diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 18381-8.txt | 9766 | ||||
| -rw-r--r-- | 18381-8.zip | bin | 0 -> 175873 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18381-h.zip | bin | 0 -> 768475 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18381-h/18381-h.htm | 9414 | ||||
| -rw-r--r-- | 18381-h/images/frontcover.jpg | bin | 0 -> 123717 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18381-h/images/p039.gif | bin | 0 -> 4903 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18381-h/images/plate1.jpg | bin | 0 -> 123216 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18381-h/images/plate2.jpg | bin | 0 -> 118618 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18381-h/images/plate3.jpg | bin | 0 -> 108610 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18381-h/images/plate4.jpg | bin | 0 -> 102772 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
13 files changed, 19196 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/18381-8.txt b/18381-8.txt new file mode 100644 index 0000000..8aa0eb6 --- /dev/null +++ b/18381-8.txt @@ -0,0 +1,9766 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Lotgevallen van Tom Sawyer, by Mark Twain + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Lotgevallen van Tom Sawyer + +Author: Mark Twain + +Illustrator: Johan Braakensiek + +Release Date: May 12, 2006 [EBook #18381] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LOTGEVALLEN VAN TOM SAWYER *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + Mark Twain + + + De lotgevallen van Tom Sawyer + + + Met platen van + + Johan Braakensiek + + + + Zesde druk + + Amsterdam Van Holkema & Warendorf + + + + + + + Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen + + + + + + +HOOFDSTUK I. + + +"Tom!" + +Geen antwoord. + +"Tom!" + +Geen antwoord. + +"Waar zou die drommelsche jongen toch zitten? Hoor je me niet, Tom?" + +De oude dame, die deze woorden sprak, trok haar bril naar beneden +om er overheen te kijken. Daarna duwde zij hem naar boven om er +onderdoor te kijken. Zelden of nooit gebruikte zij hem om er _door_ +te kijken, althans niet naar een zoo onbeduidend voorwerp als een +kleine jongen. Immers haar bril was haar roem, de trots van haar hart, +en zij had hem gekocht om ontzag in te boezemen,--niet om dienst te +doen. Voor hare oogen toch kon zij evengoed een deksel van een sauspan +genomen hebben. Een oogenblik zag zij onthutst in het rond en zeide, +niet bepaald barsch, maar luid genoeg om door al de meubelen in de +kamer gehoord te worden: + +"Als ik je krijg, dan zal...." + +Meer kon zij niet uitbrengen, want al pratende had zij zich +voorovergebukt om met een bezem onder het bed te voelen of zich daar +ook iemand verscholen had; en zij hijgde naar adem, toen zij na lang +duwen en stompen niets dan de kat te voorschijn haalde. + +"Ik heb nooit van mijn leven zoo'n jongen gezien! Nu zullen wij eens +buiten kijken." + +Zij ging voor de open deur staan en keek den tuin rond, tusschen de +tomato-boompjes en het doorn-appelkruid. Geen Tom. Daarna gebruikte +zij hare handen als spreektrompet en schreeuwde: "Ben je daar, Tom!" + +Wacht! daar hoort ze plotseling een licht gedruisch achter zich en +zij keert zich om juist bijtijds om een jongen bij de panden van +zijn buisje te vatten en hem het ontkomen te beletten. "Wel, ik had +er aan moeten denken dat je in de provisiekast zoudt zitten," zeide +zij. "Wat heb je daar gedaan?" + +"Niets, tante." + +"Niets? Kijk eens naar je handen en je mond! Waarom kleven die zoo?" + +"Dat weet ik niet, tante." + +"Nu, ik wel. Er zit gelei aan. Heb ik je niet honderdmaal gezegd, +dat je voor de broek zoudt hebben, als je gelei snoepte. Geef mij +die roede eens aan." + +De roede werd in de lucht gezwaaid en was op het punt on op den jongen +neer te komen, toen hij uitriep: + +"Tante, kijk eens achter u!" + +De oude dame draaide zich om en legde de roede neer om een partij +hemden te redden, die zij op de haag te drogen had gehangen en die, +door haar ijver om parate executie te houden, op den grond waren +gevallen. + +De jongen maakte van de gelegenheid gebruik om over de schutting te +klauteren en was in een ommezien verdwenen. + +Tante stond hem een oogenblik beteuterd na te kijken en barstte toen +in lachen uit. + +"Die duivelsche jongen! Zal ik dan nooit wijzer worden Het spreekwoord +heeft gelijk: 'Hoe ouder, hoe gekker.' Een ouden hond kan men geen +nieuwe kunsten leeren. Elken dag verzint de jongen iets anders; maar +wie kan dat allemaal vooruit weten? 't Is alsof hij voelt hoe lang hij +mij plagen kan vóórdat ik kwaad word. En als ik dan eindelijk boos ben, +brengt hij mij een oogenblik van het onderwerp af of laat mij lachen, +en voorbij is het; hij glijdt mij onder de vingers weg, voordat ik +hem kan straffen. Ik doe mijn plicht niet aan dien jongen, zoo waar +als ik leef. Staat er niet geschreven: 'Die de roede spaart, bederft +het kind.' Ik vergroot ons beider zonde en lijden. Hij is gansch en +al bedorven. Maar, helaas het arme schaap is het eigen kind van mijne +zuster zaliger ik kan het niet over mij verkrijgen hem te slaan. Ieder +keer, dat ik hem niet straf, klaagt mijn geweten mij aan en ieder +keer dat ik hem slaag geef, breekt mij het hart. Wat zal er van hem +worden? Zoo zal hij voor galg en rad opgroeien? Hij zal van middag +zeker weer gaan strijken en dan zal ik, om te straffen, hem morgen +moeten laten werken. 't Is vreeselijk hard om hem op Zaterdag aan +den arbeid te zetten, als andere jongens vacantie hebben maar ik moet +ten minste mijn plicht doen, of ik zal het kind nog tot bederf worden." + +Tom bleef uit school en had een prettigen middag. Hij kwam juist tijdig +genoeg tehuis, om Jim, den zwarten loopjongen, te helpen houtzagen en +de blokjes voor het avondeten te hakken. Of liever hij kwam bijtijds, +om Jim zijne avonturen te vertellen, terwijl deze drie vierden van +het werk deed. Toms jongere broeder (of eigenlijk stiefbroeder) Sid, +was al lang klaar met zijn werk van spaanders op te rapen; immers +hij was een bedaarde jongen, die volstrekt niet van avonturen en +waaghalzerijen hield. + +Onder het eten deed tante haar neef, die af en toe stilletjes uit +den suikerpot nam, allerlei listige, diepzinnige vragen, om hem er in +te laten loopen. Gelijk vele andere eenvoudige lieden, beroemde zij +er zich op, dat zij een aangeboren talent bezat voor geheimzinnige +diplomatie en beschouwde zij de meest alledaagsche kunstgrepen, +waarvan zij gebruik maakte, als wonderen van list en vindingrijkheid. + +"Was 't niet warm op school?" vroeg zij. + +"Ja, tante." + +"Schrikkelijk warm, niet waar?" + +"Ja, tante." + +"Had je geen lust om te gaan zwemmen, Tom?" + +Tom begon lont te ruiken en trachtte tantes gelaat uit te vorschen +maar het bleef onwrikbaar in dezelfde plooi. + +"Neen, tante," antwoordde hij, "niet zoo bijzonder." + +De oude dame strekte de hand uit, om te voelen of Toms overhemd ook +nat was, en zeide: + +"Je bent nu toch niet zoo bijzonder warm, Tom!" + +Zij was verbaasd over haar eigen slimheid; zij had op deze manier +ontdekt dat Toms overhemd droog was, zonder dat iemand vermoedde dat +het juist dat was, waar zij achter wilde komen. Maar Tom wist al uit +welken hoek de wind woei en dacht dat 't beste zou zijn de vraag te +voorkomen, die nu volgen zou. + +"Wij hebben ons hoofd onder de pomp gehouden," zeide hij, "en 't +mijne is nog nat. Voel maar?" + +Tante Polly was boos op zich zelve, omdat zij aan die omstandigheid, +welke hem van de schuld had moeten overtuigen, niet gedacht had en +dus niet bijdehand genoeg was geweest. + +Maar ze kreeg een nieuwe ingeving. + +"Tom, je hebt toch het boordje, dat ik aan je hemd heb vastgenaaid, +niet behoeven los te maken om je hoofd onder de pomp te houden. Wacht, +ontknoop je buis eens." Toms gezicht klaarde weer op. Hij ontknoopte +zijn buis. Het boordje zat aan het hemd vast. + +"Wel, loop dan maar heen. Ik dacht zeker, dat je van school waart gaan +strijken om te zwemmen. Doch ik zal je maar vergeven. 't Is met jou +toch maar boter aan de galg gesmeerd." Zij was half boos, dat hare +scherpzinnigheid gefaald had, en half blij, dat Tom toevallig niet +ongehoorzaam bleek te zijn. Toen zeide Sidney: + +"Tante, hebt u het boordje met wit of zwart garen genaaid?" + +"Wel, natuurlijk met wit.--Tom!" + +Maar Tom wachtte de rest niet af. Eer hij de deur uitvloog, riep hij +nog even: + +"Je krijgt een pak slaag, Sid, voor het klikken." + +Zoodra Tom buiten het bereik van zijne tante was, haalde hij twee +groote naalden voor den dag, de een met zwart en de andere met wit +garen omwonden, die hij aan den binnenkant van zijn buis had gestoken, +en zeide: + +"Ze zou het nooit gemerkt hebben als Sid het niet verklapt had. 't Is +een drommelsch werk; nu eens naait ze met zwart en dan weder met wit +garen. Ik wou maar, dat ze zich bij het een of het andere bepaalde; +dan wist ik waar ik mij aan te houden had. Maar Sid zal er voor lusten, +of ik heet geen Tom Sawyer meer!" + +Tom was niet de modeljongen van het dorp. Hij wist echter best, +wie dat _wel_ was en ook dat hij een geduchten hekel aan hem had. + +In minder dan twee minuten had hij zijn verdriet vergeten. Niet +omdat hij het minder voelde dan volwassenen, maar omdat iets anders, +dat zijne belangstelling geheel innam, het onderdrukte en voor een +oogenblik uit zijne ziel verdreef. Dat andere was het aanleeren +van eene nieuwe manier van fluiten, die hij juist van een neger had +afgezien en waarin hij zich thans ongestoord kon oefenen. Het was een +soort van zacht gekweel, dat aan het geluid van een vogel deed denken +en voortgebracht werd door bij tusschenpoozen midden onder het fluiten +met de tong het verhemelte aan te raken. De lezer zal zich uit zijne +jongensjaren wel herinneren hoe men dat doet. Door vlijt en volharding +kreeg hij het kunstje spoedig beet en stapte hij door de straten met +een mond vol harmonie en een hart zoo vol dankbaarheid als dat van +een sterrekundige, die eene nieuwe planeet ontdekt heeft. Wanneer men +het genot van den astronoom had kunnen vergelijken met dat van Tom, +zou dat van den knaap het in onvermengdheid gewonnen hebben. + +Het was midden in den zomer en de avonden waren lang. De duisternis was +nog niet ingevallen, toen Tom al fluitende zijn weg vervolgde. Een +vreemdeling liep voor hem uit, een jongen, een paar duim langer +dan hij zelf. Een vreemdeling, van welken leeftijd of sekse ook, +was eene merkwaardigheid in het kleine plaatsje St. Petersburg. Deze +jongen was mooi gekleed,--veel te mooi voor een weekdag. Dat was al +iets vreemds. Zijn pet was splinternieuw, zijn toegeknoopt blauw +buisje dito, zijn broek evenzoo. Hij had schoenen aan, en dat nog +wel op Vrijdag! Zelfs had hij een mooie zijden das on! Hij zag er zoo +deftig uit, dat Tom er kippenvel van kreeg. Hij stond dit monster van +pracht aan te gapen, doch hoe langer hij zijn neus tegen hem optrok, +des te smeriger en te slordiger scheen hem zijn eigen plunje. Geen +van beiden sprak een woord. Als de een zich bewoog, deed de ander +hetzelfde. Zij bleven elkander aanstaren, totdat Tom uitriep: + +"Ik kan je wel aan." + +"Probeer het dan eens." + +"Zeker, ik kan wel, als ik maar wil." + +"Dat kun je niet." + +"Jawel." + +"Neen." + +"Ja." + +"Neen." + +Er volgde eene onheilspellende stilte, waarna Tom zeide: + +"Hoe heet je?" + +"Dat raakt je niet?" + +"Ik zal je leeren, dat het me wel raakt." + +"Nu, doe het dan." + +"Als je nog een woord spreekt, doe ik het." + +"Nog een woord! Wat verbeeld jij je wel?" + +"Je vindt je eigen nogal mooi, niet waar? Ik zou je wel met ééne hand +op den grond kunnen krijgen, als ik het verkoos." + +"Waarom doe je het dan niet. Je zegt altijd, dat je het kunt." + +"Als je den gek met me steekt, doe ik het." + +"O! dat heb ik wel honderd jongens hooren zeggen." + +"Je denkt zeker, dat je een heele Piet bent." + +"Wat een vieze pet heb jij op!" + +"Probeer eens, mij dien pet van het hoofd te nemen. Doe het eens!" + +"Je bent een lafaard." + +"En jij ook." + +"Je bent een groote lafaard en je durft me niet aan." + +"Ga eens verder, als je durft," + +"Als je nog meer praatjes maakt, zal ik je een slag op den kop geven." + +"Wel zeker, zul je dat?" + +"Ja, dat zal ik." + +"Waarom doe je het dan niet? Waarom zeg je altijd, dat je het doen +zult. Is het, omdat je bang bent?" + +"Ik ben niet bang." + +"Jawel." + +"Neen." + +"Jawel." + +Weder eene pauze. De jongens duwen gedurig meer tegen elkander aan. Zij +staan al schouder tegen schouder. Tom roept: + +"Ga uit den weg!" + +"Ga jij uit den weg." + +"Ik doe het niet." + +"Ik doe het ook niet." + +Zoo stonden zij beiden met één voet vooruit, elkander duwende dat +het een aard had. Maar geen van beiden kon den ander uit den weg +krijgen. Na tegen elkander aangebonsd en gestooten te hebben, totdat +de zweetdroppels hun over het gezicht liepen, weken beiden voorzichtig +een weinig achteruit en Tom zeide: + +"Je bent een lafaard. Ik zal mijn oudsten broer eens op je afsturen; +die kan je wel met zijn pink aan en hij zal het doen ook." + +"Wat kan mij je oudste broer schelen! Ik heb een broer, die nog +veel grooter is dan die van jou, en die smijt jou vierkant over de +schutting." (De twee broeders bestonden slechts in hunne verbeelding.) + +"Dat is een leugen." + +"Iets is nog geen leugen, omdat jij het blieft te zeggen." + +Tom maakte eene streep in het zand met zijn grooten teen en zeide: + +"Stap hier eens over en ik zal je een pak geven, dat je niet meer op +je beenen staan kunt." + +De nieuwe jongen stapte er dadelijk over en zeide: + +"Nou, je zei dat je het doen zoudt; doe het dan ook." + +"Sar me niet; pas op!" + +"Wel, je _zei_ dat je het doen zoudt. Waarom doe je 't dan niet?" + +"Sapperloot, ik doe het voor twee centen!" + +De nieuwe jongen haalde twee vuile centen uit zijn zak en bood die +Tom met een spottend gezicht aan. + +Tom smeet de centen op den grond. + +In een oogenblik rolden en buitelden de jongens in het stof en vochten +als leeuwen; een minuut lang rukten en plukten zij elkaar, trokken +elkaar bij het haar en de kleeren, stompten en krabden elkander en +overdekten zich met modder en lauweren. Een oogenblik later kwam +er orde uit de verwarring en Tom werd uit den damp van het slagveld +zichtbaar, op den nieuwen jongen gezeten en een regen van vuistslagen +op hem doende nederdalen. + +"Is het nou genoeg?" vroeg hij. + +De jongen worstelde om van den grond op te komen. Hij schreeuwde meer +uit woede dan van pijn. + +"Is het nou genoeg?" zeide Tom, en het kloppen ving weer aan. Eindelijk +ontsnapte den nieuwen jongen een onderdrukt "genoeg," en Tom liet hem +opstaan met de woorden: "Dat is een goede les voor je, mannetje. Ik +zou je raden een volgenden keer te kijken wien je voor hebt, eer je +met iemand den gek steekt." + +De nieuwe jongen stond op, sloeg het stof van zijne kleederen, en +liep snikkende weg, terwijl hij gedurig het hoofd omdraaide en Tom +dreigde, dat hij hem een ander maal wel te pakken zou krijgen. Tom +beantwoordde de dreigementen met schimpscheuten en stapte voort met +hooge borst. Hij had zijn rug echter nog niet gekeerd of de nieuwe +jongen nam een steen op, smeet hem dien achterna, raakte hem daarmede +tusschen de schouders en rende toen weg, zoo snel als zijne beenen +hem dragen konden. Tom zette den verrader na tot aan zijn huis en +ontdekte alzoo waar hij woonde. Een tijdlang bleef hij bij de deur +post vatten, den vijand tartende buiten te komen, maar deze hield +zich schuil achter het raam, waar hij tegen Tom gezichten stond +te trekken. Eindelijk kwam de moeder van den vijand voor den dag, +die Tom voor een leelijken, gemeenen jongen uitschold en hem gelaste +zijn biezen te pakken. Toen ging Tom heen en mompelde tusschen zijne +tanden, dat de nieuwe jongen geen cent waard was. + +Hij kwam vrij laat te huis, en toen hij voorzichtig het raam insprong, +viel hij in eene hinderlaag, in de persoon van zijne tante, bij +wie, toen zij den staat zag, waarin zijne kleederen verkeerden, het +besluit om zijn vrijen Zaterdag in een gevangenschap met dwangarbeid +te veranderen, onherroepelijk vaststond. + + + + +HOOFDSTUK II. + + +De Zaterdagmorgen kwam; een heerlijke, warme zomerdag vol vroolijkheid +en leven. Alle harten waren blijde gestemd en de jeugd uitte hare +blijdschap in een opgewekt gezang. Genot was op elk gelaat te lezen +en van veerkracht getuigde iedere stap. + +De acacia's stonden in vollen bloei en de lucht was van den geur der +bloesems vervuld. + +De heuvels in en buiten St. Petersburg waren met een groen zomerkleed +getooid en zagen er zoo rustig en uitlokkend uit, dat hij die ze in +de verte zag droomde van het land van belofte, overvloeiende van melk +en honig. + +Tom verscheen aan de deur met een emmer vol witkalk en een verf kwast +met een langen steel. Hij overzag de schutting die hij moest witten, +en de vroolijkheid week uit zijn hart en eene diepe droefgeestigheid +daalde daarin neder. Dertig el schutting negen voet hoog! Ach, het +leven was een last, zwaar om te dragen! Al zuchtende doopte hij zijn +kwast in de kalk en maakte eene dikke streek; hij herhaalde het werk +nog eens en nog eens, vergeleek het onbeteekenend streepje gewitte +schutting met het groote veld, dat nog gewit moest worden, en zette +zich ontmoedigd op een boomstam neder. + +Daar kwam Jim, een liedje zingende, met een emmer aan den arm, de deur +uithuppelen. Water uit de stadspomp halen was tot nu toe in Toms oogen +een hatelijk werk geweest, maar vandaag scheen het hem zoo heel naar +niet. Immers hij wist, dat er menschen bij de pomp zouden zijn. Zij +was op sommige uren ongenaakbaar vanwege de jongens en meisjes van +allerlei soort; blanken, kleurlingen en negers waren er altijd in +menigte, die, terwijl zij hun beurt afwachtten, zich met speelgoed +verkwanselen, twisten, vechten en krijgertje spelen vermaakten. Vandaar +dat, hoewel de pomp vlak bij was, Jim nooit binnen het uur terugkwam; +en dan nog moest hij meestal gehaald worden. + +Daarom zei Tom: "Zeg eens, Jim, zal ik water halen en jij witten?" + +Jim schudde het hoofd en zei: + +"Dat kan niet, jongeheer. De oude juffer heeft me gezegd, dat ik water +moest halen en met niemand moest blijven staan praten. Zij zei ook, +dat, als de jongeheer Tom me vroeg om te witten, ik net doen moest +alsof ik het niet hoorde;--en dat ze zou komen zien of ik gedaan had, +wat ze gezeid had." + +"O, stoor je daar niet aan, Jim; dat zegt ze altijd. Geef den emmer: +ik ben binnen twee minuten terug. Zij zal het nooit te weten komen." + +"Ik durf niet, jongeheer. Als de juffer het zag, zou ze me de haren +uit het hoofd trekken." + +"Zij? Ze slaat haast nooit,--en als ze het doet, is het alsof er een +veer over je rug gaat. Zij heeft een grooten mond, maar praatjes +doen geen zeer. Jim, als je het doet, krijg je een knikker, een +albasten knikker." + +Jim begon te weifelen. + +"Een albasten knikker Jim, en een baas ook?" + +"Wel, het is verleidelijk, jongeheer, maar ik ben zoo bang voor de +oude juffer." + +Doch Jim was een mensch en de verleiding was te groot. Hij zette den +emmer neder en nam den witten knikker. Een kwartier later, juist toen +tante Polly met een pantoffel in de hand, een glans van triomf op het +gelaat, uit den tuin kwam, hoorde men Jim luid klingelend den vollen +emmer in de gang zetten en stond Tom weder dapper te witten. + +Maar die witwoede duurde niet lang. Tom verviel spoedig in gepeins +over de pretjes, die hij zich van dezen Zaterdag had voorgesteld en +zijn gemoed schoot vol. Thans zouden al de jongens, die vrijaf hadden, +vol heerlijke plannen voorbijkomen en dan zouden zij hem uitlachen, +omdat hij moest witten. + +Dat was al te erg. Hij haalde zijne wereldsche schatten voor den dag, +bekeek die en zag dat zij uit gebroken speelgoed en andere prullen +bestonden. 't Was genoeg om zijn werk voor een paar minuten af te +koopen, maar veel te weinig om een half uur vrij te krijgen. Hij +stak zijne bezittingen weer in den zak en gaf het denkbeeld, van +te trachten met die voorwerpen de jongens om te koopen, op. In dit +wanhopige oogenblik kreeg hij een schitterenden inval. Hij nam den +kwast en werkte rustig voort. Daar kwam Ben Rogers in 't gezicht, +de jongen wiens spot hij boven alles vreesde. + +Bens tred was een aanhoudend huppelen en springen, een teeken dat +zijn hart licht en zijne verwachtingen groot waren. Hij at een appel +en deed nu en dan een lang liefelijk gefluit hooren, gevolgd door een +zwaarklinkend: ding dong dong, ding dong dong. Immers hij stelde een +stoomboot voor. + +Naarmate hij dichterbij kwam, vertraagde hij zijn stap, hield +het midden van de straat, leunde ver over stuurboord en begon +zeer kunstig, met veel gewicht te laveeren, daar hij de stoomboot +"de groote Missouri" vertoonde. Hij was tegelijk boot, kapitein en +machinebel en moest zich zelven dus verbeelden op het dek te staan, +daarop bevelen te geven en die ten uitvoer te brengen. + +"Stop, mijnheer! Ling-ling-ling." De boot ging iets te +spoedig vooruit en de knaap trok langzaam zijwaarts. "Iets naar +achteren! Ling-ling-ling!" Toen liet hij zijn arm stijf langs de +zijden glijden. "Zet haar terug naar stuurboord! Ling-ling-ling, +Chow-ch-chow chow!" Daarna begon hij met de rechterhand een cirkel te +beschrijven, welke beweging het draaien van een wiel verbeelde. "Terug +naar bakboord. Ling-ling-ling! Chow-chow-ch!" De linkerhand begon +cirkels te beschrijven. + +"Aan stuurboordszijde, stop! Ling-ling-ling! Aan +bakboordszijde, stop! Laat maar langzaam +bijdraaien! Ling-ling-ling! Chow-chow-ow! Gebruik de hoofdtouwen. Vlug, +nu de boeglijn.--Wat doet ge daar? Wind den kabel on dien paal. Naar +den steiger toe--vooruit! Machine stil! Ling-ling-ling!" Tom ging +voort met witten en sloeg geen acht op de stoomboot. Ben staarde hem +een oogenblik aan en zeide toen: + +"Hi-hi! Je bent een ongelukkige stumperd!" + +Geen antwoord. Tom bekeek de laatste streek van den witkwast met +het oog van een kunstenaar, maakte nog een keurig haaltje en zag, +hoe dat voldeed. Ben ging naast hem staan. Tom watertandde bij het +gezicht van den appel, doch hij witte ijverig door. + +Ben zeide: + +"Heila, oude jongen, je moet voor straf werken, he?" + +"Wel, Ben, ben jij daar? Ik zag je niet." + +"Zeg, ik ga zwemmen. Zou jij ook niet willen, als je mocht? Maar jij +moet werken, niet waar?" + +Tom keek den jongen aan en zeide: + +"Wat noem je werken?" + +"Wel, is dit geen werken?" + +Tom begon weer te witten en antwoordde koeltjes: "Nu, het mag werken +zijn of niet, wat ik weet, is, dat Tom Sawyer het dol prettig vindt." + +Daar kwam de zaak in een ander licht. Ben stond stil en beet op +zijn appel. Tom streek met zijn kwast voorzichtig op en neer, ging +een stap of wat achteruit, om te zien hoe zijn werk voldeed, maakte +een haaltje hier en een haaltje daar, keek nog eens naar het effect, +terwijl Ben elke beweging bespiedde en hoe langer hoe meer belang in +den arbeid begon te stellen. Eindelijk zeide hij: + +"Och, Tom, laat mij eens even witten." + +Tom bedacht zich een oogenblik en was op het punt toe te geven, maar +kwam even spoedig op dat voornemen terug. "Neen, neen, dat zal niet +gaan, Ben. Je moet weten, Ben, dat tante Polly verschrikkelijk precies +is op die schutting; zij staat zoo vlak aan den weg, weet je.--Als +het nog achter was, zou ik er niet tegen hebben, en zou tante het wel +goedvinden. Zij is vreeselijk precies op het witten; het moet keurig +netjes gedaan worden, en ik geloof niet, dat er van de duizend, neen +van de tweeduizend jongens één is, die het doet zooals het behoort." + +"Zoo, is het zoo moeilijk? Och toe, laat mij het eens probeeren; +eventjes maar! Ik had het jou al lang laten doen, als je het mij +gevraagd had, Tom!" + +"Ben, ik zou het, op mijn woord dolgraag doen, maar tante Polly...--Jim +vroeg het ook, maar zij wou het niet hebben; Sid ook, maar hij mocht +evenmin. Begrijp je nu niet, dat ik er voor verantwoordelijk ben? Als +je eens kladden op de schutting maakte, als er iets mee gebeurde...." + +"O, ik zal wel oppassen. Toe laat me het maar eens probeeren. Ik zal +je het klokhuis van mijn appel geven." + +"Nu, goed dan; neen, toch niet, Ben;--ik ben bang voor...." + +"Ik zal je den heelen appel geven." + +Tom gaf den kwast met aarzelenden blik en een verheugd gemoed over. En +terwijl de stoomboot "de groote Missouri" in de barre zon stond te +werken en te zweeten, zat de kunstenaar rustig in de schaduw op een +biervat zijn appel op te muizen en peinsde over nieuwe plannen om +nog meer argeloozen in de val te lokken. De gelegenheid liet zich +niet wachten. Verschillende jongens kwamen voorbij: zij kwamen om te +spotten--en bleven om te witten. Toen Ben uitgeput van vermoeienis den +kwast had neergelegd, werd de beurt aan Billy Fischer afgestaan voor +een vlieger; en toen die gedaan had, kocht John Miller een beurt voor +een dooden rat en een touw om hem aan te laten schommelen; en zoo ging +het, het eene uur voor en het andere na. En op het midden van den dag, +baadde de 's ochtends doodarme jongen zich in zijn rijkdom. Hij had +behalve de dingen, die ik vermeld heb, twaalf knikkers gekregen, +een half kapot blaasinstrument, een stukje blauw glas om door te +kijken, een garenspoeltje, een roestigen sleutel, een stukje krijt, +een kurk met een glazen stop, een looden soldaat, een paar jonge +kikvorschen, zes sissers, een koperen deurknop, het heft van een mes, +een halsbandje voor een hond, vier chinaasappelschillen en een stukje +glas. Hij had den ganschen dag lekkertjes geluierd en de schutting +was met drie duim witsel besmeerd! Als de kalk niet opgeraakt was, +zou hij al zijne vrienden geruïneerd hebben. + +Tom dacht, dat het bij slot van rekening toch nog niet zoo heel +vervelend op deze aarde was. Hij had onbewust een der voornaamste +wetten, waardoor de menschenwereld geregeerd wordt, leeren kennen, +namelijk: dat om iemand op iets verzot te maken, men het slechts als +zeer moeilijk verkrijgbaar behoeft voor te stellen. Ware hij een groot +wijsgeer geweest, zooals de schrijver van dit boek, hij zou begrepen +hebben, dat "werken" bestaat in hetgeen men verplicht is te doen en +"spelen" in te doen wat men niet verplicht is te verrichten. En dat +zou hem hebben doen vatten, waarom het maken van kunstbloemen of het +arbeiden op den tredmolen "werken" en waarom kegelen en het beklimmen +van den Mont Blanc "uitspanning" is. + +Er zijn rijke heeren in Engeland, die iederen dag twintig of dertig +mijlen met een vierspan afrennen, omdat dit voorrecht hun een groote +som gelds kost. Wanneer zij echter voor datzelfde genot betaald werden, +zou het "werken" worden en dan zouden zij het er aan geven. + + + + +HOOFDSTUK III. + + +Na het volbrengen van zijn arbeid maakte Tom zijne opwachting bij +tante Polly, die voor het raam zat in een vroolijk vertrek aan den +achterkant, dat te gelijk als slaap-, eet- en zitkamer dienst deed. De +lekkere zomerlucht, de kalme rust, de geur der bloemen en dommelig +gegons der bijen waren niet zonder uitwerking op haar gebleven en zij +zat over haar brijwerk te knikkebollen. Haar eenig gezelschap was de +kat, en deze lag te slapen op haar schoot. Veiligheidshalve had zij +haar bril boven haar grijs hoofd gezet. Zij verwachte niet anders dan +dat Tom lang van zijn werk zou zijn afgeloopen, en het verwonderde +haar derhalve ten hoogste hem op eens met een onverschrokken gelaat +voor haar te zien staan. Zijn eerste woord was: "Mag ik nou gaan +spelen, tante?" + +"Wat, nu al? Hoe ver ben je?" + +"Alles is klaar, tante." + +"Tom, lieg niet! Leugenaars kan ik niet uitstaan." + +"Het is geen leugen. Alles is klaar." + +Tante Polly sloeg maar half geloof aan deze verzekering en ging naar +buiten om zelve te kijken. Zij zou reeds tevreden geweest zijn, +indien twintig percent van Toms verklaring waarheid geweest ware, +en toen zij nu de gansche schutting met witsel bestreken vond, en +bestreken niet alleen, maar netjes en met zorg bewerkt, en zelfs den +grond met een streek kalk bedeeld, had zij geen woorden genoeg om +hare bewondering lucht te geven en riep zij uit: + +"Wel, heb ik ooit zoo iets gezien! 't Is ongeloofelijk. Jij kunt +werken, als je het op je heupen hebt, Tom!" Doch meteen verkleinde zij +de waarde van het compliment door er bij te voegen: "'t Is jammer, +dat dit zelden gebeurt. Kom, ga nu maar spelen, doch denk er aan, +dat je bijtijds tehuis komt, of ik zal je spreken." + +Toms heldenstuk had zulk een overweldigenden indruk op haar gemaakt, +dat zij hem meenam naar de provisiekamer en een prachtigen appel +uitkoos, dien ze hem overhandigde met een nuttige les over de waarde +en den bijzonderen geur die eene lekkernij verkrijgt wanneer zij +de vrucht is, niet van zonde, maar van naarstigheid. En terwijl zij +tot slot eene toepasselijke plaats uit de Schrift aanhaalde, kaapte +haar neef een spekpannekoek. Toen liep hij vroolijk weg en zag juist +Sid verschrikt de trap ophollen, die naar de achterkamer op de tweede +verdieping voerde. Voor de deur lag een hoop aarde en in een oogenblik +was de lucht vol kluiten, die als een hagelbui op Sid neervielen. Eer +tante Polly van hare verbazing bekomen kon en haar neef hulp verleenen, +waren reeds een stuk af wat kluiten op haar eigen hoofd neergekomen en +was Tom over de schutting verdwenen. Hij had wel door de poort kunnen +gaan, maar het ontbrak hem aan tijd om zulk een omweg te maken. Nu +kon hij met een gerust hart gaan spelen, want de rekening met Sid +over het klikken van het zwarte garen, was vereffend. + +Tom hield den achterkant van de huizen, totdat hij in een modderig +steegje achter tantes koestal kwam. Toen achtte hij zich tegen +gevangenneming en straf beveiligd en begaf zich naar het marktplein, +waar twee militaire compagnieën van schooljongens, volgens afspraak, +bijeen waren gekomen om slag te leveren. Tom was de generaal van +het eene leger en Joe Hasper (zijn boezemvriend) de aanvoerder van +het andere. De twee groote bevelhebbers verwaardigden zich niet +persoonlijk aan dit gevecht deel te nemen, maar lieten dat aan de +kleine bakvischjes over. Zij zetten zich naast elkander op eene hoogte +neder, en leiden de krijgsverrichtingen door bevelen te geven, welke +door veldmaarschalken werden overgebracht. Het leger van Tom behaalde +na een langen en bangen strijd eene schitterende overwinning. Daarna +werd het aantal dooden geteld, de gevangenen uitgeleverd, de bepalingen +voor het volgende geschil gemaakt en den dag voor den vereischten +veldslag bepaald, waarna de beide legers zich met elkander vereenigden +en afmarcheerden, terwijl Tom alleen naar huis ging. + +Toen hij het huis van Jeff Thatcher voorbij stapte, zag hij daar +een hem onbekend meisje in den tuin,--een lief, klein ding met +blauwe oogen, blond, in twee lange vlechten gescheiden haar, een wit +zomerjurkje en een geborduurde pantalon. In een oogenblik verdween +eene zekere Amy Laurence uit zijn hart en was alsof die nooit had +bestaan. Hij had zich verbeeld dat hij halfgek van verliefdheid op +haar was, hij had gedacht dat hij haar aanbad, en zie, het bleek niets +dan eene kleine, voorbijgaande ingenomenheid geweest te zijn. Maanden +lang had hij zijn best gedaan om haar hart te winnen en zij had hem +juist acht dagen geleden bekend, dat zij hem wederliefde schonk. Een +week lang was hij dronken van geluk en de wereld te rijk geweest, +en nu was zij heel uit zijne gedachten verdwenen, als het vluchtig +bezoek van een ons onverschilligen vreemde. Hij bleef zijn nieuwe +engel in stilte aanbidden, totdat hij bemerkte, dat zij hem in 't oog +kreeg. Toen deed hij alsof hij haar niet zag en begon allerlei dwaze +kunsten en grimassen te maken om haar aandacht te trekken. Na die +zonderlinge grappen een tijdlang volgehouden te hebben, keek hij te +midden van eene gymnastische oefening toevallig op zijde en zag dat +het meisje naar huis ging. Dadelijk hield hij op, liep naar de haag +en ging met een bedrukt gezicht voor de stekelige doornen staan, in +de hoop dat zij nog even zou toeven. Een oogenblik bleef zij op het +bordes staan en ging daarop naar de deur. Toen zij den voet op den +drempel zette slaakte Tom een diepen zucht, maar zijn gelaat klaarde +terstond weer op, want eer zij de deur inging, wierp zij een viooltje +over de haag. Tom liep naar de plek waar het viooltje lag, bleef op +een paar treden afstand van het bloempje staan en hield toen de hand +voor de oogen, alsof hij iets heel bijzonders op straat zag. Hij +raapte een stroohalm op en deed dien, met het hoofd achterover op +zijn neus balanceeren. Onder die beweging naderde hij langzamerhand +het viooltje; eindelijk rustte zijn bloote voet op het bloempje; +zijne buigzame teenen maakten er zich meester van, hij hinkte met +zijn schat weg en verdween om den hoek van de straat. Voor een minuut +slechts,--alleen maar om zich den tijd te gunnen de bloem onder zijn +buis op zijn hart of waarschijnlijk op zijne maag te steken. + +Zoodra de bloem veilig geborgen was, keerde hij terug en bleef tot het +vallen van den avond om den tuin hangen en kunsten maken; maar het +meisje vertoonde zich niet meer en Tom moest zich tevredenstellen +met de hoop, dat zij wel ergens voor een venster staan en zijne +oplettendheden voor haar zou bemerken. Eindelijk ging hij met looden +schoenen huiswaarts. + +Onder het avondeten was hij zoo opgewonden, dat tante zich verwonderde +wat het kind toch zou hebben. Hij kreeg een verbazend standje over +het gooien met de aardkluiten, doch scheen er niets om te geven. Toen +hij trachtte de suiker onder den neus van zijne tante weg te halen, +liet hij zich bedaard op de vingers tikken, zich slechts de vraag +veroorlovende: + +"Waarom wordt Sid nooit geslagen, als hij suiker snoept?" + +Waarop het antwoord volgde: "Omdat Sid een mensch niet zoo plaagt +als jij. Als ik je niet voortdurend strafte, zou je altijd met je +vingers in den pot zitten." + +Toen ging tante naar de keuken, en Sid, zalig in het bewustzijn +van zijne onschendbaarheid, greep naar de suikerpot, eene wijze +van zich tegenover Tom op zijne rechten te verhoovaardigen, die ten +eenen male onuitstaanbaar was. Maar de vingers gleden uit, de pot +viel op den grond en brak. Tom was boven de wolken van pleizier,--ja, +zoo verrukt, dat hij zijn tong in toom hield en geen woord sprak. Hij +overlegde bij zichzelven, dat hij geen mond open zou doen, zelfs niet +als tante binnenkwam, maar doodstil blijven zitten, totdat zij vroeg +wie het gedaan had. En dan zou hij het vertellen en hij zou iets +zien dat hij nooit had gezien, namelijk, dat de modeljongen slaag +kreeg. In zijne opgetogenheid kon hij zich nauwelijks inhouden, toen +de oude dame binnenkwam en met bliksemende oogen over haar bril op +de verwoesting neerzag. "Ha!" dacht hij, "nu komt het," maar, jawel, +het volgende oogenblik lag hij zelf op den grond te spartelen. + +De machtige arm werd opgeheven om weder te slaan, toen Tom uitriep: + +"Houd op! Waarom moet ik geslagen worden? Sid heeft het gedaan." + +Sprakeloos van ontzetting liet tante Polly den arm neervallen, en +Tom keek haar aan om een woord van mededoogen op te vangen. + +Helaas! zoodra zij weder tot adem kwam, zeide zij: + +"Nu, je hebt toch niet onverdiend slaag gehad; al braakt ge den pot +niet, dan heb je toch zeker ander kattekwaad, uitgevoerd, terwijl ik +in de keuken was." + +Doch nauwelijks had zij dit gezegd, of daar begon haar geweten te +spreken en zij brandde van verlangen om Tom een vriendelijk woordje +toe te voegen. Maar, neen, dat kon als een bekentenis van schuld +beschouwd worden, en zoo iets zou met alle beginselen van orde en +tucht in strijd geweest zijn. Daarom hield zij zich stil en ging +met een onrustig hart aan het werk. Tom zette zich in een hoek van +de kamer en vermeide zich in zijne droefheid. Hij wist, dat tante in +haar hart wel voor hem op de knieën zou willen vallen en voelde zich, +al snikkende, eigenlijk door de overtuiging gestreeld. Toch wilde +hij geene signalen geven, noch evenmin op die van tante acht slaan. + +Hij wist, dat er nu en dan, door een nevel van tranen, smeekende +blikken op hem geworpen werden, maar hij hield zich alsof hij dat niet +bemerkte. In zijne verbeelding zag hij zich als doodziek te bed liggen +en tante over hem heengebogen, om een woord van vergiffenis smeekende; +maar hij lag daar, met het hoofd naar den muur gekeerd en stierf zonder +dat dit woord gesproken werd. Hoe zou zij zich dan wel voelen? En +hij verbeeldde zich, dat hij uit de rivier opgehaald en dood te huis +werd gebracht met druipnatte haren en handen die zich niet meer roeren +konden en een hart dat niet meer klopte, zag hoe zij zich op hem wierp, +in tranen baadde en God smeekte haar haren jongen terug te geven, +dien zij nooit, nooit meer valsch zou beschuldigen. Doch hij lag daar +koud en bleek neder, zonder een teeken van leven te geven--hij, de arme +lijder wiens smarten nu geleden waren. Langzamerhand verdiepte hij zich +zoozeer in deze sombere gedachten, dat hij een brok in zijn keel voelde +en nauwelijks kon slikken. En zijne oogen zwommen in een stroom van +water, die bij elken snik overvloeide en langs zijn neus naar beneden +druppelde. Ja, het genot van zijn smart te koesteren werd zoo groot, +dat hij het door geen wereldsche vreugde of luide vroolijkheid wilde +laten verstoren. Toen dan ook zijn nicht Marie dansende de kamer +inkwam, opgetogen van blijdschap dat zij weer te huis was na een +eeuwenlange week buiten te hebben doorgebracht, stond hij op en stapte +in wolken en duisternis de achterdeur uit, terwijl zij vroolijkheid +en zonneschijn door de voordeur binnenliet. Hij verwijderde zich ver +van de gewone vereenigingsplaatsen zijner makkers en zocht eenzame +plekjes op, in overeenkomst met zijne gemoedsstemming. Op een in +de rivier liggend stuk van een houtvlot zette hij zich neder en +beschouwde den somberen, onafzienbaren stroom, met het verlangen van +op eens door dezen verzwolgen te worden, zonder den onaangenamen weg +te gaan die door de natuur wordt voorgeschreven. Toen dacht hij aan +zijn bloem! Hij haalde haar voor den dag. Helaas! zij was verkwijnd +en verlept, en zijne droefheid werd nog grooter. Hij vroeg zich af: +Zou _zij_ medelijden met hem hebben, indien zij het wist? Zou _zij_ +schreien en wenschen, dat zij hare armen om zijn hals mocht slaan +om hem te te troosten? Of zou ook _zij_, evenals de geheele valsche +wereld hem den rug toekeeren? Deze gedachte was zoo folterend en toch +zoo zalig te gelijk, dat hij haar op allerlei wijzen ging uitwerken, +totdat zij op het laatst een akelig schrikbeeld werd. Eindelijk stond +hij zuchtende op en wandelde in de duisternis voort. Tegen half +tien liep hij in de verlaten straat, waar de aangebeden onbekende +woonde. Hij bleef een oogenblik stilstaan; zijn luisterend oor vernam +geen geluid. Een kaars wierp een bijzonderen glans op de gordijnen van +het venster eener bovenkamer. Zou de heilige daar verblijf houden? Hij +klauterde de heg over, baande zich een weg door de planten, totdat hij +onder het verlichte venster stond. Een poos bleef hij diep ontroerd +staan kijken; toen ging hij op den grond op zijn rug liggen, met de +handen, waarin het verlepte bloempje verborgen was, gevouwen op de +borst. Dus wilde hij sterven, de koude wereld verlaten, zonder dak +boven zijn arm hoofd, zonder vriendelijke hand om het doodzweet van +zijn voorhoofd te wisschen, zonder een liefhebbend gelaat om zich vol +medelijden tot hem voorover te buigen, wanneer de bange doodsstrijd +kwam. En zoo zou _zij_ hem zien, als zij in den vroolijken morgen +naar buiten keek. En o! zou zij een traan op zijn arm lijk laten +vallen? Zou zij een zucht slaken, als zij zulk een jong leven zoo +ruw verwoest en zoo ontijdig afgesneden zag? + +Daar ging het raam open, de schrille stem van eene dienstmeid +ontheiligde de plechtige stilte en een stortbad van ijskoud water +doorweekte den martelaar, die daar achterover op den grond lag. + +Onze half gesmoorde held sprong op met een kreet, die hem +verlichtte. Toen kwam er een gesuis in de lucht als van een +slingersteen, vermengd met het mompelen van een vloek, waarop een +geluid volgde als van rinkelend glas en van voetstappen, die over +den muur klommen en in de duisternis wegstierven. + +Niet lang daarna, toen Tom ontkleed, bij een eindje vetkaars, zijn +doorweekt pak stond te bekijken, werd Sid wakker. + +Indien het denkbeeld om te klikken een oogenblik in zijne ziel opkwam, +werd hij daarvan door een onheilspellende uitdrukking op Toms gelaat +teruggehouden. + +Deze laatste stapte in bed zonder zijn gewoon avondgebed op te zeggen, +en Sid maakte in stilte proces-verbaal op van dat verzuim. + + + + +HOOFDSTUK IV. + + +De zon ging op over een rustende wereld en wierp hare weldadige stralen +over het vreedzame stedeke St. Petersburg. 's Zondags na het ontbijt +was tante Polly gewoon huiselijke godsdienstoefening te houden. Deze +begon met een gebed, bestaande uit een reeks bijbelplaatsen, bedekt +met een dunne laag woorden van eigen vinding, en eindigde met een +van grimmigheid overvloeiend hoofdstuk uit de Mozaïsche wetgeving. + +Na afloop daarvan omgordde Tom, om zoo te spreken, zich de lendenen +en ging aan het werk om zijne teksten in het hoofd te krijgen. Sid +had zijne les dagen vooruit geleerd, maar Tom moest al zijn krachten +inspannen om vijf verzen te onthouden ofschoon hij een gedeelte +van de Bergrede gekozen had, daar hij geene teksten kon vinden die +korter waren. + +Een half uur had Tom een vaag begrip van het geheel, maar meer niet, +want zijn geest zwierf over het gansche veld der menschelijke gedachten +en zijne handen hielden zich tot afleiding met allerlei vermakelijke +kunstjes bezig. + +Marie nam het boek om de les te overhooren en hij trachtte den weg +door den zwaren mist te vinden. + +"Zalig zijn de ar-r.... ar...." + +"Armen." + +"Ja- de ar-remen; zalig zijn de ar-remen." + +"Van geest." + +"Van geest. Zalig zijn de armen van geest, want zij... zij..." + +"Want hunner..." + +"Want hunner. Zalig zijn de armen van geest want hunner... is het +koninkrijk der hemelen! Zalig zijn zij die treuren, want zij...." + +"Zij...?" + +"Zul..." + +"Want zij zul..." + +"Z-u-l-l-e-n. Want zij zul... O, ik weet niet wat zij zullen!" + +"Zullen..." + +"O ja, zullen--zij zullen--zij zullen treuren; zalig zijn zij--die +treuren, want zij zullen... Wat zullen zij? Waarom zeg je het mij niet, +Marie? Het is gemeen om me zoo te plagen!" + +"Tom, arme jongen, ik plaag je niet. Ik zou het niet over mijn hart +kunnen krijgen. Probeer het nog eens. Geef den moed niet op; je zult +het wel leeren,--en als je het doet, krijg je iets moois van mij. Zoo; +nu is het goed, mijn jongen." + +"Ik zal het doen, maar zeg mij dan eerst wat het is, Marie." + +"Neen, Tom. Je weet als ik zeg dat het mooi is, dan is het mooi." + +"Op je woord van eer Marie. Goed, dan zal ik het er wel zien in +te pompen." + +Hij ging aan het werk, en door nieuwsgierigheid en het vooruitzicht +van eene belooning geprikkeld, stampte hij de teksten in zijn geheugen +en eindigde met een schitterende overwinning te behalen. Marie gaf hem +een splinternieuw mes van twaalf en een halven cent, en Tom was boven +de wolken van vreugde. Het is waar, het mes sneed eigenlijk niet, +maar het was van echt staal en dat was al iets buitengewoons. Hij +maakte dadelijk een plan om het buffet door snijwerk te verfraaien +en wilde juist zijne krachten op de etenskast beproeven, toen hij +geroepen werd om zich voor de zondagsschool te kleeden. + +Marie gaf hem een tinnen kom met water en een stuk zeep, welke +voorwerpen hij buiten de deur op een bank zette. Toen maakte hij de +zeep nat en legde die naast de kom; stroopte zijne mouwen op, stortte +het water zachtjes op den grond uit, trad daarop de keuken binnen en +begon ijverig zijn gezicht met een handdoek die achter de deur hing, +af te drogen. Doch Marie nam den handdoek weg en zeide: + +"Schaam je je niet, Tom? Wees toch niet zoo stout. Water zal je geen +kwaad doen." + +Tom was een weinig uit het veld geslagen. De kom werd weder gevuld, +de knaap bedacht zich een oogenblikje, slaakte een diepen zucht en +begon. Toen hij nu de keuken weder binnentrad en met toegeknepen oogen +naar den handdoek rondtaste, droop er een eervol getuigschrift van +zeepsop en water over zijn gezicht. Maar bij nauwkeurige bezichtiging, +bleek de staat van zaken nog niet bevredigd te zijn, want het +gereinigde grondgebied hield, als een masker, bij de kin en wangen op; +buiten en onder die lijn was eene donkere uitgestrektheid onbesproeide +grond, die zich voor en achter zijn hals uitbreidde. Marie nam hem +onder handen en binnen een kwartier was hij een mensch uit één stuk, +zonder verschil van kleur en zijn doorweekt haar was keurig geborsteld +en in kleine evenredige krullen opgemaakt. In het geheim streek hij +altijd met moeite en inspanning de krullen glad en plakte hij zijn +haar aan zijne slapen vast, want krullen waren meisjesachtig en dat +was genoeg om ze te haten. Daarna haalde Marie een pak kleeren voor den +dag, dat gedurende de laatste twee jaren alleen op zondag gedragen was; +het werd eenvoudige zijn "andere pak" genoemd; uit welke benaming wij +tot den omvang van zijn garderobe kunnen besluiten. Toen hij het pak +had aangetrokken, legde het meisje de laatste hand aan zijn toilet; +zij knoopte zijn buisje tot onder de kin vast, sloeg hem een groote +halskraag over de schouders, schuierde hem af en kroonde hem met een +gesprikkelden strooien hoed. Hij hoopte, dat Marie zijne schoenen zou +vergeten, doch die hoop werd verijdeld; zij poetste ze naar behooren +en zette ze voor hem neder. Dit verdroot hem en hij beklaagde zich +over zijn gebrek aan vrijheid. Doch Marie antwoordde overredend: + +"Als je blieft, Tom; kom, wees een goede jongen." + +En zoo stapt hij brommend in zijne schoenen. Marie was spoedig klaar +en de kinderen vertrokken naar de zondagsschool, eene plaats die Tom +haatte met zijn gansche hart, maar waar Sid en Marie dol op waren. + +Die sabbatsschool duurde van negenen tot halfelf en dan begon de +kerk. Marie en Sid bleven altijd vrijwillig naar de preek luisteren, +Tom alleen, omdat het hem van hooger hand gelast werd. De kerk was een +klein, onaanzienlijk gebouw, met eene soort van koepel van sparrenhout +en op de hooge, harde banken was voor omstreeks driehonderd personen +plaats. Aan de deur bleef Tom een stap of wat achter en hield een +keurig gekleeden jongen staande. + +"Zeg eens, Willem, heb jij ook een geel kaartje?" + +"Ja." + +"Wat moet je daarvoor hebben?" + +"Wat geef je er voor?" + +"En stuk zoethout en een vischhaak." + +"Laat kijken." + +Tom vertoonde die twee artikelen; zij werden goed bevonden en de +goederen veranderden van eigenaar. Daarna verkocht Tom een paar +albasten knikkers voor drie roode kaartjes en een paar andere prullen +voor blauwe. Bijna al de jongens, die voorbijkwamen werden aangeklampt +en het koopen en verkoopen van kaartjes van verschillende kleuren +werd nog een kwartier voortgezet. Toen ging hij de kerk binnen met een +troep andere schoon gewasschen, luidruchtige knapen en meisjes, begaf +zich naar zijne zitplaats en maakte een standje met den jongen, die +naast hem zat. De onderwijzer, een deftig oud heer, kwam tusschenbeide, +maar zoodra hij zijn rug gekeerd had, trok Tom een jongen die voor hem +zat bij het haar en was in zijn boek verdiept, toen het slachtoffer +omkeek. Een seconde later prikte hij een anderen jongen met een speld, +om hem "ai" te hooren zeggen en haalde zich daardoor andermaal eene +berisping op den hals. De geheele klasse van Tom waren vogels van +eenerlei veeren,--woelige, drukke, lastige snaken. Toen zij hunne +les moesten opzeggen, was er geen enkele, die zijne verzen volkomen +kende, maar door voorzeggen en influisteren brachten zij het allen +gelukkig zoo ver, dat zij eenige kleine, blauwe kaartjes machtig +werden, waarop een bijbeltekst geschreven stond. Het opzeggen van +twee teksten werd met een blauw kaartje beloond, tien blauwe kaartjes +stonden gelijk met één rood en mochten daartegen geruild worden. Tien +roode kaartjes stonden weder gelijk met één geel, en een leerling, +die tien gele kaartjes had, kreeg van den catechiseermeester een +zeer eenvoudig ingebonden bijbeltje, dat in die goedkoope tijden de +waarde had van veertig cents. Ik twijfel of er onder mijne lezers +velen zullen zijn, die moed en volharding zouden hebben on twee +duizend verzen van buiten te leeren, zelfs indien zij met een bijbel +van Doré beloond werden. En toch had Marie op deze wijs twee bijbels +verdiend. Maar 't was een geduldwerk geweest, dat twee jaren gekost +had. Een Duitsche jongen had er vier of vijf gewonnen; deze had eens +drie duizend verzen achter elkander opgezegd, doch zijn geestvermogens +hadden onder dat inspannend werk zoo geleden, dat hij van dien dag +af idioot was geworden. 't Was een groot verlies voor de school, +want bij plechtige gelegenheden placht de catechiseermeester hem +altijd te gebruiken om mede te bluffen, zooals Tom zeide. + +Doorgaans waren het alleen de oudere leerlingen, die in het bezit +van gele kaartjes kwamen en het vervelende werk volhielden, totdat +zij een bijbel veroverd hadden. Vandaar dat de uitdeeling van eene +dergelijken prijs eene zeldzame merkwaardige gebeurtenis was, en +hij die dat monsterwerk verricht had, was de held van den dag. Deze +reuzenarbeid deed doorgaans een nieuw vuur van ijver in de borst van de +leerlingen ontbranden, dat niet zelden een week of wat aanhield. Het +is zeer wel mogelijk dat Toms verstandelijke vermogens nooit naar +den prijs gehongerd of gedorst hadden, maar de wereldlijke mensch in +hem had ontegenzeglijk sedert geruimen tijd verlangend uitgezien naar +den roem en den luister, waarvan de uitdeeling vergezeld ging. + +Op den daartoe bestemden tijd stond de catechiseermeester op en ging +voor den predikstoel staan met een gesloten gezangboek in de hand, de +wijsvinger tusschen de bladen verborgen, en verzocht om stilte. Als +een catechiseermeester zijne gewone aanspraak op de zondagsschool +houdt, is het gezangboek voor hem een even onmisbaar artikel als het +blad muziek voor den zanger, die een solo op het orkest moet zingen, +ofschoon noch het gezangboek noch het blad muziek wordt geraadpleegd. + +Onze catechiseermeester was een klein, nietig mannetje van vijf +en dertig jaren, met borstelig, zandkleurig bokkenhaar; hij droeg +een staand boord, waarvan de bovenste rand bijna tot aan zijne +ooren reikte, en welks scherpe punten boven de hoeken van zijn mond +uitkwamen,--een schutsmuur die hem dwong altijd rechtuit te kijken, +of wanneer een zijdelingsche blik vereischt werd, het geheele lichaam +om te wenden. Zijn kin werd geschraagd door een breede, zich over +het gansche boord uitstrekkende das, welks tippen van franje waren +voorzien. De voorstukken van zijne schoenen liepen, naar het gebruik +van dien tijd, puntsgewijs, in den vorm van een slede, naar boven, eene +mode die de toenmalige jongelieden trachten te volgen, door geduldig +en volhardend met hunne voeten stijf tegen den muur te gaan zitten. + +De heer Walter had een ernstig gelaat en een hart als goud. Hij +koesterde zulk een diepen eerbied voor gewijde dingen en plaatsen, en +hield die zoo zorgvuldig van wereldsche zaken gescheiden, dat zonder +dat hij het bemerkt had, zijne zondagsschoolstem een bijzondere klank +had gekregen, welke op weekdagen geheel ontbrak. + +"Kinderen," dus begon hij, "mag ik u verzoeken zoo recht en netjes +te gaan zitten als gij kunt, en mij voor een paar minuten uwe geheele +aandacht te schenken. Dus betaamt het aan brave jongens en meisjes. Ik +zie een klein meisje uit het raam kijken; ik vrees dat zij denkt dat ik +buiten sta,--misschien wel op een van die boomen, om een praatje met +de vogeltjes te houden (toejuichend gegiegel). Het doet mij waarlijk +goed, zoovele heldere, vriendelijke gezichtjes op eene plaats als +deze bijeen te zien on te leeren wat braaf en goed is." + +En in dien geest ging het voort. Het zal niet noodig zijn er meer bij +te voegen, want de redevoering liep over een onderwerp, waarin weinig +verscheidenheid is en dat wij allen honderd malen gehoord hebben. + +Het laatste gedeelte der speech viel in het water door het +hervatten der gevechten en andere vermakelijkheden onder sommigen +der ondeugendste jongens en door een zich wijd en zijd verspreidend +gefluister en gedraai, dat zelfs doordrong tot aan den voet van +ongenaakbare rotsen als Marie en Sid. Doch zoodra Mr. Walter's stem +hare diepste tonen liet hooren, hield elk geluid eensklaps op en het +eind der rede werd dankbaar, maar zwijgend begroet. + +Dit gefluister had zijne oorzaak te danken aan een min of meer +merkwaardig feit, het binnentreden van bezoekers. Deze waren de rechter +Thatcher, vergezeld van drie andere personen, t. w. een stumperig +oud mannetje, een zwaarlijvigen heer van middelbaren leeftijd met +grijsachtig haar, en eene deftige dame, blijkbaar de echtgenoote van +den dikken heer. De dame hield een klein kind bij de hand. + +Tom was den ganschen morgen onrustig en ontevreden op zichzelven +geweest en hij werd, telkens wanneer hij Amy Lawrence's oog ontmoette, +of haar van liefde getuigenden blik opving, door gewetenswroegingen +gekweld. Maar toen hij het meisje aan de hand der dame zag, klopte +zijn hart op eens van gelukzaligheid. In een oogenblik was hij met +al zijne macht aan het uitdeelen van klappen, plukharen, gezichten +trekken, in één woord, aan het gebruiken van die kunstgrepen, welke +hem geschikt voorkwamen om een meisje te bekoren en hare toejuiching +te winnen. En de reden van die opgetogenheid was--de herinnering aan +de vernedering in den tuin van zijn engel ondervonden. + +De bezoekers kregen de eereplaats, en zoodra de heer Walter +geëindigd had, stelde hij hen aan het schoolpersoneel voor. De man +van middelbaren leeftijd bleek een zeer gewichtig persoon te zijn, +niet minder dan een raadsheer,--in het kinderoog het meest verheven +wezen, dat ooit heeft bestaan. Zij waren dan ook meer dan verlangend +om te weten van wat voor stof hij gemaakt was en zaten half hoopvol, +half angstig te luisteren of zij hem ook zouden hooren brullen. Hij +kwam van Konstantinopel,--zeer ver van St. Petersburg; hij had dus +gereisd en de wereld gezien, ja; zijne oogen hadden het rechtsgebouw +der hoofdplaats aanschouwd, dat--zeide men--een koperen dak had. + +De doodelijke stilte en de rijen van starende oogen waren getuigen van +het ontzag, dat dit denkbeeld inboezemde. Hij was de groote raadsheer +Thatcher, de eigen broeder van hun rechter. Jeff Thatcher stond +dadelijk op om op gemeenzamen toon met den grooten man te spreken en +door de gansche school benijd te worden. Het zou als muziek in zijne +ooren geklonken hebben, indien hij het gefluister had kunnen verstaan. + +"Kijk eens, Jim! hij gaat naar hem toe! Kijk eens, hij geeft hem eene +hand, een _hand_! Wou jij niet, dat je Jeff was?" + +Intusschen was het geheele personeel bezig zijn best te doen, om +in een voordeelig licht te treden. De heer Walter trachtte "uit +te komen" door het verrichten van allerlei soort van luidruchtige +ambtsbezigheden, door orders te geven hier, straffen op te leggen +daar, en terechtwijzingen uit te deelen, waar de gelegenheid zich +maar voordeed. De bibliothecaris trachtte "uit te komen" door met +onmogelijke pakken boeken van het eene einde van het lokaal naar het +andere te loopen en door dat rumoer en die opschudding te maken, waarin +zulke lieden behagen scheppen. De leeraressen trachtten "uit te komen" +door zich vriendelijk tot de leerlingen voorover te buigen, die zij een +oogenblik te voren een oorveeg gegeven hadden, en door coquet kleine +vingertjes tegen stoute jongens op te heffen en de zoeten vriendelijk +op de schouders te kloppen. De ondermeesters trachtten "uit te komen" +door zachte vermaningen uit te deelen en door ander gezagsvertoon, +dat blijk moest geven van hun slag om de orde te handhaven. De kleine +jongens en meisjes trachten "uit te komen" door de lucht met proppen +papier en het geluid van schuifende voeten te vervullen. En boven +dit alles zat de groote man en liet een raadsheerlijken glimlach over +de geheele school gaan en koesterde zich in den zonneschijn van zijn +eigen grootheid, want ook hij trachtte "uit te komen." + +Er ontbrak nog slechts één ding, om des heeren Walters verrukking +tot haar hoogste volkomenheid te brengen--en dat was de kans om een +bijbelprijs uit te deelen en een wonder te vertoonen. Verscheidene +leerlingen bezaten een paar gele kaartjes, maar geen enkele had er +genoeg; hij was reeds bij de wonderkinderen onder zijn leerlingen rond +geweest en zou goud gegeven hebben om den Duitschen jongen eventjes +met gezonde hersenen terug te hebben. + +Juist op dit op ogenblik, toen alle hoop hem dreigde te ontvlieden, +kwam Tom Sawyer uit de bank met negen gele, negen roode en tien blauwe +kaartjes en verzocht om den bijbel. + +Dit was een donderslag uit een onbewolkten hemel! Uit dien hoek zou +Walter in geen tien jaar dergelijk blijk van naastigheid verwacht +hebben. Maar er was niets aan te doen;--daar lagen de bewijzen en +zij waren echt. Aan Tom werd daarom eene eereplaats aangewezen in +de nabijheid van den Raadsheer en de andere uitverkorenen, en het +groote nieuws werd in de hoofdkwartieren verspreid. Het was eene +verbazende verrassing, en de held werd tot des Raadsheers hoogte +verheven, zoodat de school in plaats van één wonder er twee te +aanschouwen kreeg. Al de jongens verteerden van afgunst, maar de +bitterste kwellingen verduurden de knapen, die te laat bemerkten, +dat zij tot dezen hatelijken luister hadden medegewerkt, door aan +Tom kaartjes te verkoopen voor de schatten, die hij met het witten +verdiend had. Dezen verachtten zichzelven als de _dupes_ van een +sluwen bedrieger, van een verraderlijken adder in het gras. + +De prijs werd aan Tom uitgereikt met al de loftuigingen, welke +de catechiseermeester onder de bestaande omstandigheden uit zijn +binnenste kon oppompen, doch waaraan slechts één ding ontbrak namelijk +waarheid, want de arme man voelde instinctmatig, dat hij hier voor +een geheim stond, hetgeen misschien het licht niet zien kon. Het was +de ongerijmdheid zelve, dat deze knaap een voorraad van twee duizend +schoven schriftuurlijke wijsheid had vergaard, aangezien ongetwijfeld +reeds een dozijn te veel voor zijne krachten geweest zou zijn. Amy +Lawrence was trotsch en verheugd en zij deed haar best Tom dit te doen +zien, maar hij wilde niet kijken. Dit verwonderde haar; zij werd een +weinig ongerust, kreeg toen een onbestemd gevoel van argwaan, dat kwam +en verdween en weer terugkwam, totdat een steelswijs geworpen blik +haar alles openbaarde. En toen brak haar hart en zij werd jaloersch +en boos; zij begon te schreien en haatte de geheele wereld, en Tom +met haar,--zoo dacht zij ten minste. + +Tom werd aan den Raadsheer voorgesteld, maar zijn tong kleefde hem aan +'t verhemelte. Zijn hart bonsde,--gedeeltelijk ten gevolge van de +angstwekkende grootheid van dien man, maar vooral omdat hij _haar_ +oom was. Indien het donker was geweest, zou hij wel op zijne knieën +hebben willen vallen om hem te aanbidden. De Raadsheer legde zijne hand +op Toms hoofd, noemde hem een aardig kereltje en vroeg hem, hoe hij +heette. De jongen stamelde, hijgde naar adem en stootte eindelijk uit: + +"Tom!" + +"Neen, niet Tom, niet waar? Gij heet....?" + +"Thomas!" + +"Juist. Maar er behoort _nog_ nog iets bij. Gij hebt toch ook een +geslachtsnaam, niet waar--en dien wilt gij mij immers wel mededeelen?" + +"Zeg mijnheer uw anderen naam, Thomas," zeide de heer Walter, +"en voeg er 'mijnheer' achter. Gij hebt toch manieren geleerd." + +"Thomas Sawyer, mijnheer." + +"Ziezoo, dat is een goede jongen. Een lieve jongen! Een aardig, +manhaftig kereltje! Twee duizend verzen is een groot aantal, Thomas, +een zeer groot aantal. Maar gij zult u nooit de moeite berouwen, +ze geleerd te hebben. Want kennis is meerder waard dan al wat deze +wereld ons geven kan, daar kennis ons groot en goed maakt. Gij zult +eens een groot en een goed man worden, Thomas, en dan zult gij op +het verleden terugzien en zeggen: Dat alles heb ik te danken aan +het voorrecht van in mijn jeugd de zondagsschool bezocht te hebben; +alles aan mijn brave meesters, alles aan den goeden catechiseermeester, +die mij aanmoedigde en mij een bijbel gaf, een prachtigen, sierlijken +bijbel, dien ik voorgoed mocht houden; alles aan mijne uitnemende +opvoeding. Dat zult gij eens zeggen, Thomas, en voor geen geld ter +wereld zult ge het genot willen missen deze twee duizend verzen in het +geheugen geprent te hebben,--neen, waarlijk niet. En nu zult gij mij +en deze dame wel iets willen mededeelen van hetgeen gij geleerd hebt, +want wij stellen groot belang in vlijtige jongens. Zonder twijfel +kent gij de namen der apostelen, niet waar? Wilt gij mij eens zeggen, +wie de twee eersten waren, die den Heer volgden?" + +Tom trok aan een der knoopen van zijn buis en keek den Raadsheer +bedremmeld aan. Hij bloosde en sloeg de oogen neder. Den heer +Walter zonk het hart in de schoenen. Hij wist, dat de jongen zelf de +eenvoudigste vraag niet beantwoorden kon. Waarom vroeg de Raadsheer +hem? Toch voelde hij zich verplicht te spreken en zeide: + +"Antwoord mijnheer, Thomas! Wees niet bang." + +Tom stond op heete kolen. + +"Ik weet zeker, dat gij het _mij_ wel zult willen zeggen," zeide de +dame. "De namen der twee eerste discipelen waren....?" + +"David en Goliath!" + +Laat ons over het overige van het tooneel meedoogend een sluier werpen. + + + + +HOOFDSTUK V. + + +Om halfelf begon de oude klok van het kleine stadje te luiden en +aanstonds stroomde de goede gemeente naar den morgendienst. De +kinderen van de Zondagsschool verspreidden zich in het gebouw en +bezetten de banken met hunne ouders, om behoorlijk onder toezicht te +zijn. Tante Polly kwam, gevolgd door Tom, Sid en Marie. Tom werd naast +de koorgang geplaatst, ten einde zoo ver mogelijk van het open raam +en de verleidelijke zomertooneelen daar buiten te wezen. De schare +trok op naar de zijvleugels; de oude en behoeftige postmeester, +die betere dagen gekend had; de Mayor en zijne vrouw,--want men had +te St. Petersburg, onder andere overtolligheden, ook een Mayor: +de kantonrechter; de knappe, opgedirkte, veertigjarige weduwe +Douglas, een goedhartige ziel die er warmpjes inzat en wier op den +heuvel gelegen heerenhuis het eenige paleis der plaats uitmaakt, +het onbekrompenste huis waarop St. Petersburg kon bogen, als 't op +feesten geven aankwam; de gebogen en eerwaardige burgemeester met +zijn echtgenoot; de advocaat Riverson, de nieuwe notabele; daarna de +_belle_ van het stadje, gevolgd door een troep met prachtige overhemden +pronkende hofmakers, toen eenige jeugdige stedelijke ambtenaren, die +op de knoppen hunner rottingen zuigende, in het voorportaal een ronden +muur van gepommadeerde en glimlachende bewonderaars hadden gevormd, +totdat het laatste meisje de _revue_ gepasseerd had; en eindelijk +de modeljongen, Willie Mufferson, die zoo zorgvuldig op zijn moeder +past. Hij vergezelde zijn mama altijd naar de kerk en was de trots +van alle matronen. De jongens echter haatten hem, omdat hij zoo braaf +was en nog meer omdat hij steeds als voorbeeld werd aangehaald. Zijn +witte zakdoek hing als iederen Zondag, toevallig uit den zak van +zijn buis. Tom had geen zakdoek; hij noemde het dragen van zulk een +weeldeartikel "kwasterig." + +Toen de gemeente vergaderd was, werd de klok nog eens geluid om +de tragen en talmend te waarschuwen, en daarop ontstond er een +plechtige stilte in de kerk, nu en dan afgewisseld door het gegiegel +en gefluister van de koorjongens op de galerij. Koorknapen giegelen +en fluisteren gewoonlijk den geheelen dienst door. Ik ken maar ééne +plaats, waar zulks het geval niet was, maar ik ben vergeten waar die +ligt. Het is ook vele, vele jaren geleden, sinds ik haar bezocht en ik +herinner mij er nauwelijks iets meer van; alleen ligt mij flauw bij, +dat het ergens in het buitenland was. + +De predikant gaf het gezang op en las het voor met innig zelfbehagen +en op een eigenaardige wijze, welke in die streek zeer bewonderd +werd. Zijne stem, begonnen in een gemiddelden toon, klom gestadig, +totdat zij een zeker punt bereikt had (meestal het voorlaatste woord +van den regel en plofte dan onmiddellijk als de straal van een fontein +naar beneden) aldus: + + bed + 't donzig | + leggen op | + omhoog en mij terneer, + worden naar 't bloedig + ik gedragen vaart op | +Zal en moeizaam | + strijdt | + den kampprijs meer? + een ander om +Terwijl + + +Hij werd beschouwd als een puikjuweel in de kunst van voorlezen. Op +godsdienstige bijeenkomsten werd hij altijd uitgenoodigd om te +reciteer en, en zoodra hij zijne stem verhief, sloegen de dames de +handen ineen, on ze daarna machteloos in haar schoot te laten vallen, +keken met zwemmende oogen naar boven en schudden het hoofd, als wilden +zij uitroepen: "Woorden kunnen het niet weergeven; het is te schoon, +te schoon voor deze wereld!" + +Nadat het lied gezongen was, nam de eerwaarde heer Sprague het bulletin +in de hand en las de kennisgeving voor van al de vergaderingen, +bijeenkomsten enz. die er in die week zouden plaats hebben, eene lijst +die tot den jongsten dag scheen te duren. Deze zonderlinge gewoonte +wordt nog altijd in Amerika gevolgd, zelfs in groote steden en in +een eeuw waarin het nieuwsbladen regent. 't Gebeurt echter meer, +dat een oud gebruik, naarmate het minder te rechtvaardigen is, te +moeielijker schijnt afgeschaft te kunnen worden. + +En nu begon de dominee te bidden,--een goed, grootmoedig gebed, waarin +niets werd overgeslagen. Hij bad voor de kerk en voor de kinderen der +kerk; voor de andere kerken der stad; voor de stad zelve; voor het +district; voor den Staat; voor die dienaars van den Staat; voor de +Vereenigde Staten; voor de kerken van de Vereenigde Staten, voor het +Congres; voor den President, voor de andere leden van de regeering; +voor de arme zeevaarders, die op onstuimige wateren geslingerd worden; +voor de millioenen, die onder Europeesche monarchie en Oostersche +dwingelandij zuchten; voor hen die, ofschoon in het licht van het +Evangelie geboren, geene oogen hebben om te zien en geene ooren om +te hooren; voor de heidenen op de verre eilanden in de zee;--en hij +eindigde met eene smeekbede, dat de woorden, die hij zou spreken, +in genade mochten worden aangenomen en als het zaad mochten zijn, +dat in vruchtbare aarde word geworpen en te zijner tijd een heerlijken +oogst van Godzalige vruchten zal afwerpen. Amen. + +Nu volgde een geruisch van japonnen en de staande vergadering ging +zitten. + +De knaap, wiens geschiedenis in dit boek verhaald wordt, putte geen +geestelijk genot uit de preek; hij droeg die als een kruis--en niet +altijd met geduld. Hij deed zijn best om stil te zitten en hield +onbewust aanteekening van al de bijzonderheden, waarin de preek +afdaalde; want ofschoon hij niets met aandacht volgde kende hij het +terrein en den weg, dien den predikant nam, sedert lang,--en wanneer +er maar iets nieuws werd ingelascht, ontdekte dat zijn oor, en zijn +gansche gemoed kwam er tegen in opstand. Elke toevoeging was in zijne +schatting oneerlijk en schelmachtig. + +Midden onder de preek, had een vlieg zich achter tegen de vóór hem +staande bank neergezet en dat beestje werd eene kwelling voor zijne +ziel. Het wreef zich de pootjes zoo kalm tegen elkaar, en nam zijn +kopje tusschen de voorpooten en poetste dat met zooveel geweld, dat +dit lichaamsdeel op het punt scheen den romp vaarwel te zeggen en het +nekje, als een draad te kijken kwam; het schuurde zijn vleugeltjes met +de achterpootjes en streek die zoo glad tegen het lichaam, alsof ze de +panden waren van een rok en maakte zijn toilet zoo rustig, alsof het +wist dat het volkomen veilig was. En dat was het ook; want ofschoon +Toms handen jeukten om het te grijpen, durfde hij dit niet ondernemen, +daar hij in de overtuiging leefde, dat hij verloren was, wanneer hij +zoo iets deed, terwijl het gebed aan den gang was. Maar toen dit op een +eind liep, begon zijn hand zich te krommen en ging zachtjes vooruit; +en zoodra het "amen" weerklonk, was de vlieg krijgsgevangen. Doch +tante ontdekte het en liet Tom haar de vrijheid hergeven. + +De dominee las een tekst voor en was in zijn preek zóó eentonig en +droog, dat menig hoofd zich te sluimeren neigde,--en toch spuwde hij +in zijne rede vuur en vlam en dreigde het uitverkoren Godsvolk met +hel en verdoemenis. Tom had de gewoonte de bladen van de preek na +te tellen. Na kerktijd was 't hem altijd bekend hoeveel pagina's er +omgeslagen waren doch meestal was dat ook het eenige, wat hij van +de rede onthouden had. Ditmaal echter werd zijn aandacht voor een +kort oogenblik geboeid. De predikant schetste prachtig en treffend +hoe het zijn zou in den welaangenamen tijd van het duizendjarig rijk, +als de leeuw en het Lam te zamen zouden nederliggen en een klein kind +hen zou leiden. Maar het verhevene, de leering en de moraal van dat +grootsche schouwspel gingen voor den knaap verloren; hij dacht alleen +aan de heerlijkheid van het tooneel voor de toeschouwende natiën; +en zijn gelaat glansde van verrukking bij het denkbeeld, dat hij dat +kind mocht zijn,--zoo de bedoelde leeuw maar een tamme was. + +Toen evenwel het dorre hoofdonderwerp weer werd opgevat, verviel hij +opnieuw in een toestand van duldend dragen. Op eens schoot hem in +de gedachten, dat hij een schat bij zich had en deze werd voor den +dag gehaald. Het was een groote zwarte kever, met een puntigen bek, +dien hij met den naam van "bijtende tor" bestempelde. Die "bijtende +tor" was geborgen in een percussie-doos. Zoodra de doos openging, +pakte de kever hem bij den vinger en beet hem. Daarop werd het beest +natuurlijk weggeknipt en de kever vloog door de kerk en viel daarna +op den rug, terwijl Tom den zeeren vinger in den mond stak. + +Intusschen bleef het diertje hulpeloos liggen, buiten staat zich om +te keeren. Tom oogde hem met een blik vol verlangen na, maar de kever +was buiten zijn bereik. Andere lieden, wier gedachten van de preek +afgedwaald waren, vonden eene gewenschte afleiding in den kever en +gingen eveneens diens bewegingen gadeslaan. + +Daar kwam eensklaps druipstaartend en met hangende ooren, een +verdwaalde poedel de kerk binnensluipen. Hij ziet den kever; de +neerhangende staart gaat in de hoogte en begint te kwispelen. Hij neemt +den buit in oogenschouw, loopt er omheen, beruikt hem op behoorlijken +afstand, loopt er nog eens omheen, wordt moediger en beruikt hem iets +meer van nabij, opent zijn bek, waagt behoedzaam een poging on hem te +grijpen en mist zijn doel, waagt een tweede poging, daarna een derde, +begint er schik in te krijgen, tracht den kever tusschen zijne pooten +te vangen, maar wordt moede van het vruchteloos werk en gaat er bij +zitten. De slaap bevangt hem; hij laat den kop hangen en zoetjes aan +sukkelt zijn kin naar beneden, totdat zij met den puntigen bek in +aanraking komt en een beet krijgt van het dier. Daarop volgt een luid +gejank, eene snelle beweging van poedels kop en de kever vliegt weg, +on terstond weder op zijn rug terecht te komen. + +De in de buurt zittende toeschouwers schudden inwendig van het +lachen. Verscheidene gezichten werden achter waaiers of in zakdoeken +verborgen en Tom zat zich bovenmate te verkneuteren. De hond zag er +uit, alsof hij niet wist hoe hij het had, en wist dat waarschijnlijk +ook niet. Er was toorn in zijn hart en hij dorstte naar wraak. Daarom +ging hij nogmaals naar den kever toe en hernieuwde omzichtig den +aanval, sprong gedurig in een cirkel op hem toe, trachtte hem op +een duimbreeds afstand met zijne voorpooten te pakken, hapte naar +hem en gooide met zijn kop, totdat hij er duizelig van werd. Weldra +echter werd hij het spelletje moe en zocht hij zich met een vlieg +te vermaken. Toen vervolgde hij, met zijn neus vlak op den grond, +een mier en kreeg ook daar al heel spoedig zijn bekomst van; hij +gaapte, zuchtte, vergat den kever en--ging er op zitten! Geen seconde +later verhief zich een oorverdoovend geblaf in de kerk en de hond +rende door het ruim. Het geblaf hield aan en de hond bleef aan 't +rennen; hij vloog dwars door de kerk heen, langs den eenen vleugel, +toen weer naar den anderen vleugel, liep voor de deuren op en neer, +jankte luide alsof hij voor zijns meesters huis stond en wenschte +binnengelaten te worden. Zijn angst nam toe, naarmate hij rondliep, +totdat hij een komeet geleek, die met de snelheid van het licht +schitterend voortholt op haar baan. Eindelijk staakte het razende +dier zijn woeste vaart en sprong op den schoot zijns meesters, die +hem uit het venster wierp, en het geluid der klagende stem verzwakte +on eindelijk in het verschiet weg te sterven. + +Intusschen zat de geheele kerk met gloeiende wangen en bijna stikkende +van het lachen, dit tooneel aan te staren en de dominee moest zijn +redevoering voor een oogenblik staken. De preek werd weder hervat, +maar zij ging gebrekkig en hakkelend voort, en alle pogingen om indruk +te maken waren vergeefs. Zelfs de ernstigste zaken werden met eene +onderdrukte uitbarsting van zondige vroolijkheid door de achter den +rug der banken wegschuilende vergadering aangehoord, alsof de arme +man iets bijzonders grappigs had verteld. + +Het was eene ware verlichting voor de gansche gemeente, toen de +vuurproef doorgestaan en de zegen uitgesproken was. Tom verliet +vroolijk en opgewekt het godshuis en overlegde bij zichzelf, dat +kerkgaan nog zoo vervelend niet was, indien er, zooals vandaag, eene +kleine afwisseling in kwam. Er was maar ééne gedachte, die hem kwelde: +hij had er niet tegen, dat de hond met de kever speelde doch hij vond +het valsch van den poedel dat hij hem meegepakt had. + + + + +HOOFDSTUK VI. + + +De maandagmorgen vond Tom diep ellendig. Dat deed elke maandagmorgen, +omdat dan weder het slepend lijden van zes dagen schoolgaan +volgde. Gewoonlijk begon hij dien dag met den wensch, dat er toch +geene tusschenbeide komende vacantiedagen mochten zijn, daar deze +den gang naar de boeien en de slavernij nog hatelijker maakten. + +Tom lag te denken, en het verlangen kwam bij hem op dat hij ziek +mocht worden, opdat hij tehuis kon blijven. Zou dat onmogelijk +zijn? Hij voelde overal of er ook een plekje zeer deed, maar alles +was gezond. Toch meende hij verschijnselen van buikpijn te ontdekken +en dadelijk werden alle zeilen bijgezet on die ongesteldheid te +bevorderen. Maar helaas! zij verminderde ras en verdween allengs geheel +en al. Hij pijnsde verder. Een van de boventanden zat los. Dat was een +buitenkansje. Juist wilde hij uit al zijn macht gaan kreunen, toen het +hem in de gedachten schoot, dat, wanneer hij met die smart voor den +dag kwam tante den tand zou uittrekken en dat pijn zou doen. Daarna +besloot hij voor het tegenwoordige den tand als noodschot te bewaren +en verder te zoeken. Eerst deed zich niets op, doch daar herinnerde +hij zich, den dokter te hebben hooren spreken over eene ziekte, +waarbij een patiënt twee of drie weken te bed moest liggen en die +somtijds eindigde met iets wat hij het koudvuur genoemd had. Toms +groote teen had hem zeer gedaan; misschien kon dat wat geven. Gretig +trok hij dien dan ook onder de dekens uit en hield hem in de hoogte, +on hem te onderzoeken. Ofschoon hij de verschijnselen van de kwaal +niet kende, dacht hij dat het toch wel de moeite waard was het eens +te wagen en begon bitter te steunen. + +Maar Sid sliep door. + +Tom steunde harder en verbeelde zich, dat hij werkelijk pijn begon +te gevoelen. + +Sid bleef onbeweeglijk liggen. + +Tom ging met de uiterste inspanning aan het beven en trillen. Hij +hield zijn adem in, blies zich op en bracht eene reeks van uitmuntend +nagebootste zuchten voor den dag. + +Sid snorkte door. + +Tom was ten einde raad. Ten laatste riep hij uit: "Sid, Sid!" en +schudde zijn stiefbroeder uit alle macht. + +Dit hielp en Tom hervatte zijn steunen. Sid gaapte, rekte zich uit, +verhief zich snorkend op zijn elleboog en begon Tom aan te staren. Tom +steunde al door, totdat Sid riep: + +"Tom! zeg eens.... Tom!" + +Geen antwoord. + +"Och Tom! Tom! wat scheelt er aan, Tom?" En hij greep hem bij den +arm en zag hem angstig aan. + +Tom jammerde: "O Sid, houd op, schud me niet zoo hard!" + +"Zeg, wat scheelt er aan, Tom? Ik zal tante roepen." + +"O, neen! Doe dat niet!" + +"Jawel! Ach, steun zoo niet, Tom! 't Is zoo vreeselijk. Hoe lang heb +je al zoo gelegen?" + +"Al uren. Ai, o! maak niet zoo'n beweging, Sid; je zult me vermoorden." + +"Tom, waarom heb je me niet eer geroepen? O, Tom, houd op. Ik kan +het niet meer aanhooren, Tom, wat scheelt er aan?" + +"Ik vergeef je alles, Sid, (gesteun).... alles wat je ooit tegen me +misdreven hebt. Als ik zal heen...." + +"O, Tom, gij gaat toch niet sterven, niet waar? Och, doe het niet, +Tom. Misschien...." + +"Ik vergeef iedereen, Sid, (gesteun). Zeg hun dat Sid. En, Sid, geef +het raamkozijn en mijn kat aan het nieuwe meisje, dat hier is komen +wonen en zeg haar...." Maar Sid had zijne kleeren al aangeschoten en +was de kamer uit. Tom had nu wezenlijk pijn, dusdadig had hij zijne +verbeelding laten werken en zoo was het geluid van zijn gekerm der +waarheid nabij gekomen. + +Sid ijlde de trappen af en zeide: + +"O Tante Polly, Tom gaat sterven." + +"Sterven?" + +"Ja, wacht niet; kom gauw mede." + +"Onzin! Ik geloof er niets van." + +Desniettemin vloog zij doodsbleek en met bevende lippen de trappen +op en Sid en Marie achter haar aan. + +Toen zij voor het ledikant stond, bracht zij met moeite uit: + +"Tom, wat scheelt er aan?" + +"O, lieve tante, ik...." + +"Wat scheelt er aan? Wat heb je, kind?" + +"O, lieve Tante, ik heb het koudvuur in mijn zieken teen." + +De oude dame viel in een stoel neder, begon te lachen, toen te +schreien, eindelijk beide te gelijk. Dat bracht haar tot zichzelve +en zij zeide: + +"O, Tom, wat een poets heb je me gebakken! Wil je eens gauw met die +malligheid ophouden en je bed uitstappen!" + +Het gekreun hield op en de pijn verdween. De knaap was een weinig +met zijn figuur verlegen en zeide: + +"Tante Polly, het was een gevoel van koudvuur en het deed zoo'n pijn, +dat ik zelfs mijn lossen tand vergat." + +"Je tand, kind? Wat scheelde er aan je tand?" + +"Er is er een los en die doet mij vreeselijk zeer." + +"Nu, begin maar niet weer te kreunen. Doe je mond eens open. Ha, +de tand _is_ los, maar daar zul je niet aan sterven. Marie, haal een +zijden draad uit mijn werkdoos." + +"O tantelief, trek hem als 't u belieft niet uit. Hij doet mij niets +geen zeer meer. Och, als 't u belieft, doe het niet, tantelief! Ik +zal heusch naar school gaan!" + +"Zoo, naar school gaan! Dus was al dat lawaai in de hoop van thuis +te blijven en te gaan visschen! Tom, Tom, ik houd zooveel van je en +je schijnt op alle manieren te beproeven of je mijn oud hart ook door +je schandelijke ondeugendheid kunt breken." + +Onderwijl was het trekinstrument binnengebracht. De oude dame maakte +het eene eind van den zijden draad aan Toms lossen tand vast en bond +het aan den beddenpost. Toen sloeg zij er hard midden op en in een +oogenblik hing de tand aan het ledikant te bungelen. + +Alle rampen brengen hunne lichtzijde mede. Toen Tom na het ontbijt +naar school ging, werd hij door alle jongens benijd om de holte in +zijn bovenste rij tanden, die hem in staat stelde op een nieuwe en +wonderlijke wijs te spuwen. Weldra had hij een stoet jongens on zich +heen, en een van hen, die zich in den vinger gesneden had en tot dit +oogenblik het mikpunt van bewondering en huldebetoon geweest was, +had geen enkelen aanhanger meer en voelde dat hij zijn roem had +overleefd. Hij was diep gekrenkt en zeide op verachtelijken toon, +dat er geen kunst aan was om te spuwen als Tom Sawyer. Maar een andere +jongen riep iets van druiven die zuur waren en hij liep mismoedig heen. + +Kort daarop kwam Tom den jeugdigen paria van het stadje, Huckleberry +Finn, den zoon van den stadsdronkaard, tegen. Huckleberry werd met hart +en ziel door al de moeders van de plaats gehaat, omdat hij zoo lui en +morzig was--en voornamelijk omdat hunne kinderen hem zoo bewonderden +en er behagen in schepten, heimelijk het verbod van met hem om te gaan, +te overtreden en van harte wenschten den moed te hebben te zijn zooals +hij. Tom benijdde Huck evenals alle andere ordentelijke jongens, maar +had den bepaalden last om niet met hem te spelen. Daarom juist deed +hij dat telkens, wanneer de gelegenheid zich voordeed. Huckleberry +droeg altijd de afgedragen pakken van volwassenen en deze hingen +doorgaans van scheuren en lappen aan elkaar. Zijn hoofd was meestal +gedekt met een ingedrukten hoed, welks rand er als een halve maan +bijfladderde. Zijn jas, wanneer hij er een droeg, hing hem bijkans +op de hielen en de achterknoopen zaten menigmaal een eind onder zijn +rug. Zijn broek werd door één bretel opgehouden en het kruis van dat +kleedingstuk zat dikwijls ter hoogte van zijn kuiten. Zijn gerafelde +kousen sleepten, als zij niet omgerold waren, bijna altijd in de +modder. Huckleberry deed wat hij verkoos. Bij mooi weer sliep hij +op de stoepen, bij slecht weer in leege vaten. Hij behoefde school +noch kerk te bezoeken, niemand meester te noemen en geen mensch te +gehoorzamen. Hij mocht gaan visschen en zwemmen, wanneer en waar hij +verkoos en zoolang uitblijven als hem goeddacht. Niemand verbood hem +ooit om te vechten, hij kon zoo laat opblijven als het hem behaagde, en +hij was altijd de eerste die in het voorjaar op bloote voeten liep, en +de laatste die ze in het najaar in leder stak. Hij mocht naar hartelust +vloeken. Hij behoefte zich nooit te wasschen en nooit schoone kleeren +aan te trekken. In één woord, hij mocht alles doen en laten wat het +jongensleven aangenaam maakt. Zoo dachten ten minste al de gedrilde, +aan banden gelegde, fatsoenlijke jongens van St. Petersburg. + +Tom hield den romantischen verschoppeling staande met den uitroep: + +"Hola, Huckleberry, wat heb je daar?" + +"Een doode kat." + +"Laat kijken, Huck. Zij is goed stijf. Waar heb je die vandaan +gehaald?" + +"Geruild van een jongen." + +"Wat heb je er voor gegeven?" + +"Een blauw kaartje en een blaas, die ik in het slachthuis gekregen +had." + +"Hoe kwam je aan dat blauwe kaartje?" + +"Voor veertien dagen van Ben Rogers gekocht voor een hoepelstok." + +"Zeg eens; waar zijne doode katten eigenlijk goed voor?" + +"Goed voor? Om wratten weg te maken." + +"Wat? Wezen? Ik weet iets, wat nog beter is." + +"Wedden dat je het niet weet? Wat is het dan?" + +"Wel, water uit vermolmd hout." + +"Water uit vermolmd hout! Ik geef geen cent on water uit vermolmd +hout!" + +"Niet? Heb je het dan nooit geprobeerd?" + +"Neen, ik niet, maar Bob Tanner wel." + +"Wie heeft je dat gezegd?" + +"Wel, hij zei het aan Jeff Hatcher en Jeff aan John Baker en John +Baker aan Jim Hollis en Jim Hollis aan Ben Rogers en Ben Rogers aan +een neger en de neger aan mij. Wat heb je nou nog te zeggen?" + +"Wat ik te zeggen heb? Dat ze 't allemaal liegen. Van allen weet ik +het zeker, behalve van den neger, want dien ken ik niet. Maar ik heb +nog nooit een neger gezien, die niet loog. Nu, vertel mij dan eens, +hoe Bob Tanner het gedaan heeft?" + +"Wel, hij stak zijn hand in een hollen boom, waarin regenwater was." + +"Over dag." + +"Zeker." + +"Met zijn gezicht naar den boomstam gekeerd?" + +"Ja, dat denk ik ten minste wel." + +"Zeide hij er niets bij?" + +"Dat geloof ik niet,--maar ik weet het niet zeker." + +"Och wat,--loop been! Wie neemt op zoo'n bespottelijke manier wratten +weg! Je moet het heel anders doen. Je gaat zelf naar het bosch toe, +waar je weet dat een holle boom staat met water er in, en tegen +middernacht ga je met je rug naar- en met je hand in de holte staan +en zegt: + +"Gerstekorrel, gerstekorrel, breng meel in 't vat, Molm-water, +molm-water, verteer de wrat," + +En dan ga je gauw elf passen achteruit, en dan keer je je driemaal +om en je gaat naar huis zonder een woord tegen iemand spreken. Want +als je spreekt is de betoovering voorbij. + +"Nu dat klinkt mooi, maar zoo heeft Bob Tanner het niet gedaan." + +"Neen, man, je kunt er gerust op zijn, dat hij 't zoo niet heeft +gedaan, omdat niemand in de stad zoo vol wratten zit als hij; en hij +zou geen enkele wrat hebben als hij wist hoe je met water uit vermolmd +hout werken moet. Ik heb op die manier wel duizend wratten van mijn +handen doen verdwijnen. Ik speel zooveel met kikkers, dat ik altijd +een hoop wratten krijg. Soms maak ik ze weg met een groote boon." + +"Ja, eene groote boon is goed. Dat heb ik ook wel gedaan." + +"Zoo? Hoe moet het dan gedaan worden?" + +"Je neemt een boon en splijt die en dan maak je een snede in de wrat, +dat er een beetje bloed uitkomt, en dan leg je dat bloed op een stukje +van de boon, en dan graaf je een gat in den grond en daarin leg je 't +stukje in den nacht bij maneschijn, op een kruisweg, en dan verbrand +je de rest van de boon. En dan gaat het stuk boon, dat het bloed +ingezogen heeft, aan het trekken en trekken, on het andere stuk meester +te worden, en dan helpt het bloed de wrat en deze valt spoedig af." + +"Ja, dat is waar, hoewel je er onder het begraven bij moet voegen: +'Weg, boon, weg, wrat, kom me niet meer plagen.' Zoo doet Joe Harper +het ten minste. Maar hoe genees jij ze met doode katten?" + +"Wel, je neemt je kat en gaat tegen middernacht naar het kerkhof, naar +een plaats, waar een slecht mensch begraven ligt. Precies om twaalf +uur komt er een duivel, misschien wel twee of drie: en die nemen dat +slechte mensch mee. Maar die duivels kun je niet zien. Je hoort ook +niets dan een geluid als van den wind, hetgeen beduidt dat ze met +elkaar praten. En als de duivel dien slechten man heeft meegepakt, +moet je de kat in de lucht zwaaien en zeggen: + +"Duivel, volg het lijk; kat, volg den duivel; wrat, volg de kat; +ik wil niets meer met je te doen hebben." Dat neemt elke wrat weg." + +"Het klinkt mooi, maar heb je het wel eens geprobeerd, Huck?" + +"Ik niet, maar moeder Hopkins heeft het mij gezegd." + +"Dan zal het wel waar zijn, want ze zeggen, dat ze een tooverkol is." + +"Zeggen? Wel, Tom, ik _weet_, dat zij er een is. Ze heeft Pap +betooverd. Pap heeft het me zelf verteld. Op een dag kwam hij haar +tegen, en hij bemerkte, dat ze hem betooverde. Toen nam hij een steen, +en als zij niet uit den weg was gegaan, had hij haar doodgegooid. Nu, +dien eigen nacht rolde hij van een vliering, waarop hij dronken lag +te slapen naar beneden, en brak zijn arm." + +"Hè, dat is verschrikkelijk. Hoe weet hij, dat zij hem betooverde?" + +"Hemel, dat moet Pap je zelf vertellen. Pap zegt: als ze je stijf +aankijken, dan betooveren ze je, vooral als ze mummelen, omdat ze +dan het 'Onze Vader' 't achterste voor opzeggen." + +"Zeg eens, Huck, wanneer ga jij het met de doode kat probeeren?" + +"Van nacht. Ik geloof, dat de duivels den ouden Hol Williams van +nacht komen halen." + +"Maar hij is Zaterdag al begraven, Huck. Hebben zij hem dan Zaterdag +niet weggehaald?" + +"Wat dacht je?--Op Zondag?--De duivels loopen 's Zondags niet rond, +zou je denken." + +"Dat wist ik niet. Laat mij meegaan." + +"Goed,--als je niet bang bent." + +"Bang!--Nou nog mooier. Zul je om elf uur tegen het raam miauwen?" + +"Ja, en dan moet jij terug-miauwen en niet doen zooals den laatsten +keer. Toen heb ik voor dat raam staan schreeuwen, tot dat de +nachtwacht me met een steen gooide en riep: 'Dat is voor jou, ouwe +kat!' Natuurlijk smeet ik toen een kei door zijn raam, maar dat mag +je niet vertellen." + +"Neen. Dien nacht kon ik het niet doen, omdat tante me stond te +bespieden; maar ik zal dezen keer miauwen. Zeg eens, Huck, wat heb +je daar?" + +"Niets dan een schallebijter." + +"Waar heb je dien vandaan gehaald." + +"Uit het bosch." + +"Waarvoor geef je hem?" + +"Ik weet het niet. Ik heb geen plan on hem te verkoopen." + +"Ook al goed. 't Is in alle geval een erg klein beestje." + +"O 't is gemakkelijk aanmerkingen op een schallebijter te maken, +die je niet toebehoort. Ik ben er mede tevreden; hij is groot genoeg +voor mij." + +"O, er zijn schallebijters genoeg. Ik kan er wel duizend krijgen, +als ik wil." + +"Wel, waarom vang je ze dan niet? Omdat je verduiveld goed weet, +dat je niet kunt. Dit is een bijzonder vroege schallebijter: het is +de eerste, dien ik dit jaar gezien heb." + +"Zeg eens, Huck, ik zal er je mijn tand voor geven." + +"Laat dien eens kijken." + +Tom haalde een stukje papier voor den dag en ontrolde dat voorzichtig, +en Huckleberry onderzocht den tand nauwkeurig. De verleiding was zeer +sterk. Eindelijk zeide hij: + +"Is hij echt?" + +Tom toonde de open plek in zijn mond. + +"Akkoord," zeide Huckleberry, "de koop is gesloten." + +Tom sloot den schallebijter in de percussiedoos, waarin onlangs +de tor gevangengezeten had en de knapen namen afscheid van elkaar, +beiden gelukkig in het bezit van een nieuwen schat. + +Tom bereikte het kleine eenzame schoolgebouw, waar hij met veel lawaai +binnenstapte, hing zijn hoed aan een kapstok en ijlde naar zijne +plaats. De meester, door het gebrom van 't lessen leeren slaperig +geworden, was op zijn hoogen matten stoel ingesluimerd. Doch hij werd +door de stoornis gewekt en riep uit: + +"Thomas Sawyer!" + +Tom wist, dat, wanneer zijn naam voluit genoemd werd, er onweer aan +de lucht was. + +"Mijnheer." + +"Kom hier bij mij staan. Zeg mij eens: waarom zijt ge weer zoo laat?" + +Tom was op het punt zijne toevlucht tot een leugen te nemen, toen +hij langs een paar fijne schoudertjes, twee lange blonde vlechten +zag hangen, die hij dadelijk herkende als toebehoorende aan Becky +Thatcher en naast die vlechten was de _eenige ledige plaats_ aan de +meisjeskant. Oogenblikkelijk zei hij: + +"Ik heb met Huckleberry Finn staan praten!" + +De pols van den meester stond stil en hij zelf staarde verbijsterd in +het rond. Het gebrom van 't leeren hield op en de leerlingen dachten, +dat de overmoedige jongen krankzinnig was geworden. De meester zeide: + +"Gij--gij deedt--wat?" + +"Praten met Huckleberry Finn." + +Hij had niet misverstaan. + +"Thomas Sawyer, dit is de meest vermetele bekentenis die ooit mijne +ooren vernamen. Dat kan met de roede alleen niet afgedaan worden. Trek +uw buis uit." + +Des meesters arm deed zijn plicht, totdat hij niet meer kon en de +bundel teenen, waaruit de roede bestond, aanmerkelijk verminderd +was. Daarop werd het bevel uitgevaardigd: + +"Ga nu bij de _meisjes_ zitten! En laat dit u een waarschuwing zijn." + +Het gegiegel, dat in het vertrek vernomen werd, scheen den jongen +verlegen te maken, doch in werkelijkheid verbijsterde hem de +aanmoediging van zijn blonden afgod en het met smart vermengd genoegen, +dat hij aan zijn gelukkig gesternte te danken had. Hij ging op den +hoek van de bank zitten, en het meisje kroop zoo ver mogelijk van hem +af. Hierop volgde een gestoot, gewenk en gefluister, waaraan Tom zich +echter niet stoorde. Integendeel hij bleef stil zitten, met de armen +op den langen, lagen lessenaar? en scheen in zijn boek verdiept te +zijn. Gaandeweg werd de aandacht van hem afgeleid en de duffe atmosfeer +werd weder van het gewone schoolgegons vervuld. Nu en dan begon de +knaap tersluiks blikken op het meisje te werpen. Zij bemerkte het, +zette een nuffig gezichtje tegen hem op, en liet hem een minuut lang +haar rug zien. Toen zij voorzichtig nog eens omkeek lag er een perzik +voor haar. Deze werd weggeduwd. Tom legde de vrucht zachtjes weder +voor haar; zij werd nogmaals weggeduwd, maar dezen keer op minder +heftige wijze. Tom legde geduldig de perzik ten derden male voor +het meisje en de vrucht bleef liggen. Toen krabbelde hij op de lei: +"Neem haar, als het u blieft; ik heb er meer." + +Het meisje keek naar die woorden, doch hield zich stil. Daarna begon +de knaap iets op de lei te teekenen en bedekte zijn werk met de +linkerhand. Een tijdlang deed het meisje alsof zij er niet op lette; +maar hare vrouwelijke nieuwsgierigheid begon zich door nauw merkbare +teekenen te verraden. De jongen werkte door, schijnbaar zonder er +acht op te slaan. Het meisje trachtte te zien wat hij er op zette, +maar de jongen hield zich alsof hij er niets van bemerkte. Eindelijk +zwichtte zij en fluisterde aarzelend: + +"Laat mij eens kijken." + +Tom liet een gedeelte zien van een caricatuur van een huis, met +een dubbelen gevel en een wolk van rook, die in den vorm van een +kurketrekker uit den schoorsteen opsteeg. Dit was voldoende voor +het meisje om haar gansche belangstelling aan het werk te schenken +en zij vergat alles on zich heen. Toen het af was, keek zij Tom een +oogenblik aan en fluisterde: + +"Het is mooi!--Teeken nu een mannetje." + +De kunstenaar deed een man op den voorgrond verrijzen, die sprekend +op een toppenant geleek, welke over het huis zou hebben kunnen +heenstappen, maar het meisje was niet kieschkeurig. Zij was tevreden +met het monster en fluisterde: "Het is een mooie man; teeken mij er +nu naast." + +Tom schetste een zandlooper, met een gezicht als een volle maan en +een lichaam zoo dun als een stroohalm, en wapende de uitgespreide +vingers met een verbazend grooten waaier. Het meisje zeide: + +"'t Is prachtig.--Ik wou, dat ik ook kon teekenen." + +"Het is niet moeielijk," fluisterde Tom. "Ik zal 't je leeren." + +"O, als je blieft.--Wanneer?" + +"Van middag. Ga je om twaalf uur naar huis om te eten?" + +"Ik kan ook wel hier blijven, als je dat wilt." + +"Goed; dat zal prettig zijn. Hoe heet je?" + +"Becky Thatcher." + +"En jij?