summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--18381-8.txt9766
-rw-r--r--18381-8.zipbin0 -> 175873 bytes
-rw-r--r--18381-h.zipbin0 -> 768475 bytes
-rw-r--r--18381-h/18381-h.htm9414
-rw-r--r--18381-h/images/frontcover.jpgbin0 -> 123717 bytes
-rw-r--r--18381-h/images/p039.gifbin0 -> 4903 bytes
-rw-r--r--18381-h/images/plate1.jpgbin0 -> 123216 bytes
-rw-r--r--18381-h/images/plate2.jpgbin0 -> 118618 bytes
-rw-r--r--18381-h/images/plate3.jpgbin0 -> 108610 bytes
-rw-r--r--18381-h/images/plate4.jpgbin0 -> 102772 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
13 files changed, 19196 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/18381-8.txt b/18381-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..8aa0eb6
--- /dev/null
+++ b/18381-8.txt
@@ -0,0 +1,9766 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Lotgevallen van Tom Sawyer, by Mark Twain
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Lotgevallen van Tom Sawyer
+
+Author: Mark Twain
+
+Illustrator: Johan Braakensiek
+
+Release Date: May 12, 2006 [EBook #18381]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LOTGEVALLEN VAN TOM SAWYER ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Mark Twain
+
+
+ De lotgevallen van Tom Sawyer
+
+
+ Met platen van
+
+ Johan Braakensiek
+
+
+
+ Zesde druk
+
+ Amsterdam Van Holkema & Warendorf
+
+
+
+
+
+
+ Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+
+"Tom!"
+
+Geen antwoord.
+
+"Tom!"
+
+Geen antwoord.
+
+"Waar zou die drommelsche jongen toch zitten? Hoor je me niet, Tom?"
+
+De oude dame, die deze woorden sprak, trok haar bril naar beneden
+om er overheen te kijken. Daarna duwde zij hem naar boven om er
+onderdoor te kijken. Zelden of nooit gebruikte zij hem om er _door_
+te kijken, althans niet naar een zoo onbeduidend voorwerp als een
+kleine jongen. Immers haar bril was haar roem, de trots van haar hart,
+en zij had hem gekocht om ontzag in te boezemen,--niet om dienst te
+doen. Voor hare oogen toch kon zij evengoed een deksel van een sauspan
+genomen hebben. Een oogenblik zag zij onthutst in het rond en zeide,
+niet bepaald barsch, maar luid genoeg om door al de meubelen in de
+kamer gehoord te worden:
+
+"Als ik je krijg, dan zal...."
+
+Meer kon zij niet uitbrengen, want al pratende had zij zich
+voorovergebukt om met een bezem onder het bed te voelen of zich daar
+ook iemand verscholen had; en zij hijgde naar adem, toen zij na lang
+duwen en stompen niets dan de kat te voorschijn haalde.
+
+"Ik heb nooit van mijn leven zoo'n jongen gezien! Nu zullen wij eens
+buiten kijken."
+
+Zij ging voor de open deur staan en keek den tuin rond, tusschen de
+tomato-boompjes en het doorn-appelkruid. Geen Tom. Daarna gebruikte
+zij hare handen als spreektrompet en schreeuwde: "Ben je daar, Tom!"
+
+Wacht! daar hoort ze plotseling een licht gedruisch achter zich en
+zij keert zich om juist bijtijds om een jongen bij de panden van
+zijn buisje te vatten en hem het ontkomen te beletten. "Wel, ik had
+er aan moeten denken dat je in de provisiekast zoudt zitten," zeide
+zij. "Wat heb je daar gedaan?"
+
+"Niets, tante."
+
+"Niets? Kijk eens naar je handen en je mond! Waarom kleven die zoo?"
+
+"Dat weet ik niet, tante."
+
+"Nu, ik wel. Er zit gelei aan. Heb ik je niet honderdmaal gezegd,
+dat je voor de broek zoudt hebben, als je gelei snoepte. Geef mij
+die roede eens aan."
+
+De roede werd in de lucht gezwaaid en was op het punt on op den jongen
+neer te komen, toen hij uitriep:
+
+"Tante, kijk eens achter u!"
+
+De oude dame draaide zich om en legde de roede neer om een partij
+hemden te redden, die zij op de haag te drogen had gehangen en die,
+door haar ijver om parate executie te houden, op den grond waren
+gevallen.
+
+De jongen maakte van de gelegenheid gebruik om over de schutting te
+klauteren en was in een ommezien verdwenen.
+
+Tante stond hem een oogenblik beteuterd na te kijken en barstte toen
+in lachen uit.
+
+"Die duivelsche jongen! Zal ik dan nooit wijzer worden Het spreekwoord
+heeft gelijk: 'Hoe ouder, hoe gekker.' Een ouden hond kan men geen
+nieuwe kunsten leeren. Elken dag verzint de jongen iets anders; maar
+wie kan dat allemaal vooruit weten? 't Is alsof hij voelt hoe lang hij
+mij plagen kan vóórdat ik kwaad word. En als ik dan eindelijk boos ben,
+brengt hij mij een oogenblik van het onderwerp af of laat mij lachen,
+en voorbij is het; hij glijdt mij onder de vingers weg, voordat ik
+hem kan straffen. Ik doe mijn plicht niet aan dien jongen, zoo waar
+als ik leef. Staat er niet geschreven: 'Die de roede spaart, bederft
+het kind.' Ik vergroot ons beider zonde en lijden. Hij is gansch en
+al bedorven. Maar, helaas het arme schaap is het eigen kind van mijne
+zuster zaliger ik kan het niet over mij verkrijgen hem te slaan. Ieder
+keer, dat ik hem niet straf, klaagt mijn geweten mij aan en ieder
+keer dat ik hem slaag geef, breekt mij het hart. Wat zal er van hem
+worden? Zoo zal hij voor galg en rad opgroeien? Hij zal van middag
+zeker weer gaan strijken en dan zal ik, om te straffen, hem morgen
+moeten laten werken. 't Is vreeselijk hard om hem op Zaterdag aan
+den arbeid te zetten, als andere jongens vacantie hebben maar ik moet
+ten minste mijn plicht doen, of ik zal het kind nog tot bederf worden."
+
+Tom bleef uit school en had een prettigen middag. Hij kwam juist tijdig
+genoeg tehuis, om Jim, den zwarten loopjongen, te helpen houtzagen en
+de blokjes voor het avondeten te hakken. Of liever hij kwam bijtijds,
+om Jim zijne avonturen te vertellen, terwijl deze drie vierden van
+het werk deed. Toms jongere broeder (of eigenlijk stiefbroeder) Sid,
+was al lang klaar met zijn werk van spaanders op te rapen; immers
+hij was een bedaarde jongen, die volstrekt niet van avonturen en
+waaghalzerijen hield.
+
+Onder het eten deed tante haar neef, die af en toe stilletjes uit
+den suikerpot nam, allerlei listige, diepzinnige vragen, om hem er in
+te laten loopen. Gelijk vele andere eenvoudige lieden, beroemde zij
+er zich op, dat zij een aangeboren talent bezat voor geheimzinnige
+diplomatie en beschouwde zij de meest alledaagsche kunstgrepen,
+waarvan zij gebruik maakte, als wonderen van list en vindingrijkheid.
+
+"Was 't niet warm op school?" vroeg zij.
+
+"Ja, tante."
+
+"Schrikkelijk warm, niet waar?"
+
+"Ja, tante."
+
+"Had je geen lust om te gaan zwemmen, Tom?"
+
+Tom begon lont te ruiken en trachtte tantes gelaat uit te vorschen
+maar het bleef onwrikbaar in dezelfde plooi.
+
+"Neen, tante," antwoordde hij, "niet zoo bijzonder."
+
+De oude dame strekte de hand uit, om te voelen of Toms overhemd ook
+nat was, en zeide:
+
+"Je bent nu toch niet zoo bijzonder warm, Tom!"
+
+Zij was verbaasd over haar eigen slimheid; zij had op deze manier
+ontdekt dat Toms overhemd droog was, zonder dat iemand vermoedde dat
+het juist dat was, waar zij achter wilde komen. Maar Tom wist al uit
+welken hoek de wind woei en dacht dat 't beste zou zijn de vraag te
+voorkomen, die nu volgen zou.
+
+"Wij hebben ons hoofd onder de pomp gehouden," zeide hij, "en 't
+mijne is nog nat. Voel maar?"
+
+Tante Polly was boos op zich zelve, omdat zij aan die omstandigheid,
+welke hem van de schuld had moeten overtuigen, niet gedacht had en
+dus niet bijdehand genoeg was geweest.
+
+Maar ze kreeg een nieuwe ingeving.
+
+"Tom, je hebt toch het boordje, dat ik aan je hemd heb vastgenaaid,
+niet behoeven los te maken om je hoofd onder de pomp te houden. Wacht,
+ontknoop je buis eens." Toms gezicht klaarde weer op. Hij ontknoopte
+zijn buis. Het boordje zat aan het hemd vast.
+
+"Wel, loop dan maar heen. Ik dacht zeker, dat je van school waart gaan
+strijken om te zwemmen. Doch ik zal je maar vergeven. 't Is met jou
+toch maar boter aan de galg gesmeerd." Zij was half boos, dat hare
+scherpzinnigheid gefaald had, en half blij, dat Tom toevallig niet
+ongehoorzaam bleek te zijn. Toen zeide Sidney:
+
+"Tante, hebt u het boordje met wit of zwart garen genaaid?"
+
+"Wel, natuurlijk met wit.--Tom!"
+
+Maar Tom wachtte de rest niet af. Eer hij de deur uitvloog, riep hij
+nog even:
+
+"Je krijgt een pak slaag, Sid, voor het klikken."
+
+Zoodra Tom buiten het bereik van zijne tante was, haalde hij twee
+groote naalden voor den dag, de een met zwart en de andere met wit
+garen omwonden, die hij aan den binnenkant van zijn buis had gestoken,
+en zeide:
+
+"Ze zou het nooit gemerkt hebben als Sid het niet verklapt had. 't Is
+een drommelsch werk; nu eens naait ze met zwart en dan weder met wit
+garen. Ik wou maar, dat ze zich bij het een of het andere bepaalde;
+dan wist ik waar ik mij aan te houden had. Maar Sid zal er voor lusten,
+of ik heet geen Tom Sawyer meer!"
+
+Tom was niet de modeljongen van het dorp. Hij wist echter best,
+wie dat _wel_ was en ook dat hij een geduchten hekel aan hem had.
+
+In minder dan twee minuten had hij zijn verdriet vergeten. Niet
+omdat hij het minder voelde dan volwassenen, maar omdat iets anders,
+dat zijne belangstelling geheel innam, het onderdrukte en voor een
+oogenblik uit zijne ziel verdreef. Dat andere was het aanleeren
+van eene nieuwe manier van fluiten, die hij juist van een neger had
+afgezien en waarin hij zich thans ongestoord kon oefenen. Het was een
+soort van zacht gekweel, dat aan het geluid van een vogel deed denken
+en voortgebracht werd door bij tusschenpoozen midden onder het fluiten
+met de tong het verhemelte aan te raken. De lezer zal zich uit zijne
+jongensjaren wel herinneren hoe men dat doet. Door vlijt en volharding
+kreeg hij het kunstje spoedig beet en stapte hij door de straten met
+een mond vol harmonie en een hart zoo vol dankbaarheid als dat van
+een sterrekundige, die eene nieuwe planeet ontdekt heeft. Wanneer men
+het genot van den astronoom had kunnen vergelijken met dat van Tom,
+zou dat van den knaap het in onvermengdheid gewonnen hebben.
+
+Het was midden in den zomer en de avonden waren lang. De duisternis was
+nog niet ingevallen, toen Tom al fluitende zijn weg vervolgde. Een
+vreemdeling liep voor hem uit, een jongen, een paar duim langer
+dan hij zelf. Een vreemdeling, van welken leeftijd of sekse ook,
+was eene merkwaardigheid in het kleine plaatsje St. Petersburg. Deze
+jongen was mooi gekleed,--veel te mooi voor een weekdag. Dat was al
+iets vreemds. Zijn pet was splinternieuw, zijn toegeknoopt blauw
+buisje dito, zijn broek evenzoo. Hij had schoenen aan, en dat nog
+wel op Vrijdag! Zelfs had hij een mooie zijden das on! Hij zag er zoo
+deftig uit, dat Tom er kippenvel van kreeg. Hij stond dit monster van
+pracht aan te gapen, doch hoe langer hij zijn neus tegen hem optrok,
+des te smeriger en te slordiger scheen hem zijn eigen plunje. Geen
+van beiden sprak een woord. Als de een zich bewoog, deed de ander
+hetzelfde. Zij bleven elkander aanstaren, totdat Tom uitriep:
+
+"Ik kan je wel aan."
+
+"Probeer het dan eens."
+
+"Zeker, ik kan wel, als ik maar wil."
+
+"Dat kun je niet."
+
+"Jawel."
+
+"Neen."
+
+"Ja."
+
+"Neen."
+
+Er volgde eene onheilspellende stilte, waarna Tom zeide:
+
+"Hoe heet je?"
+
+"Dat raakt je niet?"
+
+"Ik zal je leeren, dat het me wel raakt."
+
+"Nu, doe het dan."
+
+"Als je nog een woord spreekt, doe ik het."
+
+"Nog een woord! Wat verbeeld jij je wel?"
+
+"Je vindt je eigen nogal mooi, niet waar? Ik zou je wel met ééne hand
+op den grond kunnen krijgen, als ik het verkoos."
+
+"Waarom doe je het dan niet. Je zegt altijd, dat je het kunt."
+
+"Als je den gek met me steekt, doe ik het."
+
+"O! dat heb ik wel honderd jongens hooren zeggen."
+
+"Je denkt zeker, dat je een heele Piet bent."
+
+"Wat een vieze pet heb jij op!"
+
+"Probeer eens, mij dien pet van het hoofd te nemen. Doe het eens!"
+
+"Je bent een lafaard."
+
+"En jij ook."
+
+"Je bent een groote lafaard en je durft me niet aan."
+
+"Ga eens verder, als je durft,"
+
+"Als je nog meer praatjes maakt, zal ik je een slag op den kop geven."
+
+"Wel zeker, zul je dat?"
+
+"Ja, dat zal ik."
+
+"Waarom doe je het dan niet? Waarom zeg je altijd, dat je het doen
+zult. Is het, omdat je bang bent?"
+
+"Ik ben niet bang."
+
+"Jawel."
+
+"Neen."
+
+"Jawel."
+
+Weder eene pauze. De jongens duwen gedurig meer tegen elkander aan. Zij
+staan al schouder tegen schouder. Tom roept:
+
+"Ga uit den weg!"
+
+"Ga jij uit den weg."
+
+"Ik doe het niet."
+
+"Ik doe het ook niet."
+
+Zoo stonden zij beiden met één voet vooruit, elkander duwende dat
+het een aard had. Maar geen van beiden kon den ander uit den weg
+krijgen. Na tegen elkander aangebonsd en gestooten te hebben, totdat
+de zweetdroppels hun over het gezicht liepen, weken beiden voorzichtig
+een weinig achteruit en Tom zeide:
+
+"Je bent een lafaard. Ik zal mijn oudsten broer eens op je afsturen;
+die kan je wel met zijn pink aan en hij zal het doen ook."
+
+"Wat kan mij je oudste broer schelen! Ik heb een broer, die nog
+veel grooter is dan die van jou, en die smijt jou vierkant over de
+schutting." (De twee broeders bestonden slechts in hunne verbeelding.)
+
+"Dat is een leugen."
+
+"Iets is nog geen leugen, omdat jij het blieft te zeggen."
+
+Tom maakte eene streep in het zand met zijn grooten teen en zeide:
+
+"Stap hier eens over en ik zal je een pak geven, dat je niet meer op
+je beenen staan kunt."
+
+De nieuwe jongen stapte er dadelijk over en zeide:
+
+"Nou, je zei dat je het doen zoudt; doe het dan ook."
+
+"Sar me niet; pas op!"
+
+"Wel, je _zei_ dat je het doen zoudt. Waarom doe je 't dan niet?"
+
+"Sapperloot, ik doe het voor twee centen!"
+
+De nieuwe jongen haalde twee vuile centen uit zijn zak en bood die
+Tom met een spottend gezicht aan.
+
+Tom smeet de centen op den grond.
+
+In een oogenblik rolden en buitelden de jongens in het stof en vochten
+als leeuwen; een minuut lang rukten en plukten zij elkaar, trokken
+elkaar bij het haar en de kleeren, stompten en krabden elkander en
+overdekten zich met modder en lauweren. Een oogenblik later kwam
+er orde uit de verwarring en Tom werd uit den damp van het slagveld
+zichtbaar, op den nieuwen jongen gezeten en een regen van vuistslagen
+op hem doende nederdalen.
+
+"Is het nou genoeg?" vroeg hij.
+
+De jongen worstelde om van den grond op te komen. Hij schreeuwde meer
+uit woede dan van pijn.
+
+"Is het nou genoeg?" zeide Tom, en het kloppen ving weer aan. Eindelijk
+ontsnapte den nieuwen jongen een onderdrukt "genoeg," en Tom liet hem
+opstaan met de woorden: "Dat is een goede les voor je, mannetje. Ik
+zou je raden een volgenden keer te kijken wien je voor hebt, eer je
+met iemand den gek steekt."
+
+De nieuwe jongen stond op, sloeg het stof van zijne kleederen, en
+liep snikkende weg, terwijl hij gedurig het hoofd omdraaide en Tom
+dreigde, dat hij hem een ander maal wel te pakken zou krijgen. Tom
+beantwoordde de dreigementen met schimpscheuten en stapte voort met
+hooge borst. Hij had zijn rug echter nog niet gekeerd of de nieuwe
+jongen nam een steen op, smeet hem dien achterna, raakte hem daarmede
+tusschen de schouders en rende toen weg, zoo snel als zijne beenen
+hem dragen konden. Tom zette den verrader na tot aan zijn huis en
+ontdekte alzoo waar hij woonde. Een tijdlang bleef hij bij de deur
+post vatten, den vijand tartende buiten te komen, maar deze hield
+zich schuil achter het raam, waar hij tegen Tom gezichten stond
+te trekken. Eindelijk kwam de moeder van den vijand voor den dag,
+die Tom voor een leelijken, gemeenen jongen uitschold en hem gelaste
+zijn biezen te pakken. Toen ging Tom heen en mompelde tusschen zijne
+tanden, dat de nieuwe jongen geen cent waard was.
+
+Hij kwam vrij laat te huis, en toen hij voorzichtig het raam insprong,
+viel hij in eene hinderlaag, in de persoon van zijne tante, bij
+wie, toen zij den staat zag, waarin zijne kleederen verkeerden, het
+besluit om zijn vrijen Zaterdag in een gevangenschap met dwangarbeid
+te veranderen, onherroepelijk vaststond.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+
+De Zaterdagmorgen kwam; een heerlijke, warme zomerdag vol vroolijkheid
+en leven. Alle harten waren blijde gestemd en de jeugd uitte hare
+blijdschap in een opgewekt gezang. Genot was op elk gelaat te lezen
+en van veerkracht getuigde iedere stap.
+
+De acacia's stonden in vollen bloei en de lucht was van den geur der
+bloesems vervuld.
+
+De heuvels in en buiten St. Petersburg waren met een groen zomerkleed
+getooid en zagen er zoo rustig en uitlokkend uit, dat hij die ze in
+de verte zag droomde van het land van belofte, overvloeiende van melk
+en honig.
+
+Tom verscheen aan de deur met een emmer vol witkalk en een verf kwast
+met een langen steel. Hij overzag de schutting die hij moest witten,
+en de vroolijkheid week uit zijn hart en eene diepe droefgeestigheid
+daalde daarin neder. Dertig el schutting negen voet hoog! Ach, het
+leven was een last, zwaar om te dragen! Al zuchtende doopte hij zijn
+kwast in de kalk en maakte eene dikke streek; hij herhaalde het werk
+nog eens en nog eens, vergeleek het onbeteekenend streepje gewitte
+schutting met het groote veld, dat nog gewit moest worden, en zette
+zich ontmoedigd op een boomstam neder.
+
+Daar kwam Jim, een liedje zingende, met een emmer aan den arm, de deur
+uithuppelen. Water uit de stadspomp halen was tot nu toe in Toms oogen
+een hatelijk werk geweest, maar vandaag scheen het hem zoo heel naar
+niet. Immers hij wist, dat er menschen bij de pomp zouden zijn. Zij
+was op sommige uren ongenaakbaar vanwege de jongens en meisjes van
+allerlei soort; blanken, kleurlingen en negers waren er altijd in
+menigte, die, terwijl zij hun beurt afwachtten, zich met speelgoed
+verkwanselen, twisten, vechten en krijgertje spelen vermaakten. Vandaar
+dat, hoewel de pomp vlak bij was, Jim nooit binnen het uur terugkwam;
+en dan nog moest hij meestal gehaald worden.
+
+Daarom zei Tom: "Zeg eens, Jim, zal ik water halen en jij witten?"
+
+Jim schudde het hoofd en zei:
+
+"Dat kan niet, jongeheer. De oude juffer heeft me gezegd, dat ik water
+moest halen en met niemand moest blijven staan praten. Zij zei ook,
+dat, als de jongeheer Tom me vroeg om te witten, ik net doen moest
+alsof ik het niet hoorde;--en dat ze zou komen zien of ik gedaan had,
+wat ze gezeid had."
+
+"O, stoor je daar niet aan, Jim; dat zegt ze altijd. Geef den emmer:
+ik ben binnen twee minuten terug. Zij zal het nooit te weten komen."
+
+"Ik durf niet, jongeheer. Als de juffer het zag, zou ze me de haren
+uit het hoofd trekken."
+
+"Zij? Ze slaat haast nooit,--en als ze het doet, is het alsof er een
+veer over je rug gaat. Zij heeft een grooten mond, maar praatjes
+doen geen zeer. Jim, als je het doet, krijg je een knikker, een
+albasten knikker."
+
+Jim begon te weifelen.
+
+"Een albasten knikker Jim, en een baas ook?"
+
+"Wel, het is verleidelijk, jongeheer, maar ik ben zoo bang voor de
+oude juffer."
+
+Doch Jim was een mensch en de verleiding was te groot. Hij zette den
+emmer neder en nam den witten knikker. Een kwartier later, juist toen
+tante Polly met een pantoffel in de hand, een glans van triomf op het
+gelaat, uit den tuin kwam, hoorde men Jim luid klingelend den vollen
+emmer in de gang zetten en stond Tom weder dapper te witten.
+
+Maar die witwoede duurde niet lang. Tom verviel spoedig in gepeins
+over de pretjes, die hij zich van dezen Zaterdag had voorgesteld en
+zijn gemoed schoot vol. Thans zouden al de jongens, die vrijaf hadden,
+vol heerlijke plannen voorbijkomen en dan zouden zij hem uitlachen,
+omdat hij moest witten.
+
+Dat was al te erg. Hij haalde zijne wereldsche schatten voor den dag,
+bekeek die en zag dat zij uit gebroken speelgoed en andere prullen
+bestonden. 't Was genoeg om zijn werk voor een paar minuten af te
+koopen, maar veel te weinig om een half uur vrij te krijgen. Hij
+stak zijne bezittingen weer in den zak en gaf het denkbeeld, van
+te trachten met die voorwerpen de jongens om te koopen, op. In dit
+wanhopige oogenblik kreeg hij een schitterenden inval. Hij nam den
+kwast en werkte rustig voort. Daar kwam Ben Rogers in 't gezicht,
+de jongen wiens spot hij boven alles vreesde.
+
+Bens tred was een aanhoudend huppelen en springen, een teeken dat
+zijn hart licht en zijne verwachtingen groot waren. Hij at een appel
+en deed nu en dan een lang liefelijk gefluit hooren, gevolgd door een
+zwaarklinkend: ding dong dong, ding dong dong. Immers hij stelde een
+stoomboot voor.
+
+Naarmate hij dichterbij kwam, vertraagde hij zijn stap, hield
+het midden van de straat, leunde ver over stuurboord en begon
+zeer kunstig, met veel gewicht te laveeren, daar hij de stoomboot
+"de groote Missouri" vertoonde. Hij was tegelijk boot, kapitein en
+machinebel en moest zich zelven dus verbeelden op het dek te staan,
+daarop bevelen te geven en die ten uitvoer te brengen.
+
+"Stop, mijnheer! Ling-ling-ling." De boot ging iets te
+spoedig vooruit en de knaap trok langzaam zijwaarts. "Iets naar
+achteren! Ling-ling-ling!" Toen liet hij zijn arm stijf langs de
+zijden glijden. "Zet haar terug naar stuurboord! Ling-ling-ling,
+Chow-ch-chow chow!" Daarna begon hij met de rechterhand een cirkel te
+beschrijven, welke beweging het draaien van een wiel verbeelde. "Terug
+naar bakboord. Ling-ling-ling! Chow-chow-ch!" De linkerhand begon
+cirkels te beschrijven.
+
+"Aan stuurboordszijde, stop! Ling-ling-ling! Aan
+bakboordszijde, stop! Laat maar langzaam
+bijdraaien! Ling-ling-ling! Chow-chow-ow! Gebruik de hoofdtouwen. Vlug,
+nu de boeglijn.--Wat doet ge daar? Wind den kabel on dien paal. Naar
+den steiger toe--vooruit! Machine stil! Ling-ling-ling!" Tom ging
+voort met witten en sloeg geen acht op de stoomboot. Ben staarde hem
+een oogenblik aan en zeide toen:
+
+"Hi-hi! Je bent een ongelukkige stumperd!"
+
+Geen antwoord. Tom bekeek de laatste streek van den witkwast met
+het oog van een kunstenaar, maakte nog een keurig haaltje en zag,
+hoe dat voldeed. Ben ging naast hem staan. Tom watertandde bij het
+gezicht van den appel, doch hij witte ijverig door.
+
+Ben zeide:
+
+"Heila, oude jongen, je moet voor straf werken, he?"
+
+"Wel, Ben, ben jij daar? Ik zag je niet."
+
+"Zeg, ik ga zwemmen. Zou jij ook niet willen, als je mocht? Maar jij
+moet werken, niet waar?"
+
+Tom keek den jongen aan en zeide:
+
+"Wat noem je werken?"
+
+"Wel, is dit geen werken?"
+
+Tom begon weer te witten en antwoordde koeltjes: "Nu, het mag werken
+zijn of niet, wat ik weet, is, dat Tom Sawyer het dol prettig vindt."
+
+Daar kwam de zaak in een ander licht. Ben stond stil en beet op
+zijn appel. Tom streek met zijn kwast voorzichtig op en neer, ging
+een stap of wat achteruit, om te zien hoe zijn werk voldeed, maakte
+een haaltje hier en een haaltje daar, keek nog eens naar het effect,
+terwijl Ben elke beweging bespiedde en hoe langer hoe meer belang in
+den arbeid begon te stellen. Eindelijk zeide hij:
+
+"Och, Tom, laat mij eens even witten."
+
+Tom bedacht zich een oogenblik en was op het punt toe te geven, maar
+kwam even spoedig op dat voornemen terug. "Neen, neen, dat zal niet
+gaan, Ben. Je moet weten, Ben, dat tante Polly verschrikkelijk precies
+is op die schutting; zij staat zoo vlak aan den weg, weet je.--Als
+het nog achter was, zou ik er niet tegen hebben, en zou tante het wel
+goedvinden. Zij is vreeselijk precies op het witten; het moet keurig
+netjes gedaan worden, en ik geloof niet, dat er van de duizend, neen
+van de tweeduizend jongens één is, die het doet zooals het behoort."
+
+"Zoo, is het zoo moeilijk? Och toe, laat mij het eens probeeren;
+eventjes maar! Ik had het jou al lang laten doen, als je het mij
+gevraagd had, Tom!"
+
+"Ben, ik zou het, op mijn woord dolgraag doen, maar tante Polly...--Jim
+vroeg het ook, maar zij wou het niet hebben; Sid ook, maar hij mocht
+evenmin. Begrijp je nu niet, dat ik er voor verantwoordelijk ben? Als
+je eens kladden op de schutting maakte, als er iets mee gebeurde...."
+
+"O, ik zal wel oppassen. Toe laat me het maar eens probeeren. Ik zal
+je het klokhuis van mijn appel geven."
+
+"Nu, goed dan; neen, toch niet, Ben;--ik ben bang voor...."
+
+"Ik zal je den heelen appel geven."
+
+Tom gaf den kwast met aarzelenden blik en een verheugd gemoed over. En
+terwijl de stoomboot "de groote Missouri" in de barre zon stond te
+werken en te zweeten, zat de kunstenaar rustig in de schaduw op een
+biervat zijn appel op te muizen en peinsde over nieuwe plannen om
+nog meer argeloozen in de val te lokken. De gelegenheid liet zich
+niet wachten. Verschillende jongens kwamen voorbij: zij kwamen om te
+spotten--en bleven om te witten. Toen Ben uitgeput van vermoeienis den
+kwast had neergelegd, werd de beurt aan Billy Fischer afgestaan voor
+een vlieger; en toen die gedaan had, kocht John Miller een beurt voor
+een dooden rat en een touw om hem aan te laten schommelen; en zoo ging
+het, het eene uur voor en het andere na. En op het midden van den dag,
+baadde de 's ochtends doodarme jongen zich in zijn rijkdom. Hij had
+behalve de dingen, die ik vermeld heb, twaalf knikkers gekregen,
+een half kapot blaasinstrument, een stukje blauw glas om door te
+kijken, een garenspoeltje, een roestigen sleutel, een stukje krijt,
+een kurk met een glazen stop, een looden soldaat, een paar jonge
+kikvorschen, zes sissers, een koperen deurknop, het heft van een mes,
+een halsbandje voor een hond, vier chinaasappelschillen en een stukje
+glas. Hij had den ganschen dag lekkertjes geluierd en de schutting
+was met drie duim witsel besmeerd! Als de kalk niet opgeraakt was,
+zou hij al zijne vrienden geruïneerd hebben.
+
+Tom dacht, dat het bij slot van rekening toch nog niet zoo heel
+vervelend op deze aarde was. Hij had onbewust een der voornaamste
+wetten, waardoor de menschenwereld geregeerd wordt, leeren kennen,
+namelijk: dat om iemand op iets verzot te maken, men het slechts als
+zeer moeilijk verkrijgbaar behoeft voor te stellen. Ware hij een groot
+wijsgeer geweest, zooals de schrijver van dit boek, hij zou begrepen
+hebben, dat "werken" bestaat in hetgeen men verplicht is te doen en
+"spelen" in te doen wat men niet verplicht is te verrichten. En dat
+zou hem hebben doen vatten, waarom het maken van kunstbloemen of het
+arbeiden op den tredmolen "werken" en waarom kegelen en het beklimmen
+van den Mont Blanc "uitspanning" is.
+
+Er zijn rijke heeren in Engeland, die iederen dag twintig of dertig
+mijlen met een vierspan afrennen, omdat dit voorrecht hun een groote
+som gelds kost. Wanneer zij echter voor datzelfde genot betaald werden,
+zou het "werken" worden en dan zouden zij het er aan geven.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+
+Na het volbrengen van zijn arbeid maakte Tom zijne opwachting bij
+tante Polly, die voor het raam zat in een vroolijk vertrek aan den
+achterkant, dat te gelijk als slaap-, eet- en zitkamer dienst deed. De
+lekkere zomerlucht, de kalme rust, de geur der bloemen en dommelig
+gegons der bijen waren niet zonder uitwerking op haar gebleven en zij
+zat over haar brijwerk te knikkebollen. Haar eenig gezelschap was de
+kat, en deze lag te slapen op haar schoot. Veiligheidshalve had zij
+haar bril boven haar grijs hoofd gezet. Zij verwachte niet anders dan
+dat Tom lang van zijn werk zou zijn afgeloopen, en het verwonderde
+haar derhalve ten hoogste hem op eens met een onverschrokken gelaat
+voor haar te zien staan. Zijn eerste woord was: "Mag ik nou gaan
+spelen, tante?"
+
+"Wat, nu al? Hoe ver ben je?"
+
+"Alles is klaar, tante."
+
+"Tom, lieg niet! Leugenaars kan ik niet uitstaan."
+
+"Het is geen leugen. Alles is klaar."
+
+Tante Polly sloeg maar half geloof aan deze verzekering en ging naar
+buiten om zelve te kijken. Zij zou reeds tevreden geweest zijn,
+indien twintig percent van Toms verklaring waarheid geweest ware,
+en toen zij nu de gansche schutting met witsel bestreken vond, en
+bestreken niet alleen, maar netjes en met zorg bewerkt, en zelfs den
+grond met een streek kalk bedeeld, had zij geen woorden genoeg om
+hare bewondering lucht te geven en riep zij uit:
+
+"Wel, heb ik ooit zoo iets gezien! 't Is ongeloofelijk. Jij kunt
+werken, als je het op je heupen hebt, Tom!" Doch meteen verkleinde zij
+de waarde van het compliment door er bij te voegen: "'t Is jammer,
+dat dit zelden gebeurt. Kom, ga nu maar spelen, doch denk er aan,
+dat je bijtijds tehuis komt, of ik zal je spreken."
+
+Toms heldenstuk had zulk een overweldigenden indruk op haar gemaakt,
+dat zij hem meenam naar de provisiekamer en een prachtigen appel
+uitkoos, dien ze hem overhandigde met een nuttige les over de waarde
+en den bijzonderen geur die eene lekkernij verkrijgt wanneer zij
+de vrucht is, niet van zonde, maar van naarstigheid. En terwijl zij
+tot slot eene toepasselijke plaats uit de Schrift aanhaalde, kaapte
+haar neef een spekpannekoek. Toen liep hij vroolijk weg en zag juist
+Sid verschrikt de trap ophollen, die naar de achterkamer op de tweede
+verdieping voerde. Voor de deur lag een hoop aarde en in een oogenblik
+was de lucht vol kluiten, die als een hagelbui op Sid neervielen. Eer
+tante Polly van hare verbazing bekomen kon en haar neef hulp verleenen,
+waren reeds een stuk af wat kluiten op haar eigen hoofd neergekomen en
+was Tom over de schutting verdwenen. Hij had wel door de poort kunnen
+gaan, maar het ontbrak hem aan tijd om zulk een omweg te maken. Nu
+kon hij met een gerust hart gaan spelen, want de rekening met Sid
+over het klikken van het zwarte garen, was vereffend.
+
+Tom hield den achterkant van de huizen, totdat hij in een modderig
+steegje achter tantes koestal kwam. Toen achtte hij zich tegen
+gevangenneming en straf beveiligd en begaf zich naar het marktplein,
+waar twee militaire compagnieën van schooljongens, volgens afspraak,
+bijeen waren gekomen om slag te leveren. Tom was de generaal van
+het eene leger en Joe Hasper (zijn boezemvriend) de aanvoerder van
+het andere. De twee groote bevelhebbers verwaardigden zich niet
+persoonlijk aan dit gevecht deel te nemen, maar lieten dat aan de
+kleine bakvischjes over. Zij zetten zich naast elkander op eene hoogte
+neder, en leiden de krijgsverrichtingen door bevelen te geven, welke
+door veldmaarschalken werden overgebracht. Het leger van Tom behaalde
+na een langen en bangen strijd eene schitterende overwinning. Daarna
+werd het aantal dooden geteld, de gevangenen uitgeleverd, de bepalingen
+voor het volgende geschil gemaakt en den dag voor den vereischten
+veldslag bepaald, waarna de beide legers zich met elkander vereenigden
+en afmarcheerden, terwijl Tom alleen naar huis ging.
+
+Toen hij het huis van Jeff Thatcher voorbij stapte, zag hij daar
+een hem onbekend meisje in den tuin,--een lief, klein ding met
+blauwe oogen, blond, in twee lange vlechten gescheiden haar, een wit
+zomerjurkje en een geborduurde pantalon. In een oogenblik verdween
+eene zekere Amy Laurence uit zijn hart en was alsof die nooit had
+bestaan. Hij had zich verbeeld dat hij halfgek van verliefdheid op
+haar was, hij had gedacht dat hij haar aanbad, en zie, het bleek niets
+dan eene kleine, voorbijgaande ingenomenheid geweest te zijn. Maanden
+lang had hij zijn best gedaan om haar hart te winnen en zij had hem
+juist acht dagen geleden bekend, dat zij hem wederliefde schonk. Een
+week lang was hij dronken van geluk en de wereld te rijk geweest,
+en nu was zij heel uit zijne gedachten verdwenen, als het vluchtig
+bezoek van een ons onverschilligen vreemde. Hij bleef zijn nieuwe
+engel in stilte aanbidden, totdat hij bemerkte, dat zij hem in 't oog
+kreeg. Toen deed hij alsof hij haar niet zag en begon allerlei dwaze
+kunsten en grimassen te maken om haar aandacht te trekken. Na die
+zonderlinge grappen een tijdlang volgehouden te hebben, keek hij te
+midden van eene gymnastische oefening toevallig op zijde en zag dat
+het meisje naar huis ging. Dadelijk hield hij op, liep naar de haag
+en ging met een bedrukt gezicht voor de stekelige doornen staan, in
+de hoop dat zij nog even zou toeven. Een oogenblik bleef zij op het
+bordes staan en ging daarop naar de deur. Toen zij den voet op den
+drempel zette slaakte Tom een diepen zucht, maar zijn gelaat klaarde
+terstond weer op, want eer zij de deur inging, wierp zij een viooltje
+over de haag. Tom liep naar de plek waar het viooltje lag, bleef op
+een paar treden afstand van het bloempje staan en hield toen de hand
+voor de oogen, alsof hij iets heel bijzonders op straat zag. Hij
+raapte een stroohalm op en deed dien, met het hoofd achterover op
+zijn neus balanceeren. Onder die beweging naderde hij langzamerhand
+het viooltje; eindelijk rustte zijn bloote voet op het bloempje;
+zijne buigzame teenen maakten er zich meester van, hij hinkte met
+zijn schat weg en verdween om den hoek van de straat. Voor een minuut
+slechts,--alleen maar om zich den tijd te gunnen de bloem onder zijn
+buis op zijn hart of waarschijnlijk op zijne maag te steken.
+
+Zoodra de bloem veilig geborgen was, keerde hij terug en bleef tot het
+vallen van den avond om den tuin hangen en kunsten maken; maar het
+meisje vertoonde zich niet meer en Tom moest zich tevredenstellen
+met de hoop, dat zij wel ergens voor een venster staan en zijne
+oplettendheden voor haar zou bemerken. Eindelijk ging hij met looden
+schoenen huiswaarts.
+
+Onder het avondeten was hij zoo opgewonden, dat tante zich verwonderde
+wat het kind toch zou hebben. Hij kreeg een verbazend standje over
+het gooien met de aardkluiten, doch scheen er niets om te geven. Toen
+hij trachtte de suiker onder den neus van zijne tante weg te halen,
+liet hij zich bedaard op de vingers tikken, zich slechts de vraag
+veroorlovende:
+
+"Waarom wordt Sid nooit geslagen, als hij suiker snoept?"
+
+Waarop het antwoord volgde: "Omdat Sid een mensch niet zoo plaagt
+als jij. Als ik je niet voortdurend strafte, zou je altijd met je
+vingers in den pot zitten."
+
+Toen ging tante naar de keuken, en Sid, zalig in het bewustzijn
+van zijne onschendbaarheid, greep naar de suikerpot, eene wijze
+van zich tegenover Tom op zijne rechten te verhoovaardigen, die ten
+eenen male onuitstaanbaar was. Maar de vingers gleden uit, de pot
+viel op den grond en brak. Tom was boven de wolken van pleizier,--ja,
+zoo verrukt, dat hij zijn tong in toom hield en geen woord sprak. Hij
+overlegde bij zichzelven, dat hij geen mond open zou doen, zelfs niet
+als tante binnenkwam, maar doodstil blijven zitten, totdat zij vroeg
+wie het gedaan had. En dan zou hij het vertellen en hij zou iets
+zien dat hij nooit had gezien, namelijk, dat de modeljongen slaag
+kreeg. In zijne opgetogenheid kon hij zich nauwelijks inhouden, toen
+de oude dame binnenkwam en met bliksemende oogen over haar bril op
+de verwoesting neerzag. "Ha!" dacht hij, "nu komt het," maar, jawel,
+het volgende oogenblik lag hij zelf op den grond te spartelen.
+
+De machtige arm werd opgeheven om weder te slaan, toen Tom uitriep:
+
+"Houd op! Waarom moet ik geslagen worden? Sid heeft het gedaan."
+
+Sprakeloos van ontzetting liet tante Polly den arm neervallen, en
+Tom keek haar aan om een woord van mededoogen op te vangen.
+
+Helaas! zoodra zij weder tot adem kwam, zeide zij:
+
+"Nu, je hebt toch niet onverdiend slaag gehad; al braakt ge den pot
+niet, dan heb je toch zeker ander kattekwaad, uitgevoerd, terwijl ik
+in de keuken was."
+
+Doch nauwelijks had zij dit gezegd, of daar begon haar geweten te
+spreken en zij brandde van verlangen om Tom een vriendelijk woordje
+toe te voegen. Maar, neen, dat kon als een bekentenis van schuld
+beschouwd worden, en zoo iets zou met alle beginselen van orde en
+tucht in strijd geweest zijn. Daarom hield zij zich stil en ging
+met een onrustig hart aan het werk. Tom zette zich in een hoek van
+de kamer en vermeide zich in zijne droefheid. Hij wist, dat tante in
+haar hart wel voor hem op de knieën zou willen vallen en voelde zich,
+al snikkende, eigenlijk door de overtuiging gestreeld. Toch wilde
+hij geene signalen geven, noch evenmin op die van tante acht slaan.
+
+Hij wist, dat er nu en dan, door een nevel van tranen, smeekende
+blikken op hem geworpen werden, maar hij hield zich alsof hij dat niet
+bemerkte. In zijne verbeelding zag hij zich als doodziek te bed liggen
+en tante over hem heengebogen, om een woord van vergiffenis smeekende;
+maar hij lag daar, met het hoofd naar den muur gekeerd en stierf zonder
+dat dit woord gesproken werd. Hoe zou zij zich dan wel voelen? En
+hij verbeeldde zich, dat hij uit de rivier opgehaald en dood te huis
+werd gebracht met druipnatte haren en handen die zich niet meer roeren
+konden en een hart dat niet meer klopte, zag hoe zij zich op hem wierp,
+in tranen baadde en God smeekte haar haren jongen terug te geven,
+dien zij nooit, nooit meer valsch zou beschuldigen. Doch hij lag daar
+koud en bleek neder, zonder een teeken van leven te geven--hij, de arme
+lijder wiens smarten nu geleden waren. Langzamerhand verdiepte hij zich
+zoozeer in deze sombere gedachten, dat hij een brok in zijn keel voelde
+en nauwelijks kon slikken. En zijne oogen zwommen in een stroom van
+water, die bij elken snik overvloeide en langs zijn neus naar beneden
+druppelde. Ja, het genot van zijn smart te koesteren werd zoo groot,
+dat hij het door geen wereldsche vreugde of luide vroolijkheid wilde
+laten verstoren. Toen dan ook zijn nicht Marie dansende de kamer
+inkwam, opgetogen van blijdschap dat zij weer te huis was na een
+eeuwenlange week buiten te hebben doorgebracht, stond hij op en stapte
+in wolken en duisternis de achterdeur uit, terwijl zij vroolijkheid
+en zonneschijn door de voordeur binnenliet. Hij verwijderde zich ver
+van de gewone vereenigingsplaatsen zijner makkers en zocht eenzame
+plekjes op, in overeenkomst met zijne gemoedsstemming. Op een in
+de rivier liggend stuk van een houtvlot zette hij zich neder en
+beschouwde den somberen, onafzienbaren stroom, met het verlangen van
+op eens door dezen verzwolgen te worden, zonder den onaangenamen weg
+te gaan die door de natuur wordt voorgeschreven. Toen dacht hij aan
+zijn bloem! Hij haalde haar voor den dag. Helaas! zij was verkwijnd
+en verlept, en zijne droefheid werd nog grooter. Hij vroeg zich af:
+Zou _zij_ medelijden met hem hebben, indien zij het wist? Zou _zij_
+schreien en wenschen, dat zij hare armen om zijn hals mocht slaan
+om hem te te troosten? Of zou ook _zij_, evenals de geheele valsche
+wereld hem den rug toekeeren? Deze gedachte was zoo folterend en toch
+zoo zalig te gelijk, dat hij haar op allerlei wijzen ging uitwerken,
+totdat zij op het laatst een akelig schrikbeeld werd. Eindelijk stond
+hij zuchtende op en wandelde in de duisternis voort. Tegen half
+tien liep hij in de verlaten straat, waar de aangebeden onbekende
+woonde. Hij bleef een oogenblik stilstaan; zijn luisterend oor vernam
+geen geluid. Een kaars wierp een bijzonderen glans op de gordijnen van
+het venster eener bovenkamer. Zou de heilige daar verblijf houden? Hij
+klauterde de heg over, baande zich een weg door de planten, totdat hij
+onder het verlichte venster stond. Een poos bleef hij diep ontroerd
+staan kijken; toen ging hij op den grond op zijn rug liggen, met de
+handen, waarin het verlepte bloempje verborgen was, gevouwen op de
+borst. Dus wilde hij sterven, de koude wereld verlaten, zonder dak
+boven zijn arm hoofd, zonder vriendelijke hand om het doodzweet van
+zijn voorhoofd te wisschen, zonder een liefhebbend gelaat om zich vol
+medelijden tot hem voorover te buigen, wanneer de bange doodsstrijd
+kwam. En zoo zou _zij_ hem zien, als zij in den vroolijken morgen
+naar buiten keek. En o! zou zij een traan op zijn arm lijk laten
+vallen? Zou zij een zucht slaken, als zij zulk een jong leven zoo
+ruw verwoest en zoo ontijdig afgesneden zag?
+
+Daar ging het raam open, de schrille stem van eene dienstmeid
+ontheiligde de plechtige stilte en een stortbad van ijskoud water
+doorweekte den martelaar, die daar achterover op den grond lag.
+
+Onze half gesmoorde held sprong op met een kreet, die hem
+verlichtte. Toen kwam er een gesuis in de lucht als van een
+slingersteen, vermengd met het mompelen van een vloek, waarop een
+geluid volgde als van rinkelend glas en van voetstappen, die over
+den muur klommen en in de duisternis wegstierven.
+
+Niet lang daarna, toen Tom ontkleed, bij een eindje vetkaars, zijn
+doorweekt pak stond te bekijken, werd Sid wakker.
+
+Indien het denkbeeld om te klikken een oogenblik in zijne ziel opkwam,
+werd hij daarvan door een onheilspellende uitdrukking op Toms gelaat
+teruggehouden.
+
+Deze laatste stapte in bed zonder zijn gewoon avondgebed op te zeggen,
+en Sid maakte in stilte proces-verbaal op van dat verzuim.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+
+De zon ging op over een rustende wereld en wierp hare weldadige stralen
+over het vreedzame stedeke St. Petersburg. 's Zondags na het ontbijt
+was tante Polly gewoon huiselijke godsdienstoefening te houden. Deze
+begon met een gebed, bestaande uit een reeks bijbelplaatsen, bedekt
+met een dunne laag woorden van eigen vinding, en eindigde met een
+van grimmigheid overvloeiend hoofdstuk uit de Mozaïsche wetgeving.
+
+Na afloop daarvan omgordde Tom, om zoo te spreken, zich de lendenen
+en ging aan het werk om zijne teksten in het hoofd te krijgen. Sid
+had zijne les dagen vooruit geleerd, maar Tom moest al zijn krachten
+inspannen om vijf verzen te onthouden ofschoon hij een gedeelte
+van de Bergrede gekozen had, daar hij geene teksten kon vinden die
+korter waren.
+
+Een half uur had Tom een vaag begrip van het geheel, maar meer niet,
+want zijn geest zwierf over het gansche veld der menschelijke gedachten
+en zijne handen hielden zich tot afleiding met allerlei vermakelijke
+kunstjes bezig.
+
+Marie nam het boek om de les te overhooren en hij trachtte den weg
+door den zwaren mist te vinden.
+
+"Zalig zijn de ar-r.... ar...."
+
+"Armen."
+
+"Ja- de ar-remen; zalig zijn de ar-remen."
+
+"Van geest."
+
+"Van geest. Zalig zijn de armen van geest, want zij... zij..."
+
+"Want hunner..."
+
+"Want hunner. Zalig zijn de armen van geest want hunner... is het
+koninkrijk der hemelen! Zalig zijn zij die treuren, want zij...."
+
+"Zij...?"
+
+"Zul..."
+
+"Want zij zul..."
+
+"Z-u-l-l-e-n. Want zij zul... O, ik weet niet wat zij zullen!"
+
+"Zullen..."
+
+"O ja, zullen--zij zullen--zij zullen treuren; zalig zijn zij--die
+treuren, want zij zullen... Wat zullen zij? Waarom zeg je het mij niet,
+Marie? Het is gemeen om me zoo te plagen!"
+
+"Tom, arme jongen, ik plaag je niet. Ik zou het niet over mijn hart
+kunnen krijgen. Probeer het nog eens. Geef den moed niet op; je zult
+het wel leeren,--en als je het doet, krijg je iets moois van mij. Zoo;
+nu is het goed, mijn jongen."
+
+"Ik zal het doen, maar zeg mij dan eerst wat het is, Marie."
+
+"Neen, Tom. Je weet als ik zeg dat het mooi is, dan is het mooi."
+
+"Op je woord van eer Marie. Goed, dan zal ik het er wel zien in
+te pompen."
+
+Hij ging aan het werk, en door nieuwsgierigheid en het vooruitzicht
+van eene belooning geprikkeld, stampte hij de teksten in zijn geheugen
+en eindigde met een schitterende overwinning te behalen. Marie gaf hem
+een splinternieuw mes van twaalf en een halven cent, en Tom was boven
+de wolken van vreugde. Het is waar, het mes sneed eigenlijk niet,
+maar het was van echt staal en dat was al iets buitengewoons. Hij
+maakte dadelijk een plan om het buffet door snijwerk te verfraaien
+en wilde juist zijne krachten op de etenskast beproeven, toen hij
+geroepen werd om zich voor de zondagsschool te kleeden.
+
+Marie gaf hem een tinnen kom met water en een stuk zeep, welke
+voorwerpen hij buiten de deur op een bank zette. Toen maakte hij de
+zeep nat en legde die naast de kom; stroopte zijne mouwen op, stortte
+het water zachtjes op den grond uit, trad daarop de keuken binnen en
+begon ijverig zijn gezicht met een handdoek die achter de deur hing,
+af te drogen. Doch Marie nam den handdoek weg en zeide:
+
+"Schaam je je niet, Tom? Wees toch niet zoo stout. Water zal je geen
+kwaad doen."
+
+Tom was een weinig uit het veld geslagen. De kom werd weder gevuld,
+de knaap bedacht zich een oogenblikje, slaakte een diepen zucht en
+begon. Toen hij nu de keuken weder binnentrad en met toegeknepen oogen
+naar den handdoek rondtaste, droop er een eervol getuigschrift van
+zeepsop en water over zijn gezicht. Maar bij nauwkeurige bezichtiging,
+bleek de staat van zaken nog niet bevredigd te zijn, want het
+gereinigde grondgebied hield, als een masker, bij de kin en wangen op;
+buiten en onder die lijn was eene donkere uitgestrektheid onbesproeide
+grond, die zich voor en achter zijn hals uitbreidde. Marie nam hem
+onder handen en binnen een kwartier was hij een mensch uit één stuk,
+zonder verschil van kleur en zijn doorweekt haar was keurig geborsteld
+en in kleine evenredige krullen opgemaakt. In het geheim streek hij
+altijd met moeite en inspanning de krullen glad en plakte hij zijn
+haar aan zijne slapen vast, want krullen waren meisjesachtig en dat
+was genoeg om ze te haten. Daarna haalde Marie een pak kleeren voor den
+dag, dat gedurende de laatste twee jaren alleen op zondag gedragen was;
+het werd eenvoudige zijn "andere pak" genoemd; uit welke benaming wij
+tot den omvang van zijn garderobe kunnen besluiten. Toen hij het pak
+had aangetrokken, legde het meisje de laatste hand aan zijn toilet;
+zij knoopte zijn buisje tot onder de kin vast, sloeg hem een groote
+halskraag over de schouders, schuierde hem af en kroonde hem met een
+gesprikkelden strooien hoed. Hij hoopte, dat Marie zijne schoenen zou
+vergeten, doch die hoop werd verijdeld; zij poetste ze naar behooren
+en zette ze voor hem neder. Dit verdroot hem en hij beklaagde zich
+over zijn gebrek aan vrijheid. Doch Marie antwoordde overredend:
+
+"Als je blieft, Tom; kom, wees een goede jongen."
+
+En zoo stapt hij brommend in zijne schoenen. Marie was spoedig klaar
+en de kinderen vertrokken naar de zondagsschool, eene plaats die Tom
+haatte met zijn gansche hart, maar waar Sid en Marie dol op waren.
+
+Die sabbatsschool duurde van negenen tot halfelf en dan begon de
+kerk. Marie en Sid bleven altijd vrijwillig naar de preek luisteren,
+Tom alleen, omdat het hem van hooger hand gelast werd. De kerk was een
+klein, onaanzienlijk gebouw, met eene soort van koepel van sparrenhout
+en op de hooge, harde banken was voor omstreeks driehonderd personen
+plaats. Aan de deur bleef Tom een stap of wat achter en hield een
+keurig gekleeden jongen staande.
+
+"Zeg eens, Willem, heb jij ook een geel kaartje?"
+
+"Ja."
+
+"Wat moet je daarvoor hebben?"
+
+"Wat geef je er voor?"
+
+"En stuk zoethout en een vischhaak."
+
+"Laat kijken."
+
+Tom vertoonde die twee artikelen; zij werden goed bevonden en de
+goederen veranderden van eigenaar. Daarna verkocht Tom een paar
+albasten knikkers voor drie roode kaartjes en een paar andere prullen
+voor blauwe. Bijna al de jongens, die voorbijkwamen werden aangeklampt
+en het koopen en verkoopen van kaartjes van verschillende kleuren
+werd nog een kwartier voortgezet. Toen ging hij de kerk binnen met een
+troep andere schoon gewasschen, luidruchtige knapen en meisjes, begaf
+zich naar zijne zitplaats en maakte een standje met den jongen, die
+naast hem zat. De onderwijzer, een deftig oud heer, kwam tusschenbeide,
+maar zoodra hij zijn rug gekeerd had, trok Tom een jongen die voor hem
+zat bij het haar en was in zijn boek verdiept, toen het slachtoffer
+omkeek. Een seconde later prikte hij een anderen jongen met een speld,
+om hem "ai" te hooren zeggen en haalde zich daardoor andermaal eene
+berisping op den hals. De geheele klasse van Tom waren vogels van
+eenerlei veeren,--woelige, drukke, lastige snaken. Toen zij hunne
+les moesten opzeggen, was er geen enkele, die zijne verzen volkomen
+kende, maar door voorzeggen en influisteren brachten zij het allen
+gelukkig zoo ver, dat zij eenige kleine, blauwe kaartjes machtig
+werden, waarop een bijbeltekst geschreven stond. Het opzeggen van
+twee teksten werd met een blauw kaartje beloond, tien blauwe kaartjes
+stonden gelijk met één rood en mochten daartegen geruild worden. Tien
+roode kaartjes stonden weder gelijk met één geel, en een leerling,
+die tien gele kaartjes had, kreeg van den catechiseermeester een
+zeer eenvoudig ingebonden bijbeltje, dat in die goedkoope tijden de
+waarde had van veertig cents. Ik twijfel of er onder mijne lezers
+velen zullen zijn, die moed en volharding zouden hebben on twee
+duizend verzen van buiten te leeren, zelfs indien zij met een bijbel
+van Doré beloond werden. En toch had Marie op deze wijs twee bijbels
+verdiend. Maar 't was een geduldwerk geweest, dat twee jaren gekost
+had. Een Duitsche jongen had er vier of vijf gewonnen; deze had eens
+drie duizend verzen achter elkander opgezegd, doch zijn geestvermogens
+hadden onder dat inspannend werk zoo geleden, dat hij van dien dag
+af idioot was geworden. 't Was een groot verlies voor de school,
+want bij plechtige gelegenheden placht de catechiseermeester hem
+altijd te gebruiken om mede te bluffen, zooals Tom zeide.
+
+Doorgaans waren het alleen de oudere leerlingen, die in het bezit
+van gele kaartjes kwamen en het vervelende werk volhielden, totdat
+zij een bijbel veroverd hadden. Vandaar dat de uitdeeling van eene
+dergelijken prijs eene zeldzame merkwaardige gebeurtenis was, en
+hij die dat monsterwerk verricht had, was de held van den dag. Deze
+reuzenarbeid deed doorgaans een nieuw vuur van ijver in de borst van de
+leerlingen ontbranden, dat niet zelden een week of wat aanhield. Het
+is zeer wel mogelijk dat Toms verstandelijke vermogens nooit naar
+den prijs gehongerd of gedorst hadden, maar de wereldlijke mensch in
+hem had ontegenzeglijk sedert geruimen tijd verlangend uitgezien naar
+den roem en den luister, waarvan de uitdeeling vergezeld ging.
+
+Op den daartoe bestemden tijd stond de catechiseermeester op en ging
+voor den predikstoel staan met een gesloten gezangboek in de hand, de
+wijsvinger tusschen de bladen verborgen, en verzocht om stilte. Als
+een catechiseermeester zijne gewone aanspraak op de zondagsschool
+houdt, is het gezangboek voor hem een even onmisbaar artikel als het
+blad muziek voor den zanger, die een solo op het orkest moet zingen,
+ofschoon noch het gezangboek noch het blad muziek wordt geraadpleegd.
+
+Onze catechiseermeester was een klein, nietig mannetje van vijf
+en dertig jaren, met borstelig, zandkleurig bokkenhaar; hij droeg
+een staand boord, waarvan de bovenste rand bijna tot aan zijne
+ooren reikte, en welks scherpe punten boven de hoeken van zijn mond
+uitkwamen,--een schutsmuur die hem dwong altijd rechtuit te kijken,
+of wanneer een zijdelingsche blik vereischt werd, het geheele lichaam
+om te wenden. Zijn kin werd geschraagd door een breede, zich over
+het gansche boord uitstrekkende das, welks tippen van franje waren
+voorzien. De voorstukken van zijne schoenen liepen, naar het gebruik
+van dien tijd, puntsgewijs, in den vorm van een slede, naar boven, eene
+mode die de toenmalige jongelieden trachten te volgen, door geduldig
+en volhardend met hunne voeten stijf tegen den muur te gaan zitten.
+
+De heer Walter had een ernstig gelaat en een hart als goud. Hij
+koesterde zulk een diepen eerbied voor gewijde dingen en plaatsen, en
+hield die zoo zorgvuldig van wereldsche zaken gescheiden, dat zonder
+dat hij het bemerkt had, zijne zondagsschoolstem een bijzondere klank
+had gekregen, welke op weekdagen geheel ontbrak.
+
+"Kinderen," dus begon hij, "mag ik u verzoeken zoo recht en netjes
+te gaan zitten als gij kunt, en mij voor een paar minuten uwe geheele
+aandacht te schenken. Dus betaamt het aan brave jongens en meisjes. Ik
+zie een klein meisje uit het raam kijken; ik vrees dat zij denkt dat ik
+buiten sta,--misschien wel op een van die boomen, om een praatje met
+de vogeltjes te houden (toejuichend gegiegel). Het doet mij waarlijk
+goed, zoovele heldere, vriendelijke gezichtjes op eene plaats als
+deze bijeen te zien on te leeren wat braaf en goed is."
+
+En in dien geest ging het voort. Het zal niet noodig zijn er meer bij
+te voegen, want de redevoering liep over een onderwerp, waarin weinig
+verscheidenheid is en dat wij allen honderd malen gehoord hebben.
+
+Het laatste gedeelte der speech viel in het water door het
+hervatten der gevechten en andere vermakelijkheden onder sommigen
+der ondeugendste jongens en door een zich wijd en zijd verspreidend
+gefluister en gedraai, dat zelfs doordrong tot aan den voet van
+ongenaakbare rotsen als Marie en Sid. Doch zoodra Mr. Walter's stem
+hare diepste tonen liet hooren, hield elk geluid eensklaps op en het
+eind der rede werd dankbaar, maar zwijgend begroet.
+
+Dit gefluister had zijne oorzaak te danken aan een min of meer
+merkwaardig feit, het binnentreden van bezoekers. Deze waren de rechter
+Thatcher, vergezeld van drie andere personen, t. w. een stumperig
+oud mannetje, een zwaarlijvigen heer van middelbaren leeftijd met
+grijsachtig haar, en eene deftige dame, blijkbaar de echtgenoote van
+den dikken heer. De dame hield een klein kind bij de hand.
+
+Tom was den ganschen morgen onrustig en ontevreden op zichzelven
+geweest en hij werd, telkens wanneer hij Amy Lawrence's oog ontmoette,
+of haar van liefde getuigenden blik opving, door gewetenswroegingen
+gekweld. Maar toen hij het meisje aan de hand der dame zag, klopte
+zijn hart op eens van gelukzaligheid. In een oogenblik was hij met
+al zijne macht aan het uitdeelen van klappen, plukharen, gezichten
+trekken, in één woord, aan het gebruiken van die kunstgrepen, welke
+hem geschikt voorkwamen om een meisje te bekoren en hare toejuiching
+te winnen. En de reden van die opgetogenheid was--de herinnering aan
+de vernedering in den tuin van zijn engel ondervonden.
+
+De bezoekers kregen de eereplaats, en zoodra de heer Walter
+geëindigd had, stelde hij hen aan het schoolpersoneel voor. De man
+van middelbaren leeftijd bleek een zeer gewichtig persoon te zijn,
+niet minder dan een raadsheer,--in het kinderoog het meest verheven
+wezen, dat ooit heeft bestaan. Zij waren dan ook meer dan verlangend
+om te weten van wat voor stof hij gemaakt was en zaten half hoopvol,
+half angstig te luisteren of zij hem ook zouden hooren brullen. Hij
+kwam van Konstantinopel,--zeer ver van St. Petersburg; hij had dus
+gereisd en de wereld gezien, ja; zijne oogen hadden het rechtsgebouw
+der hoofdplaats aanschouwd, dat--zeide men--een koperen dak had.
+
+De doodelijke stilte en de rijen van starende oogen waren getuigen van
+het ontzag, dat dit denkbeeld inboezemde. Hij was de groote raadsheer
+Thatcher, de eigen broeder van hun rechter. Jeff Thatcher stond
+dadelijk op om op gemeenzamen toon met den grooten man te spreken en
+door de gansche school benijd te worden. Het zou als muziek in zijne
+ooren geklonken hebben, indien hij het gefluister had kunnen verstaan.
+
+"Kijk eens, Jim! hij gaat naar hem toe! Kijk eens, hij geeft hem eene
+hand, een _hand_! Wou jij niet, dat je Jeff was?"
+
+Intusschen was het geheele personeel bezig zijn best te doen, om
+in een voordeelig licht te treden. De heer Walter trachtte "uit
+te komen" door het verrichten van allerlei soort van luidruchtige
+ambtsbezigheden, door orders te geven hier, straffen op te leggen
+daar, en terechtwijzingen uit te deelen, waar de gelegenheid zich
+maar voordeed. De bibliothecaris trachtte "uit te komen" door met
+onmogelijke pakken boeken van het eene einde van het lokaal naar het
+andere te loopen en door dat rumoer en die opschudding te maken, waarin
+zulke lieden behagen scheppen. De leeraressen trachtten "uit te komen"
+door zich vriendelijk tot de leerlingen voorover te buigen, die zij een
+oogenblik te voren een oorveeg gegeven hadden, en door coquet kleine
+vingertjes tegen stoute jongens op te heffen en de zoeten vriendelijk
+op de schouders te kloppen. De ondermeesters trachtten "uit te komen"
+door zachte vermaningen uit te deelen en door ander gezagsvertoon,
+dat blijk moest geven van hun slag om de orde te handhaven. De kleine
+jongens en meisjes trachten "uit te komen" door de lucht met proppen
+papier en het geluid van schuifende voeten te vervullen. En boven
+dit alles zat de groote man en liet een raadsheerlijken glimlach over
+de geheele school gaan en koesterde zich in den zonneschijn van zijn
+eigen grootheid, want ook hij trachtte "uit te komen."
+
+Er ontbrak nog slechts één ding, om des heeren Walters verrukking
+tot haar hoogste volkomenheid te brengen--en dat was de kans om een
+bijbelprijs uit te deelen en een wonder te vertoonen. Verscheidene
+leerlingen bezaten een paar gele kaartjes, maar geen enkele had er
+genoeg; hij was reeds bij de wonderkinderen onder zijn leerlingen rond
+geweest en zou goud gegeven hebben om den Duitschen jongen eventjes
+met gezonde hersenen terug te hebben.
+
+Juist op dit op ogenblik, toen alle hoop hem dreigde te ontvlieden,
+kwam Tom Sawyer uit de bank met negen gele, negen roode en tien blauwe
+kaartjes en verzocht om den bijbel.
+
+Dit was een donderslag uit een onbewolkten hemel! Uit dien hoek zou
+Walter in geen tien jaar dergelijk blijk van naastigheid verwacht
+hebben. Maar er was niets aan te doen;--daar lagen de bewijzen en
+zij waren echt. Aan Tom werd daarom eene eereplaats aangewezen in
+de nabijheid van den Raadsheer en de andere uitverkorenen, en het
+groote nieuws werd in de hoofdkwartieren verspreid. Het was eene
+verbazende verrassing, en de held werd tot des Raadsheers hoogte
+verheven, zoodat de school in plaats van één wonder er twee te
+aanschouwen kreeg. Al de jongens verteerden van afgunst, maar de
+bitterste kwellingen verduurden de knapen, die te laat bemerkten,
+dat zij tot dezen hatelijken luister hadden medegewerkt, door aan
+Tom kaartjes te verkoopen voor de schatten, die hij met het witten
+verdiend had. Dezen verachtten zichzelven als de _dupes_ van een
+sluwen bedrieger, van een verraderlijken adder in het gras.
+
+De prijs werd aan Tom uitgereikt met al de loftuigingen, welke
+de catechiseermeester onder de bestaande omstandigheden uit zijn
+binnenste kon oppompen, doch waaraan slechts één ding ontbrak namelijk
+waarheid, want de arme man voelde instinctmatig, dat hij hier voor
+een geheim stond, hetgeen misschien het licht niet zien kon. Het was
+de ongerijmdheid zelve, dat deze knaap een voorraad van twee duizend
+schoven schriftuurlijke wijsheid had vergaard, aangezien ongetwijfeld
+reeds een dozijn te veel voor zijne krachten geweest zou zijn. Amy
+Lawrence was trotsch en verheugd en zij deed haar best Tom dit te doen
+zien, maar hij wilde niet kijken. Dit verwonderde haar; zij werd een
+weinig ongerust, kreeg toen een onbestemd gevoel van argwaan, dat kwam
+en verdween en weer terugkwam, totdat een steelswijs geworpen blik
+haar alles openbaarde. En toen brak haar hart en zij werd jaloersch
+en boos; zij begon te schreien en haatte de geheele wereld, en Tom
+met haar,--zoo dacht zij ten minste.
+
+Tom werd aan den Raadsheer voorgesteld, maar zijn tong kleefde hem aan
+'t verhemelte. Zijn hart bonsde,--gedeeltelijk ten gevolge van de
+angstwekkende grootheid van dien man, maar vooral omdat hij _haar_
+oom was. Indien het donker was geweest, zou hij wel op zijne knieën
+hebben willen vallen om hem te aanbidden. De Raadsheer legde zijne hand
+op Toms hoofd, noemde hem een aardig kereltje en vroeg hem, hoe hij
+heette. De jongen stamelde, hijgde naar adem en stootte eindelijk uit:
+
+"Tom!"
+
+"Neen, niet Tom, niet waar? Gij heet....?"
+
+"Thomas!"
+
+"Juist. Maar er behoort _nog_ nog iets bij. Gij hebt toch ook een
+geslachtsnaam, niet waar--en dien wilt gij mij immers wel mededeelen?"
+
+"Zeg mijnheer uw anderen naam, Thomas," zeide de heer Walter,
+"en voeg er 'mijnheer' achter. Gij hebt toch manieren geleerd."
+
+"Thomas Sawyer, mijnheer."
+
+"Ziezoo, dat is een goede jongen. Een lieve jongen! Een aardig,
+manhaftig kereltje! Twee duizend verzen is een groot aantal, Thomas,
+een zeer groot aantal. Maar gij zult u nooit de moeite berouwen,
+ze geleerd te hebben. Want kennis is meerder waard dan al wat deze
+wereld ons geven kan, daar kennis ons groot en goed maakt. Gij zult
+eens een groot en een goed man worden, Thomas, en dan zult gij op
+het verleden terugzien en zeggen: Dat alles heb ik te danken aan
+het voorrecht van in mijn jeugd de zondagsschool bezocht te hebben;
+alles aan mijn brave meesters, alles aan den goeden catechiseermeester,
+die mij aanmoedigde en mij een bijbel gaf, een prachtigen, sierlijken
+bijbel, dien ik voorgoed mocht houden; alles aan mijne uitnemende
+opvoeding. Dat zult gij eens zeggen, Thomas, en voor geen geld ter
+wereld zult ge het genot willen missen deze twee duizend verzen in het
+geheugen geprent te hebben,--neen, waarlijk niet. En nu zult gij mij
+en deze dame wel iets willen mededeelen van hetgeen gij geleerd hebt,
+want wij stellen groot belang in vlijtige jongens. Zonder twijfel
+kent gij de namen der apostelen, niet waar? Wilt gij mij eens zeggen,
+wie de twee eersten waren, die den Heer volgden?"
+
+Tom trok aan een der knoopen van zijn buis en keek den Raadsheer
+bedremmeld aan. Hij bloosde en sloeg de oogen neder. Den heer
+Walter zonk het hart in de schoenen. Hij wist, dat de jongen zelf de
+eenvoudigste vraag niet beantwoorden kon. Waarom vroeg de Raadsheer
+hem? Toch voelde hij zich verplicht te spreken en zeide:
+
+"Antwoord mijnheer, Thomas! Wees niet bang."
+
+Tom stond op heete kolen.
+
+"Ik weet zeker, dat gij het _mij_ wel zult willen zeggen," zeide de
+dame. "De namen der twee eerste discipelen waren....?"
+
+"David en Goliath!"
+
+Laat ons over het overige van het tooneel meedoogend een sluier werpen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+
+Om halfelf begon de oude klok van het kleine stadje te luiden en
+aanstonds stroomde de goede gemeente naar den morgendienst. De
+kinderen van de Zondagsschool verspreidden zich in het gebouw en
+bezetten de banken met hunne ouders, om behoorlijk onder toezicht te
+zijn. Tante Polly kwam, gevolgd door Tom, Sid en Marie. Tom werd naast
+de koorgang geplaatst, ten einde zoo ver mogelijk van het open raam
+en de verleidelijke zomertooneelen daar buiten te wezen. De schare
+trok op naar de zijvleugels; de oude en behoeftige postmeester,
+die betere dagen gekend had; de Mayor en zijne vrouw,--want men had
+te St. Petersburg, onder andere overtolligheden, ook een Mayor:
+de kantonrechter; de knappe, opgedirkte, veertigjarige weduwe
+Douglas, een goedhartige ziel die er warmpjes inzat en wier op den
+heuvel gelegen heerenhuis het eenige paleis der plaats uitmaakt,
+het onbekrompenste huis waarop St. Petersburg kon bogen, als 't op
+feesten geven aankwam; de gebogen en eerwaardige burgemeester met
+zijn echtgenoot; de advocaat Riverson, de nieuwe notabele; daarna de
+_belle_ van het stadje, gevolgd door een troep met prachtige overhemden
+pronkende hofmakers, toen eenige jeugdige stedelijke ambtenaren, die
+op de knoppen hunner rottingen zuigende, in het voorportaal een ronden
+muur van gepommadeerde en glimlachende bewonderaars hadden gevormd,
+totdat het laatste meisje de _revue_ gepasseerd had; en eindelijk
+de modeljongen, Willie Mufferson, die zoo zorgvuldig op zijn moeder
+past. Hij vergezelde zijn mama altijd naar de kerk en was de trots
+van alle matronen. De jongens echter haatten hem, omdat hij zoo braaf
+was en nog meer omdat hij steeds als voorbeeld werd aangehaald. Zijn
+witte zakdoek hing als iederen Zondag, toevallig uit den zak van
+zijn buis. Tom had geen zakdoek; hij noemde het dragen van zulk een
+weeldeartikel "kwasterig."
+
+Toen de gemeente vergaderd was, werd de klok nog eens geluid om
+de tragen en talmend te waarschuwen, en daarop ontstond er een
+plechtige stilte in de kerk, nu en dan afgewisseld door het gegiegel
+en gefluister van de koorjongens op de galerij. Koorknapen giegelen
+en fluisteren gewoonlijk den geheelen dienst door. Ik ken maar ééne
+plaats, waar zulks het geval niet was, maar ik ben vergeten waar die
+ligt. Het is ook vele, vele jaren geleden, sinds ik haar bezocht en ik
+herinner mij er nauwelijks iets meer van; alleen ligt mij flauw bij,
+dat het ergens in het buitenland was.
+
+De predikant gaf het gezang op en las het voor met innig zelfbehagen
+en op een eigenaardige wijze, welke in die streek zeer bewonderd
+werd. Zijne stem, begonnen in een gemiddelden toon, klom gestadig,
+totdat zij een zeker punt bereikt had (meestal het voorlaatste woord
+van den regel en plofte dan onmiddellijk als de straal van een fontein
+naar beneden) aldus:
+
+ bed
+ 't donzig |
+ leggen op |
+ omhoog en mij terneer,
+ worden naar 't bloedig
+ ik gedragen vaart op |
+Zal en moeizaam |
+ strijdt |
+ den kampprijs meer?
+ een ander om
+Terwijl
+
+
+Hij werd beschouwd als een puikjuweel in de kunst van voorlezen. Op
+godsdienstige bijeenkomsten werd hij altijd uitgenoodigd om te
+reciteer en, en zoodra hij zijne stem verhief, sloegen de dames de
+handen ineen, on ze daarna machteloos in haar schoot te laten vallen,
+keken met zwemmende oogen naar boven en schudden het hoofd, als wilden
+zij uitroepen: "Woorden kunnen het niet weergeven; het is te schoon,
+te schoon voor deze wereld!"
+
+Nadat het lied gezongen was, nam de eerwaarde heer Sprague het bulletin
+in de hand en las de kennisgeving voor van al de vergaderingen,
+bijeenkomsten enz. die er in die week zouden plaats hebben, eene lijst
+die tot den jongsten dag scheen te duren. Deze zonderlinge gewoonte
+wordt nog altijd in Amerika gevolgd, zelfs in groote steden en in
+een eeuw waarin het nieuwsbladen regent. 't Gebeurt echter meer,
+dat een oud gebruik, naarmate het minder te rechtvaardigen is, te
+moeielijker schijnt afgeschaft te kunnen worden.
+
+En nu begon de dominee te bidden,--een goed, grootmoedig gebed, waarin
+niets werd overgeslagen. Hij bad voor de kerk en voor de kinderen der
+kerk; voor de andere kerken der stad; voor de stad zelve; voor het
+district; voor den Staat; voor die dienaars van den Staat; voor de
+Vereenigde Staten; voor de kerken van de Vereenigde Staten, voor het
+Congres; voor den President, voor de andere leden van de regeering;
+voor de arme zeevaarders, die op onstuimige wateren geslingerd worden;
+voor de millioenen, die onder Europeesche monarchie en Oostersche
+dwingelandij zuchten; voor hen die, ofschoon in het licht van het
+Evangelie geboren, geene oogen hebben om te zien en geene ooren om
+te hooren; voor de heidenen op de verre eilanden in de zee;--en hij
+eindigde met eene smeekbede, dat de woorden, die hij zou spreken,
+in genade mochten worden aangenomen en als het zaad mochten zijn,
+dat in vruchtbare aarde word geworpen en te zijner tijd een heerlijken
+oogst van Godzalige vruchten zal afwerpen. Amen.
+
+Nu volgde een geruisch van japonnen en de staande vergadering ging
+zitten.
+
+De knaap, wiens geschiedenis in dit boek verhaald wordt, putte geen
+geestelijk genot uit de preek; hij droeg die als een kruis--en niet
+altijd met geduld. Hij deed zijn best om stil te zitten en hield
+onbewust aanteekening van al de bijzonderheden, waarin de preek
+afdaalde; want ofschoon hij niets met aandacht volgde kende hij het
+terrein en den weg, dien den predikant nam, sedert lang,--en wanneer
+er maar iets nieuws werd ingelascht, ontdekte dat zijn oor, en zijn
+gansche gemoed kwam er tegen in opstand. Elke toevoeging was in zijne
+schatting oneerlijk en schelmachtig.
+
+Midden onder de preek, had een vlieg zich achter tegen de vóór hem
+staande bank neergezet en dat beestje werd eene kwelling voor zijne
+ziel. Het wreef zich de pootjes zoo kalm tegen elkaar, en nam zijn
+kopje tusschen de voorpooten en poetste dat met zooveel geweld, dat
+dit lichaamsdeel op het punt scheen den romp vaarwel te zeggen en het
+nekje, als een draad te kijken kwam; het schuurde zijn vleugeltjes met
+de achterpootjes en streek die zoo glad tegen het lichaam, alsof ze de
+panden waren van een rok en maakte zijn toilet zoo rustig, alsof het
+wist dat het volkomen veilig was. En dat was het ook; want ofschoon
+Toms handen jeukten om het te grijpen, durfde hij dit niet ondernemen,
+daar hij in de overtuiging leefde, dat hij verloren was, wanneer hij
+zoo iets deed, terwijl het gebed aan den gang was. Maar toen dit op een
+eind liep, begon zijn hand zich te krommen en ging zachtjes vooruit;
+en zoodra het "amen" weerklonk, was de vlieg krijgsgevangen. Doch
+tante ontdekte het en liet Tom haar de vrijheid hergeven.
+
+De dominee las een tekst voor en was in zijn preek zóó eentonig en
+droog, dat menig hoofd zich te sluimeren neigde,--en toch spuwde hij
+in zijne rede vuur en vlam en dreigde het uitverkoren Godsvolk met
+hel en verdoemenis. Tom had de gewoonte de bladen van de preek na
+te tellen. Na kerktijd was 't hem altijd bekend hoeveel pagina's er
+omgeslagen waren doch meestal was dat ook het eenige, wat hij van
+de rede onthouden had. Ditmaal echter werd zijn aandacht voor een
+kort oogenblik geboeid. De predikant schetste prachtig en treffend
+hoe het zijn zou in den welaangenamen tijd van het duizendjarig rijk,
+als de leeuw en het Lam te zamen zouden nederliggen en een klein kind
+hen zou leiden. Maar het verhevene, de leering en de moraal van dat
+grootsche schouwspel gingen voor den knaap verloren; hij dacht alleen
+aan de heerlijkheid van het tooneel voor de toeschouwende natiën;
+en zijn gelaat glansde van verrukking bij het denkbeeld, dat hij dat
+kind mocht zijn,--zoo de bedoelde leeuw maar een tamme was.
+
+Toen evenwel het dorre hoofdonderwerp weer werd opgevat, verviel hij
+opnieuw in een toestand van duldend dragen. Op eens schoot hem in
+de gedachten, dat hij een schat bij zich had en deze werd voor den
+dag gehaald. Het was een groote zwarte kever, met een puntigen bek,
+dien hij met den naam van "bijtende tor" bestempelde. Die "bijtende
+tor" was geborgen in een percussie-doos. Zoodra de doos openging,
+pakte de kever hem bij den vinger en beet hem. Daarop werd het beest
+natuurlijk weggeknipt en de kever vloog door de kerk en viel daarna
+op den rug, terwijl Tom den zeeren vinger in den mond stak.
+
+Intusschen bleef het diertje hulpeloos liggen, buiten staat zich om
+te keeren. Tom oogde hem met een blik vol verlangen na, maar de kever
+was buiten zijn bereik. Andere lieden, wier gedachten van de preek
+afgedwaald waren, vonden eene gewenschte afleiding in den kever en
+gingen eveneens diens bewegingen gadeslaan.
+
+Daar kwam eensklaps druipstaartend en met hangende ooren, een
+verdwaalde poedel de kerk binnensluipen. Hij ziet den kever; de
+neerhangende staart gaat in de hoogte en begint te kwispelen. Hij neemt
+den buit in oogenschouw, loopt er omheen, beruikt hem op behoorlijken
+afstand, loopt er nog eens omheen, wordt moediger en beruikt hem iets
+meer van nabij, opent zijn bek, waagt behoedzaam een poging on hem te
+grijpen en mist zijn doel, waagt een tweede poging, daarna een derde,
+begint er schik in te krijgen, tracht den kever tusschen zijne pooten
+te vangen, maar wordt moede van het vruchteloos werk en gaat er bij
+zitten. De slaap bevangt hem; hij laat den kop hangen en zoetjes aan
+sukkelt zijn kin naar beneden, totdat zij met den puntigen bek in
+aanraking komt en een beet krijgt van het dier. Daarop volgt een luid
+gejank, eene snelle beweging van poedels kop en de kever vliegt weg,
+on terstond weder op zijn rug terecht te komen.
+
+De in de buurt zittende toeschouwers schudden inwendig van het
+lachen. Verscheidene gezichten werden achter waaiers of in zakdoeken
+verborgen en Tom zat zich bovenmate te verkneuteren. De hond zag er
+uit, alsof hij niet wist hoe hij het had, en wist dat waarschijnlijk
+ook niet. Er was toorn in zijn hart en hij dorstte naar wraak. Daarom
+ging hij nogmaals naar den kever toe en hernieuwde omzichtig den
+aanval, sprong gedurig in een cirkel op hem toe, trachtte hem op
+een duimbreeds afstand met zijne voorpooten te pakken, hapte naar
+hem en gooide met zijn kop, totdat hij er duizelig van werd. Weldra
+echter werd hij het spelletje moe en zocht hij zich met een vlieg
+te vermaken. Toen vervolgde hij, met zijn neus vlak op den grond,
+een mier en kreeg ook daar al heel spoedig zijn bekomst van; hij
+gaapte, zuchtte, vergat den kever en--ging er op zitten! Geen seconde
+later verhief zich een oorverdoovend geblaf in de kerk en de hond
+rende door het ruim. Het geblaf hield aan en de hond bleef aan 't
+rennen; hij vloog dwars door de kerk heen, langs den eenen vleugel,
+toen weer naar den anderen vleugel, liep voor de deuren op en neer,
+jankte luide alsof hij voor zijns meesters huis stond en wenschte
+binnengelaten te worden. Zijn angst nam toe, naarmate hij rondliep,
+totdat hij een komeet geleek, die met de snelheid van het licht
+schitterend voortholt op haar baan. Eindelijk staakte het razende
+dier zijn woeste vaart en sprong op den schoot zijns meesters, die
+hem uit het venster wierp, en het geluid der klagende stem verzwakte
+on eindelijk in het verschiet weg te sterven.
+
+Intusschen zat de geheele kerk met gloeiende wangen en bijna stikkende
+van het lachen, dit tooneel aan te staren en de dominee moest zijn
+redevoering voor een oogenblik staken. De preek werd weder hervat,
+maar zij ging gebrekkig en hakkelend voort, en alle pogingen om indruk
+te maken waren vergeefs. Zelfs de ernstigste zaken werden met eene
+onderdrukte uitbarsting van zondige vroolijkheid door de achter den
+rug der banken wegschuilende vergadering aangehoord, alsof de arme
+man iets bijzonders grappigs had verteld.
+
+Het was eene ware verlichting voor de gansche gemeente, toen de
+vuurproef doorgestaan en de zegen uitgesproken was. Tom verliet
+vroolijk en opgewekt het godshuis en overlegde bij zichzelf, dat
+kerkgaan nog zoo vervelend niet was, indien er, zooals vandaag, eene
+kleine afwisseling in kwam. Er was maar ééne gedachte, die hem kwelde:
+hij had er niet tegen, dat de hond met de kever speelde doch hij vond
+het valsch van den poedel dat hij hem meegepakt had.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+
+De maandagmorgen vond Tom diep ellendig. Dat deed elke maandagmorgen,
+omdat dan weder het slepend lijden van zes dagen schoolgaan
+volgde. Gewoonlijk begon hij dien dag met den wensch, dat er toch
+geene tusschenbeide komende vacantiedagen mochten zijn, daar deze
+den gang naar de boeien en de slavernij nog hatelijker maakten.
+
+Tom lag te denken, en het verlangen kwam bij hem op dat hij ziek
+mocht worden, opdat hij tehuis kon blijven. Zou dat onmogelijk
+zijn? Hij voelde overal of er ook een plekje zeer deed, maar alles
+was gezond. Toch meende hij verschijnselen van buikpijn te ontdekken
+en dadelijk werden alle zeilen bijgezet on die ongesteldheid te
+bevorderen. Maar helaas! zij verminderde ras en verdween allengs geheel
+en al. Hij pijnsde verder. Een van de boventanden zat los. Dat was een
+buitenkansje. Juist wilde hij uit al zijn macht gaan kreunen, toen het
+hem in de gedachten schoot, dat, wanneer hij met die smart voor den
+dag kwam tante den tand zou uittrekken en dat pijn zou doen. Daarna
+besloot hij voor het tegenwoordige den tand als noodschot te bewaren
+en verder te zoeken. Eerst deed zich niets op, doch daar herinnerde
+hij zich, den dokter te hebben hooren spreken over eene ziekte,
+waarbij een patiënt twee of drie weken te bed moest liggen en die
+somtijds eindigde met iets wat hij het koudvuur genoemd had. Toms
+groote teen had hem zeer gedaan; misschien kon dat wat geven. Gretig
+trok hij dien dan ook onder de dekens uit en hield hem in de hoogte,
+on hem te onderzoeken. Ofschoon hij de verschijnselen van de kwaal
+niet kende, dacht hij dat het toch wel de moeite waard was het eens
+te wagen en begon bitter te steunen.
+
+Maar Sid sliep door.
+
+Tom steunde harder en verbeelde zich, dat hij werkelijk pijn begon
+te gevoelen.
+
+Sid bleef onbeweeglijk liggen.
+
+Tom ging met de uiterste inspanning aan het beven en trillen. Hij
+hield zijn adem in, blies zich op en bracht eene reeks van uitmuntend
+nagebootste zuchten voor den dag.
+
+Sid snorkte door.
+
+Tom was ten einde raad. Ten laatste riep hij uit: "Sid, Sid!" en
+schudde zijn stiefbroeder uit alle macht.
+
+Dit hielp en Tom hervatte zijn steunen. Sid gaapte, rekte zich uit,
+verhief zich snorkend op zijn elleboog en begon Tom aan te staren. Tom
+steunde al door, totdat Sid riep:
+
+"Tom! zeg eens.... Tom!"
+
+Geen antwoord.
+
+"Och Tom! Tom! wat scheelt er aan, Tom?" En hij greep hem bij den
+arm en zag hem angstig aan.
+
+Tom jammerde: "O Sid, houd op, schud me niet zoo hard!"
+
+"Zeg, wat scheelt er aan, Tom? Ik zal tante roepen."
+
+"O, neen! Doe dat niet!"
+
+"Jawel! Ach, steun zoo niet, Tom! 't Is zoo vreeselijk. Hoe lang heb
+je al zoo gelegen?"
+
+"Al uren. Ai, o! maak niet zoo'n beweging, Sid; je zult me vermoorden."
+
+"Tom, waarom heb je me niet eer geroepen? O, Tom, houd op. Ik kan
+het niet meer aanhooren, Tom, wat scheelt er aan?"
+
+"Ik vergeef je alles, Sid, (gesteun).... alles wat je ooit tegen me
+misdreven hebt. Als ik zal heen...."
+
+"O, Tom, gij gaat toch niet sterven, niet waar? Och, doe het niet,
+Tom. Misschien...."
+
+"Ik vergeef iedereen, Sid, (gesteun). Zeg hun dat Sid. En, Sid, geef
+het raamkozijn en mijn kat aan het nieuwe meisje, dat hier is komen
+wonen en zeg haar...." Maar Sid had zijne kleeren al aangeschoten en
+was de kamer uit. Tom had nu wezenlijk pijn, dusdadig had hij zijne
+verbeelding laten werken en zoo was het geluid van zijn gekerm der
+waarheid nabij gekomen.
+
+Sid ijlde de trappen af en zeide:
+
+"O Tante Polly, Tom gaat sterven."
+
+"Sterven?"
+
+"Ja, wacht niet; kom gauw mede."
+
+"Onzin! Ik geloof er niets van."
+
+Desniettemin vloog zij doodsbleek en met bevende lippen de trappen
+op en Sid en Marie achter haar aan.
+
+Toen zij voor het ledikant stond, bracht zij met moeite uit:
+
+"Tom, wat scheelt er aan?"
+
+"O, lieve tante, ik...."
+
+"Wat scheelt er aan? Wat heb je, kind?"
+
+"O, lieve Tante, ik heb het koudvuur in mijn zieken teen."
+
+De oude dame viel in een stoel neder, begon te lachen, toen te
+schreien, eindelijk beide te gelijk. Dat bracht haar tot zichzelve
+en zij zeide:
+
+"O, Tom, wat een poets heb je me gebakken! Wil je eens gauw met die
+malligheid ophouden en je bed uitstappen!"
+
+Het gekreun hield op en de pijn verdween. De knaap was een weinig
+met zijn figuur verlegen en zeide:
+
+"Tante Polly, het was een gevoel van koudvuur en het deed zoo'n pijn,
+dat ik zelfs mijn lossen tand vergat."
+
+"Je tand, kind? Wat scheelde er aan je tand?"
+
+"Er is er een los en die doet mij vreeselijk zeer."
+
+"Nu, begin maar niet weer te kreunen. Doe je mond eens open. Ha,
+de tand _is_ los, maar daar zul je niet aan sterven. Marie, haal een
+zijden draad uit mijn werkdoos."
+
+"O tantelief, trek hem als 't u belieft niet uit. Hij doet mij niets
+geen zeer meer. Och, als 't u belieft, doe het niet, tantelief! Ik
+zal heusch naar school gaan!"
+
+"Zoo, naar school gaan! Dus was al dat lawaai in de hoop van thuis
+te blijven en te gaan visschen! Tom, Tom, ik houd zooveel van je en
+je schijnt op alle manieren te beproeven of je mijn oud hart ook door
+je schandelijke ondeugendheid kunt breken."
+
+Onderwijl was het trekinstrument binnengebracht. De oude dame maakte
+het eene eind van den zijden draad aan Toms lossen tand vast en bond
+het aan den beddenpost. Toen sloeg zij er hard midden op en in een
+oogenblik hing de tand aan het ledikant te bungelen.
+
+Alle rampen brengen hunne lichtzijde mede. Toen Tom na het ontbijt
+naar school ging, werd hij door alle jongens benijd om de holte in
+zijn bovenste rij tanden, die hem in staat stelde op een nieuwe en
+wonderlijke wijs te spuwen. Weldra had hij een stoet jongens on zich
+heen, en een van hen, die zich in den vinger gesneden had en tot dit
+oogenblik het mikpunt van bewondering en huldebetoon geweest was,
+had geen enkelen aanhanger meer en voelde dat hij zijn roem had
+overleefd. Hij was diep gekrenkt en zeide op verachtelijken toon,
+dat er geen kunst aan was om te spuwen als Tom Sawyer. Maar een andere
+jongen riep iets van druiven die zuur waren en hij liep mismoedig heen.
+
+Kort daarop kwam Tom den jeugdigen paria van het stadje, Huckleberry
+Finn, den zoon van den stadsdronkaard, tegen. Huckleberry werd met hart
+en ziel door al de moeders van de plaats gehaat, omdat hij zoo lui en
+morzig was--en voornamelijk omdat hunne kinderen hem zoo bewonderden
+en er behagen in schepten, heimelijk het verbod van met hem om te gaan,
+te overtreden en van harte wenschten den moed te hebben te zijn zooals
+hij. Tom benijdde Huck evenals alle andere ordentelijke jongens, maar
+had den bepaalden last om niet met hem te spelen. Daarom juist deed
+hij dat telkens, wanneer de gelegenheid zich voordeed. Huckleberry
+droeg altijd de afgedragen pakken van volwassenen en deze hingen
+doorgaans van scheuren en lappen aan elkaar. Zijn hoofd was meestal
+gedekt met een ingedrukten hoed, welks rand er als een halve maan
+bijfladderde. Zijn jas, wanneer hij er een droeg, hing hem bijkans
+op de hielen en de achterknoopen zaten menigmaal een eind onder zijn
+rug. Zijn broek werd door één bretel opgehouden en het kruis van dat
+kleedingstuk zat dikwijls ter hoogte van zijn kuiten. Zijn gerafelde
+kousen sleepten, als zij niet omgerold waren, bijna altijd in de
+modder. Huckleberry deed wat hij verkoos. Bij mooi weer sliep hij
+op de stoepen, bij slecht weer in leege vaten. Hij behoefde school
+noch kerk te bezoeken, niemand meester te noemen en geen mensch te
+gehoorzamen. Hij mocht gaan visschen en zwemmen, wanneer en waar hij
+verkoos en zoolang uitblijven als hem goeddacht. Niemand verbood hem
+ooit om te vechten, hij kon zoo laat opblijven als het hem behaagde, en
+hij was altijd de eerste die in het voorjaar op bloote voeten liep, en
+de laatste die ze in het najaar in leder stak. Hij mocht naar hartelust
+vloeken. Hij behoefte zich nooit te wasschen en nooit schoone kleeren
+aan te trekken. In één woord, hij mocht alles doen en laten wat het
+jongensleven aangenaam maakt. Zoo dachten ten minste al de gedrilde,
+aan banden gelegde, fatsoenlijke jongens van St. Petersburg.
+
+Tom hield den romantischen verschoppeling staande met den uitroep:
+
+"Hola, Huckleberry, wat heb je daar?"
+
+"Een doode kat."
+
+"Laat kijken, Huck. Zij is goed stijf. Waar heb je die vandaan
+gehaald?"
+
+"Geruild van een jongen."
+
+"Wat heb je er voor gegeven?"
+
+"Een blauw kaartje en een blaas, die ik in het slachthuis gekregen
+had."
+
+"Hoe kwam je aan dat blauwe kaartje?"
+
+"Voor veertien dagen van Ben Rogers gekocht voor een hoepelstok."
+
+"Zeg eens; waar zijne doode katten eigenlijk goed voor?"
+
+"Goed voor? Om wratten weg te maken."
+
+"Wat? Wezen? Ik weet iets, wat nog beter is."
+
+"Wedden dat je het niet weet? Wat is het dan?"
+
+"Wel, water uit vermolmd hout."
+
+"Water uit vermolmd hout! Ik geef geen cent on water uit vermolmd
+hout!"
+
+"Niet? Heb je het dan nooit geprobeerd?"
+
+"Neen, ik niet, maar Bob Tanner wel."
+
+"Wie heeft je dat gezegd?"
+
+"Wel, hij zei het aan Jeff Hatcher en Jeff aan John Baker en John
+Baker aan Jim Hollis en Jim Hollis aan Ben Rogers en Ben Rogers aan
+een neger en de neger aan mij. Wat heb je nou nog te zeggen?"
+
+"Wat ik te zeggen heb? Dat ze 't allemaal liegen. Van allen weet ik
+het zeker, behalve van den neger, want dien ken ik niet. Maar ik heb
+nog nooit een neger gezien, die niet loog. Nu, vertel mij dan eens,
+hoe Bob Tanner het gedaan heeft?"
+
+"Wel, hij stak zijn hand in een hollen boom, waarin regenwater was."
+
+"Over dag."
+
+"Zeker."
+
+"Met zijn gezicht naar den boomstam gekeerd?"
+
+"Ja, dat denk ik ten minste wel."
+
+"Zeide hij er niets bij?"
+
+"Dat geloof ik niet,--maar ik weet het niet zeker."
+
+"Och wat,--loop been! Wie neemt op zoo'n bespottelijke manier wratten
+weg! Je moet het heel anders doen. Je gaat zelf naar het bosch toe,
+waar je weet dat een holle boom staat met water er in, en tegen
+middernacht ga je met je rug naar- en met je hand in de holte staan
+en zegt:
+
+"Gerstekorrel, gerstekorrel, breng meel in 't vat, Molm-water,
+molm-water, verteer de wrat,"
+
+En dan ga je gauw elf passen achteruit, en dan keer je je driemaal
+om en je gaat naar huis zonder een woord tegen iemand spreken. Want
+als je spreekt is de betoovering voorbij.
+
+"Nu dat klinkt mooi, maar zoo heeft Bob Tanner het niet gedaan."
+
+"Neen, man, je kunt er gerust op zijn, dat hij 't zoo niet heeft
+gedaan, omdat niemand in de stad zoo vol wratten zit als hij; en hij
+zou geen enkele wrat hebben als hij wist hoe je met water uit vermolmd
+hout werken moet. Ik heb op die manier wel duizend wratten van mijn
+handen doen verdwijnen. Ik speel zooveel met kikkers, dat ik altijd
+een hoop wratten krijg. Soms maak ik ze weg met een groote boon."
+
+"Ja, eene groote boon is goed. Dat heb ik ook wel gedaan."
+
+"Zoo? Hoe moet het dan gedaan worden?"
+
+"Je neemt een boon en splijt die en dan maak je een snede in de wrat,
+dat er een beetje bloed uitkomt, en dan leg je dat bloed op een stukje
+van de boon, en dan graaf je een gat in den grond en daarin leg je 't
+stukje in den nacht bij maneschijn, op een kruisweg, en dan verbrand
+je de rest van de boon. En dan gaat het stuk boon, dat het bloed
+ingezogen heeft, aan het trekken en trekken, on het andere stuk meester
+te worden, en dan helpt het bloed de wrat en deze valt spoedig af."
+
+"Ja, dat is waar, hoewel je er onder het begraven bij moet voegen:
+'Weg, boon, weg, wrat, kom me niet meer plagen.' Zoo doet Joe Harper
+het ten minste. Maar hoe genees jij ze met doode katten?"
+
+"Wel, je neemt je kat en gaat tegen middernacht naar het kerkhof, naar
+een plaats, waar een slecht mensch begraven ligt. Precies om twaalf
+uur komt er een duivel, misschien wel twee of drie: en die nemen dat
+slechte mensch mee. Maar die duivels kun je niet zien. Je hoort ook
+niets dan een geluid als van den wind, hetgeen beduidt dat ze met
+elkaar praten. En als de duivel dien slechten man heeft meegepakt,
+moet je de kat in de lucht zwaaien en zeggen:
+
+"Duivel, volg het lijk; kat, volg den duivel; wrat, volg de kat;
+ik wil niets meer met je te doen hebben." Dat neemt elke wrat weg."
+
+"Het klinkt mooi, maar heb je het wel eens geprobeerd, Huck?"
+
+"Ik niet, maar moeder Hopkins heeft het mij gezegd."
+
+"Dan zal het wel waar zijn, want ze zeggen, dat ze een tooverkol is."
+
+"Zeggen? Wel, Tom, ik _weet_, dat zij er een is. Ze heeft Pap
+betooverd. Pap heeft het me zelf verteld. Op een dag kwam hij haar
+tegen, en hij bemerkte, dat ze hem betooverde. Toen nam hij een steen,
+en als zij niet uit den weg was gegaan, had hij haar doodgegooid. Nu,
+dien eigen nacht rolde hij van een vliering, waarop hij dronken lag
+te slapen naar beneden, en brak zijn arm."
+
+"Hè, dat is verschrikkelijk. Hoe weet hij, dat zij hem betooverde?"
+
+"Hemel, dat moet Pap je zelf vertellen. Pap zegt: als ze je stijf
+aankijken, dan betooveren ze je, vooral als ze mummelen, omdat ze
+dan het 'Onze Vader' 't achterste voor opzeggen."
+
+"Zeg eens, Huck, wanneer ga jij het met de doode kat probeeren?"
+
+"Van nacht. Ik geloof, dat de duivels den ouden Hol Williams van
+nacht komen halen."
+
+"Maar hij is Zaterdag al begraven, Huck. Hebben zij hem dan Zaterdag
+niet weggehaald?"
+
+"Wat dacht je?--Op Zondag?--De duivels loopen 's Zondags niet rond,
+zou je denken."
+
+"Dat wist ik niet. Laat mij meegaan."
+
+"Goed,--als je niet bang bent."
+
+"Bang!--Nou nog mooier. Zul je om elf uur tegen het raam miauwen?"
+
+"Ja, en dan moet jij terug-miauwen en niet doen zooals den laatsten
+keer. Toen heb ik voor dat raam staan schreeuwen, tot dat de
+nachtwacht me met een steen gooide en riep: 'Dat is voor jou, ouwe
+kat!' Natuurlijk smeet ik toen een kei door zijn raam, maar dat mag
+je niet vertellen."
+
+"Neen. Dien nacht kon ik het niet doen, omdat tante me stond te
+bespieden; maar ik zal dezen keer miauwen. Zeg eens, Huck, wat heb
+je daar?"
+
+"Niets dan een schallebijter."
+
+"Waar heb je dien vandaan gehaald."
+
+"Uit het bosch."
+
+"Waarvoor geef je hem?"
+
+"Ik weet het niet. Ik heb geen plan on hem te verkoopen."
+
+"Ook al goed. 't Is in alle geval een erg klein beestje."
+
+"O 't is gemakkelijk aanmerkingen op een schallebijter te maken,
+die je niet toebehoort. Ik ben er mede tevreden; hij is groot genoeg
+voor mij."
+
+"O, er zijn schallebijters genoeg. Ik kan er wel duizend krijgen,
+als ik wil."
+
+"Wel, waarom vang je ze dan niet? Omdat je verduiveld goed weet,
+dat je niet kunt. Dit is een bijzonder vroege schallebijter: het is
+de eerste, dien ik dit jaar gezien heb."
+
+"Zeg eens, Huck, ik zal er je mijn tand voor geven."
+
+"Laat dien eens kijken."
+
+Tom haalde een stukje papier voor den dag en ontrolde dat voorzichtig,
+en Huckleberry onderzocht den tand nauwkeurig. De verleiding was zeer
+sterk. Eindelijk zeide hij:
+
+"Is hij echt?"
+
+Tom toonde de open plek in zijn mond.
+
+"Akkoord," zeide Huckleberry, "de koop is gesloten."
+
+Tom sloot den schallebijter in de percussiedoos, waarin onlangs
+de tor gevangengezeten had en de knapen namen afscheid van elkaar,
+beiden gelukkig in het bezit van een nieuwen schat.
+
+Tom bereikte het kleine eenzame schoolgebouw, waar hij met veel lawaai
+binnenstapte, hing zijn hoed aan een kapstok en ijlde naar zijne
+plaats. De meester, door het gebrom van 't lessen leeren slaperig
+geworden, was op zijn hoogen matten stoel ingesluimerd. Doch hij werd
+door de stoornis gewekt en riep uit:
+
+"Thomas Sawyer!"
+
+Tom wist, dat, wanneer zijn naam voluit genoemd werd, er onweer aan
+de lucht was.
+
+"Mijnheer."
+
+"Kom hier bij mij staan. Zeg mij eens: waarom zijt ge weer zoo laat?"
+
+Tom was op het punt zijne toevlucht tot een leugen te nemen, toen
+hij langs een paar fijne schoudertjes, twee lange blonde vlechten
+zag hangen, die hij dadelijk herkende als toebehoorende aan Becky
+Thatcher en naast die vlechten was de _eenige ledige plaats_ aan de
+meisjeskant. Oogenblikkelijk zei hij:
+
+"Ik heb met Huckleberry Finn staan praten!"
+
+De pols van den meester stond stil en hij zelf staarde verbijsterd in
+het rond. Het gebrom van 't leeren hield op en de leerlingen dachten,
+dat de overmoedige jongen krankzinnig was geworden. De meester zeide:
+
+"Gij--gij deedt--wat?"
+
+"Praten met Huckleberry Finn."
+
+Hij had niet misverstaan.
+
+"Thomas Sawyer, dit is de meest vermetele bekentenis die ooit mijne
+ooren vernamen. Dat kan met de roede alleen niet afgedaan worden. Trek
+uw buis uit."
+
+Des meesters arm deed zijn plicht, totdat hij niet meer kon en de
+bundel teenen, waaruit de roede bestond, aanmerkelijk verminderd
+was. Daarop werd het bevel uitgevaardigd:
+
+"Ga nu bij de _meisjes_ zitten! En laat dit u een waarschuwing zijn."
+
+Het gegiegel, dat in het vertrek vernomen werd, scheen den jongen
+verlegen te maken, doch in werkelijkheid verbijsterde hem de
+aanmoediging van zijn blonden afgod en het met smart vermengd genoegen,
+dat hij aan zijn gelukkig gesternte te danken had. Hij ging op den
+hoek van de bank zitten, en het meisje kroop zoo ver mogelijk van hem
+af. Hierop volgde een gestoot, gewenk en gefluister, waaraan Tom zich
+echter niet stoorde. Integendeel hij bleef stil zitten, met de armen
+op den langen, lagen lessenaar? en scheen in zijn boek verdiept te
+zijn. Gaandeweg werd de aandacht van hem afgeleid en de duffe atmosfeer
+werd weder van het gewone schoolgegons vervuld. Nu en dan begon de
+knaap tersluiks blikken op het meisje te werpen. Zij bemerkte het,
+zette een nuffig gezichtje tegen hem op, en liet hem een minuut lang
+haar rug zien. Toen zij voorzichtig nog eens omkeek lag er een perzik
+voor haar. Deze werd weggeduwd. Tom legde de vrucht zachtjes weder
+voor haar; zij werd nogmaals weggeduwd, maar dezen keer op minder
+heftige wijze. Tom legde geduldig de perzik ten derden male voor
+het meisje en de vrucht bleef liggen. Toen krabbelde hij op de lei:
+"Neem haar, als het u blieft; ik heb er meer."
+
+Het meisje keek naar die woorden, doch hield zich stil. Daarna begon
+de knaap iets op de lei te teekenen en bedekte zijn werk met de
+linkerhand. Een tijdlang deed het meisje alsof zij er niet op lette;
+maar hare vrouwelijke nieuwsgierigheid begon zich door nauw merkbare
+teekenen te verraden. De jongen werkte door, schijnbaar zonder er
+acht op te slaan. Het meisje trachtte te zien wat hij er op zette,
+maar de jongen hield zich alsof hij er niets van bemerkte. Eindelijk
+zwichtte zij en fluisterde aarzelend:
+
+"Laat mij eens kijken."
+
+Tom liet een gedeelte zien van een caricatuur van een huis, met
+een dubbelen gevel en een wolk van rook, die in den vorm van een
+kurketrekker uit den schoorsteen opsteeg. Dit was voldoende voor
+het meisje om haar gansche belangstelling aan het werk te schenken
+en zij vergat alles on zich heen. Toen het af was, keek zij Tom een
+oogenblik aan en fluisterde:
+
+"Het is mooi!--Teeken nu een mannetje."
+
+De kunstenaar deed een man op den voorgrond verrijzen, die sprekend
+op een toppenant geleek, welke over het huis zou hebben kunnen
+heenstappen, maar het meisje was niet kieschkeurig. Zij was tevreden
+met het monster en fluisterde: "Het is een mooie man; teeken mij er
+nu naast."
+
+Tom schetste een zandlooper, met een gezicht als een volle maan en
+een lichaam zoo dun als een stroohalm, en wapende de uitgespreide
+vingers met een verbazend grooten waaier. Het meisje zeide:
+
+"'t Is prachtig.--Ik wou, dat ik ook kon teekenen."
+
+"Het is niet moeielijk," fluisterde Tom. "Ik zal 't je leeren."
+
+"O, als je blieft.--Wanneer?"
+
+"Van middag. Ga je om twaalf uur naar huis om te eten?"
+
+"Ik kan ook wel hier blijven, als je dat wilt."
+
+"Goed; dat zal prettig zijn. Hoe heet je?"
+
+"Becky Thatcher."
+
+"En jij?--O, ik weet het, jij heet Thomas Sawyer."
+
+"Dat is de naam, waarmee ik slaag krijg. Ik heet Tom, als ik goed
+oppas. Jij zult me Tom noemen, niet waar?"
+
+"Ja."
+
+Daarop begon Tom iets op de lei te krabben, dat hij voor het meisje
+verborg. Doch zij was er nu vlugger bij en verzocht Tom het te
+mogen zien.
+
+"Och, het is niets."
+
+"Jawel."
+
+"Neen, het is niets; je behoeft het niet te zien."
+
+"Jawel, ik moet het zien. Och toe, als je blieft."
+
+"Ja, maar zul je het niet over vertellen?"
+
+"Neen, zeker niet. Op mijn woord van eer niet."
+
+"Zul je het niemand vertellen, zoolang als je leeft?"
+
+"Neen, ik zal het niemand vertellen. Laat me nou kijken."
+
+"Och, je moogt het niet zien."
+
+"Nu je me zóó behandelt, _wil_ ik het zien, Tom,"--en zij legde
+haar handje vlak op het zijne, waarop eene kleine schermutseling
+ontstond. Tom deed alsof hij in ernst weerstand bood, maar liet zijne
+hand van lieverlede glippen, totdat deze woorden openbaar werden:
+"Ik heb u lief."
+
+"O, ondeugende jongen." En zij gaf hem een lief, klein klapje op de
+hand, bloosde en keek toch verheugd.
+
+Op datzelfde oogenblik voelde de knaap zich door iemand langzaam bij
+de ooren pakken en met kracht ophijschen. In die houding werd hij door
+het lokaal gedragen en, onder de brandende pijn van het gemeesmuil der
+geheele school, op zijn eigen plaats neergezet. Toen bleef de meester
+gedurende een paar vreeselijke minuten vóór hem staan, en verhuisde
+eindelijk weder zonder een woord te spreken naar zijn troon. En Tom,
+ofschoon zijn ooren suisden, juichte in zijn hart.
+
+Toen de school tot rust was gekomen, deed Tom eene oprechte poging
+om te leeren, maar de verwarring in zijn hoofd was te groot. Op
+zijn beurt nam hij deel aan de leesles en brabbelde verschrikkelijk;
+daarna aan de aardrijkskundige les en maakte van meren bergen, van
+bergen rivieren en van rivieren landen, totdat de aarde weer een
+chaos geworden was; eindelijk ook aan de spel-les, maar daarvan kon
+hij niets maken en zóó verspeelde hij zijn onderscheidingsteeken,
+dat hij met zooveel trots maanden lang had gedragen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+
+Hoe meer Tom zijn best deed on zijne gedachten bij zijn boek te houden,
+des te meer dwaalden zij af, totdat hij het ten laatste zuchtende en
+gapende opgaf. Het was hem alsof de middag-vacantie nooit zou komen. 't
+Was doodstil. De atmosfeer waarin hij ademde, scheen den eeuwigen slaap
+ingesluimerd te zijn. 't Was de heetste van al de heete zomerdagen,
+en het gebrom van vijf en twintig studeerende scholieren had een even
+slaapwekkenden invloed als het gegons van een bijenzwerm.
+
+In de verte, in den glans van den zonneschijn, verhieven zich door
+een lichten, doorschijnenden sluier van warmen zomerdamp, dien de
+afstand met purper had getint, de groene heuvelen van Cardiff. Een
+enkele vogel zweefde op trage vleugelen hoog in de lucht, en verder
+was er geen levend wezen te zien, behalve eenige koeien en ook
+die waren ingedommeld. Tom snakte naar vrijheid en naar iets dat
+hem genoeg belangstelling inboezemde on de vervelende uren door te
+worstelen. Hij liet zijne hand in zijn zak glijden en een gloed van
+dankbaarheid, welke zich, zonder dat hij er zich zelf van bewust was,
+in een gebed uitte, overtoog zijn omhooggekeerd gelaat. Daar kwam
+tersluiks de percussiedoos voor den dag. Hij liet een schallebijter
+los en zette dien op de lage, platte lessenaar. Het beestje was niet
+minder erkentelijk dan Tom, doch zijne blijdschap bleek wat voorbarig
+te zijn geweest, want toen het dankbaar pogingen deed om te ontkomen,
+legde Tom het, met behulp van een speld, op den rug en dwong het een
+anderen weg te nemen.
+
+Tom had zijn boezemvriend naast zich, die onder hetzelfde leed
+gebukt ging als zijn makker en, vol vreugde over de afleiding,
+oogenblikkelijk een warme belangstelling in deze vermakelijkheid aan
+den dag legde. Die boezemvriend was Joe Harper. De beide jongens
+waren de gansche week door verklaarde vrienden, maar 's Zaterdags
+meestal geslagen vijanden. Joe nam een speld uit de panden van zijn
+buisje en begon de behulpzame hand te bieden om het diertje mores te
+leeren. Het spel werd terstond hoogst belangwekkend. Spoedig verklaarde
+Tom, dat zij met elkaar in botsing kwamen en daardoor geen van beiden
+iets aan den schallebijter hadden. Hij nam Joe's lei en trok een lijn
+op de lessenaar van boven naar beneden.
+
+"Nu," zeide hij, "zoolang hij op uw grondgebied blijft, moogt gij hem
+prikken, en ik zal er mij niet mede bemoeien, maar als hij aan mijne
+zijde komt, moet ge hem met vrede laten, zoolang ik hem beletten kan
+de grenzen over te trekken."
+
+"Best! Vooruit maar;--laat hem los."
+
+De schallebijter ontsnapte Tom en stak de evenachtslijn over. Na een
+tijdlang door Joe geplaagd te zijn liep hij weg en ging naar Tom. Dit
+veranderen van grondgebied duurde een geruimen tijd voort. Terwijl
+de eene jongen het beest met hart en ziel kwelde, keek de andere met
+een even groote belangstelling toe, en de beide hoofden bogen zich
+te zamen over de lei en beide zielen gingen gansch en al in de pret
+op. Eindelijk scheen de fortuin ten gunste van Joe te keeren en bij
+hem te blijven. De schallebijter deed wat hij kon om los te komen en
+werd bijna even opgewonden en angstig als de knapen zelven. Juist toen
+hij op het punt stond van de klauwen van Joe te ontsnappen en Tom's
+vingers alweder jeukten om hem in zijne macht te krijgen, versperde de
+eerste hem met zijne speld den weg tot zijn grondgebied. Tom kon het
+niet langer uithouden. De verleiding was te groot. Hij stak zijne hand
+uit en kwam met zijne speld over zijne grenzen. Joe werd boos en zeide:
+
+"Tom, laat hem aan zijn lot over."
+
+"Ik wou hem alleen maar een beetje helpen, Joe."
+
+"Neen, dat is niet eerlijk; laat hem aan zijn lot over."
+
+"Pas op of ik ga hem helpen zoo hard als ik wil."
+
+"Tom, laat hem met rust, zeg ik je."
+
+"Ik doe het niet."
+
+"Je zult;--hij is op mijn grondgebied."
+
+"Hoor eens, Joe Harper, wien behoort hij toe?"
+
+"Het kan mij niet schelen, wien hij toebehoort; hij is aan mijn kant
+en je zult hem niet aanraken."
+
+"Wedden, dat ik het toch doe. 't Is mijn schallebijter en ik zal met
+hem doen wat ik verkies."
+
+Op eens voelde Tom een klap op zijn schouder en Joe een anderen op
+den zijnen. Twee minuten lang zag men een rookwolk uit de buizen
+der jongens opgaan en hoorde men de gansche school lachen. De knapen
+waren te zeer in hun spel om de stilte te bemerken, die zich over de
+school had verspreid, even voordat de meester op zijn teenen naar hen
+toegeslopen en tegen hen over was gaan staan. Hij had het tooneel op
+zijn gemak gadegeslagen en daarna de verraderlijke klappen toegebracht.
+
+Toen de school 's middags uitging, vloog Tom naar Becky Thatcher toe
+en fluisterde haar in 't oor:
+
+"Zet je hoed op en zeg dat je naar huis gaat; en als je den hoek
+van de straat om zijt, loop dan van de kinderen af, sla de steeg
+in en keer zoo naar de school terug. Ik zal den anderen kant gaan:
+dan komen wij elkaar vanzelf tegen."
+
+Daarop verliet Tom de school en voegde zich bij een groep kinderen,
+die eene andere straat insloegen dan de kameraadjes van Becky. Heel
+spoedig kwamen de knaap en het meisje elkaar midden in 't steegje
+tegen, keerden naar het schoollokaal terug, dat zij nu geheel voor zich
+hadden. Zij gingen naast elkander zitten met een lei voor zich. Tom
+gaf Becky een griffel, stuurde haar hand en riep op deze wijze een
+wonderbaar huis in het aanzijn.
+
+Doch de teekenwoede duurde niet lang en ze begonnen samen te
+praten. Tom was in den derden hemel van geluk en zei:
+
+"Houd je van ratten?"
+
+"Neen, ik heb een hekel aan die dieren."
+
+"Ik ook,--ten minste aan levende. Maar ik meen doode, die je aan een
+touwtje over je hoofd kunt laten draaien."
+
+"Neen, ik geef niet veel om ratten, ook niet om doode. Maar, weet je
+waar ik van houd? Van gom kauwen."
+
+"Zoo, ik heb toevallig een paar stukjes bij mij. Eerst mag jij een
+beetje kauwen en dan ik weer."
+
+Dat was prettig; ze kauwden beurt om beurt en schommelden met hun
+beenen onder de bank van pleizier.
+
+"Ben je wel eens in een paardenspel geweest?" vroeg Tom.
+
+"Ja; mijn pa neemt me wel eens mee, als ik zoet ben."
+
+"Ik ben er drie of vier malen geweest. Neen nog meer. De kerk is geen
+lor waard in vergelijking met een paardenspel. Daar zie je altijd
+door wat. Als ik groot ben, wordt ik clown in een paardenspel."
+
+"Wezenlijk? Dat zal heerlijk wezen! De clowns zijn immers die mooi
+aangekleede mannen vol gekleurde spikkeltjes?"
+
+"Ja, en ze krijgen schatten van geld; meestal een dollar daags. Dat
+zegt Ben Rogers ten minste. Zeg eens, Becky, ben je wel eens
+geëngageerd geweest?"
+
+"Wat is dat?"
+
+"Geëngageerd, om te gaan trouwen."
+
+"Neen."
+
+"Zou je het wel willen?"
+
+"Misschien wel. Ik weet het niet. Wat moet je dan doen?"
+
+"Doen? Je zegt eenvoudig tegen een jongen, dat je nooit iemand anders
+hebben wilt dan hem, nooit, nooit, nooit--en dan geef je hem een
+zoen. Iedereen kan het doen."
+
+"Een zoen? Waarom geef je elkaar een zoen?"
+
+"Wel, weet je--wel--omdat.... ze dat allemaal doen."
+
+"Alle menschen?"
+
+"Ja, alle menschen die van elkaar houden. Weet je nog wel wat ik van
+morgen op mijn lei geschreven heb?"
+
+"Ja--a."
+
+"Wat was het?"
+
+"Dat zeg ik je niet."
+
+"Dan zal ik het je zeggen."
+
+"Dat is goed,--maar op een anderen keer."
+
+"Neen, nu."
+
+"Neen, nu niet, maar morgen."
+
+"O, als je blieft, nu Becky. Ik zal het zoo zachtjes zeggen, dat je
+het bijna niet hooren kunt."
+
+Becky aarzelde en Tom zag het stilzwijgen voor toestemmen aan. Hij
+sloeg zijn arm om haar middel en fluisterde haar de oude geschiedenis
+in 't oor, terwijl hij er bijvoegde:
+
+"Nu moet je het mij ook influisteren,--precies hetzelfde."
+
+Zij zweeg een oogenblik en sprak toen:
+
+"Keer je gezicht naar den anderen kant, zoodat je mij niet zien kunt,
+dan zal ik het doen. Maar je moogt het niemand vertellen. Beloof je
+me dat op je woord van eer?"
+
+"Ja. Kom zeg het nu, Becky."
+
+Hij keerde zijn gezicht on. Zij boog zich schroomvallig naar hem toe,
+zoo dicht dat hij haar adem onder zijn krulhaar voelde en fluisterde:
+
+"Ik--houd--dol--van je."
+
+Toen sprong zij weg en liep on de lessenaar en banken heen en Tom
+achter haar aan, totdat zij zich eindelijk in een hoek verschanste
+en haar wit schortje over haar gezichtje trok. Tom pakte haar om den
+hals en zei smeekend:
+
+"Nu, Becky, is het klaar behalve de zoen. Wees daar maar niet bang
+voor, dat is niets. Toe, Becky."
+
+En met deze woorden trok hij aan haar boezelaar, totdat deze langzaam
+naar beneden gleed en zij zich met gloeiende wangen aan de operatie
+onderwierp. Tom zoende de roode lipjes en zei:
+
+"Nu is het geheel en al in orde, Becky. En nu weetje vooreens en
+voorgoed, dat je van niemand anders dan van mij moogt houden en met
+niemand dan met mij moogt trouwen; neen, nooit, nooit. Beloof je dat?"
+
+"Ja, ik zal van niemand anders houden dan van jou, Tom. Maar jij
+moogt ook met niemand anders trouwen dan met mij."
+
+"Natuurlijk. Dat spreekt vanzelf. En nu hoort er ook bij, dat je bij
+het naar school of naar huis gaan met me wandelt, ten minste als
+niemand het ziet, en dat bij feestjes jij mij en ik jou kies. Dat
+doen geëngageerde menschen altijd."
+
+"Dat vind ik heel aardig. Ik had er nog nooit van gehoord."
+
+"O, het is zoo prettig. Toen ik met Amy Lawrence..."
+
+De groote oogen van Becky zeiden Tom, dat hij een flater begaan had,
+en hij hield verlegen op.
+
+"O, Tom! Dus is het niet de eerste keer, dat je geëngageerd bent?"
+
+Het kind begon te schreien, en Tom zeide:
+
+"Och, schrei niet, Becky; ik geef niets meer om haar."
+
+"Ja, dat doe je wel, Tom,--ik weet, dat je het wel doet."
+
+Tom trachtte zijn arm on haar hals te slaan, doch zij duwde hem terug
+en wendde schreiend haar gelaat naar den muur. Tom beproefde het,
+onder het spreken van allerlei vleiende woordjes, nogmaals, maar met
+hetzelfde gevolg. Toen werd hij boos en rende met groote stappen de
+deur uit.
+
+Een poosje bleef hij met een onrustig hart buiten staan, wierp nu en
+dan een blik naar de deur, in de hoop dat zij berouw krijgen en naar
+hem toe zou komen, maar zij kwam niet. Toen begon hij te denken, of
+hij ook ongelijk kon hebben. Het was een harde strijd on de eerste
+pogingen tot toenadering te doen, doch hij vermande zich en trad
+de school binnen. Zij stond nog in denzelfden hoek, snikkende, met
+haar gelaat tegen den muur. Diep ontroerd ging Tom naar haar toe en
+bleef een oogenblik voor haar staan, zonder eigenlijk te weten wat
+hij zeggen moest. Toen sprak hij aarzelend:
+
+"Becky--ik--ik geef om niemand dan om jou."
+
+Geen antwoord;--niets dan snikken.
+
+"Becky, waarom spreek je niet?"
+
+Hevige snikken.
+
+Tom haalde zijn grootste schat voor den dag, een koperen knop van
+een schelkoord, hield haar dien voor en zeide:
+
+"Becky, die is voor jou; neem hem, als je blieft."
+
+Zij smeet het geschenk op den grond. Toen stapte Tom de deur uit
+en ijlde naar buiten, naar de heuvelen, om dien dag niet meer naar
+school terug te keeren.
+
+Nauwelijks was hij verdwenen, of Becky gevoelde berouw. Zij liep naar
+de deur, doch Tom was niet meer in het gezicht. Zij ijlden over de
+speelplaats: ook daar was hij niet. Toen gilde zij:
+
+"Tom! Tom! kom terug."
+
+Zij luisterde aandachtig, doch er kwam geen antwoord; zij was met de
+stilte en het gevoel van verlatenheid alleen. Er schoot haar niets
+over dan te gaan zitten, opnieuw te schreien en zich zelfverwijten
+te doen. Daarbij moest zij haar verdriet voor de langzamerhand weer
+bijeenkomende schoolkinderen verbergen en het kruis opnemen van een
+langen, drukkend warmen achtermiddag in de school te zitten, zonder
+iemand te hebben, voor wien zij haar hart kon uitstorten.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+
+Tom sloop voort door straten en stegen, totdat hij uit het vaarwater
+der terugkeerende schooljeugd was, en gaf zich toen aan zijne sombere
+gemoedsstemming over. Hij stak een paar malen met een schuitje
+een smal strookje der rivier over, omdat er onder de jeugd eene
+overlevering bestond, dat het oversteken van water voor vervolging
+bewaart. Een half uur later was hij achter het huis van de weduwe
+Douglas, dat op Cardiff Hill stond, verdwenen, en het schoolgebouw
+was nauwelijks meer in de vallei achter hem te onderkennen. Hij trad
+een dicht woud binnen, kroop door struiken en ongebaande wegen voort,
+totdat hij het midden bereikt had, waar hij zich op een mosachtig
+plekje onder een breedgetakten eik nederzette. Er was geen zuchtje
+in de lucht; de drukkende middaghitte, scheen zelfs de zingende
+vogels tot rust gebracht te hebben. De natuur lag in een staat van
+bewusteloosheid, welke door geen geluid werd verbroken, dan bijwijlen
+door het verwijderd gehamer van den boomspecht en dit scheen de alles
+doordringende stilte nog stiller en de eenzaamheid nog eenzamer te
+maken. De ziel van Tom was erg bedroefd en zijne gevoelens waren
+in volkomen overeenstemming met het hem omringend tooneel. Met de
+ellebogen op de knieën gesteund en de handen onder de kin, bleef
+hij in gepeins verzonken zitten. De aarde scheen hem op zijn best
+een tranendal en hij benijdde bijna Jimmy Hodges, die daaruit was
+verlost. Het moest zoo vreedzaam wezen, dacht hij, on voor eeuwig in
+droomen verzonken onder de aarde te liggen, terwijl de wind door de
+boomen ruischt en het gras en de bloemen kuste, en er niets meer was
+om zich over te kwellen en te bedroeven. Indien hij slechts een goed
+getuigenis van de zondagsschool kon mede krijgen, zou hij volgaarne
+willen optrekken en met dit leven niets meer te maken hebben. En
+wat nu dit meisje betreft,--wat had hij gedaan? Niets. Hij had het
+goed met haar voorgehad en was als een hond behandeld, ja, als een
+hond. Eens zou het haar berouwen, wellicht wanneer het te laat was. O,
+indien hij slechts _tijdelijk_ mocht sterven.
+
+Doch het veerkrachtig gemoed der jeugd blijft niet lang in een
+kunstmatig opgeschroefden staat van droefheid en moedeloosheid. Weldra
+werd Tom onmerkbaar tot de bemoeiingen van dit leven teruggevoerd. Als
+hij de wereld eens den rug toekeerde en geheimzinnig verdween? Als
+hij eens heenging--ver,--ver weg, in onbekende landen over de zee--en
+nooit terugkwam? Hoe zou zij zich dan wel gevoelen? Het denkbeeld
+van clown te worden kwam hem ook weder voor den geest, doch alleen om
+hem met afschuw te vervullen. Want, was het zich moeten bezighouden
+met grappen en kluchten en met gouden sterretjes bezaaide tricots
+niet eene beleediging voor een geest, die omhooggestegen was naar
+het onbestemde, verheven rijk van het onbegrijpelijke. Neen, hij zou
+soldaat worden, en na jaren en jaren van krijg voeren, het strijden
+moe, met roem beladen wederkeeren. Neen, nog beter; hij zou zich bij
+de Indianen en buffeljagers voegen en het oorlogspad betreden in de
+bergen, in de onmetelijke, ongebaande vlakten van het verre Westen en
+later terugkeeren als een groot opperhoofd, getooid met schitterende
+vederen en afzichtelijk met verf besmeerd--en hij zou op een zomerschen
+sabbatmorgen met eene hooge borst de zondagsschool binnentreden en
+daar een krijgsgeschreeuw aanheffen, dat zijne makkers het bloed in de
+aderen deed stollen en hen doen verteren van jaloezie. Ook dat niet;
+er was iets nog grootscher dan dit. Hij zou zeeroover worden. Ja,
+dat was het! _Nu_ lag de toekomst duidelijk voor hem, schitterend van
+ondenkbare pracht. Zijn naam zou de aarde vervullen en de volkeren
+doen beven. Hoe roemrijk zou hij de woedende zeeën ploegen met zijn
+snelvarend, zwart gekleurd roofschip, "De Geest van den Storm," welks
+schrikaanjagende vlag grimmig van de voorplecht zou wapperen. En
+wanneer hij het toppunt van roem had bereikt, zou hij op eens in het
+oude stadje terugkomen en de kerk binnen stappen met een door storm en
+onweer gebruinde huid, in een zwartfluweelen wambuis en wijde broek,
+met hooge kaplaarzen, donkerroode sjerp en met zware pistolen gevulden
+gordel en een in misdaad geroesten hartsvanger aan de zijde. En zijn
+hoofd zou bedekt zijn met een diep in de oogen gedrukten hoed, met
+een wuivenden vederbos getooid, en in de hand zou hij dragen zijn
+ontplooide banier, die met een schedel en gekruiste doodsbeenderen
+beschilderd zou zijn, en met namelooze verrukking zouden zijne ooren
+het gefluister vernemen:
+
+"Dit is Tom Sawyer, de zeeroover, de schrik der Spaansche zee!"
+
+Ja, zijn plan stond vast, zijn loopbaan was aangewezen. Hij zou van
+huis wegloopen en zoo spoedig mogelijk zijn nieuw beroep ter hand
+nemen, hij zou morgen vertrekken en daarom oogenblikkelijk met het
+maken van de noodige toebereidselen aanvangen en zijne bezittingen
+bijeenverzamelen.
+
+Te dien einde liep hij naar een verrotte houtmijt, welke in de
+nabijheid stond en begon die met zijn mes aan de eene zijde te
+ondergraven. Spoedig stootte hij op een stuk hout dat hol klonk, legde
+zijn hand daarop en sprak met nadruk het volgende tooverformulier uit:
+
+"Wat nog niet hier is, kome! Wat hier is blijve!" Toen schraapte hij
+de aarde weg en er kwam een steen voor den dag. Deze werd weggenomen
+en daar vertoonde zich een keurig schatkamertje, welks bodem en
+zijwanden van opeengehoopte steentjes gemaakt waren en waarin een
+knikker lag. Verbaasd staarde Tom den knikker aan. Hij krabde het
+hoofd en zeide:
+
+"Wel, is het mogelijk!"
