mij door te laten, hield hij
+de lantaarn achter den rug en een blik om zich werpende, luisterde
+hij eenige oogenblikken aandachtig.
+
+--Uw wagens zijn al vertrokken, zeide hij; uw vader heeft gezegd,
+dat gij onmiddellijk, zonder verwijl, naar Lewes zoudt gaan en den
+ganschen nacht zou doorloopen. Goede reis!
+
+En hij deed de deur voor mijne neus dicht, zonder een woord erbij
+te voegen.
+
+Sedert mijn komst in Engeland had ik genoeg van de taal geleerd om
+die weinige woorden te begrijpen; maar er was één woord in, het
+belangrijkste, dat voor mij onverstaanbaar was. _Louis_, had de
+herbergier gezegd; waar lag dat land? Ik wist het volstrekt niet,
+dat Louis de engelsche uitspraak was van Lewes, een stad, waarvan ik
+den naam wel eens op de kaart had gelezen.
+
+Maar al had ik ook geweten waar Lewes lag, had ik er toch niet dadelijk
+kunnen heengaan, Mattia achterlatende. Ik moest dus naar het terrein
+van de wedrennen terugkeeren, hoe moe ik ook was.
+
+Ik begaf mij dan ook weder op weg en anderhalf uur later lag ik op een
+bos stroo naast Mattia, in den wagen van Bob, en in weinige woorden
+vertelde ik hem wat er gebeurd was; daarna viel ik doodvermoeid
+in slaap.
+
+Eenige uren slaap gaven mij mijn krachten terug, en den anderen morgen
+werd ik wakker, gereed om naar Lewes op weg te gaan, als tenminste
+Mattia, die nog sliep, mij kon volgen.
+
+Toen ik uit het rijtuig stapte, ging ik naar mijn vriend Bob, die
+vóór mij was opgestaan en reeds bezig was het vuur aan te maken. Ik
+sloeg hem gade, terwijl hij daar op handen en voeten lag en met alle
+macht in het smeulend hout onder den ketel blies, toen ik meende Capi
+te herkennen, dien een politieagent aan een touw hield.
+
+Ik was zoo verbaasd, dat ik mij niet verroeren kon en vroeg mij af
+wat dit kon beteekenen. Maar Capi had mij herkend en een ruk gedaan
+aan het touw, zoo krachtig, dat het aan de handen van den agent
+ontsnapte. In een paar sprongen was hij bij mij en in mijn armen.
+
+De agent kwam bij ons.
+
+--Die hond is van u nietwaar? vroeg hij.
+
+--Ja.
+
+--Dan neem ik u in hechtenis.
+
+En hij greep mij krachtig bij den arm.
+
+De woorden en de daad van den agent hadden Bob doen opzien. Hij
+kwam erbij.
+
+--Waarom neemt gij dien knaap in hechtenis? vroeg hij.
+
+--Zijt gij zijn broer?
+
+--Neen, zijn vriend.
+
+--Een man en een jongen zijn dezen nacht in de kerk Sint-George
+geklommen door een hoog raam met behulp van een ladder. Zij hadden
+dezen hond medegenomen, om hen te waarschuwen als men naderde. Zij
+werden overvallen en zij hebben zich den tijd niet gegeven om den
+hond mede te nemen, toen zij uit het venster zich redden en het beest
+heeft hen niet kunnen volgen, daar het in de kerk was opgesloten. Met
+dien hond was ik zeker de dieven te zullen ontdekken en nu heb ik er
+een van. Waar is nu de ander?
+
+Ik weet niet of die vraag gedaan werd aan Bob of aan mij; ik antwoordde
+niet; ik was verpletterd.
+
+Toch begreep ik wat er gebeurd was; ondanks mij zelven raadde ik het:
+men had Capi niet gevraagd om de rijtuigen te bewaken, maar omdat hij
+zulk een fijn gehoor had en hen kon waarschuwen als zij in de kerk aan
+'t stelen waren. Het was dus ook niet alleen om het genot van in De
+Eikenboom te overnachten, dat bij het vallen van den avond de wagens
+waren vertrokken; als zij in die herberg geen halt hadden gehouden,
+was het, omdat de diefstal was ontdekt en men zoo snel mogelijk zich
+uit de voeten moest maken.
+
+Maar niet aan de schuldigen moest ik thans denken, maar aan mij
+zelven; wie zij ook waren, ik kon mij verdedigen en, zonder hen te
+beschuldigen, mijne onschuld bewijzen: ik behoefde slechts te zeggen
+hoe ik dien nacht mijn tijd had doorgebracht.
+
+Terwijl ik zoo redeneerde, was Mattia, die ook den agent had gehoord
+en het gedruisch dat zijne komst tengevolge had gehad, opgestaan en
+uit het rijtuig gekomen en hinkend mij genaderd.
+
+--Maak het hem toch duidelijk, dat ik niet schuldig ben, zeide ik tot
+Bob; ik ben tot één uur bij u geweest, toen ben ik naar de herberg De
+Eikenboom gegaan; daar heb ik den kastelein gesproken en ben terstond
+hierheen teruggekeerd.
+
+Bob herhaalde die woorden voor den agent, maar deze was daardoor
+volstrekt niet overtuigd, zooals ik gehoopt had. Integendeel.
+
+--Het was kwart over eenen toen men in de kerk inbrak, zeide hij;
+die knaap is vanhier vertrokken eenige minuten voor eenen, zooals
+hij zegt. Hij heeft dus om kwart over eenen in de kerk kunnen zijn
+met de dieven.
+
+--Men heeft toch meer dan een kwartier noodig om van hier naar de
+stad te komen, zeide Bob.
+
+--O, als men hard loopt, hernam de agent; bovendien wie bewijst me
+dat hij te een uur is vertrokken!
+
+--Dat zweer ik, zeide Bob.
+
+--O, gij, antwoordde de agent; het zal altijd moeten blijken wat uw
+getuigenis waard is.
+
+Bob werd boos.
+
+--Vergeet niet, dat ik Engelsch onderdaan ben, zeide hij met
+waardigheid.
+
+De agent haalde de schouders op.
+
+--Als gij mij beleedigt, schrijf ik aan de _Times_.
+
+--In afwachting daarvan neem ik dien knaap mede. Hij zal zich voor
+den rechter verantwoorden.
+
+Mattia wierp zich in mijn armen; ik dacht dat hij afscheid van mij
+wilde nemen, maar Mattia liet zijn verstand spreken vóór hij aan zijn
+hart toegaf.
+
+--Houd moed, fluisterde hij mij toe; wij zullen u niet verlaten.
+
+Toen eerst nam hij afscheid van me.
+
+--Houd Capi bij u, zeide ik in 't fransch tot Mattia.
+
+Maar de agent begreep het.
+
+--Neen, neen, zeide hij; ik houd den hond; hij heeft mij dezen doen
+vinden en hij zal mij ook wel op 't spoor van den anderen brengen.
+
+Dit was de tweede maal, dat men mij in hechtenis nam, en toch viel de
+schande mij veel zwaarder dan de eerste maal, want nu gold het niet
+zulk eene dwaze beschuldiging als toen men meende, dat ik eene koe
+had gestolen. Als mijne onschuld was gebleken, zou ik dan niet de
+smart ondervinden diegenen te zien veroordeelen, wier medeplichtige
+men mij geloofde?
+
+Ik moest, door den politieagent vastgehouden, langs de rij van
+nieuwsgierigen gaan, die zich om ons hadden verzameld, maar men jouwde
+mij niet na en dreigde mij niet, zooals in Frankrijk, want zij, die
+er getuigen van waren, waren geen boeren, maar menschen die altijd
+min of meer in oorlog leefden met de politie: kunstenmakers, tappers,
+vagebonden, _tramps_, zooals de Engelschen hen noemen.
+
+De gevangenis, waarin men mij opsloot, was geen gevangenis om den spot
+mede te drijven zooals die eerste, waarin men mij bewaarde; het was
+eene gevangenis met getraliede vensters, waarvan het gezicht alleen
+elk denkbeeld aan ontsnappen verdwijnen deed. De meubels bestonden
+uit een bank om op te zitten en een hangmat om in te slapen.
+
+Ik ging op de bank zitten en bleef daar lang.
+
+Hoe verschrikkelijk was het heden; hoe vreeselijk de toekomst.
+
+"Houd goeden moed", had Mattia mij gezegd: "wij zullen u niet
+verlaten." Maar wat vermocht een knaap als Mattia? Wat vermocht zelfs
+een man als Bob, zoo deze Mattia al wilde helpen?
+
+Als men in de gevangenis is, heeft men slechts één enkele gedachte:
+om eruit te komen.
+
+Hoe zouden Mattia en Bob, als ze mij niet verlieten en alles deden
+om mij van dienst te zijn, mij kunnen helpen om uit de gevangenis
+te komen.
+
+Ik ging naar het venster, opende het om de ijzeren staven te betasten,
+die een kruis ervoor vormden; zij waren in den muur gemetseld. Ik
+onderzocht den muur: hij was meer dan een el dik. De grond bestond uit
+een vloer van groote steenen; de deur was met ijzeren platen beslagen.
+
+Ik keerde naar het venster terug; dit gaf het uitzicht op een smal,
+lang plein, waarvan het uiteinde was gesloten door een grooten muur,
+die minstens vier el hoog was.
+
+Uit deze gevangenis was het wel niet mogelijk te ontsnappen, zelfs al
+werd men geholpen door een paar trouwe vrienden. Wat vermag de meest
+opofferende vriendschap tegen de kracht der dingen? Met vriendschap
+breekt men niet door de muren heen.
+
+Voor mij loste de geheele zaak zich op in de vraag: hoelang ik in
+die gevangenis zou blijven, vóór ik voor den rechter zou verschijnen,
+die over mijn lot beslissen zou?
+
+Zou het mij mogelijk zijn hem van mijn onschuld te overtuigen,
+niettegenstaande Capi in de kerk was?
+
+En zou het mij mogelijk zijn mij te verdedigen, zonder de schuld te
+werpen op hen, die ik niet wilde en niet kon beschuldigen?
+
+Daarin was alles voor mij gelegen en daarin alleen konden Mattia en
+zijn vriend Bob mij van dienst wezen. Hunne taak bestond hierin, dat
+zij getuigen bijbrachten om te bewijzen, dat ik om kwart over eenen
+niet in de kerk Sint-George kon wezen; als zij dat bewijzen konden, was
+ik gered, ondanks het zwijgende getuigenis van mijn armen Capi tegen
+mij. En die bewijzen waren, naar het mij voorkwam, onmogelijk te geven.
+
+O, als Mattia maar geen gekneusden voet had, zou hij wel wat weten te
+vinden en zich moeite geven, om mij te redden: maar in den toestand
+waarin hij nu verkeerde, kon hij misschien niet eens uit den wagen
+komen! En als hij niet kon, zou Bob dan zijne plaats willen innemen?
+
+Die angst, gevoegd bij al hetgeen er buitendien in mij omging,
+belette mij te slapen, ondanks de vermoeienis van den vorigen dag;
+ik kon zelfs het eten niet aanraken, dat men mij bracht. Maar zoo
+ik al het eten liet staan, met destemeer gretigheid viel ik op het
+water aan, want ik leed een versmachtenden dorst en die dag ging ik
+elk kwartier naar mijne kruik en dronk met lange teugen, zonder mijn
+dorst te lesschen of den bitteren smaak weg te nemen, dien ik den
+geheelen dag in den mond had.
+
+Toen ik den cipier in de gevangenis zag komen, had ik een gevoel van
+genot en een zweem van hoop ontwaakte in mij, want sedert het oogenblik
+dat ik hier was opgesloten, verkeerde ik in eene koortsachtige spanning
+over de vraag, die ik maar niet kon oplossen.
+
+"Wanneer zou de rechter mij in verhoor nemen? Wanneer zou ik mij
+kunnen verdedigen?"
+
+Ik had wel eens verhalen gehoord van gevangenen, die men maanden lang
+had opgesloten gehouden, zonder dat men hunne zaak behandelde of zelfs
+hen maar in verhoor nam, wat voor mij hetzelfde was, en ik wist niet,
+dat in Engeland er nooit meer dan een paar dagen verloopen tusschen
+het in hechtenis nemen en de openbare behandeling van de zaak voor
+den rechter.
+
+Die vraag, die ik niet kon oplossen, was dus de eerste, welke ik
+tot den cipier richtte, die er niet kwaad uitzag, en die zoo goed
+was om mij de verzekering te geven, dat ik zeker den volgenden dag
+zou voorkomen.
+
+Maar mijn vraag gaf hem aanleiding om op zijne beurt ook mij een paar
+vragen te doen. Daar hij mij geantwoord had, was het immers niet meer
+dan billijk, dat ik ook hem antwoordde?
+
+--Hoe ben-je toch in die kerk gekomen? vroeg hij.
+
+Op die woorden antwoordde ik met de vurigste verzekeringen van mijne
+onschuld. Maar hij zag mij aan en haalde de schouders op; toen ik
+voortging met te bezweren, dat ik niet in de kerk geweest was, ging hij
+naar de deur en mompelde, terwijl hij zich nog even naar mij omwendde:
+
+--Wat zijn ze toch verdorven, die Londensche straatjongens.
+
+Daarmede ging hij heen.
+
+Die woorden maakten een pijnlijken indruk op me: hoewel de man mijn
+rechter niet was, had ik zoo gaarne gewild, dat hij aan mijne onschuld
+geloofde. Aan mijn toon, aan mijn gelaat moest hij gezien hebben,
+dat ik geen kwaad had gedaan.
+
+Als ik hem overtuigd had, zou het mij dan mogelijk zijn, den rechter
+te overtuigen? Gelukkig had ik getuigen die voor mij spreken zouden;
+en als de rechter mij niet hoorde, dan zou hij toch verplicht zijn
+om de getuigenissen aan te hooren, die mijne onschuld bewezen.
+
+Maar die getuigenissen had ik noodig.
+
+Zou ik ze hebben?
+
+Onder de geschiedenissen van gevangenen, die men mij verteld had,
+was er ook een, waarin voorkwam, dat men aan gevangenen briefjes kon
+doen toekomen in het eten, dat zij kregen.
+
+Misschien zouden Bob en Mattia van dit middel hebben gebruik gemaakt,
+en toen dat denkbeeld in mij was opgekomen, begon ik mijn brood te
+kruimelen, maar ik vond er niets in. Behalve dat brood had men mij
+aardappelen gebracht; ook deze kneedde ik fijn, maar er was geen stuk
+van een briefje in te vinden.
+
+Zeker hadden Mattia en Bob mij niets te zeggen of, wat waarschijnlijker
+was, konden zij mij niets zeggen.
+
+Er bleef mij dus niets anders over dan den volgenden dag af te wachten,
+zonder al te veel aan mijne treurigheid toe te geven, zoo mij dit
+mogelijk was. Ongelukkigerwijze was mij dit niet mogelijk en hoe
+oud ik ook word, steeds zal mij de herinnering aan dien nacht voor
+den geest staan, alsof het gisteren was. Hoe onzinnig was het ook,
+dat ik niet geloofd had aan het voorgevoel en de vrees van Mattia.
+
+Den anderen morgen kwam de cipier in mijne cel met een kruik en een
+waschkom. Hij zeide mij dat ik mij wat kon opknappen, als ik er lust in
+had, want dat ik straks voor den rechter zou verschijnen en hij voegde
+er bij, dat een net voorkomen somtijds het beste verdedigingsmiddel
+voor een beschuldigde is.
+
+Toen ik mij zoo netjes mogelijk had gemaakt, wilde ik op mijn bank
+gaan zitten, maar 't was mij onmogelijk om op mijn plaats te blijven
+en ik liep in mijne cel heen en weder, als de dieren in hunne kooi.
+
+Ik wilde mijne verdediging en mijne antwoorden vooruit klaarmaken,
+maar mijn hoofd was te veel in de war; ik kon niet denken aan mijn
+tegenwoordigen toestand; ik was met allerlei zonderlinge dingen
+bezig, die in mijn hersens zich verwarden, als de beelden in een
+tooverlantaren.
+
+De cipier kwam terug en gelastte mij hem te volgen. Ik liep naast hem,
+en na een aantal gangen te zijn doorgegaan, kwamen wij aan eene kleine
+deur, die hij opende.
+
+--Ga binnen, zeide hij.
+
+Een warme lucht kwam mij tegen en ik hoorde een verward gedruisch. Ik
+trad binnen en bevond mij in eene kleine, afgesloten ruimte, de zaal
+van het gerechtshof.
+
+Hoewel ik aan eene soort van zinsverbijstering ten prooi was en
+de aderen van mijne slapen voelde kloppen, alsof zij straks barsten
+zouden, een enkele blik, dien ik om mij heen wierp, deed mij duidelijk
+zien al wat mij omringde: de geheele zaal en al de menschen, die er
+zich in bevonden.
+
+Zij was vrij groot die zaal, zeer hoog en met breede ramen; zij
+was verdeeld in twee deelen: het eene was voor de rechters en de
+beschuldigden, het andere voor de nieuwsgierigen.