--O, ik weet het, jij heet Thomas Sawyer." + +"Dat is de naam, waarmee ik slaag krijg. Ik heet Tom, als ik goed +oppas. Jij zult me Tom noemen, niet waar?" + +"Ja." + +Daarop begon Tom iets op de lei te krabben, dat hij voor het meisje +verborg. Doch zij was er nu vlugger bij en verzocht Tom het te +mogen zien. + +"Och, het is niets." + +"Jawel." + +"Neen, het is niets; je behoeft het niet te zien." + +"Jawel, ik moet het zien. Och toe, als je blieft." + +"Ja, maar zul je het niet over vertellen?" + +"Neen, zeker niet. Op mijn woord van eer niet." + +"Zul je het niemand vertellen, zoolang als je leeft?" + +"Neen, ik zal het niemand vertellen. Laat me nou kijken." + +"Och, je moogt het niet zien." + +"Nu je me zóó behandelt, _wil_ ik het zien, Tom,"--en zij legde +haar handje vlak op het zijne, waarop eene kleine schermutseling +ontstond. Tom deed alsof hij in ernst weerstand bood, maar liet zijne +hand van lieverlede glippen, totdat deze woorden openbaar werden: +"Ik heb u lief." + +"O, ondeugende jongen." En zij gaf hem een lief, klein klapje op de +hand, bloosde en keek toch verheugd. + +Op datzelfde oogenblik voelde de knaap zich door iemand langzaam bij +de ooren pakken en met kracht ophijschen. In die houding werd hij door +het lokaal gedragen en, onder de brandende pijn van het gemeesmuil der +geheele school, op zijn eigen plaats neergezet. Toen bleef de meester +gedurende een paar vreeselijke minuten vóór hem staan, en verhuisde +eindelijk weder zonder een woord te spreken naar zijn troon. En Tom, +ofschoon zijn ooren suisden, juichte in zijn hart. + +Toen de school tot rust was gekomen, deed Tom eene oprechte poging +om te leeren, maar de verwarring in zijn hoofd was te groot. Op +zijn beurt nam hij deel aan de leesles en brabbelde verschrikkelijk; +daarna aan de aardrijkskundige les en maakte van meren bergen, van +bergen rivieren en van rivieren landen, totdat de aarde weer een +chaos geworden was; eindelijk ook aan de spel-les, maar daarvan kon +hij niets maken en zóó verspeelde hij zijn onderscheidingsteeken, +dat hij met zooveel trots maanden lang had gedragen. + + + + +HOOFDSTUK VII. + + +Hoe meer Tom zijn best deed on zijne gedachten bij zijn boek te houden, +des te meer dwaalden zij af, totdat hij het ten laatste zuchtende en +gapende opgaf. Het was hem alsof de middag-vacantie nooit zou komen. 't +Was doodstil. De atmosfeer waarin hij ademde, scheen den eeuwigen slaap +ingesluimerd te zijn. 't Was de heetste van al de heete zomerdagen, +en het gebrom van vijf en twintig studeerende scholieren had een even +slaapwekkenden invloed als het gegons van een bijenzwerm. + +In de verte, in den glans van den zonneschijn, verhieven zich door +een lichten, doorschijnenden sluier van warmen zomerdamp, dien de +afstand met purper had getint, de groene heuvelen van Cardiff. Een +enkele vogel zweefde op trage vleugelen hoog in de lucht, en verder +was er geen levend wezen te zien, behalve eenige koeien en ook +die waren ingedommeld. Tom snakte naar vrijheid en naar iets dat +hem genoeg belangstelling inboezemde on de vervelende uren door te +worstelen. Hij liet zijne hand in zijn zak glijden en een gloed van +dankbaarheid, welke zich, zonder dat hij er zich zelf van bewust was, +in een gebed uitte, overtoog zijn omhooggekeerd gelaat. Daar kwam +tersluiks de percussiedoos voor den dag. Hij liet een schallebijter +los en zette dien op de lage, platte lessenaar. Het beestje was niet +minder erkentelijk dan Tom, doch zijne blijdschap bleek wat voorbarig +te zijn geweest, want toen het dankbaar pogingen deed om te ontkomen, +legde Tom het, met behulp van een speld, op den rug en dwong het een +anderen weg te nemen. + +Tom had zijn boezemvriend naast zich, die onder hetzelfde leed +gebukt ging als zijn makker en, vol vreugde over de afleiding, +oogenblikkelijk een warme belangstelling in deze vermakelijkheid aan +den dag legde. Die boezemvriend was Joe Harper. De beide jongens +waren de gansche week door verklaarde vrienden, maar 's Zaterdags +meestal geslagen vijanden. Joe nam een speld uit de panden van zijn +buisje en begon de behulpzame hand te bieden om het diertje mores te +leeren. Het spel werd terstond hoogst belangwekkend. Spoedig verklaarde +Tom, dat zij met elkaar in botsing kwamen en daardoor geen van beiden +iets aan den schallebijter hadden. Hij nam Joe's lei en trok een lijn +op de lessenaar van boven naar beneden. + +"Nu," zeide hij, "zoolang hij op uw grondgebied blijft, moogt gij hem +prikken, en ik zal er mij niet mede bemoeien, maar als hij aan mijne +zijde komt, moet ge hem met vrede laten, zoolang ik hem beletten kan +de grenzen over te trekken." + +"Best! Vooruit maar;--laat hem los." + +De schallebijter ontsnapte Tom en stak de evenachtslijn over. Na een +tijdlang door Joe geplaagd te zijn liep hij weg en ging naar Tom. Dit +veranderen van grondgebied duurde een geruimen tijd voort. Terwijl +de eene jongen het beest met hart en ziel kwelde, keek de andere met +een even groote belangstelling toe, en de beide hoofden bogen zich +te zamen over de lei en beide zielen gingen gansch en al in de pret +op. Eindelijk scheen de fortuin ten gunste van Joe te keeren en bij +hem te blijven. De schallebijter deed wat hij kon om los te komen en +werd bijna even opgewonden en angstig als de knapen zelven. Juist toen +hij op het punt stond van de klauwen van Joe te ontsnappen en Tom's +vingers alweder jeukten om hem in zijne macht te krijgen, versperde de +eerste hem met zijne speld den weg tot zijn grondgebied. Tom kon het +niet langer uithouden. De verleiding was te groot. Hij stak zijne hand +uit en kwam met zijne speld over zijne grenzen. Joe werd boos en zeide: + +"Tom, laat hem aan zijn lot over." + +"Ik wou hem alleen maar een beetje helpen, Joe." + +"Neen, dat is niet eerlijk; laat hem aan zijn lot over." + +"Pas op of ik ga hem helpen zoo hard als ik wil." + +"Tom, laat hem met rust, zeg ik je." + +"Ik doe het niet." + +"Je zult;--hij is op mijn grondgebied." + +"Hoor eens, Joe Harper, wien behoort hij toe?" + +"Het kan mij niet schelen, wien hij toebehoort; hij is aan mijn kant +en je zult hem niet aanraken." + +"Wedden, dat ik het toch doe. 't Is mijn schallebijter en ik zal met +hem doen wat ik verkies." + +Op eens voelde Tom een klap op zijn schouder en Joe een anderen op +den zijnen. Twee minuten lang zag men een rookwolk uit de buizen +der jongens opgaan en hoorde men de gansche school lachen. De knapen +waren te zeer in hun spel om de stilte te bemerken, die zich over de +school had verspreid, even voordat de meester op zijn teenen naar hen +toegeslopen en tegen hen over was gaan staan. Hij had het tooneel op +zijn gemak gadegeslagen en daarna de verraderlijke klappen toegebracht. + +Toen de school 's middags uitging, vloog Tom naar Becky Thatcher toe +en fluisterde haar in 't oor: + +"Zet je hoed op en zeg dat je naar huis gaat; en als je den hoek +van de straat om zijt, loop dan van de kinderen af, sla de steeg +in en keer zoo naar de school terug. Ik zal den anderen kant gaan: +dan komen wij elkaar vanzelf tegen." + +Daarop verliet Tom de school en voegde zich bij een groep kinderen, +die eene andere straat insloegen dan de kameraadjes van Becky. Heel +spoedig kwamen de knaap en het meisje elkaar midden in 't steegje +tegen, keerden naar het schoollokaal terug, dat zij nu geheel voor zich +hadden. Zij gingen naast elkander zitten met een lei voor zich. Tom +gaf Becky een griffel, stuurde haar hand en riep op deze wijze een +wonderbaar huis in het aanzijn. + +Doch de teekenwoede duurde niet lang en ze begonnen samen te +praten. Tom was in den derden hemel van geluk en zei: + +"Houd je van ratten?" + +"Neen, ik heb een hekel aan die dieren." + +"Ik ook,--ten minste aan levende. Maar ik meen doode, die je aan een +touwtje over je hoofd kunt laten draaien." + +"Neen, ik geef niet veel om ratten, ook niet om doode. Maar, weet je +waar ik van houd? Van gom kauwen." + +"Zoo, ik heb toevallig een paar stukjes bij mij. Eerst mag jij een +beetje kauwen en dan ik weer." + +Dat was prettig; ze kauwden beurt om beurt en schommelden met hun +beenen onder de bank van pleizier. + +"Ben je wel eens in een paardenspel geweest?" vroeg Tom. + +"Ja; mijn pa neemt me wel eens mee, als ik zoet ben." + +"Ik ben er drie of vier malen geweest. Neen nog meer. De kerk is geen +lor waard in vergelijking met een paardenspel. Daar zie je altijd +door wat. Als ik groot ben, wordt ik clown in een paardenspel." + +"Wezenlijk? Dat zal heerlijk wezen! De clowns zijn immers die mooi +aangekleede mannen vol gekleurde spikkeltjes?" + +"Ja, en ze krijgen schatten van geld; meestal een dollar daags. Dat +zegt Ben Rogers ten minste. Zeg eens, Becky, ben je wel eens +geëngageerd geweest?" + +"Wat is dat?" + +"Geëngageerd, om te gaan trouwen." + +"Neen." + +"Zou je het wel willen?" + +"Misschien wel. Ik weet het niet. Wat moet je dan doen?" + +"Doen? Je zegt eenvoudig tegen een jongen, dat je nooit iemand anders +hebben wilt dan hem, nooit, nooit, nooit--en dan geef je hem een +zoen. Iedereen kan het doen." + +"Een zoen? Waarom geef je elkaar een zoen?" + +"Wel, weet je--wel--omdat.... ze dat allemaal doen." + +"Alle menschen?" + +"Ja, alle menschen die van elkaar houden. Weet je nog wel wat ik van +morgen op mijn lei geschreven heb?" + +"Ja--a." + +"Wat was het?" + +"Dat zeg ik je niet." + +"Dan zal ik het je zeggen." + +"Dat is goed,--maar op een anderen keer." + +"Neen, nu." + +"Neen, nu niet, maar morgen." + +"O, als je blieft, nu Becky. Ik zal het zoo zachtjes zeggen, dat je +het bijna niet hooren kunt." + +Becky aarzelde en Tom zag het stilzwijgen voor toestemmen aan. Hij +sloeg zijn arm om haar middel en fluisterde haar de oude geschiedenis +in 't oor, terwijl hij er bijvoegde: + +"Nu moet je het mij ook influisteren,--precies hetzelfde." + +Zij zweeg een oogenblik en sprak toen: + +"Keer je gezicht naar den anderen kant, zoodat je mij niet zien kunt, +dan zal ik het doen. Maar je moogt het niemand vertellen. Beloof je +me dat op je woord van eer?" + +"Ja. Kom zeg het nu, Becky." + +Hij keerde zijn gezicht on. Zij boog zich schroomvallig naar hem toe, +zoo dicht dat hij haar adem onder zijn krulhaar voelde en fluisterde: + +"Ik--houd--dol--van je." + +Toen sprong zij weg en liep on de lessenaar en banken heen en Tom +achter haar aan, totdat zij zich eindelijk in een hoek verschanste +en haar wit schortje over haar gezichtje trok. Tom pakte haar om den +hals en zei smeekend: + +"Nu, Becky, is het klaar behalve de zoen. Wees daar maar niet bang +voor, dat is niets. Toe, Becky." + +En met deze woorden trok hij aan haar boezelaar, totdat deze langzaam +naar beneden gleed en zij zich met gloeiende wangen aan de operatie +onderwierp. Tom zoende de roode lipjes en zei: + +"Nu is het geheel en al in orde, Becky. En nu weetje vooreens en +voorgoed, dat je van niemand anders dan van mij moogt houden en met +niemand dan met mij moogt trouwen; neen, nooit, nooit. Beloof je dat?" + +"Ja, ik zal van niemand anders houden dan van jou, Tom. Maar jij +moogt ook met niemand anders trouwen dan met mij." + +"Natuurlijk. Dat spreekt vanzelf. En nu hoort er ook bij, dat je bij +het naar school of naar huis gaan met me wandelt, ten minste als +niemand het ziet, en dat bij feestjes jij mij en ik jou kies. Dat +doen geëngageerde menschen altijd." + +"Dat vind ik heel aardig. Ik had er nog nooit van gehoord." + +"O, het is zoo prettig. Toen ik met Amy Lawrence..." + +De groote oogen van Becky zeiden Tom, dat hij een flater begaan had, +en hij hield verlegen op. + +"O, Tom! Dus is het niet de eerste keer, dat je geëngageerd bent?" + +Het kind begon te schreien, en Tom zeide: + +"Och, schrei niet, Becky; ik geef niets meer om haar." + +"Ja, dat doe je wel, Tom,--ik weet, dat je het wel doet." + +Tom trachtte zijn arm on haar hals te slaan, doch zij duwde hem terug +en wendde schreiend haar gelaat naar den muur. Tom beproefde het, +onder het spreken van allerlei vleiende woordjes, nogmaals, maar met +hetzelfde gevolg. Toen werd hij boos en rende met groote stappen de +deur uit. + +Een poosje bleef hij met een onrustig hart buiten staan, wierp nu en +dan een blik naar de deur, in de hoop dat zij berouw krijgen en naar +hem toe zou komen, maar zij kwam niet. Toen begon hij te denken, of +hij ook ongelijk kon hebben. Het was een harde strijd on de eerste +pogingen tot toenadering te doen, doch hij vermande zich en trad +de school binnen. Zij stond nog in denzelfden hoek, snikkende, met +haar gelaat tegen den muur. Diep ontroerd ging Tom naar haar toe en +bleef een oogenblik voor haar staan, zonder eigenlijk te weten wat +hij zeggen moest. Toen sprak hij aarzelend: + +"Becky--ik--ik geef om niemand dan om jou." + +Geen antwoord;--niets dan snikken. + +"Becky, waarom spreek je niet?" + +Hevige snikken. + +Tom haalde zijn grootste schat voor den dag, een koperen knop van +een schelkoord, hield haar dien voor en zeide: + +"Becky, die is voor jou; neem hem, als je blieft." + +Zij smeet het geschenk op den grond. Toen stapte Tom de deur uit +en ijlde naar buiten, naar de heuvelen, om dien dag niet meer naar +school terug te keeren. + +Nauwelijks was hij verdwenen, of Becky gevoelde berouw. Zij liep naar +de deur, doch Tom was niet meer in het gezicht. Zij ijlden over de +speelplaats: ook daar was hij niet. Toen gilde zij: + +"Tom! Tom! kom terug." + +Zij luisterde aandachtig, doch er kwam geen antwoord; zij was met de +stilte en het gevoel van verlatenheid alleen. Er schoot haar niets +over dan te gaan zitten, opnieuw te schreien en zich zelfverwijten +te doen. Daarbij moest zij haar verdriet voor de langzamerhand weer +bijeenkomende schoolkinderen verbergen en het kruis opnemen van een +langen, drukkend warmen achtermiddag in de school te zitten, zonder +iemand te hebben, voor wien zij haar hart kon uitstorten. + + + + +HOOFDSTUK VIII. + + +Tom sloop voort door straten en stegen, totdat hij uit het vaarwater +der terugkeerende schooljeugd was, en gaf zich toen aan zijne sombere +gemoedsstemming over. Hij stak een paar malen met een schuitje +een smal strookje der rivier over, omdat er onder de jeugd eene +overlevering bestond, dat het oversteken van water voor vervolging +bewaart. Een half uur later was hij achter het huis van de weduwe +Douglas, dat op Cardiff Hill stond, verdwenen, en het schoolgebouw +was nauwelijks meer in de vallei achter hem te onderkennen. Hij trad +een dicht woud binnen, kroop door struiken en ongebaande wegen voort, +totdat hij het midden bereikt had, waar hij zich op een mosachtig +plekje onder een breedgetakten eik nederzette. Er was geen zuchtje +in de lucht; de drukkende middaghitte, scheen zelfs de zingende +vogels tot rust gebracht te hebben. De natuur lag in een staat van +bewusteloosheid, welke door geen geluid werd verbroken, dan bijwijlen +door het verwijderd gehamer van den boomspecht en dit scheen de alles +doordringende stilte nog stiller en de eenzaamheid nog eenzamer te +maken. De ziel van Tom was erg bedroefd en zijne gevoelens waren +in volkomen overeenstemming met het hem omringend tooneel. Met de +ellebogen op de knieën gesteund en de handen onder de kin, bleef +hij in gepeins verzonken zitten. De aarde scheen hem op zijn best +een tranendal en hij benijdde bijna Jimmy Hodges, die daaruit was +verlost. Het moest zoo vreedzaam wezen, dacht hij, on voor eeuwig in +droomen verzonken onder de aarde te liggen, terwijl de wind door de +boomen ruischt en het gras en de bloemen kuste, en er niets meer was +om zich over te kwellen en te bedroeven. Indien hij slechts een goed +getuigenis van de zondagsschool kon mede krijgen, zou hij volgaarne +willen optrekken en met dit leven niets meer te maken hebben. En +wat nu dit meisje betreft,--wat had hij gedaan? Niets. Hij had het +goed met haar voorgehad en was als een hond behandeld, ja, als een +hond. Eens zou het haar berouwen, wellicht wanneer het te laat was. O, +indien hij slechts _tijdelijk_ mocht sterven. + +Doch het veerkrachtig gemoed der jeugd blijft niet lang in een +kunstmatig opgeschroefden staat van droefheid en moedeloosheid. Weldra +werd Tom onmerkbaar tot de bemoeiingen van dit leven teruggevoerd. Als +hij de wereld eens den rug toekeerde en geheimzinnig verdween? Als +hij eens heenging--ver,--ver weg, in onbekende landen over de zee--en +nooit terugkwam? Hoe zou zij zich dan wel gevoelen? Het denkbeeld +van clown te worden kwam hem ook weder voor den geest, doch alleen om +hem met afschuw te vervullen. Want, was het zich moeten bezighouden +met grappen en kluchten en met gouden sterretjes bezaaide tricots +niet eene beleediging voor een geest, die omhooggestegen was naar +het onbestemde, verheven rijk van het onbegrijpelijke. Neen, hij zou +soldaat worden, en na jaren en jaren van krijg voeren, het strijden +moe, met roem beladen wederkeeren. Neen, nog beter; hij zou zich bij +de Indianen en buffeljagers voegen en het oorlogspad betreden in de +bergen, in de onmetelijke, ongebaande vlakten van het verre Westen en +later terugkeeren als een groot opperhoofd, getooid met schitterende +vederen en afzichtelijk met verf besmeerd--en hij zou op een zomerschen +sabbatmorgen met eene hooge borst de zondagsschool binnentreden en +daar een krijgsgeschreeuw aanheffen, dat zijne makkers het bloed in de +aderen deed stollen en hen doen verteren van jaloezie. Ook dat niet; +er was iets nog grootscher dan dit. Hij zou zeeroover worden. Ja, +dat was het! _Nu_ lag de toekomst duidelijk voor hem, schitterend van +ondenkbare pracht. Zijn naam zou de aarde vervullen en de volkeren +doen beven. Hoe roemrijk zou hij de woedende zeeën ploegen met zijn +snelvarend, zwart gekleurd roofschip, "De Geest van den Storm," welks +schrikaanjagende vlag grimmig van de voorplecht zou wapperen. En +wanneer hij het toppunt van roem had bereikt, zou hij op eens in het +oude stadje terugkomen en de kerk binnen stappen met een door storm en +onweer gebruinde huid, in een zwartfluweelen wambuis en wijde broek, +met hooge kaplaarzen, donkerroode sjerp en met zware pistolen gevulden +gordel en een in misdaad geroesten hartsvanger aan de zijde. En zijn +hoofd zou bedekt zijn met een diep in de oogen gedrukten hoed, met +een wuivenden vederbos getooid, en in de hand zou hij dragen zijn +ontplooide banier, die met een schedel en gekruiste doodsbeenderen +beschilderd zou zijn, en met namelooze verrukking zouden zijne ooren +het gefluister vernemen: + +"Dit is Tom Sawyer, de zeeroover, de schrik der Spaansche zee!" + +Ja, zijn plan stond vast, zijn loopbaan was aangewezen. Hij zou van +huis wegloopen en zoo spoedig mogelijk zijn nieuw beroep ter hand +nemen, hij zou morgen vertrekken en daarom oogenblikkelijk met het +maken van de noodige toebereidselen aanvangen en zijne bezittingen +bijeenverzamelen. + +Te dien einde liep hij naar een verrotte houtmijt, welke in de +nabijheid stond en begon die met zijn mes aan de eene zijde te +ondergraven. Spoedig stootte hij op een stuk hout dat hol klonk, legde +zijn hand daarop en sprak met nadruk het volgende tooverformulier uit: + +"Wat nog niet hier is, kome! Wat hier is blijve!" Toen schraapte hij +de aarde weg en er kwam een steen voor den dag. Deze werd weggenomen +en daar vertoonde zich een keurig schatkamertje, welks bodem en +zijwanden van opeengehoopte steentjes gemaakt waren en waarin een +knikker lag. Verbaasd staarde Tom den knikker aan. Hij krabde het +hoofd en zeide: + +"Wel, is het mogelijk!" + +Toen duwde hij den knikker gemelijk weg en bleef in gedachten +verzonken staan.--Wat was er gebeurd? De zaak was deze: Tom bemerkte, +dat hij zich in iets, hetgeen hij en zijne makkers steeds als eene +onfeilbare zekerheid hadden beschouwd, bedrogen had. Hij geloofde +dat, wanneer een knikker met de noodige bezweringen werd begraven +en dan een dag of veertien rustig in den schoot der aarde gelaten +en daarna met de tooverwoorden die hij juist had uitgesproken, weer +opgegraven werd, men al de knikkers, die men ooit verloren had, daar +in dien tusschentijd bijeengekomen zou vinden, hoe wijd zij ook over +de wereld verspreid mochten zijn. Tom's vertrouwen in dit bijgeloof +was tot op zijn fondamenten geschokt. Hij had menigmaal gehoord, +dat deze proef gelukt, maar nooit dat zij mislukt was. + +Het kwam niet in hem op, dat hij het verscheidene malen te voren +beproefd had, maar dat hij de plaats, waar hij de knikkers had +verborgen, nooit had kunnen vinden. Hij dacht zich half suf over de +zaak en kwam eindelijk tot het besluit, dat er een heks tusschenbeide +was gekomen, die de betoovering verbroken had. Toch wilde hij zich op +dit punt overtuigen en zocht, totdat hij een klein zanderig plekje +met een trechtervormig indruksel gevonden had. Hij legde zich naast +dat plekje op den grond, met den mond vlak op het indruksel en riep: + +"Kevertje, kevertje, zeg mij wat ik weten moet! + +"Kevertje, kevertje, zeg mij wat ik weten moet!" + +Het zand begon te werken en voor een oogenblik kwam er een zwart +kevertje voor den dag, dat echter spoedig doodelijk verschrikt +wegholde. + +"Hij zegt niets! Dus was het een toovenaar, die het gedaan heeft. Ik +dacht het wel." + +Tom wist wel hoe weinig het baatte tegen heksen te strijden en gaf +het plan ontmoedigd op. Doch daar schoot hem in de gedachten, dat +hij den knikker, dien hij juist had weggeworpen, toch wel gaarne +terug zou hebben, en ging hem dus geduldig zoeken. Helaas! hij kon +hem niet meer vinden. Toen keerde hij naar zijn schatkamer terug en +zette zich behoedzaam neder in dezelfde houding, als toen hij den +knikker had weggeduwd. Daarop nam hij een anderen knikker uit den zak, +slingerde dien eveneens weg en riep: + +"Broeder, ga uw broeder halen!" + +Hij zag waar de knikker zou stilhouden en ging derwaarts om hem na +te kijken. Doch het speeltuig was niet ver genoeg of te ver gerold; +dus wendde hij een tweede poging aan. Deze laatste werd met een goeden +uitslag bekroond, want de beide knikkers lagen omtrent een duim van +elkaar af. + +Juist op dat oogenblik verhief zich door het groene gewelf des wouds +het geschal van een tinnen trompet. In een oogenblik had Tom buis +en broek uitgetrokken, van zijne bretels een gordel gemaakt, eenige +takken achter de mijt bijeen vergaard, een ruwen pijl, een boog, een +houten zwaard en een trompet voor den dag gehaald en was, met deze +zaken beladen, blootbeens en in een fladderend hemd weggeijld. Onder +een grooten olmboom hield hij stil, beantwoordde het trompetgeschal +en begon op zijne teenen loopende, omzichtig in alle richtingen rond +te kijken. Toen riep hij zacht tot een denkbeeldigen makker: + +"Halt, grappenmaker! Houd u schuil, tot ik blaas." + +Daar verscheen Joe Harper, even luchtig gekleed en zwaar gewapend +als Tom. Deze riep: + +"Halt! Wie komt hier in de wouden van Sherwood zonder vrijgeleide?" + +"Guy van Guisborne heeft niemands vrijgeleide noodig. Wie zijt gij, +dat ...?" + +"Dat gij dus durft spreken," vulde Tom aan, want de knapen waren +bezig eene plaats uit een boek op te zeggen. + +"Wie zijt gij, dat ge dus durft spreken?" + +"Ik? Wel, ik ben Robin Hood, zooals uw schavuitengeraamte spoedig +zal bemerken." + +"Dan zijt gij waarlijk de beruchte bandiet! Zeer aangenaam zal het +mij zijn met u over den vrijen doortocht door deze wouden te twisten." + +"Pas op!" + +Zij trokken hunne houten zwaarden, wierpen hunne andere wapenen op +den grond en begonnen een ernstig en bedaard tweegevecht. + +"Kom," zeide Tom, "als gij goed slaags zijt geraakt, zet het dan met +kracht door." + +En zij zetten het met kracht door, totdat zij hijgden en zweetten +van inspanning. Eindelijk zeide Tom: + +"Val! val! Waarom val je niet?" + +"Ik doe het niet. Waarom val je zelf niet? Je bent er het ergste +aan toe." + +"Wel, dat behoort zoo niet. _Ik_ kan niet vallen. Dat staat niet in +het boek. Het boek zegt: + +"'Toen viel hij Guy van Guisborne van achteren aan en sloeg hem +neder.' Nu moet gij u omkeeren en mij u in den rug laten treffen." + +Tegen dit gezag viel niet te twisten en Joe keerde zich om, ontving +den slag en viel. + +"Nu," zeide hij, toen hij weder opstond, "Nu moet gij mij u laten +doodmaken; dat is eerlijk." + +"Wel, dat kan ik niet doen. Dat staat niet in het boek." + +"Zoo, dat is gemeen." + +"Hoor eens, Joe, je moogt Tuck de monnik of Muck de zoon van den +molenaar zijn en mij met een knuppel afrossen, of ik zal de Sherif +van Nottingham zijn en jij Robin Hood, dan zul je mij doodmaken." + +Dit werd goedgekeurd en deze tafereelen uit het boek werden +vertoond. Toen werd Tom weder Robin Hood en de verraderlijke non +liet hem doodbloeden door zijne wond te verwaarloozen. Joe, die +een geheele bende roovers voorstelde, trok hem onder het aanheffen +van klaagliederen voort, legde hem zijn boog in de zwakke handen en +Tom zeide: + +"Waar deze pijl zal vallen, begraaf daar den armen Robin Hood +onder den groenen boom." Toen werd de pijl afgeschoten en Robin +Hood viel op den rug en zou gestorven zijn, indien hij niet op een +brandnetel terechtgekomen en voor een lijk wat al te vlug opgesprongen +was. Daarop kleedden de knapen zich weder aan, borgen hunne zonderlinge +wapenrusting weder op en gingen naar huis, vol spijt dat zij geene +wezenlijke roovers waren, terwijl zij zich verbaasd afvraagden, in +welk opzicht toch de moderne beschaving het verlies van de roovers +vergoedde. Het eindresultaat was, dat zij verklaarden liever een jaar +lang bandieten in de wouden van Sherwood, dan voor altijd President +van de Vereenigde Staten te willen zijn. + + + + +HOOFDSTUK IX. + + +Tom en Sid werden dien avond als gewoonlijk on halftien naar bed +gezonden. Ze zeiden hun avondgebed op en Sid was spoedig in een zoeten +slaap verzonken. Tom lag met koortsachtig ongeduld het middernachtelijk +uur af te wachten. Toen hij dacht, dat de dag wel haast aan den hemel +moest zijn, hoorde hij het tien uren slaan. Dat was wanhopig. Hij was +zoo zenuwachtig, dat ware hij niet bang geweest Sid wakker te maken, +hij grooten lust gehad zou hebben met de voeten te gaan stampen. Doch +hij bleef rustig liggen en staarde in de duisternis. Eerst was +het akelig stil. Toen scheen het, dat de angstige stilte door nauw +merkbare geluiden afgebroken werd. De klok begon door haar getik +zijn aandacht te trekken. Het oude kabinet ging geheimzinnig aan 't +kraken. Ook de trappen lieten een flauw gekrikkrak hooren. Blijkbaar +waarden er geesten rond. Uit tante Polly's kamer werd een geregeld, +half onderdrukt gesnork vernomen. En nu begon het eentonig gepiep van +den krekel, dien geen menschelijk vernuft kan doen verstommen. Bij dit +alles kwam nog het spookachtig getik van een houtworm in het beschot +bij het hoofdeinde van Toms bed, dat hem deed sidderen. Immers, het +beteekende dat iemands dagen waren geteld. En dan nog werd door den +adem van de nachtkoelte het geluid voortgedragen van een verwijderden +hond, dat uit de verte door een nog droeviger gejank beantwoord +werd. Tom stierf duizend dooden. Eindelijk scheen het alsof de tijd +niet meer was en de eeuwigheid een aanvang had genomen. Ondanks +zichzelven begon hij in te sluimeren; de klok sloeg elf uren, maar +hij hoorde het niet. Op eens vermengde zich onder zijne verwarde +droomen een doodsomber kattengekrol, dat door het openschuiven +van des buurmans raam verstoord werd. Een geschreeuw van: "Voort, +duivelsche kat!" en het rinkelen van een leege flesch, die tegen den +muur van tantes houtschuur geslingerd werd, maakte hem klaar wakker, +en in een oogwenk was hij gekleed en uit het raam en kroop op handen +en voeten langs het dak. Voorzichtig miauwde hij nog een paar malen, +sprong toen op het dak van de schuur en van daar op den grond. Daar +stond Huckleberry Finn met zijne doode kat. De jongens maakten zich +weg en verdwenen in de duisternis. Een half uur later doorwaadden +zij het lange gras van het kerkhof. + +De doodouderwetsche godsakker lag op een heuvel, omtrent anderhalve +mijl van het stadje verwijderd. Hij was omrasterd door een vervallen +houten hek, dat op sommige plaatsen binnenwaarts, op andere +buitenwaarts leunde, maar nergens rechtop stond. Onkruid en gras +groeiden er in milden overvloed. Al de grafplaatsen waren verzakt; +geen enkele zerk was er te zien; ronde wormstekige naamborden waggelden +over de graven, alsof zij naar een steun zochten, dien zij nergens +vonden. Eens had er op gestaan: "Ter gedachtenis van die of die," +maar die woorden waren thans bij de meeste, zelfs op klaarlichten +dag, onleesbaar. + +De wind ruischte zachtjes door de boomtoppen en Tom meende in dat +geluid de geesten der afgestorvenen te hooren, die zich beklaagden, dat +zij in hun rust gestoord werden. De jongens spraken weinig en alleen +op fluisterenden toon, want de tijd, de plaats en de aangrijpende +plechtigheid en stilte joegen hen vrees aan. Zij vonden het versch +gedolven graf, dat zij zochten, onder drie groote olmboomen, die op +een paar voet afstands van die plek een klein boschje vormden. + +Daar bleven zij een (naar het hun scheen) ontzettend langen tijd +wachten. Het zuchten van den nachtuil was het eenige geluid, wat de +doodelijke stilte verbrak. Duizenden akelige gedachten hoopten zich +in Toms brein opeen, waar hij ten laatste lucht moest geven. + +"Hucky," zeide hij angstig, "denk je, dat de doode menschen het +prettig vinden, dat wij hier zijn?" + +Huckleberry fluisterde: + +"Ik wou, dat ik het wist. 't Is akelig stil, vind je niet?" + +"Ja." + +Er volgde een lange pauze, gedurende welke zij dit onderwerp in hun +binnenste bepeinsden. + +Eindelijk zei Tom nauw hoorbaar: + +"Denk je, Huck, dat Hoss Williams ons hoort praten?" + +"Natuurlijk,--ten minste zijn geest." + +Na eene pauze zeide Tom weer: + +"Ik wou, dat ik gezeid had, mijnheer Williams; maar ik bedoelde geen +kwaad. Iedereen noemt hem Hoss." + +"Een mensch kan anders niet te beleefd zijn, als hij over doode +menschen spreekt, Tom." + +Dit antwoord was niet opwekkend en het gesprek begon weder te +kwijnen. Op eens greep Tom zijn kameraad bij den arm en zeide: + +"St!" + +"Wat is er, Tom?" En de twee klemden zich met kloppende harten aan +elkaar vast. + +"St! Daar is het weer. Hoor je het niet?" + +"Wat?" + +"Daar,--hoor je het nu?" + +"O hemel, Tom, daar komen zij. Wat zullen wij doen!" + +"Dat weet ik niet. Denk je, dat ze ons zullen zien?" + +"O, Tom, zij zien in het donker als katten. Ik wou, dat ik nooit +gekomen was." + +"O, wees niet bang; ik geloof niet, dat ze ons zullen plagen. Wij +doen geen kwaad. Als wij ons doodstil houden, zullen ze misschien +niet op ons letten." + +"Ik zal mijn best doen, Tom; maar o hemel, ik beef als een riet!" + +"Luister!" + +De jongens hielden hunne hoofden bij elkaar en haalden ternauwernood +adem. Een bedekt geluid van stemmen werd van het andere eind van het +kerkhof vernomen. + +"Kijk, kijk! daar!" fluisterde Tom. "Wat is dat?" + +"Het is duivelsvuur, Tom! Het is vreeselijk!" + +Door de duisternis heen werden nu eenige figuren zichtbaar, die +een ouderwetsche lantaarn been en weer bewogen, welke den grond met +ontelbare lichtspranken bezaaide. + +Sidderend fluisterde Huckleberry: + +"Het zijn de duivels, dat is zeker. Drie! O God. Tom! het is met ons +gedaan. Kun je bidden?" + +"Ik zal het probeeren; wees maar niet bang. Zij zullen ons geen kwaad +doen. Ik ga plat op den grond liggen slapen. Ik ..." + +"Ik ..." + +"Wat is er, Huck." + +"Het zijn duivels in menschengedaante! Een van hen ten minste heeft +de stem van Muff Potter!" + +"'t Is toch niet waar?" + +"Wedden van wel. Blijf zoo stil als een muis liggen. Beweeg je +niet. Hij ziet niet scherp genoeg on ons te ontdekken. Zeker dronken, +zooals gewoonlijk,--dat gemeene oude vloekbeest!" + +"Goed, ik zal mij niet bewegen. Nu houden zij stil. Zij kunnen het +niet vinden. Daar komen ze weer. Nu zijn ze warm. Nu weer koud. Alweer +warm. Zij branden zich. En nu gaan ze er recht op af. Zeg eens, Huck, +ik herken nog een stem. 't Is Injun Joe." + +"Ja, ja, dat is zoo. Die fielterige kleurling! Ik houd het er voor, +dat de duivels bang voor hem zijn." + +Het gefluister hield op; de drie mannen hadden het graf bereikt en +stonden op een paar voet afstands van de schuilplaats der jongens. + +"Hier is het," zeide de derde stem, en de persoon, aan wien deze +toebehoorde, hield de lantaarn op en liet het gelaat van den jongen +dokter Robinson zien. + +Potter en Injun Joe droegen een burrie, waarop een touw en een paar +schoppen lagen. Ze legden hun last neder en begonnen het graf open +te maken. De dokter plaatste de lantaarn aan 't boveneind van de kuil +en zette zich met den rug tegen een der olmboomen. Hij was zoo dicht +bij de jongens, dat hij hen had kunnen aanraken. + +"Maak haast, mannen!" zeide hij met gedempte stem. "De maan kan elk +oogenblik opkomen." + +De gravers bromden ten antwoord iets tusschen de tanden en gingen +met delven voort. Een tijdlang werd er geen ander geluid gehoord +dan het eentonig gekras der spaden, die hare vracht zand en aarde +opwierpen. Eindelijk stootte een der schoppen met een doffen hollen +klank op de doodkist en een minuut daarna hadden de mannen haar uit +den kuil geheschen en op den grond gezet. Zij lichtten er met hun +spaden het deksel af, namen het lijk er uit en wierpen dat met ruwe +hand op den grond. Juist kwam de maan tusschen de wolken te voorschijn +en wierp haar schijnsel op het loodkleurig gelaat. De draagbaar werd +gereedgemaakt, het lijk er op gelegd, met een deken overdekt en met +het touw vastgebonden. Potter haalde een groot snoeimes voor den dag +en sneed het er bij hangend eind touw af, zeggende: + +"Ziezoo, het vervloekte werk is gedaan, mijnheer de viller! En nu +dadelijk vijf dollars, of het lijk blijft hier." + +"Dat zeg ik ook!" zeide Injun Joe. + +"Wat beteekent dit?" zeide de dokter. "Je hebt gedwongen, dat ik +jelui vooruit zou betalen, en ik heb je betaald." + +"Ja, en je hebt meer gedaan dan dat," zeide Injun Joe, en ging vlak +voor den dokter staan, die opgerezen was. "Vijf jaar geleden heb je +me op een avond uit je vaders keuken weggejaagd, toen ik om een stuk +brood kwam vragen, en zei je dat ik nergens voor deugde. En ik zwoer, +dat ik het je betaald zou zetten, al was het over honderd jaar; en toen +liet je vader me als een bedelaar in de gevangenis stoppen. Denk je dat +ik dat vergeten ben. Het bloed der Injuns stroomt me niet voor niets +door de aderen. Nu heb ik je, en nu zullen we eens afrekenen, hoor je." + +Hij balde de vuist en hield die dreigend den dokter voor het +gezicht. Maar deze pakte op eens den booswicht bij den kraag en wierp +hem op den grond, Potter hief zijn mes op en zeide: + +"Je zult mijn kameraad niet slaan!" + +In een oogenblik was hij met den dokter handgemeen en de twee mannen +vochten met kracht en geweld, terwijl zij het gras vertrapten en +den grond met hunne hielen openscheurden. Injun Joe sprong op met +vlammende oogen, greep Potters mes en kroop als een kat, loerende op +haar prooi, om de strijdenden heen. Opeens rukte de dokter zich los, +vatte een der zware planken van Williams graf en velde er Potter +mede ter aarde. Toen nam de kleurling zijne kans waar en dreef den +jongen man het mes tot aan het heft in de borst. Deze waggelde, viel +op Potter neder en overstroomde dien met zijn bloed. Te gelijker tijd +onttrok een wolkenfloers dit vreeselijk tooneel aan 't gezicht en de +jongens ijlden in de duisternis weg. + +Toen de maan weer voor den dag kwam, stond Injun Joe over de twee +gestalten heengebogen en aanschouwde die aandachtig. De dokter mompelde +eenige onsamenhangende woorden, gaf een paar snikken en bleef toen +roerloos liggen." + +"Die schuld is, Godv..., vereffend!" riep de kleurling uit. Vervolgens +plunderde hij het lijk, stak het noodlottige mes in Potters +open rechterhand en zette zich toen op de ledige doodkist +neder. Drie--vier--vijf minuten gingen voorbij en Potter begon +zich te bewegen en te kreunen. Hij klemde het mes, dat hij in de +hand had, vast, hief het in de hoogte, keek er naar en liet het vol +huivering vallen. Toen richtte hij zich op, wierp het lijk van zich +af, en staarde het met verglaasde oogen aan en keek verward in het +rond. Zijne oogen ontmoetten die van Joe. + +"God, wat is dit Joe?" zeide hij. + +"Het is een gemeene geschiedenis," zeide Joe, met een kalm +gelaat. "Waarom heb je het gedaan?" + +"Ik?--Ik heb het niet gedaan." + +"Kijk eens om je heen! Dat laat zich niet loochenen." + +Potter beefde en werd doodsbleek. + +"Ik dacht dat ik nuchteren geworden was. Ik had van nacht niet moeten +drinken, maar ik voel het nog in mijn hoofd,--nog erger dan toen wij +hierheen gingen. Ik ben heelemaal in de war, ik kan mij er nauwlijks +iets van herinneren. Zeg eens eerlijk, Joe, oude jongen, heb ik het +gedaan? Het was mijne bedoeling niet. Zeg eens, hoe ik het gedaan heb, +Joe!--O 't is ontzettend, zoo'n jonge beste man!" + +"Wel, jelui vocht samen en hij sloeg je met een plank en je viel +plat op den grond en toen stond je waggelend op en greep het mes, +en toen hij je nog een slag wou geven, stak je het hem door 't lijf, +en daar heb jelui tot nou toe, zoo dood als pieren, gelegen." + +"O, ik wist niet wat ik deed. Ik wil op dezen oogenblik sterven, als ik +het wist. Het is alles de schuld van de jenever en de opgewondenheid, +geloof ik. Ik heb nog nooit in mijn leven een wapen gebruikt, +Joe. Gevochten heb ik wel, maar nooit met wapenen, dat zal iedereen +moeten zeggen. Joe, vertel het aan niemand. Beloof je me, dat je het +nooit vertellen zult, Joe? Ik ben altijd voor je in de bres gesprongen, +dat weet je. Zul je het nooit zeggen, Joe?" En de arme man viel voor +den verstokten moordenaar op de knieën en wrong smeekend de handen. + +"Neen, je hebt altijd als een eerlijk man met mij gehandeld, Muff +Potter, en ik zal je met gelijke munt betalen. Me dunkt, mooier kan +ik het niet zeggen." + +"O, Joe, je bent een engel. Ik zal er je voor zegenen, zoolang ik +leef." En Potter begon te schreien. + +"Kom, schei maar uit," zei Joe, "'t Is nouw geen tijd om te janken. Ga +jij dezen kant uit, dan zal ik den anderen weg gaan. Voort nu en laat +geen spoor van je achter!" + +Potter liep weg op een draf, die weldra in een hollenden pas +overging. De kleurling stond hem na te kijken en mompelde: + +"Als hij maar zoo duizelig van den val en zoo dronken van den +brandewijn is, als hij er uitziet, zal hij niet aan het mes denken, +totdat hij te ver weg en te bang is on naar eene plaats als deze +alleen terug te keeren. Dat kuiken!" + +Een paar minuten later was de maan de eenige, die het in de deken +gewikkelde lijk, de deksellooze doodkist en het open graf aanschouwde, +en heerschte er weder eene volmaakte stilte op het kerkhof. + + + + +HOOFDSTUK X. + + +De beide knapen ijlden sprakeloos van ontzetting den weg op naar +de stad. Van tijd tot tijd zagen zij angstig om, als vreesden zij +achtervolgd te worden. In elken boomtronk, die zich op den weg +verhief, meenden zij een vijand te zien, en dat deed hun den adem +inhouden, en telkens wanneer zij een eenzame nabij de stad gelegen +hut voorbijrenden, scheen het geblaf der opgeschrikte kettinghonden +hunne voeten vleugelen aan te binden. + +"Als wij het maar tot de oude looierij kunnen brengen, voordat wij het +afleggen," fluisterde Tom, en hijgde bij ieder woord naar adem. "Ik +kan het niet langer uithouden!" Huckleberry antwoordde met een +zwaren zucht en de knapen vestigden hun oogen op het doelwit hunner +hoop en spanden alle krachten in on dat te bereiken. Zij naderden +het hoe langer hoe meer, stormden eindelijk hals over hoofd de +openstaande deur binnen en vielen dankbaar en uitgeput in de donkere +schuilplaats neer. Langzamerhand bedaarde het kloppen van hun hart +en Tom fluisterde: "Huckleberry, wat denk jij, dat er op staat?" + +"Als dokter Robinson sterft, loopt het op hangen uit." + +"Denk je dat wezenlijk." + +"Wel, ik weet het zeker, Tom." + +Tom dacht een oogenblik na en zeide: + +"Wie zal het vertellen? Wij?" + +"Wat verzin je nou! Verbeeld je, dat er eens iets gebeurde waardoor +Injun Joe niet opgehangen werd, dan zou hij ons immers op een goeden +dag vermoorden." + +"Dat lag ik juist te bedenken, Huck." + +"Als iemand het zeggen moet, laat Muff Potter het dan doen indien +hij er althans niet te gek of te dronken toe is." + +Tom antwoordde niets--en ging voort met denken. Eindelijk zei hij +zachtjes: + +"Huck, Muff Potter weet het niet. Hoe kan hij het vertellen?" + +"Waarom weet hij het niet?" + +"Omdat hij juist die plank op zijn kop heeft gekregen, toen Injun +Joe het deed. Denk jij, dat hij iets kan gezien hebben? Denk jij, +dat hij iets weet?" + +"Bij mijne zolen, dat is waar ook, Tom." + +"En bovendien, wie weet of die plank hem niet gedood heeft!" + +"Neen, dat geloof ik niet, Tom. Hij was dronken, dat kon ik wel +zien; dronken, net als altijd. Wel, als Pop zat is, kun je wel een +kerk op zijn hoofd laten invallen, zonder dat 't hem deert. Dat zeit +hij zelf. Zoo is het natuurlijk precies met Muff Potter. Als de man +doodnuchteren geweest was, zou de plank hem wel gemold hebben, maar +nu niet." + +Na een oogenblik peinzend zeide Tom: + +"Hucky, weet je zeker, dat je je mond kunt houden?" + +"Tom, wij _moeten_ den mond houden. Die duivel van een Injun zou er +geen been in zien ons als katten te verdrinken, als we van den moord +repten en hij niet gehangen werd. Hoor eens hier, Tom, laat ons elkaar +met een eed beloven, dat wij geen woord zullen spreken." + +"Dat is goed, Huck; dat zal 't beste zijn. Zullen wij onze handen +opsteken en zweren, dat we...?" + +"O, neen, dat is niet voldoende voor zoo iets als dit. Dat is goed +voor wissewasjes, vooral onder jongens, die den boel verklappen +zoodra ze nijdig worden; maar bij zoo'n groot ding als dit behoort +schrift en--bloed!" + +Tom juichte dit denkbeeld van ganscher harte toe. Er was iets +geheimzinnigs en ijzingswekkends in: het nachtelijk uur, de duisternis, +de omgeving, alles was er mede in overeenstemming. Hij raapte een +witten, in de maneschijn liggenden tegel op, haalde een stukje rood +krijt uit zijn zak en krabbelde, bij het licht van de maneschijn, +met moeite de volgende woorden op den tegel: + + + "Hugh Finn en + Tom Sawyer zweren, + dat zij zullen zwijgen over + deze zaak, en verklaren, dat zij + liever op de plaats zelve zullen + doodvallen dan ooit de waarheid + te verklappen." + + +Huckleberry was verbaasd over de gemakkelijkheid waarmede Tom schreef +en over de prachtige woorden. Hij nam dadelijk een speld uit zijn +lompen en wilde zich in den vinger prikken, toen Tom zeide: + +"Houd op, doe dat niet! De speld is van koper; er mocht eens kopergroen +aan zijn." + +"Wat is kopergroen?" + +"Dat is vergif, en als je dat eens insliktet ... Begrijp jij?" + +Daarop nam Tom het garen uit een van zijn naalden, en de jongens +prikten zich in den duim en drukten er een droppel bloed uit. + +Na lang persen gelukte het Tom de voorletters van zijn naam met bloed +op den tegel te teekenen, en gebruikte daarbij zijn pink als pen. Toen +wees hij Huckleberry, hoe hij een H en een F moest maken, en hiermede +waren de formaliteiten der eedsaflegging voltooid. Zij begroeven den +tegel vlak bij den muur, met de noodige griezelige plechtigheden en +onder het spreken van tooverformulieren en beschouwden van nu aan +hun geheim als heilig en onschendbaar. + +Onderwijl was, zonder dat de knapen het bemerkt hadden eene gedaante +door eene opening aan de andere zijde van het vervallen gebouw naar +binnen geslopen. + +"Tom," fluisterde Huckleberry, "mogen wij het nu nooit verklappen?" + +"Neen, natuurlijk niet. Wat er ook gebeure, wij mogen, er geen woord +van spreken, want als wij dat deden, zouden wij dood op den grond +vallen,--begrijp je?" + +"Ja, dat begrijp ik?" + +Zij bleven nog eenige minuten staan fluisteren, toen buiten, +omstreeks tien stappen van de plek waar zij stonden, een hond zijn +lang, somber gejank aanhief. De knapen klemden zich doodelijk ontsteld +aan elkander vast. + +"Wie van ons beiden zou er om koud zijn?" bracht Huckleberry, naar +adem snakkende, uit. + +"Ik weet het niet. Kijk maar eens door deze scheur in den muur." + +"Neen, doe jij het zelf, Tom." + +"Ik, ik kan het niet doen, Huck." + +"Och, als je blieft, Tom. Daar begint het weer." + +"O Hemeltje, wat ben ik blij," fluisterde Tom. "Ik ken zijn stem: +het is Harbisons hond." + +"O, dat is gelukkig!--Zal ik je eens wat zeggen, Tom? ik was zoo bang, +dat het een verdwaalde hond zou zijn." + +De hond begon weder te huilen en weer ontzonk den jongens de moed. + +"O wee! Het is Harbisons hond niet," fluisterde Huckleberry; "kijk +nog eens Tom." + +Bevende van schrik bracht Tom zijn oog nogmaals voor de +opening. Nauwlijks verstaanbaar fluisterde hij: + +"O Huck! Het is een _verdwaalde hond_!" + +"Gauw, Tom, gauw! Wien van ons bedoelt hij?" + +"Huck, ik denk ons allebei." + +"O, Tom, het is met ons gedaan. Waar ik naar toe zal gaan, is niet +twijfelachtig. Ik ben altijd zoo slecht geweest." + +"Ik ook.--Dat komt van het uit school blijven en van het ongehoorzaam +zijn. Als ik gewild had, zou ik wel even goed hebben kunnen zijn als +Sid,--maar, neen, dat zou ik toch niet, natuurlijk niet. Breng ik +het er nu dezen keer goed af, dan zal ik mijn best doen om voortaan +op de zondagsschool op te passen." En Tom begon aanstalten te maken +tot schreien. + +"Jij slecht?" en Huckleberry begon ook te schreien. "Bewaar me, Tom +Sawyer, als jij niet een brave jongen bent geweest in vergelijking +van mij. O hemeltje, hemeltje, hemeltje! Ik wou, dat ik de helft van +jou kansen had!" + +Tom viel hem in de rede en fluisterde: + +"Kijk eens, Huck, kijk eens! Hij staat met zijn rug naar ons toe." + +Huckleberry keek verheugd door de opening. + +"Sapperloot, het is waar. Heeft hij altijd zoo gestaan?" + +"Ja; maar ik ben zoo gek geweest het niet te zien. Nu wie zou hij +thans op het oog hebben?" + +Het gehuil hield op. Tom splitste de ooren. + +"Hè! wat is dat?" fluisterde hij. + +"Een geluid als--als het knorren van een varken. Neen, toch niet; +er ligt iemand te snorken, Tom." + +"Ja, dat is het.--Waar komt het vandaan, Huck?" + +"Ik geloof van gindschen kant. Zoo klinkt het ten minste. Pop slaapt +hier wel eens met de varkens, maar zijn gesnork is een heel ander +geblaas. Buitendien geloof ik, dat hij niet meer in de stad durft +komen." + +De lust tot het zoeken van avonturen ontwaakte weder in het hart +der knapen. + +"Hucky, durf jij er langs loopen, als ik vooruit ga?" + +"Ik heb er niet veel lust in, Tom. Vooronderstel eens, dat het Injun +Joe was!" + +Tom stond een oogenblik in tweestrijd, doch de verzoeking werd te sterk +en de jongens besloten het te doen met dien verstande, dat zij hunne +biezen zouden pakken, als het snorken ophield. Zoo slopen zij op de +teenen, achter elkander, naar het andere einde van het gebouw. Toen +zij zoo wat een pas of vijf van den snorker af waren, trapte Tom op +een stok en brak dien met een harden krak. De man steunde, keerde +zich om, en zijn gelaat werd in den maneschijn zichtbaar. + +Het was Muff Potter. + +De knapen waren als versteend blijven staan, toen de man zich bewoog, +maar hunne vrees was nu geweken. Zij slopen naar buiten, langs +de vermolmde schutting en hielden daar stil on elkaar "goedendag" +te zeggen. + +Daar klonk weder het somber gehuil door de nachtlucht. De knapen +keken om en zagen den vreemden hond staan, vlak bij de plek waar +Potter lag, en het dier hield zijn hemelwaarts gekeerden kop naar +den dronkaard gericht. + +"O, jéminé, het geldt _hem_!" riepen de knapen in éénen adem uit. + +"Hoor eens, Tom; zij zeggen, dat een dag of veertien geleden een hond +huilende tegen middernacht langs John Millers huis geloopen heeft, +en dat toen een Wipperwil [1] op zijn dak is gaan zitten zingen; +en toch is daar niemand gestorven." + +"Dat weet ik wel. Maar is Grace Miller niet verleden Zaterdag in +de keuken op het vuur gevallen en heeft zij zich niet schrikkelijk +gebrand?" + +"Ja, maar zij is niet dood. En wat sterker is, zij wordt beter." + +"'t Kan wel wezen, doch wacht maar; zij is er zoo zeker om koud als +Muff Potter. Dat zeggen de negers althans en die weten al die soort +van dingen." + +Daarop namen zij peinzend afscheid van elkander. + +Toen Tom het raam van zijne slaapkamer insprong, had de dag omtrent +voor den nacht plaats gemaakt. Hij kleedde zich behoedzaam uit en viel +in slaap, zich gelukwenschend dat niemand iets van zijn uitstapje +bemerkt had. Maar hij wist niet, dat de zacht snorkende Sid al een +uur wakker had gelegen. + +Toen Tom ontwaakte, was Sid al verdwenen. De zon zag er uit alsof zij +reeds lang geschenen had en ook de atmosfeer gaf den indruk dat het +al laat was. Verschrikt sprong hij het bed uit. Waarom was hij niet +geroepen,--hij, die anders altijd uit zijn bed getrokken werd? Dat +was een slecht voorteeken. Binnen vijf minuten was hij gekleed en +stapte hij met een loom en slaperig gevoel de trap af. De familie +zat nog rondom de tafel, maar had het ontbijt gebruikt. Er was geene +bestraffende stem, doch er waren oogen, die zich afwendden, en er +was iets stils en plechtigs, dat den schuldigen eene rilling door +de leden joeg. Hij ging zitten en trachtte vroolijk te kijken doch +dat was echter zwaar werk, want zijn glimlach werd niet beantwoord, +zoodat hij eindelijk diep verslagen de oogen op den grond sloeg. Na het +ontbijt nam tante hem onder vier oogen en de hoop dat hij slaag zou +krijgen maakte Tom bijkans vroolijk; doch niets van dat alles. Zijne +tante begon te schreien en vroeg hem, hoe het mogelijk was dat hij +er behagen in schepte, haar oud hart te breken, en eindigde met hem +te zeggen, dat hij maar voort moest gaan met zichzelven ongelukkig +te maken en hare grijze haren met kommer ten grave te doen dalen, +want dat zij het met hem opgaf. Dat was erger dan duizend zweepslagen +en Tom voelde iets in zijn hart, dat zwaarder te dragen was dan +lichamelijk lijden. Hij schreide, smeekte om vergiffenis, beloofde +herhaalde malen beterschap en werd toen weggezonden met het gevoel, +dat hij slechts ten halve vergeven en ten halve vertrouwd werd. + +Hij verliet de kamer in een staat te ellendig zelfs om wraak jegens +Sid te koesteren, zoodat de laatste zich onnoodig achter de tuindeur +ging verschuilen. Neerslachtig en zwaarmoedig drentelde hij naar +school en onderging de hem en Joe Harper wegens hun schoolverzuim +van den vorigen dag toebedeelde klappen, met het uiterlijk van +iemand, wiens hart onder veel zwaarder leed gebukt gaat en die +aan zulke beuzelingen afgestorven is. Vervolgens zette hij zich op +zijne plaats neder, met de ellebogen op zijn lessenaar en de handen +onder den kin, en tuurden op den blinden muur met dien matten blik, +welke van een lijden getuigt, dat zijn toppunt bereikt heeft. Daar +stoot plotseling zijn elleboog tegen een hard voorwerp. Langzaam en +droevig verandert hij van houding en neemt het voorwerp op. Het was +in een papier gewikkeld. Dit papier wordt ontrold en een lang gerekte +zucht ontsnapt zijn borst. Zijn koperen schelknop staat voor hem! Dit +laatste vedertje brak des kemels rug. + + + + +HOOFDSTUK XI. + + +Vóórdat de klok dien morgen "negen" had geslagen, verspreidde het +akelige nieuws zich plotseling door de geheele stad. Zelfs zonder +de toen nog onbekende telegraaf vloog het verhaal, met meer dan +telegrafischen spoed, van mond tot mond, van groep tot groep, +van huis tot huis. Natuurlijk gaf de schoolmeester vacantie. De +St. Petersburgers zouden niet geweten hebben hoe zij 't met hem hadden, +indien hij dat niet gedaan had. Er was, zoo luidde het gerucht, een +bebloed mes vlak bij den vermoorden man gevonden, en dat mes was door +iemand herkend als aan Muff Potter toe te behooren. En, werd er verder +verteld, een man, die laat in den nacht op weg was geweest, had om twee +uren na middernacht Potter zich aan een beek zien staan wasschen en +toen op eens wegsluipen. Al te maal verdachte omstandigheden, vooral +het wasschen, dat volstrekt niet tot Potters gewoonte behoorde. Men +wist ook, dat de gansche stad was doorzocht on dezen "moordenaar" +op te sporen (het publiek heeft in den regel spoedig de bewijzen bij +de hand en het vonnis klaar), maar dat hij nergens te vinden was. Men +had op alle wegen en in allerlei richtingen mannen te paard gezien en +de sherif hield zich verzekerd, dat hij vóór den nacht gevat zou zijn. + +De geheele stad liep uit naar het kerkhof. Tom vergat ook voor het +oogenblik zijn hartzeer en voegde zich bij den stoet, niet omdat hij +niet duizendmaal liever overal elders zou zijn heengegaan, maar omdat +eene huiveringwekkende onweerstaanbare betoovering hem voortdreef. Bij +de akelige plaats gekomen, drong hij met zijn klein lichaam door de +menigte heen en aanschouwde het afgrijselijk tooneel. Het was hem +alsof er een eeuw was voorbijgegaan, sedert hij daar geweest was. Op +eens werd hij in den arm geknepen. Hij keerde zich on en zijne oogen +ontmoetten die van Huckleberry. Daarop keken de knapen dadelijk den +anderen kant uit en hun hart klopte bij de gedachte, dat iemand dien +blik van verstandhouding mocht bemerkt hebben. Doch iedereen was aan +het praten en verdiept in het vreeselijk schouwspel, dat zich voor +het oog vertoonde. + +"Die arme man! Het is een goede les voor lijkendieven. Muff Potter +zal er voor hangen, als ze hem krijgen!" Dit was zoo ongeveer de loop +van het gesprek op het kerkhof en de dominee maakte de opmerking, +"dat het een 'Godsoordeel' was en dat des Heeren hand hier kennelijk +werd gezien." + +Plotseling begon Tom van het hoofd tot de voeten te beven want zijn +oog viel op het verstokte gelaat van Injun Joe. Op dit oogenblik +ontstond er eene kleine opschudding onder de menigte en verscheidene +menschen riepen: "Daar is hij! daar is hij! Hij komt zelf!" + +"Wie? Wie?" herhaalden twintig stemmen. + +"Muff Potter! + +"Heila! Hij wordt tegengehouden. Kijk, hij keert terug! Laat hem +niet wegloopen!" + +Een paar mannen, die in de boomen geklommen waren boven Toms hoofd, +riepen dat hij volstrekt geen pogingen deed om weg te loopen en dat +hij er achterdochtig en verschrikt uitzag. + +"Duivelsch onbeschaamd!" zei een der omstanders. "Zeker wou hij +eens rustig een kijkje van zijn werk komen nemen en verwachtte geen +gezelschap." + +De schare maakte nu plaats voor den sherif, die met veel praalvertoon +Muff Potter bij den arm leidende, in haar midden ging staan. De arme +man zag er verwilderd uit en zijne oogen verrieden den doodsangst, +waarin hij verkeerde. Toen hij tegenover den verslagene stond, was +het alsof hij door eene beroerte getroffen werd; hij verborg zijn +gelaat in zijne handen en barstte in tranen uit. + +"Ik heb het niet gedaan, vrienden," snikte hij. "Op mijn woord van eer, +ik heb het niet gedaan." + +"Wie beschuldigt u?" donderde een stem. + +Dit schot scheen doel te treffen. Potter hief het gelaat omhoog en +zag met roerende hopeloosheid in het rond. Toen hij Injun Joe zag, +riep hij uit: + +"O, Injun Joe! gij beloofdet, dat gij het nooit...." + +"Is dat uw mes?" En het bebloed werktuig werd hem door den sherif +voorgehouden. + +Potter zou op den grond gevallen zijn, indien men hem niet aangegrepen +had. Toen sprak hij: + +"Iets in mijn binnenste zeide mij, dat, als ik niet terugkwam om het +te halen...." + +Sidderend hield hij op en wuifde met de machtelooze hand, als wilde +hij te kennen geven, dat hij zich overwonnen achtte, en zeide: +"Zeg het maar, Joe--zeg het maar;--het helpt toch niet meer." + +Huckleberry en Tom waren sprakeloos van ontzetting, toen zij den +verstokten moordenaar kalm zijne verklaring hoorden afleggen. Zij +verwachten elk oogenblik, dat God een bliksemstraal uit den helderen +hemel op hem zou doen nederschieten, en verwonderden er zich over, dat +die straf zich voortdurend liet wachten. En toen Injun Joe uitgesproken +had en nog levend en gezond voor hen stond, verdween uit hun hart de +aandrang om hun eed te breken en het leven van den armen bedrogen +gevangene te redden want deze ellendeling, die er zoo goed afkwam, +had zich ongetwijfeld aan den duivel verkocht en het zou gevaarlijk +wezen zich met het eigendom van een macht als deze in te laten. + +"Waarom zijt gij niet weggebleven? Wat behoefdet gij hier terug te +komen?" vroeg een der omstanders. + +"Ik, ik kon niet anders," kermde Potter; "ik zou zoo gaarne weggeloopen +zijn, maar ik werd naar deze plaats als gedreven." En hij begon weder +te snikken. + +Een paar minuten later, bij het gerechtelijk onderzoek, herhaalde +Injun Joe met dezelfde kalmte als den eersten keer zijne verklaringen +onder eede en de omstandigheid dat hij nu weder niet door den +bliksemschicht getroffen werd, versterkte de knapen in hun geloof, +dat Joe zich aan den Duivel had verkocht. Hij werd thans in hunne +oogen het vreeselijkste en belangwekkendste wezen, dat zij ooit hadden +aanschouwd, en hij boeide hen in zulk eene mate, dat zij hunne oogen +niet van hem konden afhouden. Bij zichzelven besloten zij, on zoodra +de gelegenheid zich voordeed, hem des nachts te bespieden, in de hoop +dan iets van zijn vreeselijken meester te zien te krijgen. + +Injun Joe hielp het lijk van den vermoorde optillen en ten vervoer +in den ziekenwagen leggen, en onder de sidderende menigte werd het +gemompel gehoord, dat de wond een weinig bloedde. De jongens dachten, +dat deze gelukkige omstandigheid het vermoeden in de juiste richting +zou wenden, maar ze werden teleurgesteld, want iemand maakte de +opmerking, dat "Muff Potter op drie treden afstands van het lijk +gestaan had, toen het gebeurde." + +Het vreeselijk geheim en zijn knagend geweten vervolgden Tom van den +morgen tot den avond en verstoorden zelfs zijn nachtrust. Op zekeren +morgen aan het ontbijt zeide Sid: + +"Tom, je woelt tegenwoordig den ganschen nacht door en je praat zoo +in je slaap, dat je me uren wakker houdt." + +Tom verbleekte en sloeg de oogen neder. + +"Dat is een kwaad teeken," zeide tante Polly, ernstig. "Je hebt toch +niets op je geweten, Tom?" + +"Niet, dat ik weet," antwoordde de knaap, doch zijne hand beefde zoo, +dat hij zijne koffie op het tafelblad stortte. + +"En je praat zulken onzin," zeide Sid. "Gisterenacht riep je: 'Het +is bloed, het is bloed, dat is het!' Dat heb je wel twintig keer +gezegd. En je zei ook: 'Plaag me niet zoo;--ik zal het vertellen,'" + +"Vertellen? Wat zul je me toch vertellen?" vroeg tante. + +De geheele kamer draaide voor Toms oogen in het rond en de hemel weet +wat er gebeurd zou zijn, indien de onrust niet uit tantes gelaat +verdwenen en zij, zonder het zelve te weten, haar neef te hulp was +gekomen. Zij zeide: "O! dat komt van dien vreeselijken moord. Ik +droom er ook elken nacht van; soms wel, dat ik het zelve gedaan heb." + +Ook Marie verzekerde, dat het haar eveneens ging, en Sid scheen +bevredigd. Tom echter sloop zoo spoedig weg als hij kon, en van dien +dag af, klaagde hij over kiespijn en deed des snachts den doek om +zijn gezicht. Weinig vermoedde hij echter, dat Sid hem uren lang +lag te bespieden den doek wegtrok, op zijn elleboog geleund ging +liggen luisteren, en dan het verband weer handig op zijne plaats +schoof. Langzamerhand begon Toms angst te verminderen en werd de +kiespijn afgedankt. Indien Sid het werkelijk er op aanlegde om iets +uit Toms onsamenhangend gemompel op te maken, hield hij het toch +zorgvuldig voor zich. + +Er scheen in Toms oog geen einde te komen aan het spelletje zijner +schoolmakkers om lijkschouwing van doode katten te houden, en dusdoende +aanhoudend zijne kwelling te verlevendigen. Sid merkte dit, dat bij +deze instructies, Tom nooit weer lijkschouwer wilde wezen, ofschoon +hij vroeger bij elke nieuwe uitvinding altijd "haantje de voorste" +was. Het viel hem ook op, dat Tom nooit getuige wilde zijn--ja, zelfs +een in 't oog loopenden afkeer van vermakelijkheden als deze verkregen +had en ze zooveel mogelijk vermeed. Sid verwonderde zich daarover, +maar zeide niets. Gelukkig gingen deze lijkschouwingen eindelijk uit +de mode en hielden dus op Toms geweten te pijnigen. + +Gedurende dit kommervolle tijdperk zijns levens ging Tom om den +anderen of om de twee dagen, zoo dikwijls als hij wist dat niemand hem +bespiedde, voor het kleine getraliede venster van de gevangenis staan +en stak daardoor "den moordenaar" al de verkwikkingen en lekkernijen +toe, waarvan hij zich kon meester maken. + +De gevangenis van St. Petersburg was een klein steenen gebouw, dat in +een moeras vlak buiten het stadje lag, en waarvoor geen schildwachten +noodig geacht werden. Zij was zelden bezet en Tom kon er dus veilig +heengaan om Muff Potter de offeranden te schenken, waarmede hij zijn +geweten weder eenigszins tot rust zocht te brengen. + +De bewoners van het stadje zouden zeker anders het gebruik gevolgd +hebben om Injun Joe, beteerd en met veeren beplakt in een kooi rond +te rijden, (de gewone straf van lijkendieven,) maar hij was zulk +een berucht en gevreesd persoon, dat niemand de leiding van deze +onderneming op zich durfde nemen. Injun Joe, van zijn kant, had wel +opgepast bij beide zijne getuigenissen alleen van het gevecht te +spreken, en den voorafgeganen diefstal te verzwijgen. Vandaar dat de +zaak vooralsnog niet bij het Hof aanhangig werd gemaakt. + + + + +HOOFDSTUK XII. + + +Een der oorzaken, waardoor Toms geheime kwellingen meer op den +achtergrond geraakten, was te vinden in eene nieuwe en gewichtige zaak, +die zijn gemoed vervulde. Becky Thatcher kwam niet meer op school. Hij +had een dag of wat met zijn trots strijd gevoerd en getracht te doen +alsof zij niet bestond, maar het was hem niet gelukt. Van lieverlede +begon hij weer langs haar vaders huis te slenteren en zich ongelukkig +te gevoelen. Als zij eens stierf! Die gedachte was genoeg om hem +krankzinnig te maken. Hij had geen liefhebberij meer in oorlog spelen, +zelfs niet in het zeerooverspel. De bekoorlijkheid van het leven was +verdwenen en niets dan ellende was overgebleven. Hij borg zijn hoepel +en zijn kolfstok, want al de pret van hoepelen was voorbij. Zijne +somberheid wekte tantes onrust en zij begon allerlei soorten van +geneesmiddelen op hem toe te passen. + +Juffrouw Polly behoorde tot die lieden, welke verzot zijn op +huismiddeltjes en dwepen met alle pas uitgevonden methodes tot +verbetering en onderhoud der gezondheid. De lust om van al die dingen +de proef te nemen was haar als ingeroest. Zoodra er op dit gebied +iets nieuws op het tapijt kwam, rustte zij niet eer het aan haar huis +was toegepast;--niet op haar zelve, want zij was nooit ziek, maar op +ieder ander, dien zij onder handen kon krijgen. Zij had ingeteekend +op alle mogelijke tijdschriften over de gezondheidsleer en op alle +dwaze vertoogschriften over de geneeskunde, en de hoogdravende +artikelen waarmede deze waren opgevuld, werden door haar met gejuich +ontvangen. Al de onzin, die er werd uitgekraamd over ventilatie en +de voorschriften die gegeven werden over het opstaan en het naar bed +gaan, het gebruik van spijs en drank, het nemen van lichaamsbeweging, +over de gemoedsstemming waarin men moet verkeeren, over de soort van +kleeding die men dragen moet, was evangelietaal voor haar, en zij +bemerkte nooit, dat hare gezondheidsjournalen van de loopende maand +gewoonlijk tegenspraken wat zij in de vorige met veel ophef verkondigd +hadden. Zij was het eenvoudigste en oprechtste schepsel dat er leefde +en werd daardoor gemakkelijk om den tuin geleid. Zij verzamelde al +de kwakzalverachtige tijdschriften en geneesmiddelen om zich heen, +en leefde dan in de overtuiging dat zij een engel in menschengedaante +was, die den balsem van Gilead aan hare lijdende naasten kwam brengen. + +Op dat tijdstip waarvan wij spreken, begon de koudwaterkuur aan de orde +te komen, en Toms droefgeestigheid kwam haar tot het toepassen van +de kuur verbazend in de hand. Voor dag en dauw werd hij uit zijn bed +gehaald en in de houtschuur gesleept en met een stortvloed van koud +water overstelpt. Dat water werd met een harden handdoek afgedroogd, +en vervolgens werd de jongen in natte lakens gewikkeld en onder de +dekens gestopt, totdat hij zoo ging zweeten, dat zijn ziel, zooals +hij zeide, door zijne poriën kwam kijken. + +Niettegenstaande al die geneesmiddelen werd de knaap hoe langer +hoe neerslachtiger, bleeker en slapper. Toen kwamen de heete +baden, zitbaden, stortbaden en douches. De knaap was en bleef +droefgeestig. Daarop werd aan de waterkuur een diëet toegevoegd van +dunne havergortpap en werden er Spaansche vliegen toegepast. Tante +Polly toch berekende de inhoudsruimte van haar neef naar die van een +kruik en vulde hem op, totdat hij vol was. + +Langzamerhand geraakte Tom door al dat wasschen en plassen in een +staat van verdooving en onverschilligheid. Dit verschijnsel vervulde +de oude dame met schrik en er moest een einde aan gemaakt worden, +het kostte wat het wilde. Daar leest zij in de courant van een nieuw +zenuwmiddel! Dadelijk werd er een flesch besteld, geproefd en goed +bevonden. De waterkuur werd opgegeven en alles van het zenuwmiddel +verwacht. Een theelepeltje vol werd den knaap ingegeven, waarvan +het resultaat in angstige spanning werd te gemoet gezien. Reeds bij +de eerste proef week haar onrust en keerde de kalmte in haar ziel +terug. Immers de onverschilligheid was op eens verdwenen. De knaap, +al had zij hem op een gloeiende plaat gezet, kon niet schielijker +woest en luidruchtig zijn. + +Wat was hiervan de reden? Tom voelde, dat het tijd werd, weder wakker +te worden. Het leven, 't welk hij thans leidde, mocht in zijn treurigen +toestand iets romantisch hebben, het was te saai en te gelijk te vol +akelige afwisseling om lang zóó te kunnen blijven. Daarom zon hij op +allerlei middelen om er een eind aan te maken, en besloot verzotheid +op het nieuwe drankje voor te wenden. Hij vroeg er zoo dikwijls om, +dat het tante begon te vervelen en zij eindigde met hem te zeggen, +dat hij maar leeren moest zelf in te nemen en haar er niet meer mede +lastig vallen. Ware het Sid geweest, zij zou die liefhebberij in het +geneesmiddel niet mistrouwd hebben, maar op Tom moest heimelijk een +oogje gehouden worden. Tot hare geruststelling echter bemerkte zij, +dat de inhoud wezenlijk verminderde, doch het kwam niet in haar op +te vermoeden, dat de knaap de geneeskracht van den drank, niet op +zijn eigen lichaam beproefde, maar op den vloer der huiskamer en het +vocht in een spleet onder het karpet uitgoot. + +Op zekeren dag was hij daar juist mede bezig, toen tantes gele kat, +kopjes gevende en spinnende, naar het theelepeltje kwam kijken, +blijkbaar vol lust om er van te snoepen. + +"Dat is verboden waar voor jou, poesje," zeide Tom tot de kat. + +Doch de poes maakte een gebaar alsof zij er anders over dacht. + +"Neen, poes, raak er niet aan." + +De poes hield echter vol. + +"Nu, als je het dan volstrekt wilt hebben, zal ik het je wel geven, +want mij helpt het geen zier. Doch als het je niet goed bekomt, +kan ik het niet helpen." + +Poesje stemde stilzwijgend toe en Tom spalkte haar den bek open en +goot er eene hoeveelheid van den drank in. De kat sprong een paar el +in de lucht, hief toen een jammerlijk geschreeuw aan, danste de kamer +rond, sloeg tegen de meubels, wierp de bloempotten omver en gooide +alles het onderstboven. Vervolgens ging zij op de achterpooten staan, +draaide met den kop en miauwde van angst. Daarna liep ze weer als een +razende het huis door en bracht overal verwarring en vernieling met +zich. Juist toen tante Polly de kamer binnenkwam, was zij bezig een +paar kostbare planten te vernielen en met een helsch geschreeuw door +het open raam te springen, inderhaast nog de rest van de bloempotten +met zich sleepende. De oude dame stond versteend van schrik over haar +bril te staren, terwijl Tom op den grond lag te gillen van het lachen. + +"Wat, in 's hemels naam, scheelt de kat, Tom?" + +"Ik, ik zou het u niet kunnen zeggen," grinnikte de knaap. + +"Wel, ik heb nog nooit zoo iets gezien. Hoe komt zij zoo?" + +"Ik weet het wezenlijk niet, tante Polly. Katten doen altijd zoo, +als zij schik hebben." + +"Doen ze dat?" Er was iets in den toon, dat Tom vrees aanjoeg. + +"Ja, tante," zeide hij, iets minder boud; "dat geloof ik ten minste." + +"Geloof je dat?" + +"Ja." + +De oude dame bukte zich en Tom verbeidde met angst den afloop. Doch hij +begreep hare bedoeling te laat. Daar lag het verklappend theelepeltje +achter de franjes van het bedgordijn. Tante Polly nam het op en +hield het hem voor den neus. Tom deinsde terug en sloeg de oogen +neder. Tante pakte hem bij het gewone handvatsel--zijn oor--en kneep +dit lichaamsdeel zoo, dat men zijn hoofd hoorde kraken. + +"Nu, jongeheer, waarom moest dat stomme dier zoo mishandeld worden?" + +"Ik deed het uit medelijden met haar,--omdat zij geen tante heeft." + +"Geen tante, deugniet?--Wat heeft dat er mede te maken?" + +"O, heel veel! Omdat, als zij er eene had, deze haar gebrand zou hebben +en haar de ingewanden geroosterd als ware zij een mensch geweest." + +Tante Polly voelde plotseling een knagende gewetenswroeging. Hetgeen +wreed was voor de kat, kon ook wreed voor een jongen wezen. Haar hart +werd verteederd. Zij kreeg spijt en hare oogen begonnen vochtig te +worden; en hare hand op Toms hoofd leggende, zeide zij vriendelijk: + +"Ik deed het om bestwil, Tom. En, jongen, 't _heeft_ u immers goed +gedaan?" + +Tom keek haar aan en zeide, terwijl hij een knipoogje maakte: + +"Ik weet, dat u het voor mij om bestwil gedaan hebt, en ik deed +eveneens met de poes. Het heeft haar ook goed gedaan, want ik heb +haar nooit zoo netjes zien dansen. + +"O, maak dat je wegkomt, voordat ik weer boos word!" riep tante +uit. "En doe nu eindelijk je best eens om een brave jongen te +worden. Medicijnen behoef je voorloopig niet meer te nemen." + +Tom ging dien middag vroeg naar school en bleef voor de deur staan, +in plaats van met zijne makkers te spelen. Hij verklaarde zich voor +ziek en zag er ook niet heel goed uit. Schijnbaar keek hij naar +alles, behalve naar hetgeen waarop hij wezenlijk zijn oog gericht +hield--namelijk, naar den weg. + +Daar kwam Jeff Thatcher aan en Toms gelaat klaarde wat op. Hij begon +een gesprek met hem en zocht op allerlei manieren iets omtrent Becky te +weten te komen, doch de looze jongen scheen er niets van te merken. Tom +wachtte en wachtte, en zijn oogen schitterden telkens, wanneer er een +jurkje in het gezicht kwam, doch zoodra hij ontdekte dat de draagster +van het jurkje niet de rechte persoon was, sloeg hij ze verdrietig +neer. Eindelijk kwamen er geen japonnetjes meer voorbij en hij verviel +in eene hopelooze neerslachtigheid. Hij trad het leege schoolgebouw +binnen en gaf zich aan zijn verdriet over. Maar op eens ontdekte hij +weder een jurkje en zijn hart klopte hoorbaar. Geen minuut later was +hij de school uit en als een clown aan het kunsten maken. Hij gilde, +lachte, zat de jongens achterna, sprong met levensgevaar over het hek, +ging op zijn hoofd staan en verrichtte al de heldendaden, die hij +maar kon uitdenken, terzelfder tijd voortdurend heimelijke blikken +werpend op Becky Thatcher, om te zien of zij het wel merkte. Doch zij +scheen er niet op te letten en keek steeds een anderen kant uit. Was +het mogelijk dat zij niet zag, dat hij daar was? Toen ging hij zijne +gymnastische oefeningen in hare onmiddellijke nabijheid uitvoeren, liep +met veel lawaai tusschen de jongens door, greep er een de pet van het +hoofd, slingerde die over het dak van de school en danste en sprong, +totdat hij vlak voor Becky stond en bijna tegen haar aanliep. En zij, +zij keerde zich om, en Tom hoorde haar zeggen: + +"Ba! sommige menschen verbeelden zich, dat zij ijselijk grappig zijn; +zij doen altijd kunsten om gezien te worden." + +Tom werd gloeiend rood en droop verslagen af. + + + + +HOOFDSTUK XIII. + + +De beleediging van Becky Thatcher bracht bij Tom Sawyer een besluit +tot rijpheid. De knaap was aan de uiterste grens van wanhoop. Hij was, +zoo sprak hij bij zichzelven, een verlaten jongen zonder vrienden; +niemand hield van hem. Wanneer de menschen te eeniger tijd ontdekten +waartoe zij hem gebracht hadden, zouden zij misschien spijt gevoelen +over hunne koelheid. Hij had getracht te doen wat goed was en had +het pad der deugd willen bewandelen, doch zelfs daarin had men hem +gedwarsboomd. Aangezien men toch niets wenschte dan van hem af te zijn, +zou de menschheid haar zin hebben: en zij mocht hem er de gevolgen van +toerekenen. Waarom zou zij dat niet? Wat recht had hij, de verlatene, +on zich daarover te beklagen? Ja, zij had er hem toe gedwongen; hij +zou een misdadig leven gaan leiden; men had hem geene andere keus +gelaten. Inmiddels was hij onder deze alleenspraak een eind buiten +de stad gekomen en hoorde in de verte het geklingel der bel, die de +kinderen naar school riep. Hij snikte bij de gedachte, dat hij nooit, +nooit meer dat oude gezellige geluid zou hooren; het was zeer hard, +maar hij kon niet anders: de koude wereld had hem er toe gebracht en +hij moest zich in zijn lot schikken. + +Toen begon hij bitter te schreien. Juist op dat oogenblik kwam +hij zijn boezemvriend Joe Harper tegen, ook met behuilde oogen en +blijkbaar met plannen, gewichtig en somber als de zijne. Kennelijk +waren deze beide zielen van ééne en dezelfde gedachte vervuld. Tom +maakte, terwijl hij zijne oogen met zijn mouw afveegde, onder veel +snikken zijn besluit bekend, on, ten einde de slechte behandeling en +het gebrek aan sympathie te huis te ontvluchten, naar buiten in de +wijde wereld te gaan rondzwerven en nooit terug te komen--en eindigde +met de wensch, dat Joe Harper hem niet vergeten zou. + +Maar daar kwam het uit, dat Joe juist datzelfde verzoek aan Tom +had willen gaan doen en hem deelgenoot maken van een dergelijk +voornemen. Zijne moeder had hem geslagen, omdat hij room zou gesnoept +hebben, die hij nooit geproefd had en waarvan hij niets af wist. Het +was duidelijk, dat zij haar zoon moede was en van hem ontslagen +verlangde te zijn. Als dat zoo was, had hij niet anders te doen +dan voor dien wil te bukken. Hij hoopte dat zij gelukkig zou wezen +zonder hem en dat het haar nooit berouwen zou, haar armen jongen +uitgedreven te hebben in eene ongevoelige wereld, om daarin te lijden +en te sterven. + +Terwijl de beide knapen droevig voortwandelden, sloten zij samen een +nieuw verbond on elkander als broeders bij te staan en nimmermeer +te scheiden, totdat de dood hen van hun verdriet zou verlossen. Toen +begonnen zij plannen te maken. Joe was er voor om kluizenaar te worden +in een afgelegen grot, van water en brood te leven en dan van koude, +ongemak en verdriet te sterven: doch na Tom aangehoord te hebben, kwam +hij tot de overtuiging, dat er aan een misdadig leven groote voordeelen +verbonden waren, en dus stemde hij er in toe zeeroover te worden. + +Anderhalf uur ten zuiden van St. Petersburg, waar de Mississipi +zeer smal was, lag een klein boschrijk eiland, met eene ondiepe +landingsplaats, en dit werd een zeer geschikt toevluchtsoord +geacht. Het was onbewoond en lag ver van den oever, tegenover een +dicht en eenzaam woud. Daarom werd Jacksons Island gekozen. Wie het +mikpunt der zeerooverijen zou zijn, was eene zaak die hun niet in de +gedachten kwam. Toen zochten zij Huckleberry Finn op en hij voegde +zich dadelijk bij hen, daar alle baantjes dien vagebond hetzelfde +waren. Voor het oogenblik scheidden de vrienden en spraken af, +dat zij elkaar op een weinig bezochte plek aan den oever der rivier, +omstreeks een uur van de stad, zouden ontmoeten, en wel te middernacht, +der knapen lievelingsuur. Daar lag een klein houtvlot, dat zij hoopten +te bemachtigen. Zij zouden alle drie vischhaken en hengels medebrengen +en zooveel teerkost als zij slechts op de meest geheimzinnige wijze +konden buitmaken, zooals dat aan roovers paste. En nog voordat de zon +ter kimme daalde, hadden zij zich reeds eene kleine vreugde bereid, +door uit te strooien, "dat de stad eerlang van iets hooren zou." Allen, +die deze vage mededeeling ontvingen, werden verzocht te zwijgen en +te wachten. + +Tegen middernacht kwam Tom ter bestemder plaatse, met eene gekookte +ham en enkele andere levensmiddelen van minder omvang. Hij hield +stil bij een dicht begroeid kreupelboschje op eene kleine hoogte, +van waar men de plaats der bijeenkomst kon overzien. De lucht was +met sterren bezaaid en het was bladstil. De machtige rivier lag kalm +tusschen hare oevers als een oceaan na hevigen storm. Tom luisterde +een oogenblik, maar de stilte werd door geen geluid verstoord. Toen +begon hij zacht te fluiten en dit geluid werd onder het kreupelboschje +beantwoord. Tom floot nog eens en het signaal werd weder op dezelfde +wijze herhaald. Toen riep eene gedempte stem: + +"Wie nadert daar?" + +"Tom Sawyer, de Zwarte Roover der Spaansche Zee. Noemt uwe namen." + +"Huck Finn met de Roode Hand en Joe Harper, de Schrik van den +Oceaan." Tom had deze titels uit zijn lievelingsboeken geleverd. + +"In orde. Geef het contra-signaal." + +Twee schorre stemmen fluisterden gelijktijdig het volgende +schrikkelijke woord in den stikdonkeren nacht: "Bloed!" + +Toen wierp Tom zijn ham over den heuvel en klom er daarna zelf af, +terwijl hij onder 't afdalen zich nu en dan het vel openreet en zijne +kleeren scheurde. Er was wel een geschikt en gemakkelijk pad langs +den oever, om van de hoogte af te dalen, maar dat miste het voordeel +van moeite en gevaar, door een zeeroover zoo gewaardeerd. + +De Schrik van den Oceaan had een zijde spek medegebracht en +was onder het dragen van dien last bijna bezweken. Finn had een +koekenpan gestolen en voor een voorraadje tabak en eenige korte pijpen +gezorgd. 't Was maar jammer, dat hij de eenige der drie roovers was, +die de kunst van rooken en pruimen verstond. De Zwarte Roover der +Spaansche Zee maakte de opmerking, dat het gevaarlijk was zonder vuur +op tochten te gaan, en dat was eene verstandige opmerking. Lucifers +waren in dien tijd nog onbekend, maar op eenige ellen afstands zagen +zij op een groot vlot een vuur smeulen. Dadelijk slopen zij daarheen +en namen een kooltje weg. Van die kleine dieverij werd een verbazend +avontuur gemaakt. Telkens riepen zij "St." en stonden stil met den +wijsvinger op de lippen, grepen naar denkbeeldige dolkgevesten en gaven +fluisterende schrikwekkende bevelen om den vijand, als hij hen mocht +overvallen, "den dolk tot aan 't gevest in 't lijf te steken," omdat +"lijken niets navertellen." Zij wisten wel, dat de bemanning van het +vlot in het stadje aan het hout stapelen was of in de herberg zat, +doch die wetenschap ontsloeg hen niet van de verplichting het geval +op zeerooverswijs te behandelen. Daarop staken zij met hun vlot +van wal. Tom nam de bevelhebbersplaats in. Huck posteerde zich bij +de achterriemen en Joe op den voorsteven. Tom stond midden op het +vaartuig met gefronste wenkbrauwen en over elkaar geslagen armen en +gaf zijne bevelen met eene onderdrukte, barsche stem. + +"Laveeren en het schip onder den wind brengen!" + +"Ja, ja, kapitein!" + +"Vooruit, voor--uit!" + +"Het gaat vooruit, kapitein!" + +"Zet het iets naar voren!" + +"Het is geschied, kapitein!" + +Daar de knapen steeds in dezelfde richting midden in den stroom de +rivier afzakten, was het niet twijfelachtig of deze bevelen werden +maar voor de leus geven en hadden geen bijzonder doel. + +"Welke zeilen voert het in top?" + +"De boeglijnszeilen, de topzeilen en de fokken, kapitein!" + +"Hijsch de voormarszeilen! Maak boven aan de steng een stuk of zes +lijnen los! Past op nu!" + +"Ja, ja, kapitein." + +"De topzeilen reven! Toe dan, jongen!" + +"Ja, ja, kapitein." + +"Het roer tegen den wind! Naar bakboord! Houdt je je goed, +mannen! Voorwaarts." + +"Het gaat voorwaarts, kapitein." + +Het vlot dreef een weinig naar den kant af, de knapen roeiden weder +naar het midden en legden toen de riemen neder. Het water was laag en +de stroom dus niet sterk. Gedurende de eerste drie kwartier werd er +nauwelijks een woord gesproken. Toen gleed het vlot langs de op eenigen +afstand liggende stad, welker richting door enkele flikkerende lichten +werd aangewezen. Daar lag zij, in diepen slaap verzonken, ver van de +onmetelijke watervlakte, waarin duizenden sterren zich spiegelden, +onbewust van de vreeselijke gebeurtenis, die juist plaats greep. De +zwarte Roover stond nog met over elkaar geslagen armen op het dek, +een laatsten blik werpende op het tooneel van geluk en lijden, vervuld +van de begeerte dat zij hem zien mocht, terwijl hij daar buiten op +de onstuimige wateren, met een onverschrokken gemoed, gevaar en dood +trotseerde en met een koelen glimlach op de lippen zijn lot te gemoet +ging. Hij verbeeldde zich--zonder veel moeite--dat Jacksons Island +oneindig ver van St. Petersburg verwijderd was en daarom wierp hij, +bij de gedachte aan dien afstand, een laatsten blik op de stad, met +een gebroken maar toch bevredigd hart. De andere zeeroovers stonden +ook laatste blikken te werpen en allen keken zoo lang, dat zij bijna +uit den koers van het eiland dreven. Doch zij bemerkten het gevaar +bijtijds en beijverden zich om het af te wenden. + +Tegen twee uur in den morgen landde het vlot een paar honderd ellen +boven de aanlegplaats van het eiland, en de knapen waadden door het +water om hunne lading te ontschepen. Tot de kleine uitrusting van +het vlot behoorde ook een oud zeil. Dit werd over een uithoek in de +struiken gespannen, om als tent ter beschutting van de proviand te +dienen, doch zelven besloten zij bij gunstig weder in de open lucht +te slapen, zooals dat bandieten betaamt. + +Daarop legden zij een vuurtje aan tegen den kant van een hooge +houtmijt, diep in het sombere woud en begonnen wat spek in de koekenpan +te bakken, terwijl zij hierbij de helft verorberden van den voorraad +brood, dien zij hadden medegebracht. Het was een ontzaglijk genot om +daar hun feestmaal te houden, als wilden in een maagdelijk woud, op een +onbewoond eiland, ver van de verblijfplaatsen der menschen. Al etende +legden zij dan ook de gelofte af om nooit weder tot de beschaafde +streken terug te keeren. + +De stijgende vlammen verlichten hun aangezicht en wierpen een rooden +gloed op het glinsterend groen en de zich sierlijk om de boomstammen +slingerende ranken. Toen de laatste knappende stukjes spek verdwenen +waren en het laatste brokje brood was verslonden, strekten de knapen +welbehagelijk hunne leden op het mostapijt uit. Zij hadden wel een +koeler plekje kunnen vinden, doch zij wilden zich het romantisch +genot van een knetterend kampvuur niet ontzeggen. + +"Is het niet heerlijk?" vroeg Joe. + +"Ja, het is verrukkelijk," antwoordde Tom. + +"Wat zouden de jongens nu wel zeggen, als zij ons zagen?" + +"Zeggen? Wel, zij zouden goud geven on hier te zitten. Wat zeg jij, +Hucky?" + +"Ik zeg," antwoordde Huckleberry, "dat het mij bevalt. Ik verlang +het nooit beter te hebben. Gewoonlijk krijg ik niet genoeg te eten +en hier kunnen ze me niet komen schoppen en mishandelen." + +"'t Is ook juist een leventje voor mij," zeide Tom. "Je behoeft +'s morgens niet vroeg op te staan, je niet te wasschen, niet naar +school te gaan en allerlei onzin te doen. Zie je nu wel, Joe, dat +een zeeroover, als hij aan wal is, _niets_ te doen heeft, terwijl een +kluizenaar moet bidden en nooit gekheid kan maken, omdat hij altijd +alleen zit." + +"Ja, je hebt gelijk," zeide Joe; "ik verwachtte er niet veel goeds +van, dat weet je, maar nu ik het geprobeerd heb, vind ik het veel +pleizieriger om zeeroover te zijn." + +"Je ziet ook," zeide Tom: "de menschen geven tegenwoordig niet zoo veel +meer om kluizenaars als in den ouden tijd, maar voor zeeroovers hebben +zij altijd ontzag. En buitendien moet een kluizenaar op de hardste +plaats slapen die hij maar vinden kan en zich in zakken kleeden, +en asch op zijn hoofd strooien, en in den regen buiten staan en..." + +"Waarom moet hij zakken dragen en asch op zijn hoofd strooien?" vroeg +Huck. + +"Dat weet ik niet. Maar ze doen het allemaal. Als jij een kluizenaar +was, zou je het ook moeten doen." + +"Ik zou je bedanken," zeide Huck. + +"Wat zou je dan?" + +"Dat weet ik niet, maar dat zeker niet." + +"Wel, Huck, je zoudt het _moeten_; je zoudt niet anders kunnen." + +"Wel, ik zou het niet verdragen; ik zou op den loop gaan." + +"Op den loop gaan! Nu, je zoudt eene mooie soort van heremiet wezen. Je +zoudt ze tot schande maken." + +De Roode Hand gaf geen antwoord, daar zijn brein vervuld was met iets +anders. Hij had juist een pijpekop schoongemaakt, er een rieten steel +aan vastgehecht, den kop met tabak gevuld en was bezig, met behulp +van een stukje brandende steenkool, dat tegen de tabak gedrukt werd, +wolken van geurigen rook uit te blazen. + +Hij baadde zich in weelde en genot en de andere zeeroovers benijdden +hem deze heerlijke ondeugd en besloten bij zichzelven, zich haar +eigen te maken. Een oogenblik later zeide Huck: + +"Wat hebben zeeroovers te doen?" + +"O," zeide Tom, "zij leiden een woelig leventje: kapen schepen en +verbranden die, stelen geld en begraven dat op geheimzinnige plaatsen +op hun eiland, waar het door geesten en spoken bewaakt wordt. Voorts +vermoorden zij de geheele bemanning van het schip." + +"En zij nemen de vrouwen met zich naar het eiland," zeide Joe, +"want vrouwen worden niet vermoord." + +"Neen," antwoordde Tom toestemmend, "zij vermoorden geene vrouwen, +daarvoor zijn zij te edelmoedig. En de vrouwen zijn altijd mooi ook." + +"En dragen zij niet kleeren van beestenvellen?" + +"Neen, toch niet," antwoordde Joe vol geestdrift. "Geheel van goud, +zilver en diamanten." + +"Wie?" vroeg Huck. + +"Wel, de zeeroovers." + +Huck keek met een wanhopigen blik naar zijn eigen plunje. + +"Ik geloof niet, dat ik geschikte kleeren voor een zeeroover heb," +zeide hij met een droevig pathos in zijne stem, "maar ik heb geene +andere dan deze." + +Doch Tom en Joe vertelden hem, dat de mooie kleeren spoedig zouden +komen, wanneer zij op avonturen zouden zijn uitgegaan. Zij gaven +hem te verstaan, dat zijne lompen voldoende waren on te beginnen, +ofschoon het bij rijke zeeroovers de gewoonte was met eene behoorlijke +garderobe van wal te steken. + +Van lieverlede begon het gebabbel te verminderen en daalde de +slaap op de oogleden der jeugdige vluchtelingen neer. De pijp +gleed de "Roode Hand" uit de vingers en hij sliep weldra den slaap +des rechtvaardigen. De Schrik van den Oceaan en de Zwarte Roover +der Spaansche Zee sliepen niet zoo gemakkelijk in. Zij zeiden hun +avondgebed zachtjes en liggend op, daar er niemand was, die hen gebood +te knielen en hen het luide deed uitspreken. Wel hadden zij veel lust +het gebed achterwege te laten, doch zij maakten zich bevreesd, dat +zij, wanneer ze zoo goddeloos waren op eens een bliksemstraal van den +hemel op hunne hoofden zouden doen nederdalen. Juist toen zij in het +rijk der droomen zouden gaan zweven, kwam een kwelgeest hen storen, +die niet wilde wijken. Deze was het geweten. Eerst achtervolgde hij +hen met de beschuldiging dat zij weggeloopen waren en daarna met het +verwijt, dat zij vleesch gestolen hadden. Zij trachtten hem tot zwijgen +te brengen, door hem te herinneren, dat zij toch dikwijls koekjes en +appels hadden weggenomen, doch hij liet zich door schoonschijnende +redeneeringen niet afschepen. Hij wilde over het onweerlegbaar feit +niet heenstappen, dat lekkers wegnemen slechts "snoepen" was, terwijl +het ontvreemden van spek, ham en dergelijke, niets anders mocht +heeten dan "stelen" en dat dit in den Bijbel verboden werd. Daarop +besloten zij in hun binnenste, om zoolang zij het door hen gekozen +beroep uitoefenden, hunne zeerooverijen niet meer met de misdaad van +stelen te bezoedelen. Op die wijs werd er een wapenstilstand met het +geweten gesloten en onze zeeroovertjes vielen gerust in slaap. + + + + +HOOFDSTUK XIV. + + +Toen Tom den volgenden ochtend wakker werd, begreep hij eerst niet +waar hij was. Hij ging opzitten, wreef zich de oogen en keek in +'t rond; toen vatte hij het. De ochtendschemering had haar koelen +grauwen sluier uitgespreid en de aangrijpende kalmte en stilte van +het woud gaf een heerlijk gevoel van rust en vrede. Geen blad bewoog, +geen geluid verstoorde de overdenkingen der groote natuur. Diamanten +dauwdroppels schitterden op de bladeren en het gras. Uit het met een +laag witte asch bedekte kampvuur steeg een dunne, blauwe rookwolk +recht naar boven. Joe en Huck lagen nog te slapen. Daar deed ver +achter in de bosschen een vogel zijne roepstem hooren, die dadelijk +door anderen beantwoord werd, en te gelijk vernam men het gehamer van +den boomspecht. Langzamerhand ging de grijze morgendamp in een witten +nevel over en werd het minder koud. Van lieverlede vermenigvuldigden +zich ook de geluiden en openbaarde zich het leven. De wonderbare +natuur schudde den slaap af en ontplooide zich voor de oogen van den +peinzenden knaap. Een klein, groen wormpje kroop over een bedauwd +blad, hief bij wijlen twee derden van zijn lichaam op, snuffelde +in alle hoekjes en gaatjes en ging toen weder voort. Volgens Tom +was dat wormpje bezig opmetingen te doen. Toen het eindelijk uit +eigen beweging naar hem toe kwam, bleef de knaap doodstil zitten +en al naarmate het beestje hem naderde of een anderen weg scheen te +willen nemen, klom of daalde zijn hoop. Eindelijk bleef het gedurende +eenige voor den knaap angstige oogenblikken, het kopje onbeweeglijk +opwaarts gericht houden en zette zich ten slotte op Toms been neder, +over het lichaam van den knaap een reis te maken. Dat deed hem het +hart van vreugde opspringen, want het beduidde, dat hij een nieuw +pak zou krijgen,--zonder eenigen twijfel een zeerooversuniform. + +Daarop verscheen er zonder dat men zeggen kon van waar, een optocht +van mieren, die haar dagtaak aanvingen. Een van haar sleepte moedig +een doode spin, vijfmaal grooter dan zij zelve, tusschen hare +pooten voort en zette die op een boomstam. Een bruin gespikkeld +Onze-Lieven-Heersbeestje beklom de duizelingwekkende hoogte van een +grasscheut en Tom boog zich over het diertje been en zeide: + + + "Lieven-Heershaantje, Lieven-Heershaantje, vlucht heen, + vlucht heen; + Uw huis staat in brand, uwe kinderen zijn alleen." + + +En het diertje sloeg de vleugeltjes uit en vloog weg om te zien +of de knaap waarheid sprak, waarover deze zich in 't minst niet +verbaasde. Immers hij wist vanouds, dat dit insect lichtgeloovig +was op 't punt van brand en hij had menigmaal de onnoozelheid van +'t beestje verschalkt. Toen kwam er een steenmot, die traag zijn +rond lichaam medesleepte en Tom raakte het diertje aan om het met +opgetrokken pooten te zien ineenrollen en te doen alsof het dood was. + +De vogels waren intusschen druk aan het zingen en kweelen gegaan. Een +spotvogel zette zich op een boom boven Toms hoofd neder en bootste, dol +van pret, met trillende stem, de geluiden na der andere vogels. Toen +streek een schrille meerkol, als een blauwe vlam, naar omlaag en ging +op een tak zitten, bijkans binnen het bereik van den knaap. Hij hield +zijn kopje op zijde en keek de vreemdelingen verbaasd en nieuwsgierig +aan. Een grijze eekhoorn en een groote vos sprongen om hem heen en +gingen af en toe opzitten, on hem te bekijken en op hun manier tegen +hem te praten. Deze bewoners der wildernis toch hadden blijkbaar nooit +te voren een menschelijk wezen gezien en wisten nauwelijks of zij er +bang voor moesten zijn of niet. De geheele natuur was klaar wakker +en in beweging; lange zonnestralen schoten door het dichte loover en +enkele kapellen verschenen fladderend op het tooneel. + +Tom schudde de andere zeeroovers wakker; juichend sprongen zij op en +binnen een paar minuten hadden de drie knapen hunne kleeren uitgegooid +en speelden zij "krijgertje" en "haasjeover" in het ondiepe, heldere +water bij de witte zandbank. Zij dachten niet meer aan het stadje, dat +daar achter de majestueuze watervlakte lag te slapen. Een wisselzieke +vloed of eene lichte wassing der rivier had hun vlot medegenomen, +doch dit maakte hen niet bezorgd. Integendeel zij verheugden zich +er over, want het was hun alsof daarmede de band die hen nog aan de +beschaafde wereld hechtte, voorgoed was verbroken. + +Toen keerden zij verfrischt, vroolijk en verrukt naar hun kamp terug +en weldra spreidde het opgerakelde vuur lustig zijne vlammen in 't +rond. Huck ontdekte in de buurt een bron van helder, koud water en +de jongens vervaardigde kopjes uit groote eiken en walnoten bladeren +en maakten de opmerking dat water, gedronken in zulk een woest oord +en onder zulke romantische omstandigheden, een uitmuntend surrogaat +voor koffie is. Toen Joe het mes in de zijde spek wilde zetten, om +reepjes voor het ontbijt te snijden, werd hij door de andere verzocht +daarmede eenige minuten te wachten, daar zij een veelbelovend plekje +in de rivier ontdekt hadden om te visschen. Bijna onmiddellijk daarop, +eer Joe nog ongeduldig kon worden, kwamen zij terug met een stuk of +wat mooie forellen en een paar baarsjes, voorraad genoeg, meende ze, +voor een geheel huisgezin. De visch werd dadelijk met spekvet gebakken, +en nooit scheen ze zoo lekker te hebben gesmaakt. Zij wisten niet +dat zoetwatervisch altijd 't best smaakt, wanneer zij, dadelijk nadat +zij is gevangen, gekookt of gebakken wordt, en dat slapen in de open +lucht, baden en ferme honger de beste saus bij den maaltijd is. Na +het ontbijt zochten zij een schaduwrijk plekje op, waar zij zich +nederlegden, terwijl Huck zijn pijpje rookte, en toen de vermoeidheid +geweken was, gingen zij het bosch in, op een verkenningstocht. Zij +wandelden vroolijk voort over stukken vermolmd hout, door dichte +kreupelbosschen en onder reusachtige woudkoningen van wier kruin tot +op den grond, sierlijke kransen van wilde-wijngaardloof afhingen; +terwijl zij nu en dan verrast werden door allerliefste open plekjes +bedekt met een grastapijt en met schitterende bloemen bezaaid. Zij +vonden eene menigte zaken, die hen in verrukking brachten, doch niets +dat hen bepaald verbaasde. Om het uur namen zij een zwembad en tegen +het midden van den dag keerden zij weder naar het kamp terug. Zij +waren te hongerig om zich den tijd tot visschen te gunnen, doch +niet te hongerig om zich met een maal van koude ham te vergenoegen +en vlijden zich daarna op een schaduwrijke plaats neder on wat te +babbelen. Hun praatlust begon echter alras te kwijnen en verdween +weldra geheel. De plechtige stilte van het woud en de doodelijke +eenzaamheid gingen haar invloed op hen uitoefenen. Zij raakten aan +'t mijmeren. Een onbestemde lusteloosheid overviel hen, die gaandeweg +een bepaalden vorm aannam, namelijk het pijnigend heimwee. Zelf Finn +met de Roode Hand droomde van zijne stoepen en leege vaten. Doch zij +schaamden zich over hunne kinderachtigheid, en niemand had den moed +zijne gedachten uit te spreken. Reeds gedurig hadden zij gemeend in +de verte een vreemdsoortig geluid te hooren, iets als het verwijderd +tikken van een klok. Maar nu werd dat geluid sterker en trok het +bepaald de aandacht. De jongens voelden zich niet op hun gemak, +keken elkaar aan en gingen zitten luisteren. Eerst hoorden ze niets +meer en daarna een dof gerommel als van naderenden donder. + +"Wat is dat?" riep Joe angstig uit. + +"Ja, wat zou dat kunnen wezen!" fluisterde Tom. + +"'t Is geen donder," zeide Huckleberry, op allesbehalve gerusten toon, +"want donder...." + +"Stil," zeide Tom "luister en spreek geen woord." + +Zij wachtten eenige oogenblikken, die een eeuw schenen en toen werd +de plechtige stilte weder door het doffe gerommel verstoord. + +"Laat ons hoogte gaan nemen!" + +Zij sprongen op, ijlden naar den oever, kropen onder het kreupelhout +door en staarden over de breede watervlakte. Daar zagen zij de kleine +stoomveerboot, zoo wat een uur van de stad op en neder varen. Het dek +scheen zwart van menschen. Een aantal schuitjes en roeibootjes dreven +om en bij de veerboot, doch de knapen konden niet zien wat de mannen, +die er in zaten, uitvoerden. Plotseling rees een wolk van witten rook +uit de boot op, voorafgegaan door een harden knal en daarop liet zich +het doffe gerommel weder hooren. + +"Ik weet het!" riep Tom uit, "er is iemand verdronken!" + +"Daar heb je het," zeide Huck; "dat hebben ze van den zomer ook gedaan, +toen Bill Tanner verdronken is. Toen schoten zij ook een kanon op +het water af, omdat dan het lijk gewoonlijk komt bovendrijven. Ja, +en soms nemen zij brooden en doen daar kwikzilver in en laten ze dan +drijven, en die brooden dobberen naar den persoon die verdronken is +toe en houden daar stil." + +"Daar heb ik ook wel van gehoord," zeide Joe, "maar ik zou wel eens +willen weten, hoe het brood dan blijft stilstaan." + +"O," zeide Tom, "dat ligt niet zoozeer aan het brood, als wel aan de +woorden, die er bij gesproken worden, eer zij het te water laten." + +"Maar zij zeggen er niets bij," zeide Huck. "Ik zelf ben er bij +geweest, toen zij het deden, en zij spraken geen woord." + +"Wel, dat is grappig," zeide Tom. "Maar het is toch zeker, dat zij +er iets bij denken. Dat spreekt vanzelf, dat weet iedereen." + +De andere jongens stemden toe, dat voor die bewering van Tom +veel te zeggen was, omdat een redelooze klomp brood, die niet in +tooverformulieren onderricht was, niet verwacht kon worden, als een +met rede begaafd wezen te handelen, wanneer hij zulk een ernstig werk +te verrichten had. + +"Sapperloot, ik wou dat ik er bij was," zeide Joe. + +"Ik ook," zeide Huck; "en ik zou goud geven, als ik wist wie het is." + +De knapen bleven luisteren en de boot bespieden. Op eens kreeg Tom +eene ingeving en riep uit: + +"Jongens, ik weet al wie er verdronken is! Wij zijn het." + +In een oogenblik waren zij helden geworden. Zij hadden een schitterende +zege behaald, want zij werden gemist en betreurd. Harten waren +om hunnentwil gebroken, tranen over hen geschreid, gewetens aan +het knagen gebracht en verdriet en berouw gevoeld. En wat nog het +heerlijkste was van alles, zij waren het onderwerp van gesprek van de +gansche stad en werden dientengevolge door al de jongens benijd. Dit +was verrukkelijk. Nu was het toch wel de moeite waard om zeeroover +te worden. + +Tegen licht en donker voer de veerboot naar hare gewone ankerplaats +terug en verdwenen de schuitjes. De zeeroovers keerden weder naar +hun kamp en jubelden van vreugde over hunne fonkelnieuwe grootheid +en de onrust, die zij hadden doen ontstaan. Er werd weder visch +gevangen en gebakken, en toen deze verorberd was, ging men zich in +gissingen verdiepen, omtrent de geruchten, die er te St. Petersburg +over hen zouden verspreid worden; en de schilderijen, die zij over den +algemeenen rouw ophingen, gaven van hun standpunt gezien, reden tot +tevredenheid. Doch naarmate de schaduwen van den nacht hen bedekten, +werden de knapen stiller en zij eindigden met in het vuur te staren, +terwijl hunne gedachten blijkbaar elders verwijlden. De opgewondenheid +was voorbij en Tom en Joe konden het denkbeeld niet verzetten, dat er +te huis personen waren, die niet zooveel plezier in deze grap hadden +als zij. Zij begonnen zich angstig te maken en ongelukkig te gevoelen +en onverhoeds ontsnapte hun een paar malen een zware zucht. Eindelijk +waagde Joe het, beschroomd te vragen, wat de anderen er van zouden +denken, als zij weder tot de beschaving terugkeerden,--nu niet--maar... + +Tom beantwoordde die vraag met een spotlach en Huck, die hoogst +vrijheidlievend was, hield zich bij Tom en de weifelaar palmde dadelijk +in, zeggende, dat hij er niets van gemeend had en dat men volstrekt +niet moest denken, dat hij naar huis verlangde. Het oproer was alzoo +voor het oogenblik gedempt. + +Bij het vallen van den avond begon Huck te dommelen en was kort daarna +aan 't snorken. Joe volgde zijn voorbeeld. Tom bleef onbeweeglijk +op zijne armen liggen en staarde hem eenige oogenblikken strak +aan. Eindelijk stond hij voorzichtig op en ging bij den weerschijn +van het flikkerend kampvuur aan het zoeken in het gras. Hij raapte +eenige stukjes van den witten bast van een vijgeboom op en koos er +twee, die hem naar den zin schenen te zijn. Toen knielde hij bij het +vuur neder en schreef met moeite, met een stukje roodkrijt, iets op +elk van die beide. Daarna rolde hij er een op, stak dat in den zak +van zijn buis en legde het andere in den hoed van Joe, dien hij vlak +bij den eigenaar neerzette. Verder vulde hij den hoed met eenige +schooljongensschatten van schier onmetelijke waarde, als een stuk +wit krijt, een gomlastieken bal, drie vischhaken en een zoogenaamden +"echten glazen knikker." Vervolgens sloop hij behoedzaam op de teenen +tusschen de boomen weg, totdat hij buiten het gehoor was en liep toen +zoo gauw als zijne beenen hem dragen konden, in de richting van de +zandbank voort. + + + + +HOOFDSTUK XV. + + +Eenige oogenblikken later was Tom in de ondiepe rivier verdwenen. + +Eer hij met het halve lijf onder water was, had hij reeds de helft +van den weg afgelegd. Daar de stroom hem nu niet langer veroorloofde +te waden, sloeg hij moedig armen en beenen uit, om de overschietende +honderd el door te zwemmen. Hij zwom zooveel mogelijk met den stroom +mede, doch werd gedurig met meer kracht teruggedreven dan hij verwacht +had. Toch bereikte hij eindelijk den oever en liet zich langs den kant +voortdrijven, totdat hij een geschikt plekje vond om te landen. Aan +wal gekomen, bevoelde hij eerst zijn borstzak on zich te overtuigen, +dat de boomschors nog op hare plaats zat, en toen maakte hij zich met +zijne druipnatte kleederen, steeds den oever volgend, door de bosschen +voort. Even voor tien uren, kwam hij aan een open plek tegenover de +stad en zag de veerboot in de schaduw der boomen bij den hoogen dijk +liggen. Alles onder de flikkerende sterren was rustig. Tom kroop den +dijk af, loerde naar alle kanten, liet zich in het water glijden en +zwom met drie of vier slagen naar het bootje toe, dat sleepdienst +deed bij de veerboot. Hij klom er in, ging onder de roeibank liggen +en wachtte met een kloppend hart. Spoedig werd de oude bel geluid en +eene stem gaf bevel om het anker te lichten. Een minuut of wat daarna +werd de voorsteven van het schuitje door de golven, die de boot deed +ontstaan, omhooggeheven en de reis nam een aanvang. Tom was zeer in +zijn schik, dat hij nog juist bijtijds was gekomen: immers hij wist, +dat de boot dien dag voor de laatste maal dienst deed. + +Na tien of twaalf minuten stopte de boot, waarop Tom overboord +stapte en in de duisternis naar den oever kroop. Hij ging echter +voorzichtigheidshalve omstreeks vijftien el beneden het vaarwater +aan wal, ten einde het gevaar van ontdekt te worden te ontkomen. Toen +sloop hij voort, langs weinig bezochte stegen en straten, totdat hij +voor de schutting aan den achterkant van tantes huis stond. Na deze te +zijn overgeklauterd, stapte hij voort tot aan den elzeboom en tuurde +naar binnen door het raam van de zitkamer, waar een licht brandde. + +Daar zaten tante Polly, Sid, Marie en de moeder van Joe bij +elkander. Zij hadden zich rondom de tafel geschaard en het bed stond +vlak bij den ingang. Tom stapte behoedzaam naar de deur, en lichtte +voorzichtig de klink op; toen drukte hij zachtjes met zijne knie +tegen de paneelen en de deur week met een licht gekraak. Hij ging +voorzichtig met duwen voort, telkens bevende, wanneer hij gerucht +maakte, totdat hij dacht dat hij er zich op de knieën wel door zou +kunnen persen. Reeds was zijn hoofd in de kamer, toen hij tante Polly +hoorde zeggen: + +"Hoe zou de kaars zoo waaien? Ik geloof waarempel, dat de deur +openstaat. Wel, al zijn leven! De wonderen staan niet stil. Kom, +Sid ga haar sluiten." + +Tom verdween van pas onder het bed. Hij bleef een oogenblik stil +liggen om adem te scheppen en kroop toen zoover naar voren, dat hij +bijkans tantes voet raakte. + +"Maar, zooals ik zeide," vervolgde tante Polly, "eigenlijk slecht was +hij niet, alleen maar wat ondeugend, een beetje lichtzinnig en wild, +weet je. Het kind dacht geen kwaad en was de goedhartigste jongen +van de wereld." En zij begon te schreien. + +"Precies zoo was 't met mijn Joe: altijd vol jongensstreken en +handig in allerlei kattekwaad,--maar hij was de onbaatzuchtigheid en +vriendelijkheid zelve. En, de hemel zij mij genadig--te moeten denken, +dat ik hem zweepslagen gegeven heb, omdat hij room gesnoept had, die +ik zelve uit het raam heb geworpen, omdat ze zuur was geworden!