+
+Toen duwde hij den knikker gemelijk weg en bleef in gedachten
+verzonken staan.--Wat was er gebeurd? De zaak was deze: Tom bemerkte,
+dat hij zich in iets, hetgeen hij en zijne makkers steeds als eene
+onfeilbare zekerheid hadden beschouwd, bedrogen had. Hij geloofde
+dat, wanneer een knikker met de noodige bezweringen werd begraven
+en dan een dag of veertien rustig in den schoot der aarde gelaten
+en daarna met de tooverwoorden die hij juist had uitgesproken, weer
+opgegraven werd, men al de knikkers, die men ooit verloren had, daar
+in dien tusschentijd bijeengekomen zou vinden, hoe wijd zij ook over
+de wereld verspreid mochten zijn. Tom's vertrouwen in dit bijgeloof
+was tot op zijn fondamenten geschokt. Hij had menigmaal gehoord,
+dat deze proef gelukt, maar nooit dat zij mislukt was.
+
+Het kwam niet in hem op, dat hij het verscheidene malen te voren
+beproefd had, maar dat hij de plaats, waar hij de knikkers had
+verborgen, nooit had kunnen vinden. Hij dacht zich half suf over de
+zaak en kwam eindelijk tot het besluit, dat er een heks tusschenbeide
+was gekomen, die de betoovering verbroken had. Toch wilde hij zich op
+dit punt overtuigen en zocht, totdat hij een klein zanderig plekje
+met een trechtervormig indruksel gevonden had. Hij legde zich naast
+dat plekje op den grond, met den mond vlak op het indruksel en riep:
+
+"Kevertje, kevertje, zeg mij wat ik weten moet!
+
+"Kevertje, kevertje, zeg mij wat ik weten moet!"
+
+Het zand begon te werken en voor een oogenblik kwam er een zwart
+kevertje voor den dag, dat echter spoedig doodelijk verschrikt
+wegholde.
+
+"Hij zegt niets! Dus was het een toovenaar, die het gedaan heeft. Ik
+dacht het wel."
+
+Tom wist wel hoe weinig het baatte tegen heksen te strijden en gaf
+het plan ontmoedigd op. Doch daar schoot hem in de gedachten, dat
+hij den knikker, dien hij juist had weggeworpen, toch wel gaarne
+terug zou hebben, en ging hem dus geduldig zoeken. Helaas! hij kon
+hem niet meer vinden. Toen keerde hij naar zijn schatkamer terug en
+zette zich behoedzaam neder in dezelfde houding, als toen hij den
+knikker had weggeduwd. Daarop nam hij een anderen knikker uit den zak,
+slingerde dien eveneens weg en riep:
+
+"Broeder, ga uw broeder halen!"
+
+Hij zag waar de knikker zou stilhouden en ging derwaarts om hem na
+te kijken. Doch het speeltuig was niet ver genoeg of te ver gerold;
+dus wendde hij een tweede poging aan. Deze laatste werd met een goeden
+uitslag bekroond, want de beide knikkers lagen omtrent een duim van
+elkaar af.
+
+Juist op dat oogenblik verhief zich door het groene gewelf des wouds
+het geschal van een tinnen trompet. In een oogenblik had Tom buis
+en broek uitgetrokken, van zijne bretels een gordel gemaakt, eenige
+takken achter de mijt bijeen vergaard, een ruwen pijl, een boog, een
+houten zwaard en een trompet voor den dag gehaald en was, met deze
+zaken beladen, blootbeens en in een fladderend hemd weggeijld. Onder
+een grooten olmboom hield hij stil, beantwoordde het trompetgeschal
+en begon op zijne teenen loopende, omzichtig in alle richtingen rond
+te kijken. Toen riep hij zacht tot een denkbeeldigen makker:
+
+"Halt, grappenmaker! Houd u schuil, tot ik blaas."
+
+Daar verscheen Joe Harper, even luchtig gekleed en zwaar gewapend
+als Tom. Deze riep:
+
+"Halt! Wie komt hier in de wouden van Sherwood zonder vrijgeleide?"
+
+"Guy van Guisborne heeft niemands vrijgeleide noodig. Wie zijt gij,
+dat ...?"
+
+"Dat gij dus durft spreken," vulde Tom aan, want de knapen waren
+bezig eene plaats uit een boek op te zeggen.
+
+"Wie zijt gij, dat ge dus durft spreken?"
+
+"Ik? Wel, ik ben Robin Hood, zooals uw schavuitengeraamte spoedig
+zal bemerken."
+
+"Dan zijt gij waarlijk de beruchte bandiet! Zeer aangenaam zal het
+mij zijn met u over den vrijen doortocht door deze wouden te twisten."
+
+"Pas op!"
+
+Zij trokken hunne houten zwaarden, wierpen hunne andere wapenen op
+den grond en begonnen een ernstig en bedaard tweegevecht.
+
+"Kom," zeide Tom, "als gij goed slaags zijt geraakt, zet het dan met
+kracht door."
+
+En zij zetten het met kracht door, totdat zij hijgden en zweetten
+van inspanning. Eindelijk zeide Tom:
+
+"Val! val! Waarom val je niet?"
+
+"Ik doe het niet. Waarom val je zelf niet? Je bent er het ergste
+aan toe."
+
+"Wel, dat behoort zoo niet. _Ik_ kan niet vallen. Dat staat niet in
+het boek. Het boek zegt:
+
+"'Toen viel hij Guy van Guisborne van achteren aan en sloeg hem
+neder.' Nu moet gij u omkeeren en mij u in den rug laten treffen."
+
+Tegen dit gezag viel niet te twisten en Joe keerde zich om, ontving
+den slag en viel.
+
+"Nu," zeide hij, toen hij weder opstond, "Nu moet gij mij u laten
+doodmaken; dat is eerlijk."
+
+"Wel, dat kan ik niet doen. Dat staat niet in het boek."
+
+"Zoo, dat is gemeen."
+
+"Hoor eens, Joe, je moogt Tuck de monnik of Muck de zoon van den
+molenaar zijn en mij met een knuppel afrossen, of ik zal de Sherif
+van Nottingham zijn en jij Robin Hood, dan zul je mij doodmaken."
+
+Dit werd goedgekeurd en deze tafereelen uit het boek werden
+vertoond. Toen werd Tom weder Robin Hood en de verraderlijke non
+liet hem doodbloeden door zijne wond te verwaarloozen. Joe, die
+een geheele bende roovers voorstelde, trok hem onder het aanheffen
+van klaagliederen voort, legde hem zijn boog in de zwakke handen en
+Tom zeide:
+
+"Waar deze pijl zal vallen, begraaf daar den armen Robin Hood
+onder den groenen boom." Toen werd de pijl afgeschoten en Robin
+Hood viel op den rug en zou gestorven zijn, indien hij niet op een
+brandnetel terechtgekomen en voor een lijk wat al te vlug opgesprongen
+was. Daarop kleedden de knapen zich weder aan, borgen hunne zonderlinge
+wapenrusting weder op en gingen naar huis, vol spijt dat zij geene
+wezenlijke roovers waren, terwijl zij zich verbaasd afvraagden, in
+welk opzicht toch de moderne beschaving het verlies van de roovers
+vergoedde. Het eindresultaat was, dat zij verklaarden liever een jaar
+lang bandieten in de wouden van Sherwood, dan voor altijd President
+van de Vereenigde Staten te willen zijn.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX.
+
+
+Tom en Sid werden dien avond als gewoonlijk on halftien naar bed
+gezonden. Ze zeiden hun avondgebed op en Sid was spoedig in een zoeten
+slaap verzonken. Tom lag met koortsachtig ongeduld het middernachtelijk
+uur af te wachten. Toen hij dacht, dat de dag wel haast aan den hemel
+moest zijn, hoorde hij het tien uren slaan. Dat was wanhopig. Hij was
+zoo zenuwachtig, dat ware hij niet bang geweest Sid wakker te maken,
+hij grooten lust gehad zou hebben met de voeten te gaan stampen. Doch
+hij bleef rustig liggen en staarde in de duisternis. Eerst was
+het akelig stil. Toen scheen het, dat de angstige stilte door nauw
+merkbare geluiden afgebroken werd. De klok begon door haar getik
+zijn aandacht te trekken. Het oude kabinet ging geheimzinnig aan 't
+kraken. Ook de trappen lieten een flauw gekrikkrak hooren. Blijkbaar
+waarden er geesten rond. Uit tante Polly's kamer werd een geregeld,
+half onderdrukt gesnork vernomen. En nu begon het eentonig gepiep van
+den krekel, dien geen menschelijk vernuft kan doen verstommen. Bij dit
+alles kwam nog het spookachtig getik van een houtworm in het beschot
+bij het hoofdeinde van Toms bed, dat hem deed sidderen. Immers, het
+beteekende dat iemands dagen waren geteld. En dan nog werd door den
+adem van de nachtkoelte het geluid voortgedragen van een verwijderden
+hond, dat uit de verte door een nog droeviger gejank beantwoord
+werd. Tom stierf duizend dooden. Eindelijk scheen het alsof de tijd
+niet meer was en de eeuwigheid een aanvang had genomen. Ondanks
+zichzelven begon hij in te sluimeren; de klok sloeg elf uren, maar
+hij hoorde het niet. Op eens vermengde zich onder zijne verwarde
+droomen een doodsomber kattengekrol, dat door het openschuiven
+van des buurmans raam verstoord werd. Een geschreeuw van: "Voort,
+duivelsche kat!" en het rinkelen van een leege flesch, die tegen den
+muur van tantes houtschuur geslingerd werd, maakte hem klaar wakker,
+en in een oogwenk was hij gekleed en uit het raam en kroop op handen
+en voeten langs het dak. Voorzichtig miauwde hij nog een paar malen,
+sprong toen op het dak van de schuur en van daar op den grond. Daar
+stond Huckleberry Finn met zijne doode kat. De jongens maakten zich
+weg en verdwenen in de duisternis. Een half uur later doorwaadden
+zij het lange gras van het kerkhof.
+
+De doodouderwetsche godsakker lag op een heuvel, omtrent anderhalve
+mijl van het stadje verwijderd. Hij was omrasterd door een vervallen
+houten hek, dat op sommige plaatsen binnenwaarts, op andere
+buitenwaarts leunde, maar nergens rechtop stond. Onkruid en gras
+groeiden er in milden overvloed. Al de grafplaatsen waren verzakt;
+geen enkele zerk was er te zien; ronde wormstekige naamborden waggelden
+over de graven, alsof zij naar een steun zochten, dien zij nergens
+vonden. Eens had er op gestaan: "Ter gedachtenis van die of die,"
+maar die woorden waren thans bij de meeste, zelfs op klaarlichten
+dag, onleesbaar.
+
+De wind ruischte zachtjes door de boomtoppen en Tom meende in dat
+geluid de geesten der afgestorvenen te hooren, die zich beklaagden, dat
+zij in hun rust gestoord werden. De jongens spraken weinig en alleen
+op fluisterenden toon, want de tijd, de plaats en de aangrijpende
+plechtigheid en stilte joegen hen vrees aan. Zij vonden het versch
+gedolven graf, dat zij zochten, onder drie groote olmboomen, die op
+een paar voet afstands van die plek een klein boschje vormden.
+
+Daar bleven zij een (naar het hun scheen) ontzettend langen tijd
+wachten. Het zuchten van den nachtuil was het eenige geluid, wat de
+doodelijke stilte verbrak. Duizenden akelige gedachten hoopten zich
+in Toms brein opeen, waar hij ten laatste lucht moest geven.
+
+"Hucky," zeide hij angstig, "denk je, dat de doode menschen het
+prettig vinden, dat wij hier zijn?"
+
+Huckleberry fluisterde:
+
+"Ik wou, dat ik het wist. 't Is akelig stil, vind je niet?"
+
+"Ja."
+
+Er volgde een lange pauze, gedurende welke zij dit onderwerp in hun
+binnenste bepeinsden.
+
+Eindelijk zei Tom nauw hoorbaar:
+
+"Denk je, Huck, dat Hoss Williams ons hoort praten?"
+
+"Natuurlijk,--ten minste zijn geest."
+
+Na eene pauze zeide Tom weer:
+
+"Ik wou, dat ik gezeid had, mijnheer Williams; maar ik bedoelde geen
+kwaad. Iedereen noemt hem Hoss."
+
+"Een mensch kan anders niet te beleefd zijn, als hij over doode
+menschen spreekt, Tom."
+
+Dit antwoord was niet opwekkend en het gesprek begon weder te
+kwijnen. Op eens greep Tom zijn kameraad bij den arm en zeide:
+
+"St!"
+
+"Wat is er, Tom?" En de twee klemden zich met kloppende harten aan
+elkaar vast.
+
+"St! Daar is het weer. Hoor je het niet?"
+
+"Wat?"
+
+"Daar,--hoor je het nu?"
+
+"O hemel, Tom, daar komen zij. Wat zullen wij doen!"
+
+"Dat weet ik niet. Denk je, dat ze ons zullen zien?"
+
+"O, Tom, zij zien in het donker als katten. Ik wou, dat ik nooit
+gekomen was."
+
+"O, wees niet bang; ik geloof niet, dat ze ons zullen plagen. Wij
+doen geen kwaad. Als wij ons doodstil houden, zullen ze misschien
+niet op ons letten."
+
+"Ik zal mijn best doen, Tom; maar o hemel, ik beef als een riet!"
+
+"Luister!"
+
+De jongens hielden hunne hoofden bij elkaar en haalden ternauwernood
+adem. Een bedekt geluid van stemmen werd van het andere eind van het
+kerkhof vernomen.
+
+"Kijk, kijk! daar!" fluisterde Tom. "Wat is dat?"
+
+"Het is duivelsvuur, Tom! Het is vreeselijk!"
+
+Door de duisternis heen werden nu eenige figuren zichtbaar, die
+een ouderwetsche lantaarn been en weer bewogen, welke den grond met
+ontelbare lichtspranken bezaaide.
+
+Sidderend fluisterde Huckleberry:
+
+"Het zijn de duivels, dat is zeker. Drie! O God. Tom! het is met ons
+gedaan. Kun je bidden?"
+
+"Ik zal het probeeren; wees maar niet bang. Zij zullen ons geen kwaad
+doen. Ik ga plat op den grond liggen slapen. Ik ..."
+
+"Ik ..."
+
+"Wat is er, Huck."
+
+"Het zijn duivels in menschengedaante! Een van hen ten minste heeft
+de stem van Muff Potter!"
+
+"'t Is toch niet waar?"
+
+"Wedden van wel. Blijf zoo stil als een muis liggen. Beweeg je
+niet. Hij ziet niet scherp genoeg on ons te ontdekken. Zeker dronken,
+zooals gewoonlijk,--dat gemeene oude vloekbeest!"
+
+"Goed, ik zal mij niet bewegen. Nu houden zij stil. Zij kunnen het
+niet vinden. Daar komen ze weer. Nu zijn ze warm. Nu weer koud. Alweer
+warm. Zij branden zich. En nu gaan ze er recht op af. Zeg eens, Huck,
+ik herken nog een stem. 't Is Injun Joe."
+
+"Ja, ja, dat is zoo. Die fielterige kleurling! Ik houd het er voor,
+dat de duivels bang voor hem zijn."
+
+Het gefluister hield op; de drie mannen hadden het graf bereikt en
+stonden op een paar voet afstands van de schuilplaats der jongens.
+
+"Hier is het," zeide de derde stem, en de persoon, aan wien deze
+toebehoorde, hield de lantaarn op en liet het gelaat van den jongen
+dokter Robinson zien.
+
+Potter en Injun Joe droegen een burrie, waarop een touw en een paar
+schoppen lagen. Ze legden hun last neder en begonnen het graf open
+te maken. De dokter plaatste de lantaarn aan 't boveneind van de kuil
+en zette zich met den rug tegen een der olmboomen. Hij was zoo dicht
+bij de jongens, dat hij hen had kunnen aanraken.
+
+"Maak haast, mannen!" zeide hij met gedempte stem. "De maan kan elk
+oogenblik opkomen."
+
+De gravers bromden ten antwoord iets tusschen de tanden en gingen
+met delven voort. Een tijdlang werd er geen ander geluid gehoord
+dan het eentonig gekras der spaden, die hare vracht zand en aarde
+opwierpen. Eindelijk stootte een der schoppen met een doffen hollen
+klank op de doodkist en een minuut daarna hadden de mannen haar uit
+den kuil geheschen en op den grond gezet. Zij lichtten er met hun
+spaden het deksel af, namen het lijk er uit en wierpen dat met ruwe
+hand op den grond. Juist kwam de maan tusschen de wolken te voorschijn
+en wierp haar schijnsel op het loodkleurig gelaat. De draagbaar werd
+gereedgemaakt, het lijk er op gelegd, met een deken overdekt en met
+het touw vastgebonden. Potter haalde een groot snoeimes voor den dag
+en sneed het er bij hangend eind touw af, zeggende:
+
+"Ziezoo, het vervloekte werk is gedaan, mijnheer de viller! En nu
+dadelijk vijf dollars, of het lijk blijft hier."
+
+"Dat zeg ik ook!" zeide Injun Joe.
+
+"Wat beteekent dit?" zeide de dokter. "Je hebt gedwongen, dat ik
+jelui vooruit zou betalen, en ik heb je betaald."
+
+"Ja, en je hebt meer gedaan dan dat," zeide Injun Joe, en ging vlak
+voor den dokter staan, die opgerezen was. "Vijf jaar geleden heb je
+me op een avond uit je vaders keuken weggejaagd, toen ik om een stuk
+brood kwam vragen, en zei je dat ik nergens voor deugde. En ik zwoer,
+dat ik het je betaald zou zetten, al was het over honderd jaar; en toen
+liet je vader me als een bedelaar in de gevangenis stoppen. Denk je dat
+ik dat vergeten ben. Het bloed der Injuns stroomt me niet voor niets
+door de aderen. Nu heb ik je, en nu zullen we eens afrekenen, hoor je."
+
+Hij balde de vuist en hield die dreigend den dokter voor het
+gezicht. Maar deze pakte op eens den booswicht bij den kraag en wierp
+hem op den grond, Potter hief zijn mes op en zeide:
+
+"Je zult mijn kameraad niet slaan!"
+
+In een oogenblik was hij met den dokter handgemeen en de twee mannen
+vochten met kracht en geweld, terwijl zij het gras vertrapten en
+den grond met hunne hielen openscheurden. Injun Joe sprong op met
+vlammende oogen, greep Potters mes en kroop als een kat, loerende op
+haar prooi, om de strijdenden heen. Opeens rukte de dokter zich los,
+vatte een der zware planken van Williams graf en velde er Potter
+mede ter aarde. Toen nam de kleurling zijne kans waar en dreef den
+jongen man het mes tot aan het heft in de borst. Deze waggelde, viel
+op Potter neder en overstroomde dien met zijn bloed. Te gelijker tijd
+onttrok een wolkenfloers dit vreeselijk tooneel aan 't gezicht en de
+jongens ijlden in de duisternis weg.
+
+Toen de maan weer voor den dag kwam, stond Injun Joe over de twee
+gestalten heengebogen en aanschouwde die aandachtig. De dokter mompelde
+eenige onsamenhangende woorden, gaf een paar snikken en bleef toen
+roerloos liggen."
+
+"Die schuld is, Godv..., vereffend!" riep de kleurling uit. Vervolgens
+plunderde hij het lijk, stak het noodlottige mes in Potters
+open rechterhand en zette zich toen op de ledige doodkist
+neder. Drie--vier--vijf minuten gingen voorbij en Potter begon
+zich te bewegen en te kreunen. Hij klemde het mes, dat hij in de
+hand had, vast, hief het in de hoogte, keek er naar en liet het vol
+huivering vallen. Toen richtte hij zich op, wierp het lijk van zich
+af, en staarde het met verglaasde oogen aan en keek verward in het
+rond. Zijne oogen ontmoetten die van Joe.
+
+"God, wat is dit Joe?" zeide hij.
+
+"Het is een gemeene geschiedenis," zeide Joe, met een kalm
+gelaat. "Waarom heb je het gedaan?"
+
+"Ik?--Ik heb het niet gedaan."
+
+"Kijk eens om je heen! Dat laat zich niet loochenen."
+
+Potter beefde en werd doodsbleek.
+
+"Ik dacht dat ik nuchteren geworden was. Ik had van nacht niet moeten
+drinken, maar ik voel het nog in mijn hoofd,--nog erger dan toen wij
+hierheen gingen. Ik ben heelemaal in de war, ik kan mij er nauwlijks
+iets van herinneren. Zeg eens eerlijk, Joe, oude jongen, heb ik het
+gedaan? Het was mijne bedoeling niet. Zeg eens, hoe ik het gedaan heb,
+Joe!--O 't is ontzettend, zoo'n jonge beste man!"
+
+"Wel, jelui vocht samen en hij sloeg je met een plank en je viel
+plat op den grond en toen stond je waggelend op en greep het mes,
+en toen hij je nog een slag wou geven, stak je het hem door 't lijf,
+en daar heb jelui tot nou toe, zoo dood als pieren, gelegen."
+
+"O, ik wist niet wat ik deed. Ik wil op dezen oogenblik sterven, als ik
+het wist. Het is alles de schuld van de jenever en de opgewondenheid,
+geloof ik. Ik heb nog nooit in mijn leven een wapen gebruikt,
+Joe. Gevochten heb ik wel, maar nooit met wapenen, dat zal iedereen
+moeten zeggen. Joe, vertel het aan niemand. Beloof je me, dat je het
+nooit vertellen zult, Joe? Ik ben altijd voor je in de bres gesprongen,
+dat weet je. Zul je het nooit zeggen, Joe?" En de arme man viel voor
+den verstokten moordenaar op de knieën en wrong smeekend de handen.
+
+"Neen, je hebt altijd als een eerlijk man met mij gehandeld, Muff
+Potter, en ik zal je met gelijke munt betalen. Me dunkt, mooier kan
+ik het niet zeggen."
+
+"O, Joe, je bent een engel. Ik zal er je voor zegenen, zoolang ik
+leef." En Potter begon te schreien.
+
+"Kom, schei maar uit," zei Joe, "'t Is nouw geen tijd om te janken. Ga
+jij dezen kant uit, dan zal ik den anderen weg gaan. Voort nu en laat
+geen spoor van je achter!"
+
+Potter liep weg op een draf, die weldra in een hollenden pas
+overging. De kleurling stond hem na te kijken en mompelde:
+
+"Als hij maar zoo duizelig van den val en zoo dronken van den
+brandewijn is, als hij er uitziet, zal hij niet aan het mes denken,
+totdat hij te ver weg en te bang is on naar eene plaats als deze
+alleen terug te keeren. Dat kuiken!"
+
+Een paar minuten later was de maan de eenige, die het in de deken
+gewikkelde lijk, de deksellooze doodkist en het open graf aanschouwde,
+en heerschte er weder eene volmaakte stilte op het kerkhof.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X.
+
+
+De beide knapen ijlden sprakeloos van ontzetting den weg op naar
+de stad. Van tijd tot tijd zagen zij angstig om, als vreesden zij
+achtervolgd te worden. In elken boomtronk, die zich op den weg
+verhief, meenden zij een vijand te zien, en dat deed hun den adem
+inhouden, en telkens wanneer zij een eenzame nabij de stad gelegen
+hut voorbijrenden, scheen het geblaf der opgeschrikte kettinghonden
+hunne voeten vleugelen aan te binden.
+
+"Als wij het maar tot de oude looierij kunnen brengen, voordat wij het
+afleggen," fluisterde Tom, en hijgde bij ieder woord naar adem. "Ik
+kan het niet langer uithouden!" Huckleberry antwoordde met een
+zwaren zucht en de knapen vestigden hun oogen op het doelwit hunner
+hoop en spanden alle krachten in on dat te bereiken. Zij naderden
+het hoe langer hoe meer, stormden eindelijk hals over hoofd de
+openstaande deur binnen en vielen dankbaar en uitgeput in de donkere
+schuilplaats neer. Langzamerhand bedaarde het kloppen van hun hart
+en Tom fluisterde: "Huckleberry, wat denk jij, dat er op staat?"
+
+"Als dokter Robinson sterft, loopt het op hangen uit."
+
+"Denk je dat wezenlijk."
+
+"Wel, ik weet het zeker, Tom."
+
+Tom dacht een oogenblik na en zeide:
+
+"Wie zal het vertellen? Wij?"
+
+"Wat verzin je nou! Verbeeld je, dat er eens iets gebeurde waardoor
+Injun Joe niet opgehangen werd, dan zou hij ons immers op een goeden
+dag vermoorden."
+
+"Dat lag ik juist te bedenken, Huck."
+
+"Als iemand het zeggen moet, laat Muff Potter het dan doen indien
+hij er althans niet te gek of te dronken toe is."
+
+Tom antwoordde niets--en ging voort met denken. Eindelijk zei hij
+zachtjes:
+
+"Huck, Muff Potter weet het niet. Hoe kan hij het vertellen?"
+
+"Waarom weet hij het niet?"
+
+"Omdat hij juist die plank op zijn kop heeft gekregen, toen Injun
+Joe het deed. Denk jij, dat hij iets kan gezien hebben? Denk jij,
+dat hij iets weet?"
+
+"Bij mijne zolen, dat is waar ook, Tom."
+
+"En bovendien, wie weet of die plank hem niet gedood heeft!"
+
+"Neen, dat geloof ik niet, Tom. Hij was dronken, dat kon ik wel
+zien; dronken, net als altijd. Wel, als Pop zat is, kun je wel een
+kerk op zijn hoofd laten invallen, zonder dat 't hem deert. Dat zeit
+hij zelf. Zoo is het natuurlijk precies met Muff Potter. Als de man
+doodnuchteren geweest was, zou de plank hem wel gemold hebben, maar
+nu niet."
+
+Na een oogenblik peinzend zeide Tom:
+
+"Hucky, weet je zeker, dat je je mond kunt houden?"
+
+"Tom, wij _moeten_ den mond houden. Die duivel van een Injun zou er
+geen been in zien ons als katten te verdrinken, als we van den moord
+repten en hij niet gehangen werd. Hoor eens hier, Tom, laat ons elkaar
+met een eed beloven, dat wij geen woord zullen spreken."
+
+"Dat is goed, Huck; dat zal 't beste zijn. Zullen wij onze handen
+opsteken en zweren, dat we...?"
+
+"O, neen, dat is niet voldoende voor zoo iets als dit. Dat is goed
+voor wissewasjes, vooral onder jongens, die den boel verklappen
+zoodra ze nijdig worden; maar bij zoo'n groot ding als dit behoort
+schrift en--bloed!"
+
+Tom juichte dit denkbeeld van ganscher harte toe. Er was iets
+geheimzinnigs en ijzingswekkends in: het nachtelijk uur, de duisternis,
+de omgeving, alles was er mede in overeenstemming. Hij raapte een
+witten, in de maneschijn liggenden tegel op, haalde een stukje rood
+krijt uit zijn zak en krabbelde, bij het licht van de maneschijn,
+met moeite de volgende woorden op den tegel:
+
+
+ "Hugh Finn en
+ Tom Sawyer zweren,
+ dat zij zullen zwijgen over
+ deze zaak, en verklaren, dat zij
+ liever op de plaats zelve zullen
+ doodvallen dan ooit de waarheid
+ te verklappen."
+
+
+Huckleberry was verbaasd over de gemakkelijkheid waarmede Tom schreef
+en over de prachtige woorden. Hij nam dadelijk een speld uit zijn
+lompen en wilde zich in den vinger prikken, toen Tom zeide:
+
+"Houd op, doe dat niet! De speld is van koper; er mocht eens kopergroen
+aan zijn."
+
+"Wat is kopergroen?"
+
+"Dat is vergif, en als je dat eens insliktet ... Begrijp jij?"
+
+Daarop nam Tom het garen uit een van zijn naalden, en de jongens
+prikten zich in den duim en drukten er een droppel bloed uit.
+
+Na lang persen gelukte het Tom de voorletters van zijn naam met bloed
+op den tegel te teekenen, en gebruikte daarbij zijn pink als pen. Toen
+wees hij Huckleberry, hoe hij een H en een F moest maken, en hiermede
+waren de formaliteiten der eedsaflegging voltooid. Zij begroeven den
+tegel vlak bij den muur, met de noodige griezelige plechtigheden en
+onder het spreken van tooverformulieren en beschouwden van nu aan
+hun geheim als heilig en onschendbaar.
+
+Onderwijl was, zonder dat de knapen het bemerkt hadden eene gedaante
+door eene opening aan de andere zijde van het vervallen gebouw naar
+binnen geslopen.
+
+"Tom," fluisterde Huckleberry, "mogen wij het nu nooit verklappen?"
+
+"Neen, natuurlijk niet. Wat er ook gebeure, wij mogen, er geen woord
+van spreken, want als wij dat deden, zouden wij dood op den grond
+vallen,--begrijp je?"
+
+"Ja, dat begrijp ik?"
+
+Zij bleven nog eenige minuten staan fluisteren, toen buiten,
+omstreeks tien stappen van de plek waar zij stonden, een hond zijn
+lang, somber gejank aanhief. De knapen klemden zich doodelijk ontsteld
+aan elkander vast.
+
+"Wie van ons beiden zou er om koud zijn?" bracht Huckleberry, naar
+adem snakkende, uit.
+
+"Ik weet het niet. Kijk maar eens door deze scheur in den muur."
+
+"Neen, doe jij het zelf, Tom."
+
+"Ik, ik kan het niet doen, Huck."
+
+"Och, als je blieft, Tom. Daar begint het weer."
+
+"O Hemeltje, wat ben ik blij," fluisterde Tom. "Ik ken zijn stem:
+het is Harbisons hond."
+
+"O, dat is gelukkig!--Zal ik je eens wat zeggen, Tom? ik was zoo bang,
+dat het een verdwaalde hond zou zijn."
+
+De hond begon weder te huilen en weer ontzonk den jongens de moed.
+
+"O wee! Het is Harbisons hond niet," fluisterde Huckleberry; "kijk
+nog eens Tom."
+
+Bevende van schrik bracht Tom zijn oog nogmaals voor de
+opening. Nauwlijks verstaanbaar fluisterde hij:
+
+"O Huck! Het is een _verdwaalde hond_!"
+
+"Gauw, Tom, gauw! Wien van ons bedoelt hij?"
+
+"Huck, ik denk ons allebei."
+
+"O, Tom, het is met ons gedaan. Waar ik naar toe zal gaan, is niet
+twijfelachtig. Ik ben altijd zoo slecht geweest."
+
+"Ik ook.--Dat komt van het uit school blijven en van het ongehoorzaam
+zijn. Als ik gewild had, zou ik wel even goed hebben kunnen zijn als
+Sid,--maar, neen, dat zou ik toch niet, natuurlijk niet. Breng ik
+het er nu dezen keer goed af, dan zal ik mijn best doen om voortaan
+op de zondagsschool op te passen." En Tom begon aanstalten te maken
+tot schreien.
+
+"Jij slecht?" en Huckleberry begon ook te schreien. "Bewaar me, Tom
+Sawyer, als jij niet een brave jongen bent geweest in vergelijking
+van mij. O hemeltje, hemeltje, hemeltje! Ik wou, dat ik de helft van
+jou kansen had!"
+
+Tom viel hem in de rede en fluisterde:
+
+"Kijk eens, Huck, kijk eens! Hij staat met zijn rug naar ons toe."
+
+Huckleberry keek verheugd door de opening.
+
+"Sapperloot, het is waar. Heeft hij altijd zoo gestaan?"
+
+"Ja; maar ik ben zoo gek geweest het niet te zien. Nu wie zou hij
+thans op het oog hebben?"
+
+Het gehuil hield op. Tom splitste de ooren.
+
+"Hè! wat is dat?" fluisterde hij.
+
+"Een geluid als--als het knorren van een varken. Neen, toch niet;
+er ligt iemand te snorken, Tom."
+
+"Ja, dat is het.--Waar komt het vandaan, Huck?"
+
+"Ik geloof van gindschen kant. Zoo klinkt het ten minste. Pop slaapt
+hier wel eens met de varkens, maar zijn gesnork is een heel ander
+geblaas. Buitendien geloof ik, dat hij niet meer in de stad durft
+komen."
+
+De lust tot het zoeken van avonturen ontwaakte weder in het hart
+der knapen.
+
+"Hucky, durf jij er langs loopen, als ik vooruit ga?"
+
+"Ik heb er niet veel lust in, Tom. Vooronderstel eens, dat het Injun
+Joe was!"
+
+Tom stond een oogenblik in tweestrijd, doch de verzoeking werd te sterk
+en de jongens besloten het te doen met dien verstande, dat zij hunne
+biezen zouden pakken, als het snorken ophield. Zoo slopen zij op de
+teenen, achter elkander, naar het andere einde van het gebouw. Toen
+zij zoo wat een pas of vijf van den snorker af waren, trapte Tom op
+een stok en brak dien met een harden krak. De man steunde, keerde
+zich om, en zijn gelaat werd in den maneschijn zichtbaar.
+
+Het was Muff Potter.
+
+De knapen waren als versteend blijven staan, toen de man zich bewoog,
+maar hunne vrees was nu geweken. Zij slopen naar buiten, langs
+de vermolmde schutting en hielden daar stil on elkaar "goedendag"
+te zeggen.
+
+Daar klonk weder het somber gehuil door de nachtlucht. De knapen
+keken om en zagen den vreemden hond staan, vlak bij de plek waar
+Potter lag, en het dier hield zijn hemelwaarts gekeerden kop naar
+den dronkaard gericht.
+
+"O, jéminé, het geldt _hem_!" riepen de knapen in éénen adem uit.
+
+"Hoor eens, Tom; zij zeggen, dat een dag of veertien geleden een hond
+huilende tegen middernacht langs John Millers huis geloopen heeft,
+en dat toen een Wipperwil [1] op zijn dak is gaan zitten zingen;
+en toch is daar niemand gestorven."
+
+"Dat weet ik wel. Maar is Grace Miller niet verleden Zaterdag in
+de keuken op het vuur gevallen en heeft zij zich niet schrikkelijk
+gebrand?"
+
+"Ja, maar zij is niet dood. En wat sterker is, zij wordt beter."
+
+"'t Kan wel wezen, doch wacht maar; zij is er zoo zeker om koud als
+Muff Potter. Dat zeggen de negers althans en die weten al die soort
+van dingen."
+
+Daarop namen zij peinzend afscheid van elkander.
+
+Toen Tom het raam van zijne slaapkamer insprong, had de dag omtrent
+voor den nacht plaats gemaakt. Hij kleedde zich behoedzaam uit en viel
+in slaap, zich gelukwenschend dat niemand iets van zijn uitstapje
+bemerkt had. Maar hij wist niet, dat de zacht snorkende Sid al een
+uur wakker had gelegen.
+
+Toen Tom ontwaakte, was Sid al verdwenen. De zon zag er uit alsof zij
+reeds lang geschenen had en ook de atmosfeer gaf den indruk dat het
+al laat was. Verschrikt sprong hij het bed uit. Waarom was hij niet
+geroepen,--hij, die anders altijd uit zijn bed getrokken werd? Dat
+was een slecht voorteeken. Binnen vijf minuten was hij gekleed en
+stapte hij met een loom en slaperig gevoel de trap af. De familie
+zat nog rondom de tafel, maar had het ontbijt gebruikt. Er was geene
+bestraffende stem, doch er waren oogen, die zich afwendden, en er
+was iets stils en plechtigs, dat den schuldigen eene rilling door
+de leden joeg. Hij ging zitten en trachtte vroolijk te kijken doch
+dat was echter zwaar werk, want zijn glimlach werd niet beantwoord,
+zoodat hij eindelijk diep verslagen de oogen op den grond sloeg. Na het
+ontbijt nam tante hem onder vier oogen en de hoop dat hij slaag zou
+krijgen maakte Tom bijkans vroolijk; doch niets van dat alles. Zijne
+tante begon te schreien en vroeg hem, hoe het mogelijk was dat hij
+er behagen in schepte, haar oud hart te breken, en eindigde met hem
+te zeggen, dat hij maar voort moest gaan met zichzelven ongelukkig
+te maken en hare grijze haren met kommer ten grave te doen dalen,
+want dat zij het met hem opgaf. Dat was erger dan duizend zweepslagen
+en Tom voelde iets in zijn hart, dat zwaarder te dragen was dan
+lichamelijk lijden. Hij schreide, smeekte om vergiffenis, beloofde
+herhaalde malen beterschap en werd toen weggezonden met het gevoel,
+dat hij slechts ten halve vergeven en ten halve vertrouwd werd.
+
+Hij verliet de kamer in een staat te ellendig zelfs om wraak jegens
+Sid te koesteren, zoodat de laatste zich onnoodig achter de tuindeur
+ging verschuilen. Neerslachtig en zwaarmoedig drentelde hij naar
+school en onderging de hem en Joe Harper wegens hun schoolverzuim
+van den vorigen dag toebedeelde klappen, met het uiterlijk van
+iemand, wiens hart onder veel zwaarder leed gebukt gaat en die
+aan zulke beuzelingen afgestorven is. Vervolgens zette hij zich op
+zijne plaats neder, met de ellebogen op zijn lessenaar en de handen
+onder den kin, en tuurden op den blinden muur met dien matten blik,
+welke van een lijden getuigt, dat zijn toppunt bereikt heeft. Daar
+stoot plotseling zijn elleboog tegen een hard voorwerp. Langzaam en
+droevig verandert hij van houding en neemt het voorwerp op. Het was
+in een papier gewikkeld. Dit papier wordt ontrold en een lang gerekte
+zucht ontsnapt zijn borst. Zijn koperen schelknop staat voor hem! Dit
+laatste vedertje brak des kemels rug.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI.
+
+
+Vóórdat de klok dien morgen "negen" had geslagen, verspreidde het
+akelige nieuws zich plotseling door de geheele stad. Zelfs zonder
+de toen nog onbekende telegraaf vloog het verhaal, met meer dan
+telegrafischen spoed, van mond tot mond, van groep tot groep,
+van huis tot huis. Natuurlijk gaf de schoolmeester vacantie. De
+St. Petersburgers zouden niet geweten hebben hoe zij 't met hem hadden,
+indien hij dat niet gedaan had. Er was, zoo luidde het gerucht, een
+bebloed mes vlak bij den vermoorden man gevonden, en dat mes was door
+iemand herkend als aan Muff Potter toe te behooren. En, werd er verder
+verteld, een man, die laat in den nacht op weg was geweest, had om twee
+uren na middernacht Potter zich aan een beek zien staan wasschen en
+toen op eens wegsluipen. Al te maal verdachte omstandigheden, vooral
+het wasschen, dat volstrekt niet tot Potters gewoonte behoorde. Men
+wist ook, dat de gansche stad was doorzocht on dezen "moordenaar"
+op te sporen (het publiek heeft in den regel spoedig de bewijzen bij
+de hand en het vonnis klaar), maar dat hij nergens te vinden was. Men
+had op alle wegen en in allerlei richtingen mannen te paard gezien en
+de sherif hield zich verzekerd, dat hij vóór den nacht gevat zou zijn.
+
+De geheele stad liep uit naar het kerkhof. Tom vergat ook voor het
+oogenblik zijn hartzeer en voegde zich bij den stoet, niet omdat hij
+niet duizendmaal liever overal elders zou zijn heengegaan, maar omdat
+eene huiveringwekkende onweerstaanbare betoovering hem voortdreef. Bij
+de akelige plaats gekomen, drong hij met zijn klein lichaam door de
+menigte heen en aanschouwde het afgrijselijk tooneel. Het was hem
+alsof er een eeuw was voorbijgegaan, sedert hij daar geweest was. Op
+eens werd hij in den arm geknepen. Hij keerde zich on en zijne oogen
+ontmoetten die van Huckleberry. Daarop keken de knapen dadelijk den
+anderen kant uit en hun hart klopte bij de gedachte, dat iemand dien
+blik van verstandhouding mocht bemerkt hebben. Doch iedereen was aan
+het praten en verdiept in het vreeselijk schouwspel, dat zich voor
+het oog vertoonde.
+
+"Die arme man! Het is een goede les voor lijkendieven. Muff Potter
+zal er voor hangen, als ze hem krijgen!" Dit was zoo ongeveer de loop
+van het gesprek op het kerkhof en de dominee maakte de opmerking,
+"dat het een 'Godsoordeel' was en dat des Heeren hand hier kennelijk
+werd gezien."
+
+Plotseling begon Tom van het hoofd tot de voeten te beven want zijn
+oog viel op het verstokte gelaat van Injun Joe. Op dit oogenblik
+ontstond er eene kleine opschudding onder de menigte en verscheidene
+menschen riepen: "Daar is hij! daar is hij! Hij komt zelf!"
+
+"Wie? Wie?" herhaalden twintig stemmen.
+
+"Muff Potter!
+
+"Heila! Hij wordt tegengehouden. Kijk, hij keert terug! Laat hem
+niet wegloopen!"
+
+Een paar mannen, die in de boomen geklommen waren boven Toms hoofd,
+riepen dat hij volstrekt geen pogingen deed om weg te loopen en dat
+hij er achterdochtig en verschrikt uitzag.
+
+"Duivelsch onbeschaamd!" zei een der omstanders. "Zeker wou hij
+eens rustig een kijkje van zijn werk komen nemen en verwachtte geen
+gezelschap."
+
+De schare maakte nu plaats voor den sherif, die met veel praalvertoon
+Muff Potter bij den arm leidende, in haar midden ging staan. De arme
+man zag er verwilderd uit en zijne oogen verrieden den doodsangst,
+waarin hij verkeerde. Toen hij tegenover den verslagene stond, was
+het alsof hij door eene beroerte getroffen werd; hij verborg zijn
+gelaat in zijne handen en barstte in tranen uit.
+
+"Ik heb het niet gedaan, vrienden," snikte hij. "Op mijn woord van eer,
+ik heb het niet gedaan."
+
+"Wie beschuldigt u?" donderde een stem.
+
+Dit schot scheen doel te treffen. Potter hief het gelaat omhoog en
+zag met roerende hopeloosheid in het rond. Toen hij Injun Joe zag,
+riep hij uit:
+
+"O, Injun Joe! gij beloofdet, dat gij het nooit...."
+
+"Is dat uw mes?" En het bebloed werktuig werd hem door den sherif
+voorgehouden.
+
+Potter zou op den grond gevallen zijn, indien men hem niet aangegrepen
+had. Toen sprak hij:
+
+"Iets in mijn binnenste zeide mij, dat, als ik niet terugkwam om het
+te halen...."
+
+Sidderend hield hij op en wuifde met de machtelooze hand, als wilde
+hij te kennen geven, dat hij zich overwonnen achtte, en zeide:
+"Zeg het maar, Joe--zeg het maar;--het helpt toch niet meer."
+
+Huckleberry en Tom waren sprakeloos van ontzetting, toen zij den
+verstokten moordenaar kalm zijne verklaring hoorden afleggen. Zij
+verwachten elk oogenblik, dat God een bliksemstraal uit den helderen
+hemel op hem zou doen nederschieten, en verwonderden er zich over, dat
+die straf zich voortdurend liet wachten. En toen Injun Joe uitgesproken
+had en nog levend en gezond voor hen stond, verdween uit hun hart de
+aandrang om hun eed te breken en het leven van den armen bedrogen
+gevangene te redden want deze ellendeling, die er zoo goed afkwam,
+had zich ongetwijfeld aan den duivel verkocht en het zou gevaarlijk
+wezen zich met het eigendom van een macht als deze in te laten.
+
+"Waarom zijt gij niet weggebleven? Wat behoefdet gij hier terug te
+komen?" vroeg een der omstanders.
+
+"Ik, ik kon niet anders," kermde Potter; "ik zou zoo gaarne weggeloopen
+zijn, maar ik werd naar deze plaats als gedreven." En hij begon weder
+te snikken.
+
+Een paar minuten later, bij het gerechtelijk onderzoek, herhaalde
+Injun Joe met dezelfde kalmte als den eersten keer zijne verklaringen
+onder eede en de omstandigheid dat hij nu weder niet door den
+bliksemschicht getroffen werd, versterkte de knapen in hun geloof,
+dat Joe zich aan den Duivel had verkocht. Hij werd thans in hunne
+oogen het vreeselijkste en belangwekkendste wezen, dat zij ooit hadden
+aanschouwd, en hij boeide hen in zulk eene mate, dat zij hunne oogen
+niet van hem konden afhouden. Bij zichzelven besloten zij, on zoodra
+de gelegenheid zich voordeed, hem des nachts te bespieden, in de hoop
+dan iets van zijn vreeselijken meester te zien te krijgen.
+
+Injun Joe hielp het lijk van den vermoorde optillen en ten vervoer
+in den ziekenwagen leggen, en onder de sidderende menigte werd het
+gemompel gehoord, dat de wond een weinig bloedde. De jongens dachten,
+dat deze gelukkige omstandigheid het vermoeden in de juiste richting
+zou wenden, maar ze werden teleurgesteld, want iemand maakte de
+opmerking, dat "Muff Potter op drie treden afstands van het lijk
+gestaan had, toen het gebeurde."
+
+Het vreeselijk geheim en zijn knagend geweten vervolgden Tom van den
+morgen tot den avond en verstoorden zelfs zijn nachtrust. Op zekeren
+morgen aan het ontbijt zeide Sid:
+
+"Tom, je woelt tegenwoordig den ganschen nacht door en je praat zoo
+in je slaap, dat je me uren wakker houdt."
+
+Tom verbleekte en sloeg de oogen neder.
+
+"Dat is een kwaad teeken," zeide tante Polly, ernstig. "Je hebt toch
+niets op je geweten, Tom?"
+
+"Niet, dat ik weet," antwoordde de knaap, doch zijne hand beefde zoo,
+dat hij zijne koffie op het tafelblad stortte.
+
+"En je praat zulken onzin," zeide Sid. "Gisterenacht riep je: 'Het
+is bloed, het is bloed, dat is het!' Dat heb je wel twintig keer
+gezegd. En je zei ook: 'Plaag me niet zoo;--ik zal het vertellen,'"
+
+"Vertellen? Wat zul je me toch vertellen?" vroeg tante.
+
+De geheele kamer draaide voor Toms oogen in het rond en de hemel weet
+wat er gebeurd zou zijn, indien de onrust niet uit tantes gelaat
+verdwenen en zij, zonder het zelve te weten, haar neef te hulp was
+gekomen. Zij zeide: "O! dat komt van dien vreeselijken moord. Ik
+droom er ook elken nacht van; soms wel, dat ik het zelve gedaan heb."
+
+Ook Marie verzekerde, dat het haar eveneens ging, en Sid scheen
+bevredigd. Tom echter sloop zoo spoedig weg als hij kon, en van dien
+dag af, klaagde hij over kiespijn en deed des snachts den doek om
+zijn gezicht. Weinig vermoedde hij echter, dat Sid hem uren lang
+lag te bespieden den doek wegtrok, op zijn elleboog geleund ging
+liggen luisteren, en dan het verband weer handig op zijne plaats
+schoof. Langzamerhand begon Toms angst te verminderen en werd de
+kiespijn afgedankt. Indien Sid het werkelijk er op aanlegde om iets
+uit Toms onsamenhangend gemompel op te maken, hield hij het toch
+zorgvuldig voor zich.
+
+Er scheen in Toms oog geen einde te komen aan het spelletje zijner
+schoolmakkers om lijkschouwing van doode katten te houden, en dusdoende
+aanhoudend zijne kwelling te verlevendigen. Sid merkte dit, dat bij
+deze instructies, Tom nooit weer lijkschouwer wilde wezen, ofschoon
+hij vroeger bij elke nieuwe uitvinding altijd "haantje de voorste"
+was. Het viel hem ook op, dat Tom nooit getuige wilde zijn--ja, zelfs
+een in 't oog loopenden afkeer van vermakelijkheden als deze verkregen
+had en ze zooveel mogelijk vermeed. Sid verwonderde zich daarover,
+maar zeide niets. Gelukkig gingen deze lijkschouwingen eindelijk uit
+de mode en hielden dus op Toms geweten te pijnigen.
+
+Gedurende dit kommervolle tijdperk zijns levens ging Tom om den
+anderen of om de twee dagen, zoo dikwijls als hij wist dat niemand hem
+bespiedde, voor het kleine getraliede venster van de gevangenis staan
+en stak daardoor "den moordenaar" al de verkwikkingen en lekkernijen
+toe, waarvan hij zich kon meester maken.
+
+De gevangenis van St. Petersburg was een klein steenen gebouw, dat in
+een moeras vlak buiten het stadje lag, en waarvoor geen schildwachten
+noodig geacht werden. Zij was zelden bezet en Tom kon er dus veilig
+heengaan om Muff Potter de offeranden te schenken, waarmede hij zijn
+geweten weder eenigszins tot rust zocht te brengen.
+
+De bewoners van het stadje zouden zeker anders het gebruik gevolgd
+hebben om Injun Joe, beteerd en met veeren beplakt in een kooi rond
+te rijden, (de gewone straf van lijkendieven,) maar hij was zulk
+een berucht en gevreesd persoon, dat niemand de leiding van deze
+onderneming op zich durfde nemen. Injun Joe, van zijn kant, had wel
+opgepast bij beide zijne getuigenissen alleen van het gevecht te
+spreken, en den voorafgeganen diefstal te verzwijgen. Vandaar dat de
+zaak vooralsnog niet bij het Hof aanhangig werd gemaakt.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII.
+
+
+Een der oorzaken, waardoor Toms geheime kwellingen meer op den
+achtergrond geraakten, was te vinden in eene nieuwe en gewichtige zaak,
+die zijn gemoed vervulde. Becky Thatcher kwam niet meer op school. Hij
+had een dag of wat met zijn trots strijd gevoerd en getracht te doen
+alsof zij niet bestond, maar het was hem niet gelukt. Van lieverlede
+begon hij weer langs haar vaders huis te slenteren en zich ongelukkig
+te gevoelen. Als zij eens stierf! Die gedachte was genoeg om hem
+krankzinnig te maken. Hij had geen liefhebberij meer in oorlog spelen,
+zelfs niet in het zeerooverspel. De bekoorlijkheid van het leven was
+verdwenen en niets dan ellende was overgebleven. Hij borg zijn hoepel
+en zijn kolfstok, want al de pret van hoepelen was voorbij. Zijne
+somberheid wekte tantes onrust en zij begon allerlei soorten van
+geneesmiddelen op hem toe te passen.
+
+Juffrouw Polly behoorde tot die lieden, welke verzot zijn op
+huismiddeltjes en dwepen met alle pas uitgevonden methodes tot
+verbetering en onderhoud der gezondheid. De lust om van al die dingen
+de proef te nemen was haar als ingeroest. Zoodra er op dit gebied
+iets nieuws op het tapijt kwam, rustte zij niet eer het aan haar huis
+was toegepast;--niet op haar zelve, want zij was nooit ziek, maar op
+ieder ander, dien zij onder handen kon krijgen. Zij had ingeteekend
+op alle mogelijke tijdschriften over de gezondheidsleer en op alle
+dwaze vertoogschriften over de geneeskunde, en de hoogdravende
+artikelen waarmede deze waren opgevuld, werden door haar met gejuich
+ontvangen. Al de onzin, die er werd uitgekraamd over ventilatie en
+de voorschriften die gegeven werden over het opstaan en het naar bed
+gaan, het gebruik van spijs en drank, het nemen van lichaamsbeweging,
+over de gemoedsstemming waarin men moet verkeeren, over de soort van
+kleeding die men dragen moet, was evangelietaal voor haar, en zij
+bemerkte nooit, dat hare gezondheidsjournalen van de loopende maand
+gewoonlijk tegenspraken wat zij in de vorige met veel ophef verkondigd
+hadden. Zij was het eenvoudigste en oprechtste schepsel dat er leefde
+en werd daardoor gemakkelijk om den tuin geleid. Zij verzamelde al
+de kwakzalverachtige tijdschriften en geneesmiddelen om zich heen,
+en leefde dan in de overtuiging dat zij een engel in menschengedaante
+was, die den balsem van Gilead aan hare lijdende naasten kwam brengen.
+
+Op dat tijdstip waarvan wij spreken, begon de koudwaterkuur aan de orde
+te komen, en Toms droefgeestigheid kwam haar tot het toepassen van
+de kuur verbazend in de hand. Voor dag en dauw werd hij uit zijn bed
+gehaald en in de houtschuur gesleept en met een stortvloed van koud
+water overstelpt. Dat water werd met een harden handdoek afgedroogd,
+en vervolgens werd de jongen in natte lakens gewikkeld en onder de
+dekens gestopt, totdat hij zoo ging zweeten, dat zijn ziel, zooals
+hij zeide, door zijne poriën kwam kijken.
+
+Niettegenstaande al die geneesmiddelen werd de knaap hoe langer
+hoe neerslachtiger, bleeker en slapper. Toen kwamen de heete
+baden, zitbaden, stortbaden en douches. De knaap was en bleef
+droefgeestig. Daarop werd aan de waterkuur een diëet toegevoegd van
+dunne havergortpap en werden er Spaansche vliegen toegepast. Tante
+Polly toch berekende de inhoudsruimte van haar neef naar die van een
+kruik en vulde hem op, totdat hij vol was.
+
+Langzamerhand geraakte Tom door al dat wasschen en plassen in een
+staat van verdooving en onverschilligheid. Dit verschijnsel vervulde
+de oude dame met schrik en er moest een einde aan gemaakt worden,
+het kostte wat het wilde. Daar leest zij in de courant van een nieuw
+zenuwmiddel! Dadelijk werd er een flesch besteld, geproefd en goed
+bevonden. De waterkuur werd opgegeven en alles van het zenuwmiddel
+verwacht. Een theelepeltje vol werd den knaap ingegeven, waarvan
+het resultaat in angstige spanning werd te gemoet gezien. Reeds bij
+de eerste proef week haar onrust en keerde de kalmte in haar ziel
+terug. Immers de onverschilligheid was op eens verdwenen. De knaap,
+al had zij hem op een gloeiende plaat gezet, kon niet schielijker
+woest en luidruchtig zijn.
+
+Wat was hiervan de reden? Tom voelde, dat het tijd werd, weder wakker
+te worden. Het leven, 't welk hij thans leidde, mocht in zijn treurigen
+toestand iets romantisch hebben, het was te saai en te gelijk te vol
+akelige afwisseling om lang zóó te kunnen blijven. Daarom zon hij op
+allerlei middelen om er een eind aan te maken, en besloot verzotheid
+op het nieuwe drankje voor te wenden. Hij vroeg er zoo dikwijls om,
+dat het tante begon te vervelen en zij eindigde met hem te zeggen,
+dat hij maar leeren moest zelf in te nemen en haar er niet meer mede
+lastig vallen. Ware het Sid geweest, zij zou die liefhebberij in het
+geneesmiddel niet mistrouwd hebben, maar op Tom moest heimelijk een
+oogje gehouden worden. Tot hare geruststelling echter bemerkte zij,
+dat de inhoud wezenlijk verminderde, doch het kwam niet in haar op
+te vermoeden, dat de knaap de geneeskracht van den drank, niet op
+zijn eigen lichaam beproefde, maar op den vloer der huiskamer en het
+vocht in een spleet onder het karpet uitgoot.
+
+Op zekeren dag was hij daar juist mede bezig, toen tantes gele kat,
+kopjes gevende en spinnende, naar het theelepeltje kwam kijken,
+blijkbaar vol lust om er van te snoepen.
+
+"Dat is verboden waar voor jou, poesje," zeide Tom tot de kat.
+
+Doch de poes maakte een gebaar alsof zij er anders over dacht.
+
+"Neen, poes, raak er niet aan."
+
+De poes hield echter vol.
+
+"Nu, als je het dan volstrekt wilt hebben, zal ik het je wel geven,
+want mij helpt het geen zier. Doch als het je niet goed bekomt,
+kan ik het niet helpen."
+
+Poesje stemde stilzwijgend toe en Tom spalkte haar den bek open en
+goot er eene hoeveelheid van den drank in. De kat sprong een paar el
+in de lucht, hief toen een jammerlijk geschreeuw aan, danste de kamer
+rond, sloeg tegen de meubels, wierp de bloempotten omver en gooide
+alles het onderstboven. Vervolgens ging zij op de achterpooten staan,
+draaide met den kop en miauwde van angst. Daarna liep ze weer als een
+razende het huis door en bracht overal verwarring en vernieling met
+zich. Juist toen tante Polly de kamer binnenkwam, was zij bezig een
+paar kostbare planten te vernielen en met een helsch geschreeuw door
+het open raam te springen, inderhaast nog de rest van de bloempotten
+met zich sleepende. De oude dame stond versteend van schrik over haar
+bril te staren, terwijl Tom op den grond lag te gillen van het lachen.
+
+"Wat, in 's hemels naam, scheelt de kat, Tom?"
+
+"Ik, ik zou het u niet kunnen zeggen," grinnikte de knaap.
+
+"Wel, ik heb nog nooit zoo iets gezien. Hoe komt zij zoo?"
+
+"Ik weet het wezenlijk niet, tante Polly. Katten doen altijd zoo,
+als zij schik hebben."
+
+"Doen ze dat?" Er was iets in den toon, dat Tom vrees aanjoeg.
+
+"Ja, tante," zeide hij, iets minder boud; "dat geloof ik ten minste."
+
+"Geloof je dat?"
+
+"Ja."
+
+De oude dame bukte zich en Tom verbeidde met angst den afloop. Doch hij
+begreep hare bedoeling te laat. Daar lag het verklappend theelepeltje
+achter de franjes van het bedgordijn. Tante Polly nam het op en
+hield het hem voor den neus. Tom deinsde terug en sloeg de oogen
+neder. Tante pakte hem bij het gewone handvatsel--zijn oor--en kneep
+dit lichaamsdeel zoo, dat men zijn hoofd hoorde kraken.
+
+"Nu, jongeheer, waarom moest dat stomme dier zoo mishandeld worden?"
+
+"Ik deed het uit medelijden met haar,--omdat zij geen tante heeft."
+
+"Geen tante, deugniet?--Wat heeft dat er mede te maken?"
+
+"O, heel veel! Omdat, als zij er eene had, deze haar gebrand zou hebben
+en haar de ingewanden geroosterd als ware zij een mensch geweest."
+
+Tante Polly voelde plotseling een knagende gewetenswroeging. Hetgeen
+wreed was voor de kat, kon ook wreed voor een jongen wezen. Haar hart
+werd verteederd. Zij kreeg spijt en hare oogen begonnen vochtig te
+worden; en hare hand op Toms hoofd leggende, zeide zij vriendelijk:
+
+"Ik deed het om bestwil, Tom. En, jongen, 't _heeft_ u immers goed
+gedaan?"
+
+Tom keek haar aan en zeide, terwijl hij een knipoogje maakte:
+
+"Ik weet, dat u het voor mij om bestwil gedaan hebt, en ik deed
+eveneens met de poes. Het heeft haar ook goed gedaan, want ik heb
+haar nooit zoo netjes zien dansen.
+
+"O, maak dat je wegkomt, voordat ik weer boos word!" riep tante
+uit. "En doe nu eindelijk je best eens om een brave jongen te
+worden. Medicijnen behoef je voorloopig niet meer te nemen."
+
+Tom ging dien middag vroeg naar school en bleef voor de deur staan,
+in plaats van met zijne makkers te spelen. Hij verklaarde zich voor
+ziek en zag er ook niet heel goed uit. Schijnbaar keek hij naar
+alles, behalve naar hetgeen waarop hij wezenlijk zijn oog gericht
+hield--namelijk, naar den weg.
+
+Daar kwam Jeff Thatcher aan en Toms gelaat klaarde wat op. Hij begon
+een gesprek met hem en zocht op allerlei manieren iets omtrent Becky te
+weten te komen, doch de looze jongen scheen er niets van te merken. Tom
+wachtte en wachtte, en zijn oogen schitterden telkens, wanneer er een
+jurkje in het gezicht kwam, doch zoodra hij ontdekte dat de draagster
+van het jurkje niet de rechte persoon was, sloeg hij ze verdrietig
+neer. Eindelijk kwamen er geen japonnetjes meer voorbij en hij verviel
+in eene hopelooze neerslachtigheid. Hij trad het leege schoolgebouw
+binnen en gaf zich aan zijn verdriet over. Maar op eens ontdekte hij
+weder een jurkje en zijn hart klopte hoorbaar. Geen minuut later was
+hij de school uit en als een clown aan het kunsten maken. Hij gilde,
+lachte, zat de jongens achterna, sprong met levensgevaar over het hek,
+ging op zijn hoofd staan en verrichtte al de heldendaden, die hij
+maar kon uitdenken, terzelfder tijd voortdurend heimelijke blikken
+werpend op Becky Thatcher, om te zien of zij het wel merkte. Doch zij
+scheen er niet op te letten en keek steeds een anderen kant uit. Was
+het mogelijk dat zij niet zag, dat hij daar was? Toen ging hij zijne
+gymnastische oefeningen in hare onmiddellijke nabijheid uitvoeren, liep
+met veel lawaai tusschen de jongens door, greep er een de pet van het
+hoofd, slingerde die over het dak van de school en danste en sprong,
+totdat hij vlak voor Becky stond en bijna tegen haar aanliep. En zij,
+zij keerde zich om, en Tom hoorde haar zeggen:
+
+"Ba! sommige menschen verbeelden zich, dat zij ijselijk grappig zijn;
+zij doen altijd kunsten om gezien te worden."
+
+Tom werd gloeiend rood en droop verslagen af.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII.
+
+
+De beleediging van Becky Thatcher bracht bij Tom Sawyer een besluit
+tot rijpheid. De knaap was aan de uiterste grens van wanhoop. Hij was,
+zoo sprak hij bij zichzelven, een verlaten jongen zonder vrienden;
+niemand hield van hem. Wanneer de menschen te eeniger tijd ontdekten
+waartoe zij hem gebracht hadden, zouden zij misschien spijt gevoelen
+over hunne koelheid. Hij had getracht te doen wat goed was en had
+het pad der deugd willen bewandelen, doch zelfs daarin had men hem
+gedwarsboomd. Aangezien men toch niets wenschte dan van hem af te zijn,
+zou de menschheid haar zin hebben: en zij mocht hem er de gevolgen van
+toerekenen. Waarom zou zij dat niet? Wat recht had hij, de verlatene,
+on zich daarover te beklagen? Ja, zij had er hem toe gedwongen; hij
+zou een misdadig leven gaan leiden; men had hem geene andere keus
+gelaten. Inmiddels was hij onder deze alleenspraak een eind buiten
+de stad gekomen en hoorde in de verte het geklingel der bel, die de
+kinderen naar school riep. Hij snikte bij de gedachte, dat hij nooit,
+nooit meer dat oude gezellige geluid zou hooren; het was zeer hard,
+maar hij kon niet anders: de koude wereld had hem er toe gebracht en
+hij moest zich in zijn lot schikken.
+
+Toen begon hij bitter te schreien. Juist op dat oogenblik kwam
+hij zijn boezemvriend Joe Harper tegen, ook met behuilde oogen en
+blijkbaar met plannen, gewichtig en somber als de zijne. Kennelijk
+waren deze beide zielen van ééne en dezelfde gedachte vervuld. Tom
+maakte, terwijl hij zijne oogen met zijn mouw afveegde, onder veel
+snikken zijn besluit bekend, on, ten einde de slechte behandeling en
+het gebrek aan sympathie te huis te ontvluchten, naar buiten in de
+wijde wereld te gaan rondzwerven en nooit terug te komen--en eindigde
+met de wensch, dat Joe Harper hem niet vergeten zou.
+
+Maar daar kwam het uit, dat Joe juist datzelfde verzoek aan Tom
+had willen gaan doen en hem deelgenoot maken van een dergelijk
+voornemen. Zijne moeder had hem geslagen, omdat hij room zou gesnoept
+hebben, die hij nooit geproefd had en waarvan hij niets af wist. Het
+was duidelijk, dat zij haar zoon moede was en van hem ontslagen
+verlangde te zijn. Als dat zoo was, had hij niet anders te doen
+dan voor dien wil te bukken. Hij hoopte dat zij gelukkig zou wezen
+zonder hem en dat het haar nooit berouwen zou, haar armen jongen
+uitgedreven te hebben in eene ongevoelige wereld, om daarin te lijden
+en te sterven.
+
+Terwijl de beide knapen droevig voortwandelden, sloten zij samen een
+nieuw verbond on elkander als broeders bij te staan en nimmermeer
+te scheiden, totdat de dood hen van hun verdriet zou verlossen. Toen
+begonnen zij plannen te maken. Joe was er voor om kluizenaar te worden
+in een afgelegen grot, van water en brood te leven en dan van koude,
+ongemak en verdriet te sterven: doch na Tom aangehoord te hebben, kwam
+hij tot de overtuiging, dat er aan een misdadig leven groote voordeelen
+verbonden waren, en dus stemde hij er in toe zeeroover te worden.
+
+Anderhalf uur ten zuiden van St. Petersburg, waar de Mississipi
+zeer smal was, lag een klein boschrijk eiland, met eene ondiepe
+landingsplaats, en dit werd een zeer geschikt toevluchtsoord
+geacht. Het was onbewoond en lag ver van den oever, tegenover een
+dicht en eenzaam woud. Daarom werd Jacksons Island gekozen. Wie het
+mikpunt der zeerooverijen zou zijn, was eene zaak die hun niet in de
+gedachten kwam. Toen zochten zij Huckleberry Finn op en hij voegde
+zich dadelijk bij hen, daar alle baantjes dien vagebond hetzelfde
+waren. Voor het oogenblik scheidden de vrienden en spraken af,
+dat zij elkaar op een weinig bezochte plek aan den oever der rivier,
+omstreeks een uur van de stad, zouden ontmoeten, en wel te middernacht,
+der knapen lievelingsuur. Daar lag een klein houtvlot, dat zij hoopten
+te bemachtigen. Zij zouden alle drie vischhaken en hengels medebrengen
+en zooveel teerkost als zij slechts op de meest geheimzinnige wijze
+konden buitmaken, zooals dat aan roovers paste. En nog voordat de zon
+ter kimme daalde, hadden zij zich reeds eene kleine vreugde bereid,
+door uit te strooien, "dat de stad eerlang van iets hooren zou." Allen,
+die deze vage mededeeling ontvingen, werden verzocht te zwijgen en
+te wachten.
+
+Tegen middernacht kwam Tom ter bestemder plaatse, met eene gekookte
+ham en enkele andere levensmiddelen van minder omvang. Hij hield
+stil bij een dicht begroeid kreupelboschje op eene kleine hoogte,
+van waar men de plaats der bijeenkomst kon overzien. De lucht was
+met sterren bezaaid en het was bladstil. De machtige rivier lag kalm
+tusschen hare oevers als een oceaan na hevigen storm. Tom luisterde
+een oogenblik, maar de stilte werd door geen geluid verstoord. Toen
+begon hij zacht te fluiten en dit geluid werd onder het kreupelboschje
+beantwoord. Tom floot nog eens en het signaal werd weder op dezelfde
+wijze herhaald. Toen riep eene gedempte stem:
+
+"Wie nadert daar?"
+
+"Tom Sawyer, de Zwarte Roover der Spaansche Zee. Noemt uwe namen."
+
+"Huck Finn met de Roode Hand en Joe Harper, de Schrik van den
+Oceaan." Tom had deze titels uit zijn lievelingsboeken geleverd.
+
+"In orde. Geef het contra-signaal."
+
+Twee schorre stemmen fluisterden gelijktijdig het volgende
+schrikkelijke woord in den stikdonkeren nacht: "Bloed!"
+
+Toen wierp Tom zijn ham over den heuvel en klom er daarna zelf af,
+terwijl hij onder 't afdalen zich nu en dan het vel openreet en zijne
+kleeren scheurde. Er was wel een geschikt en gemakkelijk pad langs
+den oever, om van de hoogte af te dalen, maar dat miste het voordeel
+van moeite en gevaar, door een zeeroover zoo gewaardeerd.
+
+De Schrik van den Oceaan had een zijde spek medegebracht en
+was onder het dragen van dien last bijna bezweken. Finn had een
+koekenpan gestolen en voor een voorraadje tabak en eenige korte pijpen
+gezorgd. 't Was maar jammer, dat hij de eenige der drie roovers was,
+die de kunst van rooken en pruimen verstond. De Zwarte Roover der
+Spaansche Zee maakte de opmerking, dat het gevaarlijk was zonder vuur
+op tochten te gaan, en dat was eene verstandige opmerking. Lucifers
+waren in dien tijd nog onbekend, maar op eenige ellen afstands zagen
+zij op een groot vlot een vuur smeulen. Dadelijk slopen zij daarheen
+en namen een kooltje weg. Van die kleine dieverij werd een verbazend
+avontuur gemaakt. Telkens riepen zij "St." en stonden stil met den
+wijsvinger op de lippen, grepen naar denkbeeldige dolkgevesten en gaven
+fluisterende schrikwekkende bevelen om den vijand, als hij hen mocht
+overvallen, "den dolk tot aan 't gevest in 't lijf te steken," omdat
+"lijken niets navertellen." Zij wisten wel, dat de bemanning van het
+vlot in het stadje aan het hout stapelen was of in de herberg zat,
+doch die wetenschap ontsloeg hen niet van de verplichting het geval
+op zeerooverswijs te behandelen. Daarop staken zij met hun vlot
+van wal. Tom nam de bevelhebbersplaats in. Huck posteerde zich bij
+de achterriemen en Joe op den voorsteven. Tom stond midden op het
+vaartuig met gefronste wenkbrauwen en over elkaar geslagen armen en
+gaf zijne bevelen met eene onderdrukte, barsche stem.
+
+"Laveeren en het schip onder den wind brengen!"
+
+"Ja, ja, kapitein!"
+
+"Vooruit, voor--uit!"
+
+"Het gaat vooruit, kapitein!"
+
+"Zet het iets naar voren!"
+
+"Het is geschied, kapitein!"
+
+Daar de knapen steeds in dezelfde richting midden in den stroom de
+rivier afzakten, was het niet twijfelachtig of deze bevelen werden
+maar voor de leus geven en hadden geen bijzonder doel.
+
+"Welke zeilen voert het in top?"
+
+"De boeglijnszeilen, de topzeilen en de fokken, kapitein!"
+
+"Hijsch de voormarszeilen! Maak boven aan de steng een stuk of zes
+lijnen los! Past op nu!"
+
+"Ja, ja, kapitein."
+
+"De topzeilen reven! Toe dan, jongen!"
+
+"Ja, ja, kapitein."
+
+"Het roer tegen den wind! Naar bakboord! Houdt je je goed,
+mannen! Voorwaarts."
+
+"Het gaat voorwaarts, kapitein."
+
+Het vlot dreef een weinig naar den kant af, de knapen roeiden weder
+naar het midden en legden toen de riemen neder. Het water was laag en
+de stroom dus niet sterk. Gedurende de eerste drie kwartier werd er
+nauwelijks een woord gesproken. Toen gleed het vlot langs de op eenigen
+afstand liggende stad, welker richting door enkele flikkerende lichten
+werd aangewezen. Daar lag zij, in diepen slaap verzonken, ver van de
+onmetelijke watervlakte, waarin duizenden sterren zich spiegelden,
+onbewust van de vreeselijke gebeurtenis, die juist plaats greep. De
+zwarte Roover stond nog met over elkaar geslagen armen op het dek,
+een laatsten blik werpende op het tooneel van geluk en lijden, vervuld
+van de begeerte dat zij hem zien mocht, terwijl hij daar buiten op
+de onstuimige wateren, met een onverschrokken gemoed, gevaar en dood
+trotseerde en met een koelen glimlach op de lippen zijn lot te gemoet
+ging. Hij verbeeldde zich--zonder veel moeite--dat Jacksons Island
+oneindig ver van St. Petersburg verwijderd was en daarom wierp hij,
+bij de gedachte aan dien afstand, een laatsten blik op de stad, met
+een gebroken maar toch bevredigd hart. De andere zeeroovers stonden
+ook laatste blikken te werpen en allen keken zoo lang, dat zij bijna
+uit den koers van het eiland dreven. Doch zij bemerkten het gevaar
+bijtijds en beijverden zich om het af te wenden.
+
+Tegen twee uur in den morgen landde het vlot een paar honderd ellen
+boven de aanlegplaats van het eiland, en de knapen waadden door het
+water om hunne lading te ontschepen. Tot de kleine uitrusting van
+het vlot behoorde ook een oud zeil. Dit werd over een uithoek in de
+struiken gespannen, om als tent ter beschutting van de proviand te
+dienen, doch zelven besloten zij bij gunstig weder in de open lucht
+te slapen, zooals dat bandieten betaamt.
+
+Daarop legden zij een vuurtje aan tegen den kant van een hooge
+houtmijt, diep in het sombere woud en begonnen wat spek in de koekenpan
+te bakken, terwijl zij hierbij de helft verorberden van den voorraad
+brood, dien zij hadden medegebracht. Het was een ontzaglijk genot om
+daar hun feestmaal te houden, als wilden in een maagdelijk woud, op een
+onbewoond eiland, ver van de verblijfplaatsen der menschen. Al etende
+legden zij dan ook de gelofte af om nooit weder tot de beschaafde
+streken terug te keeren.
+
+De stijgende vlammen verlichten hun aangezicht en wierpen een rooden
+gloed op het glinsterend groen en de zich sierlijk om de boomstammen
+slingerende ranken. Toen de laatste knappende stukjes spek verdwenen
+waren en het laatste brokje brood was verslonden, strekten de knapen
+welbehagelijk hunne leden op het mostapijt uit. Zij hadden wel een
+koeler plekje kunnen vinden, doch zij wilden zich het romantisch
+genot van een knetterend kampvuur niet ontzeggen.
+
+"Is het niet heerlijk?" vroeg Joe.
+
+"Ja, het is verrukkelijk," antwoordde Tom.
+
+"Wat zouden de jongens nu wel zeggen, als zij ons zagen?"
+
+"Zeggen? Wel, zij zouden goud geven on hier te zitten. Wat zeg jij,
+Hucky?"
+
+"Ik zeg," antwoordde Huckleberry, "dat het mij bevalt. Ik verlang
+het nooit beter te hebben. Gewoonlijk krijg ik niet genoeg te eten
+en hier kunnen ze me niet komen schoppen en mishandelen."
+
+"'t Is ook juist een leventje voor mij," zeide Tom. "Je behoeft
+'s morgens niet vroeg op te staan, je niet te wasschen, niet naar
+school te gaan en allerlei onzin te doen. Zie je nu wel, Joe, dat
+een zeeroover, als hij aan wal is, _niets_ te doen heeft, terwijl een
+kluizenaar moet bidden en nooit gekheid kan maken, omdat hij altijd
+alleen zit."
+
+"Ja, je hebt gelijk," zeide Joe; "ik verwachtte er niet veel goeds
+van, dat weet je, maar nu ik het geprobeerd heb, vind ik het veel
+pleizieriger om zeeroover te zijn."
+
+"Je ziet ook," zeide Tom: "de menschen geven tegenwoordig niet zoo veel
+meer om kluizenaars als in den ouden tijd, maar voor zeeroovers hebben
+zij altijd ontzag. En buitendien moet een kluizenaar op de hardste
+plaats slapen die hij maar vinden kan en zich in zakken kleeden,
+en asch op zijn hoofd strooien, en in den regen buiten staan en..."
+
+"Waarom moet hij zakken dragen en asch op zijn hoofd strooien?" vroeg
+Huck.
+
+"Dat weet ik niet. Maar ze doen het allemaal. Als jij een kluizenaar
+was, zou je het ook moeten doen."
+
+"Ik zou je bedanken," zeide Huck.
+
+"Wat zou je dan?"
+
+"Dat weet ik niet, maar dat zeker niet."
+
+"Wel, Huck, je zoudt het _moeten_; je zoudt niet anders kunnen."
+
+"Wel, ik zou het niet verdragen; ik zou op den loop gaan."
+
+"Op den loop gaan! Nu, je zoudt eene mooie soort van heremiet wezen. Je
+zoudt ze tot schande maken."
+
+De Roode Hand gaf geen antwoord, daar zijn brein vervuld was met iets
+anders. Hij had juist een pijpekop schoongemaakt, er een rieten steel
+aan vastgehecht, den kop met tabak gevuld en was bezig, met behulp
+van een stukje brandende steenkool, dat tegen de tabak gedrukt werd,
+wolken van geurigen rook uit te blazen.
+
+Hij baadde zich in weelde en genot en de andere zeeroovers benijdden
+hem deze heerlijke ondeugd en besloten bij zichzelven, zich haar
+eigen te maken. Een oogenblik later zeide Huck:
+
+"Wat hebben zeeroovers te doen?"
+
+"O," zeide Tom, "zij leiden een woelig leventje: kapen schepen en
+verbranden die, stelen geld en begraven dat op geheimzinnige plaatsen
+op hun eiland, waar het door geesten en spoken bewaakt wordt. Voorts
+vermoorden zij de geheele bemanning van het schip."
+
+"En zij nemen de vrouwen met zich naar het eiland," zeide Joe,
+"want vrouwen worden niet vermoord."
+
+"Neen," antwoordde Tom toestemmend, "zij vermoorden geene vrouwen,
+daarvoor zijn zij te edelmoedig. En de vrouwen zijn altijd mooi ook."
+
+"En dragen zij niet kleeren van beestenvellen?"
+
+"Neen, toch niet," antwoordde Joe vol geestdrift. "Geheel van goud,
+zilver en diamanten."
+
+"Wie?" vroeg Huck.
+
+"Wel, de zeeroovers."
+
+Huck keek met een wanhopigen blik naar zijn eigen plunje.
+
+"Ik geloof niet, dat ik geschikte kleeren voor een zeeroover heb,"
+zeide hij met een droevig pathos in zijne stem, "maar ik heb geene
+andere dan deze."
+
+Doch Tom en Joe vertelden hem, dat de mooie kleeren spoedig zouden
+komen, wanneer zij op avonturen zouden zijn uitgegaan. Zij gaven
+hem te verstaan, dat zijne lompen voldoende waren on te beginnen,
+ofschoon het bij rijke zeeroovers de gewoonte was met eene behoorlijke
+garderobe van wal te steken.
+
+Van lieverlede begon het gebabbel te verminderen en daalde de
+slaap op de oogleden der jeugdige vluchtelingen neer. De pijp
+gleed de "Roode Hand" uit de vingers en hij sliep weldra den slaap
+des rechtvaardigen. De Schrik van den Oceaan en de Zwarte Roover
+der Spaansche Zee sliepen niet zoo gemakkelijk in. Zij zeiden hun
+avondgebed zachtjes en liggend op, daar er niemand was, die hen gebood
+te knielen en hen het luide deed uitspreken. Wel hadden zij veel lust
+het gebed achterwege te laten, doch zij maakten zich bevreesd, dat
+zij, wanneer ze zoo goddeloos waren op eens een bliksemstraal van den
+hemel op hunne hoofden zouden doen nederdalen. Juist toen zij in het
+rijk der droomen zouden gaan zweven, kwam een kwelgeest hen storen,
+die niet wilde wijken. Deze was het geweten. Eerst achtervolgde hij
+hen met de beschuldiging dat zij weggeloopen waren en daarna met het
+verwijt, dat zij vleesch gestolen hadden. Zij trachtten hem tot zwijgen
+te brengen, door hem te herinneren, dat zij toch dikwijls koekjes en
+appels hadden weggenomen, doch hij liet zich door schoonschijnende
+redeneeringen niet afschepen. Hij wilde over het onweerlegbaar feit
+niet heenstappen, dat lekkers wegnemen slechts "snoepen" was, terwijl
+het ontvreemden van spek, ham en dergelijke, niets anders mocht
+heeten dan "stelen" en dat dit in den Bijbel verboden werd. Daarop
+besloten zij in hun binnenste, om zoolang zij het door hen gekozen
+beroep uitoefenden, hunne zeerooverijen niet meer met de misdaad van
+stelen te bezoedelen. Op die wijs werd er een wapenstilstand met het
+geweten gesloten en onze zeeroovertjes vielen gerust in slaap.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV.
+
+
+Toen Tom den volgenden ochtend wakker werd, begreep hij eerst niet
+waar hij was. Hij ging opzitten, wreef zich de oogen en keek in
+'t rond; toen vatte hij het. De ochtendschemering had haar koelen
+grauwen sluier uitgespreid en de aangrijpende kalmte en stilte van
+het woud gaf een heerlijk gevoel van rust en vrede. Geen blad bewoog,
+geen geluid verstoorde de overdenkingen der groote natuur. Diamanten
+dauwdroppels schitterden op de bladeren en het gras. Uit het met een
+laag witte asch bedekte kampvuur steeg een dunne, blauwe rookwolk
+recht naar boven. Joe en Huck lagen nog te slapen. Daar deed ver
+achter in de bosschen een vogel zijne roepstem hooren, die dadelijk
+door anderen beantwoord werd, en te gelijk vernam men het gehamer van
+den boomspecht. Langzamerhand ging de grijze morgendamp in een witten
+nevel over en werd het minder koud. Van lieverlede vermenigvuldigden
+zich ook de geluiden en openbaarde zich het leven. De wonderbare
+natuur schudde den slaap af en ontplooide zich voor de oogen van den
+peinzenden knaap. Een klein, groen wormpje kroop over een bedauwd
+blad, hief bij wijlen twee derden van zijn lichaam op, snuffelde
+in alle hoekjes en gaatjes en ging toen weder voort. Volgens Tom
+was dat wormpje bezig opmetingen te doen. Toen het eindelijk uit
+eigen beweging naar hem toe kwam, bleef de knaap doodstil zitten
+en al naarmate het beestje hem naderde of een anderen weg scheen te
+willen nemen, klom of daalde zijn hoop. Eindelijk bleef het gedurende
+eenige voor den knaap angstige oogenblikken, het kopje onbeweeglijk
+opwaarts gericht houden en zette zich ten slotte op Toms been neder,
+over het lichaam van den knaap een reis te maken. Dat deed hem het
+hart van vreugde opspringen, want het beduidde, dat hij een nieuw
+pak zou krijgen,--zonder eenigen twijfel een zeerooversuniform.
+
+Daarop verscheen er zonder dat men zeggen kon van waar, een optocht
+van mieren, die haar dagtaak aanvingen. Een van haar sleepte moedig
+een doode spin, vijfmaal grooter dan zij zelve, tusschen hare
+pooten voort en zette die op een boomstam. Een bruin gespikkeld
+Onze-Lieven-Heersbeestje beklom de duizelingwekkende hoogte van een
+grasscheut en Tom boog zich over het diertje been en zeide:
+
+
+ "Lieven-Heershaantje, Lieven-Heershaantje, vlucht heen,
+ vlucht heen;
+ Uw huis staat in brand, uwe kinderen zijn alleen."
+
+
+En het diertje sloeg de vleugeltjes uit en vloog weg om te zien
+of de knaap waarheid sprak, waarover deze zich in 't minst niet
+verbaasde. Immers hij wist vanouds, dat dit insect lichtgeloovig
+was op 't punt van brand en hij had menigmaal de onnoozelheid van
+'t beestje verschalkt. Toen kwam er een steenmot, die traag zijn
+rond lichaam medesleepte en Tom raakte het diertje aan om het met
+opgetrokken pooten te zien ineenrollen en te doen alsof het dood was.
+
+De vogels waren intusschen druk aan het zingen en kweelen gegaan. Een
+spotvogel zette zich op een boom boven Toms hoofd neder en bootste, dol
+van pret, met trillende stem, de geluiden na der andere vogels. Toen
+streek een schrille meerkol, als een blauwe vlam, naar omlaag en ging
+op een tak zitten, bijkans binnen het bereik van den knaap. Hij hield
+zijn kopje op zijde en keek de vreemdelingen verbaasd en nieuwsgierig
+aan. Een grijze eekhoorn en een groote vos sprongen om hem heen en
+gingen af en toe opzitten, on hem te bekijken en op hun manier tegen
+hem te praten. Deze bewoners der wildernis toch hadden blijkbaar nooit
+te voren een menschelijk wezen gezien en wisten nauwelijks of zij er
+bang voor moesten zijn of niet. De geheele natuur was klaar wakker
+en in beweging; lange zonnestralen schoten door het dichte loover en
+enkele kapellen verschenen fladderend op het tooneel.
+
+Tom schudde de andere zeeroovers wakker; juichend sprongen zij op en
+binnen een paar minuten hadden de drie knapen hunne kleeren uitgegooid
+en speelden zij "krijgertje" en "haasjeover" in het ondiepe, heldere
+water bij de witte zandbank. Zij dachten niet meer aan het stadje, dat
+daar achter de majestueuze watervlakte lag te slapen. Een wisselzieke
+vloed of eene lichte wassing der rivier had hun vlot medegenomen,
+doch dit maakte hen niet bezorgd. Integendeel zij verheugden zich
+er over, want het was hun alsof daarmede de band die hen nog aan de
+beschaafde wereld hechtte, voorgoed was verbroken.
+
+Toen keerden zij verfrischt, vroolijk en verrukt naar hun kamp terug
+en weldra spreidde het opgerakelde vuur lustig zijne vlammen in 't
+rond. Huck ontdekte in de buurt een bron van helder, koud water en
+de jongens vervaardigde kopjes uit groote eiken en walnoten bladeren
+en maakten de opmerking dat water, gedronken in zulk een woest oord
+en onder zulke romantische omstandigheden, een uitmuntend surrogaat
+voor koffie is. Toen Joe het mes in de zijde spek wilde zetten, om
+reepjes voor het ontbijt te snijden, werd hij door de andere verzocht
+daarmede eenige minuten te wachten, daar zij een veelbelovend plekje
+in de rivier ontdekt hadden om te visschen. Bijna onmiddellijk daarop,
+eer Joe nog ongeduldig kon worden, kwamen zij terug met een stuk of
+wat mooie forellen en een paar baarsjes, voorraad genoeg, meende ze,
+voor een geheel huisgezin. De visch werd dadelijk met spekvet gebakken,
+en nooit scheen ze zoo lekker te hebben gesmaakt. Zij wisten niet
+dat zoetwatervisch altijd 't best smaakt, wanneer zij, dadelijk nadat
+zij is gevangen, gekookt of gebakken wordt, en dat slapen in de open
+lucht, baden en ferme honger de beste saus bij den maaltijd is. Na
+het ontbijt zochten zij een schaduwrijk plekje op, waar zij zich
+nederlegden, terwijl Huck zijn pijpje rookte, en toen de vermoeidheid
+geweken was, gingen zij het bosch in, op een verkenningstocht. Zij
+wandelden vroolijk voort over stukken vermolmd hout, door dichte
+kreupelbosschen en onder reusachtige woudkoningen van wier kruin tot
+op den grond, sierlijke kransen van wilde-wijngaardloof afhingen;
+terwijl zij nu en dan verrast werden door allerliefste open plekjes
+bedekt met een grastapijt en met schitterende bloemen bezaaid. Zij
+vonden eene menigte zaken, die hen in verrukking brachten, doch niets
+dat hen bepaald verbaasde. Om het uur namen zij een zwembad en tegen
+het midden van den dag keerden zij weder naar het kamp terug. Zij
+waren te hongerig om zich den tijd tot visschen te gunnen, doch
+niet te hongerig om zich met een maal van koude ham te vergenoegen
+en vlijden zich daarna op een schaduwrijke plaats neder on wat te
+babbelen. Hun praatlust begon echter alras te kwijnen en verdween
+weldra geheel. De plechtige stilte van het woud en de doodelijke
+eenzaamheid gingen haar invloed op hen uitoefenen. Zij raakten aan
+'t mijmeren. Een onbestemde lusteloosheid overviel hen, die gaandeweg
+een bepaalden vorm aannam, namelijk het pijnigend heimwee. Zelf Finn
+met de Roode Hand droomde van zijne stoepen en leege vaten. Doch zij
+schaamden zich over hunne kinderachtigheid, en niemand had den moed
+zijne gedachten uit te spreken. Reeds gedurig hadden zij gemeend in
+de verte een vreemdsoortig geluid te hooren, iets als het verwijderd
+tikken van een klok. Maar nu werd dat geluid sterker en trok het
+bepaald de aandacht. De jongens voelden zich niet op hun gemak,
+keken elkaar aan en gingen zitten luisteren. Eerst hoorden ze niets
+meer en daarna een dof gerommel als van naderenden donder.
+
+"Wat is dat?" riep Joe angstig uit.
+
+"Ja, wat zou dat kunnen wezen!" fluisterde Tom.
+
+"'t Is geen donder," zeide Huckleberry, op allesbehalve gerusten toon,
+"want donder...."
+
+"Stil," zeide Tom "luister en spreek geen woord."
+
+Zij wachtten eenige oogenblikken, die een eeuw schenen en toen werd
+de plechtige stilte weder door het doffe gerommel verstoord.
+
+"Laat ons hoogte gaan nemen!"
+
+Zij sprongen op, ijlden naar den oever, kropen onder het kreupelhout
+door en staarden over de breede watervlakte. Daar zagen zij de kleine
+stoomveerboot, zoo wat een uur van de stad op en neder varen. Het dek
+scheen zwart van menschen. Een aantal schuitjes en roeibootjes dreven
+om en bij de veerboot, doch de knapen konden niet zien wat de mannen,
+die er in zaten, uitvoerden. Plotseling rees een wolk van witten rook
+uit de boot op, voorafgegaan door een harden knal en daarop liet zich
+het doffe gerommel weder hooren.
+
+"Ik weet het!" riep Tom uit, "er is iemand verdronken!"
+
+"Daar heb je het," zeide Huck; "dat hebben ze van den zomer ook gedaan,
+toen Bill Tanner verdronken is. Toen schoten zij ook een kanon op
+het water af, omdat dan het lijk gewoonlijk komt bovendrijven. Ja,
+en soms nemen zij brooden en doen daar kwikzilver in en laten ze dan
+drijven, en die brooden dobberen naar den persoon die verdronken is
+toe en houden daar stil."
+
+"Daar heb ik ook wel van gehoord," zeide Joe, "maar ik zou wel eens
+willen weten, hoe het brood dan blijft stilstaan."
+
+"O," zeide Tom, "dat ligt niet zoozeer aan het brood, als wel aan de
+woorden, die er bij gesproken worden, eer zij het te water laten."
+
+"Maar zij zeggen er niets bij," zeide Huck. "Ik zelf ben er bij
+geweest, toen zij het deden, en zij spraken geen woord."
+
+"Wel, dat is grappig," zeide Tom. "Maar het is toch zeker, dat zij
+er iets bij denken. Dat spreekt vanzelf, dat weet iedereen."
+
+De andere jongens stemden toe, dat voor die bewering van Tom
+veel te zeggen was, omdat een redelooze klomp brood, die niet in
+tooverformulieren onderricht was, niet verwacht kon worden, als een
+met rede begaafd wezen te handelen, wanneer hij zulk een ernstig werk
+te verrichten had.
+
+"Sapperloot, ik wou dat ik er bij was," zeide Joe.
+
+"Ik ook," zeide Huck; "en ik zou goud geven, als ik wist wie het is."
+
+De knapen bleven luisteren en de boot bespieden. Op eens kreeg Tom
+eene ingeving en riep uit:
+
+"Jongens, ik weet al wie er verdronken is! Wij zijn het."
+
+In een oogenblik waren zij helden geworden. Zij hadden een schitterende
+zege behaald, want zij werden gemist en betreurd. Harten waren
+om hunnentwil gebroken, tranen over hen geschreid, gewetens aan
+het knagen gebracht en verdriet en berouw gevoeld. En wat nog het
+heerlijkste was van alles, zij waren het onderwerp van gesprek van de
+gansche stad en werden dientengevolge door al de jongens benijd. Dit
+was verrukkelijk. Nu was het toch wel de moeite waard om zeeroover
+te worden.
+
+Tegen licht en donker voer de veerboot naar hare gewone ankerplaats
+terug en verdwenen de schuitjes. De zeeroovers keerden weder naar
+hun kamp en jubelden van vreugde over hunne fonkelnieuwe grootheid
+en de onrust, die zij hadden doen ontstaan. Er werd weder visch
+gevangen en gebakken, en toen deze verorberd was, ging men zich in
+gissingen verdiepen, omtrent de geruchten, die er te St. Petersburg
+over hen zouden verspreid worden; en de schilderijen, die zij over den
+algemeenen rouw ophingen, gaven van hun standpunt gezien, reden tot
+tevredenheid. Doch naarmate de schaduwen van den nacht hen bedekten,
+werden de knapen stiller en zij eindigden met in het vuur te staren,
+terwijl hunne gedachten blijkbaar elders verwijlden. De opgewondenheid
+was voorbij en Tom en Joe konden het denkbeeld niet verzetten, dat er
+te huis personen waren, die niet zooveel plezier in deze grap hadden
+als zij. Zij begonnen zich angstig te maken en ongelukkig te gevoelen
+en onverhoeds ontsnapte hun een paar malen een zware zucht. Eindelijk
+waagde Joe het, beschroomd te vragen, wat de anderen er van zouden
+denken, als zij weder tot de beschaving terugkeerden,--nu niet--maar...
+
+Tom beantwoordde die vraag met een spotlach en Huck, die hoogst
+vrijheidlievend was, hield zich bij Tom en de weifelaar palmde dadelijk
+in, zeggende, dat hij er niets van gemeend had en dat men volstrekt
+niet moest denken, dat hij naar huis verlangde. Het oproer was alzoo
+voor het oogenblik gedempt.
+
+Bij het vallen van den avond begon Huck te dommelen en was kort daarna
+aan 't snorken. Joe volgde zijn voorbeeld. Tom bleef onbeweeglijk
+op zijne armen liggen en staarde hem eenige oogenblikken strak
+aan. Eindelijk stond hij voorzichtig op en ging bij den weerschijn
+van het flikkerend kampvuur aan het zoeken in het gras. Hij raapte
+eenige stukjes van den witten bast van een vijgeboom op en koos er
+twee, die hem naar den zin schenen te zijn. Toen knielde hij bij het
+vuur neder en schreef met moeite, met een stukje roodkrijt, iets op
+elk van die beide. Daarna rolde hij er een op, stak dat in den zak
+van zijn buis en legde het andere in den hoed van Joe, dien hij vlak
+bij den eigenaar neerzette. Verder vulde hij den hoed met eenige
+schooljongensschatten van schier onmetelijke waarde, als een stuk
+wit krijt, een gomlastieken bal, drie vischhaken en een zoogenaamden
+"echten glazen knikker." Vervolgens sloop hij behoedzaam op de teenen
+tusschen de boomen weg, totdat hij buiten het gehoor was en liep toen
+zoo gauw als zijne beenen hem dragen konden, in de richting van de
+zandbank voort.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV.
+
+
+Eenige oogenblikken later was Tom in de ondiepe rivier verdwenen.
+
+Eer hij met het halve lijf onder water was, had hij reeds de helft
+van den weg afgelegd. Daar de stroom hem nu niet langer veroorloofde
+te waden, sloeg hij moedig armen en beenen uit, om de overschietende
+honderd el door te zwemmen. Hij zwom zooveel mogelijk met den stroom
+mede, doch werd gedurig met meer kracht teruggedreven dan hij verwacht
+had. Toch bereikte hij eindelijk den oever en liet zich langs den kant
+voortdrijven, totdat hij een geschikt plekje vond om te landen. Aan
+wal gekomen, bevoelde hij eerst zijn borstzak on zich te overtuigen,
+dat de boomschors nog op hare plaats zat, en toen maakte hij zich met
+zijne druipnatte kleederen, steeds den oever volgend, door de bosschen
+voort. Even voor tien uren, kwam hij aan een open plek tegenover de
+stad en zag de veerboot in de schaduw der boomen bij den hoogen dijk
+liggen. Alles onder de flikkerende sterren was rustig. Tom kroop den
+dijk af, loerde naar alle kanten, liet zich in het water glijden en
+zwom met drie of vier slagen naar het bootje toe, dat sleepdienst
+deed bij de veerboot. Hij klom er in, ging onder de roeibank liggen
+en wachtte met een kloppend hart. Spoedig werd de oude bel geluid en
+eene stem gaf bevel om het anker te lichten. Een minuut of wat daarna
+werd de voorsteven van het schuitje door de golven, die de boot deed
+ontstaan, omhooggeheven en de reis nam een aanvang. Tom was zeer in
+zijn schik, dat hij nog juist bijtijds was gekomen: immers hij wist,
+dat de boot dien dag voor de laatste maal dienst deed.
+
+Na tien of twaalf minuten stopte de boot, waarop Tom overboord
+stapte en in de duisternis naar den oever kroop. Hij ging echter
+voorzichtigheidshalve omstreeks vijftien el beneden het vaarwater
+aan wal, ten einde het gevaar van ontdekt te worden te ontkomen. Toen
+sloop hij voort, langs weinig bezochte stegen en straten, totdat hij
+voor de schutting aan den achterkant van tantes huis stond. Na deze te
+zijn overgeklauterd, stapte hij voort tot aan den elzeboom en tuurde
+naar binnen door het raam van de zitkamer, waar een licht brandde.
+
+Daar zaten tante Polly, Sid, Marie en de moeder van Joe bij
+elkander. Zij hadden zich rondom de tafel geschaard en het bed stond
+vlak bij den ingang. Tom stapte behoedzaam naar de deur, en lichtte
+voorzichtig de klink op; toen drukte hij zachtjes met zijne knie
+tegen de paneelen en de deur week met een licht gekraak. Hij ging
+voorzichtig met duwen voort, telkens bevende, wanneer hij gerucht
+maakte, totdat hij dacht dat hij er zich op de knieën wel door zou
+kunnen persen. Reeds was zijn hoofd in de kamer, toen hij tante Polly
+hoorde zeggen:
+
+"Hoe zou de kaars zoo waaien? Ik geloof waarempel, dat de deur
+openstaat. Wel, al zijn leven! De wonderen staan niet stil. Kom,
+Sid ga haar sluiten."
+
+Tom verdween van pas onder het bed. Hij bleef een oogenblik stil
+liggen om adem te scheppen en kroop toen zoover naar voren, dat hij
+bijkans tantes voet raakte.
+
+"Maar, zooals ik zeide," vervolgde tante Polly, "eigenlijk slecht was
+hij niet, alleen maar wat ondeugend, een beetje lichtzinnig en wild,
+weet je. Het kind dacht geen kwaad en was de goedhartigste jongen
+van de wereld." En zij begon te schreien.
+
+"Precies zoo was 't met mijn Joe: altijd vol jongensstreken en
+handig in allerlei kattekwaad,--maar hij was de onbaatzuchtigheid en
+vriendelijkheid zelve. En, de hemel zij mij genadig--te moeten denken,
+dat ik hem zweepslagen gegeven heb, omdat hij room gesnoept had, die
+ik zelve uit het raam heb geworpen, omdat ze zuur was geworden!--En
+dat ik hem nooit, nooit, nooit meer op deze aarde zal terugzien,--die
+arme, miskende jongen!"
+
+En juffrouw Harper snikte, alsof haar het hart zou breken.
+
+"Ik hoop dat Tom in betere gewesten is," zeide Sid; "doch als hij
+hier wat meer..."
+
+"Sid!"
+
+Tom voelde het fonkelen van tantes oog, ofschoon hij het niet zien
+kon. "Geen woord ten nadeele van Tom, nu hij is heengegaan. God zal
+hem oordeelen, en gij behoeft u daarover niet moeilijk te maken,
+jongenheer.--Och, juffrouw Harper, ik kan hem niet missen; ik weet
+niet, hoe ik het zonder hem stellen moet. Hij was mij zulk een troost,
+hoewel hij mijn arm hart ten bloede toe kon plagen."
+
+"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren
+zij geloofd!" snikte juffrouw Harper. "Maar 't is zoo hard, o het
+is zoo hard! Verleden Zaterdag nog stak Joe vlak onder mijn neus een
+voetzoeker af en ik heb hem geslagen, totdat hij op den grond lag te
+spartelen. Weinig dacht ik toen, hoe spoedig.... O, als het nog over
+te doen was, ik zou er hem voor aan mijn hart drukken en zeggen...."
+
+"Ja, ja, ja, ik begrijp volkomen wat gij voelen moet, juffrouw Harper:
+ik kan het mij best voorstellen. Gisterenmiddag liet Tom mijn arme
+kat van zijn drankje nemen, en ik dacht dat mijn huis onderstboven
+zou keeren. En, God vergeve mij, ik kneep, met mijn vingerhoed aan
+den vinger, het kind in zijn oor dat het kraakte. Mijn jongen, mijn
+arme, gestorven jongen! Doch hij is nu uit zijn lijden. En de laatste
+woorden, die ik hem hoorde zeggen, waren een verwijt...."
+
+De gedachte aan dit feit was te bitter voor de oude juffrouw en zij
+barstte in tranen uit. Tom voelde dat zijn oogen vochtig werden,
+nog meer uit medelijden met zichzelven dan met de anderen. Hij kon
+Marie hooren snikken en nu en dan een vriendelijk woordje over hem
+in het midden brengen. Meer dan ooit kreeg hij een hoogen dunk van
+zichzelven. Toch was hij zoo diep door de droefheid zijner tante
+geschokt, dat hij snakte om het bed uit te springen en zich in hare
+armen te werpen,--doch hij bedwong zich en bleef liggen.
+
+Al luisterend, ving hij bij stukken en brokken op, dat men eerst
+verondersteld had, dat de knapen met zwemmen verdronken waren:
+toen was het kleine houtvlot vermist en was er door een paar jongens
+medegedeeld, dat de verloren knapen voorspeld hadden, dat het stadje
+eerlang iets hooren zou. De wijzen van St. Petersburg hadden het een
+met het ander in verband gebracht en waren tot het besluit gekomen,
+dat de knapen met het houtvlot van wal gestoken waren en bij de
+eerstvolgende stad aan wal gegaan waren. Doch tegen den middag was
+het houtvlot aan den oever van de Missouri, eenige uren van de stad,
+teruggevonden en toen was de hoop verdwenen. Zij moesten verdronken
+zijn, anders zou de honger hen bij het vallen van den nacht, zooal
+niet eerder, naar huis hebben gejaagd. Men geloofde algemeen, dat
+het eene wanhopige zaak was naar de lijken te zoeken, daar de knapen
+ongetwijfeld midden in de rivier verdronken waren. Anders immers zouden
+zij, die voor goede zwemmers bekend stonden, het wel tot den oever
+hebben kunnen brengen. Deze dingen waren voorgevallen op Woensdag,
+en als de lijken vóór Zondag niet werden gevonden, zou men de hoop
+opgeven en er dien morgen een lijkdienst gehouden worden. Deze laatste
+mededeeling deed Tom even sidderen.
+
+Tegen elf uren stond Juffrouw Harper snikkend op om heen te gaan,
+en door eene opwelling van wederzijdsch medelijden gedreven, vlogen
+de beide van kinderen beroofde vrouwen elkander in de armen en namen
+daarna afscheid.
+
+Tante Polly zeide Sid en Marie dien avond met een buitengewone
+hartelijkheid "goedennacht," en Sid perste zich een paar tranen uit
+de oogen, terwijl Marie luid snikkend naar boven ging. Toen knielde de
+oude juffrouw neder en bad voor Tom zóó vurig, zóó roerend en met zulk
+een oneindige liefde, en hare oude stem beefde zóó, dat eer de laatste
+woorden van dat gesprek uitgesproken waren, Tom in een bad van tranen
+lag. Hij moest zich, nadat de arme vrouw naar bed was gegaan, nog lang
+stilhouden, want zij bleef geruimen tijd wakker en gaf voortdurend
+in hartbrekende uitroepen aan hare droefheid lucht. Eindelijk, na
+zich nu op de eene en dan op de andere zijde geworpen te hebben,
+was zij stil en kreunde alleen nog maar een weinig in haar slaap.
+
+Nu kroop de knaap onder het bed uit, richtte zich langzaam op, hield
+zijne hand voor het nachtlicht en keek zijne tante aandachtig aan. Diep
+medelijden met haar vervulde zijn hart. Hij haalde zijne vijgeboombast
+voor den dag en hield dien bij het licht. Plotseling schoot hem iets
+grappigs te binnen, verhelderde zijn gelaat; haastig stak hij zijne
+boomschors weer op, boog zich over tantes aangezicht heen en drukte
+een kus op hare bleeke lippen. Toen nam hij de terugreis aan en liet
+de deur in de klink vallen. Hij vond, zonder door iemand ontdekt
+te worden, op den tast zijn weg naar het veerbootje terug en stapte
+moedig aan boord. Immers hij wist, dat de boot onbemand was behalve
+misschien door den klepperman, die er altijd in kroop en doorgaans als
+een os sliep. Hij maakte het schuitje van den voorsteven der boot los,
+sloop er in en roeide omzichtig stroomopwaarts. Toen hij omstreeks
+een mijl had voortgeroeid, hield hij op eens schuins aan, begon te
+werken zoo hard als hij kon en bereikte handig de overzijde. Hij
+had grooten lust om het bootje buit te maken, daar hij het schip als
+wettige zeerooversprooi beschouwde, doch hij begreep te gelijkertijd
+dat er overal naar gezocht zou worden en dat eene ontdekking er het
+gevolg van kon zijn. Daarom stapte hij zonder buit aan wal en ging
+het bosch in. Hij zette zich op den grond neder om uit te rusten,
+legde zich de marteling op van wakker te blijven en zocht eindelijk
+zijne oude verblijfplaats weder op. De nacht was bijna voorbij en
+het was klaar dag, toen hij voor de zandbank stond. Daar hield hij
+opnieuw halt en legde zich op den grond te slapen tot de zon aan den
+hemel stond en de groote rivier met haar glans verguldde.
+
+Toen dompelde de knaap zich in den stroom en hield een oogenblik
+later bij den ingang van het kamp stil, juist toen Joe uitriep:
+
+"Neen, Tom is een eerlijke jongen en hij zal terugkeeren. Hij zal ons
+niet verlaten. Hij is er te trotsch voor, want hij weet, dat dit eene
+schande zou wezen voor een zeeroover. Zeker is hij op avonturen uit;
+het zal mij benieuwen wat hij nu weer heeft uitgespookt."
+
+"Goed," antwoordde Huck, "maar als hij niet op zijn tijd past, is
+zijn ontbijt voor ons."
+
+"Ja, als hij er niet is, maar dat is nog niet zeker. Er stond immers
+op de boomschors geschreven: _als_ ik er niet ben, is het ontbijt
+voor ulieden."
+
+"Wie is die hij?" riep Tom met eene tooneelstem uit, terwijl hij met
+fiere houding het kamp binnenstapte.
+
+Spoedig was er een weelderig ontbijt van spek en visch opgedischt,
+waaraan de knapen zich naar hartelust te goed deden. Onderwijl vertelde
+Tom, met de noodige opsieringen, zijne avonturen van dien nacht. Toen
+het verhaal geëindigd was, werden zij drie snoevende, grootsprekende
+helden. Na het ontbijt verschool Tom zich op een schaduwrijk plekje om
+te gaan slapen, en de beide andere zeeroovers gingen op de vischvangst.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI.
+
+
+Na het eten vertrokken de drie knapen naar de zandbank om
+schildpadeieren te zoeken. Zij stootten met stokken in het zand, en
+wanneer zij eene weeke plek vonden, legden zij zich op de knieën en
+groeven haar met de handen uit. Somtijds haalden zij vijftig of zestig
+eieren uit één gat. Het waren witte, bolronde eitjes, iets kleiner dan
+een walnoot. Dien avond hadden zij een heerlijk maal van spiegeleieren,
+dat Vrijdagochtend nog eens herhaald werd. Na dat ontbijt van gebakken
+eieren, begaven zij zich schreeuwend en jubelend naar de zandbank,
+speelden "krijgertje," ontdeden zich onderweg van hunne kleederen
+en liepen in Adams kostuum voort, totdat zij midden in het ondiepe
+water stonden. Daarna spongen zij tegen den steilen oever op, van
+welken zij gedurig tot groote vermeerdering der pret afsukkelden. Nu
+en dan hielden zij bij elkaar stand en gooiden elkaar met water,
+terwijl zij, on het kille nat te vermijden, elkander gedurig met
+afgewend gelaat naderden en eindigden met te grijpen en te worstelen,
+totdat de sterkste zijn buurman onder water geduwd had en zij ten
+laatste allen in een warnet van witte armen en beenen verdwenen, om
+spoedig daarop, blazend, spuwend, lachend en naar den adem hijgend,
+weder boven te komen.
+
+Als de krachten hun begaven, spartelden zij naar het droge, heete
+zand en legden zich daarop neder, om er zich mede te bedekken. En
+dan sprongen zij langzamerhand weder naar het water en vertoonden
+dat spelletje voor de tweede maal.
+
+Eindelijk viel het hun in, dat hunne huid sprekend op een
+vleeschkleurig tricot geleek; dientengevolge werd er in het zand
+een cirkel getrokken en een paardenspel vertoond, met drie clowns,
+want geen hunner wilde die schitterende rol aan den anderen afstaan.
+
+Vervolgens werden de knikkers gehaald en werd er gestuit en gerold,
+totdat ook dat spel verveelde. Daarna gingen Joe en Huck weder zwemmen,
+maar Tom durfde zich daaraan niet meer wagen, omdat hij bij het
+uittrekken van zijn broek, het palingvel van zijne enkels gestroopt
+had en hij zich niet kon begrijpen, dat hij zonder dit geheimzinnig
+voorbehoedmiddel zoo lang aan de kramp ontkomen was. Hij waagde zich
+niet weder, eer hij dien talisman teruggevonden had, en toen waren de
+andere jongens moede en verlangden naar rust. Van lieverlede begonnen
+zij met loomen tred rond te dolen, werden zwaarmoedig en staarden
+verlangend over de breede rivier, naar de plek, waar St. Petersburg
+zich in de zon lag te koesteren. Tom bemerkte, dat hij met zijn grooten
+teen het woord "Becky" in het zand had geschreven. Hij wischte het
+uit en was boos op zichzelven om zijne zwakheid. Doch hij schreef het
+niettemin nog eens, wischte het nogmaals uit en ontworstelde zich
+toen aan de verzoeking, door de andere jongens op te halen en zich
+bij hen te voegen.
+
+Maar de opgewektheid van Joe was voorbij en scheen niet terug te
+keeren. Hij had zulk een heimwee, dat hij het nauwelijks meer uithouden
+kon. De tranen stonden hem in de oogen. Ook Huck was zwaarmoedig
+evenals Tom, doch de laatste durfde het niet toonen. Hij droeg een
+geheim met zich om, dat hij niet gaarne wilde openbaren, doch waarmede
+hij, indien deze sombere, oproerige geest niet werd gefnuikt, wel voor
+den dag zoude moeten komen. Daarom zeide hij, schijnbaar zeer opgewekt:
+
+"Ik wed, dat vroeger op dit eiland ook zeeroovers zijn geweest. Zullen
+wij eens op verkenning uitgaan? Zij hebben zeker hier of daar een
+schat begraven! Wat zou jelui hiervan zeggen, als je daar eens een
+verrotte kist vol goud en zilver voor je zaagt liggen,--hé?"
+
+Dit vooruitzicht echter wekte geen de minste opgewondenheid en
+er werd niet eens op geantwoord. Een paar andere verleidelijke
+voorstellen vielen eveneens in het water. Dat was ontmoedigend. Joe
+keek mistroostig voor zich en krabbelde met zijn stok in het
+zand. Eindelijk riep hij uit:
+
+"O, jongens, laat ons het opgeven. Ik _moet_ naar huis; ik voel mij
+zoo verlaten."
+
+"Kom, Joe dat zal langzamerhand wel beter worden," zeide Tom. "Denk
+maar eens aan al de gelegenheden, die je hier hebt om te visschen.
+
+"Ik geef niet om visschen; ik verlang naar huis!"
+
+"Maar, Joe, nergens is zoo'n zwemplaats als hier."
+
+"Wat kan mij het zwemmen schelen: 't is alsof het mij verveelt,
+nu niemand het mij verbiedt. Ik wil naar huis!"
+
+"O, hoe kinderachtig! Hij verlangt naar zijn moesje!"
+
+"Ja, ik _verlang_ naar moeder en dat zou jij ook doen, als je er een
+hadt. Ik ben niet kinderachtiger dan jij." En Joe begon te schreien.
+
+"Wel, dan zullen wij het schreeuwpoppetje maar naar huis laten gaan,
+niet waar Huck? Arme jongen! Hij verlangt naar moesje! Nu, hij zal
+ook naar haar toe gaan. Jij vindt het prettig hier, hé, Huck? Wij
+zullen blijven, niet waar?"
+
+Huck antwoordde: "Ja--a," maar het ging niet van harte.
+
+"Ik spreek van mijn leven niet meer tegen jelui," zeide Joe en stond
+op. "Daar nu!"
+
+En hij draaide de beide jongens den rug toe en ging zich verder
+aankleeden.
+
+"Wie geeft wat om jou?" zeide Tom. "Niemand heeft je noodig. Ga maar
+naar huis on uitgelachen te worden. Jij bent een mooie zeeroover. Huck
+en ik zijn geen schreeuwpoppetjes. Wij blijven, niet waar, Huck? Wij
+laten hem stilletjes trekken. Wij zullen het wel zonder hem stellen."
+
+Maar Tom voelde zich allesbehalve prettig en was in ernst ongerust,
+toen hij Joe mismoedig zag voortgaan om zich te kleeden. Buitendien
+was het onrustbarend te bemerken, dat Huck met belangstelling Joes
+toebereidselen gadesloeg en een onheilspellend stilzwijgen in acht
+nam. Daar stapte Joe, zonder een woord tot afscheid, den kant op
+der zandbank. Het hart zonk Tom in de schoenen. Hij keek naar Huck,
+en Huck, die hem niet durfde aanzien, sloeg de oogen neder en zeide:
+
+"Ik verlang ook zoo, Tom; ik heb mij hier nog meer verlaten gevoeld
+dat overal elders en nu zal het nog erger worden. Kom, Tom, laten
+wij ook gaan."
+
+"Dank je wel; jelui kunt allebei gaan, als je verkiest. Ik denk
+te blijven."
+
+"Tom, ik wou liever gaan."
+
+"Nu, ga dan! Wie belet je?"
+
+"Tom, ik wou, dat jij ook meegingt. Toe, denk er eens over. Wij zullen
+bij de zandbank op je wachten."
+
+"Dan zul je verduiveld lang moeten wachten; dat is alles wat ik je
+te zeggen heb."
+
+Huck ging verdrietig heen en Tom stond hem na te oogen, brandende van
+verlangen om hem te volgen en toch te trotsch om dat te doen. Hij
+hoopte dat de jongens zouden omkeeren, doch zij waren al uit het
+gezicht. Op eens voelde hij, dat het ontzettend eenzaam en stil om
+hem heen was geworden.
+
+Nog eenmaal worstelde hij met zijn hooghartig gemoed, ijlde zijne
+makkers achterna en gilde:
+
+"Wacht! wacht! Ik moet je wat vertellen!"
+
+Dadelijk hielden zij stil en keerden zich om.
+
+Toen hij hen had ingehaald, deelde hij hun een plannetje mede. Eerst
+hoorden zij hem gemelijk aan, maar toen zij eindelijk het punt
+ontdekten waar hij hen hebben wilde, werd zijn plan met een luid
+"hoera" begroet, een prachtig denkbeeld genoemd en werd er verklaard,
+dat, als hij het dadelijk had medegedeeld, zij niet aan naar huis
+gaan gedacht zouden hebben.
+
+Tom maakte over zijne terughoudendheid eenige schoonschijnende
+verontschuldigingen; de ware reden daarvan echter was de vrees,
+dat zelfs dit geheim niet langer in staat mocht zijn hen nog te doen
+blijven, en hij had het daarom als het laatste noodschot bewaard.
+
+De knapen keerden vroolijk terug en gingen met opgewekt gemoed weder
+aan het spelen, niet uitgepraat over het heerlijke denkbeeld van
+Tom en vol bewondering over zijn vernuft. Na een smakelijk maal van
+eieren en visch verklaarde Tom, dat hij lust had on te rooken. Joe
+vond dit een voortreffelijke inval en zeide, dat hij het ook eens
+wilde probeeren. Huck maakte pijpjes en stopte die. Onze nieuwelingen
+hadden nooit iets anders gerookt dan stroo-sigaren, doch dat waren
+"flauwe dingen," te kinderachtig on meegeteld te worden.
+
+Nu strekten zij zich op het mos uit, leunden welbehaaglijk op hunne
+ellebogen en begonnen dapper te blazen. De tabak was lang niet lekker
+en maakte hen een beetje draaierig; doch Tom zeide:
+
+"Nu, dat is gemakkelijk. Had ik geweten, dat er zoo weinig aan was,
+dan had ik het al lang geleerd."
+
+"Ik ook," zeide Joe; "het beduidt niets."
+
+"Hoe menig keer," zeide Tom, "heb ik rookers aangekeken en gedacht:
+'Hè, ik wenschte dat ik het kon,' en dan hield ik het er voor, dat ik
+het nooit zou kunnen leeren. Heb ik dat niet gezegd, Huck? Heb jij het
+mij niet hooren zeggen, Huck? Laat Huck zeggen, of het niet waar is."
+
+"Ja, wel twintigmaal," zeide Huck.
+
+"Neen," zeide Tom, "wel honderdmaal. Eens nog, toen wij bij het
+slachthuis stonden. Herinner jij je dat niet, Huck? Bob Tanner was
+er ook bij en Johan Hatcher en Jeff Hatcher. Weet je niet meer, Huck,
+dat ik het zeide?"
+
+"Ja, zeker," antwoordde Huck. "'t Was op denzelfden dag, waarop ik
+mijn albasten knikker verloor;--neen, 't was den dag te voren."
+
+"Heb ik het je niet gezegd?" zeide Tom. "Huck herinnert het zich nog."
+
+"Ik geloof, dat ik den geheelen dag wel pijpen zou kunnen rooken. Ik
+ben niets misselijk."
+
+"Ik ook niet," zeide Tom. "Ik zou wel van den morgen tot den avond
+kunnen rooken, maar ik wed, dat Jeff Hatcher het niet zou kunnen."
+
+"Jeff Hatcher! Wel, hij zou bij den tweeden trek al katterig
+worden. Laat hij het maar eens wagen, dan zul je wat zien!"
+
+"Ik geloof het ook.--En Johnny Miller... Ik zou Johnny Miller wel
+eens met een pijp willen zien!"
+
+"En ik!" zeide Joe. "Ik ben zeker, dat Johnny Miller geen trekje kan
+doen. Als hij maar één pijpje rookt, zou hij al ziek worden."
+
+"Dat zou hij zeker, Joe.--Zeg, ik wou dat de jongens ons nu eens
+konden zien."
+
+"Ik ook."
+
+"Zeg, jongens," zeide Tom, "we moeten er niet van vertellen, en als we
+dan weder eens bij elkaar zijn, dan zal ik op je afkomen en zeggen:
+'Joe, kom geef mij een pijp; ik wou eens rooken,' en dan moet jij
+zeggen, zoo onverschillig mogelijk, alsof het niets was: 'Goed, ik heb
+mijn oude pijp en ook nog een andere, maar mijn tabak deugt niet.' En
+dan zal ik weer zeggen: 'O, dat doet er niet toe, als ze maar _zwaar_
+is.' En dan moet jij met de pijpen voor den dag komen en wij zullen
+ze kalmpjes opsteken--en dan zul je ze eens zien kijken."
+
+"Waaratje, dat zal grappig zijn, Tom; ik wou, dat het nu al zoo
+ver was!"
+
+"Ik ook. En wanneer wij hun vertellen, dat we het geleerd hebben
+toen we zeeroovers waren, zouden zij dan niet willen dat zij er bij
+geweest waren?"
+
+"Neen, dat geloof ik niet; maar wij zullen er om wedden."
+
+Dus ongeveer liep het gesprek der knapen. Langzamerhand echter begon
+het een weinig te verflauwen en wilde het niet meer vlotten. De
+gapingen tusschen het eene onderwerp en het andere werden grooter en
+het spuwen verbazingwekkend. Elke porie in de wangen der knapen werd
+een spuitende fontein en zij konden de kelders onder hun tong niet
+schielijk genoeg uitscheppen on eene overstrooming te voorkomen. Er
+kwamen tegen wil en dank kleine opwellingen in hun keel, die gevolgd
+werden door aanvallen van misselijkheid. De beide knapen zagen er
+bleek en akelig uit. Eindelijk viel Joes pijp hem uit de krachtelooze
+vingers. Daarop volgde die van Tom. De beide fonteinen sprongen
+met onstuimige woede en de beide pompen werden met kracht en geweld
+uitgeschept. Joe zeide flauwtjes:
+
+"Ik heb mijn mes verloren, ik ga het eventjes opzoeken."
+
+Tom zeide met bevende lippen en ingehouden adem:
+
+"Ik zal je helpen. Ga jij dezen kant, dan loop ik langs de bron.--Neen,
+je behoeft niet mede te gaan, Huck;--wij zullen het wel vinden."
+
+Huck ging weer zitten en wachtte een uur. Toen begon hij zich te
+vervelen en ging zijne kameraden zoeken. Zij lagen ver van elkander,
+diep in het woud, beiden zeer bleek en vast in slaap. Maar uit
+een waarneming, welke hij deed, bleek hem dat zij, van hetgeen hen
+hinderde, verlost waren.
+
+Zij hadden dien avond aan het souper niet veel te vertellen en zagen
+verlegen voor zich. Toen Huck na het avondeten zijn pijp voor den
+dag haalde en er ook een voor hen wilde klaarmaken, bedankten zij
+en verklaarden dat zij zich niet wel voelden, omdat iets, dat zij
+'s middags gegeten hadden, hun nog in de maag zat.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII.
+
+
+Tegen middernacht werd Joe wakker en riep de jongens. Er was eene
+drukkende benauwheid in de lucht, die weersverandering scheen
+te voorspellen. De knapen schoten haastig hunne kleeren aan en
+schaarden zich voor de gezelligheid om een vriendelijk vuurtje,
+niettegenstaande men in den snikheeten, door geen enkel koeltje
+bewogen dampkring dreigde te stikken. Zij bleven stil, in gespannen
+verwachting, om het vuur zitten. Een pikzwarte duisternis, slechts
+afgewisseld door het schijnsel van het vuur lag over het landschap
+uitgespreid. Daar verlichtte eensklaps, voor een oogenblik, een
+flikkerende lichtstraal het donker geboomte. Een tweede volgde, iets
+heller daarna een derde. Toen werd er een zacht gesuis door het woud
+gehoord en een nauw merkbaar tochtje verkoelde de wangen der sidderende
+knapen, die zich verbeeldden, dat de Geest van den Nacht hun was
+voorbijgegaan. Daarop werd het weder bladstil. Maar op eens veranderde
+een onheilspellende bliksemstraal den nacht in zóó helderen dag, dat
+elk grasscheutje op den bodem, het kleinste zelfs, duidelijk zichtbaar
+werd--en tevens drie bleeke, verschrikte gezichten te zien kwamen. Een
+zware donderslag rolde door de lucht en verloor zich in de verte in
+een dof gerommel. Een kille windvlaag streek hun langs het hoofd,
+schudde al de bladeren en joeg de asch on het vuur in groote vlokken
+naar omhoog. Opnieuw zette een geweldige bliksemstraal het woud als in
+vuur en onmiddellijk daarna knalde een donderslag, die de boomtoppen
+boven het hoofd der kinderen scheen te splijten. Doodelijk ontsteld
+klemden zij zich in de dikke duisternis, die thans alles weder omhulde,
+aan elkaar vast. Enkele dikke regendroppels kletterden op de bladeren.
+
+"Gauw, jongens, naar de tent!" riep Tom uit.
+
+Zij spoedden zich weg en stommelden over wortels en door
+wijngaardranken voort. Een weldoende rukwind loeide door het
+bosch. Bliksemstraal volgde op bliksemstraal en ratelslag op
+ratelslag. En nu stroomde de regen naar beneden en de razende orkaan
+dreef dien in breede golven over den grond. De knapen schreeuwden
+luid tegen elkaar doch de bulderende storm en de rommelende donder
+overstemden hun geroep. Eindelijk bereikten zij de tent, waaronder zij
+koud, verschrikt en druipende van het water eene schuilplaats zochten,
+dankbaar dat zij in hunne ellende lotgenooten hadden in elkander. Zich
+aan elkaar verstaanbaar maken konden zij, al hadden andere geluiden
+zulks niet verhinderd, niet, door het woedend klepperen van het oude
+zeil. De storm verhief zich meer en meer, en weldra rukte het zeil
+zich van zijne banden los en ijlde voort op de vleugelen van den
+wind. De knapen grepen elkaar bij de hand en vluchtten onder het
+schutsdak van den grooten eik, aan den kant der rivier. Nu had de
+strijd zijn toppunt van heftigheid bereikt en bij den onafgebroken
+gloed van het in de lucht vlammend bliksemvuur teekende zich alles
+daarbeneden akelig scherp af.
+
+De zwiepende boomen, de kokende rivier met hare witte golven, de
+schuimvlokken die haar als met een sprei overdekten, de donkere
+omtrekken van den hoogen oever aan den overkant en daarboven de
+jagende wolken en de schuin neervallende regen. Telkens gaf een
+reusachtige boom den strijd op en viel krakend over het jongere
+gewas; en de onvermoeide donderslagen barstten onafgebroken, met
+een oorverdoovend, alles doordringend, onuitsprekelijk schrikwekkend
+geraas, in knallen los. De storm spande met eene uiterste poging al
+zijne krachten in om het eiland stuk te slaan, in vlam te zetten,
+onder water te dompelen, tot aan de kruinen der boomen toe, en alle
+schepselen die er op huisden te vernietigen. Het was een vreeselijke
+nacht om onder den blooten hemel door te brengen.
+
+Maar eindelijk was de strijd volstreden; de legermachten trokken
+onder steeds zwakker dreigen en rommelen af en de vrede nam de teugels
+van het bewind weder in handen. De knapen gingen vol angst naar hun
+kamp terug en bemerkten, dat zij nog reden tot dankbaarheid hadden,
+want de groote vijgeboom, onder welken zij des nachts hadden gerust,
+was door den bliksem vernield en aan splinters geslagen.
+
+Het geheele kamp was doorweekt en het kampvuur daarbij, want onze
+onbedachtzame knaapjes hadden geene voorzorgen tegen den regen
+genomen. Stof genoeg om moedeloos te zijn: immers zij waren nat tot op
+het hemd en beefden van koude. Al pratende over hun ongeval ontdekten
+zij, dat het vuur onder het groote blok hout, waartegen het aangelegd
+was, zoo ver had voortgewoekerd, dat daar waar het blok zich opwaarts
+kromde en boven den grond verhief, slechts een handje vol hout was
+blijven smeulen.
+
+Toen gingen zij ijverig aan het werk, on met boomschors en afval van
+droog hout, dat zij hier en daar opzamelden, de uitgedoofde vlam aan
+te wakkeren, en nadat hun dit gelukt was legden zij er doode takken
+bovenop en hadden tot hunne groote vreugde weldra weder een knappend
+vuurtje. Zij droogden hun gekookte ham, deden zich daaraan te goed,
+gingen daarna bij het vuur zitten en wijdden tot aan den morgenstond
+uit over hun nachtelijk avontuur.
+
+Toen de zon de knapen met hare stralen begon te beschijnen, werden
+zij slaperig en trokken naar de zandbank, waarop zij zich ter ruste
+legden. Zij ontwaakten bijna geroosterd door de heete dagvorstin en
+zetten zich met droge kleeren aan hun ontbijt. Doch daarna gevoelden
+zij zich onaangenaam stijf en begon het heimwee terug te komen. Tom
+bemerkte die kwade teekens en beurde de zeeroovers op, zooveel als
+hij kon. Alles echter liet hen onverschillig, knikkers zoowel als het
+paardenspel en het zwemmen. Hij bracht hun het afgesproken geheim
+te binnen en wist hierdoor een straaltje van opgewektheid in hun
+gemoed te doen doorschemeren. Zoolang dat aanhield, boezemde hij hun
+belangstelling in voor een nieuw spel. Dit was: het zeerooverschap er
+een poos aan te geven en voor de verandering Indianen te worden. Dit
+denkbeeld trok hen aan. Het duurde dan ook niet lang, of zij hadden
+zich geheel ontkleed en van het hoofd tot de voeten met modderstrepen
+besmeerd. Als Zebra's gingen zij woest schreeuwend, door het woud,
+om eene Engelsche kolonie aan te vallen.
+
+Van lieverlede scheidden zij zich in drie vijandelijke stammen en
+beschoten elkaar uit hinderlagen, onder vreeselijke strijdkreten en
+moordden en scalpeerden elkander bij duizenden. Het was een bloedige
+dag en daarom zeer aangenaam. Tegen den avond verzamelden zij zich
+hongerig en tevreden in hun kamp. Thans evenwel deed zich eene
+moeilijkheid voor:--vijandige Indianen konden te zamen het brood der
+gastvrijheid niet breken, eer zij vrede gesloten hadden, en dit was
+bepaald onmogelijk zonder het rooken van de vredepijp. Van eene andere
+wijze om een twist te beslechten hadden zij nooit gehoord. Twee der
+wilden wenschten bijna, dat zij zeeroovers gebleven waren. Toch was er
+geen andere weg. Met gehuichelde vroolijkheid vroegen zij om eene pijp
+en dampten zooals het behoort. En ziet, zij waren blijde dat zij wilden
+geworden waren, want zij hadden er iets bij gewonnen. Zij bemerkten
+namelijk, dat zij een weinig konden rooken, zonder naar een verloren
+mes te behoeven te gaan zoeken. Natuurlijk werd er van deze heerlijke
+ontdekking partij getrokken en werd er na het eten voorzichtig nog
+een pijpje aangestoken. Hun pogen werd met een goeden uitslag bekroond
+en zoo brachten zij een verrukkelijken avond door. Zij waren trotsch
+er op en gelukkiger met het verworven talent, dan zij geweest zouden
+zijn, indien zij de zes natiën gescalpeerd en afgestroopt hadden.
+
+En hier zullen wij hen aan hun pijp en hun gezwets overlaten, daar
+wij voor het tegenwoordige niets met hen te maken hebben.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVIII.
+
+
+Op dien stillen Zaterdag heerschte er in het stadje St. Petersburg
+ver van algemeene vroolijkheid. Juffrouw Harper en tante Polly met de
+haren, zaten onder zuchten en tranen rouwkleeren te maken en de anders
+toch reeds stille straten waren als uitgestorven. De bewoners gingen
+somber en zwijgend huns weegs en liepen elkaar, onder het slaken van
+zware zuchten, sprakeloos voorbij. De kinderen waren verlegen met hun
+vrijen Zaterdagmiddag; hun hart was niet bij het spel en het was nog
+niet begonnen of het was alweer gedaan.