+
+Op eene verhevenheid was de rechter gezeten; iets lager vóór hem zaten
+drie rechterlijke ambtenaren, zooals ik later vernam, de griffier, een
+penningmeester voor de boeten en een ander rechterlijk ambtenaar, dien
+men in Nederland het "openbaar ministerie" noemt. Voor mijn afgesloten
+bankje zat iemand met een toga en een pruik: dat was mijn advocaat.
+
+Hoe kwam het dat ik een advocaat had? Waar kwam hij vandaan? Wie had
+hem mij gegeven? Dat waren vragen, die ik op dit oogenblik moeilijk
+kon oplossen. Maar ik had een advocaat en dat was genoeg.
+
+In eene andere bank zag ik Bob zelf met zijne twee makkers; den
+herbergier uit De Eikenboom en menschen, die ik niet kende, en in
+eene bank tegenover hen herkende ik den politie-agent, die mij in
+hechtenis had genomen. Verscheidene andere personen waren bij hen;
+ik begreep, dat dit de bank der getuigen moest zijn.
+
+De ruimte voor het publiek was dicht gevuld; boven de balustrade zag
+ik Mattia; onze oogen ontmoetten elkander en wij lazen er in wat wij
+dachten. Dadelijk kreeg ik moed. Ik zou verdedigd worden; ik moest
+dus de hoop niet opgeven om ook mij zelf te verdedigen; ik werd niet
+langer verpletterd door de oogen, die op mij gericht waren.
+
+De ambtenaar van het openbaar ministerie nam het woord en sprak zeer
+kort. Hij scheen haast te hebben. Hij stelde de zaak voor: er had
+een diefstal plaats gehad in de Sint-Georgekerk; de dieven, een man
+en een knaap, waren er binnengekomen met behulp van een ladder en
+door het verbreken van een glasraam. Zij hadden een hond met zich
+genomen, om de wacht te houden en hen te waarschuwen als er gevaar
+mocht dreigen en er iemand kwam. Een voorbijganger, die laat naar huis
+terugkeerde--het was kwart over eenen--, had met verwondering licht
+in de kerk bespeurd en hij had iets hooren kraken. Daarop had hij den
+koster gewekt; men was met eenige andere mannen naar de kerk gegaan,
+maar toen had de hond aangeslagen en terwijl men de deur opende,
+waren de dieven door het venster gevlucht, den hond achterlatende,
+die de ladder niet kon opklimmen. Die hond, naar het terrein van de
+wedrennen gebracht door den agent Jerry, wiens doorzicht en ijver
+niet genoeg konden worden geprezen, had zijn meester herkend, die
+niemand anders was dan de beschuldigde op gindsche bank gezeten. Wat
+den anderen dief betrof, dien was men op het spoor.
+
+Na eenige beschouwingen, die mijne schuld moesten bewijzen, zweeg
+het openbaar ministerie, en eene schelle stem riep: "Stilte."
+
+Toen vroeg de rechter, zonder zich tot mij te wenden, en alsof hij
+tot zichzelven sprak, hoe ik heette, hoe oud ik was en welk beroep
+ik uitoefende.
+
+Ik antwoordde in het engelsch, dat ik Francis Driscoll heette
+en bij mijne ouders te Londen woonde, in De Roode Leeuw, in
+Bethnal-Green. Daarop verzocht ik verlof om van de fransche taal
+gebruik te maken, daar ik in Frankrijk was grootgebracht en eerst
+eenige maanden in Engeland mijn verblijf hield.
+
+--Tracht mij niet te bedriegen, zeide de rechter op strengen toon;
+ik ken fransch.
+
+Ik deed dus mijn verhaal in het fransch; ik deed uitkomen hoe volkomen
+onmogelijk het was, dat ik te een uur in de kerk was geweest, daar
+ik tot op dien tijd op het terrein der wedrennen was, en dat ik te
+halfdrie bij de herberg De Eikenboom was geweest.
+
+--En waar waart gij te kwart over eenen? vroeg de rechter.
+
+--Onderweg.
+
+--Dat staat te bewijzen. Gij zegt, dat gij opweg waart naar de herberg
+De Eikenboom en volgens de akte van beschuldiging waart gij in de
+kerk. Als gij eenige minuten vóór eenen het veld van de wedrennen
+verlaten hebt, kunt gij bij uw medeplichtige zijn geweest bij den
+muur der kerk, die u daar met een ladder wachtte, en nadat uw diefstal
+mislukt was, kunt gij naar de herberg De Eikenboom zijn gegaan.
+
+Ik trachtte aan te toonen, dat het niet mogelijk was, maar ik bemerkte
+duidelijk, dat ik den rechter niet had overtuigd.
+
+--En hoe verklaart gij de tegenwoordigheid van uw hond in de
+kerk? vroeg de rechter.
+
+--Die kan ik niet verklaren, die begrijp ik zelf niet; mijn hond was
+niet bij mij; ik had hem des morgens aan een onzer wagens vastgemaakt.
+
+Het betaamde mij niet er iets meer van te zeggen, want ik wilde geen
+wapens in de hand geven tegen mijn vader. Ik zag Mattia aan, die mij
+wenkte, dat ik verder zou gaan, maar ik ging niet verder.
+
+Men riep een getuige en deed hem den eed afleggen op den bijbel en
+beloven, dat hij de waarheid zou zeggen, zonder haat of nijd.
+
+Het was een dikke man met een dom gelaat, niet groot van gestalte en
+zeer statig, ondanks zijn vuurrood gezicht en zijn blauwen neus. Vóór
+hij den eed aflegde, maakte hij eene kniebuiging voor den rechter en
+richtte zich toen met veel waardigheid op. Het was de koster van de
+parochie Sint-George.
+
+Hij begon uitvoerig te verhalen, hoe hij gestoord en verontwaardigd
+was, toen men hem plotseling had gewekt om hem mede te deelen, dat
+er dieven in de kerk waren. Zijn eerste gedachte was, dat men hem een
+poets wilde spelen, maar daar men geen poetsen speelt aan personen van
+zijne qualiteit, had hij begrepen, dat er iets ernstigs gebeurde; hij
+had zich toen aangekleed, met zooveel haast, dat er twee knoopen van
+zijn vest waren gesprongen; eindelijk was hij naar beneden gesneld;
+hij had de kerkdeur geopend; en hij had gevonden.... wie? of liever
+wat?... Een hond.
+
+Ik had daarop niets te antwoorden; maar mijn advocaat, die tot op dat
+oogenblik gezwegen had, stond op, schudde zijne pruik, schoof zijne
+toga op de schouders glad en nam het woord.
+
+--Wie heeft gisteren de deur van de kerk gesloten? vroeg hij.
+
+--Ik, zeide de koster, zooals mijn plicht is.
+
+--Zijt gij daar zeker van?
+
+--Als ik iets doe, ben ik zeker, dat ik het doe.
+
+--En als gij het niet doet?
+
+--Dan ben ik zeker, dat ik het niet doe.
+
+--Zeer goed; dus kunt gij zweren, dat gij den hond, waarvan hier
+sprake is, niet in de kerk hebt gesloten?
+
+--Als de hond in de kerk was geweest, zou ik hem gezien hebben.
+
+--Hebt gij goede oogen?
+
+--Ik heb oogen als iedereen.
+
+--Zijt gij, zes maanden geleden, niet tegen een kalf geloopen, dat
+opengesneden voor den winkel van een slachter hing?
+
+--Ik zie het belang niet in van zulk eene vraag aan een man van mijn
+qualiteit! riep de koster uit, terwijl zijn gezicht blauw werd.
+
+--Wilt gij mij de groote beleefdheid bewijzen om op die vraag te
+antwoorden, alsof zij werkelijk van belang was?
+
+--Het is waar, dat ik tegen een dier ben aangeloopen, dat zeer onhandig
+voor een winkel was opgehangen.
+
+--Hadt gij het dan niet gezien?
+
+--Ik was in gedachten verdiept.
+
+--Hadt gij gegeten, toen gij de deur van de kerk sloot?
+
+--Zeker.
+
+--En toen gij tegen dat kalf aanliept, hadt ge toen ook niet gegeten.
+
+--Maar....
+
+--Gij zegt, dat gij niet gegeten hadt?
+
+--Toch wel.
+
+--En drinkt gij licht of zwaar bier?
+
+--Zwaar bier.
+
+--Hoeveel halve kannen?
+
+--Twee.
+
+--Nooit meer?
+
+--Wel eens drie.
+
+--Nooit vier? Nooit zes?
+
+--Dat gebeurt zeer zelden.
+
+--Drinkt gij geen grog na uw middagmaal?
+
+--Soms.
+
+--Houdt ge van sterken of slappen grog?
+
+--Niet te slap.
+
+--Hoeveel glazen drinkt gij dan?
+
+--Dat hangt ervan af.
+
+--Zijt gij bereid te zweren, dat gij soms niet drie of vier glazen
+drinkt?
+
+Daar de koster, die hoe langer hoe blauwer werd, niet antwoordde,
+ging de advocaat zitten en zeide onder de hand:
+
+--Die vragen bewijzen genoeg, dat de hond zeer goed in de kerk
+kon opgesloten zijn door den getuige, die na zijn middagmaal geen
+kalveren ziet, omdat hij in gedachten verdiept is. Dat is alles wat
+ik wilde weten.
+
+Als ik gedurfd had, zou ik mijn advocaat om den hals zijn gevlogen. Ik
+was gered.
+
+Waarom zou Capi niet in de kerk zijn gesloten? Dat was zeer wel
+mogelijk. En als hij op die wijze opgesloten was, zou ik niet in de
+kerk zijn ingebroken; ik was dus niet schuldig, daar dit het eenige
+bewijs was, dat tegen mij was aangevoerd.
+
+Na den koster hoorde men de menschen, die met hem waren medegegaan,
+toen hij naar de kerk ging, maar zij hadden niets gezien, behalve
+het open raam, waardoor de dieven waren ontvlucht.
+
+Daarna hoorde men mijne getuigen: Bob, zijne makkers, den herbergier,
+die allen getuigden omtrent den tijd, waarop zij mij gezien hadden;
+een enkel punt werd echter niet opgehelderd, en dit was van veel
+gewicht, omdat het den juisten tijd betrof, waarop ik het terrein
+van de wedrennen had verlaten.
+
+Toen het getuigenverhoor was afgeloopen, vroeg de rechter mij, of
+ik niets te zeggen had, er bijvoegende dat ik zwijgen kon, indien ik
+dit beter achtte.
+
+Ik zeide, dat ik onschuldig was en mijne zaak vertrouwde aan de
+rechtvaardigheid der rechters.
+
+Toen liet de rechter het procesverbaal voorlezen van de verklaringen,
+die ik had hooren afleggen en zeide daarop, dat ik overgebracht zou
+worden naar de gevangenis van het graafschap, om daar te wachten tot
+de groote rechtbank van gezworenen bijeenkwam, die beslissen zou of
+ik al dan niet naar het crimineel gerechtshof zou worden verwezen.
+
+Het crimineel gerechtshof!
+
+Ik zonk op mijn bank neder. Helaas! waarom had ik ook niet naar den
+raad van Mattia geluisterd!
+
+
+
+
+XLI.
+
+BOB.
+
+
+Eerst lang nadat ik weder in mijne gevangenis zat, begon ik de reden
+te begrijpen, waarom men mij niet in vrijheid had gesteld: de rechter
+wilde wachten tot de andere personen, welke in de kerk gedrongen waren,
+in hechtenis waren genomen, om te zien of ik hun medeplichtige was.
+
+Men was hen op het spoor, had het openbaar ministerie gezegd; ik
+zou dus de smart en de schande hebben om weldra weder op de bank der
+beschuldigden naast hen te zitten.
+
+Wanneer zou dat gebeuren? Wanneer zou ik overgebracht worden naar
+de gevangenis van het graafschap? Waar was die? Was die nog akeliger
+dan de gevangenis waar ik nu opgesloten was?
+
+Die vragen hielden mij zoo bezig, dat de tijd spoediger voorbijging
+dan den vorigen dag. Ik was niet meer ten prooi aan het ongeduld,
+waarvan men de koorts krijgt. Ik wist, dat ik moest wachten.
+
+En nu eens heen en weer loopende, dan weder op mijne bank zittende,
+wachtte ik.
+
+Even voor de nacht viel, hoorde ik op den horen blazen, en ik herkende
+terstond het spel van Mattia; de goede jongen wilde mij doen weten,
+dat hij aan mij dacht en waakte. Het geluid kwam van gindsche zijde van
+den muur, die over mijn venster was. Mattia moest dus aan de andere
+zijde van den muur zijn, in de straat en wij waren slechts door een
+korten afstand gescheiden, eenige ellen ternauwernood; ongelukkig
+konden mijne oogen niet door de steenen heendringen. Maar zoo het oog
+niet door de muren heendringt, het geluid gaat er overheen. De tonen
+van Mattia's horen gingen gepaard met het gedruisch van voetstappen
+en uit het gegons, dat ik daar hoorde, begreep ik dat Mattia en Bob
+eene voorstelling gaven.
+
+Waarom hadden zij die plaats uitgekozen? Was het omdat zij daar op
+eene goede ontvangst konden rekenen? of wilden zij mij iets mededeelen?
+
+Opeens hoorde ik eene heldere stem, die van Mattia, in het fransch
+roepen: "Morgen bij het aanbreken van den dag." Terstond daarop begon
+hij weder met kracht op zijn horen te blazen.
+
+Men behoefde niet veel doorzicht te hebben om te begrijpen, dat
+Mattia niet tot het engelsche publiek die woorden "morgen bij het
+aanbreken van den dag" richtte. Zij waren voor mij bestemd. Maar
+wat zij beteekenden, was volstrekt zoo gemakkelijk niet te raden, en
+wederom stelde ik mij een tal van vragen voor, waarop ik onmogelijk
+een bevredigend antwoord kon vinden.
+
+Een enkele zaak was duidelijk en klaar: den anderen morgen bij het
+aanbreken van den dag moest ik wakker zijn en opletten. Tot zoolang
+behoefde ik maar geduld te hebben, als mij dit mogelijk was.
+
+Zoodra het geheel donker geworden was, ging ik in mijn hangmat
+liggen en trachtte ik in te slapen; ik hoorde achtereenvolgens op de
+omliggende torenklokken de uren slaan; toen overviel mij de slaap en
+droeg me op zijne vleugelen mede.
+
+Toen ik wakker werd, was het nog stikdonker nacht; de sterren
+schitterden aan den donkeren hemel; zeker was de morgen nog ver. Toch
+ging ik op mijn bank zitten, en ik bleef daar zitten, uit vrees,
+dat ik de aandacht zou wekken van den cipier, zoo deze misschien
+eene ronde mocht doen. Weldra sloeg het drie uren op de nabijgelegen
+torenklok. Ik was dus te vroeg opgestaan; maar ik durfde niet meer
+gaan slapen, en ik geloof zelfs, als ik het had beproefd, dat het
+toch niet gelukt zou zijn. Ik was te koortsachtig, te angstig.
+
+Mijne eenige bezigheid was nu de uren te tellen die de klokken
+aangaven, maar wat duurden die vijftien minuten lang tusschen het
+eene kwartier en het andere; soms zoolang zelfs, dat ik meende te
+zijn ingedommeld en een kwartier te hebben overgeslagen of wel,
+dat de klok van streek was.
+
+Tegen den muur geleund, had ik de oogen onafgebroken op het venster
+gericht; het scheen mij eindelijk toe, dat de ster, die ik in het
+oog had, haar glans verloor en dat de lucht witter werd.
+
+Het was de nadering van den dag; in de verte begonnen de hanen
+te kraaien.
+
+Ik stond op en op de toonen sloop ik naar het venster om het te
+openen. Dit was eene moeilijke taak, want ik wilde voorkomen dat men
+het knarsen of piepen zou hooren, maar door het zeer zacht en vooral
+zeer langzaam te doen, slaagde ik er toch in.
+
+Hoe gelukkig dat mijne cel zich bevond in eene voormalige zaal, die tot
+gevangenis was ingericht en dat men het op de ijzeren traliën had laten
+aankomen om de gevangenen te bewaren, want als ik mijn venster niet had
+kunnen openen, zou ik nooit Mattia hebben kunnen beantwoorden. Maar
+het raam open te maken was nog niet alles; de ijzeren staven bleven,
+en ook de dikke muren en de deur met het ijzeren beslag. Het was dus
+eene dwaasheid aan de vrijheid te denken, en toch hoopte ik.
+
+De sterren verbleekten al meer en meer en de koude morgenlucht deed
+mij bibberen; toch verliet ik het raam niet; ik bleef daar staan
+en luisterde en keek, zonder te weten wat ik doen moest of waarnaar
+ik luisterde.
+
+Een groot wit doek scheen naar de lucht te worden opgetrokken en op
+den grond werden meer en meer de voorwerpen in duidelijke trekken
+kenbaar. Het was thans het aanbreken van den dag, waarvan Mattia
+gesproken had. Ik luisterde met ingehouden adem; maar ik hoorde niets
+dan het kloppen van mijn eigen hart.
+
+Toen meende ik een licht krabbelen tegen den muur te vernemen,
+maar daar ik geen voetstappen gehoord had, dacht ik dat ik mij
+vergissen moest. Ik luisterde nogmaals aandachtig en het krabbelen
+duurde voort. Eensklaps zag ik een hoofd boven den muur uitkomen en
+terstond daarop bleek mij, dat het Mattia niet kon zijn; hoewel het
+nog slechts schemerde, herkende ik Bob.