--En +dat ik hem nooit, nooit, nooit meer op deze aarde zal terugzien,--die +arme, miskende jongen!" + +En juffrouw Harper snikte, alsof haar het hart zou breken. + +"Ik hoop dat Tom in betere gewesten is," zeide Sid; "doch als hij +hier wat meer..." + +"Sid!" + +Tom voelde het fonkelen van tantes oog, ofschoon hij het niet zien +kon. "Geen woord ten nadeele van Tom, nu hij is heengegaan. God zal +hem oordeelen, en gij behoeft u daarover niet moeilijk te maken, +jongenheer.--Och, juffrouw Harper, ik kan hem niet missen; ik weet +niet, hoe ik het zonder hem stellen moet. Hij was mij zulk een troost, +hoewel hij mijn arm hart ten bloede toe kon plagen." + +"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren +zij geloofd!" snikte juffrouw Harper. "Maar 't is zoo hard, o het +is zoo hard! Verleden Zaterdag nog stak Joe vlak onder mijn neus een +voetzoeker af en ik heb hem geslagen, totdat hij op den grond lag te +spartelen. Weinig dacht ik toen, hoe spoedig.... O, als het nog over +te doen was, ik zou er hem voor aan mijn hart drukken en zeggen...." + +"Ja, ja, ja, ik begrijp volkomen wat gij voelen moet, juffrouw Harper: +ik kan het mij best voorstellen. Gisterenmiddag liet Tom mijn arme +kat van zijn drankje nemen, en ik dacht dat mijn huis onderstboven +zou keeren. En, God vergeve mij, ik kneep, met mijn vingerhoed aan +den vinger, het kind in zijn oor dat het kraakte. Mijn jongen, mijn +arme, gestorven jongen! Doch hij is nu uit zijn lijden. En de laatste +woorden, die ik hem hoorde zeggen, waren een verwijt...." + +De gedachte aan dit feit was te bitter voor de oude juffrouw en zij +barstte in tranen uit. Tom voelde dat zijn oogen vochtig werden, +nog meer uit medelijden met zichzelven dan met de anderen. Hij kon +Marie hooren snikken en nu en dan een vriendelijk woordje over hem +in het midden brengen. Meer dan ooit kreeg hij een hoogen dunk van +zichzelven. Toch was hij zoo diep door de droefheid zijner tante +geschokt, dat hij snakte om het bed uit te springen en zich in hare +armen te werpen,--doch hij bedwong zich en bleef liggen. + +Al luisterend, ving hij bij stukken en brokken op, dat men eerst +verondersteld had, dat de knapen met zwemmen verdronken waren: +toen was het kleine houtvlot vermist en was er door een paar jongens +medegedeeld, dat de verloren knapen voorspeld hadden, dat het stadje +eerlang iets hooren zou. De wijzen van St. Petersburg hadden het een +met het ander in verband gebracht en waren tot het besluit gekomen, +dat de knapen met het houtvlot van wal gestoken waren en bij de +eerstvolgende stad aan wal gegaan waren. Doch tegen den middag was +het houtvlot aan den oever van de Missouri, eenige uren van de stad, +teruggevonden en toen was de hoop verdwenen. Zij moesten verdronken +zijn, anders zou de honger hen bij het vallen van den nacht, zooal +niet eerder, naar huis hebben gejaagd. Men geloofde algemeen, dat +het eene wanhopige zaak was naar de lijken te zoeken, daar de knapen +ongetwijfeld midden in de rivier verdronken waren. Anders immers zouden +zij, die voor goede zwemmers bekend stonden, het wel tot den oever +hebben kunnen brengen. Deze dingen waren voorgevallen op Woensdag, +en als de lijken vóór Zondag niet werden gevonden, zou men de hoop +opgeven en er dien morgen een lijkdienst gehouden worden. Deze laatste +mededeeling deed Tom even sidderen. + +Tegen elf uren stond Juffrouw Harper snikkend op om heen te gaan, +en door eene opwelling van wederzijdsch medelijden gedreven, vlogen +de beide van kinderen beroofde vrouwen elkander in de armen en namen +daarna afscheid. + +Tante Polly zeide Sid en Marie dien avond met een buitengewone +hartelijkheid "goedennacht," en Sid perste zich een paar tranen uit +de oogen, terwijl Marie luid snikkend naar boven ging. Toen knielde de +oude juffrouw neder en bad voor Tom zóó vurig, zóó roerend en met zulk +een oneindige liefde, en hare oude stem beefde zóó, dat eer de laatste +woorden van dat gesprek uitgesproken waren, Tom in een bad van tranen +lag. Hij moest zich, nadat de arme vrouw naar bed was gegaan, nog lang +stilhouden, want zij bleef geruimen tijd wakker en gaf voortdurend +in hartbrekende uitroepen aan hare droefheid lucht. Eindelijk, na +zich nu op de eene en dan op de andere zijde geworpen te hebben, +was zij stil en kreunde alleen nog maar een weinig in haar slaap. + +Nu kroop de knaap onder het bed uit, richtte zich langzaam op, hield +zijne hand voor het nachtlicht en keek zijne tante aandachtig aan. Diep +medelijden met haar vervulde zijn hart. Hij haalde zijne vijgeboombast +voor den dag en hield dien bij het licht. Plotseling schoot hem iets +grappigs te binnen, verhelderde zijn gelaat; haastig stak hij zijne +boomschors weer op, boog zich over tantes aangezicht heen en drukte +een kus op hare bleeke lippen. Toen nam hij de terugreis aan en liet +de deur in de klink vallen. Hij vond, zonder door iemand ontdekt +te worden, op den tast zijn weg naar het veerbootje terug en stapte +moedig aan boord. Immers hij wist, dat de boot onbemand was behalve +misschien door den klepperman, die er altijd in kroop en doorgaans als +een os sliep. Hij maakte het schuitje van den voorsteven der boot los, +sloop er in en roeide omzichtig stroomopwaarts. Toen hij omstreeks +een mijl had voortgeroeid, hield hij op eens schuins aan, begon te +werken zoo hard als hij kon en bereikte handig de overzijde. Hij +had grooten lust om het bootje buit te maken, daar hij het schip als +wettige zeerooversprooi beschouwde, doch hij begreep te gelijkertijd +dat er overal naar gezocht zou worden en dat eene ontdekking er het +gevolg van kon zijn. Daarom stapte hij zonder buit aan wal en ging +het bosch in. Hij zette zich op den grond neder om uit te rusten, +legde zich de marteling op van wakker te blijven en zocht eindelijk +zijne oude verblijfplaats weder op. De nacht was bijna voorbij en +het was klaar dag, toen hij voor de zandbank stond. Daar hield hij +opnieuw halt en legde zich op den grond te slapen tot de zon aan den +hemel stond en de groote rivier met haar glans verguldde. + +Toen dompelde de knaap zich in den stroom en hield een oogenblik +later bij den ingang van het kamp stil, juist toen Joe uitriep: + +"Neen, Tom is een eerlijke jongen en hij zal terugkeeren. Hij zal ons +niet verlaten. Hij is er te trotsch voor, want hij weet, dat dit eene +schande zou wezen voor een zeeroover. Zeker is hij op avonturen uit; +het zal mij benieuwen wat hij nu weer heeft uitgespookt." + +"Goed," antwoordde Huck, "maar als hij niet op zijn tijd past, is +zijn ontbijt voor ons." + +"Ja, als hij er niet is, maar dat is nog niet zeker. Er stond immers +op de boomschors geschreven: _als_ ik er niet ben, is het ontbijt +voor ulieden." + +"Wie is die hij?" riep Tom met eene tooneelstem uit, terwijl hij met +fiere houding het kamp binnenstapte. + +Spoedig was er een weelderig ontbijt van spek en visch opgedischt, +waaraan de knapen zich naar hartelust te goed deden. Onderwijl vertelde +Tom, met de noodige opsieringen, zijne avonturen van dien nacht. Toen +het verhaal geëindigd was, werden zij drie snoevende, grootsprekende +helden. Na het ontbijt verschool Tom zich op een schaduwrijk plekje om +te gaan slapen, en de beide andere zeeroovers gingen op de vischvangst. + + + + +HOOFDSTUK XVI. + + +Na het eten vertrokken de drie knapen naar de zandbank om +schildpadeieren te zoeken. Zij stootten met stokken in het zand, en +wanneer zij eene weeke plek vonden, legden zij zich op de knieën en +groeven haar met de handen uit. Somtijds haalden zij vijftig of zestig +eieren uit één gat. Het waren witte, bolronde eitjes, iets kleiner dan +een walnoot. Dien avond hadden zij een heerlijk maal van spiegeleieren, +dat Vrijdagochtend nog eens herhaald werd. Na dat ontbijt van gebakken +eieren, begaven zij zich schreeuwend en jubelend naar de zandbank, +speelden "krijgertje," ontdeden zich onderweg van hunne kleederen +en liepen in Adams kostuum voort, totdat zij midden in het ondiepe +water stonden. Daarna spongen zij tegen den steilen oever op, van +welken zij gedurig tot groote vermeerdering der pret afsukkelden. Nu +en dan hielden zij bij elkaar stand en gooiden elkaar met water, +terwijl zij, on het kille nat te vermijden, elkander gedurig met +afgewend gelaat naderden en eindigden met te grijpen en te worstelen, +totdat de sterkste zijn buurman onder water geduwd had en zij ten +laatste allen in een warnet van witte armen en beenen verdwenen, om +spoedig daarop, blazend, spuwend, lachend en naar den adem hijgend, +weder boven te komen. + +Als de krachten hun begaven, spartelden zij naar het droge, heete +zand en legden zich daarop neder, om er zich mede te bedekken. En +dan sprongen zij langzamerhand weder naar het water en vertoonden +dat spelletje voor de tweede maal. + +Eindelijk viel het hun in, dat hunne huid sprekend op een +vleeschkleurig tricot geleek; dientengevolge werd er in het zand +een cirkel getrokken en een paardenspel vertoond, met drie clowns, +want geen hunner wilde die schitterende rol aan den anderen afstaan. + +Vervolgens werden de knikkers gehaald en werd er gestuit en gerold, +totdat ook dat spel verveelde. Daarna gingen Joe en Huck weder zwemmen, +maar Tom durfde zich daaraan niet meer wagen, omdat hij bij het +uittrekken van zijn broek, het palingvel van zijne enkels gestroopt +had en hij zich niet kon begrijpen, dat hij zonder dit geheimzinnig +voorbehoedmiddel zoo lang aan de kramp ontkomen was. Hij waagde zich +niet weder, eer hij dien talisman teruggevonden had, en toen waren de +andere jongens moede en verlangden naar rust. Van lieverlede begonnen +zij met loomen tred rond te dolen, werden zwaarmoedig en staarden +verlangend over de breede rivier, naar de plek, waar St. Petersburg +zich in de zon lag te koesteren. Tom bemerkte, dat hij met zijn grooten +teen het woord "Becky" in het zand had geschreven. Hij wischte het +uit en was boos op zichzelven om zijne zwakheid. Doch hij schreef het +niettemin nog eens, wischte het nogmaals uit en ontworstelde zich +toen aan de verzoeking, door de andere jongens op te halen en zich +bij hen te voegen. + +Maar de opgewektheid van Joe was voorbij en scheen niet terug te +keeren. Hij had zulk een heimwee, dat hij het nauwelijks meer uithouden +kon. De tranen stonden hem in de oogen. Ook Huck was zwaarmoedig +evenals Tom, doch de laatste durfde het niet toonen. Hij droeg een +geheim met zich om, dat hij niet gaarne wilde openbaren, doch waarmede +hij, indien deze sombere, oproerige geest niet werd gefnuikt, wel voor +den dag zoude moeten komen. Daarom zeide hij, schijnbaar zeer opgewekt: + +"Ik wed, dat vroeger op dit eiland ook zeeroovers zijn geweest. Zullen +wij eens op verkenning uitgaan? Zij hebben zeker hier of daar een +schat begraven! Wat zou jelui hiervan zeggen, als je daar eens een +verrotte kist vol goud en zilver voor je zaagt liggen,--hé?" + +Dit vooruitzicht echter wekte geen de minste opgewondenheid en +er werd niet eens op geantwoord. Een paar andere verleidelijke +voorstellen vielen eveneens in het water. Dat was ontmoedigend. Joe +keek mistroostig voor zich en krabbelde met zijn stok in het +zand. Eindelijk riep hij uit: + +"O, jongens, laat ons het opgeven. Ik _moet_ naar huis; ik voel mij +zoo verlaten." + +"Kom, Joe dat zal langzamerhand wel beter worden," zeide Tom. "Denk +maar eens aan al de gelegenheden, die je hier hebt om te visschen. + +"Ik geef niet om visschen; ik verlang naar huis!" + +"Maar, Joe, nergens is zoo'n zwemplaats als hier." + +"Wat kan mij het zwemmen schelen: 't is alsof het mij verveelt, +nu niemand het mij verbiedt. Ik wil naar huis!" + +"O, hoe kinderachtig! Hij verlangt naar zijn moesje!" + +"Ja, ik _verlang_ naar moeder en dat zou jij ook doen, als je er een +hadt. Ik ben niet kinderachtiger dan jij." En Joe begon te schreien. + +"Wel, dan zullen wij het schreeuwpoppetje maar naar huis laten gaan, +niet waar Huck? Arme jongen! Hij verlangt naar moesje! Nu, hij zal +ook naar haar toe gaan. Jij vindt het prettig hier, hé, Huck? Wij +zullen blijven, niet waar?" + +Huck antwoordde: "Ja--a," maar het ging niet van harte. + +"Ik spreek van mijn leven niet meer tegen jelui," zeide Joe en stond +op. "Daar nu!" + +En hij draaide de beide jongens den rug toe en ging zich verder +aankleeden. + +"Wie geeft wat om jou?" zeide Tom. "Niemand heeft je noodig. Ga maar +naar huis on uitgelachen te worden. Jij bent een mooie zeeroover. Huck +en ik zijn geen schreeuwpoppetjes. Wij blijven, niet waar, Huck? Wij +laten hem stilletjes trekken. Wij zullen het wel zonder hem stellen." + +Maar Tom voelde zich allesbehalve prettig en was in ernst ongerust, +toen hij Joe mismoedig zag voortgaan om zich te kleeden. Buitendien +was het onrustbarend te bemerken, dat Huck met belangstelling Joes +toebereidselen gadesloeg en een onheilspellend stilzwijgen in acht +nam. Daar stapte Joe, zonder een woord tot afscheid, den kant op +der zandbank. Het hart zonk Tom in de schoenen. Hij keek naar Huck, +en Huck, die hem niet durfde aanzien, sloeg de oogen neder en zeide: + +"Ik verlang ook zoo, Tom; ik heb mij hier nog meer verlaten gevoeld +dat overal elders en nu zal het nog erger worden. Kom, Tom, laten +wij ook gaan." + +"Dank je wel; jelui kunt allebei gaan, als je verkiest. Ik denk +te blijven." + +"Tom, ik wou liever gaan." + +"Nu, ga dan! Wie belet je?" + +"Tom, ik wou, dat jij ook meegingt. Toe, denk er eens over. Wij zullen +bij de zandbank op je wachten." + +"Dan zul je verduiveld lang moeten wachten; dat is alles wat ik je +te zeggen heb." + +Huck ging verdrietig heen en Tom stond hem na te oogen, brandende van +verlangen om hem te volgen en toch te trotsch om dat te doen. Hij +hoopte dat de jongens zouden omkeeren, doch zij waren al uit het +gezicht. Op eens voelde hij, dat het ontzettend eenzaam en stil om +hem heen was geworden. + +Nog eenmaal worstelde hij met zijn hooghartig gemoed, ijlde zijne +makkers achterna en gilde: + +"Wacht! wacht! Ik moet je wat vertellen!" + +Dadelijk hielden zij stil en keerden zich om. + +Toen hij hen had ingehaald, deelde hij hun een plannetje mede. Eerst +hoorden zij hem gemelijk aan, maar toen zij eindelijk het punt +ontdekten waar hij hen hebben wilde, werd zijn plan met een luid +"hoera" begroet, een prachtig denkbeeld genoemd en werd er verklaard, +dat, als hij het dadelijk had medegedeeld, zij niet aan naar huis +gaan gedacht zouden hebben. + +Tom maakte over zijne terughoudendheid eenige schoonschijnende +verontschuldigingen; de ware reden daarvan echter was de vrees, +dat zelfs dit geheim niet langer in staat mocht zijn hen nog te doen +blijven, en hij had het daarom als het laatste noodschot bewaard. + +De knapen keerden vroolijk terug en gingen met opgewekt gemoed weder +aan het spelen, niet uitgepraat over het heerlijke denkbeeld van +Tom en vol bewondering over zijn vernuft. Na een smakelijk maal van +eieren en visch verklaarde Tom, dat hij lust had on te rooken. Joe +vond dit een voortreffelijke inval en zeide, dat hij het ook eens +wilde probeeren. Huck maakte pijpjes en stopte die. Onze nieuwelingen +hadden nooit iets anders gerookt dan stroo-sigaren, doch dat waren +"flauwe dingen," te kinderachtig on meegeteld te worden. + +Nu strekten zij zich op het mos uit, leunden welbehaaglijk op hunne +ellebogen en begonnen dapper te blazen. De tabak was lang niet lekker +en maakte hen een beetje draaierig; doch Tom zeide: + +"Nu, dat is gemakkelijk. Had ik geweten, dat er zoo weinig aan was, +dan had ik het al lang geleerd." + +"Ik ook," zeide Joe; "het beduidt niets." + +"Hoe menig keer," zeide Tom, "heb ik rookers aangekeken en gedacht: +'Hè, ik wenschte dat ik het kon,' en dan hield ik het er voor, dat ik +het nooit zou kunnen leeren. Heb ik dat niet gezegd, Huck? Heb jij het +mij niet hooren zeggen, Huck? Laat Huck zeggen, of het niet waar is." + +"Ja, wel twintigmaal," zeide Huck. + +"Neen," zeide Tom, "wel honderdmaal. Eens nog, toen wij bij het +slachthuis stonden. Herinner jij je dat niet, Huck? Bob Tanner was +er ook bij en Johan Hatcher en Jeff Hatcher. Weet je niet meer, Huck, +dat ik het zeide?" + +"Ja, zeker," antwoordde Huck. "'t Was op denzelfden dag, waarop ik +mijn albasten knikker verloor;--neen, 't was den dag te voren." + +"Heb ik het je niet gezegd?" zeide Tom. "Huck herinnert het zich nog." + +"Ik geloof, dat ik den geheelen dag wel pijpen zou kunnen rooken. Ik +ben niets misselijk." + +"Ik ook niet," zeide Tom. "Ik zou wel van den morgen tot den avond +kunnen rooken, maar ik wed, dat Jeff Hatcher het niet zou kunnen." + +"Jeff Hatcher! Wel, hij zou bij den tweeden trek al katterig +worden. Laat hij het maar eens wagen, dan zul je wat zien!" + +"Ik geloof het ook.--En Johnny Miller... Ik zou Johnny Miller wel +eens met een pijp willen zien!" + +"En ik!" zeide Joe. "Ik ben zeker, dat Johnny Miller geen trekje kan +doen. Als hij maar één pijpje rookt, zou hij al ziek worden." + +"Dat zou hij zeker, Joe.--Zeg, ik wou dat de jongens ons nu eens +konden zien." + +"Ik ook." + +"Zeg, jongens," zeide Tom, "we moeten er niet van vertellen, en als we +dan weder eens bij elkaar zijn, dan zal ik op je afkomen en zeggen: +'Joe, kom geef mij een pijp; ik wou eens rooken,' en dan moet jij +zeggen, zoo onverschillig mogelijk, alsof het niets was: 'Goed, ik heb +mijn oude pijp en ook nog een andere, maar mijn tabak deugt niet.' En +dan zal ik weer zeggen: 'O, dat doet er niet toe, als ze maar _zwaar_ +is.' En dan moet jij met de pijpen voor den dag komen en wij zullen +ze kalmpjes opsteken--en dan zul je ze eens zien kijken." + +"Waaratje, dat zal grappig zijn, Tom; ik wou, dat het nu al zoo +ver was!" + +"Ik ook. En wanneer wij hun vertellen, dat we het geleerd hebben +toen we zeeroovers waren, zouden zij dan niet willen dat zij er bij +geweest waren?" + +"Neen, dat geloof ik niet; maar wij zullen er om wedden." + +Dus ongeveer liep het gesprek der knapen. Langzamerhand echter begon +het een weinig te verflauwen en wilde het niet meer vlotten. De +gapingen tusschen het eene onderwerp en het andere werden grooter en +het spuwen verbazingwekkend. Elke porie in de wangen der knapen werd +een spuitende fontein en zij konden de kelders onder hun tong niet +schielijk genoeg uitscheppen on eene overstrooming te voorkomen. Er +kwamen tegen wil en dank kleine opwellingen in hun keel, die gevolgd +werden door aanvallen van misselijkheid. De beide knapen zagen er +bleek en akelig uit. Eindelijk viel Joes pijp hem uit de krachtelooze +vingers. Daarop volgde die van Tom. De beide fonteinen sprongen +met onstuimige woede en de beide pompen werden met kracht en geweld +uitgeschept. Joe zeide flauwtjes: + +"Ik heb mijn mes verloren, ik ga het eventjes opzoeken." + +Tom zeide met bevende lippen en ingehouden adem: + +"Ik zal je helpen. Ga jij dezen kant, dan loop ik langs de bron.--Neen, +je behoeft niet mede te gaan, Huck;--wij zullen het wel vinden." + +Huck ging weer zitten en wachtte een uur. Toen begon hij zich te +vervelen en ging zijne kameraden zoeken. Zij lagen ver van elkander, +diep in het woud, beiden zeer bleek en vast in slaap. Maar uit +een waarneming, welke hij deed, bleek hem dat zij, van hetgeen hen +hinderde, verlost waren. + +Zij hadden dien avond aan het souper niet veel te vertellen en zagen +verlegen voor zich. Toen Huck na het avondeten zijn pijp voor den +dag haalde en er ook een voor hen wilde klaarmaken, bedankten zij +en verklaarden dat zij zich niet wel voelden, omdat iets, dat zij +'s middags gegeten hadden, hun nog in de maag zat. + + + + +HOOFDSTUK XVII. + + +Tegen middernacht werd Joe wakker en riep de jongens. Er was eene +drukkende benauwheid in de lucht, die weersverandering scheen +te voorspellen. De knapen schoten haastig hunne kleeren aan en +schaarden zich voor de gezelligheid om een vriendelijk vuurtje, +niettegenstaande men in den snikheeten, door geen enkel koeltje +bewogen dampkring dreigde te stikken. Zij bleven stil, in gespannen +verwachting, om het vuur zitten. Een pikzwarte duisternis, slechts +afgewisseld door het schijnsel van het vuur lag over het landschap +uitgespreid. Daar verlichtte eensklaps, voor een oogenblik, een +flikkerende lichtstraal het donker geboomte. Een tweede volgde, iets +heller daarna een derde. Toen werd er een zacht gesuis door het woud +gehoord en een nauw merkbaar tochtje verkoelde de wangen der sidderende +knapen, die zich verbeeldden, dat de Geest van den Nacht hun was +voorbijgegaan. Daarop werd het weder bladstil. Maar op eens veranderde +een onheilspellende bliksemstraal den nacht in zóó helderen dag, dat +elk grasscheutje op den bodem, het kleinste zelfs, duidelijk zichtbaar +werd--en tevens drie bleeke, verschrikte gezichten te zien kwamen. Een +zware donderslag rolde door de lucht en verloor zich in de verte in +een dof gerommel. Een kille windvlaag streek hun langs het hoofd, +schudde al de bladeren en joeg de asch on het vuur in groote vlokken +naar omhoog. Opnieuw zette een geweldige bliksemstraal het woud als in +vuur en onmiddellijk daarna knalde een donderslag, die de boomtoppen +boven het hoofd der kinderen scheen te splijten. Doodelijk ontsteld +klemden zij zich in de dikke duisternis, die thans alles weder omhulde, +aan elkaar vast. Enkele dikke regendroppels kletterden op de bladeren. + +"Gauw, jongens, naar de tent!" riep Tom uit. + +Zij spoedden zich weg en stommelden over wortels en door +wijngaardranken voort. Een weldoende rukwind loeide door het +bosch. Bliksemstraal volgde op bliksemstraal en ratelslag op +ratelslag. En nu stroomde de regen naar beneden en de razende orkaan +dreef dien in breede golven over den grond. De knapen schreeuwden +luid tegen elkaar doch de bulderende storm en de rommelende donder +overstemden hun geroep. Eindelijk bereikten zij de tent, waaronder zij +koud, verschrikt en druipende van het water eene schuilplaats zochten, +dankbaar dat zij in hunne ellende lotgenooten hadden in elkander. Zich +aan elkaar verstaanbaar maken konden zij, al hadden andere geluiden +zulks niet verhinderd, niet, door het woedend klepperen van het oude +zeil. De storm verhief zich meer en meer, en weldra rukte het zeil +zich van zijne banden los en ijlde voort op de vleugelen van den +wind. De knapen grepen elkaar bij de hand en vluchtten onder het +schutsdak van den grooten eik, aan den kant der rivier. Nu had de +strijd zijn toppunt van heftigheid bereikt en bij den onafgebroken +gloed van het in de lucht vlammend bliksemvuur teekende zich alles +daarbeneden akelig scherp af. + +De zwiepende boomen, de kokende rivier met hare witte golven, de +schuimvlokken die haar als met een sprei overdekten, de donkere +omtrekken van den hoogen oever aan den overkant en daarboven de +jagende wolken en de schuin neervallende regen. Telkens gaf een +reusachtige boom den strijd op en viel krakend over het jongere +gewas; en de onvermoeide donderslagen barstten onafgebroken, met +een oorverdoovend, alles doordringend, onuitsprekelijk schrikwekkend +geraas, in knallen los. De storm spande met eene uiterste poging al +zijne krachten in om het eiland stuk te slaan, in vlam te zetten, +onder water te dompelen, tot aan de kruinen der boomen toe, en alle +schepselen die er op huisden te vernietigen. Het was een vreeselijke +nacht om onder den blooten hemel door te brengen. + +Maar eindelijk was de strijd volstreden; de legermachten trokken +onder steeds zwakker dreigen en rommelen af en de vrede nam de teugels +van het bewind weder in handen. De knapen gingen vol angst naar hun +kamp terug en bemerkten, dat zij nog reden tot dankbaarheid hadden, +want de groote vijgeboom, onder welken zij des nachts hadden gerust, +was door den bliksem vernield en aan splinters geslagen. + +Het geheele kamp was doorweekt en het kampvuur daarbij, want onze +onbedachtzame knaapjes hadden geene voorzorgen tegen den regen +genomen. Stof genoeg om moedeloos te zijn: immers zij waren nat tot op +het hemd en beefden van koude. Al pratende over hun ongeval ontdekten +zij, dat het vuur onder het groote blok hout, waartegen het aangelegd +was, zoo ver had voortgewoekerd, dat daar waar het blok zich opwaarts +kromde en boven den grond verhief, slechts een handje vol hout was +blijven smeulen. + +Toen gingen zij ijverig aan het werk, on met boomschors en afval van +droog hout, dat zij hier en daar opzamelden, de uitgedoofde vlam aan +te wakkeren, en nadat hun dit gelukt was legden zij er doode takken +bovenop en hadden tot hunne groote vreugde weldra weder een knappend +vuurtje. Zij droogden hun gekookte ham, deden zich daaraan te goed, +gingen daarna bij het vuur zitten en wijdden tot aan den morgenstond +uit over hun nachtelijk avontuur. + +Toen de zon de knapen met hare stralen begon te beschijnen, werden +zij slaperig en trokken naar de zandbank, waarop zij zich ter ruste +legden. Zij ontwaakten bijna geroosterd door de heete dagvorstin en +zetten zich met droge kleeren aan hun ontbijt. Doch daarna gevoelden +zij zich onaangenaam stijf en begon het heimwee terug te komen. Tom +bemerkte die kwade teekens en beurde de zeeroovers op, zooveel als +hij kon. Alles echter liet hen onverschillig, knikkers zoowel als het +paardenspel en het zwemmen. Hij bracht hun het afgesproken geheim +te binnen en wist hierdoor een straaltje van opgewektheid in hun +gemoed te doen doorschemeren. Zoolang dat aanhield, boezemde hij hun +belangstelling in voor een nieuw spel. Dit was: het zeerooverschap er +een poos aan te geven en voor de verandering Indianen te worden. Dit +denkbeeld trok hen aan. Het duurde dan ook niet lang, of zij hadden +zich geheel ontkleed en van het hoofd tot de voeten met modderstrepen +besmeerd. Als Zebra's gingen zij woest schreeuwend, door het woud, +om eene Engelsche kolonie aan te vallen. + +Van lieverlede scheidden zij zich in drie vijandelijke stammen en +beschoten elkaar uit hinderlagen, onder vreeselijke strijdkreten en +moordden en scalpeerden elkander bij duizenden. Het was een bloedige +dag en daarom zeer aangenaam. Tegen den avond verzamelden zij zich +hongerig en tevreden in hun kamp. Thans evenwel deed zich eene +moeilijkheid voor:--vijandige Indianen konden te zamen het brood der +gastvrijheid niet breken, eer zij vrede gesloten hadden, en dit was +bepaald onmogelijk zonder het rooken van de vredepijp. Van eene andere +wijze om een twist te beslechten hadden zij nooit gehoord. Twee der +wilden wenschten bijna, dat zij zeeroovers gebleven waren. Toch was er +geen andere weg. Met gehuichelde vroolijkheid vroegen zij om eene pijp +en dampten zooals het behoort. En ziet, zij waren blijde dat zij wilden +geworden waren, want zij hadden er iets bij gewonnen. Zij bemerkten +namelijk, dat zij een weinig konden rooken, zonder naar een verloren +mes te behoeven te gaan zoeken. Natuurlijk werd er van deze heerlijke +ontdekking partij getrokken en werd er na het eten voorzichtig nog +een pijpje aangestoken. Hun pogen werd met een goeden uitslag bekroond +en zoo brachten zij een verrukkelijken avond door. Zij waren trotsch +er op en gelukkiger met het verworven talent, dan zij geweest zouden +zijn, indien zij de zes natiën gescalpeerd en afgestroopt hadden. + +En hier zullen wij hen aan hun pijp en hun gezwets overlaten, daar +wij voor het tegenwoordige niets met hen te maken hebben. + + + + +HOOFDSTUK XVIII. + + +Op dien stillen Zaterdag heerschte er in het stadje St. Petersburg +ver van algemeene vroolijkheid. Juffrouw Harper en tante Polly met de +haren, zaten onder zuchten en tranen rouwkleeren te maken en de anders +toch reeds stille straten waren als uitgestorven. De bewoners gingen +somber en zwijgend huns weegs en liepen elkaar, onder het slaken van +zware zuchten, sprakeloos voorbij. De kinderen waren verlegen met hun +vrijen Zaterdagmiddag; hun hart was niet bij het spel en het was nog +niet begonnen of het was alweer gedaan. + +In den namiddag zou men Becky Thatcher met een bezwaard gemoed langs +het verlaten schoolgebouw hebben kunnen zien zwerven, zonder iets of +iemand te vinden on haar te troosten. Eindelijk sprak zij verdrietig +tot zich zelve: + +"Och, had ik toch zijn koperen knop maar! Helaas ik heb geen enkele +gedachtenis, niets dat mij aan hem herinnert!" En de woorden bleven +haar in de keel steken. + +Na een poos hernam zij: + +"Het gebeurde juist op deze plek. O, als ik het over kon doen,--ik +zou hem voor geen wereld zoo behandelen! Nu is hij heengegaan, en ik +zal hem nooit, nooit meer terugzien!" + +Dit denkbeeld maakte haar zoo van streek, dat, op den ganschen weg +huiswaarts, haar de tranen langs de wangen biggelden. + +Toen kwam er een troepje jongens en meisjes aan,--speelkameraden van +Tom en Joe. Zij bleven voor het ijzeren hek staan kijken en vertelden +elkaar op eerbiedigen toon, wat Tom, de laatste maal dat zij hem gezien +hadden, gedaan had en wat Joe gezegd had, woorden waaraan zij toen niet +gehecht hadden, maar die gebleken waren eene vreeselijke voorspelling +te zijn. Sommigen wezen de juiste plek aan, waar de ongelukkige knapen +toen gestaan hadden en voegden er gedurig volzinnen bij als deze: +"En ik stond juist, juist, zooals ik nu sta,--en hij stond juist, +waar jij nu staat--juist zoo dicht bij--en hij lachte precies zooals +ik nu doe--en toen ging mij een rilling door de leden: waarom, dat +wist ik zelf niet, maar nu begrijp ik het." + +Daarop volgde een geschil over de vraag, wie de overledenen het laatst +gezien had, en velen maakten aanspraak op de droevige onderscheiding, +terwijl zij hunne beweringen met meer of minder afdoende bewijzen +staafden. En toen zij het er eindelijk over eens waren, wie de +gelukkige geweest was, kreeg deze eene plechtige voornaamheid en werd +hij door al de anderen bewonderd en benijd. Een klein jongentje in +hun midden, dat zich toch ook gaarne op iets ten aanzien van Joe en +Tom beroemen wilde, zeide met den noodigen trots: + +"Tom Sawyer heeft mij ook een pak slaag gegeven." + +Doch deze onderscheiding werd met te veel anderen gedeeld, om aanspraak +op haar naam te kunnen maken, en het kleine mannetje droop verlegen af. + +Na nog eenigen tijd op fluisterenden toon over de daden der overleden +helden gesproken te hebben, verspreidde zich de schare. + +Toen den volgenden morgen de Zondagsschool uitging, begon de dood- +in plaats van de gewone kerkklok te luiden. Het was een rustige +sabbatmorgen en het sombere gelui was volkomen in overeenstemming +met de stille, kalme natuur. Uit alle straten en stegen zag men +menschen naar de kerk stroomen en de meesten bleven, voordat zij +binnentraden, een oogenblik in het voorportaal van het Godshuis +staan, om met gedempte stem over het ongeval te spreken. In de kerk +evenwel hield het gefluister op. Daar werd geen geluid vernomen, +behalve het geritsel der japonnen van de vrouwen die zich naar hare +zitplaatsen begaven. Bij menschengeheugenis was de kerk nooit zoo +vol geweest. Toen iedereen gezeten was, volgde er een akelige pauze; +want, zie, daar kwam tante Polly binnen, gevolgd door Sid en Marie, +en daarachter de familie Harper,--allen in diepen rouw gekleed. De +geheele vergadering, de predikant niet uitgezonderd, rees eerbiedig op +en bleef staan, totdat de rouwdragers in de voorste bank hadden plaats +genomen. En nu volgde weder eene indrukwekkende stilte, afgebroken +door een onderdrukt gesnik, dat eerst ophield, toen de predikant +zegenend zijne handen over de menigte uitspreidde en ging bidden. Op +het gebed volgde een aandoenlijk, toepasselijk gezang en vervolgens +werd de tekst voorgelezen: "Ik ben de opstanding en het leven." + +In den loop zijner rede schilderde de predikant het beminnelijk +karakter der veelbelovende jeugdige overledenen zóó aangrijpend af, +dat elk lid der vergaderde gemeente zich het hart voelde toeknijpen bij +de gedachte aan zijne opzettelijke verblinding, die halsstarrig niets +dan fouten en gebreken in de arme knapen had willen ontdekken. Menig +treffend voorval uit het leven der afgestorvenen bracht hij bij, +waarin hunne zachtheid en de adel van hun gemoed schitterend voor +den dag kwamen. Duidelijk zag men thans in, dat de schijnbaar +ondeugende knapen in waarheid goed waren geweest, en men herinnerde +zich met hartzeer, hoe men menige edele daad der beide kinderen als +booze streken had beschouwd, die men met een vracht zweepslagen had +beloond. De vergadering werd hoe langer zoo meer bewogen, al naarmate +de redenaar zijne pathetische schetsen vervolgde, zoodat op het eind +al de aanwezigen in tranen versmolten en met de weenende rouwdragers +een koor van zenuwachtig gesnik aanhieven. Zelfs de prediker was +zijn gevoel niet langer meester en zette zich bitter schreiende in +den preekstoel neder. + +Juist op dat oogenblik ontstond er een klein geritsel in het +voorportaal, waarop toevallig niemand acht sloeg. Een oogenblik later +kraakte de kerkdeur, en de dominée nam den zakdoek van zijne betraande +oogen weg, rees op en bleef, als van den donder getroffen, in den +preekstoel staan. Eerst volgde één en daarna eene tweede paar oogen +de richting van des predikers blik, en binnen eenige oogenblikken +verhieven zich al de vergaderden van hunne zitplaatsen en staarden +naar de deur, door welke de drie doodgewaande knapen voorwaarts +stapten;--Tom vooruit, toen Joe en verlegen in de achterhoede, +de ongelukkige, in lompen gehulde Huck. Zij hadden zich achter een +pilaar schuilgehouden, om hun eigen lijkpredikatie te hooren. + +Tante Polly, Marie en de Harpers wierpen zich op de hun teruggegeven +kinderen, versmoorden hen bijna onder kussen en goten een stortvloed +van dankgebeden over hun hoofd uit, terwijl Huck bedeesd in een hoek +bleef staan, niet wetende wat hij doen moest en hoe hij zich voor +zoovele onwelkome oogen moest verbergen. Hij week zachtjes achteruit +om af te druipen, Maar Tom vatte hem bij den arm en zeide: + +"Tante Polly, dat is niet mooi; er moest ook iemand verheugd zijn, +dat Huck is teruggekomen." + +"En dat zal ook zoo zijn. Ik ben blijde hem te zien, dien ongelukkigen, +moederloozen jongen!" En in hare verrukking ging de oude juffrouw hem +zoo hartelijk omhelzen, dat de arme knaap zich ten laatste niet meer +wist te bergen van verlegenheid. + +Plotseling riep de dominée met luider stem: + +"Juich, aarde! juich alom den Heer!" + +"Zing!--en doe het met geheel uw ziel!" + +En dat deden zij.--En de tonen van den ouden honderdsten psalm klonken +zegevierend door het eerwaarde kerkgebouw, en terwijl zij de muren +deden trillen, keek Tom Sawyer, de zeeroover, naar de hem benijdende +jeugd en beleed in zijn hart, dat dit het schoonste oogenblik zijns +levens was. + +Toen de "beetgenomen" kerkgangers uiteengingen, verklaarden zij, dat +zij bijna wenschten nog eens zoo voor den gek gehouden te worden, on +het genot te smaken, den ouden honderdsten psalm zóó te hooren zingen. + +Tom kreeg dien dag meer zoenen en klappen, al naar gelang van tantes +veranderlijke gemoedsstemming, dan hem te voren in een jaar waren +toebedeeld. De oude juffrouw toch was zoo vervuld van dankbaarheid +aan God en liefde voor haar neef, dat zij nauwelijks wist of zij +aan die gevoelens door kastijdingen dan wel door liefkozingen moest +lucht geven. + + + + +HOOFDSTUK XIX. + + +Dit nu was Toms groot geheim:--het plan om met zijne mede-zeeroovers +naar huis terug te keeren, op het oogenblik dat de lijkdienst over +hen zou gehouden worden. Zij waren Zaterdag, tegen schemerdonker, +op een blok hout de rivier afgezakt en vijf of zes mijlen beneden het +stadje aan land gegaan. Zij hadden in een bosch, in de nabijheid van +St. Petersburg, geslapen en waren bij het aanbreken van den dag door +allerlei straatjes en steegjes gekropen, totdat zij de kerk bereikt +hadden, waar zij te midden van een chaos van vermolmde banken nog +een uiltje hadden geknapt. + +Den volgenden morgen na het ontbijt waren tante Polly en Marie +buitengewoon hartelijk jegens Tom en voorkwamen zijne wenschen. Het +gesprek was bijzonder levendig en tante Polly zeide: + +"Ik zal niet ontkennen, Tom, dat ik het nogal grappig van je vond, om +de gansche stad eene week lang te laten treuren, terwijl jelui pleizier +maakten; maar ik kan mij niet begrijpen, hoe je zoo ongevoelig kondt +zijn, om mij zoo lang in de benauwdheid te laten. Als je op een blok +hout de rivier kondt oversteken voor je lijkdienst, had je ook wel +eens kunnen komen overvaren om mij te verstaan te geven, dat je niet +dood, doch alleen weggeloopen waart." + +"Ja, waarom heb je dat niet gedaan?" zeide Marie. "Ik geloof zeker, +dat, als je er aan gedacht hadt, je wel even hier zoudt gekomen zijn." + +"Zou je, Tom?" vroeg tante Polly, terwijl zij peinzend haar gelaat +tot hem ophief. "Zeg, zou je het gedaan hebben, als je er aan gedacht +hadt?" + +"Ik... wel, ik weet het niet. Het zou alles bedorven hebben." + +"Tom, ik dacht dat je ten minste zooveel van mij hieldt, om dat voor +mij over te hebben," zeide tante Polly, op een toon zoo vol weemoed, +dat het gemoed van den knaap volschoot. "Het zou mij een troost +geweest zijn te weten, dat je er aan gedacht had, zelfs zonder het +te hebben gedaan." + +"Nu, lieve tante, maak er u niet naar over," vleide Marie; "'t is +niets dan onnadenkendheid van Tom. Hij is altijd zoo--zoo onbezonnen." + +"'t Spijt mij vreeselijk! Sid zou er aan gedacht hebben; hij zou +bij mij gekomen zijn. O Tom, eens zal het je berouwen, als het te +laat is, en dan zul je zeggen: 'Was ik maar wat meer bezorgd voor +haar geweest!'" + +"Och tante," zeide Tom, "u weet toch wel, dat ik veel van u houd." + +"Ik zou het beter weten, indien je er een weinigje meer naar +handeldet." + +"Ik wou nu wel, dat ik het maar gedaan had," zeide Tom, op berouwvollen +toon; "maar ik heb toch van u gedroomd; dat is al wat." + +"Dat zegt nog niet veel; een kat doet hetzelfde: maar 't is toch +beter dan niets. Wat heb je gedroomd?" + +"Wel, Woensdagnacht droomde ik, dat u bij het bed zat en Sid op de +houtkist en Marie naast hem." + +"Nu, dat doen we immers altijd. Het verheugt me, dat je ons de moeite +waard geacht heb, dat van ons te droomen." + +"En ik droomde, dat de moeder van Joe Harper hier was." + +"Wel, zij was hier! Heb je nog meer gedroomd?" + +"O, nog zooveel! Doch het staat mij niet duidelijk meer voor." + +"Tracht het je te binnen te brengen.--Gaat het?" + +"Er ligt mij iets van bij, dat het heel hard woei." + +"Bezin je nog eens! De wind woei hard en..." Tom hield een minuut +lang peinzend zijne hand voor zijn voorhoofd en zeide toen: + +"Ik ben er! Ik ben er! De wind blies de kaars uit!" + +"God zij ons genadig! Ga voort, ga voort!" + +"En het was mij, als zeidet gij: 'Wel, ik geloof, dat de deur...'" + +"Ga voort, Tom!" + +"Laat mij een oogenblikje, een klein oogenblikje bedenken. O ja,--u +zei, dat u dacht dat de deur open was." + +"Zoo waar als ik leef, dat heb ik gezegd! Heb ik niet, Marie? Ga +verder!" + +"En toen--en toen--ik ben er niet zeker van, maar toen meende ik, +dat u Sid de deur liet..." + +"Nu! Wat liet ik Sid, Tom? Wat liet ik Sid doen?" + +"U liet hem--u--O--u liet hem de deur dichtdoen!" + +"Hemelsche goedheid! Zoo iets heb ik nog nooit gehoord! Zeg mij niet +meer, dat droomen bedrog is. Sientje Harper zal dit weten, eer ik +een uur ouder ben. Het zal mij eens benieuwen of zij mij nu nog zal +bespotten over mijne lichtgeloovigheid!" + +"O, tante, het wordt mij zoo klaar als het licht! Toen zei u, dat ik +niet slecht was, alleen maar een beetje lichtzinnig en ondeugend." + +"Zoo was het. Hemelsche genade!--Ga verder, Tom." + +"En toen begon u te schreien." + +"Dat deed ik, dat deed ik! En voorwaar niet voor de eerste maal.--en +toen?" + +"Toen begon juffrouw Harper te schreien en zeide, dat het precies +hetzelfde met haar Joe was en dat ze wilde dat zij hem geen zweepslagen +gegeven had omdat hij room had gesnoept, dien zij zelve uit het raam +had gegooid." + +"Tom! De Geest was op u,--gij waart aan het profeteeren, dat waart +ge! God in den hemel!--Ga voort, Tom!" + +"Toen zei Sid... Hij zei..." + +"Ik, geloof niet, dat ik iets gezegd heb," sprak Sid. + +"Jawel Sid," zeide Marie. + +"Houdt jelui je mond en laat Tom voortgaan. Wat zeide hij, Tom?" + +"Hij zei--geloof ik--dat hij hoopte, dat ik het goed zou hebben in de +plaats waar ik was heengegaan, maar indien ik beter had opgepast...." + +"Hoor jelui dat? Het ware zijne eigen woorden." + +"En u sloot hem den mond." + +"Waarempel, dat heb ik gedaan. Er moet een engel op dat eiland +geweest zijn." + +"En juffrouw Harper vertelde, dat Joe haar met een voetzoeker +verschrikt gemaakt had, en u, dat ik de kat met den drank geplaagd +had." + +"Zoo waar als ik leef!" + +"En toen werd er gepraat over het opvisschen van onze lijken en over +den lijkdienst, en bij het heengaan hebt u juffrouw Harper gezoend +en toen zijt gij beiden in tranen uitgebarsten." + +"Het gebeurde precies zoo! Precies zoo, zoo waar als ik hier in de +kamer zit. Je kondt het niet beter verteld hebben, al had je er bij +gezeten.--En wat toen? Ga voort, Tom." + +"Toen droomde ik, dat gij voor mij badt,--en ik kon u zien en elk +woord hooren dat gij spraakt. En gij gingt naar bed, en ik was zoo +bedroefd, dat ik een stuk van den vijgeboom nam en daarop krabbelde: +'Wij zijn niet dood, wij zijn alleen maar weggegaan om zeeroovers +te worden,' en dat bij den kandelaar op de tafel legde. En toen nam +ik den kandelaar van de tafel en hield dien boven uw gelaat, en gij +zaagt er in uw slaap zoo vriendelijk uit,--en ik droomde, dat ik mij +over u heenboog en u op de lippen kuste." + +"Hebt ge dat gedaan, Tom? Nu vergeef ik u alles!" En zij greep den +knaap en omhelsde hem met zulk eene verpletterende hartelijkheid, +dat hij zich den misdadigsten schurk der aarde voelde. + +"Het was zeer lief, ofschoon het slechts een droom was," zeide Sid +hoorbaar in zichzelven. + +"Houd je mond, Sid! Iemand doet in zijn droom juist wat hij wakende zou +verrichten. Hier heb je een grooten appel, Tom, dien ik voor je bewaard +heb, als je ooit terug gevonden werdt. En ga nu naar school. Ik ben +den goeden God, ons aller Vader, dankbaar dat Hij mij u teruggegeven +heeft. Hij is lankmoedig en vol goedertierenheid voor hen die in hem +gelooven en Zijn woord houden, hoewel de Hemel weet dat ik die genade +niet waardig ben. Doch indien slechts de waardigen zijne zegeningen +genoten en zijne hand mochten vatten om hen te leiden over hobbelige +paden, zouden er weinigen zijn, die hier vroolijk konden leven of +in zijne rusten konden ingaan, als de nacht komt. Gaat nu heen, Sid, +Marie en Tom:--gij hebt mij reeds lang genoeg in den weg geloopen." + +De kinderen gingen naar school en de oude juffrouw stapte de straat op, +om een bezoek bij juffrouw Harper te brengen, ten einde haar ongeloof +door Toms wondervollen droom den doodsteek te geven. + +Sid was slim genoeg on zich stil te houden, zoolang hij in de kamer +was. Toen hij de deur achter zich had dichtgeslagen, riep hij uit: + +"Een mooie grap--zoo'n lange droom, zonder een enkele vergissing!" + +Wat een held was Tom nu geworden! Hij sprong en huppelde niet meer +langs den weg, maar bewoog zich voort met de waardige voornaamheid, +welke aan den zeeroover past, die voelt dat hij een man van beteekenis +is in het oog van 't publiek. En dat was hij inderdaad. Hij hield +zich, als zag hij de blikken, als hoorde hij de opmerkingen niet, +waarvan hij het voorwerp was, doch zij waren spijs en drank voor +zijne ziel. Jongere knapen liepen achter hem aan en verhoovaardigden +zich op de eer van met hem gezien en door hem geduld te worden, en +behandelden hem alsof hij de Tamboer Majoor was van een optocht, of +de olifant onder wiens leiding eene menagerie de stad binnentrekt. De +jongens van zijne jaren deden, alsof zij er niets van wisten dat hij +weg geweest was, maar vergingen niettemin van afgunst. Zij zouden +er wat voor gegeven hebben om zijne bruine, door de zon verbrande +huid en zijne vermaardheid te bezitten, en Tom zou daarvan voor geen +wereldsch geld afstand hebben gedaan. + +Op school werd aan Tom en Joe zoo het hof gemaakt en werden ze +zoozeer bewonderd, dat de beide helden weldra onuitstaanbaar pedant +werden. Zij begonnen hunne avonturen aan gretig luisterende toehoorders +te vertellen, doch brachten het nooit verder, dan het begin; want eene +verbeelding als de hunne, steeds klaar om nieuwe stof aan te brengen, +zou moeielijk tot een eind hebben kunnen komen. En toen zij ten slotte +hunne pijpen voor den dag haalden en kalm de rookwolken in het rond +bliezen, hadden zij het toppunt van roem bereikt. + +Tom was tot het besluit gekomen, dat hij thans wel van Becky Thatcher +kon afzien. Zijne glorie was hem genoeg en voor deze alleen zou +hij voortaan leven. Nu hij zulk een voornaam persoon geworden was, +kon het wel eens zijn, dat zij lust kreeg bij te draaien. Welnu, +als zij dat deed, zou zij ervaren, dat hij even onverschillig kon +zijn als sommige andere lieden. + +Daar kwam zij juist toevallig aan. Tom deed alsof hij haar niet zag +en voegde zich bij een ander troepje jongens en meisjes, met wie +hij dadelijk een druk gesprek aanknoopte. Spoedig ontwaarde hij, dat +Becky met gloeiende wangen en schitterende oogen, vroolijk nu achter +dan vooruit huppelde, schijnbaar met hart en ziel krijgertje speelde +en het uitgilde van 't lachen, wanneer zij een van haar kameraadjes +gevangen had. Maar het ontging hem niet, dat zij hare vangsten altijd +in zijne buurt deed en dan tersluiks naar hem keek. + +Dit streelde zijne booze ijdelheid ongemeen en deed hem, in plaats +van hem voor haar te winnen, nog meer op zijne hoede zijn, om door +taal noch teeken te verraden, dat hij haar toeleg bemerkte. Weldra +gaf zij vruchteloos de moeite op en ging onder het slaken van zware +zuchten besluiteloos op en neer wandelen, terwijl zij nu en dan +heimelijk veelbeteekenende blikken op Tom wierp. Het viel haar op, +dat Tom drukker met Amy Lawrence praatte dan met iemand anders. Dit +gezicht verbitterde haar zoozeer, dat zij het besluit nam naar huis te +gaan. Doch hare verraderlijke voetjes droegen haar tegen wil en dank +naar de plaats, waar Tom en Amy stonden. Met geveinsde opgewektheid +zeide zij dicht bij Toms oor tot een meisje: + +"Wel, Marie Austin, ondeugende meid, waarom ben je niet op de +zondagsschool geweest?" + +"Ik ben er geweest. Heb je me niet gezien?" + +"Neen. Waart ge er? Waar heb je gezeten?" + +"In de klasse van juffrouw Peters, waar ik altijd zit. Ik heb jou +wel gezien." + +"Zoo! Hoe mal, dat ik jou niet zag! Ik had je van de pic-nic willen +vertellen, die gegeven wordt." + +"O, dat is heerlijk! En wie geeft die?" + +"Mijn ma!" + +"O, heertje, ik hoop dat zij mij ook vragen zal." + +"Natuurlijk; het is mijn partij. Zij vraagt iedereen, die ik hebben +wil." + +"Verrukkelijk!--wanneer zal het gebeuren?" + +"Al spoedig. In de vacantie, denk ik." + +"Voortreffelijk!--Je vraagt zeker al de jongens en meisjes?" + +"Ja, al mijne kennissen, dat is te zeggen, al de jongens en meisjes, +die lief tegen mij zijn," en meteen werd er tersluiks naar Tom +gekeken. Doch deze had het juist ontzettend druk met Amy Lawrence +over het vreeselijke onweer op het eiland en over den bliksem, +die den grooten vijgeboom aan spaanders sloeg, terwijl hij, Tom, +op geen tien pas afstands stond. + +"En mag ik ook komen?" + +"Ja." + +"En ik?" zeide Sally Rogers. + +"Ja." + +"En ik ook!" riep Suze Harper. "En Joe?" + +"Ja." + +En zoo ging het met vroolijk handgeklap voort, totdat de geheele +troep om eene uitnoodiging gebedeld had, behalve Tom en Amy. Deze +twee keerden koeltjes de anderen den rug toe en wandelden pratende +voort. Becky's lippen begonnen te beven en hare oogen schoten vol +tranen, en ofschoon zij deze teekenen van smart onder een vroolijk +gelaat en een eindeloos gekeuvel zocht te verbergen, was de pret van +de pic-nic en eigenlijk van alles af. Zoodra zij zulks onopgemerkt +doen kon, sloop zij heen en ging in een hoekje zitten, om, zooals +haar geslacht dat noemt, eens flink "uit te huilen." Daar bleef zij, +gebelgd over hare gekrenkte ijdelheid, zitten, totdat de schoolbel +haar gelui deed hooren. Toen stond zij met wraak in het hart op, +schudde met een vergramd gelaat haar gevlochten haarbos en mompelde, +dat zij wel wist wat zij doen zou. + +Bij het uitgaan der school zette Tom zijne hofmakerij aan Amy Lawrence +met onuitsprekelijke zelfvoldoening voort. Hij bleef voortdurend in +den omtrek, in de hoop van Becky te vinden en haar door zijn wreed +spel te kwellen. Eindelijk ontdekte hij haar--en de hooge temperatuur +zijner gemoedsstemming daalde op eens tot het vriespunt. + +Zij zat welbehaaglijk op een bankje achter de school, in een boek +prentjes te kijken met Alfred Temple, en zij waren zoo in hunne +beschouwing verdiept en hielden hunne hoofden zoo dicht bij elkaar, dat +er buiten hen en het prentenboek niets in de wereld scheen te bestaan. + +Een vuur van jaloezie gloeide Tom door de aderen. Hij verwenschte +zichzelven, omdat hij de kans tot eene verzoening met Becky zoo +jammerlijk had verspeeld. Hij noemde zich een dwaas en de Hemel weet +wat niet al meer, en het huilen stond hem nader dan het lachen. De +naast hem loopende Amy keuvelde lustig voort en juichte in haar +hart,--doch Toms tong scheen hem aan het verhemelte te kleven. Hij +hoorde niet wat Amy zeide, en wanneer zij stilhield om op een antwoord +te wachten, kwamen er onsamenhangende, verwarde klanken, die veeltijds +op de vraag niet sloegen. Niettemin bleef hij achter het schoolgebouw +op-en nederloopen, om zich de oogballen met het hatelijk schouwspel +te pijnigen. Hij kon niet anders, en de gedachte dat Becky Thatcher +niet eens scheen te vermoeden dat hij in het land der levenden was, +maakte hem bijna krankzinnig. + +Toch zag zij het maar al te goed en wist zij dat zij veld won ook, en +was blijde dat hij nu ondervond, wat zij had uitgestaan. Amys vroolijk +gebabbel werd hem ondraaglijk. Tom begon verontschuldigingen te maken +en zeide dat hij naar huis moest om te werken, daar het laat werd. Doch +tevergeefs: het vogeltje kirde altijd maar voort: "Ik wou, dat ze +naar de maan vloog! Zal ik dan nooit van haar afkomen?" Eindelijk +zeide hij dat hij weg moest, en het meisje antwoordde argeloos, +dat zij zorgen zou morgenochtend weder op haar post te zijn. En hij +spoedde zich voort en haatte haar om die belofte. + +"Een andere jongen!" sprak Tom tot zich zelven en knarste met de +tanden. "Zij mocht, wat mij betreft, elken jongen van de plaats +genomen hebben, behalve dien vromen Piet, die zich zoo mooi kleedt en +zoo voornaam is! Best, jongen! ik heb je een pak gegeven den eersten +dag dat je hier kwaamt, en je zult er nog een hebben. Wacht je beurt +maar af. Dan gaat het zoo!" + +En toen ging hij in zijne verbeelding aan het afkloppen van den +jongen, maakte de bewegingen van "iemand een pak geven"--en sloeg, +schopte in de lucht, onder het uitroepen van: "Ziezoo, dat 's voor +jou goed? Heb je nou genoeg, zeg? Laat dit je een les zijn." + +Toen snelde hij naar huis. Hij kon de gedachte aan Amys dankbaar +geluk en aan dat andere tooneel niet meer verdragen. Becky intusschen +zette hare plaatjesbeschouwing met Alfred voort; maar toen de minuten +voortkropen en er geen Tom kwam, verloor haar zegepraal iets van +haar luister en verdween hare belangstelling. Zij werd rusteloos en +afgetrokken en eindelijk neerslachtig. Een paar malen spitste zij de +ooren bij het geluid van een voetstap, maar de hoop, waarmede zij zich +streelde, bleek ijdel te zijn. Er kwam geen Tom. Eindelijk voelde zij +zich zoo ellendig, dat zij goud zou gegeven hebben, indien zij het +niet zoover had laten komen. Toen de arme Alfred, ziende dat zij--hoe +het kwam wist hij niet--ophield hem haar aandacht te schenken, zijn +ijver verdubbelde en gedurig uitriep: "O, hier is een mooi plaatje, +kijk eens!" verloor zij alle geduld en zeide: + +"O, kwel mij niet langer! Het kan mij niet schelen," en in tranen +uitbarstende, stond zij op en ging heen. + +Alfred liep haar achterna en trachtte haar te troosten, doch zij zeide: + +"Ga weg en laat mij met rust. Ik heb een hekel aan je!" + +De arme jongen zag haar verbijsterd aan en kon maar niet begrijpen, +wat hij toch misdaan had.--Zij had hem zoo even nog gezegd, dat zij +den geheelen middag prenten wilde kijken, en nu liep zij schreiend +van hem weg. + +Ontstemd zette hij zich in de leege school neder. Hij was boos en +gekrenkt en vond spoedig den sleutel tot de waarheid;--het meisje had +hem eenvoudig tot speelbal gemaakt, om haar woede tegen Tom Sawyer +te koelen. Deze gedachte verminderde zijn haat tegen Tom niet en hij +zon op een middel, om hem een poets te spelen, zonder er zelf in te +loopen. Daar viel zijn oog op Toms leesboek. Dat was een schoone +gelegenheid. Hij sloeg de les op, welke dien middag gelezen moest +worden en bekladde die flink met inkt. + +Becky, die op dat oogenblik toevallig naar binnen keek, zag de +daad en verwijderde zich zonder iets van hare ontdekking te laten +merken. Zij ging huiswaarts in de hoop Tom tegen te komen om hem alles +te vertellen. Tom zou er haar erkentelijk voor zijn en hun verschil +zou worden bijgelegd. Maar eer zij halverwegen was, kwam zij van +haar plan terug. De gedachte aan Toms behandeling bij gelegenheid +van de te berde gebrachte pic-nic kwam haar weder voor den geest en +vernieuwde haar spijt. Zij besloot aan te zien, dat hij, ter zake van +de vlekken in zijn boek, slaag kreeg en nam zich voor hem nog op den +koop toe voor eeuwig te haten. + + + + +HOOFDSTUK XX. + + +Tom kwam te huis in een allertreurigste gemoedsstemming, en de eerste +woorden, die zijne tante tot hem richtte, bewezen hem dat bij haar +geen troost voor zijn verdriet te vinden was, want het luidde terstond: + +"Tom, ik zou wel grooten lust hebben je levend te villen!" + +"Wat heb ik dan gedaan, tantelief?" + +"Genoeg om die straf te verdienen. Zoodra je weg waart, ben ik, oude +gekkin, naar Sientje Harper geloopen, in de hoop van haar al den onzin +over dien droom van jou te doen gelooven, en daar vertelt zij mij, +dat zij van Joe gehoord heeft, dat je de rivier overgezwommen bent en +'s avonds onder mijn bed alles hebt afgeluisterd wat wij dien nacht +gesproken hebben. Tom, ik weet niet wat er van een jongen groeien moet, +die zich zoo gedraagt als jij. Ik schaam me dood, als ik er aan denk, +dat je me stilletjes, zonder een gezicht te vertrekken, naar Sientje +Harper hebt laten gaan!" + +Uit dat oogpunt had Tom de zaak nog niet beschouwd. Het verhaal, +dat hem vóór schooltijd zoo ijselijk grappig had toegeschenen, was +nu een gemeene leugen geworden. Hij liet het hoofd hangen en wist +niet wat hij zeggen zou. Eindelijk stamelde hij: + +"Tantelief, ik wou dat ik het niet gedaan had, maar ik deed het +zonder nadenken." + +"O kind, je denkt nooit,--behalve wanneer het je zelf geldt. Je +dacht wel, toen je in den pikdonkeren nacht van Jackson Island kwaamt +afzakken, om ons over onze droefheid uit te lachen, en toen je mij +met een leugen over een droom voor den gek hield; maar om medelijden +met ons te hebben en ons angst te sparen, daaraan had je niet gedacht." + +"Tante, ik weet dat het gemeen was, maar waarlijk het was mijne +bedoeling niet zoo slecht te zijn,--neen, wezenlijk niet. En dan dien +nacht ben ik heusch niet gekomen om u uit te lachen." + +"Waarom kwam je dan?" + +"Eigenlijk om u te zeggen, dat ge niet ongerust over ons behoefdet +te wezen, omdat wij niet verdronken waren. + +"Tom, Tom, ik zou het dankbaarste schepsel van de wereld zijn, indien +ik gelooven kon, dat je ooit zulk een goede gedachte gehad hebt, +maar je weet best, dat het niet zoo was." + +"Waarachtig, tante, ik heb het daarom gedaan;--ik mag sterven, als +het niet waar is." + +"Tom lieg niet,--doe dat toch niet. Dat maakt het geval nog honderdmaal +erger." + +"Ik lieg niet, tantelief; het is de waarheid. Ik wilde u verdriet +sparen; daarom alléén ben ik gekomen." + +"Ik zou een wereld geven, als ik 't gelooven kon; hij zou eene macht +van zonde bedekken. Ik zou er dan bijna blij om zijn, dat gij zijt +weggeloopen en zoo slecht hebt gehandeld. Maar 't is niet aan te nemen; +want waarom heb je het dan niet gezegd, kind?" + +"Wel, ziet u, tantelief, toen ik over den lijkdienst hoorde spreken, +werd ik zoo vervuld door het heerlijk denkbeeld om mij met Joe en Huck +in de kerk te verbergen, dat ik het niet over mij kon verkrijgen den +boel te bederven, en daarom stak ik de boomschors weder in den zak" + +"Welke boomschors?" + +"Och de schors, waarop ik geschreven had, dat wij zeeroovers waren. Ik +wou nu, dat u maar wakker geworden waart, toen ik u kuste; wezenlijk, +dat wou ik." + +"Heb je mij gezoend?" + +"Ja zeker." + +"Stellig, Tom?" + +"Ja, wezenlijk, tantetje,--op mijn woord van eer." + +"Waarom heb je dat gedaan, Tom?" + +"Omdat ik het zoo lief van u vond, dat ge zoo bedroefd over mij +waart;--dat speet mij zoo." + +De woorden klonken als de waarheid. De oude tante kon eene kleine +trilling in hare stem niet verbergen, toen zij sprak: + +"Kus mij nog eens, Tom!--en loop dan naar school en plaag mij niet +meer" + +Toen hij weg was, ging tante Polly naar een kleerkast en haalde daaruit +het buisje, dat Tom tijdens zijn zeerooverschap had aangehad. Zij +hield het een oogenblik in de hand en zeide tot zich zelve: + +"Neen, ik durf niet.--Arme jongen, ik weet zeker dat hij gelogen +heeft,--maar het was een gezegende, driewerf gezegende leugen! Ik +hoop, dat de Heer.... neen, ik weet zeker, dat Hij hem vergeven zal, +omdat het zoo lief van hem was, dat hij het vertelde. Maar ik wil er +geen onderzoek naar doen." + +Zij legde het buisje weg en bleef een oogenblik in gedachten verzonken, +voor de kast staan. Tweemaal stak zij de hand uit, om het kleedingstuk +nog eens op te nemen en twee malen bedwong zij zich. Nogmaals, +en dezen keer waagde zij het, zich zelve troost insprekende met de +gedachte: "Het is een goede leugen--een beste leugen; ik zal het mij +niet aantrekken dat het onwaar is."--En het buisje werd doorzocht. En +daar vond ze Toms stukje hout en las onder een vloed van tranen de +woorden, die er op geschreven stonden, zeggende: + +"Nu kan ik het den jongen vergeven, ook al had hij millioenen zonden +begaan." + + + + +HOOFDSTUK XXI. + + +Er was iets in Tante Polly's wijze van doen, toen zij Tom omhelsde, +dat zijne neerslachtigheid verdreef en hem weder vroolijk en +gelukkig maakte. Hij ging naar school en smaakte het genot op den +hoek van Meadow Lane toevallig Becky Tatcher tegen te komen. Zijn +gemoedstoestand bepaalde doorgaans zijne handelingen. Zonder een +oogenblik te aarzelen, liep hij naar haar toe en zeide: + +"Ik heb je vandaag heel gemeen behandeld, Becky, en dat spijt mij. Ik +zal het nooit van mijn leven weer doen. Zullen wij, als je blieft, +maar weder goede vrienden worden?" + +Het meisje hield stil, keek hem met een blik vol verachting aan +en zeide: + +"Wilt u de goedheid hebben, mijnheer Thomas Sawyer u bij uw eigen +vrienden te houden. Ik denk mij niet meer met u te bemoeien." + +En het hoofd in den nek werpende, ging zij voorbij. + +Tom was zoo verpletterd, dat hij zelfs de tegenwoordigheid van geest +miste om te zeggen: + +"Ik geef geen zier om je, nufje dundoek," totdat het geschikte +oogenblik voor dien uitval voorbij was. Dus zweeg hij met een woedend +gezicht. Ziedende van toorn stapte hij de schoolplaats binnen en +mompelde, dat hij wou dat zij een jongen was, om het haar eens fiks +in te peperen. Toen hij haar voorbijging, wierp hij haar een paar +hatelijkheden naar het hoofd, die behoorlijk teruggeslingerd werden, +en de hoop op het herstel van den vrede scheen onherroepelijk +verloren. Becky kon in hare drift den tijd haast niet afwachten, +waarop de les zou beginnen en zij Tom zou zien afrossen voor het +beschadigde leesboek. Indien zij nog een oogenblik plan had on Alfred +Temple ten toon te stellen, was dit voornemen door Toms beleedigende +schimpscheuten geheel uit hare ziel verdwenen. + +Arm kind! zij wist niet, hoezeer zij op weg was zich een wereld van +verdriet te bezorgen. + +De schoolmeester, de heer Dobbins, was een man, die den middelbaren +leeftijd bereikt had onder het drukkend lijden van onbevredigde +eerzucht. Zijne lievelingswensch was geneesheer te worden, doch +geldgebrek had hem verhinderd het hooger dan tot schoolmeester te +brengen. Toch was de liefde tot de studie hem bijgebleven. Hij nam +ten minste iederen dag een geheimzinnig boek uit de lessenaar on zich +daarin te verdiepen, zoodra de verschillende klassen hunne lessen +hadden opgezegd. + +Dat boek hield hij achter slot en grendel,--doch er was geen deugniet +in de gansche school, die niet brandde van begeerte het eens in te +zien. Daartoe echter bood zich de kans nooit aan. Elke scholier had +zijne of hare eigen meening over den inhoud van het boek, doch er +was geen middel om het rechte er van te weten te komen. + +Toen nu op dezen achtermiddag Becky langs den lessenaar schoof, +die vlak bij de deur stond, zag zij dat de sleutel in het slot +stak. Welk eene kostelijke gelegenheid! Zij keek in het rond, zag dat +zij alleen was en geen seconde later had zij het boek in de hand. Het +titelblad, "De Ontleedkunde, door Professor N. N." maakte haar niet +veel wijzer. Derhalve sloeg zij bladen op. Op eens ontdekte haar oog, +op eene der eerste bladzijden, een prachtige gekleurde gravure van +een naakt menschenbeeld. Op hetzelfde oogenblik viel er een schaduw +op het blad en stapte Tom Sawyer de deur in, die een vluchtigen blik +op het afbeeldsel wierp. In haar haast om het boek dicht te slaan, +was Becky ongelukkig genoeg het blad met de figuren door midden te +scheuren. Zij wierp het boek in de lessenaar, draaide den sleutel om +en barstte uit in tranen van schaamte en verdriet. + +"Tom Sawyer," snikte zij, "ik vind het gemeen van je om achter iemand +aan te sluipen en hem te begluren." + +"Hoe wist ik, dat je iets stond te bekijken?" + +"Je moest je schamen, Tom Sawyer; ik weet, dat je me zult verklikken, +en o, wat zal ik beginnen! Ik zal slaag krijgen,--ik die nog nooit +op school een klap gehad heb!" + +Zij stampte met haar voetje op den grond en vervolgde: + +"Wees maar zoo laag als je wilt! Ik weet iets, dat hier zal plaats +hebben. Wacht maar en je zult eens wat zien."--En zij vloog de school +uit en barstte opnieuw in tranen los. + +Tom stond stil, geheel overbluft door dien uitval. Toen zeide hij +tot zichzelven: + +"Welk een vreemd soort van wezens zijn die meisjes! Nooit op school +geslagen! Wat zou een pak ransel! Juist iets voor een meisje: zij zijn +zoo laf en kleinzeerig. Zij hebben geen ruggegraat. Natuurlijk zal ik +die dwaze meid niet aan den ouden Dobbins gaan verklappen; er zijn +wel andere middelen om haar klein te krijgen, die niet zoo gemeen +zijn. Maar wat moet er met het boek gedaan worden? De oude Dobbins +zal vragen, wie het gescheurd heeft. Niemand zal antwoorden. Dan +zal hij doen als altijd en de meisjes beurt om beurt ondervragen, +en wanneer hij bij het meisje komt dat het gedaan heeft, zal hij +het weten zonder dat het gezegd wordt. De meisjes verraden zich +altijd.--Becky zal klappen krijgen; 't is een naar geval, maar ik +zie er geen gat in om het te verraden." + +Tom peinsde nog een oogenblik over de zaak en riep toen uit: "In +orde! Zij wou mij in de klem zien; laat haar dat genot hebben." + +Daarop voegde hij zich bij de "krijgertje" spelende schooljeugd, +totdat de meester kwam en de school begon. Toms gedachten dwaalden +gedurig van zijn werk af en telkens, wanneer hij een blik naar den +meisjes-kant wierp, werd hij ontroerd door het gelaat van Becky. Alles +te zamen genomen, behoefde hij geen medelijden met haar te hebben +en toch was hij diep met haar begaan. Toen de ontdekking van het +leesboek gedaan werd, was Tom voor een tijdlang geheel vervuld van +zijn eigen leed en werd Becky uit hare verdooving wakker. Zij volgde +het proces met groote belangstelling, want zij wist, dat Tom niets +tegen de beschuldiging, van inkt op het boek gemorst te hebben, kon +inbrengen. Tom ontkende het feit, en maakte door die ontkenning de zaak +eer erger dan beter. Becky maakte zich wijs, dat zij er schik in had, +doch eene stem in haar binnenste fluisterde haar toe, dat zulks het +geval niet was. Toen het er zeer bedenkelijk voor Tom begon uit te +zien, voelde zij eene sterke neiging om op te staan en Alfred Temple +aan te klagen, doch zij bedwong zich en legde zich de verplichting +op om stil te blijven zitten. "Immers," dus sprak zij bij zichzelve, +"hij zal zeker zeggen, dat ik die plaat gescheurd heb. Neen, al kon +ik hem er het leven mede redden, ik zeg het niet." + +Tom kreeg de hem toegedachte zweepslagen en ging kalm naar zijne +zitplaats terug, in den waan dat hij, misschien zonder het te +bemerken, onder het krijgertje spelen, den inkpot op het boek had +laten vallen.--Hij had maar uit gewoonte ontkend en uit beginsel zich +bij de ontkentenis gehouden. + +Een geheel uur ging voorbij. De meester zat op zijn troon te +knikkebollen, daar het gebrom der studeerende jeugd hem altijd slaperig +maakte. Langzamerhand echter richtte hij zich op, gaapte, ontsloot zijn +lessenaar en greep naar zijn boek, doch scheen het niet met zichzelven +eens te kunnen worden, of hij lezen zou al dan niet. Het meerendeel +der scholieren zag droomerig van hun werk op, doch er waren er twee, +die met de oogen vol belangstelling zijne beweging gadesloegen. + +Een tijdlang hield de heer Dobbins gedachteloos zijn boek in de hand, +doch eindelijk vlijde hij zich op zijn stoel neder on te lezen. + +Tom wierp een blik op Becky, en het arme kind zag er uit als +een hulpeloos, opgejaagd haasje, dat het geweer op zich ziet +aanleggen. Oogenblikkelijk werd zijn geschil met haar vergeten. Er +moest redding komen en dadelijk ook. Doch het dreigend gevaar scheen +zijne vindingrijkheid te verstompten. Goddank! daar schoot hem iets te +binnen. Hij zou de bank uitgaan, het boek grijpen, de deur uitspringen +en er mede wegloopen! Doch een minuut wankelens, tot het nemen van dit +besluit, was genoeg om zijne kans verloren te doen gaan. De meester +had het boek geopend. Het was te laat; er was niets aan te doen; +Becky was reddeloos verloren! + +Het volgende oogenblik zag de meester zijne leerlingen in het gelaat, +met een blik, die al de kinderen de oogen deed neerslaan. Gedurende +tien tellen heerschte er een angstige stilte, waarin de meester kracht +tot toornen verzamelde. Toen sprak hij: + +"Wie heeft dit boek gescheurd?" + +Er werd geen geluid vernomen. Men zou een speld hebben kunnen hooren +vallen. De meester zag gezicht voor gezicht aan, om teekenen van +schuld te ontdekken?" + +"Benjamin Hogers, hebt gij dit boek gescheurd?" + +Een ontkennend antwoord, gevolgd door een pauze. + +"Jozef Harper, gij?" + +Weder een ontkennend antwoord. Tom werd onder de kwelling van den +langzamen voortgang der zaak, hoe langer hoe onrustiger. De meester +onderzocht nauwkeurig de lange rijen jongensgezichten en wendde zich +toen tot de meisjes. + +"Amy Lawrence?" + +Een ontkennend hoofdschudden. + +"Gracie Willer?" + +Hetzelfde gebaar. + +"Suze Harper, hebt gij het gedaan?" + +Weder een ontkennend antwoord. Het volgende meisje was Becky +Thatcher. Tom beefde van het hoofd tot de voeten. + +"Rebekka Thatcher"--(Tom keek naar haar gelaat; het was bleek van +angst) "hebt gij,--neen, zie mij aan" --(zij hief de handen smeekend +omhoog)--"hebt gij dit boek gescheurd?" + +Snel als de bliksem schoot Tom eene gedachte door de ziel. Hij sprong +op en gilde: + +"Ik heb het gedaan!" + +De schooljeugd stond versteld over zulk eene onbegrijpelijke +dwaasheid. Tom bleef een oogenblik staan om tot zichzelven te komen, +en toen hij de bank uitstapte om zijne straf te ondergaan, werd hij +door de bewondering en de dankbare aanbidding, die hem uit Becky's +oogen tegenstraalden, betaald voor honderd zweepslagen. + +Door zijne edele daad zelf in verrukking gebracht, verdroeg hij +zonder een geluid te geven, de onbarmhartigste geeseling, waaraan +de heer Dobbins zich ooit had schuldig gemaakt, en hoorde hij ook +met volkomen onverschilligheid de wreede uitspraak aan, om twee uren +school te blijven. Immers hij wist, wie met het grootste geduld buiten +op hem wachten zou, totdat zijne straf geleden was. + +Dienzelfden middag nog vertelde Becky hem met schaamte en berouw, +hoe verraderlijk zij zich jegens hem gedragen had. Tom ging dan ook +naar bed, vol wraakzuchtige plannen jegens Alfred Temple; maar zijn +wrok maakte spoedig voor aangename overpeinzingen plaats en hij viel +in slaap en droomde van Becky's laatste woorden, die hem als muziek +in de ooren hadden geklonken en aldus hadden geluid: + +"Tom, hoe kon je zoo edel zijn?" + + + + +HOOFDSTUK XXII. + + +De vacantie begon te naderen. De altijd strenge schoolmeester werd +strenger en veeleischender dan ooit, en scheen het er op gezet te +hebben, op den "examendag" met de scholieren te pronken. Zijn roede +en plak waren thans zelden werkeloos, ten minste onder de kleinere +leerlingen. De grootste jongens en de dames van zestien en zeventien +jaren hadden het geluk de roede ontwassen te zijn. De zweepslagen van +meester Dobbins waren voorwaar niet kinderachtig, want ofschoon hij +onder zijn pruik een geheel kaal en glimmend hoofd verborg, bezaten +zijne spieren nog haar volle kracht. Naarmate de groote dag naderde +scheen al wat er van den dwingeland in hem was, naar boven te komen, +en 't was alsof hij er een wreed behagen in schepte, de scholieren voor +de geringste tekortkomingen te straffen. Het gevolg daarvan was, dat de +kleineren onder zijne leerlingen overdag zwoegden onder angst en smart +en bij nacht zonnen op wraak. Zij lieten dan ook geene gelegenheid om +den meester een poets te spelen, ongebruikt voorbijgaan. Ongelukkig +was hij voortdurend op zijn hoede. De vergelding, die op elke zegepraal +hunner wraakzucht volgde, was zoo vreeselijk, dat de knapen doorgaans +met blauwe plekken op het lijf het veld ruimden. Eindelijk werd +er een plan beraamd, dat eene schitterende overwinning beloofde. De +verversjongen werd in het komplot opgenomen, met hunne ontwerpen bekend +gemaakt en zijne hulp ingeroepen. Die verversjongen had zijn eigen +redenen om tot het verbond toe te treden, want de meester woonde op +kamers bij zijn vader en had den knaap reden te over gegeven om hem +te haten. De vrouw van den meester zou een paar dagen uit de stad +gaan en er bestond dus geen vrees, dat van dien kant een spaak in +'t wiel zou gestoken worden. + +De meester had de gewoonte om zich voor de examens en andere groote +plechtigheden voor te bereiden, door zich een een roes aan te drinken, +en de verversjongen beloofde, dat, wanneer de onderwijzer op den +avond van het examen weer boven zijn bier was en in zijn stoel lag +te dommelen, hij "het dingetje wel klaar zou spelen." Hij zou hem +dan zoo laat mogelijk wakker maken, omdat hij alleen maar tijd zou +hebben om in vliegende vaart naar school te ijlen. + +Toen de volheid der tijden gekomen was, greep het belangwekkende +feit plaats. + +Om acht uren in den avond was het schoollokaal schitterend verlicht +en met kransen en festoenen van bloemen en loofwerk versierd. + +De soezerige, halfdronken meester troonde in zijn leuningstoel, +op eene opzettelijk daartoe vervaardigde verhevenheid, met het +schrijfbord achter zich. Drie rijen met zitbanken en zes rijen in het +front waren bezet door de waardigheidsbekleders van het stadje en de +ouders der leerlingen. Links van den meester, achter de zitplaatsen der +burgerij, was een hoog getimmerte gemaakt, waarop de in hun beste pak +gekleede knaapjes gezeten waren, die proeven van hunne bedrevenheid +zouden afleggen. Achter dezen zaten eenige rijen magere, opgeschoten +jongens. Daarop volgden de hooge banken met meisjes en jonge dames +in katoen en neteldoek, die zich blijkbaar heel voornaam gevoelden +met hare bloote armen, haar grootmoeders ouderwetsche kostbaarheden, +haar rose en blauwe strikken en haar bloemen in het haar. Verder was +het lokaal opgevuld met toeschouwers en scholieren. + +De oefeningen begonnen. Een heel klein jongetje stond op en bracht +doodverlegen de van buiten geleerde woorden uit: + +"Mijne hoorders, + +"Gij hadt zeker niet verwacht iemand van mijn leeftijd het +spreekgestoelte te zien beklimmen, om in het openbaar het woord te +voeren, enz.". En de knaap deed zijne woorden vergezeld gaan van +overdreven juiste en krampachtige bewegingen, die aan een machine +deden denken, die van de wijs is. Hij bracht het er, ofschoon in +duizend angsten, heelhuids af en werd verbazend toegejuicht, toen +hij zijne gekunstelde buiging maakte en het tooneel verliet. + +Een klein bedeesd meisje lispelde het versje: + +"Marietje had een lammetje, enz.," maakte eene medelijdenswekkende +dienares, kreeg haar voegzaam deel toejuichingen en ging blozend +en voldaan weer zitten. Tom Sawyer trad voorwaarts met gemaakt +zelfvertrouwen en wond zich met prachtig nagebootste en allerzotste +gebaren op tot het onsterfelijke: "Geef mij de vrijheid, of geef mij +den dood!"--doch werd in het midden door een akelige tooneelvrees +bevangen. Zijne knieën knikten en hij dreigde in zijne woorden te +stikken. Wel is waar wekte hij zichtbaar het medelijden en de sympathie +van de toehoorders, maar zij hielden zich doodstil, en dat zwijgen van +het publiek was erger dan medegevoel. Tot overmaat van smart fronste +de meester zijne wenkbrauwen. Tom spande nogmaals alle krachten in, +doch zag zich verplicht verslagen af te treden. Voor een oogenblik +kwam er eene zwakke poging om te applaudisseeren, doch zij werd in +hare wording gesmoord. + +Daarop volgde: "De knaap stond op het brandende dek;" toen: +"De Assyriërs zakten den stroom af;" en andere juweeltjes voor de +declamatiekunst. Toen had men de leesoefeningen en een kampstrijd in +het spellen. De schraal bezette klasse der Latinisten bracht het er +met haar voordracht schitterend af. + +Het eerste bedrijf was naar behooren afgeloopen en nu volgde de +"zelfgemaakte" opstellen van de jonge dames, die elk op hare beurt +op de verhevenheid stapten, kuchten, haar handschrift, dat met +een keurig lintje was vastgemaakt, in de hand hielden en begonnen +te lezen. De onderwerpen waren dezelfde, waarmede bij dergelijke +gelegenheden hare moeders, hare grootmoeders en ongetwijfeld al de +voorouders in de vrouwelijke linie geschitterd hadden. Daar was er +een over de "Vriendschap," en verder; "Herinnering aan vroegere +dagen," "Godsdienst in de geschiedenis," "Het land der droomen," +"De voordeelen der beschaving;" "Het verschil en de overeenkomst van +de onderscheidene staatsvormen," "Droefgeestigheid," "Kinderliefde," +"Hartstochten," enz. enz. + +Een hoofdgebrek van al deze opstellen was eene zorgvuldig gekweekte +droefgeestigheid en een kwistige overvloed van mooie woorden. + +In sommigen was een merkbare neiging om modewoorden er met +de haren bij te sleepen, zoo dikwijls zelfs, dat zij geheel +afgezaagd werden. En dan was er eene bijzonderheid, welke ze +alle kenmerkte en bedierf,--namelijk de onuitstaanbare zedepreek, +die zijn gebrekkelijken staart aan het eind van elk opstel deed +kwispelen. Welk ook het onderwerp mocht wezen, er werd altijd een +hersens folterende poging gedaan om er op de een of andere wijze +iets in te lasschen waarop het zedelijk en godsdienstig gemoed met +stichting kon nederzien. Niettegenstaande de ergerlijke onoprechtheid, +die het publiek uit dergelijke zedepreken tegenblonk, werden zij niet +afgeschaft. En zij zijn dat nog niet en zullen het waarschijnlijk +nooit worden, zoolang de wereld zal bestaan. + +Er is geen school in gansch Amerika, waar de jonge dames zich niet +verplicht gevoelen hare opstellen met een preek te eindigen; en het +zijn doorgaans de lichtzinnigste en minst godsdienstige meisjes, +die de mooiste preken maken. Maar genoeg hiervan. De waarheid wil +niet altijd gezegd zijn. Laat ons daarom tot het examen terugkeeren. + +Het eerste opstel, dat voorgelezen werd, droeg tot opschrift: + +"Is dit nu het leven?" + +De lezer zal mij wel willen vergunnen er een uittreksel van mede te +deelen. Het luidde ongeveer aldus: + +"Met welk een verrukking ziet gewoonlijk het jeugdig gemoed niet uit +naar een hem wachtend feest! De verbeelding toovert rooskleurige +tafereelen van genot. Daar ziet de aanbidster van wereldsche +genoegens zich reeds te midden der feestvierende menigte als +'de bewonderde door al de bewonderaars.' Haar bevallige gestalte, +in een sneeuwwit kleed gehuld, zweeft rond in den doolhof van den +vroolijken dans; haar oog is schitterender, haar tred lichter dan die +van de gansche lustige schare. Onder zulke heerlijke droomen glijdt +de tijd spoedig voort en weldra is de gelukkige ure daar, waarop zij +de Elyseesche velden betreden zal, van welke zij zoo verrukkelijk +had gedroomd. Hoe tooverachtig schoon vertoont zich alles aan hare +ontvlamde verbeelding! Elk nieuw tooneel wint aan bekoring. Maar na +eene wijle ervaart zij, dat onder dat schoon vernis niets dan ijdelheid +schuilt. De vleitaal, welke eens haar hart streelde, klinkt haar schril +in het oor; de balzaal heeft hare aantrekkelijkheid voor haar verloren +en met een verwoeste gezondheid en een verbitterd hart trekt zij zich +uit de wereld terug, de overtuiging met zich voerende, dat aardsch +genot de ziel, die naar hoogere dingen streeft, niet bevredigen kan." + +En zoo ging het voort. Van tijd tot deed zich onder het lezen een +gegons van bijvalsbetuigingen hooren, vergezeld van fluisterende +uitroepen, als: "Hoe lief! Hoe welsprekend! Hoe waar!" enz. enz. En +toen het stuk met een ijselijk sombere preek eindigde, volgde er een +uitbundige toejuiching. + +Vervolgens stond een tenger, droefgeestig meisje op, dat zich door +de belangwekkende bleekheid onderscheidde, welke het gevolg is van +pillen en indigestie, en droeg een gedicht voor, waarvan ik u twee +coupletten zal mededeelen: + + + Alabama, vaarwel! Och 'k min U zoo teer! + Toch ga 'k voor een poos van U scheiden! + Maar het denken aan U doet mij 't harte zoo zeer, + Mijn ziel blijft bij U steeds verbeiden. + Uw lommerrijke wouden heb 'k dikwijls doorkruist; + 'k Heb gedoold langs Uw liefelijke stroomen; + Gehoord hoe uw water bij stormwinden bruist + En bewonderend Aurora zien komen. + + De tranen die 'k schrei, o! ik schaam ze mij niet, + Geen blos dekt mijne vochtige wangen; + Niet vreemd is mij 't land, dat mijn aandoening ziet, + 't Is een vriend waar mijn ziel aan blijft hangen. + Een meer hartelijke ontvangst vond ik nergens, o neen! + Dan bij U, wien 'k _mijn_ land wel mag heeten; + En mijn hoofd en mijn hart moest wel koud zijn als steen, + Alabama, als het U kon vergeten!" + + +Er waren er slechts zeer weinigen, die wisten wat het woord "Aurora" +beteekende, doch het gedicht viel niettemin zeer in den smaak. + +Daarop verscheen een jonge dame met een donkere gelaatskleur, donkere +oogen en donker haar, die een indrukwekkend oogenblik pauseerde, +haar best deed om haar gelaat eene tragische uitdrukking te geven en +toen op afgemeten toon begon: + +"Zwart en stormachtig was de nacht. Om den hemeltroon flikkerde een +enkele ster, doch zware donderslagen trilden aanhoudend door het zwerk, +terwijl de vreeselijke bliksem gramstorig door de onbewolkte hemelzalen +dartelde, alsof hij de macht bespotte, welke de beroemde Franklin +zich over zijne verschrikkingen had aangematigd! Zelfs de onstuimige +winden kwamen eendrachtig uit hunne geheimzinnige woonplaatsen te +voorschijn en bulderden in het rond, begeerig naar 't scheen, om de +woestheid van het tooneel door hunne hulp te verhoogen. + +"Op zulk een tijdstip, zoo duister, zoo droevig, zuchtte mijn hart +naar menschelijk medegevoel,--maar in plaats daarvan, + + + Mijn dierbaarste vriendin, mijn gids en mijn geleide, + Mijn vreugde bij mijn smart, stondt ge eensklaps aan mijn zijde! + + +"Zij bewoog zich voort als een van die liefelijke wezens, welke +de romantische jeugd zich op de zonnige paden van het Eden der +verbeelding, voor den geest toovert,--een koningin der schoonheid, +zonder versierselen, maar getooid met hare alles overtreffende +bekoorlijkheid. Haar tred was zoo licht, dat het oor hare nadering niet +vernam, en indien hare bezielde aanraking niet eene magische trilling +had doen ontstaan, zou zij ongemerkt, ongezocht voorbijgegleden +zijn. Een zonderlinge droefheid zetelde op hare gelaatstrekken, als +ijzige tranen op Decembers winterkleed, toen zij naar de strijdende +elementen daar buiten wees en mij verzocht de beide wezens, die daar +werden voorgesteld, te aanschouwen." [2] + +Deze nachtmerrie omvatte tien bladzijden schrifts en sloot met een +preek, wanhopig akelig voor de Anti-Presbyterianen, doch die den +eersten prijs behaalde en als de schoonste proeve van den avond +werd beschouwd. + +De burgemeester van St. Petersburg hield onder het overreiken van den +prijs aan haar, die hem behaald had, eene schitterende redevoering, +in welke hij betuigde, dat dit de welsprekendste rede was, die zijne +ooren ooit gehoord hadden en dat Daniel Webster zelfs er trotsch op +had kunnen zijn. + +In het voorbijgaan moet gezegd worden, dat de opstellen, welke +overvloeiden van het woord "heerlijk" als ook van de vergelijking +"menschelijke ondervinding," met "een bladzijde uit het leven," +het gemiddeld aantal overtrof. + +Thans schoof de meester, opgewonden tot aan luidruchtigheid toe, +zijn stoel op zijde, ging met den rug naar het publiek staan en begon +zijne aardrijkskundige lessen door op het bord eene kaart van Amerika +te teekenen. Doch hij maakte met zijne onvaste hand een figuur--en +er werd een onderdrukt gelach in de school gehoord. Hij wist wat er +aan haperde en deed zijn best om de fout te herstellen, veegde enkele +lijnen met de spons uit en maakte weder nieuwe. Helaas! zij werden +hoe langer hoe slechter en het gegiegel werd luider. Hij wijdde zijn +gansche aandacht aan het werk, alsof hij besloten had zich niet door +het publiek uit het veld te laten slaan. Hij voelde, dat aller oogen +op hem gevestigd waren, en verbeeldde zich dat het beter ging. En toch +hield het gegiegel aan, ja, het vermeerderde blijkbaar. En daartoe +was wel reden. Boven zijn hoofd was een vliering met een luik, en +uit dat luik, kwam een kat te voorschijn, welke men een touw om de +achterpooten gehecht had. Die kat had een doekje om den kop en de +kaken gebonden, on haar het miauwen te beletten. Terwijl zij langzaam +naar beneden sukkelde, kromde zij zich naar alle kanten, sloeg hare +klauwen om het touw, schommelde vervolgens naar de laagte en krabde +tegen de ontastbare lucht. Het gegiegel werd erger en erger: de kat was +omstreeks zes duim van des soezerigen meesters hoofd. Nog een weinig +later en zij greep met hare klauwen wanhopig naar des meesters pruik, +klemde zich daaraan vast en werd een oogenblik later weder tot de +vliering opgetrokken, met haar zegeteeken tusschen de pooten. En welk +een lichtgloed verspreidde zich toen van des meesters hoofd. Immers +de verversjongen had dat lichaamsdeel met verguldsel besmeerd. + +Met dit tooneel werd de vergadering gesloten. De jongens waren gewroken +en de vacantie was begonnen. + + + + +HOOFDSTUK XXIII. + + +Aangetrokken door de schitterende uniform der "Matigheids-Cadetten" +werd Tom lid der afdeeling van het nieuw opgerichte genootschap en +beloofde hij zich gedurende zijn lidmaatschap te onthouden van rooken +en vloeken. Bij deze gelegenheid ontdekte de knaap iets, waaraan hij +vroeger nooit gedacht had, namelijk--dat de aflegging der belofte om +iets _niet_ te doen, het beste middel is om iets te leeren doen. Tom +voelde zich door een nooit gekenden lust gekweld on te rooken en te +vloeken: ja, de begeerte werd zoo sterk, dat alleen de hoop om zijn +roode sjerp te vertoonen, hem er van terughield zijn lidmaatschap op +te zeggen. + +Het was 4 Juli toen hij tot den bond toetrad, en hij was nog geen +acht en veertig uren lid geweest of hij was gereed en gezind zich +van zijne boeien te ontslaan. Doch juist dien dag vernam hij, dat +de oude vrederechter ziek was en waarschijnlijk zou sterven. Zulk +een voornaam ambtenaar zou zeker met groote plechtigheid begraven +worden en dan had hij een kansje om in zijn uniform den stoet te +volgen. Drie dagen lang was Tom diep begaan met des rechters toestand +en vol verlangen naar tijding. Nu en dan klom zijn hoop zoodanig, +dat hij het waagde zijn sjerp uit de kast te halen en zich voor den +spiegel voor de groote gebeurtenis te oefenen. Doch de rechter bleef +wanhopig lang tusschen dood en leven dobberen en werd ten slotte +aan de betere hand en daarna voor hersteld verklaard. Tom was boos +en zeide onverwijld zijn lidmaatschap op. Helaas! dienzelfden nacht +stortte de rechter in en stierf. + +Tom besloot oude vrederechters nooit meer te vertrouwen. De +begrafenis was prachtig en de cadetten paradeerden op een wijze, +die er op toegelegd scheen om het vroegere lid van afgunst te doen +vergaan. Doch hij was vrij en kon weder naar hartelust rooken en +vloeken. En nu bemerkte hij tot zijne verwondering, dat hij er op +eens geene behoefte meer aan had. De wetenschap alleen, dat hij het +doen kon nam den lust en het genot er van weg. + +Tot Toms groote verbazing begon hij te bemerken, dat de lang gewenschte +vacantie wat vervelend werd. + +Hij beproefde een dagboek te maken, doch aangezien er de eerste drie +dagen niets merkwaardigs voorviel, gaf hij het op. Toen kwam het "Café +Chantant," der negerzangers in de stad en maakte sensatie. Dadelijk +werd er door Tom en Joe Harper een speel- en zanggezelschap opgericht +en de knapen vermaakten zich daarmede een paar dagen. Zelfs de +dag van den intocht des nieuwen Senators mislukte gedeeltelijk, +omdat het hard regende. Dientengevolge was er geen optocht,--en +zelfs in den grootsten man der wereld (naar het oordeel van Tom), +den heer Beuton, een wezenlijken Senator van de Vereenigde Staten, +werd hij bitter teleurgesteld, want deze bleek op geen stukken na +vijf en twintig voet lang te zijn. + +Toen kwam er een paardenspel. De jongens speelden drie dagen "cirque", +in tenten van lompen en oude tapijten, met toegangskaarten van drie +centen en twee voor meisjes, en daarna werd het paardenspel opgegeven. + +Eindelijk kwam er een buikspreker en een goochelaar--die weder +vertrokken en het stadje achterlieten somberder en droeviger dan ooit. + +Ook werden er enkele kinderpartijen gegeven, doch zij waren zoo +zeldzaam en zoo heerlijk, dat de pijnlijke leemte tusschen de eene +visite en de andere er te meer om werd gevoeld. + +Becky Thatcher was naar huis gegaan, naar Konstantinopel, om de +vacantie bij hare ouders door te brengen: dus was er nergens een +zonnestraaltje te vinden. Daarbij kwam nog het vreeselijk geheim van +den moord, dat eene slepende ellende bleef voor den armen knaap. + +Midden in de vacantie vertoonde zich de mazelen-epidemie en Tom was +twee weken lang een gevangene, dood voor de wereld en hetgeen daarin +voorviel. Hij was zeer ziek en stelde nergens belang in. Toen hij +eindelijk weder buiten mocht komen en zachtjes de stad doordrentelde, +scheen alles en elk schepsel een treurige verandering ondergaan te +hebben. Er was een straatprediker geweest, die de menschen bekeerd +had, niet alleen de volwassenen, maar zelfs de kleine jongens en +meisjes. Tom ging de stad rond in de hopelooze hoop van ten minste +een enkel zondig gezicht tegen te komen, doch overal wachtte hem +teleurstelling. Hij vond Joe Harper verdiept in de studie van het +Nieuwe Testament en hij wendde zich droevig van dit drukkend schouwspel +af. Hij zocht Ben Rogers en vond hem aan het bezoeken van armen, +met een mandje met traktaatjes, als eene waarschuwing tot bekeering, +bij zich. Hij spoorde Jim Hollis op, die hem wees op de zegen van de +mazelen. Iedere jongen, dien hij tegenkwam, bracht een dosis tot zijn +toestand van neerslachtigheid toe, en toen hij in wanhoop eindelijk +zijn toevlucht nam tot Huckleberry Finn en ook door hem met eene +aanhaling uit de Schrift ontvangen werd, brak hem het hart en sloop +hij naar zijn bed en maakte zich wijs, dat hij de eenige in de stad +was, die voor eeuwig, eeuwig was verloren. + +Juist dien nacht kwam er een vreeselijke storm met slagregen, +ontzettende donderslagen en verblindende bliksemstralen. Tom kroop +onder de dekens en wachtte in een akelige onzekerheid zijn doemvonnis +af: immers hij was volkomen overtuigd, dat dit woeden der elementen +om zijnentwil geschiedde. Hij geloofde, dat hij de verdraagzaamheid +der bovenaardsche machten getart had, meer dan zij dragen konden, en +dat dit er het gevolg van was. Het zou hem wel vreemd voorgekomen zijn +als zooveel vertooning en geschut was aangewend om een mug te dooden, +doch hij vond het heusch niet ongerijmd, dat er zulk een onweder was +ontstaan om een worm als hij te vernietigen. + +Langzamerhand bedaarde de storm en verdween, zonder zijn voornemen te +hebben ten uitvoer gebracht. De eerste aandrang van den knaap was, +dankbaar te zijn en zich te verbeteren. De tweede was, te wachten: +immers er mochten nog eens meer stormen komen. + +Den volgenden dag stond de dokter opnieuw voor zijn bed. Tom was weder +ingestort. De drie volgende weken, die hij op zijn rug doorbracht, +schenen eene eeuwigheid. Toen hij eindelijk weder buiten kwam, was +hij nauwlijks dankbaar dat hij gespaard was gebleven, daar hij immers +verlaten en van makkers beroofd was. Hij zwierf lusteloos door de +straat en vond Jim Hollis voor rechter spelende in een gerechtshof +van jongelieden, die een kat wegens moord hadden aangeklaagd, in de +tegenwoordigheid van haar slachtoffer, een vogel. Daarna zag hij +Joe Harper en Huck Finn, die in plaats van de Schriften te lezen, +bezig waren een gestolen meloen op te muizen. Arme knapen, ook zij +waren weder ingestort! + + + + +HOOFDSTUK XXIV. + + +Eindelijk kwam er beweging in de droomerige atmosfeer--en +geweldige beweging ook. De zaak van den moord zou voorkomen bij +het Gerechtshof. Natuurlijk werd deze zaak het onderwerp van alle +gesprekken; ook in Toms kring werd er druk over gesproken. Maar +telkens, als het woord genoemd werd, voer hem eene rilling door de +leden en hij verbeeldde zich in zijn angst, dat er voorbedachtelijk +zoo gedurig in zijne tegenwoordigheid over gesproken werd, om te +zien of hij er ook iets mede te maken had. Ofschoon hij zeker wist, +dat niemand eenig vermoeden omtrent zijne bekendheid met de misdaad +kon hebben, voelde hij zich toch onder die praatjes niet op zijn +gemak. Hij stierf elken dag duizend dooden en nam eindelijk Huck met +zich naar eene eenzame plaats om de zaak met hem te bepraten. Het +zou eene verlichting wezen, eens even zijn tong vrij te laten en den +lijdenslast met een lotgenoot te deelen. Bovendien wilde hij er zich +van overtuigen, dat Huck gezwegen had. + +"Huck, heb je nooit iemand daarover gesproken?" + +"Waarover?" + +"Dat weet je wel!" + +"O, natuurlijk niet." + +"Nooit een woord?" + +"Nooit een enkel woord.