+
+In den namiddag zou men Becky Thatcher met een bezwaard gemoed langs
+het verlaten schoolgebouw hebben kunnen zien zwerven, zonder iets of
+iemand te vinden on haar te troosten. Eindelijk sprak zij verdrietig
+tot zich zelve:
+
+"Och, had ik toch zijn koperen knop maar! Helaas ik heb geen enkele
+gedachtenis, niets dat mij aan hem herinnert!" En de woorden bleven
+haar in de keel steken.
+
+Na een poos hernam zij:
+
+"Het gebeurde juist op deze plek. O, als ik het over kon doen,--ik
+zou hem voor geen wereld zoo behandelen! Nu is hij heengegaan, en ik
+zal hem nooit, nooit meer terugzien!"
+
+Dit denkbeeld maakte haar zoo van streek, dat, op den ganschen weg
+huiswaarts, haar de tranen langs de wangen biggelden.
+
+Toen kwam er een troepje jongens en meisjes aan,--speelkameraden van
+Tom en Joe. Zij bleven voor het ijzeren hek staan kijken en vertelden
+elkaar op eerbiedigen toon, wat Tom, de laatste maal dat zij hem gezien
+hadden, gedaan had en wat Joe gezegd had, woorden waaraan zij toen niet
+gehecht hadden, maar die gebleken waren eene vreeselijke voorspelling
+te zijn. Sommigen wezen de juiste plek aan, waar de ongelukkige knapen
+toen gestaan hadden en voegden er gedurig volzinnen bij als deze:
+"En ik stond juist, juist, zooals ik nu sta,--en hij stond juist,
+waar jij nu staat--juist zoo dicht bij--en hij lachte precies zooals
+ik nu doe--en toen ging mij een rilling door de leden: waarom, dat
+wist ik zelf niet, maar nu begrijp ik het."
+
+Daarop volgde een geschil over de vraag, wie de overledenen het laatst
+gezien had, en velen maakten aanspraak op de droevige onderscheiding,
+terwijl zij hunne beweringen met meer of minder afdoende bewijzen
+staafden. En toen zij het er eindelijk over eens waren, wie de
+gelukkige geweest was, kreeg deze eene plechtige voornaamheid en werd
+hij door al de anderen bewonderd en benijd. Een klein jongentje in
+hun midden, dat zich toch ook gaarne op iets ten aanzien van Joe en
+Tom beroemen wilde, zeide met den noodigen trots:
+
+"Tom Sawyer heeft mij ook een pak slaag gegeven."
+
+Doch deze onderscheiding werd met te veel anderen gedeeld, om aanspraak
+op haar naam te kunnen maken, en het kleine mannetje droop verlegen af.
+
+Na nog eenigen tijd op fluisterenden toon over de daden der overleden
+helden gesproken te hebben, verspreidde zich de schare.
+
+Toen den volgenden morgen de Zondagsschool uitging, begon de dood-
+in plaats van de gewone kerkklok te luiden. Het was een rustige
+sabbatmorgen en het sombere gelui was volkomen in overeenstemming
+met de stille, kalme natuur. Uit alle straten en stegen zag men
+menschen naar de kerk stroomen en de meesten bleven, voordat zij
+binnentraden, een oogenblik in het voorportaal van het Godshuis
+staan, om met gedempte stem over het ongeval te spreken. In de kerk
+evenwel hield het gefluister op. Daar werd geen geluid vernomen,
+behalve het geritsel der japonnen van de vrouwen die zich naar hare
+zitplaatsen begaven. Bij menschengeheugenis was de kerk nooit zoo
+vol geweest. Toen iedereen gezeten was, volgde er een akelige pauze;
+want, zie, daar kwam tante Polly binnen, gevolgd door Sid en Marie,
+en daarachter de familie Harper,--allen in diepen rouw gekleed. De
+geheele vergadering, de predikant niet uitgezonderd, rees eerbiedig op
+en bleef staan, totdat de rouwdragers in de voorste bank hadden plaats
+genomen. En nu volgde weder eene indrukwekkende stilte, afgebroken
+door een onderdrukt gesnik, dat eerst ophield, toen de predikant
+zegenend zijne handen over de menigte uitspreidde en ging bidden. Op
+het gebed volgde een aandoenlijk, toepasselijk gezang en vervolgens
+werd de tekst voorgelezen: "Ik ben de opstanding en het leven."
+
+In den loop zijner rede schilderde de predikant het beminnelijk
+karakter der veelbelovende jeugdige overledenen zóó aangrijpend af,
+dat elk lid der vergaderde gemeente zich het hart voelde toeknijpen bij
+de gedachte aan zijne opzettelijke verblinding, die halsstarrig niets
+dan fouten en gebreken in de arme knapen had willen ontdekken. Menig
+treffend voorval uit het leven der afgestorvenen bracht hij bij,
+waarin hunne zachtheid en de adel van hun gemoed schitterend voor
+den dag kwamen. Duidelijk zag men thans in, dat de schijnbaar
+ondeugende knapen in waarheid goed waren geweest, en men herinnerde
+zich met hartzeer, hoe men menige edele daad der beide kinderen als
+booze streken had beschouwd, die men met een vracht zweepslagen had
+beloond. De vergadering werd hoe langer zoo meer bewogen, al naarmate
+de redenaar zijne pathetische schetsen vervolgde, zoodat op het eind
+al de aanwezigen in tranen versmolten en met de weenende rouwdragers
+een koor van zenuwachtig gesnik aanhieven. Zelfs de prediker was
+zijn gevoel niet langer meester en zette zich bitter schreiende in
+den preekstoel neder.
+
+Juist op dat oogenblik ontstond er een klein geritsel in het
+voorportaal, waarop toevallig niemand acht sloeg. Een oogenblik later
+kraakte de kerkdeur, en de dominée nam den zakdoek van zijne betraande
+oogen weg, rees op en bleef, als van den donder getroffen, in den
+preekstoel staan. Eerst volgde één en daarna eene tweede paar oogen
+de richting van des predikers blik, en binnen eenige oogenblikken
+verhieven zich al de vergaderden van hunne zitplaatsen en staarden
+naar de deur, door welke de drie doodgewaande knapen voorwaarts
+stapten;--Tom vooruit, toen Joe en verlegen in de achterhoede,
+de ongelukkige, in lompen gehulde Huck. Zij hadden zich achter een
+pilaar schuilgehouden, om hun eigen lijkpredikatie te hooren.
+
+Tante Polly, Marie en de Harpers wierpen zich op de hun teruggegeven
+kinderen, versmoorden hen bijna onder kussen en goten een stortvloed
+van dankgebeden over hun hoofd uit, terwijl Huck bedeesd in een hoek
+bleef staan, niet wetende wat hij doen moest en hoe hij zich voor
+zoovele onwelkome oogen moest verbergen. Hij week zachtjes achteruit
+om af te druipen, Maar Tom vatte hem bij den arm en zeide:
+
+"Tante Polly, dat is niet mooi; er moest ook iemand verheugd zijn,
+dat Huck is teruggekomen."
+
+"En dat zal ook zoo zijn. Ik ben blijde hem te zien, dien ongelukkigen,
+moederloozen jongen!" En in hare verrukking ging de oude juffrouw hem
+zoo hartelijk omhelzen, dat de arme knaap zich ten laatste niet meer
+wist te bergen van verlegenheid.
+
+Plotseling riep de dominée met luider stem:
+
+"Juich, aarde! juich alom den Heer!"
+
+"Zing!--en doe het met geheel uw ziel!"
+
+En dat deden zij.--En de tonen van den ouden honderdsten psalm klonken
+zegevierend door het eerwaarde kerkgebouw, en terwijl zij de muren
+deden trillen, keek Tom Sawyer, de zeeroover, naar de hem benijdende
+jeugd en beleed in zijn hart, dat dit het schoonste oogenblik zijns
+levens was.
+
+Toen de "beetgenomen" kerkgangers uiteengingen, verklaarden zij, dat
+zij bijna wenschten nog eens zoo voor den gek gehouden te worden, on
+het genot te smaken, den ouden honderdsten psalm zóó te hooren zingen.
+
+Tom kreeg dien dag meer zoenen en klappen, al naar gelang van tantes
+veranderlijke gemoedsstemming, dan hem te voren in een jaar waren
+toebedeeld. De oude juffrouw toch was zoo vervuld van dankbaarheid
+aan God en liefde voor haar neef, dat zij nauwelijks wist of zij
+aan die gevoelens door kastijdingen dan wel door liefkozingen moest
+lucht geven.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIX.
+
+
+Dit nu was Toms groot geheim:--het plan om met zijne mede-zeeroovers
+naar huis terug te keeren, op het oogenblik dat de lijkdienst over
+hen zou gehouden worden. Zij waren Zaterdag, tegen schemerdonker,
+op een blok hout de rivier afgezakt en vijf of zes mijlen beneden het
+stadje aan land gegaan. Zij hadden in een bosch, in de nabijheid van
+St. Petersburg, geslapen en waren bij het aanbreken van den dag door
+allerlei straatjes en steegjes gekropen, totdat zij de kerk bereikt
+hadden, waar zij te midden van een chaos van vermolmde banken nog
+een uiltje hadden geknapt.
+
+Den volgenden morgen na het ontbijt waren tante Polly en Marie
+buitengewoon hartelijk jegens Tom en voorkwamen zijne wenschen. Het
+gesprek was bijzonder levendig en tante Polly zeide:
+
+"Ik zal niet ontkennen, Tom, dat ik het nogal grappig van je vond, om
+de gansche stad eene week lang te laten treuren, terwijl jelui pleizier
+maakten; maar ik kan mij niet begrijpen, hoe je zoo ongevoelig kondt
+zijn, om mij zoo lang in de benauwdheid te laten. Als je op een blok
+hout de rivier kondt oversteken voor je lijkdienst, had je ook wel
+eens kunnen komen overvaren om mij te verstaan te geven, dat je niet
+dood, doch alleen weggeloopen waart."
+
+"Ja, waarom heb je dat niet gedaan?" zeide Marie. "Ik geloof zeker,
+dat, als je er aan gedacht hadt, je wel even hier zoudt gekomen zijn."
+
+"Zou je, Tom?" vroeg tante Polly, terwijl zij peinzend haar gelaat
+tot hem ophief. "Zeg, zou je het gedaan hebben, als je er aan gedacht
+hadt?"
+
+"Ik... wel, ik weet het niet. Het zou alles bedorven hebben."
+
+"Tom, ik dacht dat je ten minste zooveel van mij hieldt, om dat voor
+mij over te hebben," zeide tante Polly, op een toon zoo vol weemoed,
+dat het gemoed van den knaap volschoot. "Het zou mij een troost
+geweest zijn te weten, dat je er aan gedacht had, zelfs zonder het
+te hebben gedaan."
+
+"Nu, lieve tante, maak er u niet naar over," vleide Marie; "'t is
+niets dan onnadenkendheid van Tom. Hij is altijd zoo--zoo onbezonnen."
+
+"'t Spijt mij vreeselijk! Sid zou er aan gedacht hebben; hij zou
+bij mij gekomen zijn. O Tom, eens zal het je berouwen, als het te
+laat is, en dan zul je zeggen: 'Was ik maar wat meer bezorgd voor
+haar geweest!'"
+
+"Och tante," zeide Tom, "u weet toch wel, dat ik veel van u houd."
+
+"Ik zou het beter weten, indien je er een weinigje meer naar
+handeldet."
+
+"Ik wou nu wel, dat ik het maar gedaan had," zeide Tom, op berouwvollen
+toon; "maar ik heb toch van u gedroomd; dat is al wat."
+
+"Dat zegt nog niet veel; een kat doet hetzelfde: maar 't is toch
+beter dan niets. Wat heb je gedroomd?"
+
+"Wel, Woensdagnacht droomde ik, dat u bij het bed zat en Sid op de
+houtkist en Marie naast hem."
+
+"Nu, dat doen we immers altijd. Het verheugt me, dat je ons de moeite
+waard geacht heb, dat van ons te droomen."
+
+"En ik droomde, dat de moeder van Joe Harper hier was."
+
+"Wel, zij was hier! Heb je nog meer gedroomd?"
+
+"O, nog zooveel! Doch het staat mij niet duidelijk meer voor."
+
+"Tracht het je te binnen te brengen.--Gaat het?"
+
+"Er ligt mij iets van bij, dat het heel hard woei."
+
+"Bezin je nog eens! De wind woei hard en..." Tom hield een minuut
+lang peinzend zijne hand voor zijn voorhoofd en zeide toen:
+
+"Ik ben er! Ik ben er! De wind blies de kaars uit!"
+
+"God zij ons genadig! Ga voort, ga voort!"
+
+"En het was mij, als zeidet gij: 'Wel, ik geloof, dat de deur...'"
+
+"Ga voort, Tom!"
+
+"Laat mij een oogenblikje, een klein oogenblikje bedenken. O ja,--u
+zei, dat u dacht dat de deur open was."
+
+"Zoo waar als ik leef, dat heb ik gezegd! Heb ik niet, Marie? Ga
+verder!"
+
+"En toen--en toen--ik ben er niet zeker van, maar toen meende ik,
+dat u Sid de deur liet..."
+
+"Nu! Wat liet ik Sid, Tom? Wat liet ik Sid doen?"
+
+"U liet hem--u--O--u liet hem de deur dichtdoen!"
+
+"Hemelsche goedheid! Zoo iets heb ik nog nooit gehoord! Zeg mij niet
+meer, dat droomen bedrog is. Sientje Harper zal dit weten, eer ik
+een uur ouder ben. Het zal mij eens benieuwen of zij mij nu nog zal
+bespotten over mijne lichtgeloovigheid!"
+
+"O, tante, het wordt mij zoo klaar als het licht! Toen zei u, dat ik
+niet slecht was, alleen maar een beetje lichtzinnig en ondeugend."
+
+"Zoo was het. Hemelsche genade!--Ga verder, Tom."
+
+"En toen begon u te schreien."
+
+"Dat deed ik, dat deed ik! En voorwaar niet voor de eerste maal.--en
+toen?"
+
+"Toen begon juffrouw Harper te schreien en zeide, dat het precies
+hetzelfde met haar Joe was en dat ze wilde dat zij hem geen zweepslagen
+gegeven had omdat hij room had gesnoept, dien zij zelve uit het raam
+had gegooid."
+
+"Tom! De Geest was op u,--gij waart aan het profeteeren, dat waart
+ge! God in den hemel!--Ga voort, Tom!"
+
+"Toen zei Sid... Hij zei..."
+
+"Ik, geloof niet, dat ik iets gezegd heb," sprak Sid.
+
+"Jawel Sid," zeide Marie.
+
+"Houdt jelui je mond en laat Tom voortgaan. Wat zeide hij, Tom?"
+
+"Hij zei--geloof ik--dat hij hoopte, dat ik het goed zou hebben in de
+plaats waar ik was heengegaan, maar indien ik beter had opgepast...."
+
+"Hoor jelui dat? Het ware zijne eigen woorden."
+
+"En u sloot hem den mond."
+
+"Waarempel, dat heb ik gedaan. Er moet een engel op dat eiland
+geweest zijn."
+
+"En juffrouw Harper vertelde, dat Joe haar met een voetzoeker
+verschrikt gemaakt had, en u, dat ik de kat met den drank geplaagd
+had."
+
+"Zoo waar als ik leef!"
+
+"En toen werd er gepraat over het opvisschen van onze lijken en over
+den lijkdienst, en bij het heengaan hebt u juffrouw Harper gezoend
+en toen zijt gij beiden in tranen uitgebarsten."
+
+"Het gebeurde precies zoo! Precies zoo, zoo waar als ik hier in de
+kamer zit. Je kondt het niet beter verteld hebben, al had je er bij
+gezeten.--En wat toen? Ga voort, Tom."
+
+"Toen droomde ik, dat gij voor mij badt,--en ik kon u zien en elk
+woord hooren dat gij spraakt. En gij gingt naar bed, en ik was zoo
+bedroefd, dat ik een stuk van den vijgeboom nam en daarop krabbelde:
+'Wij zijn niet dood, wij zijn alleen maar weggegaan om zeeroovers
+te worden,' en dat bij den kandelaar op de tafel legde. En toen nam
+ik den kandelaar van de tafel en hield dien boven uw gelaat, en gij
+zaagt er in uw slaap zoo vriendelijk uit,--en ik droomde, dat ik mij
+over u heenboog en u op de lippen kuste."
+
+"Hebt ge dat gedaan, Tom? Nu vergeef ik u alles!" En zij greep den
+knaap en omhelsde hem met zulk eene verpletterende hartelijkheid,
+dat hij zich den misdadigsten schurk der aarde voelde.
+
+"Het was zeer lief, ofschoon het slechts een droom was," zeide Sid
+hoorbaar in zichzelven.
+
+"Houd je mond, Sid! Iemand doet in zijn droom juist wat hij wakende zou
+verrichten. Hier heb je een grooten appel, Tom, dien ik voor je bewaard
+heb, als je ooit terug gevonden werdt. En ga nu naar school. Ik ben
+den goeden God, ons aller Vader, dankbaar dat Hij mij u teruggegeven
+heeft. Hij is lankmoedig en vol goedertierenheid voor hen die in hem
+gelooven en Zijn woord houden, hoewel de Hemel weet dat ik die genade
+niet waardig ben. Doch indien slechts de waardigen zijne zegeningen
+genoten en zijne hand mochten vatten om hen te leiden over hobbelige
+paden, zouden er weinigen zijn, die hier vroolijk konden leven of
+in zijne rusten konden ingaan, als de nacht komt. Gaat nu heen, Sid,
+Marie en Tom:--gij hebt mij reeds lang genoeg in den weg geloopen."
+
+De kinderen gingen naar school en de oude juffrouw stapte de straat op,
+om een bezoek bij juffrouw Harper te brengen, ten einde haar ongeloof
+door Toms wondervollen droom den doodsteek te geven.
+
+Sid was slim genoeg on zich stil te houden, zoolang hij in de kamer
+was. Toen hij de deur achter zich had dichtgeslagen, riep hij uit:
+
+"Een mooie grap--zoo'n lange droom, zonder een enkele vergissing!"
+
+Wat een held was Tom nu geworden! Hij sprong en huppelde niet meer
+langs den weg, maar bewoog zich voort met de waardige voornaamheid,
+welke aan den zeeroover past, die voelt dat hij een man van beteekenis
+is in het oog van 't publiek. En dat was hij inderdaad. Hij hield
+zich, als zag hij de blikken, als hoorde hij de opmerkingen niet,
+waarvan hij het voorwerp was, doch zij waren spijs en drank voor
+zijne ziel. Jongere knapen liepen achter hem aan en verhoovaardigden
+zich op de eer van met hem gezien en door hem geduld te worden, en
+behandelden hem alsof hij de Tamboer Majoor was van een optocht, of
+de olifant onder wiens leiding eene menagerie de stad binnentrekt. De
+jongens van zijne jaren deden, alsof zij er niets van wisten dat hij
+weg geweest was, maar vergingen niettemin van afgunst. Zij zouden
+er wat voor gegeven hebben om zijne bruine, door de zon verbrande
+huid en zijne vermaardheid te bezitten, en Tom zou daarvan voor geen
+wereldsch geld afstand hebben gedaan.
+
+Op school werd aan Tom en Joe zoo het hof gemaakt en werden ze
+zoozeer bewonderd, dat de beide helden weldra onuitstaanbaar pedant
+werden. Zij begonnen hunne avonturen aan gretig luisterende toehoorders
+te vertellen, doch brachten het nooit verder, dan het begin; want eene
+verbeelding als de hunne, steeds klaar om nieuwe stof aan te brengen,
+zou moeielijk tot een eind hebben kunnen komen. En toen zij ten slotte
+hunne pijpen voor den dag haalden en kalm de rookwolken in het rond
+bliezen, hadden zij het toppunt van roem bereikt.
+
+Tom was tot het besluit gekomen, dat hij thans wel van Becky Thatcher
+kon afzien. Zijne glorie was hem genoeg en voor deze alleen zou
+hij voortaan leven. Nu hij zulk een voornaam persoon geworden was,
+kon het wel eens zijn, dat zij lust kreeg bij te draaien. Welnu,
+als zij dat deed, zou zij ervaren, dat hij even onverschillig kon
+zijn als sommige andere lieden.
+
+Daar kwam zij juist toevallig aan. Tom deed alsof hij haar niet zag
+en voegde zich bij een ander troepje jongens en meisjes, met wie
+hij dadelijk een druk gesprek aanknoopte. Spoedig ontwaarde hij, dat
+Becky met gloeiende wangen en schitterende oogen, vroolijk nu achter
+dan vooruit huppelde, schijnbaar met hart en ziel krijgertje speelde
+en het uitgilde van 't lachen, wanneer zij een van haar kameraadjes
+gevangen had. Maar het ontging hem niet, dat zij hare vangsten altijd
+in zijne buurt deed en dan tersluiks naar hem keek.
+
+Dit streelde zijne booze ijdelheid ongemeen en deed hem, in plaats
+van hem voor haar te winnen, nog meer op zijne hoede zijn, om door
+taal noch teeken te verraden, dat hij haar toeleg bemerkte. Weldra
+gaf zij vruchteloos de moeite op en ging onder het slaken van zware
+zuchten besluiteloos op en neer wandelen, terwijl zij nu en dan
+heimelijk veelbeteekenende blikken op Tom wierp. Het viel haar op,
+dat Tom drukker met Amy Lawrence praatte dan met iemand anders. Dit
+gezicht verbitterde haar zoozeer, dat zij het besluit nam naar huis te
+gaan. Doch hare verraderlijke voetjes droegen haar tegen wil en dank
+naar de plaats, waar Tom en Amy stonden. Met geveinsde opgewektheid
+zeide zij dicht bij Toms oor tot een meisje:
+
+"Wel, Marie Austin, ondeugende meid, waarom ben je niet op de
+zondagsschool geweest?"
+
+"Ik ben er geweest. Heb je me niet gezien?"
+
+"Neen. Waart ge er? Waar heb je gezeten?"
+
+"In de klasse van juffrouw Peters, waar ik altijd zit. Ik heb jou
+wel gezien."
+
+"Zoo! Hoe mal, dat ik jou niet zag! Ik had je van de pic-nic willen
+vertellen, die gegeven wordt."
+
+"O, dat is heerlijk! En wie geeft die?"
+
+"Mijn ma!"
+
+"O, heertje, ik hoop dat zij mij ook vragen zal."
+
+"Natuurlijk; het is mijn partij. Zij vraagt iedereen, die ik hebben
+wil."
+
+"Verrukkelijk!--wanneer zal het gebeuren?"
+
+"Al spoedig. In de vacantie, denk ik."
+
+"Voortreffelijk!--Je vraagt zeker al de jongens en meisjes?"
+
+"Ja, al mijne kennissen, dat is te zeggen, al de jongens en meisjes,
+die lief tegen mij zijn," en meteen werd er tersluiks naar Tom
+gekeken. Doch deze had het juist ontzettend druk met Amy Lawrence
+over het vreeselijke onweer op het eiland en over den bliksem,
+die den grooten vijgeboom aan spaanders sloeg, terwijl hij, Tom,
+op geen tien pas afstands stond.
+
+"En mag ik ook komen?"
+
+"Ja."
+
+"En ik?" zeide Sally Rogers.
+
+"Ja."
+
+"En ik ook!" riep Suze Harper. "En Joe?"
+
+"Ja."
+
+En zoo ging het met vroolijk handgeklap voort, totdat de geheele
+troep om eene uitnoodiging gebedeld had, behalve Tom en Amy. Deze
+twee keerden koeltjes de anderen den rug toe en wandelden pratende
+voort. Becky's lippen begonnen te beven en hare oogen schoten vol
+tranen, en ofschoon zij deze teekenen van smart onder een vroolijk
+gelaat en een eindeloos gekeuvel zocht te verbergen, was de pret van
+de pic-nic en eigenlijk van alles af. Zoodra zij zulks onopgemerkt
+doen kon, sloop zij heen en ging in een hoekje zitten, om, zooals
+haar geslacht dat noemt, eens flink "uit te huilen." Daar bleef zij,
+gebelgd over hare gekrenkte ijdelheid, zitten, totdat de schoolbel
+haar gelui deed hooren. Toen stond zij met wraak in het hart op,
+schudde met een vergramd gelaat haar gevlochten haarbos en mompelde,
+dat zij wel wist wat zij doen zou.
+
+Bij het uitgaan der school zette Tom zijne hofmakerij aan Amy Lawrence
+met onuitsprekelijke zelfvoldoening voort. Hij bleef voortdurend in
+den omtrek, in de hoop van Becky te vinden en haar door zijn wreed
+spel te kwellen. Eindelijk ontdekte hij haar--en de hooge temperatuur
+zijner gemoedsstemming daalde op eens tot het vriespunt.
+
+Zij zat welbehaaglijk op een bankje achter de school, in een boek
+prentjes te kijken met Alfred Temple, en zij waren zoo in hunne
+beschouwing verdiept en hielden hunne hoofden zoo dicht bij elkaar, dat
+er buiten hen en het prentenboek niets in de wereld scheen te bestaan.
+
+Een vuur van jaloezie gloeide Tom door de aderen. Hij verwenschte
+zichzelven, omdat hij de kans tot eene verzoening met Becky zoo
+jammerlijk had verspeeld. Hij noemde zich een dwaas en de Hemel weet
+wat niet al meer, en het huilen stond hem nader dan het lachen. De
+naast hem loopende Amy keuvelde lustig voort en juichte in haar
+hart,--doch Toms tong scheen hem aan het verhemelte te kleven. Hij
+hoorde niet wat Amy zeide, en wanneer zij stilhield om op een antwoord
+te wachten, kwamen er onsamenhangende, verwarde klanken, die veeltijds
+op de vraag niet sloegen. Niettemin bleef hij achter het schoolgebouw
+op-en nederloopen, om zich de oogballen met het hatelijk schouwspel
+te pijnigen. Hij kon niet anders, en de gedachte dat Becky Thatcher
+niet eens scheen te vermoeden dat hij in het land der levenden was,
+maakte hem bijna krankzinnig.
+
+Toch zag zij het maar al te goed en wist zij dat zij veld won ook, en
+was blijde dat hij nu ondervond, wat zij had uitgestaan. Amys vroolijk
+gebabbel werd hem ondraaglijk. Tom begon verontschuldigingen te maken
+en zeide dat hij naar huis moest om te werken, daar het laat werd. Doch
+tevergeefs: het vogeltje kirde altijd maar voort: "Ik wou, dat ze
+naar de maan vloog! Zal ik dan nooit van haar afkomen?" Eindelijk
+zeide hij dat hij weg moest, en het meisje antwoordde argeloos,
+dat zij zorgen zou morgenochtend weder op haar post te zijn. En hij
+spoedde zich voort en haatte haar om die belofte.
+
+"Een andere jongen!" sprak Tom tot zich zelven en knarste met de
+tanden. "Zij mocht, wat mij betreft, elken jongen van de plaats
+genomen hebben, behalve dien vromen Piet, die zich zoo mooi kleedt en
+zoo voornaam is! Best, jongen! ik heb je een pak gegeven den eersten
+dag dat je hier kwaamt, en je zult er nog een hebben. Wacht je beurt
+maar af. Dan gaat het zoo!"
+
+En toen ging hij in zijne verbeelding aan het afkloppen van den
+jongen, maakte de bewegingen van "iemand een pak geven"--en sloeg,
+schopte in de lucht, onder het uitroepen van: "Ziezoo, dat 's voor
+jou goed? Heb je nou genoeg, zeg? Laat dit je een les zijn."
+
+Toen snelde hij naar huis. Hij kon de gedachte aan Amys dankbaar
+geluk en aan dat andere tooneel niet meer verdragen. Becky intusschen
+zette hare plaatjesbeschouwing met Alfred voort; maar toen de minuten
+voortkropen en er geen Tom kwam, verloor haar zegepraal iets van
+haar luister en verdween hare belangstelling. Zij werd rusteloos en
+afgetrokken en eindelijk neerslachtig. Een paar malen spitste zij de
+ooren bij het geluid van een voetstap, maar de hoop, waarmede zij zich
+streelde, bleek ijdel te zijn. Er kwam geen Tom. Eindelijk voelde zij
+zich zoo ellendig, dat zij goud zou gegeven hebben, indien zij het
+niet zoover had laten komen. Toen de arme Alfred, ziende dat zij--hoe
+het kwam wist hij niet--ophield hem haar aandacht te schenken, zijn
+ijver verdubbelde en gedurig uitriep: "O, hier is een mooi plaatje,
+kijk eens!" verloor zij alle geduld en zeide:
+
+"O, kwel mij niet langer! Het kan mij niet schelen," en in tranen
+uitbarstende, stond zij op en ging heen.
+
+Alfred liep haar achterna en trachtte haar te troosten, doch zij zeide:
+
+"Ga weg en laat mij met rust. Ik heb een hekel aan je!"
+
+De arme jongen zag haar verbijsterd aan en kon maar niet begrijpen,
+wat hij toch misdaan had.--Zij had hem zoo even nog gezegd, dat zij
+den geheelen middag prenten wilde kijken, en nu liep zij schreiend
+van hem weg.
+
+Ontstemd zette hij zich in de leege school neder. Hij was boos en
+gekrenkt en vond spoedig den sleutel tot de waarheid;--het meisje had
+hem eenvoudig tot speelbal gemaakt, om haar woede tegen Tom Sawyer
+te koelen. Deze gedachte verminderde zijn haat tegen Tom niet en hij
+zon op een middel, om hem een poets te spelen, zonder er zelf in te
+loopen. Daar viel zijn oog op Toms leesboek. Dat was een schoone
+gelegenheid. Hij sloeg de les op, welke dien middag gelezen moest
+worden en bekladde die flink met inkt.
+
+Becky, die op dat oogenblik toevallig naar binnen keek, zag de
+daad en verwijderde zich zonder iets van hare ontdekking te laten
+merken. Zij ging huiswaarts in de hoop Tom tegen te komen om hem alles
+te vertellen. Tom zou er haar erkentelijk voor zijn en hun verschil
+zou worden bijgelegd. Maar eer zij halverwegen was, kwam zij van
+haar plan terug. De gedachte aan Toms behandeling bij gelegenheid
+van de te berde gebrachte pic-nic kwam haar weder voor den geest en
+vernieuwde haar spijt. Zij besloot aan te zien, dat hij, ter zake van
+de vlekken in zijn boek, slaag kreeg en nam zich voor hem nog op den
+koop toe voor eeuwig te haten.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XX.
+
+
+Tom kwam te huis in een allertreurigste gemoedsstemming, en de eerste
+woorden, die zijne tante tot hem richtte, bewezen hem dat bij haar
+geen troost voor zijn verdriet te vinden was, want het luidde terstond:
+
+"Tom, ik zou wel grooten lust hebben je levend te villen!"
+
+"Wat heb ik dan gedaan, tantelief?"
+
+"Genoeg om die straf te verdienen. Zoodra je weg waart, ben ik, oude
+gekkin, naar Sientje Harper geloopen, in de hoop van haar al den onzin
+over dien droom van jou te doen gelooven, en daar vertelt zij mij,
+dat zij van Joe gehoord heeft, dat je de rivier overgezwommen bent en
+'s avonds onder mijn bed alles hebt afgeluisterd wat wij dien nacht
+gesproken hebben. Tom, ik weet niet wat er van een jongen groeien moet,
+die zich zoo gedraagt als jij. Ik schaam me dood, als ik er aan denk,
+dat je me stilletjes, zonder een gezicht te vertrekken, naar Sientje
+Harper hebt laten gaan!"
+
+Uit dat oogpunt had Tom de zaak nog niet beschouwd. Het verhaal,
+dat hem vóór schooltijd zoo ijselijk grappig had toegeschenen, was
+nu een gemeene leugen geworden. Hij liet het hoofd hangen en wist
+niet wat hij zeggen zou. Eindelijk stamelde hij:
+
+"Tantelief, ik wou dat ik het niet gedaan had, maar ik deed het
+zonder nadenken."
+
+"O kind, je denkt nooit,--behalve wanneer het je zelf geldt. Je
+dacht wel, toen je in den pikdonkeren nacht van Jackson Island kwaamt
+afzakken, om ons over onze droefheid uit te lachen, en toen je mij
+met een leugen over een droom voor den gek hield; maar om medelijden
+met ons te hebben en ons angst te sparen, daaraan had je niet gedacht."
+
+"Tante, ik weet dat het gemeen was, maar waarlijk het was mijne
+bedoeling niet zoo slecht te zijn,--neen, wezenlijk niet. En dan dien
+nacht ben ik heusch niet gekomen om u uit te lachen."
+
+"Waarom kwam je dan?"
+
+"Eigenlijk om u te zeggen, dat ge niet ongerust over ons behoefdet
+te wezen, omdat wij niet verdronken waren.
+
+"Tom, Tom, ik zou het dankbaarste schepsel van de wereld zijn, indien
+ik gelooven kon, dat je ooit zulk een goede gedachte gehad hebt,
+maar je weet best, dat het niet zoo was."
+
+"Waarachtig, tante, ik heb het daarom gedaan;--ik mag sterven, als
+het niet waar is."
+
+"Tom lieg niet,--doe dat toch niet. Dat maakt het geval nog honderdmaal
+erger."
+
+"Ik lieg niet, tantelief; het is de waarheid. Ik wilde u verdriet
+sparen; daarom alléén ben ik gekomen."
+
+"Ik zou een wereld geven, als ik 't gelooven kon; hij zou eene macht
+van zonde bedekken. Ik zou er dan bijna blij om zijn, dat gij zijt
+weggeloopen en zoo slecht hebt gehandeld. Maar 't is niet aan te nemen;
+want waarom heb je het dan niet gezegd, kind?"
+
+"Wel, ziet u, tantelief, toen ik over den lijkdienst hoorde spreken,
+werd ik zoo vervuld door het heerlijk denkbeeld om mij met Joe en Huck
+in de kerk te verbergen, dat ik het niet over mij kon verkrijgen den
+boel te bederven, en daarom stak ik de boomschors weder in den zak"
+
+"Welke boomschors?"
+
+"Och de schors, waarop ik geschreven had, dat wij zeeroovers waren. Ik
+wou nu, dat u maar wakker geworden waart, toen ik u kuste; wezenlijk,
+dat wou ik."
+
+"Heb je mij gezoend?"
+
+"Ja zeker."
+
+"Stellig, Tom?"
+
+"Ja, wezenlijk, tantetje,--op mijn woord van eer."
+
+"Waarom heb je dat gedaan, Tom?"
+
+"Omdat ik het zoo lief van u vond, dat ge zoo bedroefd over mij
+waart;--dat speet mij zoo."
+
+De woorden klonken als de waarheid. De oude tante kon eene kleine
+trilling in hare stem niet verbergen, toen zij sprak:
+
+"Kus mij nog eens, Tom!--en loop dan naar school en plaag mij niet
+meer"
+
+Toen hij weg was, ging tante Polly naar een kleerkast en haalde daaruit
+het buisje, dat Tom tijdens zijn zeerooverschap had aangehad. Zij
+hield het een oogenblik in de hand en zeide tot zich zelve:
+
+"Neen, ik durf niet.--Arme jongen, ik weet zeker dat hij gelogen
+heeft,--maar het was een gezegende, driewerf gezegende leugen! Ik
+hoop, dat de Heer.... neen, ik weet zeker, dat Hij hem vergeven zal,
+omdat het zoo lief van hem was, dat hij het vertelde. Maar ik wil er
+geen onderzoek naar doen."
+
+Zij legde het buisje weg en bleef een oogenblik in gedachten verzonken,
+voor de kast staan. Tweemaal stak zij de hand uit, om het kleedingstuk
+nog eens op te nemen en twee malen bedwong zij zich. Nogmaals,
+en dezen keer waagde zij het, zich zelve troost insprekende met de
+gedachte: "Het is een goede leugen--een beste leugen; ik zal het mij
+niet aantrekken dat het onwaar is."--En het buisje werd doorzocht. En
+daar vond ze Toms stukje hout en las onder een vloed van tranen de
+woorden, die er op geschreven stonden, zeggende:
+
+"Nu kan ik het den jongen vergeven, ook al had hij millioenen zonden
+begaan."
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXI.
+
+
+Er was iets in Tante Polly's wijze van doen, toen zij Tom omhelsde,
+dat zijne neerslachtigheid verdreef en hem weder vroolijk en
+gelukkig maakte. Hij ging naar school en smaakte het genot op den
+hoek van Meadow Lane toevallig Becky Tatcher tegen te komen. Zijn
+gemoedstoestand bepaalde doorgaans zijne handelingen. Zonder een
+oogenblik te aarzelen, liep hij naar haar toe en zeide:
+
+"Ik heb je vandaag heel gemeen behandeld, Becky, en dat spijt mij. Ik
+zal het nooit van mijn leven weer doen. Zullen wij, als je blieft,
+maar weder goede vrienden worden?"
+
+Het meisje hield stil, keek hem met een blik vol verachting aan
+en zeide:
+
+"Wilt u de goedheid hebben, mijnheer Thomas Sawyer u bij uw eigen
+vrienden te houden. Ik denk mij niet meer met u te bemoeien."
+
+En het hoofd in den nek werpende, ging zij voorbij.
+
+Tom was zoo verpletterd, dat hij zelfs de tegenwoordigheid van geest
+miste om te zeggen:
+
+"Ik geef geen zier om je, nufje dundoek," totdat het geschikte
+oogenblik voor dien uitval voorbij was. Dus zweeg hij met een woedend
+gezicht. Ziedende van toorn stapte hij de schoolplaats binnen en
+mompelde, dat hij wou dat zij een jongen was, om het haar eens fiks
+in te peperen. Toen hij haar voorbijging, wierp hij haar een paar
+hatelijkheden naar het hoofd, die behoorlijk teruggeslingerd werden,
+en de hoop op het herstel van den vrede scheen onherroepelijk
+verloren. Becky kon in hare drift den tijd haast niet afwachten,
+waarop de les zou beginnen en zij Tom zou zien afrossen voor het
+beschadigde leesboek. Indien zij nog een oogenblik plan had on Alfred
+Temple ten toon te stellen, was dit voornemen door Toms beleedigende
+schimpscheuten geheel uit hare ziel verdwenen.
+
+Arm kind! zij wist niet, hoezeer zij op weg was zich een wereld van
+verdriet te bezorgen.
+
+De schoolmeester, de heer Dobbins, was een man, die den middelbaren
+leeftijd bereikt had onder het drukkend lijden van onbevredigde
+eerzucht. Zijne lievelingswensch was geneesheer te worden, doch
+geldgebrek had hem verhinderd het hooger dan tot schoolmeester te
+brengen. Toch was de liefde tot de studie hem bijgebleven. Hij nam
+ten minste iederen dag een geheimzinnig boek uit de lessenaar on zich
+daarin te verdiepen, zoodra de verschillende klassen hunne lessen
+hadden opgezegd.
+
+Dat boek hield hij achter slot en grendel,--doch er was geen deugniet
+in de gansche school, die niet brandde van begeerte het eens in te
+zien. Daartoe echter bood zich de kans nooit aan. Elke scholier had
+zijne of hare eigen meening over den inhoud van het boek, doch er
+was geen middel om het rechte er van te weten te komen.
+
+Toen nu op dezen achtermiddag Becky langs den lessenaar schoof,
+die vlak bij de deur stond, zag zij dat de sleutel in het slot
+stak. Welk eene kostelijke gelegenheid! Zij keek in het rond, zag dat
+zij alleen was en geen seconde later had zij het boek in de hand. Het
+titelblad, "De Ontleedkunde, door Professor N. N." maakte haar niet
+veel wijzer. Derhalve sloeg zij bladen op. Op eens ontdekte haar oog,
+op eene der eerste bladzijden, een prachtige gekleurde gravure van
+een naakt menschenbeeld. Op hetzelfde oogenblik viel er een schaduw
+op het blad en stapte Tom Sawyer de deur in, die een vluchtigen blik
+op het afbeeldsel wierp. In haar haast om het boek dicht te slaan,
+was Becky ongelukkig genoeg het blad met de figuren door midden te
+scheuren. Zij wierp het boek in de lessenaar, draaide den sleutel om
+en barstte uit in tranen van schaamte en verdriet.
+
+"Tom Sawyer," snikte zij, "ik vind het gemeen van je om achter iemand
+aan te sluipen en hem te begluren."
+
+"Hoe wist ik, dat je iets stond te bekijken?"
+
+"Je moest je schamen, Tom Sawyer; ik weet, dat je me zult verklikken,
+en o, wat zal ik beginnen! Ik zal slaag krijgen,--ik die nog nooit
+op school een klap gehad heb!"
+
+Zij stampte met haar voetje op den grond en vervolgde:
+
+"Wees maar zoo laag als je wilt! Ik weet iets, dat hier zal plaats
+hebben. Wacht maar en je zult eens wat zien."--En zij vloog de school
+uit en barstte opnieuw in tranen los.
+
+Tom stond stil, geheel overbluft door dien uitval. Toen zeide hij
+tot zichzelven:
+
+"Welk een vreemd soort van wezens zijn die meisjes! Nooit op school
+geslagen! Wat zou een pak ransel! Juist iets voor een meisje: zij zijn
+zoo laf en kleinzeerig. Zij hebben geen ruggegraat. Natuurlijk zal ik
+die dwaze meid niet aan den ouden Dobbins gaan verklappen; er zijn
+wel andere middelen om haar klein te krijgen, die niet zoo gemeen
+zijn. Maar wat moet er met het boek gedaan worden? De oude Dobbins
+zal vragen, wie het gescheurd heeft. Niemand zal antwoorden. Dan
+zal hij doen als altijd en de meisjes beurt om beurt ondervragen,
+en wanneer hij bij het meisje komt dat het gedaan heeft, zal hij
+het weten zonder dat het gezegd wordt. De meisjes verraden zich
+altijd.--Becky zal klappen krijgen; 't is een naar geval, maar ik
+zie er geen gat in om het te verraden."
+
+Tom peinsde nog een oogenblik over de zaak en riep toen uit: "In
+orde! Zij wou mij in de klem zien; laat haar dat genot hebben."
+
+Daarop voegde hij zich bij de "krijgertje" spelende schooljeugd,
+totdat de meester kwam en de school begon. Toms gedachten dwaalden
+gedurig van zijn werk af en telkens, wanneer hij een blik naar den
+meisjes-kant wierp, werd hij ontroerd door het gelaat van Becky. Alles
+te zamen genomen, behoefde hij geen medelijden met haar te hebben
+en toch was hij diep met haar begaan. Toen de ontdekking van het
+leesboek gedaan werd, was Tom voor een tijdlang geheel vervuld van
+zijn eigen leed en werd Becky uit hare verdooving wakker. Zij volgde
+het proces met groote belangstelling, want zij wist, dat Tom niets
+tegen de beschuldiging, van inkt op het boek gemorst te hebben, kon
+inbrengen. Tom ontkende het feit, en maakte door die ontkenning de zaak
+eer erger dan beter. Becky maakte zich wijs, dat zij er schik in had,
+doch eene stem in haar binnenste fluisterde haar toe, dat zulks het
+geval niet was. Toen het er zeer bedenkelijk voor Tom begon uit te
+zien, voelde zij eene sterke neiging om op te staan en Alfred Temple
+aan te klagen, doch zij bedwong zich en legde zich de verplichting
+op om stil te blijven zitten. "Immers," dus sprak zij bij zichzelve,
+"hij zal zeker zeggen, dat ik die plaat gescheurd heb. Neen, al kon
+ik hem er het leven mede redden, ik zeg het niet."
+
+Tom kreeg de hem toegedachte zweepslagen en ging kalm naar zijne
+zitplaats terug, in den waan dat hij, misschien zonder het te
+bemerken, onder het krijgertje spelen, den inkpot op het boek had
+laten vallen.--Hij had maar uit gewoonte ontkend en uit beginsel zich
+bij de ontkentenis gehouden.
+
+Een geheel uur ging voorbij. De meester zat op zijn troon te
+knikkebollen, daar het gebrom der studeerende jeugd hem altijd slaperig
+maakte. Langzamerhand echter richtte hij zich op, gaapte, ontsloot zijn
+lessenaar en greep naar zijn boek, doch scheen het niet met zichzelven
+eens te kunnen worden, of hij lezen zou al dan niet. Het meerendeel
+der scholieren zag droomerig van hun werk op, doch er waren er twee,
+die met de oogen vol belangstelling zijne beweging gadesloegen.
+
+Een tijdlang hield de heer Dobbins gedachteloos zijn boek in de hand,
+doch eindelijk vlijde hij zich op zijn stoel neder on te lezen.
+
+Tom wierp een blik op Becky, en het arme kind zag er uit als
+een hulpeloos, opgejaagd haasje, dat het geweer op zich ziet
+aanleggen. Oogenblikkelijk werd zijn geschil met haar vergeten. Er
+moest redding komen en dadelijk ook. Doch het dreigend gevaar scheen
+zijne vindingrijkheid te verstompten. Goddank! daar schoot hem iets te
+binnen. Hij zou de bank uitgaan, het boek grijpen, de deur uitspringen
+en er mede wegloopen! Doch een minuut wankelens, tot het nemen van dit
+besluit, was genoeg om zijne kans verloren te doen gaan. De meester
+had het boek geopend. Het was te laat; er was niets aan te doen;
+Becky was reddeloos verloren!
+
+Het volgende oogenblik zag de meester zijne leerlingen in het gelaat,
+met een blik, die al de kinderen de oogen deed neerslaan. Gedurende
+tien tellen heerschte er een angstige stilte, waarin de meester kracht
+tot toornen verzamelde. Toen sprak hij:
+
+"Wie heeft dit boek gescheurd?"
+
+Er werd geen geluid vernomen. Men zou een speld hebben kunnen hooren
+vallen. De meester zag gezicht voor gezicht aan, om teekenen van
+schuld te ontdekken?"
+
+"Benjamin Hogers, hebt gij dit boek gescheurd?"
+
+Een ontkennend antwoord, gevolgd door een pauze.
+
+"Jozef Harper, gij?"
+
+Weder een ontkennend antwoord. Tom werd onder de kwelling van den
+langzamen voortgang der zaak, hoe langer hoe onrustiger. De meester
+onderzocht nauwkeurig de lange rijen jongensgezichten en wendde zich
+toen tot de meisjes.
+
+"Amy Lawrence?"
+
+Een ontkennend hoofdschudden.
+
+"Gracie Willer?"
+
+Hetzelfde gebaar.
+
+"Suze Harper, hebt gij het gedaan?"
+
+Weder een ontkennend antwoord. Het volgende meisje was Becky
+Thatcher. Tom beefde van het hoofd tot de voeten.
+
+"Rebekka Thatcher"--(Tom keek naar haar gelaat; het was bleek van
+angst) "hebt gij,--neen, zie mij aan" --(zij hief de handen smeekend
+omhoog)--"hebt gij dit boek gescheurd?"
+
+Snel als de bliksem schoot Tom eene gedachte door de ziel. Hij sprong
+op en gilde:
+
+"Ik heb het gedaan!"
+
+De schooljeugd stond versteld over zulk eene onbegrijpelijke
+dwaasheid. Tom bleef een oogenblik staan om tot zichzelven te komen,
+en toen hij de bank uitstapte om zijne straf te ondergaan, werd hij
+door de bewondering en de dankbare aanbidding, die hem uit Becky's
+oogen tegenstraalden, betaald voor honderd zweepslagen.
+
+Door zijne edele daad zelf in verrukking gebracht, verdroeg hij
+zonder een geluid te geven, de onbarmhartigste geeseling, waaraan
+de heer Dobbins zich ooit had schuldig gemaakt, en hoorde hij ook
+met volkomen onverschilligheid de wreede uitspraak aan, om twee uren
+school te blijven. Immers hij wist, wie met het grootste geduld buiten
+op hem wachten zou, totdat zijne straf geleden was.
+
+Dienzelfden middag nog vertelde Becky hem met schaamte en berouw,
+hoe verraderlijk zij zich jegens hem gedragen had. Tom ging dan ook
+naar bed, vol wraakzuchtige plannen jegens Alfred Temple; maar zijn
+wrok maakte spoedig voor aangename overpeinzingen plaats en hij viel
+in slaap en droomde van Becky's laatste woorden, die hem als muziek
+in de ooren hadden geklonken en aldus hadden geluid:
+
+"Tom, hoe kon je zoo edel zijn?"
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXII.
+
+
+De vacantie begon te naderen. De altijd strenge schoolmeester werd
+strenger en veeleischender dan ooit, en scheen het er op gezet te
+hebben, op den "examendag" met de scholieren te pronken. Zijn roede
+en plak waren thans zelden werkeloos, ten minste onder de kleinere
+leerlingen. De grootste jongens en de dames van zestien en zeventien
+jaren hadden het geluk de roede ontwassen te zijn. De zweepslagen van
+meester Dobbins waren voorwaar niet kinderachtig, want ofschoon hij
+onder zijn pruik een geheel kaal en glimmend hoofd verborg, bezaten
+zijne spieren nog haar volle kracht. Naarmate de groote dag naderde
+scheen al wat er van den dwingeland in hem was, naar boven te komen,
+en 't was alsof hij er een wreed behagen in schepte, de scholieren voor
+de geringste tekortkomingen te straffen. Het gevolg daarvan was, dat de
+kleineren onder zijne leerlingen overdag zwoegden onder angst en smart
+en bij nacht zonnen op wraak. Zij lieten dan ook geene gelegenheid om
+den meester een poets te spelen, ongebruikt voorbijgaan. Ongelukkig
+was hij voortdurend op zijn hoede. De vergelding, die op elke zegepraal
+hunner wraakzucht volgde, was zoo vreeselijk, dat de knapen doorgaans
+met blauwe plekken op het lijf het veld ruimden. Eindelijk werd
+er een plan beraamd, dat eene schitterende overwinning beloofde. De
+verversjongen werd in het komplot opgenomen, met hunne ontwerpen bekend
+gemaakt en zijne hulp ingeroepen. Die verversjongen had zijn eigen
+redenen om tot het verbond toe te treden, want de meester woonde op
+kamers bij zijn vader en had den knaap reden te over gegeven om hem
+te haten. De vrouw van den meester zou een paar dagen uit de stad
+gaan en er bestond dus geen vrees, dat van dien kant een spaak in
+'t wiel zou gestoken worden.
+
+De meester had de gewoonte om zich voor de examens en andere groote
+plechtigheden voor te bereiden, door zich een een roes aan te drinken,
+en de verversjongen beloofde, dat, wanneer de onderwijzer op den
+avond van het examen weer boven zijn bier was en in zijn stoel lag
+te dommelen, hij "het dingetje wel klaar zou spelen." Hij zou hem
+dan zoo laat mogelijk wakker maken, omdat hij alleen maar tijd zou
+hebben om in vliegende vaart naar school te ijlen.
+
+Toen de volheid der tijden gekomen was, greep het belangwekkende
+feit plaats.
+
+Om acht uren in den avond was het schoollokaal schitterend verlicht
+en met kransen en festoenen van bloemen en loofwerk versierd.
+
+De soezerige, halfdronken meester troonde in zijn leuningstoel,
+op eene opzettelijk daartoe vervaardigde verhevenheid, met het
+schrijfbord achter zich. Drie rijen met zitbanken en zes rijen in het
+front waren bezet door de waardigheidsbekleders van het stadje en de
+ouders der leerlingen. Links van den meester, achter de zitplaatsen der
+burgerij, was een hoog getimmerte gemaakt, waarop de in hun beste pak
+gekleede knaapjes gezeten waren, die proeven van hunne bedrevenheid
+zouden afleggen. Achter dezen zaten eenige rijen magere, opgeschoten
+jongens. Daarop volgden de hooge banken met meisjes en jonge dames
+in katoen en neteldoek, die zich blijkbaar heel voornaam gevoelden
+met hare bloote armen, haar grootmoeders ouderwetsche kostbaarheden,
+haar rose en blauwe strikken en haar bloemen in het haar. Verder was
+het lokaal opgevuld met toeschouwers en scholieren.
+
+De oefeningen begonnen. Een heel klein jongetje stond op en bracht
+doodverlegen de van buiten geleerde woorden uit:
+
+"Mijne hoorders,
+
+"Gij hadt zeker niet verwacht iemand van mijn leeftijd het
+spreekgestoelte te zien beklimmen, om in het openbaar het woord te
+voeren, enz.". En de knaap deed zijne woorden vergezeld gaan van
+overdreven juiste en krampachtige bewegingen, die aan een machine
+deden denken, die van de wijs is. Hij bracht het er, ofschoon in
+duizend angsten, heelhuids af en werd verbazend toegejuicht, toen
+hij zijne gekunstelde buiging maakte en het tooneel verliet.
+
+Een klein bedeesd meisje lispelde het versje:
+
+"Marietje had een lammetje, enz.," maakte eene medelijdenswekkende
+dienares, kreeg haar voegzaam deel toejuichingen en ging blozend
+en voldaan weer zitten. Tom Sawyer trad voorwaarts met gemaakt
+zelfvertrouwen en wond zich met prachtig nagebootste en allerzotste
+gebaren op tot het onsterfelijke: "Geef mij de vrijheid, of geef mij
+den dood!"--doch werd in het midden door een akelige tooneelvrees
+bevangen. Zijne knieën knikten en hij dreigde in zijne woorden te
+stikken. Wel is waar wekte hij zichtbaar het medelijden en de sympathie
+van de toehoorders, maar zij hielden zich doodstil, en dat zwijgen van
+het publiek was erger dan medegevoel. Tot overmaat van smart fronste
+de meester zijne wenkbrauwen. Tom spande nogmaals alle krachten in,
+doch zag zich verplicht verslagen af te treden. Voor een oogenblik
+kwam er eene zwakke poging om te applaudisseeren, doch zij werd in
+hare wording gesmoord.
+
+Daarop volgde: "De knaap stond op het brandende dek;" toen:
+"De Assyriërs zakten den stroom af;" en andere juweeltjes voor de
+declamatiekunst. Toen had men de leesoefeningen en een kampstrijd in
+het spellen. De schraal bezette klasse der Latinisten bracht het er
+met haar voordracht schitterend af.
+
+Het eerste bedrijf was naar behooren afgeloopen en nu volgde de
+"zelfgemaakte" opstellen van de jonge dames, die elk op hare beurt
+op de verhevenheid stapten, kuchten, haar handschrift, dat met
+een keurig lintje was vastgemaakt, in de hand hielden en begonnen
+te lezen. De onderwerpen waren dezelfde, waarmede bij dergelijke
+gelegenheden hare moeders, hare grootmoeders en ongetwijfeld al de
+voorouders in de vrouwelijke linie geschitterd hadden. Daar was er
+een over de "Vriendschap," en verder; "Herinnering aan vroegere
+dagen," "Godsdienst in de geschiedenis," "Het land der droomen,"
+"De voordeelen der beschaving;" "Het verschil en de overeenkomst van
+de onderscheidene staatsvormen," "Droefgeestigheid," "Kinderliefde,"
+"Hartstochten," enz. enz.
+
+Een hoofdgebrek van al deze opstellen was eene zorgvuldig gekweekte
+droefgeestigheid en een kwistige overvloed van mooie woorden.
+
+In sommigen was een merkbare neiging om modewoorden er met
+de haren bij te sleepen, zoo dikwijls zelfs, dat zij geheel
+afgezaagd werden. En dan was er eene bijzonderheid, welke ze
+alle kenmerkte en bedierf,--namelijk de onuitstaanbare zedepreek,
+die zijn gebrekkelijken staart aan het eind van elk opstel deed
+kwispelen. Welk ook het onderwerp mocht wezen, er werd altijd een
+hersens folterende poging gedaan om er op de een of andere wijze
+iets in te lasschen waarop het zedelijk en godsdienstig gemoed met
+stichting kon nederzien. Niettegenstaande de ergerlijke onoprechtheid,
+die het publiek uit dergelijke zedepreken tegenblonk, werden zij niet
+afgeschaft. En zij zijn dat nog niet en zullen het waarschijnlijk
+nooit worden, zoolang de wereld zal bestaan.
+
+Er is geen school in gansch Amerika, waar de jonge dames zich niet
+verplicht gevoelen hare opstellen met een preek te eindigen; en het
+zijn doorgaans de lichtzinnigste en minst godsdienstige meisjes,
+die de mooiste preken maken. Maar genoeg hiervan. De waarheid wil
+niet altijd gezegd zijn. Laat ons daarom tot het examen terugkeeren.
+
+Het eerste opstel, dat voorgelezen werd, droeg tot opschrift:
+
+"Is dit nu het leven?"
+
+De lezer zal mij wel willen vergunnen er een uittreksel van mede te
+deelen. Het luidde ongeveer aldus:
+
+"Met welk een verrukking ziet gewoonlijk het jeugdig gemoed niet uit
+naar een hem wachtend feest! De verbeelding toovert rooskleurige
+tafereelen van genot. Daar ziet de aanbidster van wereldsche
+genoegens zich reeds te midden der feestvierende menigte als
+'de bewonderde door al de bewonderaars.' Haar bevallige gestalte,
+in een sneeuwwit kleed gehuld, zweeft rond in den doolhof van den
+vroolijken dans; haar oog is schitterender, haar tred lichter dan die
+van de gansche lustige schare. Onder zulke heerlijke droomen glijdt
+de tijd spoedig voort en weldra is de gelukkige ure daar, waarop zij
+de Elyseesche velden betreden zal, van welke zij zoo verrukkelijk
+had gedroomd. Hoe tooverachtig schoon vertoont zich alles aan hare
+ontvlamde verbeelding! Elk nieuw tooneel wint aan bekoring. Maar na
+eene wijle ervaart zij, dat onder dat schoon vernis niets dan ijdelheid
+schuilt. De vleitaal, welke eens haar hart streelde, klinkt haar schril
+in het oor; de balzaal heeft hare aantrekkelijkheid voor haar verloren
+en met een verwoeste gezondheid en een verbitterd hart trekt zij zich
+uit de wereld terug, de overtuiging met zich voerende, dat aardsch
+genot de ziel, die naar hoogere dingen streeft, niet bevredigen kan."
+
+En zoo ging het voort. Van tijd tot deed zich onder het lezen een
+gegons van bijvalsbetuigingen hooren, vergezeld van fluisterende
+uitroepen, als: "Hoe lief! Hoe welsprekend! Hoe waar!" enz. enz. En
+toen het stuk met een ijselijk sombere preek eindigde, volgde er een
+uitbundige toejuiching.
+
+Vervolgens stond een tenger, droefgeestig meisje op, dat zich door
+de belangwekkende bleekheid onderscheidde, welke het gevolg is van
+pillen en indigestie, en droeg een gedicht voor, waarvan ik u twee
+coupletten zal mededeelen:
+
+
+ Alabama, vaarwel! Och 'k min U zoo teer!
+ Toch ga 'k voor een poos van U scheiden!
+ Maar het denken aan U doet mij 't harte zoo zeer,
+ Mijn ziel blijft bij U steeds verbeiden.
+ Uw lommerrijke wouden heb 'k dikwijls doorkruist;
+ 'k Heb gedoold langs Uw liefelijke stroomen;
+ Gehoord hoe uw water bij stormwinden bruist
+ En bewonderend Aurora zien komen.
+
+ De tranen die 'k schrei, o! ik schaam ze mij niet,
+ Geen blos dekt mijne vochtige wangen;
+ Niet vreemd is mij 't land, dat mijn aandoening ziet,
+ 't Is een vriend waar mijn ziel aan blijft hangen.
+ Een meer hartelijke ontvangst vond ik nergens, o neen!
+ Dan bij U, wien 'k _mijn_ land wel mag heeten;
+ En mijn hoofd en mijn hart moest wel koud zijn als steen,
+ Alabama, als het U kon vergeten!"
+
+
+Er waren er slechts zeer weinigen, die wisten wat het woord "Aurora"
+beteekende, doch het gedicht viel niettemin zeer in den smaak.
+
+Daarop verscheen een jonge dame met een donkere gelaatskleur, donkere
+oogen en donker haar, die een indrukwekkend oogenblik pauseerde,
+haar best deed om haar gelaat eene tragische uitdrukking te geven en
+toen op afgemeten toon begon:
+
+"Zwart en stormachtig was de nacht. Om den hemeltroon flikkerde een
+enkele ster, doch zware donderslagen trilden aanhoudend door het zwerk,
+terwijl de vreeselijke bliksem gramstorig door de onbewolkte hemelzalen
+dartelde, alsof hij de macht bespotte, welke de beroemde Franklin
+zich over zijne verschrikkingen had aangematigd! Zelfs de onstuimige
+winden kwamen eendrachtig uit hunne geheimzinnige woonplaatsen te
+voorschijn en bulderden in het rond, begeerig naar 't scheen, om de
+woestheid van het tooneel door hunne hulp te verhoogen.
+
+"Op zulk een tijdstip, zoo duister, zoo droevig, zuchtte mijn hart
+naar menschelijk medegevoel,--maar in plaats daarvan,
+
+
+ Mijn dierbaarste vriendin, mijn gids en mijn geleide,
+ Mijn vreugde bij mijn smart, stondt ge eensklaps aan mijn zijde!
+
+
+"Zij bewoog zich voort als een van die liefelijke wezens, welke
+de romantische jeugd zich op de zonnige paden van het Eden der
+verbeelding, voor den geest toovert,--een koningin der schoonheid,
+zonder versierselen, maar getooid met hare alles overtreffende
+bekoorlijkheid. Haar tred was zoo licht, dat het oor hare nadering niet
+vernam, en indien hare bezielde aanraking niet eene magische trilling
+had doen ontstaan, zou zij ongemerkt, ongezocht voorbijgegleden
+zijn. Een zonderlinge droefheid zetelde op hare gelaatstrekken, als
+ijzige tranen op Decembers winterkleed, toen zij naar de strijdende
+elementen daar buiten wees en mij verzocht de beide wezens, die daar
+werden voorgesteld, te aanschouwen." [2]
+
+Deze nachtmerrie omvatte tien bladzijden schrifts en sloot met een
+preek, wanhopig akelig voor de Anti-Presbyterianen, doch die den
+eersten prijs behaalde en als de schoonste proeve van den avond
+werd beschouwd.
+
+De burgemeester van St. Petersburg hield onder het overreiken van den
+prijs aan haar, die hem behaald had, eene schitterende redevoering,
+in welke hij betuigde, dat dit de welsprekendste rede was, die zijne
+ooren ooit gehoord hadden en dat Daniel Webster zelfs er trotsch op
+had kunnen zijn.
+
+In het voorbijgaan moet gezegd worden, dat de opstellen, welke
+overvloeiden van het woord "heerlijk" als ook van de vergelijking
+"menschelijke ondervinding," met "een bladzijde uit het leven,"
+het gemiddeld aantal overtrof.
+
+Thans schoof de meester, opgewonden tot aan luidruchtigheid toe,
+zijn stoel op zijde, ging met den rug naar het publiek staan en begon
+zijne aardrijkskundige lessen door op het bord eene kaart van Amerika
+te teekenen. Doch hij maakte met zijne onvaste hand een figuur--en
+er werd een onderdrukt gelach in de school gehoord. Hij wist wat er
+aan haperde en deed zijn best om de fout te herstellen, veegde enkele
+lijnen met de spons uit en maakte weder nieuwe. Helaas! zij werden
+hoe langer hoe slechter en het gegiegel werd luider. Hij wijdde zijn
+gansche aandacht aan het werk, alsof hij besloten had zich niet door
+het publiek uit het veld te laten slaan. Hij voelde, dat aller oogen
+op hem gevestigd waren, en verbeeldde zich dat het beter ging. En toch
+hield het gegiegel aan, ja, het vermeerderde blijkbaar. En daartoe
+was wel reden. Boven zijn hoofd was een vliering met een luik, en
+uit dat luik, kwam een kat te voorschijn, welke men een touw om de
+achterpooten gehecht had. Die kat had een doekje om den kop en de
+kaken gebonden, on haar het miauwen te beletten. Terwijl zij langzaam
+naar beneden sukkelde, kromde zij zich naar alle kanten, sloeg hare
+klauwen om het touw, schommelde vervolgens naar de laagte en krabde
+tegen de ontastbare lucht. Het gegiegel werd erger en erger: de kat was
+omstreeks zes duim van des soezerigen meesters hoofd. Nog een weinig
+later en zij greep met hare klauwen wanhopig naar des meesters pruik,
+klemde zich daaraan vast en werd een oogenblik later weder tot de
+vliering opgetrokken, met haar zegeteeken tusschen de pooten. En welk
+een lichtgloed verspreidde zich toen van des meesters hoofd. Immers
+de verversjongen had dat lichaamsdeel met verguldsel besmeerd.
+
+Met dit tooneel werd de vergadering gesloten. De jongens waren gewroken
+en de vacantie was begonnen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIII.
+
+
+Aangetrokken door de schitterende uniform der "Matigheids-Cadetten"
+werd Tom lid der afdeeling van het nieuw opgerichte genootschap en
+beloofde hij zich gedurende zijn lidmaatschap te onthouden van rooken
+en vloeken. Bij deze gelegenheid ontdekte de knaap iets, waaraan hij
+vroeger nooit gedacht had, namelijk--dat de aflegging der belofte om
+iets _niet_ te doen, het beste middel is om iets te leeren doen. Tom
+voelde zich door een nooit gekenden lust gekweld on te rooken en te
+vloeken: ja, de begeerte werd zoo sterk, dat alleen de hoop om zijn
+roode sjerp te vertoonen, hem er van terughield zijn lidmaatschap op
+te zeggen.
+
+Het was 4 Juli toen hij tot den bond toetrad, en hij was nog geen
+acht en veertig uren lid geweest of hij was gereed en gezind zich
+van zijne boeien te ontslaan. Doch juist dien dag vernam hij, dat
+de oude vrederechter ziek was en waarschijnlijk zou sterven. Zulk
+een voornaam ambtenaar zou zeker met groote plechtigheid begraven
+worden en dan had hij een kansje om in zijn uniform den stoet te
+volgen. Drie dagen lang was Tom diep begaan met des rechters toestand
+en vol verlangen naar tijding. Nu en dan klom zijn hoop zoodanig,
+dat hij het waagde zijn sjerp uit de kast te halen en zich voor den
+spiegel voor de groote gebeurtenis te oefenen. Doch de rechter bleef
+wanhopig lang tusschen dood en leven dobberen en werd ten slotte
+aan de betere hand en daarna voor hersteld verklaard. Tom was boos
+en zeide onverwijld zijn lidmaatschap op. Helaas! dienzelfden nacht
+stortte de rechter in en stierf.
+
+Tom besloot oude vrederechters nooit meer te vertrouwen. De
+begrafenis was prachtig en de cadetten paradeerden op een wijze,
+die er op toegelegd scheen om het vroegere lid van afgunst te doen
+vergaan. Doch hij was vrij en kon weder naar hartelust rooken en
+vloeken. En nu bemerkte hij tot zijne verwondering, dat hij er op
+eens geene behoefte meer aan had. De wetenschap alleen, dat hij het
+doen kon nam den lust en het genot er van weg.
+
+Tot Toms groote verbazing begon hij te bemerken, dat de lang gewenschte
+vacantie wat vervelend werd.
+
+Hij beproefde een dagboek te maken, doch aangezien er de eerste drie
+dagen niets merkwaardigs voorviel, gaf hij het op. Toen kwam het "Café
+Chantant," der negerzangers in de stad en maakte sensatie. Dadelijk
+werd er door Tom en Joe Harper een speel- en zanggezelschap opgericht
+en de knapen vermaakten zich daarmede een paar dagen. Zelfs de
+dag van den intocht des nieuwen Senators mislukte gedeeltelijk,
+omdat het hard regende. Dientengevolge was er geen optocht,--en
+zelfs in den grootsten man der wereld (naar het oordeel van Tom),
+den heer Beuton, een wezenlijken Senator van de Vereenigde Staten,
+werd hij bitter teleurgesteld, want deze bleek op geen stukken na
+vijf en twintig voet lang te zijn.
+
+Toen kwam er een paardenspel. De jongens speelden drie dagen "cirque",
+in tenten van lompen en oude tapijten, met toegangskaarten van drie
+centen en twee voor meisjes, en daarna werd het paardenspel opgegeven.
+
+Eindelijk kwam er een buikspreker en een goochelaar--die weder
+vertrokken en het stadje achterlieten somberder en droeviger dan ooit.
+
+Ook werden er enkele kinderpartijen gegeven, doch zij waren zoo
+zeldzaam en zoo heerlijk, dat de pijnlijke leemte tusschen de eene
+visite en de andere er te meer om werd gevoeld.
+
+Becky Thatcher was naar huis gegaan, naar Konstantinopel, om de
+vacantie bij hare ouders door te brengen: dus was er nergens een
+zonnestraaltje te vinden. Daarbij kwam nog het vreeselijk geheim van
+den moord, dat eene slepende ellende bleef voor den armen knaap.
+
+Midden in de vacantie vertoonde zich de mazelen-epidemie en Tom was
+twee weken lang een gevangene, dood voor de wereld en hetgeen daarin
+voorviel. Hij was zeer ziek en stelde nergens belang in. Toen hij
+eindelijk weder buiten mocht komen en zachtjes de stad doordrentelde,
+scheen alles en elk schepsel een treurige verandering ondergaan te
+hebben. Er was een straatprediker geweest, die de menschen bekeerd
+had, niet alleen de volwassenen, maar zelfs de kleine jongens en
+meisjes. Tom ging de stad rond in de hopelooze hoop van ten minste
+een enkel zondig gezicht tegen te komen, doch overal wachtte hem
+teleurstelling. Hij vond Joe Harper verdiept in de studie van het
+Nieuwe Testament en hij wendde zich droevig van dit drukkend schouwspel
+af. Hij zocht Ben Rogers en vond hem aan het bezoeken van armen,
+met een mandje met traktaatjes, als eene waarschuwing tot bekeering,
+bij zich. Hij spoorde Jim Hollis op, die hem wees op de zegen van de
+mazelen. Iedere jongen, dien hij tegenkwam, bracht een dosis tot zijn
+toestand van neerslachtigheid toe, en toen hij in wanhoop eindelijk
+zijn toevlucht nam tot Huckleberry Finn en ook door hem met eene
+aanhaling uit de Schrift ontvangen werd, brak hem het hart en sloop
+hij naar zijn bed en maakte zich wijs, dat hij de eenige in de stad
+was, die voor eeuwig, eeuwig was verloren.
+
+Juist dien nacht kwam er een vreeselijke storm met slagregen,
+ontzettende donderslagen en verblindende bliksemstralen. Tom kroop
+onder de dekens en wachtte in een akelige onzekerheid zijn doemvonnis
+af: immers hij was volkomen overtuigd, dat dit woeden der elementen
+om zijnentwil geschiedde. Hij geloofde, dat hij de verdraagzaamheid
+der bovenaardsche machten getart had, meer dan zij dragen konden, en
+dat dit er het gevolg van was. Het zou hem wel vreemd voorgekomen zijn
+als zooveel vertooning en geschut was aangewend om een mug te dooden,
+doch hij vond het heusch niet ongerijmd, dat er zulk een onweder was
+ontstaan om een worm als hij te vernietigen.
+
+Langzamerhand bedaarde de storm en verdween, zonder zijn voornemen te
+hebben ten uitvoer gebracht. De eerste aandrang van den knaap was,
+dankbaar te zijn en zich te verbeteren. De tweede was, te wachten:
+immers er mochten nog eens meer stormen komen.
+
+Den volgenden dag stond de dokter opnieuw voor zijn bed. Tom was weder
+ingestort. De drie volgende weken, die hij op zijn rug doorbracht,
+schenen eene eeuwigheid. Toen hij eindelijk weder buiten kwam, was
+hij nauwlijks dankbaar dat hij gespaard was gebleven, daar hij immers
+verlaten en van makkers beroofd was. Hij zwierf lusteloos door de
+straat en vond Jim Hollis voor rechter spelende in een gerechtshof
+van jongelieden, die een kat wegens moord hadden aangeklaagd, in de
+tegenwoordigheid van haar slachtoffer, een vogel. Daarna zag hij
+Joe Harper en Huck Finn, die in plaats van de Schriften te lezen,
+bezig waren een gestolen meloen op te muizen. Arme knapen, ook zij
+waren weder ingestort!
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIV.
+
+
+Eindelijk kwam er beweging in de droomerige atmosfeer--en
+geweldige beweging ook. De zaak van den moord zou voorkomen bij
+het Gerechtshof. Natuurlijk werd deze zaak het onderwerp van alle
+gesprekken; ook in Toms kring werd er druk over gesproken. Maar
+telkens, als het woord genoemd werd, voer hem eene rilling door de
+leden en hij verbeeldde zich in zijn angst, dat er voorbedachtelijk
+zoo gedurig in zijne tegenwoordigheid over gesproken werd, om te
+zien of hij er ook iets mede te maken had. Ofschoon hij zeker wist,
+dat niemand eenig vermoeden omtrent zijne bekendheid met de misdaad
+kon hebben, voelde hij zich toch onder die praatjes niet op zijn
+gemak. Hij stierf elken dag duizend dooden en nam eindelijk Huck met
+zich naar eene eenzame plaats om de zaak met hem te bepraten. Het
+zou eene verlichting wezen, eens even zijn tong vrij te laten en den
+lijdenslast met een lotgenoot te deelen. Bovendien wilde hij er zich
+van overtuigen, dat Huck gezwegen had.
+
+"Huck, heb je nooit iemand daarover gesproken?"
+
+"Waarover?"
+
+"Dat weet je wel!"
+
+"O, natuurlijk niet."
+
+"Nooit een woord?"
+
+"Nooit een enkel woord.--Waarom vraag je dat?"
+
+"Wel, ik was er bang voor."
+
+"Maar Tom Sawyer! Wij zouden geen vier en twintig uur meer geleefd
+hebben, als het ontdekt was. Dat weet je immers wel."
+
+Tom werd kalmer. Na een pauze hernam hij:
+
+"Huck, je zoudt je immers door niets, noch door iemand laten ompraten."
+
+"Laten ompraten? Wel, als ik zin krijg om me door dien duivel van
+een kleurling te laten verzuipen, dan zal ik me laten ompraten."
+
+"Nu, dan is het in orde. Ik geloof, dat we veilig zijn, zoolang we
+zwijgen. Doch laat ons voor de securiteit nog eens zweren."
+
+"Best."
+
+Dus zwoeren de knapen ten tweede male met dure eeden.
+
+"Wat zeggen de menschen toch, Huck? Ik heb er nog zoo weinig van
+gehoord."
+
+"Zeggen! 't Is Muff Potter en 't blijft Muff Potter. Het koude zweet
+staat mij op 't voorhoofd, als ik het hoor, en ik zou wel onder den
+grond willen kruipen."
+
+"Zoo gaat het mij ook. Ik weet, dat hij er om koud is.--Heb je niet
+somtijds medelijden met hem?"
+
+"Ja, dag en nacht. 't Is wel geen beste, die Muff Potter, maar hij
+heeft nooit iemand kwaad gedaan. Hij bedelt wel eens langs de straat
+om geld te krijgen voor drank en hij loopt ook te luieren, maar o,
+Heertje, dat doen we allemaal, ten minste de meesten, vooral de
+dominees en dat slag van volk. Maar hij is een goede kerel, want
+hij heeft me eens de helft van zijn visch gegeven, terwijl hij zelf
+nog honger had; en ik weet niet hoeveel maal hij mij geholpen heeft,
+als ik in de knijp zat."
+
+"En voor mij heeft hij oude vliegers opgelapt, Huck, en vischnetten
+gebreid. Ik wou, dat ik hem uit de kast kon krijgen."
+
+"We kunnen er hem niet uit krijgen, Tom; en 't zou hem niet veel baten,
+want ze zouden hem er wel gauw weder inpakken."
+
+"Ja, dat zouden zij. Maar ik vind het akelig om hem zoo duivelsch
+valsch te hooren beschuldigen van iets, dat hij niet gedaan heeft."
+
+"Ik ook, Tom. Ik heb ze hooren zeggen, dat hij de gemeenste schurk
+uit het land was en dat het een wonder is, dat hij niet eerder
+gehangen werd."
+
+"Ja, zoo praten zij. Ik heb hooren zeggen, dat, als hij vrij kwam,
+zij hem zouden _lynchen_ [3]--en dat zouden zij doen ook."
+
+De jongens praatten nog een tijdlang op deze wijze voort, doch het
+gesprek bracht hun weinig troost aan. Tegen schemeravond stonden zij
+voor de kleine eenzame gevangenis, wellicht met een vage hoop in het
+hart, dat er iets zou gebeuren, waardoor hunne moeielijkheden uit
+den weg zouden worden geruimd. Doch er gebeurde niets; de engelen en
+feeën schenen zich het lot van dezen ongelukkige niet aan te trekken.
+
+Tom en Huck deden dien avond wat zij al menigmaal hadden gedaan;
+zij zetten zich voor het tralievenster der cel neder en gaven Potter
+wat tabak en een paar zwavelstokken. Daar de gevangene in een laag
+hok lag en door geen schildwachten werd bewaakt, konden zij hem deze
+kleine giften zonder moeite toereiken.
+
+Zijne dankbaarheid voor hunne geschenken had hen altijd pijnlijk
+aangedaan,--doch ditmaal trof zij hen meer dan ooit. Zij vonden
+zichzelven onuitsprekelijk laf en valsch, toen Potter zeide:
+
+"Jelui bent almachtig goed voor me geweest, jongens, beter dan
+iemand anders in de geheele stad, en ik zal het nooit, nooit
+vergeten. Dikwijls zeg ik tot mijzelven: 'Ik placht al de vliegers en
+dingen voor de jongens in orde te maken en hen te wijzen waar de beste
+visch te vangen was en hun pleizier te doen zooveel ik kon, en thans,
+nu hij in nood is, hebben zij allen den ouden Muff vergeten--allen
+behalve Tom en Huck. Die vergeten hem niet,' zeg ik, en ik vergeet
+hen niet. Wel jongens, ik heb een vreeselijke misdaad gepleegd,
+in mijne dronkenschap,--anders begrijp ik niet, hoe ik het gedaan
+kon hebben,--en nu moet ik er voor hangen, en dat is maar goed, ja,
+'t beste wat ze met mij doen kunnen. Doch daar zullen wij niet verder
+over spreken. Ik wil jelui niet akelig maken, daarvoor ben jelui te
+goed voor mij geweest! Maar wat ik zeggen wou, is dit: drinkt nooit
+te veel, en jelui zult nooit hier komen. Ga een beetje dichter bij
+het raam staan, dan kan ik jelui beter zien; 't is zoo'n troost,
+vriendelijke gezichten te zien, als men zich zoo diep ellendig
+voelt,--en ik zie ze hier nooit, behalve die van jelui. Goede,
+vriendelijke gezichten. Goede, vriendelijke gezichten! Gaat op
+elkanders rug staan en geef mij de hand; uwe handen kunnen wel door de
+tralies doch de mijne niet, die zijn te groot. Kleine, teere handjes,
+die Muff Potters last verlicht hebben en welke, als ze maar konden,
+dien wel heelemaal zouden wegnemen!"
+
+Tom ging dien avond diep rampzalig naar huis en werd den ganschen nacht
+door afgrijselijke droomen gekweld. De twee volgende dagen was hij
+al vroeger op straat en en bleef hij om de zaal van het gerechtshof
+heen zweven, naar welk gebouw hij onwederstaanbaar gedreven werd,
+ofschoon hij al zijne krachten inspande om zich te dwingen er vandaan
+te blijven. Huck ondervond hetzelfde en de beide knapen vermeden
+elkander opzettelijk. Soms liepen zij voor een oogenblik weg, doch
+dezelfde vreeselijke betoovering dreef hen altijd weder naar het gebouw
+terug. Telkens spitste Tom de ooren, wanneer er een leeglooper de zaal
+in- of uitslenterde, doch hij hoorde onveranderlijk treurig nieuws;
+het net werd hoe langer hoe dichter om den armen Potter toegehaald. Aan
+den avond van den tweeden dag liep in het stadje het gerucht dat het
+feit door Injun Joe's verklaring volkomen was bewezen en dat er geen
+twijfel meer bestond omtrent de uitspraak der jury.
+
+Tom kwam laat in den avond tehuis en klom door het venster in zijne
+slaapkamer. Hij was in een staat van vreeselijke opgewondenheid
+en uren verliepen, eer hij den slaap kon vatten. Den volgenden
+morgen liep de gansche stad uit naar het Hof, want dit was de groote
+dag. De beide geslachten waren gelijkelijk in dit zich opeenhoopend
+publiek vertegenwoordigd. Na lang op zich te hebben laten wachten,
+kwam de jury binnen en nam haar zetels in. Kort daarop werd Potter
+geboeid binnengebracht. Hij zag er bleek en ontdaan uit en werd
+zoo geplaatst, dat al de nieuwsgierige oogen hem konden zien. Niet
+minder viel Injun Joe in 't oog, verstaald als altijd. Na eene kleine
+pauze kwam de voorzitter binnen en de sherif verklaarde de zitting
+voor geopend. Daarop volgde het gewone gefluister onder de leden
+der balie en het bijeenverzamelen der stukken. Deze bijzonderheden
+en het haar vergezellend oponthoud brachten niet weinig bij om het
+indrukwekkende dezer bijeenkomst te verhoogen en de vergadering in
+de grootste spanning te brengen. Nu werd er een getuige voorgeroepen
+die verklaarde, dat hij Muff Potter in den vroegen morgen van den
+dag, waarop de moord ontdekt was, zich in een beek had zien wasschen
+en onmiddellijk daarop door het kreupelhout wegsluipen. Nadat dien
+getuige enkele vragen gedaan waren, zeide de openbare aanklager;
+
+"Hebt gij den getuige nog verder iets te vragen?"
+
+De gevangene hief een oogenblik de oogen op, doch sloeg ze terstond
+weder neer, toen zijn verdediger zeide:
+
+"Ik heb hem geene vragen te doen."
+
+De volgende getuige deelde mede, dat er een mes bij het lijk gevonden
+was. Op de vraag, of hij dezen ook iets te vragen had, antwoordde de
+advocaat van Potter:
+
+"Ik heb ook dezen niets te vragen."
+
+Het publiek begon teekenen van ontevredenheid te geven.--Was deze
+advocaat van plan zijn cliënt het leven te doen verliezen, zonder
+een enkele poging te wagen om hem te redden?
+
+Verscheidene getuigen legden verklaringen af omtrent de schuld
+verradende houding van Potter, toen hij op de plaats waar de moord
+gepleegd was, gebracht werd. Zij mochten allen aftrekken zonder
+kruisvragen te ondergaan.
+
+Al de bezwarende omstandigheden, welke in dien morgen op het kerkhof
+hadden plaats gegrepen en die de aanwezigen zich zoo goed wisten te
+herinneren, werden door geloofwaardige getuigen gestaafd, maar tot
+geen hunner werd door Potters verdediger een vraag gericht.
+
+De verslagenheid en ontevredenheid van het publiek uitte zich in een
+dof gemompel en gaf aanleiding tot eene berisping van de zijde van
+den voorzitter. De woordvoerder voor de beschuldiging zeide daarop:
+
+Door de beëedigde getuigenissen van burgers, wier geloofwaardigheid
+boven alle verdenking verheven is, hebben wij het onweerlegbaar
+bewijs geleverd, dat de ongelukkige gevangene, die in gindsche bank
+gezeten is, het vreeselijk misdrijf heeft bedreven. Onze taak is
+hiermede geëindigd.
+
+Een kreet ontsnapte den armen Potter en hij sloeg zijne handen voor
+het gelaat en bewoog zich onrustig op zijne plaats, terwijl er in de
+gerechtszaal een pijnlijk stilzwijgen heerschte. Vele mannen waren
+bewogen en menige vrouw gaf door tranen van medelijden blijk.
+
+De verdediger stond op en sprak:
+
+"Mijnheer de Voorzitter!
+
+"Toen wij bij het begin der behandeling van dit geding ons enkele
+aanmerkingen over de zaak veroorloofden, hebben wij gezegd, dat wij
+zouden trachten aan te toonen, dat onze cliënt bij het plegen dezer
+ontzettende daad handelde in een toestand van waanzin, ontstaan uit
+misbruik van sterken drank, die zijne aansprakelijkheid uitsloot. Wij
+zijn op dat voornemen teruggekomen; die verdediging zullen wij niet
+voeren." (En toen tot den deurwaarder) "Roep Thomas Sawyer."
+
+De grootste verbazing teekende zich op ieders gelaat, dat van Potter
+niet uitgezonderd. Aller oogen wendden zich vol bevreemding en
+belangstelling op Tom, toen deze opstond en in het getuigenbankje
+plaats nam. De knaap zag er bleek en doodelijk verschrikt uit. De
+eed werd hem afgenomen.
+
+"Tom Sawyer, waar zijt gij den zeventienden Juni, omstreeks middernacht
+geweest?"
+
+Tom keek naar het verstaalde gezicht van Injun Joe en zijne tong
+weigerde hare diensten. Het publiek luisterde met ingehouden adem,
+doch de woorden wilden niet komen. Na een paar minuten echter kwam de
+ontstelde knaap eenigermate tot zich zelven en trachtte hij zijne stem
+te verheffen, om zich door de aanwezigen te doen verstaan en zeide:
+
+"Op het kerkhof!"
+
+"Een weinig luider, als 't u belieft. Wees niet bang.--Gij waart....?"
+
+"Op het kerkhof!"
+
+Eene minachtende glimlach speelde om de lippen van Injun Joe.
+
+"Waart gij in de nabijheid van het graf van Hoss Williams?"
+
+"Ja, mijnheer."
+
+"Spreek nog iets luider. Hoe dicht waart ge er bij?"
+
+"Zoo dicht, als ik thans bij u sta."
+
+"Hieldt gij u verborgen of niet?"
+
+"Verborgen, mijnheer."
+
+"Waar?"
+
+"Achter de olmboomen, aan den rand van het graf."
+
+Injun Joe deinsde onwillekeurig achteruit.
+
+"Hadt gij niemand bij u?"
+
+"Ja, mijnheer. Ik was daar met..."
+
+"Wacht, wacht een oogenblik. Gij behoeft den naam van uw makker niet
+te noemen. Wij zullen hem te zijner tijd voorbrengen. Hadt gij iets
+bij u?"
+
+Tom aarzelde en keek verlegen voor zich.
+
+"Spreek vrij uit, mijn jongen;--wees niet bedeesd. 't Is altijd braaf
+on de waarheid te spreken. Wat hebt gij mede naar het kerkhof genomen?"
+
+"Niets dan een--een doode kat!"
+
+Voor een oogenblik verhief zich zulk een luid glimlach onder de
+menigte, dat de voorzitter den hamer moest gebruiken.
+
+"Nu, mijn jongen, vertel ons al wat er is voorgevallen. Zeg het in
+uw eigen taal;--sla niets over en wees niet bang."
+
+Tom begon. Eerst aarzelend, doch naarmate hij zich warmer over het
+onderwerp maakte, vloeiden zijne woorden met grooter gemak, en het
+duurde niet lang of er werd geen geluid gehoord dan dat van zijne
+stem. Aller oogen waren op hem gericht en met open mond en ingehouden
+adem hing het publiek aan zijne lippen, ontzet door het verhaal van
+de afgrijselijke geschiedenis. De hooggespannen aandacht bereikte
+haar toppunt, toen de jongen zeide:
+
+"En toen de dokter de plank opnam en Muff Potter viel, sprong Injun
+Joe met het mes op hem toe en...."
+
+Krak! Sneller dan de bliksem vloog de kleurling door een raam, duwde
+allen die hem trachten tegen te houden terug en was verdwenen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXV.
+
+
+Tom was ten tweede male de held van den dag,--het troetelkind der
+ouden van dagen, het voorwerp van afgunst der jeugd. Zijn naam werd
+zelfs door de drukpers onsterfelijk gemaakt, want hij werd eervol in
+het "Peterburgsche blaadje" vermeld. Er waren er zelfs, die in hem,
+indien hij aan de galg ontkwam, een toekomstigen President zagen.
+
+Zooals dat gewoonlijk gaat, koesterde de veranderlijke, onredelijke
+wereld Muff Potter aan haar hart en vertroetelde hem even dwaas
+als zij hem te voren had beschimpt. Doch aangezien deze gewoonte de
+menschheid eer tot lof dan tot blaam strekt, zou het onheusch zijn
+er haar een verwijt van te maken.
+
+De eerstvolgende dagen waren voor Tom een tijdperk van onvermengd
+genot, maar zijne nachten waren vreeselijk. Het beeld van Injun Joe
+vervolgde hem in zijn droomen en de moordenaar stond gedurig voor
+hem, met verdelging in zijn oog. De knaap was er voor geen geld toe
+te bewegen om na zonsondergang de deur uit te gaan. De arme Huck
+verkeerde in denzelfden toestand van ellende en schrik, want Tom
+had den avond voor den rechtsdag de geheele geschiedenis aan den
+pleitbezorger verteld, en Huck was doodbang dat het uitlekken zou,
+dat ook hij in de zaak betrokken was, ofschoon de vlucht van Injun
+Joe hem de marteling gespaard had van op 's Hofs zitting getuigenis
+te moeten afleggen.
+
+Sedert Toms bezwaard geweten hem in den laten avond naar het huis van
+den advocaat gedreven had en deze het huiveringwekkend verhaal had
+ontwrongen aan lippen, die door de vreeselijkste en geheimzinnigste
+eeden gesloten waren geweest, had Huck zijn vertrouwen in de menschheid
+voor eeuwig verloren. Zoolang het daglicht scheen, maakte Muff Potters
+dankbaarheid Tom blijde dat hij gesproken had; maar zoodra de avond
+was gedaald, zou hij om alles gewild hebben dat zijn mond gesloten
+was gebleven. Het eene oogenblik bekroop hem de vrees, dat Injun Joe
+nooit gevat zou worden, en het andere beefde hij bij de gedachte dat
+het wel zou gebeuren. Het was hem alsof hij niet weder vrij zou ademen,
+voordat die man dood was en hij zijn lijk had gezien. Geldsommen waren
+uitgeloofd, men had het land doorkruist, doch er werd geen Injun Joe
+gevonden. Op zekeren dag kwam er uit St Louis een van die alwetende,
+ontzagwekkende wonderen in menschengedaante, een agent van de geheime
+politie, hoofdschuddend en met een voornaam gezicht te St Peterburg
+en maakte dien kolossalen opgang, welke leden van dat verheven lichaam
+altijd maken. Hij kwam zeggen dat hij den "sleutel" gevonden had. Doch
+aangezien men geen "sleutel" wegens moord kon ophangen, bracht het
+bezoek van den grooten man weinig licht aan en voelde Tom zich al even
+bezwaard als vroeger. De eene dag voor en de andere na ging voorbij,
+zonder dat hem het drukkend wicht van den angst werd afgenomen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVI.
+
+
+Er komt een tijd in elk wel ingericht jongensleven, dat hij door eene
+vurige begeerte wordt aangegrepen om ergens een verborgen schat te
+gaan zoeken. Dat verlangen bekroop plotseling Tom. Hij stapte de deur
+uit om Joe Harper op te zoeken, doch zonder baat. Toen ging hij naar
+Ben Rogers; helaas! deze was visschen. Weldra echter liep hij Huck
+tegen 't lijf en de beruchte straatjongen stond hem te woord. Tom
+nam hem met zich naar een eenzame plaats en deelde in vertrouwen zijn
+voornemen mede. Huck werd bereid gevonden; hij had gaarne de hand in
+elke onderneming, welke genot beloofde en geen geld kostte, daar hij
+een lastigen overvloed van die soort van tijd had, die _geen_ geld is.
+
+"Waar zullen wij graven!" vroeg Huck.
+
+"O, overal!"
+
+"Zoo, zijn dan overal schatten begraven?"
+
+"Neen, waarachtig niet. Zij zijn meestal op allervreemdste plaatsen
+verborgen, Huck;--somtijds op eilanden en ook wel in verrotte
+kisten, onder een tak van een ouden dooden boom op welken de maan te
+middernacht haar schaduw werpt. Doch doorgaans vindt men ze veel in
+den grond onder spookhuizen."
+
+"Wie verstopt ze?"
+
+"Wel de roovers natuurlijk.--Wie anders, denk je. De catechiseermeester
+van de zondagsschool?"
+
+"Ik weet het zoo niet. Indien ik een schat had, zou ik hem niet
+verstoppen: ik zou er hem doorlappen om een lekker leventje te hebben."
+
+"Ik ook; maar roovers doen dat niet; zij verbergen hem en laten hem
+waar hij is."
+
+"Komen zij hem nooit halen?"
+
+"Neen; zij hebben er wel plan op, maar zij vergeten doorgaans de
+plaats, waar zij hem verstopt hebben, of zij gaan dood. Hoe dan ook,
+hij blijft lang onder den grond liggen en begint te roesten; en in
+verloop van tijd vindt de een of ander een oud geel stukje papier,
+dat hem zegt waar de schat begraven is;--een papiertje dat men in
+een week niet ontcijferen kan, omdat het schrift enkel uit teekens
+en hiëroglyphen bestaat."
+
+"Hiëro... wat?"
+
+"Hiëroglyphen! Dat zijn prentjes en dingen, schijnbaar zonder
+beteekenis."
+
+"Heb jij ook van die papiertjes, Tom?"
+
+"Neen."
+
+"Hoe kun je dan de teekenen uitvinden?"
+
+"Wel, ik heb geen teekenen noodig. Schatten worden ook wel onder
+een spookhuis begraven of op een eiland, of onder een dooden boom
+met vooruitstekende takken. Wij hebben het op Jacksons Island al
+zoo wat geprobeerd en nu kunnen wij weer ergens anders aan den gang
+gaan. Daar heb je bij voorbeeld het oude spookhuis, Hill-House Branch,
+en verder zijn er een menigte boomen met doode takken."
+
+"Vindt men ze onder alle?"
+
+"Wat praat je toch! Natuurlijk niet!"
+
+"Hoe weet je dan onder welke je moet zoeken?"
+
+"Wij moeten ze alle uitgraven."
+
+"Maar, Tom, dan kunnen wij den geheelen zomer wel aan den gang
+blijven!"
+
+"Wat kan dat schelen? Verbeeld je, dat we eens een koperen pot
+vinden met honderd roestige dollars er in, of een verrotte kist met
+diamanten. Wat zou je daarvan zeggen?"
+
+Hucks oogen glinsterden.
+
+"Dat is zat, meer dan zat voor mij. Geef mij de honderd dollars,
+dan mag jij de diamanten houden!"
+
+"Afgesproken! De diamanten zijn lang niet te verwerpen. Sommigen zijn
+twintig dollars het stuk waard. Er zijn er haast geen, die je onder
+de zes verkoopen kunt."
+
+"Wezenlijk? Is dat zoo?"
+
+"Zeker; dat weet iedereen. Heb je er nooit een gezien, Huck?"
+
+"Niet, dat ik mij herinner!"
+
+"O, de koningen hebben ze bij menigte."
+
+"Maar ik ken geen enkelen koning, Tom."
+
+"Dat wil ik wel gelooven. Hier zijn geen koningen; maar als je eens
+naar Europa gingt, zou je er een mud in het rond zien springen."
+
+"Springen zij?"
+
+"Springen,--eend! Wel neen!"
+
+"Wel, waarom zeg je het dan?"
+
+"Och, ik bedoelde alleen maar, dat je ze zien zoudt,--maar niet zien
+springen, natuurlijk niet. Waarom zouden zij dat doen? Ik meen, dat
+je er den grond mede bezaaid zoudt zien, evenals bij dien Richard
+den Bultenaar."
+
+"Richard ...? Hoe heet hij nog meer?"
+
+"Hij heeft geen anderen naam. Koningen hebben alleen maar één voornaam.
+
+"Zoo?"
+
+"Zeker, zoo is 't."
+
+"Nu, als ze dat prettig vinden, laten ze hun gang gaan. Ik zou geen
+koning willen zijn, om alleen maar één voornaam te hebben, evenals
+de nikkers.--Maar zeg, waar ga je eerst graven?"
+
+"Dat weet ik nog niet. Zullen wij eerst beginnen onder dien ouden
+dooden tak op den heuvel, aan de overzijde van Hill-House Branch?"
+
+"Akkoord."
+
+De knapen wisten een gebrekkige bijl en een schoffel machtig te worden
+en ondernamen de voetreis van anderhalf uur. Zij kwamen bezweet en
+hijgend aan en legden zich onder de schaduw van een olmboom neder om
+uit te rusten en een pijp te rooken.
+
+"Het bevalt mij," zei Tom.
+
+"Mij ook," antwoordde Huck.
+
+"Zeg eens, Huck, als wij hier den schat vinden, wat doe jij dan met
+jouw aandeel?"
+
+"Ik? Ik koop elken dag een pastei en een glas sodawater en ik ga
+naar elk paardenspel dat hier in de buurt komt. Ik verzeker je,
+dat ik het er van nemen zal."
+
+"Zou je er niets van opsparen?"
+
+"Opsparen? Waarvoor zou dat dienen?"
+
+"Om wat te hebben om later van te leven."
+
+"O, dat hoeft niet, als ik dat deed, zou Pop op een goeden dag
+terugkomen en er zijne klauwen op zetten, om er spoedig een eind aan
+te maken.--Wat doe jij met jouw part?"
+
+"Ik koop een nieuwe trom, een sabel, een roode das, een groote
+poppenkast--en ik ga trouwen."
+
+"Trouwen?"
+
+"Ja zeker."
+
+"Tom, ben je mal, of wat scheelt je?"
+
+"Wacht maar: je zult het zien gebeuren."
+
+"Hemel, dat is nu het gekste ding, dat je doen kunt. Denk maar eens
+aan Pop en mijne moeder; ze deden niets dan vechten. Ik herinner mij
+dat als den dag van gisteren."
+
+"Dat doet er niet toe. Het meisje, waarmede ik ga trouwen, zal niet
+vechten."
+
+"Tom, ik geloof dat zij allen hetzelfde zijn. Je kunt ze allen over
+één kam scheeren. Ik zou me, als ik jou was, nog eens bedenken eer
+ik dat deed. Ik zeg je, dat het je berouwen zal. Hoe heet die meid?"
+
+"'t Is geen meid;--'t is een meisje."
+
+"Dat is hetzelfde; sommigen zeggen meid en anderen meisje. 't Is
+allebei goed. Hoe is haar naam?"
+
+"Ik zal hem je later zeggen; nu nog niet."
+
+"Ook al goed. Alleen als je gaat trouwen, zal ik verlatener zijn
+dan ooit."
+
+"Neen, dat zul je niet, want je zult bij ons komen inwonen. Laat ons
+nu maar spoedig opstaan en aan het graven gaan."
+
+Zij werkten een half uur in het zweet hun aanschijns, doch zonder
+gevolg. Zij zwoegden nog een half uur, weder zonder baat. Toen
+zeide Huck:
+
+"Worden die schatten altijd zoo diep begraven als deze?"
+
+"Somtijds, niet altijd. Meestal niet. Ik geloof, dat wij op de
+verkeerde plaats zijn."
+
+Zij kozen daarom een andere plek uit en begonnen weder. De arbeid
+ging wat langzamer, doch zij maakten toch vorderingen en hielden het
+zwijgend eenigen tijd vol. Eindelijk ging Huck op zijne spade leunen,
+veegde zich met zijn mouw de parelen zweet van het voorhoofd en zeide:
+
+"Waar ga je graven, wanneer wij door dezen boom heen zijn?"
+
+"Dan konden wij den ouden boom bij Cardiff Hill, achter het huis van
+de weduwe wel eens opdelven."
+
+"Dat zal wel een goede zijn. Maar zal de weduwe ons den schat niet
+afnemen, Tom? 't is op haar land."
+
+"Zij hem ons afnemen? Laat zij 't eens probeeren. Al wie een verborgen
+schat vindt, mag hem houden. Het doet er niet toe op wiens land
+het is."
+
+Huck was met dit argument tevreden. De arbeid werd
+voortgezet. Eindelijk zeide Huck:
+
+"Verduiveld, wij zijn zeker weer op de verkeerde plaats. Wat denk
+jij ervan?"
+
+"Het is erg vreemd, Huck. Ik begrijp het niet. Soms komen er wel eens
+heksen tusschenbeide. Ik denk, dat dit nu het geval is."
+
+"Onzin! Heksen kunnen niets doen bij daglicht."
+
+"Ja, dat is waar ook. Daar dacht ik niet aan. O, ik weet al wat het
+is. Wat zijn wij toch uilskuikens! Wij moeten zien te ontdekken, op
+welken tak tegen middernacht de schaduw van de maan valt, en onder
+dien tak graven."
+
+"Vervloekt! dus hebben wij monnikenwerk gedaan. Nu zullen wij van nacht
+terugkomen. 't Is een verduiveld lange weg. Kun jij de deur uitkomen?"
+
+"Ik denk het wel. Wij moeten het van nacht doen ook, want als iemand
+deze gaten ziet, zal hij het dadelijk begrijpen en zelf gaan zoeken."
+
+"Goed, dan zal ik van nacht weer komen miauwen."
+
+"Best. Laat ons de spaden zoolang in het kreupelbosch verbergen."
+
+De knapen waren ter bestemder tijd op de afgesproken plaats en zaten
+in de schaduw van den boom te wachten. Het was een eenzaam oord en
+eene van oudsher plechtige ure. Geesten fluisterden door de ruischende
+bladeren, spoken loerden in sombere hoeken, het holklinkend geblaf van
+een hond werd in de verte gehoord en door een uil met zijne grafstem
+beantwoord. De knapen waren geheel onder den indruk dezer ernstige
+zaken en spraken bijna geen woord. Na een poosje meenden zij, dat het
+wel twaalf uren zou zijn; zij gaven nauwkeurig acht op de schaduwen en
+gingen aan het graven. De hoop begon in hun hart te herleven; hunne
+belangstelling werd grooter en hun vlijt hield daarmede gelijken
+tred. Het gat werd al dieper en dieper en telkens, wanneer de bijl
+op iets hards sloeg, sprong hun hart op van vreugde. Doch de eene
+teleurstelling volgde de andere. Het was nooit iets anders dan een
+steen of een paar stukken van beenderen. Eindelijk zeide Tom:
+
+"Het zal niet baten Huck; wij zijn alweer aan den verkeerden boom."
+
+"Maar wij kunnen niet verkeerd zijn: wij hebben precies de beschaduwde
+plek genomen."
+
+"Dat weet ik wel, maar er is iets anders."
+
+"Wat dan?"
+
+"Dat wij naar den tijd geraden hebben. Waarschijnlijk was het te laat
+of te vroeg."
+
+Huck liet zijn schop vallen.
+
+"Daar zul je het hebben," zeide hij. "Dat is het vervelende ervan. Wij
+kunnen nooit het juiste oogenblik bepalen, en buitendien, 't is hier
+al te griezelig om dezen tijd van den nacht, met ronddolende spoken
+en geesten. Ik heb een gevoel, alsof er voortdurend iets achter mij
+staat, en ik durf mij nauwelijks omkeeren, omdat er anderen achter
+mij kunnen zijn, die hun kans afwachten. Ik heb gebeefd als een riet,
+zoolang ik hier gestaan heb."
+
+"Ik ook, Huck. Zij leggen meestal een dooden man in den kuil, onder
+den boom waarin zij een schat geborgen hebben."
+
+"Hemelsche vader!"
+
+"Ja, dat doen zij. Dat heb ik altijd gehoord."
+
+"Tom, ik houd er niet van, om in de buurt van doode menschen te
+zwerven. Je hebt er altijd min of meer last van."
+
+"Ik ben er ook niet voor om ze aan den gang te maken, Huck. Verbeeld
+je eens, dat er zijn schedel opstak en begon te praten."
+
+"Spreek er niet van, Tom; 't is te vreeselijk."
+
+"Gij hebt gelijk, Huck. Ik voel mij niets op mijn gemak."
+
+"Zeg eens Tom, zullen wij deze plaats opgeven en het ergens anders
+gaan beproeven?"
+
+"Goed. Ik geloof ook dat het beter zal zijn. Waar moeten we nu heen?"
+
+Tom bedacht zich een oogenblik en zeide toen:
+
+"Naar het spookhuis."
+
+"Dank je; ik houd niet van spookhuizen, Tom. Daar zie je gezichten
+nog akeliger dan die van doode menschen. Lijken mogen praten, maar ze
+schuiven niet, als je er niet op verdacht bent, langs je heen in een
+lijkkleed, om over de schouders te kijken, en ze kunnen ook niet met
+hunne tanden knarsen, zooals een spook doet. Ik zou het besterven,
+Tom--en iedereen met mij."
+
+"Ja maar, Huck, spoken sluipen alleen 's nachts rond; zij zullen ons
+over dag het graven niet beletten."
+
+"Dat kan wel zijn. Maar je weet net zoo goed als ik, dat de menschen
+bij dag zoo min als bij nacht in de buurt van het spookhuis komen."
+
+"Dat is omdat zij niet gaarne naar eene plaats gaan, waar een mensch
+vermoord is. Maar er is eigenlijk 's nachts nooit iets om dat huis
+gezien,--behalve een blauw licht bij het raam, doch geen echte spoken."
+
+"Wel, daar waar blauwe lichten dwarrelen, kun je er op aan dat geesten
+zijn. Dat is zoo zeker als iets, en iedereen weet, dat niemand dan
+geesten ze gebruiken."
+
+"Ja, dat is zoo. Maar zij komen nooit over dag; daarom behoeven wij
+niet bang te zijn."
+
+"Nu, goed dan; wij zullen bij het spookhuis gaan graven, als jij het
+wilt. Maar ik zeg je, dat je vrijwillig in gevaar loopt."
+
+Zij waren thans aan den voet van den heuvel. Daar, midden in de
+door de maan verlichte vallei, stond het spookhuis, geheel verlaten,
+met een vermolmd houten hek en welig, tot aan den drempel groeiend
+onkruid en met een bouwvalligen schoorsteen, ledige raamkozijnen en
+gaten in het dak.
+
+De knapen bleven een oogenblik staan kijken, half verwachtend een blauw
+licht bij het venster te zien bewegen. Zij spraken op fluisterenden
+toon, zooals bij den tijd en de omstandigheden paste, weken een
+eindweegs ter rechterzijde af, om de ligging van het spookhuis op
+te nemen, en begaven zich toen huiswaarts, door de bosschen die de
+achterzijde van Cardiff Hill versierden.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVII.
+
+
+Den volgenden dag, tegen twaalf uren, stonden de knapen bij den dooden
+boom om hun gereedschap te halen. Tom brandde van verlangen om naar
+het spookhuis te gaan. Huck was minder opgewonden en zeide:
+
+"Zeg eens, Tom: weet jij wat dag het is?"
+
+Tom doorliep in gedachten de dagen der week en hief toen verschrikt
+de oogen op.
+
+"Hemel, ik heb er in 't geheel niet aan gedacht, Huck."
+
+"Ik ook niet, maar op eens schoot het mij te binnen, dat het wel
+Vrijdag kon zijn."
+
+"Bewaar me; een mensch kan niet te voorzichtig wezen. Wij konden er
+wel eens inloopen, door zoo iets op Vrijdag aan te vangen."
+
+"Konden! Zeg liever zouden. Er zijn misschien geluksdagen, maar
+Vrijdag is er geen."
+
+"Dat weet elke gek. Ik geloof niet, dat jij de eerste bent, die dat
+uitgevonden hebt, Huck."
+
+"Nu, ik heb niet gezegd dat ik het was, heb ik wel? En het is
+niet alleen omdat het Vrijdag is; ik heb van nacht akelig gedroomd
+ook,--van ratten."
+
+"'t Is toch niet waar? Een zeker teeken van naderend onheil! Vochten
+zij?"
+
+"Neen."
+
+"Dat is tenminste nog een zegen, Huck. Wanneer zij niet vechten,
+is het alléén maar een teeken dat er een onheil _kan_ komen. We
+behoeven dus niets te doen dan scherp toe te kijken en ons niet in
+gevaar te begeven. Wij zullen het graven vandaag maar laten en liever
+gaan spelen. Ken je Robin Hood, Huck?"
+
+"Neen, Wie is Robin Hood?"
+
+"Wel, hij was een van de grootste mannen van Engeland en van de beste
+ook. Hij was een roover."
+
+"Heerejé, ik wou dat ik hem was. En wat heeft hij gekaapt?"
+
+"Alleen maar bisschoppen en rijke lui en koningen en zulk volk. Maar
+hij plaagde de arme lui nooit. Hij had ze lief en deelde alles eerlijk
+met hen."
+
+"Zoo, dan moet hij een beste kerel geweest zijn!"
+
+"Waarachtig was hij dat, Huck. Hij was de grootmoedigste man, die ooit
+heeft bestaan. Je hebt tegenwoordig zulke lui niet meer, daar ben ik
+zeker van. Hij kon, met zijne handen achter zijn rug gebonden, elken
+Engelschman afranselen, en met zijn boog van taxishout, op anderhalve
+mijl afstand, een stuivertje doorboren, zonder ooit te missen."
+
+"Wat is een boog van taxishout?"
+
+"Dat weet ik niet. 't Is een boog, dat is zeker. En als hij het
+geldstuk een enkelen keer aan den kant raakte, dan raasde en tierde
+hij als een kind.--Kom laten wij Robin Hood spelen; 't is een prettig
+spel. Ik zal het je leeren."
+
+Ze speelden den geheelen middag Robin Hood, terwijl zij nu en dan
+een verlangenden blik op het spookhuis wierpen en spraken over de
+plannen en vooruitzichten voor den volgenden dag. Toen de zon in het
+westen onderging, wandelden zij langs de breede schaduwen der boomen
+naar huis en waren in de bosschen van Cardiff Hill spoedig uit het
+gezicht verdwenen.
+
+Zaterdagmiddag waren de knapen weder bij den dooden boom.
+
+Eerst zaten zij in de schaduw een poosje te rooken en te babbelen
+en gingen toen het gemaakte gat weder opgraven. Zij deden dat, niet
+omdat zij groote verwachtingen hadden, maar alleen omdat Tom gezegd
+had, dat het dikwijls gebeurd was, dat menschen, toen zij den schat
+tot op een duim na bereikt hadden, het opgegeven hadden, en dat er
+toen anderen gekomen waren, die met één stoot van de spade hem te
+voorschijn hadden gehaald.
+
+Hun streven mislukte echter ditmaal en ze namen daarom hun gereedschap
+maar weder op en gingen heen, niet met de gedachte dat zij met
+de fortuin een loopje hadden genomen, maar in de overtuiging dat
+zij aan alle voorwaarden, aan het delven naar schatten verbonden,
+hadden voldaan.
+
+Toen zij het spookhuis naderden, was er iets zoo akeligs en
+huiveringwekkends in de doodelijke stilte onder de brandende zon en
+iets zoo neerdrukkends in de eenzame, verlatene plaats, dat zij een
+oogenblik bang waren om binnen te gaan. Zij kropen naar de deur en
+keken bevend door een reetje. Zij zagen een met onkruid begroeide,
+van vloer beroofde kamer, zonder behangsel, met een ouderwetsche
+haardstede, vensters zonder gordijnen en een bouwvallige trap,
+en overal flarden van spinnewebben. Toen traden zij met versnelden
+polsslag, fluisterende stem, gretige ooren en gezwollen spieren binnen,
+gereed om desnoods onmiddellijk weder den aftocht te blazen.
+
+Een oogenblikje later, toen hun blik aan de huiveringwekkende
+omgeving was gewend, verminderde hun angst en namen zij de plaats
+nauwkeuriger op, vol verbazing en verwondering over hun eigen
+stoutmoedigheid. Daarop wilden zij boven een kijkje nemen. 't Had
+iets van zich den terugweg af te snijden, maar zij zagen elkander met
+moedige blikken aan en kwamen tot een kloek besluit om hun gereedschap
+in een hoek te werpen en de trap te beklimmen. Boven vertoonden zich
+dezelfde teekenen van verval. In een donkeren hoek vonden zij een
+kabinetje, dat iets geheimzinnigs beloofde; doch die belofte bleek
+ijdel te zijn, want het was ledig. Zij hadden thans moed verzameld
+en waren gereed hunne onderneming door te zetten. Juist toen zij naar
+beneden wilden stappen om aan het werk te gaan, zeide Tom: "Stil!"
+
+"Wat is er?" fluisterde Huck, bleek van schrik.
+
+"Stil! Daar! Hoort gij het?"
+
+"Ja, O, heer! Laat ons wegloopen!"
+
+"Houd je stil! Beweeg je niet! Zij komen naar de deur toe."
+
+De jongens gingen plat op den grond liggen en keken door de openingen
+tusschen de planken, in doodangst afwachtende wat er gebeuren zou.
+
+"Zij houden stil," fluisterden zij eindelijk.
+
+"Neen--zij komen! Hier zijn zij! Geen woord meer, Huck. Goede hemel,
+ik wou dat ik er uit was!"
+
+Twee mannen traden binnen. De knapen dachten:
+
+"Dit is de oude, doofstomme Spanjaard, die onlangs een paar malen in
+de stad is geweest, en den anderen man heb ik nooit gezien."
+
+De andere was een havelooze bandiet, ongekamd en ongeschoren, met een
+hoogst ongunstig uiterlijk. De Spanjaard was in eene _serape_ gehuld;
+hij had zware, witte bakkebaarden, lang wit haar, dat golvend onder
+zijn hoofddeksel te voorschijn kwam en hij droeg groene ooglappen. Toen
+zij binnentraden, begon de "andere" heel zacht te spreken. Zij zetten
+zich op den grond neder, het gelaat naar de deur gekeerd en met den
+rug tegen den muur, en de "andere" hervatte zijn gesprek. Hij werd
+iets minder omzichtig in houding en gebaren en zijne woorden werden
+gaandeweg duidelijker.
+
+"Neen," zei hij, "ik heb er goed over gedacht en ik heb er geen zin
+in: het is gevaarlijk."
+
+"Gevaarlijk?" gromde de doofstomme Spanjaard, tot verbazing der
+knapen. "Gevaarlijk, melkbaard?"
+
+Deze stem deed de knapen beven en naar adem snakken. Het was die van
+Injun Joe!
+
+Er volgde een oogenblik van stilte, waarop Joe hernam:
+
+"Wat kan gevaarlijker zijn dan die karwei van daarginds--en er is
+toch niets van gekomen."
+
+"Dat was heel wat anders. Dicht bij de rivier en geen enkel huis in
+de nabijheid. 't Zal nooit bekend worden, dat wij het beproefd hebben,
+vooral niet daar het mislukt is."
+
+"Wel, wat kan gevaarlijker zijn dan over dag hier te komen? Ieder,
+die ons ziet, kan argwaan krijgen!"
+
+"Dat weet ik, maar er was geen andere plaats geschikt na die malle
+karwei. Ik hunker er naar dit hol te verlaten. Ik wou gisteren al
+gaan, maar er was geen denken aan zich buiten te wagen, met die
+helsche jongens, die bij den heuvel speelden."
+
+De "helsche jongens" beefden bij dit gezegde en dachten hoe gelukkig
+het was, dat zij zich herinnerd hadden dat het Vrijdag was en dat
+zij tot het besluit waren gekomen een dag te wachten. Zij wenschten
+in hun hart, dat zij het een jaar hadden uitgesteld.
+
+De twee mannen haalden eenig voedsel voor den dag en begonnen te
+eten. Na eenige oogenblikken van stilzwijgen zeide Injun Joe:
+
+"Kijk eens, jongen: ga jij naar de rivier, waar je behoort, wacht daar
+totdat je van mij hoort. Ik zal het er op wagen nog wat hier in de
+stad te blijven om den boel op te nemen. Wij zullen dat gevaarlijke
+karweitje ondernemen, als ik alles goed bespionneerd en bemerkt
+heb dat de kansen goed staan. En dan naar Texas. Wij zullen eerlijk
+samen deelen."
+
+De andere was met dit plan tevreden.
+
+Onderwijl raakten de beide mannen aan het gapen en Injun Joe zeide:
+
+"Ik ben dood van den slaap! 't Is jouw beurt om te waken."
+
+En hij rolde zich in het onkruid en begon te snorken. Zijn metgezel
+stootte hem een paar malen aan en hij werd rustig. Daarop begon de
+waker te knikkebollen; zijn hoofd zonk lager en lager en beiden hieven
+thans een duo van snorken aan.
+
+De knapen haalden dankbaar adem. Tom fluisterde:
+
+"Nu de kans waarnemen, kom!"
+
+Huck zeide: "Ik kan het niet doen;--Ik zou sterven, indien zij
+ontwaakten."
+
+Tom smeekte en Huck bleef weigeren. Eindelijk stond Tom zachtjes
+op on alleen te vertrekken. De eerste stap echter, dien hij deed,
+veroorzaakte zulk een afschuwelijk gekraak in den vloer, dat hij
+bijna dood van schrik nederviel. Hij waagde geen tweede poging. De
+knapen telden de traag verloopende oogenblikken, totdat het hun was
+alsof de tijd was geëindigd en de sombere eeuwigheid een aanvang had
+genomen. Eindelijk bemerkten zij tot hun vreugde dat de zon onderging.
+
+Nu hield het gesnork van een der mannen op. Injun Joe richtte zich
+op, zag rond, keek boosaardig glimlachend naar zijn metgezel, stootte
+hem met zijn voet aan en zeide:
+
+"Hoor eens! jij bent een goede waker, dat ben je."
+
+"Nu, er is toch niets gebeurd."
+
+"Niet? Heb je geslapen?"
+
+"Och, zoo wat gesluimerd. 't Is haast tijd voor ons om op te rukken,
+kameraad. Wat zullen wij doen met den kleinen buit, waarvan wij ons
+meester gemaakt hebben?"
+
+"Ik weet het niet. Hier laten zooals wij altijd doen. Wij hebben haar
+niet noodig, voordat wij naar het zuiden gaan. Zeshonderd vijftig in
+zilveren munt is een last!"
+
+"Nu, goed dan. Maar dan behoeven wij hier ook niet terug te komen."
+
+"Zou je denken? Wel, ik geloof dat het veilig is hier de nachten door
+te brengen, zooals gewoonlijk; ja, dat is beter."
+
+"Ja, maar, kijk eens: het kan nog wel lang duren eer wij eene
+goede gelegenheid hebben voor dat andere karweitje;--er kan iets
+tusschenbeide komen en het is niet zoo'n heel veilige plaats. Wij
+zullen den buit liever begraven, en diep ook."
+
+"Dat is een goede inval," zeide zijn kameraad en liep naar het andere
+eind der kamer, knielde voor den haard neder en haalde tusschen
+de steenen een zak te voorschijn, die een liefelijk geklingel deed
+hooren. Hij nam er twintig of dertig dollars uit voor zich zelven en
+even zooveel voor Injun Joe en reikte den zak toen aan den laatste
+over, die in een hoek van het vertrek op zijne knieën zat en bezig
+was met zijn snoeimes een gat te graven.
+
+In een oogenblik vergaten de knapen hun vrees en hunne ellende. Met
+fonkelende oogen sloegen zij elke beweging gade. 't Was een onmetelijke
+schat! Zeshonderd dollars!--geld genoeg om een half dozijn jongens rijk
+te maken. Hier bood zich eene gelegenheid tot het graven van schatten
+aan onder de gelukkigste voorteekenen. Hier was geene kwellende
+onzekerheid omtrent de plek waar gegraven moest worden. Zij stootten
+elkander gedurig aan,--met gebaren, die zeggen wilden:
+
+"O, zijt gij niet blijde, dat wij hier zijn?"
+
+Onder het graven stootte Joe's mes op een hard voorwerp.
+
+"Heila!"
+
+"Wat is het?" vroeg zijn kameraad.
+
+"Een half verrotte plank,--neen, het is een kist, geloof ik. Kom,
+help een handje en wij zullen zien wat het is. Pas op, ik heb er een
+gat in gestooten."
+
+Hij reikte hem de behulpzame hand en zij trokken het voorwerp naar
+boven.
+
+"Man, het is geld!"
+
+De beide mannen haalden een handvol klinkende munt voor den dag. Het
+waren goudstukken. De jongens boven hun hoofd waren even opgewonden
+en verrukt als zij.
+
+Joe's kameraad zeide:
+
+"We zullen eens gauw zien hoeveel er in zit. Wacht, ik heb in een hoek
+onder den schoorsteen een roestige bijl onder het onkruid zien liggen."
+
+Hij liep weg en haalde de bijl en spade der knapen. Injun Joe nam
+de bijl op, bekeek haar nauwkeurig, schudde het hoofd, mompelde iets
+tusschen zijne tanden en ging er toen mede aan het werk.
+
+De kist was spoedig opgedolven. Zij was niet zeer groot, met ijzer
+beslagen en moest zeer sterk geweest zijn, voordat de tijd haar
+beschadigd had. De mannen beschouwden den schat een poos onder zalig
+stilzwijgen.
+
+"Kameraad, er zitten duizend dollars in!" zeide Injun Joe.
+
+"Zij zeggen, dat de rooverbende van Murrel hier een zomer heeft
+rondgezworven," merkte de vreemdeling op.
+
+"Dat weet ik wel," zeide Injun Joe, "en nu ik dit zie, geloof ik
+het bepaald."
+
+"Nu behoeven wij die andere karwei immers niet te doen," zeide
+de ander.
+
+De kleurling fronste het voorhoofd en zeide:
+
+"Je kent me niet, of je weet niet van die zaak. 't Is niet om te
+stelen,--maar om wraak te nemen!" En er flikkerde een boosaardig licht
+in zijne oogen. "Ik heb je hulp er bij noodig. Zoodra het geschied
+is, gaan wij naar Texas. Ga jij maar naar huis, naar je wijf en je
+kinderen, en wacht totdat je van mij hoort."
+
+"Nu, als je het zegt, zal ik het doen. Wat zullen wij met deze kist
+uitvoeren? Haar weder begraven?"
+
+"Ja!" (Een inwendig gejuich op de bovenverdieping). "Neen, bij
+den grooten Sachem, neen!" (Een diepe neerslachtigheid boven.) "Ik
+had het haast vergeten: op die bijl zit versche aarde." (De knapen
+beefden van schrik). "Wat doen hier een bijl en een spade? Hoe zit
+er versche aarde aan? Wie heeft die hier gebracht, en waar zijn zij
+heengegaan? Heb je niemand gehoord of gezien?--Wat! die kist weer
+begraven en permissie geven om hier te komen, on te zien dat de vloer
+omgewoeld is? Dat nu niet bepaald!--niet bepaald! Wij zullen de kist
+medenemen naar mijn hol!"
+
+"Dat is goed. Jammer dat wij dit niet eerder bedacht hebben. Gij
+meent numero één?"
+
+"Neen," "numero twee,"--onder het kruis. De andere plaats is te slecht
+en te gemeen."
+
+"Goed; 't is bijna donker genoeg om te vertrekken."
+
+Injun Joe stond op, ging van het eene raam naar het andere en zag
+voorzichtig naar buiten. Daarop zeide hij:
+
+"Wie zou dit gereedschap hier gebracht hebben? Denk je, dat ze boven
+kunnen zijn?"
+
+De knapen hielden hun adem in. Injun Joe legde zijne hand op zijn
+mes, hield een oogenblik besluiteloos stil en stapte toen naar
+de trap. De knapen dachten aan het kabinetje, maar hun kracht was
+gebroken. Voetstappen kraakten op de trap.--De vreeselijke toestand,
+waarin zij zich bevonden, wakkerde de laatste vonk van moed in hun hart
+nog eens op;--zij waren op het punt om in het kabinetje te springen,
+toen zij een gekraak van verrot hout hoorden. Injun Joe lag op den
+grond, onder de brokstukken der vermolmde trap! Hij stond op met een
+vloek en zijn kameraad zeide:
+
+"Nu, wat doet er dat toe of er iemand boven is;--laten zij er
+blijven--wat raakt het! Indien zij naar beneden willen springen en
+den nek breken--wie belet het hun? Het zal binnen vijftien minuten
+donker zijn-- en dan kunnen zij ons volgen, indien zij willen; ik ben
+gereed hen te ontvangen. Ik geloof, dat de lui die deze dingen hier
+in gesleept hebben, ons hebben gezien en ons voor duivels of spoken
+of zoo iets hebben gehouden. Ik wed, dat zij nog aan den haal zijn."
+
+Joe mompelde eenige onverstaanbare klanken en toen stemde hij met
+zijn kameraad in, om van het karige daglicht gebruik te maken en te
+vertrekken. Kort daarna slopen zij in de schemering het huis uit en
+stapten met hunne kostbare lading naar de rivier.
+
+Tom en Huck stonden bevend, maar met een gevoel van verlichting op en
+staarden hen door de reten tusschen de planken na. Volgen? Neen! Zij
+waren tevreden, toen zij den vasten bodem weder bereikten en zonder
+den nek gebroken te hebben, over den heuvel naar huis konden gaan. Zij
+spraken niet veel, daar zij te zeer verdiept waren in zelfverwijt
+en woede tegen het noodlot, dat hun de spade en de bijl daar had
+doen neerzetten. Indien die er niet gestaan hadden, zou Injun Joe
+nooit argwaan gekoesterd hebben. Hij zou het zilver met het goud
+daar verborgen hebben, totdat hij aan zijn plan van wraakneming had
+voldaan. En dan zou hij ondervonden hebben, wat het zegt een schat
+niet meer te vinden. 't Was een bitter noodlot, dat het gereedschap
+daar gebracht had. Zij besloten een oog te houden op den Spanjaard,
+wanneer hij naar de stad zou gaan, om zijne kans voor zijn wraakzuchtig
+plan waar te nemen en namen zich voor "numero twee" op te sporen,
+waar het ook zijn mocht.
+
+Op eens schoot Tom eene vreeselijke gedachte door de ziel.
+
+"Wraak! Wat, indien hij ons bedoelt, Huck?"
+
+"O, neen," zeide Huck, en viel bijna flauw van schrik.
+
+Zij praatten nog geruimen tijd over het vreeselijk geval, en toen
+zij de stad binnentraden, kwamen zij tot het besluit te gelooven,
+dat het ook wel iemand anders kon zijn,--ten minste dat hij niemand
+anders kon bedoelen dan Tom, daar deze de eenige was geweest die
+getuigenis had afgelegd.
+
+Het was een zeer magere troost voor Tom, dat hij alleen maar in gevaar
+was. Gezelschap zou naar zijne meening verkieslijker zijn geweest.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVIII.
+
+
+Tom werd dien nacht in zijne droomen vreeselijk gekweld door het
+avontuur van den vorigen dag. Vier malen had hij zijne handen op
+den kostbaren schat gelegd en vier malen ook gleed die, wanneer de
+slaap hem begaf en het ontwaken hem tot de werkelijkheid terugbracht,
+tusschen zijn vingers door.
+
+Toen hij in den vroegen morgen al die bizonderheden van die
+merkwaardige gebeurtenis nog eens voor den geest riep, scheen ze hem
+wonderbaar ver af en lang geleden, alsof zij in een andere wereld
+of in een lang verloopen tijdperk had plaats gehad. De gedachte kwam
+zelfs in hem op, dat het groote avontuur misschien niets geweest was
+dan een droom. Er was een krachtige bewijsgrond voor dat denkbeeld bij
+te brengen, deze namelijk, dat de hoeveelheid muntspecie, die zijne
+oogen hadden aanschouwd, te kolossaal was om werkelijkheid te wezen.
+
+Hij had nooit in zijn leven vijftig dollars bijeen gezien en hij
+geleek daarin op alle knapen van zijn leeftijd en stand. In zijn
+verbeelding werden de woorden "honderden" en "duizenden" alleen maar
+bij manier van spreken gebruikt en bestonden er zulke sommen in de
+wereld niet. Hij vermoedde geen oogenblik, dat een zoo groote som,
+als meer dan honderd dollars in klinkende munt, in iemands bezit
+kon zijn. Indien hij zijn begrip van een verborgen schat had moeten
+ontleden, zou hij gezegd hebben, dat deze bestond uit een handvol
+dollars en een schepel prachtige, andere munten.
+
+Langzamerhand echter onder het overdenken werden de bijzonderheden van
+zijn avontuur scherper en klaarder, en eindelijk kreeg de gedachte,
+dat het toch geen droom was geweest, bij hem de overhand. Aan deze
+onzekerheid moest een einde gemaakt worden. Hij zou haastig zijn
+boterham eten en dan Huck opzoeken.
+
+Huck zat aan dolboord van een plat vaartuig, achteloos met zijn voeten
+in het water te schoppen en zag er zeer droefgeestig uit. Tom besloot
+te wachten, totdat Huck over de zaak zou beginnen. Als hij dat niet
+deed, was het avontuur slechts een droom geweest.
+
+"Heila, Huck!"
+
+"Heila, jij!"
+
+Een oogenblik stilte.
+
+"Tom, indien wij dit vervloekte gereedschap bij den dooden boom
+gelaten hadden, was het geld reeds ons. O, is het niet vreeselijk?"
+
+"'t Is dus geen droom? Geen droom? Toch zou ik haast willen, dat het
+er een was; ja 'k mag een boon zijn, als ik het niet wou!"
+
+"Wat is geen droom?"
+
+"O, dat ding van gisteren. Ik denk soms half, dat alles een droom is."
+
+"Een droom? Indien die trappen niet kapot waren gegaan, zou je eens
+gezien hebben of het een droom was! Ik droom 's nachts al genoeg van
+dien Spanjaard met zijn ooglappen; hij vervolgt mij overal. Ik wou
+dat hij stikte."
+
+"Neen, niet stikken. Wij moeten hem vinden. Het geld opsporen!"
+
+"Tom, wij zullen den schat nooit vinden. Een mensch heeft maar eens
+een kans voor zoo'n hoop geld, en die hebben wij verspeeld. Ik zou
+beven als ik hem zag."
+
+"Ik ook; maar ik zou hem toch graag zien en naspeuren--naar zijn
+'nommer twee.'"
+
+"Nommer twee, ja, dat is het. Ik heb er over loopen denken, maar ik
+kan het niet uitmaken. Wat denk jij, dat het is?"
+
+"Ik weet het niet. 't Is mij te geheimzinnig, Huck. Zou het ook het
+nummer van een huis kunnen zijn?"
+
+"Onmogelijk! Neen, Tom, dat is het niet. Indien het dat is, dan is
+het niet in dit kleine stadje: hier zijn geen nummers."
+
+"Ja, dat is waar. Laat mij even bedenken! Wacht--het is een nommer
+van een kamer in een herberg!"