+
+Hij zag mij tegen mijne tralies gedrukt.
+
+--St! riep hij op gedempten toon.
+
+En met de hand maakte hij een gebaar dat scheen te beteekenen, dat
+ik mij niet van het venster moest verwijderen. Zonder hem nog te
+begrijpen, gehoorzaamde ik. In zijne andere hand had hij een langen
+koker, die mij toescheen van glas te zijn. Hij bracht dien aan den
+mond. Nu begreep ik dat het een blaaspijp was. Ik hoorde iets suizen
+en op hetzelfde oogenblik schoot een wit balletje door de lucht en
+viel voor mijne voeten neer. Onmiddellijk verdween het hoofd van Bob
+achter den muur en ik hoorde niets meer.
+
+Ik wierp mij op het balletje; het was een dicht ineengefrommeld
+stuk fijn papier om een hageltje. Het kwam me voor dat er letters op
+waren geschreven, maar het was nog niet helder genoeg om ze te kunnen
+lezen. Ik moest dus wachten tot de dag zou zijn doorgebroken.
+
+Met even groote behoedzaamheid, als ik het raam had geopend, sloot
+ik het nu weer en kroop dadelijk in mijn hangmat, het balletje in
+mijn hand geklemd houdende.
+
+Langzaam, zeer langzaam voor mijn ongeduld werd de hemel lichter,
+en eindelijk viel er een rosachtige gloed op mijn muur. Ik wikkelde
+nu het papier los en las:
+
+"Morgen wordt gij naar de gevangenis van het graafschap overgebracht:
+gij reist met den spoortrein in een wagen tweede klasse onder geleide
+van een politieagent; ga aan den kant van het portier zitten, waar gij
+instijgt. Als gij vijf en veertig minuten gespoord hebt (tel ze goed)
+zal de trein een weinig langzamer beginnen te loopen bij de nadering
+van een zijtak; doe dan het portier open en spring moedig uit den
+wagen. Spring vooruit met de handen uitgestrekt en zóó, dat gij op
+uwe voeten te land komt. Zoodra gij op den grond zijt, klim dan tegen
+den linkerspoordijk op; wij zullen daar met een rijtuig en een goed
+paard zijn om u op te nemen. Vrees niets; twee dagen later zijn wij
+in Frankrijk. Houd moed en hoop; spring vooral flink vooruit en zorg,
+dat gij op uw beenen te staan komt."
+
+Gered! Ik zou dus niet voor het gerechtshof verschijnen. Ik zou niet
+zien wat daar gebeurde!
+
+O, die goede Mattia; die goede Bob! want deze was het, dit weet ik
+zeker, die zoo belangloos Mattia terzijde stond. "Wij zullen daar
+zijn met een goed paard." Mattia alleen had nooit zulk een plan
+kunnen maken.
+
+Ik las het briefje nog eens over: "vijf en veertig minuten na uw
+vertrek; de linkerspoordijk; op mijn beenen terecht komen!" Zeker zou
+ik flink springen, al moest het mij 't leven kosten. Het was beter
+te sterven dan veroordeeld te worden als dief.
+
+Wat was dat heerlijk verzonnen!
+
+Over twee dagen zouden wij in Frankrijk zijn.
+
+Ondanks mijne blijdschap was er toch één ding, dat mij leed deed: wat
+zou er van Capi worden? Maar die gedachte liet ik spoedig varen. Het
+was niet mogelijk, dat Mattia Capi in den steek zou laten. Als hij
+een middel gevonden had om mij te doen ontsnappen, zou hij er ook
+wel een gevonden hebben voor Capi.
+
+Ik las het briefje nog twee- of driemaal over. Daarna kauwde ik het
+fijn en slikte het door. Thans kon ik gerust slapen. Daar legde ik
+mij zoo geheel op toe, dat ik eerst ontwaakte, toen de cipier mij
+riep voor het ontbijt.
+
+De tijd ging den anderen dag vrij spoedig om. In den namiddag kwam
+een politieagent, dien ik niet kende, in mijne cel en gelastte mij
+hem te volgen: ik zag met genoegen, dat het een man was van vijftig
+jaar ongeveer en die er niet heel vlug uitzag.
+
+De zaken konden dus gebeuren, zooals Mattia had geschreven en toen de
+trein op gang was, nam ik plaats bij het portier aan den kant waar ik
+ingestegen was. Ik reed achteruit; de politieagent zat tegenover mij;
+wij waren de eenigen in een coupé.
+
+--Spreekt gij engelsch? vroeg hij.
+
+--Een beetje.
+
+--Verstaat gij het?
+
+--Zoowat, als men niet te gauw spreekt.
+
+--Welnu, mijn jongen, dan wil ik u een goeden raad geven. Wees niet
+koppig tegenover de rechters; beken. Dan zal iedereen even welwillend
+voor je worden. Niets ontstemt de menschen meer dan dat ontkennen
+tegen alle bewijzen in. Tegenover hen die voor hun schuld uitkomen
+is men altijd welwillend gezind. Ik zelf, bijvoorbeeld, wil u met
+pleizier een rijksdaalder geven, als gij me zegt hoe de zaak zich
+toegedragen heeft. Ge zult eens zien wat gij met dat geld in eene
+gevangenis doen kunt tot veraangenaming van uw lot.
+
+Ik was op het punt om te antwoorden, dat ik niets te bekennen had,
+maar ik begreep nog bijtijds dat het beter was mij de welwillendheid
+te verwerven, zooals hij het noemde, van den politieagent en ik
+antwoordde dus niet.
+
+--Gij kunt er over nadenken, ging hij voort, en wanneer gij in de
+gevangenis inziet, dat ik u een goeden raad gegeven heb, kunt ge mij
+doen roepen. Want, ziet ge, men moet zijn schuld niet bekennen aan
+den eerste den beste; men moet zijn man weten te kiezen, die dan met
+belangstelling u helpen zal, waar hij kan; en gij ziet wel dat ik
+geneigd ben u van dienst te zijn.
+
+Ik knikte toestemmend.
+
+--Vraag maar naar Dalphen; dien naam zult gij wel onthouden, nietwaar?
+
+--Ja mijnheer.
+
+Ik stond tegen het portier geleund, waarvan het glas was
+neergelaten. Ik vroeg hem verlof om het land te zien dat wij
+doorreisden en daar hij zich mijne "genegenheid wilde verwerven",
+zeide hij, dat ik kon kijken zooveel ik wilde. Wat had hij ook te
+vreezen: de trein was in volle vaart!
+
+De lucht, die door het open raampje binnendrong, was ijskoud en hij
+verwijderde zich van het portier om middenin de coupé plaats te nemen.
+
+Ik voor mij voelde geen tocht; ongemerkt stak ik mijn arm naar
+buiten en draaide met mijn rechterhand den knop om, maar hield het
+portier tegen.
+
+De tijd ging voorbij, de locomotief floot en verminderde terstond
+in snelheid; eensklaps duwde ik het portier open en sprong zoover
+ik kon. Ik werd in de greppel geworpen; gelukkig hield ik de handen
+voor mij uit en greep ik in het gras van den spoordijk. Toch was de
+schok zoo hevig, dat ik naar beneden stortte en in zwijm viel.
+
+Toen ik tot mij zelven kwam, meende ik nog in den spoortrein te zitten;
+want ik voelde, dat ik snel voortbewoog en ik hoorde het rollen van
+wielen. Ik lag op een bos stroo.
+
+Zonderling! mijn gezicht was nat en op mijne wangen en mijn voorhoofd
+voelde ik een zachte streeling en een warmen adem.
+
+Ik opende de oogen; een hond, een leelijke gele hond, lag voor mij
+en likte mij.
+
+Mijne oogen ontmoetten die van Mattia, die naast mij op zijne
+knieën lag.
+
+--Gij zijt gered, zeide hij, terwijl hij den hond opzij duwde en
+mij omhelsde.
+
+--Waar zijn wij?
+
+--In een rijtuig. Bob ment.
+
+--Hoe gaat het ermee? vroeg Bob, zich omkeerende.
+
+--Ik weet niet, ik geloof goed.
+
+--Beweeg uw armen en beenen eens! riep Bob.
+
+Ik lag op het stroo uitgestrekt en deed wat hij zeide.
+
+--'t Is in orde, zeide Mattia; er is niets gebroken.
+
+--Maar wat is er dan gebeurd?
+
+--Gij zijt uit den trein gesprongen, zooals wij u geraden hadden. Maar
+de schok was zoo erg, dat gij gevallen zijt en in de greppel terecht
+gekomen. Toen wij u niet zagen verschijnen, is Bob langs den spoordijk
+afgezakt, terwijl ik het paard vasthield en hij heeft u naar boven
+gedragen. Wij dachten dat gij dood waart. Wat waren wij bang! Wat
+waren wij bedroefd! Maar nu zijt ge gered.
+
+--En de politieagent?
+
+--Hij reist verder met den trein, die niet stilstond.
+
+Nu wist ik het voornaamste. Ik wierp een blik om mij heen, en bespeurde
+nu een gelen hond, die mij vriendelijk aanzag met oogen, welke op
+die van Capi geleken. Maar het was Capi niet, want Capi was wit.
+
+--En Capi? vroeg ik, waar is die?
+
+Vóór dat Mattia mij geantwoord had, was de gele hond op mij gesprongen
+en likte mij, terwijl hij een zacht gejank deed hooren.
+
+--Maar dat is Capi; wij hebben hem laten verven.
+
+Ik beantwoordde de liefkoozingen van Capi, en drukte hem in mijne
+armen.
+
+--Waarom hebt gij hem laten verven? vroeg ik.
+
+--Dat is eene heele geschiedenis; ik zal ze u vertellen.
+
+Maar Bob wilde niet, dat Mattia dit verhaal thans deed.
+
+Neem de teugels, zeide hij tot Mattia, en houd ze stevig vast;
+dan zal ik den wagen zóó in orde brengen, dat men hem niet aan de
+barrière herkent.
+
+Het was een wagen met eene witte huif overspannen, die op hoepels
+rustte. Hij legde de hoepels erin, vouwde de huif in vieren en
+bedekte mij daarmede. Toen moest Mattia de teugels loslaten en zich
+ook onder de huif verbergen. Hierdoor kreeg de wagen een geheel ander
+voorkomen. Zij had geen huif meer en inplaats van drie personen, zat
+er maar één man in. Als men ons nazette, zou de beschrijving, die men
+van ons rijtuig gaf, geheel anders wezen dan ze voor een halfuur zou
+zijn geweest, en dit zou dus onze vervolgers op een dwaalspoor brengen.
+
+--Waar gaan wij heen? vroeg ik aan Mattia, toen hij naast mij lag.
+
+--Naar Littlehampton; dat is een kleine zeehaven, waar Bob een broer
+heeft die schipper is op een bootje, dat op Frankrijk vaart, en te
+Isigny in Normandië boter en eieren haalt. Als wij gered worden--en wij
+zullen gered worden--zullen wij het aan Bob te danken hebben. Die heeft
+alles gedaan. Wat had ik voor u kunnen doen, ik arme, domme knaap! Bob
+is op het denkbeeld gekomen om u uit den trein te doen springen, en
+mijn briefje door een blaaspijp u toe te werpen, en hij is het, die
+zijne kameraads bewogen heeft om hem dit paard te leenen. Hij is het
+ook, die ons een schip zal bezorgen om naar Frankrijk over te steken,
+want ge begrijpt wel dat, zoo we op een stoomboot plaats namen, gij
+weer in hechtenis zoudt worden genomen. Nu ziet ge hoe goed het is
+vrienden te hebben.
+
+--En wie is op de goede gedachte gekomen om Capi mede te nemen?
+
+--Ik, maar Bob heeft hem geel doen verven om hem niet kenbaar te maken,
+toen wij hem aan den agent Jerry hadden ontstolen--dien slimmen Jerry,
+zooals de rechter hem noemde, die nu toch volstrekt niet slim is
+geweest, want hij heeft zich den hond afhandig laten maken zonder er
+iets van te bemerken. Trouwens, toen Capi mij geroken had, heeft hij
+het eigenlijk alleen gedaan en bovendien kent Bob al de kunstjes van
+de hondendieven.
+
+--En uw voet?
+
+--Die is genezen, of tenminste zoo goed als genezen; ik heb geen tijd
+gehad om eraan te denken.
+
+Op de wegen in Engeland zijn tollen, die bovendien strekken om toezicht
+te houden op hen, die er doorrijden. Als wij bij zulk een tol kwamen,
+waarschuwde Bob ons, dat wij niet moesten spreken of ons verroeren;
+hij betaalde en de tolgaarder zag slechts één man. Bob zeide de eene
+of andere aardigheid; men lachte en het rijtuig reed door.
+
+Hij had als clown een groot talent gekregen om zijn gezicht een ander
+voorkomen te geven en nu geleek hij precies een boer en zelfs zij,
+die hem kenden, zouden nooit gedacht hebben, dat die boer Bob was.
+
+Wij reden zeer snel, want het was een flink paard en Bob een goed
+koetsier. Nu en dan moesten wij echter halt houden, om het dier te
+laten uitblazen en het wat te eten te geven. Maar daarvoor legden wij
+niet bij eene herberg aan; Bob hield stil in het midden van een bosch,
+maakte dan de teugels los en hing het paard een zak met haver om den
+kop, dien hij uit den wagen haalde. Het was een donkere nacht en wij
+liepen niet veel gevaar om ontdekt te worden.
+
+Ik kon niet nalaten om mij tot Bob te wenden en in eenige gevoelige
+woorden hem mijn dank te betuigen; maar hij liet mij geen tijd om
+alles te zeggen wat ik op het hart had.
+
+--Gij hebt mij een dienst gedaan, zeide hij, terwijl hij mij een
+hartelijken handdruk gaf, en nu doe ik u een dienst; elk op zijn
+beurt. Bovendien, ge zijt een broer voor Mattia en voor zoo'n goeden
+jongen als hij, wil men wel wat doen.
+
+Ik vroeg hem, of wij nog ver van Littlehampton waren. Hij antwoordde
+me, dat wij nog ruim een paar uren hadden te rijden en dat wij ons
+haasten moesten, omdat de boot van zijn broer elken Zaterdag naar
+Isigny vertrok en dat, naar hij meende, de vloed zeer vroeg inviel. Het
+was Vrijdagnacht.
+
+Wij namen onze plaats weder in op het stroo onder de opgevouwen huif,
+en het paard, dat uitgerust had, rende in gestrekten draf voort.
+
+--Ben-je bang?
+
+--Ja en neen; ik ben bang, dat men mij weder vatten zal. Als men
+vlucht, is dit dan geen bewijs, dat men schuld heeft? Dat vooral
+hindert me; wat zou ik tot mijne verdediging kunnen aanvoeren?
+
+--Daar hebben we ook wel aan gedacht; maar Bob was van oordeel dat
+wij alles moesten wagen om te voorkomen, dat gij voor het gerecht
+moest verschijnen. Het is zoo treurig daar geweest te zijn, zelfs al
+wordt men vrijgesproken. Ik zelf heb niets durven zeggen, omdat ik
+zoo vast besloten had u naar Frankrijk mede te nemen en dit voornemen
+mij misschien een slechten raad zou hebben gegeven.
+
+--Gij hebt wèl gedaan: wat er ook gebeuren moge, ik zal u altijd
+dankbaar zijn.
+
+--Er zal niets gebeuren, wees daar gerust op. Als de trein stilstaat,
+zal uw agent zijn rapport hebben gemaakt, maar vóór men de maatregelen
+genomen heeft om u op te sporen, zal er een heele tijd zijn verstreken
+en wij hebben in vliegenden draf gereden. Bovendien kan men onmogelijk
+weten, dat wij naar Littlehampton zijn gereden om daar ons in te
+schepen.
+
+Het was zeker, dat, zoo men ons niet op het spoor was, er heel
+veel kans bestond, dat wij ons zouden kunnen inschepen zonder dat
+wij ontdekt waren. Maar ik was zoo zeker niet als Mattia, dat de
+politieagent bij zijn aankomst aan het station zooveel tijd zou hebben
+verloren laten gaan, om ons na te zetten. Dat was het gevaar en dit
+kon zeer groot zijn.
+
+Ons paard, dat flink gemend werd door Bob, legde intusschen in
+vliegenden rit den eenzamen weg af. Van tijd tot tijd slechts reden wij
+eenige rijtuigen voorbij, maar geen een haalde ons in. In de dorpen,
+die wij doorreden, heerschte diepe rust en slechts zeer enkele vensters
+waren verlicht. Alleen gaven de honden nu en dan, door aan te slaan,
+blijk, dat zij onzen snellen rit hoorden en zij vervolgden ons nog
+lang met hun geblaf. Als na eene steile helling Bob zijn paard een
+oogenblik inhield om het te laten uitblazen, klommen wij even uit
+den wagen en legden wij het oor op den grond om te luisteren, maar
+zelfs Mattia, die fijner hoorde dan wij, vernam geenerlei verdacht
+geluid. Wij reisden in de duisternis, in de stilte van den nacht.