--Waarom vraag je dat?" + +"Wel, ik was er bang voor." + +"Maar Tom Sawyer! Wij zouden geen vier en twintig uur meer geleefd +hebben, als het ontdekt was. Dat weet je immers wel." + +Tom werd kalmer. Na een pauze hernam hij: + +"Huck, je zoudt je immers door niets, noch door iemand laten ompraten." + +"Laten ompraten? Wel, als ik zin krijg om me door dien duivel van +een kleurling te laten verzuipen, dan zal ik me laten ompraten." + +"Nu, dan is het in orde. Ik geloof, dat we veilig zijn, zoolang we +zwijgen. Doch laat ons voor de securiteit nog eens zweren." + +"Best." + +Dus zwoeren de knapen ten tweede male met dure eeden. + +"Wat zeggen de menschen toch, Huck? Ik heb er nog zoo weinig van +gehoord." + +"Zeggen! 't Is Muff Potter en 't blijft Muff Potter. Het koude zweet +staat mij op 't voorhoofd, als ik het hoor, en ik zou wel onder den +grond willen kruipen." + +"Zoo gaat het mij ook. Ik weet, dat hij er om koud is.--Heb je niet +somtijds medelijden met hem?" + +"Ja, dag en nacht. 't Is wel geen beste, die Muff Potter, maar hij +heeft nooit iemand kwaad gedaan. Hij bedelt wel eens langs de straat +om geld te krijgen voor drank en hij loopt ook te luieren, maar o, +Heertje, dat doen we allemaal, ten minste de meesten, vooral de +dominees en dat slag van volk. Maar hij is een goede kerel, want +hij heeft me eens de helft van zijn visch gegeven, terwijl hij zelf +nog honger had; en ik weet niet hoeveel maal hij mij geholpen heeft, +als ik in de knijp zat." + +"En voor mij heeft hij oude vliegers opgelapt, Huck, en vischnetten +gebreid. Ik wou, dat ik hem uit de kast kon krijgen." + +"We kunnen er hem niet uit krijgen, Tom; en 't zou hem niet veel baten, +want ze zouden hem er wel gauw weder inpakken." + +"Ja, dat zouden zij. Maar ik vind het akelig om hem zoo duivelsch +valsch te hooren beschuldigen van iets, dat hij niet gedaan heeft." + +"Ik ook, Tom. Ik heb ze hooren zeggen, dat hij de gemeenste schurk +uit het land was en dat het een wonder is, dat hij niet eerder +gehangen werd." + +"Ja, zoo praten zij. Ik heb hooren zeggen, dat, als hij vrij kwam, +zij hem zouden _lynchen_ [3]--en dat zouden zij doen ook." + +De jongens praatten nog een tijdlang op deze wijze voort, doch het +gesprek bracht hun weinig troost aan. Tegen schemeravond stonden zij +voor de kleine eenzame gevangenis, wellicht met een vage hoop in het +hart, dat er iets zou gebeuren, waardoor hunne moeielijkheden uit +den weg zouden worden geruimd. Doch er gebeurde niets; de engelen en +feeën schenen zich het lot van dezen ongelukkige niet aan te trekken. + +Tom en Huck deden dien avond wat zij al menigmaal hadden gedaan; +zij zetten zich voor het tralievenster der cel neder en gaven Potter +wat tabak en een paar zwavelstokken. Daar de gevangene in een laag +hok lag en door geen schildwachten werd bewaakt, konden zij hem deze +kleine giften zonder moeite toereiken. + +Zijne dankbaarheid voor hunne geschenken had hen altijd pijnlijk +aangedaan,--doch ditmaal trof zij hen meer dan ooit. Zij vonden +zichzelven onuitsprekelijk laf en valsch, toen Potter zeide: + +"Jelui bent almachtig goed voor me geweest, jongens, beter dan +iemand anders in de geheele stad, en ik zal het nooit, nooit +vergeten. Dikwijls zeg ik tot mijzelven: 'Ik placht al de vliegers en +dingen voor de jongens in orde te maken en hen te wijzen waar de beste +visch te vangen was en hun pleizier te doen zooveel ik kon, en thans, +nu hij in nood is, hebben zij allen den ouden Muff vergeten--allen +behalve Tom en Huck. Die vergeten hem niet,' zeg ik, en ik vergeet +hen niet. Wel jongens, ik heb een vreeselijke misdaad gepleegd, +in mijne dronkenschap,--anders begrijp ik niet, hoe ik het gedaan +kon hebben,--en nu moet ik er voor hangen, en dat is maar goed, ja, +'t beste wat ze met mij doen kunnen. Doch daar zullen wij niet verder +over spreken. Ik wil jelui niet akelig maken, daarvoor ben jelui te +goed voor mij geweest! Maar wat ik zeggen wou, is dit: drinkt nooit +te veel, en jelui zult nooit hier komen. Ga een beetje dichter bij +het raam staan, dan kan ik jelui beter zien; 't is zoo'n troost, +vriendelijke gezichten te zien, als men zich zoo diep ellendig +voelt,--en ik zie ze hier nooit, behalve die van jelui. Goede, +vriendelijke gezichten. Goede, vriendelijke gezichten! Gaat op +elkanders rug staan en geef mij de hand; uwe handen kunnen wel door de +tralies doch de mijne niet, die zijn te groot. Kleine, teere handjes, +die Muff Potters last verlicht hebben en welke, als ze maar konden, +dien wel heelemaal zouden wegnemen!" + +Tom ging dien avond diep rampzalig naar huis en werd den ganschen nacht +door afgrijselijke droomen gekweld. De twee volgende dagen was hij +al vroeger op straat en en bleef hij om de zaal van het gerechtshof +heen zweven, naar welk gebouw hij onwederstaanbaar gedreven werd, +ofschoon hij al zijne krachten inspande om zich te dwingen er vandaan +te blijven. Huck ondervond hetzelfde en de beide knapen vermeden +elkander opzettelijk. Soms liepen zij voor een oogenblik weg, doch +dezelfde vreeselijke betoovering dreef hen altijd weder naar het gebouw +terug. Telkens spitste Tom de ooren, wanneer er een leeglooper de zaal +in- of uitslenterde, doch hij hoorde onveranderlijk treurig nieuws; +het net werd hoe langer hoe dichter om den armen Potter toegehaald. Aan +den avond van den tweeden dag liep in het stadje het gerucht dat het +feit door Injun Joe's verklaring volkomen was bewezen en dat er geen +twijfel meer bestond omtrent de uitspraak der jury. + +Tom kwam laat in den avond tehuis en klom door het venster in zijne +slaapkamer. Hij was in een staat van vreeselijke opgewondenheid +en uren verliepen, eer hij den slaap kon vatten. Den volgenden +morgen liep de gansche stad uit naar het Hof, want dit was de groote +dag. De beide geslachten waren gelijkelijk in dit zich opeenhoopend +publiek vertegenwoordigd. Na lang op zich te hebben laten wachten, +kwam de jury binnen en nam haar zetels in. Kort daarop werd Potter +geboeid binnengebracht. Hij zag er bleek en ontdaan uit en werd +zoo geplaatst, dat al de nieuwsgierige oogen hem konden zien. Niet +minder viel Injun Joe in 't oog, verstaald als altijd. Na eene kleine +pauze kwam de voorzitter binnen en de sherif verklaarde de zitting +voor geopend. Daarop volgde het gewone gefluister onder de leden +der balie en het bijeenverzamelen der stukken. Deze bijzonderheden +en het haar vergezellend oponthoud brachten niet weinig bij om het +indrukwekkende dezer bijeenkomst te verhoogen en de vergadering in +de grootste spanning te brengen. Nu werd er een getuige voorgeroepen +die verklaarde, dat hij Muff Potter in den vroegen morgen van den +dag, waarop de moord ontdekt was, zich in een beek had zien wasschen +en onmiddellijk daarop door het kreupelhout wegsluipen. Nadat dien +getuige enkele vragen gedaan waren, zeide de openbare aanklager; + +"Hebt gij den getuige nog verder iets te vragen?" + +De gevangene hief een oogenblik de oogen op, doch sloeg ze terstond +weder neer, toen zijn verdediger zeide: + +"Ik heb hem geene vragen te doen." + +De volgende getuige deelde mede, dat er een mes bij het lijk gevonden +was. Op de vraag, of hij dezen ook iets te vragen had, antwoordde de +advocaat van Potter: + +"Ik heb ook dezen niets te vragen." + +Het publiek begon teekenen van ontevredenheid te geven.--Was deze +advocaat van plan zijn cliënt het leven te doen verliezen, zonder +een enkele poging te wagen om hem te redden? + +Verscheidene getuigen legden verklaringen af omtrent de schuld +verradende houding van Potter, toen hij op de plaats waar de moord +gepleegd was, gebracht werd. Zij mochten allen aftrekken zonder +kruisvragen te ondergaan. + +Al de bezwarende omstandigheden, welke in dien morgen op het kerkhof +hadden plaats gegrepen en die de aanwezigen zich zoo goed wisten te +herinneren, werden door geloofwaardige getuigen gestaafd, maar tot +geen hunner werd door Potters verdediger een vraag gericht. + +De verslagenheid en ontevredenheid van het publiek uitte zich in een +dof gemompel en gaf aanleiding tot eene berisping van de zijde van +den voorzitter. De woordvoerder voor de beschuldiging zeide daarop: + +Door de beëedigde getuigenissen van burgers, wier geloofwaardigheid +boven alle verdenking verheven is, hebben wij het onweerlegbaar +bewijs geleverd, dat de ongelukkige gevangene, die in gindsche bank +gezeten is, het vreeselijk misdrijf heeft bedreven. Onze taak is +hiermede geëindigd. + +Een kreet ontsnapte den armen Potter en hij sloeg zijne handen voor +het gelaat en bewoog zich onrustig op zijne plaats, terwijl er in de +gerechtszaal een pijnlijk stilzwijgen heerschte. Vele mannen waren +bewogen en menige vrouw gaf door tranen van medelijden blijk. + +De verdediger stond op en sprak: + +"Mijnheer de Voorzitter! + +"Toen wij bij het begin der behandeling van dit geding ons enkele +aanmerkingen over de zaak veroorloofden, hebben wij gezegd, dat wij +zouden trachten aan te toonen, dat onze cliënt bij het plegen dezer +ontzettende daad handelde in een toestand van waanzin, ontstaan uit +misbruik van sterken drank, die zijne aansprakelijkheid uitsloot. Wij +zijn op dat voornemen teruggekomen; die verdediging zullen wij niet +voeren." (En toen tot den deurwaarder) "Roep Thomas Sawyer." + +De grootste verbazing teekende zich op ieders gelaat, dat van Potter +niet uitgezonderd. Aller oogen wendden zich vol bevreemding en +belangstelling op Tom, toen deze opstond en in het getuigenbankje +plaats nam. De knaap zag er bleek en doodelijk verschrikt uit. De +eed werd hem afgenomen. + +"Tom Sawyer, waar zijt gij den zeventienden Juni, omstreeks middernacht +geweest?" + +Tom keek naar het verstaalde gezicht van Injun Joe en zijne tong +weigerde hare diensten. Het publiek luisterde met ingehouden adem, +doch de woorden wilden niet komen. Na een paar minuten echter kwam de +ontstelde knaap eenigermate tot zich zelven en trachtte hij zijne stem +te verheffen, om zich door de aanwezigen te doen verstaan en zeide: + +"Op het kerkhof!" + +"Een weinig luider, als 't u belieft. Wees niet bang.--Gij waart....?" + +"Op het kerkhof!" + +Eene minachtende glimlach speelde om de lippen van Injun Joe. + +"Waart gij in de nabijheid van het graf van Hoss Williams?" + +"Ja, mijnheer." + +"Spreek nog iets luider. Hoe dicht waart ge er bij?" + +"Zoo dicht, als ik thans bij u sta." + +"Hieldt gij u verborgen of niet?" + +"Verborgen, mijnheer." + +"Waar?" + +"Achter de olmboomen, aan den rand van het graf." + +Injun Joe deinsde onwillekeurig achteruit. + +"Hadt gij niemand bij u?" + +"Ja, mijnheer. Ik was daar met..." + +"Wacht, wacht een oogenblik. Gij behoeft den naam van uw makker niet +te noemen. Wij zullen hem te zijner tijd voorbrengen. Hadt gij iets +bij u?" + +Tom aarzelde en keek verlegen voor zich. + +"Spreek vrij uit, mijn jongen;--wees niet bedeesd. 't Is altijd braaf +on de waarheid te spreken. Wat hebt gij mede naar het kerkhof genomen?" + +"Niets dan een--een doode kat!" + +Voor een oogenblik verhief zich zulk een luid glimlach onder de +menigte, dat de voorzitter den hamer moest gebruiken. + +"Nu, mijn jongen, vertel ons al wat er is voorgevallen. Zeg het in +uw eigen taal;--sla niets over en wees niet bang." + +Tom begon. Eerst aarzelend, doch naarmate hij zich warmer over het +onderwerp maakte, vloeiden zijne woorden met grooter gemak, en het +duurde niet lang of er werd geen geluid gehoord dan dat van zijne +stem. Aller oogen waren op hem gericht en met open mond en ingehouden +adem hing het publiek aan zijne lippen, ontzet door het verhaal van +de afgrijselijke geschiedenis. De hooggespannen aandacht bereikte +haar toppunt, toen de jongen zeide: + +"En toen de dokter de plank opnam en Muff Potter viel, sprong Injun +Joe met het mes op hem toe en...." + +Krak! Sneller dan de bliksem vloog de kleurling door een raam, duwde +allen die hem trachten tegen te houden terug en was verdwenen. + + + + +HOOFDSTUK XXV. + + +Tom was ten tweede male de held van den dag,--het troetelkind der +ouden van dagen, het voorwerp van afgunst der jeugd. Zijn naam werd +zelfs door de drukpers onsterfelijk gemaakt, want hij werd eervol in +het "Peterburgsche blaadje" vermeld. Er waren er zelfs, die in hem, +indien hij aan de galg ontkwam, een toekomstigen President zagen. + +Zooals dat gewoonlijk gaat, koesterde de veranderlijke, onredelijke +wereld Muff Potter aan haar hart en vertroetelde hem even dwaas +als zij hem te voren had beschimpt. Doch aangezien deze gewoonte de +menschheid eer tot lof dan tot blaam strekt, zou het onheusch zijn +er haar een verwijt van te maken. + +De eerstvolgende dagen waren voor Tom een tijdperk van onvermengd +genot, maar zijne nachten waren vreeselijk. Het beeld van Injun Joe +vervolgde hem in zijn droomen en de moordenaar stond gedurig voor +hem, met verdelging in zijn oog. De knaap was er voor geen geld toe +te bewegen om na zonsondergang de deur uit te gaan. De arme Huck +verkeerde in denzelfden toestand van ellende en schrik, want Tom +had den avond voor den rechtsdag de geheele geschiedenis aan den +pleitbezorger verteld, en Huck was doodbang dat het uitlekken zou, +dat ook hij in de zaak betrokken was, ofschoon de vlucht van Injun +Joe hem de marteling gespaard had van op 's Hofs zitting getuigenis +te moeten afleggen. + +Sedert Toms bezwaard geweten hem in den laten avond naar het huis van +den advocaat gedreven had en deze het huiveringwekkend verhaal had +ontwrongen aan lippen, die door de vreeselijkste en geheimzinnigste +eeden gesloten waren geweest, had Huck zijn vertrouwen in de menschheid +voor eeuwig verloren. Zoolang het daglicht scheen, maakte Muff Potters +dankbaarheid Tom blijde dat hij gesproken had; maar zoodra de avond +was gedaald, zou hij om alles gewild hebben dat zijn mond gesloten +was gebleven. Het eene oogenblik bekroop hem de vrees, dat Injun Joe +nooit gevat zou worden, en het andere beefde hij bij de gedachte dat +het wel zou gebeuren. Het was hem alsof hij niet weder vrij zou ademen, +voordat die man dood was en hij zijn lijk had gezien. Geldsommen waren +uitgeloofd, men had het land doorkruist, doch er werd geen Injun Joe +gevonden. Op zekeren dag kwam er uit St Louis een van die alwetende, +ontzagwekkende wonderen in menschengedaante, een agent van de geheime +politie, hoofdschuddend en met een voornaam gezicht te St Peterburg +en maakte dien kolossalen opgang, welke leden van dat verheven lichaam +altijd maken. Hij kwam zeggen dat hij den "sleutel" gevonden had. Doch +aangezien men geen "sleutel" wegens moord kon ophangen, bracht het +bezoek van den grooten man weinig licht aan en voelde Tom zich al even +bezwaard als vroeger. De eene dag voor en de andere na ging voorbij, +zonder dat hem het drukkend wicht van den angst werd afgenomen. + + + + +HOOFDSTUK XXVI. + + +Er komt een tijd in elk wel ingericht jongensleven, dat hij door eene +vurige begeerte wordt aangegrepen om ergens een verborgen schat te +gaan zoeken. Dat verlangen bekroop plotseling Tom. Hij stapte de deur +uit om Joe Harper op te zoeken, doch zonder baat. Toen ging hij naar +Ben Rogers; helaas! deze was visschen. Weldra echter liep hij Huck +tegen 't lijf en de beruchte straatjongen stond hem te woord. Tom +nam hem met zich naar een eenzame plaats en deelde in vertrouwen zijn +voornemen mede. Huck werd bereid gevonden; hij had gaarne de hand in +elke onderneming, welke genot beloofde en geen geld kostte, daar hij +een lastigen overvloed van die soort van tijd had, die _geen_ geld is. + +"Waar zullen wij graven!" vroeg Huck. + +"O, overal!" + +"Zoo, zijn dan overal schatten begraven?" + +"Neen, waarachtig niet. Zij zijn meestal op allervreemdste plaatsen +verborgen, Huck;--somtijds op eilanden en ook wel in verrotte +kisten, onder een tak van een ouden dooden boom op welken de maan te +middernacht haar schaduw werpt. Doch doorgaans vindt men ze veel in +den grond onder spookhuizen." + +"Wie verstopt ze?" + +"Wel de roovers natuurlijk.--Wie anders, denk je. De catechiseermeester +van de zondagsschool?" + +"Ik weet het zoo niet. Indien ik een schat had, zou ik hem niet +verstoppen: ik zou er hem doorlappen om een lekker leventje te hebben." + +"Ik ook; maar roovers doen dat niet; zij verbergen hem en laten hem +waar hij is." + +"Komen zij hem nooit halen?" + +"Neen; zij hebben er wel plan op, maar zij vergeten doorgaans de +plaats, waar zij hem verstopt hebben, of zij gaan dood. Hoe dan ook, +hij blijft lang onder den grond liggen en begint te roesten; en in +verloop van tijd vindt de een of ander een oud geel stukje papier, +dat hem zegt waar de schat begraven is;--een papiertje dat men in +een week niet ontcijferen kan, omdat het schrift enkel uit teekens +en hiëroglyphen bestaat." + +"Hiëro... wat?" + +"Hiëroglyphen! Dat zijn prentjes en dingen, schijnbaar zonder +beteekenis." + +"Heb jij ook van die papiertjes, Tom?" + +"Neen." + +"Hoe kun je dan de teekenen uitvinden?" + +"Wel, ik heb geen teekenen noodig. Schatten worden ook wel onder +een spookhuis begraven of op een eiland, of onder een dooden boom +met vooruitstekende takken. Wij hebben het op Jacksons Island al +zoo wat geprobeerd en nu kunnen wij weer ergens anders aan den gang +gaan. Daar heb je bij voorbeeld het oude spookhuis, Hill-House Branch, +en verder zijn er een menigte boomen met doode takken." + +"Vindt men ze onder alle?" + +"Wat praat je toch! Natuurlijk niet!" + +"Hoe weet je dan onder welke je moet zoeken?" + +"Wij moeten ze alle uitgraven." + +"Maar, Tom, dan kunnen wij den geheelen zomer wel aan den gang +blijven!" + +"Wat kan dat schelen? Verbeeld je, dat we eens een koperen pot +vinden met honderd roestige dollars er in, of een verrotte kist met +diamanten. Wat zou je daarvan zeggen?" + +Hucks oogen glinsterden. + +"Dat is zat, meer dan zat voor mij. Geef mij de honderd dollars, +dan mag jij de diamanten houden!" + +"Afgesproken! De diamanten zijn lang niet te verwerpen. Sommigen zijn +twintig dollars het stuk waard. Er zijn er haast geen, die je onder +de zes verkoopen kunt." + +"Wezenlijk? Is dat zoo?" + +"Zeker; dat weet iedereen. Heb je er nooit een gezien, Huck?" + +"Niet, dat ik mij herinner!" + +"O, de koningen hebben ze bij menigte." + +"Maar ik ken geen enkelen koning, Tom." + +"Dat wil ik wel gelooven. Hier zijn geen koningen; maar als je eens +naar Europa gingt, zou je er een mud in het rond zien springen." + +"Springen zij?" + +"Springen,--eend! Wel neen!" + +"Wel, waarom zeg je het dan?" + +"Och, ik bedoelde alleen maar, dat je ze zien zoudt,--maar niet zien +springen, natuurlijk niet. Waarom zouden zij dat doen? Ik meen, dat +je er den grond mede bezaaid zoudt zien, evenals bij dien Richard +den Bultenaar." + +"Richard ...? Hoe heet hij nog meer?" + +"Hij heeft geen anderen naam. Koningen hebben alleen maar één voornaam. + +"Zoo?" + +"Zeker, zoo is 't." + +"Nu, als ze dat prettig vinden, laten ze hun gang gaan. Ik zou geen +koning willen zijn, om alleen maar één voornaam te hebben, evenals +de nikkers.--Maar zeg, waar ga je eerst graven?" + +"Dat weet ik nog niet. Zullen wij eerst beginnen onder dien ouden +dooden tak op den heuvel, aan de overzijde van Hill-House Branch?" + +"Akkoord." + +De knapen wisten een gebrekkige bijl en een schoffel machtig te worden +en ondernamen de voetreis van anderhalf uur. Zij kwamen bezweet en +hijgend aan en legden zich onder de schaduw van een olmboom neder om +uit te rusten en een pijp te rooken. + +"Het bevalt mij," zei Tom. + +"Mij ook," antwoordde Huck. + +"Zeg eens, Huck, als wij hier den schat vinden, wat doe jij dan met +jouw aandeel?" + +"Ik? Ik koop elken dag een pastei en een glas sodawater en ik ga +naar elk paardenspel dat hier in de buurt komt. Ik verzeker je, +dat ik het er van nemen zal." + +"Zou je er niets van opsparen?" + +"Opsparen? Waarvoor zou dat dienen?" + +"Om wat te hebben om later van te leven." + +"O, dat hoeft niet, als ik dat deed, zou Pop op een goeden dag +terugkomen en er zijne klauwen op zetten, om er spoedig een eind aan +te maken.--Wat doe jij met jouw part?" + +"Ik koop een nieuwe trom, een sabel, een roode das, een groote +poppenkast--en ik ga trouwen." + +"Trouwen?" + +"Ja zeker." + +"Tom, ben je mal, of wat scheelt je?" + +"Wacht maar: je zult het zien gebeuren." + +"Hemel, dat is nu het gekste ding, dat je doen kunt. Denk maar eens +aan Pop en mijne moeder; ze deden niets dan vechten. Ik herinner mij +dat als den dag van gisteren." + +"Dat doet er niet toe. Het meisje, waarmede ik ga trouwen, zal niet +vechten." + +"Tom, ik geloof dat zij allen hetzelfde zijn. Je kunt ze allen over +één kam scheeren. Ik zou me, als ik jou was, nog eens bedenken eer +ik dat deed. Ik zeg je, dat het je berouwen zal. Hoe heet die meid?" + +"'t Is geen meid;--'t is een meisje." + +"Dat is hetzelfde; sommigen zeggen meid en anderen meisje. 't Is +allebei goed. Hoe is haar naam?" + +"Ik zal hem je later zeggen; nu nog niet." + +"Ook al goed. Alleen als je gaat trouwen, zal ik verlatener zijn +dan ooit." + +"Neen, dat zul je niet, want je zult bij ons komen inwonen. Laat ons +nu maar spoedig opstaan en aan het graven gaan." + +Zij werkten een half uur in het zweet hun aanschijns, doch zonder +gevolg. Zij zwoegden nog een half uur, weder zonder baat. Toen +zeide Huck: + +"Worden die schatten altijd zoo diep begraven als deze?" + +"Somtijds, niet altijd. Meestal niet. Ik geloof, dat wij op de +verkeerde plaats zijn." + +Zij kozen daarom een andere plek uit en begonnen weder. De arbeid +ging wat langzamer, doch zij maakten toch vorderingen en hielden het +zwijgend eenigen tijd vol. Eindelijk ging Huck op zijne spade leunen, +veegde zich met zijn mouw de parelen zweet van het voorhoofd en zeide: + +"Waar ga je graven, wanneer wij door dezen boom heen zijn?" + +"Dan konden wij den ouden boom bij Cardiff Hill, achter het huis van +de weduwe wel eens opdelven." + +"Dat zal wel een goede zijn. Maar zal de weduwe ons den schat niet +afnemen, Tom? 't is op haar land." + +"Zij hem ons afnemen? Laat zij 't eens probeeren. Al wie een verborgen +schat vindt, mag hem houden. Het doet er niet toe op wiens land +het is." + +Huck was met dit argument tevreden. De arbeid werd +voortgezet. Eindelijk zeide Huck: + +"Verduiveld, wij zijn zeker weer op de verkeerde plaats. Wat denk +jij ervan?" + +"Het is erg vreemd, Huck. Ik begrijp het niet. Soms komen er wel eens +heksen tusschenbeide. Ik denk, dat dit nu het geval is." + +"Onzin! Heksen kunnen niets doen bij daglicht." + +"Ja, dat is waar ook. Daar dacht ik niet aan. O, ik weet al wat het +is. Wat zijn wij toch uilskuikens! Wij moeten zien te ontdekken, op +welken tak tegen middernacht de schaduw van de maan valt, en onder +dien tak graven." + +"Vervloekt! dus hebben wij monnikenwerk gedaan. Nu zullen wij van nacht +terugkomen. 't Is een verduiveld lange weg. Kun jij de deur uitkomen?" + +"Ik denk het wel. Wij moeten het van nacht doen ook, want als iemand +deze gaten ziet, zal hij het dadelijk begrijpen en zelf gaan zoeken." + +"Goed, dan zal ik van nacht weer komen miauwen." + +"Best. Laat ons de spaden zoolang in het kreupelbosch verbergen." + +De knapen waren ter bestemder tijd op de afgesproken plaats en zaten +in de schaduw van den boom te wachten. Het was een eenzaam oord en +eene van oudsher plechtige ure. Geesten fluisterden door de ruischende +bladeren, spoken loerden in sombere hoeken, het holklinkend geblaf van +een hond werd in de verte gehoord en door een uil met zijne grafstem +beantwoord. De knapen waren geheel onder den indruk dezer ernstige +zaken en spraken bijna geen woord. Na een poosje meenden zij, dat het +wel twaalf uren zou zijn; zij gaven nauwkeurig acht op de schaduwen en +gingen aan het graven. De hoop begon in hun hart te herleven; hunne +belangstelling werd grooter en hun vlijt hield daarmede gelijken +tred. Het gat werd al dieper en dieper en telkens, wanneer de bijl +op iets hards sloeg, sprong hun hart op van vreugde. Doch de eene +teleurstelling volgde de andere. Het was nooit iets anders dan een +steen of een paar stukken van beenderen. Eindelijk zeide Tom: + +"Het zal niet baten Huck; wij zijn alweer aan den verkeerden boom." + +"Maar wij kunnen niet verkeerd zijn: wij hebben precies de beschaduwde +plek genomen." + +"Dat weet ik wel, maar er is iets anders." + +"Wat dan?" + +"Dat wij naar den tijd geraden hebben. Waarschijnlijk was het te laat +of te vroeg." + +Huck liet zijn schop vallen. + +"Daar zul je het hebben," zeide hij. "Dat is het vervelende ervan. Wij +kunnen nooit het juiste oogenblik bepalen, en buitendien, 't is hier +al te griezelig om dezen tijd van den nacht, met ronddolende spoken +en geesten. Ik heb een gevoel, alsof er voortdurend iets achter mij +staat, en ik durf mij nauwelijks omkeeren, omdat er anderen achter +mij kunnen zijn, die hun kans afwachten. Ik heb gebeefd als een riet, +zoolang ik hier gestaan heb." + +"Ik ook, Huck. Zij leggen meestal een dooden man in den kuil, onder +den boom waarin zij een schat geborgen hebben." + +"Hemelsche vader!" + +"Ja, dat doen zij. Dat heb ik altijd gehoord." + +"Tom, ik houd er niet van, om in de buurt van doode menschen te +zwerven. Je hebt er altijd min of meer last van." + +"Ik ben er ook niet voor om ze aan den gang te maken, Huck. Verbeeld +je eens, dat er zijn schedel opstak en begon te praten." + +"Spreek er niet van, Tom; 't is te vreeselijk." + +"Gij hebt gelijk, Huck. Ik voel mij niets op mijn gemak." + +"Zeg eens Tom, zullen wij deze plaats opgeven en het ergens anders +gaan beproeven?" + +"Goed. Ik geloof ook dat het beter zal zijn. Waar moeten we nu heen?" + +Tom bedacht zich een oogenblik en zeide toen: + +"Naar het spookhuis." + +"Dank je; ik houd niet van spookhuizen, Tom. Daar zie je gezichten +nog akeliger dan die van doode menschen. Lijken mogen praten, maar ze +schuiven niet, als je er niet op verdacht bent, langs je heen in een +lijkkleed, om over de schouders te kijken, en ze kunnen ook niet met +hunne tanden knarsen, zooals een spook doet. Ik zou het besterven, +Tom--en iedereen met mij." + +"Ja maar, Huck, spoken sluipen alleen 's nachts rond; zij zullen ons +over dag het graven niet beletten." + +"Dat kan wel zijn. Maar je weet net zoo goed als ik, dat de menschen +bij dag zoo min als bij nacht in de buurt van het spookhuis komen." + +"Dat is omdat zij niet gaarne naar eene plaats gaan, waar een mensch +vermoord is. Maar er is eigenlijk 's nachts nooit iets om dat huis +gezien,--behalve een blauw licht bij het raam, doch geen echte spoken." + +"Wel, daar waar blauwe lichten dwarrelen, kun je er op aan dat geesten +zijn. Dat is zoo zeker als iets, en iedereen weet, dat niemand dan +geesten ze gebruiken." + +"Ja, dat is zoo. Maar zij komen nooit over dag; daarom behoeven wij +niet bang te zijn." + +"Nu, goed dan; wij zullen bij het spookhuis gaan graven, als jij het +wilt. Maar ik zeg je, dat je vrijwillig in gevaar loopt." + +Zij waren thans aan den voet van den heuvel. Daar, midden in de +door de maan verlichte vallei, stond het spookhuis, geheel verlaten, +met een vermolmd houten hek en welig, tot aan den drempel groeiend +onkruid en met een bouwvalligen schoorsteen, ledige raamkozijnen en +gaten in het dak. + +De knapen bleven een oogenblik staan kijken, half verwachtend een blauw +licht bij het venster te zien bewegen. Zij spraken op fluisterenden +toon, zooals bij den tijd en de omstandigheden paste, weken een +eindweegs ter rechterzijde af, om de ligging van het spookhuis op +te nemen, en begaven zich toen huiswaarts, door de bosschen die de +achterzijde van Cardiff Hill versierden. + + + + +HOOFDSTUK XXVII. + + +Den volgenden dag, tegen twaalf uren, stonden de knapen bij den dooden +boom om hun gereedschap te halen. Tom brandde van verlangen om naar +het spookhuis te gaan. Huck was minder opgewonden en zeide: + +"Zeg eens, Tom: weet jij wat dag het is?" + +Tom doorliep in gedachten de dagen der week en hief toen verschrikt +de oogen op. + +"Hemel, ik heb er in 't geheel niet aan gedacht, Huck." + +"Ik ook niet, maar op eens schoot het mij te binnen, dat het wel +Vrijdag kon zijn." + +"Bewaar me; een mensch kan niet te voorzichtig wezen. Wij konden er +wel eens inloopen, door zoo iets op Vrijdag aan te vangen." + +"Konden! Zeg liever zouden. Er zijn misschien geluksdagen, maar +Vrijdag is er geen." + +"Dat weet elke gek. Ik geloof niet, dat jij de eerste bent, die dat +uitgevonden hebt, Huck." + +"Nu, ik heb niet gezegd dat ik het was, heb ik wel? En het is +niet alleen omdat het Vrijdag is; ik heb van nacht akelig gedroomd +ook,--van ratten." + +"'t Is toch niet waar? Een zeker teeken van naderend onheil! Vochten +zij?" + +"Neen." + +"Dat is tenminste nog een zegen, Huck. Wanneer zij niet vechten, +is het alléén maar een teeken dat er een onheil _kan_ komen. We +behoeven dus niets te doen dan scherp toe te kijken en ons niet in +gevaar te begeven. Wij zullen het graven vandaag maar laten en liever +gaan spelen. Ken je Robin Hood, Huck?" + +"Neen, Wie is Robin Hood?" + +"Wel, hij was een van de grootste mannen van Engeland en van de beste +ook. Hij was een roover." + +"Heerejé, ik wou dat ik hem was. En wat heeft hij gekaapt?" + +"Alleen maar bisschoppen en rijke lui en koningen en zulk volk. Maar +hij plaagde de arme lui nooit. Hij had ze lief en deelde alles eerlijk +met hen." + +"Zoo, dan moet hij een beste kerel geweest zijn!" + +"Waarachtig was hij dat, Huck. Hij was de grootmoedigste man, die ooit +heeft bestaan. Je hebt tegenwoordig zulke lui niet meer, daar ben ik +zeker van. Hij kon, met zijne handen achter zijn rug gebonden, elken +Engelschman afranselen, en met zijn boog van taxishout, op anderhalve +mijl afstand, een stuivertje doorboren, zonder ooit te missen." + +"Wat is een boog van taxishout?" + +"Dat weet ik niet. 't Is een boog, dat is zeker. En als hij het +geldstuk een enkelen keer aan den kant raakte, dan raasde en tierde +hij als een kind.--Kom laten wij Robin Hood spelen; 't is een prettig +spel. Ik zal het je leeren." + +Ze speelden den geheelen middag Robin Hood, terwijl zij nu en dan +een verlangenden blik op het spookhuis wierpen en spraken over de +plannen en vooruitzichten voor den volgenden dag. Toen de zon in het +westen onderging, wandelden zij langs de breede schaduwen der boomen +naar huis en waren in de bosschen van Cardiff Hill spoedig uit het +gezicht verdwenen. + +Zaterdagmiddag waren de knapen weder bij den dooden boom. + +Eerst zaten zij in de schaduw een poosje te rooken en te babbelen +en gingen toen het gemaakte gat weder opgraven. Zij deden dat, niet +omdat zij groote verwachtingen hadden, maar alleen omdat Tom gezegd +had, dat het dikwijls gebeurd was, dat menschen, toen zij den schat +tot op een duim na bereikt hadden, het opgegeven hadden, en dat er +toen anderen gekomen waren, die met één stoot van de spade hem te +voorschijn hadden gehaald. + +Hun streven mislukte echter ditmaal en ze namen daarom hun gereedschap +maar weder op en gingen heen, niet met de gedachte dat zij met +de fortuin een loopje hadden genomen, maar in de overtuiging dat +zij aan alle voorwaarden, aan het delven naar schatten verbonden, +hadden voldaan. + +Toen zij het spookhuis naderden, was er iets zoo akeligs en +huiveringwekkends in de doodelijke stilte onder de brandende zon en +iets zoo neerdrukkends in de eenzame, verlatene plaats, dat zij een +oogenblik bang waren om binnen te gaan. Zij kropen naar de deur en +keken bevend door een reetje. Zij zagen een met onkruid begroeide, +van vloer beroofde kamer, zonder behangsel, met een ouderwetsche +haardstede, vensters zonder gordijnen en een bouwvallige trap, +en overal flarden van spinnewebben. Toen traden zij met versnelden +polsslag, fluisterende stem, gretige ooren en gezwollen spieren binnen, +gereed om desnoods onmiddellijk weder den aftocht te blazen. + +Een oogenblikje later, toen hun blik aan de huiveringwekkende +omgeving was gewend, verminderde hun angst en namen zij de plaats +nauwkeuriger op, vol verbazing en verwondering over hun eigen +stoutmoedigheid. Daarop wilden zij boven een kijkje nemen. 't Had +iets van zich den terugweg af te snijden, maar zij zagen elkander met +moedige blikken aan en kwamen tot een kloek besluit om hun gereedschap +in een hoek te werpen en de trap te beklimmen. Boven vertoonden zich +dezelfde teekenen van verval. In een donkeren hoek vonden zij een +kabinetje, dat iets geheimzinnigs beloofde; doch die belofte bleek +ijdel te zijn, want het was ledig. Zij hadden thans moed verzameld +en waren gereed hunne onderneming door te zetten. Juist toen zij naar +beneden wilden stappen om aan het werk te gaan, zeide Tom: "Stil!" + +"Wat is er?" fluisterde Huck, bleek van schrik. + +"Stil! Daar! Hoort gij het?" + +"Ja, O, heer! Laat ons wegloopen!" + +"Houd je stil! Beweeg je niet! Zij komen naar de deur toe." + +De jongens gingen plat op den grond liggen en keken door de openingen +tusschen de planken, in doodangst afwachtende wat er gebeuren zou. + +"Zij houden stil," fluisterden zij eindelijk. + +"Neen--zij komen! Hier zijn zij! Geen woord meer, Huck. Goede hemel, +ik wou dat ik er uit was!" + +Twee mannen traden binnen. De knapen dachten: + +"Dit is de oude, doofstomme Spanjaard, die onlangs een paar malen in +de stad is geweest, en den anderen man heb ik nooit gezien." + +De andere was een havelooze bandiet, ongekamd en ongeschoren, met een +hoogst ongunstig uiterlijk. De Spanjaard was in eene _serape_ gehuld; +hij had zware, witte bakkebaarden, lang wit haar, dat golvend onder +zijn hoofddeksel te voorschijn kwam en hij droeg groene ooglappen. Toen +zij binnentraden, begon de "andere" heel zacht te spreken. Zij zetten +zich op den grond neder, het gelaat naar de deur gekeerd en met den +rug tegen den muur, en de "andere" hervatte zijn gesprek. Hij werd +iets minder omzichtig in houding en gebaren en zijne woorden werden +gaandeweg duidelijker. + +"Neen," zei hij, "ik heb er goed over gedacht en ik heb er geen zin +in: het is gevaarlijk." + +"Gevaarlijk?" gromde de doofstomme Spanjaard, tot verbazing der +knapen. "Gevaarlijk, melkbaard?" + +Deze stem deed de knapen beven en naar adem snakken. Het was die van +Injun Joe! + +Er volgde een oogenblik van stilte, waarop Joe hernam: + +"Wat kan gevaarlijker zijn dan die karwei van daarginds--en er is +toch niets van gekomen." + +"Dat was heel wat anders. Dicht bij de rivier en geen enkel huis in +de nabijheid. 't Zal nooit bekend worden, dat wij het beproefd hebben, +vooral niet daar het mislukt is." + +"Wel, wat kan gevaarlijker zijn dan over dag hier te komen? Ieder, +die ons ziet, kan argwaan krijgen!" + +"Dat weet ik, maar er was geen andere plaats geschikt na die malle +karwei. Ik hunker er naar dit hol te verlaten. Ik wou gisteren al +gaan, maar er was geen denken aan zich buiten te wagen, met die +helsche jongens, die bij den heuvel speelden." + +De "helsche jongens" beefden bij dit gezegde en dachten hoe gelukkig +het was, dat zij zich herinnerd hadden dat het Vrijdag was en dat +zij tot het besluit waren gekomen een dag te wachten. Zij wenschten +in hun hart, dat zij het een jaar hadden uitgesteld. + +De twee mannen haalden eenig voedsel voor den dag en begonnen te +eten. Na eenige oogenblikken van stilzwijgen zeide Injun Joe: + +"Kijk eens, jongen: ga jij naar de rivier, waar je behoort, wacht daar +totdat je van mij hoort. Ik zal het er op wagen nog wat hier in de +stad te blijven om den boel op te nemen. Wij zullen dat gevaarlijke +karweitje ondernemen, als ik alles goed bespionneerd en bemerkt +heb dat de kansen goed staan. En dan naar Texas. Wij zullen eerlijk +samen deelen." + +De andere was met dit plan tevreden. + +Onderwijl raakten de beide mannen aan het gapen en Injun Joe zeide: + +"Ik ben dood van den slaap! 't Is jouw beurt om te waken." + +En hij rolde zich in het onkruid en begon te snorken. Zijn metgezel +stootte hem een paar malen aan en hij werd rustig. Daarop begon de +waker te knikkebollen; zijn hoofd zonk lager en lager en beiden hieven +thans een duo van snorken aan. + +De knapen haalden dankbaar adem. Tom fluisterde: + +"Nu de kans waarnemen, kom!" + +Huck zeide: "Ik kan het niet doen;--Ik zou sterven, indien zij +ontwaakten." + +Tom smeekte en Huck bleef weigeren. Eindelijk stond Tom zachtjes +op on alleen te vertrekken. De eerste stap echter, dien hij deed, +veroorzaakte zulk een afschuwelijk gekraak in den vloer, dat hij +bijna dood van schrik nederviel. Hij waagde geen tweede poging. De +knapen telden de traag verloopende oogenblikken, totdat het hun was +alsof de tijd was geëindigd en de sombere eeuwigheid een aanvang had +genomen. Eindelijk bemerkten zij tot hun vreugde dat de zon onderging. + +Nu hield het gesnork van een der mannen op. Injun Joe richtte zich +op, zag rond, keek boosaardig glimlachend naar zijn metgezel, stootte +hem met zijn voet aan en zeide: + +"Hoor eens! jij bent een goede waker, dat ben je." + +"Nu, er is toch niets gebeurd." + +"Niet? Heb je geslapen?" + +"Och, zoo wat gesluimerd. 't Is haast tijd voor ons om op te rukken, +kameraad. Wat zullen wij doen met den kleinen buit, waarvan wij ons +meester gemaakt hebben?" + +"Ik weet het niet. Hier laten zooals wij altijd doen. Wij hebben haar +niet noodig, voordat wij naar het zuiden gaan. Zeshonderd vijftig in +zilveren munt is een last!" + +"Nu, goed dan. Maar dan behoeven wij hier ook niet terug te komen." + +"Zou je denken? Wel, ik geloof dat het veilig is hier de nachten door +te brengen, zooals gewoonlijk; ja, dat is beter." + +"Ja, maar, kijk eens: het kan nog wel lang duren eer wij eene +goede gelegenheid hebben voor dat andere karweitje;--er kan iets +tusschenbeide komen en het is niet zoo'n heel veilige plaats. Wij +zullen den buit liever begraven, en diep ook." + +"Dat is een goede inval," zeide zijn kameraad en liep naar het andere +eind der kamer, knielde voor den haard neder en haalde tusschen +de steenen een zak te voorschijn, die een liefelijk geklingel deed +hooren. Hij nam er twintig of dertig dollars uit voor zich zelven en +even zooveel voor Injun Joe en reikte den zak toen aan den laatste +over, die in een hoek van het vertrek op zijne knieën zat en bezig +was met zijn snoeimes een gat te graven. + +In een oogenblik vergaten de knapen hun vrees en hunne ellende. Met +fonkelende oogen sloegen zij elke beweging gade. 't Was een onmetelijke +schat! Zeshonderd dollars!--geld genoeg om een half dozijn jongens rijk +te maken. Hier bood zich eene gelegenheid tot het graven van schatten +aan onder de gelukkigste voorteekenen. Hier was geene kwellende +onzekerheid omtrent de plek waar gegraven moest worden. Zij stootten +elkander gedurig aan,--met gebaren, die zeggen wilden: + +"O, zijt gij niet blijde, dat wij hier zijn?" + +Onder het graven stootte Joe's mes op een hard voorwerp. + +"Heila!" + +"Wat is het?" vroeg zijn kameraad. + +"Een half verrotte plank,--neen, het is een kist, geloof ik. Kom, +help een handje en wij zullen zien wat het is. Pas op, ik heb er een +gat in gestooten." + +Hij reikte hem de behulpzame hand en zij trokken het voorwerp naar +boven. + +"Man, het is geld!" + +De beide mannen haalden een handvol klinkende munt voor den dag. Het +waren goudstukken. De jongens boven hun hoofd waren even opgewonden +en verrukt als zij. + +Joe's kameraad zeide: + +"We zullen eens gauw zien hoeveel er in zit. Wacht, ik heb in een hoek +onder den schoorsteen een roestige bijl onder het onkruid zien liggen." + +Hij liep weg en haalde de bijl en spade der knapen. Injun Joe nam +de bijl op, bekeek haar nauwkeurig, schudde het hoofd, mompelde iets +tusschen zijne tanden en ging er toen mede aan het werk. + +De kist was spoedig opgedolven. Zij was niet zeer groot, met ijzer +beslagen en moest zeer sterk geweest zijn, voordat de tijd haar +beschadigd had. De mannen beschouwden den schat een poos onder zalig +stilzwijgen. + +"Kameraad, er zitten duizend dollars in!" zeide Injun Joe. + +"Zij zeggen, dat de rooverbende van Murrel hier een zomer heeft +rondgezworven," merkte de vreemdeling op. + +"Dat weet ik wel," zeide Injun Joe, "en nu ik dit zie, geloof ik +het bepaald." + +"Nu behoeven wij die andere karwei immers niet te doen," zeide +de ander. + +De kleurling fronste het voorhoofd en zeide: + +"Je kent me niet, of je weet niet van die zaak. 't Is niet om te +stelen,--maar om wraak te nemen!" En er flikkerde een boosaardig licht +in zijne oogen. "Ik heb je hulp er bij noodig. Zoodra het geschied +is, gaan wij naar Texas. Ga jij maar naar huis, naar je wijf en je +kinderen, en wacht totdat je van mij hoort." + +"Nu, als je het zegt, zal ik het doen. Wat zullen wij met deze kist +uitvoeren? Haar weder begraven?" + +"Ja!" (Een inwendig gejuich op de bovenverdieping). "Neen, bij +den grooten Sachem, neen!" (Een diepe neerslachtigheid boven.) "Ik +had het haast vergeten: op die bijl zit versche aarde." (De knapen +beefden van schrik). "Wat doen hier een bijl en een spade? Hoe zit +er versche aarde aan? Wie heeft die hier gebracht, en waar zijn zij +heengegaan? Heb je niemand gehoord of gezien?--Wat! die kist weer +begraven en permissie geven om hier te komen, on te zien dat de vloer +omgewoeld is? Dat nu niet bepaald!--niet bepaald! Wij zullen de kist +medenemen naar mijn hol!" + +"Dat is goed. Jammer dat wij dit niet eerder bedacht hebben. Gij +meent numero één?" + +"Neen," "numero twee,"--onder het kruis. De andere plaats is te slecht +en te gemeen." + +"Goed; 't is bijna donker genoeg om te vertrekken." + +Injun Joe stond op, ging van het eene raam naar het andere en zag +voorzichtig naar buiten. Daarop zeide hij: + +"Wie zou dit gereedschap hier gebracht hebben? Denk je, dat ze boven +kunnen zijn?" + +De knapen hielden hun adem in. Injun Joe legde zijne hand op zijn +mes, hield een oogenblik besluiteloos stil en stapte toen naar +de trap. De knapen dachten aan het kabinetje, maar hun kracht was +gebroken. Voetstappen kraakten op de trap.--De vreeselijke toestand, +waarin zij zich bevonden, wakkerde de laatste vonk van moed in hun hart +nog eens op;--zij waren op het punt om in het kabinetje te springen, +toen zij een gekraak van verrot hout hoorden. Injun Joe lag op den +grond, onder de brokstukken der vermolmde trap! Hij stond op met een +vloek en zijn kameraad zeide: + +"Nu, wat doet er dat toe of er iemand boven is;--laten zij er +blijven--wat raakt het! Indien zij naar beneden willen springen en +den nek breken--wie belet het hun? Het zal binnen vijftien minuten +donker zijn-- en dan kunnen zij ons volgen, indien zij willen; ik ben +gereed hen te ontvangen. Ik geloof, dat de lui die deze dingen hier +in gesleept hebben, ons hebben gezien en ons voor duivels of spoken +of zoo iets hebben gehouden. Ik wed, dat zij nog aan den haal zijn." + +Joe mompelde eenige onverstaanbare klanken en toen stemde hij met +zijn kameraad in, om van het karige daglicht gebruik te maken en te +vertrekken. Kort daarna slopen zij in de schemering het huis uit en +stapten met hunne kostbare lading naar de rivier. + +Tom en Huck stonden bevend, maar met een gevoel van verlichting op en +staarden hen door de reten tusschen de planken na. Volgen? Neen! Zij +waren tevreden, toen zij den vasten bodem weder bereikten en zonder +den nek gebroken te hebben, over den heuvel naar huis konden gaan. Zij +spraken niet veel, daar zij te zeer verdiept waren in zelfverwijt +en woede tegen het noodlot, dat hun de spade en de bijl daar had +doen neerzetten. Indien die er niet gestaan hadden, zou Injun Joe +nooit argwaan gekoesterd hebben. Hij zou het zilver met het goud +daar verborgen hebben, totdat hij aan zijn plan van wraakneming had +voldaan. En dan zou hij ondervonden hebben, wat het zegt een schat +niet meer te vinden. 't Was een bitter noodlot, dat het gereedschap +daar gebracht had. Zij besloten een oog te houden op den Spanjaard, +wanneer hij naar de stad zou gaan, om zijne kans voor zijn wraakzuchtig +plan waar te nemen en namen zich voor "numero twee" op te sporen, +waar het ook zijn mocht. + +Op eens schoot Tom eene vreeselijke gedachte door de ziel. + +"Wraak! Wat, indien hij ons bedoelt, Huck?" + +"O, neen," zeide Huck, en viel bijna flauw van schrik. + +Zij praatten nog geruimen tijd over het vreeselijk geval, en toen +zij de stad binnentraden, kwamen zij tot het besluit te gelooven, +dat het ook wel iemand anders kon zijn,--ten minste dat hij niemand +anders kon bedoelen dan Tom, daar deze de eenige was geweest die +getuigenis had afgelegd. + +Het was een zeer magere troost voor Tom, dat hij alleen maar in gevaar +was. Gezelschap zou naar zijne meening verkieslijker zijn geweest. + + + + +HOOFDSTUK XXVIII. + + +Tom werd dien nacht in zijne droomen vreeselijk gekweld door het +avontuur van den vorigen dag. Vier malen had hij zijne handen op +den kostbaren schat gelegd en vier malen ook gleed die, wanneer de +slaap hem begaf en het ontwaken hem tot de werkelijkheid terugbracht, +tusschen zijn vingers door. + +Toen hij in den vroegen morgen al die bizonderheden van die +merkwaardige gebeurtenis nog eens voor den geest riep, scheen ze hem +wonderbaar ver af en lang geleden, alsof zij in een andere wereld +of in een lang verloopen tijdperk had plaats gehad. De gedachte kwam +zelfs in hem op, dat het groote avontuur misschien niets geweest was +dan een droom. Er was een krachtige bewijsgrond voor dat denkbeeld bij +te brengen, deze namelijk, dat de hoeveelheid muntspecie, die zijne +oogen hadden aanschouwd, te kolossaal was om werkelijkheid te wezen. + +Hij had nooit in zijn leven vijftig dollars bijeen gezien en hij +geleek daarin op alle knapen van zijn leeftijd en stand. In zijn +verbeelding werden de woorden "honderden" en "duizenden" alleen maar +bij manier van spreken gebruikt en bestonden er zulke sommen in de +wereld niet. Hij vermoedde geen oogenblik, dat een zoo groote som, +als meer dan honderd dollars in klinkende munt, in iemands bezit +kon zijn. Indien hij zijn begrip van een verborgen schat had moeten +ontleden, zou hij gezegd hebben, dat deze bestond uit een handvol +dollars en een schepel prachtige, andere munten. + +Langzamerhand echter onder het overdenken werden de bijzonderheden van +zijn avontuur scherper en klaarder, en eindelijk kreeg de gedachte, +dat het toch geen droom was geweest, bij hem de overhand. Aan deze +onzekerheid moest een einde gemaakt worden. Hij zou haastig zijn +boterham eten en dan Huck opzoeken. + +Huck zat aan dolboord van een plat vaartuig, achteloos met zijn voeten +in het water te schoppen en zag er zeer droefgeestig uit. Tom besloot +te wachten, totdat Huck over de zaak zou beginnen. Als hij dat niet +deed, was het avontuur slechts een droom geweest. + +"Heila, Huck!" + +"Heila, jij!" + +Een oogenblik stilte. + +"Tom, indien wij dit vervloekte gereedschap bij den dooden boom +gelaten hadden, was het geld reeds ons. O, is het niet vreeselijk?" + +"'t Is dus geen droom? Geen droom? Toch zou ik haast willen, dat het +er een was; ja 'k mag een boon zijn, als ik het niet wou!" + +"Wat is geen droom?" + +"O, dat ding van gisteren. Ik denk soms half, dat alles een droom is." + +"Een droom? Indien die trappen niet kapot waren gegaan, zou je eens +gezien hebben of het een droom was! Ik droom 's nachts al genoeg van +dien Spanjaard met zijn ooglappen; hij vervolgt mij overal. Ik wou +dat hij stikte." + +"Neen, niet stikken. Wij moeten hem vinden. Het geld opsporen!" + +"Tom, wij zullen den schat nooit vinden. Een mensch heeft maar eens +een kans voor zoo'n hoop geld, en die hebben wij verspeeld. Ik zou +beven als ik hem zag." + +"Ik ook; maar ik zou hem toch graag zien en naspeuren--naar zijn +'nommer twee.'" + +"Nommer twee, ja, dat is het. Ik heb er over loopen denken, maar ik +kan het niet uitmaken. Wat denk jij, dat het is?" + +"Ik weet het niet. 't Is mij te geheimzinnig, Huck. Zou het ook het +nummer van een huis kunnen zijn?" + +"Onmogelijk! Neen, Tom, dat is het niet. Indien het dat is, dan is +het niet in dit kleine stadje: hier zijn geen nummers." + +"Ja, dat is waar. Laat mij even bedenken! Wacht--het is een nommer +van een kamer in een herberg!" + +"O, daar zul je het hebben! Er zijn hier maar twee kroegen. Wij kunnen +dat spoedig uitvinden!" + +"Blijf jij hier, Huck, totdat ik terug ben!" + +Tom was op eens verdwenen, daar hij op publieke plaatsen niet gaarne +met Huck gezien werd. + +Binnen een half uur had hij ontdekt, dat in de voornaamste herberg +kamer "nommer twee" bewoond werd door een jong advocaat. In de andere, +een logement van den derden rang, was aan een der logeerkamers iets +geheimzinnigs verbonden. Het zoontje van den herbergier zeide, dat +die kamer altijd op slot was, en dat hij er nooit iemand had zien in- +of uitgaan, behalve des nachts. Waarom dit geschiedde, wist hij niet; +wel betuigde hij soms verlangd te hebben er achter te komen, doch hij +was er niet zoo bijzonder nieuwsgierig naar, en stelde zich tevreden +met te gelooven dat het in die kamer spookte. Verder vertelde hij +ook nog, dat hij er den vorigen nacht een licht had zien branden. + +"Dat is alles wat ik te weten ben gekomen, Huck. Ik geloof, dat wij +het wezenlijke 'nummer twee' gevonden hebben." + +"Ik vermoed het ook. Wat zullen we doen?" + +"Laat mij eens bedenken." + +Tom bedacht zich een geruimen tijd. Toen zeide hij: + +"Ik zal het je zeggen. De achterdeur van dat 'nummer twee' komt uit +in dat kleine steegje tusschen de herberg en die oude trap van den +kalkoven. Nu moet je al de deursleutels opsnorren die jij krijgen +kunt, en ik zal die van tante wegkapen, en in den eersten donkeren +nacht den besten zullen wij ze gaan probeeren. En denk er aan, dat je +op den uitkijk blijft naar Injun Joe, omdat hij gezegd heeft dat hij +in de stad zou komen en nog op een kans zou loeren om aan zijn wraak +te voldoen. Als je hem ziet, moet je hem volgen; en als hij niet naar +'nummer twee' gaat, dan is dat de plaats niet." + +"Tom, ik durf hem niet alleen volgen." + +"Och kom; 't is natuurlijk nacht. Hij zal je misschien niet eens zien; +en als hij dat doet, zal hij je toch niet verdenken." + +"Nu, als het donker is, zal ik hem misschien volgen. Maar ik weet +het nog niet zeker. Ik zal zien wat ik doe." + +"Wedden, Huck, dat _ik_ hem wel volg, als het donker is. Hij +kon waarachtig wel eens geen gelegenheid hebben om zijn plan tot +wraakneming ten uitvoer te brengen en zou hij op zijn geld afgaan." + +"Je hebt gelijk, Tom, je hebt gelijk! Ik zal hem volgen. Sapperloot, +dat zal ik!" + +"Nu praat je naar mijn zin! Geef den moed niet op, Huck, en ik zal +het ook niet doen." + + + + +HOOFDSTUK XXIX. + + +Dienzelfden avond waren Huck en Tom van zessen klaar on het waagstuk +te ondernemen. Zij bleven tot na negen uren in de buurt der herberg +omhangen, terwijl de een bij de steeg en de ander bij de deur der +herberg wacht hield. Niemand ging het straatje in of uit; niemand +die op den Spanjaard geleek, stapte naar de herberg of kwam er +vandaan. Daar de nacht beloofde zeer helder te zijn, ging Tom naar +huis met de afspraak, dat indien het onverhoopt nog donker werd, Huck +zou komen "miauwen," en hij de deur zou uitsluipen en de sleutels +probeeren. Doch de nacht bleef onbewolkt en Huck gaf het wachthouden +op en ging tegen middernacht in een leege suikerton slapen. + +Dinsdag hadden de knapen denzelfden tegenspoed. Woensdag ook. Doch +Donderdagnacht beloofde beter te zijn. Tom sloop ter goeder ure met +tantes dievenlantarentje de deur uit en nam een grooten handdoek met +zich, om daarmede het licht te bedekken. Hij verborg de lantaarn in +Hucks suikerton en het wachthouden begon. + +Tegen elf uren werd de herberg gesloten en werden de lichten, de eenige +uit de geheele buurt, uitgedaan. Geen Spanjaard werd er gezien. Niemand +was het steegje in- of uitgegaan. Alles was gunstig. Overal zwarte +duisternis en doodelijke stilte, alleen afgewisseld door het verwijderd +gerommel van den donder. + +Tom nam zijn lantaren, stak haar in de ton aan en bedekte haar +zorgvuldig met den handdoek, en de avonturiers kropen in de duisternis +naar de herberg. Huck bleef op schildwacht staan en Tom liep op den +tast de steeg in. + +Al wachtende voelde Huck zich door een doodelijken angst gedrukt en +hunkerde hij naar het oogenblik, waarop hij een straaltje van Toms +lantaarn zou zien, opdat hij een teeken mocht hebben dat zijn kameraad +nog leefde. Uren schenen voorbijgegaan sedert Tom was verdwenen. Hij +was zeker flauw gevallen, wellicht dood; misschien was hem van angst +en schrik het hart gebroken. In zijn angst ging Huck hoe langer hoe +dichter bij de steeg staan, in vreeze van allerlei ontzettende dingen +te zullen zien en elk oogenblik verwachtende dat er een ongeluk zou +komen, dat hem den laatsten adem zou doen uitblazen. Daarvoor was niet +veel noodig, want hij scheen nauwelijks in staat een vingerhoedje adem +te halen, en zijn hart bonsde zoo geweldig, dat het welhaast moest +barsten. Plotseling zag hij een lichtstraal en fluisterde Tom hem in +'t oor: + +"Loop! loop, als ge uw leven liefhebt!" + +Hij behoefde het niet te herhalen; eenmaal was genoeg. Huck was +in vliegenden galop voortgeijld eer het woord ten tweeden male was +uitgesproken. De knapen hielden niet stil, eer zij de loods van een +verlaten slachthuis hadden bereikt. Juist toen zij deze schuilplaats +gevonden hadden, barstte het onweder los en stroomde de regen naar +binnen. Zoodra Tom weder kon ademhalen, zeide hij: + +"Huck, het was verschrikkelijk! Ik probeerde twee of drie sleutels, +zoo zacht als ik kon, maar zij maakten zulk een drommelsch geraas, +dat ik van schrik nauwelijks op mijne beenen kon blijven staan. Ik +kon het slot ook niet omdraaien. Op eens bemerkte ik, dat ik den knop +vasthield en dat de deur openging. Zij was niet dicht geweest. Ik +strompelde naar binnen, nam den handdoek van de lantaarn en--o, +groote geest van Cesar....!" + +"Wat--wat zag je, Tom?" + +"Huck, ik was bijna op de hand gestapt van Injun Joe!" + +"'t Is toch niet waar?" + +"Ja wel. Hij lag daar, met den groenen lap op zijn oog en uitgestrekte +armen op den vloer te slapen." + +"Heere, Heere! En wat heb je toen gedaan? Werd hij wakker?" + +"Neen, hij bewoog zich niet. Zeker dronken. Ik greep den handdoek en +ijlde weg." + +"Waarachtig, ik zou niet eens aan den handdoek gedacht hebben!" + +"Nu, ik wel. Tante zou mij krijgen, als ik hem verloren had." + +"Zeg, eens, Tom, heb je de kist gezien?" + +"Huck, ik heb niet gewacht on rond te kijken; ik heb de kist niet +gezien en ik heb het kruis niet gezien. Ik zag niets dan een flesch +en een tinnen kroes op den grond naast Injun Joe. Ja toch, ik zag +twee vaatjes en een menigte flesschen in de kamer. Vat je nu niet, +wat ze in die spookkamer uitvoeren?" + +"Wat dan?" + +"Wel, zij spookt van de brandewijnvaatjes, 't Is best mogelijk, +dat al de Matigheidsherbergen zoo'n spookkamer hebben, Huck." + +"Ja, dat kan wel. Wie zou dat ooit gedacht hebben! Maar Tom, 't is +nu juist een allemachtig goed oogenblik on de kist te krijgen, als +Injun Joe dronken is." + +"Dat is waar! Wil je het probeeren?" + +Huck sidderde. + +"Neen, liever niet." + +"Ik ook niet, Huck. Eén flesch naast Injun Joe is niet genoeg. Indien +er drie gestaan hadden, zou ik het gedaan hebben." + +Er volgde een lange pauze; eindelijk zeide Tom: "Zie eens Huck, +ik geloof dat het beter is, dat zaakje niet te probeeren, totdat we +weten dat Injun Joe er niet is. 't Is te vreeselijk.--Nu, indien wij +elken nacht de wacht houden, kunnen wij er zeker van zijn, hem den +of anderen tijd de kamer te zien uitgaan, en dan zullen wij de kist +er zoo gauw mogelijk uithalen." + +"Uitmuntend. Ik zal den heelen nachten waken en zal dat de eerste +weken blijven doen, als jij het andere deel van de karwei op je neemt." + +"Goed, ik beloof het je. Al wat jij te doen hebt, is op een draf te +loopen naar Hooper-street en te miauwen; en als ik slaap, gooi je +maar wat zand tegen het raam, dan word ik wel wakker. + +"Best, dat blijft afgesproken." + +"Nu, Huck, het onweder is voorbij en ik ga naar huis. Over een paar +uren breekt de dag aan. Jij gaat terug en blijft wachten, niet waar?" + +"Ik heb gezegd, Tom, dat ik het doen zal en ik zal het doen. Ik zal een +jaar lang om de herberg blijven ronddolen. Ik zal over dag slapen en +'s nachts waken." + +"Dat is goed. Waar ga je dan slapen?" + +"In de hooischuur van Ben Rogers. Hij laat mij dat vrij doen, en de +zwarte knecht van zijn ouden heer, oom Jack, vindt het ook goed. Ik +draag wel eens water voor oom Jack, en hij geeft mij, als hij het +missen kan, nu en dan een beetje eten. 't Is een verduiveld goede +nikker, die Jack, Tom!--Hij houdt van mij, omdat ik niet altijd +doe alsof ik voornamer ben dan hij. Wij hebben ook wel eens samen +gegeten. Maar dat moet je niet vertellen. Een mensch doet soms dingen, +als hij honger heeft, die hij laten zou, als hij altijd genoeg kreeg." + +"Nu, als ik je over dag niet noodig heb, Huck, zal ik je laten +slapen. Ik zal je niet komen plagen. Als je 's nachts wat ziet, +loop dan even aan om te miauwen." + + + + +HOOFDSTUK XXX. + + +Het eerste wat Tom Vrijdagochtend hoorde was een heerlijke tijding: de +familie Thatcher was den vorigen avond in de stad teruggekomen. Beiden +Injun Joe en de schat werden voor het oogenblik van ondergeschikt +belang en Becky nam de voornaamste plaats in het hart van den knaap +in. Hij kwam haar tegen en zij hadden een oneindig genot met elkaar +in het spelen van "verstoppertje" en "slootje springen." De dag +eindigde op een bijzonder prettige wijs. Becky smeekte hare moeder, +den volgenden dag voor de lang beloofde en lang uitgestelde pic-nic +vast te stellen, en deze stemde toe. De vreugde der kleine kende geen +palen en Tom was niet minder uitgelaten. Voor zonsondergang waren de +uitnoodigingen rondgezonden en onmiddellijk daarop was de jeugd van +St. Petersburg in eene koortsachtige opgewondenheid over de pret, +die haar te wachten stond. Tom kon niet slapen van pleizier en hij +leefde in de hoop Huck te hooren "miauwen" en zijn schat te krijgen, +om daarmede Becky en de pic-nickers den volgenden dag in verbazing +te brengen. Maar hij werd teleurgesteld. Er kwam dien nacht geen +teeken. Eindelijk daagde de morgen en tusschen tien en elf uren +vereenigde zich ten huize van den heer Thatcher een hoop dartele, +stoeiende jongens en meisjes en was alles tot vertrekken gereed. + +Het was toenmaals de gewoonte niet van bejaarde lieden, om +buitenpartijen door hunne tegenwoordigheid te bederven. De kinderen +werden veilig geacht onder de vleugelen van een paar jonge dames van +achttien en van een paar jonge heeren van drie- of vier en twintig +jaren. + +De oude stoomboot was voor de gelegenheid afgehuurd, en toen al de +genoodigden bijeen waren, stapte de vroolijke troep, met manden vol +proviand, door de hoofdstraat naar de rivier. Sid was ongesteld en +liep het pretje mis, en Marie bleef bij hem te huis. Bij het afscheid +nemen zeide mevrouw Thatcher tot Becky: + +"Je zult wel wat laat tehuis komen. Misschien was het wel beter +dat je bij een van de meisjes bleeft slapen, die het dichtst bij de +kade woont." + +"Dan zal ik maar bij Suze Harper blijven, mama." + +"Goed, maar gedraag je behoorlijk en wees niet lastig." + +Onder de wandeling zeide Tom tot Becky: + +"Hoor eens: ik zal je vertellen wat wij zullen doen. In plaats van naar +de Harpers te gaan, zullen wij den heuvel beklimmen en in het huis +van de weduwe Douglas overnachten. Zij zal wel room-ijs hebben. Zij +heeft het bijna elken dag, bij massa's, ja, bij hoopen! En zij zal +blij zijn, als zij ons ziet." + +"O, dat zal grappig zijn!" riep Becky uit. Doch een oogenblik later +hernam zij: + +"Maar wat zal mama zeggen?" + +"Hoe zal zij het te weten komen?" + +Het meisje overdacht de zaak nog eens en zeide aarzelend: + +"Ik geloof, dat het verkeerd is, maar...." + +"Och, kom, het is geen lor waard! Je moeder zal het niet te weten +komen. En wat steekt er in? Al wat zij verlangt, is dat je op een +veilige plaats zult zijn, en ik wed dat, indien zij er aan gedacht +had, ze je geraden zou hebben naar de weduwe te gaan. Ja, ik weet +dat zij dat gedaan zou hebben!" + +Het heerlijke gastvrije dak der weduwe Douglas was een verleidelijk +lokaas. Het bleef dan ook, met Toms overredingen, overwinnaar. Er werd +derhalve besloten niemand iets van het programma voor den nacht mede +te deelen. Opeens schoot Tom te binnen, dat Huck dien nacht wel eens +kon komen, om het teeken te geven. Deze gedachte bracht een gevoeligen +schok aan zijne blijde verwachtingen. Toch kon hij er niet toe komen +het pretje bij de weduwe Douglas er aan te geven. En waarom zou hij +dat doen? Het teeken was den vorigen nacht niet gekomen. Waarom zou +het dan juist dezen nacht gebeuren? De zekere pret van dezen avond +woog nog zwaarder dan de onzekere schat; en als een echte jongen +besloot hij aan den sterksten lust toe te geven en zich op te leggen, +dien dag niet meer aan de geldkist te denken. + +Drie mijlen voorbij de stad werd de boot bij een boschrijk dal ter +reede gelegd. Het gezelschap verdrong zich naar den oever en weldra +weerklonken de wouden en rotsige hoogten wijd en zijd van het gejubel +der kinderen. Alle middelen om moede en bezweet te worden werden in +praktijk gebracht, totdat men zich eindelijk bij het kamp verzamelde en +met flinken eetlust gewapend, op de medegebrachte proviand aanviel. Na +den maaltijd ging men over tot een verkwikkend rust- en praatuurtje +onder de schaduw der breedgetakte eiken. Na een wijle jubelde eene +stem: + +"Wie gaat er mede naar de grot?" + +"Iedereen!" Dadelijk werden er pakken met waskaarsen voor den dag +gehaald en onmiddellijk daarop werd de heuvel beklommen. De ingang +der grot lag aan de helling van den berg en was kenbaar aan eene +opening in den vorm van de letter A. De zware eikenhouten deur +stond open. Door deze kwam men in een klein kamertje, kil als een +ijskelder en door de natuur met stevige, vochtige kalksteenen muren +omringd. Het was hoogst belangwekkend en geheimzinnig om daar in de +diepe duisternis te staan en dan het gezicht te hebben op de groene, +door de zon beschenen vallei. Doch de indruk van dit tooneel werd +spoedig vergeten en het stoeien hervat. Zoodra er een kaars werd +aangestoken, werd de bezitter aangevallen, 't geen een worsteling +en dappere verdediging ten gevolge had. Maar de kaars was spoedig op +den grond geworpen en uitgeblazen, waarop een luid gejuich ontstond +en eene nieuwe vervolging. Doch aan alle lofzangen komt een einde +en de stoet rukte op naar den hoofdtoegang, terwijl de flikkerende +kaarsen de reusachtige rotsgewelven, waar deze zich zestig voet boven +het hoofd aaneensloten, flauw te zien gaven. De hoofdtoegang zelf was +ten hoogste acht of tien voet breed. Bij elke trede werden nieuwe en +engere rotsspleten ontdekt. De grot van Mc. Douglas was dan ook een +doolhof van gangen, die in het oneindige in en uit elkander liepen +en nergens heen leidden. Men vertelde, dat men dagen en nachten door +dit labyrinth van spleten en gangen kon dwalen, zonder den uitgang +der grot te vinden, en dat, naarmate men dieper naar beneden ging, +het onveranderlijk hetzelfde bleef: doolhof onder doolhof en alle +zonder einde. Niemand kende de grot geheel, dit behoorde tot de +onmogelijkheden. De meeste jongelieden hadden er een gedeelde van +gezien en het was niet gebruikelijk zich ooit verder dat dit bekend +terrein te wagen. Tom Sawyer wist al evenveel van de spelonk als +iedereen. + +De stoet bewoog zich omstreeks drie kwartier langs den hoofdgang voort +en langzamerhand begonnen enkele paren in zijgangen weg te sluipen, +door donkere gaanderijen te kruipen en elkaar bij verrassing te +overvallen, op punten waar de gangen weder in elkander liepen. Een +paar slaagden er in zich een half uur te verstoppen, zonder van het +bezochte grondgebied te zijn afgeweken. + +Van lieverlede kwam de eene groep na de andere, jubelend, hijgende naar +adem, van het hoofd tot de voeten met afgedropen kaarsvet besmeerd +en uitgelaten van de pret, terug. Zij waren verbaasd te bemerken, +dat zij aan tijd noch ruimte gedacht hadden en dat de avond viel. De +bel der stoomboot had reeds een half uur haar schel geklingel doen +hooren, doch, 't was zoo heerlijk, zoo romantisch den dag op deze +wijs te besluiten. En toen de boot met hare luidruchtige bemanning +van wal stak, was de kapitein de eenige, die er geen schik in had, +dat het reeds zoo laat was geworden. + +Huck stond op zijn post, toen de lichten der veerboot langs de kade +flikkerden. Hij hoorde geen gerucht aan boord, want de jongeluidjes +waren vreedzaam en stil, zooals doodmoede lieden gewoonlijk zijn. Hij +was wel verlangend te weten, welke boot dit zijn kon en waarom +zij niet aan de kade aanlegde,--maar zijne gedachten bepaalden +zich niet lang bij dit onderwerp, en hij was weldra geheel in zijn +eigen aangelegenheden verdiept. De nacht werd donker en de lucht was +bewolkt. Het werd gaandeweg tien uren en alle geraas van rijtuigen +en voetstappen hield op; de schaarsche lichten werden al flauwer; +de nog op straat slenterende voetgangers verdwenen en de stad ging +de nachtrust in en liet den kleinen waker met de eenzaamheid en de +spoken alleen. + +Het sloeg elf uren en de lichten in de herberg werden uitgedaan en +nu heerschte er duisternis alom. + +Huck wachtte, naar het hem toescheen, een eindeloos langen tijd, +doch er gebeurde niets. Zijn vertrouwen begon te wankelen. Was het +de moeite waard? Was het werkelijk de moeite waard? Waarom zou hij +het niet opgeven en naar bed gaan? + +Plotseling vernam zijn oor een geluid. In een oogenblik +was hij geheel aandacht. De deur in het steegje werd zachtjes +dichtgedaan. Onmiddellijk kroop hij in een hoek bij den kalkoven. Het +volgende oogenblik slopen twee mannen langs hem heen, van wie de een +iets onder zijn arm scheen te dragen. Het moest de kist zijn! Zij +gingen dus den schat verplaatsen! Waarom zou hij Tom nu roepen? Het +zou een dwaasheid wezen!--De mannen zouden met de kist wegloopen en zij +zou nooit gevonden worden. Neen, hij zou blijven waken en hen volgen; +hij zou zich aan de duisternis toevertrouwen, als een waarborg tegen +ontdekking. Deze dingen bij zich zelven overleggende, sloop hij stil +voort en kroop voorzichtig als een kat, blootsvoets achter de mannen +aan, terwijl hij hen zoover voor zich uit liet gaan dat hij hen nog +juist in het gezicht had. + +Zij slopen de op de rivier uitloopende straat door en sloegen toen +links af, eene zijstraat in. Daarna gingen zij rechtuit, totdat +zij aan het pad kwamen, dat naar Cardiff Hill leidde. Dit werd +ingeslagen en zij stapten al maar voort, tot nabij het huis van den +ouden boschwachter, dat halverwege den heuvel gelegen was. + +"Goed," dacht Huck, "zij zullen den schat in de oude steengroeve +begraven." Maar zij hielden niet eens bij de steengroeve stil. Zij +gingen door naar den top. Toen kozen zij een zijpaadje tusschen de +groote sumakboomen en waren op eens in de duisternis verdwenen. Huck +versnelde zijn pas en liet minder ruimte tusschen hen en zich zelven; +zij konden hem thans immers onmogelijk zien. Hij draafde een poosje, +ging toen weder wat langzamer; uit vrees van te ver te zullen, loopen, +liep zachtjes weer een eindje door en hield toen stil. Hij luisterde, +geen geluid, behalve het gebons van zijn eigen hart. Daar werd op +eens over den heuvel het zuchten van een uil vernomen. + +Onheilspellend geluid! Maar geen voetstappen. Hemel! was alles +verloren? Hij was op het punt met gevleugelde voeten weg te snellen, +toen hij, geen vier pas van zich af, een man hoorde hoesten. Het +hart schoot den knaap in de keel, doch hij bekwam weder. Toch beefde +hij, alsof hem een dozijn koortsen op het lijf werden gejaagd, en +hij stond zoo wankel op zijne beenen, dat hij bepaald dacht op den +grond te zullen vallen. Hij wist waar hij was. Het was hem bekend, +dat hij zich op vijf treden afstand bevond van het hek, dat hem naar +de landerijen van de weduwe Douglas bracht. + +"Heel goed," dacht hij, "laten zij den schat hier begraven dan zal +hij niet moeilijk te vinden zijn." + +Thans werd er een zachte, zeer zachte stem gehoord;--het was die van +Injun Joe. + +"Godv....! zij heeft zeker gezelschap: er is nog licht aan, zoo laat +als het is." + +"Ik zie geen lichten." + +Dit was de stem van dien vreemdeling,--den vreemdeling uit het +spookhuis. Een ijskoude rilling voor Huck door de leden. Dus dit was de +dag der wrake! Zijne eerste gedachte was te vluchten. Toen schoot hem +te binnen, dat de weduwe Douglas meer dan eens vriendelijk geweest was +en het kon zijn, dat deze mannen plan hadden haar te vermoorden. Hij +zou zoo gaarne moed gehad hebben om haar te waarschuwen, maar hij +wist dat hij het niet durfde;--zij mochten hem eens beetpakken. + +Hij overdacht dit alles en meer nog in het oogenblik, dat verliep +tusschen de opmerking van den vreemdeling en het antwoord van Injun +Joe, hetwelk aldus luidde: + +"Omdat het kreupelhout je in den weg staat. Kom dezen kant uit.--Zie +je het nu?" + +"Ja, zeker, er zijn menschen. Ik geloof dat het beter is, het op +te geven." + +"Opgeven? Juist nu ik dit land voor altijd ga verlaten! Het +opgeven,--om nooit weer een kans te krijgen. Ik zeg je nog eens, +wat ik je al meer gezegd heb, dat ik niets om den buit geef;--dien +mag jij hebben. Maar haar man heeft mij gemeen behandeld--en meer +dan eens, en vooral daarin dat hij, die vrederechter was, mij als +een vagebond in de gevangenis heeft gezet. En dat niet alles. Dat is +niet het millioenste deel. Hij heeft mij laten geeselen!--geeselen, +vlak voor de gevangenis, als een neger, terwijl de geheele stad er +naar stond te kijken. Geeselen, versta je het? Hij is mij voor geweest +en is gestorven. Maar zij zal er voor boeten." + +"Och, vermoord haar niet! Doe het niet!" + +"Vermoorden? Wie spreekt van vermoorden? Ik zou hem vermoorden, +als hij hier was; maar haar niet. Wanneer men zich op eene vrouw +wreekt, vermoordt men haar niet:--ba! maar men berooft haar van hare +schoonheden. Men snijdt haar de neusgaten in tweeën;--men kerft haar +de ooren als een varken!" + +"Bij God, dat is..." + +"Houd je gevoelens voor je, dat is je geraden! Ik zal haar aan haar +bed vastbinden. Als zij doodbloedt, kan ik het helpen? Ik zal er mij +niet naar over maken. Vriendje, je zult mij in dit zaakje helpen--om +mij te pleizieren; daarvoor ben je hier,--want 't kan zijn, dat ik het +niet alleen af kan. Als je weifelt ben je een man des doods! Versta je +dat? En indien ik jou doodmaak, is zij er ook om koud--en dan geloof +ik niet dat iemand ooit veel van deze zaak zal te weten komen." + +"Wel, als het dan moet, laat ons er dan aan beginnen. Hoe eer hoe +beter;--ik beef als een riet!" + +"Het nu doen?--En er is gezelschap! Kijk eens hier: zorg, dat ik je +niet ga mistrouwen! Neen,--wij zullen wachten, totdat de lichten uit +zijn. Het heeft geen haast." + +Huck voelde, dat er een oogenblik van stilzwijgen zou volgen--en dat +was nog vreeselijker dan het moorddadig gesprek. Daarom hield hij +zijn adem in, deed omzichtig een stap achteruit, zette behoedzaam +zijn voet stevig neer, na heel gevaarlijk op één been te hebben staan +balanceeren en bijkans gevallen te zijn, eerst den eenen kant uit en +toen den anderen. Hij deed met dezelfde moeite en hetzelfde gevaar nog +een stap achteruit; toen nog een en nog een.--Daar brak een tak onder +zijn voet! Hij hield zijn adem in en luisterde. Hij vernam geen geluid; +het was volmaakt stil. Zijne dankbaarheid kende geen palen. Nu kwam +hij in het sumakboschje;--daar wendde en keerde hij zich voorzichtig +als een laveerend schip en stapte vervolgens haastig, maar behoedzaam +voort. Toen hij de steengroeve voorbij was, achtte hij zich veilig +en zette het op een loopen. Hij ijlde al maar voort, totdat hij het +huis van den ouden boschwachter had bereikt. Daar klopte hij aan de +deur en weldra werden de hoofden van den ouden man en van zijn beide +forschgespierde zonen voor de ramen zichtbaar. + +"Wat een rumoer daar? Wie klopt er? Wat moet je?" + +"Laat mij binnen--en gauw ook. Ik zal alles vertellen." + +"Wat? Wie ben je?" + +"Huckleberry Finn. Gauw, laat mij binnen!" + +"Huckleberry Finn, waarachtig! 't Is geen naam, waarvoor zich vele +deuren openen, geloof ik. Maar laat hem binnen, jongens, en laat ons +zien wat er te doen is." + +"Zeg het, als je blieft, nooit, dat ik je het verteld heb," waren +Hucks eerste woorden, toen hij binnentrad. "Doe het als je blieft +niet;--ik zal zeker vermoord worden; maar de weduwe is zoo goed voor +mij geweest, en ik moet het zeggen;--ik zal het vertellen, als je +mij belooft, dat je nooit zult zeggen dat ik het was." + +"Bij den Hemel, hij heeft iets te vertellen, of hij zou zoo niet +spreken!" riep de oude man uit. "Voor den dag er mee, en niemand zal +het verklappen." + +Tien minuten later beklommen de oude man en zijne zonen, behoorlijk +gewapend, den heuvel en stapten op hun teenen het pad der sumakboomen +in. Huck vergezelde hen niet verder; hij verborg zich achter een +rotsblok en luisterde. + +Er volgden eenige oogenblikken van lange, akelige stilte. Plotseling +werd er een geknal van vuurwapenen gehoord en een gil. + +Huck wachtte niet om eenige bijzonderheden te vernemen, maar ijlde +zoo spoedig, als zijne beenen hem dragen konden, den heuvel af. + + + + +HOOFDSTUK XXXI. + + +Zondagochtend voor dag en dauw kroop Huck reeds den berg op en klopte +aan de deur van den ouden boschwachter. De huisgenooten lagen nog te +bed en sliepen een hazenslaap, tengevolge van de spanning waarin zij +een gedeelte van den nacht hadden doorgebracht. Een stem riep uit +een raam: + +"Wie is daar?" + +Huck antwoordde verschrikt, op zachten toon: + +"Laat mij, als 't u blieft, binnen. Het is niemand dan Huck Finn." + +"Dat is een naam voor welken de deur dag en nacht open staat!--Wees +welkom!" + +Dit waren vreemde woorden in de ooren van den jeugdigen vagebond +en de liefelijkste die hij ooit had vernomen. Hij herinnerde zich +niet de twee laatste immer gehoord te hebben. De deur werd haastig +ontsloten en de knaap trad binnen. Men gaf hem een stoel, en de oude +man en zijne zonen kleedden zich in aller ijl aan. + +"Nu, mijn jongen, ik hoop dat gij een goeden eetlust hebt meegebracht, +want wij gaan ontbijten zoodra de zon opkomt, en 't zal een brandend +zonnetje zijn ook. Ik en de jongens hoopten al dat ge gisteren hier +zoudt zijn teruggekeerd en in ons huis zoudt geslapen hebben." + +"Ik was zoo vreeselijk geschrikt," zeide Huck, "en ik heb het op +een loopen gezet. Ik rende weg zoodra de pistolen afgingen, en ik +holde drie mijlen ver voort, en ik ben nu gekomen omdat ik er iets +van weten wou. Ik kom voor het daglicht, omdat ik de duivels niet +graag tegen het lijf zou loopen, zelfs al zijn ze dood." + +"Wel, arme jongen, je ziet er uit alsof je een akeligen nacht +gehad hebt,--maar hier staat een bed voor je, wanneer je ontbeten +hebt. Neen, zij zijn niet dood, jongen;--dat spijt ons genoeg. Wij +wisten, door jouw beschrijving, waar wij de hand op hen moesten +leggen. Wij kropen op de teenen voort, totdat wij omstreeks vijftien +pas van hen verwijderd waren--en 't pad der sumakboomen was zoo donker +als een kelder--en juist toen voelde ik dat ik moest niezen. 't Was +bitter ongelukkig; ik trachtte het in te houden, maar 't hielp niet: +het wilde komen en het kwam. Ik liep vooruit met opgeheven pistool en +toen het genies de schurken verschrikt uit het bosch deed opspringen, +riep ik: 'Vuur jongens!' en schoot in de richting, waar het geritsel +vandaan kwam. En dat deden de jongens ook, maar de schelmen waren in +een ommezien weg en wij holden hen in het bosch achterna. Ik geloof, +dat wij hen niet eens geraakt hebben. Toen wij stilhielden, schoten +zij op ons, maar hunne kogels sisten langs ons heen, zonder ons te +deren. Zoodra wij het geluid hunner voetstappen niet meer hoorden, +gaven wij de jacht op en gingen naar de stad om de politie roepen. Deze +riep de gewapende macht bijeen en hield de wacht langs den oever der +rivier, en zoodra het licht wordt, zal de sherif met zijne kornuiten +de bosschen doorkruisen. Mijne jongens zullen meegaan. Ik wou, dat wij +de rekels zoo wat konden beschrijven;--dat zou heel wat helpen. Maar +gij kondt zeker in het duister niet zien hoe zij er uitzagen, hé?" + +"O, jawel, ik heb ze door de stad zien gaan en ben hen gevolgd." + +"Prachtig! Beschrijf ze dan, beschrijf ze dan, mijn jongen." + +"De eene is de doofstomme Spanjaard, die een paar malen hier geweest +is en de andere is een kerel met een gemeen gezicht, in lompen." + +"Genoeg, jongen! Wij kennen de kerels. Wij zijn ze een dag of wat +geleden, achter in de bosschen van de weduwe Douglas tegengekomen en +zij kropen voor ons weg. Er uit, jongens, naar den sherif.--Morgen +komt er weer een dag om te ontbijten." + +De zonen van den boschwachter vertrokken dadelijk. Toen zij de kamer +uit waren, sprong Huck op en riep uit: + +"O, vertel als het u blieft aan niemand, dat ik ze op het spoor ben +gekomen! O, als het u blieft niet." + +"Heel goed, Huck, als gij dat verkiest; maar gij moest eigenlijk de +eer hebben van 't geen gij gedaan hebt." + +"O, neen, neen! Zeg het als het u blieft niet." + +"Neen," antwoordde de boschwachter, "de jongens zullen het niet +zeggen--en ik ook niet. Maar waarom wilt gij het niet weten?" + +Huck wilde zich niet verder uitlaten en zeide alleen, dat hij een +der beide mannen goed kende en dat hij bang was dat die man te weten +zou komen, dat hij iets kwaads van hem wist, daar hij hem dan zeker +zou vermoorden. + +De oude man beloofde nogmaals te zullen zwijgen en zeide: + +"Hoe zijt gij er toch toe gekomen om deze kerels te volgen, +jongen? Zagen zij er verdacht uit?" + +Huck zweeg en bedacht zich even, om naar een voorzichtig antwoord te +zoeken. Toen zeide hij: + +"Wel, ziet gij, ik heb een hard lot,--ten minste dat zeggen de +lui--en ik kan er niets aan doen--en soms kan ik niet slapen, omdat +ik er zoo lang over lig te denken en op middelen zin om er een eind +aan te maken. Dat deed ik juist gisteren-nacht. Ik kon niet slapen +en ging daarom tegen middernacht de straat op, om er nog eens over +te denken, en toen ik bij dien ouden, wrakken steenoven kwam bij de +Matigheidsherberg, ging ik met mijn rug tegen den muur staan. Juist op +dat oogenblik slopen die twee kerels mij voorbij, met iets onder den +arm, 't welk ik vermoedde dat zij gestolen hadden. De een rookte en de +ander nam een zwavelstok, om zijn sigaar op te steken. Zij hielden +vlak voor mij stil en hunne sigaren verlichtten hun 't gezicht, +en ik zag aan de witte bakkebaarden en den lap op zijn oog, dat +'de lange' de doofstomme Spanjaard en dat de andere een havelooze, +gemeene duivel was." + +"Kondt gij bij het licht der sigaar zien, dat hij er gemeen in de +kleeren uitzag?" + +Die vraag bracht Huck een oogenblik van zijn stuk. Toen hernam hij: +"Dat weet ik zoo niet--maar, ik geloof het toch wel." + +"Toen gingen zij voort, en gij....?" + +"Ik volgde hen. Ja, dat deed ik. Ik wou eens zien waar zij heen +slopen. Ik speurde het na tot aan 't hek bij de weduwe en bleef in het +duister staan en hoorde den havelooze smeekend vragen, om medelijden +met de weduwe te hebben, en den Spanjaard zweren, dat hij haar neus +kapot zou snijden en haar ooren kerven, juist zooals..." + +"Wat! zeide de _doofstomme_ man dat alles?" + +Huck had weder een verschrikkelijken flater gemaakt. Hij deed al zijn +best om den ouden man niet te laten merken wie die Spanjaard was, en +toch scheen zijn tong het er op gezet te hebben hem er in te laten +loopen. Hij deed zijn uiterste best om zich uit deze moeielijkheid +te redden, doch de oude man keek hem strak in het gezicht en de knaap +maakte het eene abuis na het andere. Eindelijk zeide de boschwachter: + +"Jongen, wees niet zoo bang voor mij; ik zou voor al het geld van +de wereld geen haar van uw hoofd willen krenken. Neen, ik zal u +beschermen,--dat zal ik. Deze Spanjaard is niet doofstom: gij hebt u +dat onwetend laten ontvallen; gij kunt het niet weder intrekken. Gij +weet meer van den Spanjaard. Vertrouw mij; zeg mij wat het is. Ik +zal u niet verraden." + +Huck zag den ouden man een oogenblik in de eerlijke oogen, boog zich +toen over hem been en fluisterde hem in 't oor: + +"Het is geen Spanjaard; het is Injun Joe." + +De boschwachter viel van schrik bijna van zijn stoel en zeide: + +"Nu is mij alles duidelijk. Toen gij spraakt van ooren kerven en +neuzen opensnijden, dacht ik, dat gij er dit bij hadt gemaakt, omdat +blanken nooit op deze wijze wraak nemen. Maar een kleurling! dat is +heel wat anders." + +Zij praatten al ontbijtende voort en in den loop van het gesprek zeide +de oude man, dat het laatste wat hij en zijne zonen gedaan hadden +eer zij naar bed gingen, was geweest een lantaarntje nemen en in de +buurt van het hek zoeken, of zij ook sporen van bloed ontdekten. Zij +vonden er echter geene, maar wel een grooten bos... + +"Wat?" + +Indien de woorden een bliksemstraal geweest waren, konden zij +niet met meer verpletterende snelheid aan Hucks bleeke lippen zijn +ontsnapt. Zijne oogen stonden strak en zijn adem stokte, toen hij +naar een antwoord wachtte. + +De boschwachter schrikte, zag hem een paar seconden zwijgend aan en +zeide toen: + +"Breekijzers. Maar, wat scheelt u?" + +Huck zonk achterover en haalde zacht en onuitsprekelijk dankbaar +adem. De boschwachter zag hem weder aan en hernam: + +"Ja, breekijzers. Dat schijnt u een pak van 't hart te nemen. Maar +waarom verschriktet gij zoo? Wat dacht gij, dat wij gevonden hadden?" + +Huck zat in een benauwd hoekje; de vragende oogen waren op hem gericht; +hij zou alles gegeven hebben, indien hij een aannemelijk antwoord had +kunnen vinden. Maar niets deed zich voor. Het vragend oog doorboorde +hem al dieper en dieper.