+
+"O, daar zul je het hebben! Er zijn hier maar twee kroegen. Wij kunnen
+dat spoedig uitvinden!"
+
+"Blijf jij hier, Huck, totdat ik terug ben!"
+
+Tom was op eens verdwenen, daar hij op publieke plaatsen niet gaarne
+met Huck gezien werd.
+
+Binnen een half uur had hij ontdekt, dat in de voornaamste herberg
+kamer "nommer twee" bewoond werd door een jong advocaat. In de andere,
+een logement van den derden rang, was aan een der logeerkamers iets
+geheimzinnigs verbonden. Het zoontje van den herbergier zeide, dat
+die kamer altijd op slot was, en dat hij er nooit iemand had zien in-
+of uitgaan, behalve des nachts. Waarom dit geschiedde, wist hij niet;
+wel betuigde hij soms verlangd te hebben er achter te komen, doch hij
+was er niet zoo bijzonder nieuwsgierig naar, en stelde zich tevreden
+met te gelooven dat het in die kamer spookte. Verder vertelde hij
+ook nog, dat hij er den vorigen nacht een licht had zien branden.
+
+"Dat is alles wat ik te weten ben gekomen, Huck. Ik geloof, dat wij
+het wezenlijke 'nummer twee' gevonden hebben."
+
+"Ik vermoed het ook. Wat zullen we doen?"
+
+"Laat mij eens bedenken."
+
+Tom bedacht zich een geruimen tijd. Toen zeide hij:
+
+"Ik zal het je zeggen. De achterdeur van dat 'nummer twee' komt uit
+in dat kleine steegje tusschen de herberg en die oude trap van den
+kalkoven. Nu moet je al de deursleutels opsnorren die jij krijgen
+kunt, en ik zal die van tante wegkapen, en in den eersten donkeren
+nacht den besten zullen wij ze gaan probeeren. En denk er aan, dat je
+op den uitkijk blijft naar Injun Joe, omdat hij gezegd heeft dat hij
+in de stad zou komen en nog op een kans zou loeren om aan zijn wraak
+te voldoen. Als je hem ziet, moet je hem volgen; en als hij niet naar
+'nummer twee' gaat, dan is dat de plaats niet."
+
+"Tom, ik durf hem niet alleen volgen."
+
+"Och kom; 't is natuurlijk nacht. Hij zal je misschien niet eens zien;
+en als hij dat doet, zal hij je toch niet verdenken."
+
+"Nu, als het donker is, zal ik hem misschien volgen. Maar ik weet
+het nog niet zeker. Ik zal zien wat ik doe."
+
+"Wedden, Huck, dat _ik_ hem wel volg, als het donker is. Hij
+kon waarachtig wel eens geen gelegenheid hebben om zijn plan tot
+wraakneming ten uitvoer te brengen en zou hij op zijn geld afgaan."
+
+"Je hebt gelijk, Tom, je hebt gelijk! Ik zal hem volgen. Sapperloot,
+dat zal ik!"
+
+"Nu praat je naar mijn zin! Geef den moed niet op, Huck, en ik zal
+het ook niet doen."
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIX.
+
+
+Dienzelfden avond waren Huck en Tom van zessen klaar on het waagstuk
+te ondernemen. Zij bleven tot na negen uren in de buurt der herberg
+omhangen, terwijl de een bij de steeg en de ander bij de deur der
+herberg wacht hield. Niemand ging het straatje in of uit; niemand
+die op den Spanjaard geleek, stapte naar de herberg of kwam er
+vandaan. Daar de nacht beloofde zeer helder te zijn, ging Tom naar
+huis met de afspraak, dat indien het onverhoopt nog donker werd, Huck
+zou komen "miauwen," en hij de deur zou uitsluipen en de sleutels
+probeeren. Doch de nacht bleef onbewolkt en Huck gaf het wachthouden
+op en ging tegen middernacht in een leege suikerton slapen.
+
+Dinsdag hadden de knapen denzelfden tegenspoed. Woensdag ook. Doch
+Donderdagnacht beloofde beter te zijn. Tom sloop ter goeder ure met
+tantes dievenlantarentje de deur uit en nam een grooten handdoek met
+zich, om daarmede het licht te bedekken. Hij verborg de lantaarn in
+Hucks suikerton en het wachthouden begon.
+
+Tegen elf uren werd de herberg gesloten en werden de lichten, de eenige
+uit de geheele buurt, uitgedaan. Geen Spanjaard werd er gezien. Niemand
+was het steegje in- of uitgegaan. Alles was gunstig. Overal zwarte
+duisternis en doodelijke stilte, alleen afgewisseld door het verwijderd
+gerommel van den donder.
+
+Tom nam zijn lantaren, stak haar in de ton aan en bedekte haar
+zorgvuldig met den handdoek, en de avonturiers kropen in de duisternis
+naar de herberg. Huck bleef op schildwacht staan en Tom liep op den
+tast de steeg in.
+
+Al wachtende voelde Huck zich door een doodelijken angst gedrukt en
+hunkerde hij naar het oogenblik, waarop hij een straaltje van Toms
+lantaarn zou zien, opdat hij een teeken mocht hebben dat zijn kameraad
+nog leefde. Uren schenen voorbijgegaan sedert Tom was verdwenen. Hij
+was zeker flauw gevallen, wellicht dood; misschien was hem van angst
+en schrik het hart gebroken. In zijn angst ging Huck hoe langer hoe
+dichter bij de steeg staan, in vreeze van allerlei ontzettende dingen
+te zullen zien en elk oogenblik verwachtende dat er een ongeluk zou
+komen, dat hem den laatsten adem zou doen uitblazen. Daarvoor was niet
+veel noodig, want hij scheen nauwelijks in staat een vingerhoedje adem
+te halen, en zijn hart bonsde zoo geweldig, dat het welhaast moest
+barsten. Plotseling zag hij een lichtstraal en fluisterde Tom hem in
+'t oor:
+
+"Loop! loop, als ge uw leven liefhebt!"
+
+Hij behoefde het niet te herhalen; eenmaal was genoeg. Huck was
+in vliegenden galop voortgeijld eer het woord ten tweeden male was
+uitgesproken. De knapen hielden niet stil, eer zij de loods van een
+verlaten slachthuis hadden bereikt. Juist toen zij deze schuilplaats
+gevonden hadden, barstte het onweder los en stroomde de regen naar
+binnen. Zoodra Tom weder kon ademhalen, zeide hij:
+
+"Huck, het was verschrikkelijk! Ik probeerde twee of drie sleutels,
+zoo zacht als ik kon, maar zij maakten zulk een drommelsch geraas,
+dat ik van schrik nauwelijks op mijne beenen kon blijven staan. Ik
+kon het slot ook niet omdraaien. Op eens bemerkte ik, dat ik den knop
+vasthield en dat de deur openging. Zij was niet dicht geweest. Ik
+strompelde naar binnen, nam den handdoek van de lantaarn en--o,
+groote geest van Cesar....!"
+
+"Wat--wat zag je, Tom?"
+
+"Huck, ik was bijna op de hand gestapt van Injun Joe!"
+
+"'t Is toch niet waar?"
+
+"Ja wel. Hij lag daar, met den groenen lap op zijn oog en uitgestrekte
+armen op den vloer te slapen."
+
+"Heere, Heere! En wat heb je toen gedaan? Werd hij wakker?"
+
+"Neen, hij bewoog zich niet. Zeker dronken. Ik greep den handdoek en
+ijlde weg."
+
+"Waarachtig, ik zou niet eens aan den handdoek gedacht hebben!"
+
+"Nu, ik wel. Tante zou mij krijgen, als ik hem verloren had."
+
+"Zeg, eens, Tom, heb je de kist gezien?"
+
+"Huck, ik heb niet gewacht on rond te kijken; ik heb de kist niet
+gezien en ik heb het kruis niet gezien. Ik zag niets dan een flesch
+en een tinnen kroes op den grond naast Injun Joe. Ja toch, ik zag
+twee vaatjes en een menigte flesschen in de kamer. Vat je nu niet,
+wat ze in die spookkamer uitvoeren?"
+
+"Wat dan?"
+
+"Wel, zij spookt van de brandewijnvaatjes, 't Is best mogelijk,
+dat al de Matigheidsherbergen zoo'n spookkamer hebben, Huck."
+
+"Ja, dat kan wel. Wie zou dat ooit gedacht hebben! Maar Tom, 't is
+nu juist een allemachtig goed oogenblik on de kist te krijgen, als
+Injun Joe dronken is."
+
+"Dat is waar! Wil je het probeeren?"
+
+Huck sidderde.
+
+"Neen, liever niet."
+
+"Ik ook niet, Huck. Eén flesch naast Injun Joe is niet genoeg. Indien
+er drie gestaan hadden, zou ik het gedaan hebben."
+
+Er volgde een lange pauze; eindelijk zeide Tom: "Zie eens Huck,
+ik geloof dat het beter is, dat zaakje niet te probeeren, totdat we
+weten dat Injun Joe er niet is. 't Is te vreeselijk.--Nu, indien wij
+elken nacht de wacht houden, kunnen wij er zeker van zijn, hem den
+of anderen tijd de kamer te zien uitgaan, en dan zullen wij de kist
+er zoo gauw mogelijk uithalen."
+
+"Uitmuntend. Ik zal den heelen nachten waken en zal dat de eerste
+weken blijven doen, als jij het andere deel van de karwei op je neemt."
+
+"Goed, ik beloof het je. Al wat jij te doen hebt, is op een draf te
+loopen naar Hooper-street en te miauwen; en als ik slaap, gooi je
+maar wat zand tegen het raam, dan word ik wel wakker.
+
+"Best, dat blijft afgesproken."
+
+"Nu, Huck, het onweder is voorbij en ik ga naar huis. Over een paar
+uren breekt de dag aan. Jij gaat terug en blijft wachten, niet waar?"
+
+"Ik heb gezegd, Tom, dat ik het doen zal en ik zal het doen. Ik zal een
+jaar lang om de herberg blijven ronddolen. Ik zal over dag slapen en
+'s nachts waken."
+
+"Dat is goed. Waar ga je dan slapen?"
+
+"In de hooischuur van Ben Rogers. Hij laat mij dat vrij doen, en de
+zwarte knecht van zijn ouden heer, oom Jack, vindt het ook goed. Ik
+draag wel eens water voor oom Jack, en hij geeft mij, als hij het
+missen kan, nu en dan een beetje eten. 't Is een verduiveld goede
+nikker, die Jack, Tom!--Hij houdt van mij, omdat ik niet altijd
+doe alsof ik voornamer ben dan hij. Wij hebben ook wel eens samen
+gegeten. Maar dat moet je niet vertellen. Een mensch doet soms dingen,
+als hij honger heeft, die hij laten zou, als hij altijd genoeg kreeg."
+
+"Nu, als ik je over dag niet noodig heb, Huck, zal ik je laten
+slapen. Ik zal je niet komen plagen. Als je 's nachts wat ziet,
+loop dan even aan om te miauwen."
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXX.
+
+
+Het eerste wat Tom Vrijdagochtend hoorde was een heerlijke tijding: de
+familie Thatcher was den vorigen avond in de stad teruggekomen. Beiden
+Injun Joe en de schat werden voor het oogenblik van ondergeschikt
+belang en Becky nam de voornaamste plaats in het hart van den knaap
+in. Hij kwam haar tegen en zij hadden een oneindig genot met elkaar
+in het spelen van "verstoppertje" en "slootje springen." De dag
+eindigde op een bijzonder prettige wijs. Becky smeekte hare moeder,
+den volgenden dag voor de lang beloofde en lang uitgestelde pic-nic
+vast te stellen, en deze stemde toe. De vreugde der kleine kende geen
+palen en Tom was niet minder uitgelaten. Voor zonsondergang waren de
+uitnoodigingen rondgezonden en onmiddellijk daarop was de jeugd van
+St. Petersburg in eene koortsachtige opgewondenheid over de pret,
+die haar te wachten stond. Tom kon niet slapen van pleizier en hij
+leefde in de hoop Huck te hooren "miauwen" en zijn schat te krijgen,
+om daarmede Becky en de pic-nickers den volgenden dag in verbazing
+te brengen. Maar hij werd teleurgesteld. Er kwam dien nacht geen
+teeken. Eindelijk daagde de morgen en tusschen tien en elf uren
+vereenigde zich ten huize van den heer Thatcher een hoop dartele,
+stoeiende jongens en meisjes en was alles tot vertrekken gereed.
+
+Het was toenmaals de gewoonte niet van bejaarde lieden, om
+buitenpartijen door hunne tegenwoordigheid te bederven. De kinderen
+werden veilig geacht onder de vleugelen van een paar jonge dames van
+achttien en van een paar jonge heeren van drie- of vier en twintig
+jaren.
+
+De oude stoomboot was voor de gelegenheid afgehuurd, en toen al de
+genoodigden bijeen waren, stapte de vroolijke troep, met manden vol
+proviand, door de hoofdstraat naar de rivier. Sid was ongesteld en
+liep het pretje mis, en Marie bleef bij hem te huis. Bij het afscheid
+nemen zeide mevrouw Thatcher tot Becky:
+
+"Je zult wel wat laat tehuis komen. Misschien was het wel beter
+dat je bij een van de meisjes bleeft slapen, die het dichtst bij de
+kade woont."
+
+"Dan zal ik maar bij Suze Harper blijven, mama."
+
+"Goed, maar gedraag je behoorlijk en wees niet lastig."
+
+Onder de wandeling zeide Tom tot Becky:
+
+"Hoor eens: ik zal je vertellen wat wij zullen doen. In plaats van naar
+de Harpers te gaan, zullen wij den heuvel beklimmen en in het huis
+van de weduwe Douglas overnachten. Zij zal wel room-ijs hebben. Zij
+heeft het bijna elken dag, bij massa's, ja, bij hoopen! En zij zal
+blij zijn, als zij ons ziet."
+
+"O, dat zal grappig zijn!" riep Becky uit. Doch een oogenblik later
+hernam zij:
+
+"Maar wat zal mama zeggen?"
+
+"Hoe zal zij het te weten komen?"
+
+Het meisje overdacht de zaak nog eens en zeide aarzelend:
+
+"Ik geloof, dat het verkeerd is, maar...."
+
+"Och, kom, het is geen lor waard! Je moeder zal het niet te weten
+komen. En wat steekt er in? Al wat zij verlangt, is dat je op een
+veilige plaats zult zijn, en ik wed dat, indien zij er aan gedacht
+had, ze je geraden zou hebben naar de weduwe te gaan. Ja, ik weet
+dat zij dat gedaan zou hebben!"
+
+Het heerlijke gastvrije dak der weduwe Douglas was een verleidelijk
+lokaas. Het bleef dan ook, met Toms overredingen, overwinnaar. Er werd
+derhalve besloten niemand iets van het programma voor den nacht mede
+te deelen. Opeens schoot Tom te binnen, dat Huck dien nacht wel eens
+kon komen, om het teeken te geven. Deze gedachte bracht een gevoeligen
+schok aan zijne blijde verwachtingen. Toch kon hij er niet toe komen
+het pretje bij de weduwe Douglas er aan te geven. En waarom zou hij
+dat doen? Het teeken was den vorigen nacht niet gekomen. Waarom zou
+het dan juist dezen nacht gebeuren? De zekere pret van dezen avond
+woog nog zwaarder dan de onzekere schat; en als een echte jongen
+besloot hij aan den sterksten lust toe te geven en zich op te leggen,
+dien dag niet meer aan de geldkist te denken.
+
+Drie mijlen voorbij de stad werd de boot bij een boschrijk dal ter
+reede gelegd. Het gezelschap verdrong zich naar den oever en weldra
+weerklonken de wouden en rotsige hoogten wijd en zijd van het gejubel
+der kinderen. Alle middelen om moede en bezweet te worden werden in
+praktijk gebracht, totdat men zich eindelijk bij het kamp verzamelde en
+met flinken eetlust gewapend, op de medegebrachte proviand aanviel. Na
+den maaltijd ging men over tot een verkwikkend rust- en praatuurtje
+onder de schaduw der breedgetakte eiken. Na een wijle jubelde eene
+stem:
+
+"Wie gaat er mede naar de grot?"
+
+"Iedereen!" Dadelijk werden er pakken met waskaarsen voor den dag
+gehaald en onmiddellijk daarop werd de heuvel beklommen. De ingang
+der grot lag aan de helling van den berg en was kenbaar aan eene
+opening in den vorm van de letter A. De zware eikenhouten deur
+stond open. Door deze kwam men in een klein kamertje, kil als een
+ijskelder en door de natuur met stevige, vochtige kalksteenen muren
+omringd. Het was hoogst belangwekkend en geheimzinnig om daar in de
+diepe duisternis te staan en dan het gezicht te hebben op de groene,
+door de zon beschenen vallei. Doch de indruk van dit tooneel werd
+spoedig vergeten en het stoeien hervat. Zoodra er een kaars werd
+aangestoken, werd de bezitter aangevallen, 't geen een worsteling
+en dappere verdediging ten gevolge had. Maar de kaars was spoedig op
+den grond geworpen en uitgeblazen, waarop een luid gejuich ontstond
+en eene nieuwe vervolging. Doch aan alle lofzangen komt een einde
+en de stoet rukte op naar den hoofdtoegang, terwijl de flikkerende
+kaarsen de reusachtige rotsgewelven, waar deze zich zestig voet boven
+het hoofd aaneensloten, flauw te zien gaven. De hoofdtoegang zelf was
+ten hoogste acht of tien voet breed. Bij elke trede werden nieuwe en
+engere rotsspleten ontdekt. De grot van Mc. Douglas was dan ook een
+doolhof van gangen, die in het oneindige in en uit elkander liepen
+en nergens heen leidden. Men vertelde, dat men dagen en nachten door
+dit labyrinth van spleten en gangen kon dwalen, zonder den uitgang
+der grot te vinden, en dat, naarmate men dieper naar beneden ging,
+het onveranderlijk hetzelfde bleef: doolhof onder doolhof en alle
+zonder einde. Niemand kende de grot geheel, dit behoorde tot de
+onmogelijkheden. De meeste jongelieden hadden er een gedeelde van
+gezien en het was niet gebruikelijk zich ooit verder dat dit bekend
+terrein te wagen. Tom Sawyer wist al evenveel van de spelonk als
+iedereen.
+
+De stoet bewoog zich omstreeks drie kwartier langs den hoofdgang voort
+en langzamerhand begonnen enkele paren in zijgangen weg te sluipen,
+door donkere gaanderijen te kruipen en elkaar bij verrassing te
+overvallen, op punten waar de gangen weder in elkander liepen. Een
+paar slaagden er in zich een half uur te verstoppen, zonder van het
+bezochte grondgebied te zijn afgeweken.
+
+Van lieverlede kwam de eene groep na de andere, jubelend, hijgende naar
+adem, van het hoofd tot de voeten met afgedropen kaarsvet besmeerd
+en uitgelaten van de pret, terug. Zij waren verbaasd te bemerken,
+dat zij aan tijd noch ruimte gedacht hadden en dat de avond viel. De
+bel der stoomboot had reeds een half uur haar schel geklingel doen
+hooren, doch, 't was zoo heerlijk, zoo romantisch den dag op deze
+wijs te besluiten. En toen de boot met hare luidruchtige bemanning
+van wal stak, was de kapitein de eenige, die er geen schik in had,
+dat het reeds zoo laat was geworden.
+
+Huck stond op zijn post, toen de lichten der veerboot langs de kade
+flikkerden. Hij hoorde geen gerucht aan boord, want de jongeluidjes
+waren vreedzaam en stil, zooals doodmoede lieden gewoonlijk zijn. Hij
+was wel verlangend te weten, welke boot dit zijn kon en waarom
+zij niet aan de kade aanlegde,--maar zijne gedachten bepaalden
+zich niet lang bij dit onderwerp, en hij was weldra geheel in zijn
+eigen aangelegenheden verdiept. De nacht werd donker en de lucht was
+bewolkt. Het werd gaandeweg tien uren en alle geraas van rijtuigen
+en voetstappen hield op; de schaarsche lichten werden al flauwer;
+de nog op straat slenterende voetgangers verdwenen en de stad ging
+de nachtrust in en liet den kleinen waker met de eenzaamheid en de
+spoken alleen.
+
+Het sloeg elf uren en de lichten in de herberg werden uitgedaan en
+nu heerschte er duisternis alom.
+
+Huck wachtte, naar het hem toescheen, een eindeloos langen tijd,
+doch er gebeurde niets. Zijn vertrouwen begon te wankelen. Was het
+de moeite waard? Was het werkelijk de moeite waard? Waarom zou hij
+het niet opgeven en naar bed gaan?
+
+Plotseling vernam zijn oor een geluid. In een oogenblik
+was hij geheel aandacht. De deur in het steegje werd zachtjes
+dichtgedaan. Onmiddellijk kroop hij in een hoek bij den kalkoven. Het
+volgende oogenblik slopen twee mannen langs hem heen, van wie de een
+iets onder zijn arm scheen te dragen. Het moest de kist zijn! Zij
+gingen dus den schat verplaatsen! Waarom zou hij Tom nu roepen? Het
+zou een dwaasheid wezen!--De mannen zouden met de kist wegloopen en zij
+zou nooit gevonden worden. Neen, hij zou blijven waken en hen volgen;
+hij zou zich aan de duisternis toevertrouwen, als een waarborg tegen
+ontdekking. Deze dingen bij zich zelven overleggende, sloop hij stil
+voort en kroop voorzichtig als een kat, blootsvoets achter de mannen
+aan, terwijl hij hen zoover voor zich uit liet gaan dat hij hen nog
+juist in het gezicht had.
+
+Zij slopen de op de rivier uitloopende straat door en sloegen toen
+links af, eene zijstraat in. Daarna gingen zij rechtuit, totdat
+zij aan het pad kwamen, dat naar Cardiff Hill leidde. Dit werd
+ingeslagen en zij stapten al maar voort, tot nabij het huis van den
+ouden boschwachter, dat halverwege den heuvel gelegen was.
+
+"Goed," dacht Huck, "zij zullen den schat in de oude steengroeve
+begraven." Maar zij hielden niet eens bij de steengroeve stil. Zij
+gingen door naar den top. Toen kozen zij een zijpaadje tusschen de
+groote sumakboomen en waren op eens in de duisternis verdwenen. Huck
+versnelde zijn pas en liet minder ruimte tusschen hen en zich zelven;
+zij konden hem thans immers onmogelijk zien. Hij draafde een poosje,
+ging toen weder wat langzamer; uit vrees van te ver te zullen, loopen,
+liep zachtjes weer een eindje door en hield toen stil. Hij luisterde,
+geen geluid, behalve het gebons van zijn eigen hart. Daar werd op
+eens over den heuvel het zuchten van een uil vernomen.
+
+Onheilspellend geluid! Maar geen voetstappen. Hemel! was alles
+verloren? Hij was op het punt met gevleugelde voeten weg te snellen,
+toen hij, geen vier pas van zich af, een man hoorde hoesten. Het
+hart schoot den knaap in de keel, doch hij bekwam weder. Toch beefde
+hij, alsof hem een dozijn koortsen op het lijf werden gejaagd, en
+hij stond zoo wankel op zijne beenen, dat hij bepaald dacht op den
+grond te zullen vallen. Hij wist waar hij was. Het was hem bekend,
+dat hij zich op vijf treden afstand bevond van het hek, dat hem naar
+de landerijen van de weduwe Douglas bracht.
+
+"Heel goed," dacht hij, "laten zij den schat hier begraven dan zal
+hij niet moeilijk te vinden zijn."
+
+Thans werd er een zachte, zeer zachte stem gehoord;--het was die van
+Injun Joe.
+
+"Godv....! zij heeft zeker gezelschap: er is nog licht aan, zoo laat
+als het is."
+
+"Ik zie geen lichten."
+
+Dit was de stem van dien vreemdeling,--den vreemdeling uit het
+spookhuis. Een ijskoude rilling voor Huck door de leden. Dus dit was de
+dag der wrake! Zijne eerste gedachte was te vluchten. Toen schoot hem
+te binnen, dat de weduwe Douglas meer dan eens vriendelijk geweest was
+en het kon zijn, dat deze mannen plan hadden haar te vermoorden. Hij
+zou zoo gaarne moed gehad hebben om haar te waarschuwen, maar hij
+wist dat hij het niet durfde;--zij mochten hem eens beetpakken.
+
+Hij overdacht dit alles en meer nog in het oogenblik, dat verliep
+tusschen de opmerking van den vreemdeling en het antwoord van Injun
+Joe, hetwelk aldus luidde:
+
+"Omdat het kreupelhout je in den weg staat. Kom dezen kant uit.--Zie
+je het nu?"
+
+"Ja, zeker, er zijn menschen. Ik geloof dat het beter is, het op
+te geven."
+
+"Opgeven? Juist nu ik dit land voor altijd ga verlaten! Het
+opgeven,--om nooit weer een kans te krijgen. Ik zeg je nog eens,
+wat ik je al meer gezegd heb, dat ik niets om den buit geef;--dien
+mag jij hebben. Maar haar man heeft mij gemeen behandeld--en meer
+dan eens, en vooral daarin dat hij, die vrederechter was, mij als
+een vagebond in de gevangenis heeft gezet. En dat niet alles. Dat is
+niet het millioenste deel. Hij heeft mij laten geeselen!--geeselen,
+vlak voor de gevangenis, als een neger, terwijl de geheele stad er
+naar stond te kijken. Geeselen, versta je het? Hij is mij voor geweest
+en is gestorven. Maar zij zal er voor boeten."
+
+"Och, vermoord haar niet! Doe het niet!"
+
+"Vermoorden? Wie spreekt van vermoorden? Ik zou hem vermoorden,
+als hij hier was; maar haar niet. Wanneer men zich op eene vrouw
+wreekt, vermoordt men haar niet:--ba! maar men berooft haar van hare
+schoonheden. Men snijdt haar de neusgaten in tweeën;--men kerft haar
+de ooren als een varken!"
+
+"Bij God, dat is..."
+
+"Houd je gevoelens voor je, dat is je geraden! Ik zal haar aan haar
+bed vastbinden. Als zij doodbloedt, kan ik het helpen? Ik zal er mij
+niet naar over maken. Vriendje, je zult mij in dit zaakje helpen--om
+mij te pleizieren; daarvoor ben je hier,--want 't kan zijn, dat ik het
+niet alleen af kan. Als je weifelt ben je een man des doods! Versta je
+dat? En indien ik jou doodmaak, is zij er ook om koud--en dan geloof
+ik niet dat iemand ooit veel van deze zaak zal te weten komen."
+
+"Wel, als het dan moet, laat ons er dan aan beginnen. Hoe eer hoe
+beter;--ik beef als een riet!"
+
+"Het nu doen?--En er is gezelschap! Kijk eens hier: zorg, dat ik je
+niet ga mistrouwen! Neen,--wij zullen wachten, totdat de lichten uit
+zijn. Het heeft geen haast."
+
+Huck voelde, dat er een oogenblik van stilzwijgen zou volgen--en dat
+was nog vreeselijker dan het moorddadig gesprek. Daarom hield hij
+zijn adem in, deed omzichtig een stap achteruit, zette behoedzaam
+zijn voet stevig neer, na heel gevaarlijk op één been te hebben staan
+balanceeren en bijkans gevallen te zijn, eerst den eenen kant uit en
+toen den anderen. Hij deed met dezelfde moeite en hetzelfde gevaar nog
+een stap achteruit; toen nog een en nog een.--Daar brak een tak onder
+zijn voet! Hij hield zijn adem in en luisterde. Hij vernam geen geluid;
+het was volmaakt stil. Zijne dankbaarheid kende geen palen. Nu kwam
+hij in het sumakboschje;--daar wendde en keerde hij zich voorzichtig
+als een laveerend schip en stapte vervolgens haastig, maar behoedzaam
+voort. Toen hij de steengroeve voorbij was, achtte hij zich veilig
+en zette het op een loopen. Hij ijlde al maar voort, totdat hij het
+huis van den ouden boschwachter had bereikt. Daar klopte hij aan de
+deur en weldra werden de hoofden van den ouden man en van zijn beide
+forschgespierde zonen voor de ramen zichtbaar.
+
+"Wat een rumoer daar? Wie klopt er? Wat moet je?"
+
+"Laat mij binnen--en gauw ook. Ik zal alles vertellen."
+
+"Wat? Wie ben je?"
+
+"Huckleberry Finn. Gauw, laat mij binnen!"
+
+"Huckleberry Finn, waarachtig! 't Is geen naam, waarvoor zich vele
+deuren openen, geloof ik. Maar laat hem binnen, jongens, en laat ons
+zien wat er te doen is."
+
+"Zeg het, als je blieft, nooit, dat ik je het verteld heb," waren
+Hucks eerste woorden, toen hij binnentrad. "Doe het als je blieft
+niet;--ik zal zeker vermoord worden; maar de weduwe is zoo goed voor
+mij geweest, en ik moet het zeggen;--ik zal het vertellen, als je
+mij belooft, dat je nooit zult zeggen dat ik het was."
+
+"Bij den Hemel, hij heeft iets te vertellen, of hij zou zoo niet
+spreken!" riep de oude man uit. "Voor den dag er mee, en niemand zal
+het verklappen."
+
+Tien minuten later beklommen de oude man en zijne zonen, behoorlijk
+gewapend, den heuvel en stapten op hun teenen het pad der sumakboomen
+in. Huck vergezelde hen niet verder; hij verborg zich achter een
+rotsblok en luisterde.
+
+Er volgden eenige oogenblikken van lange, akelige stilte. Plotseling
+werd er een geknal van vuurwapenen gehoord en een gil.
+
+Huck wachtte niet om eenige bijzonderheden te vernemen, maar ijlde
+zoo spoedig, als zijne beenen hem dragen konden, den heuvel af.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXI.
+
+
+Zondagochtend voor dag en dauw kroop Huck reeds den berg op en klopte
+aan de deur van den ouden boschwachter. De huisgenooten lagen nog te
+bed en sliepen een hazenslaap, tengevolge van de spanning waarin zij
+een gedeelte van den nacht hadden doorgebracht. Een stem riep uit
+een raam:
+
+"Wie is daar?"
+
+Huck antwoordde verschrikt, op zachten toon:
+
+"Laat mij, als 't u blieft, binnen. Het is niemand dan Huck Finn."
+
+"Dat is een naam voor welken de deur dag en nacht open staat!--Wees
+welkom!"
+
+Dit waren vreemde woorden in de ooren van den jeugdigen vagebond
+en de liefelijkste die hij ooit had vernomen. Hij herinnerde zich
+niet de twee laatste immer gehoord te hebben. De deur werd haastig
+ontsloten en de knaap trad binnen. Men gaf hem een stoel, en de oude
+man en zijne zonen kleedden zich in aller ijl aan.
+
+"Nu, mijn jongen, ik hoop dat gij een goeden eetlust hebt meegebracht,
+want wij gaan ontbijten zoodra de zon opkomt, en 't zal een brandend
+zonnetje zijn ook. Ik en de jongens hoopten al dat ge gisteren hier
+zoudt zijn teruggekeerd en in ons huis zoudt geslapen hebben."
+
+"Ik was zoo vreeselijk geschrikt," zeide Huck, "en ik heb het op
+een loopen gezet. Ik rende weg zoodra de pistolen afgingen, en ik
+holde drie mijlen ver voort, en ik ben nu gekomen omdat ik er iets
+van weten wou. Ik kom voor het daglicht, omdat ik de duivels niet
+graag tegen het lijf zou loopen, zelfs al zijn ze dood."
+
+"Wel, arme jongen, je ziet er uit alsof je een akeligen nacht
+gehad hebt,--maar hier staat een bed voor je, wanneer je ontbeten
+hebt. Neen, zij zijn niet dood, jongen;--dat spijt ons genoeg. Wij
+wisten, door jouw beschrijving, waar wij de hand op hen moesten
+leggen. Wij kropen op de teenen voort, totdat wij omstreeks vijftien
+pas van hen verwijderd waren--en 't pad der sumakboomen was zoo donker
+als een kelder--en juist toen voelde ik dat ik moest niezen. 't Was
+bitter ongelukkig; ik trachtte het in te houden, maar 't hielp niet:
+het wilde komen en het kwam. Ik liep vooruit met opgeheven pistool en
+toen het genies de schurken verschrikt uit het bosch deed opspringen,
+riep ik: 'Vuur jongens!' en schoot in de richting, waar het geritsel
+vandaan kwam. En dat deden de jongens ook, maar de schelmen waren in
+een ommezien weg en wij holden hen in het bosch achterna. Ik geloof,
+dat wij hen niet eens geraakt hebben. Toen wij stilhielden, schoten
+zij op ons, maar hunne kogels sisten langs ons heen, zonder ons te
+deren. Zoodra wij het geluid hunner voetstappen niet meer hoorden,
+gaven wij de jacht op en gingen naar de stad om de politie roepen. Deze
+riep de gewapende macht bijeen en hield de wacht langs den oever der
+rivier, en zoodra het licht wordt, zal de sherif met zijne kornuiten
+de bosschen doorkruisen. Mijne jongens zullen meegaan. Ik wou, dat wij
+de rekels zoo wat konden beschrijven;--dat zou heel wat helpen. Maar
+gij kondt zeker in het duister niet zien hoe zij er uitzagen, hé?"
+
+"O, jawel, ik heb ze door de stad zien gaan en ben hen gevolgd."
+
+"Prachtig! Beschrijf ze dan, beschrijf ze dan, mijn jongen."
+
+"De eene is de doofstomme Spanjaard, die een paar malen hier geweest
+is en de andere is een kerel met een gemeen gezicht, in lompen."
+
+"Genoeg, jongen! Wij kennen de kerels. Wij zijn ze een dag of wat
+geleden, achter in de bosschen van de weduwe Douglas tegengekomen en
+zij kropen voor ons weg. Er uit, jongens, naar den sherif.--Morgen
+komt er weer een dag om te ontbijten."
+
+De zonen van den boschwachter vertrokken dadelijk. Toen zij de kamer
+uit waren, sprong Huck op en riep uit:
+
+"O, vertel als het u blieft aan niemand, dat ik ze op het spoor ben
+gekomen! O, als het u blieft niet."
+
+"Heel goed, Huck, als gij dat verkiest; maar gij moest eigenlijk de
+eer hebben van 't geen gij gedaan hebt."
+
+"O, neen, neen! Zeg het als het u blieft niet."
+
+"Neen," antwoordde de boschwachter, "de jongens zullen het niet
+zeggen--en ik ook niet. Maar waarom wilt gij het niet weten?"
+
+Huck wilde zich niet verder uitlaten en zeide alleen, dat hij een
+der beide mannen goed kende en dat hij bang was dat die man te weten
+zou komen, dat hij iets kwaads van hem wist, daar hij hem dan zeker
+zou vermoorden.
+
+De oude man beloofde nogmaals te zullen zwijgen en zeide:
+
+"Hoe zijt gij er toch toe gekomen om deze kerels te volgen,
+jongen? Zagen zij er verdacht uit?"
+
+Huck zweeg en bedacht zich even, om naar een voorzichtig antwoord te
+zoeken. Toen zeide hij:
+
+"Wel, ziet gij, ik heb een hard lot,--ten minste dat zeggen de
+lui--en ik kan er niets aan doen--en soms kan ik niet slapen, omdat
+ik er zoo lang over lig te denken en op middelen zin om er een eind
+aan te maken. Dat deed ik juist gisteren-nacht. Ik kon niet slapen
+en ging daarom tegen middernacht de straat op, om er nog eens over
+te denken, en toen ik bij dien ouden, wrakken steenoven kwam bij de
+Matigheidsherberg, ging ik met mijn rug tegen den muur staan. Juist op
+dat oogenblik slopen die twee kerels mij voorbij, met iets onder den
+arm, 't welk ik vermoedde dat zij gestolen hadden. De een rookte en de
+ander nam een zwavelstok, om zijn sigaar op te steken. Zij hielden
+vlak voor mij stil en hunne sigaren verlichtten hun 't gezicht,
+en ik zag aan de witte bakkebaarden en den lap op zijn oog, dat
+'de lange' de doofstomme Spanjaard en dat de andere een havelooze,
+gemeene duivel was."
+
+"Kondt gij bij het licht der sigaar zien, dat hij er gemeen in de
+kleeren uitzag?"
+
+Die vraag bracht Huck een oogenblik van zijn stuk. Toen hernam hij:
+"Dat weet ik zoo niet--maar, ik geloof het toch wel."
+
+"Toen gingen zij voort, en gij....?"
+
+"Ik volgde hen. Ja, dat deed ik. Ik wou eens zien waar zij heen
+slopen. Ik speurde het na tot aan 't hek bij de weduwe en bleef in het
+duister staan en hoorde den havelooze smeekend vragen, om medelijden
+met de weduwe te hebben, en den Spanjaard zweren, dat hij haar neus
+kapot zou snijden en haar ooren kerven, juist zooals..."
+
+"Wat! zeide de _doofstomme_ man dat alles?"
+
+Huck had weder een verschrikkelijken flater gemaakt. Hij deed al zijn
+best om den ouden man niet te laten merken wie die Spanjaard was, en
+toch scheen zijn tong het er op gezet te hebben hem er in te laten
+loopen. Hij deed zijn uiterste best om zich uit deze moeielijkheid
+te redden, doch de oude man keek hem strak in het gezicht en de knaap
+maakte het eene abuis na het andere. Eindelijk zeide de boschwachter:
+
+"Jongen, wees niet zoo bang voor mij; ik zou voor al het geld van
+de wereld geen haar van uw hoofd willen krenken. Neen, ik zal u
+beschermen,--dat zal ik. Deze Spanjaard is niet doofstom: gij hebt u
+dat onwetend laten ontvallen; gij kunt het niet weder intrekken. Gij
+weet meer van den Spanjaard. Vertrouw mij; zeg mij wat het is. Ik
+zal u niet verraden."
+
+Huck zag den ouden man een oogenblik in de eerlijke oogen, boog zich
+toen over hem been en fluisterde hem in 't oor:
+
+"Het is geen Spanjaard; het is Injun Joe."
+
+De boschwachter viel van schrik bijna van zijn stoel en zeide:
+
+"Nu is mij alles duidelijk. Toen gij spraakt van ooren kerven en
+neuzen opensnijden, dacht ik, dat gij er dit bij hadt gemaakt, omdat
+blanken nooit op deze wijze wraak nemen. Maar een kleurling! dat is
+heel wat anders."
+
+Zij praatten al ontbijtende voort en in den loop van het gesprek zeide
+de oude man, dat het laatste wat hij en zijne zonen gedaan hadden
+eer zij naar bed gingen, was geweest een lantaarntje nemen en in de
+buurt van het hek zoeken, of zij ook sporen van bloed ontdekten. Zij
+vonden er echter geene, maar wel een grooten bos...
+
+"Wat?"
+
+Indien de woorden een bliksemstraal geweest waren, konden zij
+niet met meer verpletterende snelheid aan Hucks bleeke lippen zijn
+ontsnapt. Zijne oogen stonden strak en zijn adem stokte, toen hij
+naar een antwoord wachtte.
+
+De boschwachter schrikte, zag hem een paar seconden zwijgend aan en
+zeide toen:
+
+"Breekijzers. Maar, wat scheelt u?"
+
+Huck zonk achterover en haalde zacht en onuitsprekelijk dankbaar
+adem. De boschwachter zag hem weder aan en hernam:
+
+"Ja, breekijzers. Dat schijnt u een pak van 't hart te nemen. Maar
+waarom verschriktet gij zoo? Wat dacht gij, dat wij gevonden hadden?"
+
+Huck zat in een benauwd hoekje; de vragende oogen waren op hem gericht;
+hij zou alles gegeven hebben, indien hij een aannemelijk antwoord had
+kunnen vinden. Maar niets deed zich voor. Het vragend oog doorboorde
+hem al dieper en dieper.--Daar schoot hem een allerdwaast antwoord
+in. Er was geen tijd om te overwegen, dus mompelde hij op goed geluk:
+
+"Ik dacht, boeken van de zondagsschool."
+
+De arme knaap was te beangst om zelfs te kunnen glimlachen,--doch
+de oude man lachte luid en vroolijk, schudde Huck door elkander en
+eindigde met te zeggen, dat zulk een lach goud waard was, omdat deze
+het geld voor den dokter in den zak hielp houden. Toen voegde hij
+er bij:
+
+"Arme jongen, je ziet er bleek en vermoeid uit. Je bent niet wel. Geen
+wonder dat je hersenen wat verward zijn. Maar je zult er wel bovenop
+komen. Rust en slaap zullen je, hoop ik, wel weder in orde brengen."
+
+Huck was boos op zich zelven, dat hij zoo dom was geweest, zich door
+zulk eene verdachte verlegenheid te verraden, want hij had, zoodra
+hij het gesprek bij het hek had afgeluisterd, het denkbeeld laten
+varen dat het pakje, 't welk zij uit de herberg hadden medegebracht,
+de schat was. Hij had althans maar gedacht, doch niet geweten dat
+het de schat _niet_ was, en vandaar dat de mededeeling van den
+buitgemaakten bundel te prachtig was om er zijne tegenwoordigheid
+van geest bij te blijven bewaren. Alles te zamen genomen evenwel,
+was hij blijde dat deze kleine episode had plaats gehad, want nu wist
+hij stellig en zeker, dat deze buit de schat niet was en dus kwam
+zijn gemoed tot rust en voelde hij zich grootelijks verruimd. Ja,
+waarlijk, alles scheen thans naar de juiste richting te drijven: de
+schat moest nog op "nummer twee" zijn; de mannen zouden dien dag gepakt
+en in de gevangenis gezet worden en hij en Tom zouden morgen-nacht,
+zonder moeite en zonder vrees voor stoornis, het geld in beslag nemen.
+
+Juist toen het ontbijt was afgeloopen, werd er op de deur geklopt. Hij
+sprong op om eene schuilplaats te zoeken, want hij had geen lust om
+zelfs in de verste verte met de gebeurtenis van den vorigen nacht in
+verband te worden gebracht. De boschwachter liet verscheidene dames
+en heeren binnen, onder welke de weduwe Douglas, en hij bemerkte dat
+heele zwermen den heuvel beklommen, om het hek te bekijken. Het nieuws
+had zich dus verspreid.
+
+De boschwachter moest zijnen bezoekers de geschiedenis van dien nacht
+vertellen. De weduwe kon geen woorden vinden on hare dankbaarheid
+voor hare bescherming uit te drukken.
+
+"Spreek er niet van, mevrouw," zeide de boschwachter. "Er is een ander,
+aan wien gij meer verplicht zijt dan aan mij en aan mijne jongens. Maar
+deze wil zijn naam niet genoemd hebben. Wij zouden daar nooit geweest
+zijn, indien hij ons niet gewaarschuwd had."
+
+Natuurlijk wekte dit eene mate van nieuwsgierigheid op, die de
+hoofdzaak in de schaduw stelde; doch de boschwachter liet de bezoekers
+in het onzekere en door hen werd deze tijding door de geheele stad
+gebracht. Toen zij al het overige vernomen had, zeide de weduwe:
+
+"Ik heb in bed liggen lezen en ben zoo in slaap gevallen en heb niets
+van het leven gehoord. Waarom hebt gij mij niet wakker gemaakt?"
+
+"Wij dachten, dat het niet noodig was. De kerels zouden waarschijnlijk
+niet terugkomen. Zij hadden geen gereedschap om mede te werken;
+en waartoe zou het dienen u te wekken en u doodelijk te doen
+ontstellen? Mijne drie zwarte knechts hebben den ganschen nacht voor
+uw huis de wacht gehouden. Zij zijn juist teruggekomen."
+
+Er kwamen hoe langer hoe meer bezoekers en de geschiedenis moest een
+paar uren lang aanhoudend verteld en oververteld worden.
+
+In de vacantie was er geen zondagsschool, maar men ging wat vroeger
+naar de kerk. De ontrustbarende gebeurtenis werd daar dien morgen
+behoorlijk uitgeplozen en iedereen kon vernemen, dat er nog geen taal
+of teeken van de schelmen ontdekt was.
+
+Toen de kerk uitging, liep mevrouw Thatcher toevallig naast juffrouw
+Harper, die met de schare het Godshuis verliet, en zeide:
+
+"Slaapt mijn Becky den heelen dag? Ik dacht wel, dat zij erg vermoeid
+zou zijn."
+
+"Uwe Becky?"
+
+"Ja," zeide de ander met een verschrikt gelaat. "Heeft zij van nacht
+dan niet bij u gelogeerd?"
+
+"Wel neen."
+
+Mevrouw Thatcher werd bleek en viel op eene bank neder, juist toen
+tante Polly, in een levendig gesprek met eene oude vriendin, haar
+voorbijging. Tante Polly zeide:
+
+"Goeden morgen, mevrouw Thatcher; goeden morgen, juffrouw Harper. Ik
+mis een van mijne jongens. Tom is zeker van nacht aan uw huis blijven
+slapen en durft nu niet in de kerk komen, niet waar? Ik zal weer een
+appeltje met hem te schillen hebben."
+
+Mevrouw Thatcher schudde het hoofd en werd nog bleeker.
+
+"Hij is niet bij ons geweest,'" zeide juffrouw Harper, met een
+verontrust gelaat. Ook tante Polly werd angstig.
+
+"Joe Harper, heb je mijn Tom van morgen al gesproken?"
+
+"Neen, juffrouw."
+
+"Wanneer heb je hem het laatst gezien?"
+
+Joe trachtte zich dit te binnen te brengen, maar hij herinnerde
+het zich niet. De kerkgangers bleven met bedrukte gezichten staan
+kijken; er ontstond een geheimzinnig gefluister, en onrust teekende
+zich op ieders gelaat. De kinderen en de onderwijzers werden angstig
+ondervraagd, doch niemand had er op gelet of Tom en Becky aan boord
+van de stoomboot waren, toen zij naar huis voeren. Het was zoo donker,
+en men had er niet aan gedacht om te vragen, of er ook een gemist
+werd. Een der aanwezige jongelieden liet zich ontvallen, dat hij
+vreesde dat ze nog in de grot waren! Bij deze veronderstelling viel
+mevrouw Thatcher dadelijk in onmacht en tante Polly begon te schreien
+en hare handen te wringen.
+
+In een oogenblik ging de noodkreet van mond tot mond, van groep
+tot groep, van straat tot straat, en binnen vijf minuten luidde de
+noodklok met woesten klank en was de gansche stad in rep en roer. De
+gebeurtenis te Cardiff Hill zonk dadelijk in het niet; de inbrekers
+waren vergeten. Paarden werden gezadeld, schuitjes bemand, de stoomboot
+werd uitgezonden, en eer de vreeselijke tijding een half uur oud was,
+waren er tweehonderd man in vaartuigen of te voet op weg naar de grot.
+
+In den namiddag was de stad als uitgestorven. Vele dames kwamen tante
+Polly en mevrouw Thatcher bezoeken en zochten haar te troosten. Zij
+schreiden met haar, en dat deed de bedroefden nog meer goed dan
+hare woorden.
+
+Den ganschen langen nacht wachtte men op tijding, en toen de dag
+eindelijk aanbrak, kwam er niets dan de boodschap: "Zend meer kaarsen
+en meer voedsel." Mevrouw Thatcher was bijna krankzinnig van angst,
+en tante Polly ook. De heer Thatcher zond nu en dan bemoedigende
+boodschappen uit de grot, doch dezen brachten weinig troost.
+
+De oude boschwachter kwam tegen het aanbreken van den dag, met
+kaarsvet besmeerd, met modder bespat en doodmoede tehuis. Hij vond
+Huck nog in het bed, dat hij voor hem had gereedgemaakt. De knaap
+lag in ijlende koorts. De dokters waren allen naar de grot en dus
+nam de weduwe Douglas de zorg voor den patiënt op zich. Zij zeide
+dat zij voor hem doen zou wat zij kon, omdat, 't zij hij goed was
+of slecht, hij des Heeren was, en niets wat den Heer toebehoorde,
+mocht veronachtzaamd worden. De boschwachter verklaarde, dat Huck
+nog zoo'n slechte jongen niet was, waarop de weduwe antwoordde:
+
+"Dat spreekt vanzelf. Dat is de stempel des Heeren; deze kan niet
+uitgewischt worden. God doet dat nooit, maar drukt Zijn merk op elk
+schepsel, dat uit Zijne hand komt."
+
+Vroeg in den middag kwam het meerendeel der St. Petersburgers, die
+uitgegaan waren om te zoeken, doodelijk vermoeid in de stad terug, doch
+de sterksten onder de burgers zetten het onderzoek voort. De eenige
+tijding die zij meebrachten was, dat men bezig was een verwijderd
+gedeelte van de spelonk te doorzoeken, waarin nooit menschelijke
+voetstappen waren doorgedrongen, en dat elke hoek en spleet zou
+worden nagespeurd. Verder, dat door den ganschen doolhof, lichten
+her- en derwaarts flikkerden en de doffe klank van pistoolschoten
+door de sombere gewelven weerkaatste. Op eene plaats, ver van het
+gewoonlijk door de toeristen bezochte gedeelte, had men de namen
+"Becky" en "Tom" met kaarssnuitsel op een rotsachtigen muur gevonden
+en vlak daarbij een met vet besmeerd stukje lint. Mevrouw Thatcher
+herkende het lint en schreide er bittere tranen over. Zij zeide,
+dat dit het laatste aandenken was, 't welk zij ooit van haar kind
+zou bezitten; dat geen andere gedachtenis haar zoo dierbaar zou zijn,
+daar dit voorwerp het laatst van het levende lichaam gescheiden was,
+voordat de vreeselijke dood was gekomen. Sommigen verhaalden, dat
+men nu en dan in de grot een verwijderd stipje licht zag flikkeren,
+en dat telkens, als dit te zien kwam, door een twintigtal mannen, die
+troepsgewijze door de holklinkende gangen liepen, een jubelkreet werd
+aangeheven, die telkens door wanhopige teleurstelling werd gevolgd.
+
+Dus sleepten drie vreeselijke dagen en nachten hunne trage uren
+voort en de stedelingen vervielen welhaast in wanhoop. De toevallige
+ontdekking, onlangs gedaan, dat de eigenaar van de Matigheidsherberg
+in een bijgebouw sterken drank bewaarde, scheen het publiek nauwelijks
+te treffen, hoe verschrikkelijk de gebeurtenis ook zijn mocht.
+
+In een helder oogenblik gedurende zijne ziekte, bracht Huck
+schoorvoetend het gesprek op herbergen en vroeg eindelijk, met een
+vaag vermoeden van het ergste, of er sedert zijne ziekte ook iets in
+de Matigheidsherberg ontdekt was.
+
+"Ja," zeide de weduwe.
+
+Huck sprong met verwilderde oogen in zijn bed op.
+
+"Wat? Wat was het?"
+
+"Drank! En de herberg is gesloten. Ga stil liggen, kind;--gij doet
+mij schrikken."
+
+"Zeg mij slechts één ding--één ding als het u blieft. Heeft Tom Sawyer
+het ontdekt?"
+
+De weduwe barstte in tranen uit.
+
+"Stil, kind, stil! Ik heb al meer gezegd, dat gij niet moet praten. Gij
+zijt zeer, zeer ziek."
+
+Zoo! dus was er niets dan drank gevonden. Het zou wel eene groote
+opschudding gegeven hebben, indien het de schat was geweest. Dus was
+deze voor eeuwig verloren! Maar waarom zou zij schreien? Hoe vreemd
+dat zij schreide. Deze gedachten doorkruisten Hucks brein en onder de
+vermoeienis van het peinzen viel hij in slaap. Toen zeide de weduwe
+tot zich zelve:
+
+"Daar slaapt hij, de arme drommel. Tom Sawyer hem vinden! Gave God,
+dat iemand Tom Sawyer vond! Ach, er zijn er niet veel meer, die nog
+hoop en kracht hebben om met zoeken voort te gaan."
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXII.
+
+
+Wij moeten thans naar de pic-nic en Tom en Becky's aandeel in de
+pret terugkeeren. Zij hadden met de anderen door de donkere gangen
+gehuppeld en de bekende wonderen van de grot bezocht,--wonderen
+met wel te grootsche namen bestempeld, zooals: het "Salon," de
+"Kathedraal," het "Paleis van Aladdin," enz. Aan het daarop gevolgd
+"verstoppertje" spelen hadden zij ijverig deelgenomen, totdat zij
+van de inspanning moede waren geworden. Daarna eens opwandelende,
+waren zij in een kronkelpad afgedwaald en hadden daar, bij het licht
+hunner omhooggehouden kaarsen, het krabbelschrift van namen, datums,
+adressen en motto's gelezen, waarmede de rotswanden (met kaarssnuitsel)
+beschreven waren. Al voortgaande en pratende, hadden zij niet eens
+bemerkt, dat zij zich in een gedeelte der grot bevonden, op welks
+muren geene namen te lezen stonden. Hier schreven zij hun eigen
+naam met kaarssnuitsel op een vooruitstekend rotsblok en gingen
+verder. Kort daarop kwamen zij op eene plaats, waar een, over een
+zandrif naar beneden vlietend en een laag kalksteen met zich voerend
+waterstroompje, in de langzaam voortgaande eeuwen, een versteende
+Niagara van schitterend en onvergankelijk stalactiet had gevormd.
+
+Om Becky pleizier te doen, kroop Tom met zijn tenger lichaam
+tusschen de steenen door, om de plaats te verlichten. Te midden dier
+rotsenmassa ontdekte hij eene door de natuur gevormde trap, door nauwe
+muren ingesloten, en bij dat gezicht werd hij door den lust tot een
+ontdekkingstocht aangegrepen. Becky verklaarde zich bereid hem te
+vergezellen en zij maakten met den walm der kaars een teeken, dat hen
+den terugweg zou doen weervinden, en gingen op verkenning uit. Zij
+sloegen allerlei paden in, tot ver in de grot; zij maakten nog eens
+een merkteeken en gingen steeds voort om nieuwe wonderen te zoeken,
+die zij aan de bovenwereld zouden vertellen. Op eens ontdekten zij een
+ruim hol, van welks zoldering een massa glinsterend druipsteen afhing,
+in lengte en vorm aan een menschenbeen gelijk. Vol bewondering en
+verbazing wandelden zij daarin rond en verlieten het hol weder door
+een der vele gangen, die er op uitliepen. Hun weg bracht hen bij
+een tooverachtig schoone springbron, welker bodem met schitterende
+gekristallisseerde waterdroppen als ingelegd was. De bron stond midden
+in een grot, met muren door allervreemdsoortigste pilaren gestut,
+gevormd door de verbinding van groote stalactieten en stalagmieten,
+die wederom aan het eeuwenlang neerdruppelen van water hun ontstaan te
+danken hadden. Onder dit dak hadden zich dikke zwermen vledermuizen
+bij duizendtallen opeengehoopt. Door het licht verschrikt, kwamen
+deze dieren bij honderden naar beneden en fladderden met een akelig
+geschreeuw woedend om de kaarsen been. Tom kende hun aard en het
+gevaar, dat van dien kant dreigde. Hij greep Becky bij de hand en
+duwde haar in een der vele gangen--en voorwaar niet te vroeg, want
+een vledermuis sloeg, juist toen zij den grot verlieten, met hare
+vleugels Becky's licht uit. De booze dieren vervolgden de kinderen
+nog een tijdlang, doch de vluchtelingen liepen telkens een nauwen
+gang in en ontkwamen eindelijk aan deze gevaarlijke beesten.
+
+Kort daarna ontdekte Tom een onderaardsch meer, welks eindelooze
+lengte zich in de duisternis verloor. Ofschoon hij groote geneigdheid
+had om de oevers van dat meer te gaan verkennen, kwam hij tot het
+besluit, dat het beter zou zijn een oogenblik te gaan zitten, on
+uit te rusten. En nu eerst wekte de doodelijke stilte van het oord
+verlammend op hun jeugdig gemoed.
+
+"Tom, ik verbeeld mij, dat wij sedert uren niets van de anderen
+gehoord hebben."'
+
+"Becky, ik geloof dat wij veel dieper zijn dan zij, maar ik weet niet
+in welke richting, in het noorden, zuiden of oosten. Ik geloof niet,
+dat het mogelijk is hen hier te hooren."
+
+Becky begon bang te worden.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, hoe lang wij al hier zijn.--Zou het
+niet beter wezen terug te keeren?"
+
+"Ja, dat geloof ik ook."
+
+"Kunt gij den weg terugvinden? Ik zie niets dan kronkelpaden en
+slingerwegen."
+
+"Ik zou het wel kunnen, maar ik ben bang voor de vleermuizen. Indien
+zij ook mijn kaars uitdeden, zouden wij er ellendig aan toe zijn. We
+moeten het met een anderen weg beproeven.
+
+"Och, ik hoop maar dat wij niet zullen verdwalen. Dat zou zoo
+vreeselijk wezen!"
+
+En het meisje begon te beven bij de gedachte aan die ontzettende
+mogelijkheid.
+
+Zij liepen een gang in en gingen zwijgend een geruimen tijd voort,
+naar elke nieuwe opening kijkende, om te zien of zij ook iets ontdekten
+dat hun bekend voorkwam, doch 't was alles even vreemd. Telkens als
+Tom de plaats opnam, bespiedde Becky angstig zijn gelaat en telkens
+antwoordde hij vroolijk:
+
+"O, wees zonder zorg; dit is het pad niet, maar wij zullen het rechte
+zeker vinden."
+
+Bij elke mislukte poging echter verloor de knaap iets van zijn moed
+en nu op goed geluk, in allerlei richtingen, verschillende gangen in
+te slaan, in het wanhopend vertrouwen, dat hij den doorgang dien zij
+noodig hadden, wel vinden zou. Voortdurend riep hij:
+
+"'t Zal wel gaan." Doch er lag hem zulk een looden wicht op het hart,
+dat de woorden hun klank verloren en luidden alsof hij geroepen had:
+"Alles is verloren."
+
+Becky klampte zich angstig aan hem vast en deed haar best om niet
+te schreien, maar de tranen sprongen haar ondanks haar zelve uit de
+oogen.--Eindelijk riep zij uit:
+
+"O, Tom, ik geef niets om de vleermuizen! Laat ons liever langs den
+ouden weg teruggaan. 't Is alsof wij hoe langer hoe verder van het
+rechte pad afdwalen."
+
+Tom hield stil.
+
+"Luister!" zeide hij.
+
+Niets dan diepe stilte,--eene stilte zoo groot, dat de kinderen hun
+adem konden hooren.
+
+Tom begon te roepen. De kreet weerkaatste door de holle gangen en
+stierf in de verte weg, in een geluid dat aan een spotlach deed denken.
+
+"O, doe het niet meer, Tom! het is al te akelig!" zeide Becky.
+
+"'t Is akelig, maar 't is toch beter, Becky. Misschien kunnen zij
+het hooren."
+
+De woorden "misschien kunnen" joegen Becky een rilling door de
+leden, nog kouder dan het spookachtig geluid had gedaan, want zij
+waren de taal der wanhoop. De kinderen stonden stil en luisterden,
+alweder zonder gevolg. Opeens keerde Tom op zijne schreden terug en
+verhaastte zijn stappen. Een oogenblik later verried eene angstige
+onbeslistheid in zijne manieren aan Becky het vreeselijk feit: hij
+had het spoor van den terugweg verloren!"
+
+"O, Tom, heb je geen teekens gemaakt?"
+
+"Becky, ik was zoo dwaas! Ik dacht, dat wij niet langs dezen kant
+zouden behoeven terug te gaan. Ik kan den weg niet meer vinden. 't
+Is alles even verward!"
+
+"Tom! Tom! wij zijn verloren. Wij zullen het daglicht nooit meer
+zien. O, waarom hebben wij de anderen verlaten?"
+
+Zij zonk op den grond neder en barstte in zulk een waanzinnig
+gekrijt uit, dat Tom bang werd dat zij zoude sterven of het verstand
+verliezen. Hij ging naast haar zitten en sloeg zijne armen om haar
+heen: zij verborg haar gezichtje tegen zijn borst, hield hem stijf
+vast en stortte hare angsten en haar tot niets leidend berouw tot hem
+uit;--en de verwijderde echo's verkeerden dat alles in een hoonend
+gelach. Tom smeekte haar moed te houden, maar zij antwoordde dat dit
+haar onmogelijk was.
+
+Toen begon hij er zich een verwijt van te maken, dat hij haar in dezen
+ellendigen toestand gebracht had. Dit had eene goede uitwerking; want
+zoodra hij zich zelven beschuldigde, beloofde zij, dat zij haar best
+zou doen om zich goed te houden en dat zij zou opstaan en hem volgen,
+werwaarts hij haar wilde heenleiden, als hij haar beloofde niet meer
+zoo te praten; beiden hadden zij immers, zoo zeide zij, schuld.
+
+Zoo gingen zij dan weer verder,--zonder doel, enkel op goed geluk
+af. Het beste ook wat zij doen konden, was te loopen, steeds te
+loopen. De hoop scheen voor een oogenblik te herleven, niet omdat er
+eenig uitzicht op redding was, maar dewijl het in haar natuur ligt
+steeds te herleven, zoolang zij door de jaren en de ervaring van
+teleurstellingen, haar veerkracht nog niet verloren heeft.
+
+Een poos daarna nam Tom Becky's kaars en blies die uit. Dat was
+een veelbeteekenende spaarzaamheid. Ook zonder dat het gezegd werd,
+begreep Becky wat dit beduidde en de hoop ontzonk haar weder. Zij
+wist, dat Tom nog eene geheele kaars en drie of vier eindjes in den
+zak had en toch zuinig moest zijn.
+
+Allengs begon het vermoeiend zwerven hun invloed op hen uit te
+oefenen. De kinderen trachtten te doen alsof zij 't niet merkten,
+want de gedachte alleen aan zitten, terwijl elke minuut kostbaar was,
+was vreeselijk. Zich bewegen, hoe dan ook en waarheen dan ook, was
+vorderen en kon met een gewenschten uitslag worden bekroond. Stilzitten
+daarentegen, was den dood inroepen en zijn komst verhaasten.
+
+Eindelijk weigerden Becky's zwakke leden haar verder te dragen. Zij
+legde zich op den grond neder, en Tom zette zich naast haar. Zij
+spraken van huis, van hunne ouders, van hun heerlijk bed en voor alle
+dingen van het verrukkelijke licht; Becky schreide en Tom verzon van
+alles on haar op te beuren! Maar alle troostwoorden waren afgesleten
+en klonken als bijtende spot. Uitgeput van vermoeidheid viel Becky
+ten laatste in slaap. Tom was er blijde om en bleef op haar bedroevend
+gelaat turen. Hij zag het, onder den invloed van vriendelijke droomen,
+weer glad en effen worden en bemerkte, dat een glimlach op hare
+lippen neerdaalde en zich er bleef vestigen. Die kalmte bracht zijn
+eigen gemoed ook eenigszins tot rust en zijne gedachten dwaalden
+terug naar vroegere tijden en nevelachtige herinneringen. Te midden
+zijner overpeinzingen ontwaakte Becky met een vroolijk lachje,--doch
+het stierf op hare lippen weg en werd gevolgd door een diepen zucht.
+
+"O, hoe kon ik slapen? Ik wou dat ik maar nooit, nooit meer was wakker
+geworden! Neen, neen, Tom, zie mij niet zoo angstig aan! Ik zal het
+nooit meer zeggen."
+
+"Ik ben zoo blijde dat gij geslapen hebt, Becky. Gij zult nu minder
+moede zijn en wij zullen den weg vinden."
+
+"Wij kunnen het probeeren, Tom, maar ik heb zulk een mooi land in
+mijn droom gezien--en daarheen zullen wij gaan, denk ik."
+
+"Misschien nog wel niet. Houd je goed, Becky, en laat ons voortgaan."
+
+Zij stonden op en dwaalden hand in hand, hopeloos voort. Zij trachtten
+den tijd te begrooten, dien zij in de grot hadden doorgebracht, maar
+dien bij benadering berekenen konden zij niet. Het scheen hun dagen
+en weken te zijn, ofschoon dat onmogelijk was, want hunne kaarsen
+waren nog niet opgebrand.
+
+Een langen, zeer langen tijd daarna zeide Tom, dat zij zachtjes
+moesten loopen en luisteren of zij ook water hoorden druppelen,
+daar zij bij een bron moesten zijn. Deze vonden zij ook werkelijk
+en Tom stelde voor om weer wat te rusten. Beiden waren doodmoede en
+toch zeide Becky, dat zij nog wel een eind verder zou kunnen gaan;
+maar tot hare verbazing wilde Tom daar niet van hooren. Daarom gingen
+zij weder zitten, en Tom maakte zijne kaars met klei aan den muur
+vast. Ieder was in zijn eigen gedachten verdiept; een geruimen tijd
+werd er geen woord gesproken. Becky verbrak het stilzwijgen het eerst.
+
+"Tom," zeide zij, "ik heb zoo'n honger."
+
+Tom haalde iets uit den zak.
+
+"Herken je dit?" zeide hij.
+
+Becky trachtte te glimlachen en zeide:
+
+"Het is onze bruidskoek, Tom!"
+
+"Ja, ik wou dat hij tienmaal grooter was, want het is alles wat
+wij hebben."
+
+"Ik had hem voor de pic-nic medegenomen, on hem met u te deelen, Tom,
+zooals groote menschen doen;--maar ik vrees dat het onze...." Zij
+voltooide den volzin niet. Tom verdeelde den koek en Becky at met
+graagte, terwijl Tom zijne helft langzaam opmuisde. Er was overvloed
+van water om bij het eten te gebruiken. Eindelijk opperde Becky de
+vraag, of het niet beter zou zijn weder verder te gaan. Tom zweeg
+een oogenblik en zeide toen:
+
+"Becky, kun je verdragen, dat ik je iets zeg?"
+
+Becky werd bleek, doch knikte toestemmend.
+
+"Nu dan, Becky, wij moeten hier blijven, omdat hier water voorhanden
+is; want dit kleine stukje is ons laatste eindje kaars."
+
+Becky barstte in tranen en weeklagen uit.
+
+Tom deed zijn best on haar te troosten, doch zonder baat. Eindelijk
+riep zij uit.
+
+"Tom!"
+
+"Wat is er, Becky?"
+
+"Zou men ons missen en trachten op te sporen?"
+
+"Ja, zeker."
+
+"Zou men nog bezig zijn met zoeken?"
+
+"Ik geloof het bepaald en ik hoop het."
+
+"Wanneer zou men ons het eerst gemist hebben?"
+
+"Toen zij naar de boot terugkeerden, denk ik."
+
+"Tom, het kon wel zijn, dat het toen donker was;--zouden zij dan wel
+opgemerkt hebben, dat wij er niet waren?
+
+"Ik weet het niet. Maar in elk geval moet je moeder je gemist hebben,
+zoodra zij te huis waren."
+
+Een uitdrukking van schrik op Becky's gelaat bracht Tom tot bezinning
+en hij zag, dat hij een misslag had begaan. Tom en Becky zouden
+dien avond niet naar huis gegaan zijn. De kinderen spraken niet meer
+en bleven zitten peinzen. Een nieuwe uitbarsting van droefheid van
+Becky deed Tom zien, dat ook zij dacht aan 't geen er in zijne ziel
+omging,--namelijk, dat de Zondagochtend al voorbij kon zijn, eer
+mevrouw Thatcher tot de ontdekking kwam, dat Becky niet bij juffrouw
+Harper was. De kinderen hielden de oogen strak op het stukje kaars
+gevestigd en verbeidden met een kloppend hart, angstig het oogenblik,
+waarop het zou wegsmelten en uitgaan. Zij zagen het pitje eindelijk
+alleen staan; zij zagen de zwakke vlam rijzen en dalen, dalen en
+rijzen en het dunne rookkolommetje klimmen; zij zagen een laatste
+flikkering aan den top--en toen heerschte de vreeselijkste duisternis.
+
+Hoe lang het duurde, eer Becky tot het bewustzijn kwam dat zij in
+de armen van Tom lag te schreien, zou geen van beiden hebben kunnen
+zeggen. Zij wisten alleen maar, dat zij beiden, na een schijnbaar
+oneindig lang verloop van tijd, uit een soort van verdooving wakker
+werden, on hun ellendig bestaan voor te zetten. Tom dacht dat het
+Zondag, misschien ook Maandag was. Hij trachtte Becky aan het praten te
+krijgen, doch zij was sprakeloos van verdriet en wanhoop. Om haar te
+troosten zeide Tom, dat men hen stellig al lang gemist had en bepaald
+nog aan het zoeken was. Hij zou nog eens roepen, want wellicht waren
+er menschen in de nabijheid. En dat deed hij ook, maar de verwijderde
+echo's herhaalden in de duisternis zijn geluid zoo akelig, dat hij
+geen moed had nogmaals zijne stem te verheffen.
+
+Weder gingen er uren voorbij en weder begon de honger de arme
+gevangenen te kwellen. Gelukkig had Tom nog een stukje koek bewaard,
+'t welke zij verdeelden en opaten. Maar 't was alsof dit armzalig
+mondjevol hen nog hongeriger maakte.
+
+Op eens riep Tom uit:
+
+"Stil! hoort gij niet wat?"
+
+Beiden hielden den adem in en luisterden.
+
+Daar klonk een geluid alsof er in de verte geroepen werd. Tom
+beantwoordde dat geroep oogenblikkelijk en ging, Becky bij de hand
+nemende, op den tast de gang door, in de richting van waar het geluid
+gehoord was. Een oogenblik hield hij stil om nogmaals te luisteren
+en weder klonk het geroep, ditmaal iets naderbij.
+
+"Zij zijn het!" zeide Tom. "Zij komen! Ga maar mede; wij zijn nu op
+den rechten weg."
+
+De kinderen waren uitgelaten van vreugde. Toch liepen zij behoedzaam
+voort, want valputten waren geen ongewoon verschijnsel in de grot en
+daarvoor moest gewaakt worden. Zij hadden dan ook nog niet lang hun
+weg vervolgd of zij moesten stilhouden. Het gat waarvoor zij stonden
+kon drie, maar ook honderd voet diep zijn. Aan verder gaan was geen
+denken. Tom ging op zijn buik liggen en reikte naar beneden zoo ver
+hij kon, doch voelde geen bodem. Hier moesten zij dus blijven wachten,
+totdat er hulp komen zou. Weer luisterden zij scherp; het verwijderd
+geluid werd blijkbaar zwakker; nog een oogenblik en alles was weder
+doodstil.
+
+Welk eene bittere teleurstelling! Tom schreeuwde zich heesch, doch
+tevergeefs. Toch bleef hij Becky moed inspreken. Nogmaals ging er
+eene eeuwigheid van angstig wachten voorbij, zonder dat het geroep
+herhaald werd.
+
+De kinderen slopen naar de bron terug. Langzaam kropen de uren
+voort en zij vielen weer in slaap, on uitgehongerd en rampzalig te
+ontwaken. Naar Toms gissing moest het thans Dinsdag wezen. Daar viel
+hem iets in. In hun buurt waren eenige zijgangen. Zou het niet beter
+zijn deze te onderzoeken, dan werkeloos te blijven zitten wachten? Hij
+haalde een vliegertouw uit den zak, maakte dat aan een vooruitstekend
+rotsblok vast en ging verder, en Becky kwam achter hem aan, terwijl hij
+het touw loswond, naarmate zij voortslopen. Twintig stappen verder liep
+de gang op een viersprong uit. Tom legde zich op de knieën en kroop op
+handen en voeten voort, totdat hij een der hoeken om was. Hij deed eene
+poging om het nog een eind verder te brengen; en op datzelfde oogenblik
+kwam achter een rots, op geen twintig pas afstands, eene menschenhand
+te voorschijn, die eene kaars vasthield. Tom slaakte een kreet van
+vreugde en onmiddellijk daarop werd de hand gevolgd door het lichaam,
+waaraan zij toebehoorde--en dat was van Injun Joe! Verlamd van schrik
+bleef Tom als aan den grond vastgenageld staan. Een oogenblik later
+echter werd hij gerustgesteld, daar hij den Spanjaard zag wegloopen
+en uit het gezicht verdwijnen. Tom verbaasde zich, dat Injun Joe
+zijne stem niet had herkend en niet naar hem was toegekomen on hem te
+vermoorden, wegens zijn getuigen voor het Gerechtshof. Doch de echo's,
+zoo dacht hij, hadden zeker zijne stem onkenbaar gemaakt. Toch trilde
+elke spier van zijn lichaam en hij nam zich voor om, als hij kracht
+genoeg had, naar de bron terug te keeren, daar te blijven, en zich
+door niets te laten verleiden nogmaals het gevaar te loopen van Injun
+Joe te ontmoeten. Zorgvuldig hield hij zijn wedervaren voor Becky
+verborgen en vertelde haar, dat hij op goed geluk af geschreeuwd had.
+
+Doch honger en ellende kregen ten laatste de overhand over angst en
+vrees. Nog eenige lange uren wachtens aan de bron en nog eenige uren
+slapens brachten eene verandering teweeg. De kinderen werden met
+een woedenden honger wakker. Tom verbeeldde zich dat het Woensdag
+of Donderdag, ja, misschien Vrijdag of Zaterdag was en dat men
+het zoeken had opgegeven. Hij voelde zich bereid Injun Joe en alle
+andere vreeselijkheden te trotseeren. Maar Becky was in een treurige
+onverschilligheid vervallen, waaruit Tom vruchteloos trachtte haar op
+te wekken. Zij zeide, dat zij wilde blijven waar zij nu was, on daar
+te sterven;--de dood zou zeker niet lang meer uitblijven. Tom mocht,
+als hij wilde, met het vliegertouw gaan zoeken, doch zij smeekte
+hem, nu en dan eens terug te komen, on haar een woord toe te spreken
+en zij liet hem beloven, dat wanneer de vreeselijke ure kwam, hij
+aan hare zijde zou staan en hare hand zou vasthouden, totdat alles
+voorbij was. Tom kuste haar, met een gevoel in zijne keel alsof
+deze werd toegeknepen, en vertelde haar, dat hij er zeker van was,
+òf de zoekenden òf een uitweg uit de grot te zullen vinden. Daarop
+nam hij het vliegertouw in de hand en sloop, flauw van den honger
+en beklemd door een vreeselijk voorgevoel van den naderenden dood,
+op handen en voeten door een der gangen voort.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXIII.
+
+
+Het was Dinsdagmiddag, het werd Dinsdagavond en nog was het
+stadje St. Petersburg in rouw. Men had openbare bidstonden voor de
+verloren kinderen gehouden en ook in menige binnenkamer was een stil,
+hartelijk gebed voor hen opgegaan, doch er kwam nog geen goed nieuws
+uit de grot. De meerderheid der lieden, die zich in de spelonk hadden
+gewaagd, hadden het zoeken opgegeven en waren naar hun dagelijksch
+werk teruggekeerd, met de boodschap, dat de kinderen onmogelijk
+gevonden konden worden. Mevrouw Thatcher was zeer ziek en bij tijden
+ijlhoofdig. De menschen zeiden dat het hartverscheurend was haar om
+haar kind te hooren roepen, en te aanschouwen hoe zij somtijds het
+hoofd opbeurde en luisterde, om het terstond daarop moede en weeklagend
+in het kussen te leggen. Tante Polly was diep neerslachtig en hare
+grijze haren waren bijna wit geworden. En met weemoed in het hart
+legden de inwoners van St. Petersburg zich dien Dinsdagavond ter rust.
+
+Maar ziet, in het holst van den nacht deed zich op eens het luiden
+der torenklok hooren en in een oogenblik wemelden de straten van
+opgewonden, halfgekleede menschen, die jubelden: "Sta op! sta op! Zij
+zijn gevonden!" Er werd op horens geblazen en op bekkens geslagen en
+de bevolking stroomde in grooten getale naar de rivier, de kinderen te
+gemoet, die in een open rijtuig, door jubelende burgers voortgetrokken,
+naar huis gereden werden. Men verdrong zich om den wagen en voegde zich
+bij den uitgelaten troep, die onder een oorverdoovend hoezee-geroep,
+plechtstatig door de hoofdstraten huiswaarts stapte.
+
+Het stadje werd geïllumineerd, niemand ging meer naar bed en 't was
+de heerlijkste nacht, dien St. Petersburg ooit had beleefd. Het
+eerste half uur trok een stoet in optocht het huis van den heer
+Thatcher voorbij, drukte de geredden aan het hart, kuste hen, schudden
+mevrouw Thatcher de hand, poogde haar toe te spreken en bevochtigde
+de straat met heete vreugdetranen. Tante Polly was buiten zichzelve
+van blijdschap en mevrouw Thatcher evenzeer. Het geluk der laatste
+echter kon eerst volmaakt wezen, zoodra de boodschapper, die de blijde
+tijding aan haar echtgenoot bracht, terug zou zijn.
+
+Tom lag op de sofa, met een gretig luisterend gehoor om zich heen,
+en vertelde zijn wonderbaar avontuur, zich nu en dan de vrijheid
+veroorlovende het verhaal door treffende toevoegsels op te sieren,
+en eindigde met eene beschrijving van den staat waarin hij Becky
+verliet, om nogmaals op verkenning uit te gaan. Hij verhaalde, hoe
+hij zich twee gangen, zoover als het vliegertouw reikte, gewaagd had;
+hoe hij een derden was ingegaan en hoe hij op het punt was terug te
+keeren, toen hij, heel in de verte eene opening ontdekt had, waaruit
+een blauw stipje schemerde, dat aan daglicht deed denken; hoe hij het
+vliegertouw had losgelaten en er op den tast heen was gekropen, zijn
+hoofd en zijne schouders door eene kleine opening gestoken had en de
+breede Mississipi had zien stroomen. En indien het nacht geweest was,
+zou hij dat stipje daglicht niet gezien hebben en die gang niet zijn
+ingegaan! Hij vertelde, hoe hij naar Becky was teruggeloopen en haar de
+blijde tijding had gebracht en zij hem gezegd had, haar niet met zulken
+onzin aan het hoofd te malen, daar zij doodmoede was en wist dat zij
+ging sterven en dat ook maar liever deed. Daarna beschreef hij, hoe
+hij zich had ingespannen on haar te overtuigen, en hoe zij bijna van
+zichzelve was gevallen van blijdschap, toen zij naar de plaats gekropen
+waren, van waar het blauwe stipje daglicht zichtbaar was; hoe hij
+zich door de opening gewrongen had en haar er toen uit had geholpen;
+hoe zij daar gezeten hadden en geschreid hadden van blijdschap; hoe
+een paar mannen in een schuit waren voorbijgevaren, en hoe Tom hen
+had gewenkt en geroepen en hen met hun treurigen toestand had bekend
+gemaakt; hoe de mannen de vreeselijke geschiedenis eerst niet hadden
+geloofd, omdat, zeiden zij, de kinderen drie en een half uur van
+den ingang der grot verwijderd waren; hoe zij hen aan boord hadden
+genomen, naar huis hadden gevoerd, hun voedsel gegeven hadden, hen
+een paar uur hadden laten rusten en hen toen naar huis hadden gebracht.
+
+Vóór het aanbreken van den dag werden de heer Thatcher en de enkele
+zoekers, die nog met hem in de grot waren, ontdekt, door het kluwen
+touw dat zij achter zich gespannen hadden, en werd hun het groote
+nieuws verteld.
+
+Tom en Becky ontwaarden spoedig, dat drie dagen en nachten, zonder
+eten, in een vochtige spelonk doorgebracht, hun niet in de koude
+kleeren gingen zitten. Zij moesten Woensdag en Donderdag te bed
+blijven en schenen toch hoe langer hoe vermoeider te worden. Tom
+mocht Donderdag een uurtje opzitten, ging Vrijdag weer eens uit en
+werd Zaterdag voor hersteld verklaard, doch Becky hield haar kamertje
+tot Zondag, en toen zag zij er uit alsof zij maanden ziek was geweest.
+
+Tom hoorde dat Huck ongesteld was en ging hem Vrijdag bezoeken, maar
+werd niet in de ziekenkamer toegelaten; zelfs Zaterdag en Zondag kreeg
+hij hem nog niet te zien. Daarna evenwel mocht hij dagelijks bij hem
+komen, onder voorwaarde dat hij over het avontuur niet spreken zou
+en geen onderwerpen zou aanroeren, die den zieken knaap opgewonden
+konden maken. De weduwe Douglas bleef in de kamer, om te zien of haar
+gebod gehoorzaamd werd. Tehuis vernam Tom het gebeurde te Cardiff Hill
+en ook dat het lichaam van den in lompen gekleeden onbekende, in de
+rivier gevonden was bij de aanlegplaats der veerboot. Waarschijnlijk
+was hij verdronken, toen hij trachtte zich door de vlucht te redden.
+
+Op zekeren morgen, omstreeks veertien dagen na hunne redding uit de
+grot, ging Tom Huck zijn gewoon bezoek brengen. De kleine vagebond
+was thans genoegzaam hersteld om een opwekkend verhaal te mogen
+aanhooren, en Tom had hem iets te vertellen, dat, naar hij meende,
+zijne belangstelling gaande zou maken.
+
+Het huis van den heer Thatcher lag op zijn weg en de jongeheer Sawyer
+ging er, eer hij Huck bezocht, even aan om Becky te zien. De rechter
+en een paar zijner vrienden verzochten Tom, hun zijn wedervaren nog
+eens te verhalen, en een van hen vroeg hem spottend, of hij nog niet
+eens gaarne in de grot zou gaan, waarop Tom antwoordde, dat hij er
+niet tegen op zou zien.
+
+Toen zeide de rechter:
+
+"Er zijn er nog wel meer, die daarin behagen zouden scheppen. Maar
+wij hebben er voor gezorgd, dat dit niet meer kan gebeuren. Niemand
+zal er ooit meer in verdwalen."
+
+"Waarom niet?"
+
+"Omdat ik, veertien dagen geleden, de groote deur van een ijzeren hek
+met een dubbelen grendel heb laten voorzien, waarvan ik den sleutel
+in mijn bezit heb."
+
+Tom werd zoo wit als een laken.
+
+"Wat scheelt er aan, jongen? Hier, loop, haal een glas water!"
+
+Het water kwam en Toms gezicht werd er mede besproeid.
+
+"O, nu komt hij weer bij!--Wat scheelde er aan Tom?"
+
+"O, mijnheer Thatcher, Injun Joe is in de grot!"
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXIV.
+
+
+Binnen een paar minuten was de tijding wijd en zijd verspreid en
+waren er al een dozijn bootslieden op weg naar de Douglasgrot, op de
+hielen gevolgd door het propvolle veerbootje. Tom Sawyer zat in een
+schuitje met den heer Thatcher. Toen de deur der grot geopend werd,
+vertoonde zich in de donkere plaats een droevig schouwspel. Injun
+Joe lag dood op den grond uitgestrekt, met zijn gezicht naar de deur,
+alsof zijne smeekende oogen tot het laatste toe, op het licht en de
+vroolijkheid der buitenwereld gericht waren geweest. Tom was zeer
+getroffen: immers hij wist bij ondervinding hoeveel deze ongelukkige
+moest geleden hebben. Doch hoeveel medelijden hij ook met hem mocht
+gevoelen, werd hem, bij het aanschouwen van Injuns lijk, een pak
+van het hart genomen, en nu eerst gevoelde hij, welk een loodzwaren
+last van ellende hij getorst had, sedert hij zijne stem tegen dien
+bloeddorstigen kleurling verheven had.
+
+Injun Joe's zakmes lag met gebroken lemmer vlak bij zijn lijk. Van den
+zwaren balk, waarop de deur rustte, waren met eindelooze inspanning,
+stukken afgehakt en aan splinters gesneden;--vruchtelooze arbeid, want
+onder den balk lag een reusachtig rotsblok en tegen dien onbuigzamen
+hinderpaal vermocht het mes niets en brak het lemmer. En zelfs al
+had die steenen versperring er niet gelegen, zoo zou Injun Joe toch
+vergeefsch werk verricht hebben, want indien het hem al gelukt was, den
+balk geheel aan spaanders te snijden, zou hij zijn lichaam toch niet
+onder de deur hebben kunnen heen persen, en dat wist hij. Toch had hij
+zijn krachten op den balk beproefd, alleen maar om de vervelende uren
+door te komen en zijne gemartelde leden te kunnen gebruiken. Gewoonlijk
+waren er een half dozijn eindjes kaars in de spleten bij den ingang te
+vinden, door de bezichtigers der grot achtergelaten; maar thans was er
+geen enkel te zien. De gevangene had ze opgezocht en opgegeten! Hij was
+er ook in geslaagd een paar vleermuizen te vangen, die hij eveneens
+had verslonden en waarvan alleen de klauwen waren overgelaten. De
+ongelukkige was den hongerdood gestorven!
+
+Op eene plek in zijne nabijheid, had zich in den loop der jaren,
+door het droppelen van het water, een stalagmiet gevormd. Dezen
+had de gevangene vernield en op de plaats waar hij gestaan had,
+een steentje neergezet, waarin hij een gaatje had geboord, om er den
+kostbaren droppel in op te vangen, die iedere twintig minuten, met
+de vreeselijke regelmaat van het getik eener klok, naar beneden viel;
+in de vier en twintig uren niet meer dan een dessertlepeltje vol. Die
+droppel viel er reeds, toen de Pyramiden waren voltooid; toen Troje
+onderging; toen de fondamenten van Rome werden gelegd; toen Christus
+gekruisigd werd; toen de Veroveraar naar Brittannië zeilde.
+
+Injun Joe werd aan den ingang der grot begraven en uren in den omtrek
+stroomden de menschen, in booten en rijtuigen, uit steden, dorpen en
+gehuchten, naar de plaats toe. Zij brachten hunne kinderen met zich,
+alsook wagens met proviand--en gingen naar huis, met de bekentenis
+op de lippen, dat zij, bij de begrafenis van den moordenaar evenveel
+genot gesmaakt hadden, als wanneer zij hem hadden zien hangen.
+
+De ochtend na de begrafenis nam Tom Huck met zich naar eene eenzame
+plaats, om hem iets zeer gewichtigs mede te deelen. Huck had door den
+boschwachter en de weduwe Douglas alles van Toms avontuur vernomen;
+maar Tom beweerde, dat er iets was, dat zij hem niet verteld hadden,
+en over dat verzwegene wenschte hij hem nu te spreken. Hucks gelaat
+betrok en hij zeide:
+
+"Ik weet, wat het is. Je bent op 'nommer twee' geweest en hebt niets
+dan brandewijn gevonden. Niemand heeft mij verteld dat jij het waart,
+maar ik wist dat jij het moest geweest zijn, zoodra ik over die
+'brandewijn-zaak' hoorde spreken. En ik wist, dat jij het geld niet
+hadt, anders zou je het mij wel op de een of andere wijze hebben doen
+weten, al had je er met niemand anders over gesproken. Tom, ik heb
+altijd wel gedacht, dat wij dien buit nooit zouden machtig worden."
+
+"Wel, Huck, ik heb nooit met iemand over dien kroeghouder gesproken. Je
+weet, dat het op den Zaterdag van de pic-nic in zijne herberg nog in
+orde was. Herinner je je niet, dat jij er dien nacht zoudt waken?"
+
+"O, jawel! Het was dezelfde nacht, waarin ik Injun Joe naar de
+weduwe volgde."
+
+"Ben je hem gevolgd?"
+
+"Ja! maar je moet je mond houden. Ik weet zeker, dat er nog vrienden
+van Injun Joe hier in den omtrek zijn, en ik heb geen zin om door
+dezen zuur aangezien en gemeen behandeld te worden. Indien ik er niet
+geweest was, zou hij nu goed en wel in Texas zitten".
+
+Toen vertelde Huck zijn geheele avontuur aan Tom, die alleen nog maar
+dat gedeelte gehoord had, waarin de boschwachter was betrokken.
+
+"Ja," zeide Huck, op de hoofdzaak terugkomende, "hij die den brandewijn
+in 'nommer twee' gekaapt heeft, die heeft ook het geld weggenomen;
+in allen gevalle is 't voor ons verkeken."
+
+"Huck, dat geld is nog altijd op 'nommer twee' gebleven."
+
+"Wat zeg je?" Huck zag zijn makker scherp aan. "Hebt je het spoor
+van den schat teruggevonden, Tom?"
+
+"Huck, hij is in de grot."
+
+Hucks oogen schitterden.
+
+"Zeg het nog eens, Tom!"
+
+"Het geld is in de grot!"
+
+"Tom,--zeg, meen je 't, of meen je 't niet?"
+
+"Ik meen het, Huck, en ik zeg het in allen ernst. Wil je er met mij
+heen gaan en mij helpen het er uit te halen?"
+
+"Waarachtig wil ik dat! Ik wil het, als wij er onzen weg kunnen vinden
+zonder gevaar van te verdwalen."
+
+"Dat zal heel gemakkelijk gaan, Huck."
+
+"Waarom denk je, dat het geld in....?"
+
+"Huck wacht totdat wij er zijn. Als wij het er niet vinden krijg
+je mijn trom en alles wat ik in de wereld bezit. Waarachtig, dat
+krijg je."
+
+"Best;--dat blijft afgesproken. Wanneer zullen we gaan?"
+
+"Nu dadelijk, als je 't goedvindt. Ben je sterk genoeg?"
+
+"Is het diep in de grot? Ik ben pas een dag of drie, vier op de been
+en ik kan, geloof ik, niet veel verder dan een half uur loopen, Tom."
+
+"Als wij den weg volgen, die iedereen gaat, is het omstreeks drie
+uren gaans, maar ik weet een veel korteren, dien niemand kent. Huck,
+ik zal je er been brengen in een bootje. Ik zal het bootje hierheen
+roeien en ik zal alleen weer teruggaan. Je hoeft er je hand niet om
+te verleggen."
+
+"Laat ons dan aanstonds maar vertrekken, Tom."
+
+"Best. Wij hebben wat brood en vleesch noodig, benevens onze pijpen
+en een paar zakjes en een stuk of drie vliegertouwen en eenige van
+die nieuwerwetsche dingen, die ze lucifers noemen. Ik zeg je, dat ik
+wat gegeven had, als ik die gehad had, toen ik laatst in de grot was."
+
+Even na twaalven namen de knapen een klein bootje in beslag, van een
+schipper die van huis was, en begaven zich onmiddellijk op weg. Toen
+zij op eenigen afstand van de "Holle Grot" waren, zeide Tom:
+
+"Je ziet, dat die steile oeverkant langs de 'Holle Grot'
+er overal gelijk uitziet; geen huizen, geen houtwerven, niets
+dan kreupelhout. Maar zie je die witte plek daarginds, waar een
+aardstorting is geweest? Nu dat is een van mijn teekenen. Daar zullen
+wij aan wal gaan."
+
+Zij gingen aan wal.
+
+"Op deze plaats, Huck, zou je het hol, waar ik uitgekropen ben,
+met een hengelroede kunnen aanraken. Zie eens, of je het vinden kunt."
+
+Huck keek naar alle kanten en vond niets. Tom stapte met hooge borst
+naar een dicht boschje van sumakhout en zeide:
+
+"Hier is het, Huck; het is het aardigste holletje uit de gansche
+streek. Je moet het niet verklappen. Ik heb al lang zin gehad om
+roover te worden, maar ik wist, dat ik eerst zoo'n ding moest hebben
+als dit;--maar dat te vinden, daar zat het hem! Nu hebben wij het
+en wij zullen het alleen aan Joe Harper en Ben Rogers vertellen,
+want die zullen natuurlijk tot de bende behooren, anders zouden wij
+er niets aan hebben. De 'Bende van Tom Sawyer,' klinkt prachtig;
+doet het niet, Huck?"
+
+"Ja, Tom, 't klinkt best. En wie zullen we bestelen?"
+
+"Wel, iedereen. Verdwaalde lui;--dat is zoo de gewoonte."
+
+"En ze doodmaken?"
+
+"Neen, niet altijd. Ze in de grot opsluiten, totdat zij een losprijs
+betaald hebben."
+
+"Wat is een losprijs."
+
+"Geld. Je laat ze alles wat zij van hun vrienden krijgen kunnen,
+bijeengaren, en als ze dat, nadat je ze een jaar gehouden hebt, niet
+kunnen geven, maak je ze dood. Dat is zoo de gewone manier. Alleen
+de vrouwen worden niet vermoord. Die sluit je op, maar je vermoordt
+ze niet. Zij zijn altijd mooi en rijk en vreeselijk bang. Je berooft
+ze van haar horloges en dingen, maar je neemt in haar bijzijn altijd
+je hoed van je hoofd en spreekt beleefd tegen haar. Er zijn geen
+beleefder lui dan roovers, dat staat in alle boeken. De vrouwen gaan
+van je houden, en als ze een dag of veertien in de grot geweest zijn,
+houden ze op met schreien en dan kun je ze niet meer kwijtraken. Als
+je ze wegjoegt, zouden zij dadelijk omkeeren en terugkeeren. Dat kun
+je in alle rooversgeschiedenissen lezen."
+
+"Jongens, dat is mij een leventje, Tom. Ik geloof, dat het prettiger
+is dan zeeroover te zijn.
+
+"Ja; en 't is in sommige opzichten beter ook, omdat het dicht is bij
+huis, en bij de paardenspellen en alles."
+
+Thans waren de jongens gereed en zij stapten, Tom in de voorhoede,
+de grot binnen. Zij kropen het gat door, maakten hunne aaneengebonden
+vliegertouwen aan een rotsblok vast en gingen verder. Weldra waren
+zij bij de bron, en het gezicht van die plaats joeg Tom eene rilling
+door de leden. Hij toonde Huck het overblijfsel van een kaarspit,
+op een stukje klei tegen den muur en beschreef hem, hoe hij en Becky
+de vlam hadden zien worstelen en sterven.
+
+De knapen begonnen nu te fluisteren, want de stilte en de duisternis
+der plaats maakten hen een weinig benauwd. Zij gingen voort en traden
+de gangen in die Tom aanwees, totdat zij den valput bereikten. Hunne
+waskaarsen brachten hen tot de ontdekking, dat het geen echte afgrond
+was, maar slechts eene steile helling van klei, omstreeks twintig of
+dertig voet naar omlaag.
+
+Tom fluisterde:
+
+"Nu zal ik je wat laten kijken, Huck."
+
+Hij hield zijne kaars omhoog en zeide:
+
+"Kijk zoo ver om den hoek als je kunt. Zie je dat? Daar, op gindsche
+groote rots, die met kaarsvet is besmeerd."
+
+"Tom, het is een kruis!"
+
+"En waar is uw nommer twee?--Onder het kruis, hé? Vlak bij die rots
+zag ik Injun Joe zijne kaars snuiten, Huck."
+
+Huck keek een oogenblik naar het geheimzinnige teeken en zeide met
+eene bevende stem:
+
+"Tom, laat ons van hier weggaan!"
+
+"Wat! En den schat laten staan?"
+
+"Ja. De geest van Injun Joe dwaalt hier bepaald rond."
+
+"Neen, dat doet hij niet, Huck; dat doet hij niet. Dat doet hij
+alleen op de plaats, waar hij stierf,--bij den ingang der grot,
+drie uren van hier."
+
+"Neen, Tom, dat is zoo niet. De geesten dwalen, waar hun geld is. Ik
+ken hun gewoonte en jij weet het ook."
+
+Tom begon bang te worden dat Huck gelijk had, en er rees twijfel op
+in zijn hart. Doch plotseling schoot hem iets te binnen. "Zie eens,
+Huck, hoe dwaas wij ons aanstellen! De geest van Injun Joe kan niet
+komen waar een kruis staat!"
+
+Dat was een afdoende bewering, vond Huck. "Daar dacht ik niet aan;
+Tom. Maar, 't is waar. Dat kruis is een geluk voor ons. Ik geloof,
+dat wij nu wel kunnen afdalen, om naar de kist te zoeken."
+
+Tom ging eerst en maakte, al dalende, groote indruksels van voetstappen
+in de klei. Huck volgde. Vier gangen leidden uit de kleine spelonk naar
+de plaats, waar de groote rots stond. De knapen namen drie dezer gangen
+op, doch zonder gevolg. In den vierden, die het dichtst bij den voet
+der rots was, vonden zij een kleinen inham, waarin een stroobed lag
+en een paar dekens, verder een paar oude bretels, een weinig spekvet
+en een paar rondom afgeknabbelde vogelpooten. De knapen zochten en
+doorzochten de plaats aan alle kanten, doch tevergeefs. Eindelijk
+zeide Tom:
+
+"Hij zeide _onder_ het kruis. En dit is er bijna onder. Het kan niet
+onder de rots zelve zijn, want daar is de grond te hard."
+
+Zij onderzochten alles nog eens en zetten zich toen ontmoedigd
+neder. Huck had niets te vertellen. Eindelijk zeide Tom:
+
+"Kijk eens, Huck, aan deze zijde der rots zijn voetstappen en kaarsvet
+op de klei, doch niet aan den anderen kant. Ik weet, dat het geld
+toch onder de rots is. Ik ga de klei eens opgraven."
+
+"Dat is zoo gek nog niet bedacht, Tom!" zeide Huck blijmoedig.
+
+Toms mes van "echt" staal werd voor den dag gehaald, en hij had geen
+vier duim gegraven of hij krabbelde op hout.
+
+"Hei, Huck! hoor je dat?"
+
+Huck begon ook te graven en te krabbelen. Eenige planken werden
+spoedig gevonden en verwijderd. Zij dienden om een door de natuur
+gevormden kelder te verbergen, die zich onder de rots bevond. Tom
+kroop in dien kelder en hield zijne kaars zoo ver vooruit, als hem
+mogelijk was, doch kon--zoo zeide hij--niet tot aan het einde der
+kloof zien. Daarom stelde hij voor, haar geheel te doorzoeken. Hij
+bukte zich en stapte onder de rots door in den kelder. Een enge weg
+leide langzaam naar beneden. Hij volgde het kronkelend pad, eerst
+ter rechter- en toen ter linkerzijde, en Huck vlak achter hem. Op
+eens stond Tom voor eene kleine, halfronde, open plek en riep hij uit:
+
+"Hemeltje, Huck, zie eens hier!"
+
+Het was de kist, veilig en wel, in een klein, aardig holletje,
+bij een leege kruitdoos, een paar geweren in lederen overtrekken,
+twee of drie paar oude schoenen, een lederen gordel en eenig ander
+jachtgereedschap, doorweekt van het druppelend water.
+
+"Eindelijk gevonden!" zeide Huck, terwijl hij met zijne handen in de
+vuile muntstukken grabbelde. "Ja, wij zijn rijk, Tom!"
+
+"Huck, ik heb altijd gedacht, dat wij het geld krijgen zouden. Het is
+haast al te heerlijk om het te kunnen gelooven, maar wij hebben het,
+dat is zeker. Doch wij zullen hier niet blijven talmen, maar het er
+uitdragen. Laat mij eens zien, of ik die kist kan optillen."
+
+Zij woog omstreeks vijftig pond. Tom kon haar optillen, wanneer hij
+haar schuin hield, maar haar niet dragen.
+
+"Dat dacht ik wel," zeide hij. "In het spookhuis zag ik aan hun manier
+van dragen, dat zij zwaar was. Ik geloof dat het maar goed is, dat
+ik er aan gedacht heb de zakken mede te nemen."
+
+Het geld was spoedig in de zakken, en de jongens namen ze op en
+droegen ze naar de rots met het kruis.
+
+"Laat ons nu de geweren en de andere dingen halen," zeide Huck.
+
+"Neen, Huck, die zullen wij hier laten. Dat zijn juist de zaken die
+wij noodig hebben, als wij op rooftochten uitgaan. Wij zullen ze hier
+laten en onze slemppartijen hier ook houden."
+
+"Wat zijn slemppartijen?"
+
+"Dat weet ik niet, maar roovers houden altijd slemppartijen en wij
+moeten zulks natuurlijk ook doen.--Kom mee, Huck, wij zijn hier
+lang genoeg geweest. Ik heb honger ook. Wij zullen eten en rooken,
+als wij in de boot zijn."
+
+Kort daarop kwamen zij uit het sumakboschje te voorschijn, keken
+voorzichtig rond, vonden de kust veilig en zaten spoedig in het bootje
+te eten en te rooken. Toen de zon ter kimme daalde, stootten zij van
+wal en begaven zich op weg. Tom gleed in het schemerdonker, vroolijk
+met Huck keuvelende, langs den oever voort en zette voet aan wal,
+toen het geheel duister geworden was.
+
+"Nu, Huck," zeide Tom, "wij zullen het geld op de vliering der
+houtloods van de weduwe brengen en morgen terugkomen om den boel te
+tellen en te verdeelen, en dan zullen wij een plaatsje in het bosch
+opzoeken, waar wij het geld veilig kunnen bewaren. Ga jij hier stil
+liggen en blijf op de kist passen, dan zal ik het kruiwagentje van
+Benny Taylor zien op te schommelen. Ik ben binnen een minuut weer
+bij je."
+
+Hij verdween en kwam spoedig terug met het wagentje, waarin hij de
+beide zakken neerlegde, en nadat hij ze met eenige oude prullen bedekt
+had, gingen de knapen met hunne lading op weg.
+
+Toen zij bij het huis van den boschwachter kwamen, hielden zij stil
+om te rusten. Juist toen zij weder verder wilden gaan, stapte de
+boschwachter uit de deur en zeide:
+
+"Heila! wie is dat?"
+
+"Huck Finn en Tom Sawyer!"
+
+"Dat treft bijzonder. Gaat gauw met me mee, jongens; iedereen zit op
+jelui te wachten! Hier, spoedig maar, naar boven. Ik zal het wagentje
+wel dragen. 't Is waarachtig een vracht! Wat zit er in, steenen of
+oud ijzer?"
+
+"Oud ijzer," zeide Tom.
+
+"Dat dacht ik al; de jongens hier in de stad geven zich meer moeite
+om een paar brokken oud ijzer op te snorren, om die aan den smid voor
+den smeltoven te verkoopen, dan zij zouden overhebben voor geregeld
+werk, dat hun tweemaal zooveel opbracht. Maar dat is nu eenmaal de
+menschelijke natuur. Gauw maar, gauw maar!"
+
+De jongens vroegen, waar die spoed voor diende.
+
+"Dat doet er niet toe; je zult het zien, als wij bij de weduwe
+Douglas zijn."
+
+Huck zeide, want hij was bevreesd valsch beschuldigd te worden,
+met zekeren angst:
+
+"Mijnheer Jones, wij hebben niets gedaan?"
+
+De boschwachter lachte.
+
+"Wel, ik kan niets zeggen, mijn jongen. Ik weet nergens van. Ge zijt
+immers goede vrienden met de weduwe?"
+
+"Ja. Zij is zoo goed voor mij geweest"
+
+"Nu, dan is het in orde. Waarom zou je dan bang zijn?"
+
+Deze vraag was in Hucks tragen geest nog niet beantwoord, toen hij zich
+met Tom in het salon van mevrouw Douglas geduwd zag. De boschwachter
+liet het wagentje bij de deur staan en volgde. Het geheele huis was
+prachtig verlicht en alle personen van gewicht waren daar bijeen. De
+Thatchers waren tegenwoordig, de Harpers, de Rogers', tante Polly,
+Sid, Marie, de predikant, de dokter en een menigte anderen, allen in
+hunne beste kleederen.
+
+De weduwe ontving de knapen zoo hartelijk, als men twee jongens,
+die er uitzagen als zij, ontvangen kan. Zij waren van het hoofd
+tot de voeten met modder en kaarsvet besmeerd. Tante Polly werd
+vuurrood van schaamte, fronste hare wenkbrauwen en schudde haar hoofd
+tegen Tom. Doch niemand leed half zooveel al de knapen zelven. De
+boschwachter zeide:
+
+"Tom was niet tehuis en ik had het juist opgegeven, toen ik hem en
+Huck vlak bij mijne deur tegen 't lijf liep, en ik bracht hen in
+aller ijl hier."
+
+"En daar deedt ge goed aan," zeide de weduwe. "Komt met mij mede,
+jongens."
+
+Zij nam hen met zich naar eene slaapkamer en zeide:
+
+"Gaat u nu wasschen en kleeden. Hier zijn twee pakken nieuwe
+kleederen, hemden, sokken, alles bijeen. Zij zijn voor Huck.--Neen,
+geen dank, Huck! De boschwachter heeft er een voor u gekocht, en ik
+het andere. Maar zij zullen beide zeker passen. Stap er maar in. Wij
+zullen wachten. Komt beneden, als gij u gepoetst hebt."
+
+Toen verliet zij hen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXV.
+
+
+Zoodra de weduwe weg was, zeide Huck: "Tom, wij kunnen, als wij een
+touw hebben, ons naar beneden laten zakken. Het raam is niet hoog
+boven den grond."
+
+"Waarom zouden wij dat doen?"
+
+"Och, ik ben aan zoo'n troep menschen niet gewoon. Ik kan het niet
+uitstaan. Ik ga niet naar binnen, Tom."
+
+"Och, onzin! 't Is niets. Ik geef er niet om en ik zal wel voor
+je praten."
+
+Daar kwam Sid binnen.
+
+"Tom," zeide hij, "tante heeft den geheelen middag op je zitten
+wachten. Marie had je zondagsche kleeren klaargelegd en iedereen heeft
+zich boos over je gemaakt. Zeg, is dat geen vet en klei dat er op je
+broek zit?"
+
+"Nu, mijnheer Sidje, bemoei je met je eigen zaken. Waarvoor dient al
+dat lawaai daar binnen?"
+
+"'t Is een van de partijen, die de weduwe zoo dikwijls geeft. Dezen
+keer is het voor den boschwachter en zijn zoons, omdat zij haar
+verleden week uit den nood gered hebben. En zeg,--ik zal je iets
+zeggen, als je het weten wilt."
+
+"Wat dan?"
+
+"Wel, de oude Jones zal van avond hier aan de menschen een geheim
+vertellen; maar ik heb alles afgeluisterd, toen hij het vandaag
+aan tante kwam zeggen, en ik geloof dat het nu geen geheim meer
+is. Iedereen weet het,--de weduwe ook, al doet ze net alsof zij het
+niet weet. Verbeeld je, Jones had beloofd dat Huck hier zou wezen;
+want hij kon het groote geheim niet aan den dag brengen zonder Huck,
+weet je?"
+
+"Het geheim? Welk geheim, Sid?"
+
+"Och, dat Huck de dieven bij de weduwe ontdekt heeft. Ik geloof dat
+Jones zich heel wat voorstelt van de verrassing, maar zij zal in
+'t water vallen."
+
+Sid wreef zich tevreden in de handen.
+
+"Sid, heb jij het verklapt?"
+
+"Dat doet er niet toe. Iemand heeft het gedaan, dat is genoeg."
+
+"Sid, er is maar één persoon in de geheele stad, gemeen genoeg om
+dat te doen, en dat ben jij. Als je in Hucks plaats geweest waart,
+zou je als een slang den heuvel afgekropen zijn en nooit iets van de
+dieven verteld hebben. Jij kunt niet anders dan gemeene dingen doen
+en jij kunt niet aanzien, dat er een ander geprezen wordt, omdat
+hij goed heeft gedaan. Daar, je behoeft er niet voor te bedanken,
+zooals de weduwe zegt." En Tom gaf Sid een klap om zijne ooren en
+schopte hem de deur uit, "Kom, ga het nu aan tantetje vertellen en
+morgen zul je er van lusten."
+
+Niet lang hierna zaten al de gasten der weduwe aan tafel en een
+dozijn kinderen werden, naar de gewoonte van dat land en dien tijd,
+aan kleine tafeltjes, in dezelfde kamer opeengehoopt. Op een gepast
+oogenblik hield de heer Jones een kleine toespraak, waarin hij de
+weduwe zijn dank betuigde voor de eer die zij hem en zijnen zonen
+bewees; maar er was, zeide hij een ander persoon wiens nederigheid,
+enz. enz. Hij bracht het geheim van Hucks aandeel aan het vraagstuk
+op de treffendste wijze en met de schoonste dramatische wendingen,
+die hij in zijne macht had, voor den dag; doch de verrassing, die deze
+ontdekking veroorzaakte, was eenigszins gehuicheld, en het gejuich
+was niet zoo groot als het onder gelukkiger omstandigheden geweest zou
+zijn. Toch deed de weduwe haar best om een verrast gezicht te zetten en
+hoopte zulk een tal van complimenten en zooveel dankbaarheid op Hucks
+hoofd, dat de knaap den bijna ondraaglijken last zijner nieuwe kleeren
+haast vergat, door het onuitstaanbaar lijden van als een mikpunt
+voor ieders blikken en ieders loftuigingen gebruikt te worden. De
+weduwe zeide, dat zij Huck een tehuis zou geven onder haar dak en
+voor zijne opvoeding zou zorgen; en dat, als zij geld te missen had,
+zij hem een eerlijk beroep zou doen leeren.
+
+Nu kwam de gelegenheid voor Tom en hij zeide:
+
+"Huck heeft het niet noodig. Huck is rijk!"
+
+Kieschheid alleen deed den lach terughouden, dien deze grappige uitval
+onwillekeurig uitlokte. Men zweeg en er ontstond eene onaangename
+stilte, die door Tom verbroken werd.
+
+"Huck heeft geld genoeg. Jelui moogt het gelooven of niet, maar hij
+heeft bergen geld! O, jelui behoeft niet te lachen; ik kan het jelui
+laten zien. Wacht maar een minuut." Dit zeggende liep hij de deur uit.
+
+De gasten zagen elkander verbijsterd en nieuwsgierig aan en keken
+daarna naar Huck, die geen woord sprak.
+
+"Sid, wat scheelt Tom?" zeide tante Polly. "Hij.... Wel, er is met
+dien jongen niets aan te vangen. Ik heb nooit.... "
+
+Tom kwam binnen, gebogen onder den last zijner zakken, en tante Polly
+eindigde haar volzin niet. Tom wierp de massa gele geldstukken op
+tafel en zeide:
+
+"Daar--wat heb ik gezegd? Het geld is van ons beiden; Huck de helft
+en ik de helft."
+
+Dit tooneel deed iedereen den adem inhouden. Allen keken; niemand
+sprak. Toen volgde er een eenstemmig geroep om eene verklaring van
+het geval. Tom zeide, dat hij die geven kon,--en dat deed hij. Het
+verhaal was lang, maar hoogst belangrijk, en de vergaderde menigte
+was sprakeloos van verbazing. Toen de knaap aan het einde was gekomen,
+zeide de boschwachter:
+
+"Ik dacht, dat ik voor deze gelegenheid den gasten eene kleine
+verrassing had bereid, maar zij is, hierbij vergeleken, niets
+waard. Deze doet de mijne, ik moet het eerlijk bekennen, geheel in
+het niet zinken."
+
+Het geld werd geteld. De som bedroeg over de twaalfduizend dollars. Het
+was meer dan een der aanwezigen ooit bijeen had gezien, ofschoon
+verscheidenen der hier vergaderde personen meer waard waren dan geheel
+de gevonden schat.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXVI.
+
+
+De lezer mag zich overtuigd houden, dat het buitenkansje van Tom
+en Huck eene groote opschudding in het eenvoudige, kleine stadje
+veroorzaakte. Zulk een groote som, in klinkende munt, was een bijna
+ongelooflijk bezit. Men sprak zoo veel over deze daad en verheerlijkte
+haar in zulk een mate, dat zij eindelijk het verstand van menigen
+ziekelijk opgewonden burger aan het wankelen bracht. Elk spookhuis te
+St. Petersburg en in de naburige dorpen werd onderzocht; de vloeren
+werden plank voor plank opgenomen en de fondamenten opgegraven en
+geplunderd, in de hoop van verborgen schatten op te leveren. En dat
+niet door kleine jongens, maar door volwassen menschen en ernstige,
+nuchtere lieden ook. Waar Tom en Huck ook verschenen, werden zij
+bewonderd en vol verbazing aangestaard. Alles wat zij deden, werd als
+iets heel bijzonders beschouwd. Zij hadden blijkbaar het vermogen
+verloren om gewone dingen te zeggen of te doen. Bovendien werd de
+geschiedenis van hun vroeger leven opgehaald en werden daarin bewijzen
+van een buitengewonen aanleg en een buitengewoon verstand ontdekt.
+
+De weduwe Douglas zette Hucks geld uit tegen zes percent, en de heer
+Thatcher deed, op verzoek van tante Polly, hetzelfde voor Tom. De
+knapen hadden nu elk een ontzaglijk inkomen: een dollar voor elken
+werkdag en een halve voor de Zondagen. Het was juist zooveel als
+de dominee ontving,--neen, het was zooveel als hem was toegezegd,
+want hij kon het gewoonlijk niet bijeenkrijgen. Een en een kwart
+dollar was in die dagen voldoende weekgeld voor eens jongens kost,
+inwoning, kleeding en bewassching.
+
+De heer Thatcher had een hoog denkbeeld van Tom Sawyer gekregen. Hij
+verklaarde, dat geen gewone jongen zijne dochter uit de grot zou gered
+hebben. Toen Becky haar vader in vertrouwen vertelde, hoe grootmoedig
+Tom hare zweepslagen op school op zich had genomen, was de rechter
+zichtbaar bewogen; en toen zij haar vader smeekte de vreeselijke leugen
+over het hoofd te zien, waaraan Tom zich had schuldig gemaakt, om de
+zweepslagen van hare schouders te nemen, zeide de rechter opgewonden,
+dat het een brave, een edele, een grootmoedige leugen was, een leugen
+die verdiende in Amerika's geschiedrollen te worden te boek gesteld.
+
+Becky vond, dat haar vader er nooit zoo fier en mannelijk had
+uitgezien, als toen hij, onder het uiten dezer woorden, met van
+geestdrift schitterende oogen, de kamer doorliep. Geen wonder dat
+zij alles dadelijk aan Tom ging overbrieven!
+
+De heer Thatcher hield zich overtuigd, dat Tom eens een groot
+rechtsgeleerde of een beroemd militair zou worden. Hij zeide dat
+hij zijn best zou doen, dat de knaap naar de Militaire Academie werd
+gezonden en dan naar de beste hoogeschool in het land, opdat hij voor
+beide vakken klaar zou zijn.
+
+De schatten van Huck Finn en het feit dat hij onder de bescherming der
+weduwe Douglas kwam, brachten of liever trokken en sleurden hem in de
+maatschappij en zijn lijden was meer dan hij kon dragen. De dienstboden
+der weduwe hielden hem rein, zorgden dat hij er netjes uitzag, kamden
+en borstelden hem en legden hem 's nachts in ongemakkelijke bedden,
+waarop geen vlekje of spatje te ontdekken was. Hij moest met mes en
+vork eten, een servet gebruiken en een kopje en schoteltje; hij moest
+zijne lessen leeren, naar de kerk gaan en netjes spreken. Waarheen
+hij zich ook wendde, overal werd hij door de grendels en ketenen der
+beschaving ingesloten en aan handen en voeten gebonden.
+
+Hij droeg zijne ellende drie weken lang, geduldig en onderworpen,
+en toen werd hij op zekeren dag gemist. Gedurende acht en veertig
+uren liet de weduwe overal naar hem zoeken. Het publiek was er
+diep mede begaan; men zocht rechts en links en de rivier werd zelfs
+gebaggerd. Den derden morgen nadat hij gemist was, ging Tom verstandig
+onder een paar leege vaten achter het verlaten slachthuis snuffelen
+en vond den vluchteling in een van deze. Huck had daar geslapen, hij
+had juist zijn ontbijt genuttigd, bestaande uit een paar armzalige
+stukjes brood en vleesch, die hij hier en daar had weggekaapt, en hij
+zat nu dood op zijn gemak in een okshoofd zijn pijpje te rooken. Hij
+was ongekamd, ongewasschen en gekleed in dezelfde oude lompen,
+die hem in de dagen, waarin hij nog vrij en gelukkig was, zulk een
+eigenaardig voorkomen gaven. Tom las hem de les, zeide hem hoezeer
+hij allen verontrust had en verzocht hem naar huis te gaan. Hucks
+gelaat verloor de uitdrukking van kalme tevredenheid en betrok.
+
+Hij zeide:
+
+"Spreek er niet van, Tom. Ik heb mijn best gedaan, maar het gaat niet;
+neen, het gaat niet voor mij: ik ben er niet aan gewoon. De weduwe is
+goed en vriendelijk; maar ik kan het niet bij haar uithouden. Ik moet
+alle ochtenden op hetzelfde uur opstaan en mij het vel van het lijf
+laten wasschen en kammen; zij wil mij niet eens in de schuur laten
+slapen; ik moet kleeren dragen waaronder ik bezwijk; en zij zijn
+zoo akelig mooi, dat ik er niet mede kan zitten, liggen, noch op den
+grond rollen; ik mag nergens aankomen en moet naar de kerk gaan. Ik
+mag er geene vliegen vangen, niet pruimen, en moet den geheelen Zondag
+schoenen dragen. De weduwe eet, als de bel luidt; zij gaat naar bed,
+als de bel luidt; zij staat op, als de bel luidt; en alles gaat zoo
+drommels geregeld, dat een gewoon mensch er niet tegen bestand is."
+
+"Maar, Huck, zoo leeft iedereen."
+
+"'t Kan me niet schelen, Tom; ik ben niet als iedereen en ik kan
+het niet uithouden. Het is vreeselijk om zoo aan banden gelegd te
+worden. En je komt er zoo gemakkelijk aan je eten, dat het mij niet
+smaakt. Als ik wil visschen, moet ik het vragen; als ik wil zwemmen,
+moet ik het vragen; en vroeger kon ik alles doen wat ik wou. Elken
+dag vlucht ik een uurtje naar den zolder om te rooken, omdat ik zoo'n
+flauwen smaak in mijn mond heb. Als ik dat niet deed zou ik sterven,
+Tom. De weduwe gunt me geen pijp; ik mag niet gapen, mij niet uitrekken
+en mij niet krabben, als er anderen bij zijn. Ik moet ook op mijne
+knieën liggen, ik moet naar school gaan--en dat wil ik niet, Tom. 't Is
+mij een kwelling om rijk te zijn en te zweeten, totdat je woudt dat je
+dood was. Neen, deze kleeren lijken mij, een vat lijkt me,--en ik denk
+niet weder te veranderen. Toch, ik zou nooit in al die ellende gekomen
+zijn, als het niet was door dat geld. Nu moet je mijn part maar bij
+dat van jou doen en mij nu en dan een cent of wat geven,--doch niet
+vaak, omdat ik geen penning geef om dingen, die ik kan koopen. En dan,
+och toe, maak jij het weer voor mij af met de weduwe!"
+
+"O, Huck, je weet, dat ik dat niet doen kan! Dat is niet mooi; en
+buitendien, als je het nog een poos probeert, zul je eindigen met
+het prettig te vinden."
+
+"Prettig vinden? Ja--net zoo zeker als ik het prettig zal vinden,
+om een uur op een brandende kachel te zitten. Neen, Tom, ik wil niet
+rijk zijn en in die vervloekte, mooie huizen wonen. Ik houd van de
+bosschen en van de rivier en van leege vaten--en daarbij denk ik te
+blijven. Juist toen we een grot gevonden hadden en geweren, en alles
+klaar was om roovers te worden, daar komt me die verdraaide weduwe
+en bederft alles!"
+
+Tom zag een lichtstraal.
+
+"Kijk eens hier, Huck. Rijk zijn verhindert een mensch niet om roover
+te worden."
+
+"Niet? O, dat is gelukkig! Meen je dat, Tom? Meen je het wezenlijk?"
+
+"Ja, zoo waar als ik hier zit. Maar, Huck, je kunt niet meer met ons
+mee doen, als je geen fatsoenlijke jongen wordt."
+
+"Waarom niet, Tom? Ben ik dan ook niet zeeroover geweest?"
+
+"Jawel, maar dat is heel wat anders. Een struikroover is veel voornamer
+dan een zeeroover. In de meeste landen zijn de groote lui allemaal
+roovers."
+
+"Tom, jij die altijd zoo goed jegens mij geweest bent, waarom sluit
+je me nu buiten? Neen, je meent het niet, Tom."
+
+"Huck, ik wou dat ik het niet behoefde te doen en ik voor mij zou
+het je ook niet behoeven; maar wat zouden de menschen zeggen? De
+menschen zouden zeggen: 'Nu! de bende van Tom Sawyer.... gemeene
+lui.' En daarmede zouden ze jou meenen, Huck. Dat zou je ook niet
+prettig vinden." Huck zweeg eenige oogenblikken en had een bitteren
+strijd in zijn binnenste te voeren. Eindelijk sprak hij:
+
+"Wel, ik zal voor een maand naar de weduwe teruggaan en het probeeren,
+en zien of ik het kan uithouden, als je me belooft dat ik bij de
+bende zal behooren, Tom."
+
+"Best, Huck, dat blijft afgesproken. Ga maar mee, oude jongen; ik
+zal aan de weduwe vragen, of ze je een beetje meer vrijheid wil geven."
+
+"Zul je dat wezenlijk doen, Tom? Dat is goed. Als ze mij maar enkele
+dingen toelaat, die ik graag doe, zal ik wel vloeken en rooken, waar
+ze mij niet hoort of ziet, en mij er dan wel doorredden. Wanneer ga
+je de bende in orde maken, en wanneer worden we roovers?"
+
+"Nu, zoo dadelijk. Wij zullen de jongens bij elkaar zien te krijgen
+en van nacht het initiatief nemen."
+
+"Het initiatief? Wat is dat?"
+
+"Dat is, dat we zweren zullen, elkander bij te staan en nooit de
+geheimen der bende te verklappen, zelfs al werden we aan stukken
+gehakt, en het geheele huisgezin uit te moorden van hen, die de bende
+kwaad doet."
+
+"Dat is aardig,--dat is allemachtig aardig, Tom."
+
+"Wel, waarachtig is het dat. En wij moeten tegen middernacht zweren,
+op de akeligste, eenzaamste plaats, die we maar vinden kunnen. Een
+spookhuis is het beste; maar die zijn nu allemaal omvergehaald. En
+wij moeten zweren op een doodkist en den eed met bloed bezegelen."
+
+"Nu, dat lijkt mij! Wel, dat is duizendmaal prettiger dan zeeroover
+te zijn. Ik zal tot aan mijn dood bij de weduwe blijven; en als ik
+een geduchte roover zal zijn, van wien iedereen den mond vol heeft,
+zal ze nog blij toe wezen, dat ze me uit het slijk heeft gehaald."
+
+Dus eindigt dit verhaal. Daar het uitsluitend mijne bedoeling was,
+de geschiedenis van een jongen te vertellen, mag ik thans ophouden;
+anders zou het de levensbeschrijving van een man worden. Als men
+een roman schrijft over volwassenen, weet de schrijver precies hoe
+hij moet eindigen,--te weten, met een huwelijk. Doch wanneer hij
+iets uit de kinderwereld weergeeft, moet hij ophouden, waar het hem
+'t best toeschijnt.
+
+De meesten der personen die in dit boek voorkomen leven nog en zijn
+voorspoedig en gelukkig. Misschien zal het de moeite waard zijn te
+eeniger tijd de geschiedenis der kinderen nog eens op te nemen en
+te zien wat voor soort van mannen en vrouwen zij geworden zijn. [4]
+Daarom zal het 't verstandigst wezen voor het oogenblik van dat
+tijdperk huns levens niet te spreken.
+
+
+DE SCHRIJVER.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Vogel.
+
+[2] De dusgenaamde "opstellen", die wij hier hebben aangehaald, zijn
+zonder eenige verandering genomen uit een werkje getiteld: "Proza en
+poëzie, door eene dame uit het verre Westen." Zij zijn volmaakt naar
+het gewone schoolmeisjesmodel, en vandaar dat wij beter geslaagd zijn,
+dan wanneer wij er een hadden verzonnen.
+
+[3] Buitengerechtelijk veroordeelen en ter dood brengen.
+
+[4] Zulks is geschied in het latere werk van Mark Twain "De Lotgevallen
+van Huckleberry Finn", waarvan eveneens eene goede geïllustreerde
+uitgave in de Nederlandsche taal is verschenen.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Lotgevallen van Tom Sawyer, by Mark Twain
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LOTGEVALLEN VAN TOM SAWYER ***
+
+***** This file should be named 18381-8.txt or 18381-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/3/8/18381/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/18381-8.zip b/18381-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..4b59953
--- /dev/null
+++ b/18381-8.zip
Binary files differ
diff --git a/18381-h.zip b/18381-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..3a2b94f
--- /dev/null
+++ b/18381-h.zip
Binary files differ
diff --git a/18381-h/18381-h.htm b/18381-h/18381-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..bc46255
--- /dev/null
+++ b/18381-h/18381-h.htm
@@ -0,0 +1,9414 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>De lotgevallen van Tom Sawyer</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Mark Twain">
+<meta name="DC.Creator" content="Mark Twain">
+<meta name="DC.Title" content="De lotgevallen van Tom Sawyer">
+<meta name="DC.Date" content="#### 2006">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16% 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+/****** Title Page ******/
+
+h1.docTitle
+{
+font-size: 1.6em;
+line-height: 2em;
+}
+
+h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle
+{
+text-align: center;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size: 1.1em;
+line-height: 1.44em;
+font-weight: normal;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: normal;
+}
+
+/******* Headers ******/
+
+.div0
+{
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-bottom: 1.44em;
+}
+
+.div2
+{
+padding-bottom: 1.2em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-bottom: 1.0em;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+clear: both;
+}
+
+h1
+{
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5em;
+}
+
+h1.label
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h2
+{
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5em;
+}
+
+h2.label
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h3
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h4
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left: 10%;
+margin-right: 10%;
+}
+
+h5
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.0em;
+font-style: italic;
+}
+
+h6
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.0em;
+font-style: italic;
+}
+
+/****** Paragraphs ******/
+
+p
+{
+text-indent: 0;
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align: left;
+}
+
+.aligncenter
+{
+text-align: center;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align: right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align: justify;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin: 0em 10% 1.58em 10%;
+}
+
+p.line
+{
+margin: 0 10% 0 10%;
+}
+
+p.beforeline, p.afterline
+{
+margin-top: 1em;
+}
+
+p.initial
+{
+text-indent: 0em;
+}
+
+p.argument, p.note
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+text-indent: 0em;
+}
+
+p.argument
+{
+margin: 1.58em 10% 1.58em 10%;
+}
+
+p.quote
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 5% 1.58em 5%;
+}
+
+div.blockquote
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 5% 1.58em 5%;
+}
+
+
+/****** Figures ******/
+
+div.divFigure
+{
+text-align: center;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+text-align: center;
+}
+
+p.figure, p.legend
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+
+p.smallprint, li.smallprint
+{
+font-size: 80%;
+color: #666666;
+}
+
+/* Special cases for Filipino Riddles */
+
+p.question
+{
+text-align: left;
+margin-bottom: 0em;
+}
+
+p.answer
+{
+text-align: right;
+margin-top: 0em;
+}
+
+p.explanation
+{
+margin-left: 0.9em;
+margin-right: 0.9em;
+font-size: smaller;
+}
+
+
+/****** Sidenotes ******/
+
+.leftnote
+{
+position:absolute;
+left:1%;
+height:0em;
+width:14%;
+font-size: 0.8em;
+text-indent: 0em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+/****** Page Numbers ******/
+
+.pagenum
+{
+display: inline;
+font-size: 70%;
+text-align: right;
+position: absolute; right: 1%;
+padding: 0 0 0 0;
+margin: 0 0 0 0;
+}
+
+.pagenum a
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+
+/****** Footnotes ******/
+
+a.noteref:hover
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+vertical-align: 0.25em;
+text-decoration: none;
+}
+
+div.footnotes
+{
+padding: 0 0 0 0;
+margin-top: 1em;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+width: 25%;
+text-align: left;
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 0.5em;
+margin-bottom: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align: left;
+width: 2em;
+}
+
+/****** Poetry ******/
+
+div.poem
+{
+text-align: left;
+margin-left: 5%;
+width: 90%;
+position: relative;
+}
+
+.poem h4
+{
+margin-left: 5em;
+font-weight: normal;
+text-decoration: underline;
+}
+
+.poem .stanza
+{
+margin-top: 1em;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+position: absolute;
+top: auto;
+left: -2.5em;
+margin: 0;
+text-indent: 0;
+font-size: 90%;
+text-align: center;
+width: 1.75em;
+color: #777;
+}
+
+.poem .i0 { display: block; margin-left: 2em; }
+.poem .i1 { display: block; margin-left: 3em; }
+.poem .i2 { display: block; margin-left: 4em; }
+.poem .i3 { display: block; margin-left: 5em; }
+.poem .i4 { display: block; margin-left: 6em; }
+.poem .i5 { display: block; margin-left: 7em; }
+.poem .i6 { display: block; margin-left: 8em; }
+.poem .i7 { display: block; margin-left: 9em; }
+.poem .i8 { display: block; margin-left: 10em; }
+.poem .i9 { display: block; margin-left: 11em; }
+
+
+
+/****** Annotations ******/
+
+span.corr
+{
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+
+
+/****** Anchors ******/
+
+a.hidden:hover
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+a.hidden
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+hr
+{
+width: 45%;
+margin-top: 1em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+clear: both;
+text-align: center;
+height: 1px;
+}
+
+
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of De Lotgevallen van Tom Sawyer, by Mark Twain
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Lotgevallen van Tom Sawyer
+
+Author: Mark Twain
+
+Illustrator: Johan Braakensiek
+
+Release Date: May 12, 2006 [EBook #18381]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LOTGEVALLEN VAN TOM SAWYER ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="frontmatter"><p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/frontcover.jpg" alt="Originele voorkant."></p>
+</div><p>
+
+</p>
+<h2 class="byline"><span class="docAuthor">Mark Twain</span></h2>
+<h1 class="docTitle">De lotgevallen van Tom Sawyer</h1>
+<h2 class="byline">Met platen van
+<br>
+<span class="docAuthor">Johan Braakensiek</span></h2>
+<h2 class="docImprint">Zesde druk
+<br>
+Amsterdam Van Holkema &amp; Warendorf
+</h2><p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p class="aligncenter">Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen
+
+
+</p>
+</div><a id="d0e90"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e90">1</a>]</span><div class="bodytext">
+<p class="div1"><a id="d0e92"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk I.</h2>
+<p>&#8220;Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>Geen antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>Geen antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar zou die drommelsche jongen toch zitten? Hoor je me niet, Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>De oude dame, die deze woorden sprak, trok haar bril naar beneden om er overheen te kijken. Daarna duwde zij hem naar boven
+om er onderdoor te kijken. Zelden of nooit gebruikte zij hem om er <i>door</i> te kijken, althans niet naar een zoo onbeduidend voorwerp als een kleine jongen. Immers haar bril was haar roem, de trots
+van haar hart, en zij had hem gekocht om ontzag in te boezemen,&#8212;niet om dienst te doen. Voor hare oogen toch kon zij evengoed
+een deksel van een sauspan genomen hebben. Een oogenblik zag zij onthutst in het rond en zeide, niet bepaald barsch, maar
+luid genoeg om door al de meubelen in de kamer gehoord te worden:
+
+</p>
+<p>&#8220;Als ik je krijg, dan zal....&#8221;
+
+</p>
+<p>Meer kon zij niet uitbrengen, want al pratende had zij zich voorovergebukt om met een bezem onder het bed te voelen of zich
+daar ook iemand verscholen had; en zij <a id="d0e114"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e114">2</a>]</span>hijgde naar adem, toen zij na lang duwen en stompen niets dan de kat te voorschijn haalde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb nooit van mijn leven zoo&#8217;n jongen gezien! Nu zullen wij eens buiten kijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij ging voor de open deur staan en keek den tuin rond, tusschen de tomato-boompjes en het doorn-appelkruid. Geen Tom. Daarna
+gebruikte zij hare handen als spreektrompet en schreeuwde: &#8220;Ben je daar, Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>Wacht! daar hoort ze plotseling een licht gedruisch achter zich en zij keert zich om juist bijtijds om een jongen bij de panden
+van zijn buisje te vatten en hem het ontkomen te beletten. &#8220;Wel, ik had er aan moeten denken dat je in de provisiekast zoudt
+zitten,&#8221; zeide zij. &#8220;Wat heb je daar gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets, tante.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets? Kijk eens naar je handen en je mond! Waarom kleven die zoo?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet, tante.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, ik wel. Er zit gelei aan. Heb ik je niet honderdmaal gezegd, dat je voor de broek zoudt hebben, als je gelei snoepte.