+
+Het was ook niet meer om ons te verbergen dat wij onder de huif lagen;
+maar om ons te beschermen tegen de koude, want er woei een snerpende
+wind. Als wij met onze tong over de lippen streken, proefden wij zout:
+een bewijs dat wij de zee naderden. Weldra zagen wij een licht, dat met
+regelmatige tusschenpoozen verdween, om dan weder helder te voorschijn
+te komen: het was de baak; dus moesten wij nabij de kust zijn.
+
+Bob hield zijn paard in en liet het stappen, nadat hij een zijweg
+was ingeslagen. Hier deed hij ons uit den wagen klimmen en zeide,
+dat wij op het paard moesten passen. Hij zelf ging zien of zijn
+broeder nog niet vertrokken was en wij zonder gevaar ons op zijne
+boot konden inschepen.
+
+Ik moet bekennen, dat de tijd, dien Bob wegbleef, mij lang, ontzaglijk
+lang viel. Wij spraken niet; wij hoorden op korten afstand de golven
+breken op de kust met eene eentonigheid, die onze ontroering nog
+verhoogde. Mattia beefde even erg als ik.
+
+--'t Is van de kou, zeide hij op fluisterenden toon.
+
+Was dat waar? Zeker was het, dat als een koe of een schaap in de weide,
+waarlangs onze weg liep, een steen aanraakte of langs de heg schoof,
+wij nog meer ontroerden en erger beefden.
+
+Eindelijk hoorden wij voetstappen aan de zijde van den weg, dien Bob
+was gevolgd. Hij moest het wezen; mijn lot zou worden beslist.
+
+Bob was niet alleen. Toen hij naderbij kwam, zagen wij dat er iemand
+met hem was. Een man met een geoliede overjas en een wollen muts.
+
+--Dat is mijn broer, zeide Bob. Hij wil u wel aan boord nemen; hij
+zal u verder geleiden en wij moeten scheiden, want men behoeft niet
+te weten, dat ik hier geweest ben.
+
+Ik wilde Bob bedanken, maar hij viel mij in de rede en terwijl hij
+mij een hand gaf, zeide hij:
+
+--Laten wij daarover niet praten; men moet elkander helpen; wij zullen
+elkaar nog wel eens weerzien. Het doet me plezier, dat ik Mattia van
+dienst heb kunnen zijn.
+
+Wij volgden den broer van Bob en weldra waren wij in de eenzame straten
+van het stadje. Na eenige omwegen, hadden wij de kade bereikt en de
+zeewind woei ons in het gelaat.
+
+Zonder een woord te spreken wees ons Bobs broer naar een vaartuig,
+dat gereed lag om te vertrekken. Wij begrepen dat dit het zijne was,
+en in weinige minuten waren wij aan boord; toen zond hij ons naar
+een kleine kajuit.
+
+--Ik vertrek pas over een paar uur, zeide hij; blijf daar en maak
+geen gedruisch.
+
+Toen hij de deur van de kajuit op slot had gedaan, sloop Mattia
+onhoorbaar naar mij toe en drukte mij in zijne armen. Thans beefde
+hij niet meer.
+
+
+
+
+XLII.
+
+DE ZWAAN.
+
+
+Toen Bobs broer heengegaan was, bleef het scheepje nog eenigen tijd
+rustig liggen en wij hoorden slechts het loeien van den wind, door het
+tuig en het lekken van de golven tegen de kiel; maar langzamerhand
+kwam er meer beweging; wij onderscheidden voetstappen op het dek;
+men liet trossen vallen; spillen knarsten; kettingen werden op- en
+afgewonden; men wentelde den kaapstander; er werd een zeil geheschen;
+het roer kraakte en eensklaps wierp het schip zich op de linkerzijde,
+het schommelen begon--wij waren in zee. Ik was gered.
+
+Eerst langzaam en zacht, werd het slingeren al sneller en sterker,
+het schip daalde en rees en weldra sloegen de golven nu eens tegen
+de eene dan tegen de andere zijde.
+
+--Arme Mattia! zeide ik, terwijl ik zijne hand greep.
+
+--Dat doet er niets toe, zeide hij; gij zijt gered; bovendien, ik wist
+wel, dat het zoo zijn zou; toen wij in het rijtuig zaten, zag ik hoe
+de wind de boomen deed heen-en-weer gaan en ik zei bij mij zelven,
+dat wij op zee ook zoo dansen zouden.
+
+Op dat oogenblik werd de deur van de kajuit geopend.
+
+--Als gij op het dek wilt komen, zeide de broer van Bob, kunt gij
+het doen; er is geen gevaar meer.
+
+--Wanneer voelt men 't minst van de zeeziekte? vroeg Mattia.
+
+--Als men ligt.
+
+--Dank u; dan blijf ik liggen.
+
+En hij strekte zich in zijne volle lengte op den grond uit.
+
+--De jongen zal u geven wat gij noodig hebt, zeide de kapitein.
+
+--Dank u; als hij maar niet te lang weg blijft, zal 't mij aangenaam
+zijn, antwoordde Mattia.
+
+--Nu al?
+
+--'t Is al lang geleden begonnen.
+
+Ik wilde bij hem blijven, maar hij zond mij naar het dek en herhaalde
+nog:
+
+--'t Is niemendal; gij zijt gered; het komt er niets op aan; ik heb
+mij nooit voorgesteld, dat het prettig zou zijn zeeziek te wezen.
+
+Op het dek gekomen, kon ik mij slechts staande houden door mij aan
+de touwen vast te grijpen. Zoo ver mijn oog kon doordringen in de
+duisternis van den nacht, zag ik niets dan een witte schuimende vlakte,
+waarover ons scheepje zich bewoog, zich telkens op zijde werpende alsof
+het in de golven zou duiken. Maar het dook niet onder; integendeel,
+het lichtte zich weder veerkrachtig op, danste op de golven en schoot
+voorwaarts, door den westenwind gedreven.
+
+Ik keek om naar de kust; reeds waren de lichten van de haven niet
+meer dan punten in den nevelachtigen hemel en toen ik ze flauwer zag
+worden en verdwijnen, was het of een gevoel van verlichting zich van
+mij meester maakte bij mijn afscheid van Engeland.
+
+--Als de wind zoo aanhoudt, zeide de kapitein, zullen wij vanavond
+niet laat te Isigny aankomen. De _Eclips_ is een flinke boot.
+
+Een ganschen dag op zee en zelfs meer dan een dag! Arme Mattia! En
+het deed hem plezier zeeziek te zijn!
+
+Maar de dag ging toch om en ik bracht mijn tijd door met van de kajuit
+naar het dek en van het dek naar de kajuit te gaan. Eens dat ik met
+den kapitein stond te praten, zeide hij, terwijl hij met de hand
+wees: Harfleur. In het zuidwesten zag ik toen eene hooge witte kolom,
+die op een donkeren achtergrond zich afteekende.
+
+Ik liep zoo snel ik kon de trappen af om aan Mattia die goede tijding
+te brengen. Wij waren in het gezicht van Frankrijk. Maar het is nog
+een geheele afstand, die Harfleur van Isigny scheidt en men moet het
+geheele schiereiland Cotentin omzeilen, vóór men in de Vire en de
+Aure komt.
+
+Daar het vrij laat was, toen _de Eclips_ de kade van Isigny aandeed,
+gaf de kapitein ons verlof om aan boord te blijven slapen en eerst
+den anderen morgen scheidden wij van hem, na hem hartelijk bedankt
+te hebben.
+
+--Als gij naar Engeland mocht willen terugkeeren, zeide hij, terwijl
+hij ons een stevigen handdruk gaf, zorg dan maar op een Dinsdag hier
+te zijn; elken Dinsdag gaat de _Eclips_ naar Engeland. Zij is tot
+uw beschikking.
+
+Dat was een recht vriendelijk aanbod, maar dat wij volstrekt geen
+lust hadden om aan te nemen, want beiden, Mattia zoowel als ik,
+hadden eene bepaalde reden om niet meer naar Engeland te gaan.
+
+Toen wij in Frankrijk aan wal stapten, bezaten wij niets anders dan
+onze kleeren en onze instrumenten, want Mattia had gezorgd, dat hij
+mijne harp had medegenomen, die ik in de tent van Bob achtergelaten
+had in den nacht, dat ik naar de herberg De Eikenboom ging. Wat onze
+reiszakken betrof, die waren met al wat zij bevatten in den wagen
+van de familie Driscoll gebleven. Dit bracht ons wel in eenige
+ongelegenheid, want wij konden ons zwervend leven niet hervatten
+zonder hemd en zonder kousen en vooral zonder kaart. Gelukkig had
+Mattia zes gulden opgespaard en wij hadden bovendien ons aandeel in
+de ontvangst, welke Bob en zijne makkers hadden gemaakt op den avond,
+dat wij met hen speelden, en dit bedroeg veertien gulden ruim. Wij
+hadden dus een fortuin van bijna twintig gulden, en voor ons was
+dit heel veel. Mattia had dit geld willen geven in mindering van de
+kosten die mijne vlucht had veroorzaakt, maar Bob had geantwoord, dat
+vriendschapsdiensten niet werden betaald en hij wilde niets aannemen.
+
+Ons eerste werk nadat wij de _Eclips_ verlaten hadden, was een ouden
+soldaten-ransel en een paar hemden te koopen; voorts twee paar kousen,
+een stuk zeep, een kam, garen, knoopen, naalden en vooral iets wat
+ons nog onmisbaarder was dan al die dingen, hoe nuttig ze voor ons
+ook waren: eene kaart van Frankrijk.
+
+Waar moesten wij dan ook heen nu wij eenmaal in Frankrijk waren? welken
+weg moesten wij inslaan? welke richting volgen?
+
+Dat was de vraag die wij overwogen, terwijl wij van Isigny den weg
+naar Bayeux aflegden.
+
+--Wat mij betreft, zeide Mattia, ik heb geen keus, ik ben even bereid
+om rechts als om links te gaan. Ik verlang maar één ding.
+
+--En dat is?
+
+--Dat wij den loop eener rivier volgen of van een kanaal, want ik
+heb een idee.
+
+Daar ik aan Mattia niet vroeg welk idee hij had, ging hij voort.
+
+--Ik zie wel dat ik het u moet vertellen. Toen Arthur ziek was, heeft
+mevrouw Milligan weder op eene boot Frankrijk met hem doorkruist en
+daardoor hebt gij hem op _De Zwaan_ ontmoet.
+
+--Hij is niet ziek meer.
+
+--Dat is te zeggen: hij _wordt_ beter; hij is erg ziek geweest en
+hij is slechts gered door de zorg zijner moeder. Nu is mijn vaste
+overtuiging, dat om hem geheel-en-al te doen genezen, mevrouw Milligan
+hem weder op eene boot de stroomen, rivieren en kanalen laat volgen,
+die _De Zwaan_ bevaren kan. Wanneer wij ons dus aan den loop eener
+rivier houden, dan hebben wij kans dat wij _De Zwaan_ ontmoeten.
+
+--Wie zegt u, dat De Zwaan in Frankrijk is?
+
+--Niemand; maar daar _De Zwaan_ geen zee kan bouwen, is het toch
+waarschijnlijk, dat zij in Frankrijk is, en wij hebben alle kans haar
+aan te treffen. Maar al bestond er slechts één kans, zijt gij het dan
+niet met mij eens, dat wij die moeten wagen? Ik wil mevrouw Milligan
+vinden en ik meen, dat wij alles moeten doen, om daarin te slagen.
+
+--Maar Lize, Alexis, Benjamin, Martha!
+
+--Die zullen wij vinden, terwijl wij mevrouw Milligan zoeken. Wij
+moeten dus eerst een rivier hebben. Laten wij eens op de kaart zien,
+welke rivier het meest in de nabijheid ligt.
+
+Wij spreidden de kaart op het gras uit en zochten de rivier het meest
+in de nabijheid. Wij vonden de Seine.
+
+--Welnu, laten wij dan de Seine opzoeken.
+
+--De Seine loopt door Parijs.
+
+--Wat doet er dat toe?
+
+--Heel veel. Ik heb Vitalis hooren zeggen, dat als men iemand vinden
+wilde, men hem dan te Parijs moest zoeken. Als de engelsche politie
+mij zocht om dien diefstal in de Sint-George kerk, zou ik niet gaarne
+door haar gevonden worden: daarvoor behoefden wij waarlijk Engeland
+niet te ontvluchten.
+
+--Kan de engelsche politie u dan in Frankrijk vervolgen?
+
+--Dat weet ik niet, maar als dit zoo is, moeten wij niet naar Parijs
+gaan.
+
+--Kan men de Seine niet volgen tot aan de omstreken van Parijs en ze
+dan verlaten, om ze een eind verder weder op te zoeken? Ik zou ook
+niet gaarne Garofoli terugzien.
+
+--Dat kan ik denken.
+
+--Welnu laten wij dan _dit_ doen: alle varensgezellen en bewoners
+van den oever langs de geheele rivier ondervragen; en daar er maar
+ééne _Zwaan_ is met eene veranda en geen ander schip haar gelijkt,
+zal men haar wel hebben opgemerkt op de Seine. Als wij ze op de Seine
+niet vinden, zullen wij haar zoeken op de Loire, op de Garonne, op
+al de rivieren van Frankrijk en eindelijk zullen wij haar wel vinden.
+
+Tegen dat idée van Mattia kon ik niets inbrengen. Wij besloten dus
+de Seine op te zoeken en den oever ervan te volgen.
+
+Nadat wij voor ons zelven hadden gezorgd, was het tijd om ook aan
+Capi te denken. Zoolang hij geel was geverfd, was hij voor mij mijn
+Capi niet. Wij kochten zachte zeep en in het eerste water, dat wij
+tegenkwamen, waschten wij hem flink af, elkander aflossende, als wij
+moe waren.
+
+Maar de verf van onzen vriend Bob was van eene uitstekende
+hoedanigheid; wij moesten den hond een langen tijd baden en bij
+herhaling met zeep insmeren. Toch zouden er weken en maanden noodig
+zijn eer Capi zijne oorspronkelijke kleur terugkreeg. Gelukkig
+is Normandië het land van het water en elken dag konden wij Capi
+onderhanden nemen.
+
+Over Bayeux, Caen, Pont-d'Evêque en Pont-d'Audemer kwamen wij aan de
+Seine bij La Bouille.
+
+Toen wij van de boschrijke hoogten, waarheen een lommerrijke holle
+weg leidde, na den geheelen dag geloopen te hebben, opeens de Seine
+vóór ons zagen, die eene breede bocht beschreef, waarvan onze heuvel
+het middelpunt uitmaakte, en op wier kalme, machtige golven tal van
+schepen met witte zeilen en stoombooten, wier rook tot ons opsteeg,
+statig voortdreven, riep Mattia uit, dat dit schouwspel hem geheel
+met het water verzoende, en dat hij volkomen begreep hoe men er een
+genot in vinden kon op die kalme rivier te glijden, langs die welige
+landerijen en bouwlanden en sombere bosschen, die haar oever omzoomden.
+
+--Gij kunt er zeker van zijn, dat mevrouw Milligan met haar zieken
+zoon op de Seine vaart, zeide hij.
+
+--Dat zullen wij spoedig vernemen, als wij de menschen in de dorpen
+uithooren.
+
+Ik wist toen niet hoe moeilijk het was de Normandiërs aan het praten te
+krijgen. Zij antwoorden nooit rechtstreeks en ondervragen integendeel
+diegenen, die trachten iets van hen te weten te komen.
+
+--Is 't een schip uit Hâvre of een schip uit Rouaan, waarnaar gij
+vraagt? Is het een boot? een zeilvaartuig? een aak? een praam?
+
+Toen we op al die vragen, die men ons deed, geantwoord hadden, waren
+wij zoo goed als zeker, dat _De Zwaan_ nooit te La Bouille was geweest,
+of zoo zij er al geweest was, zij des nachts moest gepasseerd zijn,
+zoodat niemand haar had kunnen zien.
+
+Van La Bouille kwamen wij te Rouaan, waar wij opnieuw nasporingen
+deden, maar met niet veel beter gevolg. Te Elbeuf kon men ons ook
+niets van _De Zwaan_ vertellen. Te Poses, waar er sluizen waren en
+men dus alle schepen, die voorbijvoeren, wel _moest_ zien, kregen
+wij hetzelfde antwoord.
+
+Wij gaven den moed nochtans niet op, maar bleven altijd maar vragen,
+zonder veel hoop evenwel, want _De Zwaan_ was niet van de eene of
+andere plaats in het midden van de rivier kunnen vertrekken. Dat
+mevrouw Milligan en Arthur te Quillebeuf of Caudebec waren ingescheept,
+was te begrijpen, maar te Rouaan nog waarschijnlijker; maar daar wij
+geen spoor van hen ontdekten, moesten wij tot Parijs gaan, of liever
+voorbij Parijs.
+
+Daar wij niet alleen wandelden om verder te komen, maar bovendien
+elken dag ons brood moesten verdienen, hadden wij vijf weken noodig
+om van Isigny Charenton te bereiken.
+
+Daar deed zich de vraag voor, of wij de Seine dan wel de Marne moesten
+volgen. Die vraag had ik mezelven al dikwijls gedaan, terwijl ik
+mijne kaart bestudeerde, maar zonder eene enkele reden te vinden,
+waarom wij aan de eene rivier de voorkeur zouden geven boven de andere.