--Daar schoot hem een allerdwaast antwoord +in. Er was geen tijd om te overwegen, dus mompelde hij op goed geluk: + +"Ik dacht, boeken van de zondagsschool." + +De arme knaap was te beangst om zelfs te kunnen glimlachen,--doch +de oude man lachte luid en vroolijk, schudde Huck door elkander en +eindigde met te zeggen, dat zulk een lach goud waard was, omdat deze +het geld voor den dokter in den zak hielp houden. Toen voegde hij +er bij: + +"Arme jongen, je ziet er bleek en vermoeid uit. Je bent niet wel. Geen +wonder dat je hersenen wat verward zijn. Maar je zult er wel bovenop +komen. Rust en slaap zullen je, hoop ik, wel weder in orde brengen." + +Huck was boos op zich zelven, dat hij zoo dom was geweest, zich door +zulk eene verdachte verlegenheid te verraden, want hij had, zoodra +hij het gesprek bij het hek had afgeluisterd, het denkbeeld laten +varen dat het pakje, 't welk zij uit de herberg hadden medegebracht, +de schat was. Hij had althans maar gedacht, doch niet geweten dat +het de schat _niet_ was, en vandaar dat de mededeeling van den +buitgemaakten bundel te prachtig was om er zijne tegenwoordigheid +van geest bij te blijven bewaren. Alles te zamen genomen evenwel, +was hij blijde dat deze kleine episode had plaats gehad, want nu wist +hij stellig en zeker, dat deze buit de schat niet was en dus kwam +zijn gemoed tot rust en voelde hij zich grootelijks verruimd. Ja, +waarlijk, alles scheen thans naar de juiste richting te drijven: de +schat moest nog op "nummer twee" zijn; de mannen zouden dien dag gepakt +en in de gevangenis gezet worden en hij en Tom zouden morgen-nacht, +zonder moeite en zonder vrees voor stoornis, het geld in beslag nemen. + +Juist toen het ontbijt was afgeloopen, werd er op de deur geklopt. Hij +sprong op om eene schuilplaats te zoeken, want hij had geen lust om +zelfs in de verste verte met de gebeurtenis van den vorigen nacht in +verband te worden gebracht. De boschwachter liet verscheidene dames +en heeren binnen, onder welke de weduwe Douglas, en hij bemerkte dat +heele zwermen den heuvel beklommen, om het hek te bekijken. Het nieuws +had zich dus verspreid. + +De boschwachter moest zijnen bezoekers de geschiedenis van dien nacht +vertellen. De weduwe kon geen woorden vinden on hare dankbaarheid +voor hare bescherming uit te drukken. + +"Spreek er niet van, mevrouw," zeide de boschwachter. "Er is een ander, +aan wien gij meer verplicht zijt dan aan mij en aan mijne jongens. Maar +deze wil zijn naam niet genoemd hebben. Wij zouden daar nooit geweest +zijn, indien hij ons niet gewaarschuwd had." + +Natuurlijk wekte dit eene mate van nieuwsgierigheid op, die de +hoofdzaak in de schaduw stelde; doch de boschwachter liet de bezoekers +in het onzekere en door hen werd deze tijding door de geheele stad +gebracht. Toen zij al het overige vernomen had, zeide de weduwe: + +"Ik heb in bed liggen lezen en ben zoo in slaap gevallen en heb niets +van het leven gehoord. Waarom hebt gij mij niet wakker gemaakt?" + +"Wij dachten, dat het niet noodig was. De kerels zouden waarschijnlijk +niet terugkomen. Zij hadden geen gereedschap om mede te werken; +en waartoe zou het dienen u te wekken en u doodelijk te doen +ontstellen? Mijne drie zwarte knechts hebben den ganschen nacht voor +uw huis de wacht gehouden. Zij zijn juist teruggekomen." + +Er kwamen hoe langer hoe meer bezoekers en de geschiedenis moest een +paar uren lang aanhoudend verteld en oververteld worden. + +In de vacantie was er geen zondagsschool, maar men ging wat vroeger +naar de kerk. De ontrustbarende gebeurtenis werd daar dien morgen +behoorlijk uitgeplozen en iedereen kon vernemen, dat er nog geen taal +of teeken van de schelmen ontdekt was. + +Toen de kerk uitging, liep mevrouw Thatcher toevallig naast juffrouw +Harper, die met de schare het Godshuis verliet, en zeide: + +"Slaapt mijn Becky den heelen dag? Ik dacht wel, dat zij erg vermoeid +zou zijn." + +"Uwe Becky?" + +"Ja," zeide de ander met een verschrikt gelaat. "Heeft zij van nacht +dan niet bij u gelogeerd?" + +"Wel neen." + +Mevrouw Thatcher werd bleek en viel op eene bank neder, juist toen +tante Polly, in een levendig gesprek met eene oude vriendin, haar +voorbijging. Tante Polly zeide: + +"Goeden morgen, mevrouw Thatcher; goeden morgen, juffrouw Harper. Ik +mis een van mijne jongens. Tom is zeker van nacht aan uw huis blijven +slapen en durft nu niet in de kerk komen, niet waar? Ik zal weer een +appeltje met hem te schillen hebben." + +Mevrouw Thatcher schudde het hoofd en werd nog bleeker. + +"Hij is niet bij ons geweest,'" zeide juffrouw Harper, met een +verontrust gelaat. Ook tante Polly werd angstig. + +"Joe Harper, heb je mijn Tom van morgen al gesproken?" + +"Neen, juffrouw." + +"Wanneer heb je hem het laatst gezien?" + +Joe trachtte zich dit te binnen te brengen, maar hij herinnerde +het zich niet. De kerkgangers bleven met bedrukte gezichten staan +kijken; er ontstond een geheimzinnig gefluister, en onrust teekende +zich op ieders gelaat. De kinderen en de onderwijzers werden angstig +ondervraagd, doch niemand had er op gelet of Tom en Becky aan boord +van de stoomboot waren, toen zij naar huis voeren. Het was zoo donker, +en men had er niet aan gedacht om te vragen, of er ook een gemist +werd. Een der aanwezige jongelieden liet zich ontvallen, dat hij +vreesde dat ze nog in de grot waren! Bij deze veronderstelling viel +mevrouw Thatcher dadelijk in onmacht en tante Polly begon te schreien +en hare handen te wringen. + +In een oogenblik ging de noodkreet van mond tot mond, van groep +tot groep, van straat tot straat, en binnen vijf minuten luidde de +noodklok met woesten klank en was de gansche stad in rep en roer. De +gebeurtenis te Cardiff Hill zonk dadelijk in het niet; de inbrekers +waren vergeten. Paarden werden gezadeld, schuitjes bemand, de stoomboot +werd uitgezonden, en eer de vreeselijke tijding een half uur oud was, +waren er tweehonderd man in vaartuigen of te voet op weg naar de grot. + +In den namiddag was de stad als uitgestorven. Vele dames kwamen tante +Polly en mevrouw Thatcher bezoeken en zochten haar te troosten. Zij +schreiden met haar, en dat deed de bedroefden nog meer goed dan +hare woorden. + +Den ganschen langen nacht wachtte men op tijding, en toen de dag +eindelijk aanbrak, kwam er niets dan de boodschap: "Zend meer kaarsen +en meer voedsel." Mevrouw Thatcher was bijna krankzinnig van angst, +en tante Polly ook. De heer Thatcher zond nu en dan bemoedigende +boodschappen uit de grot, doch dezen brachten weinig troost. + +De oude boschwachter kwam tegen het aanbreken van den dag, met +kaarsvet besmeerd, met modder bespat en doodmoede tehuis. Hij vond +Huck nog in het bed, dat hij voor hem had gereedgemaakt. De knaap +lag in ijlende koorts. De dokters waren allen naar de grot en dus +nam de weduwe Douglas de zorg voor den patiënt op zich. Zij zeide +dat zij voor hem doen zou wat zij kon, omdat, 't zij hij goed was +of slecht, hij des Heeren was, en niets wat den Heer toebehoorde, +mocht veronachtzaamd worden. De boschwachter verklaarde, dat Huck +nog zoo'n slechte jongen niet was, waarop de weduwe antwoordde: + +"Dat spreekt vanzelf. Dat is de stempel des Heeren; deze kan niet +uitgewischt worden. God doet dat nooit, maar drukt Zijn merk op elk +schepsel, dat uit Zijne hand komt." + +Vroeg in den middag kwam het meerendeel der St. Petersburgers, die +uitgegaan waren om te zoeken, doodelijk vermoeid in de stad terug, doch +de sterksten onder de burgers zetten het onderzoek voort. De eenige +tijding die zij meebrachten was, dat men bezig was een verwijderd +gedeelte van de spelonk te doorzoeken, waarin nooit menschelijke +voetstappen waren doorgedrongen, en dat elke hoek en spleet zou +worden nagespeurd. Verder, dat door den ganschen doolhof, lichten +her- en derwaarts flikkerden en de doffe klank van pistoolschoten +door de sombere gewelven weerkaatste. Op eene plaats, ver van het +gewoonlijk door de toeristen bezochte gedeelte, had men de namen +"Becky" en "Tom" met kaarssnuitsel op een rotsachtigen muur gevonden +en vlak daarbij een met vet besmeerd stukje lint. Mevrouw Thatcher +herkende het lint en schreide er bittere tranen over. Zij zeide, +dat dit het laatste aandenken was, 't welk zij ooit van haar kind +zou bezitten; dat geen andere gedachtenis haar zoo dierbaar zou zijn, +daar dit voorwerp het laatst van het levende lichaam gescheiden was, +voordat de vreeselijke dood was gekomen. Sommigen verhaalden, dat +men nu en dan in de grot een verwijderd stipje licht zag flikkeren, +en dat telkens, als dit te zien kwam, door een twintigtal mannen, die +troepsgewijze door de holklinkende gangen liepen, een jubelkreet werd +aangeheven, die telkens door wanhopige teleurstelling werd gevolgd. + +Dus sleepten drie vreeselijke dagen en nachten hunne trage uren +voort en de stedelingen vervielen welhaast in wanhoop. De toevallige +ontdekking, onlangs gedaan, dat de eigenaar van de Matigheidsherberg +in een bijgebouw sterken drank bewaarde, scheen het publiek nauwelijks +te treffen, hoe verschrikkelijk de gebeurtenis ook zijn mocht. + +In een helder oogenblik gedurende zijne ziekte, bracht Huck +schoorvoetend het gesprek op herbergen en vroeg eindelijk, met een +vaag vermoeden van het ergste, of er sedert zijne ziekte ook iets in +de Matigheidsherberg ontdekt was. + +"Ja," zeide de weduwe. + +Huck sprong met verwilderde oogen in zijn bed op. + +"Wat? Wat was het?" + +"Drank! En de herberg is gesloten. Ga stil liggen, kind;--gij doet +mij schrikken." + +"Zeg mij slechts één ding--één ding als het u blieft. Heeft Tom Sawyer +het ontdekt?" + +De weduwe barstte in tranen uit. + +"Stil, kind, stil! Ik heb al meer gezegd, dat gij niet moet praten. Gij +zijt zeer, zeer ziek." + +Zoo! dus was er niets dan drank gevonden. Het zou wel eene groote +opschudding gegeven hebben, indien het de schat was geweest. Dus was +deze voor eeuwig verloren! Maar waarom zou zij schreien? Hoe vreemd +dat zij schreide. Deze gedachten doorkruisten Hucks brein en onder de +vermoeienis van het peinzen viel hij in slaap. Toen zeide de weduwe +tot zich zelve: + +"Daar slaapt hij, de arme drommel. Tom Sawyer hem vinden! Gave God, +dat iemand Tom Sawyer vond! Ach, er zijn er niet veel meer, die nog +hoop en kracht hebben om met zoeken voort te gaan." + + + + +HOOFDSTUK XXXII. + + +Wij moeten thans naar de pic-nic en Tom en Becky's aandeel in de +pret terugkeeren. Zij hadden met de anderen door de donkere gangen +gehuppeld en de bekende wonderen van de grot bezocht,--wonderen +met wel te grootsche namen bestempeld, zooals: het "Salon," de +"Kathedraal," het "Paleis van Aladdin," enz. Aan het daarop gevolgd +"verstoppertje" spelen hadden zij ijverig deelgenomen, totdat zij +van de inspanning moede waren geworden. Daarna eens opwandelende, +waren zij in een kronkelpad afgedwaald en hadden daar, bij het licht +hunner omhooggehouden kaarsen, het krabbelschrift van namen, datums, +adressen en motto's gelezen, waarmede de rotswanden (met kaarssnuitsel) +beschreven waren. Al voortgaande en pratende, hadden zij niet eens +bemerkt, dat zij zich in een gedeelte der grot bevonden, op welks +muren geene namen te lezen stonden. Hier schreven zij hun eigen +naam met kaarssnuitsel op een vooruitstekend rotsblok en gingen +verder. Kort daarop kwamen zij op eene plaats, waar een, over een +zandrif naar beneden vlietend en een laag kalksteen met zich voerend +waterstroompje, in de langzaam voortgaande eeuwen, een versteende +Niagara van schitterend en onvergankelijk stalactiet had gevormd. + +Om Becky pleizier te doen, kroop Tom met zijn tenger lichaam +tusschen de steenen door, om de plaats te verlichten. Te midden dier +rotsenmassa ontdekte hij eene door de natuur gevormde trap, door nauwe +muren ingesloten, en bij dat gezicht werd hij door den lust tot een +ontdekkingstocht aangegrepen. Becky verklaarde zich bereid hem te +vergezellen en zij maakten met den walm der kaars een teeken, dat hen +den terugweg zou doen weervinden, en gingen op verkenning uit. Zij +sloegen allerlei paden in, tot ver in de grot; zij maakten nog eens +een merkteeken en gingen steeds voort om nieuwe wonderen te zoeken, +die zij aan de bovenwereld zouden vertellen. Op eens ontdekten zij een +ruim hol, van welks zoldering een massa glinsterend druipsteen afhing, +in lengte en vorm aan een menschenbeen gelijk. Vol bewondering en +verbazing wandelden zij daarin rond en verlieten het hol weder door +een der vele gangen, die er op uitliepen. Hun weg bracht hen bij +een tooverachtig schoone springbron, welker bodem met schitterende +gekristallisseerde waterdroppen als ingelegd was. De bron stond midden +in een grot, met muren door allervreemdsoortigste pilaren gestut, +gevormd door de verbinding van groote stalactieten en stalagmieten, +die wederom aan het eeuwenlang neerdruppelen van water hun ontstaan te +danken hadden. Onder dit dak hadden zich dikke zwermen vledermuizen +bij duizendtallen opeengehoopt. Door het licht verschrikt, kwamen +deze dieren bij honderden naar beneden en fladderden met een akelig +geschreeuw woedend om de kaarsen been. Tom kende hun aard en het +gevaar, dat van dien kant dreigde. Hij greep Becky bij de hand en +duwde haar in een der vele gangen--en voorwaar niet te vroeg, want +een vledermuis sloeg, juist toen zij den grot verlieten, met hare +vleugels Becky's licht uit. De booze dieren vervolgden de kinderen +nog een tijdlang, doch de vluchtelingen liepen telkens een nauwen +gang in en ontkwamen eindelijk aan deze gevaarlijke beesten. + +Kort daarna ontdekte Tom een onderaardsch meer, welks eindelooze +lengte zich in de duisternis verloor. Ofschoon hij groote geneigdheid +had om de oevers van dat meer te gaan verkennen, kwam hij tot het +besluit, dat het beter zou zijn een oogenblik te gaan zitten, on +uit te rusten. En nu eerst wekte de doodelijke stilte van het oord +verlammend op hun jeugdig gemoed. + +"Tom, ik verbeeld mij, dat wij sedert uren niets van de anderen +gehoord hebben."' + +"Becky, ik geloof dat wij veel dieper zijn dan zij, maar ik weet niet +in welke richting, in het noorden, zuiden of oosten. Ik geloof niet, +dat het mogelijk is hen hier te hooren." + +Becky begon bang te worden. + +"Ik zou wel eens willen weten, hoe lang wij al hier zijn.--Zou het +niet beter wezen terug te keeren?" + +"Ja, dat geloof ik ook." + +"Kunt gij den weg terugvinden? Ik zie niets dan kronkelpaden en +slingerwegen." + +"Ik zou het wel kunnen, maar ik ben bang voor de vleermuizen. Indien +zij ook mijn kaars uitdeden, zouden wij er ellendig aan toe zijn. We +moeten het met een anderen weg beproeven. + +"Och, ik hoop maar dat wij niet zullen verdwalen. Dat zou zoo +vreeselijk wezen!" + +En het meisje begon te beven bij de gedachte aan die ontzettende +mogelijkheid. + +Zij liepen een gang in en gingen zwijgend een geruimen tijd voort, +naar elke nieuwe opening kijkende, om te zien of zij ook iets ontdekten +dat hun bekend voorkwam, doch 't was alles even vreemd. Telkens als +Tom de plaats opnam, bespiedde Becky angstig zijn gelaat en telkens +antwoordde hij vroolijk: + +"O, wees zonder zorg; dit is het pad niet, maar wij zullen het rechte +zeker vinden." + +Bij elke mislukte poging echter verloor de knaap iets van zijn moed +en nu op goed geluk, in allerlei richtingen, verschillende gangen in +te slaan, in het wanhopend vertrouwen, dat hij den doorgang dien zij +noodig hadden, wel vinden zou. Voortdurend riep hij: + +"'t Zal wel gaan." Doch er lag hem zulk een looden wicht op het hart, +dat de woorden hun klank verloren en luidden alsof hij geroepen had: +"Alles is verloren." + +Becky klampte zich angstig aan hem vast en deed haar best om niet +te schreien, maar de tranen sprongen haar ondanks haar zelve uit de +oogen.--Eindelijk riep zij uit: + +"O, Tom, ik geef niets om de vleermuizen! Laat ons liever langs den +ouden weg teruggaan. 't Is alsof wij hoe langer hoe verder van het +rechte pad afdwalen." + +Tom hield stil. + +"Luister!" zeide hij. + +Niets dan diepe stilte,--eene stilte zoo groot, dat de kinderen hun +adem konden hooren. + +Tom begon te roepen. De kreet weerkaatste door de holle gangen en +stierf in de verte weg, in een geluid dat aan een spotlach deed denken. + +"O, doe het niet meer, Tom! het is al te akelig!" zeide Becky. + +"'t Is akelig, maar 't is toch beter, Becky. Misschien kunnen zij +het hooren." + +De woorden "misschien kunnen" joegen Becky een rilling door de +leden, nog kouder dan het spookachtig geluid had gedaan, want zij +waren de taal der wanhoop. De kinderen stonden stil en luisterden, +alweder zonder gevolg. Opeens keerde Tom op zijne schreden terug en +verhaastte zijn stappen. Een oogenblik later verried eene angstige +onbeslistheid in zijne manieren aan Becky het vreeselijk feit: hij +had het spoor van den terugweg verloren!" + +"O, Tom, heb je geen teekens gemaakt?" + +"Becky, ik was zoo dwaas! Ik dacht, dat wij niet langs dezen kant +zouden behoeven terug te gaan. Ik kan den weg niet meer vinden. 't +Is alles even verward!" + +"Tom! Tom! wij zijn verloren. Wij zullen het daglicht nooit meer +zien. O, waarom hebben wij de anderen verlaten?" + +Zij zonk op den grond neder en barstte in zulk een waanzinnig +gekrijt uit, dat Tom bang werd dat zij zoude sterven of het verstand +verliezen. Hij ging naast haar zitten en sloeg zijne armen om haar +heen: zij verborg haar gezichtje tegen zijn borst, hield hem stijf +vast en stortte hare angsten en haar tot niets leidend berouw tot hem +uit;--en de verwijderde echo's verkeerden dat alles in een hoonend +gelach. Tom smeekte haar moed te houden, maar zij antwoordde dat dit +haar onmogelijk was. + +Toen begon hij er zich een verwijt van te maken, dat hij haar in dezen +ellendigen toestand gebracht had. Dit had eene goede uitwerking; want +zoodra hij zich zelven beschuldigde, beloofde zij, dat zij haar best +zou doen om zich goed te houden en dat zij zou opstaan en hem volgen, +werwaarts hij haar wilde heenleiden, als hij haar beloofde niet meer +zoo te praten; beiden hadden zij immers, zoo zeide zij, schuld. + +Zoo gingen zij dan weer verder,--zonder doel, enkel op goed geluk +af. Het beste ook wat zij doen konden, was te loopen, steeds te +loopen. De hoop scheen voor een oogenblik te herleven, niet omdat er +eenig uitzicht op redding was, maar dewijl het in haar natuur ligt +steeds te herleven, zoolang zij door de jaren en de ervaring van +teleurstellingen, haar veerkracht nog niet verloren heeft. + +Een poos daarna nam Tom Becky's kaars en blies die uit. Dat was +een veelbeteekenende spaarzaamheid. Ook zonder dat het gezegd werd, +begreep Becky wat dit beduidde en de hoop ontzonk haar weder. Zij +wist, dat Tom nog eene geheele kaars en drie of vier eindjes in den +zak had en toch zuinig moest zijn. + +Allengs begon het vermoeiend zwerven hun invloed op hen uit te +oefenen. De kinderen trachtten te doen alsof zij 't niet merkten, +want de gedachte alleen aan zitten, terwijl elke minuut kostbaar was, +was vreeselijk. Zich bewegen, hoe dan ook en waarheen dan ook, was +vorderen en kon met een gewenschten uitslag worden bekroond. Stilzitten +daarentegen, was den dood inroepen en zijn komst verhaasten. + +Eindelijk weigerden Becky's zwakke leden haar verder te dragen. Zij +legde zich op den grond neder, en Tom zette zich naast haar. Zij +spraken van huis, van hunne ouders, van hun heerlijk bed en voor alle +dingen van het verrukkelijke licht; Becky schreide en Tom verzon van +alles on haar op te beuren! Maar alle troostwoorden waren afgesleten +en klonken als bijtende spot. Uitgeput van vermoeidheid viel Becky +ten laatste in slaap. Tom was er blijde om en bleef op haar bedroevend +gelaat turen. Hij zag het, onder den invloed van vriendelijke droomen, +weer glad en effen worden en bemerkte, dat een glimlach op hare +lippen neerdaalde en zich er bleef vestigen. Die kalmte bracht zijn +eigen gemoed ook eenigszins tot rust en zijne gedachten dwaalden +terug naar vroegere tijden en nevelachtige herinneringen. Te midden +zijner overpeinzingen ontwaakte Becky met een vroolijk lachje,--doch +het stierf op hare lippen weg en werd gevolgd door een diepen zucht. + +"O, hoe kon ik slapen? Ik wou dat ik maar nooit, nooit meer was wakker +geworden! Neen, neen, Tom, zie mij niet zoo angstig aan! Ik zal het +nooit meer zeggen." + +"Ik ben zoo blijde dat gij geslapen hebt, Becky. Gij zult nu minder +moede zijn en wij zullen den weg vinden." + +"Wij kunnen het probeeren, Tom, maar ik heb zulk een mooi land in +mijn droom gezien--en daarheen zullen wij gaan, denk ik." + +"Misschien nog wel niet. Houd je goed, Becky, en laat ons voortgaan." + +Zij stonden op en dwaalden hand in hand, hopeloos voort. Zij trachtten +den tijd te begrooten, dien zij in de grot hadden doorgebracht, maar +dien bij benadering berekenen konden zij niet. Het scheen hun dagen +en weken te zijn, ofschoon dat onmogelijk was, want hunne kaarsen +waren nog niet opgebrand. + +Een langen, zeer langen tijd daarna zeide Tom, dat zij zachtjes +moesten loopen en luisteren of zij ook water hoorden druppelen, +daar zij bij een bron moesten zijn. Deze vonden zij ook werkelijk +en Tom stelde voor om weer wat te rusten. Beiden waren doodmoede en +toch zeide Becky, dat zij nog wel een eind verder zou kunnen gaan; +maar tot hare verbazing wilde Tom daar niet van hooren. Daarom gingen +zij weder zitten, en Tom maakte zijne kaars met klei aan den muur +vast. Ieder was in zijn eigen gedachten verdiept; een geruimen tijd +werd er geen woord gesproken. Becky verbrak het stilzwijgen het eerst. + +"Tom," zeide zij, "ik heb zoo'n honger." + +Tom haalde iets uit den zak. + +"Herken je dit?" zeide hij. + +Becky trachtte te glimlachen en zeide: + +"Het is onze bruidskoek, Tom!" + +"Ja, ik wou dat hij tienmaal grooter was, want het is alles wat +wij hebben." + +"Ik had hem voor de pic-nic medegenomen, on hem met u te deelen, Tom, +zooals groote menschen doen;--maar ik vrees dat het onze...." Zij +voltooide den volzin niet. Tom verdeelde den koek en Becky at met +graagte, terwijl Tom zijne helft langzaam opmuisde. Er was overvloed +van water om bij het eten te gebruiken. Eindelijk opperde Becky de +vraag, of het niet beter zou zijn weder verder te gaan. Tom zweeg +een oogenblik en zeide toen: + +"Becky, kun je verdragen, dat ik je iets zeg?" + +Becky werd bleek, doch knikte toestemmend. + +"Nu dan, Becky, wij moeten hier blijven, omdat hier water voorhanden +is; want dit kleine stukje is ons laatste eindje kaars." + +Becky barstte in tranen en weeklagen uit. + +Tom deed zijn best on haar te troosten, doch zonder baat. Eindelijk +riep zij uit. + +"Tom!" + +"Wat is er, Becky?" + +"Zou men ons missen en trachten op te sporen?" + +"Ja, zeker." + +"Zou men nog bezig zijn met zoeken?" + +"Ik geloof het bepaald en ik hoop het." + +"Wanneer zou men ons het eerst gemist hebben?" + +"Toen zij naar de boot terugkeerden, denk ik." + +"Tom, het kon wel zijn, dat het toen donker was;--zouden zij dan wel +opgemerkt hebben, dat wij er niet waren? + +"Ik weet het niet. Maar in elk geval moet je moeder je gemist hebben, +zoodra zij te huis waren." + +Een uitdrukking van schrik op Becky's gelaat bracht Tom tot bezinning +en hij zag, dat hij een misslag had begaan. Tom en Becky zouden +dien avond niet naar huis gegaan zijn. De kinderen spraken niet meer +en bleven zitten peinzen. Een nieuwe uitbarsting van droefheid van +Becky deed Tom zien, dat ook zij dacht aan 't geen er in zijne ziel +omging,--namelijk, dat de Zondagochtend al voorbij kon zijn, eer +mevrouw Thatcher tot de ontdekking kwam, dat Becky niet bij juffrouw +Harper was. De kinderen hielden de oogen strak op het stukje kaars +gevestigd en verbeidden met een kloppend hart, angstig het oogenblik, +waarop het zou wegsmelten en uitgaan. Zij zagen het pitje eindelijk +alleen staan; zij zagen de zwakke vlam rijzen en dalen, dalen en +rijzen en het dunne rookkolommetje klimmen; zij zagen een laatste +flikkering aan den top--en toen heerschte de vreeselijkste duisternis. + +Hoe lang het duurde, eer Becky tot het bewustzijn kwam dat zij in +de armen van Tom lag te schreien, zou geen van beiden hebben kunnen +zeggen. Zij wisten alleen maar, dat zij beiden, na een schijnbaar +oneindig lang verloop van tijd, uit een soort van verdooving wakker +werden, on hun ellendig bestaan voor te zetten. Tom dacht dat het +Zondag, misschien ook Maandag was. Hij trachtte Becky aan het praten te +krijgen, doch zij was sprakeloos van verdriet en wanhoop. Om haar te +troosten zeide Tom, dat men hen stellig al lang gemist had en bepaald +nog aan het zoeken was. Hij zou nog eens roepen, want wellicht waren +er menschen in de nabijheid. En dat deed hij ook, maar de verwijderde +echo's herhaalden in de duisternis zijn geluid zoo akelig, dat hij +geen moed had nogmaals zijne stem te verheffen. + +Weder gingen er uren voorbij en weder begon de honger de arme +gevangenen te kwellen. Gelukkig had Tom nog een stukje koek bewaard, +'t welke zij verdeelden en opaten. Maar 't was alsof dit armzalig +mondjevol hen nog hongeriger maakte. + +Op eens riep Tom uit: + +"Stil! hoort gij niet wat?" + +Beiden hielden den adem in en luisterden. + +Daar klonk een geluid alsof er in de verte geroepen werd. Tom +beantwoordde dat geroep oogenblikkelijk en ging, Becky bij de hand +nemende, op den tast de gang door, in de richting van waar het geluid +gehoord was. Een oogenblik hield hij stil om nogmaals te luisteren +en weder klonk het geroep, ditmaal iets naderbij. + +"Zij zijn het!" zeide Tom. "Zij komen! Ga maar mede; wij zijn nu op +den rechten weg." + +De kinderen waren uitgelaten van vreugde. Toch liepen zij behoedzaam +voort, want valputten waren geen ongewoon verschijnsel in de grot en +daarvoor moest gewaakt worden. Zij hadden dan ook nog niet lang hun +weg vervolgd of zij moesten stilhouden. Het gat waarvoor zij stonden +kon drie, maar ook honderd voet diep zijn. Aan verder gaan was geen +denken. Tom ging op zijn buik liggen en reikte naar beneden zoo ver +hij kon, doch voelde geen bodem. Hier moesten zij dus blijven wachten, +totdat er hulp komen zou. Weer luisterden zij scherp; het verwijderd +geluid werd blijkbaar zwakker; nog een oogenblik en alles was weder +doodstil. + +Welk eene bittere teleurstelling! Tom schreeuwde zich heesch, doch +tevergeefs. Toch bleef hij Becky moed inspreken. Nogmaals ging er +eene eeuwigheid van angstig wachten voorbij, zonder dat het geroep +herhaald werd. + +De kinderen slopen naar de bron terug. Langzaam kropen de uren +voort en zij vielen weer in slaap, on uitgehongerd en rampzalig te +ontwaken. Naar Toms gissing moest het thans Dinsdag wezen. Daar viel +hem iets in. In hun buurt waren eenige zijgangen. Zou het niet beter +zijn deze te onderzoeken, dan werkeloos te blijven zitten wachten? Hij +haalde een vliegertouw uit den zak, maakte dat aan een vooruitstekend +rotsblok vast en ging verder, en Becky kwam achter hem aan, terwijl hij +het touw loswond, naarmate zij voortslopen. Twintig stappen verder liep +de gang op een viersprong uit. Tom legde zich op de knieën en kroop op +handen en voeten voort, totdat hij een der hoeken om was. Hij deed eene +poging om het nog een eind verder te brengen; en op datzelfde oogenblik +kwam achter een rots, op geen twintig pas afstands, eene menschenhand +te voorschijn, die eene kaars vasthield. Tom slaakte een kreet van +vreugde en onmiddellijk daarop werd de hand gevolgd door het lichaam, +waaraan zij toebehoorde--en dat was van Injun Joe! Verlamd van schrik +bleef Tom als aan den grond vastgenageld staan. Een oogenblik later +echter werd hij gerustgesteld, daar hij den Spanjaard zag wegloopen +en uit het gezicht verdwijnen. Tom verbaasde zich, dat Injun Joe +zijne stem niet had herkend en niet naar hem was toegekomen on hem te +vermoorden, wegens zijn getuigen voor het Gerechtshof. Doch de echo's, +zoo dacht hij, hadden zeker zijne stem onkenbaar gemaakt. Toch trilde +elke spier van zijn lichaam en hij nam zich voor om, als hij kracht +genoeg had, naar de bron terug te keeren, daar te blijven, en zich +door niets te laten verleiden nogmaals het gevaar te loopen van Injun +Joe te ontmoeten. Zorgvuldig hield hij zijn wedervaren voor Becky +verborgen en vertelde haar, dat hij op goed geluk af geschreeuwd had. + +Doch honger en ellende kregen ten laatste de overhand over angst en +vrees. Nog eenige lange uren wachtens aan de bron en nog eenige uren +slapens brachten eene verandering teweeg. De kinderen werden met +een woedenden honger wakker. Tom verbeeldde zich dat het Woensdag +of Donderdag, ja, misschien Vrijdag of Zaterdag was en dat men +het zoeken had opgegeven. Hij voelde zich bereid Injun Joe en alle +andere vreeselijkheden te trotseeren. Maar Becky was in een treurige +onverschilligheid vervallen, waaruit Tom vruchteloos trachtte haar op +te wekken. Zij zeide, dat zij wilde blijven waar zij nu was, on daar +te sterven;--de dood zou zeker niet lang meer uitblijven. Tom mocht, +als hij wilde, met het vliegertouw gaan zoeken, doch zij smeekte +hem, nu en dan eens terug te komen, on haar een woord toe te spreken +en zij liet hem beloven, dat wanneer de vreeselijke ure kwam, hij +aan hare zijde zou staan en hare hand zou vasthouden, totdat alles +voorbij was. Tom kuste haar, met een gevoel in zijne keel alsof +deze werd toegeknepen, en vertelde haar, dat hij er zeker van was, +òf de zoekenden òf een uitweg uit de grot te zullen vinden. Daarop +nam hij het vliegertouw in de hand en sloop, flauw van den honger +en beklemd door een vreeselijk voorgevoel van den naderenden dood, +op handen en voeten door een der gangen voort. + + + + +HOOFDSTUK XXXIII. + + +Het was Dinsdagmiddag, het werd Dinsdagavond en nog was het +stadje St. Petersburg in rouw. Men had openbare bidstonden voor de +verloren kinderen gehouden en ook in menige binnenkamer was een stil, +hartelijk gebed voor hen opgegaan, doch er kwam nog geen goed nieuws +uit de grot. De meerderheid der lieden, die zich in de spelonk hadden +gewaagd, hadden het zoeken opgegeven en waren naar hun dagelijksch +werk teruggekeerd, met de boodschap, dat de kinderen onmogelijk +gevonden konden worden. Mevrouw Thatcher was zeer ziek en bij tijden +ijlhoofdig. De menschen zeiden dat het hartverscheurend was haar om +haar kind te hooren roepen, en te aanschouwen hoe zij somtijds het +hoofd opbeurde en luisterde, om het terstond daarop moede en weeklagend +in het kussen te leggen. Tante Polly was diep neerslachtig en hare +grijze haren waren bijna wit geworden. En met weemoed in het hart +legden de inwoners van St. Petersburg zich dien Dinsdagavond ter rust. + +Maar ziet, in het holst van den nacht deed zich op eens het luiden +der torenklok hooren en in een oogenblik wemelden de straten van +opgewonden, halfgekleede menschen, die jubelden: "Sta op! sta op! Zij +zijn gevonden!" Er werd op horens geblazen en op bekkens geslagen en +de bevolking stroomde in grooten getale naar de rivier, de kinderen te +gemoet, die in een open rijtuig, door jubelende burgers voortgetrokken, +naar huis gereden werden. Men verdrong zich om den wagen en voegde zich +bij den uitgelaten troep, die onder een oorverdoovend hoezee-geroep, +plechtstatig door de hoofdstraten huiswaarts stapte. + +Het stadje werd geïllumineerd, niemand ging meer naar bed en 't was +de heerlijkste nacht, dien St. Petersburg ooit had beleefd. Het +eerste half uur trok een stoet in optocht het huis van den heer +Thatcher voorbij, drukte de geredden aan het hart, kuste hen, schudden +mevrouw Thatcher de hand, poogde haar toe te spreken en bevochtigde +de straat met heete vreugdetranen. Tante Polly was buiten zichzelve +van blijdschap en mevrouw Thatcher evenzeer. Het geluk der laatste +echter kon eerst volmaakt wezen, zoodra de boodschapper, die de blijde +tijding aan haar echtgenoot bracht, terug zou zijn. + +Tom lag op de sofa, met een gretig luisterend gehoor om zich heen, +en vertelde zijn wonderbaar avontuur, zich nu en dan de vrijheid +veroorlovende het verhaal door treffende toevoegsels op te sieren, +en eindigde met eene beschrijving van den staat waarin hij Becky +verliet, om nogmaals op verkenning uit te gaan. Hij verhaalde, hoe +hij zich twee gangen, zoover als het vliegertouw reikte, gewaagd had; +hoe hij een derden was ingegaan en hoe hij op het punt was terug te +keeren, toen hij, heel in de verte eene opening ontdekt had, waaruit +een blauw stipje schemerde, dat aan daglicht deed denken; hoe hij het +vliegertouw had losgelaten en er op den tast heen was gekropen, zijn +hoofd en zijne schouders door eene kleine opening gestoken had en de +breede Mississipi had zien stroomen. En indien het nacht geweest was, +zou hij dat stipje daglicht niet gezien hebben en die gang niet zijn +ingegaan! Hij vertelde, hoe hij naar Becky was teruggeloopen en haar de +blijde tijding had gebracht en zij hem gezegd had, haar niet met zulken +onzin aan het hoofd te malen, daar zij doodmoede was en wist dat zij +ging sterven en dat ook maar liever deed. Daarna beschreef hij, hoe +hij zich had ingespannen on haar te overtuigen, en hoe zij bijna van +zichzelve was gevallen van blijdschap, toen zij naar de plaats gekropen +waren, van waar het blauwe stipje daglicht zichtbaar was; hoe hij +zich door de opening gewrongen had en haar er toen uit had geholpen; +hoe zij daar gezeten hadden en geschreid hadden van blijdschap; hoe +een paar mannen in een schuit waren voorbijgevaren, en hoe Tom hen +had gewenkt en geroepen en hen met hun treurigen toestand had bekend +gemaakt; hoe de mannen de vreeselijke geschiedenis eerst niet hadden +geloofd, omdat, zeiden zij, de kinderen drie en een half uur van +den ingang der grot verwijderd waren; hoe zij hen aan boord hadden +genomen, naar huis hadden gevoerd, hun voedsel gegeven hadden, hen +een paar uur hadden laten rusten en hen toen naar huis hadden gebracht. + +Vóór het aanbreken van den dag werden de heer Thatcher en de enkele +zoekers, die nog met hem in de grot waren, ontdekt, door het kluwen +touw dat zij achter zich gespannen hadden, en werd hun het groote +nieuws verteld. + +Tom en Becky ontwaarden spoedig, dat drie dagen en nachten, zonder +eten, in een vochtige spelonk doorgebracht, hun niet in de koude +kleeren gingen zitten. Zij moesten Woensdag en Donderdag te bed +blijven en schenen toch hoe langer hoe vermoeider te worden. Tom +mocht Donderdag een uurtje opzitten, ging Vrijdag weer eens uit en +werd Zaterdag voor hersteld verklaard, doch Becky hield haar kamertje +tot Zondag, en toen zag zij er uit alsof zij maanden ziek was geweest. + +Tom hoorde dat Huck ongesteld was en ging hem Vrijdag bezoeken, maar +werd niet in de ziekenkamer toegelaten; zelfs Zaterdag en Zondag kreeg +hij hem nog niet te zien. Daarna evenwel mocht hij dagelijks bij hem +komen, onder voorwaarde dat hij over het avontuur niet spreken zou +en geen onderwerpen zou aanroeren, die den zieken knaap opgewonden +konden maken. De weduwe Douglas bleef in de kamer, om te zien of haar +gebod gehoorzaamd werd. Tehuis vernam Tom het gebeurde te Cardiff Hill +en ook dat het lichaam van den in lompen gekleeden onbekende, in de +rivier gevonden was bij de aanlegplaats der veerboot. Waarschijnlijk +was hij verdronken, toen hij trachtte zich door de vlucht te redden. + +Op zekeren morgen, omstreeks veertien dagen na hunne redding uit de +grot, ging Tom Huck zijn gewoon bezoek brengen. De kleine vagebond +was thans genoegzaam hersteld om een opwekkend verhaal te mogen +aanhooren, en Tom had hem iets te vertellen, dat, naar hij meende, +zijne belangstelling gaande zou maken. + +Het huis van den heer Thatcher lag op zijn weg en de jongeheer Sawyer +ging er, eer hij Huck bezocht, even aan om Becky te zien. De rechter +en een paar zijner vrienden verzochten Tom, hun zijn wedervaren nog +eens te verhalen, en een van hen vroeg hem spottend, of hij nog niet +eens gaarne in de grot zou gaan, waarop Tom antwoordde, dat hij er +niet tegen op zou zien. + +Toen zeide de rechter: + +"Er zijn er nog wel meer, die daarin behagen zouden scheppen. Maar +wij hebben er voor gezorgd, dat dit niet meer kan gebeuren. Niemand +zal er ooit meer in verdwalen." + +"Waarom niet?" + +"Omdat ik, veertien dagen geleden, de groote deur van een ijzeren hek +met een dubbelen grendel heb laten voorzien, waarvan ik den sleutel +in mijn bezit heb." + +Tom werd zoo wit als een laken. + +"Wat scheelt er aan, jongen? Hier, loop, haal een glas water!" + +Het water kwam en Toms gezicht werd er mede besproeid. + +"O, nu komt hij weer bij!--Wat scheelde er aan Tom?" + +"O, mijnheer Thatcher, Injun Joe is in de grot!" + + + + +HOOFDSTUK XXXIV. + + +Binnen een paar minuten was de tijding wijd en zijd verspreid en +waren er al een dozijn bootslieden op weg naar de Douglasgrot, op de +hielen gevolgd door het propvolle veerbootje. Tom Sawyer zat in een +schuitje met den heer Thatcher. Toen de deur der grot geopend werd, +vertoonde zich in de donkere plaats een droevig schouwspel. Injun +Joe lag dood op den grond uitgestrekt, met zijn gezicht naar de deur, +alsof zijne smeekende oogen tot het laatste toe, op het licht en de +vroolijkheid der buitenwereld gericht waren geweest. Tom was zeer +getroffen: immers hij wist bij ondervinding hoeveel deze ongelukkige +moest geleden hebben. Doch hoeveel medelijden hij ook met hem mocht +gevoelen, werd hem, bij het aanschouwen van Injuns lijk, een pak +van het hart genomen, en nu eerst gevoelde hij, welk een loodzwaren +last van ellende hij getorst had, sedert hij zijne stem tegen dien +bloeddorstigen kleurling verheven had. + +Injun Joe's zakmes lag met gebroken lemmer vlak bij zijn lijk. Van den +zwaren balk, waarop de deur rustte, waren met eindelooze inspanning, +stukken afgehakt en aan splinters gesneden;--vruchtelooze arbeid, want +onder den balk lag een reusachtig rotsblok en tegen dien onbuigzamen +hinderpaal vermocht het mes niets en brak het lemmer. En zelfs al +had die steenen versperring er niet gelegen, zoo zou Injun Joe toch +vergeefsch werk verricht hebben, want indien het hem al gelukt was, den +balk geheel aan spaanders te snijden, zou hij zijn lichaam toch niet +onder de deur hebben kunnen heen persen, en dat wist hij. Toch had hij +zijn krachten op den balk beproefd, alleen maar om de vervelende uren +door te komen en zijne gemartelde leden te kunnen gebruiken. Gewoonlijk +waren er een half dozijn eindjes kaars in de spleten bij den ingang te +vinden, door de bezichtigers der grot achtergelaten; maar thans was er +geen enkel te zien. De gevangene had ze opgezocht en opgegeten! Hij was +er ook in geslaagd een paar vleermuizen te vangen, die hij eveneens +had verslonden en waarvan alleen de klauwen waren overgelaten. De +ongelukkige was den hongerdood gestorven! + +Op eene plek in zijne nabijheid, had zich in den loop der jaren, +door het droppelen van het water, een stalagmiet gevormd. Dezen +had de gevangene vernield en op de plaats waar hij gestaan had, +een steentje neergezet, waarin hij een gaatje had geboord, om er den +kostbaren droppel in op te vangen, die iedere twintig minuten, met +de vreeselijke regelmaat van het getik eener klok, naar beneden viel; +in de vier en twintig uren niet meer dan een dessertlepeltje vol. Die +droppel viel er reeds, toen de Pyramiden waren voltooid; toen Troje +onderging; toen de fondamenten van Rome werden gelegd; toen Christus +gekruisigd werd; toen de Veroveraar naar Brittannië zeilde. + +Injun Joe werd aan den ingang der grot begraven en uren in den omtrek +stroomden de menschen, in booten en rijtuigen, uit steden, dorpen en +gehuchten, naar de plaats toe. Zij brachten hunne kinderen met zich, +alsook wagens met proviand--en gingen naar huis, met de bekentenis +op de lippen, dat zij, bij de begrafenis van den moordenaar evenveel +genot gesmaakt hadden, als wanneer zij hem hadden zien hangen. + +De ochtend na de begrafenis nam Tom Huck met zich naar eene eenzame +plaats, om hem iets zeer gewichtigs mede te deelen. Huck had door den +boschwachter en de weduwe Douglas alles van Toms avontuur vernomen; +maar Tom beweerde, dat er iets was, dat zij hem niet verteld hadden, +en over dat verzwegene wenschte hij hem nu te spreken. Hucks gelaat +betrok en hij zeide: + +"Ik weet, wat het is. Je bent op 'nommer twee' geweest en hebt niets +dan brandewijn gevonden. Niemand heeft mij verteld dat jij het waart, +maar ik wist dat jij het moest geweest zijn, zoodra ik over die +'brandewijn-zaak' hoorde spreken. En ik wist, dat jij het geld niet +hadt, anders zou je het mij wel op de een of andere wijze hebben doen +weten, al had je er met niemand anders over gesproken. Tom, ik heb +altijd wel gedacht, dat wij dien buit nooit zouden machtig worden." + +"Wel, Huck, ik heb nooit met iemand over dien kroeghouder gesproken. Je +weet, dat het op den Zaterdag van de pic-nic in zijne herberg nog in +orde was. Herinner je je niet, dat jij er dien nacht zoudt waken?" + +"O, jawel! Het was dezelfde nacht, waarin ik Injun Joe naar de +weduwe volgde." + +"Ben je hem gevolgd?" + +"Ja! maar je moet je mond houden. Ik weet zeker, dat er nog vrienden +van Injun Joe hier in den omtrek zijn, en ik heb geen zin om door +dezen zuur aangezien en gemeen behandeld te worden. Indien ik er niet +geweest was, zou hij nu goed en wel in Texas zitten". + +Toen vertelde Huck zijn geheele avontuur aan Tom, die alleen nog maar +dat gedeelte gehoord had, waarin de boschwachter was betrokken. + +"Ja," zeide Huck, op de hoofdzaak terugkomende, "hij die den brandewijn +in 'nommer twee' gekaapt heeft, die heeft ook het geld weggenomen; +in allen gevalle is 't voor ons verkeken." + +"Huck, dat geld is nog altijd op 'nommer twee' gebleven." + +"Wat zeg je?" Huck zag zijn makker scherp aan. "Hebt je het spoor +van den schat teruggevonden, Tom?" + +"Huck, hij is in de grot." + +Hucks oogen schitterden. + +"Zeg het nog eens, Tom!" + +"Het geld is in de grot!" + +"Tom,--zeg, meen je 't, of meen je 't niet?" + +"Ik meen het, Huck, en ik zeg het in allen ernst. Wil je er met mij +heen gaan en mij helpen het er uit te halen?" + +"Waarachtig wil ik dat! Ik wil het, als wij er onzen weg kunnen vinden +zonder gevaar van te verdwalen." + +"Dat zal heel gemakkelijk gaan, Huck." + +"Waarom denk je, dat het geld in....?" + +"Huck wacht totdat wij er zijn. Als wij het er niet vinden krijg +je mijn trom en alles wat ik in de wereld bezit. Waarachtig, dat +krijg je." + +"Best;--dat blijft afgesproken. Wanneer zullen we gaan?" + +"Nu dadelijk, als je 't goedvindt. Ben je sterk genoeg?" + +"Is het diep in de grot? Ik ben pas een dag of drie, vier op de been +en ik kan, geloof ik, niet veel verder dan een half uur loopen, Tom." + +"Als wij den weg volgen, die iedereen gaat, is het omstreeks drie +uren gaans, maar ik weet een veel korteren, dien niemand kent. Huck, +ik zal je er been brengen in een bootje. Ik zal het bootje hierheen +roeien en ik zal alleen weer teruggaan. Je hoeft er je hand niet om +te verleggen." + +"Laat ons dan aanstonds maar vertrekken, Tom." + +"Best. Wij hebben wat brood en vleesch noodig, benevens onze pijpen +en een paar zakjes en een stuk of drie vliegertouwen en eenige van +die nieuwerwetsche dingen, die ze lucifers noemen. Ik zeg je, dat ik +wat gegeven had, als ik die gehad had, toen ik laatst in de grot was." + +Even na twaalven namen de knapen een klein bootje in beslag, van een +schipper die van huis was, en begaven zich onmiddellijk op weg. Toen +zij op eenigen afstand van de "Holle Grot" waren, zeide Tom: + +"Je ziet, dat die steile oeverkant langs de 'Holle Grot' +er overal gelijk uitziet; geen huizen, geen houtwerven, niets +dan kreupelhout. Maar zie je die witte plek daarginds, waar een +aardstorting is geweest? Nu dat is een van mijn teekenen. Daar zullen +wij aan wal gaan." + +Zij gingen aan wal. + +"Op deze plaats, Huck, zou je het hol, waar ik uitgekropen ben, +met een hengelroede kunnen aanraken. Zie eens, of je het vinden kunt." + +Huck keek naar alle kanten en vond niets. Tom stapte met hooge borst +naar een dicht boschje van sumakhout en zeide: + +"Hier is het, Huck; het is het aardigste holletje uit de gansche +streek. Je moet het niet verklappen. Ik heb al lang zin gehad om +roover te worden, maar ik wist, dat ik eerst zoo'n ding moest hebben +als dit;--maar dat te vinden, daar zat het hem! Nu hebben wij het +en wij zullen het alleen aan Joe Harper en Ben Rogers vertellen, +want die zullen natuurlijk tot de bende behooren, anders zouden wij +er niets aan hebben. De 'Bende van Tom Sawyer,' klinkt prachtig; +doet het niet, Huck?" + +"Ja, Tom, 't klinkt best. En wie zullen we bestelen?" + +"Wel, iedereen. Verdwaalde lui;--dat is zoo de gewoonte." + +"En ze doodmaken?" + +"Neen, niet altijd. Ze in de grot opsluiten, totdat zij een losprijs +betaald hebben." + +"Wat is een losprijs." + +"Geld. Je laat ze alles wat zij van hun vrienden krijgen kunnen, +bijeengaren, en als ze dat, nadat je ze een jaar gehouden hebt, niet +kunnen geven, maak je ze dood. Dat is zoo de gewone manier. Alleen +de vrouwen worden niet vermoord. Die sluit je op, maar je vermoordt +ze niet. Zij zijn altijd mooi en rijk en vreeselijk bang. Je berooft +ze van haar horloges en dingen, maar je neemt in haar bijzijn altijd +je hoed van je hoofd en spreekt beleefd tegen haar. Er zijn geen +beleefder lui dan roovers, dat staat in alle boeken. De vrouwen gaan +van je houden, en als ze een dag of veertien in de grot geweest zijn, +houden ze op met schreien en dan kun je ze niet meer kwijtraken. Als +je ze wegjoegt, zouden zij dadelijk omkeeren en terugkeeren. Dat kun +je in alle rooversgeschiedenissen lezen." + +"Jongens, dat is mij een leventje, Tom. Ik geloof, dat het prettiger +is dan zeeroover te zijn. + +"Ja; en 't is in sommige opzichten beter ook, omdat het dicht is bij +huis, en bij de paardenspellen en alles." + +Thans waren de jongens gereed en zij stapten, Tom in de voorhoede, +de grot binnen. Zij kropen het gat door, maakten hunne aaneengebonden +vliegertouwen aan een rotsblok vast en gingen verder. Weldra waren +zij bij de bron, en het gezicht van die plaats joeg Tom eene rilling +door de leden. Hij toonde Huck het overblijfsel van een kaarspit, +op een stukje klei tegen den muur en beschreef hem, hoe hij en Becky +de vlam hadden zien worstelen en sterven. + +De knapen begonnen nu te fluisteren, want de stilte en de duisternis +der plaats maakten hen een weinig benauwd. Zij gingen voort en traden +de gangen in die Tom aanwees, totdat zij den valput bereikten. Hunne +waskaarsen brachten hen tot de ontdekking, dat het geen echte afgrond +was, maar slechts eene steile helling van klei, omstreeks twintig of +dertig voet naar omlaag. + +Tom fluisterde: + +"Nu zal ik je wat laten kijken, Huck." + +Hij hield zijne kaars omhoog en zeide: + +"Kijk zoo ver om den hoek als je kunt. Zie je dat? Daar, op gindsche +groote rots, die met kaarsvet is besmeerd." + +"Tom, het is een kruis!" + +"En waar is uw nommer twee?--Onder het kruis, hé? Vlak bij die rots +zag ik Injun Joe zijne kaars snuiten, Huck." + +Huck keek een oogenblik naar het geheimzinnige teeken en zeide met +eene bevende stem: + +"Tom, laat ons van hier weggaan!" + +"Wat! En den schat laten staan?" + +"Ja. De geest van Injun Joe dwaalt hier bepaald rond." + +"Neen, dat doet hij niet, Huck; dat doet hij niet. Dat doet hij +alleen op de plaats, waar hij stierf,--bij den ingang der grot, +drie uren van hier." + +"Neen, Tom, dat is zoo niet. De geesten dwalen, waar hun geld is. Ik +ken hun gewoonte en jij weet het ook." + +Tom begon bang te worden dat Huck gelijk had, en er rees twijfel op +in zijn hart. Doch plotseling schoot hem iets te binnen. "Zie eens, +Huck, hoe dwaas wij ons aanstellen! De geest van Injun Joe kan niet +komen waar een kruis staat!" + +Dat was een afdoende bewering, vond Huck. "Daar dacht ik niet aan; +Tom. Maar, 't is waar. Dat kruis is een geluk voor ons. Ik geloof, +dat wij nu wel kunnen afdalen, om naar de kist te zoeken." + +Tom ging eerst en maakte, al dalende, groote indruksels van voetstappen +in de klei. Huck volgde. Vier gangen leidden uit de kleine spelonk naar +de plaats, waar de groote rots stond. De knapen namen drie dezer gangen +op, doch zonder gevolg. In den vierden, die het dichtst bij den voet +der rots was, vonden zij een kleinen inham, waarin een stroobed lag +en een paar dekens, verder een paar oude bretels, een weinig spekvet +en een paar rondom afgeknabbelde vogelpooten. De knapen zochten en +doorzochten de plaats aan alle kanten, doch tevergeefs. Eindelijk +zeide Tom: + +"Hij zeide _onder_ het kruis. En dit is er bijna onder. Het kan niet +onder de rots zelve zijn, want daar is de grond te hard." + +Zij onderzochten alles nog eens en zetten zich toen ontmoedigd +neder. Huck had niets te vertellen. Eindelijk zeide Tom: + +"Kijk eens, Huck, aan deze zijde der rots zijn voetstappen en kaarsvet +op de klei, doch niet aan den anderen kant. Ik weet, dat het geld +toch onder de rots is. Ik ga de klei eens opgraven." + +"Dat is zoo gek nog niet bedacht, Tom!" zeide Huck blijmoedig. + +Toms mes van "echt" staal werd voor den dag gehaald, en hij had geen +vier duim gegraven of hij krabbelde op hout. + +"Hei, Huck! hoor je dat?" + +Huck begon ook te graven en te krabbelen. Eenige planken werden +spoedig gevonden en verwijderd. Zij dienden om een door de natuur +gevormden kelder te verbergen, die zich onder de rots bevond. Tom +kroop in dien kelder en hield zijne kaars zoo ver vooruit, als hem +mogelijk was, doch kon--zoo zeide hij--niet tot aan het einde der +kloof zien. Daarom stelde hij voor, haar geheel te doorzoeken. Hij +bukte zich en stapte onder de rots door in den kelder. Een enge weg +leide langzaam naar beneden. Hij volgde het kronkelend pad, eerst +ter rechter- en toen ter linkerzijde, en Huck vlak achter hem. Op +eens stond Tom voor eene kleine, halfronde, open plek en riep hij uit: + +"Hemeltje, Huck, zie eens hier!" + +Het was de kist, veilig en wel, in een klein, aardig holletje, +bij een leege kruitdoos, een paar geweren in lederen overtrekken, +twee of drie paar oude schoenen, een lederen gordel en eenig ander +jachtgereedschap, doorweekt van het druppelend water. + +"Eindelijk gevonden!" zeide Huck, terwijl hij met zijne handen in de +vuile muntstukken grabbelde. "Ja, wij zijn rijk, Tom!" + +"Huck, ik heb altijd gedacht, dat wij het geld krijgen zouden. Het is +haast al te heerlijk om het te kunnen gelooven, maar wij hebben het, +dat is zeker. Doch wij zullen hier niet blijven talmen, maar het er +uitdragen. Laat mij eens zien, of ik die kist kan optillen." + +Zij woog omstreeks vijftig pond. Tom kon haar optillen, wanneer hij +haar schuin hield, maar haar niet dragen. + +"Dat dacht ik wel," zeide hij. "In het spookhuis zag ik aan hun manier +van dragen, dat zij zwaar was. Ik geloof dat het maar goed is, dat +ik er aan gedacht heb de zakken mede te nemen." + +Het geld was spoedig in de zakken, en de jongens namen ze op en +droegen ze naar de rots met het kruis. + +"Laat ons nu de geweren en de andere dingen halen," zeide Huck. + +"Neen, Huck, die zullen wij hier laten. Dat zijn juist de zaken die +wij noodig hebben, als wij op rooftochten uitgaan. Wij zullen ze hier +laten en onze slemppartijen hier ook houden." + +"Wat zijn slemppartijen?" + +"Dat weet ik niet, maar roovers houden altijd slemppartijen en wij +moeten zulks natuurlijk ook doen.--Kom mee, Huck, wij zijn hier +lang genoeg geweest. Ik heb honger ook. Wij zullen eten en rooken, +als wij in de boot zijn." + +Kort daarop kwamen zij uit het sumakboschje te voorschijn, keken +voorzichtig rond, vonden de kust veilig en zaten spoedig in het bootje +te eten en te rooken. Toen de zon ter kimme daalde, stootten zij van +wal en begaven zich op weg. Tom gleed in het schemerdonker, vroolijk +met Huck keuvelende, langs den oever voort en zette voet aan wal, +toen het geheel duister geworden was. + +"Nu, Huck," zeide Tom, "wij zullen het geld op de vliering der +houtloods van de weduwe brengen en morgen terugkomen om den boel te +tellen en te verdeelen, en dan zullen wij een plaatsje in het bosch +opzoeken, waar wij het geld veilig kunnen bewaren. Ga jij hier stil +liggen en blijf op de kist passen, dan zal ik het kruiwagentje van +Benny Taylor zien op te schommelen. Ik ben binnen een minuut weer +bij je." + +Hij verdween en kwam spoedig terug met het wagentje, waarin hij de +beide zakken neerlegde, en nadat hij ze met eenige oude prullen bedekt +had, gingen de knapen met hunne lading op weg. + +Toen zij bij het huis van den boschwachter kwamen, hielden zij stil +om te rusten. Juist toen zij weder verder wilden gaan, stapte de +boschwachter uit de deur en zeide: + +"Heila! wie is dat?" + +"Huck Finn en Tom Sawyer!" + +"Dat treft bijzonder. Gaat gauw met me mee, jongens; iedereen zit op +jelui te wachten! Hier, spoedig maar, naar boven. Ik zal het wagentje +wel dragen. 't Is waarachtig een vracht! Wat zit er in, steenen of +oud ijzer?" + +"Oud ijzer," zeide Tom. + +"Dat dacht ik al; de jongens hier in de stad geven zich meer moeite +om een paar brokken oud ijzer op te snorren, om die aan den smid voor +den smeltoven te verkoopen, dan zij zouden overhebben voor geregeld +werk, dat hun tweemaal zooveel opbracht. Maar dat is nu eenmaal de +menschelijke natuur. Gauw maar, gauw maar!" + +De jongens vroegen, waar die spoed voor diende. + +"Dat doet er niet toe; je zult het zien, als wij bij de weduwe +Douglas zijn." + +Huck zeide, want hij was bevreesd valsch beschuldigd te worden, +met zekeren angst: + +"Mijnheer Jones, wij hebben niets gedaan?" + +De boschwachter lachte. + +"Wel, ik kan niets zeggen, mijn jongen. Ik weet nergens van. Ge zijt +immers goede vrienden met de weduwe?" + +"Ja. Zij is zoo goed voor mij geweest" + +"Nu, dan is het in orde. Waarom zou je dan bang zijn?" + +Deze vraag was in Hucks tragen geest nog niet beantwoord, toen hij zich +met Tom in het salon van mevrouw Douglas geduwd zag. De boschwachter +liet het wagentje bij de deur staan en volgde. Het geheele huis was +prachtig verlicht en alle personen van gewicht waren daar bijeen. De +Thatchers waren tegenwoordig, de Harpers, de Rogers', tante Polly, +Sid, Marie, de predikant, de dokter en een menigte anderen, allen in +hunne beste kleederen. + +De weduwe ontving de knapen zoo hartelijk, als men twee jongens, +die er uitzagen als zij, ontvangen kan. Zij waren van het hoofd +tot de voeten met modder en kaarsvet besmeerd. Tante Polly werd +vuurrood van schaamte, fronste hare wenkbrauwen en schudde haar hoofd +tegen Tom. Doch niemand leed half zooveel al de knapen zelven. De +boschwachter zeide: + +"Tom was niet tehuis en ik had het juist opgegeven, toen ik hem en +Huck vlak bij mijne deur tegen 't lijf liep, en ik bracht hen in +aller ijl hier." + +"En daar deedt ge goed aan," zeide de weduwe. "Komt met mij mede, +jongens." + +Zij nam hen met zich naar eene slaapkamer en zeide: + +"Gaat u nu wasschen en kleeden. Hier zijn twee pakken nieuwe +kleederen, hemden, sokken, alles bijeen. Zij zijn voor Huck.--Neen, +geen dank, Huck! De boschwachter heeft er een voor u gekocht, en ik +het andere. Maar zij zullen beide zeker passen. Stap er maar in. Wij +zullen wachten. Komt beneden, als gij u gepoetst hebt." + +Toen verliet zij hen. + + + + +HOOFDSTUK XXXV. + + +Zoodra de weduwe weg was, zeide Huck: "Tom, wij kunnen, als wij een +touw hebben, ons naar beneden laten zakken. Het raam is niet hoog +boven den grond." + +"Waarom zouden wij dat doen?" + +"Och, ik ben aan zoo'n troep menschen niet gewoon. Ik kan het niet +uitstaan. Ik ga niet naar binnen, Tom." + +"Och, onzin! 't Is niets. Ik geef er niet om en ik zal wel voor +je praten." + +Daar kwam Sid binnen. + +"Tom," zeide hij, "tante heeft den geheelen middag op je zitten +wachten. Marie had je zondagsche kleeren klaargelegd en iedereen heeft +zich boos over je gemaakt. Zeg, is dat geen vet en klei dat er op je +broek zit?" + +"Nu, mijnheer Sidje, bemoei je met je eigen zaken. Waarvoor dient al +dat lawaai daar binnen?" + +"'t Is een van de partijen, die de weduwe zoo dikwijls geeft. Dezen +keer is het voor den boschwachter en zijn zoons, omdat zij haar +verleden week uit den nood gered hebben. En zeg,--ik zal je iets +zeggen, als je het weten wilt." + +"Wat dan?" + +"Wel, de oude Jones zal van avond hier aan de menschen een geheim +vertellen; maar ik heb alles afgeluisterd, toen hij het vandaag +aan tante kwam zeggen, en ik geloof dat het nu geen geheim meer +is. Iedereen weet het,--de weduwe ook, al doet ze net alsof zij het +niet weet. Verbeeld je, Jones had beloofd dat Huck hier zou wezen; +want hij kon het groote geheim niet aan den dag brengen zonder Huck, +weet je?" + +"Het geheim? Welk geheim, Sid?" + +"Och, dat Huck de dieven bij de weduwe ontdekt heeft. Ik geloof dat +Jones zich heel wat voorstelt van de verrassing, maar zij zal in +'t water vallen." + +Sid wreef zich tevreden in de handen. + +"Sid, heb jij het verklapt?" + +"Dat doet er niet toe. Iemand heeft het gedaan, dat is genoeg." + +"Sid, er is maar één persoon in de geheele stad, gemeen genoeg om +dat te doen, en dat ben jij. Als je in Hucks plaats geweest waart, +zou je als een slang den heuvel afgekropen zijn en nooit iets van de +dieven verteld hebben. Jij kunt niet anders dan gemeene dingen doen +en jij kunt niet aanzien, dat er een ander geprezen wordt, omdat +hij goed heeft gedaan. Daar, je behoeft er niet voor te bedanken, +zooals de weduwe zegt." En Tom gaf Sid een klap om zijne ooren en +schopte hem de deur uit, "Kom, ga het nu aan tantetje vertellen en +morgen zul je er van lusten." + +Niet lang hierna zaten al de gasten der weduwe aan tafel en een +dozijn kinderen werden, naar de gewoonte van dat land en dien tijd, +aan kleine tafeltjes, in dezelfde kamer opeengehoopt. Op een gepast +oogenblik hield de heer Jones een kleine toespraak, waarin hij de +weduwe zijn dank betuigde voor de eer die zij hem en zijnen zonen +bewees; maar er was, zeide hij een ander persoon wiens nederigheid, +enz. enz. Hij bracht het geheim van Hucks aandeel aan het vraagstuk +op de treffendste wijze en met de schoonste dramatische wendingen, +die hij in zijne macht had, voor den dag; doch de verrassing, die deze +ontdekking veroorzaakte, was eenigszins gehuicheld, en het gejuich +was niet zoo groot als het onder gelukkiger omstandigheden geweest zou +zijn. Toch deed de weduwe haar best om een verrast gezicht te zetten en +hoopte zulk een tal van complimenten en zooveel dankbaarheid op Hucks +hoofd, dat de knaap den bijna ondraaglijken last zijner nieuwe kleeren +haast vergat, door het onuitstaanbaar lijden van als een mikpunt +voor ieders blikken en ieders loftuigingen gebruikt te worden. De +weduwe zeide, dat zij Huck een tehuis zou geven onder haar dak en +voor zijne opvoeding zou zorgen; en dat, als zij geld te missen had, +zij hem een eerlijk beroep zou doen leeren. + +Nu kwam de gelegenheid voor Tom en hij zeide: + +"Huck heeft het niet noodig. Huck is rijk!" + +Kieschheid alleen deed den lach terughouden, dien deze grappige uitval +onwillekeurig uitlokte. Men zweeg en er ontstond eene onaangename +stilte, die door Tom verbroken werd. + +"Huck heeft geld genoeg. Jelui moogt het gelooven of niet, maar hij +heeft bergen geld! O, jelui behoeft niet te lachen; ik kan het jelui +laten zien. Wacht maar een minuut." Dit zeggende liep hij de deur uit. + +De gasten zagen elkander verbijsterd en nieuwsgierig aan en keken +daarna naar Huck, die geen woord sprak. + +"Sid, wat scheelt Tom?" zeide tante Polly. "Hij.... Wel, er is met +dien jongen niets aan te vangen. Ik heb nooit.... " + +Tom kwam binnen, gebogen onder den last zijner zakken, en tante Polly +eindigde haar volzin niet. Tom wierp de massa gele geldstukken op +tafel en zeide: + +"Daar--wat heb ik gezegd? Het geld is van ons beiden; Huck de helft +en ik de helft." + +Dit tooneel deed iedereen den adem inhouden. Allen keken; niemand +sprak. Toen volgde er een eenstemmig geroep om eene verklaring van +het geval. Tom zeide, dat hij die geven kon,--en dat deed hij. Het +verhaal was lang, maar hoogst belangrijk, en de vergaderde menigte +was sprakeloos van verbazing. Toen de knaap aan het einde was gekomen, +zeide de boschwachter: + +"Ik dacht, dat ik voor deze gelegenheid den gasten eene kleine +verrassing had bereid, maar zij is, hierbij vergeleken, niets +waard. Deze doet de mijne, ik moet het eerlijk bekennen, geheel in +het niet zinken." + +Het geld werd geteld. De som bedroeg over de twaalfduizend dollars. Het +was meer dan een der aanwezigen ooit bijeen had gezien, ofschoon +verscheidenen der hier vergaderde personen meer waard waren dan geheel +de gevonden schat. + + + + +HOOFDSTUK XXXVI. + + +De lezer mag zich overtuigd houden, dat het buitenkansje van Tom +en Huck eene groote opschudding in het eenvoudige, kleine stadje +veroorzaakte. Zulk een groote som, in klinkende munt, was een bijna +ongelooflijk bezit. Men sprak zoo veel over deze daad en verheerlijkte +haar in zulk een mate, dat zij eindelijk het verstand van menigen +ziekelijk opgewonden burger aan het wankelen bracht. Elk spookhuis te +St. Petersburg en in de naburige dorpen werd onderzocht; de vloeren +werden plank voor plank opgenomen en de fondamenten opgegraven en +geplunderd, in de hoop van verborgen schatten op te leveren. En dat +niet door kleine jongens, maar door volwassen menschen en ernstige, +nuchtere lieden ook. Waar Tom en Huck ook verschenen, werden zij +bewonderd en vol verbazing aangestaard. Alles wat zij deden, werd als +iets heel bijzonders beschouwd. Zij hadden blijkbaar het vermogen +verloren om gewone dingen te zeggen of te doen. Bovendien werd de +geschiedenis van hun vroeger leven opgehaald en werden daarin bewijzen +van een buitengewonen aanleg en een buitengewoon verstand ontdekt. + +De weduwe Douglas zette Hucks geld uit tegen zes percent, en de heer +Thatcher deed, op verzoek van tante Polly, hetzelfde voor Tom. De +knapen hadden nu elk een ontzaglijk inkomen: een dollar voor elken +werkdag en een halve voor de Zondagen. Het was juist zooveel als +de dominee ontving,--neen, het was zooveel als hem was toegezegd, +want hij kon het gewoonlijk niet bijeenkrijgen. Een en een kwart +dollar was in die dagen voldoende weekgeld voor eens jongens kost, +inwoning, kleeding en bewassching. + +De heer Thatcher had een hoog denkbeeld van Tom Sawyer gekregen. Hij +verklaarde, dat geen gewone jongen zijne dochter uit de grot zou gered +hebben. Toen Becky haar vader in vertrouwen vertelde, hoe grootmoedig +Tom hare zweepslagen op school op zich had genomen, was de rechter +zichtbaar bewogen; en toen zij haar vader smeekte de vreeselijke leugen +over het hoofd te zien, waaraan Tom zich had schuldig gemaakt, om de +zweepslagen van hare schouders te nemen, zeide de rechter opgewonden, +dat het een brave, een edele, een grootmoedige leugen was, een leugen +die verdiende in Amerika's geschiedrollen te worden te boek gesteld. + +Becky vond, dat haar vader er nooit zoo fier en mannelijk had +uitgezien, als toen hij, onder het uiten dezer woorden, met van +geestdrift schitterende oogen, de kamer doorliep. Geen wonder dat +zij alles dadelijk aan Tom ging overbrieven! + +De heer Thatcher hield zich overtuigd, dat Tom eens een groot +rechtsgeleerde of een beroemd militair zou worden. Hij zeide dat +hij zijn best zou doen, dat de knaap naar de Militaire Academie werd +gezonden en dan naar de beste hoogeschool in het land, opdat hij voor +beide vakken klaar zou zijn. + +De schatten van Huck Finn en het feit dat hij onder de bescherming der +weduwe Douglas kwam, brachten of liever trokken en sleurden hem in de +maatschappij en zijn lijden was meer dan hij kon dragen. De dienstboden +der weduwe hielden hem rein, zorgden dat hij er netjes uitzag, kamden +en borstelden hem en legden hem 's nachts in ongemakkelijke bedden, +waarop geen vlekje of spatje te ontdekken was. Hij moest met mes en +vork eten, een servet gebruiken en een kopje en schoteltje; hij moest +zijne lessen leeren, naar de kerk gaan en netjes spreken. Waarheen +hij zich ook wendde, overal werd hij door de grendels en ketenen der +beschaving ingesloten en aan handen en voeten gebonden. + +Hij droeg zijne ellende drie weken lang, geduldig en onderworpen, +en toen werd hij op zekeren dag gemist. Gedurende acht en veertig +uren liet de weduwe overal naar hem zoeken. Het publiek was er +diep mede begaan; men zocht rechts en links en de rivier werd zelfs +gebaggerd. Den derden morgen nadat hij gemist was, ging Tom verstandig +onder een paar leege vaten achter het verlaten slachthuis snuffelen +en vond den vluchteling in een van deze. Huck had daar geslapen, hij +had juist zijn ontbijt genuttigd, bestaande uit een paar armzalige +stukjes brood en vleesch, die hij hier en daar had weggekaapt, en hij +zat nu dood op zijn gemak in een okshoofd zijn pijpje te rooken. Hij +was ongekamd, ongewasschen en gekleed in dezelfde oude lompen, +die hem in de dagen, waarin hij nog vrij en gelukkig was, zulk een +eigenaardig voorkomen gaven. Tom las hem de les, zeide hem hoezeer +hij allen verontrust had en verzocht hem naar huis te gaan. Hucks +gelaat verloor de uitdrukking van kalme tevredenheid en betrok. + +Hij zeide: + +"Spreek er niet van, Tom. Ik heb mijn best gedaan, maar het gaat niet; +neen, het gaat niet voor mij: ik ben er niet aan gewoon. De weduwe is +goed en vriendelijk; maar ik kan het niet bij haar uithouden. Ik moet +alle ochtenden op hetzelfde uur opstaan en mij het vel van het lijf +laten wasschen en kammen; zij wil mij niet eens in de schuur laten +slapen; ik moet kleeren dragen waaronder ik bezwijk; en zij zijn +zoo akelig mooi, dat ik er niet mede kan zitten, liggen, noch op den +grond rollen; ik mag nergens aankomen en moet naar de kerk gaan. Ik +mag er geene vliegen vangen, niet pruimen, en moet den geheelen Zondag +schoenen dragen. De weduwe eet, als de bel luidt; zij gaat naar bed, +als de bel luidt; zij staat op, als de bel luidt; en alles gaat zoo +drommels geregeld, dat een gewoon mensch er niet tegen bestand is." + +"Maar, Huck, zoo leeft iedereen." + +"'t Kan me niet schelen, Tom; ik ben niet als iedereen en ik kan +het niet uithouden. Het is vreeselijk om zoo aan banden gelegd te +worden. En je komt er zoo gemakkelijk aan je eten, dat het mij niet +smaakt. Als ik wil visschen, moet ik het vragen; als ik wil zwemmen, +moet ik het vragen; en vroeger kon ik alles doen wat ik wou. Elken +dag vlucht ik een uurtje naar den zolder om te rooken, omdat ik zoo'n +flauwen smaak in mijn mond heb. Als ik dat niet deed zou ik sterven, +Tom. De weduwe gunt me geen pijp; ik mag niet gapen, mij niet uitrekken +en mij niet krabben, als er anderen bij zijn. Ik moet ook op mijne +knieën liggen, ik moet naar school gaan--en dat wil ik niet, Tom. 't Is +mij een kwelling om rijk te zijn en te zweeten, totdat je woudt dat je +dood was. Neen, deze kleeren lijken mij, een vat lijkt me,--en ik denk +niet weder te veranderen. Toch, ik zou nooit in al die ellende gekomen +zijn, als het niet was door dat geld. Nu moet je mijn part maar bij +dat van jou doen en mij nu en dan een cent of wat geven,--doch niet +vaak, omdat ik geen penning geef om dingen, die ik kan koopen. En dan, +och toe, maak jij het weer voor mij af met de weduwe!" + +"O, Huck, je weet, dat ik dat niet doen kan! Dat is niet mooi; en +buitendien, als je het nog een poos probeert, zul je eindigen met +het prettig te vinden." + +"Prettig vinden? Ja--net zoo zeker als ik het prettig zal vinden, +om een uur op een brandende kachel te zitten. Neen, Tom, ik wil niet +rijk zijn en in die vervloekte, mooie huizen wonen. Ik houd van de +bosschen en van de rivier en van leege vaten--en daarbij denk ik te +blijven. Juist toen we een grot gevonden hadden en geweren, en alles +klaar was om roovers te worden, daar komt me die verdraaide weduwe +en bederft alles!" + +Tom zag een lichtstraal. + +"Kijk eens hier, Huck. Rijk zijn verhindert een mensch niet om roover +te worden." + +"Niet? O, dat is gelukkig! Meen je dat, Tom? Meen je het wezenlijk?" + +"Ja, zoo waar als ik hier zit. Maar, Huck, je kunt niet meer met ons +mee doen, als je geen fatsoenlijke jongen wordt." + +"Waarom niet, Tom? Ben ik dan ook niet zeeroover geweest?" + +"Jawel, maar dat is heel wat anders. Een struikroover is veel voornamer +dan een zeeroover. In de meeste landen zijn de groote lui allemaal +roovers." + +"Tom, jij die altijd zoo goed jegens mij geweest bent, waarom sluit +je me nu buiten? Neen, je meent het niet, Tom." + +"Huck, ik wou dat ik het niet behoefde te doen en ik voor mij zou +het je ook niet behoeven; maar wat zouden de menschen zeggen? De +menschen zouden zeggen: 'Nu! de bende van Tom Sawyer.... gemeene +lui.' En daarmede zouden ze jou meenen, Huck. Dat zou je ook niet +prettig vinden." Huck zweeg eenige oogenblikken en had een bitteren +strijd in zijn binnenste te voeren. Eindelijk sprak hij: + +"Wel, ik zal voor een maand naar de weduwe teruggaan en het probeeren, +en zien of ik het kan uithouden, als je me belooft dat ik bij de +bende zal behooren, Tom." + +"Best, Huck, dat blijft afgesproken. Ga maar mee, oude jongen; ik +zal aan de weduwe vragen, of ze je een beetje meer vrijheid wil geven." + +"Zul je dat wezenlijk doen, Tom? Dat is goed. Als ze mij maar enkele +dingen toelaat, die ik graag doe, zal ik wel vloeken en rooken, waar +ze mij niet hoort of ziet, en mij er dan wel doorredden. Wanneer ga +je de bende in orde maken, en wanneer worden we roovers?" + +"Nu, zoo dadelijk. Wij zullen de jongens bij elkaar zien te krijgen +en van nacht het initiatief nemen." + +"Het initiatief? Wat is dat?" + +"Dat is, dat we zweren zullen, elkander bij te staan en nooit de +geheimen der bende te verklappen, zelfs al werden we aan stukken +gehakt, en het geheele huisgezin uit te moorden van hen, die de bende +kwaad doet." + +"Dat is aardig,--dat is allemachtig aardig, Tom." + +"Wel, waarachtig is het dat. En wij moeten tegen middernacht zweren, +op de akeligste, eenzaamste plaats, die we maar vinden kunnen. Een +spookhuis is het beste; maar die zijn nu allemaal omvergehaald. En +wij moeten zweren op een doodkist en den eed met bloed bezegelen." + +"Nu, dat lijkt mij! Wel, dat is duizendmaal prettiger dan zeeroover +te zijn. Ik zal tot aan mijn dood bij de weduwe blijven; en als ik +een geduchte roover zal zijn, van wien iedereen den mond vol heeft, +zal ze nog blij toe wezen, dat ze me uit het slijk heeft gehaald." + +Dus eindigt dit verhaal. Daar het uitsluitend mijne bedoeling was, +de geschiedenis van een jongen te vertellen, mag ik thans ophouden; +anders zou het de levensbeschrijving van een man worden. Als men +een roman schrijft over volwassenen, weet de schrijver precies hoe +hij moet eindigen,--te weten, met een huwelijk. Doch wanneer hij +iets uit de kinderwereld weergeeft, moet hij ophouden, waar het hem +'t best toeschijnt. + +De meesten der personen die in dit boek voorkomen leven nog en zijn +voorspoedig en gelukkig. Misschien zal het de moeite waard zijn te +eeniger tijd de geschiedenis der kinderen nog eens op te nemen en +te zien wat voor soort van mannen en vrouwen zij geworden zijn. [4] +Daarom zal het 't verstandigst wezen voor het oogenblik van dat +tijdperk huns levens niet te spreken. + + +DE SCHRIJVER. + + + + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Vogel. + +[2] De dusgenaamde "opstellen", die wij hier hebben aangehaald, zijn +zonder eenige verandering genomen uit een werkje getiteld: "Proza en +poëzie, door eene dame uit het verre Westen." Zij zijn volmaakt naar +het gewone schoolmeisjesmodel, en vandaar dat wij beter geslaagd zijn, +dan wanneer wij er een hadden verzonnen. + +[3] Buitengerechtelijk veroordeelen en ter dood brengen. + +[4] Zulks is geschied in het latere werk van Mark Twain "De Lotgevallen +van Huckleberry Finn", waarvan eveneens eene goede geïllustreerde +uitgave in de Nederlandsche taal is verschenen. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Lotgevallen van Tom Sawyer, by Mark Twain + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LOTGEVALLEN VAN TOM SAWYER *** + +***** This file should be named 18381-8.txt or 18381-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/3/8/18381/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/18381-8.zip b/18381-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4b59953 --- /dev/null +++ b/18381-8.zip diff --git a/18381-h.zip b/18381-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3a2b94f --- /dev/null +++ b/18381-h.zip diff --git a/18381-h/18381-h.htm b/18381-h/18381-h.htm new file mode 100644 index 0000000..bc46255 --- /dev/null +++ b/18381-h/18381-h.htm @@ -0,0 +1,9414 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>De lotgevallen van Tom Sawyer</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Mark Twain"> +<meta name="DC.Creator" content="Mark Twain"> +<meta name="DC.Title" content="De lotgevallen van Tom Sawyer"> +<meta name="DC.Date" content="#### 2006"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16% 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +/****** Title Page ******/ + +h1.docTitle +{ +font-size: 1.6em; +line-height: 2em; +} + +h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle +{ +text-align: center; +} + +h2.byline +{ +font-size: 1.1em; +line-height: 1.44em; +font-weight: normal; +} + +span.docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: normal; +} + +/******* Headers ******/ + +.div0 +{ +padding-bottom: 1.6em; +} + +.div1 +{ +padding-bottom: 1.44em; +} + +.div2 +{ +padding-bottom: 1.2em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-bottom: 1.0em; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-style: normal; +text-transform: none; +clear: both; +} + +h1 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h1.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h2 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h2.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h3 +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h4 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left: 10%; +margin-right: 10%; +} + +h5 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +h6 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +/****** Paragraphs ******/ + +p +{ +text-indent: 0; +} + +.alignleft +{ +text-align: left; +} + +.aligncenter +{ +text-align: center; +} + +.alignright +{ +text-align: right; +} + +.alignblock +{ +text-align: justify; +} + +p.poetry +{ +margin: 0em 10% 1.58em 10%; +} + +p.line +{ +margin: 0 10% 0 10%; +} + +p.beforeline, p.afterline +{ +margin-top: 1em; +} + +p.initial +{ +text-indent: 0em; +} + +p.argument, p.note +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +text-indent: 0em; +} + +p.argument +{ +margin: 1.58em 10% 1.58em 10%; +} + +p.quote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + +div.blockquote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + + +/****** Figures ******/ + +div.divFigure +{ +text-align: center; +} + +.floatLeft +{ +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +text-align: center; +} + +p.figure, p.legend +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} + +p.smallprint, li.smallprint +{ +font-size: 80%; +color: #666666; +} + +/* Special cases for Filipino Riddles */ + +p.question +{ +text-align: left; +margin-bottom: 0em; +} + +p.answer +{ +text-align: right; +margin-top: 0em; +} + +p.explanation +{ +margin-left: 0.9em; +margin-right: 0.9em; +font-size: smaller; +} + + +/****** Sidenotes ******/ + +.leftnote +{ +position:absolute; +left:1%; +height:0em; +width:14%; +font-size: 0.8em; +text-indent: 0em; +line-height: 1.2em; +} + +/****** Page Numbers ******/ + +.pagenum +{ +display: inline; +font-size: 70%; +text-align: right; +position: absolute; right: 1%; +padding: 0 0 0 0; +margin: 0 0 0 0; +} + +.pagenum a +{ +text-decoration: none; +} + + +/****** Footnotes ******/ + +a.noteref:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +vertical-align: 0.25em; +text-decoration: none; +} + +div.footnotes +{ +padding: 0 0 0 0; +margin-top: 1em; +} + +hr.fnsep +{ +width: 25%; +text-align: left; +margin-left: 0; +margin-right: 0; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0.5em; +margin-bottom: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align: left; +width: 2em; +} + +/****** Poetry ******/ + +div.poem +{ +text-align: left; +margin-left: 5%; +width: 90%; +position: relative; +} + +.poem h4 +{ +margin-left: 5em; +font-weight: normal; +text-decoration: underline; +} + +.poem .stanza +{ +margin-top: 1em; +} + +.poem .linenum +{ +position: absolute; +top: auto; +left: -2.5em; +margin: 0; +text-indent: 0; +font-size: 90%; +text-align: center; +width: 1.75em; +color: #777; +} + +.poem .i0 { display: block; margin-left: 2em; } +.poem .i1 { display: block; margin-left: 3em; } +.poem .i2 { display: block; margin-left: 4em; } +.poem .i3 { display: block; margin-left: 5em; } +.poem .i4 { display: block; margin-left: 6em; } +.poem .i5 { display: block; margin-left: 7em; } +.poem .i6 { display: block; margin-left: 8em; } +.poem .i7 { display: block; margin-left: 9em; } +.poem .i8 { display: block; margin-left: 10em; } +.poem .i9 { display: block; margin-left: 11em; } + + + +/****** Annotations ******/ + +span.corr +{ +border-bottom: 1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom: 1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom: 1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing: 0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant: small-caps; +} + + +/****** Anchors ******/ + +a.hidden:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.hidden +{ +text-decoration: none; +} + +hr +{ +width: 45%; +margin-top: 1em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +clear: both; +text-align: center; +height: 1px; +} + + + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of De Lotgevallen van Tom Sawyer, by Mark Twain + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Lotgevallen van Tom Sawyer + +Author: Mark Twain + +Illustrator: Johan Braakensiek + +Release Date: May 12, 2006 [EBook #18381] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LOTGEVALLEN VAN TOM SAWYER *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="frontmatter"><p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/frontcover.jpg" alt="Originele voorkant."></p> +</div><p> + +</p> +<h2 class="byline"><span class="docAuthor">Mark Twain</span></h2> +<h1 class="docTitle">De lotgevallen van Tom Sawyer</h1> +<h2 class="byline">Met platen van +<br> +<span class="docAuthor">Johan Braakensiek</span></h2> +<h2 class="docImprint">Zesde druk +<br> +Amsterdam Van Holkema & Warendorf +</h2><p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<p class="aligncenter">Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen + + +</p> +</div><a id="d0e90"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e90">1</a>]</span><div class="bodytext"> +<p class="div1"><a id="d0e92"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk I.</h2> +<p>“Tom!” + +</p> +<p>Geen antwoord. + +</p> +<p>“Tom!” + +</p> +<p>Geen antwoord. + +</p> +<p>“Waar zou die drommelsche jongen toch zitten? Hoor je me niet, Tom?” + +</p> +<p>De oude dame, die deze woorden sprak, trok haar bril naar beneden om er overheen te kijken. Daarna duwde zij hem naar boven +om er onderdoor te kijken. Zelden of nooit gebruikte zij hem om er <i>door</i> te kijken, althans niet naar een zoo onbeduidend voorwerp als een kleine jongen. Immers haar bril was haar roem, de trots +van haar hart, en zij had hem gekocht om ontzag in te boezemen,—niet om dienst te doen. Voor hare oogen toch kon zij evengoed +een deksel van een sauspan genomen hebben. Een oogenblik zag zij onthutst in het rond en zeide, niet bepaald barsch, maar +luid genoeg om door al de meubelen in de kamer gehoord te worden: + +</p> +<p>“Als ik je krijg, dan zal....” + +</p> +<p>Meer kon zij niet uitbrengen, want al pratende had zij zich voorovergebukt om met een bezem onder het bed te voelen of zich +daar ook iemand verscholen had; en zij <a id="d0e114"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e114">2</a>]</span>hijgde naar adem, toen zij na lang duwen en stompen niets dan de kat te voorschijn haalde. + +</p> +<p>“Ik heb nooit van mijn leven zoo’n jongen gezien! Nu zullen wij eens buiten kijken.” + +</p> +<p>Zij ging voor de open deur staan en keek den tuin rond, tusschen de tomato-boompjes en het doorn-appelkruid. Geen Tom. Daarna +gebruikte zij hare handen als spreektrompet en schreeuwde: “Ben je daar, Tom!” + +</p> +<p>Wacht! daar hoort ze plotseling een licht gedruisch achter zich en zij keert zich om juist bijtijds om een jongen bij de panden +van zijn buisje te vatten en hem het ontkomen te beletten. “Wel, ik had er aan moeten denken dat je in de provisiekast zoudt +zitten,” zeide zij. “Wat heb je daar gedaan?” + +</p> +<p>“Niets, tante.” + +</p> +<p>“Niets? Kijk eens naar je handen en je mond! Waarom kleven die zoo?” + +</p> +<p>“Dat weet ik niet, tante.” + +</p> +<p>“Nu, ik wel. Er zit gelei aan. Heb ik je niet honderdmaal gezegd, dat je voor de broek zoudt hebben, als je gelei snoepte. +Geef mij die roede eens aan.” + +</p> +<p>De roede werd in de lucht gezwaaid en was op het punt on op den jongen neer te komen, toen hij uitriep: + +</p> +<p>“Tante, kijk eens achter u!” + +</p> +<p>De oude dame draaide zich om en legde de roede neer om een partij hemden te redden, die zij op de haag te drogen had gehangen +en die, door haar ijver om parate executie te houden, op den grond waren gevallen. + +</p> +<p>De jongen maakte van de gelegenheid gebruik om over de schutting te klauteren en was in een ommezien verdwenen. + +</p> +<p>Tante stond hem een oogenblik beteuterd na te kijken en barstte toen in lachen uit. + +</p> +<p>“Die duivelsche jongen! Zal ik dan nooit wijzer worden <a id="d0e142"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e142">3</a>]</span>Het spreekwoord heeft gelijk: ‘Hoe ouder, hoe gekker.’ Een ouden hond kan men geen nieuwe kunsten leeren. Elken dag verzint +de jongen iets anders; maar wie kan dat allemaal vooruit weten? ’t Is alsof hij voelt hoe lang hij mij plagen kan vóórdat +ik kwaad word. En als ik dan eindelijk boos ben, brengt hij mij een oogenblik van het onderwerp af of laat mij lachen, en +voorbij is het; hij glijdt mij onder de vingers weg, voordat ik hem kan straffen. Ik doe mijn plicht niet aan dien jongen, +zoo waar als ik leef. Staat er niet geschreven: ‘Die de roede spaart, bederft het kind.’ Ik vergroot ons beider zonde en lijden. +Hij is gansch en al bedorven. Maar, helaas het arme schaap is het eigen kind van mijne zuster zaliger ik kan het niet over +mij verkrijgen hem te slaan. Ieder keer, dat ik hem niet straf, klaagt mijn geweten mij aan en ieder keer dat ik hem slaag +geef, breekt mij het hart. Wat zal er van hem worden? Zoo zal hij voor galg en rad opgroeien? Hij zal van middag zeker weer +gaan strijken en dan zal ik, om te straffen, hem morgen moeten laten werken. ’t Is vreeselijk hard om hem op Zaterdag aan +den arbeid te zetten, als andere jongens vacantie hebben maar ik moet ten minste mijn plicht doen, of ik zal het kind nog +tot bederf worden.<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>Tom bleef uit school en had een prettigen middag. Hij kwam juist tijdig genoeg tehuis, om Jim, den zwarten loopjongen, te +helpen houtzagen en de blokjes voor het avondeten te hakken. Of liever hij kwam bijtijds, om Jim zijne avonturen te vertellen, +terwijl deze drie vierden van het werk deed. Toms jongere broeder (of eigenlijk stiefbroeder) Sid, was al lang klaar met zijn +werk van spaanders op te rapen; immers hij was een bedaarde jongen, die volstrekt niet van avonturen en waaghalzerijen hield. +<a id="d0e149"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e149">4</a>]</span></p> +<p>Onder het eten deed tante haar neef, die af en toe stilletjes uit den suikerpot nam, allerlei listige, diepzinnige vragen, +om hem er in te laten loopen. Gelijk vele andere eenvoudige lieden, beroemde zij er zich op, dat zij een aangeboren talent +bezat voor geheimzinnige diplomatie en beschouwde zij de meest alledaagsche kunstgrepen, waarvan zij gebruik maakte, als wonderen +van list en vindingrijkheid. + +</p> +<p>“Was ’t niet warm op school?” vroeg zij. + +</p> +<p>“Ja, tante.” + +</p> +<p>“Schrikkelijk warm, niet waar?” + +</p> +<p>“Ja, tante.” + +</p> +<p>“Had je geen lust om te gaan zwemmen, Tom?” + +</p> +<p>Tom begon lont te ruiken en trachtte tantes gelaat uit te vorschen maar het bleef onwrikbaar in dezelfde plooi. + +</p> +<p>“Neen, tante,” antwoordde hij, “niet zoo bijzonder.” + +</p> +<p>De oude dame strekte de hand uit, om te voelen of Toms overhemd ook nat was, en zeide: + +</p> +<p>“Je bent nu toch niet zoo bijzonder warm, Tom!” + +</p> +<p>Zij was verbaasd over haar eigen slimheid; zij had op deze manier ontdekt dat Toms overhemd droog was, zonder dat iemand vermoedde +dat het juist dat was, waar zij achter wilde komen. Maar Tom wist al uit welken hoek de wind woei en dacht dat ’t beste zou +zijn de vraag te voorkomen, die nu volgen zou. + +</p> +<p>“Wij hebben ons hoofd onder de pomp gehouden,” zeide hij, “en ’t mijne is nog nat. Voel maar?” + +</p> +<p>Tante Polly was boos op zich zelve, omdat zij aan die omstandigheid, welke hem van de schuld had moeten overtuigen, niet gedacht +had en dus niet bijdehand genoeg was geweest. + +</p> +<p>Maar ze kreeg een nieuwe ingeving. + +</p> +<p>“Tom, je hebt toch het boordje, dat ik aan je hemd heb <a id="d0e180"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e180">5</a>]</span>vastgenaaid, niet behoeven los te maken om je hoofd onder de pomp te houden. Wacht, ontknoop je buis eens.” Toms gezicht klaarde +weer op. Hij ontknoopte zijn buis. Het boordje zat aan het hemd vast. + +</p> +<p>“Wel, loop dan maar heen. Ik dacht zeker, dat je van school waart gaan strijken om te zwemmen. Doch ik zal je maar vergeven. +’t Is met jou toch maar boter aan de galg gesmeerd.” Zij was half boos, dat hare scherpzinnigheid gefaald had, en half blij, +dat Tom toevallig niet ongehoorzaam bleek te zijn. Toen zeide Sidney: + +</p> +<p>“Tante, hebt u het boordje met wit of zwart garen genaaid?” + +</p> +<p>“Wel, natuurlijk met wit.—Tom!” + +</p> +<p>Maar Tom wachtte de rest niet af. Eer hij de deur uitvloog, riep hij nog even: + +</p> +<p>“Je krijgt een pak slaag, Sid, voor het klikken.” + +</p> +<p>Zoodra Tom buiten het bereik van zijne tante was, haalde hij twee groote naalden voor den dag, de een met zwart en de andere +met wit garen omwonden, die hij aan den binnenkant van zijn buis had gestoken, en zeide: + +</p> +<p>“Ze zou het nooit gemerkt hebben als Sid het niet verklapt had. ’t Is een drommelsch werk; nu eens naait ze met zwart en dan +weder met wit garen. Ik wou maar, dat ze zich bij het een of het andere bepaalde; dan wist ik waar ik mij aan te houden had. +Maar Sid zal er voor lusten, of ik heet geen Tom Sawyer meer!” + +</p> +<p>Tom was niet de modeljongen van het dorp. Hij wist echter best, wie dat <i>wel</i> was en ook dat hij een geduchten hekel aan hem had. + +</p> +<p>In minder dan twee minuten had hij zijn verdriet vergeten. Niet omdat hij het minder voelde dan volwassenen, maar omdat iets +anders, dat zijne belangstelling geheel innam, <a id="d0e203"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e203">6</a>]</span>het onderdrukte en voor een oogenblik uit zijne ziel verdreef. Dat andere was het aanleeren van eene nieuwe manier van fluiten, +die hij juist van een neger had afgezien en waarin hij zich thans ongestoord kon oefenen. Het was een soort van zacht gekweel, +dat aan het geluid van een vogel deed denken en voortgebracht werd door bij tusschenpoozen midden onder het fluiten met de +tong het verhemelte aan te raken. De lezer zal zich uit zijne jongensjaren wel herinneren hoe men dat doet. Door vlijt en +volharding kreeg hij het kunstje spoedig beet en stapte hij door de straten met een mond vol harmonie en een hart zoo vol +dankbaarheid als dat van een sterrekundige, die eene nieuwe planeet ontdekt heeft. Wanneer men het genot van den astronoom +had kunnen vergelijken met dat van Tom, zou dat van den knaap het in onvermengdheid gewonnen hebben. + +</p> +<p>Het was midden in den zomer en de avonden waren lang. De duisternis was nog niet ingevallen, toen Tom al fluitende zijn weg +vervolgde. Een vreemdeling liep voor hem uit, een jongen, een paar duim langer dan hij zelf. Een vreemdeling, van welken leeftijd +of sekse ook, was eene merkwaardigheid in het kleine plaatsje St. Petersburg. Deze jongen was mooi gekleed,—veel te mooi voor +een weekdag. Dat was al iets vreemds. Zijn pet was splinternieuw, zijn toegeknoopt blauw buisje dito, zijn broek evenzoo. +Hij had schoenen aan, en dat nog wel op Vrijdag! Zelfs had hij een mooie zijden das on! Hij zag er zoo deftig uit, dat Tom +er kippenvel van kreeg. Hij stond dit monster van pracht aan te gapen, doch hoe langer hij zijn neus tegen hem optrok, des +te smeriger en te slordiger scheen hem zijn eigen plunje. Geen van beiden sprak een woord. Als de een zich bewoog, deed de +ander hetzelfde. Zij bleven elkander aanstaren, totdat Tom uitriep: +<a id="d0e207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e207">7</a>]</span></p> +<p>“Ik kan je wel aan.” + +</p> +<p>“Probeer het dan eens.” + +</p> +<p>“Zeker, ik kan wel, als ik maar wil.” + +</p> +<p>“Dat kun je niet.” + +</p> +<p>“Jawel.” + +</p> +<p>“Neen.” + +</p> +<p>“Ja.” + +</p> +<p>“Neen.” + +</p> +<p>Er volgde eene onheilspellende stilte, waarna Tom zeide: + +</p> +<p>“Hoe heet je?” + +</p> +<p>“Dat raakt je niet?” + +</p> +<p>“Ik zal je leeren, dat het me wel raakt.” + +</p> +<p>“Nu, doe het dan.” + +</p> +<p>“Als je nog een woord spreekt, doe ik het.” + +</p> +<p>“Nog een woord! Wat verbeeld jij je wel?” + +</p> +<p>“Je vindt je eigen nogal mooi, niet waar? Ik zou je wel met ééne hand op den grond kunnen krijgen, als ik het verkoos.” + +</p> +<p>“Waarom doe je het dan niet. Je zegt altijd, dat je het kunt.” + +</p> +<p>“Als je den gek met me steekt, doe ik het.” + +</p> +<p>“O! dat heb ik wel honderd jongens hooren zeggen.” + +</p> +<p>“Je denkt zeker, dat je een heele Piet bent.” + +</p> +<p>“Wat een vieze pet heb jij op!” + +</p> +<p>“Probeer eens, mij dien pet van het hoofd te nemen. Doe het eens!” + +</p> +<p>“Je bent een lafaard.” + +</p> +<p>“En jij ook.” + +</p> +<p>“Je bent een groote lafaard en je durft me niet aan.” + +</p> +<p>“Ga eens verder, als je durft,” + +</p> +<p>“Als je nog meer praatjes maakt, zal ik je een slag op den kop geven.” +<a id="d0e262"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e262">8</a>]</span></p> +<p>“Wel zeker, zul je dat?” + +</p> +<p>“Ja, dat zal ik.” + +</p> +<p>“Waarom doe je het dan niet? Waarom zeg je altijd, dat je het doen zult. Is het, omdat je bang bent?” + +</p> +<p>“Ik ben niet bang.” + +</p> +<p>“Jawel.” + +</p> +<p>“Neen.” + +</p> +<p>“Jawel.” + +</p> +<p>Weder eene pauze. De jongens duwen gedurig meer tegen elkander aan. Zij staan al schouder tegen schouder. Tom roept: + +</p> +<p>“Ga uit den weg!” + +</p> +<p>“Ga jij uit den weg.” + +</p> +<p>“Ik doe het niet.” + +</p> +<p>“Ik doe het ook niet.” + +</p> +<p>Zoo stonden zij beiden met één voet vooruit, elkander duwende dat het een aard had. Maar geen van beiden kon den ander uit +den weg krijgen. Na tegen elkander aangebonsd en gestooten te hebben, totdat de zweetdroppels hun over het gezicht liepen, +weken beiden voorzichtig een weinig achteruit en Tom zeide: + +</p> +<p>“Je bent een lafaard. Ik zal mijn oudsten broer eens op je afsturen; die kan je wel met zijn pink aan en hij zal het doen +ook.” + +</p> +<p>“Wat kan mij je oudste broer schelen! Ik heb een broer, die nog veel grooter is dan die van jou, en die smijt jou vierkant +over de schutting.” (De twee broeders bestonden slechts in hunne verbeelding.) + +</p> +<p>“Dat is een leugen.” + +</p> +<p>“Iets is nog geen leugen, omdat jij het blieft te zeggen.” + +</p> +<p>Tom maakte eene streep in het zand met zijn grooten <span class="corr" title="Bron: toon">teen</span> en zeide: +<a id="d0e302"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e302">9</a>]</span></p> +<p>“Stap hier eens over en ik zal je een pak geven, dat je niet meer op je beenen staan kunt.” + +</p> +<p>De nieuwe jongen stapte er dadelijk over en zeide: + +</p> +<p>“Nou, je zei dat je het doen zoudt; doe het dan ook.” + +</p> +<p>“Sar me niet; pas op!” + +</p> +<p>“Wel, je <i>zei</i> dat je het doen zoudt. Waarom doe je ’t dan niet?” + +</p> +<p>“Sapperloot, ik doe het voor twee centen!” + +</p> +<p>De nieuwe jongen haalde twee vuile centen uit zijn zak en bood die Tom met een spottend gezicht aan. + +</p> +<p>Tom smeet de centen op den grond. + +</p> +<p>In een oogenblik rolden en buitelden de jongens in het stof en vochten als leeuwen; een minuut lang rukten en plukten zij +elkaar, trokken elkaar bij het haar en de kleeren, stompten en krabden elkander en overdekten zich met modder en lauweren. +Een oogenblik later kwam er orde uit de verwarring en Tom werd uit den damp van het slagveld zichtbaar, op den nieuwen jongen +gezeten en een regen van vuistslagen op hem doende nederdalen. + +</p> +<p>“Is het nou genoeg?” vroeg hij. + +</p> +<p>De jongen worstelde om van den grond op te komen. Hij schreeuwde meer uit woede dan van pijn. + +</p> +<p>“Is het nou genoeg?” zeide Tom, en het kloppen ving weer aan. Eindelijk ontsnapte den nieuwen jongen een onderdrukt “genoeg,” +en Tom liet hem opstaan met de woorden: “Dat is een goede les voor je, mannetje. Ik zou je raden een volgenden keer te kijken +wien je voor hebt, eer je met iemand den gek steekt.” + +</p> +<p>De nieuwe jongen stond op, sloeg het stof van zijne kleederen, en liep snikkende weg, terwijl hij gedurig het hoofd omdraaide +en Tom dreigde, dat hij hem een ander maal wel te pakken zou krijgen. Tom beantwoordde de <a id="d0e332"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e332">10</a>]</span>dreigementen met schimpscheuten en stapte voort met hooge borst. Hij had zijn rug echter nog niet gekeerd of de nieuwe jongen +nam een steen op, smeet hem dien achterna, raakte hem daarmede tusschen de schouders en rende toen weg, zoo snel als zijne +beenen hem dragen konden. Tom zette den verrader na tot aan zijn huis en ontdekte alzoo waar hij woonde. Een tijdlang bleef +hij bij de deur post vatten, den vijand tartende buiten te komen, maar deze hield zich schuil achter het raam, waar hij tegen +Tom gezichten stond te trekken. Eindelijk kwam de moeder van den vijand voor den dag, die Tom voor een leelijken, gemeenen +jongen uitschold en hem gelaste zijn biezen te pakken. Toen ging Tom heen en mompelde tusschen zijne tanden, dat de nieuwe +jongen geen cent waard was. + +</p> +<p>Hij kwam vrij laat te huis, en toen hij voorzichtig het raam insprong, viel hij in eene hinderlaag, in de persoon van zijne +tante, bij wie, toen zij den staat zag, waarin zijne kleederen verkeerden, het besluit om zijn vrijen Zaterdag in een gevangenschap +met dwangarbeid te veranderen, onherroepelijk vaststond. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e336"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk II.</h2> +<p>De Zaterdagmorgen kwam; een heerlijke, warme zomerdag vol vroolijkheid en leven. Alle harten waren blijde gestemd en de jeugd +uitte hare blijdschap in een opgewekt gezang. Genot was op elk gelaat te lezen en van veerkracht getuigde iedere stap. + +</p> +<p>De acacia’s stonden in vollen bloei en de lucht was van den geur der bloesems vervuld. +<a id="d0e343"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e343">11</a>]</span></p> +<p>De heuvels in en buiten St. Petersburg waren met een groen zomerkleed getooid en zagen er zoo rustig en uitlokkend uit, dat +hij die ze in de verte zag droomde van het land van belofte, overvloeiende van melk en honig. + +</p> +<p>Tom verscheen aan de deur met een emmer vol witkalk en een verf kwast met een langen steel. Hij overzag de schutting die hij +moest witten, en de vroolijkheid week uit zijn hart en eene diepe droefgeestigheid daalde daarin neder. Dertig el schutting +negen voet hoog! Ach, het leven was een last, zwaar om te dragen! Al zuchtende doopte hij zijn kwast in de kalk en maakte +eene dikke streek; hij herhaalde het werk nog eens en nog eens, vergeleek het onbeteekenend streepje gewitte schutting met +het groote veld, dat nog gewit moest worden, en zette zich ontmoedigd op een boomstam neder. + +</p> +<p>Daar kwam Jim, een liedje zingende, met een emmer aan den arm, de deur uithuppelen. Water uit de stadspomp halen was tot nu +toe in Toms oogen een hatelijk werk geweest, maar vandaag scheen het hem zoo heel naar niet. Immers hij wist, dat er menschen +bij de pomp zouden zijn. Zij was op sommige uren ongenaakbaar vanwege de jongens en meisjes van allerlei soort; blanken, kleurlingen +en negers waren er altijd in menigte, die, terwijl zij hun beurt afwachtten, zich met speelgoed verkwanselen, twisten, vechten +en krijgertje spelen vermaakten. Vandaar dat, hoewel de pomp vlak bij was, Jim nooit binnen het uur terugkwam; en dan nog +moest hij meestal gehaald worden. + +</p> +<p>Daarom zei Tom: “Zeg eens, Jim, zal ik water halen en jij witten?” + +</p> +<p>Jim schudde het hoofd en zei: + +</p> +<p>“Dat kan niet, jongeheer. De oude juffer heeft me gezegd, dat ik water moest halen en met niemand moest blijven staan <a id="d0e356"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e356">12</a>]</span>praten. Zij zei ook, dat, als de jongeheer Tom me vroeg om te witten, ik net doen moest alsof ik het niet hoorde;—en dat ze +zou komen zien of ik gedaan had, wat ze gezeid had.” + +</p> +<p>“O, stoor je daar niet aan, Jim; dat zegt ze altijd. Geef den emmer: ik ben binnen twee minuten terug. Zij zal het nooit te +weten komen.” + +</p> +<p>“Ik durf niet, jongeheer. Als de juffer het zag, zou ze me de haren uit het hoofd trekken.” + +</p> +<p>“Zij? Ze slaat haast nooit,—en als ze het doet, is het alsof er een veer over je rug gaat. Zij heeft een grooten mond, maar +praatjes doen geen zeer. Jim, als je het doet, krijg je een knikker, een albasten knikker.” + +</p> +<p>Jim begon te weifelen. + +</p> +<p>“Een albasten knikker Jim, en een baas ook?” + +</p> +<p>“Wel, het is verleidelijk, jongeheer, maar ik ben zoo bang voor de oude juffer.” + +</p> +<p>Doch Jim was een mensch en de verleiding was te groot. Hij zette den emmer neder en nam den witten knikker. Een kwartier later, +juist toen tante Polly met een pantoffel in de hand, een glans van triomf op het gelaat, uit den tuin kwam, hoorde men Jim +luid klingelend den vollen emmer in de gang zetten en stond Tom weder dapper te witten. + +</p> +<p>Maar die witwoede duurde niet lang. Tom verviel spoedig in gepeins over de pretjes, die hij zich van dezen Zaterdag had voorgesteld +en zijn gemoed schoot vol. Thans zouden al de jongens, die vrijaf hadden, vol heerlijke plannen voorbijkomen en dan zouden +zij hem uitlachen, omdat hij moest witten. + +</p> +<p>Dat was al te erg. Hij haalde zijne wereldsche schatten voor den dag, bekeek die en zag dat zij uit gebroken speelgoed en +andere prullen bestonden. ’t Was genoeg om zijn werk voor een paar minuten af te koopen, maar veel <a id="d0e376"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e376">13</a>]</span>te weinig om een half uur vrij te krijgen. Hij stak zijne bezittingen weer in den zak en gaf het denkbeeld, van te trachten +met die voorwerpen de jongens om te koopen, op. In dit wanhopige oogenblik kreeg hij een schitterenden inval. Hij nam den +kwast en werkte rustig voort. Daar kwam Ben Rogers in ’t gezicht, de jongen wiens spot hij boven alles vreesde. + +</p> +<p>Bens tred was een aanhoudend huppelen en springen, een teeken dat zijn hart licht en zijne verwachtingen groot waren. Hij +at een appel en deed nu en dan een lang liefelijk gefluit hooren, gevolgd door een zwaarklinkend: ding dong dong, ding dong +dong. Immers hij stelde een stoomboot voor. + +</p> +<p>Naarmate hij dichterbij kwam, vertraagde hij zijn stap, hield het midden van de straat, leunde ver over stuurboord en begon +zeer kunstig, met veel gewicht te laveeren, daar hij de stoomboot “de groote Missouri” vertoonde. Hij was tegelijk boot, kapitein +en machinebel en moest zich zelven dus verbeelden op het dek te staan, daarop bevelen te geven en die ten uitvoer te brengen. + +</p> +<p>“Stop, mijnheer! Ling-ling-ling.” De boot ging iets te spoedig vooruit en de knaap trok langzaam zijwaarts. “Iets naar achteren! +Ling-ling-ling!” Toen liet hij zijn arm stijf langs de zijden glijden. “Zet haar terug naar stuurboord! Ling-ling-ling, Chow-ch-chow +chow!” Daarna begon hij met de rechterhand een cirkel te beschrijven, welke beweging het draaien van een wiel verbeelde. “Terug +naar bakboord. Ling-ling-ling! Chow-chow-ch!” De linkerhand begon cirkels te beschrijven. + +</p> +<p>“Aan stuurboordszijde, stop! Ling-ling-ling! Aan bakboordszijde, stop! Laat maar langzaam bijdraaien! Ling-ling-ling! Chow-chow-ow! +Gebruik de hoofdtouwen. Vlug, nu de boeglijn.