+Geef mij die roede eens aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De roede werd in de lucht gezwaaid en was op het punt on op den jongen neer te komen, toen hij uitriep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tante, kijk eens achter u!&#8221;
+
+</p>
+<p>De oude dame draaide zich om en legde de roede neer om een partij hemden te redden, die zij op de haag te drogen had gehangen
+en die, door haar ijver om parate executie te houden, op den grond waren gevallen.
+
+</p>
+<p>De jongen maakte van de gelegenheid gebruik om over de schutting te klauteren en was in een ommezien verdwenen.
+
+</p>
+<p>Tante stond hem een oogenblik beteuterd na te kijken en barstte toen in lachen uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die duivelsche jongen! Zal ik dan nooit wijzer worden <a id="d0e142"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e142">3</a>]</span>Het spreekwoord heeft gelijk: &#8216;Hoe ouder, hoe gekker.&#8217; Een ouden hond kan men geen nieuwe kunsten leeren. Elken dag verzint
+de jongen iets anders; maar wie kan dat allemaal vooruit weten? &#8217;t Is alsof hij voelt hoe lang hij mij plagen kan v&oacute;&oacute;rdat
+ik kwaad word. En als ik dan eindelijk boos ben, brengt hij mij een oogenblik van het onderwerp af of laat mij lachen, en
+voorbij is het; hij glijdt mij onder de vingers weg, voordat ik hem kan straffen. Ik doe mijn plicht niet aan dien jongen,
+zoo waar als ik leef. Staat er niet geschreven: &#8216;Die de roede spaart, bederft het kind.&#8217; Ik vergroot ons beider zonde en lijden.
+Hij is gansch en al bedorven. Maar, helaas het arme schaap is het eigen kind van mijne zuster zaliger ik kan het niet over
+mij verkrijgen hem te slaan. Ieder keer, dat ik hem niet straf, klaagt mijn geweten mij aan en ieder keer dat ik hem slaag
+geef, breekt mij het hart. Wat zal er van hem worden? Zoo zal hij voor galg en rad opgroeien? Hij zal van middag zeker weer
+gaan strijken en dan zal ik, om te straffen, hem morgen moeten laten werken. &#8217;t Is vreeselijk hard om hem op Zaterdag aan
+den arbeid te zetten, als andere jongens vacantie hebben maar ik moet ten minste mijn plicht doen, of ik zal het kind nog
+tot bederf worden.<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>Tom bleef uit school en had een prettigen middag. Hij kwam juist tijdig genoeg tehuis, om Jim, den zwarten loopjongen, te
+helpen houtzagen en de blokjes voor het avondeten te hakken. Of liever hij kwam bijtijds, om Jim zijne avonturen te vertellen,
+terwijl deze drie vierden van het werk deed. Toms jongere broeder (of eigenlijk stiefbroeder) Sid, was al lang klaar met zijn
+werk van spaanders op te rapen; immers hij was een bedaarde jongen, die volstrekt niet van avonturen en waaghalzerijen hield.
+<a id="d0e149"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e149">4</a>]</span></p>
+<p>Onder het eten deed tante haar neef, die af en toe stilletjes uit den suikerpot nam, allerlei listige, diepzinnige vragen,
+om hem er in te laten loopen. Gelijk vele andere eenvoudige lieden, beroemde zij er zich op, dat zij een aangeboren talent
+bezat voor geheimzinnige diplomatie en beschouwde zij de meest alledaagsche kunstgrepen, waarvan zij gebruik maakte, als wonderen
+van list en vindingrijkheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Was &#8217;t niet warm op school?&#8221; vroeg zij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, tante.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Schrikkelijk warm, niet waar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, tante.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Had je geen lust om te gaan zwemmen, Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom begon lont te ruiken en trachtte tantes gelaat uit te vorschen maar het bleef onwrikbaar in dezelfde plooi.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, tante,&#8221; antwoordde hij, &#8220;niet zoo bijzonder.&#8221;
+
+</p>
+<p>De oude dame strekte de hand uit, om te voelen of Toms overhemd ook nat was, en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Je bent nu toch niet zoo bijzonder warm, Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij was verbaasd over haar eigen slimheid; zij had op deze manier ontdekt dat Toms overhemd droog was, zonder dat iemand vermoedde
+dat het juist dat was, waar zij achter wilde komen. Maar Tom wist al uit welken hoek de wind woei en dacht dat &#8217;t beste zou
+zijn de vraag te voorkomen, die nu volgen zou.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij hebben ons hoofd onder de pomp gehouden,&#8221; zeide hij, &#8220;en &#8217;t mijne is nog nat. Voel maar?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tante Polly was boos op zich zelve, omdat zij aan die omstandigheid, welke hem van de schuld had moeten overtuigen, niet gedacht
+had en dus niet bijdehand genoeg was geweest.
+
+</p>
+<p>Maar ze kreeg een nieuwe ingeving.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, je hebt toch het boordje, dat ik aan je hemd heb <a id="d0e180"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e180">5</a>]</span>vastgenaaid, niet behoeven los te maken om je hoofd onder de pomp te houden. Wacht, ontknoop je buis eens.&#8221; Toms gezicht klaarde
+weer op. Hij ontknoopte zijn buis. Het boordje zat aan het hemd vast.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, loop dan maar heen. Ik dacht zeker, dat je van school waart gaan strijken om te zwemmen. Doch ik zal je maar vergeven.
+&#8217;t Is met jou toch maar boter aan de galg gesmeerd.&#8221; Zij was half boos, dat hare scherpzinnigheid gefaald had, en half blij,
+dat Tom toevallig niet ongehoorzaam bleek te zijn. Toen zeide Sidney:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tante, hebt u het boordje met wit of zwart garen genaaid?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, natuurlijk met wit.&#8212;Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar Tom wachtte de rest niet af. Eer hij de deur uitvloog, riep hij nog even:
+
+</p>
+<p>&#8220;Je krijgt een pak slaag, Sid, voor het klikken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoodra Tom buiten het bereik van zijne tante was, haalde hij twee groote naalden voor den dag, de een met zwart en de andere
+met wit garen omwonden, die hij aan den binnenkant van zijn buis had gestoken, en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ze zou het nooit gemerkt hebben als Sid het niet verklapt had. &#8217;t Is een drommelsch werk; nu eens naait ze met zwart en dan
+weder met wit garen. Ik wou maar, dat ze zich bij het een of het andere bepaalde; dan wist ik waar ik mij aan te houden had.
+Maar Sid zal er voor lusten, of ik heet geen Tom Sawyer meer!&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom was niet de modeljongen van het dorp. Hij wist echter best, wie dat <i>wel</i> was en ook dat hij een geduchten hekel aan hem had.
+
+</p>
+<p>In minder dan twee minuten had hij zijn verdriet vergeten. Niet omdat hij het minder voelde dan volwassenen, maar omdat iets
+anders, dat zijne belangstelling geheel innam, <a id="d0e203"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e203">6</a>]</span>het onderdrukte en voor een oogenblik uit zijne ziel verdreef. Dat andere was het aanleeren van eene nieuwe manier van fluiten,
+die hij juist van een neger had afgezien en waarin hij zich thans ongestoord kon oefenen. Het was een soort van zacht gekweel,
+dat aan het geluid van een vogel deed denken en voortgebracht werd door bij tusschenpoozen midden onder het fluiten met de
+tong het verhemelte aan te raken. De lezer zal zich uit zijne jongensjaren wel herinneren hoe men dat doet. Door vlijt en
+volharding kreeg hij het kunstje spoedig beet en stapte hij door de straten met een mond vol harmonie en een hart zoo vol
+dankbaarheid als dat van een sterrekundige, die eene nieuwe planeet ontdekt heeft. Wanneer men het genot van den astronoom
+had kunnen vergelijken met dat van Tom, zou dat van den knaap het in onvermengdheid gewonnen hebben.
+
+</p>
+<p>Het was midden in den zomer en de avonden waren lang. De duisternis was nog niet ingevallen, toen Tom al fluitende zijn weg
+vervolgde. Een vreemdeling liep voor hem uit, een jongen, een paar duim langer dan hij zelf. Een vreemdeling, van welken leeftijd
+of sekse ook, was eene merkwaardigheid in het kleine plaatsje St. Petersburg. Deze jongen was mooi gekleed,&#8212;veel te mooi voor
+een weekdag. Dat was al iets vreemds. Zijn pet was splinternieuw, zijn toegeknoopt blauw buisje dito, zijn broek evenzoo.
+Hij had schoenen aan, en dat nog wel op Vrijdag! Zelfs had hij een mooie zijden das on! Hij zag er zoo deftig uit, dat Tom
+er kippenvel van kreeg. Hij stond dit monster van pracht aan te gapen, doch hoe langer hij zijn neus tegen hem optrok, des
+te smeriger en te slordiger scheen hem zijn eigen plunje. Geen van beiden sprak een woord. Als de een zich bewoog, deed de
+ander hetzelfde. Zij bleven elkander aanstaren, totdat Tom uitriep:
+<a id="d0e207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e207">7</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik kan je wel aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Probeer het dan eens.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker, ik kan wel, als ik maar wil.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kun je niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Er volgde eene onheilspellende stilte, waarna Tom zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe heet je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat raakt je niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal je leeren, dat het me wel raakt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, doe het dan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je nog een woord spreekt, doe ik het.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog een woord! Wat verbeeld jij je wel?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je vindt je eigen nogal mooi, niet waar? Ik zou je wel met &eacute;&eacute;ne hand op den grond kunnen krijgen, als ik het verkoos.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom doe je het dan niet. Je zegt altijd, dat je het kunt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je den gek met me steekt, doe ik het.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O! dat heb ik wel honderd jongens hooren zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je denkt zeker, dat je een heele Piet bent.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat een vieze pet heb jij op!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Probeer eens, mij dien pet van het hoofd te nemen. Doe het eens!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je bent een lafaard.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En jij ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je bent een groote lafaard en je durft me niet aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga eens verder, als je durft,&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je nog meer praatjes maakt, zal ik je een slag op den kop geven.&#8221;
+<a id="d0e262"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e262">8</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wel zeker, zul je dat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat zal ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom doe je het dan niet? Waarom zeg je altijd, dat je het doen zult. Is het, omdat je bang bent?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben niet bang.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel.&#8221;
+
+</p>
+<p>Weder eene pauze. De jongens duwen gedurig meer tegen elkander aan. Zij staan al schouder tegen schouder. Tom roept:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga uit den weg!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga jij uit den weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik doe het niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik doe het ook niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo stonden zij beiden met &eacute;&eacute;n voet vooruit, elkander duwende dat het een aard had. Maar geen van beiden kon den ander uit
+den weg krijgen. Na tegen elkander aangebonsd en gestooten te hebben, totdat de zweetdroppels hun over het gezicht liepen,
+weken beiden voorzichtig een weinig achteruit en Tom zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Je bent een lafaard. Ik zal mijn oudsten broer eens op je afsturen; die kan je wel met zijn pink aan en hij zal het doen
+ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat kan mij je oudste broer schelen! Ik heb een broer, die nog veel grooter is dan die van jou, en die smijt jou vierkant
+over de schutting.&#8221; (De twee broeders bestonden slechts in hunne verbeelding.)
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een leugen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Iets is nog geen leugen, omdat jij het blieft te zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom maakte eene streep in het zand met zijn grooten <span class="corr" title="Bron: toon">teen</span> en zeide:
+<a id="d0e302"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e302">9</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Stap hier eens over en ik zal je een pak geven, dat je niet meer op je beenen staan kunt.&#8221;
+
+</p>
+<p>De nieuwe jongen stapte er dadelijk over en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nou, je zei dat je het doen zoudt; doe het dan ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Sar me niet; pas op!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, je <i>zei</i> dat je het doen zoudt. Waarom doe je &#8217;t dan niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Sapperloot, ik doe het voor twee centen!&#8221;
+
+</p>
+<p>De nieuwe jongen haalde twee vuile centen uit zijn zak en bood die Tom met een spottend gezicht aan.
+
+</p>
+<p>Tom smeet de centen op den grond.
+
+</p>
+<p>In een oogenblik rolden en buitelden de jongens in het stof en vochten als leeuwen; een minuut lang rukten en plukten zij
+elkaar, trokken elkaar bij het haar en de kleeren, stompten en krabden elkander en overdekten zich met modder en lauweren.
+Een oogenblik later kwam er orde uit de verwarring en Tom werd uit den damp van het slagveld zichtbaar, op den nieuwen jongen
+gezeten en een regen van vuistslagen op hem doende nederdalen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het nou genoeg?&#8221; vroeg hij.
+
+</p>
+<p>De jongen worstelde om van den grond op te komen. Hij schreeuwde meer uit woede dan van pijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het nou genoeg?&#8221; zeide Tom, en het kloppen ving weer aan. Eindelijk ontsnapte den nieuwen jongen een onderdrukt &#8220;genoeg,&#8221;
+en Tom liet hem opstaan met de woorden: &#8220;Dat is een goede les voor je, mannetje. Ik zou je raden een volgenden keer te kijken
+wien je voor hebt, eer je met iemand den gek steekt.&#8221;
+
+</p>
+<p>De nieuwe jongen stond op, sloeg het stof van zijne kleederen, en liep snikkende weg, terwijl hij gedurig het hoofd omdraaide
+en Tom dreigde, dat hij hem een ander maal wel te pakken zou krijgen. Tom beantwoordde de <a id="d0e332"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e332">10</a>]</span>dreigementen met schimpscheuten en stapte voort met hooge borst. Hij had zijn rug echter nog niet gekeerd of de nieuwe jongen
+nam een steen op, smeet hem dien achterna, raakte hem daarmede tusschen de schouders en rende toen weg, zoo snel als zijne
+beenen hem dragen konden. Tom zette den verrader na tot aan zijn huis en ontdekte alzoo waar hij woonde. Een tijdlang bleef
+hij bij de deur post vatten, den vijand tartende buiten te komen, maar deze hield zich schuil achter het raam, waar hij tegen
+Tom gezichten stond te trekken. Eindelijk kwam de moeder van den vijand voor den dag, die Tom voor een leelijken, gemeenen
+jongen uitschold en hem gelaste zijn biezen te pakken. Toen ging Tom heen en mompelde tusschen zijne tanden, dat de nieuwe
+jongen geen cent waard was.
+
+</p>
+<p>Hij kwam vrij laat te huis, en toen hij voorzichtig het raam insprong, viel hij in eene hinderlaag, in de persoon van zijne
+tante, bij wie, toen zij den staat zag, waarin zijne kleederen verkeerden, het besluit om zijn vrijen Zaterdag in een gevangenschap
+met dwangarbeid te veranderen, onherroepelijk vaststond.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e336"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk II.</h2>
+<p>De Zaterdagmorgen kwam; een heerlijke, warme zomerdag vol vroolijkheid en leven. Alle harten waren blijde gestemd en de jeugd
+uitte hare blijdschap in een opgewekt gezang. Genot was op elk gelaat te lezen en van veerkracht getuigde iedere stap.
+
+</p>
+<p>De acacia&#8217;s stonden in vollen bloei en de lucht was van den geur der bloesems vervuld.
+<a id="d0e343"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e343">11</a>]</span></p>
+<p>De heuvels in en buiten St. Petersburg waren met een groen zomerkleed getooid en zagen er zoo rustig en uitlokkend uit, dat
+hij die ze in de verte zag droomde van het land van belofte, overvloeiende van melk en honig.
+
+</p>
+<p>Tom verscheen aan de deur met een emmer vol witkalk en een verf kwast met een langen steel. Hij overzag de schutting die hij
+moest witten, en de vroolijkheid week uit zijn hart en eene diepe droefgeestigheid daalde daarin neder. Dertig el schutting
+negen voet hoog! Ach, het leven was een last, zwaar om te dragen! Al zuchtende doopte hij zijn kwast in de kalk en maakte
+eene dikke streek; hij herhaalde het werk nog eens en nog eens, vergeleek het onbeteekenend streepje gewitte schutting met
+het groote veld, dat nog gewit moest worden, en zette zich ontmoedigd op een boomstam neder.
+
+</p>
+<p>Daar kwam Jim, een liedje zingende, met een emmer aan den arm, de deur uithuppelen. Water uit de stadspomp halen was tot nu
+toe in Toms oogen een hatelijk werk geweest, maar vandaag scheen het hem zoo heel naar niet. Immers hij wist, dat er menschen
+bij de pomp zouden zijn. Zij was op sommige uren ongenaakbaar vanwege de jongens en meisjes van allerlei soort; blanken, kleurlingen
+en negers waren er altijd in menigte, die, terwijl zij hun beurt afwachtten, zich met speelgoed verkwanselen, twisten, vechten
+en krijgertje spelen vermaakten. Vandaar dat, hoewel de pomp vlak bij was, Jim nooit binnen het uur terugkwam; en dan nog
+moest hij meestal gehaald worden.
+
+</p>
+<p>Daarom zei Tom: &#8220;Zeg eens, Jim, zal ik water halen en jij witten?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jim schudde het hoofd en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kan niet, jongeheer. De oude juffer heeft me gezegd, dat ik water moest halen en met niemand moest blijven staan <a id="d0e356"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e356">12</a>]</span>praten. Zij zei ook, dat, als de jongeheer Tom me vroeg om te witten, ik net doen moest alsof ik het niet hoorde;&#8212;en dat ze
+zou komen zien of ik gedaan had, wat ze gezeid had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, stoor je daar niet aan, Jim; dat zegt ze altijd. Geef den emmer: ik ben binnen twee minuten terug. Zij zal het nooit te
+weten komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik durf niet, jongeheer. Als de juffer het zag, zou ze me de haren uit het hoofd trekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij? Ze slaat haast nooit,&#8212;en als ze het doet, is het alsof er een veer over je rug gaat. Zij heeft een grooten mond, maar
+praatjes doen geen zeer. Jim, als je het doet, krijg je een knikker, een albasten knikker.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jim begon te weifelen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een albasten knikker Jim, en een baas ook?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, het is verleidelijk, jongeheer, maar ik ben zoo bang voor de oude juffer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Doch Jim was een mensch en de verleiding was te groot. Hij zette den emmer neder en nam den witten knikker. Een kwartier later,
+juist toen tante Polly met een pantoffel in de hand, een glans van triomf op het gelaat, uit den tuin kwam, hoorde men Jim
+luid klingelend den vollen emmer in de gang zetten en stond Tom weder dapper te witten.
+
+</p>
+<p>Maar die witwoede duurde niet lang. Tom verviel spoedig in gepeins over de pretjes, die hij zich van dezen Zaterdag had voorgesteld
+en zijn gemoed schoot vol. Thans zouden al de jongens, die vrijaf hadden, vol heerlijke plannen voorbijkomen en dan zouden
+zij hem uitlachen, omdat hij moest witten.
+
+</p>
+<p>Dat was al te erg. Hij haalde zijne wereldsche schatten voor den dag, bekeek die en zag dat zij uit gebroken speelgoed en
+andere prullen bestonden. &#8217;t Was genoeg om zijn werk voor een paar minuten af te koopen, maar veel <a id="d0e376"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e376">13</a>]</span>te weinig om een half uur vrij te krijgen. Hij stak zijne bezittingen weer in den zak en gaf het denkbeeld, van te trachten
+met die voorwerpen de jongens om te koopen, op. In dit wanhopige oogenblik kreeg hij een schitterenden inval. Hij nam den
+kwast en werkte rustig voort. Daar kwam Ben Rogers in &#8217;t gezicht, de jongen wiens spot hij boven alles vreesde.
+
+</p>
+<p>Bens tred was een aanhoudend huppelen en springen, een teeken dat zijn hart licht en zijne verwachtingen groot waren. Hij
+at een appel en deed nu en dan een lang liefelijk gefluit hooren, gevolgd door een zwaarklinkend: ding dong dong, ding dong
+dong. Immers hij stelde een stoomboot voor.
+
+</p>
+<p>Naarmate hij dichterbij kwam, vertraagde hij zijn stap, hield het midden van de straat, leunde ver over stuurboord en begon
+zeer kunstig, met veel gewicht te laveeren, daar hij de stoomboot &#8220;de groote Missouri&#8221; vertoonde. Hij was tegelijk boot, kapitein
+en machinebel en moest zich zelven dus verbeelden op het dek te staan, daarop bevelen te geven en die ten uitvoer te brengen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stop, mijnheer! Ling-ling-ling.&#8221; De boot ging iets te spoedig vooruit en de knaap trok langzaam zijwaarts. &#8220;Iets naar achteren!
+Ling-ling-ling!&#8221; Toen liet hij zijn arm stijf langs de zijden glijden. &#8220;Zet haar terug naar stuurboord! Ling-ling-ling, Chow-ch-chow
+chow!&#8221; Daarna begon hij met de rechterhand een cirkel te beschrijven, welke beweging het draaien van een wiel verbeelde. &#8220;Terug
+naar bakboord. Ling-ling-ling! Chow-chow-ch!&#8221; De linkerhand begon cirkels te beschrijven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Aan stuurboordszijde, stop! Ling-ling-ling! Aan bakboordszijde, stop! Laat maar langzaam bijdraaien! Ling-ling-ling! Chow-chow-ow!
+Gebruik de hoofdtouwen. Vlug, nu de boeglijn.&#8212;Wat doet ge daar? Wind den kabel on dien paal. <a id="d0e386"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e386">14</a>]</span>Naar den steiger toe&#8212;vooruit! Machine stil! Ling-ling-ling!&#8221; Tom ging voort met witten en sloeg geen acht op de stoomboot.
+Ben staarde hem een oogenblik aan en zeide toen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hi-hi! Je bent een ongelukkige stumperd!&#8221;
+
+</p>
+<p>Geen antwoord. Tom bekeek de laatste streek van den witkwast met het oog van een kunstenaar, maakte nog een keurig haaltje
+en zag, hoe dat voldeed. Ben ging naast hem staan. Tom watertandde bij het gezicht van den appel, doch hij witte ijverig door.
+
+</p>
+<p>Ben zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Heila, oude jongen, je moet voor straf werken, he?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, Ben, ben jij daar? Ik zag je niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg, ik ga zwemmen. Zou jij ook niet willen, als je mocht? Maar jij moet werken, niet waar?<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>Tom keek den jongen aan en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat noem je werken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, is dit geen werken?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom begon weer te witten en antwoordde koeltjes: &#8220;Nu, het mag werken zijn of niet, wat ik weet, is, dat Tom Sawyer het dol
+prettig vindt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar kwam de zaak in een ander licht. Ben stond stil en beet op zijn appel. Tom streek met zijn kwast voorzichtig op en neer,
+ging een stap of wat achteruit, om te zien hoe zijn werk voldeed, maakte een haaltje hier en een haaltje daar, keek nog eens
+naar het effect, terwijl Ben elke beweging bespiedde en hoe langer hoe meer belang in den arbeid begon te stellen. Eindelijk
+zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, Tom, laat mij eens even witten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom bedacht zich een oogenblik en was op het punt toe te geven, maar kwam even spoedig op dat voornemen terug. &#8220;Neen, neen,
+dat zal niet gaan, Ben. Je moet weten, Ben, <a id="d0e417"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e417">15</a>]</span>dat tante Polly verschrikkelijk precies is op die schutting; zij staat zoo vlak aan den weg, weet je.&#8212;Als het nog achter was,
+zou ik er niet tegen hebben, en zou tante het wel goedvinden. Zij is vreeselijk precies op het witten; het moet keurig netjes
+gedaan worden, en ik geloof niet, dat er van de duizend, neen van de tweeduizend jongens &eacute;&eacute;n is, die het doet zooals het behoort.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, is het zoo moeilijk? Och toe, laat mij het eens probeeren; eventjes maar! Ik had het jou al lang laten doen, als je
+het mij gevraagd had, Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben, ik zou het, op mijn woord dolgraag doen, maar tante Polly...&#8212;Jim vroeg het ook, maar zij wou het niet hebben; Sid ook,
+maar hij mocht evenmin. Begrijp je nu niet, dat ik er voor verantwoordelijk ben? Als je eens kladden op de schutting maakte,
+als er iets mee gebeurde....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ik zal wel oppassen. Toe laat me het maar eens probeeren. Ik zal je het klokhuis van mijn appel geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, goed dan; neen, toch niet, Ben;&#8212;ik ben bang voor....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal je den heelen appel geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom gaf den kwast met aarzelenden blik en een verheugd gemoed over. En terwijl de stoomboot &#8220;de groote Missouri&#8221; in de barre
+zon stond te werken en te zweeten, zat de kunstenaar rustig in de schaduw op een biervat zijn appel op te muizen en peinsde
+over nieuwe plannen om nog meer argeloozen in de val te lokken. De gelegenheid liet zich niet wachten. Verschillende jongens
+kwamen voorbij: zij kwamen om te spotten&#8212;en bleven om te witten. Toen Ben uitgeput van vermoeienis den kwast had neergelegd,
+werd de beurt aan Billy Fischer afgestaan voor een vlieger; en toen die gedaan had, kocht John Miller een beurt voor een dooden
+rat en een touw om hem aan te laten schommelen; <a id="d0e431"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e431">16</a>]</span>en zoo ging het, het eene uur voor en het andere na. En op het midden van den dag, baadde de &#8217;s ochtends doodarme jongen zich
+in zijn rijkdom. Hij had behalve de dingen, die ik vermeld heb, twaalf knikkers gekregen, een half kapot blaasinstrument,
+een stukje blauw glas om door te kijken, een garenspoeltje, een roestigen sleutel, een stukje krijt, een kurk met een glazen
+stop, een looden soldaat, een paar jonge kikvorschen, zes sissers, een koperen deurknop, het heft van een mes, een halsbandje
+voor een hond, vier chinaasappelschillen en een stukje glas. Hij had den ganschen dag lekkertjes geluierd en de schutting
+was met drie duim witsel besmeerd! Als de kalk niet opgeraakt was, zou hij al zijne vrienden geru&iuml;neerd hebben.
+
+</p>
+<p>Tom dacht, dat het bij slot van rekening toch nog niet zoo heel vervelend op deze aarde was. Hij had onbewust een der voornaamste
+wetten, waardoor de menschenwereld geregeerd wordt, leeren kennen, namelijk: dat om iemand op iets verzot te maken, men het
+slechts als zeer moeilijk verkrijgbaar behoeft voor te stellen. Ware hij een groot wijsgeer geweest, zooals de schrijver van
+dit boek, hij zou begrepen hebben, dat &#8220;werken&#8221; bestaat in hetgeen men verplicht is te doen en &#8220;spelen&#8221; in te doen wat men
+niet verplicht is te verrichten. En dat zou hem hebben doen vatten, waarom het maken van kunstbloemen of het arbeiden op den
+tredmolen &#8220;werken&#8221; en waarom kegelen en het beklimmen van den Mont Blanc &#8220;uitspanning&#8221; is.
+
+</p>
+<p>Er zijn rijke heeren in Engeland, die iederen dag twintig of dertig mijlen met een vierspan afrennen, omdat dit voorrecht
+hun een groote som gelds kost. Wanneer zij echter voor datzelfde genot betaald werden, zou het &#8220;werken&#8221; worden en dan zouden
+zij het er aan geven.
+
+
+
+<a id="d0e437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e437">17</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e438"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk III.</h2>
+<p>Na het volbrengen van zijn arbeid maakte Tom zijne opwachting bij tante Polly, die voor het raam zat in een vroolijk vertrek
+aan den achterkant, dat te gelijk als slaap-, eet- en zitkamer dienst deed. De lekkere zomerlucht, de kalme rust, de geur
+der bloemen en dommelig gegons der bijen waren niet zonder uitwerking op haar gebleven en zij zat over haar brijwerk te knikkebollen.
+Haar eenig gezelschap was de kat, en deze lag te slapen op haar schoot. Veiligheidshalve had zij haar bril boven haar grijs
+hoofd gezet. Zij verwachte niet anders dan dat Tom lang van zijn werk zou zijn afgeloopen, en het verwonderde haar derhalve
+ten hoogste hem op eens met een onverschrokken gelaat voor haar te zien staan. Zijn eerste woord was: &#8220;Mag ik nou gaan spelen,
+tante?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat, nu al? Hoe ver ben je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles is klaar, tante.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, lieg niet! Leugenaars kan ik niet uitstaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is geen leugen. Alles is klaar.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tante Polly sloeg maar half geloof aan deze verzekering en ging naar buiten om zelve te kijken. Zij zou reeds tevreden geweest
+zijn, indien twintig percent van Toms verklaring waarheid geweest ware, en toen zij nu de gansche schutting met witsel bestreken
+vond, en bestreken niet alleen, maar netjes en met zorg bewerkt, en zelfs den grond met een streek kalk bedeeld, had zij geen
+woorden genoeg om hare bewondering lucht te geven en riep zij uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, heb ik ooit zoo iets gezien! &#8217;t Is ongeloofelijk. Jij kunt werken, als je het op je heupen hebt, Tom!&#8221; Doch <a id="d0e455"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e455">18</a>]</span>meteen verkleinde zij de waarde van het compliment door er bij te voegen: &#8220;&#8217;t Is jammer, dat dit zelden gebeurt. Kom, ga nu
+maar spelen, doch denk er aan, dat je bijtijds tehuis komt, of ik zal je spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toms heldenstuk had zulk een overweldigenden indruk op haar gemaakt, dat zij hem meenam naar de provisiekamer en een prachtigen
+appel uitkoos, dien ze hem overhandigde met een nuttige les over de waarde en den bijzonderen geur die eene lekkernij verkrijgt
+wanneer zij de vrucht is, niet van zonde, maar van naarstigheid. En terwijl zij tot slot eene toepasselijke plaats uit de
+Schrift aanhaalde, kaapte haar neef een spekpannekoek. Toen liep hij vroolijk weg en zag juist Sid verschrikt de trap ophollen,
+die naar de achterkamer op de tweede verdieping voerde. Voor de deur lag een hoop aarde en in een oogenblik was de lucht vol
+kluiten, die als een hagelbui op Sid neervielen. Eer tante Polly van hare verbazing bekomen kon en haar neef hulp verleenen,
+waren reeds een stuk af wat kluiten op haar eigen hoofd neergekomen en was Tom over de schutting verdwenen. Hij had wel door
+de poort kunnen gaan, maar het ontbrak hem aan tijd om zulk een omweg te maken. Nu kon hij met een gerust hart gaan spelen,
+want de rekening met Sid over het klikken van het zwarte garen, was vereffend.
+
+</p>
+<p>Tom hield den achterkant van de huizen, totdat hij in een modderig steegje achter tantes koestal kwam. Toen achtte hij zich
+tegen gevangenneming en straf beveiligd en begaf zich naar het marktplein, waar twee militaire compagnie&euml;n van schooljongens,
+volgens afspraak, bijeen waren gekomen om slag te leveren. Tom was de generaal van het eene leger en Joe Hasper (zijn boezemvriend)
+de <span class="corr" title="Bron: aanvoeder">aanvoerder</span> van het andere. De twee groote bevelhebbers verwaardigden zich niet persoonlijk aan dit gevecht deel te nemen, maar <a id="d0e464"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e464">19</a>]</span>lieten dat aan de kleine bakvischjes over. Zij zetten zich naast elkander op eene hoogte neder, en leiden de krijgsverrichtingen
+door bevelen te geven, welke door veldmaarschalken werden overgebracht. Het leger van Tom behaalde na een langen en bangen
+strijd eene schitterende overwinning. Daarna werd het aantal dooden geteld, de gevangenen uitgeleverd, de bepalingen voor
+het volgende geschil gemaakt en den dag voor den vereischten veldslag bepaald, waarna de beide legers zich met elkander vereenigden
+en afmarcheerden, terwijl Tom alleen naar huis ging.
+
+</p>
+<p>Toen hij het huis van Jeff Thatcher voorbij stapte, zag hij daar een hem onbekend meisje in den tuin,&#8212;een lief, klein ding
+met blauwe oogen, blond, in twee lange vlechten gescheiden haar, een wit zomerjurkje en een geborduurde pantalon. In een oogenblik
+verdween eene zekere <span class="corr" title="Bron: Anny">Amy</span> Laurence uit zijn hart en was alsof die nooit had bestaan. Hij had zich verbeeld dat hij halfgek van verliefdheid op haar
+was, hij had gedacht dat hij haar aanbad, en zie, het bleek niets dan eene kleine, voorbijgaande ingenomenheid geweest te
+zijn. Maanden lang had hij zijn best gedaan om haar hart te winnen en zij had hem juist acht dagen geleden bekend, dat zij
+hem wederliefde schonk. Een week lang was hij dronken van geluk en de wereld te rijk geweest, en nu was zij heel uit zijne
+gedachten verdwenen, als het vluchtig bezoek van een ons onverschilligen vreemde. Hij bleef zijn nieuwe engel in stilte aanbidden,
+totdat hij bemerkte, dat zij hem in &#8217;t oog kreeg. Toen deed hij alsof hij haar niet zag en begon allerlei dwaze kunsten en
+grimassen te maken om haar aandacht te trekken. Na die zonderlinge grappen een tijdlang volgehouden te hebben, keek hij te
+midden van eene gymnastische oefening toevallig op zijde en zag dat het meisje naar huis ging. <a id="d0e471"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e471">20</a>]</span>Dadelijk hield hij op, liep naar de haag en ging met een bedrukt gezicht voor de stekelige doornen staan, in de hoop dat zij
+nog even zou toeven. Een oogenblik bleef zij op het bordes staan en ging daarop naar de deur. Toen zij den voet op den drempel
+zette slaakte Tom een diepen zucht, maar zijn gelaat klaarde terstond weer op, want eer zij de deur inging, wierp zij een
+viooltje over de haag. Tom liep naar de plek waar het viooltje lag, bleef op een paar treden afstand van het bloempje staan
+en hield toen de hand voor de oogen, alsof hij iets heel bijzonders op straat zag. Hij raapte een stroohalm op en deed dien,
+met het hoofd achterover op zijn neus balanceeren. Onder die beweging naderde hij langzamerhand het viooltje; eindelijk rustte
+zijn bloote voet op het bloempje; zijne buigzame teenen maakten er zich meester van, hij hinkte met zijn schat weg en verdween
+om den hoek van de straat. Voor een minuut slechts,&#8212;alleen maar om zich den tijd te gunnen de bloem onder zijn buis op zijn
+hart of waarschijnlijk op zijne maag te steken.
+
+</p>
+<p>Zoodra de bloem veilig geborgen was, keerde hij terug en bleef tot het vallen van den avond om den tuin hangen en kunsten
+maken; maar het meisje vertoonde zich niet meer en Tom moest zich tevredenstellen met de hoop, dat zij wel ergens voor een
+venster staan en zijne oplettendheden voor haar zou bemerken. Eindelijk ging hij met looden schoenen huiswaarts.
+
+</p>
+<p>Onder het avondeten was hij zoo opgewonden, dat tante zich verwonderde wat het kind toch zou hebben. Hij kreeg een verbazend
+standje over het gooien met de aardkluiten, doch scheen er niets om te geven. Toen hij trachtte de suiker onder den neus van
+zijne tante weg te halen, liet hij zich bedaard op de vingers tikken, zich slechts de vraag veroorlovende:
+<a id="d0e477"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e477">21</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Waarom wordt Sid nooit geslagen, als hij suiker snoept?&#8221;
+
+</p>
+<p>Waarop het antwoord volgde: &#8220;Omdat Sid een mensch niet zoo plaagt als jij. Als ik je niet voortdurend strafte, zou je altijd
+met je vingers in den pot zitten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen ging tante naar de keuken, en Sid, zalig in het bewustzijn van zijne onschendbaarheid, greep naar de suikerpot, eene
+wijze van zich tegenover Tom op zijne rechten te verhoovaardigen, die ten eenen male onuitstaanbaar was. Maar de vingers gleden
+uit, de pot viel op den grond en brak. Tom was boven de wolken van pleizier,&#8212;ja, zoo verrukt, dat hij zijn tong in toom hield
+en geen woord sprak. Hij overlegde bij zichzelven, dat hij geen mond open zou doen, zelfs niet als tante binnenkwam, maar
+doodstil blijven zitten, totdat zij vroeg wie het gedaan had. En dan zou hij het vertellen en hij zou iets zien dat hij nooit
+had gezien, namelijk, dat de modeljongen slaag kreeg. In zijne opgetogenheid kon hij zich nauwelijks inhouden, toen de oude
+dame binnenkwam en met bliksemende oogen over haar bril op de verwoesting neerzag. &#8220;Ha!&#8221; dacht hij, &#8220;nu komt het,&#8221; maar, jawel,
+het volgende oogenblik lag hij zelf op den grond te spartelen.
+
+</p>
+<p>De machtige arm werd opgeheven om weder te slaan, toen Tom uitriep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd op! Waarom moet ik geslagen worden? Sid heeft het gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Sprakeloos van ontzetting liet tante Polly den arm neervallen, en Tom keek haar aan om een woord van mededoogen op te vangen.
+
+</p>
+<p>Helaas! zoodra zij weder tot adem kwam, zeide zij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, je hebt toch niet onverdiend slaag gehad; al braakt ge den pot niet, dan heb je toch zeker ander kattekwaad, uitgevoerd,
+terwijl ik in de keuken was.&#8221;
+<a id="d0e494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e494">22</a>]</span></p>
+<p>Doch nauwelijks had zij dit gezegd, of daar begon haar geweten te spreken en zij brandde van verlangen om Tom een vriendelijk
+woordje toe te voegen. Maar, neen, dat kon als een bekentenis van schuld beschouwd worden, en zoo iets zou met alle beginselen
+van orde en tucht in strijd geweest zijn. Daarom hield zij zich stil en ging met een onrustig hart aan het werk. Tom zette
+zich in een hoek van de kamer en vermeide zich in zijne droefheid. Hij wist, dat tante in haar hart wel voor hem op de knie&euml;n
+zou willen vallen en voelde zich, al snikkende, eigenlijk door de overtuiging gestreeld. Toch wilde hij geene signalen geven,
+noch evenmin op die van tante acht slaan.
+
+</p>
+<p>Hij wist, dat er nu en dan, door een nevel van tranen, smeekende blikken op hem geworpen werden, maar hij hield zich alsof
+hij dat niet bemerkte. In zijne verbeelding zag hij zich als doodziek te bed liggen en tante over hem heengebogen, om een
+woord van vergiffenis smeekende; maar hij lag daar, met het hoofd naar den muur gekeerd en stierf zonder dat dit woord gesproken
+werd. Hoe zou zij zich dan wel voelen? En hij verbeeldde zich, dat hij uit de rivier opgehaald en dood te huis werd gebracht
+met druipnatte haren en handen die zich niet meer roeren konden en een hart dat niet meer klopte, zag hoe zij zich op hem
+wierp, in tranen baadde en God smeekte haar haren jongen terug te geven, dien zij nooit, nooit meer valsch zou beschuldigen.
+Doch hij lag daar koud en bleek neder, zonder een teeken van leven te geven&#8212;hij, de arme lijder wiens smarten nu geleden waren.
+Langzamerhand verdiepte hij zich zoozeer in deze sombere gedachten, dat hij een brok in zijn keel voelde en nauwelijks kon
+slikken. En zijne oogen zwommen in een stroom van <a id="d0e499"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e499">23</a>]</span>water, die bij elken snik overvloeide en langs zijn neus naar beneden druppelde. Ja, het genot van zijn smart te koesteren
+werd zoo groot, dat hij het door geen wereldsche vreugde of luide vroolijkheid wilde laten verstoren. Toen dan ook zijn nicht
+Marie dansende de kamer inkwam, opgetogen van blijdschap dat zij weer te huis was na een eeuwenlange week buiten te hebben
+doorgebracht, stond hij op en stapte in wolken en duisternis de achterdeur uit, terwijl zij vroolijkheid en zonneschijn door
+de voordeur binnenliet. Hij verwijderde zich ver van de gewone vereenigingsplaatsen zijner makkers en zocht eenzame plekjes
+op, in overeenkomst met zijne gemoedsstemming. Op een in de rivier liggend stuk van een houtvlot zette hij zich neder en beschouwde
+den somberen, onafzienbaren stroom, met het verlangen van op eens door dezen verzwolgen te worden, zonder den onaangenamen
+weg te gaan die door de natuur wordt voorgeschreven. Toen dacht hij aan zijn bloem! Hij haalde haar voor den dag. Helaas!
+zij was verkwijnd en verlept, en zijne droefheid werd nog grooter. Hij vroeg zich af: Zou <i>zij</i> medelijden met hem hebben, indien zij het wist? Zou <i>zij</i> schreien en wenschen, dat zij hare armen om zijn hals mocht slaan om hem te te troosten? Of zou ook <i>zij</i>, evenals de geheele valsche wereld hem den rug toekeeren? Deze gedachte was zoo folterend en toch zoo zalig te gelijk, dat
+hij haar op allerlei wijzen ging uitwerken, totdat zij op het laatst een akelig schrikbeeld werd. Eindelijk stond hij zuchtende
+op en wandelde in de duisternis voort. Tegen half tien liep hij in de verlaten straat, waar de aangebeden onbekende woonde.
+Hij bleef een oogenblik stilstaan; zijn luisterend oor vernam geen geluid. Een kaars wierp een bijzonderen glans op de gordijnen
+van het venster eener bovenkamer. Zou de heilige <a id="d0e510"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e510">24</a>]</span>daar verblijf houden? Hij klauterde de heg over, baande zich een weg door de planten, totdat hij onder het verlichte venster
+stond. Een poos bleef hij diep ontroerd staan kijken; toen ging hij op den grond op zijn rug liggen, met de handen, waarin
+het verlepte bloempje verborgen was, gevouwen op de borst. Dus wilde hij sterven, de koude wereld verlaten, zonder dak boven
+zijn arm hoofd, zonder vriendelijke hand om het doodzweet van zijn voorhoofd te wisschen, zonder een liefhebbend gelaat om
+zich vol medelijden tot hem voorover te buigen, wanneer de bange doodsstrijd kwam. En zoo zou <i>zij</i> hem zien, als zij in den vroolijken morgen naar buiten keek. En o! zou zij een traan op zijn arm lijk laten vallen? Zou zij
+een zucht slaken, als zij zulk een jong leven zoo ruw verwoest en zoo ontijdig afgesneden zag?
+
+</p>
+<p>Daar ging het raam open, de schrille stem van eene dienstmeid ontheiligde de plechtige stilte en een stortbad van ijskoud
+water doorweekte den martelaar, die daar achterover op den grond lag.
+
+</p>
+<p>Onze half gesmoorde held sprong op met een kreet, die hem verlichtte. Toen kwam er een gesuis in de lucht als van een slingersteen,
+vermengd met het mompelen van een vloek, waarop een geluid volgde als van rinkelend glas en van voetstappen, die over den
+muur klommen en in de duisternis wegstierven.
+
+</p>
+<p>Niet lang daarna, toen Tom ontkleed, bij een eindje vetkaars, zijn doorweekt pak stond te bekijken, werd Sid wakker.
+
+</p>
+<p>Indien het denkbeeld om te klikken een oogenblik in zijne ziel opkwam, werd hij daarvan door een onheilspellende uitdrukking
+op Toms gelaat teruggehouden.
+
+</p>
+<p>Deze laatste stapte in bed zonder zijn gewoon avondgebed op te zeggen, en Sid maakte in stilte proces-verbaal op van dat verzuim.
+
+
+
+<a id="d0e525"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e525">25</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e526"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk IV.</h2>
+<p>De zon ging op over een rustende wereld en wierp hare weldadige stralen over het vreedzame stedeke St. Petersburg. &#8217;s Zondags
+na het ontbijt was tante Polly gewoon huiselijke godsdienstoefening te houden. Deze begon met een gebed, bestaande uit een
+reeks bijbelplaatsen, bedekt met een dunne laag woorden van eigen vinding, en eindigde met een van grimmigheid overvloeiend
+hoofdstuk uit de Moza&iuml;sche wetgeving.
+
+</p>
+<p>Na afloop daarvan omgordde Tom, om zoo te spreken, zich de lendenen en ging aan het werk om zijne teksten in het hoofd te
+krijgen. Sid had zijne les dagen vooruit geleerd, maar Tom moest al zijn krachten inspannen om vijf verzen te onthouden ofschoon
+hij een gedeelte van de Bergrede gekozen had, daar hij geene teksten kon vinden die korter waren.
+
+</p>
+<p>Een half uur had Tom een vaag begrip van het geheel, maar meer niet, want zijn geest zwierf over het gansche veld der menschelijke
+gedachten en zijne handen hielden zich tot afleiding met allerlei vermakelijke kunstjes bezig.
+
+</p>
+<p>Marie nam het boek om de les te overhooren en hij trachtte den weg door den zwaren mist te vinden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zalig zijn de ar-r.... ar....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Armen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja- de ar-remen; zalig zijn de ar-remen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van geest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van geest. Zalig zijn de armen van geest, want zij... zij...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Want hunner...&#8221;
+<a id="d0e549"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e549">26</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Want hunner. Zalig zijn de armen van geest want hunner... is het koninkrijk der hemelen! Zalig zijn zij die treuren, want
+zij....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij...?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zul...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Want zij zul...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Z-u-l-l-e-n. Want zij zul... O, ik weet niet wat zij zullen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zullen...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O ja, zullen&#8212;zij zullen&#8212;zij zullen treuren; zalig zijn zij&#8212;die treuren, want zij zullen... Wat zullen zij? Waarom zeg je
+het mij niet, Marie? Het is gemeen om me zoo te plagen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, arme jongen, ik plaag je niet. Ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen. Probeer het nog eens. Geef den moed niet
+op; je zult het wel leeren,&#8212;en als je het doet, krijg je iets moois van mij. Zoo; nu is het goed, mijn jongen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal het doen, maar zeg mij dan eerst wat het is, Marie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, Tom. Je weet als ik zeg dat het mooi is, dan is het mooi.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op je woord van eer Marie. Goed, dan zal ik het er wel zien in te pompen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij ging aan het werk, en door nieuwsgierigheid en het vooruitzicht van eene belooning geprikkeld, stampte hij de teksten
+in zijn geheugen en eindigde met een schitterende overwinning te behalen. Marie gaf hem een splinternieuw mes van twaalf en
+een halven cent, en Tom was boven de wolken van vreugde. Het is waar, het mes sneed eigenlijk niet, maar het was van echt
+staal en dat was al iets buitengewoons. Hij maakte dadelijk een plan om het buffet door snijwerk te verfraaien en wilde juist
+zijne krachten op de etenskast beproeven, toen hij geroepen werd om zich voor de zondagsschool te kleeden.
+<a id="d0e574"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e574">27</a>]</span></p>
+<p>Marie gaf hem een tinnen kom met water en een stuk zeep, welke voorwerpen hij buiten de deur op een bank zette. Toen maakte
+hij de zeep nat en legde die naast de kom; stroopte zijne mouwen op, stortte het water zachtjes op den grond uit, trad daarop
+de keuken binnen en begon ijverig zijn gezicht met een handdoek die achter de deur hing, af te drogen. Doch Marie nam den
+handdoek weg en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Schaam je je niet, Tom? Wees toch niet zoo stout. Water zal je geen kwaad doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom was een weinig uit het veld geslagen. De kom werd weder gevuld, de knaap bedacht zich een oogenblikje, slaakte een diepen
+zucht en begon. Toen hij nu de keuken weder binnentrad en met toegeknepen oogen naar den handdoek rondtaste, droop er een
+eervol getuigschrift van zeepsop en water over zijn gezicht. Maar bij nauwkeurige bezichtiging, bleek de staat van zaken nog
+niet bevredigd te zijn, want het gereinigde grondgebied hield, als een masker, bij de kin en wangen op; buiten en onder die
+lijn was eene donkere uitgestrektheid onbesproeide grond, die zich voor en achter zijn hals uitbreidde. Marie nam hem onder
+handen en binnen een kwartier was hij een mensch uit &eacute;&eacute;n stuk, zonder verschil van kleur en zijn doorweekt haar was keurig
+geborsteld en in kleine evenredige krullen opgemaakt. In het geheim streek hij altijd met moeite en inspanning de krullen
+glad en plakte hij zijn haar aan zijne slapen vast, want krullen waren meisjesachtig en dat was genoeg om ze te haten. Daarna
+haalde Marie een pak kleeren voor den dag, dat gedurende de laatste twee jaren alleen op zondag gedragen was; het werd eenvoudige
+zijn &#8220;andere pak&#8221; genoemd; uit welke benaming wij tot den omvang van zijn garderobe kunnen besluiten. Toen hij het pak had
+aangetrokken, legde het meisje de laatste hand aan zijn toilet; zij knoopte zijn buisje tot onder <a id="d0e581"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e581">28</a>]</span>de kin vast, sloeg hem een groote halskraag over de schouders, schuierde hem af en kroonde hem met een gesprikkelden strooien
+hoed. Hij hoopte, dat Marie zijne schoenen zou vergeten, doch die hoop werd verijdeld; zij poetste ze naar behooren en zette
+ze voor hem neder. Dit verdroot hem en hij beklaagde zich over zijn gebrek aan vrijheid. Doch Marie antwoordde overredend:
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je blieft, Tom; kom, wees een goede jongen.&#8221;
+
+</p>
+<p>En zoo stapt hij brommend in zijne schoenen. Marie was spoedig klaar en de kinderen vertrokken naar de zondagsschool, eene
+plaats die Tom haatte met zijn gansche hart, maar waar Sid en Marie dol op waren.
+
+</p>
+<p>Die sabbatsschool duurde van negenen tot halfelf en dan begon de kerk. Marie en Sid bleven altijd vrijwillig naar de preek
+luisteren, Tom alleen, omdat het hem van hooger hand gelast werd. De kerk was een klein, onaanzienlijk gebouw, met eene soort
+van koepel van sparrenhout en op de hooge, harde banken was voor omstreeks driehonderd personen plaats. Aan de deur bleef
+Tom een stap of wat achter en hield een keurig gekleeden jongen staande.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg eens, Willem, heb jij ook een geel kaartje?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat moet je daarvoor hebben?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat geef je er voor?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En stuk zoethout en een vischhaak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat kijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom vertoonde die twee artikelen; zij werden goed bevonden en de goederen veranderden van eigenaar. Daarna verkocht Tom een
+paar albasten knikkers voor drie roode kaartjes en een paar andere prullen voor blauwe. Bijna al de jongens, die voorbijkwamen
+werden aangeklampt en het koopen en verkoopen van kaartjes van verschillende kleuren <a id="d0e603"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e603">29</a>]</span>werd nog een kwartier voortgezet. Toen ging hij de kerk binnen met een troep andere schoon gewasschen, luidruchtige knapen
+en meisjes, begaf zich naar zijne zitplaats en maakte een standje met den jongen, die naast hem zat. De onderwijzer, een deftig
+oud heer, kwam tusschenbeide, maar zoodra hij zijn rug gekeerd had, trok Tom een jongen die voor hem zat bij het haar en was
+in zijn boek verdiept, toen het slachtoffer omkeek. Een seconde later prikte hij een anderen jongen met een speld, om hem
+&#8220;ai&#8221; te hooren zeggen en haalde zich daardoor andermaal eene berisping op den hals. De geheele klasse van Tom waren vogels
+van eenerlei veeren,&#8212;woelige, drukke, lastige snaken. Toen zij hunne les moesten opzeggen, was er geen enkele, die zijne verzen
+volkomen kende, maar door voorzeggen en influisteren brachten zij het allen gelukkig zoo ver, dat zij eenige kleine, blauwe
+kaartjes machtig werden, waarop een bijbeltekst geschreven stond. Het opzeggen van twee teksten werd met een blauw kaartje
+beloond, tien blauwe kaartjes stonden gelijk met &eacute;&eacute;n rood en mochten daartegen geruild worden. Tien roode kaartjes stonden
+weder gelijk met &eacute;&eacute;n geel, en een leerling, die tien gele kaartjes had, kreeg van den <span class="corr" title="Bron: catechiceermeester">catechiseermeester</span> een zeer eenvoudig ingebonden bijbeltje, dat in die goedkoope tijden de waarde had van veertig cents. Ik twijfel of er onder
+mijne lezers velen zullen zijn, die moed en volharding zouden hebben on twee duizend verzen van buiten te leeren, zelfs indien
+zij met een bijbel van Dor&eacute; beloond werden. En toch had Marie op deze wijs twee bijbels verdiend. Maar &#8217;t was een geduldwerk
+geweest, dat twee jaren gekost had. Een Duitsche jongen had er vier of vijf gewonnen; deze had eens drie duizend verzen achter
+elkander opgezegd, doch zijn geestvermogens hadden onder dat inspannend werk zoo geleden, dat hij van dien dag af <a id="d0e608"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e608">30</a>]</span>idioot was geworden. &#8217;t Was een groot verlies voor de school, want bij plechtige gelegenheden placht de catechiseermeester
+hem altijd te gebruiken om mede te bluffen, zooals Tom zeide.
+
+</p>
+<p>Doorgaans waren het alleen de oudere leerlingen, die in het bezit van gele kaartjes kwamen en het vervelende werk volhielden,
+totdat zij een bijbel veroverd hadden. Vandaar dat de uitdeeling van eene dergelijken prijs eene zeldzame merkwaardige gebeurtenis
+was, en hij die dat monsterwerk verricht had, was de held van den dag. Deze reuzenarbeid deed doorgaans een nieuw vuur van
+ijver in de borst van de leerlingen ontbranden, dat niet zelden een week of wat aanhield. Het is zeer wel mogelijk dat Toms
+verstandelijke vermogens nooit naar den prijs gehongerd of gedorst hadden, maar de wereldlijke mensch in hem had ontegenzeglijk
+sedert geruimen tijd verlangend uitgezien naar den roem en den luister, waarvan de uitdeeling vergezeld ging.
+
+</p>
+<p>Op den daartoe bestemden tijd stond de <span class="corr" title="Bron: cathechiseermeester">catechiseermeester</span> op en ging voor den predikstoel staan met een gesloten gezangboek in de hand, de wijsvinger tusschen de bladen verborgen,
+en verzocht om stilte. Als een <span class="corr" title="Bron: cathechiseermeester">catechiseermeester</span> zijne gewone aanspraak op de zondagsschool houdt, is het gezangboek voor hem een even onmisbaar artikel als het blad muziek
+voor den zanger, die een solo op het orkest moet zingen, ofschoon noch het gezangboek noch het blad muziek wordt geraadpleegd.
+
+</p>
+<p>Onze <span class="corr" title="Bron: cathechiseermeester">catechiseermeester</span> was een klein, nietig mannetje van vijf en dertig jaren, met borstelig, zandkleurig bokkenhaar; hij droeg een staand boord,
+waarvan de bovenste rand bijna tot aan zijne ooren reikte, en welks scherpe punten boven de hoeken van zijn mond uitkwamen,&#8212;een
+schutsmuur die hem dwong altijd rechtuit te kijken, of wanneer <a id="d0e625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e625">31</a>]</span>een zijdelingsche blik vereischt werd, het geheele lichaam om te wenden. Zijn kin werd geschraagd door een breede, zich over
+het gansche boord uitstrekkende das, welks tippen van franje waren voorzien. De voorstukken van zijne schoenen liepen, naar
+het gebruik van dien tijd, puntsgewijs, in den vorm van een slede, naar boven, eene mode die de toenmalige jongelieden trachten
+te volgen, door geduldig en volhardend met hunne voeten stijf tegen den muur te gaan zitten.
+
+</p>
+<p>De heer Walter had een ernstig gelaat en een hart als goud. Hij koesterde zulk een diepen eerbied voor gewijde dingen en plaatsen,
+en hield die zoo zorgvuldig van wereldsche zaken gescheiden, dat zonder dat hij het bemerkt had, zijne zondagsschoolstem een
+bijzondere klank had gekregen, welke op weekdagen geheel ontbrak.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kinderen,<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> dus begon hij, &#8220;mag ik u verzoeken zoo recht en netjes te gaan zitten als gij kunt, en mij voor een paar minuten uwe geheele
+aandacht te schenken. Dus betaamt het aan brave jongens en meisjes. Ik zie een klein meisje uit het raam kijken; ik vrees
+dat zij denkt dat ik buiten sta,&#8212;misschien wel op een van die boomen, om een praatje met de vogeltjes te houden (toejuichend
+gegiegel). Het doet mij waarlijk goed, zoovele heldere, vriendelijke gezichtjes op eene plaats als deze bijeen te zien on
+te leeren wat braaf en goed is.&#8221;
+
+</p>
+<p>En in dien geest ging het voort. Het zal niet noodig zijn er meer bij te voegen, want de redevoering liep over een onderwerp,
+waarin weinig verscheidenheid is en dat wij allen honderd malen gehoord hebben.
+
+</p>
+<p>Het laatste gedeelte der speech viel in het water door het hervatten der gevechten en andere vermakelijkheden onder sommigen
+der ondeugendste jongens en door een zich wijd en zijd verspreidend gefluister en gedraai, dat <a id="d0e638"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e638">32</a>]</span>zelfs doordrong tot aan den voet van ongenaakbare rotsen als Marie en Sid. Doch zoodra Mr. Walter&#8217;s stem hare diepste tonen
+liet hooren, hield elk geluid eensklaps op en het eind der rede werd dankbaar, maar zwijgend begroet.
+
+</p>
+<p>Dit gefluister had zijne oorzaak te danken aan een min of meer merkwaardig feit, het binnentreden van bezoekers. Deze waren
+de rechter Thatcher, vergezeld van drie andere personen, t. w. een stumperig oud mannetje, een zwaarlijvigen heer van middelbaren
+leeftijd met grijsachtig haar, en eene deftige dame, blijkbaar de echtgenoote van den dikken heer. De dame hield een klein
+kind bij de hand.
+
+</p>
+<p>Tom was den ganschen morgen onrustig en ontevreden op zichzelven geweest en hij werd, telkens wanneer hij Amy Lawrence&#8217;s oog
+ontmoette, of haar van liefde getuigenden blik opving, door gewetenswroegingen gekweld. Maar toen hij het meisje aan de hand
+der dame zag, klopte zijn hart op eens van gelukzaligheid. In een oogenblik was hij met al zijne macht aan het uitdeelen van
+klappen, plukharen, gezichten trekken, in &eacute;&eacute;n woord, aan het gebruiken van die kunstgrepen, welke hem geschikt voorkwamen
+om een meisje te bekoren en hare toejuiching te winnen. En de reden van die opgetogenheid was&#8212;de herinnering aan de vernedering
+in den tuin van zijn engel ondervonden.
+
+</p>
+<p>De bezoekers kregen de eereplaats, en zoodra de heer Walter ge&euml;indigd had, stelde hij hen aan het schoolpersoneel voor. De
+man van middelbaren leeftijd bleek een zeer gewichtig persoon te zijn, niet minder dan een raadsheer,&#8212;in het kinderoog het
+meest verheven wezen, dat ooit heeft bestaan. Zij waren dan ook meer dan verlangend om te weten van wat voor stof hij gemaakt
+was en zaten half hoopvol, half angstig te luisteren of zij hem ook zouden hooren brullen. Hij kwam van Konstantinopel,&#8212;zeer
+ver <a id="d0e646"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e646">33</a>]</span>van St. Petersburg; hij had dus gereisd en de wereld gezien, ja; zijne oogen hadden het rechtsgebouw der hoofdplaats aanschouwd,
+dat&#8212;zeide men&#8212;een koperen dak had.
+
+</p>
+<p>De doodelijke stilte en de rijen van starende oogen waren getuigen van het ontzag, dat dit denkbeeld inboezemde. Hij was de
+groote raadsheer Thatcher, de eigen broeder van hun rechter. Jeff Thatcher stond dadelijk op om op gemeenzamen toon met den
+grooten man te spreken en door de gansche school benijd te worden. Het zou als muziek in zijne ooren geklonken hebben, indien
+hij het gefluister had kunnen verstaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk eens, Jim! hij gaat naar hem toe! Kijk eens, hij geeft hem eene hand, een <i>hand</i>! Wou jij niet, dat je Jeff was?&#8221;
+
+</p>
+<p>Intusschen was het geheele personeel bezig zijn best te doen, om in een voordeelig licht te treden. De heer Walter trachtte
+&#8220;uit te komen&#8221; door het verrichten van allerlei soort van luidruchtige ambtsbezigheden, door orders te geven hier, straffen
+op te leggen daar, en terechtwijzingen uit te deelen, waar de gelegenheid zich maar voordeed. De bibliothecaris trachtte &#8220;uit
+te komen&#8221; door met onmogelijke pakken boeken van het eene einde van het lokaal naar het andere te loopen en door dat rumoer
+en die opschudding te maken, waarin zulke lieden behagen scheppen. De leeraressen trachtten &#8220;uit te komen&#8221; door zich vriendelijk
+tot de leerlingen voorover te buigen, die zij een oogenblik te voren een oorveeg gegeven hadden, en door coquet kleine vingertjes
+tegen stoute jongens op te heffen en de zoeten vriendelijk op de schouders te kloppen. De ondermeesters trachtten &#8220;uit te
+komen&#8221; door zachte vermaningen uit te deelen en door ander gezagsvertoon, dat blijk moest <a id="d0e657"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e657">34</a>]</span>geven van hun slag om de orde te handhaven. De kleine jongens en meisjes trachten &#8220;uit te komen&#8221; door de lucht met proppen
+papier en het geluid van schuifende voeten te vervullen. En boven dit alles zat de groote man en liet een raadsheerlijken
+glimlach over de geheele school gaan en koesterde zich in den zonneschijn van zijn eigen grootheid, want ook hij trachtte
+&#8220;uit te komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Er ontbrak nog slechts &eacute;&eacute;n ding, om des heeren Walters verrukking tot haar hoogste volkomenheid te brengen&#8212;en dat was de kans
+om een bijbelprijs uit te deelen en een wonder te vertoonen. Verscheidene leerlingen bezaten een paar gele kaartjes, maar
+geen enkele had er genoeg; hij was reeds bij de wonderkinderen onder zijn leerlingen rond geweest en zou goud gegeven hebben
+om den Duitschen jongen eventjes met gezonde hersenen terug te hebben.
+
+</p>
+<p>Juist op dit op ogenblik, toen alle hoop hem dreigde te ontvlieden, kwam Tom Sawyer uit de bank met negen gele, negen roode
+en tien blauwe kaartjes en verzocht om den bijbel.
+
+</p>
+<p>Dit was een donderslag uit een onbewolkten hemel! Uit dien hoek zou Walter in geen tien jaar dergelijk blijk van naastigheid
+verwacht hebben. Maar er was niets aan te doen;&#8212;daar lagen de bewijzen en zij waren echt. Aan Tom werd daarom eene eereplaats
+aangewezen in de nabijheid van den Raadsheer en de andere uitverkorenen, en het groote nieuws werd in de hoofdkwartieren verspreid.
+Het was eene verbazende verrassing, en de held werd tot des Raadsheers hoogte verheven, zoodat de school in plaats van &eacute;&eacute;n
+wonder er twee te aanschouwen kreeg. Al de jongens verteerden van afgunst, maar de bitterste kwellingen verduurden de knapen,
+die te laat bemerkten, dat zij tot dezen <a id="d0e665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e665">35</a>]</span>hatelijken luister hadden medegewerkt, door aan Tom kaartjes te verkoopen voor de schatten, die hij met het witten verdiend
+had. Dezen verachtten zichzelven als de <i>dupes</i> van een sluwen bedrieger, van een verraderlijken adder in het gras.
+
+</p>
+<p>De prijs werd aan Tom uitgereikt met al de loftuigingen, welke de catechiseermeester onder de bestaande omstandigheden uit
+zijn binnenste kon oppompen, doch waaraan slechts &eacute;&eacute;n ding ontbrak namelijk waarheid, want de arme man voelde instinctmatig,
+dat hij hier voor een geheim stond, hetgeen misschien het licht niet zien kon. Het was de ongerijmdheid zelve, dat deze knaap
+een voorraad van twee duizend schoven schriftuurlijke wijsheid had vergaard, aangezien ongetwijfeld reeds een dozijn te veel
+voor zijne krachten geweest zou zijn. Amy Lawrence was trotsch en verheugd en zij deed haar best Tom dit te doen zien, maar
+hij wilde niet kijken. Dit verwonderde haar; zij werd een weinig ongerust, kreeg toen een onbestemd gevoel van argwaan, dat
+kwam en verdween en weer terugkwam, totdat een steelswijs geworpen blik haar alles openbaarde. En toen brak haar hart en zij
+werd jaloersch en boos; zij begon te schreien en haatte de geheele wereld, en Tom met haar,&#8212;zoo dacht zij ten minste.
+
+</p>
+<p>Tom werd aan den Raadsheer voorgesteld, maar zijn tong kleefde hem aan &#8217;t verhemelte. Zijn hart bonsde,&#8212;gedeeltelijk ten gevolge
+van de angstwekkende grootheid van dien man, maar vooral omdat hij <i>haar</i> oom was. Indien het donker was geweest, zou hij wel op zijne knie&euml;n hebben willen vallen om hem te aanbidden. De Raadsheer
+legde zijne hand op Toms hoofd, noemde hem een aardig kereltje en vroeg hem, hoe hij heette. De jongen stamelde, hijgde naar
+adem en stootte eindelijk uit:
+<a id="d0e677"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e677">36</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, niet Tom, niet waar? Gij heet....?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Thomas!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist. Maar er behoort <i>nog</i> nog iets bij. Gij hebt toch ook een geslachtsnaam, niet waar&#8212;en dien wilt gij mij immers wel mededeelen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg mijnheer uw anderen naam, Thomas,&#8221; zeide de heer Walter, &#8220;en voeg er &#8216;mijnheer&#8217; achter. Gij hebt toch manieren geleerd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Thomas Sawyer, mijnheer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziezoo, dat is een goede jongen. Een lieve jongen! Een aardig, manhaftig kereltje! Twee duizend verzen is een groot aantal,
+Thomas, een zeer groot aantal. Maar gij zult u nooit de moeite berouwen, ze geleerd te hebben. Want kennis is meerder waard
+dan al wat deze wereld ons geven kan, daar kennis ons groot en goed maakt. Gij zult eens een groot en een goed man worden,
+Thomas, en dan zult gij op het verleden terugzien en zeggen: Dat alles heb ik te danken aan het voorrecht van in mijn jeugd
+de zondagsschool bezocht te hebben; alles aan mijn brave meesters, alles aan den goeden catechiseermeester, die mij aanmoedigde
+en mij een bijbel gaf, een prachtigen, sierlijken bijbel, dien ik voorgoed mocht houden; alles aan mijne uitnemende opvoeding.
+Dat zult gij eens zeggen, Thomas, en voor geen geld ter wereld zult ge het genot willen missen deze twee duizend verzen in
+het geheugen geprent te hebben,&#8212;neen, waarlijk niet. En nu zult gij mij en deze dame wel iets willen mededeelen van hetgeen
+gij geleerd hebt, want wij stellen groot belang in vlijtige jongens. Zonder twijfel kent gij de namen der apostelen, niet
+waar? Wilt gij mij eens zeggen, wie de twee eersten waren, die den Heer volgden?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom trok aan een der knoopen van zijn buis en keek <a id="d0e697"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e697">37</a>]</span>den Raadsheer bedremmeld aan. Hij bloosde en sloeg de oogen neder. Den heer Walter zonk het hart in de schoenen. Hij wist,
+dat de jongen zelf de eenvoudigste vraag niet beantwoorden kon. Waarom vroeg de Raadsheer hem? Toch voelde hij zich verplicht
+te spreken en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Antwoord mijnheer, Thomas! Wees niet bang.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom stond op heete kolen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet zeker, dat gij het <i>mij</i> wel zult willen zeggen,&#8221; zeide de dame. &#8220;De namen der twee eerste discipelen waren....?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;David en Goliath!&#8221;
+
+</p>
+<p>Laat ons over het overige van het tooneel meedoogend een sluier werpen.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e712"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk V.</h2>
+<p>Om halfelf begon de oude klok van het kleine stadje te luiden en aanstonds stroomde de goede gemeente naar den morgendienst.
+De kinderen van de Zondagsschool verspreidden zich in het gebouw en bezetten de banken met hunne ouders, om behoorlijk onder
+toezicht te zijn. Tante Polly kwam, gevolgd door Tom, Sid en Marie. Tom werd naast de koorgang geplaatst, ten einde zoo ver
+mogelijk van het open raam en de verleidelijke zomertooneelen daar buiten te wezen. De schare trok op naar de zijvleugels;
+de oude en behoeftige postmeester, die betere dagen gekend had; de Mayor en zijne vrouw,&#8212;want men had te St. Petersburg, onder
+andere overtolligheden, ook een Mayor: de kantonrechter; de knappe, opgedirkte, veertigjarige weduwe Douglas, een goedhartige
+ziel die er warmpjes inzat en wier <a id="d0e717"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e717">38</a>]</span>op den heuvel gelegen heerenhuis het eenige paleis der plaats uitmaakt, het onbekrompenste huis waarop St. Petersburg kon
+bogen, als &#8217;t op feesten geven aankwam; de gebogen en eerwaardige burgemeester met zijn echtgenoot; de advocaat Riverson,
+de nieuwe notabele; daarna de <i>belle</i> van het stadje, gevolgd door een troep met prachtige overhemden pronkende hofmakers, toen eenige jeugdige stedelijke ambtenaren,
+die op de knoppen hunner rottingen zuigende, in het voorportaal een ronden muur van gepommadeerde en glimlachende bewonderaars
+hadden gevormd, totdat het laatste meisje de <i>revue</i> gepasseerd had; en eindelijk de modeljongen, Willie Mufferson, die zoo zorgvuldig op zijn moeder past. Hij vergezelde zijn
+mama altijd naar de kerk en was de trots van alle matronen. De jongens echter haatten hem, omdat hij zoo braaf was en nog
+meer omdat hij steeds als voorbeeld werd aangehaald. Zijn witte zakdoek hing als iederen Zondag, toevallig uit den zak van
+zijn buis. Tom had geen zakdoek; hij noemde het dragen van zulk een weeldeartikel &#8220;kwasterig.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen de gemeente vergaderd was, werd de klok nog eens geluid om de tragen en talmend te waarschuwen, en daarop ontstond er
+een plechtige stilte in de kerk, nu en dan afgewisseld door het gegiegel en gefluister van de koorjongens op de galerij. Koorknapen
+giegelen en fluisteren gewoonlijk den geheelen dienst door. Ik ken maar &eacute;&eacute;ne plaats, waar zulks het geval niet was, maar ik
+ben vergeten waar die ligt. Het is ook vele, vele jaren geleden, sinds ik haar bezocht en ik herinner mij er nauwelijks iets
+meer van; alleen ligt mij flauw bij, dat het ergens in het buitenland was.
+
+</p>
+<p>De predikant gaf het gezang op en las het voor met innig zelfbehagen en op een eigenaardige wijze, welke in <a id="d0e729"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e729">39</a>]</span>die streek zeer bewonderd werd. Zijne stem, begonnen in een gemiddelden toon, klom gestadig, totdat zij een zeker punt bereikt
+had (meestal het voorlaatste woord van den regel en plofte dan onmiddellijk als de straal van een fontein naar beneden<span class="corr" title="Bron: ;">)</span> aldus:
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p039.gif" alt="Zal ik gedragen worden naar omhoog en mij leggen op &#8217;t donzig bed terneer. Terwijl een ander om den kampprijs strijdt en moeizaam vaart op &#8217;t bloedig meer?"></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hij werd beschouwd als een puikjuweel in de kunst van voorlezen. Op godsdienstige bijeenkomsten werd hij altijd uitgenoodigd
+om te reciteer en, en zoodra hij zijne stem verhief, sloegen de dames de handen ineen, on ze daarna machteloos in haar schoot
+te laten vallen, keken met zwemmende oogen naar boven en schudden het hoofd, als wilden zij uitroepen: &#8220;Woorden kunnen het
+niet weergeven; het is te schoon, te schoon voor deze wereld!&#8221;
+
+</p>
+<p>Nadat het lied gezongen was, nam de eerwaarde heer Sprague het bulletin in de hand en las de kennisgeving voor van al de vergaderingen,
+bijeenkomsten enz. die er in die week zouden plaats hebben, eene lijst die tot den jongsten dag scheen te duren. Deze zonderlinge
+gewoonte wordt nog altijd in Amerika gevolgd, zelfs in groote steden en in een eeuw waarin het nieuwsbladen regent. &#8217;t Gebeurt
+echter meer, dat een oud gebruik, naarmate het minder te rechtvaardigen is, te moeielijker schijnt afgeschaft te kunnen worden.
+
+</p>
+<p>En nu begon de dominee te bidden,&#8212;een goed, grootmoedig <a id="d0e745"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e745">40</a>]</span>gebed, waarin niets werd overgeslagen. Hij bad voor de kerk en voor de kinderen der kerk; voor de andere kerken der stad;
+voor de stad zelve; voor het district; voor den Staat; voor die dienaars van den Staat; voor de Vereenigde Staten; voor de
+kerken van de Vereenigde Staten, voor het Congres; voor den President, voor de andere leden van de regeering; voor de arme
+zeevaarders, die op onstuimige wateren geslingerd worden; voor de millioenen, die onder Europeesche monarchie en Oostersche
+dwingelandij zuchten; voor hen die, ofschoon in het licht van het Evangelie geboren, geene oogen hebben om te zien en geene
+ooren om te hooren; voor de heidenen op de verre eilanden in de zee;&#8212;en hij eindigde met eene smeekbede, dat de woorden, die
+hij zou spreken, in genade mochten worden aangenomen en als het zaad mochten zijn, dat in vruchtbare aarde word geworpen en
+te zijner tijd een heerlijken oogst van Godzalige vruchten zal afwerpen. Amen.
+
+</p>
+<p>Nu volgde een geruisch van japonnen en de staande vergadering ging zitten.
+
+</p>
+<p>De knaap, wiens geschiedenis in dit boek verhaald wordt, putte geen geestelijk genot uit de preek; hij droeg die als een kruis&#8212;en
+niet altijd met geduld. Hij deed zijn best om stil te zitten en hield onbewust aanteekening van al de bijzonderheden, waarin
+de preek afdaalde; want ofschoon hij niets met aandacht volgde kende hij het terrein en den weg, dien den predikant nam, sedert
+lang,&#8212;en wanneer er maar iets nieuws werd ingelascht, ontdekte dat zijn oor, en zijn gansche gemoed kwam er tegen in opstand.
+Elke toevoeging was in zijne schatting oneerlijk en schelmachtig.
+
+</p>
+<p>Midden onder de preek, had een vlieg zich achter tegen de v&oacute;&oacute;r hem staande bank neergezet en dat beestje werd eene kwelling
+voor zijne ziel. Het wreef zich de pootjes <a id="d0e753"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e753">41</a>]</span>zoo kalm tegen elkaar, en nam zijn kopje tusschen de voorpooten en poetste dat met zooveel geweld, dat dit lichaamsdeel op
+het punt scheen den romp vaarwel te zeggen en het nekje, als een draad te kijken kwam; het schuurde zijn vleugeltjes met de
+achterpootjes en streek die zoo glad tegen het lichaam, alsof ze de panden waren van een rok en maakte zijn toilet zoo rustig,
+alsof het wist dat het volkomen veilig was. En dat was het ook; want ofschoon Toms handen jeukten om het te grijpen, durfde
+hij dit niet ondernemen, daar hij in de overtuiging leefde, dat hij verloren was, wanneer hij zoo iets deed, terwijl het gebed
+aan den gang was. Maar toen dit op een eind liep, begon zijn hand zich te krommen en ging zachtjes vooruit; en zoodra het
+&#8220;amen&#8221; weerklonk, was de vlieg krijgsgevangen. Doch tante ontdekte het en liet Tom haar de vrijheid hergeven.
+
+</p>
+<p>De dominee las een tekst voor en was in zijn preek z&oacute;&oacute; eentonig en droog, dat menig hoofd zich te sluimeren neigde,&#8212;en toch
+spuwde hij in zijne rede vuur en vlam en dreigde het uitverkoren Godsvolk met hel en verdoemenis. Tom had de gewoonte de bladen
+van de preek na te tellen. Na kerktijd was &#8217;t hem altijd bekend hoeveel pagina&#8217;s er omgeslagen waren doch meestal was dat
+ook het eenige, wat hij van de rede onthouden had. Ditmaal echter werd zijn aandacht voor een kort oogenblik geboeid. De predikant
+schetste prachtig en treffend hoe het zijn zou in den welaangenamen tijd van het duizendjarig rijk, als de leeuw en het Lam
+te zamen zouden nederliggen en een klein kind hen zou leiden. Maar het verhevene, de leering en de moraal van dat grootsche
+schouwspel gingen voor den knaap verloren; hij dacht alleen aan de heerlijkheid van het tooneel voor de toeschouwende nati&euml;n;
+en zijn gelaat <a id="d0e757"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e757">42</a>]</span>glansde van verrukking bij het denkbeeld, dat hij dat kind mocht zijn,&#8212;zoo de bedoelde leeuw maar een tamme was.
+
+</p>
+<p>Toen evenwel het dorre hoofdonderwerp weer werd opgevat, verviel hij opnieuw in een toestand van duldend dragen. Op eens schoot
+hem in de gedachten, dat hij een schat bij zich had en deze werd voor den dag gehaald. Het was een groote zwarte kever, met
+een puntigen bek, dien hij met den naam van &#8220;bijtende tor&#8221; bestempelde. Die &#8220;bijtende tor&#8221; was geborgen in een percussie-doos.
+Zoodra de doos openging, pakte de kever hem bij den vinger en beet hem. Daarop werd het beest natuurlijk weggeknipt en de
+kever vloog door de kerk en viel daarna op den rug, terwijl Tom den zeeren vinger in den mond stak.
+
+</p>
+<p>Intusschen bleef het diertje hulpeloos liggen, buiten staat zich om te keeren. Tom oogde hem met een blik vol verlangen na,
+maar de kever was buiten zijn bereik. Andere lieden, wier gedachten van de preek afgedwaald waren, vonden eene gewenschte
+afleiding in den kever en gingen eveneens diens bewegingen gadeslaan.
+
+</p>
+<p>Daar kwam eensklaps druipstaartend en met hangende ooren, een verdwaalde poedel de kerk binnensluipen. Hij ziet den kever;
+de neerhangende staart gaat in de hoogte en begint te kwispelen. Hij neemt den buit in oogenschouw, loopt er omheen, beruikt
+hem op behoorlijken afstand, loopt er nog eens omheen, wordt moediger en beruikt hem iets meer van nabij, opent zijn bek,
+waagt behoedzaam een poging on hem te grijpen en mist zijn doel, waagt een tweede poging, daarna een derde, begint er schik
+in te krijgen, tracht den kever tusschen zijne pooten te vangen, maar wordt moede van het vruchteloos werk en gaat er bij
+zitten. De slaap bevangt hem; hij laat den kop hangen en zoetjes aan sukkelt zijn kin naar beneden, totdat zij met den puntigen
+<a id="d0e765"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e765">43</a>]</span>bek in aanraking komt en een beet krijgt van het dier. Daarop volgt een luid gejank, eene snelle beweging van poedels kop
+en de kever vliegt weg, on terstond weder op zijn rug terecht te komen.
+
+</p>
+<p>De in de buurt zittende toeschouwers schudden inwendig van het lachen. Verscheidene gezichten werden achter waaiers of in
+zakdoeken verborgen en Tom zat zich bovenmate te verkneuteren. De hond zag er uit, alsof hij niet wist hoe hij het had, en
+wist dat waarschijnlijk ook niet. Er was toorn in zijn hart en hij dorstte naar wraak. Daarom ging hij nogmaals naar den kever
+toe en hernieuwde omzichtig den aanval, sprong gedurig in een cirkel op hem toe, trachtte hem op een duimbreeds afstand met
+zijne voorpooten te pakken, hapte naar hem en gooide met zijn kop, totdat hij er duizelig van werd. Weldra echter werd hij
+het spelletje moe en zocht hij zich met een vlieg te vermaken. Toen vervolgde hij, met zijn neus vlak op den grond, een mier
+en kreeg ook daar al heel spoedig zijn bekomst van; hij gaapte, zuchtte, vergat den kever en&#8212;ging er op zitten! Geen seconde
+later verhief zich een oorverdoovend geblaf in de kerk en de hond rende door het ruim. Het geblaf hield aan en de hond bleef
+aan &#8217;t rennen; hij vloog dwars door de kerk heen, langs den eenen vleugel, toen weer naar den anderen vleugel, liep voor de
+deuren op en neer, jankte luide alsof hij voor zijns meesters huis stond en wenschte binnengelaten te worden. Zijn angst nam
+toe, naarmate hij rondliep, totdat hij een komeet geleek, die met de snelheid van het licht schitterend voortholt op haar
+baan. Eindelijk staakte het razende dier zijn woeste vaart en sprong op den schoot zijns meesters, die hem uit het venster
+wierp, en het geluid der klagende stem verzwakte on eindelijk in het verschiet weg te sterven.
+<a id="d0e769"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e769">44</a>]</span></p>
+<p>Intusschen zat de geheele kerk met gloeiende wangen en bijna stikkende van het lachen, dit tooneel aan te staren en de dominee
+moest zijn redevoering voor een oogenblik staken. De preek werd weder hervat, maar zij ging gebrekkig en hakkelend voort,
+en alle pogingen om indruk te maken waren vergeefs. Zelfs de ernstigste zaken werden met eene onderdrukte uitbarsting van
+zondige vroolijkheid door de achter den rug der banken wegschuilende vergadering aangehoord, alsof de arme man iets bijzonders
+grappigs had verteld.
+
+</p>
+<p>Het was eene ware verlichting voor de gansche gemeente, toen de vuurproef doorgestaan en de zegen uitgesproken was. Tom verliet
+vroolijk en opgewekt het godshuis en overlegde bij zichzelf, dat kerkgaan nog zoo vervelend niet was, indien er, zooals vandaag,
+eene kleine afwisseling in kwam. Er was maar &eacute;&eacute;ne gedachte, die hem kwelde: hij had er niet tegen, dat de hond met de kever
+speelde doch hij vond het valsch van den poedel dat hij hem meegepakt had.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e774"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk VI.</h2>
+<p>De maandagmorgen vond Tom diep ellendig. Dat deed elke maandagmorgen, omdat dan weder het slepend lijden van zes dagen schoolgaan
+volgde. Gewoonlijk begon hij dien dag met den wensch, dat er toch geene tusschenbeide komende vacantiedagen mochten zijn,
+daar deze den gang naar de boeien en de slavernij nog hatelijker maakten.
+
+</p>
+<p>Tom lag te denken, en het verlangen kwam bij hem op dat hij ziek mocht worden, opdat hij tehuis kon blijven. <a id="d0e781"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e781">45</a>]</span>Zou dat onmogelijk zijn? Hij voelde overal of er ook een plekje zeer deed, maar alles was gezond. Toch meende hij verschijnselen
+van buikpijn te ontdekken en dadelijk werden alle zeilen bijgezet on die ongesteldheid te bevorderen. Maar helaas! zij verminderde
+ras en verdween allengs geheel en al. Hij pijnsde verder. Een van de boventanden zat los. Dat was een buitenkansje. Juist
+wilde hij uit al zijn macht gaan kreunen, toen het hem in de gedachten schoot, dat, wanneer hij met die smart voor den dag
+kwam tante den tand zou uittrekken en dat pijn zou doen. Daarna besloot hij voor het tegenwoordige den tand als noodschot
+te bewaren en verder te zoeken. Eerst deed zich niets op, doch daar herinnerde hij zich, den dokter te hebben hooren spreken
+over eene ziekte, waarbij een pati&euml;nt twee of drie weken te bed moest liggen en die somtijds eindigde met iets wat hij het
+koudvuur genoemd had. Toms groote teen had hem zeer gedaan; misschien kon dat wat geven. Gretig trok hij dien dan ook onder
+de dekens uit en hield hem in de hoogte, on hem te onderzoeken. Ofschoon hij de verschijnselen van de kwaal niet kende, dacht
+hij dat het toch wel de moeite waard was het eens te wagen en begon bitter te steunen.
+
+</p>
+<p>Maar Sid sliep door.
+
+</p>
+<p>Tom steunde harder en verbeelde zich, dat hij werkelijk pijn begon te gevoelen.
+
+</p>
+<p>Sid bleef onbeweeglijk liggen.
+
+</p>
+<p>Tom ging met de uiterste inspanning aan het beven en trillen. Hij hield zijn adem in, blies zich op en bracht eene reeks van
+uitmuntend nagebootste zuchten voor den dag.
+
+</p>
+<p>Sid snorkte door.
+
+</p>
+<p>Tom was ten einde raad. Ten laatste riep hij uit: &#8220;Sid, Sid!&#8221; en schudde zijn stiefbroeder uit alle macht.
+<a id="d0e795"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e795">46</a>]</span></p>
+<p>Dit hielp en Tom hervatte zijn steunen. Sid gaapte, rekte zich uit, verhief zich snorkend op zijn elleboog en begon Tom aan
+te staren. Tom steunde al door, totdat Sid riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom! zeg eens.... Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>Geen antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Och Tom! Tom! wat scheelt er aan, Tom?&#8221; En hij greep hem bij den arm en zag hem angstig aan.
+
+</p>
+<p>Tom jammerde: &#8220;O Sid, houd op, schud me niet zoo hard!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg, wat scheelt er aan, Tom? Ik zal tante roepen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, neen! Doe dat niet!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel! Ach, steun zoo niet, Tom! &#8217;t Is zoo vreeselijk. Hoe lang heb je al zoo gelegen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Al uren. Ai, o! maak niet zoo&#8217;n beweging, Sid; je zult me vermoorden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, waarom heb je me niet eer geroepen? O, Tom, houd op. Ik kan het niet meer aanhooren, Tom, wat scheelt er aan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vergeef je alles, Sid, (gesteun).... alles wat je ooit tegen me misdreven hebt. Als ik zal heen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Tom, gij gaat toch niet sterven, niet waar? Och, doe het niet, Tom. Misschien....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vergeef iedereen, Sid, (gesteun). Zeg hun dat Sid. En, Sid, geef het raamkozijn en mijn kat aan het nieuwe meisje, dat
+hier is komen wonen en zeg haar....&#8221; Maar Sid had zijne kleeren al aangeschoten en was de kamer uit. Tom had nu wezenlijk
+pijn, dusdadig had hij zijne verbeelding laten werken en zoo was het geluid van zijn gekerm der waarheid nabij gekomen.
+
+</p>
+<p>Sid ijlde de trappen af en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;O Tante Polly, Tom gaat sterven.&#8221;
+<a id="d0e826"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e826">47</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Sterven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, wacht niet; kom gauw mede.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onzin! Ik geloof er niets van.&#8221;
+
+</p>
+<p>Desniettemin vloog zij doodsbleek en met bevende lippen de trappen op en Sid en Marie achter haar aan.
+
+</p>
+<p>Toen zij voor het ledikant stond, bracht zij met moeite uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, wat scheelt er aan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, lieve tante, ik....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat scheelt er aan? Wat heb je, kind?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, lieve Tante, ik heb het koudvuur in mijn zieken teen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De oude dame viel in een stoel neder, begon te lachen, toen te schreien, eindelijk beide te gelijk. Dat bracht haar tot zichzelve
+en zij zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Tom, wat een poets heb je me gebakken! Wil je eens gauw met die malligheid ophouden en je bed uitstappen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Het gekreun hield op en de pijn verdween. De knaap was een weinig met zijn figuur verlegen en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tante Polly, het was een gevoel van koudvuur en het deed zoo&#8217;n pijn, dat ik zelfs mijn lossen tand vergat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je tand, kind? Wat scheelde er aan je tand?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er is er een los en die doet mij vreeselijk zeer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, begin maar niet weer te kreunen. Doe je mond eens open. Ha, de tand <i>is</i> los, maar daar zul je niet aan sterven. Marie, haal een zijden draad uit mijn werkdoos.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O tantelief, trek hem als &#8217;t u belieft niet uit. Hij doet mij niets geen zeer meer. Och, als &#8217;t u belieft, doe het niet,
+tantelief! Ik zal heusch naar school gaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, naar school gaan! Dus was al dat lawaai in de hoop van thuis te blijven en te gaan visschen! Tom, Tom, ik houd zooveel
+van je en je schijnt op alle manieren te <a id="d0e866"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e866">48</a>]</span>beproeven of je mijn oud hart ook door je schandelijke ondeugendheid kunt breken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Onderwijl was het trekinstrument binnengebracht. De oude dame maakte het eene eind van den zijden draad aan Toms lossen tand
+vast en bond het aan den beddenpost. Toen sloeg zij er hard midden op en in een oogenblik hing de tand aan het ledikant te
+bungelen.
+
+</p>
+<p>Alle rampen brengen hunne lichtzijde mede. Toen Tom na het ontbijt naar school ging, werd hij door alle jongens benijd om
+de holte in zijn bovenste rij tanden, die hem in staat stelde op een nieuwe en wonderlijke wijs te spuwen. Weldra had hij
+een stoet jongens on zich heen, en een van hen, die zich in den vinger gesneden had en tot dit oogenblik het mikpunt van bewondering
+en huldebetoon geweest was, had geen enkelen aanhanger meer en voelde dat hij zijn roem had overleefd. Hij was diep gekrenkt
+en zeide op verachtelijken toon, dat er geen kunst aan was om te spuwen als Tom Sawyer. Maar een andere jongen riep iets van
+druiven die zuur waren en hij liep mismoedig heen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/plate1.jpg" alt="&#8220;Laat kijken, Huck. Zij is goed stijf. Waar heb je die vandaan gehaald?&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Laat kijken, Huck. Zij is goed stijf. Waar heb je die vandaan gehaald?&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Kort daarop kwam Tom den jeugdigen paria van het stadje, Huckleberry Finn, den zoon van den stadsdronkaard, tegen. Huckleberry
+werd met hart en ziel door al de moeders van de plaats gehaat, omdat hij zoo lui en morzig was&#8212;en voornamelijk omdat hunne
+kinderen hem zoo bewonderden en er behagen in schepten, heimelijk het verbod van met hem om te gaan, te overtreden en van
+harte wenschten den moed te hebben te zijn zooals hij. Tom benijdde Huck evenals alle andere ordentelijke jongens, maar had
+den bepaalden last om niet met hem te spelen. Daarom juist deed hij dat telkens, wanneer de gelegenheid zich voordeed. Huckleberry
+droeg altijd de afgedragen pakken van volwassenen <a id="d0e879"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e879">49</a>]</span>en deze hingen doorgaans van scheuren en lappen aan elkaar. Zijn hoofd was meestal gedekt met een ingedrukten hoed, welks
+rand er als een halve maan bijfladderde. Zijn jas, wanneer hij er een droeg, hing hem bijkans op de hielen en de achterknoopen
+zaten menigmaal een eind onder zijn rug. Zijn broek werd door &eacute;&eacute;n bretel opgehouden en het kruis van dat kleedingstuk zat
+dikwijls ter hoogte van zijn kuiten. Zijn gerafelde kousen sleepten, als zij niet omgerold waren, bijna altijd in de modder.
+Huckleberry deed wat hij verkoos. Bij mooi weer sliep hij op de stoepen, bij slecht weer in leege vaten. Hij behoefde school
+noch kerk te bezoeken, niemand meester te noemen en geen mensch te gehoorzamen. Hij mocht gaan visschen en zwemmen, wanneer
+en waar hij verkoos en zoolang uitblijven als hem goeddacht. Niemand verbood hem ooit om te vechten, hij kon zoo laat opblijven
+als het hem behaagde, en hij was altijd de eerste die in het voorjaar op bloote voeten liep, en de laatste die ze in het najaar
+in leder stak. Hij mocht naar hartelust vloeken. Hij behoefte zich nooit te wasschen en nooit schoone kleeren aan te trekken.
+In &eacute;&eacute;n woord, hij mocht alles doen en laten wat het jongensleven aangenaam maakt. Zoo dachten ten minste al de gedrilde, aan
+banden gelegde, fatsoenlijke jongens van St. Petersburg.
+
+</p>
+<p>Tom hield den romantischen verschoppeling staande met den uitroep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hola, Huckleberry, wat heb je daar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een doode kat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat kijken, Huck. Zij is goed stijf. Waar heb je die vandaan gehaald?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geruild van een jongen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat heb je er voor gegeven?&#8221;
+<a id="d0e893"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e893">50</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Een blauw kaartje en een blaas, die ik in het slachthuis gekregen had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe kwam je aan dat blauwe kaartje?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voor veertien dagen van Ben Rogers gekocht voor een hoepelstok.<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg eens; waar zijne doode katten eigenlijk goed voor?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed voor? Om wratten weg te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat? Wezen? Ik weet iets, wat nog beter is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wedden dat je het niet weet? Wat is het dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, water uit vermolmd hout.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Water uit vermolmd hout! Ik geef geen cent on water uit vermolmd hout!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet? Heb je het dan nooit geprobeerd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, ik niet, maar Bob Tanner wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie heeft je dat gezegd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, hij zei het aan Jeff Hatcher en Jeff aan John Baker en John Baker aan Jim Hollis en Jim Hollis aan Ben Rogers en Ben
+Rogers aan een neger en de neger aan mij. <span class="corr" title="Bron: &#8220;"></span>Wat heb je nou nog te zeggen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat ik te zeggen heb? Dat ze &#8217;t allemaal liegen. Van allen weet ik het zeker, behalve van den neger, want dien ken ik niet.
+Maar ik heb nog nooit een neger gezien, die niet loog. Nu, vertel mij dan eens, hoe Bob Tanner het gedaan heeft?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, hij stak zijn hand in een hollen boom, waarin regenwater was.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Over dag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met zijn gezicht naar den boomstam gekeerd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat denk ik ten minste wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeide hij er niets bij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat geloof ik niet,&#8212;maar ik weet het niet zeker.&#8221;
+<a id="d0e941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e941">51</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Och wat,&#8212;loop been! Wie neemt op zoo&#8217;n bespottelijke manier wratten weg! Je moet het heel anders doen. Je gaat zelf naar
+het bosch toe, waar je weet dat een holle boom staat met water er in, en tegen middernacht ga je met je rug naar- en met je
+hand in de holte staan en zegt:
+
+</p>
+<p>&#8220;Gerstekorrel, gerstekorrel, breng meel in &#8217;t vat, Molm-water, molm-water, verteer de wrat,&#8221;
+
+</p>
+<p>En dan ga je gauw elf passen achteruit, en dan keer je je driemaal om en je gaat naar huis zonder een woord tegen iemand spreken.
+Want als je spreekt is de betoovering voorbij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu dat klinkt mooi, maar zoo heeft Bob Tanner het niet gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, man, je kunt er gerust op zijn, dat hij &#8217;t zoo niet heeft gedaan, omdat niemand in de stad zoo vol wratten zit als
+hij; en hij zou geen enkele wrat hebben als hij wist hoe je met water uit vermolmd hout werken moet. Ik heb op die manier
+wel duizend wratten van mijn handen doen verdwijnen. Ik speel zooveel met kikkers, dat ik altijd een hoop wratten krijg. Soms
+maak ik ze weg met een groote boon.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, eene groote boon is goed. Dat heb ik ook wel gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo? Hoe moet het dan gedaan worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je neemt een boon en splijt die en dan maak je een snede in de wrat, dat er een beetje bloed uitkomt, en dan leg je dat bloed
+op een stukje van de boon, en dan graaf je een gat in den grond en daarin leg je &#8217;t stukje in den nacht bij maneschijn, op
+een kruisweg, en dan verbrand je de rest van de boon. En dan gaat het stuk boon, dat het bloed ingezogen heeft, aan het trekken
+en trekken, on het andere stuk meester te worden, en dan helpt het bloed de wrat en deze valt spoedig af.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat is waar, hoewel je er onder het begraven bij <a id="d0e960"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e960">52</a>]</span>moet voegen: &#8216;Weg, boon, weg, wrat, kom me niet meer plagen.&#8217; Zoo doet Joe Harper het ten minste. Maar hoe genees jij ze met
+doode katten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, je neemt je kat en gaat tegen middernacht naar het kerkhof, naar een plaats, waar een slecht mensch begraven ligt. Precies
+om twaalf uur komt er een duivel, misschien wel twee of drie: en die nemen dat slechte mensch mee. Maar die duivels kun je
+niet zien. Je hoort ook niets dan een geluid als van den wind, hetgeen beduidt dat ze met elkaar praten. En als de duivel
+dien slechten man heeft meegepakt, moet je de kat in de lucht zwaaien en zeggen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Duivel, volg het lijk; kat, volg den duivel; wrat, volg de kat; ik wil niets meer met je te doen hebben.&#8221; Dat neemt elke
+wrat weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het klinkt mooi, maar heb je het wel eens geprobeerd, Huck?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik niet, maar moeder Hopkins heeft het mij gezegd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal het wel waar zijn, want ze zeggen, dat ze een tooverkol is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeggen? Wel, Tom, ik <i>weet</i>, dat zij er een is. Ze heeft Pap betooverd. Pap heeft het me zelf verteld. Op een dag kwam hij haar tegen, en hij bemerkte,
+dat ze hem betooverde. Toen nam hij een steen, en als zij niet uit den weg was gegaan, had hij haar doodgegooid. Nu, dien
+eigen nacht rolde hij van een vliering, waarop hij dronken lag te slapen naar beneden, en brak zijn arm.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;, dat is verschrikkelijk. Hoe weet hij, dat zij hem betooverde?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hemel, dat moet Pap je zelf vertellen. Pap zegt: als ze je stijf aankijken, dan betooveren ze je, vooral als ze mummelen,
+omdat ze dan het &#8216;Onze Vader&#8217; &#8217;t achterste voor opzeggen.&#8221;
+<a id="d0e981"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e981">53</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zeg eens, Huck, wanneer ga jij het met de doode kat probeeren?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van nacht. Ik geloof, dat de duivels den ouden Hol Williams van nacht komen halen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar hij is Zaterdag al begraven, Huck. Hebben zij hem dan Zaterdag niet weggehaald?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat dacht je?&#8212;Op Zondag?&#8212;De duivels loopen &#8217;s Zondags niet rond, zou je denken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat wist ik niet. Laat mij meegaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed,&#8212;als je niet bang bent.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bang!&#8212;Nou nog mooier. Zul je om elf uur tegen het raam miauwen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, en dan moet jij terug-miauwen en niet doen zooals den laatsten keer. Toen heb ik voor dat raam staan schreeuwen, tot
+dat de nachtwacht me met een steen gooide en riep: &#8216;Dat is voor jou, ouwe kat!&#8217; Natuurlijk smeet ik toen een kei door zijn
+raam, maar dat mag je niet vertellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen. Dien nacht kon ik het niet doen, omdat tante me stond te bespieden; maar ik zal dezen keer miauwen. Zeg eens, Huck,
+wat heb je daar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets dan een schallebijter.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar heb je dien vandaan gehaald.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uit het bosch.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarvoor geef je hem?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het niet. Ik heb geen plan on hem te verkoopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook al goed. &#8217;t Is in alle geval een erg klein beestje.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O &#8217;t is gemakkelijk aanmerkingen op een schallebijter te maken, die je niet toebehoort. Ik ben er mede tevreden; hij is groot
+genoeg voor mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, er zijn schallebijters genoeg. Ik kan er wel duizend krijgen, als ik wil.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, waarom vang je ze dan niet? Omdat je verduiveld <a id="d0e1018"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1018">54</a>]</span>goed weet, dat je niet kunt. Dit is een bijzonder vroege schallebijter: het is de eerste, dien ik dit jaar gezien heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg eens, Huck, ik zal er je mijn tand voor geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat dien eens kijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom haalde een stukje papier voor den dag en ontrolde dat voorzichtig, en Huckleberry onderzocht den tand nauwkeurig. De verleiding
+was zeer sterk. Eindelijk zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Is hij echt?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom toonde de open plek in zijn mond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Akkoord,&#8221; zeide Huckleberry, &#8220;de koop is gesloten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom sloot den schallebijter in de percussiedoos, waarin onlangs de tor gevangengezeten had en de knapen namen afscheid van
+elkaar, beiden gelukkig in het bezit van een nieuwen schat.
+
+</p>
+<p>Tom bereikte het kleine eenzame schoolgebouw, waar hij met veel lawaai binnenstapte, hing zijn hoed aan een kapstok en ijlde
+naar zijne plaats. De meester, door het gebrom van &#8217;t lessen leeren slaperig geworden, was op zijn hoogen matten stoel ingesluimerd.
+Doch hij werd door de stoornis gewekt en riep uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Thomas Sawyer!&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom wist, dat, wanneer zijn naam voluit genoemd werd, er onweer aan de lucht was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom hier bij mij staan. Zeg mij eens: waarom zijt ge weer zoo laat?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom was op het punt zijne toevlucht tot een leugen te nemen, toen hij langs een paar fijne schoudertjes, twee lange blonde
+vlechten zag hangen, die hij dadelijk herkende als toebehoorende aan Becky Thatcher en naast die vlechten was de <i>eenige ledige plaats</i> aan de meisjeskant. Oogenblikkelijk zei hij:
+<a id="d0e1049"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1049">55</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik heb met Huckleberry Finn staan praten!&#8221;
+
+</p>
+<p>De pols van den meester stond stil en hij zelf staarde verbijsterd in het rond. Het gebrom van &#8217;t leeren hield op en de leerlingen
+dachten, dat de overmoedige jongen krankzinnig was geworden. De meester zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij&#8212;gij deedt&#8212;wat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Praten met Huckleberry Finn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij had niet misverstaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Thomas Sawyer, dit is de meest vermetele bekentenis die ooit mijne ooren vernamen. Dat kan met de roede alleen niet afgedaan
+worden. Trek uw buis uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>Des meesters arm deed zijn plicht, totdat hij niet meer kon en de bundel teenen, waaruit de roede bestond, aanmerkelijk verminderd
+was. Daarop werd het bevel uitgevaardigd:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga nu bij de <i>meisjes</i> zitten! En laat dit u een waarschuwing zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het gegiegel, dat in het vertrek vernomen werd, scheen den jongen verlegen te maken, doch in werkelijkheid verbijsterde hem
+de aanmoediging van zijn blonden afgod en het met smart vermengd genoegen, dat hij aan zijn gelukkig gesternte te danken had.
+Hij ging op den hoek van de bank zitten, en het meisje kroop zoo ver mogelijk van hem af. Hierop volgde een gestoot, gewenk
+en gefluister, waaraan Tom zich echter niet stoorde. Integendeel hij bleef stil zitten, met de armen op den langen, lagen
+lessenaar? en scheen in zijn boek verdiept te zijn. Gaandeweg werd de aandacht van hem afgeleid en de duffe atmosfeer werd
+weder van het gewone schoolgegons vervuld. Nu en dan begon de knaap tersluiks blikken op het meisje te werpen. Zij bemerkte
+het, zette een nuffig gezichtje tegen hem op, en liet hem een minuut lang haar rug zien. Toen zij voorzichtig <a id="d0e1071"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1071">56</a>]</span>nog eens omkeek lag er een perzik voor haar. Deze werd weggeduwd. Tom legde de vrucht zachtjes weder voor haar; zij werd nogmaals
+weggeduwd, maar dezen keer op minder heftige wijze. Tom legde geduldig de perzik ten derden male voor het meisje en de vrucht
+bleef liggen. Toen krabbelde hij op de lei: &#8220;Neem haar, als het u blieft; ik heb er meer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het meisje keek naar die woorden, doch hield zich stil. Daarna begon de knaap iets op de lei te teekenen en bedekte zijn werk
+met de linkerhand. Een tijdlang deed het meisje alsof zij er niet op lette; maar hare vrouwelijke nieuwsgierigheid begon zich
+door nauw merkbare teekenen te verraden. De jongen werkte door, schijnbaar zonder er acht op te slaan. Het meisje trachtte
+te zien wat hij er op zette, maar de jongen hield zich alsof hij er niets van bemerkte. Eindelijk zwichtte zij en fluisterde
+aarzelend:
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij eens kijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom liet een gedeelte zien van een caricatuur van een huis, met een dubbelen gevel en een wolk van rook, die in den vorm van
+een kurketrekker uit den schoorsteen opsteeg. Dit was voldoende voor het meisje om haar gansche belangstelling aan het werk
+te schenken en zij vergat alles on zich heen. Toen het af was, keek zij Tom een oogenblik aan en fluisterde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is mooi!&#8212;Teeken nu een mannetje.&#8221;
+
+</p>
+<p>De kunstenaar deed een man op den voorgrond verrijzen, die sprekend op een toppenant geleek, welke over het huis zou hebben
+kunnen heenstappen, maar het meisje was niet kieschkeurig. Zij was tevreden met het monster en fluisterde: &#8220;Het is een mooie
+man; teeken mij er nu naast.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom schetste een zandlooper, met een gezicht als een volle maan en een lichaam zoo dun als een stroohalm, en <a id="d0e1085"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1085">57</a>]</span>wapende de uitgespreide vingers met een verbazend grooten waaier. Het meisje zeide:
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is prachtig.&#8212;Ik wou, dat ik ook kon teekenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is niet moeielijk,&#8221; fluisterde Tom. &#8220;Ik zal &#8217;t je leeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, als je blieft.&#8212;Wanneer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van middag. Ga je om twaalf uur naar huis om te eten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kan ook wel hier blijven, als je dat wilt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed; dat zal prettig zijn. Hoe heet je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Becky Thatcher.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En jij?&#8212;O, ik weet het, jij heet Thomas Sawyer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is de naam, waarmee ik slaag krijg. Ik heet Tom, als ik goed oppas. Jij zult me Tom noemen, niet waar?&#8221;
+
+</p>
+<p><span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Ja.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop begon Tom iets op de lei te krabben, dat hij voor het meisje verborg. Doch zij was er nu vlugger bij en verzocht Tom
+het te mogen zien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, het is niets.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, het is niets; je behoeft het niet te zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel, ik moet het zien. Och toe, als je blieft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, maar zul je het niet over vertellen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, zeker niet. Op mijn woord van eer niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zul je het niemand vertellen, zoolang als je leeft?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, ik zal het niemand vertellen. Laat me nou kijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, je moogt het niet zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu je me z&oacute;&oacute; behandelt, <i>wil</i> ik het zien, Tom,&#8221;&#8212;en zij legde haar handje vlak op het zijne, waarop eene kleine schermutseling ontstond. Tom deed alsof
+hij in ernst weerstand bood, maar liet zijne hand van lieverlede <a id="d0e1134"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1134">58</a>]</span>glippen, totdat deze woorden openbaar werden: &#8220;Ik heb u lief.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ondeugende jongen.&#8221; En zij gaf hem een lief, klein klapje op de hand, bloosde en keek toch verheugd.
+
+</p>
+<p>Op datzelfde oogenblik voelde de knaap zich door iemand langzaam bij de ooren pakken en met kracht ophijschen. In die houding
+werd hij door het lokaal gedragen en, onder de brandende pijn van het gemeesmuil der geheele school, op zijn eigen plaats
+neergezet. Toen bleef de meester gedurende een paar vreeselijke minuten v&oacute;&oacute;r hem staan, en verhuisde eindelijk weder zonder
+een woord te spreken naar zijn troon. En Tom, ofschoon zijn ooren suisden, juichte in zijn hart.
+
+</p>
+<p>Toen de school tot rust was gekomen, deed Tom eene oprechte poging om te leeren, maar de verwarring in zijn hoofd was te groot.
+Op zijn beurt nam hij deel aan de leesles en brabbelde verschrikkelijk; daarna aan de aardrijkskundige les en maakte van meren
+bergen, van bergen rivieren en van rivieren landen, totdat de aarde weer een chaos geworden was; eindelijk ook aan de spel-les,
+maar daarvan kon hij niets maken en z&oacute;&oacute; verspeelde hij zijn onderscheidingsteeken, dat hij met zooveel trots maanden lang
+had gedragen.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e1142"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk VII.</h2>
+<p>Hoe meer Tom zijn best deed on zijne gedachten bij zijn boek te houden, des te meer dwaalden zij af, totdat hij het ten laatste
+zuchtende en gapende opgaf. Het was hem alsof de middag-vacantie nooit zou komen. &#8217;t Was <a id="d0e1147"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1147">59</a>]</span>doodstil. De atmosfeer waarin hij ademde, scheen den eeuwigen slaap ingesluimerd te zijn. &#8217;t Was de heetste van al de heete
+zomerdagen, en het gebrom van vijf en twintig studeerende scholieren had een even slaapwekkenden invloed als het gegons van
+een bijenzwerm.
+
+</p>
+<p>In de verte, in den glans van den zonneschijn, verhieven zich door een lichten, doorschijnenden sluier van warmen zomerdamp,
+dien de afstand met purper had getint, de groene heuvelen van Cardiff. Een enkele vogel zweefde op trage vleugelen hoog in
+de lucht, en verder was er geen levend wezen te zien, behalve eenige koeien en ook die waren ingedommeld. Tom snakte naar
+vrijheid en naar iets dat hem genoeg belangstelling inboezemde on de vervelende uren door te worstelen. Hij liet zijne hand
+in zijn zak glijden en een gloed van dankbaarheid, welke zich, zonder dat hij er zich zelf van bewust was, in een gebed uitte,
+overtoog zijn omhooggekeerd gelaat. Daar kwam tersluiks de percussiedoos voor den dag. Hij liet een schallebijter los en zette
+dien op de lage, platte lessenaar. Het beestje was niet minder erkentelijk dan Tom, doch zijne blijdschap bleek wat voorbarig
+te zijn geweest, want toen het dankbaar pogingen deed om te ontkomen, legde Tom het, met behulp van een speld, op den rug
+en dwong het een anderen weg te nemen.
+
+</p>
+<p>Tom had zijn boezemvriend naast zich, die onder hetzelfde leed gebukt ging als zijn makker en, vol vreugde over de afleiding,
+oogenblikkelijk een warme belangstelling in deze vermakelijkheid aan den dag legde. Die boezemvriend was Joe Harper. De beide
+jongens waren de gansche week door verklaarde vrienden, maar &#8217;s Zaterdags meestal geslagen vijanden. Joe nam een speld uit
+de panden van zijn buisje en begon de behulpzame hand te bieden om <a id="d0e1153"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1153">60</a>]</span>het diertje mores te leeren. Het spel werd terstond hoogst belangwekkend. Spoedig verklaarde Tom, dat zij met elkaar in botsing
+kwamen en daardoor geen van beiden iets aan den schallebijter hadden. Hij nam Joe&#8217;s lei en trok een lijn op de lessenaar van
+boven naar beneden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu,&#8221; zeide hij, &#8220;zoolang hij op uw grondgebied blijft, moogt gij hem prikken, en ik zal er mij niet mede bemoeien, maar als
+hij aan mijne zijde komt, moet ge hem met vrede laten, zoolang ik hem beletten kan de grenzen over te trekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Best! Vooruit maar;&#8212;laat hem los.&#8221;
+
+</p>
+<p>De schallebijter ontsnapte Tom en stak de evenachtslijn over. Na een tijdlang door Joe geplaagd te zijn liep hij weg en ging
+naar Tom. Dit veranderen van grondgebied duurde een geruimen tijd voort. Terwijl de eene jongen het beest met hart en ziel
+kwelde, keek de andere met een even groote belangstelling toe, en de beide hoofden bogen zich te zamen over de lei en beide
+zielen gingen gansch en al in de pret op. Eindelijk scheen de fortuin ten gunste van Joe te keeren en bij hem te blijven.
+De schallebijter deed wat hij kon om los te komen en werd bijna even opgewonden en angstig als de knapen zelven. Juist toen
+hij op het punt stond van de klauwen van Joe te ontsnappen en Tom&#8217;s vingers alweder jeukten om hem in zijne macht te krijgen,
+versperde de eerste hem met zijne speld den weg tot zijn grondgebied. Tom kon het niet langer uithouden. De verleiding was
+te groot. Hij stak zijne hand uit en kwam met zijne speld over zijne grenzen. Joe werd boos en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, laat hem aan zijn lot over.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wou hem alleen maar een beetje helpen, Joe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat is niet eerlijk; laat hem aan zijn lot over.&#8221;
+<a id="d0e1167"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1167">61</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Pas op of ik ga hem helpen zoo hard als ik wil.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, laat hem met rust, zeg ik je.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik doe het niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je zult;&#8212;hij is op mijn grondgebied.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, Joe Harper, wien behoort hij toe?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het kan mij niet schelen, wien hij toebehoort; hij is aan mijn kant en je zult hem niet aanraken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wedden, dat ik het toch doe. &#8217;t Is mijn schallebijter en ik zal met hem doen wat ik verkies.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op eens voelde Tom een klap op zijn schouder en Joe een anderen op den zijnen. Twee minuten lang zag men een rookwolk uit
+de buizen der jongens opgaan en hoorde men de gansche school lachen. De knapen waren te zeer in hun spel om de stilte te bemerken,
+die zich over de school had verspreid, even voordat de meester op zijn teenen naar hen toegeslopen en tegen hen over was gaan
+staan. Hij had het tooneel op zijn gemak gadegeslagen en daarna de verraderlijke klappen toegebracht.
+
+</p>
+<p>Toen de school &#8217;s middags uitging, vloog Tom naar Becky Thatcher toe en fluisterde haar in &#8217;t oor:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zet je hoed op en zeg dat je naar huis gaat; en als je den hoek van de straat om zijt, loop dan van de kinderen af, sla de
+steeg in en keer zoo naar de school terug. Ik zal den anderen kant gaan: dan komen wij elkaar vanzelf tegen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop verliet Tom de school en voegde zich bij een groep kinderen, die eene andere straat insloegen dan de kameraadjes van
+Becky. Heel spoedig kwamen de knaap en het meisje elkaar midden in &#8217;t steegje tegen, keerden naar het schoollokaal terug,
+dat zij nu geheel voor zich hadden. Zij gingen naast elkander zitten met een lei voor zich. Tom gaf Becky een griffel, stuurde
+haar hand en <a id="d0e1190"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1190">62</a>]</span>riep op deze wijze een wonderbaar huis in het aanzijn.
+
+</p>
+<p>Doch de teekenwoede duurde niet lang en ze begonnen samen te praten. Tom was in den derden hemel van geluk en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je van ratten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, ik heb een hekel aan die dieren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook,&#8212;ten minste aan levende. Maar ik meen doode, die je aan een touwtje over je hoofd kunt laten draaien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, ik geef niet veel om ratten, ook niet om doode. Maar, weet je waar ik van houd? Van gom kauwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, ik heb toevallig een paar stukjes bij mij. Eerst mag jij een beetje kauwen en dan ik weer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was prettig; ze kauwden beurt om beurt en schommelden met hun beenen onder de bank van pleizier.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben je wel eens in een paardenspel geweest?&#8221; vroeg Tom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja; mijn pa neemt me wel eens mee, als ik zoet ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben er drie of vier malen geweest. Neen nog meer. De kerk is geen lor waard in vergelijking met een paardenspel. Daar
+zie je altijd door wat. Als ik groot ben, wordt ik clown in een paardenspel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wezenlijk? Dat zal heerlijk wezen! De clowns zijn immers die mooi aangekleede mannen vol gekleurde spikkeltjes?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, en ze krijgen schatten van geld; meestal een dollar daags. Dat zegt Ben Rogers ten minste. Zeg eens, Becky, ben je wel
+eens ge&euml;ngageerd geweest?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is dat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ge&euml;ngageerd, om te gaan trouwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou je het wel willen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien wel. Ik weet het niet. Wat moet je dan doen?&#8221;
+<a id="d0e1226"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1226">63</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Doen? Je zegt eenvoudig tegen een jongen, dat je nooit iemand anders hebben wilt dan hem, nooit, nooit, nooit&#8212;en dan geef
+je hem een zoen. Iedereen kan het doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een zoen? Waarom geef je elkaar een zoen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, weet je&#8212;wel&#8212;omdat.... ze dat allemaal doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alle menschen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, alle menschen die van elkaar houden. Weet je nog wel wat ik van morgen op mijn lei geschreven heb?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja&#8212;a.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat was het?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zeg ik je niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal ik het je zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is goed,&#8212;maar op een anderen keer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, nu.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, nu niet, maar morgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, als je blieft, nu Becky. Ik zal het zoo zachtjes zeggen, dat je het bijna niet hooren kunt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Becky aarzelde en Tom zag het stilzwijgen voor toestemmen aan. Hij sloeg zijn arm om haar middel en fluisterde haar de oude
+geschiedenis in &#8217;t oor, terwijl hij er bijvoegde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu moet je het mij ook influisteren,&#8212;precies hetzelfde.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij zweeg een oogenblik en sprak toen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Keer je gezicht naar den anderen kant, zoodat je mij niet zien kunt, dan zal ik het doen. Maar je moogt het niemand vertellen.
+Beloof je me dat op je woord van eer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja. Kom zeg het nu, Becky.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij keerde zijn gezicht on. Zij boog zich schroomvallig naar hem toe, zoo dicht dat hij haar adem onder zijn krulhaar voelde
+en fluisterde:
+<a id="d0e1265"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1265">64</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik&#8212;houd&#8212;dol&#8212;van je.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen sprong zij weg en liep on de lessenaar en banken heen en Tom achter haar aan, totdat zij zich eindelijk in een hoek verschanste
+en haar wit schortje over haar gezichtje trok. Tom pakte haar om den hals en zei smeekend:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, Becky, is het klaar behalve de zoen. Wees daar maar niet bang voor, dat is niets. Toe, Becky.&#8221;
+
+</p>
+<p>En met deze woorden trok hij aan haar boezelaar, totdat deze langzaam naar beneden gleed en zij zich met gloeiende wangen
+aan de operatie onderwierp. Tom zoende de roode lipjes en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is het geheel en al in orde, Becky. En nu weetje vooreens en voorgoed, dat je van niemand anders dan van mij moogt houden
+en met niemand dan met mij moogt trouwen; neen, nooit, nooit. Beloof je dat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ik zal van niemand anders houden dan van jou, Tom. Maar jij moogt ook met niemand anders trouwen dan met mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Natuurlijk. Dat spreekt vanzelf. En nu hoort er ook bij, dat je bij het naar school of naar huis gaan met me wandelt, ten
+minste als niemand het ziet, en dat bij feestjes jij mij en ik jou kies. Dat doen ge&euml;ngageerde menschen altijd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat vind ik heel aardig. Ik had er nog nooit van gehoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, het is zoo prettig. Toen ik met Amy Lawrence...&#8221;
+
+</p>
+<p>De groote oogen van Becky zeiden Tom, dat hij een flater begaan had, en hij hield verlegen op.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Tom! Dus is het niet de eerste keer, dat je ge&euml;ngageerd bent?&#8221;
+
+</p>
+<p>Het kind begon te schreien, en Tom zeide:
+<a id="d0e1290"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1290">65</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Och, schrei niet, Becky; ik geef niets meer om haar.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat doe je wel, Tom,&#8212;ik weet, dat je het wel doet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom trachtte zijn arm on haar hals te slaan, doch zij duwde hem terug en wendde schreiend haar gelaat naar den muur. Tom beproefde
+het, onder het spreken van allerlei vleiende woordjes, nogmaals, maar met hetzelfde gevolg. Toen werd hij boos en rende met
+groote stappen de deur uit.
+
+</p>
+<p>Een poosje bleef hij met een onrustig hart buiten staan, wierp nu en dan een blik naar de deur, in de hoop dat zij berouw
+krijgen en naar hem toe zou komen, maar zij kwam niet. Toen begon hij te denken, of hij ook ongelijk kon hebben. Het was een
+harde strijd on de eerste pogingen tot toenadering te doen, doch hij vermande zich en trad de school binnen. Zij stond nog
+in denzelfden hoek, snikkende, met haar gelaat tegen den muur. Diep ontroerd ging Tom naar haar toe en bleef een oogenblik
+voor haar staan, zonder eigenlijk te weten wat hij zeggen moest. Toen sprak hij aarzelend:
+
+</p>
+<p>&#8220;Becky&#8212;ik&#8212;ik geef om niemand dan om jou.&#8221;
+
+<span class="corr" title="Bron: &#8220;"></span>Geen antwoord;&#8212;niets dan snikken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Becky, waarom spreek je niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>Hevige snikken.
+
+</p>
+<p>Tom haalde zijn grootste schat voor den dag, een koperen knop van een schelkoord, hield haar dien voor en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Becky, die is voor jou; neem hem, als je blieft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij smeet het geschenk op den grond. Toen stapte Tom de deur uit en ijlde naar buiten, naar de heuvelen, om dien dag niet
+meer naar school terug te keeren.
+
+</p>
+<p>Nauwelijks was hij verdwenen, of Becky gevoelde berouw. <a id="d0e1315"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1315">66</a>]</span>Zij liep naar de deur, doch Tom was niet meer in het gezicht. Zij ijlden over de speelplaats: ook daar was hij niet. Toen
+gilde zij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom! Tom! kom terug.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij luisterde aandachtig, doch er kwam geen antwoord; zij was met de stilte en het gevoel van verlatenheid alleen. Er schoot
+haar niets over dan te gaan zitten, opnieuw te schreien en zich zelfverwijten te doen. Daarbij moest zij haar verdriet voor
+de langzamerhand weer bijeenkomende schoolkinderen verbergen en het kruis opnemen van een langen, drukkend warmen achtermiddag
+in de school te zitten, zonder iemand te hebben, voor wien zij haar hart kon uitstorten.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e1321"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk VIII.</h2>
+<p>Tom sloop voort door straten en stegen, totdat hij uit het vaarwater der terugkeerende schooljeugd was, en gaf zich toen aan
+zijne sombere gemoedsstemming over. Hij stak een paar malen met een schuitje een smal strookje der rivier over, omdat er onder
+de jeugd eene overlevering bestond, dat het oversteken van water voor vervolging bewaart. Een half uur later was hij achter
+het huis van de weduwe Douglas, dat op Cardiff Hill stond, verdwenen, en het schoolgebouw was nauwelijks meer in de vallei
+achter hem te onderkennen. Hij trad een dicht woud binnen, kroop door struiken en ongebaande wegen voort, totdat hij het midden
+bereikt had, waar hij zich op een mosachtig plekje onder een breedgetakten eik nederzette. Er was geen zuchtje in de lucht;
+de drukkende middaghitte, <a id="d0e1326"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1326">67</a>]</span>scheen zelfs de zingende vogels tot rust gebracht te hebben. De natuur lag in een staat van bewusteloosheid, welke door geen
+geluid werd verbroken, dan bijwijlen door het verwijderd gehamer van den boomspecht en dit scheen de alles doordringende stilte
+nog stiller en de eenzaamheid nog eenzamer te maken. De ziel van Tom was erg bedroefd en zijne gevoelens waren in volkomen
+overeenstemming met het hem omringend tooneel. Met de ellebogen op de knie&euml;n gesteund en de handen onder de kin, bleef hij
+in gepeins verzonken zitten. De aarde scheen hem op zijn best een tranendal en hij benijdde bijna Jimmy Hodges, die daaruit
+was verlost. Het moest zoo vreedzaam wezen, dacht hij, on voor eeuwig in droomen verzonken onder de aarde te liggen, terwijl
+de wind door de boomen ruischt en het gras en de bloemen kuste, en er niets meer was om zich over te kwellen en te bedroeven.
+Indien hij slechts een goed getuigenis van de zondagsschool kon mede krijgen, zou hij volgaarne willen optrekken en met dit
+leven niets meer te maken hebben. En wat nu dit meisje betreft,&#8212;wat had hij gedaan? Niets. Hij had het goed met haar voorgehad
+en was als een hond behandeld, ja, als een hond. Eens zou het haar berouwen, wellicht wanneer het te laat was. O, indien hij
+slechts <i>tijdelijk</i> mocht sterven.
+
+</p>
+<p>Doch het veerkrachtig gemoed der jeugd blijft niet lang in een kunstmatig opgeschroefden staat van droefheid en moedeloosheid.
+Weldra werd Tom onmerkbaar tot de bemoeiingen van dit leven teruggevoerd. Als hij de wereld eens den rug toekeerde en <span class="corr" title="Bron: geheimzinning">geheimzinnig</span> verdween? Als hij eens heenging&#8212;ver,&#8212;ver weg, in onbekende landen over de zee&#8212;en nooit terugkwam? Hoe zou zij zich dan wel
+gevoelen? Het denkbeeld van clown te worden <a id="d0e1336"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1336">68</a>]</span>kwam hem ook weder voor den geest, doch alleen om hem met afschuw te vervullen. Want, was het zich moeten bezighouden met
+grappen en kluchten en met gouden sterretjes bezaaide tricots niet eene beleediging voor een geest, die omhooggestegen was
+naar het onbestemde, verheven rijk van het onbegrijpelijke. Neen, hij zou soldaat worden, en na jaren en jaren van krijg voeren,
+het strijden moe, met roem beladen wederkeeren. Neen, nog beter; hij zou zich bij de Indianen en buffeljagers voegen en het
+oorlogspad betreden in de bergen, in de onmetelijke, ongebaande vlakten van het verre Westen en later terugkeeren als een
+groot opperhoofd, getooid met schitterende vederen en afzichtelijk met verf besmeerd&#8212;en hij zou op een zomerschen sabbatmorgen
+met eene hooge borst de zondagsschool binnentreden en daar een krijgsgeschreeuw aanheffen, dat zijne makkers het bloed in
+de aderen deed stollen en hen doen verteren van jaloezie. Ook dat niet; er was iets nog grootscher dan dit. Hij zou zeeroover
+worden. Ja, dat was het! <i>Nu</i> lag de toekomst duidelijk voor hem, schitterend van ondenkbare pracht. Zijn naam zou de aarde vervullen en de volkeren doen
+beven. Hoe roemrijk zou hij de woedende zee&euml;n ploegen met zijn snelvarend, zwart gekleurd roofschip, &#8220;De Geest van den Storm,&#8221;
+welks schrikaanjagende vlag grimmig van de voorplecht zou wapperen. En wanneer hij het toppunt van roem had bereikt, zou hij
+op eens in het oude stadje terugkomen en de kerk binnen stappen met een door storm en onweer gebruinde huid, in een zwartfluweelen
+wambuis en wijde broek, met hooge kaplaarzen, donkerroode sjerp en met zware pistolen gevulden gordel en een in misdaad geroesten
+hartsvanger aan de zijde. En zijn hoofd zou bedekt zijn met een diep in de oogen gedrukten hoed, met een wuivenden vederbos
+<a id="d0e1341"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1341">69</a>]</span>getooid, en in de hand zou hij dragen zijn ontplooide banier, die met een schedel en gekruiste doodsbeenderen beschilderd
+zou zijn, en met namelooze verrukking zouden zijne ooren het gefluister vernemen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dit is Tom Sawyer, de zeeroover, de schrik der Spaansche zee!&#8221;
+
+</p>
+<p>Ja, zijn plan stond vast, zijn loopbaan was aangewezen. Hij zou van huis wegloopen en zoo spoedig mogelijk zijn nieuw beroep
+ter hand nemen, hij zou morgen vertrekken en daarom oogenblikkelijk met het maken van de noodige toebereidselen aanvangen
+en zijne bezittingen bijeenverzamelen.
+
+</p>
+<p>Te dien einde liep hij naar een verrotte houtmijt, welke in de nabijheid stond en begon die met zijn mes aan de eene zijde
+te ondergraven. Spoedig stootte hij op een stuk hout dat hol klonk, legde zijn hand daarop en sprak met nadruk het volgende
+tooverformulier uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat nog niet hier is, kome! Wat hier is blijve!&#8221; Toen schraapte hij de aarde weg en er kwam een steen voor den dag. Deze
+werd weggenomen en daar vertoonde zich een keurig schatkamertje, welks bodem en zijwanden van opeengehoopte steentjes gemaakt
+waren en waarin een knikker lag. Verbaasd staarde Tom den knikker aan. Hij krabde het hoofd en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, is het mogelijk!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen duwde hij den knikker gemelijk weg en bleef in gedachten verzonken staan.&#8212;Wat was er gebeurd? De zaak was deze: Tom bemerkte,
+dat hij zich in iets, hetgeen hij en zijne makkers steeds als eene onfeilbare zekerheid hadden beschouwd, bedrogen had. Hij
+geloofde dat, wanneer een knikker met de noodige bezweringen werd begraven en dan een dag of veertien rustig in den schoot
+<a id="d0e1355"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1355">70</a>]</span>der aarde gelaten en daarna met de tooverwoorden die hij juist had uitgesproken, weer opgegraven werd, men al de knikkers,
+die men ooit verloren had, daar in dien tusschentijd bijeengekomen zou vinden, hoe wijd zij ook over de wereld verspreid mochten
+zijn. Tom&#8217;s vertrouwen in dit bijgeloof was tot op zijn fondamenten geschokt. Hij had menigmaal gehoord, dat deze proef gelukt,
+maar nooit dat zij mislukt was.
+
+</p>
+<p>Het kwam niet in hem op, dat hij het verscheidene malen te voren beproefd had, maar dat hij de plaats, waar hij de knikkers
+had verborgen, nooit had kunnen vinden. Hij dacht zich half suf over de zaak en kwam eindelijk tot het besluit, dat er een
+heks tusschenbeide was gekomen, die de betoovering verbroken had. Toch wilde hij zich op dit punt overtuigen en zocht, totdat
+hij een klein zanderig plekje met een trechtervormig indruksel gevonden had. Hij legde zich naast dat plekje op den grond,
+met den mond vlak op het indruksel en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Kevertje, kevertje, zeg mij wat ik weten moet!