+
+Gelukkig behoefden wij, te Charenton gekomen, niet te aarzelen,
+want op onze vraag antwoordde men daar voor de eerste maal, dat men
+een vaartuig gezien had, hetwelk op _De Zwaan_ geleek: het was eene
+pleizierboot en had eene veranda.
+
+Mattia was zóó in zijn schik, dat hij begon te dansen op de
+kade. Eensklaps hield hij met dansen op; hij greep zijne viool en
+speelde zijn triomfmarsch zoo hartstochtelijk, als ik ooit van hem
+gehoord had.
+
+Intusschen ging ik voort met aan den varensgezel, die zoo goed was
+geweest om ons te antwoorden, nieuwe vragen te doen. Twijfelen was
+niet langer mogelijk: het was _De Zwaan_, die ongeveer twee maanden
+geleden Charenton was gepasseerd, de Seine opvarende.
+
+Twee maanden! Dus was zij ons een ontzaglijk eind vooruit. Maar wat
+deed er dat toe! Altijd voortgaande, zouden wij haar toch eenmaal
+moeten inhalen, al waren wij maar te voet, terwijl het vaartuig met
+een paar flinke paarden was bespannen.
+
+Of er wat korter of langer tijd voor noodig was, deed niets ter zake;
+de voornaamste, buitengewoonste, merkwaardigste zaak was, dat _De
+Zwaan_ was gevonden.
+
+--Wie heeft er gelijk gehad? vroeg Mattia.
+
+Als ik gedurfd had, zou ik hebben bekend, dat ik evenveel hoop gehad
+had als hij, maar niet durfde zeggen, zelfs voor mij zelven niet, welke
+gedachten en dwaasheden die in mijne verbeelding had doen oprijzen.
+
+Wij behoefden ons niet op te houden om de menschen te ondervragen:
+_De Zwaan_ voer voor ons uit; wij behoefden de Seine maar te volgen.
+
+Maar te Moret valt de Loing in de Seine, en nu moesten wij opnieuw
+inlichtingen inwinnen.
+
+De Zwaan was de Seine opgevaren.
+
+Te Montereau moesten wij weder gaan vragen.
+
+Hier vernamen wij, dat _De Zwaan_ de Seine verlaten had voor de
+Yonne. Meer dan twee maanden geleden was zij Montereau gepasseerd. Aan
+boord was eene engelsche dame met een knaap, die op een bed lag
+uitgestrekt.
+
+Wij kwamen dichter bij Lize, en terwijl wij _De Zwaan_ volgden klopte
+mijn hart sneller, terwijl ik, mijne kaart bestudeerende, mij afvroeg
+of na Joigny mevrouw Milligan het kanaal van Bourgogne of dat van
+Nivernais had gevolgd.
+
+Wij kwamen aan het punt, waar de Yonne en de Armençon samenvloeien. _De
+Zwaan_ was de Yonne blijven volgen; wij gingen dus door Dreuze en
+zouden Lize kunnen zien. Zij zelve zou ons kunnen verhalen van mevrouw
+Milligan en Arthur.
+
+Sedert wij _De Zwaan_ volgden, hadden wij niet veel tijd gegeven aan
+onze concerten en voorstellingen en Capi, die een nauwgezet kunstenaar
+was, begreep onze haast niet; waarom stonden wij hem niet meer toe
+met het bakje in zijn bek zich voor het "geëerde publiek" te plaatsen,
+dat niet vlug was om met de hand in den zak te tasten? Men moet zijn
+tijd nemen.
+
+Maar wij gaven ons den tijd niet meer; de ontvangsten werden dan ook
+geringer; terwijl tevens het overschot van onze twintig gulden met
+den dag kleiner werd. Wel verre van geld over te leggen, teerden wij
+van ons kapitaal.
+
+--Laten wij ons haasten, om bij _De Zwaan_ te komen, zeide Mattia.
+
+En ik zeide met hem: laten wij ons haasten.
+
+Des avonds klaagden wij nooit over moeheid, hoe ver de tocht ook
+was geweest; integendeel, wij waren het altijd volkomen eens, om den
+anderen morgen maar weder zeer vroeg op weg te gaan.
+
+--Roep me toch bijtijds, zeide Mattia, die veel van slapen hield.
+
+En als ik hem geroepen had, duurde het nooit lang, of hij was op
+en reisvaardig.
+
+Om geld te besparen, hadden wij onze uitgaven verminderd, en daar
+het zeer warm was, had Mattia verklaard, geen vleesch meer te willen
+eten, want des zomers was vleesch ongezond. Wij stelden ons tevreden
+met een stuk brood en een hard ei, dat wij samen deelden of wel met
+een stukje boter; en ofschoon wij in het wijnland waren, dronken wij
+niets dan water.
+
+Wat kwam het er ook op aan!
+
+Soms echter had Mattia grooten trek in iets lekkers.
+
+--Ik zou wel willen, dat mevrouw Milligan nog die keukenmeid had, die
+zulke lekkere confituurtaarten voor u kon klaarmaken, zeide hij. Dat
+zou heerlijk zijn; vooral abrikozentaarten!
+
+--Heb je die nooit gegeten!
+
+--Ik heb appelkoeken gegeten, maar nooit abrikozentaarten; maar ik
+heb ze wel eens gezien. Wat zijn dat voor kleine witte dingen, die
+op de confituren zijn geplakt?
+
+--Amandelen.
+
+--O, zoo.
+
+En Mattia zette zijn mond zoo wijd open, of hij eene geheele taart
+ineens zou doorslikken.
+
+Daar de Yonne vele bochten maakt tusschen Joigny en Auxerre, haalden
+wij door den grooten weg te volgen _De Zwaan_ een weinig in; maar van
+Auxerre af verloren wij weder, want zij had het kanaal van Nivernais
+gevolgd en ging snel vooruit op het kalme water.
+
+Bij elke sluis kregen wij nieuwe inlichtingen, want op dit kanaal,
+waar geen druk verkeer bestaat, had iedereen het vaartuig opgemerkt,
+dat volstrekt niet op de vaartuigen geleek, die men gewoonlijk zag.
+
+Niet slechts sprak men ons van _De Zwaan_, maar ook van mevrouw
+Milligan, "eene goedhartige engelsche dame" en van Arthur, een
+knaap, die bijna altijd op een bedje lag, dat op het dek voor hem
+was gespreid onder een glazen dak met groen en bloemen, maar die nu
+en dan toch opstond.
+
+Arthur werd dus beter.
+
+Wij naderden Dreuze; nog twee dagen; nog een; nog maar eenige uren.
+
+Eindelijk zagen wij de bosschen, waarin ik den vorigen herfst met
+Lize had gespeeld en wij zagen ook de sluis met het huisje van vrouw
+Katherina.
+
+Zonder daaromtrent eenige afspraak te maken, maar elk uit eigen
+beweging, hadden Mattia en ik onzen pas versneld en wij wandelden
+niet meer: wij liepen op een drafje. Capi werd weder geheel wat hij
+vroeger geweest was en rende in galop vooruit.
+
+Hij gaat Lize zeggen, dat wij in aantocht zijn; zij zal ons tegemoet
+komen.
+
+Maar het was Lize niet, die wij uit het huisje te voorschijn zagen
+komen, maar Capi, die er uitholde, of hij weggejaagd was.
+
+Onmiddellijk bleven wij beiden stilstaan en wij vroegen ons af wat
+dit te beteekenen had. Maar die vraag deden wij aan elkander niet,
+en wij vervolgden zwijgend onzen weg.
+
+Capi was bij ons gekomen en liep nu druipstaartend achter ons.
+
+Een man was bezig een der deuren van de sluis te openen. Het was de
+oom van Lize niet.
+
+Wij gingen tot aan het huis; eene vrouw, die wij niet kenden, ging
+op en neer in de keuken.
+
+--Is vrouw Suriot niet hier? vroegen wij.
+
+Zij zag ons een oogenblik aan, zonder antwoord te geven, alsof wij
+haar de onzinnigste vraag hadden gedaan.
+
+--Zij is niet meer hier, zeide zij eindelijk.
+
+--Waar is zij?
+
+--In Egypte.
+
+Mattia en ik zagen elkander onthutst aan. In Egypte! Wij wisten niet
+juist wat Egypte was en waar dat land lag; maar een onbestemd gevoel
+zeide ons dat het ver, zeer ver af was; zoowat aan de overzijde van
+de zee.
+
+--En Lize? Kent gij Lize?
+
+--Of ik die ken! Lize is met eene Engelsche dame op een schip
+vertrokken.
+
+Lize op _De Zwaan_. Was het geen droom?
+
+De vrouw gaf een antwoord waaruit bleek, dat wij niet droomden.
+
+--Zijt gij Rémi? vroeg zij.
+
+--Ja.
+
+--Zoo, nu dan zal het u niet onverschillig zijn te weten, dat Suriot
+verdronken is.
+
+--Verdronken!
+
+--Ja, verdronken in de sluis. Je moet weten, dat Suriot in het water
+is gevallen en dat hij onder een der sluisdeuren doorgaande, aan een
+spijker is blijven hangen. Dat gebeurt meer in zijn vak. Toen hij
+verdronken was, zat Katherina erg in de verlegenheid, ofschoon ze
+een kranige vrouw is. Maar wat zal ik je zeggen; als er geen geld
+is, valt het heel moeilijk om te leven. En geld was er niet. Men
+deed aan Katherina het voorstel om naar Egypte te gaan en daar de
+kinderen groot te brengen van eene dame, bij wie ze min was geweest;
+maar haar nichtje zat haar in den weg. Toen zij nog met zich zelve
+overlegde wat haar te doen stond, hield op een avond een schip voor
+de sluis stil, waarop zich eene Engelsche dame bevond, die met haar
+ziek zoontje de rivier opvoer. Men kwam met elkander aan 't praten en
+de Engelsche dame, die een kind zocht om met haar zoontje te spelen,
+dat zich verveelde op zijn schip, verzocht, dat men haar Lize zou
+afstaan en beloofde voor haar te zullen zorgen, haar te doen genezen
+en haar ook in de toekomst niet aan haar lot over te laten. Zij was
+een brave vrouw, heel minzaam en zacht voor arme menschen. Katherina
+nam het voorstel aan, en terwijl Lize aan boord ging van het schip
+der Engelsche dame, pakte Katherina haar boeltje om naar Egypte te
+gaan. Thans is mijn man in de plaats van Suriot aangesteld. Vóór
+dat zij vertrok beduidde Lize--die nog niet spreken kon, maar naar
+de dokters zeggen eenmaal wel haar spraak zal terugkrijgen--aan hare
+tante dat zij mij alles zou vertellen wat ik u moest mededeelen als
+gij haar kwaamt bezoeken. En dat heb ik nu gedaan.
+
+Ik was zoo verwonderd en verbaasd, dat ik geen woorden kon vinden om
+te antwoorden; maar Mattia bleef zich zelven beter meester.
+
+--En waar is de Engelsche dame heengegaan? vroeg hij.
+
+--Naar het Zuiden van Frankrijk of naar Zwitserland; Lize zou mij
+schrijven om u haar adres te geven, maar ik heb nog geen brief van
+haar ontvangen.
+
+
+
+
+XLIII.
+
+DE MOOIE LUIERS HEBBEN WAARHEID GESPROKEN.
+
+
+Nog altijd stond ik sprakeloos, maar Mattia deed wat ik geheel vergat.
+
+--Wij bedanken u wel juffrouw, zeide hij.
+
+En hij duwde mij zachtkens naar buiten de keuken uit.
+
+--En nu op weg; vooruit! zeide hij. Wij moeten nu niet alleen mevrouw
+Milligan en Arthur opsporen, maar ook Lize moeten wij inhalen. Wat
+komt dat uitstekend! Wij zouden te Dreuze onzen tijd maar verloren
+hebben; en nu kunnen wij onzen weg vervolgen. Dat is een kansje! Wij
+hebben al zooveel teleurstellingen gehad, nu loopt het ons mede;
+de wind is veranderd. Wie weet welk geluk ons nog wacht!
+
+En wij vervolgden zonder tijd te verliezen onzen weg om _De Zwaan_
+in te halen, en bleven overal maar juist lang genoeg om te slapen en
+eenige stuivers te verdienen.
+
+Te Decize, waar het kanaal van Nivernais uitmondt in de Loire,
+vroegen wij naar _De Zwaan_. Zij was het zijkanaal ingevaren, en dit
+volgden wij dus ook tot Digoin; daar namen wij het kanaal dat naar
+Châlon leidt.
+
+Mijne kaart wees mij aan, dat zoo ik over Charolles ging rechtstreeks
+naar Macon, dit ons een langen omweg en verscheidene dagmarschen
+zou uitwinnen; maar dit was een stout besluit, waarvan wij de
+verantwoordelijkheid geen van beiden op ons wilden nemen, nadat wij
+het vóór en tegen hadden overwogen; _De Zwaan_ toch had zich onderweg
+kunnen ophouden, en dan zouden wij haar vóór zijn. Wij moesten dus
+op onze schreden terugkeeren en, om tijd te winnen, tijd verliezen.
+
+Wij volgden de Saône van Châlon tot Lyon.
+
+Daar stuitten wij op eene groote moeilijkheid: was _De Zwaan_ de
+Rhône op- of afgevaren? Met andere woorden: was mevrouw Milligan naar
+het Zuiden van Frankrijk of naar Zwitserland gegaan. Wij vroegen
+inlichtingen aan de varensgezellen en alle menschen, die op kaden
+hunne bezigheden hadden en eindelijk kregen wij de zekerheid, dat
+mevrouw Milligan naar Zwitserland was gegaan. Wij volgden dus den
+loop der Rhône naar den oorsprong.
+
+--Door Zwitserland gaat men naar Italië, zeide Mattia; dat is ook
+een buitenkansje. Als wij, mevrouw Milligan nareizende, eens te Lucca
+kwamen, wat zou Christina blij zijn!
+
+Arme, goede Mattia! Hij hielp mij zoeken naar hen, die mij dierbaar
+waren, en ik deed niets om hem in de gelegenheid te stellen zijn
+zusje weer te zien.
+
+Van Lyon af wonnen wij elken dag op _De Zwaan_, want de Rhône heeft
+zulk een sterken golfslag, dat men ze niet zoo gemakkelijk opvaart
+als de Seine. Te Culoz was zij ons niet meer dan zes weken vooruit;
+intusschen als ik de kaart raadpleegde, moest ik het betwijfelen of
+wij haar wel zouden ingehaald hebben vóór zij in Zwitserland was,
+want het was mij onbekend, dat de Rhône niet verder bevaarbaar is dan
+tot Genève en wij verbeeldden ons, dat mevrouw Milligan met _De Zwaan_
+Zwitserland wilde bezoeken, van welk land wij geen kaart hadden.
+
+Wij kwamen te Seyssel, eene stad die in tweeën gedeeld wordt door de
+rivier, waarover eene hangende brug is geslagen, en wij volgden den
+oever der rivier. Hoe verrast was ik, toen ik in de verte _De Zwaan_
+meende te herkennen.
+
+Wij zetten het op een drafje: ja het was haar vorm; het was ze;
+en toch zag zij er uit als een verlaten vaartuig. Zij was stevig
+vastgemeerd achter eene soort van kade, die haar beschermde en aan
+boord was alles gesloten. Er waren ook geen bloemen onder de veranda.
+
+Wat was er gebeurd? was Arthur iets overkomen?
+
+Wij stonden stil; ons hart klopte ternauwernood.
+
+Maar het was laf zoo onbeweeglijk te blijven; wij moesten erheen;
+wij moesten weten wat er van de zaak was.
+
+Een man, aan wien wij inlichtingen vroegen, was wel zoo goed ons te
+antwoorden: hij was juist de persoon, die met het bewaken van _De
+Zwaan_ belast was.
+
+De Engelsche dame, die met hare twee kinderen aan boord was--een lam
+knaapje en een klein stom meisje--bevond zich in Zwitserland. Zij
+had haar schip achtergelaten, omdat zij er de Rhône niet verder mede
+kon opvaren. De dame en hare twee kinderen waren met een rijtuig
+weggereden; de andere bedienden waren gevolgd met de bagage. In het
+najaar zou zij terugkomen, om zich weder op _De Zwaan_ in te schepen
+en de Rhône af te zakken tot aan zee, om den winter in het Zuiden
+door te brengen.
+
+Wij haalden weder adem; de vrees, die wij gekoesterd hadden, was dus
+ongegrond; wij moesten dan ook liever het goede dan het kwade ons
+hebben voorgesteld.
+
+--En waar is die dame thans? vroeg Mattia.
+
+--Zij is vertrokken om een villa te huren aan den oever van het
+meer van Genève, in den omtrek van Vevey; waar weet ik niet precies;
+maar zij zou daar den zomer doorbrengen.
+
+Dan maar op weg naar Vevey! Te Genève zouden wij eene kaart van
+Zwitserland koopen en die stad of dat dorp zouden wij wel vinden. Nu
+_De Zwaan_ niet meer vóór ons uitvoer en mevrouw Milligan den zomer
+op hare villa doorbracht, waren wij zeker haar te zullen vinden. Wij
+behoefden haar maar te zoeken.
+
+Vier dagen nadat wij Seyssel verlaten hadden, waren wij reeds in
+de omstreken van Vevey, temidden der talrijke villa's, die van het
+meer met zijne blauwe golven af zoo bevallig achter elkander zich
+verheffen op de groene en boschrijke hellingen van den berg. Waar
+was nu het buitenverblijf, dat mevrouw Milligan met Arthur en Lize
+bewoonde? Eindelijk waren wij waar wij wezen moesten. Het was tijd:
+drie stuivers was onze eenige bezitting en onze schoenen hadden geen
+zolen meer.
+
+Maar Vevey is geen dorpje, zooals wij ons eerst hadden voorgesteld;
+het is eene stad en zelfs geen gewone stad, want tot Villeneuve toe
+strekken zich een reeks van dorpen of voorsteden uit, die met Vevey
+een geheel vormen, Blonay, Corsier, Tour-de-Peilz, Clarens, Chernet,
+Montreux, Veyteaux, Chillons.
+
+Of wij al vroegen naar mevrouw Milligan, of liever naar eene engelsche
+dame met haar zieken zoon en een stom meisje, bleek ons al spoedig een
+nutteloos onderzoek te zijn: Vevey en de oevers van het meer worden
+bewoond door zeer vele engelsche heeren en dames, en men kent hen
+evenmin als in de omstreken van Londen.
+
+Het best was deze zelf te zoeken en ons naar alle huizen te begeven,
+waar vreemdelingen konden wonen. Dit was dan ook eigenlijk niet zoo
+moeilijk; wij behoefden maar in alle straten onze bekende melodiën
+te spelen.
+
+Op één dag hadden wij geheel Vevey doorkruist en eene aanzienlijke
+som gebeurd; vroeger, toen wij geld wenschten voor onze koe of de
+pop van Lize, zou ons dit een gelukkigen avond hebben bezorgd, maar
+thans was het ons niet meer om het geld te doen. Nergens vonden wij
+de geringste aanwijzing omtrent het verblijf van mevrouw Milligan.
+
+Den anderen morgen zetten wij onze naporingen in den omtrek van Vevey
+voort en gingen maar altijd verder, den weg volgende, die vóór ons
+lag, voor alle ramen spelende van de huizen, die er voornaam uitzagen,
+of die ramen al open of gesloten waren. Maar des avonds keerden wij
+terug, zooals wij den vorigen dag waren teruggekeerd. Toch waren wij
+van het meer naar den berg en van den berg naar het meer gegaan, overal
+rondziende, nu en dan vragen richtende aan menschen, die er welwillend
+uitzagen, zoodat wij hopen mochten, dat zij ons zouden te woord staan.
+
+Dien dag wekte men tot tweemaal toe eene valsche hoop bij ons op door
+ons te zeggen, dat men, zonder haar naam te weten, de dame waarover wij
+spraken, zeer goed kende; men zond ons eerst naar een landhuis diep in
+het gebergte; en daarna verzekerde men ons, dat zij aan den oever van
+het meer woonde. Het waren ook werkelijk engelsche dames, die aan het
+meer en in het gebergte woonden, maar het was niet mevrouw Milligan.
+
+Na zoo nauwkeurig mogelijk de omstreken van Vevey doorzocht te hebben,
+verwijderden wij ons in de richting van Clarens en Montreux, zeer
+ontevreden over den slechten uitslag onzer nasporingen, maar volstrekt
+niet ontmoedigd; wat vandaag niet gelukte, dat kon morgen gelukken.
+
+Nu eens volgden wij wegen aan weerszijden door muren begrensd, dan
+weder paden dwars door wijn- en boomgaarden, of door lommerrijke
+bosschen van reusachtige kastanjeboomen, waarvan het dichte loof
+lucht en licht onderschepte en waaronder slechts fluweelachtig
+mos groeide. Bij elke schrede op die wegen en paden zag men door
+het geopend traliehek of de houten deur, net onderhouden lanen, die
+zich om grasperken slingerden of door dichte boschjes van bloemen en
+struiken; en in het groen verscholen lag daar een fraai huis of eene
+bevallige villa met slingerplanten bedekt. En voor al die groote en
+kleine woningen had men door het geboomte uitzichten gehouwen op het
+spiegelheldere meer en zijne omlijsting van sombere bergen.
+
+Die tuinen brachten ons soms tot wanhoop, want daar zij ons op een
+afstand van de huizen hielden, konden wij ons niet doen hooren door
+de bewoners, als wij niet zoo luid mogelijk speelden en zongen, wat
+zeer vermoeiend is, wanneer men van den vroegen morgen tot den laten
+avond daartoe verplicht is.
+
+Op een namiddag gaven wij een concert op straat; vóór ons was er
+slechts een getralied hek en achter ons een blinde muur, waarop wij
+geen acht sloegen. Ik had zoo luid ik kon het eerste couplet gezongen
+van mijn napolitaansch lied, en zou juist het tweede couplet beginnen,
+toen wij het opeens achter ons hoorden zingen, aan gene zijde van
+den muur, maar zwak en met eene onbekende stem.
+
+Van wie kon die stem zijn?
+
+--Van Arthur? vroeg Mattia.
+
+Neen, het was Arthur niet; ik herkende diens stem althans niet; en
+toch liet Capi een gesmoord blaffen hooren en gaf alle teekenen van
+blijdschap, terwijl hij tegen den muur opsprong.
+
+Ik was niet instaat mij langer te bedwingen, maar riep:
+
+--Wie zingt daar?
+
+En de stem antwoordde: Rémi.
+
+Mijn naam, inplaats van een antwoord. Mattia en ik zagen elkander
+onthutst aan.
+
+Terwijl wij elkander sprakeloos stonden aan te staren, zag ik achter
+Mattia een witten zakdoek in den wind fladderen; wij snelden naar
+die zijde heen.
+
+Eerst toen wij aan de heg daar ter plaatse kwamen, zagen wij
+de persoon, aan wie de arm toebehoorde, die met den zakdoek had
+gezwaaid.... Het was Lize.
+
+Eindelijk hadden wij haar dan gevonden en met haar mevrouw Milligan
+en Arthur.
+
+Maar wie had gezongen? Dat was de vraag, die wij haar gelijktijdig
+deden, Mattia zoowel als ik, zoodra wij instaat waren een woord
+te uiten.
+
+--Ik, zeide zij.
+
+Lize zong! Lize sprak!
+
+Wel is waar had ik tallooze malen hooren verzekeren, dat Lize eenmaal
+hare stem zou terugkrijgen en waarschijnlijk tengevolge eener heftige
+gemoedsaandoening, maar ik had nooit kunnen gelooven, dat dit mogelijk
+zou zijn.
+
+En toch was het gebeurd; zij sprak: het wonder was geschied en
+het was toen zij mij had hooren zingen en mij bij haar zag komen,
+terwijl zij meende me voor altijd verloren te hebben, dat zij die
+heftige gemoedsaandoening ondervonden had.
+
+Bij die gedachte werd ik zelf zoo ontroerd, dat ik genoodzaakt was
+mij met de hand aan een boomtak vast te klemmen.
+
+Maar het was nu het oogenblik niet om zich door aandoeningen te
+laten overstelpen.
+
+--Waar is mevrouw Milligan? zeide ik. Waar is Arthur?
+
+Lize bewoog de lippen om te antwoorden, maar zij kon slechts geluiden,
+geen woorden uitbrengen. Ongeduldig nam zij weder de toevlucht tot
+hare gebarentaal om zich spoediger te doen begrijpen; haar tong en
+haar geest waren nog niet bedreven genoeg om zich van de gewone spraak
+te bedienen.
+
+Terwijl ik met de oogen hare taal volgde, die Mattia niet verstond,
+zag ik achter in den tuin, op den hoek van eene lommerrijke laan, een
+wagentje, dat door een knecht werd voortgeduwd: in dat wagentje lag
+Arthur uitgestrekt, en achter hem ging zijne moeder en..... ik boog mij
+voorover om beter te zien..... de heer James Milligan. Onmiddellijk
+bukte ik, zoodat ik achter de heg verborgen was en riep Mattia op
+gejaagden toon toe, dat hij hetzelfde zou doen, zonder te bedenken
+dat James Milligan Mattia niet kende.
+
+Toen de eerste beweging van schrik voorbij was, besefte ik, dat Lize
+niets van ons plotseling wegkruipen zou begrijpen. Ik richtte mij
+daarom een weinig op en zeide op fluisterenden toon:
+
+--Mijnheer James Milligan moet mij niet zien; hij zou mij naar Engeland
+terug doen gaan.
+
+Verschrikt hief zij hare beide armen ten hemel.
+
+--Verroer u niet, zeide ik, op denzelfden toon voortsprekende;
+morgenochtend te negen uren zullen wij op deze zelfde plek
+komen. Tracht dan alleen te zijn en ga nu heen.
+
+Zij aarzelde.
+
+--Ga heen, bid ik u, en stort mij niet in het ongeluk.
+
+Tegelijkertijd verdwenen wij achter den muur en bereikten wij, zoo
+hard mogelijk loopende, de wijngaarden, die ons geheel verborgen. Daar
+konden wij, na aan onze blijdschap den vollen teugel te hebben gevierd,
+rustig met elkander praten en overleggen.
+
+--Ge begrijpt, zeide Mattia, dat ik volstrekt niet van plan ben
+tot morgen te wachten om met mevrouw Milligan te spreken. In dien
+tusschentijd zou James Milligan Arthur om 't leven kunnen brengen. Ik
+ga dadelijk mevrouw Milligan opzoeken en zal haar zeggen..... alles wat
+wij weten. Daar mijnheer Milligan mij niet kent, behoef ik niet bang
+te zijn dat hij aan u en aan de familie Driscoll zal denken. Mevrouw
+Milligan kan dan zelve beslissen wat er gedaan moet worden.
+
+Blijkbaar was hetgeen Mattia voorstelde zeer verstandig. Ik liet hem
+dus gaan en maakte met hem de afspraak, dat wij elkander zouden vinden
+in een kastanjeboschje op eenigen afstand. Als het toeval wilde, dat de
+heer Milligan daarlangs ging, zou ik mij gemakkelijk kunnen verbergen.
+
+Zeer langen tijd wachtte ik, uitgestrekt op het mos, de terugkomst
+van Mattia af en reeds tienmaal had ik mij afgevraagd, of wij ons
+ook vergist hadden, toen ik hem zag aankomen, vergezeld van mevrouw
+Milligan.
+
+Ik snelde hen tegemoet en greep de hand, die zij mij toestak en kuste
+die, maar zij sloot mij in hare armen en zich over mij heenbuigende,
+kuste zij mij teeder op mijn voorhoofd.
+
+Dat was de tweede maal, dat zij mij kuste, maar het kwam mij voor, dat
+zij de eerste maal mij niet zoo hartelijk in hare armen had gedrukt.
+
+--Arm, lief kind! zeide zij.
+
+En met hare fraaie, blanke, zachte vingeren streek zij mijn haar op
+zijde, om mij goed in 't gelaat te zien.
+
+--Ja... ja... prevelde zij.
+
+Die woorden antwoordden zeker op eene vraag, die zij in haar gemoed
+gedaan had, maar in mijne ontroering was ik buiten staat, die gedachte
+te gissen. Ik voelde slechts de teederheid van den blik, dien zij
+op mij rusten liet, en ik was te gelukkig om verder te denken dan
+dit oogenblik.
+
+--Kindlief, zeide zij, zonder haar blik van mij af te wenden, uw
+makker heeft mij zeer gewichtige dingen verteld. Wilt gij me nu ook
+eens alles mededeelen wat met uw komst bij de familie Driscoll en
+met het bezoek van den heer James Milligan in verband staat?
+
+Ik verhaalde haar alles en mevrouw Milligan viel mij slechts in
+de rede, om eenige bijzonderheden omtrent enkele punten te vragen:
+nooit had men met zooveel aandacht naar mij geluisterd; hare oogen
+verlieten de mijne niet.
+
+Toen ik uitgesproken had, bleef ook zij geruimen tijd zwijgen, maar
+altijd mij aanziende. Eindelijk sprak zij:
+
+--Dit alles is van zeer veel gewicht voor u, voor ons allen; wij moeten
+daarom zeer voorzichtig te werk gaan en eerst menschen raadplegen,
+die ons raad kunnen geven. Maar tot zoolang moet gij u beschouwen
+als de makker, als de vriend--hier aarzelde zij een oogenblik--als
+de broeder van Arthur en van nu af aan moet gij en uw vriendje dit
+ongelukkig leven eindigen. Over een paar uur moet gij u te Territet
+vervoegen in het hotel des Alpes, waarheen ik een vertrouwd persoon
+zal zenden om kamers voor u te bestellen. Daar zullen wij elkander
+weerzien, want thans moet ik u verlaten.
+
+Nogmaals omhelsde zij mij, en na Mattia de hand te hebben gegeven,
+verwijderde zij zich met rasse schreden.
+
+--Wat hebt gij aan mevrouw Milligan verteld? vroeg ik aan Mattia.
+
+--Alles wat zij u verhaald heeft en nog 't een en ander. O, 't is
+zoo'n goede, lieve vrouw.
+
+--En Arthur? Hebt gij dien gezien?
+
+--Van verre; genoeg evenwel om te weten, dat hij een goede jongen is.
+
+Ik ging voort met Mattia te ondervragen, maar hij gaf ontwijkende
+antwoorden of wel zoo, dat ik maar de helft er van begreep. Toen
+spraken wij over onverschillige dingen tot op het oogenblik, waarop
+wij ons, zooals mevrouw Milligan ons had gezegd, aan het hotel
+des Alpes aanmeldden. Ofschoon wij nog onze armelijke kleeren van
+straatmuzikanten droegen, werden wij zeer beleefd ontvangen door
+een knecht in een zwarten rok met eene witte das, die ons naar onze
+kamer bracht. Wat was dat eene mooie kamer! Er stonden twee ledekanten
+met hagelwit beddegoed; de ramen kwamen uit op eene veranda met het
+uitzicht op het meer en het prachtige landschap aan zijne oevers. Toen
+wij van de veranda eindelijk weder in onze kamer terugkeerden,
+stond daar nog altijd onbeweeglijk de knecht, die op onze bevelen
+wachtte. Hij vroeg ons wat wij voor ons middagmaal verlangden, dat
+hij ons op de veranda brengen zou.
+
+--Hebt ge taart? vroeg Mattia?.
+
+--Pruimen-taart, aardbeziën-taart, aalbessen-taart.
+
+--Nu, geef ons dan maar van die taarten.
+
+--Van alle drie?
+
+--Zeker.
+
+--En wat dan eerst? welk vleesch, welke groente?
+
+Bij al wat de knecht zeide, zette Mattia groote oogen op, maar hij
+werd volstrekt niet verlegen.
+
+--Wat ge wilt, zeide hij.
+
+De knecht ging deftig heen.
+
+--Ik geloof, zeide Mattia, dat wij hier beter zullen eten dan bij de
+familie Driscoll.
+
+Den anderen morgen kwam mevrouw Milligan ons een bezoek brengen;
+zij bracht een kleermaker en eene linnennaaister mede, die ons de
+maat namen voor kleeren en ondergoed.
+
+Zij vertelde ons dat Lize nog altijd voortging met zich in het spreken
+te oefenen en dat de dokter verklaard had, dat zij thans genezen
+was. Nadat zij een uur bij ons was geweest, ging zij heen en kuste
+mij weder en gaf Mattia de hand.
+
+Zij kwam vier dagen achtereen en elken dag was zij liever en teederder
+voor mij, maar ik bemerkte toch zekere terughouding; het was of zij
+niet aan hare teederheid wilde toegeven of ze niet wilde laten blijken.
+
+Den vijfden dag kwam de kamenier, die ik op _De Zwaan_ had gezien,
+in hare plaats. Zij zeide ons dat mevrouw Milligan ons op hare
+villa wachtte, en dat buiten een rijtuig stond om er ons heen te
+brengen. Het was eene open calèche, waarin Mattia plaats nam zonder
+eenige verwondering te doen blijken en op eene wijze of hij er van
+zijne jeugd af altijd in gereden had. Ook Capi legde zich zonder
+aarzelen op een kussen meer.
+
+De rit was niet ver; hij duurde al te kort, want het was voor mij
+of ik droomde; mijn hoofd was vol van allerlei dwaze gedachten of
+tenminste gedachten, die ik heel dwaas vond. Men liet ons in eene
+zaal, waar zich mevrouw Milligan bevond en Arthur, die op de canapé
+lag uitgestrekt, alsmede Lize.
+
+Arthur strekte beide armen naar mij uit; ik snelde naar hem toe om
+hem aan mijn borst te drukken; ik omhelsde ook Lize, maar mevrouw
+Milligan omhelsde mij.
+
+--Eindelijk, zeide zij, is het oogenblik gekomen dat gij de plaats
+moogt innemen, die u toekomt.
+
+En toen ik haar aanzag om haar eene verklaring van die woorden te
+vragen, opende zij eene deur en ik zag vrouw Barberin binnenkomen,
+die onder den arm kinderkleeren droeg: een manteltje van wit cachemier,
+een kanten mutsje en gebreide kousjes.
+
+Zij had ternauwernood den tijd om die kleeren op tafel te leggen, toen
+ik haar reeds in mijn armen had gesloten; terwijl ik haar omhelsde,
+zeide mevrouw Milligan iets tot een bediende, maar ik hoorde den naam
+van James Milligan en dit deed mij van schrik verstijven.