+
+</p>
+<p>&#8220;Kevertje, kevertje, zeg mij wat ik weten moet!&#8221;
+
+</p>
+<p>Het zand begon te werken en voor een oogenblik kwam er een zwart kevertje voor den dag, dat echter spoedig doodelijk verschrikt
+wegholde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zegt niets! Dus was het een toovenaar, die het gedaan heeft. Ik dacht het wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom wist wel hoe weinig het baatte tegen heksen te strijden en gaf het plan ontmoedigd op. Doch daar schoot hem in de gedachten,
+dat hij den knikker, dien hij juist had weggeworpen, toch wel gaarne terug zou hebben, en ging hem dus geduldig zoeken. Helaas!
+hij kon hem niet meer vinden. Toen keerde hij naar zijn schatkamer terug en zette zich behoedzaam neder in dezelfde houding,
+als <a id="d0e1369"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1369">71</a>]</span>toen hij den knikker had weggeduwd. Daarop nam hij een anderen knikker uit den zak, slingerde dien eveneens weg en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Broeder, ga uw broeder halen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij zag waar de knikker zou stilhouden en ging derwaarts om hem na te kijken. Doch het speeltuig was niet ver genoeg of te
+ver gerold; dus wendde hij een tweede poging aan. Deze laatste werd met een goeden uitslag bekroond, want de beide knikkers
+lagen omtrent een duim van elkaar af.
+
+</p>
+<p>Juist op dat oogenblik verhief zich door het groene gewelf des wouds het geschal van een tinnen trompet. In een oogenblik
+had Tom buis en broek uitgetrokken, van zijne bretels een gordel gemaakt, eenige takken achter de mijt bijeen vergaard, een
+ruwen pijl, een boog, een houten zwaard en een trompet voor den dag gehaald en was, met deze zaken beladen, blootbeens en
+in een fladderend hemd weggeijld. Onder een grooten olmboom hield hij stil, beantwoordde het trompetgeschal en begon op zijne
+teenen loopende, omzichtig in alle richtingen rond te kijken. Toen riep hij zacht tot een denkbeeldigen makker:
+
+</p>
+<p>&#8220;Halt, grappenmaker! Houd u schuil, tot ik blaas.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar verscheen Joe Harper, even luchtig gekleed en zwaar gewapend als Tom. Deze riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Halt! Wie komt hier in de wouden van Sherwood zonder vrijgeleide?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Guy van Guisborne heeft niemands vrijgeleide noodig. Wie zijt gij, dat ...?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat gij dus durft spreken,&#8221; vulde Tom aan, want de knapen waren bezig eene plaats uit een boek op te zeggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie zijt gij, dat ge dus durft spreken?&#8221;
+<a id="d0e1389"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1389">72</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik? Wel, ik ben Robin Hood, zooals uw schavuitengeraamte spoedig zal bemerken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zijt gij waarlijk de beruchte bandiet! Zeer aangenaam zal het mij zijn met u over den vrijen doortocht door deze wouden
+te twisten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Pas op!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij trokken hunne houten zwaarden, wierpen hunne andere wapenen op den grond en begonnen een ernstig en bedaard tweegevecht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom,&#8221; zeide Tom, &#8220;als gij goed slaags zijt geraakt, zet het dan met kracht door.&#8221;
+
+</p>
+<p>En zij zetten het met kracht door, totdat zij hijgden en zweetten van inspanning. Eindelijk zeide Tom:
+
+</p>
+<p>&#8220;Val! val! Waarom val je niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik doe het niet. Waarom val je zelf niet? Je bent er het ergste aan toe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, dat behoort zoo niet. <i>Ik</i> kan niet vallen. Dat staat niet in het boek. Het boek zegt:
+
+</p>
+<p><span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>&#8216;Toen viel hij Guy van Guisborne van achteren aan en sloeg hem neder.&#8217; Nu moet gij u omkeeren en mij u in den rug laten treffen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tegen dit gezag viel niet te twisten en Joe keerde zich om, ontving den slag en viel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu,&#8221; zeide hij, toen hij weder opstond, &#8220;Nu moet gij mij u laten doodmaken; dat is eerlijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, dat kan ik niet doen. Dat staat niet in het boek.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, dat is gemeen<span class="corr" title="Bron: ">.</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, Joe, je moogt Tuck de monnik of Muck de zoon van den molenaar zijn en mij met een knuppel afrossen, of ik zal
+de Sherif van Nottingham zijn en jij Robin Hood, dan zul je mij doodmaken.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/plate2.jpg" alt="&#8220;Hier is het,&#8221; zeide de jonge dokter Robinson en hield de lantaarn op."></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Hier is het,&#8221; zeide de jonge dokter Robinson en hield de lantaarn op.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Dit werd goedgekeurd en deze tafereelen uit het boek <a id="d0e1435"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1435">73</a>]</span>werden vertoond. Toen werd Tom weder Robin Hood en de verraderlijke non liet hem doodbloeden door zijne wond te verwaarloozen.
+Joe, die een geheele bende roovers voorstelde, trok hem onder het aanheffen van klaagliederen voort, legde hem zijn boog in
+de zwakke handen en Tom zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar deze pijl zal vallen, begraaf daar den armen Robin Hood onder den groenen boom.&#8221; Toen werd de pijl afgeschoten en Robin
+Hood viel op den rug en zou gestorven zijn, indien hij niet op een brandnetel terechtgekomen en voor een lijk wat al te vlug
+opgesprongen was. Daarop kleedden de knapen zich weder aan, borgen hunne zonderlinge wapenrusting weder op en gingen naar
+huis, vol spijt dat zij geene wezenlijke roovers waren, terwijl zij zich verbaasd afvraagden, in welk opzicht toch de moderne
+beschaving het verlies van de roovers vergoedde. Het eindresultaat was, dat zij verklaarden liever een jaar lang bandieten
+in de wouden van Sherwood, dan voor altijd President van de Vereenigde Staten te willen zijn.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e1439"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk IX.</h2>
+<p>Tom en Sid werden dien avond als gewoonlijk on halftien naar bed gezonden. Ze zeiden hun avondgebed op en Sid was spoedig
+in een zoeten slaap verzonken. Tom lag met koortsachtig ongeduld het middernachtelijk uur af te wachten. Toen hij dacht, dat
+de dag wel haast aan den hemel moest zijn, hoorde hij het tien uren slaan. Dat was wanhopig. Hij was zoo zenuwachtig, dat
+ware hij niet bang geweest Sid wakker te maken, hij grooten lust gehad zou hebben met de voeten te gaan stampen. Doch <a id="d0e1444"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1444">74</a>]</span>hij bleef rustig liggen en staarde in de duisternis. Eerst was het akelig stil. Toen scheen het, dat de angstige stilte door
+nauw merkbare geluiden afgebroken werd. De klok begon door haar getik zijn aandacht te trekken. Het oude kabinet ging geheimzinnig
+aan &#8217;t kraken. Ook de trappen lieten een flauw gekrikkrak hooren. Blijkbaar waarden er geesten rond. Uit tante Polly&#8217;s kamer
+werd een geregeld, half onderdrukt gesnork vernomen. En nu begon het eentonig gepiep van den krekel, dien geen menschelijk
+vernuft kan doen verstommen. Bij dit alles kwam nog het spookachtig getik van een houtworm in het beschot bij het hoofdeinde
+van Toms bed, dat hem deed sidderen. Immers, het beteekende dat iemands dagen waren geteld. En dan nog werd door den adem
+van de nachtkoelte het geluid voortgedragen van een verwijderden hond, dat uit de verte door een nog droeviger gejank beantwoord
+werd. Tom stierf duizend dooden. Eindelijk scheen het alsof de tijd niet meer was en de eeuwigheid een aanvang had genomen.
+Ondanks zichzelven begon hij in te sluimeren; de klok sloeg elf uren, maar hij hoorde het niet. Op eens vermengde zich onder
+zijne verwarde droomen een doodsomber kattengekrol, dat door het openschuiven van des buurmans raam verstoord werd. Een geschreeuw
+van: &#8220;Voort, duivelsche kat!&#8221; en het rinkelen van een leege flesch, die tegen den muur van tantes houtschuur geslingerd werd,
+maakte hem klaar wakker, en in een oogwenk was hij gekleed en uit het raam en kroop op handen en voeten langs het dak. Voorzichtig
+miauwde hij nog een paar malen, sprong toen op het dak van de schuur en van daar op den grond. Daar stond Huckleberry Finn
+met zijne doode kat. De jongens maakten zich weg en verdwenen in de duisternis. Een half uur later doorwaadden zij het lange
+gras van het kerkhof.
+<a id="d0e1446"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1446">75</a>]</span></p>
+<p>De doodouderwetsche godsakker lag op een heuvel, omtrent anderhalve mijl van het stadje verwijderd. Hij was omrasterd door
+een vervallen houten hek, dat op sommige plaatsen binnenwaarts, op andere buitenwaarts leunde, maar nergens rechtop stond.
+Onkruid en gras groeiden er in milden overvloed. Al de grafplaatsen waren verzakt; geen enkele zerk was er te zien; ronde
+wormstekige naamborden waggelden over de graven, alsof zij naar een steun zochten, dien zij nergens vonden. Eens had er op
+gestaan: &#8220;Ter gedachtenis van die of die,&#8221; maar die woorden waren thans bij de meeste, zelfs op klaarlichten dag, onleesbaar.
+
+</p>
+<p>De wind ruischte zachtjes door de boomtoppen en Tom meende in dat geluid de geesten der afgestorvenen te hooren, die zich
+beklaagden, dat zij in hun rust gestoord werden. De jongens spraken weinig en alleen op fluisterenden toon, want de tijd,
+de plaats en de aangrijpende plechtigheid en stilte joegen hen vrees aan. Zij vonden het versch gedolven graf, dat zij zochten,
+onder drie groote olmboomen, die op een paar voet afstands van die plek een klein boschje vormden.
+
+</p>
+<p>Daar bleven zij een (naar het hun scheen) ontzettend langen tijd wachten. Het zuchten van den nachtuil was het eenige geluid,
+wat de doodelijke stilte verbrak. Duizenden akelige gedachten hoopten zich in Toms brein opeen, waar hij ten laatste lucht
+moest geven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hucky,&#8221; zeide hij angstig, &#8220;denk je, dat de doode menschen het prettig vinden, dat wij hier zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>Huckleberry fluisterde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wou, dat ik het wist. &#8217;t Is akelig stil, vind je niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja.&#8221;
+
+</p>
+<p>Er volgde een lange pauze, gedurende welke zij dit onderwerp in hun binnenste bepeinsden.
+<a id="d0e1463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1463">76</a>]</span></p>
+<p>Eindelijk zei Tom nauw hoorbaar:
+
+</p>
+<p>&#8220;Denk je, Huck, dat Hoss Williams ons hoort praten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Natuurlijk,&#8212;ten minste zijn geest.&#8221;
+
+</p>
+<p>Na eene pauze zeide Tom weer:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wou, dat ik gezeid had, mijnheer Williams; maar ik bedoelde geen kwaad. Iedereen noemt hem Hoss.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een mensch kan anders niet te beleefd zijn, als hij over doode menschen spreekt, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit antwoord was niet opwekkend en het gesprek begon weder te kwijnen. Op eens greep Tom zijn kameraad bij den arm en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;St!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er, Tom?&#8221; En de twee klemden zich met kloppende harten aan elkaar vast.
+
+</p>
+<p>&#8220;St! Daar is het weer. Hoor je het niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar,&#8212;hoor je het nu?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O hemel, Tom, daar komen zij. Wat zullen wij doen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet. Denk je, dat ze ons zullen zien?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Tom, zij zien in het donker als katten. Ik wou, dat ik nooit gekomen was.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, wees niet bang; ik geloof niet, dat ze ons zullen plagen. Wij doen geen kwaad. Als wij ons doodstil houden, zullen ze
+misschien niet op ons letten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal mijn best doen, Tom; maar o hemel, ik beef als een riet!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Luister!&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens hielden hunne hoofden bij elkaar en haalden ternauwernood adem. Een bedekt geluid van stemmen werd van het andere
+eind van het kerkhof vernomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk, kijk! daar!&#8221; fluisterde Tom. &#8220;Wat is dat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is duivelsvuur, Tom! Het is vreeselijk!&#8221;
+<a id="d0e1506"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1506">77</a>]</span></p>
+<p>Door de duisternis heen werden nu eenige figuren zichtbaar, die een ouderwetsche lantaarn been en weer bewogen, welke den
+grond met ontelbare lichtspranken bezaaide.
+
+</p>
+<p>Sidderend fluisterde Huckleberry:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zijn de duivels, dat is zeker. Drie! O God. Tom! het is met ons gedaan. Kun je bidden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal het probeeren; wees maar niet bang. Zij zullen ons geen kwaad doen. Ik ga plat op den grond liggen slapen. Ik ...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er, Huck.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zijn duivels in menschengedaante! Een van hen ten minste heeft de stem van Muff Potter!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is toch niet waar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wedden van wel. Blijf zoo stil als een muis liggen. Beweeg je niet. Hij ziet niet scherp genoeg on ons te ontdekken. Zeker
+dronken, zooals gewoonlijk,&#8212;dat gemeene oude vloekbeest!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed, ik zal mij niet bewegen. Nu houden zij stil. Zij kunnen het niet vinden. Daar komen ze weer. Nu zijn ze warm. Nu weer
+koud. Alweer warm. Zij branden zich. En nu gaan ze er recht op af. Zeg eens, Huck, ik herken nog een stem. &#8217;t Is Injun Joe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, dat is zoo. Die fielterige kleurling! Ik houd het er voor, dat de duivels bang voor hem zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het gefluister hield op; de drie mannen hadden het graf bereikt en stonden op een paar voet afstands van de schuilplaats der
+jongens.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier is het,&#8221; zeide de derde stem, en de persoon, aan wien deze toebehoorde, hield de lantaarn op en liet het gelaat van
+den jongen dokter Robinson zien.
+
+</p>
+<p>Potter en Injun Joe droegen een burrie, waarop een <a id="d0e1535"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1535">78</a>]</span>touw en een paar schoppen lagen. Ze legden hun last neder en begonnen het graf open te maken. De dokter plaatste de lantaarn
+aan &#8217;t boveneind van de kuil en zette zich met den rug tegen een der olmboomen. Hij was zoo dicht bij de jongens, dat hij
+hen had kunnen aanraken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maak haast, mannen!&#8221; zeide hij met gedempte stem. &#8220;De maan kan elk oogenblik opkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De gravers bromden ten antwoord iets tusschen de tanden en gingen met delven voort. Een tijdlang werd er geen ander geluid
+gehoord dan het eentonig gekras der spaden, die hare vracht zand en aarde opwierpen. Eindelijk stootte een der schoppen met
+een doffen hollen klank op de doodkist en een minuut daarna hadden de mannen haar uit den kuil geheschen en op den grond gezet.
+Zij lichtten er met hun spaden het deksel af, namen het lijk er uit en wierpen dat met ruwe hand op den grond. Juist kwam
+de maan tusschen de wolken te voorschijn en wierp haar schijnsel op het loodkleurig gelaat. De draagbaar werd gereedgemaakt,
+het lijk er op gelegd, met een deken overdekt en met het touw vastgebonden. Potter haalde een groot snoeimes voor den dag
+en sneed het er bij hangend eind touw af, zeggende:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziezoo, het vervloekte werk is gedaan, mijnheer de viller! En nu dadelijk vijf dollars, of het lijk blijft hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zeg ik ook!&#8221; zeide Injun Joe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat beteekent dit?&#8221; zeide de dokter. &#8220;Je hebt gedwongen, dat ik jelui vooruit zou betalen, en ik heb je betaald.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, en je hebt meer gedaan dan dat,&#8221; zeide Injun Joe, en ging vlak voor den dokter staan, die opgerezen was. &#8220;Vijf jaar geleden
+heb je me op een avond uit je vaders keuken weggejaagd, toen ik om een stuk brood kwam vragen, en zei je dat ik nergens voor
+deugde. En ik zwoer, <a id="d0e1549"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1549">79</a>]</span>dat ik het je betaald zou zetten, al was het over honderd jaar; en toen liet je vader me als een bedelaar in de gevangenis
+stoppen. Denk je dat ik dat vergeten ben. Het bloed der Injuns stroomt me niet voor niets door de aderen. Nu heb ik je, en
+nu zullen we eens afrekenen, hoor je.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij balde de vuist en hield die dreigend den dokter voor het gezicht. Maar deze pakte op eens den booswicht bij den kraag
+en wierp hem op den grond, Potter hief zijn mes op en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Je zult mijn kameraad niet slaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>In een oogenblik was hij met den dokter handgemeen en de twee mannen vochten met kracht en geweld, terwijl zij het gras vertrapten
+en den grond met hunne hielen openscheurden. Injun Joe sprong op met vlammende oogen, greep Potters mes en kroop als een kat,
+loerende op haar prooi, om de strijdenden heen. Opeens rukte de dokter zich los, vatte een der zware planken van Williams
+graf en velde er Potter mede ter aarde. Toen nam de kleurling zijne kans waar en dreef den jongen man het mes tot aan het
+heft in de borst. Deze waggelde, viel op Potter neder en overstroomde dien met zijn bloed. Te gelijker tijd onttrok een wolkenfloers
+dit vreeselijk tooneel aan &#8217;t gezicht en de jongens ijlden in de duisternis weg.
+
+</p>
+<p>Toen de maan weer voor den dag kwam, stond Injun Joe over de twee gestalten heengebogen en aanschouwde die aandachtig. De
+dokter mompelde eenige onsamenhangende woorden, gaf een paar snikken en bleef toen roerloos liggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die schuld is, Godv..., vereffend!&#8221; riep de kleurling uit. Vervolgens plunderde hij het lijk, stak het noodlottige mes in
+Potters open rechterhand en zette zich toen op <a id="d0e1561"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1561">80</a>]</span>de ledige doodkist neder. Drie&#8212;vier&#8212;vijf minuten gingen voorbij en Potter begon zich te bewegen en te kreunen. Hij klemde
+het mes, dat hij in de hand had, vast, hief het in de hoogte, keek er naar en liet het vol huivering vallen. Toen richtte
+hij zich op, wierp het lijk van zich af, en staarde het met verglaasde oogen aan en keek verward in het rond. Zijne oogen
+ontmoetten die van Joe.
+
+</p>
+<p>&#8220;God, wat is dit Joe?&#8221; zeide hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is een gemeene geschiedenis,&#8221; zeide Joe, met een kalm gelaat. &#8220;Waarom heb je het gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik?&#8212;Ik heb het niet gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk eens om je heen! Dat laat zich niet loochenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Potter beefde en werd doodsbleek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht dat ik nuchteren geworden was. Ik had van nacht niet moeten drinken, maar ik voel het nog in mijn hoofd,&#8212;nog erger
+dan toen wij hierheen gingen. Ik ben heelemaal in de war, ik kan mij er nauwlijks iets van herinneren. Zeg eens eerlijk, Joe,
+oude jongen, heb ik het gedaan? Het was mijne bedoeling niet. Zeg eens, hoe ik het gedaan heb, Joe!&#8212;O &#8217;t is ontzettend, zoo&#8217;n
+jonge beste man!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, jelui vocht samen en hij sloeg je met een plank en je viel plat op den grond en toen stond je waggelend op en greep
+het mes, en toen hij je nog een slag wou geven, stak je het hem door &#8217;t lijf, en daar heb jelui tot nou toe, zoo dood als
+pieren, gelegen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ik wist niet wat ik deed. Ik wil op dezen oogenblik sterven, als ik het wist. Het is alles de schuld van de jenever en
+de opgewondenheid, geloof ik. Ik heb nog nooit in mijn leven een wapen gebruikt, Joe. Gevochten heb ik wel, maar nooit met
+wapenen, dat zal iedereen moeten <a id="d0e1579"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1579">81</a>]</span>zeggen. Joe, vertel het aan niemand. Beloof je me, dat je het nooit vertellen zult, Joe? Ik ben altijd voor je in de bres
+gesprongen, dat weet je. Zul je het nooit zeggen, Joe?&#8221; En de arme man viel voor den verstokten moordenaar op de knie&euml;n en
+wrong smeekend de handen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, je hebt altijd als een eerlijk man met mij gehandeld, Muff Potter, en ik zal je met gelijke munt betalen. Me dunkt,
+mooier kan ik het niet zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Joe, je bent een engel. Ik zal er je voor zegenen, zoolang ik leef.&#8221; En Potter begon te schreien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom, schei maar uit,&#8221; zei Joe, &#8220;&#8217;t Is nouw geen tijd om te janken. Ga jij dezen kant uit, dan zal ik den anderen weg gaan.
+Voort nu en laat geen spoor van je achter!&#8221;
+
+</p>
+<p>Potter liep weg op een draf, die weldra in een hollenden pas overging. De kleurling stond hem na te kijken en mompelde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Als hij maar zoo duizelig van den val en zoo dronken van den brandewijn is, als hij er uitziet, zal hij niet aan het mes
+denken, totdat hij te ver weg en te bang is on naar eene plaats als deze alleen terug te keeren. Dat kuiken!&#8221;
+
+</p>
+<p>Een paar minuten later was de maan de eenige, die het in de deken gewikkelde lijk, de deksellooze doodkist en het open graf
+aanschouwde, en heerschte er weder eene volmaakte stilte op het kerkhof.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e1593"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk X.</h2>
+<p>De beide knapen ijlden sprakeloos van ontzetting den weg op naar de stad. Van tijd tot tijd zagen zij angstig om, als vreesden
+zij achtervolgd te worden. In elken <a id="d0e1598"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1598">82</a>]</span>boomtronk, die zich op den weg verhief, meenden zij een vijand te zien, en dat deed hun den adem inhouden, en telkens wanneer
+zij een eenzame nabij de stad gelegen hut voorbijrenden, scheen het geblaf der opgeschrikte kettinghonden hunne voeten vleugelen
+aan te binden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als wij het maar tot de oude looierij kunnen brengen, voordat wij het afleggen,&#8221; fluisterde Tom, en hijgde bij ieder woord
+naar adem. &#8220;Ik kan het niet langer uithouden!&#8221; Huckleberry antwoordde met een zwaren zucht en de knapen vestigden hun oogen
+op het doelwit hunner hoop en spanden alle krachten in on dat te bereiken. Zij naderden het hoe langer hoe meer, stormden
+eindelijk hals over hoofd de openstaande deur binnen en vielen dankbaar en uitgeput in de donkere schuilplaats neer. Langzamerhand
+bedaarde het kloppen van hun hart en Tom fluisterde: &#8220;Huckleberry, wat denk jij, dat er op staat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als dokter Robinson sterft, loopt het op hangen uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Denk je dat wezenlijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik weet het zeker, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom dacht een oogenblik na en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie zal het vertellen? Wij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat verzin je nou! Verbeeld je, dat er eens iets gebeurde waardoor Injun Joe niet opgehangen werd, dan zou hij ons immers
+op een goeden dag vermoorden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat lag ik juist te bedenken, Huck.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als iemand het zeggen moet, laat Muff Potter het dan doen indien hij er althans niet te gek of te dronken toe is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom antwoordde niets&#8212;en ging voort met denken. Eindelijk zei hij zachtjes:
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, Muff Potter weet het niet. Hoe kan hij het vertellen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom weet hij het niet?&#8221;
+<a id="d0e1624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1624">83</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Omdat hij juist die plank op zijn kop heeft gekregen, toen Injun Joe het deed. Denk jij, dat hij iets kan gezien hebben?
+Denk jij, dat hij iets weet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bij mijne zolen, dat is waar ook, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En bovendien, wie weet of die plank hem niet gedood heeft!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat geloof ik niet, Tom. Hij was dronken, dat kon ik wel zien; dronken, net als altijd. Wel, als Pop zat is, kun je
+wel een kerk op zijn hoofd laten invallen, zonder dat &#8217;t hem deert. Dat zeit hij zelf. Zoo is het natuurlijk precies met Muff
+Potter. Als de man doodnuchteren geweest was, zou de plank hem wel gemold hebben, maar nu niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Na een oogenblik peinzend zeide Tom:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hucky, weet je zeker, dat je je mond kunt houden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, wij <i>moeten</i> den mond houden. Die duivel van een Injun zou er geen been in zien ons als katten te verdrinken, als we van den moord repten
+en hij niet gehangen werd. Hoor eens hier, Tom, laat ons elkaar met een eed beloven, dat wij geen woord zullen spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is goed, Huck; dat zal &#8217;t beste zijn. Zullen wij onze handen opsteken en zweren, dat we...?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, neen, dat is niet voldoende voor zoo iets als dit. Dat is goed voor wissewasjes, vooral onder jongens, die den boel verklappen
+zoodra ze nijdig worden; maar bij zoo&#8217;n groot ding als dit behoort schrift en&#8212;bloed!&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom juichte dit denkbeeld van ganscher harte toe. Er was iets geheimzinnigs en ijzingswekkends in: het nachtelijk uur, de
+duisternis, de omgeving, alles was er mede in overeenstemming. Hij raapte een witten, in de maneschijn liggenden tegel op,
+haalde een stukje rood krijt uit zijn zak en krabbelde, bij het licht van de maneschijn, met moeite de volgende woorden op
+den tegel:
+
+<a id="d0e1648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1648">84</a>]</span></p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Hugh Finn en
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Tom Sawyer zweren,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">dat zij zullen zwijgen over
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">deze zaak, en verklaren, dat zij
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">liever op de plaats zelve zullen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">doodvallen dan ooit de waarheid
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">te verklappen.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Huckleberry was verbaasd over de gemakkelijkheid waarmede Tom schreef en over de prachtige woorden. Hij nam dadelijk een speld
+uit zijn lompen en wilde zich in den vinger prikken, toen Tom zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd op, doe dat niet! De speld is van koper; er mocht eens kopergroen aan zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is kopergroen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is vergif, en als je dat eens insliktet ... Begrijp jij?&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop nam Tom het garen uit een van zijn naalden, en de jongens prikten zich in den duim en drukten er een droppel bloed
+uit.
+
+</p>
+<p>Na lang persen gelukte het Tom de voorletters van zijn naam met bloed op den tegel te teekenen, en gebruikte daarbij zijn
+pink als pen. Toen wees hij Huckleberry, hoe hij een H en een F moest maken, en hiermede waren de formaliteiten der eedsaflegging
+voltooid. Zij begroeven den tegel vlak bij den muur, met de noodige griezelige plechtigheden en onder het spreken van tooverformulieren
+en beschouwden van nu aan hun geheim als heilig en onschendbaar.
+
+</p>
+<p>Onderwijl was, zonder dat de knapen het bemerkt hadden eene gedaante door eene opening aan de andere zijde van het vervallen
+gebouw naar binnen geslopen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom,&#8221; fluisterde Huckleberry, &#8220;mogen wij het nu nooit verklappen?&#8221;
+<a id="d0e1680"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1680">85</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Neen, natuurlijk niet. Wat er ook gebeure, wij mogen, er geen woord van spreken, want als wij dat deden, zouden wij dood
+op den grond vallen,&#8212;begrijp je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat begrijp ik?&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij bleven nog eenige minuten staan fluisteren, toen buiten, omstreeks tien stappen van de plek waar zij stonden, een hond
+zijn lang, somber gejank aanhief. De knapen klemden zich doodelijk ontsteld aan elkander vast.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie van ons beiden zou er om koud zijn?&#8221; bracht Huckleberry, naar adem snakkende, uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het niet. Kijk maar eens door deze scheur in den muur.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, doe jij het zelf, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik, ik kan het niet doen, Huck.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, als je blieft, Tom. Daar begint het weer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O Hemeltje, wat ben ik blij,&#8221; fluisterde Tom. &#8220;Ik ken zijn stem: het is Harbisons hond.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dat is gelukkig!&#8212;Zal ik je eens wat zeggen, Tom? ik was zoo bang, dat het een verdwaalde hond zou zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>De hond begon weder te huilen en weer ontzonk den jongens de moed.
+
+</p>
+<p>&#8220;O wee! Het is Harbisons hond niet,&#8221; fluisterde Huckleberry; &#8220;kijk nog eens Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>Bevende van schrik bracht Tom zijn oog nogmaals voor de opening. Nauwlijks verstaanbaar fluisterde hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;O Huck! Het is een <i>verdwaalde hond</i>!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gauw, Tom, gauw! Wien van ons bedoelt hij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, ik denk ons allebei.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Tom, het is met ons gedaan. Waar ik naar toe zal gaan, is niet twijfelachtig. Ik ben altijd zoo slecht geweest.&#8221;
+<a id="d0e1718"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1718">86</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik ook.&#8212;Dat komt van het uit school blijven en van het ongehoorzaam zijn. Als ik gewild had, zou ik wel even goed hebben
+kunnen zijn als Sid,&#8212;maar, neen, dat zou ik toch niet, natuurlijk niet. Breng ik het er nu dezen keer goed af, dan zal ik
+mijn best doen om voortaan op de zondagsschool op te passen.&#8221; En Tom begon aanstalten te maken tot schreien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij slecht?&#8221; en Huckleberry begon ook te schreien. &#8220;Bewaar me, Tom Sawyer, als jij niet een brave jongen bent geweest in
+vergelijking van mij. O hemeltje, hemeltje, hemeltje! Ik wou, dat ik de helft van jou kansen had!&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom viel hem in de rede en fluisterde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk eens, Huck, kijk eens! Hij staat met zijn rug naar ons toe.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huckleberry keek verheugd door de opening.
+
+</p>
+<p>&#8220;Sapperloot, het is waar. Heeft hij altijd zoo gestaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja; maar ik ben zoo gek geweest het niet te zien. Nu wie zou hij thans op het oog hebben?&#8221;
+
+</p>
+<p>Het gehuil hield op. Tom splitste de ooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;! wat is dat?&#8221; fluisterde hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een geluid als&#8212;als het knorren van een varken. Neen, toch niet; er ligt iemand te snorken, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat is het.&#8212;Waar komt het vandaan, Huck?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof van gindschen kant. Zoo klinkt het ten minste. Pop slaapt hier wel eens met de varkens, maar zijn gesnork is een
+heel ander geblaas. Buitendien geloof ik, dat hij niet meer in de stad durft komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De lust tot het zoeken van avonturen ontwaakte weder in het hart der knapen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hucky, durf jij er langs loopen, als ik vooruit ga?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb er niet veel lust in, Tom. Vooronderstel eens, dat het Injun Joe was!&#8221;
+<a id="d0e1749"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1749">87</a>]</span></p>
+<p>Tom stond een oogenblik in tweestrijd, doch de verzoeking werd te sterk en de jongens besloten het te doen met dien verstande,
+dat zij hunne biezen zouden pakken, als het snorken ophield. Zoo slopen zij op de teenen, achter elkander, naar het andere
+einde van het gebouw. Toen zij zoo wat een pas of vijf van den snorker af waren, trapte Tom op een stok en brak dien met een
+harden krak. De man steunde, keerde zich om, en zijn gelaat werd in den maneschijn zichtbaar.
+
+</p>
+<p>Het was Muff Potter.
+
+</p>
+<p>De knapen waren als versteend blijven staan, toen de man zich bewoog, maar hunne vrees was nu geweken. Zij slopen naar buiten,
+langs de vermolmde schutting en hielden daar stil on elkaar &#8220;goedendag&#8221; te zeggen.
+
+</p>
+<p>Daar klonk weder het somber gehuil door de nachtlucht. De knapen keken om en zagen den vreemden hond staan, vlak bij de plek
+waar Potter lag, en het dier hield zijn hemelwaarts gekeerden kop naar den dronkaard gericht.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, j&eacute;min&eacute;, het geldt <i>hem</i>!&#8221; riepen de knapen in &eacute;&eacute;nen adem uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, Tom; zij zeggen, dat een dag of veertien geleden een hond huilende tegen middernacht langs John Millers huis geloopen
+heeft, en dat toen een Wipperwil<a id="d0e1765src" href="#d0e1765" class="noteref">1</a> op zijn dak is gaan zitten zingen; en toch is daar niemand gestorven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik wel. Maar is Grace Miller niet verleden Zaterdag in de keuken op het vuur gevallen en heeft zij zich niet schrikkelijk
+gebrand?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, maar zij is niet dood. En wat sterker is, zij wordt beter.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Kan wel wezen, doch wacht maar; zij is er zoo <a id="d0e1774"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1774">88</a>]</span>zeker om koud als Muff Potter. Dat zeggen de negers althans en die weten al die soort van dingen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop namen zij peinzend afscheid van elkander.
+
+</p>
+<p>Toen Tom het raam van zijne slaapkamer insprong, had de dag omtrent voor den nacht plaats <span class="corr" title="Bron: gnmaakt">gemaakt</span>. Hij kleedde zich behoedzaam uit en viel in slaap, zich gelukwenschend dat niemand iets van zijn uitstapje bemerkt had. Maar
+hij wist niet, dat de zacht snorkende Sid al een uur wakker had gelegen.
+
+</p>
+<p>Toen Tom ontwaakte, was Sid al verdwenen. De zon zag er uit alsof zij reeds lang geschenen had en ook de atmosfeer gaf den
+indruk dat het al laat was. Verschrikt sprong hij het bed uit. Waarom was hij niet geroepen,&#8212;hij, die anders altijd uit zijn
+bed getrokken werd? Dat was een slecht voorteeken. Binnen vijf minuten was hij gekleed en stapte hij met een loom en slaperig
+gevoel de trap af. De familie zat nog rondom de tafel, maar had het ontbijt gebruikt. Er was geene bestraffende stem, doch
+er waren oogen, die zich afwendden, en er was iets stils en plechtigs, dat den schuldigen eene rilling door de leden joeg.
+Hij ging zitten en trachtte vroolijk te kijken doch dat was echter zwaar werk, want zijn glimlach werd niet beantwoord, zoodat
+hij eindelijk diep verslagen de oogen op den grond sloeg. Na het ontbijt nam tante hem onder vier oogen en de hoop dat hij
+slaag zou krijgen maakte Tom bijkans vroolijk; doch niets van dat alles. Zijne tante begon te schreien en vroeg hem, hoe het
+mogelijk was dat hij er behagen in schepte, haar oud hart te breken, en eindigde met hem te zeggen, dat hij maar voort moest
+gaan met zichzelven ongelukkig te maken en hare grijze haren met kommer ten grave te doen dalen, want dat zij het met hem
+opgaf. Dat was erger dan duizend <a id="d0e1785"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1785">89</a>]</span>zweepslagen en Tom voelde iets in zijn hart, dat zwaarder te dragen was dan lichamelijk lijden. Hij schreide, smeekte om vergiffenis,
+beloofde herhaalde malen beterschap en werd toen weggezonden met het gevoel, dat hij slechts ten halve vergeven en ten halve
+vertrouwd werd.
+
+</p>
+<p>Hij verliet de kamer in een staat te ellendig zelfs om wraak jegens Sid te koesteren, zoodat de laatste zich onnoodig achter
+de tuindeur ging verschuilen. Neerslachtig en zwaarmoedig drentelde hij naar school en onderging de hem en Joe Harper wegens
+hun schoolverzuim van den vorigen dag toebedeelde klappen, met het uiterlijk van iemand, wiens hart onder veel zwaarder leed
+gebukt gaat en die aan zulke beuzelingen afgestorven is. Vervolgens zette hij zich op zijne plaats neder, met de ellebogen
+op zijn lessenaar en de handen onder den kin, en tuurden op den blinden muur met dien matten blik, welke van een lijden getuigt,
+dat zijn toppunt bereikt heeft. Daar stoot plotseling zijn elleboog tegen een hard voorwerp. Langzaam en droevig verandert
+hij van houding en neemt het voorwerp op. Het was in een papier gewikkeld. Dit papier wordt ontrold en een lang gerekte zucht
+ontsnapt zijn borst. Zijn koperen schelknop staat voor hem! Dit laatste vedertje brak des kemels rug.
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1765" href="#d0e1765src" class="noteref">1</a></span> Vogel.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e1789"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XI.</h2>
+<p>V&oacute;&oacute;rdat de klok dien morgen &#8220;negen&#8221; had geslagen, verspreidde het akelige nieuws zich plotseling door de geheele stad. Zelfs
+zonder de toen nog onbekende telegraaf vloog het verhaal, met meer dan telegrafischen spoed, van <a id="d0e1794"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1794">90</a>]</span>mond tot mond, van groep tot groep, van huis tot huis. Natuurlijk gaf de schoolmeester vacantie. De St. Petersburgers zouden
+niet geweten hebben hoe zij &#8217;t met hem hadden, indien hij dat niet gedaan had. Er was, zoo luidde het gerucht, een bebloed
+mes vlak bij den vermoorden man gevonden, en dat mes was door iemand herkend als aan Muff Potter toe te behooren. En, werd
+er verder verteld, een man, die laat in den nacht op weg was geweest, had om twee uren na middernacht Potter zich aan een
+beek zien staan wasschen en toen op eens wegsluipen. Al te maal verdachte omstandigheden, vooral het wasschen, dat volstrekt
+niet tot Potters gewoonte behoorde. Men wist ook, dat de gansche stad was doorzocht on dezen &#8220;moordenaar&#8221; op te sporen (het
+publiek heeft in den regel spoedig de bewijzen bij de hand en het vonnis klaar), maar dat hij nergens te vinden was. Men had
+op alle wegen en in allerlei richtingen mannen te paard gezien en de sherif hield zich verzekerd, dat hij v&oacute;&oacute;r den nacht gevat
+zou zijn.
+
+</p>
+<p>De geheele stad liep uit naar het kerkhof. Tom vergat ook voor het oogenblik zijn hartzeer en voegde zich bij den stoet, niet
+omdat hij niet duizendmaal liever overal elders zou zijn heengegaan, maar omdat eene huiveringwekkende onweerstaanbare betoovering
+hem voortdreef. Bij de akelige plaats gekomen, drong hij met zijn klein lichaam door de menigte heen en aanschouwde het afgrijselijk
+tooneel. Het was hem alsof er een eeuw was voorbijgegaan, sedert hij daar geweest was. Op eens werd hij in den arm geknepen.
+Hij keerde zich on en zijne oogen ontmoetten die van Huckleberry. Daarop keken de knapen dadelijk den anderen kant uit en
+hun hart klopte bij de gedachte, dat iemand dien blik van verstandhouding mocht bemerkt hebben. Doch iedereen was aan het
+praten en verdiept in <a id="d0e1798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1798">91</a>]</span>het vreeselijk schouwspel, dat zich voor het oog vertoonde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die arme man! Het is een goede les voor lijkendieven. Muff Potter zal er voor hangen, als ze hem krijgen!&#8221; Dit was zoo ongeveer
+de loop van het gesprek op het kerkhof en de dominee maakte de opmerking, &#8220;dat het een &#8216;Godsoordeel&#8217; was en dat des Heeren
+hand hier kennelijk werd gezien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Plotseling begon Tom van het hoofd tot de voeten te beven want zijn oog viel op het verstokte gelaat van Injun Joe. Op dit
+oogenblik ontstond er eene kleine opschudding onder de menigte en verscheidene menschen riepen: &#8220;Daar is hij! daar is hij!
+Hij komt zelf!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie? Wie?&#8221; herhaalden twintig stemmen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Muff Potter!
+
+</p>
+<p>&#8220;Heila! Hij wordt tegengehouden. Kijk, hij keert terug! Laat hem niet wegloopen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Een paar mannen, die in de boomen geklommen waren boven Toms hoofd, riepen dat hij volstrekt geen pogingen deed om weg te
+loopen en dat hij er achterdochtig en verschrikt uitzag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Duivelsch onbeschaamd!&#8221; zei een der omstanders. &#8220;Zeker wou hij eens rustig een kijkje van zijn werk komen nemen en verwachtte
+geen gezelschap.&#8221;
+
+</p>
+<p>De schare maakte nu plaats voor den sherif, die met veel praalvertoon Muff Potter bij den arm leidende, in haar midden ging
+staan. De arme man zag er verwilderd uit en zijne oogen verrieden den doodsangst, waarin hij verkeerde. Toen hij tegenover
+den verslagene stond, was het alsof hij door eene beroerte getroffen werd; hij verborg zijn gelaat in zijne handen en barstte
+in tranen uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb het niet gedaan, vrienden,&#8221; snikte hij. &#8220;Op mijn woord van eer, ik heb het niet gedaan.&#8221;
+<a id="d0e1818"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1818">92</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wie beschuldigt u?&#8221; donderde een stem.
+
+</p>
+<p>Dit schot scheen doel te treffen. Potter hief het gelaat omhoog en zag met roerende hopeloosheid in het rond. Toen hij Injun
+Joe zag, riep hij uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Injun Joe! gij beloofdet, dat gij het nooit....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is dat uw mes?&#8221; En het bebloed werktuig werd hem door den sherif voorgehouden.
+
+</p>
+<p>Potter zou op den grond gevallen zijn, indien men hem niet aangegrepen had. Toen sprak hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Iets in mijn binnenste zeide mij, dat, als ik niet terugkwam om het te halen....&#8221;
+
+</p>
+<p>Sidderend hield hij op en wuifde met de machtelooze hand, als wilde hij te kennen geven, dat hij zich overwonnen achtte, en
+zeide: &#8220;Zeg het maar, Joe&#8212;zeg het maar;&#8212;het helpt toch niet meer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huckleberry en Tom waren sprakeloos van ontzetting, toen zij den verstokten moordenaar kalm zijne verklaring hoorden afleggen.
+Zij verwachten elk oogenblik, dat God een bliksemstraal uit den helderen hemel op hem zou doen nederschieten, en verwonderden
+er zich over, dat die straf zich voortdurend liet wachten. En toen Injun Joe uitgesproken had en nog levend en gezond voor
+hen stond, verdween uit hun hart de aandrang om hun eed te breken en het leven van den armen bedrogen gevangene te redden
+want deze ellendeling, die er zoo goed afkwam, had zich ongetwijfeld aan den duivel verkocht en het zou gevaarlijk wezen zich
+met het eigendom van een macht als deze in te laten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom zijt gij niet weggebleven? Wat behoefdet gij hier terug te komen?&#8221; vroeg een der omstanders.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik, ik kon niet anders,&#8221; kermde Potter; &#8220;ik zou zoo gaarne weggeloopen zijn, maar ik werd naar deze plaats als gedreven.&#8221;
+En hij begon weder te snikken.
+<a id="d0e1839"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1839">93</a>]</span></p>
+<p>Een paar minuten later, bij het gerechtelijk onderzoek, herhaalde Injun Joe met dezelfde kalmte als den eersten keer zijne
+verklaringen onder eede en de omstandigheid dat hij nu weder niet door den bliksemschicht getroffen werd, versterkte de knapen
+in hun geloof, dat Joe zich aan den Duivel had verkocht. Hij werd thans in hunne oogen het vreeselijkste en belangwekkendste
+wezen, dat zij ooit hadden aanschouwd, en hij boeide hen in zulk eene mate, dat zij hunne oogen niet van hem konden afhouden.
+Bij zichzelven besloten zij, on zoodra de gelegenheid zich voordeed, hem des nachts te bespieden, in de hoop dan iets van
+zijn vreeselijken meester te zien te krijgen.
+
+</p>
+<p>Injun Joe hielp het lijk van den vermoorde optillen en ten vervoer in den ziekenwagen leggen, en onder de sidderende menigte
+werd het gemompel gehoord, dat de wond een weinig bloedde. De jongens dachten, dat deze gelukkige omstandigheid het vermoeden
+in de juiste richting zou wenden, maar ze werden teleurgesteld, want iemand maakte de opmerking, dat &#8220;Muff Potter op drie
+treden afstands van het lijk gestaan had, toen het gebeurde.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het vreeselijk geheim en zijn knagend geweten vervolgden Tom van den morgen tot den avond en verstoorden zelfs zijn nachtrust.
+Op zekeren morgen aan het ontbijt zeide Sid:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, je woelt tegenwoordig den ganschen nacht door en je praat zoo in je slaap, dat je me uren wakker houdt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom verbleekte en sloeg de oogen neder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een kwaad teeken,&#8221; zeide tante Polly, ernstig. &#8220;Je hebt toch niets op je geweten, Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet, dat ik weet,&#8221; antwoordde de knaap, doch zijne hand beefde zoo, dat hij zijne koffie op het tafelblad stortte.
+
+</p>
+<p>&#8220;En je praat zulken onzin,&#8221; zeide Sid. &#8220;Gisterenacht riep je: &#8216;Het is bloed, het is bloed, dat is het!&#8217; Dat heb <a id="d0e1856"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1856">94</a>]</span>je wel twintig keer gezegd. En je zei ook: &#8216;Plaag me niet zoo;&#8212;ik zal het vertellen,&#8217;<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>&#8220;Vertellen? Wat zul je me toch vertellen?&#8221; vroeg tante.
+
+</p>
+<p>De geheele kamer draaide voor Toms oogen in het rond en de hemel weet wat er gebeurd zou zijn, indien de onrust niet uit tantes
+gelaat verdwenen en zij, zonder het zelve te weten, haar neef te hulp was gekomen. Zij zeide: &#8220;O! dat komt van dien vreeselijken
+moord. Ik droom er ook elken nacht van; soms wel, dat ik het zelve gedaan heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ook Marie verzekerde, dat het haar eveneens ging, en Sid scheen bevredigd. Tom echter sloop zoo spoedig weg als hij kon, en
+van dien dag af, klaagde hij over kiespijn en deed des snachts den doek om zijn gezicht. Weinig vermoedde hij echter, dat
+Sid hem uren lang lag te bespieden den doek wegtrok, op zijn elleboog geleund ging liggen luisteren, en dan het verband weer
+handig op zijne plaats schoof. Langzamerhand begon Toms angst te verminderen en werd de kiespijn afgedankt. Indien Sid het
+werkelijk er op aanlegde om iets uit Toms onsamenhangend gemompel op te maken, hield hij het toch zorgvuldig voor zich.
+
+</p>
+<p>Er scheen in Toms oog geen einde te komen aan het spelletje zijner schoolmakkers om lijkschouwing van doode katten te houden,
+en dusdoende aanhoudend zijne kwelling te verlevendigen. Sid merkte dit, dat bij deze instructies, Tom nooit weer lijkschouwer
+wilde wezen, ofschoon hij vroeger bij elke nieuwe uitvinding altijd &#8220;haantje de voorste&#8221; was. Het viel hem ook op, dat Tom
+nooit getuige wilde zijn&#8212;ja, zelfs een in &#8217;t oog loopenden afkeer van vermakelijkheden als deze verkregen had en ze zooveel
+mogelijk vermeed. Sid verwonderde zich daarover, maar zeide niets. Gelukkig gingen deze lijkschouwingen eindelijk uit de mode
+en hielden dus op Toms geweten te pijnigen.
+<a id="d0e1869"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1869">95</a>]</span></p>
+<p>Gedurende dit kommervolle tijdperk zijns levens ging Tom om den anderen of om de twee dagen, zoo dikwijls als hij wist dat
+niemand hem bespiedde, voor het kleine getraliede venster van de gevangenis staan en stak daardoor &#8220;den moordenaar&#8221; al de
+verkwikkingen en lekkernijen toe, waarvan hij zich kon meester maken.
+
+</p>
+<p>De gevangenis van St. Petersburg was een klein steenen gebouw, dat in een moeras vlak buiten het stadje lag, en waarvoor geen
+schildwachten noodig geacht werden. Zij was zelden bezet en Tom kon er dus veilig heengaan om Muff Potter de offeranden te
+schenken, waarmede hij zijn geweten weder eenigszins tot rust zocht te brengen.
+
+</p>
+<p>De bewoners van het stadje zouden zeker anders het gebruik gevolgd hebben om Injun Joe, beteerd en met veeren beplakt in een
+kooi rond te rijden, (de gewone straf van lijkendieven,) maar hij was zulk een berucht en gevreesd persoon, dat niemand de
+leiding van deze onderneming op zich durfde nemen. Injun Joe, van zijn kant, had wel opgepast bij beide zijne getuigenissen
+alleen van het gevecht te spreken, en den voorafgeganen diefstal te verzwijgen. Vandaar dat de zaak vooralsnog niet bij het
+Hof aanhangig werd gemaakt.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e1876"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XII.</h2>
+<p>Een der oorzaken, waardoor Toms geheime kwellingen meer op den achtergrond geraakten, was te vinden in eene nieuwe en gewichtige
+zaak, die zijn gemoed vervulde. Becky Thatcher kwam niet meer op school. Hij had een dag of wat met zijn trots strijd gevoerd
+en getracht te <a id="d0e1881"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1881">96</a>]</span>doen alsof zij niet bestond, maar het was hem niet gelukt. Van lieverlede begon hij weer langs haar vaders huis te slenteren
+en zich ongelukkig te gevoelen. Als zij eens stierf! Die gedachte was genoeg om hem krankzinnig te maken. Hij had geen liefhebberij
+meer in oorlog spelen, zelfs niet in het zeerooverspel. De bekoorlijkheid van het leven was verdwenen en niets dan ellende
+was overgebleven. Hij borg zijn hoepel en zijn kolfstok, want al de pret van hoepelen was voorbij. Zijne somberheid wekte
+tantes onrust en zij begon allerlei soorten van geneesmiddelen op hem toe te passen.
+
+</p>
+<p>Juffrouw Polly behoorde tot die lieden, welke verzot zijn op huismiddeltjes en dwepen met alle pas uitgevonden methodes tot
+verbetering en onderhoud der gezondheid. De lust om van al die dingen de proef te nemen was haar als ingeroest. Zoodra er
+op dit gebied iets nieuws op het tapijt kwam, rustte zij niet eer het aan haar huis was toegepast;&#8212;niet op haar zelve, want
+zij was nooit ziek, maar op ieder ander, dien zij onder handen kon krijgen. Zij had ingeteekend op alle mogelijke tijdschriften
+over de gezondheidsleer en op alle dwaze vertoogschriften over de geneeskunde, en de hoogdravende artikelen waarmede deze
+waren opgevuld, werden door haar met gejuich ontvangen. Al de onzin, die er werd uitgekraamd over ventilatie en de voorschriften
+die gegeven werden over het opstaan en het naar bed gaan, het gebruik van spijs en drank, het nemen van lichaamsbeweging,
+over de gemoedsstemming waarin men moet verkeeren, over de soort van kleeding die men dragen moet, was evangelietaal voor
+haar, en zij bemerkte nooit, dat hare gezondheidsjournalen van de loopende maand gewoonlijk tegenspraken wat zij in de vorige
+met veel ophef verkondigd hadden. Zij was het eenvoudigste <a id="d0e1885"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1885">97</a>]</span>en oprechtste schepsel dat er leefde en werd daardoor gemakkelijk om den tuin geleid. Zij verzamelde al de kwakzalverachtige
+tijdschriften en geneesmiddelen om zich heen, en leefde dan in de overtuiging dat zij een engel in menschengedaante was, die
+den balsem van Gilead aan hare lijdende naasten kwam brengen.
+
+</p>
+<p>Op dat tijdstip waarvan wij spreken, begon de koudwaterkuur aan de orde te komen, en Toms droefgeestigheid kwam haar tot het
+toepassen van de kuur verbazend in de hand. Voor dag en dauw werd hij uit zijn bed gehaald en in de houtschuur gesleept en
+met een stortvloed van koud water overstelpt. Dat water werd met een harden handdoek afgedroogd, en vervolgens werd de jongen
+in natte lakens gewikkeld en onder de dekens gestopt, totdat hij zoo ging zweeten, dat zijn ziel, zooals hij zeide, door zijne
+pori&euml;n kwam kijken.
+
+</p>
+<p>Niettegenstaande al die geneesmiddelen werd de knaap hoe langer hoe neerslachtiger, bleeker en slapper. Toen kwamen de heete
+baden, <span class="corr" title="Bron: zitbaten">zitbaden</span>, stortbaden en douches. De knaap was en bleef droefgeestig. Daarop werd aan de waterkuur een di&euml;et toegevoegd van dunne havergortpap
+en werden er Spaansche vliegen toegepast. Tante Polly toch berekende de inhoudsruimte van haar neef naar die van een kruik
+en vulde hem op, totdat hij vol was.
+
+</p>
+<p>Langzamerhand geraakte Tom door al dat wasschen en plassen in een staat van verdooving en onverschilligheid. Dit verschijnsel
+vervulde de oude dame met schrik en er moest een einde aan gemaakt worden, het kostte wat het wilde. Daar leest zij in de
+courant van een nieuw zenuwmiddel! Dadelijk werd er een flesch besteld, geproefd en goed bevonden. De waterkuur werd opgegeven
+en alles van het zenuwmiddel verwacht. Een theelepeltje vol werd <a id="d0e1896"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1896">98</a>]</span>den knaap ingegeven, waarvan het resultaat in angstige spanning werd te gemoet gezien. Reeds bij de eerste proef week haar
+onrust en keerde de kalmte in haar ziel terug. Immers de onverschilligheid was op eens verdwenen. De knaap, al had zij hem
+op een gloeiende plaat gezet, kon niet schielijker woest en luidruchtig zijn.
+
+</p>
+<p>Wat was hiervan de reden? Tom voelde, dat het tijd werd, weder wakker te worden. Het leven, &#8217;t welk hij thans leidde, mocht
+in zijn treurigen toestand iets romantisch hebben, het was te saai en te gelijk te vol akelige afwisseling om lang z&oacute;&oacute; te
+kunnen blijven. Daarom zon hij op allerlei middelen om er een eind aan te maken, en besloot verzotheid op het nieuwe drankje
+voor te wenden. Hij vroeg er zoo dikwijls om, dat het tante begon te vervelen en zij eindigde met hem te zeggen, dat hij maar
+leeren moest zelf in te nemen en haar er niet meer mede lastig vallen. Ware het Sid geweest, zij zou die liefhebberij in het
+geneesmiddel niet mistrouwd hebben, maar op Tom moest heimelijk een oogje gehouden worden. Tot hare geruststelling echter
+bemerkte zij, dat de inhoud wezenlijk verminderde, doch het kwam niet in haar op te vermoeden, dat de knaap de geneeskracht
+van den drank, niet op zijn eigen lichaam beproefde, maar op den vloer der huiskamer en het vocht in een spleet onder het
+karpet uitgoot.
+
+</p>
+<p>Op zekeren dag was hij daar juist mede bezig, toen tantes gele kat, kopjes gevende en spinnende, naar het theelepeltje kwam
+kijken, blijkbaar vol lust om er van te snoepen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is verboden waar voor jou, poesje,&#8221; zeide Tom tot de kat.
+
+</p>
+<p>Doch de poes maakte een gebaar alsof zij er anders over dacht.
+<a id="d0e1906"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1906">99</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Neen, poes, raak er niet aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De poes hield echter vol.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, als je het dan volstrekt wilt hebben, zal ik het je wel geven, want mij helpt het geen zier. Doch als het je niet goed
+bekomt, kan ik het niet helpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Poesje stemde stilzwijgend toe en Tom spalkte haar den bek open en goot er eene hoeveelheid van den drank in. De kat sprong
+een paar el in de lucht, hief toen een jammerlijk geschreeuw aan, danste de kamer rond, sloeg tegen de meubels, wierp de bloempotten
+omver en gooide alles het onderstboven. Vervolgens ging zij op de achterpooten staan, draaide met den kop en miauwde van angst.
+Daarna liep ze weer als een razende het huis door en bracht overal verwarring en vernieling met zich. Juist toen tante Polly
+de kamer binnenkwam, was zij bezig een paar kostbare planten te vernielen en met een helsch geschreeuw door het open raam
+te springen, inderhaast nog de rest van de bloempotten met zich sleepende. De oude dame stond versteend van schrik over haar
+bril te staren, terwijl Tom op den grond lag te gillen van het lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat, in &#8217;s hemels naam, scheelt de kat, Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik, ik zou het u niet kunnen zeggen,&#8221; grinnikte de knaap.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik heb nog nooit zoo iets gezien. Hoe komt zij zoo?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het wezenlijk niet, tante Polly. Katten doen altijd zoo, als zij schik hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doen ze dat?&#8221; Er was iets in den toon, dat Tom vrees aanjoeg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, tante,&#8221; zeide hij, iets minder boud; &#8220;dat geloof ik ten minste.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geloof je dat?&#8221;
+<a id="d0e1929"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1929">100</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ja.&#8221;
+
+</p>
+<p>De oude dame bukte zich en Tom verbeidde met angst den afloop. Doch hij begreep hare bedoeling te laat. Daar lag het verklappend
+theelepeltje achter de franjes van het bedgordijn. Tante Polly nam het op en hield het hem voor den neus. Tom deinsde terug
+en sloeg de oogen neder. Tante pakte hem bij het gewone handvatsel&#8212;zijn oor&#8212;en kneep dit lichaamsdeel zoo, dat men zijn hoofd
+hoorde kraken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, jongeheer, waarom moest dat stomme dier zoo mishandeld worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik deed het uit medelijden met haar,&#8212;omdat zij geen tante heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen tante, deugniet?&#8212;Wat heeft dat er mede te maken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, heel veel! Omdat, als zij er eene had, deze haar gebrand zou hebben en haar de ingewanden geroosterd als ware zij een
+mensch geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tante Polly voelde plotseling een knagende gewetenswroeging. Hetgeen wreed was voor de kat, kon ook wreed voor een jongen
+wezen. Haar hart werd verteederd. Zij kreeg spijt en hare oogen begonnen vochtig te worden; en hare hand op Toms hoofd leggende,
+zeide zij vriendelijk:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik deed het om bestwil, Tom. En, jongen, &#8217;t <i>heeft</i> u immers goed gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom keek haar aan en zeide, terwijl hij een knipoogje maakte:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet, dat u het voor mij om bestwil gedaan hebt, en ik deed eveneens met de poes. Het heeft haar ook goed gedaan, want
+ik heb haar nooit zoo netjes zien dansen.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, maak dat je wegkomt, voordat ik weer boos word!&#8221; <a id="d0e1955"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1955">101</a>]</span>riep tante uit. &#8220;En doe nu eindelijk je best eens om een brave jongen te worden. Medicijnen behoef je voorloopig niet meer
+te nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom ging dien middag vroeg naar school en bleef voor de deur staan, in plaats van met zijne makkers te spelen. Hij verklaarde
+zich voor ziek en zag er ook niet heel goed uit. Schijnbaar keek hij naar alles, behalve naar hetgeen waarop hij wezenlijk
+zijn oog gericht hield&#8212;namelijk, naar den weg.
+
+</p>
+<p>Daar kwam Jeff Thatcher aan en Toms gelaat klaarde wat op. Hij begon een gesprek met hem en zocht op allerlei manieren iets
+omtrent Becky te weten te komen, doch de looze jongen scheen er niets van te merken. Tom wachtte en wachtte, en zijn oogen
+schitterden telkens, wanneer er een jurkje in het gezicht kwam, doch zoodra hij ontdekte dat de draagster van het jurkje niet
+de rechte persoon was, sloeg hij ze verdrietig neer. Eindelijk kwamen er geen japonnetjes meer voorbij en hij verviel in eene
+hopelooze neerslachtigheid. Hij trad het leege schoolgebouw binnen en gaf zich aan zijn verdriet over. Maar op eens ontdekte
+hij weder een jurkje en zijn hart klopte hoorbaar. Geen minuut later was hij de school uit en als een clown aan het kunsten
+maken. Hij gilde, lachte, zat de jongens achterna, sprong met levensgevaar over het hek, ging op zijn hoofd staan en verrichtte
+al de heldendaden, die hij maar kon uitdenken, terzelfder tijd voortdurend heimelijke blikken werpend op Becky Thatcher, om
+te zien of zij het wel merkte. Doch zij scheen er niet op te letten en keek steeds een anderen kant uit. Was het mogelijk
+dat zij niet zag, dat hij daar was? Toen ging hij zijne gymnastische oefeningen in hare onmiddellijke nabijheid uitvoeren,
+liep met veel lawaai tusschen de jongens door, greep er een <a id="d0e1961"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1961">102</a>]</span>de pet van het hoofd, slingerde die over het dak van de school en danste en sprong, totdat hij vlak voor Becky stond en bijna
+tegen haar aanliep. En zij, zij keerde zich om, en Tom hoorde haar zeggen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ba! sommige menschen verbeelden zich, dat zij ijselijk grappig zijn; zij doen altijd kunsten om gezien te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom werd gloeiend rood en droop verslagen af.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e1967"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XIII.</h2>
+<p>De beleediging van Becky Thatcher bracht bij Tom Sawyer een besluit tot rijpheid. De knaap was aan de uiterste grens van wanhoop.
+Hij was, zoo sprak hij bij zichzelven, een verlaten jongen zonder vrienden; niemand hield van hem. Wanneer de menschen te
+eeniger tijd ontdekten waartoe zij hem gebracht hadden, zouden zij misschien spijt gevoelen over hunne koelheid. Hij had getracht
+te doen wat goed was en had het pad der deugd willen bewandelen, doch zelfs daarin had men hem gedwarsboomd. Aangezien men
+toch niets wenschte dan van hem af te zijn, zou de menschheid haar zin hebben: en zij mocht hem er de gevolgen van toerekenen.
+Waarom zou zij dat niet? Wat recht had hij, de verlatene, on zich daarover te beklagen? Ja, zij had er hem toe gedwongen;
+hij zou een misdadig leven gaan leiden; men had hem geene andere keus gelaten. Inmiddels was hij onder deze alleenspraak een
+eind buiten de stad gekomen en hoorde in de verte het geklingel der bel, die de kinderen naar school riep. Hij snikte bij
+de gedachte, dat hij nooit, nooit meer dat oude gezellige geluid zou hooren; het was zeer hard, <a id="d0e1972"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1972">103</a>]</span>maar hij kon niet anders: de koude wereld had hem er toe gebracht en hij moest zich in zijn lot schikken.
+
+</p>
+<p>Toen begon hij bitter te schreien. Juist op dat oogenblik kwam hij zijn boezemvriend Joe Harper tegen, ook met behuilde oogen
+en blijkbaar met plannen, gewichtig en somber als de zijne. Kennelijk waren deze beide zielen van &eacute;&eacute;ne en dezelfde gedachte
+vervuld. Tom maakte, terwijl hij zijne oogen met zijn mouw afveegde, onder veel snikken zijn besluit bekend, on, ten einde
+de slechte behandeling en het gebrek aan sympathie te huis te ontvluchten, naar buiten in de wijde wereld te gaan rondzwerven
+en nooit terug te komen&#8212;en eindigde met de wensch, dat Joe Harper hem niet vergeten zou.
+
+</p>
+<p>Maar daar kwam het uit, dat Joe juist datzelfde verzoek aan Tom had willen gaan doen en hem deelgenoot maken van een dergelijk
+voornemen. Zijne moeder had hem geslagen, omdat hij room zou gesnoept hebben, die hij nooit geproefd had en waarvan hij niets
+af wist. Het was duidelijk, dat zij haar zoon moede was en van hem ontslagen verlangde te zijn. Als dat zoo was, had hij niet
+anders te doen dan voor dien wil te bukken. Hij hoopte dat zij gelukkig zou wezen zonder hem en dat het haar nooit berouwen
+zou, haar armen jongen uitgedreven te hebben in eene ongevoelige wereld, om daarin te lijden en te sterven.
+
+</p>
+<p>Terwijl de beide knapen droevig voortwandelden, sloten zij samen een nieuw verbond on elkander als broeders bij te staan en
+nimmermeer te scheiden, totdat de dood hen van hun verdriet zou verlossen. Toen begonnen zij plannen te maken. Joe was er
+voor om kluizenaar te worden in een afgelegen grot, van water en brood te leven en dan van koude, ongemak en verdriet te sterven:
+doch na Tom <a id="d0e1980"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1980">104</a>]</span>aangehoord te hebben, kwam hij tot de overtuiging, dat er aan een misdadig leven groote voordeelen verbonden waren, en dus
+stemde hij er in toe zeeroover te worden.
+
+</p>
+<p>Anderhalf uur ten zuiden van St. Petersburg, waar de Mississipi zeer smal was, lag een klein boschrijk eiland, met eene ondiepe
+landingsplaats, en dit werd een zeer geschikt toevluchtsoord geacht. Het was onbewoond en lag ver van den oever, tegenover
+een dicht en eenzaam woud. Daarom werd Jacksons Island gekozen. Wie het mikpunt der zeerooverijen zou zijn, was eene zaak
+die hun niet in de gedachten kwam. Toen zochten zij Huckleberry Finn op en hij voegde zich dadelijk bij hen, daar alle baantjes
+dien vagebond hetzelfde waren. Voor het oogenblik scheidden de vrienden en spraken af, dat zij elkaar op een weinig bezochte
+plek aan den oever der rivier, omstreeks een uur van de stad, zouden ontmoeten, en wel te middernacht, der knapen lievelingsuur.
+Daar lag een klein houtvlot, dat zij hoopten te bemachtigen. Zij zouden alle drie vischhaken en hengels medebrengen en zooveel
+teerkost als zij slechts op de meest geheimzinnige wijze konden buitmaken, zooals dat aan roovers paste. En nog voordat de
+zon ter kimme daalde, hadden zij zich reeds eene kleine vreugde bereid, door uit te strooien, &#8220;dat de stad eerlang van iets
+hooren zou.&#8221; Allen, die deze vage mededeeling ontvingen, werden verzocht te zwijgen en te wachten.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/plate3.jpg" alt="&#8220;Zeg jongens,&#8221; zeide Tom, &#8220;ik wou dat de jongens ons nu eens konden zien.&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Zeg jongens,&#8221; zeide Tom, &#8220;ik wou dat de jongens ons nu eens konden zien.&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Tegen middernacht kwam Tom ter bestemder plaatse, met eene gekookte ham en enkele andere levensmiddelen van minder omvang.
+Hij hield stil bij een dicht begroeid kreupelboschje op eene kleine hoogte, van waar men de plaats der bijeenkomst kon overzien.
+De lucht was met sterren bezaaid en het was bladstil. De machtige rivier lag kalm tusschen hare oevers als een oceaan na hevigen
+<a id="d0e1991"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1991">105</a>]</span>storm. Tom luisterde een oogenblik, maar de stilte werd door geen geluid verstoord. Toen begon hij zacht te fluiten en dit
+geluid werd onder het kreupelboschje beantwoord. Tom floot nog eens en het signaal werd weder op dezelfde wijze herhaald.
+Toen riep eene gedempte stem:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie nadert daar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom Sawyer, de Zwarte Roover der Spaansche Zee. Noemt uwe namen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck Finn met de Roode Hand en Joe Harper, de Schrik van den Oceaan.&#8221; Tom had deze titels uit zijn lievelingsboeken geleverd.
+
+</p>
+<p>&#8220;In orde. Geef het contra-signaal.&#8221;
+
+</p>
+<p>Twee schorre stemmen fluisterden gelijktijdig het volgende schrikkelijke woord in den stikdonkeren nacht: &#8220;Bloed!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen wierp Tom zijn ham over den heuvel en klom er daarna zelf af, terwijl hij onder &#8217;t afdalen zich nu en dan het vel openreet
+en zijne kleeren scheurde. Er was wel een geschikt en gemakkelijk pad langs den oever, om van de hoogte af te dalen, maar
+dat miste het voordeel van moeite en gevaar, door een zeeroover zoo gewaardeerd.
+
+</p>
+<p>De Schrik van den Oceaan had een zijde spek medegebracht en was onder het dragen van dien last bijna bezweken. Finn had een
+koekenpan gestolen en voor een voorraadje tabak en eenige korte pijpen gezorgd. &#8217;t Was maar jammer, dat hij de eenige der
+drie roovers was, die de kunst van rooken en pruimen verstond. De Zwarte Roover der Spaansche Zee maakte de opmerking, dat
+het gevaarlijk was zonder vuur op tochten te gaan, en dat was eene verstandige opmerking. Lucifers waren in dien tijd nog
+onbekend, <span class="corr" title="Bron: Maar">maar</span> op eenige ellen afstands zagen zij op een groot vlot een vuur smeulen. Dadelijk slopen zij daarheen en namen een kooltje
+weg. Van die kleine dieverij <a id="d0e2010"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2010">106</a>]</span>werd een verbazend avontuur gemaakt. Telkens riepen zij &#8220;St.&#8221; en stonden stil met den wijsvinger op de lippen, grepen naar
+denkbeeldige dolkgevesten en gaven fluisterende schrikwekkende bevelen om den vijand, als hij hen mocht overvallen, &#8220;den dolk
+tot aan &#8217;t gevest in &#8217;t lijf te steken,&#8221; omdat &#8220;lijken niets navertellen<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>&#8221; Zij wisten wel, dat de bemanning van het vlot in het stadje aan het hout stapelen was of in de herberg zat, doch die wetenschap
+ontsloeg hen niet van de verplichting het geval op zeerooverswijs te behandelen. Daarop staken zij met hun vlot van wal. Tom
+nam de bevelhebbersplaats in. Huck posteerde zich bij de achterriemen en Joe op den voorsteven. Tom stond midden op het vaartuig
+met gefronste wenkbrauwen en over elkaar geslagen armen en gaf zijne bevelen met eene onderdrukte, barsche stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laveeren en het schip onder den wind brengen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, kapitein!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooruit, voor&#8212;uit!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het gaat vooruit, kapitein!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zet het iets naar voren!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is geschied, kapitein!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar de knapen steeds in dezelfde richting midden in den stroom de rivier afzakten, was het niet twijfelachtig of deze bevelen
+werden maar voor de leus geven en hadden geen bijzonder doel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welke zeilen voert het in top?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De boeglijnszeilen, de topzeilen en de fokken, kapitein!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hijsch de voormarszeilen! Maak boven aan de steng een stuk of zes lijnen los! Past op nu!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, kapitein.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De topzeilen reven! Toe dan, jongen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, kapitein.&#8221;
+<a id="d0e2041"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2041">107</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het roer tegen den wind! Naar bakboord! Houdt je je goed, mannen! Voorwaarts.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het gaat voorwaarts, kapitein.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het vlot dreef een weinig naar den kant af, de knapen roeiden weder naar het midden en legden toen de riemen neder. Het water
+was laag en de stroom dus niet sterk. Gedurende de eerste drie kwartier werd er nauwelijks een woord gesproken. Toen gleed
+het vlot langs de op eenigen afstand liggende stad, welker richting door enkele flikkerende lichten werd aangewezen. Daar
+lag zij, in diepen slaap verzonken, ver van de onmetelijke watervlakte, waarin duizenden sterren zich spiegelden, onbewust
+van de vreeselijke gebeurtenis, die juist plaats greep. De zwarte Roover stond nog met over elkaar geslagen armen op het dek,
+een laatsten blik werpende op het tooneel van geluk en lijden, vervuld van de begeerte dat zij hem zien mocht, terwijl hij
+daar buiten op de onstuimige wateren, met een onverschrokken gemoed, gevaar en dood trotseerde en met een koelen glimlach
+op de lippen zijn lot te gemoet ging. Hij verbeeldde zich&#8212;zonder veel moeite&#8212;dat Jacksons Island oneindig ver van St. Petersburg
+verwijderd was en daarom wierp hij, bij de gedachte aan dien afstand, een laatsten blik op de stad, met een gebroken maar
+toch bevredigd hart. De andere zeeroovers stonden ook laatste blikken te werpen en allen keken zoo lang, dat zij bijna uit
+den koers van het eiland dreven. Doch zij bemerkten het gevaar bijtijds en beijverden zich om het af te wenden.
+
+</p>
+<p>Tegen twee uur in den morgen landde het vlot een paar honderd ellen boven de aanlegplaats van het eiland, en de knapen waadden
+door het water om hunne lading te ontschepen. Tot de kleine uitrusting van het vlot behoorde ook een oud zeil. Dit werd over
+een uithoek in de struiken <a id="d0e2050"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2050">108</a>]</span>gespannen, om als tent ter beschutting van de proviand te dienen, doch zelven besloten zij bij gunstig weder in de open lucht
+te slapen, zooals dat bandieten betaamt.
+
+</p>
+<p>Daarop legden zij een vuurtje aan tegen den kant van een hooge houtmijt, diep in het sombere woud en begonnen wat spek in
+de koekenpan te bakken, terwijl zij hierbij de helft verorberden van den voorraad brood, dien zij hadden medegebracht. Het
+was een ontzaglijk genot om daar hun feestmaal te houden, als wilden in een maagdelijk woud, op een onbewoond eiland, ver
+van de verblijfplaatsen der menschen. Al etende legden zij dan ook de gelofte af om nooit weder tot de beschaafde streken
+terug te keeren.
+
+</p>
+<p>De stijgende vlammen verlichten hun aangezicht en wierpen een rooden gloed op het glinsterend groen en de zich sierlijk om
+de boomstammen slingerende ranken. Toen de laatste knappende stukjes spek verdwenen waren en het laatste brokje brood was
+verslonden, strekten de knapen welbehagelijk hunne leden op het mostapijt uit. Zij hadden wel een koeler plekje kunnen vinden,
+doch zij wilden zich het romantisch genot van een knetterend kampvuur niet ontzeggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het niet heerlijk?&#8221; vroeg Joe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, het is verrukkelijk,&#8221; antwoordde Tom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zouden de jongens nu wel zeggen, als zij ons zagen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeggen? Wel, zij zouden goud geven on hier te zitten. Wat zeg jij, Hucky?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg,&#8221; antwoordde Huckleberry, &#8220;dat het mij bevalt. Ik verlang het nooit beter te hebben. Gewoonlijk krijg ik niet genoeg
+te eten en hier kunnen ze me niet komen schoppen en mishandelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is ook juist een leventje voor mij,&#8221; zeide Tom. &#8220;Je <a id="d0e2068"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2068">109</a>]</span>behoeft &#8217;s morgens niet vroeg op te staan, je niet te wasschen, niet naar school te gaan en allerlei onzin te doen. Zie je
+nu wel, Joe, dat een zeeroover, als hij aan wal is, <i>niets</i> te doen heeft, terwijl een kluizenaar moet bidden en nooit gekheid kan maken, omdat hij altijd alleen zit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, je hebt gelijk,&#8221; zeide Joe; &#8220;ik verwachtte er niet veel goeds van, dat weet je, maar nu ik het geprobeerd heb, vind ik
+het veel pleizieriger om zeeroover te zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je ziet ook,&#8221; zeide Tom: &#8220;de menschen geven tegenwoordig niet zoo veel meer om kluizenaars als in den ouden tijd, maar voor
+zeeroovers hebben zij altijd ontzag. En buitendien moet een kluizenaar op de hardste plaats slapen die hij maar vinden kan
+en zich in zakken kleeden, en asch op zijn hoofd strooien, en in den regen buiten staan en...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom moet hij zakken dragen en asch op zijn hoofd strooien?&#8221; vroeg Huck.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet. Maar ze doen het allemaal. Als jij een kluizenaar was, zou je het ook moeten doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou je bedanken,&#8221; zeide Huck.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zou je dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet, maar dat zeker niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, Huck, je zoudt het <i>moeten</i>; je zoudt niet anders kunnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik zou het niet verdragen; ik zou op den loop gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op den loop gaan! Nu, je zoudt eene mooie soort van heremiet wezen. Je zoudt ze tot schande maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Roode Hand gaf geen antwoord, daar zijn brein vervuld was met iets anders. Hij had juist een pijpekop schoongemaakt, er
+een rieten steel aan vastgehecht, den kop met tabak gevuld en was bezig, met behulp van een <a id="d0e2098"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2098">110</a>]</span>stukje brandende steenkool, dat tegen de tabak gedrukt werd, wolken van geurigen rook uit te blazen.
+
+</p>
+<p>Hij baadde zich in weelde en genot en de andere zeeroovers benijdden hem deze heerlijke ondeugd en besloten bij zichzelven,
+zich haar eigen te maken. Een oogenblik later zeide Huck:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat hebben zeeroovers te doen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O,&#8221; zeide Tom, &#8220;zij leiden een woelig leventje: kapen schepen en verbranden die, stelen geld en begraven dat op geheimzinnige
+plaatsen op hun eiland, waar het door geesten en spoken bewaakt wordt. Voorts vermoorden zij de geheele bemanning van het
+schip.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zij nemen de vrouwen met zich naar het eiland,&#8221; zeide Joe, &#8220;want vrouwen worden niet vermoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; antwoordde Tom toestemmend, &#8220;zij vermoorden geene vrouwen, daarvoor zijn zij te edelmoedig. En de vrouwen zijn altijd
+mooi ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En dragen zij niet kleeren van beestenvellen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, toch niet,&#8221; antwoordde Joe vol geestdrift. &#8220;Geheel van goud, zilver en diamanten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie?&#8221; vroeg Huck.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, de zeeroovers.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck keek met een wanhopigen blik naar zijn eigen plunje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof niet, dat ik geschikte kleeren voor een zeeroover heb,&#8221; zeide hij met een droevig pathos in zijne stem, &#8220;maar ik
+heb geene andere dan deze.&#8221;
+
+</p>
+<p>Doch Tom en Joe vertelden hem, dat de mooie kleeren spoedig zouden komen, wanneer zij op avonturen zouden zijn uitgegaan.
+Zij gaven hem te verstaan, dat zijne lompen voldoende waren on te beginnen, ofschoon het bij rijke zeeroovers de gewoonte
+was met eene behoorlijke garderobe van wal te steken.
+<a id="d0e2124"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2124">111</a>]</span></p>
+<p>Van lieverlede begon het gebabbel te verminderen en daalde de slaap op de oogleden der jeugdige vluchtelingen neer. De pijp
+gleed de &#8220;Roode Hand&#8221; uit de vingers en hij sliep weldra den slaap des rechtvaardigen. De Schrik van den Oceaan en de Zwarte
+Roover der Spaansche Zee sliepen niet zoo gemakkelijk in. Zij zeiden hun avondgebed zachtjes en liggend op, daar er niemand
+was, die hen gebood te knielen en hen het luide deed uitspreken. Wel hadden zij veel lust het gebed achterwege te laten, doch
+zij maakten zich bevreesd, dat zij, wanneer ze zoo goddeloos waren op eens een bliksemstraal van den hemel op hunne hoofden
+zouden doen nederdalen. Juist toen zij in het rijk der droomen zouden gaan zweven, kwam een kwelgeest hen storen, die niet
+wilde wijken. Deze was het geweten. Eerst achtervolgde hij hen met de beschuldiging dat zij weggeloopen waren en daarna met
+het verwijt, dat zij vleesch gestolen hadden. Zij trachtten hem tot zwijgen te brengen, door hem te herinneren, dat zij toch
+dikwijls koekjes en appels hadden weggenomen, doch hij liet zich door schoonschijnende redeneeringen niet afschepen. Hij wilde
+over het onweerlegbaar feit niet heenstappen, dat lekkers wegnemen slechts &#8220;snoepen&#8221; was, terwijl het ontvreemden van spek,
+ham en dergelijke, niets anders mocht heeten dan &#8220;stelen&#8221; en dat dit in den Bijbel verboden werd. Daarop besloten zij in hun
+binnenste, om zoolang zij het door hen gekozen beroep uitoefenden, hunne zeerooverijen niet meer met de misdaad van stelen
+te bezoedelen. Op die wijs werd er een wapenstilstand met het geweten gesloten en onze zeeroovertjes vielen gerust in slaap.
+
+
+<a id="d0e2127"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2127">112</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e2128"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XIV.</h2>
+<p>Toen Tom den volgenden ochtend wakker werd, begreep hij eerst niet waar hij was. Hij ging opzitten, wreef zich de oogen en
+keek in &#8217;t rond; toen vatte hij het. De ochtendschemering had haar koelen grauwen sluier uitgespreid en de aangrijpende kalmte
+en stilte van het woud gaf een heerlijk gevoel van rust en vrede. Geen blad bewoog, geen geluid verstoorde de overdenkingen
+der groote natuur. Diamanten dauwdroppels schitterden op de bladeren en het gras. Uit het met een laag witte asch bedekte
+kampvuur steeg een dunne, blauwe rookwolk recht naar boven. Joe en Huck lagen nog te slapen. Daar deed ver achter in de bosschen
+een vogel zijne roepstem hooren, die dadelijk door anderen beantwoord werd, en te gelijk vernam men het gehamer van den boomspecht.
+Langzamerhand ging de grijze morgendamp in een witten nevel over en werd het minder koud. Van lieverlede vermenigvuldigden
+zich ook de geluiden en openbaarde zich het leven. De wonderbare natuur schudde den slaap af en ontplooide zich voor de oogen
+van den peinzenden knaap. Een klein, groen wormpje kroop over een bedauwd blad, hief bij wijlen twee derden van zijn lichaam
+op, snuffelde in alle hoekjes en gaatjes en ging toen weder voort. Volgens Tom was dat wormpje bezig opmetingen te doen. Toen
+het eindelijk uit eigen beweging naar hem toe kwam, bleef de knaap doodstil zitten en al naarmate het beestje hem naderde
+of een anderen weg scheen te willen nemen, klom of daalde zijn hoop. Eindelijk bleef het gedurende eenige voor den knaap angstige
+oogenblikken, het kopje onbeweeglijk opwaarts gericht houden en zette zich ten slotte <a id="d0e2133"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2133">113</a>]</span>op Toms been neder, over het lichaam van den knaap een reis te maken. Dat deed hem het hart van vreugde opspringen, want het
+beduidde, dat hij een nieuw pak zou krijgen,&#8212;zonder eenigen twijfel een zeerooversuniform.
+
+</p>
+<p>Daarop verscheen er zonder dat men zeggen kon van waar, een optocht van mieren, die haar dagtaak aanvingen. Een van haar sleepte
+moedig een doode spin, vijfmaal grooter dan zij zelve, tusschen hare pooten voort en zette die op een boomstam. Een bruin
+gespikkeld Onze-Lieven-Heersbeestje beklom de duizelingwekkende hoogte van een grasscheut en Tom boog zich over het diertje
+been en zeide:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Lieven-Heershaantje, Lieven-Heershaantje, vlucht heen, vlucht heen;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Uw huis staat in brand, uwe kinderen zijn alleen.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>En het diertje sloeg de vleugeltjes uit en vloog weg om te zien of de knaap waarheid sprak, waarover deze zich in &#8217;t minst
+niet verbaasde. Immers hij wist vanouds, dat dit insect lichtgeloovig was op &#8217;t punt van brand en hij had menigmaal de onnoozelheid
+van &#8217;t beestje verschalkt. Toen kwam er een steenmot, die traag zijn rond lichaam medesleepte en Tom raakte het diertje aan
+om het met opgetrokken pooten te zien ineenrollen en te doen alsof het dood was.
+
+</p>
+<p>De vogels waren intusschen druk aan het zingen en kweelen gegaan. Een spotvogel zette zich op een boom boven Toms hoofd neder
+en bootste, dol van pret, met trillende stem, de geluiden na der andere vogels. Toen streek een schrille meerkol, als een
+blauwe vlam, naar omlaag en ging op een tak zitten, bijkans binnen het bereik van den knaap. Hij hield zijn kopje op zijde
+en keek de vreemdelingen verbaasd en nieuwsgierig aan. Een grijze eekhoorn en een groote vos sprongen om hem <a id="d0e2146"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2146">114</a>]</span>heen en gingen af en toe opzitten, on hem te bekijken en op hun manier tegen hem te praten. Deze bewoners der wildernis toch
+hadden blijkbaar nooit te voren een menschelijk wezen gezien en wisten nauwelijks of zij er bang voor moesten zijn of niet.
+De geheele natuur was klaar wakker en in beweging; lange zonnestralen schoten door het dichte loover en enkele kapellen verschenen
+fladderend op het tooneel.
+
+</p>
+<p>Tom schudde de andere zeeroovers wakker; juichend sprongen zij op en binnen een paar minuten hadden de drie knapen hunne kleeren
+uitgegooid en speelden zij &#8220;krijgertje&#8221; en &#8220;haasjeover&#8221; in het ondiepe, heldere water bij de witte zandbank. Zij dachten niet
+meer aan het stadje, dat daar achter de majestueuze watervlakte lag te slapen. Een wisselzieke vloed of eene lichte wassing
+der rivier had hun vlot medegenomen, doch dit maakte hen niet bezorgd. Integendeel zij verheugden zich er over, want het was
+hun alsof daarmede de band die hen nog aan de beschaafde wereld hechtte, voorgoed was verbroken.
+
+</p>
+<p>Toen keerden zij verfrischt, vroolijk en verrukt naar hun kamp terug en weldra spreidde het opgerakelde vuur lustig zijne
+vlammen in &#8217;t rond. Huck ontdekte in de buurt een bron van helder, koud water en de jongens vervaardigde kopjes uit groote
+eiken en walnoten bladeren en maakten de opmerking dat water, gedronken in zulk een woest oord en onder zulke romantische
+omstandigheden, een uitmuntend surrogaat voor koffie is. Toen Joe het mes in de zijde spek wilde zetten, om reepjes voor het
+ontbijt te snijden, werd hij door de andere verzocht daarmede eenige minuten te wachten, daar zij een veelbelovend plekje
+in de rivier ontdekt hadden om te visschen. Bijna onmiddellijk daarop, eer Joe nog ongeduldig kon <a id="d0e2152"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2152">115</a>]</span>worden, kwamen zij terug met een stuk of wat mooie forellen en een paar baarsjes, voorraad genoeg, meende ze, voor een geheel
+huisgezin. De visch werd dadelijk met spekvet gebakken, en nooit scheen ze zoo lekker te hebben gesmaakt. Zij wisten niet
+dat zoetwatervisch altijd &#8217;t best smaakt, wanneer zij, dadelijk nadat zij is gevangen, gekookt of gebakken wordt, en dat slapen
+in de open lucht, baden en ferme honger de beste saus bij den maaltijd is. Na het ontbijt zochten zij een schaduwrijk plekje
+op, waar zij zich nederlegden, terwijl Huck zijn pijpje rookte, en toen de vermoeidheid geweken was, gingen zij het bosch
+in, op een verkenningstocht. Zij wandelden vroolijk voort over stukken vermolmd hout, door dichte kreupelbosschen en onder
+reusachtige woudkoningen van wier kruin tot op den grond, sierlijke kransen van wilde-wijngaardloof afhingen; terwijl zij
+nu en dan verrast werden door allerliefste open plekjes bedekt met een grastapijt en met schitterende bloemen bezaaid. Zij
+vonden eene menigte zaken, die hen in verrukking brachten, doch niets dat hen bepaald verbaasde. Om het uur namen zij een
+zwembad en tegen het midden van den dag keerden zij weder naar het kamp terug. Zij waren te hongerig om zich den tijd tot
+visschen te gunnen, doch niet te hongerig om zich met een maal van koude ham te vergenoegen en vlijden zich daarna op een
+schaduwrijke plaats neder on wat te babbelen. Hun praatlust begon echter alras te kwijnen en verdween weldra geheel. De plechtige
+stilte van het woud en de doodelijke eenzaamheid gingen haar invloed op hen uitoefenen. Zij raakten aan &#8217;t mijmeren. Een onbestemde
+lusteloosheid overviel hen, die gaandeweg een bepaalden vorm aannam, namelijk het pijnigend heimwee. Zelf Finn met de Roode
+Hand droomde van zijne stoepen en leege <a id="d0e2154"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2154">116</a>]</span>vaten. Doch zij schaamden zich over hunne kinderachtigheid, en niemand had den moed zijne gedachten uit te spreken. Reeds
+gedurig hadden zij gemeend in de verte een vreemdsoortig geluid te hooren, iets als het verwijderd tikken van een klok. Maar
+nu werd dat geluid sterker en trok het bepaald de aandacht. De jongens voelden zich niet op hun gemak, keken elkaar aan en
+gingen zitten luisteren. Eerst hoorden ze niets meer en daarna een dof gerommel als van naderenden donder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is dat?&#8221; riep Joe angstig uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, wat zou dat kunnen wezen!&#8221; fluisterde Tom.
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is geen donder,&#8221; zeide Huckleberry, op allesbehalve gerusten toon, &#8220;want donder....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil,&#8221; zeide Tom &#8220;luister en spreek geen woord.<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>Zij wachtten eenige oogenblikken, die een eeuw schenen en toen werd de plechtige stilte weder door het doffe gerommel verstoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat ons hoogte gaan nemen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij sprongen op, ijlden naar den oever, kropen onder het kreupelhout door en staarden over de breede watervlakte. Daar zagen
+zij de kleine stoomveerboot, zoo wat een uur van de stad op en neder varen. Het dek scheen zwart van menschen. Een aantal
+schuitjes en roeibootjes dreven om en bij de veerboot, doch de knapen konden niet zien wat de mannen, die er in zaten, uitvoerden.
+Plotseling rees een wolk van witten rook uit de boot op, voorafgegaan door een harden knal en daarop liet zich het doffe gerommel
+weder hooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het!&#8221; riep Tom uit, &#8220;er is iemand verdronken!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar heb je het,&#8221; zeide Huck; &#8220;dat hebben ze van den zomer ook gedaan, toen Bill Tanner verdronken is. Toen schoten zij ook
+een kanon op het water af, omdat <a id="d0e2177"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2177">117</a>]</span>dan het lijk gewoonlijk komt bovendrijven. Ja, en soms nemen zij brooden en doen daar kwikzilver in en laten ze dan drijven,
+en die brooden dobberen naar den persoon die verdronken is toe en houden daar stil.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar heb ik ook wel van gehoord,&#8221; zeide Joe, &#8220;maar ik zou wel eens willen weten, hoe het brood dan blijft stilstaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O,&#8221; zeide Tom, &#8220;dat ligt niet zoozeer aan het brood, als wel aan de woorden, die er bij gesproken worden, eer zij het te
+water laten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar zij zeggen er niets bij,&#8221; zeide Huck. &#8220;Ik zelf ben er bij geweest, toen zij het deden, en zij spraken geen woord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, dat is grappig,&#8221; zeide Tom. &#8220;Maar het is toch zeker, dat zij er iets bij denken. Dat spreekt vanzelf, dat weet iedereen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De andere jongens stemden toe, dat voor die bewering van Tom veel te zeggen was, omdat een redelooze klomp brood, die niet
+in tooverformulieren onderricht was, niet verwacht kon worden, als een met rede begaafd wezen te handelen, wanneer hij zulk
+een ernstig werk te verrichten had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Sapperloot, ik wou dat ik er bij was,&#8221; zeide Joe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook,&#8221; zeide Huck; &#8220;en ik zou goud geven, als ik wist wie het is.&#8221;
+
+</p>
+<p>De knapen bleven luisteren en de boot bespieden. Op eens kreeg Tom eene ingeving en riep uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongens, ik weet al wie er verdronken is! Wij zijn het.&#8221;
+
+</p>
+<p>In een oogenblik waren zij helden geworden. Zij hadden een schitterende zege behaald, want zij werden gemist en betreurd.
+Harten waren om hunnentwil gebroken, tranen over hen geschreid, gewetens aan het knagen gebracht en verdriet en berouw gevoeld.
+En wat nog het heerlijkste <a id="d0e2199"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2199">118</a>]</span>was van alles, zij waren het onderwerp van gesprek van de gansche stad en werden dientengevolge door al de jongens benijd.
+Dit was verrukkelijk. Nu was het toch wel de moeite waard om zeeroover te worden.
+
+</p>
+<p>Tegen licht en donker voer de veerboot naar hare gewone ankerplaats terug en verdwenen de schuitjes. De zeeroovers keerden
+weder naar hun kamp en jubelden van vreugde over hunne fonkelnieuwe grootheid en de onrust, die zij hadden doen ontstaan.
+Er werd weder visch gevangen en gebakken, en toen deze verorberd was, ging men zich in gissingen verdiepen, omtrent de geruchten,
+die er te St. Petersburg over hen zouden verspreid worden; en de schilderijen, die zij over den algemeenen rouw ophingen,
+gaven van hun standpunt gezien, reden tot tevredenheid. Doch naarmate de schaduwen van den nacht hen bedekten, werden de knapen
+stiller en zij eindigden met in het vuur te staren, terwijl hunne gedachten blijkbaar elders verwijlden. De opgewondenheid
+was voorbij en Tom en Joe konden het denkbeeld niet verzetten, dat er te huis personen waren, die niet zooveel plezier in
+deze grap hadden als zij. Zij begonnen zich angstig te maken en ongelukkig te gevoelen en onverhoeds ontsnapte hun een paar
+malen een zware zucht. Eindelijk waagde Joe het, beschroomd te vragen, wat de anderen er van zouden denken, als zij weder
+tot de beschaving terugkeerden,&#8212;nu niet&#8212;maar...
+
+</p>
+<p>Tom beantwoordde die vraag met een spotlach en Huck, die hoogst vrijheidlievend was, hield zich bij Tom en de weifelaar palmde
+dadelijk in, zeggende, dat hij er niets van gemeend had en dat men volstrekt niet moest denken, dat hij naar huis verlangde.
+Het oproer was alzoo voor het oogenblik gedempt.
+
+</p>
+<p>Bij het vallen van den avond begon Huck te dommelen <a id="d0e2207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2207">119</a>]</span>en was kort daarna aan &#8217;t snorken. Joe volgde zijn voorbeeld. Tom bleef onbeweeglijk op zijne armen liggen en staarde hem
+eenige oogenblikken strak aan. Eindelijk stond hij voorzichtig op en ging bij den weerschijn van het flikkerend kampvuur aan
+het zoeken in het gras. Hij raapte eenige stukjes van den witten bast van een vijgeboom op en koos er twee, die hem naar den
+zin schenen te zijn. Toen knielde hij bij het vuur neder en schreef met moeite, met een stukje roodkrijt, iets op elk van
+die beide. Daarna rolde hij er een op, stak dat in den zak van zijn buis en legde het andere in den hoed van Joe, dien hij
+vlak bij den eigenaar neerzette. Verder vulde hij den hoed met eenige schooljongensschatten van schier onmetelijke waarde,
+als een stuk wit krijt, een gomlastieken bal, drie vischhaken en een zoogenaamden &#8220;echten glazen knikker.&#8221; Vervolgens sloop
+hij behoedzaam op de teenen tusschen de boomen weg, totdat hij buiten het gehoor was en liep toen zoo gauw als zijne beenen
+hem dragen konden, in de richting van de zandbank voort.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e2209"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XV.</h2>
+<p>Eenige oogenblikken later was Tom in de ondiepe rivier verdwenen.
+
+</p>
+<p>Eer hij met het halve lijf onder water was, had hij reeds de helft van den weg afgelegd. Daar de stroom hem nu niet langer
+veroorloofde te waden, sloeg hij moedig armen en beenen uit, om de overschietende honderd el door te zwemmen. Hij zwom zooveel
+mogelijk met den stroom mede, doch werd gedurig met meer kracht teruggedreven <a id="d0e2216"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2216">120</a>]</span>dan hij verwacht had. Toch bereikte hij eindelijk den oever en liet zich langs den kant voortdrijven, totdat hij een geschikt
+plekje vond om te landen. Aan wal gekomen, bevoelde hij eerst zijn borstzak on zich te overtuigen, dat de boomschors nog op
+hare plaats zat, en toen maakte hij zich met zijne druipnatte kleederen, steeds den oever volgend, door de bosschen voort.
+Even voor tien uren, kwam hij aan een open plek tegenover de stad en zag de veerboot in de schaduw der boomen bij den hoogen
+dijk liggen. Alles onder de flikkerende sterren was rustig. Tom kroop den dijk af, loerde naar alle kanten, liet zich in het
+water glijden en zwom met drie of vier slagen naar het bootje toe, dat sleepdienst deed bij de veerboot. Hij klom er in, ging
+onder de roeibank liggen en wachtte met een kloppend hart. Spoedig werd de oude bel geluid en eene stem gaf bevel om het anker
+te lichten. Een minuut of wat daarna werd de voorsteven van het schuitje door de golven, die de boot deed ontstaan, omhooggeheven
+en de reis nam een aanvang. Tom was zeer in zijn schik, dat hij nog juist bijtijds was gekomen: immers hij wist, dat de boot
+dien dag voor de laatste maal dienst deed.
+
+</p>
+<p>Na tien of twaalf minuten stopte de boot, waarop Tom overboord stapte en in de duisternis naar den oever kroop. Hij ging echter
+voorzichtigheidshalve omstreeks vijftien el beneden het vaarwater aan wal, ten einde het gevaar van ontdekt te worden te ontkomen.
+Toen sloop hij voort, langs weinig bezochte stegen en straten, totdat hij voor de schutting aan den achterkant van tantes
+huis stond. Na deze te zijn overgeklauterd, stapte hij voort tot aan den elzeboom en tuurde naar binnen door het raam van
+de zitkamer, waar een licht brandde.
+
+</p>
+<p>Daar zaten tante Polly, Sid, Marie en de moeder van <a id="d0e2222"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2222">121</a>]</span>Joe bij elkander. Zij hadden zich rondom de tafel geschaard en het bed stond vlak bij den ingang. Tom stapte behoedzaam naar
+de deur, en lichtte voorzichtig de klink op; toen drukte hij zachtjes met zijne knie tegen de paneelen en de deur week met
+een licht gekraak. Hij ging voorzichtig met duwen voort, telkens bevende, wanneer hij gerucht maakte, totdat hij dacht dat
+hij er zich op de knie&euml;n wel door zou kunnen persen. Reeds was zijn hoofd in de kamer, toen hij tante Polly hoorde zeggen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe zou de kaars zoo waaien? Ik geloof waarempel, dat de deur openstaat. Wel, al zijn leven! De wonderen staan niet stil.
+Kom, Sid ga haar sluiten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom verdween van pas onder het bed. Hij bleef een oogenblik stil liggen om adem te scheppen en kroop toen zoover naar voren,
+dat hij bijkans tantes voet raakte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, zooals ik zeide,&#8221; vervolgde tante Polly, &#8220;eigenlijk slecht was hij niet, alleen maar wat ondeugend, een beetje lichtzinnig
+en wild, weet je. Het kind dacht geen kwaad en was de goedhartigste jongen van de wereld.&#8221; En zij begon te schreien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Precies zoo was &#8217;t met mijn Joe: altijd vol jongensstreken en handig in allerlei kattekwaad,&#8212;maar hij was de onbaatzuchtigheid
+en vriendelijkheid zelve. En, de hemel zij mij genadig&#8212;te moeten denken, dat ik hem zweepslagen gegeven heb, omdat hij room
+gesnoept had, die ik zelve uit het raam heb geworpen, omdat ze zuur was geworden!&#8212;En dat ik hem nooit, nooit, nooit meer op
+deze aarde zal terugzien,&#8212;die arme, miskende jongen!&#8221;
+
+</p>
+<p>En juffrouw Harper snikte, alsof haar het hart zou breken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoop dat Tom in betere gewesten is,&#8221; zeide Sid; &#8220;doch als hij hier wat meer...&#8221;
+<a id="d0e2236"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2236">122</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Sid!&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom voelde het fonkelen van tantes oog, ofschoon hij het niet zien kon. &#8220;Geen woord ten nadeele van Tom, nu hij is heengegaan.
+God zal hem oordeelen, en gij behoeft u daarover niet moeilijk te maken, jongenheer.&#8212;Och, juffrouw Harper, ik kan hem niet
+missen; ik weet niet, hoe ik het zonder hem stellen moet. Hij was mij zulk een troost, hoewel hij mijn arm hart ten bloede
+toe kon plagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!&#8221; snikte juffrouw Harper. &#8220;Maar &#8217;t is zoo hard,
+o het is zoo hard! Verleden Zaterdag nog stak Joe vlak onder mijn neus een voetzoeker af en ik heb hem geslagen, totdat hij
+op den grond lag te spartelen. Weinig dacht ik toen, hoe spoedig.... O, als het nog over te doen was, ik zou er hem voor aan
+mijn hart drukken en zeggen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, ja, ik begrijp volkomen wat gij voelen moet, juffrouw Harper: ik kan het mij best voorstellen. Gisterenmiddag liet
+Tom mijn arme kat van zijn drankje nemen, en ik dacht dat mijn huis onderstboven zou keeren. En, God vergeve mij, ik kneep,
+met mijn vingerhoed aan den vinger, het kind in zijn oor dat het kraakte. Mijn jongen, mijn arme, gestorven jongen! Doch hij
+is nu uit zijn lijden. En de laatste woorden, die ik hem hoorde zeggen, waren een verwijt....&#8221;
+
+</p>
+<p>De gedachte aan dit feit was te bitter voor de oude juffrouw en zij barstte in tranen uit. Tom voelde dat zijn oogen vochtig
+werden, nog meer uit medelijden met zichzelven dan met de anderen. Hij kon Marie hooren snikken en nu en dan een vriendelijk
+woordje over hem in het midden brengen. Meer dan ooit kreeg hij een hoogen dunk <a id="d0e2247"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2247">123</a>]</span>van zichzelven. Toch was hij zoo diep door de droefheid zijner tante geschokt, dat hij snakte om het bed uit te springen en
+zich in hare armen te werpen,&#8212;doch hij bedwong zich en bleef liggen.
+
+</p>
+<p>Al luisterend, ving hij bij stukken en brokken op, dat men eerst verondersteld had, dat de knapen met zwemmen verdronken waren:
+toen was het kleine houtvlot vermist en was er door een paar jongens medegedeeld, dat de verloren knapen voorspeld hadden,
+dat het stadje eerlang iets hooren zou. De wijzen van St. Petersburg hadden het een met het ander in verband gebracht en waren
+tot het besluit gekomen, dat de knapen met het houtvlot van wal gestoken waren en bij de eerstvolgende stad aan wal gegaan
+waren. Doch tegen den middag was het houtvlot aan den oever van de Missouri, eenige uren van de stad, teruggevonden en toen
+was de hoop verdwenen. Zij moesten verdronken zijn, anders zou de honger hen bij het vallen van den nacht, zooal niet eerder,
+naar huis hebben gejaagd. Men geloofde algemeen, dat het eene wanhopige zaak was naar de lijken te zoeken, daar de knapen
+ongetwijfeld midden in de rivier verdronken waren. Anders immers zouden zij, die voor goede zwemmers bekend stonden, het wel
+tot den oever hebben kunnen brengen. Deze dingen waren voorgevallen op Woensdag, en als de lijken v&oacute;&oacute;r Zondag niet werden
+gevonden, zou men de hoop opgeven en er dien morgen een lijkdienst gehouden worden. Deze laatste mededeeling deed Tom even
+sidderen.
+
+</p>
+<p>Tegen elf uren stond Juffrouw Harper snikkend op om heen te gaan, en door eene opwelling van wederzijdsch medelijden gedreven,
+vlogen de beide van kinderen beroofde vrouwen elkander in de armen en namen daarna afscheid.
+
+</p>
+<p>Tante Polly zeide Sid en Marie dien avond met een buitengewone <a id="d0e2255"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2255">124</a>]</span>hartelijkheid &#8220;goedennacht,<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> en Sid perste zich een paar tranen uit de oogen, terwijl Marie luid snikkend naar boven ging. Toen knielde de oude juffrouw
+neder en bad voor Tom z&oacute;&oacute; vurig, z&oacute;&oacute; roerend en met zulk een oneindige liefde, en hare oude stem beefde z&oacute;&oacute;, dat eer de laatste
+woorden van dat gesprek uitgesproken waren, Tom in een bad van tranen lag. Hij moest zich, nadat de arme vrouw naar bed was
+gegaan, nog lang stilhouden, want zij bleef geruimen tijd wakker en gaf voortdurend in hartbrekende uitroepen aan hare droefheid
+lucht. Eindelijk, na zich nu op de eene en dan op de andere zijde geworpen te hebben, was zij stil en kreunde alleen nog maar
+een weinig in haar slaap.
+
+</p>
+<p><span class="corr" title="Bron: &#8220;"></span>Nu kroop de knaap onder het bed uit, richtte zich langzaam op, hield zijne hand voor het nachtlicht en keek zijne tante aandachtig
+aan. Diep medelijden met haar vervulde zijn hart. Hij haalde zijne vijgeboombast voor den dag en hield dien bij het licht.
+Plotseling schoot hem iets grappigs te binnen, verhelderde zijn gelaat; haastig stak hij zijne boomschors weer op, boog zich
+over tantes aangezicht heen en drukte een kus op hare bleeke lippen. Toen nam hij de terugreis aan en liet de deur in de klink
+vallen. Hij vond, zonder door iemand ontdekt te worden, op den tast zijn weg naar het veerbootje terug en stapte moedig aan
+boord. Immers hij wist, dat de boot onbemand was behalve misschien door den klepperman, die er altijd in kroop en doorgaans
+als een os sliep. Hij maakte het schuitje van den voorsteven der boot los, sloop er in en roeide omzichtig stroomopwaarts.
+Toen hij omstreeks een mijl had voortgeroeid, hield hij op eens schuins aan, begon te werken zoo hard als hij kon en bereikte
+handig de overzijde. Hij had grooten lust om het bootje buit te <a id="d0e2263"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2263">125</a>]</span>maken, daar hij het schip als wettige zeerooversprooi beschouwde, doch hij begreep te gelijkertijd dat er overal naar gezocht
+zou worden en dat eene ontdekking er het gevolg van kon zijn. Daarom stapte hij zonder buit aan wal en ging het bosch in.
+Hij zette zich op den grond neder om uit te rusten, legde zich de marteling op van wakker te blijven en zocht eindelijk zijne
+oude verblijfplaats weder op. De nacht was bijna voorbij en het was klaar dag, toen hij voor de zandbank stond. Daar hield
+hij opnieuw halt en legde zich op den grond te slapen tot de zon aan den hemel stond en de groote rivier met haar glans verguldde.
+
+</p>
+<p>Toen dompelde de knaap zich in den stroom en hield een oogenblik later bij den ingang van het kamp stil, juist toen Joe uitriep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, Tom is een eerlijke jongen en hij zal terugkeeren. Hij zal ons niet verlaten. Hij is er te trotsch voor, want hij weet,
+dat dit eene schande zou wezen voor een zeeroover. Zeker is hij op avonturen uit; het zal mij benieuwen wat hij nu weer heeft
+uitgespookt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed,&#8221; antwoordde Huck, &#8220;maar als hij niet op zijn tijd past, is zijn ontbijt voor ons.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, als hij er niet is, maar dat is nog niet zeker. Er stond immers op de boomschors geschreven: <i>als</i> ik er niet ben, is het ontbijt voor ulieden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie is die hij?&#8221; riep Tom met eene tooneelstem uit, terwijl hij met fiere houding het kamp binnenstapte.
+
+</p>
+<p>Spoedig was er een weelderig ontbijt van spek en visch opgedischt, waaraan de knapen zich naar hartelust te goed deden. Onderwijl
+vertelde Tom, met de noodige opsieringen, zijne avonturen van dien nacht. Toen het verhaal ge&euml;indigd was, werden zij drie
+snoevende, grootsprekende helden. <a id="d0e2280"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2280">126</a>]</span>Na het ontbijt verschool Tom zich op een schaduwrijk plekje om te gaan slapen, en de beide andere zeeroovers gingen op de
+vischvangst.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e2282"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XVI.</h2>
+<p>Na het eten vertrokken de drie knapen naar de zandbank om schildpadeieren te zoeken. Zij stootten met stokken in het zand,
+en wanneer zij eene weeke plek vonden, legden zij zich op de knie&euml;n en groeven haar met de handen uit. Somtijds haalden zij
+vijftig of zestig eieren uit &eacute;&eacute;n gat. Het waren witte, bolronde eitjes, iets kleiner dan een walnoot. Dien avond hadden zij
+een heerlijk maal van spiegeleieren, dat Vrijdagochtend nog eens herhaald werd. Na dat ontbijt van gebakken eieren, begaven
+zij zich schreeuwend en jubelend naar de zandbank, speelden &#8220;krijgertje,&#8221; ontdeden zich onderweg van hunne kleederen en liepen
+in Adams kostuum voort, totdat zij midden in het ondiepe water stonden. Daarna spongen zij tegen den steilen oever op, van
+welken zij gedurig tot groote vermeerdering der pret afsukkelden. Nu en dan hielden zij bij elkaar stand en gooiden elkaar
+met water, terwijl zij, on het kille nat te vermijden, elkander gedurig met afgewend gelaat naderden en eindigden met te grijpen
+en te worstelen, totdat de sterkste zijn buurman onder water geduwd had en zij ten laatste allen in een warnet van witte armen
+en beenen verdwenen, om spoedig daarop, blazend, spuwend, lachend en naar den adem hijgend, weder boven te komen.
+
+</p>
+<p>Als de krachten hun begaven, spartelden zij naar het droge, heete zand en legden zich daarop neder, om er zich <a id="d0e2289"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2289">127</a>]</span>mede te bedekken. En dan sprongen zij langzamerhand weder naar het water en vertoonden dat spelletje voor de tweede maal.
+
+</p>
+<p>Eindelijk viel het hun in, dat hunne huid sprekend op een vleeschkleurig tricot geleek; dientengevolge werd er in het zand
+een cirkel getrokken en een paardenspel vertoond, met drie clowns, want geen hunner wilde die schitterende rol aan den anderen
+afstaan.
+
+</p>
+<p>Vervolgens werden de knikkers gehaald en werd er gestuit en gerold, totdat ook dat spel verveelde. Daarna gingen Joe en Huck
+weder zwemmen, maar Tom durfde zich daaraan niet meer wagen, omdat hij bij het uittrekken van zijn broek, het palingvel van
+zijne enkels gestroopt had en hij zich niet kon begrijpen, dat hij zonder dit geheimzinnig voorbehoedmiddel zoo lang aan de
+kramp ontkomen was. Hij waagde zich niet weder, eer hij dien talisman teruggevonden had, en toen waren de andere jongens moede
+en verlangden naar rust. Van lieverlede begonnen zij met loomen tred rond te dolen, werden zwaarmoedig en staarden verlangend
+over de breede rivier, naar de plek, waar St. Petersburg zich in de zon lag te koesteren. Tom bemerkte, dat hij met zijn grooten
+teen het woord &#8220;Becky&#8221; in het zand had geschreven. Hij wischte het uit en was boos op zichzelven om zijne zwakheid. Doch hij
+schreef het niettemin nog eens, wischte het nogmaals uit en ontworstelde zich toen aan de verzoeking, door de andere jongens
+op te halen en zich bij hen te voegen.
+
+</p>
+<p>Maar de opgewektheid van Joe was voorbij en scheen niet terug te keeren. Hij had zulk een heimwee, dat hij het nauwelijks
+meer uithouden kon. De tranen stonden hem in de oogen. Ook Huck was zwaarmoedig evenals Tom, doch de laatste durfde het niet
+toonen. Hij droeg <a id="d0e2297"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2297">128</a>]</span>een geheim met zich om, dat hij niet gaarne wilde openbaren, doch waarmede hij, indien deze sombere, oproerige geest niet
+werd gefnuikt, wel voor den dag zoude moeten komen. Daarom zeide hij, schijnbaar zeer opgewekt:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wed, dat vroeger op dit eiland ook zeeroovers zijn geweest. Zullen wij eens op verkenning uitgaan? Zij hebben zeker hier
+of daar een schat begraven! Wat zou jelui hiervan zeggen, als je daar eens een verrotte kist vol goud en zilver voor je zaagt
+liggen,&#8212;h&eacute;?&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit vooruitzicht echter wekte geen de minste opgewondenheid en er werd niet eens op geantwoord. Een paar andere verleidelijke
+voorstellen vielen eveneens in het water. Dat was ontmoedigend. Joe keek mistroostig voor zich en krabbelde met zijn stok
+in het zand. Eindelijk riep hij uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, jongens, laat ons het opgeven. Ik <i>moet</i> naar huis; ik voel mij zoo verlaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom, Joe dat zal langzamerhand wel beter worden,&#8221; zeide Tom. &#8220;Denk maar eens aan al de gelegenheden, die je hier hebt om
+te visschen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geef niet om visschen; ik verlang naar huis!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, Joe, nergens is zoo&#8217;n zwemplaats als hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat kan mij het zwemmen schelen: &#8217;t is alsof het mij verveelt, nu niemand het mij verbiedt. Ik wil naar huis!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, hoe kinderachtig! Hij verlangt naar zijn moesje!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ik <i>verlang</i> naar moeder en dat zou jij ook doen, als je er een hadt. Ik ben niet kinderachtiger dan jij.&#8221; En Joe begon te schreien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, dan zullen wij het schreeuwpoppetje maar naar huis laten gaan, niet waar Huck? Arme jongen! Hij verlangt naar moesje!
+Nu, hij zal ook naar haar toe gaan. Jij vindt het prettig hier, h&eacute;, Huck? Wij zullen blijven, niet waar?&#8221;
+<a id="d0e2325"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2325">129</a>]</span></p>
+<p>Huck antwoordde: &#8220;Ja&#8212;a,&#8221; maar het ging niet van harte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik spreek van mijn leven niet meer tegen jelui,&#8221; zeide Joe en stond op. &#8220;Daar nu!&#8221;
+
+</p>
+<p>En hij draaide de beide jongens den rug toe en ging zich verder aankleeden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie geeft wat om jou?&#8221; zeide Tom. &#8220;Niemand heeft je noodig. Ga maar naar huis on uitgelachen te worden. Jij bent een mooie
+zeeroover. Huck en ik zijn geen schreeuwpoppetjes. Wij blijven, niet waar, Huck? Wij laten hem stilletjes trekken. Wij zullen
+het wel zonder hem stellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar Tom voelde zich allesbehalve prettig en was in ernst ongerust, toen hij Joe mismoedig zag voortgaan om zich te kleeden.
+Buitendien was het onrustbarend te bemerken, dat Huck met belangstelling Joes toebereidselen gadesloeg en een onheilspellend
+stilzwijgen in acht nam. Daar stapte Joe, zonder een woord tot afscheid, den kant op der zandbank. Het hart zonk Tom in de
+schoenen. Hij keek naar Huck, en Huck, die hem niet durfde aanzien, sloeg de oogen neder en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik verlang ook zoo, Tom; ik heb mij hier nog meer verlaten gevoeld dat overal elders en nu zal het nog erger worden. Kom,
+Tom, laten wij ook gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dank je wel; jelui kunt allebei gaan, als je verkiest. Ik denk te blijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, ik wou liever gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, ga dan! Wie belet je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, ik wou, dat jij ook meegingt. Toe, denk er eens over. Wij zullen bij de zandbank op je wachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zul je verduiveld lang moeten wachten; dat is alles wat ik je te zeggen heb.&#8221;
+<a id="d0e2348"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2348">130</a>]</span></p>
+<p>Huck ging verdrietig heen en Tom stond hem na te oogen, brandende van verlangen om hem te volgen en toch te trotsch om dat
+te doen. Hij hoopte dat de jongens zouden omkeeren, doch zij waren al uit het gezicht. Op eens voelde hij, dat het ontzettend
+eenzaam en stil om hem heen was geworden.
+
+</p>
+<p>Nog eenmaal worstelde hij met zijn hooghartig gemoed, ijlde zijne makkers achterna en gilde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht! wacht! Ik moet je wat vertellen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dadelijk hielden zij stil en keerden zich om.
+
+</p>
+<p>Toen hij hen had ingehaald, deelde hij hun een plannetje mede. Eerst hoorden zij hem gemelijk aan, maar toen zij eindelijk
+het punt ontdekten waar hij hen hebben wilde, werd zijn plan met een luid &#8220;hoera&#8221; begroet, een prachtig denkbeeld genoemd
+en werd er verklaard, dat, als hij het dadelijk had medegedeeld, zij niet aan naar huis gaan gedacht zouden hebben.
+
+</p>
+<p>Tom maakte over zijne terughoudendheid eenige schoonschijnende verontschuldigingen; de ware reden daarvan echter was de vrees,
+dat zelfs dit geheim niet langer in staat mocht zijn hen nog te doen blijven, en hij had het daarom als het laatste noodschot
+bewaard.
+
+</p>
+<p>De knapen keerden vroolijk terug en gingen met opgewekt gemoed weder aan het spelen, niet uitgepraat over het heerlijke denkbeeld
+van Tom en vol bewondering over zijn vernuft. Na een smakelijk maal van eieren en visch verklaarde Tom, dat hij lust had on
+te rooken. Joe vond dit een voortreffelijke inval en zeide, dat hij het ook eens wilde probeeren. Huck maakte pijpjes en stopte
+die. Onze nieuwelingen hadden nooit iets anders gerookt dan stroo-sigaren, doch dat waren &#8220;flauwe dingen,&#8221; te kinderachtig
+on meegeteld te worden.
+<a id="d0e2363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2363">131</a>]</span></p>
+<p>Nu strekten zij zich op het mos uit, leunden welbehaaglijk op hunne ellebogen en begonnen dapper te blazen. De tabak was lang
+niet lekker en maakte hen een beetje draaierig; doch Tom zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dat is gemakkelijk. Had ik geweten, dat er zoo weinig aan was, dan had ik het al lang geleerd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook,&#8221; zeide Joe; &#8220;het beduidt niets.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe menig keer,&#8221; zeide Tom, &#8220;heb ik rookers aangekeken en gedacht: &#8216;H&egrave;, ik wenschte dat ik het kon,&#8217; en dan hield ik het
+er voor, dat ik het nooit zou kunnen leeren. Heb ik dat niet gezegd, Huck? Heb jij het mij niet hooren zeggen, Huck? Laat
+Huck zeggen, of het niet waar is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, wel twintigmaal,&#8221; zeide Huck.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zeide Tom, &#8220;wel honderdmaal. Eens nog, toen wij bij het slachthuis stonden. Herinner jij je dat niet, Huck? Bob Tanner
+was er ook bij en Johan Hatcher en Jeff Hatcher. Weet je niet meer, Huck, dat ik het zeide?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, zeker,&#8221; antwoordde Huck. &#8220;&#8217;t Was op denzelfden dag, waarop ik mijn albasten knikker verloor;&#8212;neen, &#8217;t was den dag te
+voren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heb ik het je niet gezegd?&#8221; zeide Tom. &#8220;Huck herinnert het zich nog.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof, dat ik den geheelen dag wel pijpen zou kunnen rooken. Ik ben niets misselijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook niet,&#8221; zeide Tom. &#8220;Ik zou wel van den morgen tot den avond kunnen rooken, maar ik wed, dat Jeff Hatcher het niet zou
+kunnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jeff Hatcher! Wel, hij zou bij den tweeden trek al katterig worden. Laat hij het maar eens wagen, dan zul je wat zien!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof het ook.&#8212;En Johnny Miller... Ik zou Johnny Miller wel eens met een pijp willen zien!&#8221;
+<a id="d0e2388"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2388">132</a>]</span></p>
+<p>&#8220;En ik!<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> zeide Joe. &#8220;Ik ben zeker, dat Johnny Miller geen trekje kan doen. Als hij maar &eacute;&eacute;n pijpje rookt, zou hij al ziek worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zou hij zeker, Joe.&#8212;Zeg, ik wou dat de jongens ons nu eens konden zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg, jongens,&#8221; zeide Tom, &#8220;we moeten er niet van vertellen, en als we dan weder eens bij elkaar zijn, dan zal ik op je afkomen
+en zeggen: &#8216;Joe, kom geef mij een pijp; ik wou eens rooken,&#8217; en dan moet jij zeggen, zoo onverschillig mogelijk, alsof het
+niets was: &#8216;Goed, ik heb mijn oude pijp en ook nog een andere, maar mijn tabak deugt niet.&#8217; En dan zal ik weer zeggen: &#8216;O,
+dat doet er niet toe, als ze maar <i>zwaar</i> is.&#8217; En dan moet jij met de pijpen voor den dag komen en wij zullen ze kalmpjes opsteken&#8212;en dan zul je ze eens zien kijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waaratje, dat zal grappig zijn, Tom; ik wou, dat het nu al zoo ver was!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook. En wanneer wij hun vertellen, dat we het geleerd hebben toen we zeeroovers waren, zouden zij dan niet willen dat
+zij er bij geweest waren?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat geloof ik niet; maar wij zullen er om wedden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dus ongeveer liep het gesprek der knapen. Langzamerhand echter begon het een weinig te verflauwen en wilde het niet meer vlotten.
+De gapingen tusschen het eene onderwerp en het andere werden grooter en het spuwen verbazingwekkend. Elke porie in de wangen
+der knapen werd een spuitende fontein en zij konden de kelders onder hun tong niet schielijk genoeg uitscheppen on eene overstrooming
+te voorkomen. Er kwamen tegen wil en dank kleine opwellingen in hun keel, die gevolgd werden door aanvallen van misselijkheid.
+De beide knapen zagen er bleek en akelig uit. <a id="d0e2411"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2411">133</a>]</span>Eindelijk viel Joes pijp hem uit de krachtelooze vingers. Daarop volgde die van Tom. De beide fonteinen sprongen met onstuimige
+woede en de beide pompen werden met kracht en geweld uitgeschept. Joe zeide flauwtjes:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb mijn mes verloren, ik ga het eventjes opzoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom zeide met bevende lippen en ingehouden adem:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal je helpen. Ga jij dezen kant, dan loop ik langs de bron.&#8212;Neen, je behoeft niet mede te gaan, Huck;&#8212;wij zullen het
+wel vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck ging weer zitten en wachtte een uur. Toen begon hij zich te vervelen en ging zijne kameraden zoeken. Zij lagen ver van
+elkander, diep in het woud, beiden zeer bleek en vast in slaap. Maar uit een waarneming, welke hij deed, bleek hem dat zij,
+van hetgeen hen hinderde, verlost waren.
+
+</p>
+<p>Zij hadden dien avond aan het souper niet veel te vertellen en zagen verlegen voor zich. Toen Huck na het avondeten zijn pijp
+voor den dag haalde en er ook een voor hen wilde klaarmaken, bedankten zij en verklaarden dat zij zich niet wel voelden, omdat
+iets, dat zij &#8217;s middags gegeten hadden, hun nog in de maag zat.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e2423"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XVII.</h2>
+<p>Tegen middernacht werd Joe wakker en riep de jongens. <span class="corr" title="Bron: En">Er</span> was eene drukkende benauwheid in de lucht, die weersverandering scheen te voorspellen. De knapen schoten haastig hunne kleeren
+aan en schaarden zich voor de gezelligheid om een vriendelijk vuurtje, niettegenstaande men in den snikheeten, door geen enkel
+koeltje bewogen <a id="d0e2431"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2431">134</a>]</span>dampkring dreigde te stikken. Zij bleven stil, in gespannen verwachting, om het vuur zitten. Een pikzwarte duisternis, slechts
+afgewisseld door het schijnsel van het vuur lag over het landschap uitgespreid. Daar verlichtte eensklaps, voor een oogenblik,
+een flikkerende lichtstraal het donker geboomte. Een tweede volgde, iets heller daarna een derde. Toen werd er een zacht gesuis
+door het woud gehoord en een nauw merkbaar tochtje verkoelde de wangen der sidderende knapen, die zich verbeeldden, dat de
+Geest van den Nacht hun was voorbijgegaan. Daarop werd het weder bladstil. Maar op eens veranderde een onheilspellende bliksemstraal
+den nacht in z&oacute;&oacute; helderen dag, dat elk grasscheutje op den bodem, het kleinste zelfs, duidelijk zichtbaar werd&#8212;en tevens drie
+bleeke, verschrikte gezichten te zien kwamen. Een zware donderslag rolde door de lucht en verloor zich in de verte in een
+dof gerommel. Een kille windvlaag streek hun langs het hoofd, schudde al de bladeren en joeg de asch on het vuur in groote
+vlokken naar omhoog. Opnieuw zette een geweldige bliksemstraal het woud als in vuur en onmiddellijk daarna knalde een donderslag,
+die de boomtoppen boven het hoofd der kinderen scheen te splijten. Doodelijk ontsteld klemden zij zich in de dikke duisternis,
+die thans alles weder omhulde, aan elkaar vast. Enkele dikke regendroppels kletterden op de bladeren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gauw, jongens, naar de tent!&#8221; riep Tom uit.
+
+</p>
+<p>Zij spoedden zich weg en stommelden over wortels en door wijngaardranken voort. Een weldoende rukwind loeide door het bosch.
+Bliksemstraal volgde op bliksemstraal en ratelslag op ratelslag. En nu stroomde de regen naar beneden en de razende orkaan
+dreef dien in breede golven over den grond. De knapen schreeuwden luid tegen elkaar <a id="d0e2437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2437">135</a>]</span>doch de bulderende storm en de rommelende donder overstemden hun geroep. Eindelijk bereikten zij de tent, waaronder zij koud,
+verschrikt en druipende van het water eene schuilplaats zochten, dankbaar dat zij in hunne ellende lotgenooten hadden in elkander.
+Zich aan elkaar verstaanbaar maken konden zij, al hadden andere geluiden zulks niet verhinderd, niet, door het woedend klepperen
+van het oude zeil. De storm verhief zich meer en meer, en weldra rukte het zeil zich van zijne banden los en ijlde voort op
+de vleugelen van den wind. De knapen grepen elkaar bij de hand en vluchtten onder het schutsdak van den grooten eik, aan den
+kant der rivier. Nu had de strijd zijn toppunt van heftigheid bereikt en bij den onafgebroken gloed van het in de lucht vlammend
+bliksemvuur teekende zich alles daarbeneden akelig scherp af.
+
+</p>
+<p>De zwiepende boomen, de kokende rivier met hare witte golven, de schuimvlokken die haar als met een sprei overdekten, de donkere
+omtrekken van den hoogen oever aan den overkant en daarboven de jagende wolken en de schuin neervallende regen. Telkens gaf
+een reusachtige boom den strijd op en viel krakend over het jongere gewas; en de onvermoeide donderslagen barstten onafgebroken,
+met een oorverdoovend, alles doordringend, onuitsprekelijk schrikwekkend geraas, in knallen los. De storm spande met eene
+uiterste poging al zijne krachten in om het eiland stuk te slaan, in vlam te zetten, onder water te dompelen, tot aan de kruinen
+der boomen toe, en alle schepselen die er op huisden te vernietigen. Het was een vreeselijke nacht om onder den blooten hemel
+door te brengen.
+
+</p>
+<p>Maar eindelijk was de strijd volstreden; de legermachten trokken onder steeds zwakker dreigen en rommelen af en de vrede nam
+de teugels van het bewind weder in handen. <a id="d0e2443"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2443">136</a>]</span>De knapen gingen vol angst naar hun kamp terug en bemerkten, dat zij nog reden tot dankbaarheid hadden, want de groote vijgeboom,
+onder welken zij des nachts hadden gerust, was door den bliksem vernield en aan splinters geslagen.
+
+</p>
+<p>Het geheele kamp was doorweekt en het kampvuur daarbij, want onze onbedachtzame knaapjes hadden geene voorzorgen tegen den
+regen genomen. Stof genoeg om moedeloos te zijn: immers zij waren nat tot op het hemd en beefden van koude. Al pratende over
+hun ongeval ontdekten zij, dat het vuur onder het groote blok hout, waartegen het aangelegd was, zoo ver had voortgewoekerd,
+dat daar waar het blok zich opwaarts kromde en boven den grond verhief, slechts een handje vol hout was blijven smeulen.
+
+</p>
+<p>Toen gingen zij ijverig aan het werk, on met boomschors en afval van droog hout, dat zij hier en daar opzamelden, de uitgedoofde
+vlam aan te wakkeren, en nadat hun dit gelukt was legden zij er doode takken bovenop en hadden tot hunne groote vreugde weldra
+weder een knappend vuurtje. Zij droogden hun gekookte ham, deden zich daaraan te goed, gingen daarna bij het vuur zitten en
+wijdden tot aan den morgenstond uit over hun nachtelijk avontuur.
+
+</p>
+<p>Toen de zon de knapen met hare stralen begon te beschijnen, werden zij slaperig en trokken naar de zandbank, waarop zij zich
+ter ruste legden. Zij ontwaakten bijna geroosterd door de heete dagvorstin en zetten zich met droge kleeren aan hun ontbijt.
+Doch daarna gevoelden zij zich onaangenaam stijf en begon het heimwee terug te komen. Tom bemerkte die kwade teekens en beurde
+de zeeroovers op, zooveel als hij kon. Alles echter liet hen onverschillig, knikkers zoowel als het paardenspel en het <a id="d0e2451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2451">137</a>]</span>zwemmen. Hij bracht hun het afgesproken geheim te binnen en wist hierdoor een straaltje van opgewektheid in hun gemoed te
+doen doorschemeren. Zoolang dat aanhield, boezemde hij hun belangstelling in voor een nieuw spel. Dit was: het zeerooverschap
+er een poos aan te geven en voor de verandering Indianen te worden. Dit denkbeeld trok hen aan. Het duurde dan ook niet lang,
+of zij hadden zich geheel ontkleed en van het hoofd tot de voeten met modderstrepen besmeerd. Als Zebra&#8217;s gingen zij woest
+schreeuwend, door het woud, om eene Engelsche kolonie aan te vallen.
+
+</p>
+<p>Van lieverlede scheidden zij zich in drie vijandelijke stammen en beschoten elkaar uit hinderlagen, onder vreeselijke strijdkreten
+en moordden en scalpeerden elkander bij duizenden. Het was een bloedige dag en daarom zeer aangenaam. Tegen den avond verzamelden
+zij zich hongerig en tevreden in hun kamp. Thans evenwel deed zich eene moeilijkheid voor:&#8212;vijandige Indianen konden te zamen
+het brood der gastvrijheid niet breken, eer zij vrede gesloten hadden, en dit was bepaald onmogelijk zonder het rooken van
+de vredepijp. Van eene andere wijze om een twist te beslechten hadden zij nooit gehoord. Twee der wilden wenschten bijna,
+dat zij zeeroovers gebleven waren. Toch was er geen andere weg. Met gehuichelde vroolijkheid vroegen zij om eene pijp en dampten
+zooals het behoort. En ziet, zij waren blijde dat zij wilden geworden waren, want zij hadden er iets bij gewonnen. Zij bemerkten
+namelijk, dat zij een weinig konden rooken, zonder naar een verloren mes te behoeven te gaan zoeken. Natuurlijk werd er van
+deze heerlijke ontdekking partij getrokken en werd er na het eten voorzichtig nog een pijpje aangestoken. Hun pogen werd met
+een goeden uitslag bekroond en zoo <a id="d0e2455"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2455">138</a>]</span>brachten zij een verrukkelijken avond door. Zij waren trotsch er op en gelukkiger met het verworven talent, dan zij geweest
+zouden zijn, indien zij de zes nati&euml;n gescalpeerd en afgestroopt hadden.
+
+</p>
+<p>En hier zullen wij hen aan hun pijp en hun gezwets overlaten, daar wij voor het tegenwoordige niets met hen te maken hebben.