+
+--Gij hebt niets te vreezen, zeide zij eindelijk; integendeel, kom
+hier en leg uwe hand in de mijne.
+
+Op dat oogenblik ging de deur van de zaal open en verscheen de heer
+Milligan, glimlachend en al zijne scherpe tanden vertoonende. Toen
+hij mij zag verdween plotseling die glimlach, om plaats te maken voor
+een vreeselijken grijns.
+
+Mevrouw Milligan liet hem den tijd niet om te spreken.
+
+--Ik heb u doen roepen, sprak zij langzaam, terwijl hare stem licht
+beefde, om u mijn oudsten zoon voor te stellen, dien ik het geluk heb
+gehad eindelijk te ontdekken--hier drukte zij mij de hand--hier is
+hij. Maar gij kent hem reeds; gij hebt hem bezocht bij den man, die hem
+gestolen heeft, om naar zijn gezondheid een onderzoek in te stellen.
+
+--Wat beteekent dat? vroeg de heer James Milligan, met een ontsteld
+gelaat.
+
+--Die man, die nu in de gevangenis zit wegens diefstal in eene kerk,
+heeft eene volledige bekentenis afgelegd. Hier is een brief, waaruit
+dit blijkt. Hij heeft medegedeeld hoe hij het kind heeft gestolen
+en te Parijs heeft achtergelaten in de avenue de Breteuil; hoe hij
+de voorzorg had genomen om de merken van de kleeren af te knippen,
+opdat ze niet tot eene herkenning zouden leiden. Daar zijn die kleeren,
+die bewaard zijn door de brave vrouw, welke zoo belangeloos mijn zoon
+heeft opgevoed. Wilt gij dien brief lezen? wilt gij die kleeren zien?
+
+De heer James Milligan stond een oogenblik sprakeloos; misschien dacht
+hij eraan of hij ons maar niet allen verworgen zou. Eensklaps ging
+hij naar de deur; maar vóór hij de kamer uit was, keerde hij zich om.
+
+--Wij zullen eens zien, zeide hij, hoe de rechters zullen oordeelen
+over een ondergeschoven kind.
+
+Zonder de minste ontroering sprak mevrouw Milligan--thans mag ik
+zeggen mijne moeder:
+
+--Gij kunt mij voor den rechter dagen; ik voor mij zal nooit den
+broeder van mijn echtgenoot ter verantwoording roepen.
+
+De deur ging achter mijn oom dicht; toen kon ik mij in de arme
+mijner moeder werpen, die mij vurig aan 't hart drukte en die ik
+voor de eerste maal durfde kussen, terwijl ze ook mijn liefkoozingen
+beantwoordde.
+
+Toen onze ontroering een weinig bedaard was, kwam Mattia naar ons toe:
+
+--Zeg nu eens aan uw mama, dat ik goed een geheim kan bewaren.
+
+--Wist gij dan alles? vroeg ik.
+
+Mijne moeder gaf daarop ten antwoord:
+
+--Toen Mattia mij alles verteld had, verzocht ik hem te zwijgen, want
+ik was overtuigd, dat de arme kleine Rémi mijn zoon was. Maar ik moest
+zekere bewijzen hebben, opdat er geen dwaling meer mogelijk was. Hoe
+smartelijk zou het voor u geweest zijn, lief kind, als ik u eenmaal
+mijn zoon genoemd had, te ontdekken, dat wij ons hadden vergist! Die
+bewijzen hebben wij nu; en thans zijn wij voor altijd met elkander
+vereenigd. Voor altijd zult gij nu leven met uwe moeder en uw broer
+en--hier wees zij op Lize en Mattia--met hen die u liefgehad hebben,
+toen gij ongelukkig waart.
+
+
+
+
+XLIV.
+
+MET DE MIJNEN.
+
+
+Jaren zijn voorbijgegaan, vele jaren zelfs, maar zij zijn omgevlogen,
+omdat zij slechts goede en gelukkige dagen hebben opgeleverd.
+
+Thans woon ik in Engeland, in Milligan-Park, het kasteel van mijne
+voorouders.
+
+Het kind zonder ouders, zonder steun, te vondeling gelegd en verlaten,
+ten prooi aan de wisselvalligheden van het lot, zonder baak om hem
+den weg te wijzen op die onafzienbare zee, waarop hij rondzwalkte,
+zonder haven waarheen hij zich kon richten, heeft niet slechts eene
+moeder en een broeder, die hij liefheeft en die hem liefhebben, maar
+ook voorouders, die hem een naam hebben nagelaten, door het gansche
+land geëerd, en een aanzienlijk vermogen.
+
+De kleine ongelukkige knaap, die als kind zoo menigen nacht in schuren
+en stallen heeft doorgebracht of in een uithoek van het bosch onder
+den blooten hemel, is thans de erfgenaam van een voornaam geslacht,
+in het bezit van een kasteel in de geschiedenis vermaard, dat door de
+nieuwsgierigen wordt bezocht en in alle reisboeken vermeld en geroemd.
+
+Op een twintig mijlen ten westen van de plek waar ik scheep ging,
+vervolgd door de politie, ligt dat kasteel op een helling, omringd
+door een lommerrijk bosch, ondanks de nabijheid van de zee. Het
+is gebouwd op een terras door de natuur zelve gevormd; het heeft
+de gedaante van een kubus en op elken hoek staat een zware ronde
+toren. De twee gevels naar het zuiden en westen gekeerd, zijn bedekt
+met slingerplanten en klimmende rozen; die van het noorden en oosten
+met klimop, met stammen zoo dik als een mensch, die getuigen van zijn
+hoogen ouderdom, en al de zorgen van de tuinlieden zijn noodig om te
+verhoede dat zijn weelderige groei onder donker loof de arabesken
+en andere ornamenten bedekt, die zoo kunstig gehouwen zijn in de
+witte steen, welke de vensters en deuren omlijst. Het is door een
+uitgestrekt park omringd. Daarin groeien oude boomen, die nog nooit
+gesnoeid of geveld zijn en levende beken stroomen erdoorheen, welke
+groeikracht schenken aan de altijd groene grasperken. In een bosch
+van hoog opgaand hout nestelen oude kraaien, die elken nacht door
+haar gekras het begin en het einde van den dag verkondigen.
+
+Op dit oude kasteel van Milligan-Park woon ik nu met mijne familie:
+mijne moeder, mijn broer en mijne vrouw.
+
+Wij zijn daar sedert zes maanden gevestigd. Vele uren heb ik
+reeds doorgebracht in de bibliotheek, waarin de oude archieven, de
+eigendomstitels, de familiepapieren bewaard worden. Ik zit daar aan
+eene groote eikenhouten tafel, zwart van ouderdom, en schrijf. Maar
+het zijn niet die archieven of familiepapieren welke ik zoo nauwkeurig
+naga, maar het boek mijner eigen geschiedenis, dat ik doorblader en
+in orde breng.
+
+Wij zullen ons eerste kind laten doopen, onzen kleinen Mattia, en bij
+gelegenheid van dien doop, die op het kasteel mijner vaderen allen
+vereenigen zal, die mijne vrienden waren in dagen van tegenspoed,
+wil ik het verhaal geven van mijne lotgevallen, waarin zij eene rol
+hebben gespeeld, als een bewijs mijner dankbaarheid voor de hulp,
+die zij mij hebben verleend of voor de liefde, die zij voor het arme
+verloren kind hebben aan den dag gelegd. Als ik een hoofdstuk afhad,
+zond ik het naar Dorchester, naar den lithograaf en denzelfden dag
+ontvang ik de gesteendrukte kopieën van mijn handschrift, om aan
+ieder der gasten er een te geven.
+
+Die bijeenkomst is eene verrassing, die ik hun heb bereid, ook voor
+mijne vrouw, die dan haar vader zal weerzien en hare zuster, en haar
+broers en hare tante, welke zij niet verwacht; alleen mijne moeder
+en mijn broer zijn in het geheim. Als er niets tusschen beiden komt,
+zullen allen dezen avond onder mijn dak doorbrengen en ik zal het
+genot smaken hen allen aan mijne tafel te zien.
+
+Een enkele zal aan dat feest ontbreken, want hoeveel men ook met
+geld kan doen, het kan 't leven niet teruggeven aan hen, die niet
+meer zijn. Arme, dierbare oude meester! wat zou ik gelukkig geweest
+zijn, als ik u een rustigen ouden dag had kunnen bezorgen! Gij zoudt
+u kunnen ontdaan hebben van uwe _piva_, uw schapevacht en uw fluweelen
+buis; gij zoudt niet meer het "vooruit kinderen!" geroepen hebben. Een
+ouderdom door allen geëerbiedigd, zou u zijn geschonken, gij zoudt uw
+indrukwekkend grijs hoofd met fierheid kunnen opheffen en uw vroegeren
+naam weder kunnen aannemen. Vitalis, de oude zwerveling, zou weder
+Carlo Balzani, de beroemde zanger zijn. Maar wat de onverbiddelijke
+dood u niet vergund heeft, heb ik althans voor uwe nagedachtenis
+gedaan: te Parijs op het kerkhof Montmartre is de naam gebeiteld
+op het gedenkteeken, dat mijne moeder op mijn verzoek voor u heeft
+opgericht; en uw borstbeeld in brons naar de portretten uit den tijd
+van uw roem herinnert uwen naam aan hen, die u hebben toegejuicht;
+een afbeeldsel van uw borstbeeld is voor mij gegoten; het staat
+daar voor mij, en terwijl ik het verhaal schrijf van mijne eerste
+jaren van beproeving, toen de loop der gebeurtenissen zich begon te
+ontwikkelen, hebben mijne oogen vaak de uwe gezocht. Ik heb u niet
+vergeten; ik zal u nooit vergeten, wees daar zeker van; indien ik
+in dat gevaarlijk tijdperk van een aan zich zelf overgelaten kind,
+nooit gestruikeld heb en nooit ben gevallen, dan ben ik het aan u
+verschuldigd, aan uwe lessen, aan uw voorbeeld, mijn dierbare oude
+meester! En op elk feest zal uwe plaats in eere worden gehouden;
+ziet gij mij niet, ik zal u zien.
+
+Maar daar komt mijne moeder door de zaal der familieportretten; de
+jaren hebben hare schoonheid niet doen verwelken, en zij is in mijn
+oog nog dezelfde als toen ik haar voor de eerste maal aanschouwde,
+onder de veranda van _De Zwaan_, met haar edel gelaat, zoo zacht
+en schoon; maar dat waas van zwaarmoedigheid dat het toen overtoog,
+is geheel verdwenen.
+
+Zij leunt op den arm van Arthur, want thans is het de moeder niet
+meer, die haar zwakken, wankelenden zoon ondersteund, maar de zoon,
+die een schoon en krachtig jongeling is geworden, bedreven in alle
+lichaamsoefeningen, bevallig ruiter, flink roeier, onverschrokken
+jager, die met innige teederheid zijn arm biedt aan zijne moeder; want
+in strijd met de voorstelling van mijn oom, James Milligan, is het
+wonder gebeurd: Arthur is in leven gebleven en hij zal blijven leven.
+
+Op eenigen afstand achter hen, zie ik eene oude vrouw komen, gekleed
+in de dracht der Fransche boerinnen. Zij heeft een kindje op den arm
+met een wit cachemieren mantel om: de oude boerin is vrouw Barberin
+en dat kind is het mijne: het is mijn zoon, de kleine Mattia.
+
+Nadat ik mijne moeder teruggevonden had, wilde ik, dat vrouw Barberin
+bij ons zou blijven, maar zij nam dit niet aan.
+
+--Neen, zeide zij, mijn beste Rémi, mijn plaats is thans niet bij uwe
+moeder. Gij moet thans werken om knap te worden en door uwe kennis
+een heer te worden, zooals gij door uwe geboorte reeds zijt. Wat
+zou ik bij u doen? Mijne plaats is niet in het huis uwer wezenlijke
+moeder. Laat mij naar Chavanon terugkeeren. Maar onze scheiding zal
+niet voor altijd wezen. Gij wordt grooter; gij zult trouwen en kinderen
+krijgen. Dan eerst, als gij wilt en ik nog in leven ben, zal ik bij
+u komen om uwe kinderen te verzorgen; ik kan hunne min niet zijn,
+zooals ik uw min geweest ben, maar mijn leeftijd zal mij niet beletten
+dat ik goed op uwe kinderen pas; ik ben een vrouw van ervaring, en
+oude menschen hebben niet veel behoefte aan slaap. Bovendien ik zal
+uw kinderen liefhebben en ge kunt er zeker van zijn, dat ik mij de
+kleinen niet zal laten ontstelen, zooals men u gestolen heeft.
+
+Wat vrouw Barberin verlangde is gebeurd; korten tijd vóór de geboorte
+van ons kind, is men haar te Chavanon gaan halen en zij heeft alles
+verlaten, haar dorp, hare gewoonten, hare vrienden, de koe, die uit
+onze koe was geboren, om in Engeland bij ons te komen; onze kleine
+Mattia wordt gezoogd door zijne moeder, maar hij wordt verzorgd,
+gedragen, beziggehouden en geliefkoosd door "moeder" Barberin, die
+verzekert, dat dit het mooiste kind is, dat zij ooit heeft gezien.
+
+Arthur heeft een nommer van de _Times_ in de hand; hij legt dit
+op mijne schrijftafel en vraagt me of ik het gelezen heb. Op mijn
+ontkennend antwoord, wijst hij me op een brief uit Weenen, dien ik
+hier laat volgen.
+
+"Weldra zult gij te Londen het bezoek krijgen van Mattia; ondanks den
+ongelooflijken bijval, die zijne reeks concerten alhier verwierven,
+verlaat hij ons, daar hij naar Engeland moet vertrekken wegens
+eene verbintenis, die hij niet verbreken kan. Ik heb u reeds van
+die concerten gesproken; zij hebben den grootsten opgang gemaakt,
+zoowel door de mate als door de oorspronkelijkheid van zijn talent,
+en door zijne gave als componist. In één woord, Mattia is een Chopin
+op de viool."
+
+Ik heb dat artikel niet noodig om te weten, dat de kleine
+straatmuzikant, mijn makker en leerling, een groot kunstenaar is
+geworden. Ik heb Mattia zich zien ontwikkelen en opgroeien; en zoo
+het al wezen mocht, dat in den tijd, waarin hij onder leiding van
+denzelfden onderwijzer als Arthur en ik, geen groote vorderingen maakte
+in het latijn en grieksch, des te meer vorderde hij in de muziek bij
+de onderwijzers die mijne moeder hem gaf, en het was gemakkelijk te
+voorzien, dat de voorzegging van Espinassous, den kapper-musicus van
+Mende, eenmaal bewaarheid zou worden.
+
+Toch vervulde mij die brief uit Weenen met trots en vreugd; het was of
+ik zelf deelde in de toejuichingen, waarvan hij de weerklank was. Maar
+was dit ook niet zoo? Was Mattia niet mijn tweede ik, mijn makker,
+mijn vriend, mijn broeder? zijn roem was de mijne, evenals zijn geluk
+het mijne was.
+
+Op dat oogenblik bracht de bediende een telegram, dat juist was
+aangekomen.
+
+
+ "Het is misschien de kortste weg, maar zeker niet de
+ aangenaamste; maar is er wel één aangename? Hoe dit zij, ik ben
+ zoo zeeziek geweest, dat ik eerst te Red-Hill de kracht had
+ om u bericht te zenden. Te Parijs heb ik Christina gehaald;
+ wij zullen te Chegford te vier uren tien minuten zijn; zend
+ ons daar een rijtuig.
+
+ "Mattia."
+
+
+Toen ik den naam van Christina las, had ik Arthur aangezien, maar hij
+had den blik afgewend; eerst bij het slot van het telegram sloeg hij
+de oogen weder op.
+
+--Ik heb wel zin om zelf naar Chegford te gaan, zeide hij; ik zal
+den landauer laten inspannen.
+
+--Dat is een goed idée; in het terugrijden zult gij over Christina
+zitten.
+
+Hij gaf geen antwoord, maar verliet terstond de kamer; toen wendde
+ik mij tot mijne moeder.
+
+--U ziet dat Arthur het niet verbergt, dat hij naar haar verlangt;
+dat beteekent iets.
+
+--Dat beteekent zeer veel.
+
+Het kwam mij voor, dat in den toon van die woorden een zweem van
+ontevredenheid doorstraalde. Ik stond op en zette mij naast mijne
+moeder, en terwijl ik hare beide handen greep, die ik kuste, zeide
+ik in het Fransch, de taal waarvan ik mij altijd bediende als ik met
+innigheid, als haar kind, tot haar spreken wilde:
+
+--Lieve moeder, het moet u geen zorg geven, dat Arthur Christina
+bemint. 't Is waar, dat zal hem beletten een goed huwelijk te sluiten,
+en een goed huwelijk is in het oog der menschen een huwelijk, dat
+geboorte en rijkdom vereenigt. Maar bewijst mijn voorbeeld niet genoeg,
+dat men gelukkig, zeer gelukkig kan zijn, zoo gelukkig mogelijk,
+zonder dat de vrouw met wie men trouwt van aanzienlijke afkomst
+en rijk is? Zoudt gij Arthur niet gaarne even gelukkig willen zien
+als mij? De zwakheid, die gij gehad hebt voor mij, omdat gij niets
+weigeren woudt aan het kind, dat gij dertien jaar lang hadt betreurd,
+zoudt gij die ook niet voor uw anderen zoon willen hebben? Zoudt gij
+toegeeflijker zijn voor den een dan voor den ander?
+
+Zij streek de hand over het voorhoofd en omhelsde mij.
+
+--Ge zijt een goed kind en een liefhebbende broeder. Welk een schat
+van liefde bewaart gij in uw hart!
+
+--Omdat ik dien vroeger heb opgespaard; maar 't is niet over mij, dat
+wij nu spreken, maar over Arthur. Zeg mij eens, of gij een bekoorlijker
+vrouwtje zoudt kunnen vinden dan Christina. Is dat niet de mooiste
+italiaansche vrouw, die gij kent? En de opvoeding, die zij genoten
+heeft sedert wij haar te Lucca zijn gaan halen, stelt die haar niet in
+staat waardig eene plaats te bekleeden in de meest eischende kringen?
+
+--Gij ziet in Christina de zuster van uw vriend Mattia.
+
+--Dat is zoo, en ik beken rondweg, dat ik van ganscher harte een
+huwelijk verlang, waardoor Mattia in onze familie zou komen.
+
+--Heeft Arthur u gesproken van zijne genegenheid en van zijne wenschen?
+
+--Ja, beste moeder, zeide ik glimlachend, en hij heeft zich tot mij
+gewend als hoofd van de familie.
+
+--En het hoofd van de familie?
+
+--Heeft hem zijn steun beloofd.
+
+Mijne moeder viel mij hier in de rede.
+
+--Daar is uwe vrouw, zeide zij; over Arthur zullen wij later spreken.
+
+Mijne vrouw--gij hebt het reeds geraden en ik behoef het u niet
+te zeggen, nietwaar?--mijne vrouw is het meisje met die groote
+verwonderde oogen en het sprekend gelaat, dat gij reeds kent. Lize,
+de kleine, tengere, fijngevormde Lize. Zij is niet stom meer, maar
+zij heeft gelukkig die slankheid en tengerheid behouden, die aan hare
+schoonheid iets hemelsch geven. Lize heeft mijne moeder niet verlaten,
+die haar onder hare leiding heeft doen opvoeden en onderwijzen,
+en zij is eene schoone jonge maagd geworden, voor mij begaafd met
+de volmaaktste eigenschappen en de grootste deugden... want ik heb
+haar lief. Ik heb aan mijne moeder gevraagd mij haar tot vrouw te
+geven, en na eene levendige tegenkanting, die vooral gegrond was
+op het verschil in maatschappelijken stand, kon mijne moeder toch
+niet blijven weigeren. Eenigen onzer bloedverwanten waren er zeer
+boos en geërgerd over; maar van de vier, die het afkeurden, zijn
+er drie reeds terruggekomen op hun oordeel: zij bezweken voor de
+lieftalligheid van Lize, en de vierde wacht ook slechts om zich te
+bekeeren, tot wij hem een bezoek zullen gebracht hebben, waarin wij
+hem onze verontschuldiging maken, dat wij nog gelukkig zijn. En dat
+bezoek is op morgen bepaald.
+
+--Wel, zeide Lize, toen zij binnenkwam, wat is er toch gaande? Men
+verbergt zich voor mij; men spreekt in het geheim; Arthur is naar het
+station van Chegford gereden; de break is naar Ferry gezonden. Wat
+is er toch voor een geheim? Vertel mij dat eens.
+
+Wij glimlachten, maar gaven haar geen antwoord.
+
+Toen sloeg zij haar arm om den hals mijner moeder en terwijl zij ze
+teeder omhelsde, sprak zij:
+
+--Nu u in 't geheim is, moederlief, ben ik niet ongerust meer; ik ben
+van te voren zeker, als altijd, dat gij voor ons geluk werkzaam zijt
+geweest. Maar dat maakt mij niet minder nieuwsgierig.
+
+De tijd ging voort en de break, die ik naar Ferry had gezonden om
+de familie van Lize te halen, kon elk oogenblik aankomen; om hare
+nieuwsgierigheid niet te lang op de proef te stellen, nam ik mijn
+verrekijker, die wij gebruikten om de schepen, welke voorbijvoeren,
+te zien; maar inplaats van hem naar de zee te richten, wendde ik hem
+naar den weg, vanwaar de break moest komen.
+
+--Zie eens door dien kijker, zeide ik, en uw nieuwsgierigheid zal
+bevredigd zijn.
+
+Zij keek, maar zag niets anders dan den witten weg, want er was nog
+geen rijtuig te zien.
+
+Toen bracht ik op mijne beurt mijn oog voor het glas.
+
+--Hoe is 't, hebt gij niets door dien kijker gezien? vroeg ik op den
+toon van Vitalis, als hij zich tot het geëerde publiek wendde. Het
+is toch een wonderkijker: met deze glazen ziet men tot over de zee;
+zelfs in Frankrijk; ik zie er een aardig huisje door, te Sceaux;
+ik zie daar een man met grijze haren, die de hand drukt aan twee
+vrouwen, welke naast hem zijn gezeten. "Haast-je toch," zegt hij,
+"anders missen wij den trein en ik zal niet bijtijds in Engeland zijn
+voor den doop van mijn kleinzoon. Katherina, haast u wat, als ik u
+verzoeken mag; sedert tien jaar dat wij samen wonen, zijt ge altijd
+te laat geweest. Wat is er? Wat wilt ge, Martha? Speelt ge weer voor
+gendarme? Wat ik aan Katherina zeg, is in vrede en vriendschap. Ik
+weet zeer goed, dat Katherina de beste zuster is, zooals gij, Martha,
+de beste dochter zijt. Waar vindt men een meisje, zoo lief als gij,
+die niet trouwt, alleen om haar ouden vader op te passen en die de taak
+van beschermengel blijft vervullen, gelijk zij die eenmaal vervulde
+voor hare broers en haar zusje? Nu geeft hij, vóór hij heengaat,
+nog eenige bevelen, vooral om te doen zorgen voor zijne bloemen,
+zoolang hij afwezig is. Vergeet vooral niet, dat ik tuinman geweest
+ben--zegt hij tot zijn knecht--en dat ik verstand heb van dat werk."
+
+Ik veranderde de richting van den kijker, alsof ik naar een anderen
+kant wilde uitzien.
+
+--En nu zie ik eene stoomboot, eene groote stoomboot, die terugkeert
+van de Antilles en Hâvre nadert. Aan boord is een jongmensch, die
+een botanischen onderzoekingstocht heeft gedaan langs de oevers van
+de Amazone. Men zegt, dat hij planten en bloemen medebrengt, die
+in Europa nog onbekend zijn en het eerste gedeelte van zijne reis,
+dat in de dagbladen werd opgenomen, is zeer belangwekkend: de naam
+van Benjamin Acquin is reeds beroemd; slechts één ding maakt hem
+bezorgd, dat hij niet tijdig genoeg te Hâvre zal komen om de boot te
+halen naar Southampton, die hem bij zijne familie op Milligan-Park
+zal brengen. Mijn kijker is zoo uitstekend, dat ik hem volgen kan;
+hij heeft de boot van Southampton gehaald; weldra zal hij hier zijn.
+
+Wederom richt ik mijn kijker naar een andere zijde, en ga voort:
+
+--Niet alleen kan ik nu zien, maar zelfs hooren: twee mannen zitten
+in den trein, een oude en een jonge. "Wat zal dit eene belangrijke
+reis voor ons zijn," zegt de oude.--Heel belangrijk, meester.--"Niet
+alleen, beste Alexis, zult gij uwe familie weerzien en kunt gij de
+hand drukken van uw vriend Rémi, die ons niet vergeten heeft, maar wij
+zullen ook een bezoek kunnen brengen aan de mijnen van Wales; daar zult
+gij merkwaardige dingen zien, en als gij teruggekeerd zijt, zult gij te
+Truyères verbeteringen kunnen invoeren, wat meer gezag zal bijzetten
+aan de betrekking, die gij door uw arbeid wist te verwerven. Ik voor
+mij zal eenige stukken steenkool vandaar kunnen meebrengen en die
+bij mijne verzameling voegen, die de stad Varses wel heeft willen
+aannemen. Hoe ongelukkig dat je oom Gaspard niet mee kon gaan!"
+
+Ik wilde voortgaan, maar Lize was bij me gekomen; zij nam mijn hoofd
+tusschen hare beide handen en door deze liefkoozing belette zij me
+te spreken.
+
+--O, wat een verrassing! zeide zij, met een stem, die trilde van
+ontroering.
+
+--Daar moet gij mij niet voor bedanken, maar mijne moeder, die
+allen om zich wilde vereenigen, welke goed geweest waren voor haar
+verlaten kind; als gij mij den mond niet gesloten hadt, zoudt gij
+gehoord hebben, dat wij ook dien braven Bob hier wachten, die nu een
+der voornaamste ondernemers van publieke vermakelijkheden van gansch
+Engeland is geworden, alsmede zijn broer, die nog altijd het bevel
+voert over de _Eclipse_.
+
+Op dat oogenblik drong het geratel van een rijtuig tot ons door, en
+bijna terstond daarop dat van een tweede. Wij snellen naar het venster
+en zien de break, waarin Lize haar vader herkent, met hare tante
+Katherina, hare zuster Martha en hare broeders Alexis en Benjamin;
+naast Alexis zit een grijsaard met witte haren en gebogen gestalte:
+het is de meester.
+
+Van den anderen kant komt tegelijk de open landauer, waarin Mattia en
+Christina zijn gezeten, die ons toewuiven met de hand. En achter den
+landauer volgt eene cabriolet, waarvan Bob zelf het paard ment. Bob
+ziet er uit als een voornaam heer en zijn broer is nog altijd de ruwe
+zeeman, die ons naar Isigny bracht.
+
+Wij snellen ijlings de trap af, om onze gasten beneden aan het bordes
+te ontvangen.
+
+Het diné vereenigde ons allen aan dezelfde tafel en natuurlijk spraken
+wij over het verleden.
+
+--Onlangs, zeide Mattia, heb ik in de speelzaal te Baden een Engelsch
+heer ontmoet met witte puntige tanden, die bijna altijd glimlachte,
+ondanks zijn tegenspoed in het spel; hij heeft mij niet herkend, en mij
+de eer bewezen een gulden van mij te leenen om dien zóó op te zetten,
+dat hij zeker winnen moest; het was eene zeer vernuftige berekening,
+maar dien avond gelukte zij niet: de heer James Milligan verloor.
+
+--Waarom vertelt gij dat, nu Rémi er bij is, mijn beste Mattia? vroeg
+mijne moeder; hij is in staat om zijn oom onderstand te zenden.
+
+--Zeker, mama.
+
+--Waarin zou dan zijne boete bestaan? vroeg mijne moeder.
+
+--Hierin, dat mijn oom, die alles heeft opgeofferd om fortuin te
+krijgen, zijn onderstand zal verschuldigd zijn aan hem, dien hij
+vervolgd heeft en getracht heeft te doen omkomen.
+
+--Ik heb nog 't een en ander vernomen omtrent zijne medeplichtigen,
+zeide Bob.
+
+--Omtrent dien afschuwelijken Driscoll? vroeg Mattia.
+
+--Niet van Driscoll zelf, die nog altijd aan de overzijde van den
+Oceaan is, maar van de familie Driscoll. Vrouw Driscoll is verbrand,
+eens dat zij op den haard was gaan liggen, inplaats van op tafel, en
+Allen en Ned zijn veroordeeld om hun gansche leven in eene strafkolonie
+door te brengen; zij vinden daar hun vader.
+
+--En Kate?
+
+--De kleine Kate past haar grootvader op, die nog altijd leeft; zij
+wonen in De Roode Leeuw; de oude heeft geld; zij zijn niet ongelukkig.
+
+--Als ze kouwelijk is, zeide Mattia lachend, dan beklaag ik haar,
+want de oude heeft niet graag, dat men te dicht bij den haard komt.
+
+Bij die herinneringen aan het verleden had ieder wat te vertellen;
+hadden wij niet allen gebeurtenissen te herdenken, waarbij ieder
+onzer van meer of minder nabij betrokken was en waarover wij allen
+gaarne spraken, want zij vormden den band, die ons samen verbond.
+
+Toen het diné afgeloopen was, trok Mattia mij terzijde bij een
+der ramen.
+
+--Ik heb een idée, zeide hij; wij hebben zoo dikwijls muziek gemaakt
+voor onverschilligen; thans mochten wij wel wat muziek maken voor hen,
+die ons dierbaar zijn.
+
+--Is er dan voor u geen genot zonder muziek? Altijd, overal en in alle
+omstandigheden muziek; denk eens aan de koe, die er zoo bang voor was.
+
+--Wilt gij het Napolitaansche lied eens spelen?
+
+--Met genoegen; want dat heeft ook Lize hare spraak teruggegeven.
+
+Wij namen onze instrumenten. In eene fraaie, met fluweel bekleede
+kist had Mattia eene oude viool, die misschien wel een gulden zou
+opbrengen als wij haar verkochten, en ik haalde de oude harp, waarvan
+het hout onder de tallooze regenbuien zijne oorspronkelijke kleur
+had teruggekregen.
+
+Men vormde een kring om ons, maar op dat oogenblik kwam er een
+hond, een poedel, binnen. Hij is erg oud geworden, de goede Capi;
+hij is doof, maar zijn gezicht is nog goed. Op het kussen liggende,
+waarop hij zijne dagen doorbrengt, heeft hij de harp herkend en hij
+komt hinkend naderbij, om de "voorstelling". Hij heeft een bakje in
+zijn bek; hij wil de ronde doen bij het "geëerd publiek", op zijn
+achterpooten loopende; maar de krachten ontbreken hem; hij zet zich
+neder en groet het gezelschap deftig met een poot op zijn hart.
+
+Toen ons lied uit was stond Capi op, zoo goed en zoo kwaad als het
+ging. Ieder legde zijne gift in het bakje en Capi, getroffen door de
+milde giften, bracht het bij mij. Het was de mooiste inzameling, die
+hij ooit gedaan had; er lag slechts zilver en goud op: tachtig gulden.
+
+Ik kuste hem op zijn snuit, zooals voorheen, toen hij mij troostte
+en die herinnering aan de armoede mijner kindsheid deed een denkbeeld
+bij mij oprijzen, dat ik terstond uitte:
+
+--Die som zal de eerste bijdrage zijn voor een verplegings- en
+toevluchtsoord voor kleine straatmuzikanten; mijne moeder en ik zullen
+het overige geven.
+
+--Lieve mama, zeide Mattia, terwijl hij de hand kuste mijner moeder,
+mag ik een klein aandeel in dat goede werk dragen? Als gij het
+toestemt zal de opbrengst van mijn eerste concert te Londen gevoegd
+worden bij hetgeen Capi ontvangen heeft.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+
+ I. In het dorp 1
+ II. Een pleegvader 8
+ III. De troep van Signor Vitalis 17
+ IV. Het ouderlijk huis 27
+ V. Op reis 34
+ VI. Mijn eerste optreden 40
+ VII. Ik leer lezen 51
+ VIII. Over berg en dal 59
+ IX. Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen 63
+ X. Voor den rechter 70
+ XI. Op het schip 81
+ XII. Mijn eerste vriend 101
+ XIII. De vondeling 114
+ XIV. Sneeuw en wolven 122
+ XV. Mijnheer Joli-Coeur 143
+ XVI. Aankomst te Parijs 155
+ XVII. Een padrone uit de straat Lourcine 163
+ XVIII. De steengroeven van Gentilly 177
+ XIX. Lize 186
+ XX. De tuinman 197
+ XXI. Het huisgezin wordt opgebroken 204
+ XXII. Voorwaarts 7
+ XXIII. Een zwarte stad 26
+ XXIV. Opperman 37
+ XXV. De overstrooming 45
+ XXVI. In de zijgang 58
+ XXVII. De redding 71
+ XXVIII. Een muziekles 92
+ XXIX. De koe van den prins 102
+ XXX. Vrouw Barberin 120
+ XXXI. Het oude en nieuwe gezin 134
+ XXXII. Barberin 143
+ XXXIII. Nasporingen 157
+ XXXIV. De familie Driscoll 172
+ XXXV. Eert uw vader en uwe moeder 181
+ XXXVI. Capi op den slechten weg 192
+ XXXVII. De mooie luiers waren bedrog 197
+ XXXVIII. De oom van Arthur: James Milligan 203
+ XXXIX. De Kerstnachten 208
+ XL. De angst van Mattia 213
+ XLI. Bob 230
+ XLII. De Zwaan 241
+ XLIII. De mooie luiers hebben waarheid gesproken 251
+ XLIV. Met de mijnen 261
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Alleen op de Wereld, by Hector Malot
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALLEEN OP DE WERELD ***
+
+***** This file should be named 19054-8.txt or 19054-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/9/0/5/19054/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+*** END: FULL LICENSE ***
+
diff --git a/19054-8.zip b/19054-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..14aa338
--- /dev/null
+++ b/19054-8.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..15d3fad
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #19054 (https://www.gutenberg.org/ebooks/19054)