+
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e2459"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XVIII.</h2>
+<p>Op dien stillen Zaterdag heerschte er in het stadje St. Petersburg ver van algemeene vroolijkheid. Juffrouw Harper en tante
+Polly met de haren, zaten onder zuchten en tranen rouwkleeren te maken en de anders toch reeds stille straten waren als uitgestorven.
+De bewoners gingen somber en zwijgend huns weegs en liepen elkaar, onder het slaken van zware zuchten, sprakeloos voorbij.
+De kinderen waren verlegen met hun vrijen Zaterdagmiddag; hun hart was niet bij het spel en het was nog niet begonnen of het
+was alweer gedaan.
+
+</p>
+<p>In den namiddag zou men Becky Thatcher met een bezwaard gemoed langs het verlaten schoolgebouw hebben kunnen zien zwerven,
+zonder iets of iemand te vinden on haar te troosten. Eindelijk sprak zij verdrietig tot zich zelve:
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, had ik toch zijn koperen knop maar! Helaas ik heb geen enkele gedachtenis, niets dat mij aan hem herinnert!&#8221; En de woorden
+bleven haar in de keel steken.
+
+</p>
+<p>Na een poos hernam zij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het gebeurde juist op deze plek. O, als ik het over <a id="d0e2472"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2472">139</a>]</span>kon doen,&#8212;ik zou hem voor geen wereld zoo behandelen! Nu is hij heengegaan, en ik zal hem nooit, nooit meer terugzien!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit denkbeeld maakte haar zoo van streek, dat, op den ganschen weg huiswaarts, haar de tranen langs de wangen biggelden.
+
+</p>
+<p>Toen kwam er een troepje jongens en meisjes aan,&#8212;speelkameraden van Tom en Joe. Zij bleven voor het ijzeren hek staan kijken
+en vertelden elkaar op eerbiedigen toon, wat Tom, de laatste maal dat zij hem gezien hadden, gedaan had en wat Joe gezegd
+had, woorden waaraan zij toen niet gehecht hadden, maar die gebleken waren eene vreeselijke voorspelling te zijn. Sommigen
+wezen de juiste plek aan, waar de ongelukkige knapen toen gestaan hadden en voegden er gedurig volzinnen bij als deze: &#8220;En
+ik stond juist, juist, zooals ik nu sta,&#8212;en hij stond juist, waar jij nu staat&#8212;juist zoo dicht bij&#8212;en hij lachte precies zooals
+ik nu doe&#8212;en toen ging mij een rilling door de leden: waarom, dat wist ik zelf niet, maar nu begrijp ik het.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop volgde een geschil over de vraag, wie de overledenen het laatst gezien had, en velen maakten aanspraak op de droevige
+onderscheiding, terwijl zij hunne beweringen met meer of minder afdoende bewijzen staafden. En toen zij het er eindelijk over
+eens waren, wie de gelukkige geweest was, kreeg deze eene plechtige voornaamheid en werd hij door al de anderen bewonderd
+en benijd. Een klein jongentje in hun midden, dat zich toch ook gaarne op iets ten aanzien van Joe en Tom beroemen wilde,
+zeide met den noodigen trots:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom Sawyer heeft mij ook een pak slaag gegeven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Doch deze onderscheiding werd met te veel anderen <a id="d0e2484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2484">140</a>]</span>gedeeld, om aanspraak op haar naam te kunnen maken, en het kleine mannetje droop verlegen af.
+
+</p>
+<p>Na nog eenigen tijd op fluisterenden toon over de daden der overleden helden gesproken te hebben, verspreidde zich de schare.
+
+</p>
+<p>Toen den volgenden morgen de Zondagsschool uitging, begon de dood- in plaats van de gewone kerkklok te luiden. Het was een
+rustige sabbatmorgen en het sombere gelui was volkomen in overeenstemming met de stille, kalme natuur. Uit alle straten en
+stegen zag men menschen naar de kerk stroomen en de meesten bleven, voordat zij binnentraden, een oogenblik in het voorportaal
+van het Godshuis staan, om met gedempte stem over het ongeval te spreken. In de kerk evenwel hield het gefluister op. Daar
+werd geen geluid vernomen, behalve het geritsel der japonnen van de vrouwen die zich naar hare zitplaatsen begaven. Bij menschengeheugenis
+was de kerk nooit zoo vol geweest. Toen iedereen gezeten was, volgde er een akelige pauze; want, zie, daar kwam tante Polly
+binnen, gevolgd door Sid en Marie, en daarachter de familie Harper,&#8212;allen in diepen rouw gekleed. De geheele vergadering,
+de predikant niet uitgezonderd, rees eerbiedig op en bleef staan, totdat de rouwdragers in de voorste bank hadden plaats genomen.
+En nu volgde weder eene indrukwekkende stilte, afgebroken door een onderdrukt gesnik, dat eerst ophield, toen de predikant
+zegenend zijne handen over de menigte uitspreidde en ging bidden. Op het gebed volgde een aandoenlijk, toepasselijk gezang
+en vervolgens werd de tekst voorgelezen: &#8220;Ik ben de opstanding en het leven.&#8221;
+
+</p>
+<p>In den loop zijner rede schilderde de predikant het beminnelijk karakter der veelbelovende jeugdige overledenen z&oacute;&oacute; aangrijpend
+af, dat elk lid der vergaderde gemeente zich <a id="d0e2492"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2492">141</a>]</span>het hart voelde toeknijpen bij de gedachte aan zijne opzettelijke verblinding, die halsstarrig niets dan fouten en gebreken
+in de arme knapen had willen ontdekken. Menig treffend voorval uit het leven der afgestorvenen bracht hij bij, waarin hunne
+zachtheid en de adel van hun gemoed schitterend voor den dag kwamen. Duidelijk zag men thans in, dat de schijnbaar ondeugende
+knapen in waarheid goed waren geweest, en men herinnerde zich met hartzeer, hoe men menige edele daad der beide kinderen als
+booze streken had beschouwd, die men met een vracht zweepslagen had beloond. De vergadering werd hoe langer zoo meer bewogen,
+al naarmate de redenaar zijne pathetische schetsen vervolgde, zoodat op het eind al de aanwezigen in tranen versmolten en
+met de weenende rouwdragers een koor van zenuwachtig gesnik aanhieven. Zelfs de prediker was zijn gevoel niet langer meester
+en zette zich bitter schreiende in den preekstoel neder.
+
+</p>
+<p>Juist op dat oogenblik ontstond er een klein geritsel in het voorportaal, waarop toevallig niemand acht sloeg. Een oogenblik
+later kraakte de kerkdeur, en de domin&eacute;e nam den zakdoek van zijne betraande oogen weg, rees op en bleef, als van den donder
+getroffen, in den preekstoel staan. Eerst volgde &eacute;&eacute;n en daarna eene tweede paar oogen de richting van des predikers blik,
+en binnen eenige oogenblikken verhieven zich al de vergaderden van hunne zitplaatsen en staarden naar de deur, door welke
+de drie doodgewaande knapen voorwaarts stapten;&#8212;Tom vooruit, toen Joe en verlegen in de achterhoede, de ongelukkige, in lompen
+gehulde Huck. Zij hadden zich achter een pilaar schuilgehouden, om hun eigen lijkpredikatie te hooren.
+
+</p>
+<p>Tante Polly, Marie en de Harpers wierpen zich op de hun teruggegeven kinderen, versmoorden hen bijna onder <a id="d0e2498"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2498">142</a>]</span>kussen en goten een stortvloed van dankgebeden over hun hoofd uit, terwijl Huck bedeesd in een hoek bleef staan, niet wetende
+wat hij doen moest en hoe hij zich voor zoovele onwelkome oogen moest verbergen. Hij week zachtjes achteruit om af te druipen,
+Maar Tom vatte hem bij den arm en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tante Polly, dat is niet mooi; er moest ook iemand verheugd zijn, dat Huck is teruggekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En dat zal ook zoo zijn. Ik ben blijde hem te zien, dien ongelukkigen, moederloozen jongen!&#8221; En in hare verrukking ging de
+oude juffrouw hem zoo hartelijk omhelzen, dat de arme knaap zich ten laatste niet meer wist te bergen van verlegenheid.
+
+</p>
+<p>Plotseling riep de domin&eacute;e met luider stem:
+
+</p>
+<p>&#8220;Juich, aarde! juich alom den Heer!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zing!&#8212;en doe het met geheel uw ziel!&#8221;
+
+</p>
+<p>En dat deden zij.&#8212;En de tonen van den ouden honderdsten psalm klonken zegevierend door het eerwaarde kerkgebouw, en terwijl
+zij de muren deden trillen, keek Tom Sawyer, de zeeroover, naar de hem benijdende jeugd en beleed in zijn hart, dat dit het
+schoonste oogenblik zijns levens was.
+
+</p>
+<p>Toen de &#8220;beetgenomen&#8221; kerkgangers uiteengingen, verklaarden zij, dat zij bijna wenschten nog eens zoo voor den gek gehouden
+te worden, on het genot te smaken, den ouden honderdsten psalm z&oacute;&oacute; te hooren zingen.
+
+</p>
+<p>Tom kreeg dien dag meer zoenen en klappen, al naar gelang van tantes veranderlijke gemoedsstemming, dan hem te voren in een
+jaar waren toebedeeld. De oude juffrouw toch was zoo vervuld van dankbaarheid aan God en liefde voor haar neef, dat zij nauwelijks
+wist of zij aan die gevoelens door kastijdingen dan wel door liefkozingen moest lucht geven.
+
+
+<a id="d0e2516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2516">143</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e2517"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XIX.</h2>
+<p>Dit nu was Toms groot geheim:&#8212;het plan om met zijne mede-zeeroovers naar huis terug te keeren, op het oogenblik dat de lijkdienst
+over hen zou gehouden worden. Zij waren Zaterdag, tegen schemerdonker, op een blok hout de rivier afgezakt en vijf of zes
+mijlen beneden het stadje aan land gegaan. Zij hadden in een bosch, in de nabijheid van St. Petersburg, geslapen en waren
+bij het aanbreken van den dag door allerlei straatjes en steegjes gekropen, totdat zij de kerk bereikt hadden, waar zij te
+midden van een chaos van vermolmde banken nog een uiltje hadden geknapt.
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen na het ontbijt waren tante Polly en Marie buitengewoon hartelijk jegens Tom en voorkwamen zijne wenschen.
+Het gesprek was bijzonder levendig en tante Polly zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal niet ontkennen, Tom, dat ik het nogal grappig van je vond, om de gansche stad eene week lang te laten treuren, terwijl
+jelui pleizier maakten; maar ik kan mij niet begrijpen, hoe je zoo ongevoelig kondt zijn, om mij zoo lang in de benauwdheid
+te laten. Als je op een blok hout de rivier kondt oversteken voor je lijkdienst, had je ook wel eens kunnen komen overvaren
+om mij te verstaan te geven, dat je niet dood, doch alleen weggeloopen waart.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, waarom heb je dat niet gedaan?&#8221; zeide Marie. &#8220;Ik geloof zeker, dat, als je er aan gedacht hadt, je wel even hier zoudt
+gekomen zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou je, Tom?&#8221; vroeg tante Polly, terwijl zij peinzend <a id="d0e2530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2530">144</a>]</span>haar gelaat tot hem ophief. &#8220;Zeg, zou je het gedaan hebben, als je er aan gedacht hadt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik... wel, ik weet het niet. Het zou alles bedorven hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, ik dacht dat je ten minste zooveel van mij hieldt, om dat voor mij over te hebben,&#8221; zeide tante Polly, op een toon zoo
+vol weemoed, dat het gemoed van den knaap volschoot. &#8220;Het zou mij een troost geweest zijn te weten, dat je er aan gedacht
+had, zelfs zonder het te hebben gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, lieve tante, maak er u niet naar over,&#8221; vleide Marie; &#8220;&#8217;t is niets dan onnadenkendheid van Tom. Hij is altijd zoo&#8212;zoo
+onbezonnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Spijt mij vreeselijk! Sid zou er aan gedacht hebben; hij zou bij mij gekomen zijn. O Tom, eens zal het je berouwen, als
+het te laat is, en dan zul je zeggen: &#8216;Was ik maar wat meer bezorgd voor haar geweest!&#8217;<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>&#8220;Och tante,&#8221; zeide Tom, &#8220;u weet toch wel, dat ik veel van u houd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou het beter weten, indien je er een weinigje meer naar handeldet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wou nu wel, dat ik het maar gedaan had,&#8221; zeide Tom, op berouwvollen toon; &#8220;maar ik heb toch van u gedroomd; dat is al
+wat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zegt nog niet veel; een kat doet hetzelfde: maar &#8217;t is toch beter dan niets. Wat heb je gedroomd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, Woensdagnacht droomde ik, dat u bij het bed zat en Sid op de houtkist en Marie naast hem.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dat doen we immers altijd. Het verheugt me, dat je ons de moeite waard geacht heb, dat van ons te droomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik droomde, dat de moeder van Joe Harper hier was.&#8221;
+<a id="d0e2557"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2557">145</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wel, zij was hier! Heb je nog meer gedroomd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, nog zooveel! Doch het staat mij niet duidelijk meer voor.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tracht het je te binnen te brengen.&#8212;Gaat het?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er ligt mij iets van bij, dat het heel hard woei.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bezin je nog eens! De wind woei hard en...&#8221; Tom hield een minuut lang peinzend zijne hand voor zijn voorhoofd en zeide toen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben er! Ik ben er! De wind blies de kaars uit!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God zij ons genadig! Ga voort, ga voort!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En het was mij, als zeidet gij: &#8216;Wel, ik geloof, dat de deur...&#8217;<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga voort, Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij een oogenblikje, een klein oogenblikje bedenken. O ja,&#8212;u zei, dat u dacht dat de deur open was.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo waar als ik leef, dat heb ik gezegd! Heb ik niet, Marie? Ga verder!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen&#8212;en toen&#8212;ik ben er niet zeker van, maar toen meende ik, dat u Sid de deur liet...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu! Wat liet ik Sid, Tom? Wat liet ik Sid doen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;U liet hem&#8212;u&#8212;O&#8212;u liet hem de deur dichtdoen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hemelsche goedheid! Zoo iets heb ik nog nooit gehoord! Zeg mij niet meer, dat droomen bedrog is. Sientje Harper zal dit weten,
+eer ik een uur ouder ben. Het zal mij eens benieuwen of zij mij nu nog zal bespotten over mijne lichtgeloovigheid!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, tante, het wordt mij zoo klaar als het licht! Toen zei u, dat ik niet slecht was, alleen maar een beetje lichtzinnig en
+ondeugend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo was het. Hemelsche genade!&#8212;Ga verder, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen begon u te schreien.&#8221;
+<a id="d0e2597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2597">146</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dat deed ik, dat deed ik! En voorwaar niet voor de eerste maal.&#8212;en toen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen begon juffrouw Harper te schreien en zeide, dat het precies hetzelfde met haar Joe was en dat ze wilde dat zij hem geen
+zweepslagen gegeven had omdat hij room had gesnoept, dien zij zelve uit het raam had gegooid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom! De Geest was op u,&#8212;gij waart aan het profeteeren, dat waart ge! God in den hemel!&#8212;Ga voort, Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen zei Sid... Hij zei...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik, geloof niet, dat ik iets gezegd heb,&#8221; sprak Sid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel Sid,&#8221; zeide Marie.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houdt jelui je mond en laat Tom voortgaan. Wat zeide hij, Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zei&#8212;geloof ik&#8212;dat hij hoopte, dat ik het goed zou hebben in de plaats waar ik was heengegaan, maar indien ik beter had
+opgepast....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor jelui dat? Het ware zijne eigen woorden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En u sloot hem den mond.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarempel, dat heb ik gedaan. Er moet een engel op dat eiland geweest zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En juffrouw Harper vertelde, dat Joe haar met een voetzoeker verschrikt gemaakt had, en u, dat ik de kat met den drank geplaagd
+had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo waar als ik leef!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen werd er gepraat over het opvisschen van onze lijken en over den lijkdienst, en bij het heengaan hebt u juffrouw Harper
+gezoend en toen zijt gij beiden in tranen uitgebarsten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het gebeurde precies zoo! Precies zoo, zoo waar als ik hier in de kamer zit. Je kondt het niet beter verteld <a id="d0e2628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2628">147</a>]</span>hebben, al had je er bij gezeten.&#8212;En wat toen? Ga voort, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen droomde ik, dat gij voor mij badt,&#8212;en ik kon u zien en elk woord hooren dat gij spraakt. En gij gingt naar bed, en ik
+was zoo bedroefd, dat ik een stuk van den vijgeboom nam en daarop krabbelde: &#8216;Wij zijn niet dood, wij zijn alleen maar weggegaan
+om zeeroovers te worden,&#8217; en dat bij den kandelaar op de tafel legde. En toen nam ik den kandelaar van de tafel en hield dien
+boven uw gelaat, en gij zaagt er in uw slaap zoo vriendelijk uit,&#8212;en ik droomde, dat ik mij over u heenboog en u op de lippen
+kuste.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hebt ge dat gedaan, Tom? Nu vergeef ik u alles!&#8221; En zij greep den knaap en omhelsde hem met zulk eene verpletterende hartelijkheid,
+dat hij zich den misdadigsten schurk der aarde voelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het was zeer lief, ofschoon het slechts een droom was,&#8221; zeide Sid hoorbaar in zichzelven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je mond, Sid! Iemand doet in zijn droom juist wat hij wakende zou verrichten. Hier heb je een grooten appel, Tom, dien
+ik voor je bewaard heb, als je ooit terug gevonden werdt. En ga nu naar school. Ik ben den goeden God, ons aller Vader, dankbaar
+dat Hij mij u <span class="corr" title="Bron: teruggeven">teruggegeven</span> heeft. Hij is lankmoedig en vol goedertierenheid voor hen die in hem gelooven en Zijn woord houden, hoewel de Hemel weet
+dat ik die genade niet waardig ben. Doch indien slechts de waardigen zijne zegeningen genoten en zijne hand mochten vatten
+om hen te leiden over hobbelige paden, zouden er weinigen zijn, die hier vroolijk konden leven of in zijne rusten konden ingaan,
+als de nacht komt. Gaat nu heen, Sid, Marie en Tom:&#8212;gij hebt mij reeds lang genoeg in den weg geloopen.&#8221;
+<a id="d0e2641"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2641">148</a>]</span></p>
+<p>De kinderen gingen naar school en de oude juffrouw stapte de straat op, om een bezoek bij juffrouw Harper te brengen, ten
+einde haar ongeloof door Toms wondervollen droom den doodsteek te geven.
+
+</p>
+<p>Sid was slim genoeg on zich stil te houden, zoolang hij in de kamer was. Toen hij de deur achter zich had dichtgeslagen, riep
+hij uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Een mooie grap&#8212;zoo&#8217;n lange droom, zonder een enkele vergissing!&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat een held was Tom nu geworden! Hij sprong en huppelde niet meer langs den weg, maar bewoog zich voort met de waardige voornaamheid,
+welke aan den zeeroover past, die voelt dat hij een man van beteekenis is in het oog van &#8217;t publiek. En dat was hij inderdaad.
+Hij hield zich, als zag hij de blikken, als hoorde hij de opmerkingen niet, waarvan hij het voorwerp was, doch zij waren spijs
+en drank voor zijne ziel. Jongere knapen liepen achter hem aan en verhoovaardigden zich op de eer van met hem gezien en door
+hem geduld te worden, en behandelden hem alsof hij de Tamboer Majoor was van een optocht, of de olifant onder wiens leiding
+eene menagerie de stad binnentrekt. De jongens van zijne jaren deden, alsof zij er niets van wisten dat hij weg geweest was,
+maar vergingen niettemin van afgunst. Zij zouden er wat voor gegeven hebben om zijne bruine, door de zon verbrande huid en
+zijne vermaardheid te bezitten, en Tom zou daarvan voor geen wereldsch geld afstand hebben gedaan.
+
+</p>
+<p>Op school werd aan Tom en Joe zoo het hof gemaakt en werden ze zoozeer bewonderd, dat de beide helden weldra onuitstaanbaar
+pedant werden. Zij begonnen hunne avonturen aan gretig luisterende toehoorders te vertellen, doch brachten <a id="d0e2652"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2652">149</a>]</span>het nooit verder, dan het begin; want eene verbeelding als de hunne, steeds klaar om nieuwe stof aan te brengen, zou moeielijk
+tot een eind hebben kunnen komen. En toen zij ten slotte hunne pijpen voor den dag haalden en kalm de rookwolken in het rond
+bliezen, hadden zij het toppunt van roem bereikt.
+
+</p>
+<p>Tom was tot het besluit gekomen, dat hij thans wel van Becky Thatcher kon afzien. Zijne glorie was hem genoeg en voor deze
+alleen zou hij voortaan leven. Nu hij zulk een voornaam persoon geworden was, kon het wel eens zijn, dat zij lust kreeg bij
+te draaien. Welnu, als zij dat deed, zou zij ervaren, dat hij even onverschillig kon zijn als sommige andere lieden.
+
+</p>
+<p>Daar kwam zij juist toevallig aan. Tom deed alsof hij haar niet zag en voegde zich bij een ander troepje jongens en meisjes,
+met wie hij dadelijk een druk gesprek aanknoopte. Spoedig ontwaarde hij, dat Becky met gloeiende wangen en schitterende oogen,
+vroolijk nu achter dan vooruit huppelde, schijnbaar met hart en ziel krijgertje speelde en het uitgilde van &#8217;t lachen, wanneer
+zij een van haar kameraadjes gevangen had. Maar het ontging hem niet, dat zij hare vangsten altijd in zijne buurt deed en
+dan tersluiks naar hem keek.
+
+</p>
+<p>Dit streelde zijne booze ijdelheid ongemeen en deed hem, in plaats van hem voor haar te winnen, nog meer op zijne hoede zijn,
+om door taal noch teeken te verraden, dat hij haar toeleg bemerkte. Weldra gaf zij vruchteloos de moeite op en ging onder
+het slaken van zware zuchten besluiteloos op en neer wandelen, terwijl zij nu en dan heimelijk veelbeteekenende blikken op
+Tom wierp. Het viel haar op, dat Tom drukker met Amy Lawrence praatte dan met iemand anders. Dit gezicht verbitterde haar
+zoozeer, dat zij het besluit nam naar huis te gaan. Doch hare verraderlijke voetjes droegen <a id="d0e2660"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2660">150</a>]</span>haar tegen wil en dank naar de plaats, waar Tom en Amy stonden. Met geveinsde opgewektheid zeide zij dicht bij Toms oor tot
+een meisje:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, Marie Austin, ondeugende meid, waarom ben je niet op de zondagsschool geweest?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben er geweest. Heb je me niet gezien?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen. Waart ge er? Waar heb je gezeten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In de klasse van juffrouw Peters, waar ik altijd zit. Ik heb jou wel gezien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! Hoe mal, dat ik jou niet zag! Ik had je van de pic-nic willen vertellen, die gegeven wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dat is heerlijk! En wie geeft die?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn ma!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, heertje, ik hoop dat zij mij ook vragen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Natuurlijk; het is mijn partij. Zij vraagt iedereen, die ik hebben wil.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verrukkelijk!&#8212;wanneer zal het gebeuren?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Al spoedig. In de vacantie, denk ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voortreffelijk!&#8212;Je vraagt zeker al de jongens en meisjes?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, al mijne kennissen, dat is te zeggen, al de jongens en meisjes, die lief tegen mij zijn,&#8221; en meteen werd er tersluiks
+naar Tom gekeken. Doch deze had het juist ontzettend druk met Amy Lawrence over het vreeselijke onweer op het eiland en over
+den bliksem, die den grooten vijgeboom aan spaanders sloeg, terwijl hij, Tom, op geen tien pas afstands stond.
+
+</p>
+<p>&#8220;En mag ik ook komen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik?&#8221; zeide Sally Rogers.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik ook!&#8221; riep Suze Harper. &#8220;En Joe?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja.&#8221;
+<a id="d0e2700"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2700">151</a>]</span></p>
+<p>En zoo ging het met vroolijk handgeklap voort, totdat de geheele troep om eene uitnoodiging gebedeld had, behalve Tom en Amy.
+Deze twee keerden koeltjes de anderen den rug toe en wandelden pratende voort. Becky&#8217;s lippen begonnen te beven en hare oogen
+schoten vol tranen, en ofschoon zij deze teekenen van smart onder een vroolijk gelaat en een eindeloos gekeuvel zocht te verbergen,
+was de pret van de pic-nic en eigenlijk van alles af. Zoodra zij zulks onopgemerkt doen kon, sloop zij heen en ging in een
+hoekje zitten, om, zooals haar geslacht dat noemt, eens flink &#8220;uit te huilen.&#8221; Daar bleef zij, gebelgd over hare gekrenkte
+ijdelheid, zitten, totdat de schoolbel haar gelui deed hooren. Toen stond zij met wraak in het hart op, schudde met een vergramd
+gelaat haar gevlochten haarbos en mompelde, dat zij wel wist wat zij doen zou.
+
+</p>
+<p>Bij het uitgaan der school zette Tom zijne hofmakerij aan Amy Lawrence met onuitsprekelijke zelfvoldoening voort. Hij bleef
+voortdurend in den omtrek, in de hoop van Becky te vinden en haar door zijn wreed spel te kwellen. Eindelijk ontdekte hij
+haar&#8212;en de hooge temperatuur zijner gemoedsstemming daalde op eens tot het vriespunt.
+
+</p>
+<p>Zij zat welbehaaglijk op een bankje achter de school, in een boek prentjes te kijken met Alfred Temple, en zij waren zoo in
+hunne beschouwing verdiept en hielden hunne hoofden zoo dicht bij elkaar, dat er buiten hen en het prentenboek niets in de
+wereld scheen te bestaan.
+
+</p>
+<p>Een vuur van jaloezie gloeide Tom door de aderen. Hij verwenschte zichzelven, omdat hij de kans tot eene verzoening met Becky
+zoo jammerlijk had verspeeld. Hij noemde zich een dwaas en de Hemel weet wat niet al meer, en het huilen stond hem nader dan
+het lachen. De naast hem loopende Amy keuvelde lustig voort en juichte in haar <a id="d0e2709"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2709">152</a>]</span>hart,&#8212;doch Toms tong scheen hem aan het verhemelte te kleven. Hij hoorde niet wat Amy zeide, en wanneer zij stilhield om op
+een antwoord te wachten, kwamen er onsamenhangende, verwarde klanken, die veeltijds op de vraag niet sloegen. Niettemin bleef
+hij achter het schoolgebouw op-en nederloopen, om zich de oogballen met het hatelijk schouwspel te pijnigen. Hij kon niet
+anders, en de gedachte dat Becky Thatcher niet eens scheen te vermoeden dat hij in het land der levenden was, maakte hem bijna
+krankzinnig.
+
+</p>
+<p>Toch zag zij het maar al te goed en wist zij dat zij veld won ook, en was blijde dat hij nu ondervond, wat zij had uitgestaan.
+Amys vroolijk gebabbel werd hem ondraaglijk. Tom begon verontschuldigingen te maken en zeide dat hij naar huis moest om te
+werken, daar het laat werd. Doch tevergeefs: het vogeltje kirde altijd maar voort: &#8220;Ik wou, dat ze naar de maan vloog! Zal
+ik dan nooit van haar afkomen?&#8221; Eindelijk zeide hij dat hij weg moest, en het meisje antwoordde argeloos, dat zij zorgen zou
+morgenochtend weder op haar post te zijn. En hij spoedde zich voort en haatte haar om die belofte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een andere jongen!&#8221; sprak Tom tot zich zelven en knarste met de tanden. &#8220;Zij mocht, wat mij betreft, elken jongen van de
+plaats genomen hebben, behalve dien vromen Piet, die zich zoo mooi kleedt en zoo voornaam is! Best, jongen! ik heb je een
+pak gegeven den eersten dag dat je hier kwaamt, en je zult er nog een hebben. Wacht je beurt maar af. Dan gaat het zoo!&#8221;
+
+</p>
+<p>En toen ging hij in zijne verbeelding aan het afkloppen van den jongen, maakte de bewegingen van &#8220;iemand een pak geven&#8221;&#8212;en
+sloeg, schopte in de lucht, onder het uitroepen van: &#8220;Ziezoo, dat &#8217;s voor jou goed? Heb je nou genoeg, zeg? Laat dit je een
+les zijn.&#8221;
+<a id="d0e2717"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2717">153</a>]</span></p>
+<p>Toen snelde hij naar huis. Hij kon de gedachte aan Amys dankbaar geluk en aan dat andere tooneel niet meer verdragen. Becky
+intusschen zette hare plaatjesbeschouwing met Alfred voort; maar toen de minuten voortkropen en er geen Tom kwam, verloor
+haar zegepraal iets van haar luister en verdween hare belangstelling. Zij werd rusteloos en afgetrokken en eindelijk neerslachtig.
+Een paar malen spitste zij de ooren bij het geluid van een voetstap, maar de hoop, waarmede zij zich streelde, bleek ijdel
+te zijn. Er kwam geen Tom. Eindelijk voelde zij zich zoo ellendig, dat zij goud zou gegeven hebben, indien zij het niet zoover
+had laten komen. Toen de arme Alfred, ziende dat zij&#8212;hoe het kwam wist hij niet&#8212;ophield hem haar aandacht te schenken, zijn
+ijver verdubbelde en gedurig uitriep: &#8220;O, hier is een mooi plaatje, kijk eens!&#8221; verloor zij alle geduld en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, kwel mij niet langer! Het kan mij niet schelen,&#8221; en in tranen uitbarstende, stond zij op en ging heen.
+
+</p>
+<p>Alfred liep haar achterna en trachtte haar te troosten, doch zij zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga weg en laat mij met rust. Ik heb een hekel aan je!&#8221;
+
+</p>
+<p>De arme jongen zag haar verbijsterd aan en kon maar niet begrijpen, wat hij toch misdaan had.&#8212;Zij had hem zoo even nog gezegd,
+dat zij den geheelen middag prenten wilde kijken, en nu liep zij schreiend van hem weg.
+
+</p>
+<p>Ontstemd zette hij zich in de leege school neder. Hij was boos en gekrenkt en vond spoedig den sleutel tot de waarheid;&#8212;het
+meisje had hem eenvoudig tot speelbal gemaakt, om haar woede tegen Tom Sawyer te koelen. Deze gedachte verminderde zijn haat
+tegen Tom niet en hij zon op een middel, om hem een poets te spelen, zonder <a id="d0e2730"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2730">154</a>]</span>er zelf in te loopen. Daar viel zijn oog op Toms leesboek<span class="corr" title="Bron: ">.</span> Dat was een schoone gelegenheid. Hij sloeg de les op, welke dien middag gelezen moest worden en bekladde die flink met inkt.
+
+</p>
+<p>Becky, die op dat oogenblik toevallig naar binnen keek, zag de daad en verwijderde zich zonder iets van hare ontdekking te
+laten merken. Zij ging huiswaarts in de hoop Tom tegen te komen om hem alles te vertellen. Tom zou er haar erkentelijk voor
+zijn en hun verschil zou worden bijgelegd. Maar eer zij halverwegen was, kwam zij van haar plan terug. De gedachte aan Toms
+behandeling bij gelegenheid van de te berde gebrachte pic-nic kwam haar weder voor den geest en vernieuwde haar spijt. Zij
+besloot aan te zien, dat hij, ter zake van de vlekken in zijn boek, slaag kreeg en nam zich voor hem nog op den koop toe voor
+eeuwig te haten.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e2737"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XX.</h2>
+<p>Tom kwam te huis in een allertreurigste gemoedsstemming, en de eerste woorden, die zijne tante tot hem richtte, bewezen hem
+dat bij haar geen troost voor zijn verdriet te vinden was, want het luidde terstond:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, ik zou wel grooten lust hebben je levend te villen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat heb ik dan gedaan, tantelief?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Genoeg om die straf te verdienen. Zoodra je weg waart, ben ik, oude gekkin, naar Sientje Harper geloopen, in de hoop van
+haar al den onzin over dien droom van jou te doen gelooven, en daar vertelt zij mij, dat zij van Joe <a id="d0e2748"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2748">155</a>]</span>gehoord heeft, dat je de rivier overgezwommen bent en &#8217;s avonds onder mijn bed alles hebt afgeluisterd wat wij dien nacht
+gesproken hebben. Tom, ik weet niet wat er van een jongen groeien moet, die zich zoo gedraagt als jij. Ik schaam me dood,
+als ik er aan denk, dat je me stilletjes, zonder een gezicht te vertrekken, naar Sientje Harper hebt laten gaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Uit dat oogpunt had Tom de zaak nog niet beschouwd. Het verhaal, dat hem v&oacute;&oacute;r schooltijd zoo ijselijk grappig had toegeschenen,
+was nu een gemeene leugen geworden. Hij liet het hoofd hangen en wist niet wat hij zeggen zou. Eindelijk stamelde hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tantelief, ik wou dat ik het niet gedaan had, maar ik deed het zonder nadenken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O kind, je denkt nooit,&#8212;behalve wanneer het je zelf geldt. Je dacht wel, toen je in den pikdonkeren nacht van Jackson Island
+kwaamt afzakken, om ons over onze droefheid uit te lachen, en toen je mij met een leugen over een droom voor den gek hield;
+maar om medelijden met ons te hebben en ons angst te sparen, daaraan had je niet gedacht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tante, ik weet dat het gemeen was, maar waarlijk het was mijne bedoeling niet zoo slecht te zijn,&#8212;neen, wezenlijk niet. En
+dan dien nacht ben ik heusch niet gekomen om u uit te lachen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom kwam je dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eigenlijk om u te zeggen, dat ge niet ongerust over ons behoefdet te wezen, omdat wij niet verdronken waren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, Tom, ik zou het dankbaarste schepsel van de wereld zijn, indien ik gelooven kon, dat je ooit zulk een goede gedachte
+gehad hebt, maar je weet best, dat het niet zoo was.&#8221;
+<a id="d0e2764"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2764">156</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Waarachtig, tante, ik heb het daarom gedaan;&#8212;ik mag sterven, als het niet waar is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom lieg niet,&#8212;doe dat toch niet. Dat maakt het geval nog honderdmaal erger.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik lieg niet, tantelief; het is de waarheid. Ik wilde u verdriet sparen; daarom all&eacute;&eacute;n ben ik gekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou een wereld geven, als ik &#8217;t gelooven kon; hij zou eene macht van zonde bedekken. Ik zou er dan bijna blij om zijn,
+dat gij zijt weggeloopen en zoo slecht hebt gehandeld. Maar &#8217;t is niet aan te nemen; want waarom heb je het dan niet gezegd,
+kind?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ziet u, tantelief, toen ik over den lijkdienst hoorde spreken, werd ik zoo vervuld door het heerlijk denkbeeld om mij
+met Joe en <span class="corr" title="Bron: Puck">Huck</span> in de kerk te verbergen, dat ik het niet over mij kon verkrijgen den boel te bederven, en daarom stak ik de boomschors weder
+in den zak&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welke boomschors?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och de schors, waarop ik geschreven had, dat wij zeeroovers waren. Ik wou nu, dat u maar wakker geworden waart, toen ik u
+kuste; wezenlijk, dat wou ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heb je mij gezoend?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja zeker.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Stellig, Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, wezenlijk, tantetje,&#8212;op mijn woord van eer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom heb je dat gedaan, Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat ik het zoo lief van u vond, dat ge zoo bedroefd over mij waart;&#8212;dat speet mij zoo.&#8221;
+
+</p>
+<p>De woorden klonken als de waarheid. De oude tante kon eene kleine trilling in hare stem niet verbergen, toen zij sprak:
+
+</p>
+<p>&#8220;Kus mij nog eens, Tom!&#8212;en loop dan naar school en plaag mij niet meer&#8221;
+<a id="d0e2798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2798">157</a>]</span></p>
+<p>Toen hij weg was, ging tante Polly naar een kleerkast en haalde daaruit het buisje, dat Tom tijdens zijn zeerooverschap had
+aangehad. Zij hield het een oogenblik in de hand en zeide tot zich zelve:
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, ik durf niet.&#8212;Arme jongen, ik weet zeker dat hij gelogen heeft,&#8212;maar het was een gezegende, driewerf gezegende leugen!
+Ik hoop, dat de Heer.... neen, ik weet zeker, dat Hij hem vergeven zal, omdat het zoo lief van hem was, dat hij het vertelde.
+Maar ik wil er geen onderzoek naar doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij legde het buisje weg en bleef een oogenblik in gedachten verzonken, voor de kast staan. Tweemaal stak zij de hand uit,
+om het kleedingstuk nog eens op te nemen en twee malen bedwong zij zich. Nogmaals, en dezen keer waagde zij het, zich zelve
+troost insprekende met de gedachte: &#8220;Het is een goede leugen&#8212;een beste leugen; ik zal het mij niet aantrekken dat het onwaar
+is.&#8221;&#8212;En het buisje werd doorzocht. En daar vond ze Toms stukje hout en las onder een vloed van tranen de woorden, die er op
+geschreven stonden, zeggende:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu kan ik het den jongen vergeven, ook al had hij millioenen zonden begaan.&#8221;
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e2807"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXI.</h2>
+<p>Er was iets in Tante Polly&#8217;s wijze van doen, toen zij Tom omhelsde, dat zijne neerslachtigheid verdreef en hem weder vroolijk
+en gelukkig maakte. Hij ging naar school en smaakte het genot op den hoek van Meadow Lane toevallig Becky Tatcher tegen te
+komen. Zijn gemoedstoestand <a id="d0e2812"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2812">158</a>]</span>bepaalde doorgaans zijne handelingen. Zonder een oogenblik te aarzelen, liep hij naar haar toe en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb je vandaag heel gemeen behandeld, Becky, en dat spijt mij. Ik zal het nooit van mijn leven weer doen. Zullen wij,
+als je blieft, maar weder goede vrienden worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>Het meisje hield stil, keek hem met een blik vol verachting aan en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wilt u de goedheid hebben, mijnheer Thomas Sawyer u bij uw eigen vrienden te houden. Ik denk mij niet meer met u te bemoeien.&#8221;
+
+</p>
+<p>En het hoofd in den nek werpende, ging zij voorbij.
+
+</p>
+<p>Tom was zoo verpletterd, dat hij zelfs de tegenwoordigheid van geest miste om te zeggen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geef geen zier om je, nufje dundoek,&#8221; totdat het geschikte oogenblik voor dien uitval voorbij was. Dus zweeg hij met een
+woedend gezicht. Ziedende van toorn stapte hij de schoolplaats binnen en mompelde, dat hij wou dat zij een jongen was, om
+het haar eens fiks in te peperen. Toen hij haar voorbijging, wierp hij haar een paar hatelijkheden naar het hoofd, die behoorlijk
+teruggeslingerd werden, en de hoop op het herstel van den vrede scheen onherroepelijk verloren. Becky kon in hare drift den
+tijd haast niet afwachten, waarop de les zou beginnen en zij Tom zou zien afrossen voor het beschadigde leesboek. Indien zij
+nog een oogenblik plan had on Alfred Temple ten toon te stellen, was dit voornemen door Toms beleedigende schimpscheuten geheel
+uit hare ziel verdwenen.
+
+</p>
+<p>Arm kind! zij wist niet, hoezeer zij op weg was zich een wereld van verdriet te bezorgen.
+
+</p>
+<p>De schoolmeester, de heer Dobbins, was een man, die <a id="d0e2830"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2830">159</a>]</span>den middelbaren leeftijd bereikt had onder het drukkend lijden van onbevredigde eerzucht. Zijne lievelingswensch was geneesheer
+te worden, doch geldgebrek had hem verhinderd het hooger dan tot schoolmeester te brengen. Toch was de liefde tot de studie
+hem bijgebleven. Hij nam ten minste iederen dag een geheimzinnig boek uit de lessenaar on zich daarin te verdiepen, zoodra
+de verschillende klassen hunne lessen hadden opgezegd.
+
+</p>
+<p>Dat boek hield hij achter slot en grendel,&#8212;doch er was geen deugniet in de gansche school, die niet brandde van begeerte het
+eens in te zien. Daartoe echter bood zich de kans nooit aan. Elke scholier had zijne of hare eigen meening over den inhoud
+van het boek, doch er was geen middel om het rechte er van te weten te komen.
+
+</p>
+<p>Toen nu op dezen achtermiddag Becky langs den lessenaar schoof, die vlak bij de deur stond, zag zij dat de sleutel in het
+slot stak. Welk eene kostelijke gelegenheid! Zij keek in het rond, zag dat zij alleen was en geen seconde later had zij het
+boek in de hand. Het titelblad, &#8220;De Ontleedkunde, door Professor N. N.&#8221; maakte haar niet veel wijzer. Derhalve sloeg zij bladen
+op. Op eens ontdekte haar oog, op eene der eerste bladzijden, een prachtige gekleurde gravure van een naakt menschenbeeld.
+Op hetzelfde oogenblik viel er een schaduw op het blad en stapte Tom Sawyer de deur in, die een vluchtigen blik op het afbeeldsel
+wierp. In haar haast om het boek dicht te slaan, was Becky ongelukkig genoeg het blad met de figuren door midden te scheuren.
+Zij wierp het boek in de lessenaar, draaide den sleutel om en barstte uit in tranen van schaamte en verdriet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom Sawyer,&#8221; snikte zij, &#8220;ik vind het gemeen van je om achter iemand aan te sluipen en hem te begluren.&#8221;
+<a id="d0e2838"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2838">160</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hoe wist ik, dat je iets stond te bekijken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je moest je schamen, Tom Sawyer; ik weet, dat je me zult verklikken, en o, wat zal ik beginnen! Ik zal slaag krijgen,&#8212;ik
+die nog nooit op school een klap gehad heb!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij stampte met haar voetje op den grond en vervolgde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees maar zoo laag als je wilt! Ik weet iets, dat hier zal plaats hebben. Wacht maar en je zult eens wat zien.<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>&#8212;En zij vloog de school uit en barstte opnieuw in tranen los.
+
+</p>
+<p>Tom stond stil, geheel overbluft door dien uitval. Toen zeide hij tot zichzelven:
+
+</p>
+<p>&#8220;Welk een vreemd soort van wezens zijn die meisjes! Nooit op school geslagen! Wat zou een pak ransel! Juist iets voor een
+meisje: zij zijn zoo laf en kleinzeerig. Zij hebben geen ruggegraat. Natuurlijk zal ik die dwaze meid niet aan den ouden Dobbins
+gaan verklappen; er zijn wel andere middelen om haar klein te krijgen, die niet zoo gemeen zijn. Maar wat moet er met het
+boek gedaan worden? De oude Dobbins zal vragen, wie het gescheurd heeft. Niemand zal antwoorden. Dan zal hij doen als altijd
+en de meisjes beurt om beurt ondervragen, en wanneer hij bij het meisje komt dat het gedaan heeft, zal hij het weten zonder
+dat het gezegd wordt. De meisjes verraden zich altijd.&#8212;Becky zal klappen krijgen; &#8217;t is een naar geval, maar ik zie er geen
+gat in om het te verraden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom peinsde nog een oogenblik over de zaak en riep toen uit: &#8220;In orde! Zij wou mij in de klem zien; laat haar dat genot hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop voegde hij zich bij de &#8220;krijgertje&#8221; spelende schooljeugd, totdat de meester kwam en de school begon. Toms gedachten
+dwaalden gedurig van zijn werk af en <a id="d0e2858"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2858">161</a>]</span>telkens, wanneer hij een blik naar den meisjes-kant wierp, werd hij ontroerd door het gelaat van Becky. Alles te zamen genomen,
+behoefde hij geen medelijden met haar te hebben en toch was hij diep met haar begaan. Toen de ontdekking van het leesboek
+gedaan werd, was Tom voor een tijdlang geheel vervuld van zijn eigen leed en werd Becky uit hare verdooving wakker. Zij volgde
+het proces met groote belangstelling, want zij wist, dat Tom niets tegen de beschuldiging, van inkt op het boek gemorst te
+hebben, kon inbrengen. Tom ontkende het feit, en maakte door die ontkenning de zaak eer erger dan beter. Becky maakte zich
+wijs, dat zij er schik in had, doch eene stem in haar binnenste fluisterde haar toe, dat zulks het geval niet was. Toen het
+er zeer bedenkelijk voor Tom begon uit te zien, voelde zij eene sterke neiging om op te staan en Alfred Temple aan te klagen,
+doch zij bedwong zich en legde zich de verplichting op om stil te blijven zitten. &#8220;Immers,&#8221; dus sprak zij bij zichzelve, &#8220;hij
+zal zeker zeggen, dat ik die plaat gescheurd heb. Neen, al kon ik hem er het leven mede redden, ik zeg het niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom kreeg de hem toegedachte zweepslagen en ging kalm naar zijne zitplaats terug, in den waan dat hij, misschien zonder het
+te bemerken, onder het krijgertje spelen, den inkpot op het boek had laten vallen.&#8212;Hij had maar uit gewoonte ontkend en uit
+beginsel zich bij de ontkentenis gehouden.
+
+</p>
+<p>Een geheel uur ging voorbij. De meester zat op zijn troon te knikkebollen, daar het gebrom der studeerende jeugd hem altijd
+slaperig maakte. Langzamerhand echter richtte hij zich op, gaapte, ontsloot zijn lessenaar en greep naar zijn boek, doch scheen
+het niet met zichzelven eens te kunnen worden, of hij lezen zou al dan niet. Het <a id="d0e2864"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2864">162</a>]</span>meerendeel der scholieren zag droomerig van hun werk op, doch er waren er twee, die met de oogen vol belangstelling zijne
+beweging gadesloegen.
+
+</p>
+<p>Een tijdlang hield de heer Dobbins gedachteloos zijn boek in de hand, doch eindelijk vlijde hij zich op zijn stoel neder on
+te lezen.
+
+</p>
+<p>Tom wierp een blik op Becky, en het arme kind zag er uit als een hulpeloos, opgejaagd haasje, dat het geweer op zich ziet
+aanleggen. Oogenblikkelijk werd zijn geschil met haar vergeten. Er moest redding komen en dadelijk ook. Doch het dreigend
+gevaar scheen zijne vindingrijkheid te verstompten. Goddank! daar schoot hem iets te binnen. Hij zou de bank uitgaan, het
+boek grijpen, de deur uitspringen en er mede wegloopen! Doch een minuut wankelens, tot het nemen van dit besluit, was genoeg
+om zijne kans verloren te doen gaan. De meester had het boek geopend. Het was te laat; er was niets aan te doen; Becky was
+reddeloos verloren!
+
+</p>
+<p>Het volgende oogenblik zag de meester zijne leerlingen in het gelaat, met een blik, die al de kinderen de oogen deed neerslaan.
+Gedurende tien tellen heerschte er een angstige stilte, waarin de meester kracht tot toornen verzamelde. Toen sprak hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie heeft dit boek gescheurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>Er werd geen geluid vernomen. Men zou een speld hebben kunnen hooren vallen. De meester zag gezicht voor gezicht aan, om teekenen
+van schuld te ontdekken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Benjamin Hogers, hebt gij dit boek gescheurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>Een ontkennend antwoord, gevolgd door een pauze.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jozef Harper, gij?&#8221;
+
+</p>
+<p>Weder een ontkennend antwoord. Tom werd onder de kwelling van den langzamen voortgang der zaak, hoe langer <a id="d0e2884"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2884">163</a>]</span>hoe onrustiger. De meester onderzocht nauwkeurig de lange rijen jongensgezichten en wendde zich toen tot de meisjes.
+
+</p>
+<p>&#8220;Amy Lawrence?&#8221;
+
+</p>
+<p>Een ontkennend hoofdschudden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gracie Willer?&#8221;
+
+</p>
+<p>Hetzelfde gebaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;Suze Harper, hebt gij het gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>Weder een ontkennend antwoord. Het volgende meisje was Becky Thatcher. Tom beefde van het hoofd tot de voeten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Rebekka Thatcher&#8221;&#8212;(Tom keek naar haar gelaat; het was bleek van angst) &#8220;hebt gij,&#8212;neen, zie mij aan&#8221; &#8212;(zij hief de handen
+smeekend omhoog)&#8212;&#8220;hebt gij dit boek gescheurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>Snel als de bliksem schoot Tom eene gedachte door de ziel. Hij sprong op en gilde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb het gedaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>De schooljeugd stond versteld over zulk eene onbegrijpelijke dwaasheid. Tom bleef een oogenblik staan om tot zichzelven te
+komen, en toen hij de bank uitstapte om zijne straf te ondergaan, werd hij door de bewondering en de dankbare aanbidding,
+die hem uit Becky&#8217;s oogen tegenstraalden, betaald voor honderd zweepslagen.
+
+</p>
+<p>Door zijne edele daad zelf in verrukking gebracht, verdroeg hij zonder een geluid te geven, de onbarmhartigste geeseling,
+waaraan de heer Dobbins zich ooit had schuldig gemaakt, en hoorde hij ook met volkomen onverschilligheid de wreede uitspraak
+aan, om twee uren school te blijven. Immers hij wist, wie met het grootste geduld buiten op hem wachten zou, totdat zijne
+straf geleden was.
+
+</p>
+<p>Dienzelfden middag nog vertelde Becky hem met schaamte <a id="d0e2910"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2910">164</a>]</span>en berouw, hoe verraderlijk zij zich jegens hem gedragen had. Tom ging dan ook naar bed, vol wraakzuchtige plannen jegens
+Alfred Temple; maar zijn wrok maakte spoedig voor aangename overpeinzingen plaats en hij viel in slaap en droomde van Becky&#8217;s
+laatste woorden, die hem als muziek in de ooren hadden geklonken en aldus hadden geluid:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, hoe kon je zoo edel zijn?&#8221;
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e2914"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXII.</h2>
+<p>De vacantie begon te naderen. De altijd strenge schoolmeester werd strenger en veeleischender dan ooit, en scheen het er op
+gezet te hebben, op den &#8220;examendag&#8221; met de scholieren te pronken. Zijn roede en plak waren thans zelden werkeloos, ten minste
+onder de kleinere leerlingen. De grootste jongens en de dames van zestien en zeventien jaren hadden het geluk de roede ontwassen
+te zijn. De zweepslagen van meester Dobbins waren voorwaar niet kinderachtig, want ofschoon hij onder zijn pruik een geheel
+kaal en glimmend hoofd verborg, bezaten zijne spieren nog haar volle kracht. Naarmate de groote dag naderde scheen al wat
+er van den dwingeland in hem was, naar boven te komen, en &#8217;t was alsof hij er een wreed behagen in schepte, de scholieren
+voor de geringste tekortkomingen te straffen. Het gevolg daarvan was, dat de kleineren onder zijne leerlingen overdag zwoegden
+onder angst en smart en bij nacht zonnen op wraak. Zij lieten dan ook geene gelegenheid om den meester een poets te spelen,
+ongebruikt voorbijgaan. Ongelukkig was hij voortdurend op zijn hoede. De vergelding, die op elke zegepraal hunner wraakzucht
+volgde, was zoo vreeselijk, dat <a id="d0e2919"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2919">165</a>]</span>de knapen doorgaans met blauwe plekken op het lijf het veld ruimden. Eindelijk werd er een plan beraamd, dat eene schitterende
+overwinning beloofde. De verversjongen werd in het komplot opgenomen, met hunne ontwerpen bekend gemaakt en zijne hulp ingeroepen.
+Die verversjongen had zijn eigen redenen om tot het verbond toe te treden, want de meester woonde op kamers bij zijn vader
+en had den knaap reden te over gegeven om hem te haten. De vrouw van den meester zou een paar dagen uit de stad gaan en er
+bestond dus geen vrees, dat van dien kant een spaak in &#8217;t wiel zou gestoken worden.
+
+</p>
+<p>De meester had de gewoonte om zich voor de examens en andere groote plechtigheden voor te bereiden, door zich een een roes
+aan te drinken, en de verversjongen beloofde, dat, wanneer de onderwijzer op den avond van het examen weer boven zijn bier
+was en in zijn stoel lag te dommelen, hij &#8220;het dingetje wel klaar zou spelen.&#8221; Hij zou hem dan zoo laat mogelijk wakker maken,
+omdat hij alleen maar tijd zou hebben om in vliegende vaart naar school te ijlen.
+
+</p>
+<p>Toen de volheid der tijden gekomen was, greep het belangwekkende feit plaats.
+
+</p>
+<p>Om acht uren in den avond was het schoollokaal schitterend verlicht en met kransen en festoenen van bloemen en loofwerk versierd.
+
+</p>
+<p>De soezerige, halfdronken meester troonde in zijn leuningstoel, op eene opzettelijk daartoe vervaardigde verhevenheid, met
+het schrijfbord achter zich. Drie rijen met zitbanken en zes rijen in het front waren bezet door de waardigheidsbekleders
+van het stadje en de ouders der leerlingen. Links van den meester, achter de zitplaatsen der burgerij, was een hoog getimmerte
+gemaakt, waarop de in hun beste pak gekleede knaapjes gezeten waren, die proeven van hunne <a id="d0e2929"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2929">166</a>]</span>bedrevenheid zouden afleggen. Achter dezen zaten eenige rijen magere, opgeschoten jongens. Daarop volgden de hooge banken
+met meisjes en jonge dames in katoen en neteldoek, die zich blijkbaar heel voornaam gevoelden met hare bloote armen, haar
+grootmoeders ouderwetsche kostbaarheden, haar rose en blauwe strikken en haar bloemen in het haar. Verder was het lokaal opgevuld
+met toeschouwers en scholieren.
+
+</p>
+<p>De oefeningen begonnen. Een heel klein jongetje stond op en bracht doodverlegen de van buiten geleerde woorden uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijne hoorders,
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hadt zeker niet verwacht iemand van mijn leeftijd het spreekgestoelte te zien beklimmen, om in het openbaar het woord
+te voeren, enz.&#8221;. En de knaap deed zijne woorden vergezeld gaan van overdreven juiste en krampachtige bewegingen, die aan
+een machine deden denken, die van de wijs is. Hij bracht het er, ofschoon in duizend angsten, heelhuids af en werd verbazend
+toegejuicht, toen hij zijne gekunstelde buiging maakte en het tooneel verliet.
+
+</p>
+<p>Een klein bedeesd meisje lispelde het versje:
+
+</p>
+<p>&#8220;Marietje had een lammetje, enz.,&#8221; maakte eene medelijdenswekkende dienares, kreeg haar voegzaam deel toejuichingen en ging
+blozend en voldaan weer zitten. Tom Sawyer trad voorwaarts met gemaakt zelfvertrouwen en wond zich met prachtig nagebootste
+en allerzotste gebaren op tot het onsterfelijke: &#8220;Geef mij de vrijheid, of geef mij den dood!&#8221;&#8212;doch werd in het midden door
+een akelige tooneelvrees bevangen. Zijne knie&euml;n knikten en hij dreigde in zijne woorden te stikken. Wel is waar wekte hij
+zichtbaar het medelijden en de sympathie van de toehoorders, maar zij hielden zich doodstil, en dat zwijgen van het publiek
+was erger dan medegevoel. Tot overmaat van smart fronste de meester zijne wenkbrauwen. Tom spande nogmaals alle <a id="d0e2941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2941">167</a>]</span>krachten in, doch zag zich verplicht verslagen af te treden. Voor een oogenblik kwam er eene zwakke poging om te applaudisseeren,
+doch zij werd in hare wording gesmoord.
+
+</p>
+<p>Daarop volgde: &#8220;De knaap stond op het brandende dek;&#8221; toen: &#8220;De Assyri&euml;rs zakten den stroom af;&#8221; en andere juweeltjes voor
+de declamatiekunst. Toen had men de leesoefeningen en een kampstrijd in het spellen. De schraal bezette klasse der Latinisten
+bracht het er met haar voordracht schitterend af.
+
+</p>
+<p>Het eerste bedrijf was naar behooren afgeloopen en nu volgde de &#8220;zelfgemaakte&#8221; opstellen van de jonge dames, die elk op hare
+beurt op de verhevenheid stapten, kuchten, haar handschrift, dat met een keurig lintje was vastgemaakt, in de hand hielden
+en begonnen te lezen. De onderwerpen waren dezelfde, waarmede bij dergelijke gelegenheden hare moeders, hare grootmoeders
+en ongetwijfeld al de voorouders in de vrouwelijke linie geschitterd hadden. Daar was er een over de &#8220;Vriendschap,&#8221; en verder;
+&#8220;Herinnering aan vroegere dagen,&#8221; &#8220;Godsdienst in de geschiedenis,&#8221; &#8220;Het land der droomen,&#8221; &#8220;De voordeelen der beschaving;&#8221;
+&#8220;Het verschil en de overeenkomst van de onderscheidene staatsvormen,&#8221; &#8220;Droefgeestigheid,&#8221; &#8220;Kinderliefde,&#8221; &#8220;Hartstochten,&#8221;
+enz. enz.
+
+</p>
+<p>Een hoofdgebrek van al deze opstellen was eene zorgvuldig gekweekte droefgeestigheid en een kwistige overvloed van mooie woorden.
+
+</p>
+<p>In sommigen was een merkbare neiging om modewoorden er met de haren bij te sleepen, zoo dikwijls zelfs, dat zij geheel afgezaagd
+werden. En dan was er eene bijzonderheid, welke ze alle kenmerkte en bedierf,&#8212;namelijk de onuitstaanbare zedepreek, die zijn
+gebrekkelijken staart aan het eind van elk opstel deed kwispelen. Welk ook het onderwerp mocht wezen, er werd altijd een hersens
+folterende poging <a id="d0e2951"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2951">168</a>]</span>gedaan om er op de een of andere wijze iets in te lasschen waarop het zedelijk en godsdienstig gemoed met stichting kon nederzien.
+Niettegenstaande de ergerlijke onoprechtheid, die het publiek uit dergelijke zedepreken tegenblonk, werden zij niet afgeschaft.
+En zij zijn dat nog niet en zullen het waarschijnlijk nooit worden, zoolang de wereld zal bestaan.
+
+</p>
+<p>Er is geen school in gansch Amerika, waar de jonge dames zich niet verplicht gevoelen hare opstellen met een preek te eindigen;
+en het zijn doorgaans de lichtzinnigste en minst godsdienstige meisjes, die de mooiste preken maken. Maar genoeg hiervan.
+De waarheid wil niet altijd gezegd zijn. Laat ons daarom tot het examen terugkeeren.
+
+</p>
+<p>Het eerste opstel, dat voorgelezen werd, droeg tot opschrift:
+
+</p>
+<p>&#8220;Is dit nu het leven?&#8221;
+
+</p>
+<p>De lezer zal mij wel willen vergunnen er een uittreksel van mede te deelen. Het luidde ongeveer aldus:
+
+</p>
+<p>&#8220;Met welk een verrukking ziet gewoonlijk het jeugdig gemoed niet uit naar een hem wachtend feest! De verbeelding toovert rooskleurige
+tafereelen van genot. Daar ziet de aanbidster van wereldsche genoegens zich reeds te midden der feestvierende menigte als
+&#8216;de bewonderde door al de bewonderaars.&#8217; Haar bevallige gestalte, in een sneeuwwit kleed gehuld, zweeft rond in den doolhof
+van den vroolijken dans; haar oog is schitterender, haar tred lichter dan die van de gansche lustige schare. Onder zulke heerlijke
+droomen glijdt de tijd spoedig voort en weldra is de gelukkige ure daar, waarop zij de Elyseesche velden betreden zal, van
+welke zij zoo verrukkelijk had gedroomd. Hoe tooverachtig schoon vertoont zich alles aan hare ontvlamde verbeelding! Elk nieuw
+tooneel wint aan bekoring. Maar na eene wijle ervaart zij, dat onder dat schoon vernis niets dan ijdelheid schuilt. De vleitaal,
+welke eens haar hart streelde, klinkt <a id="d0e2963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2963">169</a>]</span>haar schril in het oor; de balzaal heeft hare aantrekkelijkheid voor haar verloren en met een verwoeste gezondheid en een
+verbitterd hart trekt zij zich uit de wereld terug, de overtuiging met zich voerende, dat aardsch genot de ziel, die naar
+hoogere dingen streeft, niet bevredigen kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>En zoo ging het voort. Van tijd tot deed zich onder het lezen een gegons van bijvalsbetuigingen hooren, vergezeld van fluisterende
+uitroepen, als: &#8220;Hoe lief! Hoe welsprekend! Hoe waar!&#8221; enz. enz. En toen het stuk met een ijselijk sombere preek eindigde,
+volgde er een uitbundige toejuiching.
+
+</p>
+<p>Vervolgens stond een tenger, droefgeestig meisje op, dat zich door de belangwekkende bleekheid onderscheidde, welke het gevolg
+is van pillen en indigestie, en droeg een gedicht voor, waarvan ik u twee coupletten zal mededeelen:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Alabama, vaarwel! Och &#8217;k min U zoo teer!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Toch ga &#8217;k voor een poos van U scheiden!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Maar het denken aan U doet mij &#8217;t harte zoo zeer,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijn ziel blijft bij U steeds verbeiden.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Uw lommerrijke wouden heb &#8217;k dikwijls doorkruist;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8217;k Heb gedoold langs Uw liefelijke stroomen;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Gehoord hoe uw water bij stormwinden bruist
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En bewonderend Aurora zien komen.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">De tranen die &#8217;k schrei, o! ik schaam ze mij niet,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Geen blos dekt mijne vochtige wangen;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Niet vreemd is mij &#8217;t land, dat mijn aandoening ziet,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8217;t Is een vriend waar mijn ziel aan blijft hangen.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Een meer hartelijke ontvangst vond ik nergens, o neen!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dan bij U, wien &#8217;k <i>mijn</i> land wel mag heeten;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En mijn hoofd en mijn hart moest wel koud zijn als steen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Alabama, als het U kon vergeten!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Er waren er slechts zeer weinigen, die wisten wat het woord &#8220;Aurora&#8221; beteekende, doch het gedicht viel niettemin zeer in den
+smaak.
+<a id="d0e3008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3008">170</a>]</span></p>
+<p>Daarop verscheen een jonge dame met een donkere gelaatskleur, donkere oogen en donker haar, die een indrukwekkend oogenblik
+pauseerde, haar best deed om haar gelaat eene tragische uitdrukking te geven en toen op afgemeten toon begon:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwart en stormachtig was de nacht. Om den hemeltroon flikkerde een enkele ster, doch zware donderslagen trilden aanhoudend
+door het zwerk, terwijl de vreeselijke bliksem gramstorig door de onbewolkte hemelzalen dartelde, alsof hij de macht bespotte,
+welke de beroemde Franklin zich over zijne verschrikkingen had aangematigd! Zelfs de onstuimige winden kwamen eendrachtig
+uit hunne geheimzinnige woonplaatsen te voorschijn en bulderden in het rond, begeerig naar &#8217;t scheen, om de woestheid van
+het tooneel door hunne hulp te verhoogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op zulk een tijdstip, zoo duister, zoo droevig, zuchtte mijn hart naar menschelijk medegevoel,&#8212;maar in plaats daarvan,
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijn dierbaarste vriendin, mijn gids en mijn geleide,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijn vreugde bij mijn smart, stondt ge eensklaps aan mijn zijde!</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>&#8220;Zij bewoog zich voort als een van die liefelijke wezens, welke de romantische jeugd zich op de zonnige paden van het Eden
+der verbeelding, voor den geest toovert,&#8212;een koningin der schoonheid, zonder versierselen, maar getooid met hare alles overtreffende
+bekoorlijkheid. Haar tred was zoo licht, dat het oor hare nadering niet vernam, en indien hare bezielde aanraking niet eene
+magische trilling had doen ontstaan, zou zij ongemerkt, ongezocht voorbijgegleden zijn. Een zonderlinge droefheid zetelde
+op hare gelaatstrekken, als ijzige tranen op Decembers winterkleed, toen zij naar de strijdende elementen daar buiten wees
+en mij verzocht <a id="d0e3022"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3022">171</a>]</span>de beide wezens, die daar werden voorgesteld, te aanschouwen.&#8221;<a id="d0e3024src" href="#d0e3024" class="noteref">1</a>
+
+</p>
+<p>Deze nachtmerrie omvatte tien bladzijden schrifts en sloot met een preek, wanhopig akelig voor de Anti-Presbyterianen, doch
+die den eersten prijs behaalde en als de schoonste proeve van den avond werd beschouwd.
+
+</p>
+<p>De burgemeester van St. Petersburg hield onder het overreiken van den prijs aan haar, die hem behaald had, eene schitterende
+redevoering, in welke hij betuigde, dat dit de welsprekendste rede was, die zijne ooren ooit gehoord hadden en dat Daniel
+Webster zelfs er trotsch op had kunnen zijn.
+
+</p>
+<p>In het voorbijgaan moet gezegd worden, dat de opstellen, welke overvloeiden van het woord &#8220;heerlijk&#8221; als ook van de vergelijking
+&#8220;menschelijke ondervinding,&#8221; met &#8220;een bladzijde uit het leven,&#8221; het gemiddeld aantal overtrof.
+
+</p>
+<p>Thans schoof de meester, opgewonden tot aan luidruchtigheid toe, zijn stoel op zijde, ging met den rug naar het publiek staan
+en begon zijne aardrijkskundige lessen door op het bord eene kaart van Amerika te teekenen. Doch hij maakte met zijne onvaste
+hand een figuur&#8212;en er werd een onderdrukt gelach in de school gehoord. Hij wist wat er aan haperde en deed zijn best om de
+fout te herstellen, veegde enkele lijnen met de spons uit en maakte weder nieuwe. Helaas! zij werden hoe langer hoe slechter
+en het gegiegel werd luider. Hij wijdde zijn gansche aandacht aan het werk, alsof hij besloten had zich niet door <a id="d0e3035"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3035">172</a>]</span>het publiek uit het veld te laten slaan. Hij voelde, dat aller oogen op hem gevestigd waren, en verbeeldde zich dat het beter
+ging. En toch hield het gegiegel aan, ja, het vermeerderde blijkbaar. En daartoe was wel reden. Boven zijn hoofd was een vliering
+met een luik, en uit dat luik, kwam een kat te voorschijn, welke men een touw om de achterpooten gehecht had. Die kat had
+een doekje om den kop en de kaken gebonden, on haar het miauwen te beletten. Terwijl zij langzaam naar beneden sukkelde, kromde
+zij zich naar alle kanten, sloeg hare klauwen om het touw, schommelde vervolgens naar de laagte en krabde tegen de ontastbare
+lucht. Het gegiegel werd erger en erger: de kat was omstreeks zes duim van des soezerigen meesters hoofd. Nog een weinig later
+en zij greep met hare klauwen wanhopig naar des meesters pruik, klemde zich daaraan vast en werd een oogenblik later weder
+tot de vliering opgetrokken, met haar zegeteeken tusschen de pooten. En welk een lichtgloed verspreidde zich toen van des
+meesters hoofd. Immers de verversjongen had dat lichaamsdeel met verguldsel besmeerd.
+
+</p>
+<p>Met dit tooneel werd de vergadering gesloten. De jongens waren gewroken en de vacantie was begonnen.
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3024" href="#d0e3024src" class="noteref">1</a></span> De dusgenaamde &#8220;opstellen&#8221;, die wij hier hebben aangehaald, zijn zonder eenige verandering genomen uit een werkje getiteld:
+&#8220;Proza en po&euml;zie, door eene dame uit het verre Westen.&#8221; Zij zijn volmaakt naar het gewone schoolmeisjesmodel, en vandaar dat
+wij beter geslaagd zijn, dan wanneer wij er een hadden verzonnen.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e3039"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXIII.</h2>
+<p>Aangetrokken door de schitterende uniform der &#8220;Matigheids-Cadetten&#8221; werd Tom lid der afdeeling van het nieuw opgerichte genootschap
+en beloofde hij zich gedurende zijn lidmaatschap te onthouden van rooken en vloeken. Bij deze gelegenheid ontdekte de knaap
+iets, waaraan hij vroeger <a id="d0e3044"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3044">173</a>]</span>nooit gedacht had, namelijk&#8212;dat de aflegging der belofte om iets <i>niet</i> te doen, het beste middel is om iets te leeren doen. Tom voelde zich door een nooit gekenden lust gekweld on te rooken en
+te vloeken: ja, de begeerte werd zoo sterk, dat alleen de hoop om zijn roode sjerp te vertoonen, hem er van terughield zijn
+lidmaatschap op te zeggen.
+
+</p>
+<p>Het was 4 Juli toen hij tot den bond toetrad, en hij was nog geen acht en veertig uren lid geweest of hij was gereed en gezind
+zich van zijne boeien te ontslaan. Doch juist dien dag vernam hij, dat de oude vrederechter ziek was en waarschijnlijk zou
+sterven. Zulk een voornaam ambtenaar zou zeker met groote plechtigheid begraven worden en dan had hij een kansje om in zijn
+uniform den stoet te volgen. Drie dagen lang was Tom diep begaan met des rechters toestand en vol verlangen naar tijding.
+Nu en dan klom zijn hoop zoodanig, dat hij het waagde zijn sjerp uit de kast te halen en zich voor den spiegel voor de groote
+gebeurtenis te oefenen. Doch de rechter bleef wanhopig lang tusschen dood en leven dobberen en werd ten slotte aan de betere
+hand en daarna voor hersteld verklaard. Tom was boos en zeide onverwijld zijn lidmaatschap op. Helaas! dienzelfden nacht stortte
+de rechter in en stierf.
+
+</p>
+<p>Tom besloot oude vrederechters nooit meer te vertrouwen. De begrafenis was prachtig en de cadetten paradeerden op een wijze,
+die er op toegelegd scheen om het vroegere lid van afgunst te doen vergaan. Doch hij was vrij en kon weder naar hartelust
+rooken en vloeken. En nu bemerkte hij tot zijne verwondering, dat hij er op eens geene behoefte meer aan had. De wetenschap
+alleen, dat hij het doen kon nam den lust en het genot er van weg.
+
+</p>
+<p>Tot Toms groote verbazing begon hij te bemerken, dat de lang gewenschte vacantie wat vervelend werd.
+<a id="d0e3055"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3055">174</a>]</span></p>
+<p>Hij beproefde een dagboek te maken, doch aangezien er de eerste drie dagen niets merkwaardigs voorviel, gaf hij het op. Toen
+kwam het &#8220;Caf&eacute; Chantant,&#8221; der negerzangers in de stad en maakte sensatie. Dadelijk werd er door Tom en Joe Harper een speel-
+en zanggezelschap opgericht en de knapen vermaakten zich daarmede een paar dagen. Zelfs de dag van den intocht des nieuwen
+Senators mislukte gedeeltelijk, omdat het hard regende. Dientengevolge was er geen optocht,&#8212;en zelfs in den grootsten man
+der wereld (naar het oordeel van Tom), den heer Beuton, een wezenlijken Senator van de Vereenigde Staten, werd hij bitter
+teleurgesteld, want deze bleek op geen stukken na vijf en twintig voet lang te zijn.
+
+</p>
+<p>Toen kwam er een paardenspel. De jongens speelden drie dagen &#8220;cirque&#8221;, in tenten van lompen en oude tapijten, met toegangskaarten
+van drie centen en twee voor meisjes, en daarna werd het paardenspel opgegeven.
+
+</p>
+<p>Eindelijk kwam er een buikspreker en een goochelaar&#8212;die weder vertrokken en het stadje achterlieten somberder en droeviger
+dan ooit.
+
+</p>
+<p>Ook werden er enkele kinderpartijen gegeven, doch zij waren zoo zeldzaam en zoo heerlijk, dat de pijnlijke leemte tusschen
+de eene visite en de andere er te meer om werd gevoeld.
+
+</p>
+<p>Becky Thatcher was naar huis gegaan, naar Konstantinopel, om de vacantie bij hare ouders door te brengen: dus was er nergens
+een zonnestraaltje te vinden. Daarbij kwam nog het vreeselijk geheim van den moord, dat eene slepende ellende bleef voor den
+armen knaap.
+
+</p>
+<p>Midden in de vacantie vertoonde zich de mazelen-epidemie en Tom was twee weken lang een gevangene, dood voor de wereld en
+hetgeen daarin voorviel. Hij was zeer <a id="d0e3068"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3068">175</a>]</span>ziek en stelde nergens belang in. Toen hij eindelijk weder buiten mocht komen en zachtjes de stad doordrentelde, scheen alles
+en elk schepsel een treurige verandering ondergaan te hebben. Er was een straatprediker geweest, die de menschen bekeerd had,
+niet alleen de volwassenen, maar zelfs de kleine jongens en meisjes. Tom ging de stad rond in de hopelooze hoop van ten minste
+een enkel zondig gezicht tegen te komen, doch overal wachtte hem teleurstelling. Hij vond Joe Harper verdiept in de studie
+van het Nieuwe Testament en hij wendde zich droevig van dit drukkend schouwspel af. Hij zocht Ben Rogers en vond hem aan het
+bezoeken van armen, met een mandje met traktaatjes, als eene waarschuwing tot bekeering, bij zich. Hij spoorde Jim Hollis
+op, die hem wees op de zegen van de mazelen. Iedere jongen, dien hij tegenkwam, bracht een dosis tot zijn toestand van neerslachtigheid
+toe, en toen hij in wanhoop eindelijk zijn toevlucht nam tot Huckleberry Finn en ook door hem met eene aanhaling uit de Schrift
+ontvangen werd, brak hem het hart en sloop hij naar zijn bed en maakte zich wijs, dat hij de eenige in de stad was, die voor
+eeuwig, eeuwig was verloren.
+
+</p>
+<p>Juist dien nacht kwam er een vreeselijke storm met slagregen, ontzettende donderslagen en verblindende bliksemstralen. Tom
+kroop onder de dekens en wachtte in een akelige onzekerheid zijn doemvonnis af: immers hij was volkomen overtuigd, dat dit
+woeden der elementen om zijnentwil geschiedde. Hij geloofde, dat hij de verdraagzaamheid der bovenaardsche machten getart
+had, meer dan zij dragen konden, en dat dit er het gevolg van was. Het zou hem wel vreemd voorgekomen zijn als zooveel vertooning
+en geschut was aangewend om een mug te dooden, doch hij vond het heusch niet ongerijmd, dat er zulk een <a id="d0e3072"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3072">176</a>]</span>onweder was ontstaan om een worm als hij te vernietigen.
+
+</p>
+<p>Langzamerhand bedaarde de storm en verdween, zonder zijn voornemen te hebben ten uitvoer gebracht. De eerste aandrang van
+den knaap was, dankbaar te zijn en zich te verbeteren. De tweede was, te wachten: immers er mochten nog eens meer stormen
+komen.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag stond de dokter opnieuw voor zijn bed. Tom was weder ingestort. De drie volgende weken, die hij op zijn
+rug doorbracht, schenen eene eeuwigheid. Toen hij eindelijk weder buiten kwam, was hij nauwlijks dankbaar dat hij gespaard
+was gebleven, daar hij immers verlaten en van makkers beroofd was. Hij zwierf lusteloos door de straat en vond Jim Hollis
+voor rechter spelende in een gerechtshof van jongelieden, die een kat wegens moord hadden aangeklaagd, in de tegenwoordigheid
+van haar slachtoffer, een vogel. Daarna zag hij Joe Harper en Huck Finn, die in plaats van de Schriften te lezen, bezig waren
+een gestolen meloen op te muizen. Arme knapen, ook zij waren weder ingestort!
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e3078"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXIV.</h2>
+<p>Eindelijk kwam er beweging in de droomerige atmosfeer&#8212;en geweldige beweging ook. De zaak van den moord zou voorkomen bij het
+Gerechtshof. Natuurlijk werd deze zaak het onderwerp van alle gesprekken; ook in Toms kring werd er druk over gesproken. Maar
+telkens, als het woord genoemd werd, voer hem eene rilling door de leden en hij verbeeldde zich in zijn angst, dat er voorbedachtelijk
+zoo gedurig in zijne tegenwoordigheid over gesproken <a id="d0e3083"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3083">177</a>]</span>werd, om te zien of hij er ook iets mede te maken had. Ofschoon hij zeker wist, dat niemand eenig vermoeden omtrent zijne
+bekendheid met de misdaad kon hebben, voelde hij zich toch onder die praatjes niet op zijn gemak. Hij stierf elken dag duizend
+dooden en nam eindelijk Huck met zich naar eene eenzame plaats om de zaak met hem te bepraten. Het zou eene verlichting wezen,
+eens even zijn tong vrij te laten en den lijdenslast met een lotgenoot te deelen. Bovendien wilde hij er zich van overtuigen,
+dat Huck gezwegen had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, heb je nooit iemand daarover gesproken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarover?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet je wel!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, natuurlijk niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nooit een woord?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nooit een enkel woord.&#8212;Waarom vraag je dat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik was er bang voor.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Tom Sawyer! Wij zouden geen vier en twintig uur meer geleefd hebben, als het ontdekt was. Dat weet je immers wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom werd kalmer. Na een pauze hernam hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, je zoudt je immers door niets, noch door iemand laten ompraten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laten ompraten? Wel, als ik zin krijg om me door dien duivel van een kleurling te laten verzuipen, dan zal ik me laten ompraten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dan is het in orde. Ik geloof, dat we veilig zijn, zoolang we zwijgen. Doch laat ons voor de securiteit nog eens zweren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Best.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dus zwoeren de knapen ten tweede male met dure eeden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zeggen de menschen toch, Huck? Ik heb er nog zoo weinig van gehoord.&#8221;
+<a id="d0e3115"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3115">178</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zeggen! &#8217;t Is Muff Potter en &#8217;t blijft Muff Potter. Het koude zweet staat mij op &#8217;t voorhoofd, als ik het hoor, en ik zou
+wel onder den grond willen kruipen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo gaat het mij ook. Ik weet, dat hij er om koud is.&#8212;Heb je niet somtijds medelijden met hem?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dag en nacht. &#8217;t Is wel geen beste, die Muff Potter, maar hij heeft nooit iemand kwaad gedaan. Hij bedelt wel eens langs
+de straat om geld te krijgen voor drank en hij loopt ook te luieren, maar o, Heertje, dat doen we allemaal, ten minste de
+meesten, vooral de dominees en dat slag van volk. Maar hij is een goede kerel, want hij heeft me eens de helft van zijn visch
+gegeven, terwijl hij zelf nog honger had; en ik weet niet hoeveel maal hij mij geholpen heeft, als ik in de knijp zat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En voor mij heeft hij oude vliegers opgelapt, Huck, en vischnetten gebreid. Ik wou, dat ik hem uit de kast kon krijgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;We kunnen er hem niet uit krijgen, Tom; en &#8217;t zou hem niet veel baten, want ze zouden hem er wel gauw weder inpakken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat zouden zij. Maar ik vind het akelig om hem zoo duivelsch valsch te hooren beschuldigen van iets, dat hij niet gedaan
+heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook, Tom. Ik heb ze hooren zeggen, dat hij de gemeenste schurk uit het land was en dat het een wonder is, dat hij niet
+eerder gehangen werd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, zoo praten zij. Ik heb hooren zeggen, dat, als hij vrij kwam, zij hem zouden <i>lynchen</i><a id="d0e3134src" href="#d0e3134" class="noteref">1</a>&#8212;en dat zouden zij doen ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens praatten nog een tijdlang op deze wijze <a id="d0e3139"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3139">179</a>]</span>voort, doch het gesprek bracht hun weinig troost aan. Tegen schemeravond stonden zij voor de kleine eenzame gevangenis, wellicht
+met een vage hoop in het hart, dat er iets zou gebeuren, waardoor hunne moeielijkheden uit den weg zouden worden geruimd.
+Doch er gebeurde niets; de engelen en fee&euml;n schenen zich het lot van dezen ongelukkige niet aan te trekken.
+
+</p>
+<p>Tom en Huck deden dien avond wat zij al menigmaal hadden gedaan; zij zetten zich voor het tralievenster der cel neder en gaven
+Potter wat tabak en een paar zwavelstokken. Daar de gevangene in een laag hok lag en door geen schildwachten werd bewaakt,
+konden zij hem deze kleine giften zonder moeite toereiken.
+
+</p>
+<p>Zijne dankbaarheid voor hunne geschenken had hen altijd pijnlijk aangedaan,&#8212;doch ditmaal trof zij hen meer dan ooit. Zij vonden
+zichzelven onuitsprekelijk laf en valsch, toen Potter zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Jelui bent almachtig goed voor me geweest, jongens, beter dan iemand anders in de geheele stad, en ik zal het nooit, nooit
+vergeten. Dikwijls zeg ik tot mijzelven: &#8216;Ik placht al de vliegers en dingen voor de jongens in orde te maken en hen te wijzen
+waar de beste visch te vangen was en hun pleizier te doen zooveel ik kon, en thans, nu hij in nood is, hebben zij allen den
+ouden Muff vergeten&#8212;allen behalve Tom en Huck. Die vergeten hem niet,<span class="corr" title="Bron: ">&#8217;</span> zeg ik, en ik vergeet hen niet. Wel jongens, ik heb een vreeselijke misdaad gepleegd, in mijne dronkenschap,&#8212;anders begrijp
+ik niet, hoe ik het gedaan kon hebben,&#8212;en nu moet ik er voor hangen, en dat is maar goed, ja, &#8217;t beste wat ze met mij doen
+kunnen. Doch daar zullen wij niet verder over spreken. Ik wil jelui niet akelig maken, daarvoor ben jelui te goed voor mij
+geweest! Maar wat ik zeggen wou, is dit: drinkt <a id="d0e3150"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3150">180</a>]</span>nooit te veel, en jelui zult nooit hier komen. Ga een beetje dichter bij het raam staan, dan kan ik jelui beter zien; &#8217;t is
+zoo&#8217;n troost, vriendelijke gezichten te zien, als men zich zoo diep ellendig voelt,&#8212;en ik zie ze hier nooit, behalve die van
+jelui. Goede, vriendelijke gezichten. Goede, vriendelijke gezichten! Gaat op elkanders rug staan en geef mij de hand; uwe
+handen kunnen wel door de tralies doch de mijne niet, die zijn te groot. Kleine, teere handjes, die Muff Potters last verlicht
+hebben en welke, als ze maar konden, dien wel heelemaal zouden wegnemen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom ging dien avond diep rampzalig naar huis en werd den ganschen nacht door afgrijselijke droomen gekweld. De twee volgende
+dagen was hij al vroeger op straat en en bleef hij om de zaal van het gerechtshof heen zweven, naar welk gebouw hij onwederstaanbaar
+gedreven werd, ofschoon hij al zijne krachten inspande om zich te dwingen er vandaan te blijven. Huck ondervond hetzelfde
+en de beide knapen vermeden elkander opzettelijk. Soms liepen zij voor een oogenblik weg, doch dezelfde vreeselijke betoovering
+dreef hen altijd weder naar het gebouw terug. Telkens spitste Tom de ooren, wanneer er een leeglooper de zaal in- of uitslenterde,
+doch hij hoorde onveranderlijk treurig nieuws; het net werd hoe langer hoe dichter om den armen Potter toegehaald. Aan den
+avond van den tweeden dag liep in het stadje het gerucht dat het feit door Injun Joe&#8217;s verklaring volkomen was bewezen en
+dat er geen twijfel meer bestond omtrent de uitspraak der jury.
+
+</p>
+<p>Tom kwam laat in den avond tehuis en klom door het venster in zijne slaapkamer. Hij was in een staat van vreeselijke opgewondenheid
+en uren verliepen, eer hij den slaap kon vatten. Den volgenden morgen liep de gansche stad uit naar het Hof, want dit was
+de groote dag. De <a id="d0e3156"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3156">181</a>]</span>beide geslachten waren gelijkelijk in dit zich opeenhoopend publiek vertegenwoordigd. Na lang op zich te hebben laten wachten,
+kwam de jury binnen en nam haar zetels in. Kort daarop werd Potter geboeid binnengebracht. Hij zag er bleek en ontdaan uit
+en werd zoo geplaatst, dat al de nieuwsgierige oogen hem konden zien. Niet minder viel Injun Joe in &#8217;t oog, verstaald als
+altijd. Na eene kleine pauze kwam de voorzitter binnen en de sherif verklaarde de zitting voor geopend. Daarop volgde het
+gewone gefluister onder de leden der balie en het bijeenverzamelen der stukken<span class="corr" title="Bron: ">.</span> Deze bijzonderheden en het haar vergezellend oponthoud brachten niet weinig bij om het indrukwekkende dezer bijeenkomst te
+verhoogen en de vergadering in de grootste spanning te brengen. Nu werd er een getuige voorgeroepen die verklaarde, dat hij
+Muff Potter in den vroegen morgen van den dag, waarop de moord ontdekt was, zich in een beek had zien wasschen en onmiddellijk
+daarop door het kreupelhout wegsluipen. Nadat dien getuige enkele vragen gedaan waren, zeide de openbare aanklager;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hebt gij den getuige nog verder iets te vragen?&#8221;
+
+</p>
+<p>De gevangene hief een oogenblik de oogen op, doch sloeg ze terstond weder neer, toen zijn verdediger zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb hem geene vragen te doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De volgende getuige deelde mede, dat er een mes bij het lijk gevonden was. Op de vraag, of hij dezen ook iets te vragen had,
+antwoordde de advocaat van Potter:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb ook dezen niets te vragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het publiek begon teekenen van ontevredenheid te geven.&#8212;Was deze advocaat van plan zijn cli&euml;nt het leven te doen verliezen,
+zonder een enkele poging te wagen om hem te redden?<span class="corr" title="Bron: &#8221;"></span>
+
+</p>
+<p>Verscheidene getuigen legden verklaringen af omtrent <a id="d0e3177"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3177">182</a>]</span>de schuld verradende houding van Potter, toen hij op de plaats waar de moord gepleegd was, gebracht werd. Zij mochten allen
+aftrekken zonder kruisvragen te ondergaan.
+
+</p>
+<p>Al de bezwarende omstandigheden, welke in dien morgen op het kerkhof hadden plaats gegrepen en die de aanwezigen zich zoo
+goed wisten te herinneren, werden door geloofwaardige getuigen gestaafd, maar tot geen hunner werd door Potters verdediger
+een vraag gericht.
+
+</p>
+<p>De verslagenheid en ontevredenheid van het publiek uitte zich in een dof gemompel en gaf aanleiding tot eene berisping van
+de zijde van den voorzitter. De woordvoerder voor de beschuldiging zeide daarop:
+
+</p>
+<p>Door de be&euml;edigde getuigenissen van burgers, wier geloofwaardigheid boven alle verdenking verheven is, hebben wij het onweerlegbaar
+bewijs geleverd, dat de ongelukkige gevangene, die in gindsche bank gezeten is, het vreeselijk misdrijf heeft bedreven. Onze
+taak is hiermede ge&euml;indigd.
+
+</p>
+<p>Een kreet ontsnapte den armen Potter en hij sloeg zijne handen voor het gelaat en bewoog zich onrustig op zijne plaats, terwijl
+er in de gerechtszaal een pijnlijk stilzwijgen heerschte. Vele mannen waren bewogen en menige vrouw gaf door tranen van medelijden
+blijk.
+
+</p>
+<p>De verdediger stond op en sprak:
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer de Voorzitter!
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen wij bij het begin der behandeling van dit geding ons enkele aanmerkingen over de zaak veroorloofden, hebben wij gezegd,
+dat wij zouden trachten aan te toonen, dat onze cli&euml;nt bij het plegen dezer ontzettende daad handelde in een toestand van
+waanzin, ontstaan uit misbruik van sterken drank, die zijne aansprakelijkheid uitsloot. Wij zijn op dat voornemen teruggekomen;
+die verdediging zullen wij niet voeren.&#8221; (En toen tot den deurwaarder) &#8220;Roep Thomas Sawyer.&#8221;
+<a id="d0e3193"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3193">183</a>]</span></p>
+<p>De grootste verbazing teekende zich op ieders gelaat, dat van Potter niet uitgezonderd. Aller oogen wendden zich vol bevreemding
+en belangstelling op Tom, toen deze opstond en in het getuigenbankje plaats nam. De knaap zag er bleek en doodelijk verschrikt
+uit. De eed werd hem afgenomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom Sawyer, waar zijt gij den zeventienden Juni, omstreeks middernacht geweest?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom keek naar het verstaalde gezicht van Injun Joe en zijne tong weigerde hare diensten. Het publiek luisterde met ingehouden
+adem, doch de woorden wilden niet komen. Na een paar minuten echter kwam de ontstelde knaap eenigermate tot zich zelven en
+trachtte hij zijne stem te verheffen, om zich door de aanwezigen te doen verstaan en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Op het kerkhof!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een weinig luider, als &#8217;t u belieft. Wees niet bang.&#8212;Gij waart....?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op het kerkhof!&#8221;
+
+</p>
+<p>Eene minachtende glimlach speelde om de lippen van Injun Joe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waart gij in de nabijheid van het graf van Hoss Williams?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, mijnheer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek nog iets luider. Hoe dicht waart ge er bij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo dicht, als ik thans bij u sta.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hieldt gij u verborgen of niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verborgen, mijnheer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Achter de olmboomen, aan den rand van het graf.&#8221;
+
+</p>
+<p>Injun Joe deinsde onwillekeurig achteruit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hadt gij niemand bij u?&#8221;
+<a id="d0e3228"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3228">184</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ja, mijnheer. Ik was daar met...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht, wacht een oogenblik. Gij behoeft den naam van uw makker niet te noemen. Wij zullen hem te zijner tijd voorbrengen.
+Hadt gij iets bij u?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom aarzelde en keek verlegen voor zich.
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek vrij uit, mijn jongen;&#8212;wees niet bedeesd. &#8217;t Is altijd braaf on de waarheid te spreken. Wat hebt gij mede naar het
+kerkhof genomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets dan een&#8212;een doode kat!&#8221;
+
+</p>
+<p>Voor een oogenblik verhief zich zulk een luid glimlach onder de menigte, dat de voorzitter den hamer moest gebruiken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, mijn jongen, vertel ons al wat er is voorgevallen. Zeg het in uw eigen taal;&#8212;sla niets over en wees niet bang.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom begon. Eerst aarzelend, doch naarmate hij zich warmer over het onderwerp maakte, vloeiden zijne woorden met grooter gemak,
+en het duurde niet lang of er werd geen geluid gehoord dan dat van zijne stem. Aller oogen waren op hem gericht en met open
+mond en ingehouden adem hing het publiek aan zijne lippen, ontzet door het verhaal van de afgrijselijke geschiedenis. De hooggespannen
+aandacht bereikte haar toppunt, toen de jongen zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen de dokter de plank opnam en Muff Potter viel, sprong Injun Joe met het mes op hem toe en....&#8221;
+
+</p>
+<p>Krak! Sneller dan de bliksem vloog de kleurling door een raam, duwde allen die hem trachten tegen te houden terug en was verdwenen.
+
+
+
+<a id="d0e3249"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3249">185</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3134" href="#d0e3134src" class="noteref">1</a></span> Buitengerechtelijk veroordeelen en ter dood brengen.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e3250"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXV.</h2>
+<p>Tom was ten tweede male de held van den dag,&#8212;het troetelkind der ouden van dagen, het voorwerp van afgunst der jeugd. Zijn
+naam werd zelfs door de drukpers onsterfelijk gemaakt, want hij werd eervol in het &#8220;Peterburgsche blaadje&#8221; vermeld. Er waren
+er zelfs, die in hem, indien hij aan de galg ontkwam, een toekomstigen President zagen.
+
+</p>
+<p>Zooals dat gewoonlijk gaat, koesterde de veranderlijke, onredelijke wereld Muff Potter aan haar hart en vertroetelde hem even
+dwaas als zij hem te voren had beschimpt. Doch aangezien deze gewoonte de menschheid eer tot lof dan tot blaam strekt, zou
+het onheusch zijn er haar een verwijt van te maken.
+
+</p>
+<p>De eerstvolgende dagen waren voor Tom een tijdperk van onvermengd genot, maar zijne nachten waren vreeselijk. Het beeld van
+Injun Joe vervolgde hem in zijn droomen en de moordenaar stond gedurig voor hem, met verdelging in zijn oog. De knaap was
+er voor geen geld toe te bewegen om na zonsondergang de deur uit te gaan. De arme Huck verkeerde in denzelfden toestand van
+ellende en schrik, want Tom had den avond voor den rechtsdag de geheele geschiedenis aan den pleitbezorger verteld, en Huck
+was doodbang dat het uitlekken zou, dat ook hij in de zaak betrokken was, ofschoon de vlucht van Injun Joe hem de marteling
+gespaard had van op &#8217;s Hofs zitting getuigenis te moeten afleggen.
+
+</p>
+<p>Sedert Toms bezwaard geweten hem in den laten avond <a id="d0e3261"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3261">186</a>]</span>naar het huis van den advocaat gedreven had en deze het huiveringwekkend verhaal had ontwrongen aan lippen, die door de vreeselijkste
+en geheimzinnigste eeden gesloten waren geweest, had Huck zijn vertrouwen in de menschheid voor eeuwig verloren. Zoolang het
+daglicht scheen, maakte Muff Potters dankbaarheid Tom blijde dat hij gesproken had; maar zoodra de avond was gedaald, zou
+hij om alles gewild hebben dat zijn mond gesloten was gebleven. Het eene oogenblik bekroop hem de vrees, dat Injun Joe nooit
+gevat zou worden, en het andere beefde hij bij de gedachte dat het wel zou gebeuren. Het was hem alsof hij niet weder vrij
+zou ademen, voordat die man dood was en hij zijn lijk had gezien. Geldsommen waren uitgeloofd, men had het land doorkruist,
+doch er werd geen Injun Joe gevonden. Op zekeren dag kwam er uit St Louis een van die alwetende, ontzagwekkende wonderen in
+menschengedaante, een agent van de geheime politie, hoofdschuddend en met een voornaam gezicht te St Peterburg en maakte dien
+kolossalen opgang, welke leden van dat verheven lichaam altijd maken. Hij kwam zeggen dat hij den &#8220;sleutel&#8221; gevonden had.
+Doch aangezien men geen &#8220;sleutel&#8221; wegens moord kon ophangen, bracht het bezoek van den grooten man weinig licht aan en voelde
+Tom zich al even bezwaard als vroeger. De eene dag voor en de andere na ging voorbij, zonder dat hem het drukkend wicht van
+den angst werd afgenomen.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e3263"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXVI.</h2>
+<p>Er komt een tijd in elk wel ingericht jongensleven, dat hij door eene vurige begeerte wordt aangegrepen om ergens <a id="d0e3268"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3268">187</a>]</span>een verborgen schat te gaan zoeken. Dat verlangen bekroop plotseling Tom. Hij stapte de deur uit om Joe Harper op te zoeken,
+doch zonder baat. Toen ging hij naar Ben Rogers; helaas! deze was visschen. Weldra echter liep hij Huck tegen &#8217;t lijf en de
+beruchte straatjongen stond hem te woord. Tom nam hem met zich naar een eenzame plaats en deelde in vertrouwen zijn voornemen
+mede. Huck werd bereid gevonden; hij had gaarne de hand in elke onderneming, welke genot beloofde en geen geld kostte, daar
+hij een lastigen overvloed van die soort van tijd had, die <i>geen</i> geld is.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar zullen wij graven!&#8221; vroeg Huck.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, overal!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, zijn dan overal schatten begraven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, waarachtig niet. Zij zijn meestal op allervreemdste plaatsen verborgen, Huck;&#8212;somtijds op eilanden en ook wel in verrotte
+kisten, onder een tak van een ouden dooden boom op welken de maan te middernacht haar schaduw werpt. Doch doorgaans vindt
+men ze veel in den grond onder spookhuizen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie verstopt ze?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel de roovers natuurlijk.&#8212;Wie anders, denk je. De catechiseermeester van de zondagsschool?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het zoo niet. Indien ik een schat had, zou ik hem niet verstoppen: ik zou er hem doorlappen om een lekker leventje
+te hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook; maar roovers doen dat niet; zij verbergen hem en laten hem waar hij is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Komen zij hem nooit halen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen; zij hebben er wel plan op, maar zij vergeten doorgaans de plaats, waar zij hem verstopt hebben, of zij gaan dood. Hoe
+dan ook, hij blijft lang onder den grond liggen en begint te roesten; en in verloop van tijd vindt <a id="d0e3293"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3293">188</a>]</span>de een of ander een oud geel stukje papier, dat hem zegt waar de schat begraven is;&#8212;een papiertje dat men in een week niet
+ontcijferen kan, omdat het schrift enkel uit teekens en hi&euml;roglyphen bestaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hi&euml;ro... wat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hi&euml;roglyphen! Dat zijn prentjes en dingen, schijnbaar zonder beteekenis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heb jij ook van die papiertjes, Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe kun je dan de teekenen uitvinden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik heb geen teekenen noodig. Schatten worden ook wel onder een spookhuis begraven of op een eiland, of onder een dooden
+boom met vooruitstekende takken. Wij hebben het op Jacksons Island al zoo wat geprobeerd en nu kunnen wij weer ergens anders
+aan den gang gaan. Daar heb je bij voorbeeld het oude spookhuis, Hill-House Branch, en verder zijn er een menigte boomen met
+doode takken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vindt men ze onder alle?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat praat je toch! Natuurlijk niet!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe weet je dan onder welke je moet zoeken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij moeten ze alle uitgraven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, Tom, dan kunnen wij den geheelen zomer wel aan den gang blijven!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat kan dat schelen? Verbeeld je, dat we eens een koperen pot vinden met honderd roestige dollars er in, of een verrotte
+kist met diamanten. Wat zou je daarvan zeggen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Hucks oogen glinsterden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is zat, meer dan zat voor mij. Geef mij de honderd dollars, dan mag jij de diamanten houden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Afgesproken! De diamanten zijn lang niet te verwerpen. <a id="d0e3325"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3325">189</a>]</span>Sommigen zijn twintig dollars het stuk waard. Er zijn er haast geen, die je onder de zes verkoopen kunt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wezenlijk? Is dat zoo?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker; dat weet iedereen. Heb je er nooit een gezien, Huck?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet, dat ik mij herinner!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, de koningen hebben ze bij menigte.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik ken geen enkelen koning, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat wil ik wel gelooven. Hier zijn geen koningen; maar als je eens naar Europa gingt, zou je er een mud in het rond zien
+springen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Springen zij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Springen,&#8212;eend! Wel neen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, waarom zeg je het dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, ik bedoelde alleen maar, dat je ze zien zoudt,&#8212;maar niet zien springen, natuurlijk niet. Waarom zouden zij dat doen?
+Ik meen, dat je er den grond mede bezaaid zoudt zien, evenals bij dien Richard den Bultenaar.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Richard ...? Hoe heet hij nog meer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij heeft geen anderen naam. Koningen hebben alleen maar &eacute;&eacute;n voornaam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker, zoo is &#8217;t.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, als ze dat prettig vinden, laten ze hun gang gaan. Ik zou geen koning willen zijn, om alleen maar &eacute;&eacute;n voornaam te hebben,
+evenals de nikkers.&#8212;Maar zeg, waar ga je eerst graven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik nog niet. Zullen wij eerst beginnen onder dien ouden dooden tak op den heuvel, aan de overzijde van Hill-House
+Branch?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Akkoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>De knapen wisten een gebrekkige bijl en een schoffel <a id="d0e3363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3363">190</a>]</span>machtig te worden en ondernamen de voetreis van anderhalf uur. Zij kwamen bezweet en hijgend aan en legden zich onder de schaduw
+van een olmboom neder om uit te rusten en een pijp te rooken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het bevalt mij,&#8221; zei Tom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij ook,&#8221; antwoordde Huck.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg eens, Huck, als wij hier den schat vinden, wat doe jij dan met jouw aandeel?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik? Ik koop elken dag een pastei en een glas sodawater en ik ga naar elk paardenspel dat hier in de buurt komt. Ik verzeker
+je, dat ik het er van nemen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou je er niets van opsparen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Opsparen? Waarvoor zou dat dienen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om wat te hebben om later van te leven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dat hoeft niet, als ik dat deed, zou Pop op een goeden dag terugkomen en er zijne klauwen op zetten, om er spoedig een
+eind aan te maken.&#8212;Wat doe jij met jouw part?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik koop een nieuwe trom, een sabel, een roode das, een groote poppenkast&#8212;en ik ga trouwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Trouwen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja zeker.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, ben je mal, of wat scheelt je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht maar: je zult het zien gebeuren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hemel, dat is nu het gekste ding, dat je doen kunt. Denk maar eens aan Pop en mijne moeder; ze deden niets dan vechten. Ik
+herinner mij dat als den dag van gisteren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doet er niet toe. Het meisje, waarmede ik ga trouwen, zal niet vechten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, ik geloof dat zij allen hetzelfde zijn. Je kunt ze allen over &eacute;&eacute;n kam scheeren. Ik zou me, als ik jou was, nog eens
+bedenken eer ik dat deed. Ik zeg je, dat het je berouwen zal. Hoe heet die meid?&#8221;
+<a id="d0e3397"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3397">191</a>]</span></p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is geen meid;&#8212;&#8217;t is een meisje.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is hetzelfde; sommigen zeggen meid en anderen meisje. &#8217;t Is allebei goed. Hoe is haar naam?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal hem je later zeggen; nu nog niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook al goed. Alleen als je gaat trouwen, zal ik verlatener zijn dan ooit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat zul je niet, want je zult bij ons komen inwonen. Laat ons nu maar spoedig opstaan en aan het graven gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij werkten een half uur in het zweet hun aanschijns, doch zonder gevolg. Zij zwoegden nog een half uur, weder zonder baat.
+Toen zeide Huck:
+
+</p>
+<p>&#8220;Worden die schatten altijd zoo diep begraven als deze?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Somtijds, niet altijd. Meestal niet. Ik geloof, dat wij op de verkeerde plaats zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij kozen daarom een andere plek uit en begonnen weder. De arbeid ging wat langzamer, doch zij maakten toch vorderingen en
+hielden het zwijgend eenigen tijd vol. Eindelijk ging Huck op zijne spade leunen, veegde zich met zijn mouw de parelen zweet
+van het voorhoofd en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar ga je graven, wanneer wij door dezen boom heen zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan konden wij den ouden boom bij Cardiff Hill, achter het huis van de weduwe wel eens opdelven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal wel een goede zijn. Maar zal de weduwe ons den schat niet afnemen, Tom? &#8217;t is op haar land.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij hem ons afnemen? Laat zij &#8217;t eens probeeren. Al wie een verborgen schat vindt, mag hem houden. Het doet er niet toe op
+wiens land het is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck was met dit argument tevreden. De arbeid werd voortgezet. Eindelijk zeide Huck:
+
+</p>
+<p>&#8220;Verduiveld, wij zijn zeker weer op de verkeerde plaats. Wat denk jij ervan?&#8221;
+<a id="d0e3428"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3428">192</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het is erg vreemd, Huck. Ik begrijp het niet. Soms komen er wel eens heksen tusschenbeide. Ik denk, dat dit nu het geval
+is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onzin! Heksen kunnen niets doen bij daglicht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat is waar ook. Daar dacht ik niet aan. O, ik weet al wat het is. Wat zijn wij toch uilskuikens! Wij moeten zien te
+ontdekken, op welken tak tegen middernacht de schaduw van de maan valt, en onder dien tak graven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vervloekt! dus hebben wij monnikenwerk gedaan. Nu zullen wij van nacht terugkomen. &#8217;t Is een verduiveld lange weg. Kun jij
+de deur uitkomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik denk het wel. Wij moeten het van nacht doen ook, want als iemand deze gaten ziet, zal hij het dadelijk begrijpen en zelf
+gaan zoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed, dan zal ik van nacht weer komen miauwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Best. Laat ons de spaden zoolang in het kreupelbosch verbergen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De knapen waren ter bestemder tijd op de afgesproken plaats en zaten in de schaduw van den boom te wachten. Het was een eenzaam
+oord en eene van oudsher plechtige ure. Geesten fluisterden door de ruischende bladeren, spoken loerden in sombere hoeken,
+het holklinkend geblaf van een hond werd in de verte gehoord en door een uil met zijne grafstem beantwoord. De knapen waren
+geheel onder den indruk dezer ernstige zaken en spraken bijna geen woord. Na een poosje meenden zij, dat het wel twaalf uren
+zou zijn; zij gaven nauwkeurig acht op de schaduwen en gingen aan het graven. De hoop begon in hun hart te herleven; hunne
+belangstelling werd grooter en hun vlijt hield daarmede gelijken tred. Het gat werd al dieper en dieper en telkens, wanneer
+de bijl op iets hards sloeg, sprong hun hart op van vreugde. Doch de <a id="d0e3445"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3445">193</a>]</span>eene teleurstelling volgde de andere. Het was nooit iets anders dan een steen of een paar stukken van beenderen. Eindelijk
+zeide Tom:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zal niet baten Huck; wij zijn alweer aan den verkeerden boom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar wij kunnen niet verkeerd zijn: wij hebben precies de beschaduwde plek genomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik wel, maar er is iets anders.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat wij naar den tijd geraden hebben. Waarschijnlijk was het te laat of te vroeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck liet zijn schop vallen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zul je het hebben,&#8221; zeide hij. &#8220;Dat is het vervelende ervan. Wij kunnen nooit het juiste oogenblik bepalen, en buitendien,
+&#8217;t is hier al te griezelig om dezen tijd van den nacht, met ronddolende spoken en geesten. Ik heb een gevoel, alsof er voortdurend
+iets achter mij staat, en ik durf mij nauwelijks omkeeren, omdat er anderen achter mij kunnen zijn, die hun kans afwachten.
+Ik heb gebeefd als een riet, zoolang ik hier gestaan heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook, Huck. Zij leggen meestal een dooden man in den kuil, onder den boom waarin zij een schat geborgen hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hemelsche vader!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat doen zij. Dat heb ik altijd gehoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, ik houd er niet van, om in de buurt van doode menschen te zwerven. Je hebt er altijd min of meer last van.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben er ook niet voor om ze aan den gang te maken, Huck. Verbeeld je eens, dat er zijn schedel opstak en begon te praten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek er niet van, Tom; &#8217;t is te vreeselijk.&#8221;
+<a id="d0e3473"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3473">194</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Gij hebt gelijk, Huck. Ik voel mij niets op mijn gemak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg eens Tom, zullen wij deze plaats opgeven en het ergens anders gaan beproeven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed. Ik geloof ook dat het beter zal zijn. Waar moeten we nu heen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom bedacht zich een oogenblik en zeide toen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Naar het spookhuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dank je; ik houd niet van spookhuizen, Tom. Daar zie je gezichten nog akeliger dan die van doode menschen. Lijken mogen praten,
+maar ze schuiven niet, als je er niet op verdacht bent, langs je heen in een lijkkleed, om over de schouders te kijken, en
+ze kunnen ook niet met hunne tanden knarsen, zooals een spook doet. Ik zou het besterven, Tom&#8212;en iedereen met mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja maar, Huck, spoken sluipen alleen &#8217;s nachts rond; zij zullen ons over dag het graven niet beletten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kan wel zijn. Maar je weet net zoo goed als ik, dat de menschen bij dag zoo min als bij nacht in de buurt van het spookhuis
+komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is omdat zij niet gaarne naar eene plaats gaan, waar een mensch vermoord is. Maar er is eigenlijk &#8217;s nachts nooit iets
+om dat huis gezien,&#8212;behalve een blauw licht bij het raam, doch geen echte spoken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, daar waar blauwe lichten dwarrelen, kun je er op aan dat geesten zijn. Dat is zoo zeker als iets, en iedereen weet,
+dat niemand dan geesten ze gebruiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat is zoo. Maar zij komen nooit over dag; daarom behoeven wij niet bang te zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, goed dan; wij zullen bij het spookhuis gaan graven, als jij het wilt. Maar ik zeg je, dat je vrijwillig in gevaar loopt.&#8221;
+<a id="d0e3498"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3498">195</a>]</span></p>
+<p>Zij waren thans aan den voet van den heuvel. Daar, midden in de door de maan verlichte vallei, stond het spookhuis, geheel
+verlaten, met een vermolmd houten hek en welig, tot aan den drempel groeiend onkruid en met een bouwvalligen schoorsteen,
+ledige raamkozijnen en gaten in het dak.
+
+</p>
+<p>De knapen bleven een oogenblik staan kijken, half verwachtend een blauw licht bij het venster te zien bewegen. Zij spraken
+op fluisterenden toon, zooals bij den tijd en de omstandigheden paste, weken een eindweegs ter rechterzijde af, om de ligging
+van het spookhuis op te nemen, en begaven zich toen huiswaarts, door de bosschen die de achterzijde van Cardiff Hill versierden.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e3503"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXVII.</h2>
+<p>Den volgenden dag, tegen twaalf uren, stonden de knapen bij den dooden boom om hun gereedschap te halen. Tom brandde van verlangen
+om naar het spookhuis te gaan. Huck was minder opgewonden en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg eens, Tom: weet jij wat dag het is?&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom doorliep in gedachten de dagen der week en hief toen verschrikt de oogen op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hemel, ik heb er in &#8217;t geheel niet aan gedacht, Huck.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook niet, maar op eens schoot het mij te binnen, dat het wel Vrijdag kon zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bewaar me; een mensch kan niet te voorzichtig wezen. Wij konden er wel eens inloopen, door zoo iets op Vrijdag aan te vangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Konden! Zeg liever zouden. Er zijn misschien geluksdagen, maar Vrijdag is er geen.&#8221;
+<a id="d0e3520"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3520">196</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dat weet elke gek. Ik geloof niet, dat jij de eerste bent, die dat uitgevonden hebt, Huck.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, ik heb niet gezegd dat ik het was, heb ik wel? En het is niet alleen omdat het Vrijdag is; ik heb van nacht akelig gedroomd
+ook,&#8212;van ratten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is toch niet waar? Een zeker teeken van naderend onheil! Vochten zij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is tenminste nog een zegen, Huck. Wanneer zij niet vechten, is het all&eacute;&eacute;n maar een teeken dat er een onheil <i>kan</i> komen. We behoeven dus niets te doen dan scherp toe te kijken en ons niet in gevaar te begeven. Wij zullen het graven vandaag
+maar laten en liever gaan spelen. Ken je Robin Hood, Huck?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, Wie is Robin Hood?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, hij was een van de grootste mannen van Engeland en van de beste ook. Hij was een roover.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heerej&eacute;, ik wou dat ik hem was. En wat heeft hij gekaapt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alleen maar bisschoppen en rijke lui en koningen en zulk volk. Maar hij plaagde de arme lui nooit. Hij had ze lief en deelde
+alles eerlijk met hen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, dan moet hij een beste kerel geweest zijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarachtig was hij dat, Huck. Hij was de grootmoedigste man, die ooit heeft bestaan. Je hebt tegenwoordig zulke lui niet
+meer, daar ben ik zeker van. Hij kon, met zijne handen achter zijn rug gebonden, elken Engelschman afranselen, en met zijn
+boog van taxishout, op anderhalve mijl afstand, een stuivertje doorboren, zonder ooit te missen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is een boog van taxishout?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet. &#8217;t Is een boog, dat is zeker. En als hij het geldstuk een enkelen keer aan den kant raakte, dan <a id="d0e3550"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3550">197</a>]</span>raasde en tierde hij als een kind.&#8212;Kom laten wij Robin Hood spelen; &#8217;t is een prettig spel. Ik zal het je leeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ze speelden den geheelen middag Robin Hood, terwijl zij nu en dan een verlangenden blik op het spookhuis wierpen en spraken
+over de plannen en vooruitzichten voor den volgenden dag. Toen de zon in het westen onderging, wandelden zij langs de breede
+schaduwen der boomen naar huis en waren in de bosschen van Cardiff Hill spoedig uit het gezicht verdwenen.
+
+</p>
+<p><span class="corr" title="Bron: Zatermiddag">Zaterdagmiddag</span> waren de knapen weder bij den dooden boom.
+
+</p>
+<p>Eerst zaten zij in de schaduw een poosje te rooken en te babbelen en gingen toen het gemaakte gat weder opgraven. Zij deden
+dat, niet omdat zij groote verwachtingen hadden, maar alleen omdat Tom gezegd had, dat het dikwijls gebeurd was, dat menschen,
+toen zij den schat tot op een duim na bereikt hadden, het opgegeven hadden, en dat er toen anderen gekomen waren, die met
+&eacute;&eacute;n stoot van de spade hem te voorschijn hadden gehaald.
+
+</p>
+<p>Hun streven mislukte echter ditmaal en ze namen daarom hun gereedschap maar weder op en gingen heen, niet met de gedachte
+dat zij met de fortuin een loopje hadden genomen, maar in de overtuiging dat zij aan alle voorwaarden, aan het delven naar
+schatten verbonden, hadden voldaan.
+
+</p>
+<p>Toen zij het spookhuis naderden, was er iets zoo akeligs en huiveringwekkends in de doodelijke stilte onder de brandende zon
+en iets zoo neerdrukkends in de eenzame, verlatene plaats, dat zij een oogenblik bang waren om binnen te gaan. Zij kropen
+naar de deur en keken bevend door een reetje. Zij zagen een met onkruid begroeide, van vloer beroofde kamer, zonder behangsel,
+met een ouderwetsche haardstede, vensters zonder gordijnen en een bouwvallige trap, en overal flarden van spinnewebben. Toen
+<a id="d0e3564"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3564">198</a>]</span>traden zij met versnelden polsslag, fluisterende stem, gretige ooren en gezwollen spieren binnen, gereed om desnoods onmiddellijk
+weder den aftocht te blazen.
+
+</p>
+<p>Een oogenblikje later, toen hun blik aan de huiveringwekkende omgeving was gewend, verminderde hun angst en namen zij de plaats
+nauwkeuriger op, vol verbazing en verwondering over hun eigen stoutmoedigheid. Daarop wilden zij boven een kijkje nemen. &#8217;t
+Had iets van zich den terugweg af te snijden, maar zij zagen elkander met moedige blikken aan en kwamen tot een kloek besluit
+om hun gereedschap in een hoek te werpen en de trap te beklimmen. Boven vertoonden zich dezelfde teekenen van verval. In een
+donkeren hoek vonden zij een kabinetje, dat iets geheimzinnigs beloofde; doch die belofte bleek ijdel te zijn, want het was
+ledig. Zij hadden thans moed verzameld en waren gereed hunne onderneming door te zetten. Juist toen zij naar beneden wilden
+stappen om aan het werk te gaan, zeide Tom: &#8220;Stil!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er?&#8221; fluisterde Huck, bleek van schrik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil! Daar! Hoort gij het?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, O, heer! Laat ons wegloopen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je stil! Beweeg je niet! Zij komen naar de deur toe.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens gingen plat op den grond liggen en keken door de openingen tusschen de planken, in doodangst afwachtende wat er
+gebeuren zou.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij houden stil,&#8221; fluisterden zij eindelijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen&#8212;zij komen! Hier zijn zij! Geen woord meer, Huck. Goede hemel, ik wou dat ik er uit was!&#8221;
+
+</p>
+<p>Twee mannen traden binnen. De knapen dachten:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dit is de oude, doofstomme Spanjaard, die onlangs een paar malen in de stad is geweest, en den anderen man heb ik nooit gezien.&#8221;
+<a id="d0e3586"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3586">199</a>]</span></p>
+<p>De andere was een havelooze bandiet, ongekamd en ongeschoren, met een hoogst ongunstig uiterlijk. De Spanjaard was in eene
+<i>serape</i> gehuld; hij had zware, witte bakkebaarden, lang wit haar, dat golvend onder zijn hoofddeksel te voorschijn kwam en hij droeg
+groene ooglappen. Toen zij binnentraden, begon de &#8220;andere&#8221; heel zacht te spreken. Zij zetten zich op den grond neder, het
+gelaat naar de deur gekeerd en met den rug tegen den muur, en de &#8220;andere&#8221; hervatte zijn gesprek. Hij werd iets minder omzichtig
+in houding en gebaren en zijne woorden werden gaandeweg duidelijker.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei hij, &#8220;ik heb er goed over gedacht en ik heb er geen zin in: het is gevaarlijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gevaarlijk?&#8221; gromde de doofstomme Spanjaard, tot verbazing der knapen. &#8220;Gevaarlijk, melkbaard?&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze stem deed de knapen beven en naar adem snakken. Het was die van Injun Joe!
+
+</p>
+<p>Er volgde een oogenblik van stilte, waarop Joe hernam:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat kan gevaarlijker zijn dan die karwei van daarginds&#8212;en er is toch niets van gekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was heel wat anders. Dicht bij de rivier en geen enkel huis in de nabijheid. &#8217;t Zal nooit bekend worden, dat wij het
+beproefd hebben, vooral niet daar het mislukt is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, wat kan gevaarlijker zijn dan over dag hier te komen? Ieder, die ons ziet, kan argwaan krijgen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik, maar er was geen andere plaats geschikt na die malle karwei. Ik hunker er naar dit hol te verlaten. Ik wou gisteren
+al gaan, maar er was geen denken aan zich buiten te wagen, met die helsche jongens, die bij den heuvel speelden.<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>De &#8220;helsche jongens&#8221; beefden bij dit gezegde en dachten hoe gelukkig het was, dat zij zich herinnerd hadden dat <a id="d0e3613"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3613">200</a>]</span>het Vrijdag was en dat zij tot het besluit waren gekomen een dag te wachten. Zij wenschten in hun hart, dat zij het een jaar
+hadden uitgesteld.
+
+</p>
+<p>De twee mannen haalden eenig voedsel voor den dag en begonnen te eten. Na eenige oogenblikken van stilzwijgen zeide Injun
+Joe:
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk eens, jongen: ga jij naar de rivier, waar je behoort, wacht daar totdat je van mij hoort. Ik zal het er op wagen nog
+wat hier in de stad te blijven om den boel op te nemen. Wij zullen dat gevaarlijke karweitje ondernemen, als ik alles goed
+bespionneerd en bemerkt heb dat de kansen goed staan. En dan naar Texas. Wij zullen eerlijk samen deelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De andere was met dit plan tevreden.
+
+</p>
+<p>Onderwijl raakten de beide mannen aan het gapen en Injun Joe zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben dood van den slaap! &#8217;t Is jouw beurt om te waken.&#8221;
+
+</p>
+<p>En hij rolde zich in het onkruid en begon te snorken. Zijn metgezel stootte hem een paar malen aan en hij werd rustig. Daarop
+begon de waker te knikkebollen; zijn hoofd zonk lager en lager en beiden hieven thans een duo van snorken aan.
+
+</p>
+<p>De knapen haalden dankbaar adem. Tom fluisterde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu de kans waarnemen, kom!&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck zeide: &#8220;Ik kan het niet doen;&#8212;Ik zou sterven, indien zij ontwaakten.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/plate4.jpg" alt="&#8220;Man, het is geld!&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Man, het is geld!&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Tom smeekte en Huck bleef weigeren. Eindelijk stond Tom zachtjes op on alleen te vertrekken. De eerste stap echter, dien hij
+deed, veroorzaakte zulk een afschuwelijk gekraak in den vloer, dat hij bijna dood van schrik nederviel. Hij waagde geen tweede
+poging. De knapen telden de traag verloopende oogenblikken, totdat het hun was alsof de tijd was <a id="d0e3640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3640">201</a>]</span>ge&euml;indigd en de sombere eeuwigheid een aanvang had genomen. Eindelijk bemerkten zij tot hun vreugde dat de zon onderging.
+
+</p>
+<p>Nu hield het gesnork van een der mannen op. Injun Joe richtte zich op, zag rond, keek boosaardig glimlachend naar zijn metgezel,
+stootte hem met zijn voet aan en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens! jij bent een goede waker, dat ben je.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, er is toch niets gebeurd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet? Heb je geslapen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, zoo wat gesluimerd. &#8217;t Is haast tijd voor ons om op te rukken, kameraad. Wat zullen wij doen met den kleinen buit, waarvan
+wij ons meester gemaakt hebben?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het niet. Hier laten zooals wij altijd doen. Wij hebben haar niet noodig, voordat wij naar het zuiden gaan. Zeshonderd
+vijftig in zilveren munt is een last!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, goed dan. Maar dan behoeven wij hier ook niet terug te komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou je denken? Wel, ik geloof dat het veilig is hier de nachten door te brengen, zooals gewoonlijk; ja, dat is beter.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, maar, kijk eens: het kan nog wel lang duren eer wij eene goede gelegenheid hebben voor dat andere karweitje;&#8212;er kan iets
+tusschenbeide komen en het is niet zoo&#8217;n heel veilige plaats. Wij zullen den buit liever begraven, en diep ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een goede inval,&#8221; zeide zijn kameraad en liep naar het andere eind der kamer, knielde voor den haard neder en haalde
+tusschen de steenen een zak te voorschijn, die een liefelijk geklingel deed hooren. Hij nam er twintig of dertig dollars uit
+voor zich zelven en even zooveel voor Injun Joe en reikte den zak toen aan den laatste over, die in een hoek van het vertrek
+op zijne knie&euml;n zat en bezig was met zijn snoeimes een gat te graven.
+<a id="d0e3662"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3662">202</a>]</span></p>
+<p>In een oogenblik vergaten de knapen hun vrees en hunne ellende. Met fonkelende oogen sloegen zij elke beweging gade. &#8217;t Was
+een onmetelijke schat! Zeshonderd dollars!&#8212;geld genoeg om een half dozijn jongens rijk te maken. Hier bood zich eene gelegenheid
+tot het graven van schatten aan onder de gelukkigste voorteekenen. Hier was geene kwellende onzekerheid omtrent de plek waar
+gegraven moest worden. Zij stootten elkander gedurig aan,&#8212;met gebaren, die zeggen wilden:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, zijt gij niet blijde, dat wij hier zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>Onder het graven <span class="corr" title="Bron: stoote">stootte</span> Joe&#8217;s mes op een hard voorwerp.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heila!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is het?&#8221; vroeg zijn kameraad.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een half verrotte plank,&#8212;neen, het is een kist, geloof ik. Kom, help een handje en wij zullen zien wat het is. Pas op, ik
+heb er een gat in gestooten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij reikte hem de behulpzame hand en zij trokken het voorwerp naar boven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Man, het is geld!&#8221;
+
+</p>
+<p>De beide mannen haalden een handvol klinkende munt voor den dag. Het waren goudstukken. De jongens boven hun hoofd waren even
+opgewonden en verrukt als zij.
+
+</p>
+<p>Joe&#8217;s kameraad zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;We zullen eens gauw zien hoeveel er in zit. Wacht, ik heb in een hoek onder den schoorsteen een roestige bijl onder het onkruid
+zien liggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij liep weg en haalde de bijl en spade der knapen. Injun Joe nam de bijl op, bekeek haar nauwkeurig, schudde het hoofd, mompelde
+iets tusschen zijne tanden en ging er toen mede aan het werk.
+
+</p>
+<p>De kist was spoedig opgedolven. Zij was niet zeer groot, met ijzer beslagen en moest zeer sterk geweest zijn, <a id="d0e3692"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3692">203</a>]</span>voordat de tijd haar beschadigd had. De mannen beschouwden den schat een poos onder zalig stilzwijgen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kameraad, er zitten duizend dollars in!&#8221; zeide Injun Joe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij zeggen, dat de rooverbende van Murrel hier een zomer heeft rondgezworven,&#8221; merkte de vreemdeling op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik wel,&#8221; zeide Injun Joe, &#8220;en nu ik dit zie, geloof ik het bepaald.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu behoeven wij die andere karwei immers niet te doen,&#8221; zeide de ander.
+
+</p>
+<p>De kleurling fronste het voorhoofd en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Je kent me niet, of je weet niet van die zaak. &#8217;t Is niet om te stelen,&#8212;maar om wraak te nemen!&#8221; En er flikkerde een boosaardig
+licht in zijne oogen. &#8220;Ik heb je hulp er bij noodig. Zoodra het geschied is, gaan wij naar Texas. Ga jij maar naar huis, naar
+je wijf en je kinderen, en wacht totdat je van mij hoort.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, als je het zegt, zal ik het doen. Wat zullen wij met deze kist uitvoeren? Haar weder begraven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; (Een inwendig gejuich op de bovenverdieping). &#8220;Neen, bij den grooten Sachem, neen!&#8221; (Een diepe neerslachtigheid boven.)
+&#8220;Ik had het haast vergeten: op die bijl zit versche aarde.&#8221; (De knapen beefden van schrik). &#8220;Wat doen hier een bijl en een
+spade? Hoe zit er versche aarde aan? Wie heeft die hier gebracht, en waar zijn zij heengegaan? Heb je niemand gehoord of gezien?&#8212;Wat!
+die kist weer begraven en permissie geven om hier te komen, on te zien dat de vloer omgewoeld is? Dat nu niet bepaald!&#8212;niet
+bepaald! Wij zullen de kist medenemen naar mijn hol!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is goed. Jammer dat wij dit niet eerder bedacht hebben. Gij meent numero &eacute;&eacute;n?&#8221;<span class="corr" title="Bron: &#8221;"></span>
+<a id="d0e3714"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3714">204</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; &#8220;numero twee,&#8221;&#8212;onder het kruis. De andere plaats is te slecht en te gemeen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed; &#8217;t is bijna donker genoeg om te vertrekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Injun Joe stond op, ging van het eene raam naar het andere en zag voorzichtig naar buiten. Daarop zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie zou dit gereedschap hier gebracht hebben? Denk je, dat ze boven kunnen zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>De knapen hielden hun adem in. Injun Joe legde zijne hand op zijn mes, hield een oogenblik besluiteloos stil en stapte toen
+naar de trap. De knapen dachten aan het kabinetje, maar hun kracht was gebroken. Voetstappen kraakten op de trap.&#8212;De vreeselijke
+toestand, waarin zij zich bevonden, wakkerde de laatste vonk van moed in hun hart nog eens op;&#8212;zij waren op het punt om in
+het kabinetje te springen, toen zij een gekraak van verrot hout hoorden. Injun Joe lag op den grond, onder de brokstukken
+der vermolmde trap! Hij stond op met een vloek en zijn kameraad zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, wat doet er dat toe of er iemand boven is;&#8212;laten zij er blijven&#8212;wat raakt het! Indien zij naar beneden willen springen
+en den nek breken&#8212;wie belet het hun? Het zal binnen vijftien minuten donker zijn&#8212; en dan kunnen zij ons volgen, indien zij
+willen; ik ben gereed hen te ontvangen. Ik geloof, dat de lui die deze dingen hier in gesleept hebben, ons hebben gezien en
+ons voor duivels of spoken of zoo iets hebben gehouden. Ik wed, dat zij nog aan den haal zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joe mompelde eenige onverstaanbare klanken en toen stemde hij met zijn kameraad in, om van het karige daglicht gebruik te
+maken en te vertrekken. Kort daarna slopen zij in de schemering het huis uit en stapten met hunne kostbare lading naar de
+rivier.
+<a id="d0e3729"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3729">205</a>]</span></p>
+<p>Tom en Huck stonden bevend, maar met een gevoel van verlichting op en staarden hen door de reten tusschen de planken na. Volgen?
+Neen! Zij waren tevreden, toen zij den vasten bodem weder bereikten en zonder den nek gebroken te hebben, over den heuvel
+naar huis konden gaan. Zij spraken niet veel, daar zij te zeer verdiept waren in zelfverwijt en woede tegen het noodlot, dat
+hun de spade en de bijl daar had doen neerzetten. Indien die er niet gestaan hadden, zou Injun Joe nooit argwaan gekoesterd
+hebben. Hij zou het zilver met het goud daar verborgen hebben, totdat hij aan zijn plan van wraakneming had voldaan. En dan
+zou hij ondervonden hebben, wat het zegt een schat niet meer te vinden. &#8217;t Was een bitter noodlot, dat het gereedschap daar
+gebracht had. Zij besloten een oog te houden op den Spanjaard, wanneer hij naar de stad zou gaan, om zijne kans voor zijn
+wraakzuchtig plan waar te nemen en namen zich voor &#8220;numero twee&#8221; op te sporen, waar het ook zijn mocht.
+
+</p>
+<p>Op eens schoot Tom eene vreeselijke gedachte door de ziel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wraak! Wat, indien hij ons bedoelt, Huck?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, neen,&#8221; zeide Huck, en viel bijna flauw van schrik.
+
+</p>
+<p>Zij praatten nog geruimen tijd over het vreeselijk geval, en toen zij de stad binnentraden, kwamen zij tot het besluit te
+gelooven, dat het ook wel iemand anders kon zijn,&#8212;ten minste dat hij niemand anders kon bedoelen dan Tom, daar deze de eenige
+was geweest die getuigenis had afgelegd.
+
+</p>
+<p>Het was een zeer magere troost voor Tom, dat hij alleen maar in gevaar was. Gezelschap zou naar zijne meening verkieslijker
+zijn geweest.
+
+
+
+<a id="d0e3742"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3742">206</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e3743"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXVIII.</h2>
+<p>Tom werd dien nacht in zijne droomen vreeselijk gekweld door het avontuur van den vorigen dag. Vier malen had hij zijne handen
+op den kostbaren schat gelegd en vier malen ook gleed die, wanneer de slaap hem begaf en het ontwaken hem tot de werkelijkheid
+terugbracht, tusschen zijn vingers door.
+
+</p>
+<p>Toen hij in den vroegen morgen al die bizonderheden van die merkwaardige gebeurtenis nog eens voor den geest riep, scheen
+ze hem wonderbaar ver af en lang geleden, alsof zij in een andere wereld of in een lang verloopen tijdperk had plaats gehad.
+De gedachte kwam zelfs in hem op, dat het groote avontuur misschien niets geweest was dan een droom. Er was een krachtige
+bewijsgrond voor dat denkbeeld bij te brengen, deze namelijk, dat de hoeveelheid muntspecie, die zijne oogen hadden aanschouwd,
+te kolossaal was om werkelijkheid te wezen.
+
+</p>
+<p>Hij had nooit in zijn leven vijftig dollars bijeen gezien en hij geleek daarin op alle knapen van zijn leeftijd en stand.
+In zijn verbeelding werden de woorden &#8220;honderden&#8221; en &#8220;duizenden&#8221; alleen maar bij manier van spreken gebruikt en bestonden
+er zulke sommen in de wereld niet. Hij vermoedde geen oogenblik, dat een zoo groote som, als meer dan honderd dollars in klinkende
+munt, in iemands bezit kon zijn. Indien hij zijn begrip van een verborgen schat had moeten ontleden, zou hij gezegd hebben,
+dat deze bestond uit een handvol dollars en een schepel prachtige, andere munten.
+<a id="d0e3752"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3752">207</a>]</span></p>
+<p>Langzamerhand echter onder het overdenken werden de bijzonderheden van zijn avontuur scherper en klaarder, en eindelijk kreeg
+de gedachte, dat het toch geen droom was geweest, bij hem de overhand. Aan deze onzekerheid moest een einde gemaakt worden.
+Hij zou haastig zijn boterham eten en dan Huck opzoeken.
+
+</p>
+<p>Huck zat aan dolboord van een plat vaartuig, achteloos met zijn voeten in het water te schoppen en zag er zeer droefgeestig
+uit. Tom besloot te wachten, totdat Huck over de zaak zou beginnen. Als hij dat niet deed, was het avontuur slechts een droom
+geweest.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heila, Huck!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heila, jij!&#8221;
+
+</p>
+<p>Een oogenblik stilte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, indien wij dit vervloekte gereedschap bij den dooden boom gelaten hadden, was het geld reeds ons. O, is het niet vreeselijk?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is dus geen droom? Geen droom? Toch zou ik haast willen, dat het er een was; ja &#8217;k mag een boon zijn, als ik het niet
+wou!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is geen droom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dat ding van gisteren. Ik denk soms half, dat alles een droom is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een droom? Indien die trappen niet kapot waren gegaan, zou je eens gezien hebben of het een droom was! Ik droom &#8217;s nachts
+al genoeg van dien Spanjaard met zijn ooglappen; hij vervolgt mij overal. Ik wou dat hij stikte.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, niet stikken. Wij moeten hem vinden. Het geld opsporen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, wij zullen den schat nooit vinden. Een mensch heeft maar eens een kans voor zoo&#8217;n hoop geld, en die hebben wij verspeeld.
+Ik zou beven als ik hem zag.&#8221;
+<a id="d0e3777"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3777">208</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik ook; maar ik zou hem toch graag zien en naspeuren&#8212;naar zijn &#8216;nommer twee.&#8217;&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nommer twee, ja, dat is het. Ik heb er over loopen denken, maar ik kan het niet uitmaken. Wat denk jij, dat het is?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het niet. &#8217;t Is mij te geheimzinnig, Huck. Zou het ook het nummer van een huis kunnen zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onmogelijk! Neen, Tom, dat is het niet. Indien het dat is, dan is het niet in dit kleine stadje: hier zijn geen nummers.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat is waar. Laat mij even bedenken! Wacht&#8212;het is een nommer van een kamer in een herberg!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, daar zul je het hebben! Er zijn hier maar twee kroegen. Wij kunnen dat spoedig uitvinden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Blijf jij hier, Huck, totdat ik terug ben!&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom was op eens verdwenen, daar hij op publieke plaatsen niet gaarne met Huck gezien werd.
+
+</p>
+<p>Binnen een half uur had hij ontdekt, dat in de voornaamste herberg kamer &#8220;nommer twee&#8221; bewoond werd door een jong advocaat.
+In de andere, een logement van den derden rang, was aan een der logeerkamers iets geheimzinnigs verbonden. Het zoontje van
+den herbergier zeide, dat die kamer altijd op slot was, en dat hij er nooit iemand had zien in- of uitgaan, behalve des nachts.
+Waarom dit geschiedde, wist hij niet; wel betuigde hij soms verlangd te hebben er achter te komen, doch hij was er niet zoo
+bijzonder nieuwsgierig naar, en stelde zich tevreden met te gelooven dat het in die kamer spookte. Verder vertelde hij ook
+nog, dat hij er den vorigen nacht een licht had zien branden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is alles wat ik te weten ben gekomen, Huck. Ik geloof, dat wij het wezenlijke &#8216;nummer twee&#8217; gevonden hebben.&#8221;
+<a id="d0e3798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3798">209</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik vermoed het ook. Wat zullen we doen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij eens bedenken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom bedacht zich een geruimen tijd. Toen zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal het je zeggen. De achterdeur van dat &#8216;nummer twee&#8217; komt uit in dat kleine steegje tusschen de herberg en die oude
+trap van den kalkoven. Nu moet je al de deursleutels opsnorren die jij krijgen kunt, en ik zal die van tante wegkapen, en
+in den eersten donkeren nacht den besten zullen wij ze gaan probeeren. En denk er aan, dat je op den uitkijk blijft naar Injun
+Joe, omdat hij gezegd heeft dat hij in de stad zou komen en nog op een kans zou loeren om aan zijn wraak te voldoen. Als je
+hem ziet, moet je hem volgen; en als hij niet naar &#8216;nummer twee&#8217; gaat, dan is dat de plaats niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, ik durf hem niet alleen volgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och kom; &#8217;t is natuurlijk nacht. Hij zal je misschien niet eens zien; en als hij dat doet, zal hij je toch niet verdenken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, als het donker is, zal ik hem misschien volgen. Maar ik weet het nog niet zeker. Ik zal zien wat ik doe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wedden, Huck, dat <i>ik</i> hem wel volg, als het donker is. Hij kon waarachtig wel eens geen gelegenheid hebben om zijn plan tot wraakneming ten uitvoer
+te brengen en zou hij op zijn geld afgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je hebt gelijk, Tom, je hebt gelijk! Ik zal hem volgen. Sapperloot, dat zal ik!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu praat je naar mijn zin! Geef den moed niet op, Huck, en ik zal het ook niet doen.&#8221;
+
+
+
+<a id="d0e3822"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3822">210</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e3823"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXIX.</h2>
+<p>Dienzelfden avond waren Huck en Tom van zessen klaar on het waagstuk te ondernemen. Zij bleven tot na negen uren in de buurt
+der herberg omhangen, terwijl de een bij de steeg en de ander bij de deur der herberg wacht hield. Niemand ging het straatje
+in of uit; niemand die op den Spanjaard geleek, stapte naar de herberg of kwam er vandaan. Daar de nacht beloofde zeer helder
+te zijn, ging Tom naar huis met de afspraak, dat indien het onverhoopt nog donker werd, Huck zou komen &#8220;miauwen,&#8221; en hij de
+deur zou uitsluipen en de sleutels probeeren. Doch de nacht bleef onbewolkt en Huck gaf het wachthouden op en ging tegen middernacht
+in een leege suikerton slapen.
+
+</p>
+<p>Dinsdag hadden de knapen denzelfden tegenspoed. Woensdag ook. Doch Donderdagnacht beloofde beter te zijn. Tom sloop ter goeder
+ure met tantes dievenlantarentje de deur uit en nam een grooten handdoek met zich, om daarmede het licht te bedekken. Hij
+verborg de lantaarn in Hucks suikerton en het wachthouden begon.
+
+</p>
+<p>Tegen elf uren werd de herberg gesloten en werden de lichten, de eenige uit de geheele buurt, uitgedaan. Geen Spanjaard werd
+er gezien. Niemand was het steegje in- of uitgegaan. Alles was gunstig. Overal zwarte duisternis en doodelijke stilte, alleen
+afgewisseld door het verwijderd gerommel van den donder.
+
+</p>
+<p>Tom nam zijn lantaren, stak haar in de ton aan en bedekte <a id="d0e3834"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3834">211</a>]</span>haar zorgvuldig met den handdoek, en de avonturiers kropen in de duisternis naar de herberg. Huck bleef op schildwacht staan
+en Tom liep op den tast de steeg in.
+
+</p>
+<p>Al wachtende voelde Huck zich door een doodelijken angst gedrukt en hunkerde hij naar het oogenblik, waarop hij een straaltje
+van Toms lantaarn zou zien, opdat hij een teeken mocht hebben dat zijn kameraad nog leefde. Uren schenen voorbijgegaan sedert
+Tom was verdwenen. Hij was zeker flauw gevallen, wellicht dood; misschien was hem van angst en schrik het hart gebroken. In
+zijn angst ging Huck hoe langer hoe dichter bij de steeg staan, in vreeze van allerlei ontzettende dingen te zullen zien en
+elk oogenblik verwachtende dat er een ongeluk zou komen, dat hem den laatsten adem zou doen uitblazen. Daarvoor was niet veel
+noodig, want hij scheen nauwelijks in staat een vingerhoedje adem te halen, en zijn hart bonsde zoo geweldig, dat het welhaast
+moest barsten. Plotseling zag hij een lichtstraal en fluisterde Tom hem in &#8217;t oor:
+
+</p>
+<p>&#8220;Loop! loop, als ge uw leven liefhebt!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij behoefde het niet te herhalen; eenmaal was genoeg. Huck was in vliegenden galop voortgeijld eer het woord ten tweeden
+male was uitgesproken. De knapen hielden niet stil, eer zij de loods van een verlaten slachthuis hadden bereikt. Juist toen
+zij deze schuilplaats gevonden hadden, barstte het onweder los en stroomde de regen naar binnen. Zoodra Tom weder kon ademhalen,
+zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, het was verschrikkelijk! Ik probeerde twee of drie sleutels, zoo zacht als ik kon, maar zij maakten zulk een drommelsch
+geraas, dat ik van schrik nauwelijks op mijne beenen kon blijven staan. Ik kon het slot ook niet omdraaien. Op eens bemerkte
+ik, dat ik den knop vasthield en dat de deur openging. Zij was niet dicht geweest. Ik <a id="d0e3844"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3844">212</a>]</span>strompelde naar binnen, nam den handdoek van de lantaarn en&#8212;o, groote geest van Cesar....!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat&#8212;wat zag je, Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, ik was bijna op de hand gestapt van Injun Joe!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is toch niet waar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja wel. Hij lag daar, met den groenen lap op zijn oog en uitgestrekte armen op den vloer te slapen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heere, Heere! En wat heb je toen gedaan? Werd hij wakker?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, hij bewoog zich niet. Zeker dronken. Ik greep den handdoek en ijlde weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarachtig, ik zou niet eens aan den handdoek gedacht hebben!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, ik wel. Tante zou mij krijgen, als ik hem verloren had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg, eens, Tom, heb je de kist gezien?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, ik heb niet gewacht on rond te kijken; ik heb de kist niet gezien en ik heb het kruis niet gezien. Ik zag niets dan
+een flesch en een tinnen kroes op den grond naast Injun Joe. Ja toch, ik zag twee vaatjes en een menigte flesschen in de kamer.
+Vat je nu niet, wat ze in die spookkamer uitvoeren?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, zij spookt van de brandewijnvaatjes, &#8217;t Is best mogelijk, dat al de Matigheidsherbergen zoo&#8217;n spookkamer hebben, Huck.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat kan wel. Wie zou dat ooit gedacht hebben! Maar Tom, &#8217;t is nu juist een allemachtig goed oogenblik on de kist te krijgen,
+als Injun Joe dronken is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is waar! Wil je het probeeren?&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck sidderde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, liever niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook niet, Huck. E&eacute;n flesch naast Injun Joe is niet <a id="d0e3880"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3880">213</a>]</span>genoeg. Indien er drie gestaan hadden, zou ik het gedaan hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Er volgde een lange pauze; eindelijk zeide Tom: &#8220;Zie eens Huck, ik geloof dat het beter is, dat zaakje niet te probeeren,
+totdat we weten dat Injun Joe er niet is. &#8217;t Is te vreeselijk.&#8212;Nu, indien wij elken nacht de wacht houden, kunnen wij er zeker
+van zijn, hem den of anderen tijd de kamer te zien uitgaan, en dan zullen wij de kist er zoo gauw mogelijk uithalen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uitmuntend. Ik zal den heelen nachten waken en zal dat de eerste weken blijven doen, als jij het andere deel van de karwei
+op je neemt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed, ik beloof het je. Al wat jij te doen hebt, is op een draf te loopen naar Hooper-street en te miauwen; en als ik slaap,
+gooi je maar wat zand tegen het raam, dan word ik wel wakker.
+
+</p>
+<p>&#8220;Best, dat blijft afgesproken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, Huck, het onweder is voorbij en ik ga naar huis. Over een paar uren breekt de dag aan. Jij gaat terug en blijft wachten,
+niet waar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb gezegd, Tom, dat ik het doen zal en ik zal het doen. Ik zal een jaar lang om de herberg blijven ronddolen. Ik zal
+over dag slapen en &#8217;s nachts waken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is goed. Waar ga je dan slapen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In de hooischuur van Ben Rogers. Hij laat mij dat vrij doen, en de zwarte knecht van zijn ouden heer, oom Jack, vindt het
+ook goed. Ik draag wel eens water voor oom Jack, en hij geeft mij, als hij het missen kan, nu en dan een beetje eten. &#8217;t Is
+een verduiveld goede nikker, die Jack, Tom!&#8212;Hij houdt van mij, omdat ik niet altijd doe alsof ik voornamer ben dan hij. Wij
+hebben ook wel eens samen gegeten. Maar dat moet je niet vertellen. Een <a id="d0e3898"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3898">214</a>]</span>mensch doet soms dingen, als hij honger heeft, die hij laten zou, als hij altijd genoeg kreeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, als ik je over dag niet noodig heb, Huck, zal ik je laten slapen. Ik zal je niet komen plagen. Als je &#8217;s nachts wat ziet,
+loop dan even aan om te miauwen.&#8221;
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e3902"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXX.</h2>
+<p>Het eerste wat Tom Vrijdagochtend hoorde was een heerlijke tijding: de familie Thatcher was den vorigen avond in de stad teruggekomen.
+Beiden Injun Joe en de schat werden voor het oogenblik van ondergeschikt belang en Becky nam de voornaamste plaats in het
+hart van den knaap in. Hij kwam haar tegen en zij hadden een oneindig genot met elkaar in het spelen van &#8220;verstoppertje&#8221; en
+&#8220;slootje springen.&#8221; De dag eindigde op een bijzonder prettige wijs. Becky smeekte hare moeder, den volgenden dag voor de lang
+beloofde en lang uitgestelde pic-nic vast te stellen, en deze stemde toe. De vreugde der kleine kende geen palen en Tom was
+niet minder uitgelaten. Voor zonsondergang waren de uitnoodigingen rondgezonden en onmiddellijk daarop was de jeugd van St.
+Petersburg in eene koortsachtige opgewondenheid over de pret, die haar te wachten stond. Tom kon niet slapen van pleizier
+en hij leefde in de hoop Huck te hooren &#8220;miauwen&#8221; en zijn schat te krijgen, om daarmede Becky en de pic-nickers den volgenden
+dag in verbazing te brengen. Maar hij werd teleurgesteld. Er kwam dien nacht geen teeken. Eindelijk daagde de morgen en tusschen
+tien en elf uren vereenigde zich ten huize van den heer Thatcher een hoop dartele, stoeiende jongens en meisjes en was alles
+tot vertrekken gereed.
+<a id="d0e3907"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3907">215</a>]</span></p>
+<p>Het was toenmaals de gewoonte niet van bejaarde lieden, om buitenpartijen door hunne tegenwoordigheid te bederven. De kinderen
+werden veilig geacht onder de vleugelen van een paar jonge dames van achttien en van een paar jonge heeren van drie- of vier
+en twintig jaren.
+
+</p>
+<p>De oude stoomboot was voor de gelegenheid afgehuurd, en toen al de genoodigden bijeen waren, stapte de vroolijke troep, met
+manden vol proviand, door de hoofdstraat naar de rivier. Sid was ongesteld en liep het pretje mis, en Marie bleef bij hem
+te huis. Bij het afscheid nemen zeide mevrouw Thatcher tot Becky:
+
+</p>
+<p>&#8220;Je zult wel wat laat tehuis komen. Misschien was het wel beter dat je bij een van de meisjes bleeft slapen, die het dichtst
+bij de kade woont.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal ik maar bij Suze Harper blijven, mama.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed, maar gedraag je behoorlijk en wees niet lastig.&#8221;
+
+</p>
+<p>Onder de wandeling zeide Tom tot Becky:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens: ik zal je vertellen wat wij zullen doen. In plaats van naar de Harpers te gaan, zullen wij den heuvel beklimmen
+en in het huis van de weduwe Douglas overnachten. Zij zal wel room-ijs hebben. Zij heeft het bijna elken dag, bij massa&#8217;s,
+ja, bij hoopen! En zij zal blij zijn, als zij ons ziet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dat zal grappig zijn!&#8221; riep Becky uit. Doch een oogenblik later hernam zij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar wat zal mama zeggen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe zal zij het te weten komen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Het meisje overdacht de zaak nog eens en zeide aarzelend:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof, dat het verkeerd is, maar....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, kom, het is geen lor waard! Je moeder zal het niet te weten komen. En wat steekt er in? Al wat zij verlangt, is dat
+je op een veilige plaats zult zijn, en ik wed dat, <a id="d0e3934"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3934">216</a>]</span>indien zij er aan gedacht had, ze je geraden zou hebben naar de weduwe te gaan. Ja, ik weet dat zij dat gedaan zou hebben!&#8221;
+
+</p>
+<p>Het heerlijke gastvrije dak der weduwe Douglas was een verleidelijk lokaas. Het bleef dan ook, met Toms overredingen, overwinnaar.
+Er werd derhalve besloten niemand iets van het programma voor den nacht mede te deelen. Opeens schoot Tom te binnen, dat Huck
+dien nacht wel eens kon komen, om het teeken te geven. Deze gedachte bracht een gevoeligen schok aan zijne blijde verwachtingen.
+Toch kon hij er niet toe komen het pretje bij de weduwe Douglas er aan te geven. En waarom zou hij dat doen? Het teeken was
+den vorigen nacht niet gekomen. Waarom zou het dan juist dezen nacht gebeuren? De zekere pret van dezen avond woog nog zwaarder
+dan de onzekere schat; en als een echte jongen besloot hij aan den sterksten lust toe te geven en zich op te leggen, dien
+dag niet meer aan de geldkist te denken.
+
+</p>
+<p>Drie mijlen voorbij de stad werd de boot bij een boschrijk dal ter reede gelegd. Het gezelschap verdrong zich naar den oever
+en weldra weerklonken de wouden en rotsige hoogten wijd en zijd van het gejubel der kinderen. Alle middelen om moede en bezweet
+te worden werden in praktijk gebracht, totdat men zich eindelijk bij het kamp verzamelde en met flinken eetlust gewapend,
+op de medegebrachte proviand aanviel. Na den maaltijd ging men over tot een verkwikkend rust- en praatuurtje onder de schaduw
+der breedgetakte eiken. Na een wijle jubelde eene stem:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie gaat er mede naar de grot?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Iedereen!&#8221; Dadelijk werden er pakken met waskaarsen voor den dag gehaald en onmiddellijk daarop werd de heuvel beklommen.
+De ingang der grot lag aan de helling van den <a id="d0e3944"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3944">217</a>]</span>berg en was kenbaar aan eene opening in den vorm van de letter A. De zware eikenhouten deur stond open. Door deze kwam men
+in een klein kamertje, kil als een ijskelder en door de natuur met stevige, vochtige kalksteenen muren omringd. Het was hoogst
+belangwekkend en geheimzinnig om daar in de diepe duisternis te staan en dan het gezicht te hebben op de groene, door de zon
+beschenen vallei. Doch de indruk van dit tooneel werd spoedig vergeten en het stoeien hervat. Zoodra er een kaars werd aangestoken,
+werd de bezitter aangevallen, &#8217;t geen een worsteling en dappere verdediging ten gevolge had. Maar de kaars was spoedig op
+den grond geworpen en uitgeblazen, waarop een luid gejuich ontstond en eene nieuwe vervolging. Doch aan alle lofzangen komt
+een einde en de stoet rukte op naar den hoofdtoegang, terwijl de flikkerende kaarsen de reusachtige rotsgewelven, waar deze
+zich zestig voet boven het hoofd aaneensloten, flauw te zien gaven. De hoofdtoegang zelf was ten hoogste acht of tien voet
+breed. Bij elke trede werden nieuwe en engere rotsspleten ontdekt. De grot van Mc. Douglas was dan ook een doolhof van gangen,
+die in het oneindige in en uit elkander liepen en nergens heen leidden. Men vertelde, dat men dagen en nachten door dit labyrinth
+van spleten en gangen kon dwalen, zonder den uitgang der grot te vinden, en dat, naarmate men dieper naar beneden ging, het
+onveranderlijk hetzelfde bleef: doolhof onder doolhof en alle zonder einde. Niemand kende de grot geheel, dit behoorde tot
+de onmogelijkheden. De meeste jongelieden hadden er een gedeelde van gezien en het was niet gebruikelijk zich ooit verder
+dat dit bekend terrein te wagen. Tom Sawyer wist al evenveel van de spelonk als iedereen.
+
+</p>
+<p>De stoet bewoog zich omstreeks drie kwartier langs den hoofdgang voort en langzamerhand begonnen enkele paren <a id="d0e3948"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3948">218</a>]</span>in zijgangen weg te sluipen, door donkere gaanderijen te kruipen en elkaar bij verrassing te overvallen, op punten waar de
+gangen weder in elkander liepen. Een paar slaagden er in zich een half uur te verstoppen, zonder van het bezochte grondgebied
+te zijn afgeweken.
+
+</p>
+<p>Van lieverlede kwam de eene groep na de andere, jubelend, hijgende naar adem, van het hoofd tot de voeten met afgedropen kaarsvet
+besmeerd en uitgelaten van de pret, terug. Zij waren verbaasd te bemerken, dat zij aan tijd noch ruimte gedacht hadden en
+dat de avond viel. De bel der stoomboot had reeds een half uur haar schel geklingel doen hooren, doch, &#8217;t was zoo heerlijk,
+zoo romantisch den dag op deze wijs te besluiten. En toen de boot met hare luidruchtige bemanning van wal stak, was de kapitein
+de eenige, die er geen schik in had, dat het reeds zoo laat was geworden.
+
+</p>
+<p>Huck stond op zijn post, toen de lichten der veerboot langs de kade flikkerden. Hij hoorde geen gerucht aan boord, want de
+jongeluidjes waren vreedzaam en stil, zooals doodmoede lieden gewoonlijk zijn. Hij was wel verlangend te weten, welke boot
+dit zijn kon en waarom zij niet aan de kade aanlegde,&#8212;maar zijne gedachten bepaalden zich niet lang bij dit onderwerp, en
+hij was weldra geheel in zijn eigen aangelegenheden verdiept. De nacht werd donker en de lucht was bewolkt. Het werd gaandeweg
+tien uren en alle geraas van rijtuigen en voetstappen hield op; de schaarsche lichten werden al flauwer; de nog op straat
+slenterende voetgangers verdwenen en de stad ging de nachtrust in en liet den kleinen waker met de eenzaamheid en de spoken
+alleen.
+
+</p>
+<p>Het sloeg elf uren en de lichten in de herberg werden uitgedaan en nu heerschte er duisternis alom.
+
+</p>
+<p>Huck wachtte, naar het hem toescheen, een eindeloos <a id="d0e3958"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3958">219</a>]</span>langen tijd, doch er gebeurde niets. Zijn vertrouwen begon te wankelen. Was het de moeite waard? Was het werkelijk de moeite
+waard? Waarom zou hij het niet opgeven en naar bed gaan?
+
+</p>
+<p>Plotseling vernam zijn oor een geluid. In een oogenblik was hij geheel aandacht. De deur in het steegje werd zachtjes dichtgedaan.
+Onmiddellijk kroop hij in een hoek bij den kalkoven. Het volgende oogenblik slopen twee mannen langs hem heen, van wie de
+een iets onder zijn arm scheen te dragen. Het moest de kist zijn! Zij gingen dus den schat verplaatsen! Waarom zou hij Tom
+nu roepen? Het zou een dwaasheid wezen!&#8212;De mannen zouden met de kist wegloopen en zij zou nooit gevonden worden. Neen, hij
+zou blijven waken en hen volgen; hij zou zich aan de duisternis toevertrouwen, als een waarborg tegen ontdekking. Deze dingen
+bij zich zelven overleggende, sloop hij stil voort en kroop voorzichtig als een kat, blootsvoets achter de mannen aan, terwijl
+hij hen zoover voor zich uit liet gaan dat hij hen nog juist in het gezicht had.
+
+</p>
+<p>Zij slopen de op de rivier uitloopende straat door en sloegen toen links af, eene zijstraat in. Daarna gingen zij rechtuit,
+totdat zij aan het pad kwamen, dat naar <span class="corr" title="Bron: Cardif">Cardiff</span> Hill leidde. Dit werd ingeslagen en zij stapten al maar voort, tot nabij het huis van den ouden boschwachter, dat halverwege
+den heuvel gelegen was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed,&#8221; dacht Huck, &#8220;zij zullen den schat in de oude steengroeve begraven.&#8221; Maar zij hielden niet eens bij de steengroeve
+stil. Zij gingen door naar den top. Toen kozen zij een zijpaadje tusschen de groote sumakboomen en waren op eens in de duisternis
+verdwenen. Huck versnelde zijn pas en liet minder ruimte tusschen hen en zich zelven; zij konden hem thans immers onmogelijk
+zien. Hij draafde een <a id="d0e3969"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3969">220</a>]</span>poosje, ging toen weder wat langzamer; uit vrees van te ver te zullen, loopen, liep zachtjes weer een eindje door en hield
+toen stil. Hij luisterde, geen geluid, behalve het gebons van zijn eigen hart. Daar werd op eens over den heuvel het zuchten
+van een uil vernomen.
+
+</p>
+<p>Onheilspellend geluid! Maar geen voetstappen. Hemel! was alles verloren? Hij was op het punt met gevleugelde voeten weg te
+snellen, toen hij, geen vier pas van zich af, een man hoorde hoesten. Het hart schoot den knaap in de keel, doch hij bekwam
+weder. Toch beefde hij, alsof hem een dozijn koortsen op het lijf werden gejaagd, en hij stond zoo wankel op zijne beenen,
+dat hij bepaald dacht op den grond te zullen vallen. Hij wist waar hij was. Het was hem bekend, dat hij zich op vijf treden
+afstand bevond van het hek, dat hem naar de landerijen van de weduwe Douglas bracht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heel goed,&#8221; dacht hij, &#8220;laten zij den schat hier begraven dan zal hij niet moeilijk te vinden zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Thans werd er een zachte, zeer zachte stem gehoord;&#8212;het was die van Injun Joe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Godv....! zij heeft zeker gezelschap: er is nog licht aan, zoo laat als het is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zie geen lichten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit was de stem van dien vreemdeling,&#8212;den vreemdeling uit het spookhuis. Een ijskoude rilling voor Huck door de leden. Dus
+dit was de dag der wrake! Zijne eerste gedachte was te vluchten. Toen schoot hem te binnen, dat de weduwe Douglas meer dan
+eens vriendelijk geweest was en het kon zijn, dat deze mannen plan hadden haar te vermoorden. Hij zou zoo gaarne moed gehad
+hebben om haar te waarschuwen, maar hij wist dat hij het niet durfde;&#8212;zij mochten hem eens beetpakken.
+<a id="d0e3983"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3983">221</a>]</span></p>
+<p>Hij overdacht dit alles en meer nog in het oogenblik, dat verliep tusschen de opmerking van den vreemdeling en het antwoord
+van Injun Joe, hetwelk aldus luidde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat het kreupelhout je in den weg staat. Kom dezen kant uit.&#8212;Zie je het nu?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, zeker, er zijn menschen. Ik geloof dat het beter is, het op te geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Opgeven? Juist nu ik dit land voor altijd ga verlaten! Het opgeven,&#8212;om nooit weer een kans te krijgen. Ik zeg je nog eens,
+wat ik je al meer gezegd heb, dat ik niets om den buit geef;&#8212;dien mag jij hebben. Maar haar man heeft mij gemeen behandeld&#8212;en
+meer dan eens, en vooral daarin dat hij, die vrederechter was, mij als een vagebond in de gevangenis heeft gezet. En dat niet
+alles. Dat is niet het millioenste deel. Hij heeft mij laten geeselen!&#8212;geeselen, vlak voor de gevangenis, als een neger, terwijl
+de geheele stad er naar stond te kijken. Geeselen, versta je het? Hij is mij voor geweest en is gestorven. Maar zij zal er
+voor boeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, vermoord haar niet! Doe het niet!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vermoorden? Wie spreekt van vermoorden? Ik zou hem vermoorden, als hij hier was; maar haar niet. Wanneer men zich op eene
+vrouw wreekt, vermoordt men haar niet:&#8212;ba! maar men berooft haar van hare schoonheden. <span class="corr" title="Bron: Mijn">Men</span> snijdt haar de neusgaten in twee&euml;n;&#8212;men kerft haar de ooren als een varken!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bij God, dat is...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je gevoelens voor je, dat is je geraden! Ik zal haar aan haar bed vastbinden. Als zij doodbloedt, kan ik het helpen?
+Ik zal er mij niet naar over maken. Vriendje, je zult mij in dit zaakje helpen&#8212;om mij te pleizieren; daarvoor ben je hier,&#8212;want
+&#8217;t kan zijn, dat ik het niet <a id="d0e4003"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4003">222</a>]</span>alleen af kan. Als je weifelt ben je een man des doods! Versta je dat? En indien ik jou doodmaak, is zij er ook om koud&#8212;en
+dan geloof ik niet dat iemand ooit veel van deze zaak zal te weten komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, als het dan moet, laat ons er dan aan beginnen. Hoe eer hoe beter;&#8212;ik beef als een riet!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het nu doen?&#8212;En er is gezelschap! Kijk eens hier: zorg, dat ik je niet ga mistrouwen! Neen,&#8212;wij zullen wachten, totdat de
+lichten uit zijn. Het heeft geen haast.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck voelde, dat er een oogenblik van stilzwijgen zou volgen&#8212;en dat was nog vreeselijker dan het moorddadig gesprek. Daarom
+hield hij zijn adem in, deed omzichtig een stap achteruit, zette behoedzaam zijn voet stevig neer, na heel gevaarlijk op &eacute;&eacute;n
+been te hebben staan balanceeren en bijkans gevallen te zijn, eerst den eenen kant uit en toen den anderen. Hij deed met dezelfde
+moeite en hetzelfde gevaar nog een stap achteruit; toen nog een en nog een.&#8212;Daar brak een tak onder zijn voet! Hij hield zijn
+adem in en luisterde. Hij vernam geen geluid; het was volmaakt stil. Zijne dankbaarheid kende geen palen. Nu kwam hij in het
+sumakboschje;&#8212;daar wendde en keerde hij zich voorzichtig als een laveerend schip en stapte vervolgens haastig, maar behoedzaam
+voort. Toen hij de steengroeve voorbij was, achtte hij zich veilig en zette het op een loopen. Hij ijlde al maar voort, totdat
+hij het huis van den ouden boschwachter had bereikt. Daar klopte hij aan de deur en weldra werden de hoofden van den ouden
+man en van zijn beide forschgespierde zonen voor de ramen zichtbaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat een rumoer daar? Wie klopt er? Wat moet je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij binnen&#8212;en gauw ook. Ik zal alles vertellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat? Wie ben je?<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+<a id="d0e4020"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4020">223</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Huckleberry Finn. Gauw, laat mij binnen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huckleberry Finn, waarachtig! &#8217;t Is geen naam, waarvoor zich vele deuren openen, geloof ik. Maar laat hem binnen, jongens,
+en laat ons zien wat er te doen is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg het, als je blieft, nooit, dat ik je het verteld heb,&#8221; waren Hucks eerste woorden, toen hij binnentrad. &#8220;Doe het als
+je blieft niet;&#8212;ik zal zeker vermoord worden; maar de weduwe is zoo goed voor mij geweest, en ik moet het zeggen;&#8212;ik zal het
+vertellen, als je mij belooft, dat je nooit zult zeggen dat ik het was.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bij den Hemel, hij heeft iets te vertellen, of hij zou zoo niet spreken!&#8221; riep de oude man uit. &#8220;Voor den dag er mee, en
+niemand zal het verklappen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tien minuten later beklommen de oude man en zijne zonen, behoorlijk gewapend, den heuvel en stapten op hun teenen het pad
+der sumakboomen in. Huck vergezelde hen niet verder; hij verborg zich achter een rotsblok en luisterde.
+
+</p>
+<p>Er volgden eenige oogenblikken van lange, akelige stilte. Plotseling werd er een geknal van vuurwapenen gehoord en een gil.
+
+</p>
+<p>Huck wachtte niet om eenige bijzonderheden te vernemen, maar ijlde zoo spoedig, als zijne beenen hem dragen konden, den heuvel
+af.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e4035"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXXI.</h2>
+<p>Zondagochtend voor dag en dauw kroop Huck reeds den berg op en klopte aan de deur van den ouden boschwachter<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> De huisgenooten lagen nog te bed en sliepen een hazenslaap, <a id="d0e4043"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4043">224</a>]</span>tengevolge van de spanning waarin zij een gedeelte van den nacht hadden doorgebracht. Een stem riep uit een raam:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie is daar?&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck antwoordde verschrikt, op zachten toon:
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij, als &#8217;t u blieft, binnen. Het is niemand dan Huck Finn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een naam voor welken de deur dag en nacht open staat!&#8212;Wees welkom!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit waren vreemde woorden in de ooren van den jeugdigen vagebond en de liefelijkste die hij ooit had vernomen. Hij herinnerde
+zich niet de twee laatste immer gehoord te hebben. De deur werd haastig ontsloten en de knaap trad binnen. Men gaf hem een
+stoel, en de oude man en zijne zonen kleedden zich in aller ijl aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, mijn jongen, ik hoop dat gij een goeden eetlust hebt meegebracht, want wij gaan ontbijten zoodra de zon opkomt, en &#8217;t
+zal een brandend zonnetje zijn ook. Ik en de jongens hoopten al dat ge gisteren hier zoudt zijn teruggekeerd en in ons huis
+zoudt geslapen hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik was zoo vreeselijk geschrikt,&#8221; zeide Huck, &#8220;en ik heb het op een loopen gezet. Ik rende weg zoodra de pistolen afgingen,
+en ik holde drie mijlen ver voort, en ik ben nu gekomen omdat ik er iets van weten wou. Ik kom voor het daglicht, omdat ik
+de duivels niet graag tegen het lijf zou loopen, zelfs al zijn ze dood.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, arme jongen, je ziet er uit alsof je een akeligen nacht gehad hebt,&#8212;maar hier staat een bed voor je, wanneer je ontbeten
+hebt. Neen, zij zijn niet dood, jongen;&#8212;dat spijt ons genoeg. Wij wisten, door jouw beschrijving, waar wij de hand op hen
+moesten leggen. Wij kropen op de teenen voort, totdat wij omstreeks vijftien pas van hen verwijderd waren&#8212;en &#8217;t pad der sumakboomen
+was zoo <a id="d0e4061"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4061">225</a>]</span>donker als een kelder&#8212;en juist toen voelde ik dat ik moest niezen. &#8217;t Was bitter ongelukkig; ik trachtte het in te houden,
+maar &#8217;t hielp niet: het wilde komen en het kwam. Ik liep vooruit met opgeheven pistool en toen het genies de schurken verschrikt
+uit het bosch deed opspringen, riep ik: &#8216;Vuur jongens!&#8217; en schoot in de richting, waar het geritsel vandaan kwam. En dat deden
+de jongens ook, maar de schelmen waren in een ommezien weg en wij holden hen in het bosch achterna. Ik geloof, dat wij hen
+niet eens geraakt hebben. Toen wij stilhielden, schoten zij op ons, maar hunne kogels sisten langs ons heen, zonder ons te
+deren. Zoodra wij het geluid hunner voetstappen niet meer hoorden, gaven wij de jacht op en gingen naar de stad om de politie
+roepen. Deze riep de gewapende macht bijeen en hield de wacht langs den oever der rivier, en zoodra het licht wordt, zal de
+sherif met zijne kornuiten de bosschen doorkruisen. Mijne jongens zullen meegaan. Ik wou, dat wij de rekels zoo wat konden
+beschrijven;&#8212;dat zou heel wat helpen. Maar gij kondt zeker in het duister niet zien hoe zij er uitzagen, h&eacute;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, jawel, ik heb ze door de stad zien gaan en ben hen gevolgd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Prachtig! Beschrijf ze dan, beschrijf ze dan, mijn jongen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De eene is de doofstomme Spanjaard, die een paar malen hier geweest is en de andere is een kerel met een gemeen gezicht,
+in lompen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Genoeg, jongen! Wij kennen de kerels. Wij zijn ze een dag of wat geleden, achter in de bosschen van de weduwe Douglas tegengekomen
+en zij kropen voor ons weg. Er uit, jongens, naar den sherif.&#8212;Morgen komt er weer een dag om te ontbijten.&#8221;
+
+</p>
+<p>De zonen van den boschwachter vertrokken dadelijk. Toen <a id="d0e4073"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4073">226</a>]</span>zij de kamer uit waren, sprong Huck op en riep uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, vertel als het u blieft aan niemand, dat ik ze op het spoor ben gekomen! O, als het u blieft niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heel goed, Huck, als gij dat verkiest; maar gij moest eigenlijk de eer hebben van &#8217;t geen gij gedaan hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, neen, neen! Zeg het als het u blieft niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; antwoordde de boschwachter, <span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>de jongens zullen het niet zeggen&#8212;en ik ook niet. Maar waarom wilt gij het niet weten?&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck wilde zich niet verder uitlaten en zeide alleen, dat hij een der beide mannen goed kende en dat hij bang was dat die
+man te weten zou komen, dat hij iets kwaads van hem wist, daar hij hem dan zeker zou vermoorden.
+
+</p>
+<p>De oude man beloofde nogmaals te zullen zwijgen en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe zijt gij er toch toe gekomen om deze kerels te volgen, jongen? Zagen zij er verdacht uit?&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck zweeg en bedacht zich even, om naar een voorzichtig antwoord te zoeken. Toen zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ziet gij, ik heb een hard lot,&#8212;ten minste dat zeggen de lui&#8212;en ik kan er niets aan doen&#8212;en soms kan ik niet slapen,
+omdat ik er zoo lang over lig te denken en op middelen zin om er een eind aan te maken. Dat deed ik juist gisteren-nacht.
+Ik kon niet slapen en ging daarom tegen middernacht de straat op, om er nog eens over te denken, en toen ik bij dien ouden,
+wrakken steenoven kwam bij de Matigheidsherberg, ging ik met mijn rug tegen den muur staan. Juist op dat oogenblik slopen
+die twee kerels mij voorbij, met iets onder den arm, &#8217;t welk ik vermoedde dat zij gestolen hadden. De een rookte en de ander
+nam een zwavelstok, om zijn sigaar op te steken. Zij hielden vlak voor mij stil en hunne sigaren verlichtten hun &#8217;t gezicht,
+en ik zag aan de witte <a id="d0e4096"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4096">227</a>]</span>bakkebaarden en den lap op zijn oog, dat &#8216;de lange&#8217; de doofstomme Spanjaard en dat de andere een havelooze, gemeene duivel
+was.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kondt gij bij het licht der sigaar zien, dat hij er gemeen in de kleeren uitzag?&#8221;
+
+</p>
+<p>Die vraag bracht Huck een oogenblik van zijn stuk. Toen hernam hij: &#8220;Dat weet ik zoo niet&#8212;maar, ik geloof het toch wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen gingen zij voort, en gij....?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik volgde hen. Ja, dat deed ik. Ik wou eens zien waar zij heen slopen. Ik speurde het na tot aan &#8217;t hek bij de weduwe en
+bleef in het duister staan en hoorde den havelooze smeekend vragen, om medelijden met de weduwe te hebben, en den Spanjaard
+zweren, dat hij haar neus kapot zou snijden en haar ooren kerven, juist zooals...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat! zeide de <i>doofstomme</i> man dat alles?&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck had weder een verschrikkelijken flater gemaakt. Hij deed al zijn best om den ouden man niet te laten merken wie die Spanjaard
+was, en toch scheen zijn tong het er op gezet te hebben hem er in te laten loopen. Hij deed zijn uiterste best om zich uit
+deze moeielijkheid te redden, doch de oude man keek hem strak in het gezicht en de knaap maakte het eene abuis na het andere.
+Eindelijk zeide de boschwachter:
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongen, wees niet zoo bang voor mij; ik zou voor al het geld van de wereld geen haar van uw hoofd willen krenken. Neen, ik
+zal u beschermen,&#8212;dat zal ik. Deze Spanjaard is niet doofstom: gij hebt u dat onwetend laten ontvallen; gij kunt het niet
+weder intrekken. Gij weet meer van den Spanjaard. Vertrouw mij; zeg mij wat het is. Ik zal u niet verraden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck zag den ouden man een oogenblik in de eerlijke <a id="d0e4117"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4117">228</a>]</span>oogen, boog zich toen over hem been en fluisterde hem in &#8217;t oor:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is geen Spanjaard; het is Injun Joe.&#8221;
+
+</p>
+<p>De boschwachter viel van schrik bijna van zijn stoel en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is mij alles duidelijk. Toen gij spraakt van ooren kerven en neuzen opensnijden, dacht ik, dat gij er dit bij hadt gemaakt,
+omdat blanken nooit op deze wijze wraak nemen. Maar een kleurling! dat is heel wat anders.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij praatten al ontbijtende voort en in den loop van het gesprek zeide de oude man, dat het laatste wat hij en zijne zonen
+gedaan hadden eer zij naar bed gingen, was geweest een lantaarntje nemen en in de buurt van het hek zoeken, of zij ook sporen
+van bloed ontdekten. Zij vonden er echter geene, maar wel een grooten bos...
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat?&#8221;
+
+</p>
+<p>Indien de woorden een bliksemstraal geweest waren, konden zij niet met meer verpletterende snelheid aan Hucks bleeke lippen
+zijn ontsnapt. Zijne oogen stonden strak en zijn adem stokte, toen hij naar een antwoord wachtte.
+
+</p>
+<p>De boschwachter schrikte, zag hem een paar seconden zwijgend aan en zeide toen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Breekijzers. Maar, wat scheelt u?&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck zonk achterover en haalde zacht en onuitsprekelijk dankbaar adem. De boschwachter zag hem weder aan en hernam:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, breekijzers. Dat schijnt u een pak van &#8217;t hart te nemen. Maar waarom verschriktet gij zoo? Wat dacht gij, dat wij gevonden
+hadden?&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck zat in een benauwd hoekje; de vragende oogen waren op hem gericht; hij zou alles gegeven hebben, indien hij een aannemelijk
+antwoord had kunnen vinden. Maar <a id="d0e4141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4141">229</a>]</span>niets deed zich voor. Het vragend oog doorboorde hem al dieper en dieper.&#8212;Daar schoot hem een allerdwaast antwoord in. Er
+was geen tijd om te overwegen, dus mompelde hij op goed geluk:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht, boeken van de zondagsschool.&#8221;
+
+</p>
+<p>De arme knaap was te beangst om zelfs te kunnen glimlachen,&#8212;doch de oude man lachte luid en vroolijk, schudde Huck door elkander
+en eindigde met te zeggen, dat zulk een lach goud waard was, omdat deze het geld voor den dokter in den zak hielp houden.
+Toen voegde hij er bij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Arme jongen, je ziet er bleek en vermoeid uit. Je bent niet wel. Geen wonder dat je hersenen wat verward zijn. Maar je zult
+er wel bovenop komen. Rust en slaap zullen je, hoop ik, wel weder in orde brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck was boos op zich zelven, dat hij zoo dom was geweest, zich door zulk eene verdachte verlegenheid te verraden, want hij
+had, zoodra hij het gesprek bij het hek had afgeluisterd, het denkbeeld laten varen dat het pakje, &#8217;t welk zij uit de herberg
+hadden medegebracht, de schat was. Hij had althans maar gedacht, doch niet geweten dat het de schat <i>niet</i> was, en vandaar dat de mededeeling van den buitgemaakten bundel te prachtig was om er zijne tegenwoordigheid van geest bij
+te blijven bewaren. Alles te zamen genomen evenwel, was hij blijde dat deze kleine episode had plaats gehad, want nu wist
+hij stellig en zeker, dat deze buit de schat niet was en dus kwam zijn gemoed tot rust en voelde hij zich grootelijks verruimd.
+Ja, waarlijk, alles scheen thans naar de juiste richting te drijven: de schat moest nog op &#8220;nummer twee&#8221; zijn; de mannen zouden
+dien dag gepakt en in de gevangenis gezet worden en hij en Tom zouden morgen-nacht, zonder moeite en zonder vrees voor stoornis,
+het geld in beslag nemen.
+<a id="d0e4154"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4154">230</a>]</span></p>
+<p>Juist toen het ontbijt was afgeloopen, werd er op de deur geklopt. Hij sprong op om eene schuilplaats te zoeken, want hij
+had geen lust om zelfs in de verste verte met de gebeurtenis van den vorigen nacht in verband te worden gebracht. De boschwachter
+liet verscheidene dames en heeren binnen, onder welke de weduwe Douglas, en hij bemerkte dat heele zwermen den heuvel beklommen,
+om het hek te bekijken. Het nieuws had zich dus verspreid.
+
+</p>
+<p>De boschwachter moest zijnen bezoekers de geschiedenis van dien nacht vertellen. De weduwe kon geen woorden vinden on hare
+dankbaarheid voor hare bescherming uit te drukken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek er niet van, mevrouw,&#8221; zeide de boschwachter. &#8220;Er is een ander, aan wien gij meer verplicht zijt dan aan mij en aan
+mijne jongens. Maar deze wil zijn naam niet genoemd hebben. Wij zouden daar nooit geweest zijn, indien hij ons niet gewaarschuwd
+had.&#8221;
+
+</p>
+<p>Natuurlijk wekte dit eene mate van nieuwsgierigheid op, die de hoofdzaak in de schaduw stelde; doch de boschwachter liet de
+bezoekers in het onzekere en door hen werd deze tijding door de geheele stad gebracht. Toen zij al het overige vernomen had,
+zeide de weduwe:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb in bed liggen lezen en ben zoo in slaap gevallen en heb niets van het leven gehoord. Waarom hebt gij mij niet wakker
+gemaakt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij dachten, dat het niet noodig was. De kerels zouden waarschijnlijk niet terugkomen. Zij hadden geen gereedschap om mede
+te werken; en waartoe zou het dienen u te wekken en u doodelijk te doen ontstellen? Mijne drie zwarte knechts hebben den ganschen
+nacht voor uw huis de wacht gehouden. Zij zijn juist teruggekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p><span class="corr" title="Bron: &#8220;"></span>Er kwamen hoe langer hoe meer bezoekers en de <a id="d0e4170"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4170">231</a>]</span></p>
+<p>geschiedenis moest een paar uren lang aanhoudend verteld en oververteld worden.
+
+</p>
+<p>In de vacantie was er geen zondagsschool, maar men ging wat vroeger naar de kerk. De ontrustbarende gebeurtenis werd daar
+dien morgen behoorlijk uitgeplozen en iedereen kon vernemen, dat er nog geen taal of teeken van de schelmen ontdekt was.
+
+</p>
+<p>Toen de kerk uitging, liep mevrouw Thatcher toevallig naast juffrouw Harper, die met de schare het Godshuis verliet, en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Slaapt mijn Becky den heelen dag? Ik dacht wel, dat zij erg vermoeid zou zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Becky?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zeide de ander met een verschrikt gelaat. &#8220;Heeft zij van nacht dan niet bij u gelogeerd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel neen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Mevrouw Thatcher werd bleek en viel op eene bank neder, juist toen tante Polly, in een levendig gesprek met eene oude vriendin,
+haar voorbijging. Tante Polly zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Goeden morgen, mevrouw Thatcher; goeden morgen, juffrouw Harper. Ik mis een van mijne jongens. Tom is zeker van nacht aan
+uw huis blijven slapen en durft nu niet in de kerk komen, niet waar? Ik zal weer een appeltje met hem te schillen hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Mevrouw Thatcher schudde het hoofd en werd nog bleeker.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is niet bij ons geweest,&#8217;&#8221; zeide juffrouw Harper, met een verontrust gelaat. Ook tante Polly werd angstig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Joe Harper, heb je mijn Tom van morgen al gesproken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, juffrouw.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wanneer heb je hem het laatst gezien?&#8221;
+
+</p>
+<p>Joe trachtte zich dit te binnen te brengen, maar hij <a id="d0e4201"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4201">232</a>]</span>herinnerde het zich niet. De kerkgangers bleven met bedrukte gezichten staan kijken; er ontstond een geheimzinnig gefluister,
+en onrust teekende zich op ieders gelaat. De kinderen en de onderwijzers werden angstig ondervraagd, doch niemand had er op
+gelet of Tom en Becky aan boord van de stoomboot waren, toen zij naar huis voeren. Het was zoo donker, en men had er niet
+aan gedacht om te vragen, of er ook een gemist werd. Een der aanwezige jongelieden liet zich ontvallen, dat hij vreesde dat
+ze nog in de grot waren! Bij deze veronderstelling viel mevrouw Thatcher dadelijk in onmacht en tante Polly begon te schreien
+en hare handen te wringen.
+
+</p>
+<p>In een oogenblik ging de noodkreet van mond tot mond, van groep tot groep, van straat tot straat, en binnen vijf minuten luidde
+de noodklok met woesten klank en was de gansche stad in rep en roer. De gebeurtenis te Cardiff Hill zonk dadelijk in het niet;
+de inbrekers waren vergeten. Paarden werden gezadeld, schuitjes bemand, de stoomboot werd uitgezonden, en eer de vreeselijke
+tijding een half uur oud was, waren er tweehonderd man in vaartuigen of te voet op weg naar de grot.
+
+</p>
+<p>In den namiddag was de stad als uitgestorven. Vele dames kwamen tante Polly en mevrouw Thatcher bezoeken en zochten haar te
+troosten. Zij schreiden met haar, en dat deed de bedroefden nog meer goed dan hare woorden.
+
+</p>
+<p>Den ganschen langen nacht wachtte men op tijding, en toen de dag eindelijk aanbrak, kwam er niets dan de boodschap: &#8220;Zend
+meer kaarsen en meer voedsel.&#8221; Mevrouw Thatcher was bijna krankzinnig van angst, en tante Polly ook. De heer Thatcher zond
+nu en dan bemoedigende boodschappen uit de grot, doch dezen brachten weinig troost.
+<a id="d0e4209"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4209">233</a>]</span></p>
+<p>De oude boschwachter kwam tegen het aanbreken van den dag, met kaarsvet besmeerd, met modder bespat en doodmoede tehuis. Hij
+vond Huck nog in het bed, dat hij voor hem had gereedgemaakt. De knaap lag in ijlende koorts. De dokters waren allen naar
+de grot en dus nam de weduwe Douglas de zorg voor den pati&euml;nt op zich. Zij zeide dat zij voor hem doen zou wat zij kon, omdat,
+&#8217;t zij hij goed was of slecht, hij des Heeren was, en niets wat den Heer toebehoorde, mocht veronachtzaamd worden. De boschwachter
+verklaarde, dat Huck nog zoo&#8217;n slechte jongen niet was, waarop de weduwe antwoordde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat spreekt vanzelf. Dat is de stempel des Heeren; deze kan niet uitgewischt worden. God doet dat nooit, maar drukt Zijn
+merk op elk schepsel, dat uit Zijne hand komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vroeg in den middag kwam het meerendeel der St. Petersburgers, die uitgegaan waren om te zoeken, doodelijk vermoeid in de
+stad terug, doch de sterksten onder de burgers zetten het onderzoek voort. De eenige tijding die zij meebrachten was, dat
+men bezig was een verwijderd gedeelte van de spelonk te doorzoeken, waarin nooit menschelijke voetstappen waren doorgedrongen,
+en dat elke hoek en spleet zou worden nagespeurd. Verder, dat door den ganschen doolhof, lichten her- en derwaarts flikkerden
+en de doffe klank van pistoolschoten door de sombere gewelven weerkaatste. Op eene plaats, ver van het gewoonlijk door de
+toeristen bezochte gedeelte, had men de namen &#8220;Becky&#8221; en &#8220;Tom&#8221; met kaarssnuitsel op een rotsachtigen muur gevonden en vlak
+daarbij een met vet besmeerd stukje lint. Mevrouw Thatcher herkende het lint en schreide er bittere tranen over. Zij zeide,
+dat dit het laatste aandenken was, &#8217;t welk zij ooit van haar kind <a id="d0e4216"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4216">234</a>]</span>zou bezitten; dat geen andere gedachtenis haar zoo dierbaar zou zijn, daar dit voorwerp het laatst van het levende lichaam
+gescheiden was, voordat de vreeselijke dood was gekomen. Sommigen verhaalden, dat men nu en dan in de grot een verwijderd
+stipje licht zag flikkeren, en dat telkens, als dit te zien kwam, door een twintigtal mannen, die troepsgewijze door de holklinkende
+gangen liepen, een jubelkreet werd aangeheven, die telkens door wanhopige teleurstelling werd gevolgd.
+
+</p>
+<p>Dus sleepten drie vreeselijke dagen en nachten hunne trage uren voort en de stedelingen vervielen welhaast in wanhoop. De
+toevallige ontdekking, onlangs gedaan, dat de eigenaar van de Matigheidsherberg in een bijgebouw sterken drank bewaarde, scheen
+het publiek nauwelijks te treffen, hoe verschrikkelijk de gebeurtenis ook zijn mocht.
+
+</p>
+<p>In een helder oogenblik gedurende zijne ziekte, bracht Huck schoorvoetend het gesprek op herbergen en vroeg eindelijk, met
+een vaag vermoeden van het ergste, of er sedert zijne ziekte ook iets in de Matigheidsherberg ontdekt was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zeide de weduwe.
+
+</p>
+<p>Huck sprong met verwilderde oogen in zijn bed op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat? Wat was het?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Drank! En de herberg is gesloten. Ga stil liggen, kind;&#8212;gij doet mij schrikken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg mij slechts &eacute;&eacute;n ding&#8212;&eacute;&eacute;n ding als het u blieft. Heeft Tom Sawyer het ontdekt?&#8221;
+
+</p>
+<p>De weduwe barstte in tranen uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil, kind, stil! Ik heb al meer gezegd, dat gij niet moet praten. Gij zijt zeer, zeer ziek.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo! dus was er niets dan drank gevonden. Het zou wel eene groote opschudding gegeven hebben, indien het <a id="d0e4238"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4238">235</a>]</span>de schat was geweest. Dus was deze voor eeuwig verloren! Maar waarom zou zij schreien? Hoe vreemd dat zij schreide. Deze gedachten
+doorkruisten Hucks brein en onder de vermoeienis van het peinzen viel hij in slaap. Toen zeide de weduwe tot zich zelve:
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar slaapt hij, de arme drommel. Tom Sawyer hem vinden! Gave God, dat iemand Tom Sawyer vond! Ach, er zijn er niet veel
+meer, die nog hoop en kracht hebben om met zoeken voort te gaan.&#8221;
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e4242"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXXII.</h2>
+<p>Wij moeten thans naar de pic-nic en Tom en Becky&#8217;s aandeel in de pret terugkeeren. Zij hadden met de anderen door de donkere
+gangen gehuppeld en de bekende wonderen van de grot bezocht,&#8212;wonderen met wel te grootsche namen bestempeld, zooals: het &#8220;Salon,&#8221;
+de &#8220;Kathedraal,&#8221; het &#8220;Paleis van Aladdin,&#8221; enz. Aan het daarop gevolgd &#8220;verstoppertje&#8221; spelen hadden zij ijverig deelgenomen,
+totdat zij van de inspanning moede waren geworden. Daarna eens opwandelende, waren zij in een kronkelpad afgedwaald en hadden
+daar, bij het licht hunner omhooggehouden kaarsen, het krabbelschrift van namen, datums, adressen en motto&#8217;s gelezen, waarmede
+de rotswanden (met kaarssnuitsel) beschreven waren. Al voortgaande en pratende, hadden zij niet eens bemerkt, dat zij zich
+in een gedeelte der grot bevonden, op welks muren geene namen te lezen stonden. Hier schreven zij hun eigen naam met kaarssnuitsel
+op een vooruitstekend rotsblok en gingen verder. Kort daarop kwamen zij op eene plaats, waar een, over een zandrif <a id="d0e4247"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4247">236</a>]</span>naar beneden vlietend en een laag kalksteen met zich voerend waterstroompje, in de langzaam voortgaande eeuwen, een versteende
+Niagara van schitterend en onvergankelijk stalactiet had gevormd.
+
+</p>
+<p>Om Becky pleizier te doen, kroop Tom met zijn tenger lichaam tusschen de steenen door, om de plaats te verlichten. Te midden
+dier rotsenmassa ontdekte hij eene door de natuur gevormde trap, door nauwe muren ingesloten, en bij dat gezicht werd hij
+door den lust tot een ontdekkingstocht aangegrepen. Becky verklaarde zich bereid hem te vergezellen en zij maakten met den
+walm der kaars een teeken, dat hen den terugweg zou doen weervinden, en gingen op verkenning uit. Zij sloegen allerlei paden
+in, tot ver in de grot; zij maakten nog eens een merkteeken en gingen steeds voort om nieuwe wonderen te zoeken, die zij aan
+de bovenwereld zouden vertellen. Op eens ontdekten zij een ruim hol, van welks zoldering een massa glinsterend druipsteen
+afhing, in lengte en vorm aan een menschenbeen gelijk. Vol bewondering en verbazing wandelden zij daarin rond en verlieten
+het hol weder door een der vele gangen, die er op uitliepen. Hun weg bracht hen bij een tooverachtig schoone springbron, welker
+bodem met schitterende gekristallisseerde waterdroppen als ingelegd was. De bron stond midden in een grot, met muren door
+allervreemdsoortigste pilaren gestut, gevormd door de verbinding van groote <span class="corr" title="Bron: salactieten">stalactieten</span> en stalagmieten, die wederom aan het eeuwenlang neerdruppelen van water hun ontstaan te danken hadden. Onder dit dak hadden
+zich dikke zwermen vledermuizen bij duizendtallen opeengehoopt. Door het licht verschrikt, kwamen deze dieren bij honderden
+naar beneden en fladderden met een akelig geschreeuw woedend om de kaarsen been. Tom kende hun aard en het gevaar, <a id="d0e4254"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4254">237</a>]</span>dat van dien kant dreigde. Hij greep Becky bij de hand en duwde haar in een der vele gangen&#8212;en voorwaar niet te vroeg, want
+een vledermuis sloeg, juist toen zij den grot verlieten, met hare vleugels Becky&#8217;s licht uit. De booze dieren vervolgden de
+kinderen nog een tijdlang, doch de vluchtelingen liepen telkens een nauwen gang in en ontkwamen eindelijk aan deze gevaarlijke
+beesten.
+
+</p>
+<p>Kort daarna ontdekte Tom een onderaardsch meer, welks eindelooze lengte zich in de duisternis verloor. Ofschoon hij groote
+geneigdheid had om de oevers van dat meer te gaan verkennen, kwam hij tot het besluit, dat het beter zou zijn een oogenblik
+te gaan zitten, on uit te rusten. En nu eerst wekte de doodelijke stilte van het oord verlammend op hun jeugdig gemoed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, ik verbeeld mij, dat wij sedert uren niets van de anderen gehoord hebben.&#8221;&#8217;
+
+</p>
+<p>&#8220;Becky, ik geloof dat wij veel dieper zijn dan zij, maar ik weet niet in welke richting, in het noorden, zuiden of oosten.
+Ik geloof niet, dat het mogelijk is hen hier te hooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Becky begon bang te worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou wel eens willen weten, hoe lang wij al hier zijn.&#8212;Zou het niet beter wezen terug te keeren?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat geloof ik ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kunt gij den weg terugvinden? Ik zie niets dan kronkelpaden en slingerwegen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou het wel kunnen, maar ik ben bang voor de vleermuizen. Indien zij ook mijn kaars uitdeden, zouden wij er ellendig aan
+toe zijn. We moeten het met een anderen weg beproeven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, ik hoop maar dat wij niet zullen verdwalen. Dat zou zoo vreeselijk wezen!&#8221;
+<a id="d0e4274"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4274">238</a>]</span></p>
+<p>En het meisje begon te beven bij de gedachte aan die ontzettende mogelijkheid.
+
+</p>
+<p>Zij liepen een gang in en gingen zwijgend een geruimen tijd voort, naar elke nieuwe opening kijkende, om te zien of zij ook
+iets ontdekten dat hun bekend voorkwam, doch &#8217;t was alles even vreemd. Telkens als Tom de plaats opnam, bespiedde Becky angstig
+zijn gelaat en telkens antwoordde hij vroolijk:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, wees zonder zorg; dit is het pad niet, maar wij zullen het rechte zeker vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Bij elke mislukte poging echter verloor de knaap iets van zijn moed en nu op goed geluk, in allerlei richtingen, verschillende
+gangen in te slaan, in het wanhopend vertrouwen, dat hij den doorgang dien zij noodig hadden, wel vinden zou. Voortdurend
+riep hij:
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Zal wel gaan.&#8221; Doch er lag hem zulk een looden wicht op het hart, dat de woorden hun klank verloren en luidden alsof hij
+geroepen had: &#8220;Alles is verloren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Becky klampte zich angstig aan hem vast en deed haar best om niet te schreien, maar de tranen sprongen haar ondanks haar zelve
+uit de oogen.&#8212;Eindelijk riep zij uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Tom, ik geef niets om de vleermuizen! Laat ons liever langs den ouden weg teruggaan. &#8217;t Is alsof wij hoe langer hoe verder
+van het rechte pad afdwalen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom hield stil.
+
+</p>
+<p>&#8220;Luister!&#8221; zeide hij.
+
+</p>
+<p>Niets dan diepe stilte,&#8212;eene stilte zoo groot, dat de kinderen hun adem konden hooren.
+
+</p>
+<p>Tom begon te roepen. De kreet weerkaatste door de holle gangen en stierf in de verte weg, in een geluid dat aan een spotlach
+deed denken.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, doe het niet meer, Tom! het is al te akelig!&#8221; zeide Becky.
+<a id="d0e4299"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4299">239</a>]</span></p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is akelig, maar &#8217;t is toch beter, Becky. Misschien kunnen zij het hooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>De woorden &#8220;misschien kunnen&#8221; joegen Becky een rilling door de leden, nog kouder dan het spookachtig geluid had gedaan, want
+zij waren de taal der wanhoop. De kinderen stonden stil en luisterden, alweder zonder gevolg. Opeens keerde Tom op zijne schreden
+terug en verhaastte zijn stappen. Een oogenblik later verried eene angstige onbeslistheid in zijne manieren aan Becky het
+vreeselijk feit: hij had het spoor van den terugweg verloren!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Tom, heb je geen teekens gemaakt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Becky, ik was zoo dwaas! Ik dacht, dat wij niet langs dezen kant zouden behoeven terug te gaan. Ik kan den weg niet meer
+vinden. &#8217;t Is alles even verward!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom! Tom! wij zijn verloren. Wij zullen het daglicht nooit meer zien. O, waarom hebben wij de anderen verlaten?&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij zonk op den grond neder en barstte in zulk een waanzinnig gekrijt uit, dat Tom bang werd dat zij zoude sterven of het
+verstand verliezen. Hij ging naast haar zitten en sloeg zijne armen om haar heen: zij verborg haar gezichtje tegen zijn borst,
+hield hem stijf vast en stortte hare angsten en haar tot niets leidend berouw tot hem uit;&#8212;en de verwijderde echo&#8217;s verkeerden
+dat alles in een hoonend gelach. Tom smeekte haar moed te houden, maar zij antwoordde dat dit haar onmogelijk was.
+
+</p>
+<p>Toen begon hij er zich een verwijt van te maken, dat hij haar in dezen ellendigen toestand gebracht had. Dit had eene goede
+uitwerking; want zoodra hij zich zelven beschuldigde, beloofde zij, dat zij haar best zou doen om zich goed te houden en dat
+zij zou opstaan en hem volgen, <a id="d0e4314"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4314">240</a>]</span>werwaarts hij haar wilde heenleiden, als hij haar beloofde niet meer zoo te praten; beiden hadden zij immers, zoo zeide zij,
+schuld.
+
+</p>
+<p>Zoo gingen zij dan weer verder,&#8212;zonder doel, enkel op goed geluk af. Het beste ook wat zij doen konden, was te loopen, steeds
+te loopen. De hoop scheen voor een oogenblik te herleven, niet omdat er eenig uitzicht op redding was, maar dewijl het in
+haar natuur ligt steeds te herleven, zoolang zij door de jaren en de ervaring van teleurstellingen, haar veerkracht nog niet
+verloren heeft.
+
+</p>
+<p>Een poos daarna nam Tom Becky&#8217;s kaars en blies die uit. Dat was een veelbeteekenende spaarzaamheid. Ook zonder dat het gezegd
+werd, begreep Becky wat dit beduidde en de hoop ontzonk haar weder. Zij wist, dat Tom nog eene geheele kaars en drie of vier
+eindjes in den zak had en toch zuinig moest zijn.
+
+</p>
+<p>Allengs begon het vermoeiend zwerven hun invloed op hen uit te oefenen. De kinderen trachtten te doen alsof zij &#8217;t niet merkten,
+want de gedachte alleen aan zitten, terwijl elke minuut kostbaar was, was vreeselijk. Zich bewegen, hoe dan ook en waarheen
+dan ook, was vorderen en kon met een gewenschten uitslag worden bekroond. Stilzitten daarentegen, was den dood inroepen en
+zijn komst verhaasten.
+
+</p>
+<p>Eindelijk weigerden Becky&#8217;s zwakke leden haar verder te dragen. Zij legde zich op den grond neder, en Tom zette zich naast
+haar. Zij spraken van huis, van hunne ouders, van hun heerlijk bed en voor alle dingen van het verrukkelijke licht; Becky
+schreide en Tom verzon van alles on haar op te beuren! Maar alle troostwoorden waren afgesleten en klonken als bijtende spot.
+Uitgeput van vermoeidheid viel Becky ten laatste in slaap. Tom <a id="d0e4324"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4324">241</a>]</span>was er blijde om en bleef op haar bedroevend gelaat turen. Hij zag het, onder den invloed van vriendelijke droomen, weer glad
+en effen worden en bemerkte, dat een glimlach op hare lippen neerdaalde en zich er bleef vestigen. Die kalmte bracht zijn
+eigen gemoed ook eenigszins tot rust en zijne gedachten dwaalden terug naar vroegere tijden en nevelachtige herinneringen.
+Te midden zijner overpeinzingen ontwaakte Becky met een vroolijk lachje,&#8212;doch het stierf op hare lippen weg en werd gevolgd
+door een diepen zucht.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, hoe kon ik slapen? Ik wou dat ik maar nooit, nooit meer was wakker geworden! Neen, neen, Tom, zie mij niet zoo angstig
+aan! Ik zal het nooit meer zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben zoo blijde dat gij geslapen hebt, Becky. Gij zult nu minder moede zijn en wij zullen den weg vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij kunnen het probeeren, Tom, maar ik heb zulk een mooi land in mijn droom gezien&#8212;en daarheen zullen wij gaan, denk ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien nog wel niet. Houd je goed, Becky, en laat ons voortgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij stonden op en dwaalden hand in hand, hopeloos voort. Zij trachtten den tijd te begrooten, dien zij in de grot hadden doorgebracht,
+maar dien bij benadering berekenen konden zij niet. Het scheen hun dagen en weken te zijn, ofschoon dat onmogelijk was, want
+hunne kaarsen waren nog niet opgebrand.
+
+</p>
+<p>Een langen, zeer langen tijd daarna zeide Tom, dat zij zachtjes moesten loopen en luisteren of zij ook water hoorden druppelen,
+daar zij bij een bron moesten zijn. Deze vonden zij ook werkelijk en Tom stelde voor om weer wat te rusten. Beiden waren doodmoede
+en toch zeide Becky, dat zij nog wel een eind verder zou kunnen gaan; maar tot <a id="d0e4338"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4338">242</a>]</span>hare verbazing wilde Tom daar niet van hooren. Daarom gingen zij weder zitten, en Tom maakte zijne kaars met klei aan den
+muur vast. Ieder was in zijn eigen gedachten verdiept; een geruimen tijd werd er geen woord gesproken. Becky verbrak het stilzwijgen
+het eerst.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom,&#8221; zeide zij, &#8220;ik heb zoo&#8217;n honger.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom haalde iets uit den zak.
+
+</p>
+<p>&#8220;Herken je dit?&#8221; zeide hij.
+
+</p>
+<p>Becky trachtte te glimlachen en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is onze bruidskoek, Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ik wou dat hij tienmaal grooter was, want het is alles wat wij hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had hem voor de pic-nic medegenomen, on hem met u te deelen, Tom, zooals groote menschen doen;&#8212;maar ik vrees dat het onze....&#8221;
+Zij voltooide den volzin niet. Tom verdeelde den koek en Becky at met graagte, terwijl Tom zijne helft langzaam opmuisde.
+Er was overvloed van water om bij het eten te gebruiken. Eindelijk opperde Becky de vraag, of het niet beter zou zijn weder
+verder te gaan. Tom zweeg een oogenblik en zeide toen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Becky, kun je verdragen, dat ik je iets zeg?&#8221;
+
+</p>
+<p>Becky werd bleek, doch knikte toestemmend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu dan, Becky, wij moeten hier blijven, omdat hier water voorhanden is; want dit kleine stukje is ons laatste eindje kaars.&#8221;
+
+</p>
+<p>Becky barstte in tranen en weeklagen uit.
+
+</p>
+<p>Tom deed zijn best on haar te troosten, doch zonder baat. Eindelijk riep zij uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er, Becky?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou men ons missen en trachten op te sporen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, zeker.&#8221;
+<a id="d0e4372"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4372">243</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zou men nog bezig zijn met zoeken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof het bepaald en ik hoop het.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wanneer zou men ons het eerst gemist hebben?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen zij naar de boot terugkeerden, denk ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, het kon wel zijn, dat het toen donker was;&#8212;zouden zij dan wel opgemerkt hebben, dat wij er niet waren?
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het niet. Maar in elk geval moet je moeder je gemist hebben, zoodra zij te huis waren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een uitdrukking van schrik op Becky&#8217;s gelaat bracht Tom tot bezinning en hij zag, dat hij een misslag had begaan. Tom en Becky
+zouden dien avond niet naar huis gegaan zijn. De kinderen spraken niet meer en bleven zitten peinzen. Een nieuwe uitbarsting
+van droefheid van Becky deed Tom zien, dat ook zij dacht aan &#8217;t geen er in zijne ziel omging,&#8212;namelijk, dat de Zondagochtend
+al voorbij kon zijn, eer mevrouw Thatcher tot de ontdekking kwam, dat Becky niet bij juffrouw Harper was. De kinderen hielden
+de oogen strak op het stukje kaars gevestigd en verbeidden met een kloppend hart, angstig het oogenblik, waarop het zou wegsmelten
+en uitgaan. Zij zagen het pitje eindelijk alleen staan; zij zagen de zwakke vlam rijzen en dalen, dalen en rijzen en het dunne
+rookkolommetje klimmen; zij zagen een laatste flikkering aan den top&#8212;en toen heerschte de vreeselijkste duisternis.
+
+</p>
+<p>Hoe lang het duurde, eer Becky tot het bewustzijn kwam dat zij in de armen van Tom lag te schreien, zou geen van beiden hebben
+kunnen zeggen. Zij wisten alleen maar, dat zij beiden, na een schijnbaar oneindig lang verloop van tijd, uit een soort van
+verdooving wakker werden, on hun ellendig bestaan voor te zetten. Tom dacht dat het Zondag, misschien ook Maandag was. Hij
+trachtte Becky aan het praten te krijgen, doch zij was sprakeloos van verdriet en <a id="d0e4389"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4389">244</a>]</span>wanhoop. Om haar te troosten zeide Tom, dat men hen stellig al lang gemist had en bepaald nog aan het zoeken was. Hij zou
+nog eens roepen, want wellicht waren er menschen in de nabijheid. En dat deed hij ook, maar de verwijderde echo&#8217;s herhaalden
+in de duisternis zijn geluid zoo akelig, dat hij geen moed had nogmaals zijne stem te verheffen.
+
+</p>
+<p>Weder gingen er uren voorbij en weder begon de honger de arme gevangenen te kwellen. Gelukkig had Tom nog een stukje koek
+bewaard, &#8217;t welke zij verdeelden en opaten. Maar &#8217;t was alsof dit armzalig mondjevol hen nog hongeriger maakte.
+
+</p>
+<p>Op eens riep Tom uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil! hoort gij niet wat?&#8221;
+
+</p>
+<p>Beiden hielden den adem in en luisterden.
+
+</p>
+<p>Daar klonk een geluid alsof er in de verte geroepen werd. Tom beantwoordde dat geroep oogenblikkelijk en ging, Becky bij de
+hand nemende, op den tast de gang door, in de richting van waar het geluid gehoord was. Een oogenblik hield hij stil om nogmaals
+te luisteren en weder klonk het geroep, ditmaal iets naderbij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij zijn het!&#8221; zeide Tom. &#8220;Zij komen! Ga maar mede; wij zijn nu op den rechten weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>De kinderen waren uitgelaten van vreugde. Toch liepen zij behoedzaam voort, want valputten waren geen ongewoon verschijnsel
+in de grot en daarvoor moest gewaakt worden. Zij hadden dan ook nog niet lang hun weg vervolgd of zij moesten stilhouden.
+Het gat waarvoor zij stonden kon drie, maar ook honderd voet diep zijn. Aan verder gaan was geen denken. Tom ging op zijn
+buik liggen en reikte naar beneden zoo ver hij kon, doch voelde geen bodem. Hier moesten zij dus blijven wachten, totdat er
+hulp komen zou. Weer luisterden zij scherp; het verwijderd geluid <a id="d0e4405"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4405">245</a>]</span>werd blijkbaar zwakker; nog een oogenblik en alles was weder doodstil.
+
+</p>
+<p>Welk eene bittere teleurstelling! Tom schreeuwde zich heesch, doch tevergeefs. Toch bleef hij Becky moed inspreken. Nogmaals
+ging er eene eeuwigheid van angstig wachten voorbij, zonder dat het geroep herhaald werd.
+
+</p>
+<p>De kinderen slopen naar de bron terug. Langzaam kropen de uren voort en zij vielen weer in slaap, on uitgehongerd en rampzalig
+te ontwaken. Naar Toms gissing moest het thans Dinsdag wezen. Daar viel hem iets in. In hun buurt waren eenige zijgangen.
+Zou het niet beter zijn deze te onderzoeken, dan werkeloos te blijven zitten wachten? Hij haalde een vliegertouw uit den zak,
+maakte dat aan een vooruitstekend rotsblok vast en ging verder, en Becky kwam achter hem aan, terwijl hij het touw loswond,
+naarmate zij voortslopen. Twintig stappen verder liep de gang op een viersprong uit. Tom legde zich op de knie&euml;n en kroop
+op handen en voeten voort, totdat hij een der hoeken om was. Hij deed eene poging om het nog een eind verder te brengen; en
+op datzelfde oogenblik kwam achter een rots, op geen twintig pas afstands, eene menschenhand te voorschijn, die eene kaars
+vasthield. Tom slaakte een kreet van vreugde en onmiddellijk daarop werd de hand gevolgd door het lichaam, waaraan zij toebehoorde&#8212;en
+dat was van Injun Joe! Verlamd van schrik bleef Tom als aan den grond vastgenageld staan. Een oogenblik later echter werd
+hij gerustgesteld, daar hij den Spanjaard zag wegloopen en uit het gezicht verdwijnen. Tom verbaasde zich, dat Injun Joe zijne
+stem niet had herkend en niet naar hem was toegekomen on hem te vermoorden, wegens zijn getuigen voor het Gerechtshof. Doch
+de echo&#8217;s, zoo dacht hij, hadden zeker zijne stem onkenbaar gemaakt. <a id="d0e4411"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4411">246</a>]</span>Toch trilde elke spier van zijn lichaam en hij nam zich voor om, als hij kracht genoeg had, naar de bron terug te keeren,
+daar te blijven, en zich door niets te laten verleiden nogmaals het gevaar te loopen van Injun Joe te ontmoeten. Zorgvuldig
+hield hij zijn wedervaren voor Becky verborgen en vertelde haar, dat hij op goed geluk af geschreeuwd had.
+
+</p>
+<p>Doch honger en ellende kregen ten laatste de overhand over angst en vrees. Nog eenige lange uren wachtens aan de bron en nog
+eenige uren slapens brachten eene verandering teweeg. De kinderen werden met een woedenden honger wakker. Tom verbeeldde zich
+dat het Woensdag of Donderdag, ja, misschien Vrijdag of Zaterdag was en dat men het zoeken had opgegeven. Hij voelde zich
+bereid Injun Joe en alle andere vreeselijkheden te trotseeren. Maar Becky was in een treurige onverschilligheid vervallen,
+waaruit Tom vruchteloos trachtte haar op te wekken. Zij zeide, dat zij wilde blijven waar zij nu was, on daar te sterven;&#8212;de
+dood zou zeker niet lang meer uitblijven. Tom mocht, als hij wilde, met het vliegertouw gaan zoeken, doch zij smeekte hem,
+nu en dan eens terug te komen, on haar een woord toe te spreken en zij liet hem beloven, dat wanneer de vreeselijke ure kwam,
+hij aan hare zijde zou staan en hare hand zou vasthouden, totdat alles voorbij was. Tom kuste haar, met een gevoel in zijne
+keel alsof deze werd toegeknepen, en vertelde haar, dat hij er zeker van was, &ograve;f de zoekenden &ograve;f een uitweg uit de grot te
+zullen vinden. Daarop nam hij het vliegertouw in de hand en sloop, flauw van den honger en beklemd door een vreeselijk voorgevoel
+van den naderenden dood, op handen en voeten door een der gangen voort.
+
+
+
+<a id="d0e4415"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4415">247</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e4416"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXXIII.</h2>
+<p>Het was Dinsdagmiddag, het werd Dinsdagavond en nog was het stadje St. Petersburg in rouw. Men had openbare bidstonden voor
+de verloren kinderen gehouden en ook in menige binnenkamer was een stil, hartelijk gebed voor hen opgegaan, doch er kwam nog
+geen goed nieuws uit de grot. De meerderheid der lieden, die zich in de spelonk hadden gewaagd, hadden het zoeken opgegeven
+en waren naar hun dagelijksch werk teruggekeerd, met de boodschap, dat de kinderen onmogelijk gevonden konden worden. Mevrouw
+Thatcher was zeer ziek en bij tijden ijlhoofdig. De menschen zeiden dat het hartverscheurend was haar om haar kind te hooren
+roepen, en te aanschouwen hoe zij somtijds het hoofd opbeurde en luisterde, om het terstond daarop moede en weeklagend in
+het kussen te leggen. Tante Polly was diep neerslachtig en hare grijze haren waren bijna wit geworden. En met weemoed in het
+hart legden de inwoners van St. Petersburg zich dien Dinsdagavond ter rust.
+
+</p>
+<p>Maar ziet, in het holst van den nacht deed zich op eens het luiden der torenklok hooren en in een oogenblik wemelden de straten
+van opgewonden, halfgekleede menschen, die jubelden: &#8220;Sta op! sta op! Zij zijn gevonden!&#8221; Er werd op horens geblazen en op
+bekkens geslagen en de bevolking stroomde in grooten getale naar de rivier, de kinderen te gemoet, die in een open rijtuig,
+door jubelende burgers voortgetrokken, naar huis gereden werden. Men verdrong zich om den wagen en voegde zich bij den uitgelaten
+troep, die <a id="d0e4423"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4423">248</a>]</span>onder een oorverdoovend hoezee-geroep, plechtstatig door de hoofdstraten huiswaarts stapte.
+
+</p>
+<p>Het stadje werd ge&iuml;llumineerd, niemand ging meer naar bed en &#8217;t was de heerlijkste nacht, dien St. Petersburg ooit had beleefd.
+Het eerste half uur trok een stoet in optocht het huis van den heer Thatcher voorbij, drukte de geredden aan het hart, kuste
+hen, schudden mevrouw Thatcher de hand, poogde haar toe te spreken en bevochtigde de straat met heete vreugdetranen. Tante
+Polly was buiten zichzelve van blijdschap en mevrouw Thatcher evenzeer. Het geluk der laatste echter kon eerst volmaakt wezen,
+zoodra de boodschapper, die de blijde tijding aan haar echtgenoot bracht, terug zou zijn.
+
+</p>
+<p>Tom lag op de sofa, met een gretig luisterend gehoor om zich heen, en vertelde zijn wonderbaar avontuur, zich nu en dan de
+vrijheid veroorlovende het verhaal door treffende toevoegsels op te sieren, en eindigde met eene beschrijving van den staat
+waarin hij Becky verliet, om nogmaals op verkenning uit te gaan. Hij verhaalde, hoe hij zich twee gangen, zoover als het vliegertouw
+reikte, gewaagd had; hoe hij een derden was ingegaan en hoe hij op het punt was terug te keeren, toen hij, heel in de verte
+eene opening ontdekt had, waaruit een blauw stipje schemerde, dat aan daglicht deed denken; hoe hij het vliegertouw had losgelaten
+en er op den tast heen was gekropen, zijn hoofd en zijne schouders door eene kleine opening gestoken had en de breede Mississipi
+had zien stroomen. En indien het nacht geweest was, zou hij dat stipje daglicht niet gezien hebben en die gang niet zijn ingegaan!
+Hij vertelde, hoe hij naar Becky was teruggeloopen en haar de blijde tijding had gebracht en zij hem gezegd had, haar niet
+met zulken onzin aan het hoofd te malen, daar zij doodmoede was en wist dat zij ging <a id="d0e4429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4429">249</a>]</span>sterven en dat ook maar liever deed. Daarna beschreef hij, hoe hij zich had ingespannen on haar te overtuigen, en hoe zij
+bijna van zichzelve was gevallen van blijdschap, toen zij naar de plaats gekropen waren, van waar het blauwe stipje daglicht
+zichtbaar was; hoe hij zich door de opening gewrongen had en haar er toen uit had geholpen; hoe zij daar gezeten hadden en
+geschreid hadden van blijdschap; hoe een paar mannen in een schuit waren voorbijgevaren, en hoe Tom hen had gewenkt en geroepen
+en hen met hun treurigen toestand had bekend gemaakt; hoe de mannen de vreeselijke geschiedenis eerst niet hadden geloofd,
+omdat, zeiden zij, de kinderen drie en een half uur van den ingang der grot verwijderd waren; hoe zij hen aan boord hadden
+genomen, naar huis hadden gevoerd, hun voedsel gegeven hadden, hen een paar uur hadden laten rusten en hen toen naar huis
+hadden gebracht.
+
+</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r het aanbreken van den dag werden de heer Thatcher en de enkele zoekers, die nog met hem in de grot waren, ontdekt, door
+het kluwen touw dat zij achter zich gespannen hadden, en werd hun het groote nieuws verteld.
+
+</p>
+<p>Tom en Becky ontwaarden spoedig, dat drie dagen en nachten, zonder eten, in een vochtige spelonk doorgebracht, hun niet in
+de koude kleeren gingen zitten. Zij moesten Woensdag en Donderdag te bed blijven en schenen toch hoe langer hoe vermoeider
+te worden. Tom mocht Donderdag een uurtje opzitten, ging Vrijdag weer eens uit en werd Zaterdag voor hersteld verklaard, doch
+Becky hield haar kamertje tot Zondag, en toen zag zij er uit alsof zij maanden ziek was geweest.
+
+</p>
+<p>Tom hoorde dat Huck ongesteld was en ging hem Vrijdag bezoeken, maar werd niet in de ziekenkamer toegelaten; zelfs Zaterdag
+en Zondag kreeg hij hem nog niet te zien. <a id="d0e4437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4437">250</a>]</span>Daarna evenwel mocht hij dagelijks bij hem komen, onder voorwaarde dat hij over het avontuur niet spreken zou en geen onderwerpen
+zou aanroeren, die den zieken knaap opgewonden konden maken. De weduwe Douglas bleef in de kamer, om te zien of haar gebod
+gehoorzaamd werd. Tehuis vernam Tom het gebeurde te Cardiff Hill en ook dat het lichaam van den in lompen gekleeden onbekende,
+in de rivier gevonden was bij de aanlegplaats der veerboot. Waarschijnlijk was hij verdronken, toen hij trachtte zich door
+de vlucht te redden.
+
+</p>
+<p>Op zekeren morgen, omstreeks veertien dagen na hunne redding uit de grot, ging Tom Huck zijn gewoon bezoek brengen. De kleine
+vagebond was thans genoegzaam hersteld om een opwekkend verhaal te mogen aanhooren, en Tom had hem iets te vertellen, dat,
+naar hij meende, zijne belangstelling gaande zou maken.
+
+</p>
+<p>Het huis van den heer Thatcher lag op zijn weg en de jongeheer Sawyer ging er, eer hij Huck bezocht, even aan om Becky te
+zien. De rechter en een paar zijner vrienden verzochten Tom, hun zijn wedervaren nog eens te verhalen, en een van hen vroeg
+hem spottend, of hij nog niet eens gaarne in de grot zou gaan, waarop Tom antwoordde, dat hij er niet tegen op zou zien.
+
+</p>
+<p>Toen zeide de rechter:
+
+</p>
+<p>&#8220;Er zijn er nog wel meer, die daarin behagen zouden scheppen. Maar wij hebben er voor gezorgd, dat dit niet meer kan gebeuren.
+Niemand zal er ooit meer in verdwalen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat ik, veertien dagen geleden, de groote deur van een ijzeren hek met een dubbelen grendel heb laten voorzien, waarvan
+ik den sleutel in mijn bezit heb.&#8221;
+<a id="d0e4451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4451">251</a>]</span></p>
+<p>Tom werd zoo wit als een laken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat scheelt er aan, jongen? Hier, loop, haal een glas water!&#8221;
+
+</p>
+<p>Het water kwam en Toms gezicht werd er mede besproeid.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, nu komt hij weer bij!&#8212;Wat scheelde er aan Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, mijnheer Thatcher, Injun Joe is in de grot!&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e4462"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXXIV.</h2>
+<p>Binnen een paar minuten was de tijding wijd en zijd verspreid en waren er al een dozijn bootslieden op weg naar de Douglasgrot,
+op de hielen gevolgd door het propvolle veerbootje. Tom Sawyer zat in een schuitje met den heer Thatcher. Toen de deur der
+grot geopend werd, vertoonde zich in de donkere plaats een droevig schouwspel. Injun Joe lag dood op den grond uitgestrekt,
+met zijn gezicht naar de deur, alsof zijne smeekende oogen tot het laatste toe, op het licht en de vroolijkheid der buitenwereld
+gericht waren geweest. Tom was zeer getroffen: immers hij wist bij ondervinding hoeveel deze ongelukkige moest geleden hebben.
+Doch hoeveel medelijden hij ook met hem mocht gevoelen, werd hem, bij het aanschouwen van Injuns lijk, een pak van het hart
+genomen, en nu eerst gevoelde hij, welk een loodzwaren last van ellende hij getorst had, sedert hij zijne stem tegen dien
+bloeddorstigen kleurling verheven had.
+
+</p>
+<p>Injun Joe&#8217;s zakmes lag met gebroken lemmer vlak bij zijn lijk. Van den zwaren balk, waarop de deur rustte, waren met eindelooze
+inspanning, stukken afgehakt en aan <a id="d0e4469"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4469">252</a>]</span>splinters gesneden;&#8212;vruchtelooze arbeid, want onder den balk lag een reusachtig rotsblok en tegen dien onbuigzamen hinderpaal
+vermocht het mes niets en brak het lemmer. En zelfs al had die steenen versperring er niet gelegen, zoo zou Injun Joe toch
+vergeefsch werk verricht hebben, want indien het hem al gelukt was, den balk geheel aan spaanders te snijden, zou hij zijn
+lichaam toch niet onder de deur hebben kunnen heen persen, en dat wist hij. Toch had hij zijn krachten op den balk beproefd,
+alleen maar om de vervelende uren door te komen en zijne gemartelde leden te kunnen gebruiken. Gewoonlijk waren er een half
+dozijn eindjes kaars in de spleten bij den ingang te vinden, door de bezichtigers der grot achtergelaten; maar thans was er
+geen enkel te zien. De gevangene had ze opgezocht en opgegeten! Hij was er ook in geslaagd een paar vleermuizen te vangen,
+die hij eveneens had verslonden en waarvan alleen de klauwen waren overgelaten. De ongelukkige was den hongerdood gestorven!
+
+</p>
+<p>Op eene plek in zijne nabijheid, had zich in den loop der jaren, door het droppelen van het water, een stalagmiet gevormd.
+Dezen had de gevangene vernield en op de plaats waar hij gestaan had, een steentje neergezet, waarin hij een gaatje had geboord,
+om er den kostbaren droppel in op te vangen, die iedere twintig minuten, met de vreeselijke regelmaat van het getik eener
+klok, naar beneden viel; in de vier en twintig uren niet meer dan een <span class="corr" title="Bron: dessertlepetje">dessertlepeltje</span> vol. Die droppel viel er reeds, toen de Pyramiden waren voltooid; toen Troje onderging; toen de fondamenten van Rome werden
+gelegd; toen Christus gekruisigd werd; toen de Veroveraar naar Brittanni&euml; zeilde.
+
+</p>
+<p>Injun Joe werd aan den ingang der grot begraven en uren in den omtrek stroomden de menschen, in booten en <a id="d0e4478"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4478">253</a>]</span>rijtuigen, uit steden, dorpen en gehuchten, naar de plaats toe. Zij brachten hunne kinderen met zich, alsook wagens met proviand&#8212;en
+gingen naar huis, met de bekentenis op de lippen, dat zij, bij de begrafenis van den moordenaar evenveel genot gesmaakt hadden,
+als wanneer zij hem hadden zien hangen.
+
+</p>
+<p>De ochtend na de begrafenis nam Tom Huck met zich naar eene eenzame plaats, om hem iets zeer gewichtigs mede te deelen. Huck
+had door den boschwachter en de weduwe Douglas alles van Toms avontuur vernomen; maar Tom beweerde, dat er iets was, dat zij
+hem niet verteld hadden, en over dat verzwegene wenschte hij hem nu te spreken. Hucks gelaat betrok en hij zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet, wat het is. Je bent op &#8216;nommer twee&#8217; geweest en hebt niets dan brandewijn gevonden. Niemand heeft mij verteld dat
+jij het waart, maar ik wist dat jij het moest geweest zijn, zoodra ik over die &#8216;brandewijn-zaak&#8217; hoorde spreken. En ik wist,
+dat jij het geld niet hadt, anders zou je het mij wel op de een of andere wijze hebben doen weten, al had je er met niemand
+anders over gesproken. Tom, ik heb altijd wel gedacht, dat wij dien buit nooit zouden machtig worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, Huck, ik heb nooit met iemand over dien kroeghouder gesproken. Je weet, dat het op den Zaterdag van de pic-nic in zijne
+herberg nog in orde was. Herinner je je niet, dat jij er dien nacht zoudt waken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, jawel! Het was dezelfde nacht, waarin ik Injun Joe naar de weduwe volgde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben je hem gevolgd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! maar je moet je mond houden. Ik weet zeker, dat er nog vrienden van Injun Joe hier in den omtrek zijn, en ik heb geen
+zin om door dezen zuur aangezien en gemeen <a id="d0e4492"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4492">254</a>]</span>behandeld te worden. Indien ik er niet geweest was, zou hij nu goed en wel in Texas zitten&#8221;.
+
+</p>
+<p>Toen vertelde Huck zijn geheele avontuur aan Tom, die alleen nog maar dat gedeelte gehoord had, waarin de boschwachter was
+betrokken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zeide Huck, op de hoofdzaak terugkomende, &#8220;hij die den brandewijn in &#8216;nommer twee&#8217; gekaapt heeft, die heeft ook het
+geld weggenomen; in allen gevalle is &#8217;t voor ons verkeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, dat geld is nog altijd op &#8216;nommer twee&#8217; gebleven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zeg je?&#8221; Huck zag zijn makker scherp aan. &#8220;Hebt je het spoor van den schat teruggevonden, Tom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, hij is in de grot.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hucks oogen schitterden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg het nog eens, Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het geld is in de grot!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom,&#8212;zeg, meen je &#8217;t, of meen je &#8217;t niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik meen het, Huck, en ik zeg het in allen ernst. Wil je er met mij heen gaan en mij helpen het er uit te halen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarachtig wil ik dat! Ik wil het, als wij er onzen weg kunnen vinden zonder gevaar van te verdwalen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal heel gemakkelijk gaan, Huck.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom denk je, dat het geld in....?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck wacht totdat wij er zijn. Als wij het er niet vinden krijg je mijn trom en alles wat ik in de wereld bezit. Waarachtig,
+dat krijg je.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Best;&#8212;dat blijft afgesproken. Wanneer zullen we gaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu dadelijk, als je &#8217;t goedvindt. Ben je sterk genoeg?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het diep in de grot? Ik ben pas een dag of drie, vier op de been en ik kan, geloof ik, niet veel verder dan een half uur
+loopen, Tom.&#8221;
+<a id="d0e4528"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4528">255</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Als wij den weg volgen, die iedereen gaat, is het omstreeks drie uren gaans, maar ik weet een veel korteren, dien niemand
+kent. Huck, ik zal je er been brengen in een bootje. Ik zal het bootje hierheen roeien en ik zal alleen weer teruggaan. Je
+hoeft er je hand niet om te verleggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat ons dan aanstonds maar vertrekken, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Best. Wij hebben wat brood en vleesch noodig, benevens onze pijpen en een paar zakjes en een stuk of drie vliegertouwen en
+eenige van die nieuwerwetsche dingen, die ze lucifers noemen. Ik zeg je, dat ik wat gegeven had, als ik die gehad had, toen
+ik laatst in de grot was.&#8221;
+
+</p>
+<p>Even na twaalven namen de knapen een klein bootje in beslag, van een schipper die van huis was, en begaven zich onmiddellijk
+op weg. Toen zij op eenigen afstand van de &#8220;Holle Grot&#8221; waren, zeide Tom:
+
+</p>
+<p>&#8220;Je ziet, dat die steile oeverkant langs de &#8216;Holle Grot&#8217; er overal gelijk uitziet; geen huizen, geen houtwerven, niets dan
+kreupelhout. Maar zie je die witte plek daarginds, waar een aardstorting is geweest? Nu dat is een van mijn teekenen. Daar
+zullen wij aan wal gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij gingen aan wal.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op deze plaats, Huck, zou je het hol, waar ik uitgekropen ben, met een hengelroede kunnen aanraken. Zie eens, of je het vinden
+kunt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck keek naar alle kanten en vond niets. Tom stapte met hooge borst naar een dicht boschje van sumakhout en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier is het, Huck; het is het aardigste holletje uit de gansche streek. Je moet het niet verklappen. Ik heb al lang zin gehad
+om roover te worden, maar ik wist, dat ik eerst zoo&#8217;n ding moest hebben als dit;&#8212;maar dat te <a id="d0e4547"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4547">256</a>]</span>vinden, daar zat het hem! Nu hebben wij het en wij zullen het alleen aan Joe Harper en Ben Rogers vertellen, want die zullen
+natuurlijk tot de bende behooren, anders zouden wij er niets aan hebben. De &#8216;Bende van Tom Sawyer,&#8217; klinkt prachtig; doet
+het niet, Huck?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, Tom, &#8217;t klinkt best. En wie zullen we bestelen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, iedereen. Verdwaalde lui;&#8212;dat is zoo de gewoonte.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ze doodmaken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, niet altijd. Ze in de grot opsluiten, totdat zij een losprijs betaald hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is een losprijs.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geld. Je laat ze alles wat zij van hun vrienden krijgen kunnen, bijeengaren, en als ze dat, nadat je ze een jaar gehouden
+hebt, niet kunnen geven, maak je ze dood. Dat is zoo de gewone manier. Alleen de vrouwen worden niet vermoord. Die sluit je
+op, maar je vermoordt ze niet. Zij zijn altijd mooi en rijk en vreeselijk bang. Je berooft ze van haar horloges en dingen,
+maar je neemt in haar bijzijn altijd je hoed van je hoofd en spreekt beleefd tegen haar. Er zijn geen beleefder lui dan roovers,
+dat staat in alle boeken. De vrouwen gaan van je houden, en als ze een dag of veertien in de grot geweest zijn, houden ze
+op met schreien en dan kun je ze niet meer kwijtraken. Als je ze wegjoegt, zouden zij dadelijk omkeeren en terugkeeren. Dat
+kun je in alle rooversgeschiedenissen lezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongens, dat is mij een leventje, Tom. Ik geloof, dat het prettiger is dan zeeroover te zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja; en &#8217;t is in sommige opzichten beter ook, omdat het dicht is bij huis, en bij de paardenspellen en alles.&#8221;
+
+</p>
+<p>Thans waren de jongens gereed en zij stapten, Tom in de voorhoede, de grot binnen. Zij kropen het gat door, <a id="d0e4567"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4567">257</a>]</span>maakten hunne aaneengebonden vliegertouwen aan een rotsblok vast en gingen verder. Weldra waren zij bij de bron, en het gezicht
+van die plaats joeg Tom eene rilling door de leden. Hij toonde Huck het overblijfsel van een kaarspit, op een stukje klei
+tegen den muur en beschreef hem, hoe hij en Becky de vlam hadden zien worstelen en sterven.
+
+</p>
+<p>De knapen begonnen nu te fluisteren, want de stilte en de duisternis der plaats maakten hen een weinig benauwd. Zij gingen
+voort en traden de gangen in die Tom aanwees, totdat zij den valput bereikten. Hunne waskaarsen brachten hen tot de ontdekking,
+dat het geen echte afgrond was, maar slechts eene steile helling van klei, omstreeks twintig of dertig voet naar omlaag.
+
+</p>
+<p>Tom fluisterde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu zal ik je wat laten kijken, Huck.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij hield zijne kaars omhoog en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk zoo ver om den hoek als je kunt. Zie je dat? Daar, op gindsche groote rots, die met kaarsvet is besmeerd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, het is een kruis!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waar is uw nommer twee?&#8212;Onder het kruis, h&eacute;? Vlak bij die rots zag ik Injun Joe zijne kaars snuiten, Huck.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck keek een oogenblik naar het geheimzinnige teeken en zeide met eene bevende stem:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, laat ons van hier weggaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat! En den schat laten staan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja. De geest van Injun Joe dwaalt hier bepaald rond.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat doet hij niet, Huck; dat doet hij niet. Dat doet hij alleen op de plaats, waar hij stierf,&#8212;bij den ingang der grot,
+drie uren van hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, Tom, dat is zoo niet. De geesten dwalen, waar hun geld is. Ik ken hun gewoonte en jij weet het ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom begon bang te worden dat Huck gelijk had, en er <a id="d0e4597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4597">258</a>]</span>rees twijfel op in zijn hart. Doch plotseling schoot hem iets te binnen. &#8220;Zie eens, Huck, hoe dwaas wij ons aanstellen! De
+geest van Injun Joe kan niet komen waar een kruis staat!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was een afdoende bewering, vond Huck. &#8220;Daar dacht ik niet aan; Tom. Maar, &#8217;t is waar. Dat kruis is een geluk voor ons<span class="corr" title="Bron: ">.</span> Ik<span class="corr" title="Bron: ."></span> geloof, dat wij nu wel kunnen afdalen, om naar de kist te zoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom ging eerst en maakte, al dalende, groote indruksels van voetstappen in de klei. Huck volgde. Vier gangen leidden uit de
+kleine spelonk naar de plaats, waar de groote rots stond. De knapen namen drie dezer gangen op, doch zonder gevolg. In den
+vierden, die het dichtst bij den voet der rots was, vonden zij een kleinen inham, waarin een stroobed lag en een paar dekens,
+verder een paar oude bretels, een weinig spekvet en een paar rondom afgeknabbelde vogelpooten. De knapen zochten en doorzochten
+de plaats aan alle kanten, doch tevergeefs. Eindelijk zeide Tom:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zeide <i>onder</i> het kruis. En dit is er bijna onder. Het kan niet onder de rots zelve zijn, want daar is de grond te hard.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij onderzochten alles nog eens en zetten zich toen ontmoedigd neder. Huck had niets te vertellen. Eindelijk zeide Tom:
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk eens, Huck, aan deze zijde der rots zijn voetstappen en kaarsvet op de klei, doch niet aan den anderen kant. Ik weet,
+dat het geld toch onder de rots is. Ik ga de klei eens opgraven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is zoo gek nog niet bedacht, Tom!&#8221; zeide Huck blijmoedig.
+
+</p>
+<p>Toms mes van &#8220;echt&#8221; staal werd voor den dag gehaald, en hij had geen vier duim gegraven of hij krabbelde op hout.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hei, Huck! hoor je dat?&#8221;
+<a id="d0e4623"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4623">259</a>]</span></p>
+<p>Huck begon ook te graven en te krabbelen. Eenige planken werden spoedig gevonden en verwijderd. Zij dienden om een door de
+natuur gevormden kelder te verbergen, die zich onder de rots bevond. Tom kroop in dien kelder en hield zijne kaars zoo ver
+vooruit, als hem mogelijk was, doch kon&#8212;zoo zeide hij&#8212;niet tot aan het einde der kloof zien. Daarom stelde hij voor, haar
+geheel te doorzoeken. Hij bukte zich en stapte onder de rots door in den kelder. Een enge weg leide langzaam naar beneden.
+Hij volgde het kronkelend pad, eerst ter rechter- en toen ter linkerzijde, en Huck vlak achter hem. Op eens stond Tom voor
+eene kleine, halfronde, open plek en riep hij uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hemeltje, Huck, zie eens hier!&#8221;
+
+</p>
+<p>Het was de kist, veilig en wel, in een klein, aardig holletje, bij een leege kruitdoos, een paar geweren in lederen overtrekken,
+twee of drie paar oude schoenen, een lederen gordel en eenig ander jachtgereedschap, doorweekt van het druppelend water.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eindelijk gevonden!&#8221; zeide Huck, terwijl hij met zijne handen in de vuile muntstukken grabbelde. &#8220;Ja, wij zijn rijk, Tom!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, ik heb altijd gedacht, dat wij het geld krijgen zouden. Het is haast al te heerlijk om het te kunnen gelooven, maar
+wij hebben het, dat is zeker. Doch wij zullen hier niet blijven talmen, maar het er uitdragen. Laat mij eens zien, of ik die
+kist kan optillen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij woog omstreeks vijftig pond. Tom kon haar optillen, wanneer hij haar schuin hield, maar haar niet dragen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat dacht ik wel,&#8221; zeide hij. &#8220;In het spookhuis zag ik aan hun manier van dragen, dat zij zwaar was. Ik geloof dat het maar
+goed is, dat ik er aan gedacht heb de zakken mede te nemen.&#8221;
+<a id="d0e4638"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4638">260</a>]</span></p>
+<p>Het geld was spoedig in de zakken, en de jongens namen ze op en droegen ze naar de rots met het kruis.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat ons nu de geweren en de andere dingen halen,&#8221; zeide Huck.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, Huck, die zullen wij hier laten. Dat zijn juist de zaken die wij noodig hebben, als wij op rooftochten uitgaan. Wij
+zullen ze hier laten en onze slemppartijen hier ook houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zijn slemppartijen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet, maar roovers houden altijd slemppartijen en wij moeten zulks natuurlijk ook doen.&#8212;Kom mee, Huck, wij zijn
+hier lang genoeg geweest. Ik heb honger ook. Wij zullen eten en rooken, als wij in de boot zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Kort daarop kwamen zij uit het sumakboschje te voorschijn, keken voorzichtig rond, vonden de kust veilig en zaten spoedig
+in het bootje te eten en te rooken. Toen de zon ter kimme daalde, stootten zij van wal en begaven zich op weg. Tom gleed in
+het schemerdonker, vroolijk met Huck keuvelende, langs den oever voort en zette voet aan wal, toen het geheel duister geworden
+was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, Huck,&#8221; zeide Tom, &#8220;wij zullen het geld op de vliering der houtloods van de weduwe brengen en morgen terugkomen om den
+boel te tellen en te verdeelen, en dan zullen wij een plaatsje in het bosch opzoeken, waar wij het geld veilig kunnen bewaren.
+Ga jij hier stil liggen en blijf op de kist passen, dan zal ik het kruiwagentje van Benny Taylor zien op te schommelen. Ik
+ben binnen een minuut weer bij je.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij verdween en kwam spoedig terug met het wagentje, waarin hij de beide zakken neerlegde, en nadat hij ze met eenige oude
+prullen bedekt had, gingen de knapen met hunne lading op weg.
+<a id="d0e4655"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4655">261</a>]</span></p>
+<p>Toen zij bij het huis van den boschwachter kwamen, hielden zij stil om te rusten. Juist toen zij weder verder wilden gaan,
+stapte de boschwachter uit de deur en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Heila! wie is dat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck Finn en Tom Sawyer!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat treft bijzonder. Gaat gauw met me mee, jongens; iedereen zit op jelui te wachten! Hier, spoedig maar, naar boven. Ik
+zal het wagentje wel dragen. &#8217;t Is waarachtig een vracht! Wat zit er in, steenen of oud ijzer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Oud ijzer,&#8221; zeide Tom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat dacht ik al; de jongens hier in de stad geven zich meer moeite om een paar brokken oud ijzer op te snorren, om die aan
+den smid voor den smeltoven te verkoopen, dan zij zouden overhebben voor geregeld werk, dat hun tweemaal zooveel opbracht.
+Maar dat is nu eenmaal de menschelijke natuur. Gauw maar, gauw maar!&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens vroegen, waar die spoed voor diende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doet er niet toe; je zult het zien, als wij bij de weduwe Douglas zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huck zeide, want hij was bevreesd valsch beschuldigd te worden, met zekeren angst:
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer Jones, wij hebben niets gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>De boschwachter lachte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik kan niets zeggen, mijn jongen. Ik weet nergens van. Ge zijt immers goede vrienden met de weduwe?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja. Zij is zoo goed voor mij geweest&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dan is het in orde. Waarom zou je dan bang zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze vraag was in Hucks tragen geest nog niet beantwoord, toen hij zich met Tom in het salon van mevrouw Douglas geduwd zag.
+De boschwachter liet het wagentje bij de deur staan en volgde. Het geheele huis was prachtig verlicht en alle personen van
+gewicht waren daar bijeen. De Thatchers <a id="d0e4686"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4686">262</a>]</span>waren tegenwoordig, de Harpers, de Rogers&#8217;, tante Polly, Sid, Marie, de predikant, de dokter en een menigte anderen, allen
+in hunne beste kleederen.
+
+</p>
+<p>De weduwe ontving de knapen zoo hartelijk, als men twee jongens, die er uitzagen als zij, ontvangen kan. Zij waren van het
+hoofd tot de voeten met modder en kaarsvet besmeerd. Tante Polly werd vuurrood van schaamte, fronste hare wenkbrauwen en schudde
+haar hoofd tegen Tom. Doch niemand leed half zooveel al de knapen zelven. De boschwachter zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom was niet tehuis en ik had het juist opgegeven, toen ik hem en Huck vlak bij mijne deur tegen &#8217;t lijf liep, en ik bracht
+hen in aller ijl hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En daar deedt ge goed aan,&#8221; zeide de weduwe. &#8220;Komt met mij mede, jongens.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij nam hen met zich naar eene slaapkamer en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Gaat u nu wasschen en kleeden. Hier zijn twee pakken nieuwe kleederen, hemden, sokken, alles bijeen. Zij zijn voor Huck.&#8212;Neen,
+geen dank, Huck! De boschwachter heeft er een voor u gekocht, en ik het andere. Maar zij zullen beide zeker passen. Stap er
+maar in. Wij zullen wachten. Komt beneden, als gij u gepoetst hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen verliet zij hen.
+
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e4700"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXXV.</h2>
+<p>Zoodra de weduwe weg was, zeide Huck: &#8220;Tom, wij kunnen, als wij een touw hebben, ons naar beneden laten zakken. Het raam is
+niet hoog boven den grond.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom zouden wij dat doen?&#8221;
+<a id="d0e4707"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4707">263</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Och, ik ben aan zoo&#8217;n troep menschen niet gewoon. Ik kan het niet uitstaan. Ik ga niet naar binnen, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, onzin! &#8217;t Is niets. Ik geef er niet om en ik zal wel voor je praten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar kwam Sid binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom,&#8221; zeide hij, &#8220;tante heeft den geheelen middag op je zitten wachten. Marie had je zondagsche kleeren klaargelegd en iedereen
+heeft zich boos over je gemaakt. Zeg, is dat geen vet en klei dat er op je broek zit?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, mijnheer Sidje, bemoei je met je eigen zaken. Waarvoor dient al dat lawaai daar binnen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is een van de partijen, die de weduwe zoo dikwijls geeft. Dezen keer is het voor den boschwachter en zijn zoons, omdat
+zij haar verleden week uit den nood gered hebben. En zeg,&#8212;ik zal je iets zeggen, als je het weten wilt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, de oude Jones zal van avond hier aan de menschen een geheim vertellen; maar ik heb alles afgeluisterd, toen hij het
+vandaag aan tante kwam zeggen, en ik geloof dat het nu geen geheim meer is. Iedereen weet het,&#8212;de weduwe ook, al doet ze net
+alsof zij het niet weet. Verbeeld je, Jones had beloofd dat Huck hier zou wezen; want hij kon het groote geheim niet aan den
+dag brengen zonder Huck, weet je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het geheim? Welk geheim, Sid?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, dat Huck de dieven bij de weduwe ontdekt heeft. Ik geloof dat Jones zich heel wat voorstelt van de verrassing, maar
+zij zal in &#8217;t water vallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Sid wreef zich tevreden in de handen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Sid, heb jij het verklapt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doet er niet toe. Iemand heeft het gedaan, dat is genoeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Sid, er is maar &eacute;&eacute;n persoon in de geheele stad, gemeen <a id="d0e4736"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4736">264</a>]</span>genoeg om dat te doen, en dat ben jij. Als je in Hucks plaats geweest waart, zou je als een slang den heuvel afgekropen zijn
+en nooit iets van de dieven verteld hebben. Jij kunt niet anders dan gemeene dingen doen en jij kunt niet aanzien, dat er
+een ander geprezen wordt, omdat hij goed heeft gedaan. Daar, je behoeft er niet voor te bedanken, zooals de weduwe zegt.&#8221;
+En Tom gaf Sid een klap om zijne ooren en schopte hem de deur uit, &#8220;Kom, ga het nu aan tantetje vertellen en morgen zul je
+er van lusten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Niet lang hierna zaten al de gasten der weduwe aan tafel en een dozijn kinderen werden, naar de gewoonte van dat land en dien
+tijd, aan kleine tafeltjes, in dezelfde kamer opeengehoopt. Op een gepast oogenblik hield de heer Jones een kleine toespraak,
+waarin hij de weduwe zijn dank betuigde voor de eer die zij hem en zijnen zonen bewees; maar er was, zeide hij een ander persoon
+wiens nederigheid, enz. enz. Hij bracht het geheim van Hucks aandeel aan het vraagstuk op de treffendste wijze en met de schoonste
+dramatische wendingen, die hij in zijne macht had, voor den dag; doch de verrassing, die deze ontdekking veroorzaakte, was
+eenigszins gehuicheld, en het gejuich was niet zoo groot als het onder gelukkiger omstandigheden geweest zou zijn. Toch deed
+de weduwe haar best om een verrast gezicht te zetten en hoopte zulk een tal van complimenten en zooveel dankbaarheid op Hucks
+hoofd, dat de knaap den bijna ondraaglijken last zijner nieuwe kleeren haast vergat, door het onuitstaanbaar lijden van als
+een mikpunt voor ieders blikken en ieders loftuigingen gebruikt te worden. De weduwe zeide, dat zij Huck een tehuis zou geven
+onder haar dak en voor zijne opvoeding zou zorgen; en dat, als zij geld te missen had, zij hem een eerlijk beroep zou doen
+leeren.
+<a id="d0e4740"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4740">265</a>]</span></p>
+<p>Nu kwam de gelegenheid voor Tom en hij zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck heeft het niet noodig. Huck is rijk!&#8221;
+
+</p>
+<p>Kieschheid alleen deed den lach terughouden, dien deze grappige uitval onwillekeurig uitlokte. Men zweeg en er ontstond eene
+onaangename stilte, die door Tom verbroken werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck heeft geld genoeg. Jelui moogt het gelooven of niet, maar hij heeft bergen geld! O, jelui behoeft niet te lachen; ik
+kan het jelui laten zien. Wacht maar een minuut.&#8221; Dit zeggende liep hij de deur uit.
+
+</p>
+<p>De gasten zagen elkander verbijsterd en nieuwsgierig aan en keken daarna naar Huck, die geen woord sprak.
+
+</p>
+<p>&#8220;Sid, wat scheelt Tom?&#8221; zeide tante Polly. &#8220;Hij.... Wel, er is met dien jongen niets aan te vangen. Ik heb nooit.... &#8221;
+
+</p>
+<p>Tom kwam binnen, gebogen onder den last zijner zakken, en tante Polly eindigde haar volzin niet. Tom wierp de massa gele geldstukken
+op tafel en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar&#8212;wat heb ik gezegd? Het geld is van ons beiden; Huck de helft en ik de helft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit tooneel deed iedereen den adem inhouden. Allen keken; niemand sprak. Toen volgde er een eenstemmig geroep om eene verklaring
+van het geval. Tom zeide, dat hij die geven kon,&#8212;en dat deed hij. Het verhaal was lang, maar hoogst belangrijk, en de vergaderde
+menigte was sprakeloos van verbazing. Toen de knaap aan het einde was gekomen, zeide de boschwachter:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht, dat ik voor deze gelegenheid den gasten eene kleine verrassing had bereid, maar zij is, hierbij vergeleken, niets
+waard. Deze doet de mijne, ik moet het eerlijk bekennen, geheel in het niet zinken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het geld werd geteld. De som bedroeg over de twaalfduizend <a id="d0e4763"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4763">266</a>]</span>dollars. Het was meer dan een der aanwezigen ooit bijeen had gezien, ofschoon verscheidenen der hier vergaderde personen meer
+waard waren dan geheel de gevonden schat.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e4765"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk XXXVI.</h2>
+<p>De lezer mag zich overtuigd houden, dat het buitenkansje van Tom en Huck eene groote opschudding in het eenvoudige, kleine
+stadje veroorzaakte. Zulk een groote som, in klinkende munt, was een bijna ongelooflijk bezit. Men sprak zoo veel over deze
+daad en verheerlijkte haar in zulk een mate, dat zij eindelijk het verstand van menigen ziekelijk opgewonden burger aan het
+wankelen bracht. Elk spookhuis te St. Petersburg en in de naburige dorpen werd onderzocht; de vloeren werden plank voor plank
+opgenomen en de fondamenten opgegraven en geplunderd, in de hoop van verborgen schatten op te leveren. En dat niet door kleine
+jongens, maar door volwassen menschen en ernstige, nuchtere lieden ook. Waar Tom en Huck ook verschenen, werden zij bewonderd
+en vol verbazing aangestaard. Alles wat zij deden, werd als iets heel bijzonders beschouwd. Zij hadden blijkbaar het vermogen
+verloren om gewone dingen te zeggen of te doen. Bovendien werd de geschiedenis van hun vroeger leven opgehaald en werden daarin
+bewijzen van een buitengewonen aanleg en een buitengewoon verstand ontdekt.
+
+</p>
+<p>De weduwe Douglas zette Hucks geld uit tegen zes percent, en de heer Thatcher deed, op verzoek van tante Polly, hetzelfde
+voor Tom. De knapen hadden nu elk een <a id="d0e4772"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4772">267</a>]</span>ontzaglijk inkomen: een dollar voor elken werkdag en een halve voor de Zondagen. Het was juist zooveel als de dominee ontving,&#8212;neen,
+het was zooveel als hem was toegezegd, want hij kon het gewoonlijk niet bijeenkrijgen. Een en een kwart dollar was in die
+dagen voldoende weekgeld voor eens jongens kost, inwoning, kleeding en bewassching.
+
+</p>
+<p>De heer Thatcher had een hoog denkbeeld van Tom Sawyer gekregen. Hij verklaarde, dat geen gewone jongen zijne dochter uit
+de grot zou gered hebben. Toen Becky haar vader in vertrouwen vertelde, hoe grootmoedig Tom hare zweepslagen op school op
+zich had genomen, was de rechter zichtbaar bewogen; en toen zij haar vader smeekte de vreeselijke leugen over het hoofd te
+zien, waaraan Tom zich had schuldig gemaakt, om de zweepslagen van hare schouders te nemen, zeide de rechter opgewonden, dat
+het een brave, een edele, een grootmoedige leugen was, een leugen die verdiende in Amerika&#8217;s geschiedrollen te worden te boek
+gesteld.
+
+</p>
+<p>Becky vond, dat haar vader er nooit zoo fier en mannelijk had uitgezien, als toen hij, onder het uiten dezer woorden, met
+van geestdrift schitterende oogen, de kamer doorliep. Geen wonder dat zij alles dadelijk aan Tom ging overbrieven!
+
+</p>
+<p>De heer Thatcher hield zich overtuigd, dat Tom eens een groot rechtsgeleerde of een beroemd militair zou worden. Hij zeide
+dat hij zijn best zou doen, dat de knaap naar de Militaire Academie werd gezonden en dan naar de beste hoogeschool in het
+land, opdat hij voor beide vakken klaar zou zijn.
+
+</p>
+<p>De schatten van Huck Finn en het feit dat hij onder de bescherming der weduwe Douglas kwam, brachten of liever trokken en
+sleurden hem in de maatschappij en zijn lijden was meer dan hij kon dragen. De dienstboden der weduwe <a id="d0e4782"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4782">268</a>]</span>hielden hem rein, zorgden dat hij er netjes uitzag, kamden en borstelden hem en legden hem &#8217;s nachts in ongemakkelijke bedden,
+waarop geen vlekje of spatje te ontdekken was. Hij moest met mes en vork eten, een servet gebruiken en een kopje en schoteltje;
+hij moest zijne lessen leeren, naar de kerk gaan en netjes spreken. Waarheen hij zich ook wendde, overal werd hij door de
+grendels en ketenen der beschaving ingesloten en aan handen en voeten gebonden.
+
+</p>
+<p>Hij droeg zijne ellende drie weken lang, geduldig en onderworpen, en toen werd hij op zekeren dag gemist. Gedurende acht en
+veertig uren liet de weduwe overal naar hem zoeken. Het publiek was er diep mede begaan; men zocht rechts en links en de rivier
+werd zelfs gebaggerd. Den derden morgen nadat hij gemist was, ging Tom verstandig onder een paar leege vaten achter het verlaten
+slachthuis snuffelen en vond den vluchteling in een van deze. Huck had daar geslapen, hij had juist zijn ontbijt genuttigd,
+bestaande uit een paar armzalige stukjes brood en vleesch, die hij hier en daar had weggekaapt, en hij zat nu dood op zijn
+gemak in een okshoofd zijn pijpje te rooken. Hij was ongekamd, ongewasschen en gekleed in dezelfde oude lompen, die hem in
+de dagen, waarin hij nog vrij en gelukkig was, zulk een eigenaardig voorkomen gaven. Tom las hem de les, zeide hem hoezeer
+hij allen verontrust had en verzocht hem naar huis te gaan. Hucks gelaat verloor de uitdrukking van kalme tevredenheid en
+betrok.
+
+</p>
+<p>Hij zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek er niet van, Tom. Ik heb mijn best gedaan, maar het gaat niet; neen, het gaat niet voor mij: ik ben er niet aan gewoon.
+De weduwe is goed en vriendelijk; maar ik kan het niet bij haar uithouden. Ik moet alle ochtenden op hetzelfde uur opstaan
+en mij het vel van het lijf laten <a id="d0e4790"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4790">269</a>]</span>wasschen en kammen; zij wil mij niet eens in de schuur laten slapen; ik moet kleeren dragen waaronder ik bezwijk; en zij zijn
+zoo akelig mooi, dat ik er niet mede kan zitten, liggen, noch op den grond rollen; ik mag nergens aankomen en moet naar de
+kerk gaan. Ik mag er geene vliegen vangen, niet pruimen, en moet den geheelen Zondag schoenen dragen. De weduwe eet, als de
+bel luidt; zij gaat naar bed, als de bel luidt; zij staat op, als de bel luidt; en alles gaat zoo drommels geregeld, dat een
+gewoon mensch er niet tegen bestand is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, Huck, zoo leeft iedereen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Kan me niet schelen, Tom; ik ben niet als iedereen en ik kan het niet uithouden. Het is vreeselijk om zoo aan banden gelegd
+te worden. En je komt er zoo gemakkelijk aan je eten, dat het mij niet smaakt. Als ik wil visschen, moet ik het vragen; als
+ik wil zwemmen, moet ik het vragen; en vroeger kon ik alles doen wat ik wou. Elken dag vlucht ik een uurtje naar den zolder
+om te rooken, omdat ik zoo&#8217;n flauwen smaak in mijn mond heb. Als ik dat niet deed zou ik sterven, Tom. De weduwe gunt me geen
+pijp; ik mag niet gapen, mij niet uitrekken en mij niet krabben, als er anderen bij zijn. Ik moet ook op mijne knie&euml;n liggen,
+ik moet naar school gaan&#8212;en dat wil ik niet, Tom. &#8217;t Is mij een kwelling om rijk te zijn en te zweeten, totdat je woudt dat
+je dood was. Neen, deze kleeren lijken mij, een vat lijkt me,&#8212;en ik denk niet weder te veranderen. Toch, ik zou nooit in al
+die ellende gekomen zijn, als het niet was door dat geld. Nu moet je mijn part maar bij dat van jou doen en mij nu en dan
+een cent of wat geven,&#8212;doch niet vaak, omdat ik geen penning geef om dingen, die ik kan koopen. En dan, och toe, maak jij
+het weer voor mij af met de weduwe!&#8221;
+<a id="d0e4796"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4796">270</a>]</span></p>
+<p>&#8220;O, Huck, je weet, dat ik dat niet doen kan! Dat is niet mooi; en buitendien, als je het nog een poos probeert, zul je eindigen
+met het prettig te vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Prettig vinden? Ja&#8212;net zoo zeker als ik het prettig zal vinden, om een uur op een brandende kachel te zitten. Neen, Tom,
+ik wil niet rijk zijn en in die vervloekte, mooie huizen wonen. Ik houd van de bosschen en van de rivier en van leege vaten&#8212;en
+daarbij denk ik te blijven. Juist toen we een grot gevonden hadden en geweren, en alles klaar was om roovers te worden, daar
+komt me die verdraaide weduwe en bederft alles!&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom zag een lichtstraal.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk eens hier, Huck. Rijk zijn verhindert een mensch niet om roover te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet? O, dat is gelukkig! Meen je dat, Tom? Meen je het wezenlijk?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, zoo waar als ik hier zit. Maar, Huck, je kunt niet meer met ons mee doen, als je geen fatsoenlijke jongen wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom niet, Tom? Ben ik dan ook niet zeeroover geweest?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel, maar dat is heel wat anders. Een struikroover is veel voornamer dan een zeeroover. In de meeste landen zijn de groote
+lui allemaal roovers.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tom, jij die altijd zoo goed jegens mij geweest bent, waarom sluit je me nu buiten? Neen, je meent het niet, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huck, ik wou dat ik het niet behoefde te doen en ik voor mij zou het je ook niet behoeven; maar wat zouden de menschen zeggen?
+De menschen zouden zeggen: &#8216;Nu! de bende van Tom Sawyer.... gemeene lui.&#8217; En daarmede zouden ze jou meenen, Huck. Dat zou
+je ook niet <a id="d0e4817"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4817">271</a>]</span>prettig vinden.&#8221; Huck zweeg eenige oogenblikken en had een bitteren strijd in zijn binnenste te voeren. Eindelijk sprak hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik zal voor een maand naar de weduwe teruggaan en het probeeren, en zien of ik het kan uithouden, als je me belooft
+dat ik bij de bende zal behooren, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Best, Huck, dat blijft afgesproken. Ga maar mee, oude jongen; ik zal aan de weduwe vragen, of ze je een beetje meer vrijheid
+wil geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zul je dat wezenlijk doen, Tom? Dat is goed. Als ze mij maar enkele dingen toelaat, die ik graag doe, zal ik wel vloeken
+en rooken, waar ze mij niet hoort of ziet, en mij er dan wel doorredden. Wanneer ga je de bende in orde maken, en wanneer
+worden we roovers?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, zoo dadelijk. Wij zullen de jongens bij elkaar zien te krijgen en van nacht het initiatief nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het initiatief? <span class="corr" title="Bron: Was">Wat</span> is dat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is, dat we zweren zullen, elkander bij te staan en nooit de geheimen der bende te verklappen, zelfs al werden we aan
+stukken gehakt, en het geheele huisgezin uit te moorden van hen, die de bende kwaad doet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is aardig,&#8212;dat is allemachtig aardig, Tom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, waarachtig is het dat. En wij moeten tegen middernacht zweren, op de akeligste, eenzaamste plaats, die we maar vinden
+kunnen. Een spookhuis is het beste; maar die zijn nu allemaal omvergehaald. En wij moeten zweren op een doodkist en den eed
+met bloed bezegelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dat lijkt mij! Wel, dat is duizendmaal prettiger dan zeeroover te zijn. Ik zal tot aan mijn dood bij de weduwe blijven;
+en als ik een geduchte roover zal zijn, van wien iedereen den mond vol heeft, zal ze nog blij toe wezen, dat ze me uit het
+slijk heeft gehaald.&#8221;
+<a id="d0e4840"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4840">272</a>]</span></p>
+<p>Dus eindigt dit verhaal. Daar het uitsluitend mijne bedoeling was, de geschiedenis van een jongen te vertellen, mag ik thans
+ophouden; anders zou het de levensbeschrijving van een man worden. Als men een roman schrijft over volwassenen, weet de schrijver
+precies hoe hij moet eindigen,&#8212;te weten, met een huwelijk. Doch wanneer hij iets uit de kinderwereld weergeeft, moet hij ophouden,
+waar het hem &#8217;t best toeschijnt.
+
+</p>
+<p>De meesten der personen die in dit boek voorkomen leven nog en zijn voorspoedig en gelukkig. Misschien zal het de moeite waard
+zijn te eeniger tijd de geschiedenis der kinderen nog eens op te nemen en te zien wat voor soort van mannen en vrouwen zij
+geworden zijn.<a id="d0e4845src" href="#d0e4845" class="noteref">1</a> Daarom zal het &#8217;t verstandigst wezen voor het oogenblik van dat tijdperk huns levens niet te spreken.
+
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">De Schrijver.</span>
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4845" href="#d0e4845src" class="noteref">1</a></span> Zulks is geschied in het latere werk van Mark Twain &#8220;De Lotgevallen van Huckleberry Finn&#8221;, waarvan eveneens eene goede ge&iuml;llustreerde
+uitgave in de Nederlandsche taal is verschenen.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="backmatter">
+<p class="div1"><a id="d0e4853"></a></p>
+<h2>Inhoudsopgave</h2>
+<ul>
+<li><a href="#d0e92">Hoofdstuk I.</a></li>
+<li><a href="#d0e336">Hoofdstuk II.</a></li>
+<li><a href="#d0e438">Hoofdstuk III.</a></li>
+<li><a href="#d0e526">Hoofdstuk IV.</a></li>
+<li><a href="#d0e712">Hoofdstuk V.</a></li>
+<li><a href="#d0e774">Hoofdstuk VI.</a></li>
+<li><a href="#d0e1142">Hoofdstuk VII.</a></li>
+<li><a href="#d0e1321">Hoofdstuk VIII.</a></li>
+<li><a href="#d0e1439">Hoofdstuk IX.</a></li>
+<li><a href="#d0e1593">Hoofdstuk X.</a></li>
+<li><a href="#d0e1789">Hoofdstuk XI.</a></li>
+<li><a href="#d0e1876">Hoofdstuk XII.</a></li>
+<li><a href="#d0e1967">Hoofdstuk XIII.</a></li>
+<li><a href="#d0e2128">Hoofdstuk XIV.</a></li>
+<li><a href="#d0e2209">Hoofdstuk XV.</a></li>
+<li><a href="#d0e2282">Hoofdstuk XVI.</a></li>
+<li><a href="#d0e2423">Hoofdstuk XVII.</a></li>
+<li><a href="#d0e2459">Hoofdstuk XVIII.</a></li>
+<li><a href="#d0e2517">Hoofdstuk XIX.</a></li>
+<li><a href="#d0e2737">Hoofdstuk XX.</a></li>
+<li><a href="#d0e2807">Hoofdstuk XXI.</a></li>
+<li><a href="#d0e2914">Hoofdstuk XXII.</a></li>
+<li><a href="#d0e3039">Hoofdstuk XXIII.</a></li>
+<li><a href="#d0e3078">Hoofdstuk XXIV.</a></li>
+<li><a href="#d0e3250">Hoofdstuk XXV.</a></li>
+<li><a href="#d0e3263">Hoofdstuk XXVI.</a></li>
+<li><a href="#d0e3503">Hoofdstuk XXVII.</a></li>
+<li><a href="#d0e3743">Hoofdstuk XXVIII.</a></li>
+<li><a href="#d0e3823">Hoofdstuk XXIX.</a></li>
+<li><a href="#d0e3902">Hoofdstuk XXX.</a></li>
+<li><a href="#d0e4035">Hoofdstuk XXXI.</a></li>
+<li><a href="#d0e4242">Hoofdstuk XXXII.</a></li>
+<li><a href="#d0e4416">Hoofdstuk XXXIII.</a></li>
+<li><a href="#d0e4462">Hoofdstuk XXXIV.</a></li>
+<li><a href="#d0e4700">Hoofdstuk XXXV.</a></li>
+<li><a href="#d0e4765">Hoofdstuk XXXVI.</a></li>
+</ul>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Lotgevallen van Tom Sawyer, by Mark Twain
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LOTGEVALLEN VAN TOM SAWYER ***
+
+***** This file should be named 18381-h.htm or 18381-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/3/8/18381/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/18381-h/images/frontcover.jpg b/18381-h/images/frontcover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e04f2f1
--- /dev/null
+++ b/18381-h/images/frontcover.jpg
Binary files differ
diff --git a/18381-h/images/p039.gif b/18381-h/images/p039.gif
new file mode 100644
index 0000000..6af9444
--- /dev/null
+++ b/18381-h/images/p039.gif
Binary files differ
diff --git a/18381-h/images/plate1.jpg b/18381-h/images/plate1.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8b4ec95
--- /dev/null
+++ b/18381-h/images/plate1.jpg
Binary files differ
diff --git a/18381-h/images/plate2.jpg b/18381-h/images/plate2.jpg
new file mode 100644
index 0000000..99edf44
--- /dev/null
+++ b/18381-h/images/plate2.jpg
Binary files differ
diff --git a/18381-h/images/plate3.jpg b/18381-h/images/plate3.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8b9ce23
--- /dev/null
+++ b/18381-h/images/plate3.jpg
Binary files differ
diff --git a/18381-h/images/plate4.jpg b/18381-h/images/plate4.jpg
new file mode 100644
index 0000000..631c904
--- /dev/null
+++ b/18381-h/images/plate4.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..5fbbb55
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #18381 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18381)