—Wat doet ge daar? Wind den kabel on dien paal. <a id="d0e386"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e386">14</a>]</span>Naar den steiger toe—vooruit! Machine stil! Ling-ling-ling!” Tom ging voort met witten en sloeg geen acht op de stoomboot. +Ben staarde hem een oogenblik aan en zeide toen: + +</p> +<p>“Hi-hi! Je bent een ongelukkige stumperd!” + +</p> +<p>Geen antwoord. Tom bekeek de laatste streek van den witkwast met het oog van een kunstenaar, maakte nog een keurig haaltje +en zag, hoe dat voldeed. Ben ging naast hem staan. Tom watertandde bij het gezicht van den appel, doch hij witte ijverig door. + +</p> +<p>Ben zeide: + +</p> +<p>“Heila, oude jongen, je moet voor straf werken, he?” + +</p> +<p>“Wel, Ben, ben jij daar? Ik zag je niet.” + +</p> +<p>“Zeg, ik ga zwemmen. Zou jij ook niet willen, als je mocht? Maar jij moet werken, niet waar?<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>Tom keek den jongen aan en zeide: + +</p> +<p>“Wat noem je werken?” + +</p> +<p>“Wel, is dit geen werken?” + +</p> +<p>Tom begon weer te witten en antwoordde koeltjes: “Nu, het mag werken zijn of niet, wat ik weet, is, dat Tom Sawyer het dol +prettig vindt.” + +</p> +<p>Daar kwam de zaak in een ander licht. Ben stond stil en beet op zijn appel. Tom streek met zijn kwast voorzichtig op en neer, +ging een stap of wat achteruit, om te zien hoe zijn werk voldeed, maakte een haaltje hier en een haaltje daar, keek nog eens +naar het effect, terwijl Ben elke beweging bespiedde en hoe langer hoe meer belang in den arbeid begon te stellen. Eindelijk +zeide hij: + +</p> +<p>“Och, Tom, laat mij eens even witten.” + +</p> +<p>Tom bedacht zich een oogenblik en was op het punt toe te geven, maar kwam even spoedig op dat voornemen terug. “Neen, neen, +dat zal niet gaan, Ben. Je moet weten, Ben, <a id="d0e417"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e417">15</a>]</span>dat tante Polly verschrikkelijk precies is op die schutting; zij staat zoo vlak aan den weg, weet je.—Als het nog achter was, +zou ik er niet tegen hebben, en zou tante het wel goedvinden. Zij is vreeselijk precies op het witten; het moet keurig netjes +gedaan worden, en ik geloof niet, dat er van de duizend, neen van de tweeduizend jongens één is, die het doet zooals het behoort.” + +</p> +<p>“Zoo, is het zoo moeilijk? Och toe, laat mij het eens probeeren; eventjes maar! Ik had het jou al lang laten doen, als je +het mij gevraagd had, Tom!” + +</p> +<p>“Ben, ik zou het, op mijn woord dolgraag doen, maar tante Polly...—Jim vroeg het ook, maar zij wou het niet hebben; Sid ook, +maar hij mocht evenmin. Begrijp je nu niet, dat ik er voor verantwoordelijk ben? Als je eens kladden op de schutting maakte, +als er iets mee gebeurde....” + +</p> +<p>“O, ik zal wel oppassen. Toe laat me het maar eens probeeren. Ik zal je het klokhuis van mijn appel geven.” + +</p> +<p>“Nu, goed dan; neen, toch niet, Ben;—ik ben bang voor....” + +</p> +<p>“Ik zal je den heelen appel geven.” + +</p> +<p>Tom gaf den kwast met aarzelenden blik en een verheugd gemoed over. En terwijl de stoomboot “de groote Missouri” in de barre +zon stond te werken en te zweeten, zat de kunstenaar rustig in de schaduw op een biervat zijn appel op te muizen en peinsde +over nieuwe plannen om nog meer argeloozen in de val te lokken. De gelegenheid liet zich niet wachten. Verschillende jongens +kwamen voorbij: zij kwamen om te spotten—en bleven om te witten. Toen Ben uitgeput van vermoeienis den kwast had neergelegd, +werd de beurt aan Billy Fischer afgestaan voor een vlieger; en toen die gedaan had, kocht John Miller een beurt voor een dooden +rat en een touw om hem aan te laten schommelen; <a id="d0e431"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e431">16</a>]</span>en zoo ging het, het eene uur voor en het andere na. En op het midden van den dag, baadde de ’s ochtends doodarme jongen zich +in zijn rijkdom. Hij had behalve de dingen, die ik vermeld heb, twaalf knikkers gekregen, een half kapot blaasinstrument, +een stukje blauw glas om door te kijken, een garenspoeltje, een roestigen sleutel, een stukje krijt, een kurk met een glazen +stop, een looden soldaat, een paar jonge kikvorschen, zes sissers, een koperen deurknop, het heft van een mes, een halsbandje +voor een hond, vier chinaasappelschillen en een stukje glas. Hij had den ganschen dag lekkertjes geluierd en de schutting +was met drie duim witsel besmeerd! Als de kalk niet opgeraakt was, zou hij al zijne vrienden geruïneerd hebben. + +</p> +<p>Tom dacht, dat het bij slot van rekening toch nog niet zoo heel vervelend op deze aarde was. Hij had onbewust een der voornaamste +wetten, waardoor de menschenwereld geregeerd wordt, leeren kennen, namelijk: dat om iemand op iets verzot te maken, men het +slechts als zeer moeilijk verkrijgbaar behoeft voor te stellen. Ware hij een groot wijsgeer geweest, zooals de schrijver van +dit boek, hij zou begrepen hebben, dat “werken” bestaat in hetgeen men verplicht is te doen en “spelen” in te doen wat men +niet verplicht is te verrichten. En dat zou hem hebben doen vatten, waarom het maken van kunstbloemen of het arbeiden op den +tredmolen “werken” en waarom kegelen en het beklimmen van den Mont Blanc “uitspanning” is. + +</p> +<p>Er zijn rijke heeren in Engeland, die iederen dag twintig of dertig mijlen met een vierspan afrennen, omdat dit voorrecht +hun een groote som gelds kost. Wanneer zij echter voor datzelfde genot betaald werden, zou het “werken” worden en dan zouden +zij het er aan geven. + + + +<a id="d0e437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e437">17</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e438"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk III.</h2> +<p>Na het volbrengen van zijn arbeid maakte Tom zijne opwachting bij tante Polly, die voor het raam zat in een vroolijk vertrek +aan den achterkant, dat te gelijk als slaap-, eet- en zitkamer dienst deed. De lekkere zomerlucht, de kalme rust, de geur +der bloemen en dommelig gegons der bijen waren niet zonder uitwerking op haar gebleven en zij zat over haar brijwerk te knikkebollen. +Haar eenig gezelschap was de kat, en deze lag te slapen op haar schoot. Veiligheidshalve had zij haar bril boven haar grijs +hoofd gezet. Zij verwachte niet anders dan dat Tom lang van zijn werk zou zijn afgeloopen, en het verwonderde haar derhalve +ten hoogste hem op eens met een onverschrokken gelaat voor haar te zien staan. Zijn eerste woord was: “Mag ik nou gaan spelen, +tante?” + +</p> +<p>“Wat, nu al? Hoe ver ben je?” + +</p> +<p>“Alles is klaar, tante.” + +</p> +<p>“Tom, lieg niet! Leugenaars kan ik niet uitstaan.” + +</p> +<p>“Het is geen leugen. Alles is klaar.” + +</p> +<p>Tante Polly sloeg maar half geloof aan deze verzekering en ging naar buiten om zelve te kijken. Zij zou reeds tevreden geweest +zijn, indien twintig percent van Toms verklaring waarheid geweest ware, en toen zij nu de gansche schutting met witsel bestreken +vond, en bestreken niet alleen, maar netjes en met zorg bewerkt, en zelfs den grond met een streek kalk bedeeld, had zij geen +woorden genoeg om hare bewondering lucht te geven en riep zij uit: + +</p> +<p>“Wel, heb ik ooit zoo iets gezien! ’t Is ongeloofelijk. Jij kunt werken, als je het op je heupen hebt, Tom!” Doch <a id="d0e455"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e455">18</a>]</span>meteen verkleinde zij de waarde van het compliment door er bij te voegen: “’t Is jammer, dat dit zelden gebeurt. Kom, ga nu +maar spelen, doch denk er aan, dat je bijtijds tehuis komt, of ik zal je spreken.” + +</p> +<p>Toms heldenstuk had zulk een overweldigenden indruk op haar gemaakt, dat zij hem meenam naar de provisiekamer en een prachtigen +appel uitkoos, dien ze hem overhandigde met een nuttige les over de waarde en den bijzonderen geur die eene lekkernij verkrijgt +wanneer zij de vrucht is, niet van zonde, maar van naarstigheid. En terwijl zij tot slot eene toepasselijke plaats uit de +Schrift aanhaalde, kaapte haar neef een spekpannekoek. Toen liep hij vroolijk weg en zag juist Sid verschrikt de trap ophollen, +die naar de achterkamer op de tweede verdieping voerde. Voor de deur lag een hoop aarde en in een oogenblik was de lucht vol +kluiten, die als een hagelbui op Sid neervielen. Eer tante Polly van hare verbazing bekomen kon en haar neef hulp verleenen, +waren reeds een stuk af wat kluiten op haar eigen hoofd neergekomen en was Tom over de schutting verdwenen. Hij had wel door +de poort kunnen gaan, maar het ontbrak hem aan tijd om zulk een omweg te maken. Nu kon hij met een gerust hart gaan spelen, +want de rekening met Sid over het klikken van het zwarte garen, was vereffend. + +</p> +<p>Tom hield den achterkant van de huizen, totdat hij in een modderig steegje achter tantes koestal kwam. Toen achtte hij zich +tegen gevangenneming en straf beveiligd en begaf zich naar het marktplein, waar twee militaire compagnieën van schooljongens, +volgens afspraak, bijeen waren gekomen om slag te leveren. Tom was de generaal van het eene leger en Joe Hasper (zijn boezemvriend) +de <span class="corr" title="Bron: aanvoeder">aanvoerder</span> van het andere. De twee groote bevelhebbers verwaardigden zich niet persoonlijk aan dit gevecht deel te nemen, maar <a id="d0e464"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e464">19</a>]</span>lieten dat aan de kleine bakvischjes over. Zij zetten zich naast elkander op eene hoogte neder, en leiden de krijgsverrichtingen +door bevelen te geven, welke door veldmaarschalken werden overgebracht. Het leger van Tom behaalde na een langen en bangen +strijd eene schitterende overwinning. Daarna werd het aantal dooden geteld, de gevangenen uitgeleverd, de bepalingen voor +het volgende geschil gemaakt en den dag voor den vereischten veldslag bepaald, waarna de beide legers zich met elkander vereenigden +en afmarcheerden, terwijl Tom alleen naar huis ging. + +</p> +<p>Toen hij het huis van Jeff Thatcher voorbij stapte, zag hij daar een hem onbekend meisje in den tuin,—een lief, klein ding +met blauwe oogen, blond, in twee lange vlechten gescheiden haar, een wit zomerjurkje en een geborduurde pantalon. In een oogenblik +verdween eene zekere <span class="corr" title="Bron: Anny">Amy</span> Laurence uit zijn hart en was alsof die nooit had bestaan. Hij had zich verbeeld dat hij halfgek van verliefdheid op haar +was, hij had gedacht dat hij haar aanbad, en zie, het bleek niets dan eene kleine, voorbijgaande ingenomenheid geweest te +zijn. Maanden lang had hij zijn best gedaan om haar hart te winnen en zij had hem juist acht dagen geleden bekend, dat zij +hem wederliefde schonk. Een week lang was hij dronken van geluk en de wereld te rijk geweest, en nu was zij heel uit zijne +gedachten verdwenen, als het vluchtig bezoek van een ons onverschilligen vreemde. Hij bleef zijn nieuwe engel in stilte aanbidden, +totdat hij bemerkte, dat zij hem in ’t oog kreeg. Toen deed hij alsof hij haar niet zag en begon allerlei dwaze kunsten en +grimassen te maken om haar aandacht te trekken. Na die zonderlinge grappen een tijdlang volgehouden te hebben, keek hij te +midden van eene gymnastische oefening toevallig op zijde en zag dat het meisje naar huis ging. <a id="d0e471"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e471">20</a>]</span>Dadelijk hield hij op, liep naar de haag en ging met een bedrukt gezicht voor de stekelige doornen staan, in de hoop dat zij +nog even zou toeven. Een oogenblik bleef zij op het bordes staan en ging daarop naar de deur. Toen zij den voet op den drempel +zette slaakte Tom een diepen zucht, maar zijn gelaat klaarde terstond weer op, want eer zij de deur inging, wierp zij een +viooltje over de haag. Tom liep naar de plek waar het viooltje lag, bleef op een paar treden afstand van het bloempje staan +en hield toen de hand voor de oogen, alsof hij iets heel bijzonders op straat zag. Hij raapte een stroohalm op en deed dien, +met het hoofd achterover op zijn neus balanceeren. Onder die beweging naderde hij langzamerhand het viooltje; eindelijk rustte +zijn bloote voet op het bloempje; zijne buigzame teenen maakten er zich meester van, hij hinkte met zijn schat weg en verdween +om den hoek van de straat. Voor een minuut slechts,—alleen maar om zich den tijd te gunnen de bloem onder zijn buis op zijn +hart of waarschijnlijk op zijne maag te steken. + +</p> +<p>Zoodra de bloem veilig geborgen was, keerde hij terug en bleef tot het vallen van den avond om den tuin hangen en kunsten +maken; maar het meisje vertoonde zich niet meer en Tom moest zich tevredenstellen met de hoop, dat zij wel ergens voor een +venster staan en zijne oplettendheden voor haar zou bemerken. Eindelijk ging hij met looden schoenen huiswaarts. + +</p> +<p>Onder het avondeten was hij zoo opgewonden, dat tante zich verwonderde wat het kind toch zou hebben. Hij kreeg een verbazend +standje over het gooien met de aardkluiten, doch scheen er niets om te geven. Toen hij trachtte de suiker onder den neus van +zijne tante weg te halen, liet hij zich bedaard op de vingers tikken, zich slechts de vraag veroorlovende: +<a id="d0e477"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e477">21</a>]</span></p> +<p>“Waarom wordt Sid nooit geslagen, als hij suiker snoept?” + +</p> +<p>Waarop het antwoord volgde: “Omdat Sid een mensch niet zoo plaagt als jij. Als ik je niet voortdurend strafte, zou je altijd +met je vingers in den pot zitten.” + +</p> +<p>Toen ging tante naar de keuken, en Sid, zalig in het bewustzijn van zijne onschendbaarheid, greep naar de suikerpot, eene +wijze van zich tegenover Tom op zijne rechten te verhoovaardigen, die ten eenen male onuitstaanbaar was. Maar de vingers gleden +uit, de pot viel op den grond en brak. Tom was boven de wolken van pleizier,—ja, zoo verrukt, dat hij zijn tong in toom hield +en geen woord sprak. Hij overlegde bij zichzelven, dat hij geen mond open zou doen, zelfs niet als tante binnenkwam, maar +doodstil blijven zitten, totdat zij vroeg wie het gedaan had. En dan zou hij het vertellen en hij zou iets zien dat hij nooit +had gezien, namelijk, dat de modeljongen slaag kreeg. In zijne opgetogenheid kon hij zich nauwelijks inhouden, toen de oude +dame binnenkwam en met bliksemende oogen over haar bril op de verwoesting neerzag. “Ha!” dacht hij, “nu komt het,” maar, jawel, +het volgende oogenblik lag hij zelf op den grond te spartelen. + +</p> +<p>De machtige arm werd opgeheven om weder te slaan, toen Tom uitriep: + +</p> +<p>“Houd op! Waarom moet ik geslagen worden? Sid heeft het gedaan.” + +</p> +<p>Sprakeloos van ontzetting liet tante Polly den arm neervallen, en Tom keek haar aan om een woord van mededoogen op te vangen. + +</p> +<p>Helaas! zoodra zij weder tot adem kwam, zeide zij: + +</p> +<p>“Nu, je hebt toch niet onverdiend slaag gehad; al braakt ge den pot niet, dan heb je toch zeker ander kattekwaad, uitgevoerd, +terwijl ik in de keuken was.” +<a id="d0e494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e494">22</a>]</span></p> +<p>Doch nauwelijks had zij dit gezegd, of daar begon haar geweten te spreken en zij brandde van verlangen om Tom een vriendelijk +woordje toe te voegen. Maar, neen, dat kon als een bekentenis van schuld beschouwd worden, en zoo iets zou met alle beginselen +van orde en tucht in strijd geweest zijn. Daarom hield zij zich stil en ging met een onrustig hart aan het werk. Tom zette +zich in een hoek van de kamer en vermeide zich in zijne droefheid. Hij wist, dat tante in haar hart wel voor hem op de knieën +zou willen vallen en voelde zich, al snikkende, eigenlijk door de overtuiging gestreeld. Toch wilde hij geene signalen geven, +noch evenmin op die van tante acht slaan. + +</p> +<p>Hij wist, dat er nu en dan, door een nevel van tranen, smeekende blikken op hem geworpen werden, maar hij hield zich alsof +hij dat niet bemerkte. In zijne verbeelding zag hij zich als doodziek te bed liggen en tante over hem heengebogen, om een +woord van vergiffenis smeekende; maar hij lag daar, met het hoofd naar den muur gekeerd en stierf zonder dat dit woord gesproken +werd. Hoe zou zij zich dan wel voelen? En hij verbeeldde zich, dat hij uit de rivier opgehaald en dood te huis werd gebracht +met druipnatte haren en handen die zich niet meer roeren konden en een hart dat niet meer klopte, zag hoe zij zich op hem +wierp, in tranen baadde en God smeekte haar haren jongen terug te geven, dien zij nooit, nooit meer valsch zou beschuldigen. +Doch hij lag daar koud en bleek neder, zonder een teeken van leven te geven—hij, de arme lijder wiens smarten nu geleden waren. +Langzamerhand verdiepte hij zich zoozeer in deze sombere gedachten, dat hij een brok in zijn keel voelde en nauwelijks kon +slikken. En zijne oogen zwommen in een stroom van <a id="d0e499"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e499">23</a>]</span>water, die bij elken snik overvloeide en langs zijn neus naar beneden druppelde. Ja, het genot van zijn smart te koesteren +werd zoo groot, dat hij het door geen wereldsche vreugde of luide vroolijkheid wilde laten verstoren. Toen dan ook zijn nicht +Marie dansende de kamer inkwam, opgetogen van blijdschap dat zij weer te huis was na een eeuwenlange week buiten te hebben +doorgebracht, stond hij op en stapte in wolken en duisternis de achterdeur uit, terwijl zij vroolijkheid en zonneschijn door +de voordeur binnenliet. Hij verwijderde zich ver van de gewone vereenigingsplaatsen zijner makkers en zocht eenzame plekjes +op, in overeenkomst met zijne gemoedsstemming. Op een in de rivier liggend stuk van een houtvlot zette hij zich neder en beschouwde +den somberen, onafzienbaren stroom, met het verlangen van op eens door dezen verzwolgen te worden, zonder den onaangenamen +weg te gaan die door de natuur wordt voorgeschreven. Toen dacht hij aan zijn bloem! Hij haalde haar voor den dag. Helaas! +zij was verkwijnd en verlept, en zijne droefheid werd nog grooter. Hij vroeg zich af: Zou <i>zij</i> medelijden met hem hebben, indien zij het wist? Zou <i>zij</i> schreien en wenschen, dat zij hare armen om zijn hals mocht slaan om hem te te troosten? Of zou ook <i>zij</i>, evenals de geheele valsche wereld hem den rug toekeeren? Deze gedachte was zoo folterend en toch zoo zalig te gelijk, dat +hij haar op allerlei wijzen ging uitwerken, totdat zij op het laatst een akelig schrikbeeld werd. Eindelijk stond hij zuchtende +op en wandelde in de duisternis voort. Tegen half tien liep hij in de verlaten straat, waar de aangebeden onbekende woonde. +Hij bleef een oogenblik stilstaan; zijn luisterend oor vernam geen geluid. Een kaars wierp een bijzonderen glans op de gordijnen +van het venster eener bovenkamer. Zou de heilige <a id="d0e510"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e510">24</a>]</span>daar verblijf houden? Hij klauterde de heg over, baande zich een weg door de planten, totdat hij onder het verlichte venster +stond. Een poos bleef hij diep ontroerd staan kijken; toen ging hij op den grond op zijn rug liggen, met de handen, waarin +het verlepte bloempje verborgen was, gevouwen op de borst. Dus wilde hij sterven, de koude wereld verlaten, zonder dak boven +zijn arm hoofd, zonder vriendelijke hand om het doodzweet van zijn voorhoofd te wisschen, zonder een liefhebbend gelaat om +zich vol medelijden tot hem voorover te buigen, wanneer de bange doodsstrijd kwam. En zoo zou <i>zij</i> hem zien, als zij in den vroolijken morgen naar buiten keek. En o! zou zij een traan op zijn arm lijk laten vallen? Zou zij +een zucht slaken, als zij zulk een jong leven zoo ruw verwoest en zoo ontijdig afgesneden zag? + +</p> +<p>Daar ging het raam open, de schrille stem van eene dienstmeid ontheiligde de plechtige stilte en een stortbad van ijskoud +water doorweekte den martelaar, die daar achterover op den grond lag. + +</p> +<p>Onze half gesmoorde held sprong op met een kreet, die hem verlichtte. Toen kwam er een gesuis in de lucht als van een slingersteen, +vermengd met het mompelen van een vloek, waarop een geluid volgde als van rinkelend glas en van voetstappen, die over den +muur klommen en in de duisternis wegstierven. + +</p> +<p>Niet lang daarna, toen Tom ontkleed, bij een eindje vetkaars, zijn doorweekt pak stond te bekijken, werd Sid wakker. + +</p> +<p>Indien het denkbeeld om te klikken een oogenblik in zijne ziel opkwam, werd hij daarvan door een onheilspellende uitdrukking +op Toms gelaat teruggehouden. + +</p> +<p>Deze laatste stapte in bed zonder zijn gewoon avondgebed op te zeggen, en Sid maakte in stilte proces-verbaal op van dat verzuim. + + + +<a id="d0e525"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e525">25</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e526"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk IV.</h2> +<p>De zon ging op over een rustende wereld en wierp hare weldadige stralen over het vreedzame stedeke St. Petersburg. ’s Zondags +na het ontbijt was tante Polly gewoon huiselijke godsdienstoefening te houden. Deze begon met een gebed, bestaande uit een +reeks bijbelplaatsen, bedekt met een dunne laag woorden van eigen vinding, en eindigde met een van grimmigheid overvloeiend +hoofdstuk uit de Mozaïsche wetgeving. + +</p> +<p>Na afloop daarvan omgordde Tom, om zoo te spreken, zich de lendenen en ging aan het werk om zijne teksten in het hoofd te +krijgen. Sid had zijne les dagen vooruit geleerd, maar Tom moest al zijn krachten inspannen om vijf verzen te onthouden ofschoon +hij een gedeelte van de Bergrede gekozen had, daar hij geene teksten kon vinden die korter waren. + +</p> +<p>Een half uur had Tom een vaag begrip van het geheel, maar meer niet, want zijn geest zwierf over het gansche veld der menschelijke +gedachten en zijne handen hielden zich tot afleiding met allerlei vermakelijke kunstjes bezig. + +</p> +<p>Marie nam het boek om de les te overhooren en hij trachtte den weg door den zwaren mist te vinden. + +</p> +<p>“Zalig zijn de ar-r.... ar....” + +</p> +<p>“Armen.” + +</p> +<p>“Ja- de ar-remen; zalig zijn de ar-remen.” + +</p> +<p>“Van geest.” + +</p> +<p>“Van geest. Zalig zijn de armen van geest, want zij... zij...” + +</p> +<p>“Want hunner...” +<a id="d0e549"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e549">26</a>]</span></p> +<p>“Want hunner. Zalig zijn de armen van geest want hunner... is het koninkrijk der hemelen! Zalig zijn zij die treuren, want +zij....” + +</p> +<p>“Zij...?” + +</p> +<p>“Zul...” + +</p> +<p>“Want zij zul...” + +</p> +<p>“Z-u-l-l-e-n. Want zij zul... O, ik weet niet wat zij zullen!” + +</p> +<p>“Zullen...” + +</p> +<p>“O ja, zullen—zij zullen—zij zullen treuren; zalig zijn zij—die treuren, want zij zullen... Wat zullen zij? Waarom zeg je +het mij niet, Marie? Het is gemeen om me zoo te plagen!” + +</p> +<p>“Tom, arme jongen, ik plaag je niet. Ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen. Probeer het nog eens. Geef den moed niet +op; je zult het wel leeren,—en als je het doet, krijg je iets moois van mij. Zoo; nu is het goed, mijn jongen.” + +</p> +<p>“Ik zal het doen, maar zeg mij dan eerst wat het is, Marie.” + +</p> +<p>“Neen, Tom. Je weet als ik zeg dat het mooi is, dan is het mooi.” + +</p> +<p>“Op je woord van eer Marie. Goed, dan zal ik het er wel zien in te pompen.” + +</p> +<p>Hij ging aan het werk, en door nieuwsgierigheid en het vooruitzicht van eene belooning geprikkeld, stampte hij de teksten +in zijn geheugen en eindigde met een schitterende overwinning te behalen. Marie gaf hem een splinternieuw mes van twaalf en +een halven cent, en Tom was boven de wolken van vreugde. Het is waar, het mes sneed eigenlijk niet, maar het was van echt +staal en dat was al iets buitengewoons. Hij maakte dadelijk een plan om het buffet door snijwerk te verfraaien en wilde juist +zijne krachten op de etenskast beproeven, toen hij geroepen werd om zich voor de zondagsschool te kleeden. +<a id="d0e574"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e574">27</a>]</span></p> +<p>Marie gaf hem een tinnen kom met water en een stuk zeep, welke voorwerpen hij buiten de deur op een bank zette. Toen maakte +hij de zeep nat en legde die naast de kom; stroopte zijne mouwen op, stortte het water zachtjes op den grond uit, trad daarop +de keuken binnen en begon ijverig zijn gezicht met een handdoek die achter de deur hing, af te drogen. Doch Marie nam den +handdoek weg en zeide: + +</p> +<p>“Schaam je je niet, Tom? Wees toch niet zoo stout. Water zal je geen kwaad doen.” + +</p> +<p>Tom was een weinig uit het veld geslagen. De kom werd weder gevuld, de knaap bedacht zich een oogenblikje, slaakte een diepen +zucht en begon. Toen hij nu de keuken weder binnentrad en met toegeknepen oogen naar den handdoek rondtaste, droop er een +eervol getuigschrift van zeepsop en water over zijn gezicht. Maar bij nauwkeurige bezichtiging, bleek de staat van zaken nog +niet bevredigd te zijn, want het gereinigde grondgebied hield, als een masker, bij de kin en wangen op; buiten en onder die +lijn was eene donkere uitgestrektheid onbesproeide grond, die zich voor en achter zijn hals uitbreidde. Marie nam hem onder +handen en binnen een kwartier was hij een mensch uit één stuk, zonder verschil van kleur en zijn doorweekt haar was keurig +geborsteld en in kleine evenredige krullen opgemaakt. In het geheim streek hij altijd met moeite en inspanning de krullen +glad en plakte hij zijn haar aan zijne slapen vast, want krullen waren meisjesachtig en dat was genoeg om ze te haten. Daarna +haalde Marie een pak kleeren voor den dag, dat gedurende de laatste twee jaren alleen op zondag gedragen was; het werd eenvoudige +zijn “andere pak” genoemd; uit welke benaming wij tot den omvang van zijn garderobe kunnen besluiten. Toen hij het pak had +aangetrokken, legde het meisje de laatste hand aan zijn toilet; zij knoopte zijn buisje tot onder <a id="d0e581"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e581">28</a>]</span>de kin vast, sloeg hem een groote halskraag over de schouders, schuierde hem af en kroonde hem met een gesprikkelden strooien +hoed. Hij hoopte, dat Marie zijne schoenen zou vergeten, doch die hoop werd verijdeld; zij poetste ze naar behooren en zette +ze voor hem neder. Dit verdroot hem en hij beklaagde zich over zijn gebrek aan vrijheid. Doch Marie antwoordde overredend: + +</p> +<p>“Als je blieft, Tom; kom, wees een goede jongen.” + +</p> +<p>En zoo stapt hij brommend in zijne schoenen. Marie was spoedig klaar en de kinderen vertrokken naar de zondagsschool, eene +plaats die Tom haatte met zijn gansche hart, maar waar Sid en Marie dol op waren. + +</p> +<p>Die sabbatsschool duurde van negenen tot halfelf en dan begon de kerk. Marie en Sid bleven altijd vrijwillig naar de preek +luisteren, Tom alleen, omdat het hem van hooger hand gelast werd. De kerk was een klein, onaanzienlijk gebouw, met eene soort +van koepel van sparrenhout en op de hooge, harde banken was voor omstreeks driehonderd personen plaats. Aan de deur bleef +Tom een stap of wat achter en hield een keurig gekleeden jongen staande. + +</p> +<p>“Zeg eens, Willem, heb jij ook een geel kaartje?” + +</p> +<p>“Ja.” + +</p> +<p>“Wat moet je daarvoor hebben?” + +</p> +<p>“Wat geef je er voor?” + +</p> +<p>“En stuk zoethout en een vischhaak.” + +</p> +<p>“Laat kijken.” + +</p> +<p>Tom vertoonde die twee artikelen; zij werden goed bevonden en de goederen veranderden van eigenaar. Daarna verkocht Tom een +paar albasten knikkers voor drie roode kaartjes en een paar andere prullen voor blauwe. Bijna al de jongens, die voorbijkwamen +werden aangeklampt en het koopen en verkoopen van kaartjes van verschillende kleuren <a id="d0e603"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e603">29</a>]</span>werd nog een kwartier voortgezet. Toen ging hij de kerk binnen met een troep andere schoon gewasschen, luidruchtige knapen +en meisjes, begaf zich naar zijne zitplaats en maakte een standje met den jongen, die naast hem zat. De onderwijzer, een deftig +oud heer, kwam tusschenbeide, maar zoodra hij zijn rug gekeerd had, trok Tom een jongen die voor hem zat bij het haar en was +in zijn boek verdiept, toen het slachtoffer omkeek. Een seconde later prikte hij een anderen jongen met een speld, om hem +“ai” te hooren zeggen en haalde zich daardoor andermaal eene berisping op den hals. De geheele klasse van Tom waren vogels +van eenerlei veeren,—woelige, drukke, lastige snaken. Toen zij hunne les moesten opzeggen, was er geen enkele, die zijne verzen +volkomen kende, maar door voorzeggen en influisteren brachten zij het allen gelukkig zoo ver, dat zij eenige kleine, blauwe +kaartjes machtig werden, waarop een bijbeltekst geschreven stond. Het opzeggen van twee teksten werd met een blauw kaartje +beloond, tien blauwe kaartjes stonden gelijk met één rood en mochten daartegen geruild worden. Tien roode kaartjes stonden +weder gelijk met één geel, en een leerling, die tien gele kaartjes had, kreeg van den <span class="corr" title="Bron: catechiceermeester">catechiseermeester</span> een zeer eenvoudig ingebonden bijbeltje, dat in die goedkoope tijden de waarde had van veertig cents. Ik twijfel of er onder +mijne lezers velen zullen zijn, die moed en volharding zouden hebben on twee duizend verzen van buiten te leeren, zelfs indien +zij met een bijbel van Doré beloond werden. En toch had Marie op deze wijs twee bijbels verdiend. Maar ’t was een geduldwerk +geweest, dat twee jaren gekost had. Een Duitsche jongen had er vier of vijf gewonnen; deze had eens drie duizend verzen achter +elkander opgezegd, doch zijn geestvermogens hadden onder dat inspannend werk zoo geleden, dat hij van dien dag af <a id="d0e608"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e608">30</a>]</span>idioot was geworden. ’t Was een groot verlies voor de school, want bij plechtige gelegenheden placht de catechiseermeester +hem altijd te gebruiken om mede te bluffen, zooals Tom zeide. + +</p> +<p>Doorgaans waren het alleen de oudere leerlingen, die in het bezit van gele kaartjes kwamen en het vervelende werk volhielden, +totdat zij een bijbel veroverd hadden. Vandaar dat de uitdeeling van eene dergelijken prijs eene zeldzame merkwaardige gebeurtenis +was, en hij die dat monsterwerk verricht had, was de held van den dag. Deze reuzenarbeid deed doorgaans een nieuw vuur van +ijver in de borst van de leerlingen ontbranden, dat niet zelden een week of wat aanhield. Het is zeer wel mogelijk dat Toms +verstandelijke vermogens nooit naar den prijs gehongerd of gedorst hadden, maar de wereldlijke mensch in hem had ontegenzeglijk +sedert geruimen tijd verlangend uitgezien naar den roem en den luister, waarvan de uitdeeling vergezeld ging. + +</p> +<p>Op den daartoe bestemden tijd stond de <span class="corr" title="Bron: cathechiseermeester">catechiseermeester</span> op en ging voor den predikstoel staan met een gesloten gezangboek in de hand, de wijsvinger tusschen de bladen verborgen, +en verzocht om stilte. Als een <span class="corr" title="Bron: cathechiseermeester">catechiseermeester</span> zijne gewone aanspraak op de zondagsschool houdt, is het gezangboek voor hem een even onmisbaar artikel als het blad muziek +voor den zanger, die een solo op het orkest moet zingen, ofschoon noch het gezangboek noch het blad muziek wordt geraadpleegd. + +</p> +<p>Onze <span class="corr" title="Bron: cathechiseermeester">catechiseermeester</span> was een klein, nietig mannetje van vijf en dertig jaren, met borstelig, zandkleurig bokkenhaar; hij droeg een staand boord, +waarvan de bovenste rand bijna tot aan zijne ooren reikte, en welks scherpe punten boven de hoeken van zijn mond uitkwamen,—een +schutsmuur die hem dwong altijd rechtuit te kijken, of wanneer <a id="d0e625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e625">31</a>]</span>een zijdelingsche blik vereischt werd, het geheele lichaam om te wenden. Zijn kin werd geschraagd door een breede, zich over +het gansche boord uitstrekkende das, welks tippen van franje waren voorzien. De voorstukken van zijne schoenen liepen, naar +het gebruik van dien tijd, puntsgewijs, in den vorm van een slede, naar boven, eene mode die de toenmalige jongelieden trachten +te volgen, door geduldig en volhardend met hunne voeten stijf tegen den muur te gaan zitten. + +</p> +<p>De heer Walter had een ernstig gelaat en een hart als goud. Hij koesterde zulk een diepen eerbied voor gewijde dingen en plaatsen, +en hield die zoo zorgvuldig van wereldsche zaken gescheiden, dat zonder dat hij het bemerkt had, zijne zondagsschoolstem een +bijzondere klank had gekregen, welke op weekdagen geheel ontbrak. + +</p> +<p>“Kinderen,<span class="corr" title="Bron: ">”</span> dus begon hij, “mag ik u verzoeken zoo recht en netjes te gaan zitten als gij kunt, en mij voor een paar minuten uwe geheele +aandacht te schenken. Dus betaamt het aan brave jongens en meisjes. Ik zie een klein meisje uit het raam kijken; ik vrees +dat zij denkt dat ik buiten sta,—misschien wel op een van die boomen, om een praatje met de vogeltjes te houden (toejuichend +gegiegel). Het doet mij waarlijk goed, zoovele heldere, vriendelijke gezichtjes op eene plaats als deze bijeen te zien on +te leeren wat braaf en goed is.” + +</p> +<p>En in dien geest ging het voort. Het zal niet noodig zijn er meer bij te voegen, want de redevoering liep over een onderwerp, +waarin weinig verscheidenheid is en dat wij allen honderd malen gehoord hebben. + +</p> +<p>Het laatste gedeelte der speech viel in het water door het hervatten der gevechten en andere vermakelijkheden onder sommigen +der ondeugendste jongens en door een zich wijd en zijd verspreidend gefluister en gedraai, dat <a id="d0e638"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e638">32</a>]</span>zelfs doordrong tot aan den voet van ongenaakbare rotsen als Marie en Sid. Doch zoodra Mr. Walter’s stem hare diepste tonen +liet hooren, hield elk geluid eensklaps op en het eind der rede werd dankbaar, maar zwijgend begroet. + +</p> +<p>Dit gefluister had zijne oorzaak te danken aan een min of meer merkwaardig feit, het binnentreden van bezoekers. Deze waren +de rechter Thatcher, vergezeld van drie andere personen, t. w. een stumperig oud mannetje, een zwaarlijvigen heer van middelbaren +leeftijd met grijsachtig haar, en eene deftige dame, blijkbaar de echtgenoote van den dikken heer. De dame hield een klein +kind bij de hand. + +</p> +<p>Tom was den ganschen morgen onrustig en ontevreden op zichzelven geweest en hij werd, telkens wanneer hij Amy Lawrence’s oog +ontmoette, of haar van liefde getuigenden blik opving, door gewetenswroegingen gekweld. Maar toen hij het meisje aan de hand +der dame zag, klopte zijn hart op eens van gelukzaligheid. In een oogenblik was hij met al zijne macht aan het uitdeelen van +klappen, plukharen, gezichten trekken, in één woord, aan het gebruiken van die kunstgrepen, welke hem geschikt voorkwamen +om een meisje te bekoren en hare toejuiching te winnen. En de reden van die opgetogenheid was—de herinnering aan de vernedering +in den tuin van zijn engel ondervonden. + +</p> +<p>De bezoekers kregen de eereplaats, en zoodra de heer Walter geëindigd had, stelde hij hen aan het schoolpersoneel voor. De +man van middelbaren leeftijd bleek een zeer gewichtig persoon te zijn, niet minder dan een raadsheer,—in het kinderoog het +meest verheven wezen, dat ooit heeft bestaan. Zij waren dan ook meer dan verlangend om te weten van wat voor stof hij gemaakt +was en zaten half hoopvol, half angstig te luisteren of zij hem ook zouden hooren brullen. Hij kwam van Konstantinopel,—zeer +ver <a id="d0e646"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e646">33</a>]</span>van St. Petersburg; hij had dus gereisd en de wereld gezien, ja; zijne oogen hadden het rechtsgebouw der hoofdplaats aanschouwd, +dat—zeide men—een koperen dak had. + +</p> +<p>De doodelijke stilte en de rijen van starende oogen waren getuigen van het ontzag, dat dit denkbeeld inboezemde. Hij was de +groote raadsheer Thatcher, de eigen broeder van hun rechter. Jeff Thatcher stond dadelijk op om op gemeenzamen toon met den +grooten man te spreken en door de gansche school benijd te worden. Het zou als muziek in zijne ooren geklonken hebben, indien +hij het gefluister had kunnen verstaan. + +</p> +<p>“Kijk eens, Jim! hij gaat naar hem toe! Kijk eens, hij geeft hem eene hand, een <i>hand</i>! Wou jij niet, dat je Jeff was?” + +</p> +<p>Intusschen was het geheele personeel bezig zijn best te doen, om in een voordeelig licht te treden. De heer Walter trachtte +“uit te komen” door het verrichten van allerlei soort van luidruchtige ambtsbezigheden, door orders te geven hier, straffen +op te leggen daar, en terechtwijzingen uit te deelen, waar de gelegenheid zich maar voordeed. De bibliothecaris trachtte “uit +te komen” door met onmogelijke pakken boeken van het eene einde van het lokaal naar het andere te loopen en door dat rumoer +en die opschudding te maken, waarin zulke lieden behagen scheppen. De leeraressen trachtten “uit te komen” door zich vriendelijk +tot de leerlingen voorover te buigen, die zij een oogenblik te voren een oorveeg gegeven hadden, en door coquet kleine vingertjes +tegen stoute jongens op te heffen en de zoeten vriendelijk op de schouders te kloppen. De ondermeesters trachtten “uit te +komen” door zachte vermaningen uit te deelen en door ander gezagsvertoon, dat blijk moest <a id="d0e657"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e657">34</a>]</span>geven van hun slag om de orde te handhaven. De kleine jongens en meisjes trachten “uit te komen” door de lucht met proppen +papier en het geluid van schuifende voeten te vervullen. En boven dit alles zat de groote man en liet een raadsheerlijken +glimlach over de geheele school gaan en koesterde zich in den zonneschijn van zijn eigen grootheid, want ook hij trachtte +“uit te komen.” + +</p> +<p>Er ontbrak nog slechts één ding, om des heeren Walters verrukking tot haar hoogste volkomenheid te brengen—en dat was de kans +om een bijbelprijs uit te deelen en een wonder te vertoonen. Verscheidene leerlingen bezaten een paar gele kaartjes, maar +geen enkele had er genoeg; hij was reeds bij de wonderkinderen onder zijn leerlingen rond geweest en zou goud gegeven hebben +om den Duitschen jongen eventjes met gezonde hersenen terug te hebben. + +</p> +<p>Juist op dit op ogenblik, toen alle hoop hem dreigde te ontvlieden, kwam Tom Sawyer uit de bank met negen gele, negen roode +en tien blauwe kaartjes en verzocht om den bijbel. + +</p> +<p>Dit was een donderslag uit een onbewolkten hemel! Uit dien hoek zou Walter in geen tien jaar dergelijk blijk van naastigheid +verwacht hebben. Maar er was niets aan te doen;—daar lagen de bewijzen en zij waren echt. Aan Tom werd daarom eene eereplaats +aangewezen in de nabijheid van den Raadsheer en de andere uitverkorenen, en het groote nieuws werd in de hoofdkwartieren verspreid. +Het was eene verbazende verrassing, en de held werd tot des Raadsheers hoogte verheven, zoodat de school in plaats van één +wonder er twee te aanschouwen kreeg. Al de jongens verteerden van afgunst, maar de bitterste kwellingen verduurden de knapen, +die te laat bemerkten, dat zij tot dezen <a id="d0e665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e665">35</a>]</span>hatelijken luister hadden medegewerkt, door aan Tom kaartjes te verkoopen voor de schatten, die hij met het witten verdiend +had. Dezen verachtten zichzelven als de <i>dupes</i> van een sluwen bedrieger, van een verraderlijken adder in het gras. + +</p> +<p>De prijs werd aan Tom uitgereikt met al de loftuigingen, welke de catechiseermeester onder de bestaande omstandigheden uit +zijn binnenste kon oppompen, doch waaraan slechts één ding ontbrak namelijk waarheid, want de arme man voelde instinctmatig, +dat hij hier voor een geheim stond, hetgeen misschien het licht niet zien kon. Het was de ongerijmdheid zelve, dat deze knaap +een voorraad van twee duizend schoven schriftuurlijke wijsheid had vergaard, aangezien ongetwijfeld reeds een dozijn te veel +voor zijne krachten geweest zou zijn. Amy Lawrence was trotsch en verheugd en zij deed haar best Tom dit te doen zien, maar +hij wilde niet kijken. Dit verwonderde haar; zij werd een weinig ongerust, kreeg toen een onbestemd gevoel van argwaan, dat +kwam en verdween en weer terugkwam, totdat een steelswijs geworpen blik haar alles openbaarde. En toen brak haar hart en zij +werd jaloersch en boos; zij begon te schreien en haatte de geheele wereld, en Tom met haar,—zoo dacht zij ten minste. + +</p> +<p>Tom werd aan den Raadsheer voorgesteld, maar zijn tong kleefde hem aan ’t verhemelte. Zijn hart bonsde,—gedeeltelijk ten gevolge +van de angstwekkende grootheid van dien man, maar vooral omdat hij <i>haar</i> oom was. Indien het donker was geweest, zou hij wel op zijne knieën hebben willen vallen om hem te aanbidden. De Raadsheer +legde zijne hand op Toms hoofd, noemde hem een aardig kereltje en vroeg hem, hoe hij heette. De jongen stamelde, hijgde naar +adem en stootte eindelijk uit: +<a id="d0e677"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e677">36</a>]</span></p> +<p>“Tom!” + +</p> +<p>“Neen, niet Tom, niet waar? Gij heet....?” + +</p> +<p>“Thomas!” + +</p> +<p>“Juist. Maar er behoort <i>nog</i> nog iets bij. Gij hebt toch ook een geslachtsnaam, niet waar—en dien wilt gij mij immers wel mededeelen?” + +</p> +<p>“Zeg mijnheer uw anderen naam, Thomas,” zeide de heer Walter, “en voeg er ‘mijnheer’ achter. Gij hebt toch manieren geleerd.” + +</p> +<p>“Thomas Sawyer, mijnheer.” + +</p> +<p>“Ziezoo, dat is een goede jongen. Een lieve jongen! Een aardig, manhaftig kereltje! Twee duizend verzen is een groot aantal, +Thomas, een zeer groot aantal. Maar gij zult u nooit de moeite berouwen, ze geleerd te hebben. Want kennis is meerder waard +dan al wat deze wereld ons geven kan, daar kennis ons groot en goed maakt. Gij zult eens een groot en een goed man worden, +Thomas, en dan zult gij op het verleden terugzien en zeggen: Dat alles heb ik te danken aan het voorrecht van in mijn jeugd +de zondagsschool bezocht te hebben; alles aan mijn brave meesters, alles aan den goeden catechiseermeester, die mij aanmoedigde +en mij een bijbel gaf, een prachtigen, sierlijken bijbel, dien ik voorgoed mocht houden; alles aan mijne uitnemende opvoeding. +Dat zult gij eens zeggen, Thomas, en voor geen geld ter wereld zult ge het genot willen missen deze twee duizend verzen in +het geheugen geprent te hebben,—neen, waarlijk niet. En nu zult gij mij en deze dame wel iets willen mededeelen van hetgeen +gij geleerd hebt, want wij stellen groot belang in vlijtige jongens. Zonder twijfel kent gij de namen der apostelen, niet +waar? Wilt gij mij eens zeggen, wie de twee eersten waren, die den Heer volgden?” + +</p> +<p>Tom trok aan een der knoopen van zijn buis en keek <a id="d0e697"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e697">37</a>]</span>den Raadsheer bedremmeld aan. Hij bloosde en sloeg de oogen neder. Den heer Walter zonk het hart in de schoenen. Hij wist, +dat de jongen zelf de eenvoudigste vraag niet beantwoorden kon. Waarom vroeg de Raadsheer hem? Toch voelde hij zich verplicht +te spreken en zeide: + +</p> +<p>“Antwoord mijnheer, Thomas! Wees niet bang.” + +</p> +<p>Tom stond op heete kolen. + +</p> +<p>“Ik weet zeker, dat gij het <i>mij</i> wel zult willen zeggen,” zeide de dame. “De namen der twee eerste discipelen waren....?” + +</p> +<p>“David en Goliath!” + +</p> +<p>Laat ons over het overige van het tooneel meedoogend een sluier werpen. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e712"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk V.</h2> +<p>Om halfelf begon de oude klok van het kleine stadje te luiden en aanstonds stroomde de goede gemeente naar den morgendienst. +De kinderen van de Zondagsschool verspreidden zich in het gebouw en bezetten de banken met hunne ouders, om behoorlijk onder +toezicht te zijn. Tante Polly kwam, gevolgd door Tom, Sid en Marie. Tom werd naast de koorgang geplaatst, ten einde zoo ver +mogelijk van het open raam en de verleidelijke zomertooneelen daar buiten te wezen. De schare trok op naar de zijvleugels; +de oude en behoeftige postmeester, die betere dagen gekend had; de Mayor en zijne vrouw,—want men had te St. Petersburg, onder +andere overtolligheden, ook een Mayor: de kantonrechter; de knappe, opgedirkte, veertigjarige weduwe Douglas, een goedhartige +ziel die er warmpjes inzat en wier <a id="d0e717"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e717">38</a>]</span>op den heuvel gelegen heerenhuis het eenige paleis der plaats uitmaakt, het onbekrompenste huis waarop St. Petersburg kon +bogen, als ’t op feesten geven aankwam; de gebogen en eerwaardige burgemeester met zijn echtgenoot; de advocaat Riverson, +de nieuwe notabele; daarna de <i>belle</i> van het stadje, gevolgd door een troep met prachtige overhemden pronkende hofmakers, toen eenige jeugdige stedelijke ambtenaren, +die op de knoppen hunner rottingen zuigende, in het voorportaal een ronden muur van gepommadeerde en glimlachende bewonderaars +hadden gevormd, totdat het laatste meisje de <i>revue</i> gepasseerd had; en eindelijk de modeljongen, Willie Mufferson, die zoo zorgvuldig op zijn moeder past. Hij vergezelde zijn +mama altijd naar de kerk en was de trots van alle matronen. De jongens echter haatten hem, omdat hij zoo braaf was en nog +meer omdat hij steeds als voorbeeld werd aangehaald. Zijn witte zakdoek hing als iederen Zondag, toevallig uit den zak van +zijn buis. Tom had geen zakdoek; hij noemde het dragen van zulk een weeldeartikel “kwasterig.” + +</p> +<p>Toen de gemeente vergaderd was, werd de klok nog eens geluid om de tragen en talmend te waarschuwen, en daarop ontstond er +een plechtige stilte in de kerk, nu en dan afgewisseld door het gegiegel en gefluister van de koorjongens op de galerij. Koorknapen +giegelen en fluisteren gewoonlijk den geheelen dienst door. Ik ken maar ééne plaats, waar zulks het geval niet was, maar ik +ben vergeten waar die ligt. Het is ook vele, vele jaren geleden, sinds ik haar bezocht en ik herinner mij er nauwelijks iets +meer van; alleen ligt mij flauw bij, dat het ergens in het buitenland was. + +</p> +<p>De predikant gaf het gezang op en las het voor met innig zelfbehagen en op een eigenaardige wijze, welke in <a id="d0e729"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e729">39</a>]</span>die streek zeer bewonderd werd. Zijne stem, begonnen in een gemiddelden toon, klom gestadig, totdat zij een zeker punt bereikt +had (meestal het voorlaatste woord van den regel en plofte dan onmiddellijk als de straal van een fontein naar beneden<span class="corr" title="Bron: ;">)</span> aldus: + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p039.gif" alt="Zal ik gedragen worden naar omhoog en mij leggen op ’t donzig bed terneer. Terwijl een ander om den kampprijs strijdt en moeizaam vaart op ’t bloedig meer?"></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hij werd beschouwd als een puikjuweel in de kunst van voorlezen. Op godsdienstige bijeenkomsten werd hij altijd uitgenoodigd +om te reciteer en, en zoodra hij zijne stem verhief, sloegen de dames de handen ineen, on ze daarna machteloos in haar schoot +te laten vallen, keken met zwemmende oogen naar boven en schudden het hoofd, als wilden zij uitroepen: “Woorden kunnen het +niet weergeven; het is te schoon, te schoon voor deze wereld!” + +</p> +<p>Nadat het lied gezongen was, nam de eerwaarde heer Sprague het bulletin in de hand en las de kennisgeving voor van al de vergaderingen, +bijeenkomsten enz. die er in die week zouden plaats hebben, eene lijst die tot den jongsten dag scheen te duren. Deze zonderlinge +gewoonte wordt nog altijd in Amerika gevolgd, zelfs in groote steden en in een eeuw waarin het nieuwsbladen regent. ’t Gebeurt +echter meer, dat een oud gebruik, naarmate het minder te rechtvaardigen is, te moeielijker schijnt afgeschaft te kunnen worden. + +</p> +<p>En nu begon de dominee te bidden,—een goed, grootmoedig <a id="d0e745"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e745">40</a>]</span>gebed, waarin niets werd overgeslagen. Hij bad voor de kerk en voor de kinderen der kerk; voor de andere kerken der stad; +voor de stad zelve; voor het district; voor den Staat; voor die dienaars van den Staat; voor de Vereenigde Staten; voor de +kerken van de Vereenigde Staten, voor het Congres; voor den President, voor de andere leden van de regeering; voor de arme +zeevaarders, die op onstuimige wateren geslingerd worden; voor de millioenen, die onder Europeesche monarchie en Oostersche +dwingelandij zuchten; voor hen die, ofschoon in het licht van het Evangelie geboren, geene oogen hebben om te zien en geene +ooren om te hooren; voor de heidenen op de verre eilanden in de zee;—en hij eindigde met eene smeekbede, dat de woorden, die +hij zou spreken, in genade mochten worden aangenomen en als het zaad mochten zijn, dat in vruchtbare aarde word geworpen en +te zijner tijd een heerlijken oogst van Godzalige vruchten zal afwerpen. Amen. + +</p> +<p>Nu volgde een geruisch van japonnen en de staande vergadering ging zitten. + +</p> +<p>De knaap, wiens geschiedenis in dit boek verhaald wordt, putte geen geestelijk genot uit de preek; hij droeg die als een kruis—en +niet altijd met geduld. Hij deed zijn best om stil te zitten en hield onbewust aanteekening van al de bijzonderheden, waarin +de preek afdaalde; want ofschoon hij niets met aandacht volgde kende hij het terrein en den weg, dien den predikant nam, sedert +lang,—en wanneer er maar iets nieuws werd ingelascht, ontdekte dat zijn oor, en zijn gansche gemoed kwam er tegen in opstand. +Elke toevoeging was in zijne schatting oneerlijk en schelmachtig. + +</p> +<p>Midden onder de preek, had een vlieg zich achter tegen de vóór hem staande bank neergezet en dat beestje werd eene kwelling +voor zijne ziel. Het wreef zich de pootjes <a id="d0e753"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e753">41</a>]</span>zoo kalm tegen elkaar, en nam zijn kopje tusschen de voorpooten en poetste dat met zooveel geweld, dat dit lichaamsdeel op +het punt scheen den romp vaarwel te zeggen en het nekje, als een draad te kijken kwam; het schuurde zijn vleugeltjes met de +achterpootjes en streek die zoo glad tegen het lichaam, alsof ze de panden waren van een rok en maakte zijn toilet zoo rustig, +alsof het wist dat het volkomen veilig was. En dat was het ook; want ofschoon Toms handen jeukten om het te grijpen, durfde +hij dit niet ondernemen, daar hij in de overtuiging leefde, dat hij verloren was, wanneer hij zoo iets deed, terwijl het gebed +aan den gang was. Maar toen dit op een eind liep, begon zijn hand zich te krommen en ging zachtjes vooruit; en zoodra het +“amen” weerklonk, was de vlieg krijgsgevangen. Doch tante ontdekte het en liet Tom haar de vrijheid hergeven. + +</p> +<p>De dominee las een tekst voor en was in zijn preek zóó eentonig en droog, dat menig hoofd zich te sluimeren neigde,—en toch +spuwde hij in zijne rede vuur en vlam en dreigde het uitverkoren Godsvolk met hel en verdoemenis. Tom had de gewoonte de bladen +van de preek na te tellen. Na kerktijd was ’t hem altijd bekend hoeveel pagina’s er omgeslagen waren doch meestal was dat +ook het eenige, wat hij van de rede onthouden had. Ditmaal echter werd zijn aandacht voor een kort oogenblik geboeid. De predikant +schetste prachtig en treffend hoe het zijn zou in den welaangenamen tijd van het duizendjarig rijk, als de leeuw en het Lam +te zamen zouden nederliggen en een klein kind hen zou leiden. Maar het verhevene, de leering en de moraal van dat grootsche +schouwspel gingen voor den knaap verloren; hij dacht alleen aan de heerlijkheid van het tooneel voor de toeschouwende natiën; +en zijn gelaat <a id="d0e757"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e757">42</a>]</span>glansde van verrukking bij het denkbeeld, dat hij dat kind mocht zijn,—zoo de bedoelde leeuw maar een tamme was. + +</p> +<p>Toen evenwel het dorre hoofdonderwerp weer werd opgevat, verviel hij opnieuw in een toestand van duldend dragen. Op eens schoot +hem in de gedachten, dat hij een schat bij zich had en deze werd voor den dag gehaald. Het was een groote zwarte kever, met +een puntigen bek, dien hij met den naam van “bijtende tor” bestempelde. Die “bijtende tor” was geborgen in een percussie-doos. +Zoodra de doos openging, pakte de kever hem bij den vinger en beet hem. Daarop werd het beest natuurlijk weggeknipt en de +kever vloog door de kerk en viel daarna op den rug, terwijl Tom den zeeren vinger in den mond stak. + +</p> +<p>Intusschen bleef het diertje hulpeloos liggen, buiten staat zich om te keeren. Tom oogde hem met een blik vol verlangen na, +maar de kever was buiten zijn bereik. Andere lieden, wier gedachten van de preek afgedwaald waren, vonden eene gewenschte +afleiding in den kever en gingen eveneens diens bewegingen gadeslaan. + +</p> +<p>Daar kwam eensklaps druipstaartend en met hangende ooren, een verdwaalde poedel de kerk binnensluipen. Hij ziet den kever; +de neerhangende staart gaat in de hoogte en begint te kwispelen. Hij neemt den buit in oogenschouw, loopt er omheen, beruikt +hem op behoorlijken afstand, loopt er nog eens omheen, wordt moediger en beruikt hem iets meer van nabij, opent zijn bek, +waagt behoedzaam een poging on hem te grijpen en mist zijn doel, waagt een tweede poging, daarna een derde, begint er schik +in te krijgen, tracht den kever tusschen zijne pooten te vangen, maar wordt moede van het vruchteloos werk en gaat er bij +zitten. De slaap bevangt hem; hij laat den kop hangen en zoetjes aan sukkelt zijn kin naar beneden, totdat zij met den puntigen +<a id="d0e765"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e765">43</a>]</span>bek in aanraking komt en een beet krijgt van het dier. Daarop volgt een luid gejank, eene snelle beweging van poedels kop +en de kever vliegt weg, on terstond weder op zijn rug terecht te komen. + +</p> +<p>De in de buurt zittende toeschouwers schudden inwendig van het lachen. Verscheidene gezichten werden achter waaiers of in +zakdoeken verborgen en Tom zat zich bovenmate te verkneuteren. De hond zag er uit, alsof hij niet wist hoe hij het had, en +wist dat waarschijnlijk ook niet. Er was toorn in zijn hart en hij dorstte naar wraak. Daarom ging hij nogmaals naar den kever +toe en hernieuwde omzichtig den aanval, sprong gedurig in een cirkel op hem toe, trachtte hem op een duimbreeds afstand met +zijne voorpooten te pakken, hapte naar hem en gooide met zijn kop, totdat hij er duizelig van werd. Weldra echter werd hij +het spelletje moe en zocht hij zich met een vlieg te vermaken. Toen vervolgde hij, met zijn neus vlak op den grond, een mier +en kreeg ook daar al heel spoedig zijn bekomst van; hij gaapte, zuchtte, vergat den kever en—ging er op zitten! Geen seconde +later verhief zich een oorverdoovend geblaf in de kerk en de hond rende door het ruim. Het geblaf hield aan en de hond bleef +aan ’t rennen; hij vloog dwars door de kerk heen, langs den eenen vleugel, toen weer naar den anderen vleugel, liep voor de +deuren op en neer, jankte luide alsof hij voor zijns meesters huis stond en wenschte binnengelaten te worden. Zijn angst nam +toe, naarmate hij rondliep, totdat hij een komeet geleek, die met de snelheid van het licht schitterend voortholt op haar +baan. Eindelijk staakte het razende dier zijn woeste vaart en sprong op den schoot zijns meesters, die hem uit het venster +wierp, en het geluid der klagende stem verzwakte on eindelijk in het verschiet weg te sterven. +<a id="d0e769"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e769">44</a>]</span></p> +<p>Intusschen zat de geheele kerk met gloeiende wangen en bijna stikkende van het lachen, dit tooneel aan te staren en de dominee +moest zijn redevoering voor een oogenblik staken. De preek werd weder hervat, maar zij ging gebrekkig en hakkelend voort, +en alle pogingen om indruk te maken waren vergeefs. Zelfs de ernstigste zaken werden met eene onderdrukte uitbarsting van +zondige vroolijkheid door de achter den rug der banken wegschuilende vergadering aangehoord, alsof de arme man iets bijzonders +grappigs had verteld. + +</p> +<p>Het was eene ware verlichting voor de gansche gemeente, toen de vuurproef doorgestaan en de zegen uitgesproken was. Tom verliet +vroolijk en opgewekt het godshuis en overlegde bij zichzelf, dat kerkgaan nog zoo vervelend niet was, indien er, zooals vandaag, +eene kleine afwisseling in kwam. Er was maar ééne gedachte, die hem kwelde: hij had er niet tegen, dat de hond met de kever +speelde doch hij vond het valsch van den poedel dat hij hem meegepakt had. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e774"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk VI.</h2> +<p>De maandagmorgen vond Tom diep ellendig. Dat deed elke maandagmorgen, omdat dan weder het slepend lijden van zes dagen schoolgaan +volgde. Gewoonlijk begon hij dien dag met den wensch, dat er toch geene tusschenbeide komende vacantiedagen mochten zijn, +daar deze den gang naar de boeien en de slavernij nog hatelijker maakten. + +</p> +<p>Tom lag te denken, en het verlangen kwam bij hem op dat hij ziek mocht worden, opdat hij tehuis kon blijven. <a id="d0e781"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e781">45</a>]</span>Zou dat onmogelijk zijn? Hij voelde overal of er ook een plekje zeer deed, maar alles was gezond. Toch meende hij verschijnselen +van buikpijn te ontdekken en dadelijk werden alle zeilen bijgezet on die ongesteldheid te bevorderen. Maar helaas! zij verminderde +ras en verdween allengs geheel en al. Hij pijnsde verder. Een van de boventanden zat los. Dat was een buitenkansje. Juist +wilde hij uit al zijn macht gaan kreunen, toen het hem in de gedachten schoot, dat, wanneer hij met die smart voor den dag +kwam tante den tand zou uittrekken en dat pijn zou doen. Daarna besloot hij voor het tegenwoordige den tand als noodschot +te bewaren en verder te zoeken. Eerst deed zich niets op, doch daar herinnerde hij zich, den dokter te hebben hooren spreken +over eene ziekte, waarbij een patiënt twee of drie weken te bed moest liggen en die somtijds eindigde met iets wat hij het +koudvuur genoemd had. Toms groote teen had hem zeer gedaan; misschien kon dat wat geven. Gretig trok hij dien dan ook onder +de dekens uit en hield hem in de hoogte, on hem te onderzoeken. Ofschoon hij de verschijnselen van de kwaal niet kende, dacht +hij dat het toch wel de moeite waard was het eens te wagen en begon bitter te steunen. + +</p> +<p>Maar Sid sliep door. + +</p> +<p>Tom steunde harder en verbeelde zich, dat hij werkelijk pijn begon te gevoelen. + +</p> +<p>Sid bleef onbeweeglijk liggen. + +</p> +<p>Tom ging met de uiterste inspanning aan het beven en trillen. Hij hield zijn adem in, blies zich op en bracht eene reeks van +uitmuntend nagebootste zuchten voor den dag. + +</p> +<p>Sid snorkte door. + +</p> +<p>Tom was ten einde raad. Ten laatste riep hij uit: “Sid, Sid!” en schudde zijn stiefbroeder uit alle macht. +<a id="d0e795"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e795">46</a>]</span></p> +<p>Dit hielp en Tom hervatte zijn steunen. Sid gaapte, rekte zich uit, verhief zich snorkend op zijn elleboog en begon Tom aan +te staren. Tom steunde al door, totdat Sid riep: + +</p> +<p>“Tom! zeg eens.... Tom!” + +</p> +<p>Geen antwoord. + +</p> +<p>“Och Tom! Tom! wat scheelt er aan, Tom?” En hij greep hem bij den arm en zag hem angstig aan. + +</p> +<p>Tom jammerde: “O Sid, houd op, schud me niet zoo hard!” + +</p> +<p>“Zeg, wat scheelt er aan, Tom? Ik zal tante roepen.” + +</p> +<p>“O, neen! Doe dat niet!” + +</p> +<p>“Jawel! Ach, steun zoo niet, Tom! ’t Is zoo vreeselijk. Hoe lang heb je al zoo gelegen?” + +</p> +<p>“Al uren. Ai, o! maak niet zoo’n beweging, Sid; je zult me vermoorden.” + +</p> +<p>“Tom, waarom heb je me niet eer geroepen? O, Tom, houd op. Ik kan het niet meer aanhooren, Tom, wat scheelt er aan?” + +</p> +<p>“Ik vergeef je alles, Sid, (gesteun).... alles wat je ooit tegen me misdreven hebt. Als ik zal heen....” + +</p> +<p>“O, Tom, gij gaat toch niet sterven, niet waar? Och, doe het niet, Tom. Misschien....” + +</p> +<p>“Ik vergeef iedereen, Sid, (gesteun). Zeg hun dat Sid. En, Sid, geef het raamkozijn en mijn kat aan het nieuwe meisje, dat +hier is komen wonen en zeg haar....” Maar Sid had zijne kleeren al aangeschoten en was de kamer uit. Tom had nu wezenlijk +pijn, dusdadig had hij zijne verbeelding laten werken en zoo was het geluid van zijn gekerm der waarheid nabij gekomen. + +</p> +<p>Sid ijlde de trappen af en zeide: + +</p> +<p>“O Tante Polly, Tom gaat sterven.” +<a id="d0e826"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e826">47</a>]</span></p> +<p>“Sterven?” + +</p> +<p>“Ja, wacht niet; kom gauw mede.” + +</p> +<p>“Onzin! Ik geloof er niets van.” + +</p> +<p>Desniettemin vloog zij doodsbleek en met bevende lippen de trappen op en Sid en Marie achter haar aan. + +</p> +<p>Toen zij voor het ledikant stond, bracht zij met moeite uit: + +</p> +<p>“Tom, wat scheelt er aan?” + +</p> +<p>“O, lieve tante, ik....” + +</p> +<p>“Wat scheelt er aan? Wat heb je, kind?” + +</p> +<p>“O, lieve Tante, ik heb het koudvuur in mijn zieken teen.” + +</p> +<p>De oude dame viel in een stoel neder, begon te lachen, toen te schreien, eindelijk beide te gelijk. Dat bracht haar tot zichzelve +en zij zeide: + +</p> +<p>“O, Tom, wat een poets heb je me gebakken! Wil je eens gauw met die malligheid ophouden en je bed uitstappen!” + +</p> +<p>Het gekreun hield op en de pijn verdween. De knaap was een weinig met zijn figuur verlegen en zeide: + +</p> +<p>“Tante Polly, het was een gevoel van koudvuur en het deed zoo’n pijn, dat ik zelfs mijn lossen tand vergat.” + +</p> +<p>“Je tand, kind? Wat scheelde er aan je tand?” + +</p> +<p>“Er is er een los en die doet mij vreeselijk zeer.” + +</p> +<p>“Nu, begin maar niet weer te kreunen. Doe je mond eens open. Ha, de tand <i>is</i> los, maar daar zul je niet aan sterven. Marie, haal een zijden draad uit mijn werkdoos.” + +</p> +<p>“O tantelief, trek hem als ’t u belieft niet uit. Hij doet mij niets geen zeer meer. Och, als ’t u belieft, doe het niet, +tantelief! Ik zal heusch naar school gaan!” + +</p> +<p>“Zoo, naar school gaan! Dus was al dat lawaai in de hoop van thuis te blijven en te gaan visschen! Tom, Tom, ik houd zooveel +van je en je schijnt op alle manieren te <a id="d0e866"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e866">48</a>]</span>beproeven of je mijn oud hart ook door je schandelijke ondeugendheid kunt breken.” + +</p> +<p>Onderwijl was het trekinstrument binnengebracht. De oude dame maakte het eene eind van den zijden draad aan Toms lossen tand +vast en bond het aan den beddenpost. Toen sloeg zij er hard midden op en in een oogenblik hing de tand aan het ledikant te +bungelen. + +</p> +<p>Alle rampen brengen hunne lichtzijde mede. Toen Tom na het ontbijt naar school ging, werd hij door alle jongens benijd om +de holte in zijn bovenste rij tanden, die hem in staat stelde op een nieuwe en wonderlijke wijs te spuwen. Weldra had hij +een stoet jongens on zich heen, en een van hen, die zich in den vinger gesneden had en tot dit oogenblik het mikpunt van bewondering +en huldebetoon geweest was, had geen enkelen aanhanger meer en voelde dat hij zijn roem had overleefd. Hij was diep gekrenkt +en zeide op verachtelijken toon, dat er geen kunst aan was om te spuwen als Tom Sawyer. Maar een andere jongen riep iets van +druiven die zuur waren en hij liep mismoedig heen. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/plate1.jpg" alt="“Laat kijken, Huck. Zij is goed stijf. Waar heb je die vandaan gehaald?”"></p> +<p class="figureHead">“Laat kijken, Huck. Zij is goed stijf. Waar heb je die vandaan gehaald?”</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Kort daarop kwam Tom den jeugdigen paria van het stadje, Huckleberry Finn, den zoon van den stadsdronkaard, tegen. Huckleberry +werd met hart en ziel door al de moeders van de plaats gehaat, omdat hij zoo lui en morzig was—en voornamelijk omdat hunne +kinderen hem zoo bewonderden en er behagen in schepten, heimelijk het verbod van met hem om te gaan, te overtreden en van +harte wenschten den moed te hebben te zijn zooals hij. Tom benijdde Huck evenals alle andere ordentelijke jongens, maar had +den bepaalden last om niet met hem te spelen. Daarom juist deed hij dat telkens, wanneer de gelegenheid zich voordeed. Huckleberry +droeg altijd de afgedragen pakken van volwassenen <a id="d0e879"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e879">49</a>]</span>en deze hingen doorgaans van scheuren en lappen aan elkaar. Zijn hoofd was meestal gedekt met een ingedrukten hoed, welks +rand er als een halve maan bijfladderde. Zijn jas, wanneer hij er een droeg, hing hem bijkans op de hielen en de achterknoopen +zaten menigmaal een eind onder zijn rug. Zijn broek werd door één bretel opgehouden en het kruis van dat kleedingstuk zat +dikwijls ter hoogte van zijn kuiten. Zijn gerafelde kousen sleepten, als zij niet omgerold waren, bijna altijd in de modder. +Huckleberry deed wat hij verkoos. Bij mooi weer sliep hij op de stoepen, bij slecht weer in leege vaten. Hij behoefde school +noch kerk te bezoeken, niemand meester te noemen en geen mensch te gehoorzamen. Hij mocht gaan visschen en zwemmen, wanneer +en waar hij verkoos en zoolang uitblijven als hem goeddacht. Niemand verbood hem ooit om te vechten, hij kon zoo laat opblijven +als het hem behaagde, en hij was altijd de eerste die in het voorjaar op bloote voeten liep, en de laatste die ze in het najaar +in leder stak. Hij mocht naar hartelust vloeken. Hij behoefte zich nooit te wasschen en nooit schoone kleeren aan te trekken. +In één woord, hij mocht alles doen en laten wat het jongensleven aangenaam maakt. Zoo dachten ten minste al de gedrilde, aan +banden gelegde, fatsoenlijke jongens van St. Petersburg. + +</p> +<p>Tom hield den romantischen verschoppeling staande met den uitroep: + +</p> +<p>“Hola, Huckleberry, wat heb je daar?” + +</p> +<p>“Een doode kat.” + +</p> +<p>“Laat kijken, Huck. Zij is goed stijf. Waar heb je die vandaan gehaald?” + +</p> +<p>“Geruild van een jongen.” + +</p> +<p>“Wat heb je er voor gegeven?” +<a id="d0e893"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e893">50</a>]</span></p> +<p>“Een blauw kaartje en een blaas, die ik in het slachthuis gekregen had.” + +</p> +<p>“Hoe kwam je aan dat blauwe kaartje?” + +</p> +<p>“Voor veertien dagen van Ben Rogers gekocht voor een hoepelstok.<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>“Zeg eens; waar zijne doode katten eigenlijk goed voor?” + +</p> +<p>“Goed voor? Om wratten weg te maken.” + +</p> +<p>“Wat? Wezen? Ik weet iets, wat nog beter is.” + +</p> +<p>“Wedden dat je het niet weet? Wat is het dan?” + +</p> +<p>“Wel, water uit vermolmd hout.” + +</p> +<p>“Water uit vermolmd hout! Ik geef geen cent on water uit vermolmd hout!” + +</p> +<p>“Niet? Heb je het dan nooit geprobeerd?” + +</p> +<p>“Neen, ik niet, maar Bob Tanner wel.” + +</p> +<p>“Wie heeft je dat gezegd?” + +</p> +<p>“Wel, hij zei het aan Jeff Hatcher en Jeff aan John Baker en John Baker aan Jim Hollis en Jim Hollis aan Ben Rogers en Ben +Rogers aan een neger en de neger aan mij. <span class="corr" title="Bron: “"></span>Wat heb je nou nog te zeggen?” + +</p> +<p>“Wat ik te zeggen heb? Dat ze ’t allemaal liegen. Van allen weet ik het zeker, behalve van den neger, want dien ken ik niet. +Maar ik heb nog nooit een neger gezien, die niet loog. Nu, vertel mij dan eens, hoe Bob Tanner het gedaan heeft?” + +</p> +<p>“Wel, hij stak zijn hand in een hollen boom, waarin regenwater was.” + +</p> +<p>“Over dag.” + +</p> +<p>“Zeker.” + +</p> +<p>“Met zijn gezicht naar den boomstam gekeerd?” + +</p> +<p>“Ja, dat denk ik ten minste wel.” + +</p> +<p>“Zeide hij er niets bij?” + +</p> +<p>“Dat geloof ik niet,—maar ik weet het niet zeker.” +<a id="d0e941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e941">51</a>]</span></p> +<p>“Och wat,—loop been! Wie neemt op zoo’n bespottelijke manier wratten weg! Je moet het heel anders doen. Je gaat zelf naar +het bosch toe, waar je weet dat een holle boom staat met water er in, en tegen middernacht ga je met je rug naar- en met je +hand in de holte staan en zegt: + +</p> +<p>“Gerstekorrel, gerstekorrel, breng meel in ’t vat, Molm-water, molm-water, verteer de wrat,” + +</p> +<p>En dan ga je gauw elf passen achteruit, en dan keer je je driemaal om en je gaat naar huis zonder een woord tegen iemand spreken. +Want als je spreekt is de betoovering voorbij. + +</p> +<p>“Nu dat klinkt mooi, maar zoo heeft Bob Tanner het niet gedaan.” + +</p> +<p>“Neen, man, je kunt er gerust op zijn, dat hij ’t zoo niet heeft gedaan, omdat niemand in de stad zoo vol wratten zit als +hij; en hij zou geen enkele wrat hebben als hij wist hoe je met water uit vermolmd hout werken moet. Ik heb op die manier +wel duizend wratten van mijn handen doen verdwijnen. Ik speel zooveel met kikkers, dat ik altijd een hoop wratten krijg. Soms +maak ik ze weg met een groote boon.” + +</p> +<p>“Ja, eene groote boon is goed. Dat heb ik ook wel gedaan.” + +</p> +<p>“Zoo? Hoe moet het dan gedaan worden?” + +</p> +<p>“Je neemt een boon en splijt die en dan maak je een snede in de wrat, dat er een beetje bloed uitkomt, en dan leg je dat bloed +op een stukje van de boon, en dan graaf je een gat in den grond en daarin leg je ’t stukje in den nacht bij maneschijn, op +een kruisweg, en dan verbrand je de rest van de boon. En dan gaat het stuk boon, dat het bloed ingezogen heeft, aan het trekken +en trekken, on het andere stuk meester te worden, en dan helpt het bloed de wrat en deze valt spoedig af.” + +</p> +<p>“Ja, dat is waar, hoewel je er onder het begraven bij <a id="d0e960"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e960">52</a>]</span>moet voegen: ‘Weg, boon, weg, wrat, kom me niet meer plagen.’ Zoo doet Joe Harper het ten minste. Maar hoe genees jij ze met +doode katten?” + +</p> +<p>“Wel, je neemt je kat en gaat tegen middernacht naar het kerkhof, naar een plaats, waar een slecht mensch begraven ligt. Precies +om twaalf uur komt er een duivel, misschien wel twee of drie: en die nemen dat slechte mensch mee. Maar die duivels kun je +niet zien. Je hoort ook niets dan een geluid als van den wind, hetgeen beduidt dat ze met elkaar praten. En als de duivel +dien slechten man heeft meegepakt, moet je de kat in de lucht zwaaien en zeggen: + +</p> +<p>“Duivel, volg het lijk; kat, volg den duivel; wrat, volg de kat; ik wil niets meer met je te doen hebben.” Dat neemt elke +wrat weg.” + +</p> +<p>“Het klinkt mooi, maar heb je het wel eens geprobeerd, Huck?” + +</p> +<p>“Ik niet, maar moeder Hopkins heeft het mij gezegd.” + +</p> +<p>“Dan zal het wel waar zijn, want ze zeggen, dat ze een tooverkol is.” + +</p> +<p>“Zeggen? Wel, Tom, ik <i>weet</i>, dat zij er een is. Ze heeft Pap betooverd. Pap heeft het me zelf verteld. Op een dag kwam hij haar tegen, en hij bemerkte, +dat ze hem betooverde. Toen nam hij een steen, en als zij niet uit den weg was gegaan, had hij haar doodgegooid. Nu, dien +eigen nacht rolde hij van een vliering, waarop hij dronken lag te slapen naar beneden, en brak zijn arm.” + +</p> +<p>“Hè, dat is verschrikkelijk. Hoe weet hij, dat zij hem betooverde?” + +</p> +<p>“Hemel, dat moet Pap je zelf vertellen. Pap zegt: als ze je stijf aankijken, dan betooveren ze je, vooral als ze mummelen, +omdat ze dan het ‘Onze Vader’ ’t achterste voor opzeggen.” +<a id="d0e981"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e981">53</a>]</span></p> +<p>“Zeg eens, Huck, wanneer ga jij het met de doode kat probeeren?” + +</p> +<p>“Van nacht. Ik geloof, dat de duivels den ouden Hol Williams van nacht komen halen.” + +</p> +<p>“Maar hij is Zaterdag al begraven, Huck. Hebben zij hem dan Zaterdag niet weggehaald?” + +</p> +<p>“Wat dacht je?—Op Zondag?—De duivels loopen ’s Zondags niet rond, zou je denken.” + +</p> +<p>“Dat wist ik niet. Laat mij meegaan.” + +</p> +<p>“Goed,—als je niet bang bent.” + +</p> +<p>“Bang!—Nou nog mooier. Zul je om elf uur tegen het raam miauwen?” + +</p> +<p>“Ja, en dan moet jij terug-miauwen en niet doen zooals den laatsten keer. Toen heb ik voor dat raam staan schreeuwen, tot +dat de nachtwacht me met een steen gooide en riep: ‘Dat is voor jou, ouwe kat!’ Natuurlijk smeet ik toen een kei door zijn +raam, maar dat mag je niet vertellen.” + +</p> +<p>“Neen. Dien nacht kon ik het niet doen, omdat tante me stond te bespieden; maar ik zal dezen keer miauwen. Zeg eens, Huck, +wat heb je daar?” + +</p> +<p>“Niets dan een schallebijter.” + +</p> +<p>“Waar heb je dien vandaan gehaald.” + +</p> +<p>“Uit het bosch.” + +</p> +<p>“Waarvoor geef je hem?” + +</p> +<p>“Ik weet het niet. Ik heb geen plan on hem te verkoopen.” + +</p> +<p>“Ook al goed. ’t Is in alle geval een erg klein beestje.” + +</p> +<p>“O ’t is gemakkelijk aanmerkingen op een schallebijter te maken, die je niet toebehoort. Ik ben er mede tevreden; hij is groot +genoeg voor mij.” + +</p> +<p>“O, er zijn schallebijters genoeg. Ik kan er wel duizend krijgen, als ik wil.” + +</p> +<p>“Wel, waarom vang je ze dan niet? Omdat je verduiveld <a id="d0e1018"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1018">54</a>]</span>goed weet, dat je niet kunt. Dit is een bijzonder vroege schallebijter: het is de eerste, dien ik dit jaar gezien heb.” + +</p> +<p>“Zeg eens, Huck, ik zal er je mijn tand voor geven.” + +</p> +<p>“Laat dien eens kijken.” + +</p> +<p>Tom haalde een stukje papier voor den dag en ontrolde dat voorzichtig, en Huckleberry onderzocht den tand nauwkeurig. De verleiding +was zeer sterk. Eindelijk zeide hij: + +</p> +<p>“Is hij echt?” + +</p> +<p>Tom toonde de open plek in zijn mond. + +</p> +<p>“Akkoord,” zeide Huckleberry, “de koop is gesloten.” + +</p> +<p>Tom sloot den schallebijter in de percussiedoos, waarin onlangs de tor gevangengezeten had en de knapen namen afscheid van +elkaar, beiden gelukkig in het bezit van een nieuwen schat. + +</p> +<p>Tom bereikte het kleine eenzame schoolgebouw, waar hij met veel lawaai binnenstapte, hing zijn hoed aan een kapstok en ijlde +naar zijne plaats. De meester, door het gebrom van ’t lessen leeren slaperig geworden, was op zijn hoogen matten stoel ingesluimerd. +Doch hij werd door de stoornis gewekt en riep uit: + +</p> +<p>“Thomas Sawyer!” + +</p> +<p>Tom wist, dat, wanneer zijn naam voluit genoemd werd, er onweer aan de lucht was. + +</p> +<p>“Mijnheer.” + +</p> +<p>“Kom hier bij mij staan. Zeg mij eens: waarom zijt ge weer zoo laat?” + +</p> +<p>Tom was op het punt zijne toevlucht tot een leugen te nemen, toen hij langs een paar fijne schoudertjes, twee lange blonde +vlechten zag hangen, die hij dadelijk herkende als toebehoorende aan Becky Thatcher en naast die vlechten was de <i>eenige ledige plaats</i> aan de meisjeskant. Oogenblikkelijk zei hij: +<a id="d0e1049"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1049">55</a>]</span></p> +<p>“Ik heb met Huckleberry Finn staan praten!” + +</p> +<p>De pols van den meester stond stil en hij zelf staarde verbijsterd in het rond. Het gebrom van ’t leeren hield op en de leerlingen +dachten, dat de overmoedige jongen krankzinnig was geworden. De meester zeide: + +</p> +<p>“Gij—gij deedt—wat?” + +</p> +<p>“Praten met Huckleberry Finn.” + +</p> +<p>Hij had niet misverstaan. + +</p> +<p>“Thomas Sawyer, dit is de meest vermetele bekentenis die ooit mijne ooren vernamen. Dat kan met de roede alleen niet afgedaan +worden. Trek uw buis uit.” + +</p> +<p>Des meesters arm deed zijn plicht, totdat hij niet meer kon en de bundel teenen, waaruit de roede bestond, aanmerkelijk verminderd +was. Daarop werd het bevel uitgevaardigd: + +</p> +<p>“Ga nu bij de <i>meisjes</i> zitten! En laat dit u een waarschuwing zijn.” + +</p> +<p>Het gegiegel, dat in het vertrek vernomen werd, scheen den jongen verlegen te maken, doch in werkelijkheid verbijsterde hem +de aanmoediging van zijn blonden afgod en het met smart vermengd genoegen, dat hij aan zijn gelukkig gesternte te danken had. +Hij ging op den hoek van de bank zitten, en het meisje kroop zoo ver mogelijk van hem af. Hierop volgde een gestoot, gewenk +en gefluister, waaraan Tom zich echter niet stoorde. Integendeel hij bleef stil zitten, met de armen op den langen, lagen +lessenaar? en scheen in zijn boek verdiept te zijn. Gaandeweg werd de aandacht van hem afgeleid en de duffe atmosfeer werd +weder van het gewone schoolgegons vervuld. Nu en dan begon de knaap tersluiks blikken op het meisje te werpen. Zij bemerkte +het, zette een nuffig gezichtje tegen hem op, en liet hem een minuut lang haar rug zien. Toen zij voorzichtig <a id="d0e1071"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1071">56</a>]</span>nog eens omkeek lag er een perzik voor haar. Deze werd weggeduwd. Tom legde de vrucht zachtjes weder voor haar; zij werd nogmaals +weggeduwd, maar dezen keer op minder heftige wijze. Tom legde geduldig de perzik ten derden male voor het meisje en de vrucht +bleef liggen. Toen krabbelde hij op de lei: “Neem haar, als het u blieft; ik heb er meer.” + +</p> +<p>Het meisje keek naar die woorden, doch hield zich stil. Daarna begon de knaap iets op de lei te teekenen en bedekte zijn werk +met de linkerhand. Een tijdlang deed het meisje alsof zij er niet op lette; maar hare vrouwelijke nieuwsgierigheid begon zich +door nauw merkbare teekenen te verraden. De jongen werkte door, schijnbaar zonder er acht op te slaan. Het meisje trachtte +te zien wat hij er op zette, maar de jongen hield zich alsof hij er niets van bemerkte. Eindelijk zwichtte zij en fluisterde +aarzelend: + +</p> +<p>“Laat mij eens kijken.” + +</p> +<p>Tom liet een gedeelte zien van een caricatuur van een huis, met een dubbelen gevel en een wolk van rook, die in den vorm van +een kurketrekker uit den schoorsteen opsteeg. Dit was voldoende voor het meisje om haar gansche belangstelling aan het werk +te schenken en zij vergat alles on zich heen. Toen het af was, keek zij Tom een oogenblik aan en fluisterde: + +</p> +<p>“Het is mooi!—Teeken nu een mannetje.” + +</p> +<p>De kunstenaar deed een man op den voorgrond verrijzen, die sprekend op een toppenant geleek, welke over het huis zou hebben +kunnen heenstappen, maar het meisje was niet kieschkeurig. Zij was tevreden met het monster en fluisterde: “Het is een mooie +man; teeken mij er nu naast.” + +</p> +<p>Tom schetste een zandlooper, met een gezicht als een volle maan en een lichaam zoo dun als een stroohalm, en <a id="d0e1085"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1085">57</a>]</span>wapende de uitgespreide vingers met een verbazend grooten waaier. Het meisje zeide: + +</p> +<p>”’t Is prachtig.—Ik wou, dat ik ook kon teekenen.” + +</p> +<p>“Het is niet moeielijk,” fluisterde Tom. “Ik zal ’t je leeren.” + +</p> +<p>“O, als je blieft.—Wanneer?” + +</p> +<p>“Van middag. Ga je om twaalf uur naar huis om te eten?” + +</p> +<p>“Ik kan ook wel hier blijven, als je dat wilt.” + +</p> +<p>“Goed; dat zal prettig zijn. Hoe heet je?” + +</p> +<p>“Becky Thatcher.” + +</p> +<p>“En jij?—O, ik weet het, jij heet Thomas Sawyer.” + +</p> +<p>“Dat is de naam, waarmee ik slaag krijg. Ik heet Tom, als ik goed oppas. Jij zult me Tom noemen, niet waar?” + +</p> +<p><span class="corr" title="Bron: ">“</span>Ja.” + +</p> +<p>Daarop begon Tom iets op de lei te krabben, dat hij voor het meisje verborg. Doch zij was er nu vlugger bij en verzocht Tom +het te mogen zien. + +</p> +<p>“Och, het is niets.” + +</p> +<p>“Jawel.” + +</p> +<p>“Neen, het is niets; je behoeft het niet te zien.” + +</p> +<p>“Jawel, ik moet het zien. Och toe, als je blieft.” + +</p> +<p>“Ja, maar zul je het niet over vertellen?” + +</p> +<p>“Neen, zeker niet. Op mijn woord van eer niet.” + +</p> +<p>“Zul je het niemand vertellen, zoolang als je leeft?” + +</p> +<p>“Neen, ik zal het niemand vertellen. Laat me nou kijken.” + +</p> +<p>“Och, je moogt het niet zien.” + +</p> +<p>“Nu je me zóó behandelt, <i>wil</i> ik het zien, Tom,”—en zij legde haar handje vlak op het zijne, waarop eene kleine schermutseling ontstond. Tom deed alsof +hij in ernst weerstand bood, maar liet zijne hand van lieverlede <a id="d0e1134"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1134">58</a>]</span>glippen, totdat deze woorden openbaar werden: “Ik heb u lief.” + +</p> +<p>“O, ondeugende jongen.” En zij gaf hem een lief, klein klapje op de hand, bloosde en keek toch verheugd. + +</p> +<p>Op datzelfde oogenblik voelde de knaap zich door iemand langzaam bij de ooren pakken en met kracht ophijschen. In die houding +werd hij door het lokaal gedragen en, onder de brandende pijn van het gemeesmuil der geheele school, op zijn eigen plaats +neergezet. Toen bleef de meester gedurende een paar vreeselijke minuten vóór hem staan, en verhuisde eindelijk weder zonder +een woord te spreken naar zijn troon. En Tom, ofschoon zijn ooren suisden, juichte in zijn hart. + +</p> +<p>Toen de school tot rust was gekomen, deed Tom eene oprechte poging om te leeren, maar de verwarring in zijn hoofd was te groot. +Op zijn beurt nam hij deel aan de leesles en brabbelde verschrikkelijk; daarna aan de aardrijkskundige les en maakte van meren +bergen, van bergen rivieren en van rivieren landen, totdat de aarde weer een chaos geworden was; eindelijk ook aan de spel-les, +maar daarvan kon hij niets maken en zóó verspeelde hij zijn onderscheidingsteeken, dat hij met zooveel trots maanden lang +had gedragen. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1142"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk VII.</h2> +<p>Hoe meer Tom zijn best deed on zijne gedachten bij zijn boek te houden, des te meer dwaalden zij af, totdat hij het ten laatste +zuchtende en gapende opgaf. Het was hem alsof de middag-vacantie nooit zou komen. ’t Was <a id="d0e1147"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1147">59</a>]</span>doodstil. De atmosfeer waarin hij ademde, scheen den eeuwigen slaap ingesluimerd te zijn. ’t Was de heetste van al de heete +zomerdagen, en het gebrom van vijf en twintig studeerende scholieren had een even slaapwekkenden invloed als het gegons van +een bijenzwerm. + +</p> +<p>In de verte, in den glans van den zonneschijn, verhieven zich door een lichten, doorschijnenden sluier van warmen zomerdamp, +dien de afstand met purper had getint, de groene heuvelen van Cardiff. Een enkele vogel zweefde op trage vleugelen hoog in +de lucht, en verder was er geen levend wezen te zien, behalve eenige koeien en ook die waren ingedommeld. Tom snakte naar +vrijheid en naar iets dat hem genoeg belangstelling inboezemde on de vervelende uren door te worstelen. Hij liet zijne hand +in zijn zak glijden en een gloed van dankbaarheid, welke zich, zonder dat hij er zich zelf van bewust was, in een gebed uitte, +overtoog zijn omhooggekeerd gelaat. Daar kwam tersluiks de percussiedoos voor den dag. Hij liet een schallebijter los en zette +dien op de lage, platte lessenaar. Het beestje was niet minder erkentelijk dan Tom, doch zijne blijdschap bleek wat voorbarig +te zijn geweest, want toen het dankbaar pogingen deed om te ontkomen, legde Tom het, met behulp van een speld, op den rug +en dwong het een anderen weg te nemen. + +</p> +<p>Tom had zijn boezemvriend naast zich, die onder hetzelfde leed gebukt ging als zijn makker en, vol vreugde over de afleiding, +oogenblikkelijk een warme belangstelling in deze vermakelijkheid aan den dag legde. Die boezemvriend was Joe Harper. De beide +jongens waren de gansche week door verklaarde vrienden, maar ’s Zaterdags meestal geslagen vijanden. Joe nam een speld uit +de panden van zijn buisje en begon de behulpzame hand te bieden om <a id="d0e1153"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1153">60</a>]</span>het diertje mores te leeren. Het spel werd terstond hoogst belangwekkend. Spoedig verklaarde Tom, dat zij met elkaar in botsing +kwamen en daardoor geen van beiden iets aan den schallebijter hadden. Hij nam Joe’s lei en trok een lijn op de lessenaar van +boven naar beneden. + +</p> +<p>“Nu,” zeide hij, “zoolang hij op uw grondgebied blijft, moogt gij hem prikken, en ik zal er mij niet mede bemoeien, maar als +hij aan mijne zijde komt, moet ge hem met vrede laten, zoolang ik hem beletten kan de grenzen over te trekken.” + +</p> +<p>“Best! Vooruit maar;—laat hem los.” + +</p> +<p>De schallebijter ontsnapte Tom en stak de evenachtslijn over. Na een tijdlang door Joe geplaagd te zijn liep hij weg en ging +naar Tom. Dit veranderen van grondgebied duurde een geruimen tijd voort. Terwijl de eene jongen het beest met hart en ziel +kwelde, keek de andere met een even groote belangstelling toe, en de beide hoofden bogen zich te zamen over de lei en beide +zielen gingen gansch en al in de pret op. Eindelijk scheen de fortuin ten gunste van Joe te keeren en bij hem te blijven. +De schallebijter deed wat hij kon om los te komen en werd bijna even opgewonden en angstig als de knapen zelven. Juist toen +hij op het punt stond van de klauwen van Joe te ontsnappen en Tom’s vingers alweder jeukten om hem in zijne macht te krijgen, +versperde de eerste hem met zijne speld den weg tot zijn grondgebied. Tom kon het niet langer uithouden. De verleiding was +te groot. Hij stak zijne hand uit en kwam met zijne speld over zijne grenzen. Joe werd boos en zeide: + +</p> +<p>“Tom, laat hem aan zijn lot over.” + +</p> +<p>“Ik wou hem alleen maar een beetje helpen, Joe.” + +</p> +<p>“Neen, dat is niet eerlijk; laat hem aan zijn lot over.” +<a id="d0e1167"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1167">61</a>]</span></p> +<p>“Pas op of ik ga hem helpen zoo hard als ik wil.” + +</p> +<p>“Tom, laat hem met rust, zeg ik je.” + +</p> +<p>“Ik doe het niet.” + +</p> +<p>“Je zult;—hij is op mijn grondgebied.” + +</p> +<p>“Hoor eens, Joe Harper, wien behoort hij toe?” + +</p> +<p>“Het kan mij niet schelen, wien hij toebehoort; hij is aan mijn kant en je zult hem niet aanraken.” + +</p> +<p>“Wedden, dat ik het toch doe. ’t Is mijn schallebijter en ik zal met hem doen wat ik verkies.” + +</p> +<p>Op eens voelde Tom een klap op zijn schouder en Joe een anderen op den zijnen. Twee minuten lang zag men een rookwolk uit +de buizen der jongens opgaan en hoorde men de gansche school lachen. De knapen waren te zeer in hun spel om de stilte te bemerken, +die zich over de school had verspreid, even voordat de meester op zijn teenen naar hen toegeslopen en tegen hen over was gaan +staan. Hij had het tooneel op zijn gemak gadegeslagen en daarna de verraderlijke klappen toegebracht. + +</p> +<p>Toen de school ’s middags uitging, vloog Tom naar Becky Thatcher toe en fluisterde haar in ’t oor: + +</p> +<p>“Zet je hoed op en zeg dat je naar huis gaat; en als je den hoek van de straat om zijt, loop dan van de kinderen af, sla de +steeg in en keer zoo naar de school terug. Ik zal den anderen kant gaan: dan komen wij elkaar vanzelf tegen.” + +</p> +<p>Daarop verliet Tom de school en voegde zich bij een groep kinderen, die eene andere straat insloegen dan de kameraadjes van +Becky. Heel spoedig kwamen de knaap en het meisje elkaar midden in ’t steegje tegen, keerden naar het schoollokaal terug, +dat zij nu geheel voor zich hadden. Zij gingen naast elkander zitten met een lei voor zich. Tom gaf Becky een griffel, stuurde +haar hand en <a id="d0e1190"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1190">62</a>]</span>riep op deze wijze een wonderbaar huis in het aanzijn. + +</p> +<p>Doch de teekenwoede duurde niet lang en ze begonnen samen te praten. Tom was in den derden hemel van geluk en zei: + +</p> +<p>“Houd je van ratten?” + +</p> +<p>“Neen, ik heb een hekel aan die dieren.” + +</p> +<p>“Ik ook,—ten minste aan levende. Maar ik meen doode, die je aan een touwtje over je hoofd kunt laten draaien.” + +</p> +<p>“Neen, ik geef niet veel om ratten, ook niet om doode. Maar, weet je waar ik van houd? Van gom kauwen.” + +</p> +<p>“Zoo, ik heb toevallig een paar stukjes bij mij. Eerst mag jij een beetje kauwen en dan ik weer.” + +</p> +<p>Dat was prettig; ze kauwden beurt om beurt en schommelden met hun beenen onder de bank van pleizier. + +</p> +<p>“Ben je wel eens in een paardenspel geweest?” vroeg Tom. + +</p> +<p>“Ja; mijn pa neemt me wel eens mee, als ik zoet ben.” + +</p> +<p>“Ik ben er drie of vier malen geweest. Neen nog meer. De kerk is geen lor waard in vergelijking met een paardenspel. Daar +zie je altijd door wat. Als ik groot ben, wordt ik clown in een paardenspel.” + +</p> +<p>“Wezenlijk? Dat zal heerlijk wezen! De clowns zijn immers die mooi aangekleede mannen vol gekleurde spikkeltjes?” + +</p> +<p>“Ja, en ze krijgen schatten van geld; meestal een dollar daags. Dat zegt Ben Rogers ten minste. Zeg eens, Becky, ben je wel +eens geëngageerd geweest?” + +</p> +<p>“Wat is dat?” + +</p> +<p>“Geëngageerd, om te gaan trouwen.” + +</p> +<p>“Neen.” + +</p> +<p>“Zou je het wel willen?” + +</p> +<p>“Misschien wel. Ik weet het niet. Wat moet je dan doen?” +<a id="d0e1226"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1226">63</a>]</span></p> +<p>“Doen? Je zegt eenvoudig tegen een jongen, dat je nooit iemand anders hebben wilt dan hem, nooit, nooit, nooit—en dan geef +je hem een zoen. Iedereen kan het doen.” + +</p> +<p>“Een zoen? Waarom geef je elkaar een zoen?” + +</p> +<p>“Wel, weet je—wel—omdat.... ze dat allemaal doen.” + +</p> +<p>“Alle menschen?” + +</p> +<p>“Ja, alle menschen die van elkaar houden. Weet je nog wel wat ik van morgen op mijn lei geschreven heb?” + +</p> +<p>“Ja—a.” + +</p> +<p>“Wat was het?” + +</p> +<p>“Dat zeg ik je niet.” + +</p> +<p>“Dan zal ik het je zeggen.” + +</p> +<p>“Dat is goed,—maar op een anderen keer.” + +</p> +<p>“Neen, nu.” + +</p> +<p>“Neen, nu niet, maar morgen.” + +</p> +<p>“O, als je blieft, nu Becky. Ik zal het zoo zachtjes zeggen, dat je het bijna niet hooren kunt.” + +</p> +<p>Becky aarzelde en Tom zag het stilzwijgen voor toestemmen aan. Hij sloeg zijn arm om haar middel en fluisterde haar de oude +geschiedenis in ’t oor, terwijl hij er bijvoegde: + +</p> +<p>“Nu moet je het mij ook influisteren,—precies hetzelfde.” + +</p> +<p>Zij zweeg een oogenblik en sprak toen: + +</p> +<p>“Keer je gezicht naar den anderen kant, zoodat je mij niet zien kunt, dan zal ik het doen. Maar je moogt het niemand vertellen. +Beloof je me dat op je woord van eer?” + +</p> +<p>“Ja. Kom zeg het nu, Becky.” + +</p> +<p>Hij keerde zijn gezicht on. Zij boog zich schroomvallig naar hem toe, zoo dicht dat hij haar adem onder zijn krulhaar voelde +en fluisterde: +<a id="d0e1265"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1265">64</a>]</span></p> +<p>“Ik—houd—dol—van je.” + +</p> +<p>Toen sprong zij weg en liep on de lessenaar en banken heen en Tom achter haar aan, totdat zij zich eindelijk in een hoek verschanste +en haar wit schortje over haar gezichtje trok. Tom pakte haar om den hals en zei smeekend: + +</p> +<p>“Nu, Becky, is het klaar behalve de zoen. Wees daar maar niet bang voor, dat is niets. Toe, Becky.” + +</p> +<p>En met deze woorden trok hij aan haar boezelaar, totdat deze langzaam naar beneden gleed en zij zich met gloeiende wangen +aan de operatie onderwierp. Tom zoende de roode lipjes en zei: + +</p> +<p>“Nu is het geheel en al in orde, Becky. En nu weetje vooreens en voorgoed, dat je van niemand anders dan van mij moogt houden +en met niemand dan met mij moogt trouwen; neen, nooit, nooit. Beloof je dat?” + +</p> +<p>“Ja, ik zal van niemand anders houden dan van jou, Tom. Maar jij moogt ook met niemand anders trouwen dan met mij.” + +</p> +<p>“Natuurlijk. Dat spreekt vanzelf. En nu hoort er ook bij, dat je bij het naar school of naar huis gaan met me wandelt, ten +minste als niemand het ziet, en dat bij feestjes jij mij en ik jou kies. Dat doen geëngageerde menschen altijd.” + +</p> +<p>“Dat vind ik heel aardig. Ik had er nog nooit van gehoord.” + +</p> +<p>“O, het is zoo prettig. Toen ik met Amy Lawrence...” + +</p> +<p>De groote oogen van Becky zeiden Tom, dat hij een flater begaan had, en hij hield verlegen op. + +</p> +<p>“O, Tom! Dus is het niet de eerste keer, dat je geëngageerd bent?” + +</p> +<p>Het kind begon te schreien, en Tom zeide: +<a id="d0e1290"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1290">65</a>]</span></p> +<p>“Och, schrei niet, Becky; ik geef niets meer om haar.” + +</p> +<p>“Ja, dat doe je wel, Tom,—ik weet, dat je het wel doet.” + +</p> +<p>Tom trachtte zijn arm on haar hals te slaan, doch zij duwde hem terug en wendde schreiend haar gelaat naar den muur. Tom beproefde +het, onder het spreken van allerlei vleiende woordjes, nogmaals, maar met hetzelfde gevolg. Toen werd hij boos en rende met +groote stappen de deur uit. + +</p> +<p>Een poosje bleef hij met een onrustig hart buiten staan, wierp nu en dan een blik naar de deur, in de hoop dat zij berouw +krijgen en naar hem toe zou komen, maar zij kwam niet. Toen begon hij te denken, of hij ook ongelijk kon hebben. Het was een +harde strijd on de eerste pogingen tot toenadering te doen, doch hij vermande zich en trad de school binnen. Zij stond nog +in denzelfden hoek, snikkende, met haar gelaat tegen den muur. Diep ontroerd ging Tom naar haar toe en bleef een oogenblik +voor haar staan, zonder eigenlijk te weten wat hij zeggen moest. Toen sprak hij aarzelend: + +</p> +<p>“Becky—ik—ik geef om niemand dan om jou.” + +<span class="corr" title="Bron: “"></span>Geen antwoord;—niets dan snikken. + +</p> +<p>“Becky, waarom spreek je niet?” + +</p> +<p>Hevige snikken. + +</p> +<p>Tom haalde zijn grootste schat voor den dag, een koperen knop van een schelkoord, hield haar dien voor en zeide: + +</p> +<p>“Becky, die is voor jou; neem hem, als je blieft.” + +</p> +<p>Zij smeet het geschenk op den grond. Toen stapte Tom de deur uit en ijlde naar buiten, naar de heuvelen, om dien dag niet +meer naar school terug te keeren. + +</p> +<p>Nauwelijks was hij verdwenen, of Becky gevoelde berouw. <a id="d0e1315"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1315">66</a>]</span>Zij liep naar de deur, doch Tom was niet meer in het gezicht. Zij ijlden over de speelplaats: ook daar was hij niet. Toen +gilde zij: + +</p> +<p>“Tom! Tom! kom terug.” + +</p> +<p>Zij luisterde aandachtig, doch er kwam geen antwoord; zij was met de stilte en het gevoel van verlatenheid alleen. Er schoot +haar niets over dan te gaan zitten, opnieuw te schreien en zich zelfverwijten te doen. Daarbij moest zij haar verdriet voor +de langzamerhand weer bijeenkomende schoolkinderen verbergen en het kruis opnemen van een langen, drukkend warmen achtermiddag +in de school te zitten, zonder iemand te hebben, voor wien zij haar hart kon uitstorten. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1321"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk VIII.</h2> +<p>Tom sloop voort door straten en stegen, totdat hij uit het vaarwater der terugkeerende schooljeugd was, en gaf zich toen aan +zijne sombere gemoedsstemming over. Hij stak een paar malen met een schuitje een smal strookje der rivier over, omdat er onder +de jeugd eene overlevering bestond, dat het oversteken van water voor vervolging bewaart. Een half uur later was hij achter +het huis van de weduwe Douglas, dat op Cardiff Hill stond, verdwenen, en het schoolgebouw was nauwelijks meer in de vallei +achter hem te onderkennen. Hij trad een dicht woud binnen, kroop door struiken en ongebaande wegen voort, totdat hij het midden +bereikt had, waar hij zich op een mosachtig plekje onder een breedgetakten eik nederzette. Er was geen zuchtje in de lucht; +de drukkende middaghitte, <a id="d0e1326"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1326">67</a>]</span>scheen zelfs de zingende vogels tot rust gebracht te hebben. De natuur lag in een staat van bewusteloosheid, welke door geen +geluid werd verbroken, dan bijwijlen door het verwijderd gehamer van den boomspecht en dit scheen de alles doordringende stilte +nog stiller en de eenzaamheid nog eenzamer te maken. De ziel van Tom was erg bedroefd en zijne gevoelens waren in volkomen +overeenstemming met het hem omringend tooneel. Met de ellebogen op de knieën gesteund en de handen onder de kin, bleef hij +in gepeins verzonken zitten. De aarde scheen hem op zijn best een tranendal en hij benijdde bijna Jimmy Hodges, die daaruit +was verlost. Het moest zoo vreedzaam wezen, dacht hij, on voor eeuwig in droomen verzonken onder de aarde te liggen, terwijl +de wind door de boomen ruischt en het gras en de bloemen kuste, en er niets meer was om zich over te kwellen en te bedroeven. +Indien hij slechts een goed getuigenis van de zondagsschool kon mede krijgen, zou hij volgaarne willen optrekken en met dit +leven niets meer te maken hebben. En wat nu dit meisje betreft,—wat had hij gedaan? Niets. Hij had het goed met haar voorgehad +en was als een hond behandeld, ja, als een hond. Eens zou het haar berouwen, wellicht wanneer het te laat was. O, indien hij +slechts <i>tijdelijk</i> mocht sterven. + +</p> +<p>Doch het veerkrachtig gemoed der jeugd blijft niet lang in een kunstmatig opgeschroefden staat van droefheid en moedeloosheid. +Weldra werd Tom onmerkbaar tot de bemoeiingen van dit leven teruggevoerd. Als hij de wereld eens den rug toekeerde en <span class="corr" title="Bron: geheimzinning">geheimzinnig</span> verdween? Als hij eens heenging—ver,—ver weg, in onbekende landen over de zee—en nooit terugkwam? Hoe zou zij zich dan wel +gevoelen? Het denkbeeld van clown te worden <a id="d0e1336"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1336">68</a>]</span>kwam hem ook weder voor den geest, doch alleen om hem met afschuw te vervullen. Want, was het zich moeten bezighouden met +grappen en kluchten en met gouden sterretjes bezaaide tricots niet eene beleediging voor een geest, die omhooggestegen was +naar het onbestemde, verheven rijk van het onbegrijpelijke. Neen, hij zou soldaat worden, en na jaren en jaren van krijg voeren, +het strijden moe, met roem beladen wederkeeren. Neen, nog beter; hij zou zich bij de Indianen en buffeljagers voegen en het +oorlogspad betreden in de bergen, in de onmetelijke, ongebaande vlakten van het verre Westen en later terugkeeren als een +groot opperhoofd, getooid met schitterende vederen en afzichtelijk met verf besmeerd—en hij zou op een zomerschen sabbatmorgen +met eene hooge borst de zondagsschool binnentreden en daar een krijgsgeschreeuw aanheffen, dat zijne makkers het bloed in +de aderen deed stollen en hen doen verteren van jaloezie. Ook dat niet; er was iets nog grootscher dan dit. Hij zou zeeroover +worden. Ja, dat was het! <i>Nu</i> lag de toekomst duidelijk voor hem, schitterend van ondenkbare pracht. Zijn naam zou de aarde vervullen en de volkeren doen +beven. Hoe roemrijk zou hij de woedende zeeën ploegen met zijn snelvarend, zwart gekleurd roofschip, “De Geest van den Storm,” +welks schrikaanjagende vlag grimmig van de voorplecht zou wapperen. En wanneer hij het toppunt van roem had bereikt, zou hij +op eens in het oude stadje terugkomen en de kerk binnen stappen met een door storm en onweer gebruinde huid, in een zwartfluweelen +wambuis en wijde broek, met hooge kaplaarzen, donkerroode sjerp en met zware pistolen gevulden gordel en een in misdaad geroesten +hartsvanger aan de zijde. En zijn hoofd zou bedekt zijn met een diep in de oogen gedrukten hoed, met een wuivenden vederbos +<a id="d0e1341"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1341">69</a>]</span>getooid, en in de hand zou hij dragen zijn ontplooide banier, die met een schedel en gekruiste doodsbeenderen beschilderd +zou zijn, en met namelooze verrukking zouden zijne ooren het gefluister vernemen: + +</p> +<p>“Dit is Tom Sawyer, de zeeroover, de schrik der Spaansche zee!” + +</p> +<p>Ja, zijn plan stond vast, zijn loopbaan was aangewezen. Hij zou van huis wegloopen en zoo spoedig mogelijk zijn nieuw beroep +ter hand nemen, hij zou morgen vertrekken en daarom oogenblikkelijk met het maken van de noodige toebereidselen aanvangen +en zijne bezittingen bijeenverzamelen. + +</p> +<p>Te dien einde liep hij naar een verrotte houtmijt, welke in de nabijheid stond en begon die met zijn mes aan de eene zijde +te ondergraven. Spoedig stootte hij op een stuk hout dat hol klonk, legde zijn hand daarop en sprak met nadruk het volgende +tooverformulier uit: + +</p> +<p>“Wat nog niet hier is, kome! Wat hier is blijve!” Toen schraapte hij de aarde weg en er kwam een steen voor den dag. Deze +werd weggenomen en daar vertoonde zich een keurig schatkamertje, welks bodem en zijwanden van opeengehoopte steentjes gemaakt +waren en waarin een knikker lag. Verbaasd staarde Tom den knikker aan. Hij krabde het hoofd en zeide: + +</p> +<p>“Wel, is het mogelijk!” + +</p> +<p>Toen duwde hij den knikker gemelijk weg en bleef in gedachten verzonken staan.—Wat was er gebeurd? De zaak was deze: Tom bemerkte, +dat hij zich in iets, hetgeen hij en zijne makkers steeds als eene onfeilbare zekerheid hadden beschouwd, bedrogen had. Hij +geloofde dat, wanneer een knikker met de noodige bezweringen werd begraven en dan een dag of veertien rustig in den schoot +<a id="d0e1355"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1355">70</a>]</span>der aarde gelaten en daarna met de tooverwoorden die hij juist had uitgesproken, weer opgegraven werd, men al de knikkers, +die men ooit verloren had, daar in dien tusschentijd bijeengekomen zou vinden, hoe wijd zij ook over de wereld verspreid mochten +zijn. Tom’s vertrouwen in dit bijgeloof was tot op zijn fondamenten geschokt. Hij had menigmaal gehoord, dat deze proef gelukt, +maar nooit dat zij mislukt was. + +</p> +<p>Het kwam niet in hem op, dat hij het verscheidene malen te voren beproefd had, maar dat hij de plaats, waar hij de knikkers +had verborgen, nooit had kunnen vinden. Hij dacht zich half suf over de zaak en kwam eindelijk tot het besluit, dat er een +heks tusschenbeide was gekomen, die de betoovering verbroken had. Toch wilde hij zich op dit punt overtuigen en zocht, totdat +hij een klein zanderig plekje met een trechtervormig indruksel gevonden had. Hij legde zich naast dat plekje op den grond, +met den mond vlak op het indruksel en riep: + +</p> +<p>“Kevertje, kevertje, zeg mij wat ik weten moet! + +</p> +<p>“Kevertje, kevertje, zeg mij wat ik weten moet!” + +</p> +<p>Het zand begon te werken en voor een oogenblik kwam er een zwart kevertje voor den dag, dat echter spoedig doodelijk verschrikt +wegholde. + +</p> +<p>“Hij zegt niets! Dus was het een toovenaar, die het gedaan heeft. Ik dacht het wel.” + +</p> +<p>Tom wist wel hoe weinig het baatte tegen heksen te strijden en gaf het plan ontmoedigd op. Doch daar schoot hem in de gedachten, +dat hij den knikker, dien hij juist had weggeworpen, toch wel gaarne terug zou hebben, en ging hem dus geduldig zoeken. Helaas! +hij kon hem niet meer vinden. Toen keerde hij naar zijn schatkamer terug en zette zich behoedzaam neder in dezelfde houding, +als <a id="d0e1369"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1369">71</a>]</span>toen hij den knikker had weggeduwd. Daarop nam hij een anderen knikker uit den zak, slingerde dien eveneens weg en riep: + +</p> +<p>“Broeder, ga uw broeder halen!” + +</p> +<p>Hij zag waar de knikker zou stilhouden en ging derwaarts om hem na te kijken. Doch het speeltuig was niet ver genoeg of te +ver gerold; dus wendde hij een tweede poging aan. Deze laatste werd met een goeden uitslag bekroond, want de beide knikkers +lagen omtrent een duim van elkaar af. + +</p> +<p>Juist op dat oogenblik verhief zich door het groene gewelf des wouds het geschal van een tinnen trompet. In een oogenblik +had Tom buis en broek uitgetrokken, van zijne bretels een gordel gemaakt, eenige takken achter de mijt bijeen vergaard, een +ruwen pijl, een boog, een houten zwaard en een trompet voor den dag gehaald en was, met deze zaken beladen, blootbeens en +in een fladderend hemd weggeijld. Onder een grooten olmboom hield hij stil, beantwoordde het trompetgeschal en begon op zijne +teenen loopende, omzichtig in alle richtingen rond te kijken. Toen riep hij zacht tot een denkbeeldigen makker: + +</p> +<p>“Halt, grappenmaker! Houd u schuil, tot ik blaas.” + +</p> +<p>Daar verscheen Joe Harper, even luchtig gekleed en zwaar gewapend als Tom. Deze riep: + +</p> +<p>“Halt! Wie komt hier in de wouden van Sherwood zonder vrijgeleide?” + +</p> +<p>“Guy van Guisborne heeft niemands vrijgeleide noodig. Wie zijt gij, dat ...?” + +</p> +<p>“Dat gij dus durft spreken,” vulde Tom aan, want de knapen waren bezig eene plaats uit een boek op te zeggen. + +</p> +<p>“Wie zijt gij, dat ge dus durft spreken?” +<a id="d0e1389"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1389">72</a>]</span></p> +<p>“Ik? Wel, ik ben Robin Hood, zooals uw schavuitengeraamte spoedig zal bemerken.” + +</p> +<p>“Dan zijt gij waarlijk de beruchte bandiet! Zeer aangenaam zal het mij zijn met u over den vrijen doortocht door deze wouden +te twisten.” + +</p> +<p>“Pas op!” + +</p> +<p>Zij trokken hunne houten zwaarden, wierpen hunne andere wapenen op den grond en begonnen een ernstig en bedaard tweegevecht. + +</p> +<p>“Kom,” zeide Tom, “als gij goed slaags zijt geraakt, zet het dan met kracht door.” + +</p> +<p>En zij zetten het met kracht door, totdat zij hijgden en zweetten van inspanning. Eindelijk zeide Tom: + +</p> +<p>“Val! val! Waarom val je niet?” + +</p> +<p>“Ik doe het niet. Waarom val je zelf niet? Je bent er het ergste aan toe.” + +</p> +<p>“Wel, dat behoort zoo niet. <i>Ik</i> kan niet vallen. Dat staat niet in het boek. Het boek zegt: + +</p> +<p><span class="corr" title="Bron: ">“</span>‘Toen viel hij Guy van Guisborne van achteren aan en sloeg hem neder.’ Nu moet gij u omkeeren en mij u in den rug laten treffen.” + +</p> +<p>Tegen dit gezag viel niet te twisten en Joe keerde zich om, ontving den slag en viel. + +</p> +<p>“Nu,” zeide hij, toen hij weder opstond, “Nu moet gij mij u laten doodmaken; dat is eerlijk.” + +</p> +<p>“Wel, dat kan ik niet doen. Dat staat niet in het boek.” + +</p> +<p>“Zoo, dat is gemeen<span class="corr" title="Bron: ">.</span>” + +</p> +<p>“Hoor eens, Joe, je moogt Tuck de monnik of Muck de zoon van den molenaar zijn en mij met een knuppel afrossen, of ik zal +de Sherif van Nottingham zijn en jij Robin Hood, dan zul je mij doodmaken.” + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/plate2.jpg" alt="“Hier is het,” zeide de jonge dokter Robinson en hield de lantaarn op."></p> +<p class="figureHead">“Hier is het,” zeide de jonge dokter Robinson en hield de lantaarn op.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Dit werd goedgekeurd en deze tafereelen uit het boek <a id="d0e1435"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1435">73</a>]</span>werden vertoond. Toen werd Tom weder Robin Hood en de verraderlijke non liet hem doodbloeden door zijne wond te verwaarloozen. +Joe, die een geheele bende roovers voorstelde, trok hem onder het aanheffen van klaagliederen voort, legde hem zijn boog in +de zwakke handen en Tom zeide: + +</p> +<p>“Waar deze pijl zal vallen, begraaf daar den armen Robin Hood onder den groenen boom.” Toen werd de pijl afgeschoten en Robin +Hood viel op den rug en zou gestorven zijn, indien hij niet op een brandnetel terechtgekomen en voor een lijk wat al te vlug +opgesprongen was. Daarop kleedden de knapen zich weder aan, borgen hunne zonderlinge wapenrusting weder op en gingen naar +huis, vol spijt dat zij geene wezenlijke roovers waren, terwijl zij zich verbaasd afvraagden, in welk opzicht toch de moderne +beschaving het verlies van de roovers vergoedde. Het eindresultaat was, dat zij verklaarden liever een jaar lang bandieten +in de wouden van Sherwood, dan voor altijd President van de Vereenigde Staten te willen zijn. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1439"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk IX.</h2> +<p>Tom en Sid werden dien avond als gewoonlijk on halftien naar bed gezonden. Ze zeiden hun avondgebed op en Sid was spoedig +in een zoeten slaap verzonken. Tom lag met koortsachtig ongeduld het middernachtelijk uur af te wachten. Toen hij dacht, dat +de dag wel haast aan den hemel moest zijn, hoorde hij het tien uren slaan. Dat was wanhopig. Hij was zoo zenuwachtig, dat +ware hij niet bang geweest Sid wakker te maken, hij grooten lust gehad zou hebben met de voeten te gaan stampen. Doch <a id="d0e1444"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1444">74</a>]</span>hij bleef rustig liggen en staarde in de duisternis. Eerst was het akelig stil. Toen scheen het, dat de angstige stilte door +nauw merkbare geluiden afgebroken werd. De klok begon door haar getik zijn aandacht te trekken. Het oude kabinet ging geheimzinnig +aan ’t kraken. Ook de trappen lieten een flauw gekrikkrak hooren. Blijkbaar waarden er geesten rond. Uit tante Polly’s kamer +werd een geregeld, half onderdrukt gesnork vernomen. En nu begon het eentonig gepiep van den krekel, dien geen menschelijk +vernuft kan doen verstommen. Bij dit alles kwam nog het spookachtig getik van een houtworm in het beschot bij het hoofdeinde +van Toms bed, dat hem deed sidderen. Immers, het beteekende dat iemands dagen waren geteld. En dan nog werd door den adem +van de nachtkoelte het geluid voortgedragen van een verwijderden hond, dat uit de verte door een nog droeviger gejank beantwoord +werd. Tom stierf duizend dooden. Eindelijk scheen het alsof de tijd niet meer was en de eeuwigheid een aanvang had genomen. +Ondanks zichzelven begon hij in te sluimeren; de klok sloeg elf uren, maar hij hoorde het niet. Op eens vermengde zich onder +zijne verwarde droomen een doodsomber kattengekrol, dat door het openschuiven van des buurmans raam verstoord werd. Een geschreeuw +van: “Voort, duivelsche kat!” en het rinkelen van een leege flesch, die tegen den muur van tantes houtschuur geslingerd werd, +maakte hem klaar wakker, en in een oogwenk was hij gekleed en uit het raam en kroop op handen en voeten langs het dak. Voorzichtig +miauwde hij nog een paar malen, sprong toen op het dak van de schuur en van daar op den grond. Daar stond Huckleberry Finn +met zijne doode kat. De jongens maakten zich weg en verdwenen in de duisternis. Een half uur later doorwaadden zij het lange +gras van het kerkhof. +<a id="d0e1446"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1446">75</a>]</span></p> +<p>De doodouderwetsche godsakker lag op een heuvel, omtrent anderhalve mijl van het stadje verwijderd. Hij was omrasterd door +een vervallen houten hek, dat op sommige plaatsen binnenwaarts, op andere buitenwaarts leunde, maar nergens rechtop stond. +Onkruid en gras groeiden er in milden overvloed. Al de grafplaatsen waren verzakt; geen enkele zerk was er te zien; ronde +wormstekige naamborden waggelden over de graven, alsof zij naar een steun zochten, dien zij nergens vonden. Eens had er op +gestaan: “Ter gedachtenis van die of die,” maar die woorden waren thans bij de meeste, zelfs op klaarlichten dag, onleesbaar. + +</p> +<p>De wind ruischte zachtjes door de boomtoppen en Tom meende in dat geluid de geesten der afgestorvenen te hooren, die zich +beklaagden, dat zij in hun rust gestoord werden. De jongens spraken weinig en alleen op fluisterenden toon, want de tijd, +de plaats en de aangrijpende plechtigheid en stilte joegen hen vrees aan. Zij vonden het versch gedolven graf, dat zij zochten, +onder drie groote olmboomen, die op een paar voet afstands van die plek een klein boschje vormden. + +</p> +<p>Daar bleven zij een (naar het hun scheen) ontzettend langen tijd wachten. Het zuchten van den nachtuil was het eenige geluid, +wat de doodelijke stilte verbrak. Duizenden akelige gedachten hoopten zich in Toms brein opeen, waar hij ten laatste lucht +moest geven. + +</p> +<p>“Hucky,” zeide hij angstig, “denk je, dat de doode menschen het prettig vinden, dat wij hier zijn?” + +</p> +<p>Huckleberry fluisterde: + +</p> +<p>“Ik wou, dat ik het wist. ’t Is akelig stil, vind je niet?” + +</p> +<p>“Ja.” + +</p> +<p>Er volgde een lange pauze, gedurende welke zij dit onderwerp in hun binnenste bepeinsden. +<a id="d0e1463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1463">76</a>]</span></p> +<p>Eindelijk zei Tom nauw hoorbaar: + +</p> +<p>“Denk je, Huck, dat Hoss Williams ons hoort praten?” + +</p> +<p>“Natuurlijk,—ten minste zijn geest.” + +</p> +<p>Na eene pauze zeide Tom weer: + +</p> +<p>“Ik wou, dat ik gezeid had, mijnheer Williams; maar ik bedoelde geen kwaad. Iedereen noemt hem Hoss.” + +</p> +<p>“Een mensch kan anders niet te beleefd zijn, als hij over doode menschen spreekt, Tom.” + +</p> +<p>Dit antwoord was niet opwekkend en het gesprek begon weder te kwijnen. Op eens greep Tom zijn kameraad bij den arm en zeide: + +</p> +<p>“St!” + +</p> +<p>“Wat is er, Tom?” En de twee klemden zich met kloppende harten aan elkaar vast. + +</p> +<p>“St! Daar is het weer. Hoor je het niet?” + +</p> +<p>“Wat?” + +</p> +<p>“Daar,—hoor je het nu?” + +</p> +<p>“O hemel, Tom, daar komen zij. Wat zullen wij doen!” + +</p> +<p>“Dat weet ik niet. Denk je, dat ze ons zullen zien?” + +</p> +<p>“O, Tom, zij zien in het donker als katten. Ik wou, dat ik nooit gekomen was.” + +</p> +<p>“O, wees niet bang; ik geloof niet, dat ze ons zullen plagen. Wij doen geen kwaad. Als wij ons doodstil houden, zullen ze +misschien niet op ons letten.” + +</p> +<p>“Ik zal mijn best doen, Tom; maar o hemel, ik beef als een riet!” + +</p> +<p>“Luister!” + +</p> +<p>De jongens hielden hunne hoofden bij elkaar en haalden ternauwernood adem. Een bedekt geluid van stemmen werd van het andere +eind van het kerkhof vernomen. + +</p> +<p>“Kijk, kijk! daar!” fluisterde Tom. “Wat is dat?” + +</p> +<p>“Het is duivelsvuur, Tom! Het is vreeselijk!” +<a id="d0e1506"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1506">77</a>]</span></p> +<p>Door de duisternis heen werden nu eenige figuren zichtbaar, die een ouderwetsche lantaarn been en weer bewogen, welke den +grond met ontelbare lichtspranken bezaaide. + +</p> +<p>Sidderend fluisterde Huckleberry: + +</p> +<p>“Het zijn de duivels, dat is zeker. Drie! O God. Tom! het is met ons gedaan. Kun je bidden?” + +</p> +<p>“Ik zal het probeeren; wees maar niet bang. Zij zullen ons geen kwaad doen. Ik ga plat op den grond liggen slapen. Ik ...” + +</p> +<p>“Ik ...” + +</p> +<p>“Wat is er, Huck.” + +</p> +<p>“Het zijn duivels in menschengedaante! Een van hen ten minste heeft de stem van Muff Potter!” + +</p> +<p>”’t Is toch niet waar?” + +</p> +<p>“Wedden van wel. Blijf zoo stil als een muis liggen. Beweeg je niet. Hij ziet niet scherp genoeg on ons te ontdekken. Zeker +dronken, zooals gewoonlijk,—dat gemeene oude vloekbeest!” + +</p> +<p>“Goed, ik zal mij niet bewegen. Nu houden zij stil. Zij kunnen het niet vinden. Daar komen ze weer. Nu zijn ze warm. Nu weer +koud. Alweer warm. Zij branden zich. En nu gaan ze er recht op af. Zeg eens, Huck, ik herken nog een stem. ’t Is Injun Joe.” + +</p> +<p>“Ja, ja, dat is zoo. Die fielterige kleurling! Ik houd het er voor, dat de duivels bang voor hem zijn.” + +</p> +<p>Het gefluister hield op; de drie mannen hadden het graf bereikt en stonden op een paar voet afstands van de schuilplaats der +jongens. + +</p> +<p>“Hier is het,” zeide de derde stem, en de persoon, aan wien deze toebehoorde, hield de lantaarn op en liet het gelaat van +den jongen dokter Robinson zien. + +</p> +<p>Potter en Injun Joe droegen een burrie, waarop een <a id="d0e1535"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1535">78</a>]</span>touw en een paar schoppen lagen. Ze legden hun last neder en begonnen het graf open te maken. De dokter plaatste de lantaarn +aan ’t boveneind van de kuil en zette zich met den rug tegen een der olmboomen. Hij was zoo dicht bij de jongens, dat hij +hen had kunnen aanraken. + +</p> +<p>“Maak haast, mannen!” zeide hij met gedempte stem. “De maan kan elk oogenblik opkomen.” + +</p> +<p>De gravers bromden ten antwoord iets tusschen de tanden en gingen met delven voort. Een tijdlang werd er geen ander geluid +gehoord dan het eentonig gekras der spaden, die hare vracht zand en aarde opwierpen. Eindelijk stootte een der schoppen met +een doffen hollen klank op de doodkist en een minuut daarna hadden de mannen haar uit den kuil geheschen en op den grond gezet. +Zij lichtten er met hun spaden het deksel af, namen het lijk er uit en wierpen dat met ruwe hand op den grond. Juist kwam +de maan tusschen de wolken te voorschijn en wierp haar schijnsel op het loodkleurig gelaat. De draagbaar werd gereedgemaakt, +het lijk er op gelegd, met een deken overdekt en met het touw vastgebonden. Potter haalde een groot snoeimes voor den dag +en sneed het er bij hangend eind touw af, zeggende: + +</p> +<p>“Ziezoo, het vervloekte werk is gedaan, mijnheer de viller! En nu dadelijk vijf dollars, of het lijk blijft hier.” + +</p> +<p>“Dat zeg ik ook!” zeide Injun Joe. + +</p> +<p>“Wat beteekent dit?” zeide de dokter. “Je hebt gedwongen, dat ik jelui vooruit zou betalen, en ik heb je betaald.” + +</p> +<p>“Ja, en je hebt meer gedaan dan dat,” zeide Injun Joe, en ging vlak voor den dokter staan, die opgerezen was. “Vijf jaar geleden +heb je me op een avond uit je vaders keuken weggejaagd, toen ik om een stuk brood kwam vragen, en zei je dat ik nergens voor +deugde. En ik zwoer, <a id="d0e1549"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1549">79</a>]</span>dat ik het je betaald zou zetten, al was het over honderd jaar; en toen liet je vader me als een bedelaar in de gevangenis +stoppen. Denk je dat ik dat vergeten ben. Het bloed der Injuns stroomt me niet voor niets door de aderen. Nu heb ik je, en +nu zullen we eens afrekenen, hoor je.” + +</p> +<p>Hij balde de vuist en hield die dreigend den dokter voor het gezicht. Maar deze pakte op eens den booswicht bij den kraag +en wierp hem op den grond, Potter hief zijn mes op en zeide: + +</p> +<p>“Je zult mijn kameraad niet slaan!” + +</p> +<p>In een oogenblik was hij met den dokter handgemeen en de twee mannen vochten met kracht en geweld, terwijl zij het gras vertrapten +en den grond met hunne hielen openscheurden. Injun Joe sprong op met vlammende oogen, greep Potters mes en kroop als een kat, +loerende op haar prooi, om de strijdenden heen. Opeens rukte de dokter zich los, vatte een der zware planken van Williams +graf en velde er Potter mede ter aarde. Toen nam de kleurling zijne kans waar en dreef den jongen man het mes tot aan het +heft in de borst. Deze waggelde, viel op Potter neder en overstroomde dien met zijn bloed. Te gelijker tijd onttrok een wolkenfloers +dit vreeselijk tooneel aan ’t gezicht en de jongens ijlden in de duisternis weg. + +</p> +<p>Toen de maan weer voor den dag kwam, stond Injun Joe over de twee gestalten heengebogen en aanschouwde die aandachtig. De +dokter mompelde eenige onsamenhangende woorden, gaf een paar snikken en bleef toen roerloos liggen.” + +</p> +<p>“Die schuld is, Godv..., vereffend!” riep de kleurling uit. Vervolgens plunderde hij het lijk, stak het noodlottige mes in +Potters open rechterhand en zette zich toen op <a id="d0e1561"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1561">80</a>]</span>de ledige doodkist neder. Drie—vier—vijf minuten gingen voorbij en Potter begon zich te bewegen en te kreunen. Hij klemde +het mes, dat hij in de hand had, vast, hief het in de hoogte, keek er naar en liet het vol huivering vallen. Toen richtte +hij zich op, wierp het lijk van zich af, en staarde het met verglaasde oogen aan en keek verward in het rond. Zijne oogen +ontmoetten die van Joe. + +</p> +<p>“God, wat is dit Joe?” zeide hij. + +</p> +<p>“Het is een gemeene geschiedenis,” zeide Joe, met een kalm gelaat. “Waarom heb je het gedaan?” + +</p> +<p>“Ik?—Ik heb het niet gedaan.” + +</p> +<p>“Kijk eens om je heen! Dat laat zich niet loochenen.” + +</p> +<p>Potter beefde en werd doodsbleek. + +</p> +<p>“Ik dacht dat ik nuchteren geworden was. Ik had van nacht niet moeten drinken, maar ik voel het nog in mijn hoofd,—nog erger +dan toen wij hierheen gingen. Ik ben heelemaal in de war, ik kan mij er nauwlijks iets van herinneren. Zeg eens eerlijk, Joe, +oude jongen, heb ik het gedaan? Het was mijne bedoeling niet. Zeg eens, hoe ik het gedaan heb, Joe!—O ’t is ontzettend, zoo’n +jonge beste man!” + +</p> +<p>“Wel, jelui vocht samen en hij sloeg je met een plank en je viel plat op den grond en toen stond je waggelend op en greep +het mes, en toen hij je nog een slag wou geven, stak je het hem door ’t lijf, en daar heb jelui tot nou toe, zoo dood als +pieren, gelegen.” + +</p> +<p>“O, ik wist niet wat ik deed. Ik wil op dezen oogenblik sterven, als ik het wist. Het is alles de schuld van de jenever en +de opgewondenheid, geloof ik. Ik heb nog nooit in mijn leven een wapen gebruikt, Joe. Gevochten heb ik wel, maar nooit met +wapenen, dat zal iedereen moeten <a id="d0e1579"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1579">81</a>]</span>zeggen. Joe, vertel het aan niemand. Beloof je me, dat je het nooit vertellen zult, Joe? Ik ben altijd voor je in de bres +gesprongen, dat weet je. Zul je het nooit zeggen, Joe?” En de arme man viel voor den verstokten moordenaar op de knieën en +wrong smeekend de handen. + +</p> +<p>“Neen, je hebt altijd als een eerlijk man met mij gehandeld, Muff Potter, en ik zal je met gelijke munt betalen. Me dunkt, +mooier kan ik het niet zeggen.” + +</p> +<p>“O, Joe, je bent een engel. Ik zal er je voor zegenen, zoolang ik leef.” En Potter begon te schreien. + +</p> +<p>“Kom, schei maar uit,” zei Joe, “’t Is nouw geen tijd om te janken. Ga jij dezen kant uit, dan zal ik den anderen weg gaan. +Voort nu en laat geen spoor van je achter!” + +</p> +<p>Potter liep weg op een draf, die weldra in een hollenden pas overging. De kleurling stond hem na te kijken en mompelde: + +</p> +<p>“Als hij maar zoo duizelig van den val en zoo dronken van den brandewijn is, als hij er uitziet, zal hij niet aan het mes +denken, totdat hij te ver weg en te bang is on naar eene plaats als deze alleen terug te keeren. Dat kuiken!” + +</p> +<p>Een paar minuten later was de maan de eenige, die het in de deken gewikkelde lijk, de deksellooze doodkist en het open graf +aanschouwde, en heerschte er weder eene volmaakte stilte op het kerkhof. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1593"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk X.</h2> +<p>De beide knapen ijlden sprakeloos van ontzetting den weg op naar de stad. Van tijd tot tijd zagen zij angstig om, als vreesden +zij achtervolgd te worden. In elken <a id="d0e1598"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1598">82</a>]</span>boomtronk, die zich op den weg verhief, meenden zij een vijand te zien, en dat deed hun den adem inhouden, en telkens wanneer +zij een eenzame nabij de stad gelegen hut voorbijrenden, scheen het geblaf der opgeschrikte kettinghonden hunne voeten vleugelen +aan te binden. + +</p> +<p>“Als wij het maar tot de oude looierij kunnen brengen, voordat wij het afleggen,” fluisterde Tom, en hijgde bij ieder woord +naar adem. “Ik kan het niet langer uithouden!” Huckleberry antwoordde met een zwaren zucht en de knapen vestigden hun oogen +op het doelwit hunner hoop en spanden alle krachten in on dat te bereiken. Zij naderden het hoe langer hoe meer, stormden +eindelijk hals over hoofd de openstaande deur binnen en vielen dankbaar en uitgeput in de donkere schuilplaats neer. Langzamerhand +bedaarde het kloppen van hun hart en Tom fluisterde: “Huckleberry, wat denk jij, dat er op staat?” + +</p> +<p>“Als dokter Robinson sterft, loopt het op hangen uit.” + +</p> +<p>“Denk je dat wezenlijk.” + +</p> +<p>“Wel, ik weet het zeker, Tom.” + +</p> +<p>Tom dacht een oogenblik na en zeide: + +</p> +<p>“Wie zal het vertellen? Wij?” + +</p> +<p>“Wat verzin je nou! Verbeeld je, dat er eens iets gebeurde waardoor Injun Joe niet opgehangen werd, dan zou hij ons immers +op een goeden dag vermoorden.” + +</p> +<p>“Dat lag ik juist te bedenken, Huck.” + +</p> +<p>“Als iemand het zeggen moet, laat Muff Potter het dan doen indien hij er althans niet te gek of te dronken toe is.” + +</p> +<p>Tom antwoordde niets—en ging voort met denken. Eindelijk zei hij zachtjes: + +</p> +<p>“Huck, Muff Potter weet het niet. Hoe kan hij het vertellen?” + +</p> +<p>“Waarom weet hij het niet?” +<a id="d0e1624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1624">83</a>]</span></p> +<p>“Omdat hij juist die plank op zijn kop heeft gekregen, toen Injun Joe het deed. Denk jij, dat hij iets kan gezien hebben? +Denk jij, dat hij iets weet?” + +</p> +<p>“Bij mijne zolen, dat is waar ook, Tom.” + +</p> +<p>“En bovendien, wie weet of die plank hem niet gedood heeft!” + +</p> +<p>“Neen, dat geloof ik niet, Tom. Hij was dronken, dat kon ik wel zien; dronken, net als altijd. Wel, als Pop zat is, kun je +wel een kerk op zijn hoofd laten invallen, zonder dat ’t hem deert. Dat zeit hij zelf. Zoo is het natuurlijk precies met Muff +Potter. Als de man doodnuchteren geweest was, zou de plank hem wel gemold hebben, maar nu niet.” + +</p> +<p>Na een oogenblik peinzend zeide Tom: + +</p> +<p>“Hucky, weet je zeker, dat je je mond kunt houden?” + +</p> +<p>“Tom, wij <i>moeten</i> den mond houden. Die duivel van een Injun zou er geen been in zien ons als katten te verdrinken, als we van den moord repten +en hij niet gehangen werd. Hoor eens hier, Tom, laat ons elkaar met een eed beloven, dat wij geen woord zullen spreken.” + +</p> +<p>“Dat is goed, Huck; dat zal ’t beste zijn. Zullen wij onze handen opsteken en zweren, dat we...?” + +</p> +<p>“O, neen, dat is niet voldoende voor zoo iets als dit. Dat is goed voor wissewasjes, vooral onder jongens, die den boel verklappen +zoodra ze nijdig worden; maar bij zoo’n groot ding als dit behoort schrift en—bloed!” + +</p> +<p>Tom juichte dit denkbeeld van ganscher harte toe. Er was iets geheimzinnigs en ijzingswekkends in: het nachtelijk uur, de +duisternis, de omgeving, alles was er mede in overeenstemming. Hij raapte een witten, in de maneschijn liggenden tegel op, +haalde een stukje rood krijt uit zijn zak en krabbelde, bij het licht van de maneschijn, met moeite de volgende woorden op +den tegel: + +<a id="d0e1648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1648">84</a>]</span></p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">“Hugh Finn en +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Tom Sawyer zweren, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">dat zij zullen zwijgen over +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">deze zaak, en verklaren, dat zij +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">liever op de plaats zelve zullen +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">doodvallen dan ooit de waarheid +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">te verklappen.”</span></p> +</div> +</div> +<p>Huckleberry was verbaasd over de gemakkelijkheid waarmede Tom schreef en over de prachtige woorden. Hij nam dadelijk een speld +uit zijn lompen en wilde zich in den vinger prikken, toen Tom zeide: + +</p> +<p>“Houd op, doe dat niet! De speld is van koper; er mocht eens kopergroen aan zijn.” + +</p> +<p>“Wat is kopergroen?” + +</p> +<p>“Dat is vergif, en als je dat eens insliktet ... Begrijp jij?” + +</p> +<p>Daarop nam Tom het garen uit een van zijn naalden, en de jongens prikten zich in den duim en drukten er een droppel bloed +uit. + +</p> +<p>Na lang persen gelukte het Tom de voorletters van zijn naam met bloed op den tegel te teekenen, en gebruikte daarbij zijn +pink als pen. Toen wees hij Huckleberry, hoe hij een H en een F moest maken, en hiermede waren de formaliteiten der eedsaflegging +voltooid. Zij begroeven den tegel vlak bij den muur, met de noodige griezelige plechtigheden en onder het spreken van tooverformulieren +en beschouwden van nu aan hun geheim als heilig en onschendbaar. + +</p> +<p>Onderwijl was, zonder dat de knapen het bemerkt hadden eene gedaante door eene opening aan de andere zijde van het vervallen +gebouw naar binnen geslopen. + +</p> +<p>“Tom,” fluisterde Huckleberry, “mogen wij het nu nooit verklappen?” +<a id="d0e1680"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1680">85</a>]</span></p> +<p>“Neen, natuurlijk niet. Wat er ook gebeure, wij mogen, er geen woord van spreken, want als wij dat deden, zouden wij dood +op den grond vallen,—begrijp je?” + +</p> +<p>“Ja, dat begrijp ik?” + +</p> +<p>Zij bleven nog eenige minuten staan fluisteren, toen buiten, omstreeks tien stappen van de plek waar zij stonden, een hond +zijn lang, somber gejank aanhief. De knapen klemden zich doodelijk ontsteld aan elkander vast. + +</p> +<p>“Wie van ons beiden zou er om koud zijn?” bracht Huckleberry, naar adem snakkende, uit. + +</p> +<p>“Ik weet het niet. Kijk maar eens door deze scheur in den muur.” + +</p> +<p>“Neen, doe jij het zelf, Tom.” + +</p> +<p>“Ik, ik kan het niet doen, Huck.” + +</p> +<p>“Och, als je blieft, Tom. Daar begint het weer.” + +</p> +<p>“O Hemeltje, wat ben ik blij,” fluisterde Tom. “Ik ken zijn stem: het is Harbisons hond.” + +</p> +<p>“O, dat is gelukkig!—Zal ik je eens wat zeggen, Tom? ik was zoo bang, dat het een verdwaalde hond zou zijn.” + +</p> +<p>De hond begon weder te huilen en weer ontzonk den jongens de moed. + +</p> +<p>“O wee! Het is Harbisons hond niet,” fluisterde Huckleberry; “kijk nog eens Tom.” + +</p> +<p>Bevende van schrik bracht Tom zijn oog nogmaals voor de opening. Nauwlijks verstaanbaar fluisterde hij: + +</p> +<p>“O Huck! Het is een <i>verdwaalde hond</i>!” + +</p> +<p>“Gauw, Tom, gauw! Wien van ons bedoelt hij?” + +</p> +<p>“Huck, ik denk ons allebei.” + +</p> +<p>“O, Tom, het is met ons gedaan. Waar ik naar toe zal gaan, is niet twijfelachtig. Ik ben altijd zoo slecht geweest.” +<a id="d0e1718"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1718">86</a>]</span></p> +<p>“Ik ook.—Dat komt van het uit school blijven en van het ongehoorzaam zijn. Als ik gewild had, zou ik wel even goed hebben +kunnen zijn als Sid,—maar, neen, dat zou ik toch niet, natuurlijk niet. Breng ik het er nu dezen keer goed af, dan zal ik +mijn best doen om voortaan op de zondagsschool op te passen.” En Tom begon aanstalten te maken tot schreien. + +</p> +<p>“Jij slecht?” en Huckleberry begon ook te schreien. “Bewaar me, Tom Sawyer, als jij niet een brave jongen bent geweest in +vergelijking van mij. O hemeltje, hemeltje, hemeltje! Ik wou, dat ik de helft van jou kansen had!” + +</p> +<p>Tom viel hem in de rede en fluisterde: + +</p> +<p>“Kijk eens, Huck, kijk eens! Hij staat met zijn rug naar ons toe.” + +</p> +<p>Huckleberry keek verheugd door de opening. + +</p> +<p>“Sapperloot, het is waar. Heeft hij altijd zoo gestaan?” + +</p> +<p>“Ja; maar ik ben zoo gek geweest het niet te zien. Nu wie zou hij thans op het oog hebben?” + +</p> +<p>Het gehuil hield op. Tom splitste de ooren. + +</p> +<p>“Hè! wat is dat?” fluisterde hij. + +</p> +<p>“Een geluid als—als het knorren van een varken. Neen, toch niet; er ligt iemand te snorken, Tom.” + +</p> +<p>“Ja, dat is het.—Waar komt het vandaan, Huck?” + +</p> +<p>“Ik geloof van gindschen kant. Zoo klinkt het ten minste. Pop slaapt hier wel eens met de varkens, maar zijn gesnork is een +heel ander geblaas. Buitendien geloof ik, dat hij niet meer in de stad durft komen.” + +</p> +<p>De lust tot het zoeken van avonturen ontwaakte weder in het hart der knapen. + +</p> +<p>“Hucky, durf jij er langs loopen, als ik vooruit ga?” + +</p> +<p>“Ik heb er niet veel lust in, Tom. Vooronderstel eens, dat het Injun Joe was!” +<a id="d0e1749"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1749">87</a>]</span></p> +<p>Tom stond een oogenblik in tweestrijd, doch de verzoeking werd te sterk en de jongens besloten het te doen met dien verstande, +dat zij hunne biezen zouden pakken, als het snorken ophield. Zoo slopen zij op de teenen, achter elkander, naar het andere +einde van het gebouw. Toen zij zoo wat een pas of vijf van den snorker af waren, trapte Tom op een stok en brak dien met een +harden krak. De man steunde, keerde zich om, en zijn gelaat werd in den maneschijn zichtbaar. + +</p> +<p>Het was Muff Potter. + +</p> +<p>De knapen waren als versteend blijven staan, toen de man zich bewoog, maar hunne vrees was nu geweken. Zij slopen naar buiten, +langs de vermolmde schutting en hielden daar stil on elkaar “goedendag” te zeggen. + +</p> +<p>Daar klonk weder het somber gehuil door de nachtlucht. De knapen keken om en zagen den vreemden hond staan, vlak bij de plek +waar Potter lag, en het dier hield zijn hemelwaarts gekeerden kop naar den dronkaard gericht. + +</p> +<p>“O, jéminé, het geldt <i>hem</i>!” riepen de knapen in éénen adem uit. + +</p> +<p>“Hoor eens, Tom; zij zeggen, dat een dag of veertien geleden een hond huilende tegen middernacht langs John Millers huis geloopen +heeft, en dat toen een Wipperwil<a id="d0e1765src" href="#d0e1765" class="noteref">1</a> op zijn dak is gaan zitten zingen; en toch is daar niemand gestorven.” + +</p> +<p>“Dat weet ik wel. Maar is Grace Miller niet verleden Zaterdag in de keuken op het vuur gevallen en heeft zij zich niet schrikkelijk +gebrand?” + +</p> +<p>“Ja, maar zij is niet dood. En wat sterker is, zij wordt beter.” + +</p> +<p>”’t Kan wel wezen, doch wacht maar; zij is er zoo <a id="d0e1774"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1774">88</a>]</span>zeker om koud als Muff Potter. Dat zeggen de negers althans en die weten al die soort van dingen.” + +</p> +<p>Daarop namen zij peinzend afscheid van elkander. + +</p> +<p>Toen Tom het raam van zijne slaapkamer insprong, had de dag omtrent voor den nacht plaats <span class="corr" title="Bron: gnmaakt">gemaakt</span>. Hij kleedde zich behoedzaam uit en viel in slaap, zich gelukwenschend dat niemand iets van zijn uitstapje bemerkt had. Maar +hij wist niet, dat de zacht snorkende Sid al een uur wakker had gelegen. + +</p> +<p>Toen Tom ontwaakte, was Sid al verdwenen. De zon zag er uit alsof zij reeds lang geschenen had en ook de atmosfeer gaf den +indruk dat het al laat was. Verschrikt sprong hij het bed uit. Waarom was hij niet geroepen,—hij, die anders altijd uit zijn +bed getrokken werd? Dat was een slecht voorteeken. Binnen vijf minuten was hij gekleed en stapte hij met een loom en slaperig +gevoel de trap af. De familie zat nog rondom de tafel, maar had het ontbijt gebruikt. Er was geene bestraffende stem, doch +er waren oogen, die zich afwendden, en er was iets stils en plechtigs, dat den schuldigen eene rilling door de leden joeg. +Hij ging zitten en trachtte vroolijk te kijken doch dat was echter zwaar werk, want zijn glimlach werd niet beantwoord, zoodat +hij eindelijk diep verslagen de oogen op den grond sloeg. Na het ontbijt nam tante hem onder vier oogen en de hoop dat hij +slaag zou krijgen maakte Tom bijkans vroolijk; doch niets van dat alles. Zijne tante begon te schreien en vroeg hem, hoe het +mogelijk was dat hij er behagen in schepte, haar oud hart te breken, en eindigde met hem te zeggen, dat hij maar voort moest +gaan met zichzelven ongelukkig te maken en hare grijze haren met kommer ten grave te doen dalen, want dat zij het met hem +opgaf. Dat was erger dan duizend <a id="d0e1785"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1785">89</a>]</span>zweepslagen en Tom voelde iets in zijn hart, dat zwaarder te dragen was dan lichamelijk lijden. Hij schreide, smeekte om vergiffenis, +beloofde herhaalde malen beterschap en werd toen weggezonden met het gevoel, dat hij slechts ten halve vergeven en ten halve +vertrouwd werd. + +</p> +<p>Hij verliet de kamer in een staat te ellendig zelfs om wraak jegens Sid te koesteren, zoodat de laatste zich onnoodig achter +de tuindeur ging verschuilen. Neerslachtig en zwaarmoedig drentelde hij naar school en onderging de hem en Joe Harper wegens +hun schoolverzuim van den vorigen dag toebedeelde klappen, met het uiterlijk van iemand, wiens hart onder veel zwaarder leed +gebukt gaat en die aan zulke beuzelingen afgestorven is. Vervolgens zette hij zich op zijne plaats neder, met de ellebogen +op zijn lessenaar en de handen onder den kin, en tuurden op den blinden muur met dien matten blik, welke van een lijden getuigt, +dat zijn toppunt bereikt heeft. Daar stoot plotseling zijn elleboog tegen een hard voorwerp. Langzaam en droevig verandert +hij van houding en neemt het voorwerp op. Het was in een papier gewikkeld. Dit papier wordt ontrold en een lang gerekte zucht +ontsnapt zijn borst. Zijn koperen schelknop staat voor hem! Dit laatste vedertje brak des kemels rug. + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1765" href="#d0e1765src" class="noteref">1</a></span> Vogel. +</p> +</div> +<p class="div1"><a id="d0e1789"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XI.</h2> +<p>Vóórdat de klok dien morgen “negen” had geslagen, verspreidde het akelige nieuws zich plotseling door de geheele stad. Zelfs +zonder de toen nog onbekende telegraaf vloog het verhaal, met meer dan telegrafischen spoed, van <a id="d0e1794"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1794">90</a>]</span>mond tot mond, van groep tot groep, van huis tot huis. Natuurlijk gaf de schoolmeester vacantie. De St. Petersburgers zouden +niet geweten hebben hoe zij ’t met hem hadden, indien hij dat niet gedaan had. Er was, zoo luidde het gerucht, een bebloed +mes vlak bij den vermoorden man gevonden, en dat mes was door iemand herkend als aan Muff Potter toe te behooren. En, werd +er verder verteld, een man, die laat in den nacht op weg was geweest, had om twee uren na middernacht Potter zich aan een +beek zien staan wasschen en toen op eens wegsluipen. Al te maal verdachte omstandigheden, vooral het wasschen, dat volstrekt +niet tot Potters gewoonte behoorde. Men wist ook, dat de gansche stad was doorzocht on dezen “moordenaar” op te sporen (het +publiek heeft in den regel spoedig de bewijzen bij de hand en het vonnis klaar), maar dat hij nergens te vinden was. Men had +op alle wegen en in allerlei richtingen mannen te paard gezien en de sherif hield zich verzekerd, dat hij vóór den nacht gevat +zou zijn. + +</p> +<p>De geheele stad liep uit naar het kerkhof. Tom vergat ook voor het oogenblik zijn hartzeer en voegde zich bij den stoet, niet +omdat hij niet duizendmaal liever overal elders zou zijn heengegaan, maar omdat eene huiveringwekkende onweerstaanbare betoovering +hem voortdreef. Bij de akelige plaats gekomen, drong hij met zijn klein lichaam door de menigte heen en aanschouwde het afgrijselijk +tooneel. Het was hem alsof er een eeuw was voorbijgegaan, sedert hij daar geweest was. Op eens werd hij in den arm geknepen. +Hij keerde zich on en zijne oogen ontmoetten die van Huckleberry. Daarop keken de knapen dadelijk den anderen kant uit en +hun hart klopte bij de gedachte, dat iemand dien blik van verstandhouding mocht bemerkt hebben. Doch iedereen was aan het +praten en verdiept in <a id="d0e1798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1798">91</a>]</span>het vreeselijk schouwspel, dat zich voor het oog vertoonde. + +</p> +<p>“Die arme man! Het is een goede les voor lijkendieven. Muff Potter zal er voor hangen, als ze hem krijgen!” Dit was zoo ongeveer +de loop van het gesprek op het kerkhof en de dominee maakte de opmerking, “dat het een ‘Godsoordeel’ was en dat des Heeren +hand hier kennelijk werd gezien.” + +</p> +<p>Plotseling begon Tom van het hoofd tot de voeten te beven want zijn oog viel op het verstokte gelaat van Injun Joe. Op dit +oogenblik ontstond er eene kleine opschudding onder de menigte en verscheidene menschen riepen: “Daar is hij! daar is hij! +Hij komt zelf!” + +</p> +<p>“Wie? Wie?” herhaalden twintig stemmen. + +</p> +<p>“Muff Potter! + +</p> +<p>“Heila! Hij wordt tegengehouden. Kijk, hij keert terug! Laat hem niet wegloopen!” + +</p> +<p>Een paar mannen, die in de boomen geklommen waren boven Toms hoofd, riepen dat hij volstrekt geen pogingen deed om weg te +loopen en dat hij er achterdochtig en verschrikt uitzag. + +</p> +<p>“Duivelsch onbeschaamd!” zei een der omstanders. “Zeker wou hij eens rustig een kijkje van zijn werk komen nemen en verwachtte +geen gezelschap.” + +</p> +<p>De schare maakte nu plaats voor den sherif, die met veel praalvertoon Muff Potter bij den arm leidende, in haar midden ging +staan. De arme man zag er verwilderd uit en zijne oogen verrieden den doodsangst, waarin hij verkeerde. Toen hij tegenover +den verslagene stond, was het alsof hij door eene beroerte getroffen werd; hij verborg zijn gelaat in zijne handen en barstte +in tranen uit. + +</p> +<p>“Ik heb het niet gedaan, vrienden,” snikte hij. “Op mijn woord van eer, ik heb het niet gedaan.” +<a id="d0e1818"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1818">92</a>]</span></p> +<p>“Wie beschuldigt u?” donderde een stem. + +</p> +<p>Dit schot scheen doel te treffen. Potter hief het gelaat omhoog en zag met roerende hopeloosheid in het rond. Toen hij Injun +Joe zag, riep hij uit: + +</p> +<p>“O, Injun Joe! gij beloofdet, dat gij het nooit....” + +</p> +<p>“Is dat uw mes?” En het bebloed werktuig werd hem door den sherif voorgehouden. + +</p> +<p>Potter zou op den grond gevallen zijn, indien men hem niet aangegrepen had. Toen sprak hij: + +</p> +<p>“Iets in mijn binnenste zeide mij, dat, als ik niet terugkwam om het te halen....” + +</p> +<p>Sidderend hield hij op en wuifde met de machtelooze hand, als wilde hij te kennen geven, dat hij zich overwonnen achtte, en +zeide: “Zeg het maar, Joe—zeg het maar;—het helpt toch niet meer.” + +</p> +<p>Huckleberry en Tom waren sprakeloos van ontzetting, toen zij den verstokten moordenaar kalm zijne verklaring hoorden afleggen. +Zij verwachten elk oogenblik, dat God een bliksemstraal uit den helderen hemel op hem zou doen nederschieten, en verwonderden +er zich over, dat die straf zich voortdurend liet wachten. En toen Injun Joe uitgesproken had en nog levend en gezond voor +hen stond, verdween uit hun hart de aandrang om hun eed te breken en het leven van den armen bedrogen gevangene te redden +want deze ellendeling, die er zoo goed afkwam, had zich ongetwijfeld aan den duivel verkocht en het zou gevaarlijk wezen zich +met het eigendom van een macht als deze in te laten. + +</p> +<p>“Waarom zijt gij niet weggebleven? Wat behoefdet gij hier terug te komen?” vroeg een der omstanders. + +</p> +<p>“Ik, ik kon niet anders,” kermde Potter; “ik zou zoo gaarne weggeloopen zijn, maar ik werd naar deze plaats als gedreven.” +En hij begon weder te snikken. +<a id="d0e1839"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1839">93</a>]</span></p> +<p>Een paar minuten later, bij het gerechtelijk onderzoek, herhaalde Injun Joe met dezelfde kalmte als den eersten keer zijne +verklaringen onder eede en de omstandigheid dat hij nu weder niet door den bliksemschicht getroffen werd, versterkte de knapen +in hun geloof, dat Joe zich aan den Duivel had verkocht. Hij werd thans in hunne oogen het vreeselijkste en belangwekkendste +wezen, dat zij ooit hadden aanschouwd, en hij boeide hen in zulk eene mate, dat zij hunne oogen niet van hem konden afhouden. +Bij zichzelven besloten zij, on zoodra de gelegenheid zich voordeed, hem des nachts te bespieden, in de hoop dan iets van +zijn vreeselijken meester te zien te krijgen. + +</p> +<p>Injun Joe hielp het lijk van den vermoorde optillen en ten vervoer in den ziekenwagen leggen, en onder de sidderende menigte +werd het gemompel gehoord, dat de wond een weinig bloedde. De jongens dachten, dat deze gelukkige omstandigheid het vermoeden +in de juiste richting zou wenden, maar ze werden teleurgesteld, want iemand maakte de opmerking, dat “Muff Potter op drie +treden afstands van het lijk gestaan had, toen het gebeurde.” + +</p> +<p>Het vreeselijk geheim en zijn knagend geweten vervolgden Tom van den morgen tot den avond en verstoorden zelfs zijn nachtrust. +Op zekeren morgen aan het ontbijt zeide Sid: + +</p> +<p>“Tom, je woelt tegenwoordig den ganschen nacht door en je praat zoo in je slaap, dat je me uren wakker houdt.” + +</p> +<p>Tom verbleekte en sloeg de oogen neder. + +</p> +<p>“Dat is een kwaad teeken,” zeide tante Polly, ernstig. “Je hebt toch niets op je geweten, Tom?” + +</p> +<p>“Niet, dat ik weet,” antwoordde de knaap, doch zijne hand beefde zoo, dat hij zijne koffie op het tafelblad stortte. + +</p> +<p>“En je praat zulken onzin,” zeide Sid. “Gisterenacht riep je: ‘Het is bloed, het is bloed, dat is het!’ Dat heb <a id="d0e1856"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1856">94</a>]</span>je wel twintig keer gezegd. En je zei ook: ‘Plaag me niet zoo;—ik zal het vertellen,’<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>“Vertellen? Wat zul je me toch vertellen?” vroeg tante. + +</p> +<p>De geheele kamer draaide voor Toms oogen in het rond en de hemel weet wat er gebeurd zou zijn, indien de onrust niet uit tantes +gelaat verdwenen en zij, zonder het zelve te weten, haar neef te hulp was gekomen. Zij zeide: “O! dat komt van dien vreeselijken +moord. Ik droom er ook elken nacht van; soms wel, dat ik het zelve gedaan heb.” + +</p> +<p>Ook Marie verzekerde, dat het haar eveneens ging, en Sid scheen bevredigd. Tom echter sloop zoo spoedig weg als hij kon, en +van dien dag af, klaagde hij over kiespijn en deed des snachts den doek om zijn gezicht. Weinig vermoedde hij echter, dat +Sid hem uren lang lag te bespieden den doek wegtrok, op zijn elleboog geleund ging liggen luisteren, en dan het verband weer +handig op zijne plaats schoof. Langzamerhand begon Toms angst te verminderen en werd de kiespijn afgedankt. Indien Sid het +werkelijk er op aanlegde om iets uit Toms onsamenhangend gemompel op te maken, hield hij het toch zorgvuldig voor zich. + +</p> +<p>Er scheen in Toms oog geen einde te komen aan het spelletje zijner schoolmakkers om lijkschouwing van doode katten te houden, +en dusdoende aanhoudend zijne kwelling te verlevendigen. Sid merkte dit, dat bij deze instructies, Tom nooit weer lijkschouwer +wilde wezen, ofschoon hij vroeger bij elke nieuwe uitvinding altijd “haantje de voorste” was. Het viel hem ook op, dat Tom +nooit getuige wilde zijn—ja, zelfs een in ’t oog loopenden afkeer van vermakelijkheden als deze verkregen had en ze zooveel +mogelijk vermeed. Sid verwonderde zich daarover, maar zeide niets. Gelukkig gingen deze lijkschouwingen eindelijk uit de mode +en hielden dus op Toms geweten te pijnigen. +<a id="d0e1869"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1869">95</a>]</span></p> +<p>Gedurende dit kommervolle tijdperk zijns levens ging Tom om den anderen of om de twee dagen, zoo dikwijls als hij wist dat +niemand hem bespiedde, voor het kleine getraliede venster van de gevangenis staan en stak daardoor “den moordenaar” al de +verkwikkingen en lekkernijen toe, waarvan hij zich kon meester maken. + +</p> +<p>De gevangenis van St. Petersburg was een klein steenen gebouw, dat in een moeras vlak buiten het stadje lag, en waarvoor geen +schildwachten noodig geacht werden. Zij was zelden bezet en Tom kon er dus veilig heengaan om Muff Potter de offeranden te +schenken, waarmede hij zijn geweten weder eenigszins tot rust zocht te brengen. + +</p> +<p>De bewoners van het stadje zouden zeker anders het gebruik gevolgd hebben om Injun Joe, beteerd en met veeren beplakt in een +kooi rond te rijden, (de gewone straf van lijkendieven,) maar hij was zulk een berucht en gevreesd persoon, dat niemand de +leiding van deze onderneming op zich durfde nemen. Injun Joe, van zijn kant, had wel opgepast bij beide zijne getuigenissen +alleen van het gevecht te spreken, en den voorafgeganen diefstal te verzwijgen. Vandaar dat de zaak vooralsnog niet bij het +Hof aanhangig werd gemaakt. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1876"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XII.</h2> +<p>Een der oorzaken, waardoor Toms geheime kwellingen meer op den achtergrond geraakten, was te vinden in eene nieuwe en gewichtige +zaak, die zijn gemoed vervulde. Becky Thatcher kwam niet meer op school. Hij had een dag of wat met zijn trots strijd gevoerd +en getracht te <a id="d0e1881"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1881">96</a>]</span>doen alsof zij niet bestond, maar het was hem niet gelukt. Van lieverlede begon hij weer langs haar vaders huis te slenteren +en zich ongelukkig te gevoelen. Als zij eens stierf! Die gedachte was genoeg om hem krankzinnig te maken. Hij had geen liefhebberij +meer in oorlog spelen, zelfs niet in het zeerooverspel. De bekoorlijkheid van het leven was verdwenen en niets dan ellende +was overgebleven. Hij borg zijn hoepel en zijn kolfstok, want al de pret van hoepelen was voorbij. Zijne somberheid wekte +tantes onrust en zij begon allerlei soorten van geneesmiddelen op hem toe te passen. + +</p> +<p>Juffrouw Polly behoorde tot die lieden, welke verzot zijn op huismiddeltjes en dwepen met alle pas uitgevonden methodes tot +verbetering en onderhoud der gezondheid. De lust om van al die dingen de proef te nemen was haar als ingeroest. Zoodra er +op dit gebied iets nieuws op het tapijt kwam, rustte zij niet eer het aan haar huis was toegepast;—niet op haar zelve, want +zij was nooit ziek, maar op ieder ander, dien zij onder handen kon krijgen. Zij had ingeteekend op alle mogelijke tijdschriften +over de gezondheidsleer en op alle dwaze vertoogschriften over de geneeskunde, en de hoogdravende artikelen waarmede deze +waren opgevuld, werden door haar met gejuich ontvangen. Al de onzin, die er werd uitgekraamd over ventilatie en de voorschriften +die gegeven werden over het opstaan en het naar bed gaan, het gebruik van spijs en drank, het nemen van lichaamsbeweging, +over de gemoedsstemming waarin men moet verkeeren, over de soort van kleeding die men dragen moet, was evangelietaal voor +haar, en zij bemerkte nooit, dat hare gezondheidsjournalen van de loopende maand gewoonlijk tegenspraken wat zij in de vorige +met veel ophef verkondigd hadden. Zij was het eenvoudigste <a id="d0e1885"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1885">97</a>]</span>en oprechtste schepsel dat er leefde en werd daardoor gemakkelijk om den tuin geleid. Zij verzamelde al de kwakzalverachtige +tijdschriften en geneesmiddelen om zich heen, en leefde dan in de overtuiging dat zij een engel in menschengedaante was, die +den balsem van Gilead aan hare lijdende naasten kwam brengen. + +</p> +<p>Op dat tijdstip waarvan wij spreken, begon de koudwaterkuur aan de orde te komen, en Toms droefgeestigheid kwam haar tot het +toepassen van de kuur verbazend in de hand. Voor dag en dauw werd hij uit zijn bed gehaald en in de houtschuur gesleept en +met een stortvloed van koud water overstelpt. Dat water werd met een harden handdoek afgedroogd, en vervolgens werd de jongen +in natte lakens gewikkeld en onder de dekens gestopt, totdat hij zoo ging zweeten, dat zijn ziel, zooals hij zeide, door zijne +poriën kwam kijken. + +</p> +<p>Niettegenstaande al die geneesmiddelen werd de knaap hoe langer hoe neerslachtiger, bleeker en slapper. Toen kwamen de heete +baden, <span class="corr" title="Bron: zitbaten">zitbaden</span>, stortbaden en douches. De knaap was en bleef droefgeestig. Daarop werd aan de waterkuur een diëet toegevoegd van dunne havergortpap +en werden er Spaansche vliegen toegepast. Tante Polly toch berekende de inhoudsruimte van haar neef naar die van een kruik +en vulde hem op, totdat hij vol was. + +</p> +<p>Langzamerhand geraakte Tom door al dat wasschen en plassen in een staat van verdooving en onverschilligheid. Dit verschijnsel +vervulde de oude dame met schrik en er moest een einde aan gemaakt worden, het kostte wat het wilde. Daar leest zij in de +courant van een nieuw zenuwmiddel! Dadelijk werd er een flesch besteld, geproefd en goed bevonden. De waterkuur werd opgegeven +en alles van het zenuwmiddel verwacht. Een theelepeltje vol werd <a id="d0e1896"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1896">98</a>]</span>den knaap ingegeven, waarvan het resultaat in angstige spanning werd te gemoet gezien. Reeds bij de eerste proef week haar +onrust en keerde de kalmte in haar ziel terug. Immers de onverschilligheid was op eens verdwenen. De knaap, al had zij hem +op een gloeiende plaat gezet, kon niet schielijker woest en luidruchtig zijn. + +</p> +<p>Wat was hiervan de reden? Tom voelde, dat het tijd werd, weder wakker te worden. Het leven, ’t welk hij thans leidde, mocht +in zijn treurigen toestand iets romantisch hebben, het was te saai en te gelijk te vol akelige afwisseling om lang zóó te +kunnen blijven. Daarom zon hij op allerlei middelen om er een eind aan te maken, en besloot verzotheid op het nieuwe drankje +voor te wenden. Hij vroeg er zoo dikwijls om, dat het tante begon te vervelen en zij eindigde met hem te zeggen, dat hij maar +leeren moest zelf in te nemen en haar er niet meer mede lastig vallen. Ware het Sid geweest, zij zou die liefhebberij in het +geneesmiddel niet mistrouwd hebben, maar op Tom moest heimelijk een oogje gehouden worden. Tot hare geruststelling echter +bemerkte zij, dat de inhoud wezenlijk verminderde, doch het kwam niet in haar op te vermoeden, dat de knaap de geneeskracht +van den drank, niet op zijn eigen lichaam beproefde, maar op den vloer der huiskamer en het vocht in een spleet onder het +karpet uitgoot. + +</p> +<p>Op zekeren dag was hij daar juist mede bezig, toen tantes gele kat, kopjes gevende en spinnende, naar het theelepeltje kwam +kijken, blijkbaar vol lust om er van te snoepen. + +</p> +<p>“Dat is verboden waar voor jou, poesje,” zeide Tom tot de kat. + +</p> +<p>Doch de poes maakte een gebaar alsof zij er anders over dacht. +<a id="d0e1906"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1906">99</a>]</span></p> +<p>“Neen, poes, raak er niet aan.” + +</p> +<p>De poes hield echter vol. + +</p> +<p>“Nu, als je het dan volstrekt wilt hebben, zal ik het je wel geven, want mij helpt het geen zier. Doch als het je niet goed +bekomt, kan ik het niet helpen.” + +</p> +<p>Poesje stemde stilzwijgend toe en Tom spalkte haar den bek open en goot er eene hoeveelheid van den drank in. De kat sprong +een paar el in de lucht, hief toen een jammerlijk geschreeuw aan, danste de kamer rond, sloeg tegen de meubels, wierp de bloempotten +omver en gooide alles het onderstboven. Vervolgens ging zij op de achterpooten staan, draaide met den kop en miauwde van angst. +Daarna liep ze weer als een razende het huis door en bracht overal verwarring en vernieling met zich. Juist toen tante Polly +de kamer binnenkwam, was zij bezig een paar kostbare planten te vernielen en met een helsch geschreeuw door het open raam +te springen, inderhaast nog de rest van de bloempotten met zich sleepende. De oude dame stond versteend van schrik over haar +bril te staren, terwijl Tom op den grond lag te gillen van het lachen. + +</p> +<p>“Wat, in ’s hemels naam, scheelt de kat, Tom?” + +</p> +<p>“Ik, ik zou het u niet kunnen zeggen,” grinnikte de knaap. + +</p> +<p>“Wel, ik heb nog nooit zoo iets gezien. Hoe komt zij zoo?” + +</p> +<p>“Ik weet het wezenlijk niet, tante Polly. Katten doen altijd zoo, als zij schik hebben.” + +</p> +<p>“Doen ze dat?” Er was iets in den toon, dat Tom vrees aanjoeg. + +</p> +<p>“Ja, tante,” zeide hij, iets minder boud; “dat geloof ik ten minste.” + +</p> +<p>“Geloof je dat?” +<a id="d0e1929"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1929">100</a>]</span></p> +<p>“Ja.” + +</p> +<p>De oude dame bukte zich en Tom verbeidde met angst den afloop. Doch hij begreep hare bedoeling te laat. Daar lag het verklappend +theelepeltje achter de franjes van het bedgordijn. Tante Polly nam het op en hield het hem voor den neus. Tom deinsde terug +en sloeg de oogen neder. Tante pakte hem bij het gewone handvatsel—zijn oor—en kneep dit lichaamsdeel zoo, dat men zijn hoofd +hoorde kraken. + +</p> +<p>“Nu, jongeheer, waarom moest dat stomme dier zoo mishandeld worden?” + +</p> +<p>“Ik deed het uit medelijden met haar,—omdat zij geen tante heeft.” + +</p> +<p>“Geen tante, deugniet?—Wat heeft dat er mede te maken?” + +</p> +<p>“O, heel veel! Omdat, als zij er eene had, deze haar gebrand zou hebben en haar de ingewanden geroosterd als ware zij een +mensch geweest.” + +</p> +<p>Tante Polly voelde plotseling een knagende gewetenswroeging. Hetgeen wreed was voor de kat, kon ook wreed voor een jongen +wezen. Haar hart werd verteederd. Zij kreeg spijt en hare oogen begonnen vochtig te worden; en hare hand op Toms hoofd leggende, +zeide zij vriendelijk: + +</p> +<p>“Ik deed het om bestwil, Tom. En, jongen, ’t <i>heeft</i> u immers goed gedaan?” + +</p> +<p>Tom keek haar aan en zeide, terwijl hij een knipoogje maakte: + +</p> +<p>“Ik weet, dat u het voor mij om bestwil gedaan hebt, en ik deed eveneens met de poes. Het heeft haar ook goed gedaan, want +ik heb haar nooit zoo netjes zien dansen. + +</p> +<p>“O, maak dat je wegkomt, voordat ik weer boos word!” <a id="d0e1955"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1955">101</a>]</span>riep tante uit. “En doe nu eindelijk je best eens om een brave jongen te worden. Medicijnen behoef je voorloopig niet meer +te nemen.” + +</p> +<p>Tom ging dien middag vroeg naar school en bleef voor de deur staan, in plaats van met zijne makkers te spelen. Hij verklaarde +zich voor ziek en zag er ook niet heel goed uit. Schijnbaar keek hij naar alles, behalve naar hetgeen waarop hij wezenlijk +zijn oog gericht hield—namelijk, naar den weg. + +</p> +<p>Daar kwam Jeff Thatcher aan en Toms gelaat klaarde wat op. Hij begon een gesprek met hem en zocht op allerlei manieren iets +omtrent Becky te weten te komen, doch de looze jongen scheen er niets van te merken. Tom wachtte en wachtte, en zijn oogen +schitterden telkens, wanneer er een jurkje in het gezicht kwam, doch zoodra hij ontdekte dat de draagster van het jurkje niet +de rechte persoon was, sloeg hij ze verdrietig neer. Eindelijk kwamen er geen japonnetjes meer voorbij en hij verviel in eene +hopelooze neerslachtigheid. Hij trad het leege schoolgebouw binnen en gaf zich aan zijn verdriet over. Maar op eens ontdekte +hij weder een jurkje en zijn hart klopte hoorbaar. Geen minuut later was hij de school uit en als een clown aan het kunsten +maken. Hij gilde, lachte, zat de jongens achterna, sprong met levensgevaar over het hek, ging op zijn hoofd staan en verrichtte +al de heldendaden, die hij maar kon uitdenken, terzelfder tijd voortdurend heimelijke blikken werpend op Becky Thatcher, om +te zien of zij het wel merkte. Doch zij scheen er niet op te letten en keek steeds een anderen kant uit. Was het mogelijk +dat zij niet zag, dat hij daar was? Toen ging hij zijne gymnastische oefeningen in hare onmiddellijke nabijheid uitvoeren, +liep met veel lawaai tusschen de jongens door, greep er een <a id="d0e1961"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1961">102</a>]</span>de pet van het hoofd, slingerde die over het dak van de school en danste en sprong, totdat hij vlak voor Becky stond en bijna +tegen haar aanliep. En zij, zij keerde zich om, en Tom hoorde haar zeggen: + +</p> +<p>“Ba! sommige menschen verbeelden zich, dat zij ijselijk grappig zijn; zij doen altijd kunsten om gezien te worden.” + +</p> +<p>Tom werd gloeiend rood en droop verslagen af. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1967"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XIII.</h2> +<p>De beleediging van Becky Thatcher bracht bij Tom Sawyer een besluit tot rijpheid. De knaap was aan de uiterste grens van wanhoop. +Hij was, zoo sprak hij bij zichzelven, een verlaten jongen zonder vrienden; niemand hield van hem. Wanneer de menschen te +eeniger tijd ontdekten waartoe zij hem gebracht hadden, zouden zij misschien spijt gevoelen over hunne koelheid. Hij had getracht +te doen wat goed was en had het pad der deugd willen bewandelen, doch zelfs daarin had men hem gedwarsboomd. Aangezien men +toch niets wenschte dan van hem af te zijn, zou de menschheid haar zin hebben: en zij mocht hem er de gevolgen van toerekenen. +Waarom zou zij dat niet? Wat recht had hij, de verlatene, on zich daarover te beklagen? Ja, zij had er hem toe gedwongen; +hij zou een misdadig leven gaan leiden; men had hem geene andere keus gelaten. Inmiddels was hij onder deze alleenspraak een +eind buiten de stad gekomen en hoorde in de verte het geklingel der bel, die de kinderen naar school riep. Hij snikte bij +de gedachte, dat hij nooit, nooit meer dat oude gezellige geluid zou hooren; het was zeer hard, <a id="d0e1972"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1972">103</a>]</span>maar hij kon niet anders: de koude wereld had hem er toe gebracht en hij moest zich in zijn lot schikken. + +</p> +<p>Toen begon hij bitter te schreien. Juist op dat oogenblik kwam hij zijn boezemvriend Joe Harper tegen, ook met behuilde oogen +en blijkbaar met plannen, gewichtig en somber als de zijne. Kennelijk waren deze beide zielen van ééne en dezelfde gedachte +vervuld. Tom maakte, terwijl hij zijne oogen met zijn mouw afveegde, onder veel snikken zijn besluit bekend, on, ten einde +de slechte behandeling en het gebrek aan sympathie te huis te ontvluchten, naar buiten in de wijde wereld te gaan rondzwerven +en nooit terug te komen—en eindigde met de wensch, dat Joe Harper hem niet vergeten zou. + +</p> +<p>Maar daar kwam het uit, dat Joe juist datzelfde verzoek aan Tom had willen gaan doen en hem deelgenoot maken van een dergelijk +voornemen. Zijne moeder had hem geslagen, omdat hij room zou gesnoept hebben, die hij nooit geproefd had en waarvan hij niets +af wist. Het was duidelijk, dat zij haar zoon moede was en van hem ontslagen verlangde te zijn. Als dat zoo was, had hij niet +anders te doen dan voor dien wil te bukken. Hij hoopte dat zij gelukkig zou wezen zonder hem en dat het haar nooit berouwen +zou, haar armen jongen uitgedreven te hebben in eene ongevoelige wereld, om daarin te lijden en te sterven. + +</p> +<p>Terwijl de beide knapen droevig voortwandelden, sloten zij samen een nieuw verbond on elkander als broeders bij te staan en +nimmermeer te scheiden, totdat de dood hen van hun verdriet zou verlossen. Toen begonnen zij plannen te maken. Joe was er +voor om kluizenaar te worden in een afgelegen grot, van water en brood te leven en dan van koude, ongemak en verdriet te sterven: +doch na Tom <a id="d0e1980"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1980">104</a>]</span>aangehoord te hebben, kwam hij tot de overtuiging, dat er aan een misdadig leven groote voordeelen verbonden waren, en dus +stemde hij er in toe zeeroover te worden. + +</p> +<p>Anderhalf uur ten zuiden van St. Petersburg, waar de Mississipi zeer smal was, lag een klein boschrijk eiland, met eene ondiepe +landingsplaats, en dit werd een zeer geschikt toevluchtsoord geacht. Het was onbewoond en lag ver van den oever, tegenover +een dicht en eenzaam woud. Daarom werd Jacksons Island gekozen. Wie het mikpunt der zeerooverijen zou zijn, was eene zaak +die hun niet in de gedachten kwam. Toen zochten zij Huckleberry Finn op en hij voegde zich dadelijk bij hen, daar alle baantjes +dien vagebond hetzelfde waren. Voor het oogenblik scheidden de vrienden en spraken af, dat zij elkaar op een weinig bezochte +plek aan den oever der rivier, omstreeks een uur van de stad, zouden ontmoeten, en wel te middernacht, der knapen lievelingsuur. +Daar lag een klein houtvlot, dat zij hoopten te bemachtigen. Zij zouden alle drie vischhaken en hengels medebrengen en zooveel +teerkost als zij slechts op de meest geheimzinnige wijze konden buitmaken, zooals dat aan roovers paste. En nog voordat de +zon ter kimme daalde, hadden zij zich reeds eene kleine vreugde bereid, door uit te strooien, “dat de stad eerlang van iets +hooren zou.” Allen, die deze vage mededeeling ontvingen, werden verzocht te zwijgen en te wachten. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/plate3.jpg" alt="“Zeg jongens,” zeide Tom, “ik wou dat de jongens ons nu eens konden zien.”"></p> +<p class="figureHead">“Zeg jongens,” zeide Tom, “ik wou dat de jongens ons nu eens konden zien.”</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Tegen middernacht kwam Tom ter bestemder plaatse, met eene gekookte ham en enkele andere levensmiddelen van minder omvang. +Hij hield stil bij een dicht begroeid kreupelboschje op eene kleine hoogte, van waar men de plaats der bijeenkomst kon overzien. +De lucht was met sterren bezaaid en het was bladstil. De machtige rivier lag kalm tusschen hare oevers als een oceaan na hevigen +<a id="d0e1991"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1991">105</a>]</span>storm. Tom luisterde een oogenblik, maar de stilte werd door geen geluid verstoord. Toen begon hij zacht te fluiten en dit +geluid werd onder het kreupelboschje beantwoord. Tom floot nog eens en het signaal werd weder op dezelfde wijze herhaald. +Toen riep eene gedempte stem: + +</p> +<p>“Wie nadert daar?” + +</p> +<p>“Tom Sawyer, de Zwarte Roover der Spaansche Zee. Noemt uwe namen.” + +</p> +<p>“Huck Finn met de Roode Hand en Joe Harper, de Schrik van den Oceaan.” Tom had deze titels uit zijn lievelingsboeken geleverd. + +</p> +<p>“In orde. Geef het contra-signaal.” + +</p> +<p>Twee schorre stemmen fluisterden gelijktijdig het volgende schrikkelijke woord in den stikdonkeren nacht: “Bloed!” + +</p> +<p>Toen wierp Tom zijn ham over den heuvel en klom er daarna zelf af, terwijl hij onder ’t afdalen zich nu en dan het vel openreet +en zijne kleeren scheurde. Er was wel een geschikt en gemakkelijk pad langs den oever, om van de hoogte af te dalen, maar +dat miste het voordeel van moeite en gevaar, door een zeeroover zoo gewaardeerd. + +</p> +<p>De Schrik van den Oceaan had een zijde spek medegebracht en was onder het dragen van dien last bijna bezweken. Finn had een +koekenpan gestolen en voor een voorraadje tabak en eenige korte pijpen gezorgd. ’t Was maar jammer, dat hij de eenige der +drie roovers was, die de kunst van rooken en pruimen verstond. De Zwarte Roover der Spaansche Zee maakte de opmerking, dat +het gevaarlijk was zonder vuur op tochten te gaan, en dat was eene verstandige opmerking. Lucifers waren in dien tijd nog +onbekend, <span class="corr" title="Bron: Maar">maar</span> op eenige ellen afstands zagen zij op een groot vlot een vuur smeulen. Dadelijk slopen zij daarheen en namen een kooltje +weg. Van die kleine dieverij <a id="d0e2010"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2010">106</a>]</span>werd een verbazend avontuur gemaakt. Telkens riepen zij “St.” en stonden stil met den wijsvinger op de lippen, grepen naar +denkbeeldige dolkgevesten en gaven fluisterende schrikwekkende bevelen om den vijand, als hij hen mocht overvallen, “den dolk +tot aan ’t gevest in ’t lijf te steken,” omdat “lijken niets navertellen<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>” Zij wisten wel, dat de bemanning van het vlot in het stadje aan het hout stapelen was of in de herberg zat, doch die wetenschap +ontsloeg hen niet van de verplichting het geval op zeerooverswijs te behandelen. Daarop staken zij met hun vlot van wal. Tom +nam de bevelhebbersplaats in. Huck posteerde zich bij de achterriemen en Joe op den voorsteven. Tom stond midden op het vaartuig +met gefronste wenkbrauwen en over elkaar geslagen armen en gaf zijne bevelen met eene onderdrukte, barsche stem. + +</p> +<p>“Laveeren en het schip onder den wind brengen!” + +</p> +<p>“Ja, ja, kapitein!” + +</p> +<p>“Vooruit, voor—uit!” + +</p> +<p>“Het gaat vooruit, kapitein!” + +</p> +<p>“Zet het iets naar voren!” + +</p> +<p>“Het is geschied, kapitein!” + +</p> +<p>Daar de knapen steeds in dezelfde richting midden in den stroom de rivier afzakten, was het niet twijfelachtig of deze bevelen +werden maar voor de leus geven en hadden geen bijzonder doel. + +</p> +<p>“Welke zeilen voert het in top?” + +</p> +<p>“De boeglijnszeilen, de topzeilen en de fokken, kapitein!” + +</p> +<p>“Hijsch de voormarszeilen! Maak boven aan de steng een stuk of zes lijnen los! Past op nu!” + +</p> +<p>“Ja, ja, kapitein.” + +</p> +<p>“De topzeilen reven! Toe dan, jongen!” + +</p> +<p>“Ja, ja, kapitein.” +<a id="d0e2041"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2041">107</a>]</span></p> +<p>“Het roer tegen den wind! Naar bakboord! Houdt je je goed, mannen! Voorwaarts.” + +</p> +<p>“Het gaat voorwaarts, kapitein.” + +</p> +<p>Het vlot dreef een weinig naar den kant af, de knapen roeiden weder naar het midden en legden toen de riemen neder. Het water +was laag en de stroom dus niet sterk. Gedurende de eerste drie kwartier werd er nauwelijks een woord gesproken. Toen gleed +het vlot langs de op eenigen afstand liggende stad, welker richting door enkele flikkerende lichten werd aangewezen. Daar +lag zij, in diepen slaap verzonken, ver van de onmetelijke watervlakte, waarin duizenden sterren zich spiegelden, onbewust +van de vreeselijke gebeurtenis, die juist plaats greep. De zwarte Roover stond nog met over elkaar geslagen armen op het dek, +een laatsten blik werpende op het tooneel van geluk en lijden, vervuld van de begeerte dat zij hem zien mocht, terwijl hij +daar buiten op de onstuimige wateren, met een onverschrokken gemoed, gevaar en dood trotseerde en met een koelen glimlach +op de lippen zijn lot te gemoet ging. Hij verbeeldde zich—zonder veel moeite—dat Jacksons Island oneindig ver van St. Petersburg +verwijderd was en daarom wierp hij, bij de gedachte aan dien afstand, een laatsten blik op de stad, met een gebroken maar +toch bevredigd hart. De andere zeeroovers stonden ook laatste blikken te werpen en allen keken zoo lang, dat zij bijna uit +den koers van het eiland dreven. Doch zij bemerkten het gevaar bijtijds en beijverden zich om het af te wenden. + +</p> +<p>Tegen twee uur in den morgen landde het vlot een paar honderd ellen boven de aanlegplaats van het eiland, en de knapen waadden +door het water om hunne lading te ontschepen. Tot de kleine uitrusting van het vlot behoorde ook een oud zeil. Dit werd over +een uithoek in de struiken <a id="d0e2050"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2050">108</a>]</span>gespannen, om als tent ter beschutting van de proviand te dienen, doch zelven besloten zij bij gunstig weder in de open lucht +te slapen, zooals dat bandieten betaamt. + +</p> +<p>Daarop legden zij een vuurtje aan tegen den kant van een hooge houtmijt, diep in het sombere woud en begonnen wat spek in +de koekenpan te bakken, terwijl zij hierbij de helft verorberden van den voorraad brood, dien zij hadden medegebracht. Het +was een ontzaglijk genot om daar hun feestmaal te houden, als wilden in een maagdelijk woud, op een onbewoond eiland, ver +van de verblijfplaatsen der menschen. Al etende legden zij dan ook de gelofte af om nooit weder tot de beschaafde streken +terug te keeren. + +</p> +<p>De stijgende vlammen verlichten hun aangezicht en wierpen een rooden gloed op het glinsterend groen en de zich sierlijk om +de boomstammen slingerende ranken. Toen de laatste knappende stukjes spek verdwenen waren en het laatste brokje brood was +verslonden, strekten de knapen welbehagelijk hunne leden op het mostapijt uit. Zij hadden wel een koeler plekje kunnen vinden, +doch zij wilden zich het romantisch genot van een knetterend kampvuur niet ontzeggen. + +</p> +<p>“Is het niet heerlijk?” vroeg Joe. + +</p> +<p>“Ja, het is verrukkelijk,” antwoordde Tom. + +</p> +<p>“Wat zouden de jongens nu wel zeggen, als zij ons zagen?” + +</p> +<p>“Zeggen? Wel, zij zouden goud geven on hier te zitten. Wat zeg jij, Hucky?” + +</p> +<p>“Ik zeg,” antwoordde Huckleberry, “dat het mij bevalt. Ik verlang het nooit beter te hebben. Gewoonlijk krijg ik niet genoeg +te eten en hier kunnen ze me niet komen schoppen en mishandelen.” + +</p> +<p>”’t Is ook juist een leventje voor mij,” zeide Tom. “Je <a id="d0e2068"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2068">109</a>]</span>behoeft ’s morgens niet vroeg op te staan, je niet te wasschen, niet naar school te gaan en allerlei onzin te doen. Zie je +nu wel, Joe, dat een zeeroover, als hij aan wal is, <i>niets</i> te doen heeft, terwijl een kluizenaar moet bidden en nooit gekheid kan maken, omdat hij altijd alleen zit.” + +</p> +<p>“Ja, je hebt gelijk,” zeide Joe; “ik verwachtte er niet veel goeds van, dat weet je, maar nu ik het geprobeerd heb, vind ik +het veel pleizieriger om zeeroover te zijn.” + +</p> +<p>“Je ziet ook,” zeide Tom: “de menschen geven tegenwoordig niet zoo veel meer om kluizenaars als in den ouden tijd, maar voor +zeeroovers hebben zij altijd ontzag. En buitendien moet een kluizenaar op de hardste plaats slapen die hij maar vinden kan +en zich in zakken kleeden, en asch op zijn hoofd strooien, en in den regen buiten staan en...” + +</p> +<p>“Waarom moet hij zakken dragen en asch op zijn hoofd strooien?” vroeg Huck. + +</p> +<p>“Dat weet ik niet. Maar ze doen het allemaal. Als jij een kluizenaar was, zou je het ook moeten doen.” + +</p> +<p>“Ik zou je bedanken,” zeide Huck. + +</p> +<p>“Wat zou je dan?” + +</p> +<p>“Dat weet ik niet, maar dat zeker niet.” + +</p> +<p>“Wel, Huck, je zoudt het <i>moeten</i>; je zoudt niet anders kunnen.” + +</p> +<p>“Wel, ik zou het niet verdragen; ik zou op den loop gaan.” + +</p> +<p>“Op den loop gaan! Nu, je zoudt eene mooie soort van heremiet wezen. Je zoudt ze tot schande maken.” + +</p> +<p>De Roode Hand gaf geen antwoord, daar zijn brein vervuld was met iets anders. Hij had juist een pijpekop schoongemaakt, er +een rieten steel aan vastgehecht, den kop met tabak gevuld en was bezig, met behulp van een <a id="d0e2098"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2098">110</a>]</span>stukje brandende steenkool, dat tegen de tabak gedrukt werd, wolken van geurigen rook uit te blazen. + +</p> +<p>Hij baadde zich in weelde en genot en de andere zeeroovers benijdden hem deze heerlijke ondeugd en besloten bij zichzelven, +zich haar eigen te maken. Een oogenblik later zeide Huck: + +</p> +<p>“Wat hebben zeeroovers te doen?” + +</p> +<p>“O,” zeide Tom, “zij leiden een woelig leventje: kapen schepen en verbranden die, stelen geld en begraven dat op geheimzinnige +plaatsen op hun eiland, waar het door geesten en spoken bewaakt wordt. Voorts vermoorden zij de geheele bemanning van het +schip.” + +</p> +<p>“En zij nemen de vrouwen met zich naar het eiland,” zeide Joe, “want vrouwen worden niet vermoord.” + +</p> +<p>“Neen,” antwoordde Tom toestemmend, “zij vermoorden geene vrouwen, daarvoor zijn zij te edelmoedig. En de vrouwen zijn altijd +mooi ook.” + +</p> +<p>“En dragen zij niet kleeren van beestenvellen?” + +</p> +<p>“Neen, toch niet,” antwoordde Joe vol geestdrift. “Geheel van goud, zilver en diamanten.” + +</p> +<p>“Wie?” vroeg Huck. + +</p> +<p>“Wel, de zeeroovers.” + +</p> +<p>Huck keek met een wanhopigen blik naar zijn eigen plunje. + +</p> +<p>“Ik geloof niet, dat ik geschikte kleeren voor een zeeroover heb,” zeide hij met een droevig pathos in zijne stem, “maar ik +heb geene andere dan deze.” + +</p> +<p>Doch Tom en Joe vertelden hem, dat de mooie kleeren spoedig zouden komen, wanneer zij op avonturen zouden zijn uitgegaan. +Zij gaven hem te verstaan, dat zijne lompen voldoende waren on te beginnen, ofschoon het bij rijke zeeroovers de gewoonte +was met eene behoorlijke garderobe van wal te steken. +<a id="d0e2124"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2124">111</a>]</span></p> +<p>Van lieverlede begon het gebabbel te verminderen en daalde de slaap op de oogleden der jeugdige vluchtelingen neer. De pijp +gleed de “Roode Hand” uit de vingers en hij sliep weldra den slaap des rechtvaardigen. De Schrik van den Oceaan en de Zwarte +Roover der Spaansche Zee sliepen niet zoo gemakkelijk in. Zij zeiden hun avondgebed zachtjes en liggend op, daar er niemand +was, die hen gebood te knielen en hen het luide deed uitspreken. Wel hadden zij veel lust het gebed achterwege te laten, doch +zij maakten zich bevreesd, dat zij, wanneer ze zoo goddeloos waren op eens een bliksemstraal van den hemel op hunne hoofden +zouden doen nederdalen. Juist toen zij in het rijk der droomen zouden gaan zweven, kwam een kwelgeest hen storen, die niet +wilde wijken. Deze was het geweten. Eerst achtervolgde hij hen met de beschuldiging dat zij weggeloopen waren en daarna met +het verwijt, dat zij vleesch gestolen hadden. Zij trachtten hem tot zwijgen te brengen, door hem te herinneren, dat zij toch +dikwijls koekjes en appels hadden weggenomen, doch hij liet zich door schoonschijnende redeneeringen niet afschepen. Hij wilde +over het onweerlegbaar feit niet heenstappen, dat lekkers wegnemen slechts “snoepen” was, terwijl het ontvreemden van spek, +ham en dergelijke, niets anders mocht heeten dan “stelen” en dat dit in den Bijbel verboden werd. Daarop besloten zij in hun +binnenste, om zoolang zij het door hen gekozen beroep uitoefenden, hunne zeerooverijen niet meer met de misdaad van stelen +te bezoedelen. Op die wijs werd er een wapenstilstand met het geweten gesloten en onze zeeroovertjes vielen gerust in slaap. + + +<a id="d0e2127"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2127">112</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e2128"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XIV.</h2> +<p>Toen Tom den volgenden ochtend wakker werd, begreep hij eerst niet waar hij was. Hij ging opzitten, wreef zich de oogen en +keek in ’t rond; toen vatte hij het. De ochtendschemering had haar koelen grauwen sluier uitgespreid en de aangrijpende kalmte +en stilte van het woud gaf een heerlijk gevoel van rust en vrede. Geen blad bewoog, geen geluid verstoorde de overdenkingen +der groote natuur. Diamanten dauwdroppels schitterden op de bladeren en het gras. Uit het met een laag witte asch bedekte +kampvuur steeg een dunne, blauwe rookwolk recht naar boven. Joe en Huck lagen nog te slapen. Daar deed ver achter in de bosschen +een vogel zijne roepstem hooren, die dadelijk door anderen beantwoord werd, en te gelijk vernam men het gehamer van den boomspecht. +Langzamerhand ging de grijze morgendamp in een witten nevel over en werd het minder koud. Van lieverlede vermenigvuldigden +zich ook de geluiden en openbaarde zich het leven. De wonderbare natuur schudde den slaap af en ontplooide zich voor de oogen +van den peinzenden knaap. Een klein, groen wormpje kroop over een bedauwd blad, hief bij wijlen twee derden van zijn lichaam +op, snuffelde in alle hoekjes en gaatjes en ging toen weder voort. Volgens Tom was dat wormpje bezig opmetingen te doen. Toen +het eindelijk uit eigen beweging naar hem toe kwam, bleef de knaap doodstil zitten en al naarmate het beestje hem naderde +of een anderen weg scheen te willen nemen, klom of daalde zijn hoop. Eindelijk bleef het gedurende eenige voor den knaap angstige +oogenblikken, het kopje onbeweeglijk opwaarts gericht houden en zette zich ten slotte <a id="d0e2133"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2133">113</a>]</span>op Toms been neder, over het lichaam van den knaap een reis te maken. Dat deed hem het hart van vreugde opspringen, want het +beduidde, dat hij een nieuw pak zou krijgen,—zonder eenigen twijfel een zeerooversuniform. + +</p> +<p>Daarop verscheen er zonder dat men zeggen kon van waar, een optocht van mieren, die haar dagtaak aanvingen. Een van haar sleepte +moedig een doode spin, vijfmaal grooter dan zij zelve, tusschen hare pooten voort en zette die op een boomstam. Een bruin +gespikkeld Onze-Lieven-Heersbeestje beklom de duizelingwekkende hoogte van een grasscheut en Tom boog zich over het diertje +been en zeide: + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">“Lieven-Heershaantje, Lieven-Heershaantje, vlucht heen, vlucht heen; +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Uw huis staat in brand, uwe kinderen zijn alleen.”</span></p> +</div> +</div> +<p>En het diertje sloeg de vleugeltjes uit en vloog weg om te zien of de knaap waarheid sprak, waarover deze zich in ’t minst +niet verbaasde. Immers hij wist vanouds, dat dit insect lichtgeloovig was op ’t punt van brand en hij had menigmaal de onnoozelheid +van ’t beestje verschalkt. Toen kwam er een steenmot, die traag zijn rond lichaam medesleepte en Tom raakte het diertje aan +om het met opgetrokken pooten te zien ineenrollen en te doen alsof het dood was. + +</p> +<p>De vogels waren intusschen druk aan het zingen en kweelen gegaan. Een spotvogel zette zich op een boom boven Toms hoofd neder +en bootste, dol van pret, met trillende stem, de geluiden na der andere vogels. Toen streek een schrille meerkol, als een +blauwe vlam, naar omlaag en ging op een tak zitten, bijkans binnen het bereik van den knaap. Hij hield zijn kopje op zijde +en keek de vreemdelingen verbaasd en nieuwsgierig aan. Een grijze eekhoorn en een groote vos sprongen om hem <a id="d0e2146"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2146">114</a>]</span>heen en gingen af en toe opzitten, on hem te bekijken en op hun manier tegen hem te praten. Deze bewoners der wildernis toch +hadden blijkbaar nooit te voren een menschelijk wezen gezien en wisten nauwelijks of zij er bang voor moesten zijn of niet. +De geheele natuur was klaar wakker en in beweging; lange zonnestralen schoten door het dichte loover en enkele kapellen verschenen +fladderend op het tooneel. + +</p> +<p>Tom schudde de andere zeeroovers wakker; juichend sprongen zij op en binnen een paar minuten hadden de drie knapen hunne kleeren +uitgegooid en speelden zij “krijgertje” en “haasjeover” in het ondiepe, heldere water bij de witte zandbank. Zij dachten niet +meer aan het stadje, dat daar achter de majestueuze watervlakte lag te slapen. Een wisselzieke vloed of eene lichte wassing +der rivier had hun vlot medegenomen, doch dit maakte hen niet bezorgd. Integendeel zij verheugden zich er over, want het was +hun alsof daarmede de band die hen nog aan de beschaafde wereld hechtte, voorgoed was verbroken. + +</p> +<p>Toen keerden zij verfrischt, vroolijk en verrukt naar hun kamp terug en weldra spreidde het opgerakelde vuur lustig zijne +vlammen in ’t rond. Huck ontdekte in de buurt een bron van helder, koud water en de jongens vervaardigde kopjes uit groote +eiken en walnoten bladeren en maakten de opmerking dat water, gedronken in zulk een woest oord en onder zulke romantische +omstandigheden, een uitmuntend surrogaat voor koffie is. Toen Joe het mes in de zijde spek wilde zetten, om reepjes voor het +ontbijt te snijden, werd hij door de andere verzocht daarmede eenige minuten te wachten, daar zij een veelbelovend plekje +in de rivier ontdekt hadden om te visschen. Bijna onmiddellijk daarop, eer Joe nog ongeduldig kon <a id="d0e2152"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2152">115</a>]</span>worden, kwamen zij terug met een stuk of wat mooie forellen en een paar baarsjes, voorraad genoeg, meende ze, voor een geheel +huisgezin. De visch werd dadelijk met spekvet gebakken, en nooit scheen ze zoo lekker te hebben gesmaakt. Zij wisten niet +dat zoetwatervisch altijd ’t best smaakt, wanneer zij, dadelijk nadat zij is gevangen, gekookt of gebakken wordt, en dat slapen +in de open lucht, baden en ferme honger de beste saus bij den maaltijd is. Na het ontbijt zochten zij een schaduwrijk plekje +op, waar zij zich nederlegden, terwijl Huck zijn pijpje rookte, en toen de vermoeidheid geweken was, gingen zij het bosch +in, op een verkenningstocht. Zij wandelden vroolijk voort over stukken vermolmd hout, door dichte kreupelbosschen en onder +reusachtige woudkoningen van wier kruin tot op den grond, sierlijke kransen van wilde-wijngaardloof afhingen; terwijl zij +nu en dan verrast werden door allerliefste open plekjes bedekt met een grastapijt en met schitterende bloemen bezaaid. Zij +vonden eene menigte zaken, die hen in verrukking brachten, doch niets dat hen bepaald verbaasde. Om het uur namen zij een +zwembad en tegen het midden van den dag keerden zij weder naar het kamp terug. Zij waren te hongerig om zich den tijd tot +visschen te gunnen, doch niet te hongerig om zich met een maal van koude ham te vergenoegen en vlijden zich daarna op een +schaduwrijke plaats neder on wat te babbelen. Hun praatlust begon echter alras te kwijnen en verdween weldra geheel. De plechtige +stilte van het woud en de doodelijke eenzaamheid gingen haar invloed op hen uitoefenen. Zij raakten aan ’t mijmeren. Een onbestemde +lusteloosheid overviel hen, die gaandeweg een bepaalden vorm aannam, namelijk het pijnigend heimwee. Zelf Finn met de Roode +Hand droomde van zijne stoepen en leege <a id="d0e2154"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2154">116</a>]</span>vaten. Doch zij schaamden zich over hunne kinderachtigheid, en niemand had den moed zijne gedachten uit te spreken. Reeds +gedurig hadden zij gemeend in de verte een vreemdsoortig geluid te hooren, iets als het verwijderd tikken van een klok. Maar +nu werd dat geluid sterker en trok het bepaald de aandacht. De jongens voelden zich niet op hun gemak, keken elkaar aan en +gingen zitten luisteren. Eerst hoorden ze niets meer en daarna een dof gerommel als van naderenden donder. + +</p> +<p>“Wat is dat?” riep Joe angstig uit. + +</p> +<p>“Ja, wat zou dat kunnen wezen!” fluisterde Tom. + +</p> +<p>”’t Is geen donder,” zeide Huckleberry, op allesbehalve gerusten toon, “want donder....” + +</p> +<p>“Stil,” zeide Tom “luister en spreek geen woord.<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>Zij wachtten eenige oogenblikken, die een eeuw schenen en toen werd de plechtige stilte weder door het doffe gerommel verstoord. + +</p> +<p>“Laat ons hoogte gaan nemen!” + +</p> +<p>Zij sprongen op, ijlden naar den oever, kropen onder het kreupelhout door en staarden over de breede watervlakte. Daar zagen +zij de kleine stoomveerboot, zoo wat een uur van de stad op en neder varen. Het dek scheen zwart van menschen. Een aantal +schuitjes en roeibootjes dreven om en bij de veerboot, doch de knapen konden niet zien wat de mannen, die er in zaten, uitvoerden. +Plotseling rees een wolk van witten rook uit de boot op, voorafgegaan door een harden knal en daarop liet zich het doffe gerommel +weder hooren. + +</p> +<p>“Ik weet het!” riep Tom uit, “er is iemand verdronken!” + +</p> +<p>“Daar heb je het,” zeide Huck; “dat hebben ze van den zomer ook gedaan, toen Bill Tanner verdronken is. Toen schoten zij ook +een kanon op het water af, omdat <a id="d0e2177"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2177">117</a>]</span>dan het lijk gewoonlijk komt bovendrijven. Ja, en soms nemen zij brooden en doen daar kwikzilver in en laten ze dan drijven, +en die brooden dobberen naar den persoon die verdronken is toe en houden daar stil.” + +</p> +<p>“Daar heb ik ook wel van gehoord,” zeide Joe, “maar ik zou wel eens willen weten, hoe het brood dan blijft stilstaan.” + +</p> +<p>“O,” zeide Tom, “dat ligt niet zoozeer aan het brood, als wel aan de woorden, die er bij gesproken worden, eer zij het te +water laten.” + +</p> +<p>“Maar zij zeggen er niets bij,” zeide Huck. “Ik zelf ben er bij geweest, toen zij het deden, en zij spraken geen woord.” + +</p> +<p>“Wel, dat is grappig,” zeide Tom. “Maar het is toch zeker, dat zij er iets bij denken. Dat spreekt vanzelf, dat weet iedereen.” + +</p> +<p>De andere jongens stemden toe, dat voor die bewering van Tom veel te zeggen was, omdat een redelooze klomp brood, die niet +in tooverformulieren onderricht was, niet verwacht kon worden, als een met rede begaafd wezen te handelen, wanneer hij zulk +een ernstig werk te verrichten had. + +</p> +<p>“Sapperloot, ik wou dat ik er bij was,” zeide Joe. + +</p> +<p>“Ik ook,” zeide Huck; “en ik zou goud geven, als ik wist wie het is.” + +</p> +<p>De knapen bleven luisteren en de boot bespieden. Op eens kreeg Tom eene ingeving en riep uit: + +</p> +<p>“Jongens, ik weet al wie er verdronken is! Wij zijn het.” + +</p> +<p>In een oogenblik waren zij helden geworden. Zij hadden een schitterende zege behaald, want zij werden gemist en betreurd. +Harten waren om hunnentwil gebroken, tranen over hen geschreid, gewetens aan het knagen gebracht en verdriet en berouw gevoeld. +En wat nog het heerlijkste <a id="d0e2199"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2199">118</a>]</span>was van alles, zij waren het onderwerp van gesprek van de gansche stad en werden dientengevolge door al de jongens benijd. +Dit was verrukkelijk. Nu was het toch wel de moeite waard om zeeroover te worden. + +</p> +<p>Tegen licht en donker voer de veerboot naar hare gewone ankerplaats terug en verdwenen de schuitjes. De zeeroovers keerden +weder naar hun kamp en jubelden van vreugde over hunne fonkelnieuwe grootheid en de onrust, die zij hadden doen ontstaan. +Er werd weder visch gevangen en gebakken, en toen deze verorberd was, ging men zich in gissingen verdiepen, omtrent de geruchten, +die er te St. Petersburg over hen zouden verspreid worden; en de schilderijen, die zij over den algemeenen rouw ophingen, +gaven van hun standpunt gezien, reden tot tevredenheid. Doch naarmate de schaduwen van den nacht hen bedekten, werden de knapen +stiller en zij eindigden met in het vuur te staren, terwijl hunne gedachten blijkbaar elders verwijlden. De opgewondenheid +was voorbij en Tom en Joe konden het denkbeeld niet verzetten, dat er te huis personen waren, die niet zooveel plezier in +deze grap hadden als zij. Zij begonnen zich angstig te maken en ongelukkig te gevoelen en onverhoeds ontsnapte hun een paar +malen een zware zucht. Eindelijk waagde Joe het, beschroomd te vragen, wat de anderen er van zouden denken, als zij weder +tot de beschaving terugkeerden,—nu niet—maar... + +</p> +<p>Tom beantwoordde die vraag met een spotlach en Huck, die hoogst vrijheidlievend was, hield zich bij Tom en de weifelaar palmde +dadelijk in, zeggende, dat hij er niets van gemeend had en dat men volstrekt niet moest denken, dat hij naar huis verlangde. +Het oproer was alzoo voor het oogenblik gedempt. + +</p> +<p>Bij het vallen van den avond begon Huck te dommelen <a id="d0e2207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2207">119</a>]</span>en was kort daarna aan ’t snorken. Joe volgde zijn voorbeeld. Tom bleef onbeweeglijk op zijne armen liggen en staarde hem +eenige oogenblikken strak aan. Eindelijk stond hij voorzichtig op en ging bij den weerschijn van het flikkerend kampvuur aan +het zoeken in het gras. Hij raapte eenige stukjes van den witten bast van een vijgeboom op en koos er twee, die hem naar den +zin schenen te zijn. Toen knielde hij bij het vuur neder en schreef met moeite, met een stukje roodkrijt, iets op elk van +die beide. Daarna rolde hij er een op, stak dat in den zak van zijn buis en legde het andere in den hoed van Joe, dien hij +vlak bij den eigenaar neerzette. Verder vulde hij den hoed met eenige schooljongensschatten van schier onmetelijke waarde, +als een stuk wit krijt, een gomlastieken bal, drie vischhaken en een zoogenaamden “echten glazen knikker.” Vervolgens sloop +hij behoedzaam op de teenen tusschen de boomen weg, totdat hij buiten het gehoor was en liep toen zoo gauw als zijne beenen +hem dragen konden, in de richting van de zandbank voort. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e2209"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XV.</h2> +<p>Eenige oogenblikken later was Tom in de ondiepe rivier verdwenen. + +</p> +<p>Eer hij met het halve lijf onder water was, had hij reeds de helft van den weg afgelegd. Daar de stroom hem nu niet langer +veroorloofde te waden, sloeg hij moedig armen en beenen uit, om de overschietende honderd el door te zwemmen. Hij zwom zooveel +mogelijk met den stroom mede, doch werd gedurig met meer kracht teruggedreven <a id="d0e2216"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2216">120</a>]</span>dan hij verwacht had. Toch bereikte hij eindelijk den oever en liet zich langs den kant voortdrijven, totdat hij een geschikt +plekje vond om te landen. Aan wal gekomen, bevoelde hij eerst zijn borstzak on zich te overtuigen, dat de boomschors nog op +hare plaats zat, en toen maakte hij zich met zijne druipnatte kleederen, steeds den oever volgend, door de bosschen voort. +Even voor tien uren, kwam hij aan een open plek tegenover de stad en zag de veerboot in de schaduw der boomen bij den hoogen +dijk liggen. Alles onder de flikkerende sterren was rustig. Tom kroop den dijk af, loerde naar alle kanten, liet zich in het +water glijden en zwom met drie of vier slagen naar het bootje toe, dat sleepdienst deed bij de veerboot. Hij klom er in, ging +onder de roeibank liggen en wachtte met een kloppend hart. Spoedig werd de oude bel geluid en eene stem gaf bevel om het anker +te lichten. Een minuut of wat daarna werd de voorsteven van het schuitje door de golven, die de boot deed ontstaan, omhooggeheven +en de reis nam een aanvang. Tom was zeer in zijn schik, dat hij nog juist bijtijds was gekomen: immers hij wist, dat de boot +dien dag voor de laatste maal dienst deed. + +</p> +<p>Na tien of twaalf minuten stopte de boot, waarop Tom overboord stapte en in de duisternis naar den oever kroop. Hij ging echter +voorzichtigheidshalve omstreeks vijftien el beneden het vaarwater aan wal, ten einde het gevaar van ontdekt te worden te ontkomen. +Toen sloop hij voort, langs weinig bezochte stegen en straten, totdat hij voor de schutting aan den achterkant van tantes +huis stond. Na deze te zijn overgeklauterd, stapte hij voort tot aan den elzeboom en tuurde naar binnen door het raam van +de zitkamer, waar een licht brandde. + +</p> +<p>Daar zaten tante Polly, Sid, Marie en de moeder van <a id="d0e2222"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2222">121</a>]</span>Joe bij elkander. Zij hadden zich rondom de tafel geschaard en het bed stond vlak bij den ingang. Tom stapte behoedzaam naar +de deur, en lichtte voorzichtig de klink op; toen drukte hij zachtjes met zijne knie tegen de paneelen en de deur week met +een licht gekraak. Hij ging voorzichtig met duwen voort, telkens bevende, wanneer hij gerucht maakte, totdat hij dacht dat +hij er zich op de knieën wel door zou kunnen persen. Reeds was zijn hoofd in de kamer, toen hij tante Polly hoorde zeggen: + +</p> +<p>“Hoe zou de kaars zoo waaien? Ik geloof waarempel, dat de deur openstaat. Wel, al zijn leven! De wonderen staan niet stil. +Kom, Sid ga haar sluiten.” + +</p> +<p>Tom verdween van pas onder het bed. Hij bleef een oogenblik stil liggen om adem te scheppen en kroop toen zoover naar voren, +dat hij bijkans tantes voet raakte. + +</p> +<p>“Maar, zooals ik zeide,” vervolgde tante Polly, “eigenlijk slecht was hij niet, alleen maar wat ondeugend, een beetje lichtzinnig +en wild, weet je. Het kind dacht geen kwaad en was de goedhartigste jongen van de wereld.” En zij begon te schreien. + +</p> +<p>“Precies zoo was ’t met mijn Joe: altijd vol jongensstreken en handig in allerlei kattekwaad,—maar hij was de onbaatzuchtigheid +en vriendelijkheid zelve. En, de hemel zij mij genadig—te moeten denken, dat ik hem zweepslagen gegeven heb, omdat hij room +gesnoept had, die ik zelve uit het raam heb geworpen, omdat ze zuur was geworden!—En dat ik hem nooit, nooit, nooit meer op +deze aarde zal terugzien,—die arme, miskende jongen!” + +</p> +<p>En juffrouw Harper snikte, alsof haar het hart zou breken. + +</p> +<p>“Ik hoop dat Tom in betere gewesten is,” zeide Sid; “doch als hij hier wat meer...” +<a id="d0e2236"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2236">122</a>]</span></p> +<p>“Sid!” + +</p> +<p>Tom voelde het fonkelen van tantes oog, ofschoon hij het niet zien kon. “Geen woord ten nadeele van Tom, nu hij is heengegaan. +God zal hem oordeelen, en gij behoeft u daarover niet moeilijk te maken, jongenheer.—Och, juffrouw Harper, ik kan hem niet +missen; ik weet niet, hoe ik het zonder hem stellen moet. Hij was mij zulk een troost, hoewel hij mijn arm hart ten bloede +toe kon plagen.” + +</p> +<p>“De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!” snikte juffrouw Harper. “Maar ’t is zoo hard, +o het is zoo hard! Verleden Zaterdag nog stak Joe vlak onder mijn neus een voetzoeker af en ik heb hem geslagen, totdat hij +op den grond lag te spartelen. Weinig dacht ik toen, hoe spoedig.... O, als het nog over te doen was, ik zou er hem voor aan +mijn hart drukken en zeggen....” + +</p> +<p>“Ja, ja, ja, ik begrijp volkomen wat gij voelen moet, juffrouw Harper: ik kan het mij best voorstellen. Gisterenmiddag liet +Tom mijn arme kat van zijn drankje nemen, en ik dacht dat mijn huis onderstboven zou keeren. En, God vergeve mij, ik kneep, +met mijn vingerhoed aan den vinger, het kind in zijn oor dat het kraakte. Mijn jongen, mijn arme, gestorven jongen! Doch hij +is nu uit zijn lijden. En de laatste woorden, die ik hem hoorde zeggen, waren een verwijt....” + +</p> +<p>De gedachte aan dit feit was te bitter voor de oude juffrouw en zij barstte in tranen uit. Tom voelde dat zijn oogen vochtig +werden, nog meer uit medelijden met zichzelven dan met de anderen. Hij kon Marie hooren snikken en nu en dan een vriendelijk +woordje over hem in het midden brengen. Meer dan ooit kreeg hij een hoogen dunk <a id="d0e2247"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2247">123</a>]</span>van zichzelven. Toch was hij zoo diep door de droefheid zijner tante geschokt, dat hij snakte om het bed uit te springen en +zich in hare armen te werpen,—doch hij bedwong zich en bleef liggen. + +</p> +<p>Al luisterend, ving hij bij stukken en brokken op, dat men eerst verondersteld had, dat de knapen met zwemmen verdronken waren: +toen was het kleine houtvlot vermist en was er door een paar jongens medegedeeld, dat de verloren knapen voorspeld hadden, +dat het stadje eerlang iets hooren zou. De wijzen van St. Petersburg hadden het een met het ander in verband gebracht en waren +tot het besluit gekomen, dat de knapen met het houtvlot van wal gestoken waren en bij de eerstvolgende stad aan wal gegaan +waren. Doch tegen den middag was het houtvlot aan den oever van de Missouri, eenige uren van de stad, teruggevonden en toen +was de hoop verdwenen. Zij moesten verdronken zijn, anders zou de honger hen bij het vallen van den nacht, zooal niet eerder, +naar huis hebben gejaagd. Men geloofde algemeen, dat het eene wanhopige zaak was naar de lijken te zoeken, daar de knapen +ongetwijfeld midden in de rivier verdronken waren. Anders immers zouden zij, die voor goede zwemmers bekend stonden, het wel +tot den oever hebben kunnen brengen. Deze dingen waren voorgevallen op Woensdag, en als de lijken vóór Zondag niet werden +gevonden, zou men de hoop opgeven en er dien morgen een lijkdienst gehouden worden. Deze laatste mededeeling deed Tom even +sidderen. + +</p> +<p>Tegen elf uren stond Juffrouw Harper snikkend op om heen te gaan, en door eene opwelling van wederzijdsch medelijden gedreven, +vlogen de beide van kinderen beroofde vrouwen elkander in de armen en namen daarna afscheid. + +</p> +<p>Tante Polly zeide Sid en Marie dien avond met een buitengewone <a id="d0e2255"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2255">124</a>]</span>hartelijkheid “goedennacht,<span class="corr" title="Bron: ">”</span> en Sid perste zich een paar tranen uit de oogen, terwijl Marie luid snikkend naar boven ging. Toen knielde de oude juffrouw +neder en bad voor Tom zóó vurig, zóó roerend en met zulk een oneindige liefde, en hare oude stem beefde zóó, dat eer de laatste +woorden van dat gesprek uitgesproken waren, Tom in een bad van tranen lag. Hij moest zich, nadat de arme vrouw naar bed was +gegaan, nog lang stilhouden, want zij bleef geruimen tijd wakker en gaf voortdurend in hartbrekende uitroepen aan hare droefheid +lucht. Eindelijk, na zich nu op de eene en dan op de andere zijde geworpen te hebben, was zij stil en kreunde alleen nog maar +een weinig in haar slaap. + +</p> +<p><span class="corr" title="Bron: “"></span>Nu kroop de knaap onder het bed uit, richtte zich langzaam op, hield zijne hand voor het nachtlicht en keek zijne tante aandachtig +aan. Diep medelijden met haar vervulde zijn hart. Hij haalde zijne vijgeboombast voor den dag en hield dien bij het licht. +Plotseling schoot hem iets grappigs te binnen, verhelderde zijn gelaat; haastig stak hij zijne boomschors weer op, boog zich +over tantes aangezicht heen en drukte een kus op hare bleeke lippen. Toen nam hij de terugreis aan en liet de deur in de klink +vallen. Hij vond, zonder door iemand ontdekt te worden, op den tast zijn weg naar het veerbootje terug en stapte moedig aan +boord. Immers hij wist, dat de boot onbemand was behalve misschien door den klepperman, die er altijd in kroop en doorgaans +als een os sliep. Hij maakte het schuitje van den voorsteven der boot los, sloop er in en roeide omzichtig stroomopwaarts. +Toen hij omstreeks een mijl had voortgeroeid, hield hij op eens schuins aan, begon te werken zoo hard als hij kon en bereikte +handig de overzijde. Hij had grooten lust om het bootje buit te <a id="d0e2263"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2263">125</a>]</span>maken, daar hij het schip als wettige zeerooversprooi beschouwde, doch hij begreep te gelijkertijd dat er overal naar gezocht +zou worden en dat eene ontdekking er het gevolg van kon zijn. Daarom stapte hij zonder buit aan wal en ging het bosch in. +Hij zette zich op den grond neder om uit te rusten, legde zich de marteling op van wakker te blijven en zocht eindelijk zijne +oude verblijfplaats weder op. De nacht was bijna voorbij en het was klaar dag, toen hij voor de zandbank stond. Daar hield +hij opnieuw halt en legde zich op den grond te slapen tot de zon aan den hemel stond en de groote rivier met haar glans verguldde. + +</p> +<p>Toen dompelde de knaap zich in den stroom en hield een oogenblik later bij den ingang van het kamp stil, juist toen Joe uitriep: + +</p> +<p>“Neen, Tom is een eerlijke jongen en hij zal terugkeeren. Hij zal ons niet verlaten. Hij is er te trotsch voor, want hij weet, +dat dit eene schande zou wezen voor een zeeroover. Zeker is hij op avonturen uit; het zal mij benieuwen wat hij nu weer heeft +uitgespookt.” + +</p> +<p>“Goed,” antwoordde Huck, “maar als hij niet op zijn tijd past, is zijn ontbijt voor ons.” + +</p> +<p>“Ja, als hij er niet is, maar dat is nog niet zeker. Er stond immers op de boomschors geschreven: <i>als</i> ik er niet ben, is het ontbijt voor ulieden.” + +</p> +<p>“Wie is die hij?” riep Tom met eene tooneelstem uit, terwijl hij met fiere houding het kamp binnenstapte. + +</p> +<p>Spoedig was er een weelderig ontbijt van spek en visch opgedischt, waaraan de knapen zich naar hartelust te goed deden. Onderwijl +vertelde Tom, met de noodige opsieringen, zijne avonturen van dien nacht. Toen het verhaal geëindigd was, werden zij drie +snoevende, grootsprekende helden. <a id="d0e2280"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2280">126</a>]</span>Na het ontbijt verschool Tom zich op een schaduwrijk plekje om te gaan slapen, en de beide andere zeeroovers gingen op de +vischvangst. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e2282"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XVI.</h2> +<p>Na het eten vertrokken de drie knapen naar de zandbank om schildpadeieren te zoeken. Zij stootten met stokken in het zand, +en wanneer zij eene weeke plek vonden, legden zij zich op de knieën en groeven haar met de handen uit. Somtijds haalden zij +vijftig of zestig eieren uit één gat. Het waren witte, bolronde eitjes, iets kleiner dan een walnoot. Dien avond hadden zij +een heerlijk maal van spiegeleieren, dat Vrijdagochtend nog eens herhaald werd. Na dat ontbijt van gebakken eieren, begaven +zij zich schreeuwend en jubelend naar de zandbank, speelden “krijgertje,” ontdeden zich onderweg van hunne kleederen en liepen +in Adams kostuum voort, totdat zij midden in het ondiepe water stonden. Daarna spongen zij tegen den steilen oever op, van +welken zij gedurig tot groote vermeerdering der pret afsukkelden. Nu en dan hielden zij bij elkaar stand en gooiden elkaar +met water, terwijl zij, on het kille nat te vermijden, elkander gedurig met afgewend gelaat naderden en eindigden met te grijpen +en te worstelen, totdat de sterkste zijn buurman onder water geduwd had en zij ten laatste allen in een warnet van witte armen +en beenen verdwenen, om spoedig daarop, blazend, spuwend, lachend en naar den adem hijgend, weder boven te komen. + +</p> +<p>Als de krachten hun begaven, spartelden zij naar het droge, heete zand en legden zich daarop neder, om er zich <a id="d0e2289"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2289">127</a>]</span>mede te bedekken. En dan sprongen zij langzamerhand weder naar het water en vertoonden dat spelletje voor de tweede maal. + +</p> +<p>Eindelijk viel het hun in, dat hunne huid sprekend op een vleeschkleurig tricot geleek; dientengevolge werd er in het zand +een cirkel getrokken en een paardenspel vertoond, met drie clowns, want geen hunner wilde die schitterende rol aan den anderen +afstaan. + +</p> +<p>Vervolgens werden de knikkers gehaald en werd er gestuit en gerold, totdat ook dat spel verveelde. Daarna gingen Joe en Huck +weder zwemmen, maar Tom durfde zich daaraan niet meer wagen, omdat hij bij het uittrekken van zijn broek, het palingvel van +zijne enkels gestroopt had en hij zich niet kon begrijpen, dat hij zonder dit geheimzinnig voorbehoedmiddel zoo lang aan de +kramp ontkomen was. Hij waagde zich niet weder, eer hij dien talisman teruggevonden had, en toen waren de andere jongens moede +en verlangden naar rust. Van lieverlede begonnen zij met loomen tred rond te dolen, werden zwaarmoedig en staarden verlangend +over de breede rivier, naar de plek, waar St. Petersburg zich in de zon lag te koesteren. Tom bemerkte, dat hij met zijn grooten +teen het woord “Becky” in het zand had geschreven. Hij wischte het uit en was boos op zichzelven om zijne zwakheid. Doch hij +schreef het niettemin nog eens, wischte het nogmaals uit en ontworstelde zich toen aan de verzoeking, door de andere jongens +op te halen en zich bij hen te voegen. + +</p> +<p>Maar de opgewektheid van Joe was voorbij en scheen niet terug te keeren. Hij had zulk een heimwee, dat hij het nauwelijks +meer uithouden kon. De tranen stonden hem in de oogen. Ook Huck was zwaarmoedig evenals Tom, doch de laatste durfde het niet +toonen. Hij droeg <a id="d0e2297"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2297">128</a>]</span>een geheim met zich om, dat hij niet gaarne wilde openbaren, doch waarmede hij, indien deze sombere, oproerige geest niet +werd gefnuikt, wel voor den dag zoude moeten komen. Daarom zeide hij, schijnbaar zeer opgewekt: + +</p> +<p>“Ik wed, dat vroeger op dit eiland ook zeeroovers zijn geweest. Zullen wij eens op verkenning uitgaan? Zij hebben zeker hier +of daar een schat begraven! Wat zou jelui hiervan zeggen, als je daar eens een verrotte kist vol goud en zilver voor je zaagt +liggen,—hé?” + +</p> +<p>Dit vooruitzicht echter wekte geen de minste opgewondenheid en er werd niet eens op geantwoord. Een paar andere verleidelijke +voorstellen vielen eveneens in het water. Dat was ontmoedigend. Joe keek mistroostig voor zich en krabbelde met zijn stok +in het zand. Eindelijk riep hij uit: + +</p> +<p>“O, jongens, laat ons het opgeven. Ik <i>moet</i> naar huis; ik voel mij zoo verlaten.” + +</p> +<p>“Kom, Joe dat zal langzamerhand wel beter worden,” zeide Tom. “Denk maar eens aan al de gelegenheden, die je hier hebt om +te visschen. + +</p> +<p>“Ik geef niet om visschen; ik verlang naar huis!” + +</p> +<p>“Maar, Joe, nergens is zoo’n zwemplaats als hier.” + +</p> +<p>“Wat kan mij het zwemmen schelen: ’t is alsof het mij verveelt, nu niemand het mij verbiedt. Ik wil naar huis!” + +</p> +<p>“O, hoe kinderachtig! Hij verlangt naar zijn moesje!” + +</p> +<p>“Ja, ik <i>verlang</i> naar moeder en dat zou jij ook doen, als je er een hadt. Ik ben niet kinderachtiger dan jij.” En Joe begon te schreien. + +</p> +<p>“Wel, dan zullen wij het schreeuwpoppetje maar naar huis laten gaan, niet waar Huck? Arme jongen! Hij verlangt naar moesje! +Nu, hij zal ook naar haar toe gaan. Jij vindt het prettig hier, hé, Huck? Wij zullen blijven, niet waar?” +<a id="d0e2325"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2325">129</a>]</span></p> +<p>Huck antwoordde: “Ja—a,” maar het ging niet van harte. + +</p> +<p>“Ik spreek van mijn leven niet meer tegen jelui,” zeide Joe en stond op. “Daar nu!” + +</p> +<p>En hij draaide de beide jongens den rug toe en ging zich verder aankleeden. + +</p> +<p>“Wie geeft wat om jou?” zeide Tom. “Niemand heeft je noodig. Ga maar naar huis on uitgelachen te worden. Jij bent een mooie +zeeroover. Huck en ik zijn geen schreeuwpoppetjes. Wij blijven, niet waar, Huck? Wij laten hem stilletjes trekken. Wij zullen +het wel zonder hem stellen.” + +</p> +<p>Maar Tom voelde zich allesbehalve prettig en was in ernst ongerust, toen hij Joe mismoedig zag voortgaan om zich te kleeden. +Buitendien was het onrustbarend te bemerken, dat Huck met belangstelling Joes toebereidselen gadesloeg en een onheilspellend +stilzwijgen in acht nam. Daar stapte Joe, zonder een woord tot afscheid, den kant op der zandbank. Het hart zonk Tom in de +schoenen. Hij keek naar Huck, en Huck, die hem niet durfde aanzien, sloeg de oogen neder en zeide: + +</p> +<p>“Ik verlang ook zoo, Tom; ik heb mij hier nog meer verlaten gevoeld dat overal elders en nu zal het nog erger worden. Kom, +Tom, laten wij ook gaan.” + +</p> +<p>“Dank je wel; jelui kunt allebei gaan, als je verkiest. Ik denk te blijven.” + +</p> +<p>“Tom, ik wou liever gaan.” + +</p> +<p>“Nu, ga dan! Wie belet je?” + +</p> +<p>“Tom, ik wou, dat jij ook meegingt. Toe, denk er eens over. Wij zullen bij de zandbank op je wachten.” + +</p> +<p>“Dan zul je verduiveld lang moeten wachten; dat is alles wat ik je te zeggen heb.” +<a id="d0e2348"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2348">130</a>]</span></p> +<p>Huck ging verdrietig heen en Tom stond hem na te oogen, brandende van verlangen om hem te volgen en toch te trotsch om dat +te doen. Hij hoopte dat de jongens zouden omkeeren, doch zij waren al uit het gezicht. Op eens voelde hij, dat het ontzettend +eenzaam en stil om hem heen was geworden. + +</p> +<p>Nog eenmaal worstelde hij met zijn hooghartig gemoed, ijlde zijne makkers achterna en gilde: + +</p> +<p>“Wacht! wacht! Ik moet je wat vertellen!” + +</p> +<p>Dadelijk hielden zij stil en keerden zich om. + +</p> +<p>Toen hij hen had ingehaald, deelde hij hun een plannetje mede. Eerst hoorden zij hem gemelijk aan, maar toen zij eindelijk +het punt ontdekten waar hij hen hebben wilde, werd zijn plan met een luid “hoera” begroet, een prachtig denkbeeld genoemd +en werd er verklaard, dat, als hij het dadelijk had medegedeeld, zij niet aan naar huis gaan gedacht zouden hebben. + +</p> +<p>Tom maakte over zijne terughoudendheid eenige schoonschijnende verontschuldigingen; de ware reden daarvan echter was de vrees, +dat zelfs dit geheim niet langer in staat mocht zijn hen nog te doen blijven, en hij had het daarom als het laatste noodschot +bewaard. + +</p> +<p>De knapen keerden vroolijk terug en gingen met opgewekt gemoed weder aan het spelen, niet uitgepraat over het heerlijke denkbeeld +van Tom en vol bewondering over zijn vernuft. Na een smakelijk maal van eieren en visch verklaarde Tom, dat hij lust had on +te rooken. Joe vond dit een voortreffelijke inval en zeide, dat hij het ook eens wilde probeeren. Huck maakte pijpjes en stopte +die. Onze nieuwelingen hadden nooit iets anders gerookt dan stroo-sigaren, doch dat waren “flauwe dingen,” te kinderachtig +on meegeteld te worden. +<a id="d0e2363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2363">131</a>]</span></p> +<p>Nu strekten zij zich op het mos uit, leunden welbehaaglijk op hunne ellebogen en begonnen dapper te blazen. De tabak was lang +niet lekker en maakte hen een beetje draaierig; doch Tom zeide: + +</p> +<p>“Nu, dat is gemakkelijk. Had ik geweten, dat er zoo weinig aan was, dan had ik het al lang geleerd.” + +</p> +<p>“Ik ook,” zeide Joe; “het beduidt niets.” + +</p> +<p>“Hoe menig keer,” zeide Tom, “heb ik rookers aangekeken en gedacht: ‘Hè, ik wenschte dat ik het kon,’ en dan hield ik het +er voor, dat ik het nooit zou kunnen leeren. Heb ik dat niet gezegd, Huck? Heb jij het mij niet hooren zeggen, Huck? Laat +Huck zeggen, of het niet waar is.” + +</p> +<p>“Ja, wel twintigmaal,” zeide Huck. + +</p> +<p>“Neen,” zeide Tom, “wel honderdmaal. Eens nog, toen wij bij het slachthuis stonden. Herinner jij je dat niet, Huck? Bob Tanner +was er ook bij en Johan Hatcher en Jeff Hatcher. Weet je niet meer, Huck, dat ik het zeide?” + +</p> +<p>“Ja, zeker,” antwoordde Huck. “’t Was op denzelfden dag, waarop ik mijn albasten knikker verloor;—neen, ’t was den dag te +voren.” + +</p> +<p>“Heb ik het je niet gezegd?” zeide Tom. “Huck herinnert het zich nog.” + +</p> +<p>“Ik geloof, dat ik den geheelen dag wel pijpen zou kunnen rooken. Ik ben niets misselijk.” + +</p> +<p>“Ik ook niet,” zeide Tom. “Ik zou wel van den morgen tot den avond kunnen rooken, maar ik wed, dat Jeff Hatcher het niet zou +kunnen.” + +</p> +<p>“Jeff Hatcher! Wel, hij zou bij den tweeden trek al katterig worden. Laat hij het maar eens wagen, dan zul je wat zien!” + +</p> +<p>“Ik geloof het ook.—En Johnny Miller... Ik zou Johnny Miller wel eens met een pijp willen zien!” +<a id="d0e2388"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2388">132</a>]</span></p> +<p>“En ik!<span class="corr" title="Bron: ">”</span> zeide Joe. “Ik ben zeker, dat Johnny Miller geen trekje kan doen. Als hij maar één pijpje rookt, zou hij al ziek worden.” + +</p> +<p>“Dat zou hij zeker, Joe.—Zeg, ik wou dat de jongens ons nu eens konden zien.” + +</p> +<p>“Ik ook.” + +</p> +<p>“Zeg, jongens,” zeide Tom, “we moeten er niet van vertellen, en als we dan weder eens bij elkaar zijn, dan zal ik op je afkomen +en zeggen: ‘Joe, kom geef mij een pijp; ik wou eens rooken,’ en dan moet jij zeggen, zoo onverschillig mogelijk, alsof het +niets was: ‘Goed, ik heb mijn oude pijp en ook nog een andere, maar mijn tabak deugt niet.’ En dan zal ik weer zeggen: ‘O, +dat doet er niet toe, als ze maar <i>zwaar</i> is.’ En dan moet jij met de pijpen voor den dag komen en wij zullen ze kalmpjes opsteken—en dan zul je ze eens zien kijken.” + +</p> +<p>“Waaratje, dat zal grappig zijn, Tom; ik wou, dat het nu al zoo ver was!” + +</p> +<p>“Ik ook. En wanneer wij hun vertellen, dat we het geleerd hebben toen we zeeroovers waren, zouden zij dan niet willen dat +zij er bij geweest waren?” + +</p> +<p>“Neen, dat geloof ik niet; maar wij zullen er om wedden.” + +</p> +<p>Dus ongeveer liep het gesprek der knapen. Langzamerhand echter begon het een weinig te verflauwen en wilde het niet meer vlotten. +De gapingen tusschen het eene onderwerp en het andere werden grooter en het spuwen verbazingwekkend. Elke porie in de wangen +der knapen werd een spuitende fontein en zij konden de kelders onder hun tong niet schielijk genoeg uitscheppen on eene overstrooming +te voorkomen. Er kwamen tegen wil en dank kleine opwellingen in hun keel, die gevolgd werden door aanvallen van misselijkheid. +De beide knapen zagen er bleek en akelig uit. <a id="d0e2411"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2411">133</a>]</span>Eindelijk viel Joes pijp hem uit de krachtelooze vingers. Daarop volgde die van Tom. De beide fonteinen sprongen met onstuimige +woede en de beide pompen werden met kracht en geweld uitgeschept. Joe zeide flauwtjes: + +</p> +<p>“Ik heb mijn mes verloren, ik ga het eventjes opzoeken.” + +</p> +<p>Tom zeide met bevende lippen en ingehouden adem: + +</p> +<p>“Ik zal je helpen. Ga jij dezen kant, dan loop ik langs de bron.—Neen, je behoeft niet mede te gaan, Huck;—wij zullen het +wel vinden.” + +</p> +<p>Huck ging weer zitten en wachtte een uur. Toen begon hij zich te vervelen en ging zijne kameraden zoeken. Zij lagen ver van +elkander, diep in het woud, beiden zeer bleek en vast in slaap. Maar uit een waarneming, welke hij deed, bleek hem dat zij, +van hetgeen hen hinderde, verlost waren. + +</p> +<p>Zij hadden dien avond aan het souper niet veel te vertellen en zagen verlegen voor zich. Toen Huck na het avondeten zijn pijp +voor den dag haalde en er ook een voor hen wilde klaarmaken, bedankten zij en verklaarden dat zij zich niet wel voelden, omdat +iets, dat zij ’s middags gegeten hadden, hun nog in de maag zat. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e2423"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XVII.</h2> +<p>Tegen middernacht werd Joe wakker en riep de jongens. <span class="corr" title="Bron: En">Er</span> was eene drukkende benauwheid in de lucht, die weersverandering scheen te voorspellen. De knapen schoten haastig hunne kleeren +aan en schaarden zich voor de gezelligheid om een vriendelijk vuurtje, niettegenstaande men in den snikheeten, door geen enkel +koeltje bewogen <a id="d0e2431"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2431">134</a>]</span>dampkring dreigde te stikken. Zij bleven stil, in gespannen verwachting, om het vuur zitten. Een pikzwarte duisternis, slechts +afgewisseld door het schijnsel van het vuur lag over het landschap uitgespreid. Daar verlichtte eensklaps, voor een oogenblik, +een flikkerende lichtstraal het donker geboomte. Een tweede volgde, iets heller daarna een derde. Toen werd er een zacht gesuis +door het woud gehoord en een nauw merkbaar tochtje verkoelde de wangen der sidderende knapen, die zich verbeeldden, dat de +Geest van den Nacht hun was voorbijgegaan. Daarop werd het weder bladstil. Maar op eens veranderde een onheilspellende bliksemstraal +den nacht in zóó helderen dag, dat elk grasscheutje op den bodem, het kleinste zelfs, duidelijk zichtbaar werd—en tevens drie +bleeke, verschrikte gezichten te zien kwamen. Een zware donderslag rolde door de lucht en verloor zich in de verte in een +dof gerommel. Een kille windvlaag streek hun langs het hoofd, schudde al de bladeren en joeg de asch on het vuur in groote +vlokken naar omhoog. Opnieuw zette een geweldige bliksemstraal het woud als in vuur en onmiddellijk daarna knalde een donderslag, +die de boomtoppen boven het hoofd der kinderen scheen te splijten. Doodelijk ontsteld klemden zij zich in de dikke duisternis, +die thans alles weder omhulde, aan elkaar vast. Enkele dikke regendroppels kletterden op de bladeren. + +</p> +<p>“Gauw, jongens, naar de tent!” riep Tom uit. + +</p> +<p>Zij spoedden zich weg en stommelden over wortels en door wijngaardranken voort. Een weldoende rukwind loeide door het bosch. +Bliksemstraal volgde op bliksemstraal en ratelslag op ratelslag. En nu stroomde de regen naar beneden en de razende orkaan +dreef dien in breede golven over den grond. De knapen schreeuwden luid tegen elkaar <a id="d0e2437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2437">135</a>]</span>doch de bulderende storm en de rommelende donder overstemden hun geroep. Eindelijk bereikten zij de tent, waaronder zij koud, +verschrikt en druipende van het water eene schuilplaats zochten, dankbaar dat zij in hunne ellende lotgenooten hadden in elkander. +Zich aan elkaar verstaanbaar maken konden zij, al hadden andere geluiden zulks niet verhinderd, niet, door het woedend klepperen +van het oude zeil. De storm verhief zich meer en meer, en weldra rukte het zeil zich van zijne banden los en ijlde voort op +de vleugelen van den wind. De knapen grepen elkaar bij de hand en vluchtten onder het schutsdak van den grooten eik, aan den +kant der rivier. Nu had de strijd zijn toppunt van heftigheid bereikt en bij den onafgebroken gloed van het in de lucht vlammend +bliksemvuur teekende zich alles daarbeneden akelig scherp af. + +</p> +<p>De zwiepende boomen, de kokende rivier met hare witte golven, de schuimvlokken die haar als met een sprei overdekten, de donkere +omtrekken van den hoogen oever aan den overkant en daarboven de jagende wolken en de schuin neervallende regen. Telkens gaf +een reusachtige boom den strijd op en viel krakend over het jongere gewas; en de onvermoeide donderslagen barstten onafgebroken, +met een oorverdoovend, alles doordringend, onuitsprekelijk schrikwekkend geraas, in knallen los. De storm spande met eene +uiterste poging al zijne krachten in om het eiland stuk te slaan, in vlam te zetten, onder water te dompelen, tot aan de kruinen +der boomen toe, en alle schepselen die er op huisden te vernietigen. Het was een vreeselijke nacht om onder den blooten hemel +door te brengen. + +</p> +<p>Maar eindelijk was de strijd volstreden; de legermachten trokken onder steeds zwakker dreigen en rommelen af en de vrede nam +de teugels van het bewind weder in handen. <a id="d0e2443"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2443">136</a>]</span>De knapen gingen vol angst naar hun kamp terug en bemerkten, dat zij nog reden tot dankbaarheid hadden, want de groote vijgeboom, +onder welken zij des nachts hadden gerust, was door den bliksem vernield en aan splinters geslagen. + +</p> +<p>Het geheele kamp was doorweekt en het kampvuur daarbij, want onze onbedachtzame knaapjes hadden geene voorzorgen tegen den +regen genomen. Stof genoeg om moedeloos te zijn: immers zij waren nat tot op het hemd en beefden van koude. Al pratende over +hun ongeval ontdekten zij, dat het vuur onder het groote blok hout, waartegen het aangelegd was, zoo ver had voortgewoekerd, +dat daar waar het blok zich opwaarts kromde en boven den grond verhief, slechts een handje vol hout was blijven smeulen. + +</p> +<p>Toen gingen zij ijverig aan het werk, on met boomschors en afval van droog hout, dat zij hier en daar opzamelden, de uitgedoofde +vlam aan te wakkeren, en nadat hun dit gelukt was legden zij er doode takken bovenop en hadden tot hunne groote vreugde weldra +weder een knappend vuurtje. Zij droogden hun gekookte ham, deden zich daaraan te goed, gingen daarna bij het vuur zitten en +wijdden tot aan den morgenstond uit over hun nachtelijk avontuur. + +</p> +<p>Toen de zon de knapen met hare stralen begon te beschijnen, werden zij slaperig en trokken naar de zandbank, waarop zij zich +ter ruste legden. Zij ontwaakten bijna geroosterd door de heete dagvorstin en zetten zich met droge kleeren aan hun ontbijt. +Doch daarna gevoelden zij zich onaangenaam stijf en begon het heimwee terug te komen. Tom bemerkte die kwade teekens en beurde +de zeeroovers op, zooveel als hij kon. Alles echter liet hen onverschillig, knikkers zoowel als het paardenspel en het <a id="d0e2451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2451">137</a>]</span>zwemmen. Hij bracht hun het afgesproken geheim te binnen en wist hierdoor een straaltje van opgewektheid in hun gemoed te +doen doorschemeren. Zoolang dat aanhield, boezemde hij hun belangstelling in voor een nieuw spel. Dit was: het zeerooverschap +er een poos aan te geven en voor de verandering Indianen te worden. Dit denkbeeld trok hen aan. Het duurde dan ook niet lang, +of zij hadden zich geheel ontkleed en van het hoofd tot de voeten met modderstrepen besmeerd. Als Zebra’s gingen zij woest +schreeuwend, door het woud, om eene Engelsche kolonie aan te vallen. + +</p> +<p>Van lieverlede scheidden zij zich in drie vijandelijke stammen en beschoten elkaar uit hinderlagen, onder vreeselijke strijdkreten +en moordden en scalpeerden elkander bij duizenden. Het was een bloedige dag en daarom zeer aangenaam. Tegen den avond verzamelden +zij zich hongerig en tevreden in hun kamp. Thans evenwel deed zich eene moeilijkheid voor:—vijandige Indianen konden te zamen +het brood der gastvrijheid niet breken, eer zij vrede gesloten hadden, en dit was bepaald onmogelijk zonder het rooken van +de vredepijp. Van eene andere wijze om een twist te beslechten hadden zij nooit gehoord. Twee der wilden wenschten bijna, +dat zij zeeroovers gebleven waren. Toch was er geen andere weg. Met gehuichelde vroolijkheid vroegen zij om eene pijp en dampten +zooals het behoort. En ziet, zij waren blijde dat zij wilden geworden waren, want zij hadden er iets bij gewonnen. Zij bemerkten +namelijk, dat zij een weinig konden rooken, zonder naar een verloren mes te behoeven te gaan zoeken. Natuurlijk werd er van +deze heerlijke ontdekking partij getrokken en werd er na het eten voorzichtig nog een pijpje aangestoken. Hun pogen werd met +een goeden uitslag bekroond en zoo <a id="d0e2455"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2455">138</a>]</span>brachten zij een verrukkelijken avond door. Zij waren trotsch er op en gelukkiger met het verworven talent, dan zij geweest +zouden zijn, indien zij de zes natiën gescalpeerd en afgestroopt hadden. + +</p> +<p>En hier zullen wij hen aan hun pijp en hun gezwets overlaten, daar wij voor het tegenwoordige niets met hen te maken hebben. + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e2459"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XVIII.</h2> +<p>Op dien stillen Zaterdag heerschte er in het stadje St. Petersburg ver van algemeene vroolijkheid. Juffrouw Harper en tante +Polly met de haren, zaten onder zuchten en tranen rouwkleeren te maken en de anders toch reeds stille straten waren als uitgestorven. +De bewoners gingen somber en zwijgend huns weegs en liepen elkaar, onder het slaken van zware zuchten, sprakeloos voorbij. +De kinderen waren verlegen met hun vrijen Zaterdagmiddag; hun hart was niet bij het spel en het was nog niet begonnen of het +was alweer gedaan. + +</p> +<p>In den namiddag zou men Becky Thatcher met een bezwaard gemoed langs het verlaten schoolgebouw hebben kunnen zien zwerven, +zonder iets of iemand te vinden on haar te troosten. Eindelijk sprak zij verdrietig tot zich zelve: + +</p> +<p>“Och, had ik toch zijn koperen knop maar! Helaas ik heb geen enkele gedachtenis, niets dat mij aan hem herinnert!” En de woorden +bleven haar in de keel steken. + +</p> +<p>Na een poos hernam zij: + +</p> +<p>“Het gebeurde juist op deze plek. O, als ik het over <a id="d0e2472"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2472">139</a>]</span>kon doen,—ik zou hem voor geen wereld zoo behandelen! Nu is hij heengegaan, en ik zal hem nooit, nooit meer terugzien!” + +</p> +<p>Dit denkbeeld maakte haar zoo van streek, dat, op den ganschen weg huiswaarts, haar de tranen langs de wangen biggelden. + +</p> +<p>Toen kwam er een troepje jongens en meisjes aan,—speelkameraden van Tom en Joe. Zij bleven voor het ijzeren hek staan kijken +en vertelden elkaar op eerbiedigen toon, wat Tom, de laatste maal dat zij hem gezien hadden, gedaan had en wat Joe gezegd +had, woorden waaraan zij toen niet gehecht hadden, maar die gebleken waren eene vreeselijke voorspelling te zijn. Sommigen +wezen de juiste plek aan, waar de ongelukkige knapen toen gestaan hadden en voegden er gedurig volzinnen bij als deze: “En +ik stond juist, juist, zooals ik nu sta,—en hij stond juist, waar jij nu staat—juist zoo dicht bij—en hij lachte precies zooals +ik nu doe—en toen ging mij een rilling door de leden: waarom, dat wist ik zelf niet, maar nu begrijp ik het.” + +</p> +<p>Daarop volgde een geschil over de vraag, wie de overledenen het laatst gezien had, en velen maakten aanspraak op de droevige +onderscheiding, terwijl zij hunne beweringen met meer of minder afdoende bewijzen staafden. En toen zij het er eindelijk over +eens waren, wie de gelukkige geweest was, kreeg deze eene plechtige voornaamheid en werd hij door al de anderen bewonderd +en benijd. Een klein jongentje in hun midden, dat zich toch ook gaarne op iets ten aanzien van Joe en Tom beroemen wilde, +zeide met den noodigen trots: + +</p> +<p>“Tom Sawyer heeft mij ook een pak slaag gegeven.” + +</p> +<p>Doch deze onderscheiding werd met te veel anderen <a id="d0e2484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2484">140</a>]</span>gedeeld, om aanspraak op haar naam te kunnen maken, en het kleine mannetje droop verlegen af. + +</p> +<p>Na nog eenigen tijd op fluisterenden toon over de daden der overleden helden gesproken te hebben, verspreidde zich de schare. + +</p> +<p>Toen den volgenden morgen de Zondagsschool uitging, begon de dood- in plaats van de gewone kerkklok te luiden. Het was een +rustige sabbatmorgen en het sombere gelui was volkomen in overeenstemming met de stille, kalme natuur. Uit alle straten en +stegen zag men menschen naar de kerk stroomen en de meesten bleven, voordat zij binnentraden, een oogenblik in het voorportaal +van het Godshuis staan, om met gedempte stem over het ongeval te spreken. In de kerk evenwel hield het gefluister op. Daar +werd geen geluid vernomen, behalve het geritsel der japonnen van de vrouwen die zich naar hare zitplaatsen begaven. Bij menschengeheugenis +was de kerk nooit zoo vol geweest. Toen iedereen gezeten was, volgde er een akelige pauze; want, zie, daar kwam tante Polly +binnen, gevolgd door Sid en Marie, en daarachter de familie Harper,—allen in diepen rouw gekleed. De geheele vergadering, +de predikant niet uitgezonderd, rees eerbiedig op en bleef staan, totdat de rouwdragers in de voorste bank hadden plaats genomen. +En nu volgde weder eene indrukwekkende stilte, afgebroken door een onderdrukt gesnik, dat eerst ophield, toen de predikant +zegenend zijne handen over de menigte uitspreidde en ging bidden. Op het gebed volgde een aandoenlijk, toepasselijk gezang +en vervolgens werd de tekst voorgelezen: “Ik ben de opstanding en het leven.” + +</p> +<p>In den loop zijner rede schilderde de predikant het beminnelijk karakter der veelbelovende jeugdige overledenen zóó aangrijpend +af, dat elk lid der vergaderde gemeente zich <a id="d0e2492"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2492">141</a>]</span>het hart voelde toeknijpen bij de gedachte aan zijne opzettelijke verblinding, die halsstarrig niets dan fouten en gebreken +in de arme knapen had willen ontdekken. Menig treffend voorval uit het leven der afgestorvenen bracht hij bij, waarin hunne +zachtheid en de adel van hun gemoed schitterend voor den dag kwamen. Duidelijk zag men thans in, dat de schijnbaar ondeugende +knapen in waarheid goed waren geweest, en men herinnerde zich met hartzeer, hoe men menige edele daad der beide kinderen als +booze streken had beschouwd, die men met een vracht zweepslagen had beloond. De vergadering werd hoe langer zoo meer bewogen, +al naarmate de redenaar zijne pathetische schetsen vervolgde, zoodat op het eind al de aanwezigen in tranen versmolten en +met de weenende rouwdragers een koor van zenuwachtig gesnik aanhieven. Zelfs de prediker was zijn gevoel niet langer meester +en zette zich bitter schreiende in den preekstoel neder. + +</p> +<p>Juist op dat oogenblik ontstond er een klein geritsel in het voorportaal, waarop toevallig niemand acht sloeg. Een oogenblik +later kraakte de kerkdeur, en de dominée nam den zakdoek van zijne betraande oogen weg, rees op en bleef, als van den donder +getroffen, in den preekstoel staan. Eerst volgde één en daarna eene tweede paar oogen de richting van des predikers blik, +en binnen eenige oogenblikken verhieven zich al de vergaderden van hunne zitplaatsen en staarden naar de deur, door welke +de drie doodgewaande knapen voorwaarts stapten;—Tom vooruit, toen Joe en verlegen in de achterhoede, de ongelukkige, in lompen +gehulde Huck. Zij hadden zich achter een pilaar schuilgehouden, om hun eigen lijkpredikatie te hooren. + +</p> +<p>Tante Polly, Marie en de Harpers wierpen zich op de hun teruggegeven kinderen, versmoorden hen bijna onder <a id="d0e2498"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2498">142</a>]</span>kussen en goten een stortvloed van dankgebeden over hun hoofd uit, terwijl Huck bedeesd in een hoek bleef staan, niet wetende +wat hij doen moest en hoe hij zich voor zoovele onwelkome oogen moest verbergen. Hij week zachtjes achteruit om af te druipen, +Maar Tom vatte hem bij den arm en zeide: + +</p> +<p>“Tante Polly, dat is niet mooi; er moest ook iemand verheugd zijn, dat Huck is teruggekomen.” + +</p> +<p>“En dat zal ook zoo zijn. Ik ben blijde hem te zien, dien ongelukkigen, moederloozen jongen!” En in hare verrukking ging de +oude juffrouw hem zoo hartelijk omhelzen, dat de arme knaap zich ten laatste niet meer wist te bergen van verlegenheid. + +</p> +<p>Plotseling riep de dominée met luider stem: + +</p> +<p>“Juich, aarde! juich alom den Heer!” + +</p> +<p>“Zing!—en doe het met geheel uw ziel!” + +</p> +<p>En dat deden zij.—En de tonen van den ouden honderdsten psalm klonken zegevierend door het eerwaarde kerkgebouw, en terwijl +zij de muren deden trillen, keek Tom Sawyer, de zeeroover, naar de hem benijdende jeugd en beleed in zijn hart, dat dit het +schoonste oogenblik zijns levens was. + +</p> +<p>Toen de “beetgenomen” kerkgangers uiteengingen, verklaarden zij, dat zij bijna wenschten nog eens zoo voor den gek gehouden +te worden, on het genot te smaken, den ouden honderdsten psalm zóó te hooren zingen. + +</p> +<p>Tom kreeg dien dag meer zoenen en klappen, al naar gelang van tantes veranderlijke gemoedsstemming, dan hem te voren in een +jaar waren toebedeeld. De oude juffrouw toch was zoo vervuld van dankbaarheid aan God en liefde voor haar neef, dat zij nauwelijks +wist of zij aan die gevoelens door kastijdingen dan wel door liefkozingen moest lucht geven. + + +<a id="d0e2516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2516">143</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e2517"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XIX.</h2> +<p>Dit nu was Toms groot geheim:—het plan om met zijne mede-zeeroovers naar huis terug te keeren, op het oogenblik dat de lijkdienst +over hen zou gehouden worden. Zij waren Zaterdag, tegen schemerdonker, op een blok hout de rivier afgezakt en vijf of zes +mijlen beneden het stadje aan land gegaan. Zij hadden in een bosch, in de nabijheid van St. Petersburg, geslapen en waren +bij het aanbreken van den dag door allerlei straatjes en steegjes gekropen, totdat zij de kerk bereikt hadden, waar zij te +midden van een chaos van vermolmde banken nog een uiltje hadden geknapt. + +</p> +<p>Den volgenden morgen na het ontbijt waren tante Polly en Marie buitengewoon hartelijk jegens Tom en voorkwamen zijne wenschen. +Het gesprek was bijzonder levendig en tante Polly zeide: + +</p> +<p>“Ik zal niet ontkennen, Tom, dat ik het nogal grappig van je vond, om de gansche stad eene week lang te laten treuren, terwijl +jelui pleizier maakten; maar ik kan mij niet begrijpen, hoe je zoo ongevoelig kondt zijn, om mij zoo lang in de benauwdheid +te laten. Als je op een blok hout de rivier kondt oversteken voor je lijkdienst, had je ook wel eens kunnen komen overvaren +om mij te verstaan te geven, dat je niet dood, doch alleen weggeloopen waart.” + +</p> +<p>“Ja, waarom heb je dat niet gedaan?” zeide Marie. “Ik geloof zeker, dat, als je er aan gedacht hadt, je wel even hier zoudt +gekomen zijn.” + +</p> +<p>“Zou je, Tom?” vroeg tante Polly, terwijl zij peinzend <a id="d0e2530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2530">144</a>]</span>haar gelaat tot hem ophief. “Zeg, zou je het gedaan hebben, als je er aan gedacht hadt?” + +</p> +<p>“Ik... wel, ik weet het niet. Het zou alles bedorven hebben.” + +</p> +<p>“Tom, ik dacht dat je ten minste zooveel van mij hieldt, om dat voor mij over te hebben,” zeide tante Polly, op een toon zoo +vol weemoed, dat het gemoed van den knaap volschoot. “Het zou mij een troost geweest zijn te weten, dat je er aan gedacht +had, zelfs zonder het te hebben gedaan.” + +</p> +<p>“Nu, lieve tante, maak er u niet naar over,” vleide Marie; “’t is niets dan onnadenkendheid van Tom. Hij is altijd zoo—zoo +onbezonnen.” + +</p> +<p>”’t Spijt mij vreeselijk! Sid zou er aan gedacht hebben; hij zou bij mij gekomen zijn. O Tom, eens zal het je berouwen, als +het te laat is, en dan zul je zeggen: ‘Was ik maar wat meer bezorgd voor haar geweest!’<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>“Och tante,” zeide Tom, “u weet toch wel, dat ik veel van u houd.” + +</p> +<p>“Ik zou het beter weten, indien je er een weinigje meer naar handeldet.” + +</p> +<p>“Ik wou nu wel, dat ik het maar gedaan had,” zeide Tom, op berouwvollen toon; “maar ik heb toch van u gedroomd; dat is al +wat.” + +</p> +<p>“Dat zegt nog niet veel; een kat doet hetzelfde: maar ’t is toch beter dan niets. Wat heb je gedroomd?” + +</p> +<p>“Wel, Woensdagnacht droomde ik, dat u bij het bed zat en Sid op de houtkist en Marie naast hem.” + +</p> +<p>“Nu, dat doen we immers altijd. Het verheugt me, dat je ons de moeite waard geacht heb, dat van ons te droomen.” + +</p> +<p>“En ik droomde, dat de moeder van Joe Harper hier was.” +<a id="d0e2557"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2557">145</a>]</span></p> +<p>“Wel, zij was hier! Heb je nog meer gedroomd?” + +</p> +<p>“O, nog zooveel! Doch het staat mij niet duidelijk meer voor.” + +</p> +<p>“Tracht het je te binnen te brengen.—Gaat het?” + +</p> +<p>“Er ligt mij iets van bij, dat het heel hard woei.” + +</p> +<p>“Bezin je nog eens! De wind woei hard en...” Tom hield een minuut lang peinzend zijne hand voor zijn voorhoofd en zeide toen: + +</p> +<p>“Ik ben er! Ik ben er! De wind blies de kaars uit!” + +</p> +<p>“God zij ons genadig! Ga voort, ga voort!” + +</p> +<p>“En het was mij, als zeidet gij: ‘Wel, ik geloof, dat de deur...’<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>“Ga voort, Tom!” + +</p> +<p>“Laat mij een oogenblikje, een klein oogenblikje bedenken. O ja,—u zei, dat u dacht dat de deur open was.” + +</p> +<p>“Zoo waar als ik leef, dat heb ik gezegd! Heb ik niet, Marie? Ga verder!” + +</p> +<p>“En toen—en toen—ik ben er niet zeker van, maar toen meende ik, dat u Sid de deur liet...” + +</p> +<p>“Nu! Wat liet ik Sid, Tom? Wat liet ik Sid doen?” + +</p> +<p>“U liet hem—u—O—u liet hem de deur dichtdoen!” + +</p> +<p>“Hemelsche goedheid! Zoo iets heb ik nog nooit gehoord! Zeg mij niet meer, dat droomen bedrog is. Sientje Harper zal dit weten, +eer ik een uur ouder ben. Het zal mij eens benieuwen of zij mij nu nog zal bespotten over mijne lichtgeloovigheid!” + +</p> +<p>“O, tante, het wordt mij zoo klaar als het licht! Toen zei u, dat ik niet slecht was, alleen maar een beetje lichtzinnig en +ondeugend.” + +</p> +<p>“Zoo was het. Hemelsche genade!—Ga verder, Tom.” + +</p> +<p>“En toen begon u te schreien.” +<a id="d0e2597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2597">146</a>]</span></p> +<p>“Dat deed ik, dat deed ik! En voorwaar niet voor de eerste maal.—en toen?” + +</p> +<p>“Toen begon juffrouw Harper te schreien en zeide, dat het precies hetzelfde met haar Joe was en dat ze wilde dat zij hem geen +zweepslagen gegeven had omdat hij room had gesnoept, dien zij zelve uit het raam had gegooid.” + +</p> +<p>“Tom! De Geest was op u,—gij waart aan het profeteeren, dat waart ge! God in den hemel!—Ga voort, Tom!” + +</p> +<p>“Toen zei Sid... Hij zei...” + +</p> +<p>“Ik, geloof niet, dat ik iets gezegd heb,” sprak Sid. + +</p> +<p>“Jawel Sid,” zeide Marie. + +</p> +<p>“Houdt jelui je mond en laat Tom voortgaan. Wat zeide hij, Tom?” + +</p> +<p>“Hij zei—geloof ik—dat hij hoopte, dat ik het goed zou hebben in de plaats waar ik was heengegaan, maar indien ik beter had +opgepast....” + +</p> +<p>“Hoor jelui dat? Het ware zijne eigen woorden.” + +</p> +<p>“En u sloot hem den mond.” + +</p> +<p>“Waarempel, dat heb ik gedaan. Er moet een engel op dat eiland geweest zijn.” + +</p> +<p>“En juffrouw Harper vertelde, dat Joe haar met een voetzoeker verschrikt gemaakt had, en u, dat ik de kat met den drank geplaagd +had.” + +</p> +<p>“Zoo waar als ik leef!” + +</p> +<p>“En toen werd er gepraat over het opvisschen van onze lijken en over den lijkdienst, en bij het heengaan hebt u juffrouw Harper +gezoend en toen zijt gij beiden in tranen uitgebarsten.” + +</p> +<p>“Het gebeurde precies zoo! Precies zoo, zoo waar als ik hier in de kamer zit. Je kondt het niet beter verteld <a id="d0e2628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2628">147</a>]</span>hebben, al had je er bij gezeten.—En wat toen? Ga voort, Tom.” + +</p> +<p>“Toen droomde ik, dat gij voor mij badt,—en ik kon u zien en elk woord hooren dat gij spraakt. En gij gingt naar bed, en ik +was zoo bedroefd, dat ik een stuk van den vijgeboom nam en daarop krabbelde: ‘Wij zijn niet dood, wij zijn alleen maar weggegaan +om zeeroovers te worden,’ en dat bij den kandelaar op de tafel legde. En toen nam ik den kandelaar van de tafel en hield dien +boven uw gelaat, en gij zaagt er in uw slaap zoo vriendelijk uit,—en ik droomde, dat ik mij over u heenboog en u op de lippen +kuste.” + +</p> +<p>“Hebt ge dat gedaan, Tom? Nu vergeef ik u alles!” En zij greep den knaap en omhelsde hem met zulk eene verpletterende hartelijkheid, +dat hij zich den misdadigsten schurk der aarde voelde. + +</p> +<p>“Het was zeer lief, ofschoon het slechts een droom was,” zeide Sid hoorbaar in zichzelven. + +</p> +<p>“Houd je mond, Sid! Iemand doet in zijn droom juist wat hij wakende zou verrichten. Hier heb je een grooten appel, Tom, dien +ik voor je bewaard heb, als je ooit terug gevonden werdt. En ga nu naar school. Ik ben den goeden God, ons aller Vader, dankbaar +dat Hij mij u <span class="corr" title="Bron: teruggeven">teruggegeven</span> heeft. Hij is lankmoedig en vol goedertierenheid voor hen die in hem gelooven en Zijn woord houden, hoewel de Hemel weet +dat ik die genade niet waardig ben. Doch indien slechts de waardigen zijne zegeningen genoten en zijne hand mochten vatten +om hen te leiden over hobbelige paden, zouden er weinigen zijn, die hier vroolijk konden leven of in zijne rusten konden ingaan, +als de nacht komt. Gaat nu heen, Sid, Marie en Tom:—gij hebt mij reeds lang genoeg in den weg geloopen.” +<a id="d0e2641"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2641">148</a>]</span></p> +<p>De kinderen gingen naar school en de oude juffrouw stapte de straat op, om een bezoek bij juffrouw Harper te brengen, ten +einde haar ongeloof door Toms wondervollen droom den doodsteek te geven. + +</p> +<p>Sid was slim genoeg on zich stil te houden, zoolang hij in de kamer was. Toen hij de deur achter zich had dichtgeslagen, riep +hij uit: + +</p> +<p>“Een mooie grap—zoo’n lange droom, zonder een enkele vergissing!” + +</p> +<p>Wat een held was Tom nu geworden! Hij sprong en huppelde niet meer langs den weg, maar bewoog zich voort met de waardige voornaamheid, +welke aan den zeeroover past, die voelt dat hij een man van beteekenis is in het oog van ’t publiek. En dat was hij inderdaad. +Hij hield zich, als zag hij de blikken, als hoorde hij de opmerkingen niet, waarvan hij het voorwerp was, doch zij waren spijs +en drank voor zijne ziel. Jongere knapen liepen achter hem aan en verhoovaardigden zich op de eer van met hem gezien en door +hem geduld te worden, en behandelden hem alsof hij de Tamboer Majoor was van een optocht, of de olifant onder wiens leiding +eene menagerie de stad binnentrekt. De jongens van zijne jaren deden, alsof zij er niets van wisten dat hij weg geweest was, +maar vergingen niettemin van afgunst. Zij zouden er wat voor gegeven hebben om zijne bruine, door de zon verbrande huid en +zijne vermaardheid te bezitten, en Tom zou daarvan voor geen wereldsch geld afstand hebben gedaan. + +</p> +<p>Op school werd aan Tom en Joe zoo het hof gemaakt en werden ze zoozeer bewonderd, dat de beide helden weldra onuitstaanbaar +pedant werden. Zij begonnen hunne avonturen aan gretig luisterende toehoorders te vertellen, doch brachten <a id="d0e2652"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2652">149</a>]</span>het nooit verder, dan het begin; want eene verbeelding als de hunne, steeds klaar om nieuwe stof aan te brengen, zou moeielijk +tot een eind hebben kunnen komen. En toen zij ten slotte hunne pijpen voor den dag haalden en kalm de rookwolken in het rond +bliezen, hadden zij het toppunt van roem bereikt. + +</p> +<p>Tom was tot het besluit gekomen, dat hij thans wel van Becky Thatcher kon afzien. Zijne glorie was hem genoeg en voor deze +alleen zou hij voortaan leven. Nu hij zulk een voornaam persoon geworden was, kon het wel eens zijn, dat zij lust kreeg bij +te draaien. Welnu, als zij dat deed, zou zij ervaren, dat hij even onverschillig kon zijn als sommige andere lieden. + +</p> +<p>Daar kwam zij juist toevallig aan. Tom deed alsof hij haar niet zag en voegde zich bij een ander troepje jongens en meisjes, +met wie hij dadelijk een druk gesprek aanknoopte. Spoedig ontwaarde hij, dat Becky met gloeiende wangen en schitterende oogen, +vroolijk nu achter dan vooruit huppelde, schijnbaar met hart en ziel krijgertje speelde en het uitgilde van ’t lachen, wanneer +zij een van haar kameraadjes gevangen had. Maar het ontging hem niet, dat zij hare vangsten altijd in zijne buurt deed en +dan tersluiks naar hem keek. + +</p> +<p>Dit streelde zijne booze ijdelheid ongemeen en deed hem, in plaats van hem voor haar te winnen, nog meer op zijne hoede zijn, +om door taal noch teeken te verraden, dat hij haar toeleg bemerkte. Weldra gaf zij vruchteloos de moeite op en ging onder +het slaken van zware zuchten besluiteloos op en neer wandelen, terwijl zij nu en dan heimelijk veelbeteekenende blikken op +Tom wierp. Het viel haar op, dat Tom drukker met Amy Lawrence praatte dan met iemand anders. Dit gezicht verbitterde haar +zoozeer, dat zij het besluit nam naar huis te gaan. Doch hare verraderlijke voetjes droegen <a id="d0e2660"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2660">150</a>]</span>haar tegen wil en dank naar de plaats, waar Tom en Amy stonden. Met geveinsde opgewektheid zeide zij dicht bij Toms oor tot +een meisje: + +</p> +<p>“Wel, Marie Austin, ondeugende meid, waarom ben je niet op de zondagsschool geweest?” + +</p> +<p>“Ik ben er geweest. Heb je me niet gezien?” + +</p> +<p>“Neen. Waart ge er? Waar heb je gezeten?” + +</p> +<p>“In de klasse van juffrouw Peters, waar ik altijd zit. Ik heb jou wel gezien.” + +</p> +<p>“Zoo! Hoe mal, dat ik jou niet zag! Ik had je van de pic-nic willen vertellen, die gegeven wordt.” + +</p> +<p>“O, dat is heerlijk! En wie geeft die?” + +</p> +<p>“Mijn ma!” + +</p> +<p>“O, heertje, ik hoop dat zij mij ook vragen zal.” + +</p> +<p>“Natuurlijk; het is mijn partij. Zij vraagt iedereen, die ik hebben wil.” + +</p> +<p>“Verrukkelijk!—wanneer zal het gebeuren?” + +</p> +<p>“Al spoedig. In de vacantie, denk ik.” + +</p> +<p>“Voortreffelijk!—Je vraagt zeker al de jongens en meisjes?” + +</p> +<p>“Ja, al mijne kennissen, dat is te zeggen, al de jongens en meisjes, die lief tegen mij zijn,” en meteen werd er tersluiks +naar Tom gekeken. Doch deze had het juist ontzettend druk met Amy Lawrence over het vreeselijke onweer op het eiland en over +den bliksem, die den grooten vijgeboom aan spaanders sloeg, terwijl hij, Tom, op geen tien pas afstands stond. + +</p> +<p>“En mag ik ook komen?” + +</p> +<p>“Ja.” + +</p> +<p>“En ik?” zeide Sally Rogers. + +</p> +<p>“Ja.” + +</p> +<p>“En ik ook!” riep Suze Harper. “En Joe?” + +</p> +<p>“Ja.” +<a id="d0e2700"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2700">151</a>]</span></p> +<p>En zoo ging het met vroolijk handgeklap voort, totdat de geheele troep om eene uitnoodiging gebedeld had, behalve Tom en Amy. +Deze twee keerden koeltjes de anderen den rug toe en wandelden pratende voort. Becky’s lippen begonnen te beven en hare oogen +schoten vol tranen, en ofschoon zij deze teekenen van smart onder een vroolijk gelaat en een eindeloos gekeuvel zocht te verbergen, +was de pret van de pic-nic en eigenlijk van alles af. Zoodra zij zulks onopgemerkt doen kon, sloop zij heen en ging in een +hoekje zitten, om, zooals haar geslacht dat noemt, eens flink “uit te huilen.” Daar bleef zij, gebelgd over hare gekrenkte +ijdelheid, zitten, totdat de schoolbel haar gelui deed hooren. Toen stond zij met wraak in het hart op, schudde met een vergramd +gelaat haar gevlochten haarbos en mompelde, dat zij wel wist wat zij doen zou. + +</p> +<p>Bij het uitgaan der school zette Tom zijne hofmakerij aan Amy Lawrence met onuitsprekelijke zelfvoldoening voort. Hij bleef +voortdurend in den omtrek, in de hoop van Becky te vinden en haar door zijn wreed spel te kwellen. Eindelijk ontdekte hij +haar—en de hooge temperatuur zijner gemoedsstemming daalde op eens tot het vriespunt. + +</p> +<p>Zij zat welbehaaglijk op een bankje achter de school, in een boek prentjes te kijken met Alfred Temple, en zij waren zoo in +hunne beschouwing verdiept en hielden hunne hoofden zoo dicht bij elkaar, dat er buiten hen en het prentenboek niets in de +wereld scheen te bestaan. + +</p> +<p>Een vuur van jaloezie gloeide Tom door de aderen. Hij verwenschte zichzelven, omdat hij de kans tot eene verzoening met Becky +zoo jammerlijk had verspeeld. Hij noemde zich een dwaas en de Hemel weet wat niet al meer, en het huilen stond hem nader dan +het lachen. De naast hem loopende Amy keuvelde lustig voort en juichte in haar <a id="d0e2709"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2709">152</a>]</span>hart,—doch Toms tong scheen hem aan het verhemelte te kleven. Hij hoorde niet wat Amy zeide, en wanneer zij stilhield om op +een antwoord te wachten, kwamen er onsamenhangende, verwarde klanken, die veeltijds op de vraag niet sloegen. Niettemin bleef +hij achter het schoolgebouw op-en nederloopen, om zich de oogballen met het hatelijk schouwspel te pijnigen. Hij kon niet +anders, en de gedachte dat Becky Thatcher niet eens scheen te vermoeden dat hij in het land der levenden was, maakte hem bijna +krankzinnig. + +</p> +<p>Toch zag zij het maar al te goed en wist zij dat zij veld won ook, en was blijde dat hij nu ondervond, wat zij had uitgestaan. +Amys vroolijk gebabbel werd hem ondraaglijk. Tom begon verontschuldigingen te maken en zeide dat hij naar huis moest om te +werken, daar het laat werd. Doch tevergeefs: het vogeltje kirde altijd maar voort: “Ik wou, dat ze naar de maan vloog! Zal +ik dan nooit van haar afkomen?” Eindelijk zeide hij dat hij weg moest, en het meisje antwoordde argeloos, dat zij zorgen zou +morgenochtend weder op haar post te zijn. En hij spoedde zich voort en haatte haar om die belofte. + +</p> +<p>“Een andere jongen!” sprak Tom tot zich zelven en knarste met de tanden. “Zij mocht, wat mij betreft, elken jongen van de +plaats genomen hebben, behalve dien vromen Piet, die zich zoo mooi kleedt en zoo voornaam is! Best, jongen! ik heb je een +pak gegeven den eersten dag dat je hier kwaamt, en je zult er nog een hebben. Wacht je beurt maar af. Dan gaat het zoo!” + +</p> +<p>En toen ging hij in zijne verbeelding aan het afkloppen van den jongen, maakte de bewegingen van “iemand een pak geven”—en +sloeg, schopte in de lucht, onder het uitroepen van: “Ziezoo, dat ’s voor jou goed? Heb je nou genoeg, zeg? Laat dit je een +les zijn.” +<a id="d0e2717"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2717">153</a>]</span></p> +<p>Toen snelde hij naar huis. Hij kon de gedachte aan Amys dankbaar geluk en aan dat andere tooneel niet meer verdragen. Becky +intusschen zette hare plaatjesbeschouwing met Alfred voort; maar toen de minuten voortkropen en er geen Tom kwam, verloor +haar zegepraal iets van haar luister en verdween hare belangstelling. Zij werd rusteloos en afgetrokken en eindelijk neerslachtig. +Een paar malen spitste zij de ooren bij het geluid van een voetstap, maar de hoop, waarmede zij zich streelde, bleek ijdel +te zijn. Er kwam geen Tom. Eindelijk voelde zij zich zoo ellendig, dat zij goud zou gegeven hebben, indien zij het niet zoover +had laten komen. Toen de arme Alfred, ziende dat zij—hoe het kwam wist hij niet—ophield hem haar aandacht te schenken, zijn +ijver verdubbelde en gedurig uitriep: “O, hier is een mooi plaatje, kijk eens!” verloor zij alle geduld en zeide: + +</p> +<p>“O, kwel mij niet langer! Het kan mij niet schelen,” en in tranen uitbarstende, stond zij op en ging heen. + +</p> +<p>Alfred liep haar achterna en trachtte haar te troosten, doch zij zeide: + +</p> +<p>“Ga weg en laat mij met rust. Ik heb een hekel aan je!” + +</p> +<p>De arme jongen zag haar verbijsterd aan en kon maar niet begrijpen, wat hij toch misdaan had.—Zij had hem zoo even nog gezegd, +dat zij den geheelen middag prenten wilde kijken, en nu liep zij schreiend van hem weg. + +</p> +<p>Ontstemd zette hij zich in de leege school neder. Hij was boos en gekrenkt en vond spoedig den sleutel tot de waarheid;—het +meisje had hem eenvoudig tot speelbal gemaakt, om haar woede tegen Tom Sawyer te koelen. Deze gedachte verminderde zijn haat +tegen Tom niet en hij zon op een middel, om hem een poets te spelen, zonder <a id="d0e2730"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2730">154</a>]</span>er zelf in te loopen. Daar viel zijn oog op Toms leesboek<span class="corr" title="Bron: ">.</span> Dat was een schoone gelegenheid. Hij sloeg de les op, welke dien middag gelezen moest worden en bekladde die flink met inkt. + +</p> +<p>Becky, die op dat oogenblik toevallig naar binnen keek, zag de daad en verwijderde zich zonder iets van hare ontdekking te +laten merken. Zij ging huiswaarts in de hoop Tom tegen te komen om hem alles te vertellen. Tom zou er haar erkentelijk voor +zijn en hun verschil zou worden bijgelegd. Maar eer zij halverwegen was, kwam zij van haar plan terug. De gedachte aan Toms +behandeling bij gelegenheid van de te berde gebrachte pic-nic kwam haar weder voor den geest en vernieuwde haar spijt. Zij +besloot aan te zien, dat hij, ter zake van de vlekken in zijn boek, slaag kreeg en nam zich voor hem nog op den koop toe voor +eeuwig te haten. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e2737"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XX.</h2> +<p>Tom kwam te huis in een allertreurigste gemoedsstemming, en de eerste woorden, die zijne tante tot hem richtte, bewezen hem +dat bij haar geen troost voor zijn verdriet te vinden was, want het luidde terstond: + +</p> +<p>“Tom, ik zou wel grooten lust hebben je levend te villen!” + +</p> +<p>“Wat heb ik dan gedaan, tantelief?” + +</p> +<p>“Genoeg om die straf te verdienen. Zoodra je weg waart, ben ik, oude gekkin, naar Sientje Harper geloopen, in de hoop van +haar al den onzin over dien droom van jou te doen gelooven, en daar vertelt zij mij, dat zij van Joe <a id="d0e2748"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2748">155</a>]</span>gehoord heeft, dat je de rivier overgezwommen bent en ’s avonds onder mijn bed alles hebt afgeluisterd wat wij dien nacht +gesproken hebben. Tom, ik weet niet wat er van een jongen groeien moet, die zich zoo gedraagt als jij. Ik schaam me dood, +als ik er aan denk, dat je me stilletjes, zonder een gezicht te vertrekken, naar Sientje Harper hebt laten gaan!” + +</p> +<p>Uit dat oogpunt had Tom de zaak nog niet beschouwd. Het verhaal, dat hem vóór schooltijd zoo ijselijk grappig had toegeschenen, +was nu een gemeene leugen geworden. Hij liet het hoofd hangen en wist niet wat hij zeggen zou. Eindelijk stamelde hij: + +</p> +<p>“Tantelief, ik wou dat ik het niet gedaan had, maar ik deed het zonder nadenken.” + +</p> +<p>“O kind, je denkt nooit,—behalve wanneer het je zelf geldt. Je dacht wel, toen je in den pikdonkeren nacht van Jackson Island +kwaamt afzakken, om ons over onze droefheid uit te lachen, en toen je mij met een leugen over een droom voor den gek hield; +maar om medelijden met ons te hebben en ons angst te sparen, daaraan had je niet gedacht.” + +</p> +<p>“Tante, ik weet dat het gemeen was, maar waarlijk het was mijne bedoeling niet zoo slecht te zijn,—neen, wezenlijk niet. En +dan dien nacht ben ik heusch niet gekomen om u uit te lachen.” + +</p> +<p>“Waarom kwam je dan?” + +</p> +<p>“Eigenlijk om u te zeggen, dat ge niet ongerust over ons behoefdet te wezen, omdat wij niet verdronken waren. + +</p> +<p>“Tom, Tom, ik zou het dankbaarste schepsel van de wereld zijn, indien ik gelooven kon, dat je ooit zulk een goede gedachte +gehad hebt, maar je weet best, dat het niet zoo was.” +<a id="d0e2764"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2764">156</a>]</span></p> +<p>“Waarachtig, tante, ik heb het daarom gedaan;—ik mag sterven, als het niet waar is.” + +</p> +<p>“Tom lieg niet,—doe dat toch niet. Dat maakt het geval nog honderdmaal erger.” + +</p> +<p>“Ik lieg niet, tantelief; het is de waarheid. Ik wilde u verdriet sparen; daarom alléén ben ik gekomen.” + +</p> +<p>“Ik zou een wereld geven, als ik ’t gelooven kon; hij zou eene macht van zonde bedekken. Ik zou er dan bijna blij om zijn, +dat gij zijt weggeloopen en zoo slecht hebt gehandeld. Maar ’t is niet aan te nemen; want waarom heb je het dan niet gezegd, +kind?” + +</p> +<p>“Wel, ziet u, tantelief, toen ik over den lijkdienst hoorde spreken, werd ik zoo vervuld door het heerlijk denkbeeld om mij +met Joe en <span class="corr" title="Bron: Puck">Huck</span> in de kerk te verbergen, dat ik het niet over mij kon verkrijgen den boel te bederven, en daarom stak ik de boomschors weder +in den zak” + +</p> +<p>“Welke boomschors?” + +</p> +<p>“Och de schors, waarop ik geschreven had, dat wij zeeroovers waren. Ik wou nu, dat u maar wakker geworden waart, toen ik u +kuste; wezenlijk, dat wou ik.” + +</p> +<p>“Heb je mij gezoend?” + +</p> +<p>“Ja zeker.” + +</p> +<p>“Stellig, Tom?” + +</p> +<p>“Ja, wezenlijk, tantetje,—op mijn woord van eer.” + +</p> +<p>“Waarom heb je dat gedaan, Tom?” + +</p> +<p>“Omdat ik het zoo lief van u vond, dat ge zoo bedroefd over mij waart;—dat speet mij zoo.” + +</p> +<p>De woorden klonken als de waarheid. De oude tante kon eene kleine trilling in hare stem niet verbergen, toen zij sprak: + +</p> +<p>“Kus mij nog eens, Tom!—en loop dan naar school en plaag mij niet meer” +<a id="d0e2798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2798">157</a>]</span></p> +<p>Toen hij weg was, ging tante Polly naar een kleerkast en haalde daaruit het buisje, dat Tom tijdens zijn zeerooverschap had +aangehad. Zij hield het een oogenblik in de hand en zeide tot zich zelve: + +</p> +<p>“Neen, ik durf niet.—Arme jongen, ik weet zeker dat hij gelogen heeft,—maar het was een gezegende, driewerf gezegende leugen! +Ik hoop, dat de Heer.... neen, ik weet zeker, dat Hij hem vergeven zal, omdat het zoo lief van hem was, dat hij het vertelde. +Maar ik wil er geen onderzoek naar doen.” + +</p> +<p>Zij legde het buisje weg en bleef een oogenblik in gedachten verzonken, voor de kast staan. Tweemaal stak zij de hand uit, +om het kleedingstuk nog eens op te nemen en twee malen bedwong zij zich. Nogmaals, en dezen keer waagde zij het, zich zelve +troost insprekende met de gedachte: “Het is een goede leugen—een beste leugen; ik zal het mij niet aantrekken dat het onwaar +is.”—En het buisje werd doorzocht. En daar vond ze Toms stukje hout en las onder een vloed van tranen de woorden, die er op +geschreven stonden, zeggende: + +</p> +<p>“Nu kan ik het den jongen vergeven, ook al had hij millioenen zonden begaan.” + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e2807"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXI.</h2> +<p>Er was iets in Tante Polly’s wijze van doen, toen zij Tom omhelsde, dat zijne neerslachtigheid verdreef en hem weder vroolijk +en gelukkig maakte. Hij ging naar school en smaakte het genot op den hoek van Meadow Lane toevallig Becky Tatcher tegen te +komen. Zijn gemoedstoestand <a id="d0e2812"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2812">158</a>]</span>bepaalde doorgaans zijne handelingen. Zonder een oogenblik te aarzelen, liep hij naar haar toe en zeide: + +</p> +<p>“Ik heb je vandaag heel gemeen behandeld, Becky, en dat spijt mij. Ik zal het nooit van mijn leven weer doen. Zullen wij, +als je blieft, maar weder goede vrienden worden?” + +</p> +<p>Het meisje hield stil, keek hem met een blik vol verachting aan en zeide: + +</p> +<p>“Wilt u de goedheid hebben, mijnheer Thomas Sawyer u bij uw eigen vrienden te houden. Ik denk mij niet meer met u te bemoeien.” + +</p> +<p>En het hoofd in den nek werpende, ging zij voorbij. + +</p> +<p>Tom was zoo verpletterd, dat hij zelfs de tegenwoordigheid van geest miste om te zeggen: + +</p> +<p>“Ik geef geen zier om je, nufje dundoek,” totdat het geschikte oogenblik voor dien uitval voorbij was. Dus zweeg hij met een +woedend gezicht. Ziedende van toorn stapte hij de schoolplaats binnen en mompelde, dat hij wou dat zij een jongen was, om +het haar eens fiks in te peperen. Toen hij haar voorbijging, wierp hij haar een paar hatelijkheden naar het hoofd, die behoorlijk +teruggeslingerd werden, en de hoop op het herstel van den vrede scheen onherroepelijk verloren. Becky kon in hare drift den +tijd haast niet afwachten, waarop de les zou beginnen en zij Tom zou zien afrossen voor het beschadigde leesboek. Indien zij +nog een oogenblik plan had on Alfred Temple ten toon te stellen, was dit voornemen door Toms beleedigende schimpscheuten geheel +uit hare ziel verdwenen. + +</p> +<p>Arm kind! zij wist niet, hoezeer zij op weg was zich een wereld van verdriet te bezorgen. + +</p> +<p>De schoolmeester, de heer Dobbins, was een man, die <a id="d0e2830"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2830">159</a>]</span>den middelbaren leeftijd bereikt had onder het drukkend lijden van onbevredigde eerzucht. Zijne lievelingswensch was geneesheer +te worden, doch geldgebrek had hem verhinderd het hooger dan tot schoolmeester te brengen. Toch was de liefde tot de studie +hem bijgebleven. Hij nam ten minste iederen dag een geheimzinnig boek uit de lessenaar on zich daarin te verdiepen, zoodra +de verschillende klassen hunne lessen hadden opgezegd. + +</p> +<p>Dat boek hield hij achter slot en grendel,—doch er was geen deugniet in de gansche school, die niet brandde van begeerte het +eens in te zien. Daartoe echter bood zich de kans nooit aan. Elke scholier had zijne of hare eigen meening over den inhoud +van het boek, doch er was geen middel om het rechte er van te weten te komen. + +</p> +<p>Toen nu op dezen achtermiddag Becky langs den lessenaar schoof, die vlak bij de deur stond, zag zij dat de sleutel in het +slot stak. Welk eene kostelijke gelegenheid! Zij keek in het rond, zag dat zij alleen was en geen seconde later had zij het +boek in de hand. Het titelblad, “De Ontleedkunde, door Professor N. N.” maakte haar niet veel wijzer. Derhalve sloeg zij bladen +op. Op eens ontdekte haar oog, op eene der eerste bladzijden, een prachtige gekleurde gravure van een naakt menschenbeeld. +Op hetzelfde oogenblik viel er een schaduw op het blad en stapte Tom Sawyer de deur in, die een vluchtigen blik op het afbeeldsel +wierp. In haar haast om het boek dicht te slaan, was Becky ongelukkig genoeg het blad met de figuren door midden te scheuren. +Zij wierp het boek in de lessenaar, draaide den sleutel om en barstte uit in tranen van schaamte en verdriet. + +</p> +<p>“Tom Sawyer,” snikte zij, “ik vind het gemeen van je om achter iemand aan te sluipen en hem te begluren.” +<a id="d0e2838"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2838">160</a>]</span></p> +<p>“Hoe wist ik, dat je iets stond te bekijken?” + +</p> +<p>“Je moest je schamen, Tom Sawyer; ik weet, dat je me zult verklikken, en o, wat zal ik beginnen! Ik zal slaag krijgen,—ik +die nog nooit op school een klap gehad heb!” + +</p> +<p>Zij stampte met haar voetje op den grond en vervolgde: + +</p> +<p>“Wees maar zoo laag als je wilt! Ik weet iets, dat hier zal plaats hebben. Wacht maar en je zult eens wat zien.<span class="corr" title="Bron: ">”</span>—En zij vloog de school uit en barstte opnieuw in tranen los. + +</p> +<p>Tom stond stil, geheel overbluft door dien uitval. Toen zeide hij tot zichzelven: + +</p> +<p>“Welk een vreemd soort van wezens zijn die meisjes! Nooit op school geslagen! Wat zou een pak ransel! Juist iets voor een +meisje: zij zijn zoo laf en kleinzeerig. Zij hebben geen ruggegraat. Natuurlijk zal ik die dwaze meid niet aan den ouden Dobbins +gaan verklappen; er zijn wel andere middelen om haar klein te krijgen, die niet zoo gemeen zijn. Maar wat moet er met het +boek gedaan worden? De oude Dobbins zal vragen, wie het gescheurd heeft. Niemand zal antwoorden. Dan zal hij doen als altijd +en de meisjes beurt om beurt ondervragen, en wanneer hij bij het meisje komt dat het gedaan heeft, zal hij het weten zonder +dat het gezegd wordt. De meisjes verraden zich altijd.—Becky zal klappen krijgen; ’t is een naar geval, maar ik zie er geen +gat in om het te verraden.” + +</p> +<p>Tom peinsde nog een oogenblik over de zaak en riep toen uit: “In orde! Zij wou mij in de klem zien; laat haar dat genot hebben.” + +</p> +<p>Daarop voegde hij zich bij de “krijgertje” spelende schooljeugd, totdat de meester kwam en de school begon. Toms gedachten +dwaalden gedurig van zijn werk af en <a id="d0e2858"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2858">161</a>]</span>telkens, wanneer hij een blik naar den meisjes-kant wierp, werd hij ontroerd door het gelaat van Becky. Alles te zamen genomen, +behoefde hij geen medelijden met haar te hebben en toch was hij diep met haar begaan. Toen de ontdekking van het leesboek +gedaan werd, was Tom voor een tijdlang geheel vervuld van zijn eigen leed en werd Becky uit hare verdooving wakker. Zij volgde +het proces met groote belangstelling, want zij wist, dat Tom niets tegen de beschuldiging, van inkt op het boek gemorst te +hebben, kon inbrengen. Tom ontkende het feit, en maakte door die ontkenning de zaak eer erger dan beter. Becky maakte zich +wijs, dat zij er schik in had, doch eene stem in haar binnenste fluisterde haar toe, dat zulks het geval niet was. Toen het +er zeer bedenkelijk voor Tom begon uit te zien, voelde zij eene sterke neiging om op te staan en Alfred Temple aan te klagen, +doch zij bedwong zich en legde zich de verplichting op om stil te blijven zitten. “Immers,” dus sprak zij bij zichzelve, “hij +zal zeker zeggen, dat ik die plaat gescheurd heb. Neen, al kon ik hem er het leven mede redden, ik zeg het niet.” + +</p> +<p>Tom kreeg de hem toegedachte zweepslagen en ging kalm naar zijne zitplaats terug, in den waan dat hij, misschien zonder het +te bemerken, onder het krijgertje spelen, den inkpot op het boek had laten vallen.—Hij had maar uit gewoonte ontkend en uit +beginsel zich bij de ontkentenis gehouden. + +</p> +<p>Een geheel uur ging voorbij. De meester zat op zijn troon te knikkebollen, daar het gebrom der studeerende jeugd hem altijd +slaperig maakte. Langzamerhand echter richtte hij zich op, gaapte, ontsloot zijn lessenaar en greep naar zijn boek, doch scheen +het niet met zichzelven eens te kunnen worden, of hij lezen zou al dan niet. Het <a id="d0e2864"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2864">162</a>]</span>meerendeel der scholieren zag droomerig van hun werk op, doch er waren er twee, die met de oogen vol belangstelling zijne +beweging gadesloegen. + +</p> +<p>Een tijdlang hield de heer Dobbins gedachteloos zijn boek in de hand, doch eindelijk vlijde hij zich op zijn stoel neder on +te lezen. + +</p> +<p>Tom wierp een blik op Becky, en het arme kind zag er uit als een hulpeloos, opgejaagd haasje, dat het geweer op zich ziet +aanleggen. Oogenblikkelijk werd zijn geschil met haar vergeten. Er moest redding komen en dadelijk ook. Doch het dreigend +gevaar scheen zijne vindingrijkheid te verstompten. Goddank! daar schoot hem iets te binnen. Hij zou de bank uitgaan, het +boek grijpen, de deur uitspringen en er mede wegloopen! Doch een minuut wankelens, tot het nemen van dit besluit, was genoeg +om zijne kans verloren te doen gaan. De meester had het boek geopend. Het was te laat; er was niets aan te doen; Becky was +reddeloos verloren! + +</p> +<p>Het volgende oogenblik zag de meester zijne leerlingen in het gelaat, met een blik, die al de kinderen de oogen deed neerslaan. +Gedurende tien tellen heerschte er een angstige stilte, waarin de meester kracht tot toornen verzamelde. Toen sprak hij: + +</p> +<p>“Wie heeft dit boek gescheurd?” + +</p> +<p>Er werd geen geluid vernomen. Men zou een speld hebben kunnen hooren vallen. De meester zag gezicht voor gezicht aan, om teekenen +van schuld te ontdekken?” + +</p> +<p>“Benjamin Hogers, hebt gij dit boek gescheurd?” + +</p> +<p>Een ontkennend antwoord, gevolgd door een pauze. + +</p> +<p>“Jozef Harper, gij?” + +</p> +<p>Weder een ontkennend antwoord. Tom werd onder de kwelling van den langzamen voortgang der zaak, hoe langer <a id="d0e2884"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2884">163</a>]</span>hoe onrustiger. De meester onderzocht nauwkeurig de lange rijen jongensgezichten en wendde zich toen tot de meisjes. + +</p> +<p>“Amy Lawrence?” + +</p> +<p>Een ontkennend hoofdschudden. + +</p> +<p>“Gracie Willer?” + +</p> +<p>Hetzelfde gebaar. + +</p> +<p>“Suze Harper, hebt gij het gedaan?” + +</p> +<p>Weder een ontkennend antwoord. Het volgende meisje was Becky Thatcher. Tom beefde van het hoofd tot de voeten. + +</p> +<p>“Rebekka Thatcher”—(Tom keek naar haar gelaat; het was bleek van angst) “hebt gij,—neen, zie mij aan” —(zij hief de handen +smeekend omhoog)—“hebt gij dit boek gescheurd?” + +</p> +<p>Snel als de bliksem schoot Tom eene gedachte door de ziel. Hij sprong op en gilde: + +</p> +<p>“Ik heb het gedaan!” + +</p> +<p>De schooljeugd stond versteld over zulk eene onbegrijpelijke dwaasheid. Tom bleef een oogenblik staan om tot zichzelven te +komen, en toen hij de bank uitstapte om zijne straf te ondergaan, werd hij door de bewondering en de dankbare aanbidding, +die hem uit Becky’s oogen tegenstraalden, betaald voor honderd zweepslagen. + +</p> +<p>Door zijne edele daad zelf in verrukking gebracht, verdroeg hij zonder een geluid te geven, de onbarmhartigste geeseling, +waaraan de heer Dobbins zich ooit had schuldig gemaakt, en hoorde hij ook met volkomen onverschilligheid de wreede uitspraak +aan, om twee uren school te blijven. Immers hij wist, wie met het grootste geduld buiten op hem wachten zou, totdat zijne +straf geleden was. + +</p> +<p>Dienzelfden middag nog vertelde Becky hem met schaamte <a id="d0e2910"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2910">164</a>]</span>en berouw, hoe verraderlijk zij zich jegens hem gedragen had. Tom ging dan ook naar bed, vol wraakzuchtige plannen jegens +Alfred Temple; maar zijn wrok maakte spoedig voor aangename overpeinzingen plaats en hij viel in slaap en droomde van Becky’s +laatste woorden, die hem als muziek in de ooren hadden geklonken en aldus hadden geluid: + +</p> +<p>“Tom, hoe kon je zoo edel zijn?” + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e2914"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXII.</h2> +<p>De vacantie begon te naderen. De altijd strenge schoolmeester werd strenger en veeleischender dan ooit, en scheen het er op +gezet te hebben, op den “examendag” met de scholieren te pronken. Zijn roede en plak waren thans zelden werkeloos, ten minste +onder de kleinere leerlingen. De grootste jongens en de dames van zestien en zeventien jaren hadden het geluk de roede ontwassen +te zijn. De zweepslagen van meester Dobbins waren voorwaar niet kinderachtig, want ofschoon hij onder zijn pruik een geheel +kaal en glimmend hoofd verborg, bezaten zijne spieren nog haar volle kracht. Naarmate de groote dag naderde scheen al wat +er van den dwingeland in hem was, naar boven te komen, en ’t was alsof hij er een wreed behagen in schepte, de scholieren +voor de geringste tekortkomingen te straffen. Het gevolg daarvan was, dat de kleineren onder zijne leerlingen overdag zwoegden +onder angst en smart en bij nacht zonnen op wraak. Zij lieten dan ook geene gelegenheid om den meester een poets te spelen, +ongebruikt voorbijgaan. Ongelukkig was hij voortdurend op zijn hoede. De vergelding, die op elke zegepraal hunner wraakzucht +volgde, was zoo vreeselijk, dat <a id="d0e2919"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2919">165</a>]</span>de knapen doorgaans met blauwe plekken op het lijf het veld ruimden. Eindelijk werd er een plan beraamd, dat eene schitterende +overwinning beloofde. De verversjongen werd in het komplot opgenomen, met hunne ontwerpen bekend gemaakt en zijne hulp ingeroepen. +Die verversjongen had zijn eigen redenen om tot het verbond toe te treden, want de meester woonde op kamers bij zijn vader +en had den knaap reden te over gegeven om hem te haten. De vrouw van den meester zou een paar dagen uit de stad gaan en er +bestond dus geen vrees, dat van dien kant een spaak in ’t wiel zou gestoken worden. + +</p> +<p>De meester had de gewoonte om zich voor de examens en andere groote plechtigheden voor te bereiden, door zich een een roes +aan te drinken, en de verversjongen beloofde, dat, wanneer de onderwijzer op den avond van het examen weer boven zijn bier +was en in zijn stoel lag te dommelen, hij “het dingetje wel klaar zou spelen.” Hij zou hem dan zoo laat mogelijk wakker maken, +omdat hij alleen maar tijd zou hebben om in vliegende vaart naar school te ijlen. + +</p> +<p>Toen de volheid der tijden gekomen was, greep het belangwekkende feit plaats. + +</p> +<p>Om acht uren in den avond was het schoollokaal schitterend verlicht en met kransen en festoenen van bloemen en loofwerk versierd. + +</p> +<p>De soezerige, halfdronken meester troonde in zijn leuningstoel, op eene opzettelijk daartoe vervaardigde verhevenheid, met +het schrijfbord achter zich. Drie rijen met zitbanken en zes rijen in het front waren bezet door de waardigheidsbekleders +van het stadje en de ouders der leerlingen. Links van den meester, achter de zitplaatsen der burgerij, was een hoog getimmerte +gemaakt, waarop de in hun beste pak gekleede knaapjes gezeten waren, die proeven van hunne <a id="d0e2929"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2929">166</a>]</span>bedrevenheid zouden afleggen. Achter dezen zaten eenige rijen magere, opgeschoten jongens. Daarop volgden de hooge banken +met meisjes en jonge dames in katoen en neteldoek, die zich blijkbaar heel voornaam gevoelden met hare bloote armen, haar +grootmoeders ouderwetsche kostbaarheden, haar rose en blauwe strikken en haar bloemen in het haar. Verder was het lokaal opgevuld +met toeschouwers en scholieren. + +</p> +<p>De oefeningen begonnen. Een heel klein jongetje stond op en bracht doodverlegen de van buiten geleerde woorden uit: + +</p> +<p>“Mijne hoorders, + +</p> +<p>“Gij hadt zeker niet verwacht iemand van mijn leeftijd het spreekgestoelte te zien beklimmen, om in het openbaar het woord +te voeren, enz.”. En de knaap deed zijne woorden vergezeld gaan van overdreven juiste en krampachtige bewegingen, die aan +een machine deden denken, die van de wijs is. Hij bracht het er, ofschoon in duizend angsten, heelhuids af en werd verbazend +toegejuicht, toen hij zijne gekunstelde buiging maakte en het tooneel verliet. + +</p> +<p>Een klein bedeesd meisje lispelde het versje: + +</p> +<p>“Marietje had een lammetje, enz.,” maakte eene medelijdenswekkende dienares, kreeg haar voegzaam deel toejuichingen en ging +blozend en voldaan weer zitten. Tom Sawyer trad voorwaarts met gemaakt zelfvertrouwen en wond zich met prachtig nagebootste +en allerzotste gebaren op tot het onsterfelijke: “Geef mij de vrijheid, of geef mij den dood!”—doch werd in het midden door +een akelige tooneelvrees bevangen. Zijne knieën knikten en hij dreigde in zijne woorden te stikken. Wel is waar wekte hij +zichtbaar het medelijden en de sympathie van de toehoorders, maar zij hielden zich doodstil, en dat zwijgen van het publiek +was erger dan medegevoel. Tot overmaat van smart fronste de meester zijne wenkbrauwen. Tom spande nogmaals alle <a id="d0e2941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2941">167</a>]</span>krachten in, doch zag zich verplicht verslagen af te treden. Voor een oogenblik kwam er eene zwakke poging om te applaudisseeren, +doch zij werd in hare wording gesmoord. + +</p> +<p>Daarop volgde: “De knaap stond op het brandende dek;” toen: “De Assyriërs zakten den stroom af;” en andere juweeltjes voor +de declamatiekunst. Toen had men de leesoefeningen en een kampstrijd in het spellen. De schraal bezette klasse der Latinisten +bracht het er met haar voordracht schitterend af. + +</p> +<p>Het eerste bedrijf was naar behooren afgeloopen en nu volgde de “zelfgemaakte” opstellen van de jonge dames, die elk op hare +beurt op de verhevenheid stapten, kuchten, haar handschrift, dat met een keurig lintje was vastgemaakt, in de hand hielden +en begonnen te lezen. De onderwerpen waren dezelfde, waarmede bij dergelijke gelegenheden hare moeders, hare grootmoeders +en ongetwijfeld al de voorouders in de vrouwelijke linie geschitterd hadden. Daar was er een over de “Vriendschap,” en verder; +“Herinnering aan vroegere dagen,” “Godsdienst in de geschiedenis,” “Het land der droomen,” “De voordeelen der beschaving;” +“Het verschil en de overeenkomst van de onderscheidene staatsvormen,” “Droefgeestigheid,” “Kinderliefde,” “Hartstochten,” +enz. enz. + +</p> +<p>Een hoofdgebrek van al deze opstellen was eene zorgvuldig gekweekte droefgeestigheid en een kwistige overvloed van mooie woorden. + +</p> +<p>In sommigen was een merkbare neiging om modewoorden er met de haren bij te sleepen, zoo dikwijls zelfs, dat zij geheel afgezaagd +werden. En dan was er eene bijzonderheid, welke ze alle kenmerkte en bedierf,—namelijk de onuitstaanbare zedepreek, die zijn +gebrekkelijken staart aan het eind van elk opstel deed kwispelen. Welk ook het onderwerp mocht wezen, er werd altijd een hersens +folterende poging <a id="d0e2951"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2951">168</a>]</span>gedaan om er op de een of andere wijze iets in te lasschen waarop het zedelijk en godsdienstig gemoed met stichting kon nederzien. +Niettegenstaande de ergerlijke onoprechtheid, die het publiek uit dergelijke zedepreken tegenblonk, werden zij niet afgeschaft. +En zij zijn dat nog niet en zullen het waarschijnlijk nooit worden, zoolang de wereld zal bestaan. + +</p> +<p>Er is geen school in gansch Amerika, waar de jonge dames zich niet verplicht gevoelen hare opstellen met een preek te eindigen; +en het zijn doorgaans de lichtzinnigste en minst godsdienstige meisjes, die de mooiste preken maken. Maar genoeg hiervan. +De waarheid wil niet altijd gezegd zijn. Laat ons daarom tot het examen terugkeeren. + +</p> +<p>Het eerste opstel, dat voorgelezen werd, droeg tot opschrift: + +</p> +<p>“Is dit nu het leven?” + +</p> +<p>De lezer zal mij wel willen vergunnen er een uittreksel van mede te deelen. Het luidde ongeveer aldus: + +</p> +<p>“Met welk een verrukking ziet gewoonlijk het jeugdig gemoed niet uit naar een hem wachtend feest! De verbeelding toovert rooskleurige +tafereelen van genot. Daar ziet de aanbidster van wereldsche genoegens zich reeds te midden der feestvierende menigte als +‘de bewonderde door al de bewonderaars.’ Haar bevallige gestalte, in een sneeuwwit kleed gehuld, zweeft rond in den doolhof +van den vroolijken dans; haar oog is schitterender, haar tred lichter dan die van de gansche lustige schare. Onder zulke heerlijke +droomen glijdt de tijd spoedig voort en weldra is de gelukkige ure daar, waarop zij de Elyseesche velden betreden zal, van +welke zij zoo verrukkelijk had gedroomd. Hoe tooverachtig schoon vertoont zich alles aan hare ontvlamde verbeelding! Elk nieuw +tooneel wint aan bekoring. Maar na eene wijle ervaart zij, dat onder dat schoon vernis niets dan ijdelheid schuilt. De vleitaal, +welke eens haar hart streelde, klinkt <a id="d0e2963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2963">169</a>]</span>haar schril in het oor; de balzaal heeft hare aantrekkelijkheid voor haar verloren en met een verwoeste gezondheid en een +verbitterd hart trekt zij zich uit de wereld terug, de overtuiging met zich voerende, dat aardsch genot de ziel, die naar +hoogere dingen streeft, niet bevredigen kan.” + +</p> +<p>En zoo ging het voort. Van tijd tot deed zich onder het lezen een gegons van bijvalsbetuigingen hooren, vergezeld van fluisterende +uitroepen, als: “Hoe lief! Hoe welsprekend! Hoe waar!” enz. enz. En toen het stuk met een ijselijk sombere preek eindigde, +volgde er een uitbundige toejuiching. + +</p> +<p>Vervolgens stond een tenger, droefgeestig meisje op, dat zich door de belangwekkende bleekheid onderscheidde, welke het gevolg +is van pillen en indigestie, en droeg een gedicht voor, waarvan ik u twee coupletten zal mededeelen: + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Alabama, vaarwel! Och ’k min U zoo teer! +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Toch ga ’k voor een poos van U scheiden! +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Maar het denken aan U doet mij ’t harte zoo zeer, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijn ziel blijft bij U steeds verbeiden. +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Uw lommerrijke wouden heb ’k dikwijls doorkruist; +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">’k Heb gedoold langs Uw liefelijke stroomen; +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Gehoord hoe uw water bij stormwinden bruist +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">En bewonderend Aurora zien komen.</span></p> +</div> +</div> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">De tranen die ’k schrei, o! ik schaam ze mij niet, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Geen blos dekt mijne vochtige wangen; +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Niet vreemd is mij ’t land, dat mijn aandoening ziet, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">’t Is een vriend waar mijn ziel aan blijft hangen. +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Een meer hartelijke ontvangst vond ik nergens, o neen! +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dan bij U, wien ’k <i>mijn</i> land wel mag heeten; +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">En mijn hoofd en mijn hart moest wel koud zijn als steen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Alabama, als het U kon vergeten!”</span></p> +</div> +</div> +<p>Er waren er slechts zeer weinigen, die wisten wat het woord “Aurora” beteekende, doch het gedicht viel niettemin zeer in den +smaak. +<a id="d0e3008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3008">170</a>]</span></p> +<p>Daarop verscheen een jonge dame met een donkere gelaatskleur, donkere oogen en donker haar, die een indrukwekkend oogenblik +pauseerde, haar best deed om haar gelaat eene tragische uitdrukking te geven en toen op afgemeten toon begon: + +</p> +<p>“Zwart en stormachtig was de nacht. Om den hemeltroon flikkerde een enkele ster, doch zware donderslagen trilden aanhoudend +door het zwerk, terwijl de vreeselijke bliksem gramstorig door de onbewolkte hemelzalen dartelde, alsof hij de macht bespotte, +welke de beroemde Franklin zich over zijne verschrikkingen had aangematigd! Zelfs de onstuimige winden kwamen eendrachtig +uit hunne geheimzinnige woonplaatsen te voorschijn en bulderden in het rond, begeerig naar ’t scheen, om de woestheid van +het tooneel door hunne hulp te verhoogen. + +</p> +<p>“Op zulk een tijdstip, zoo duister, zoo droevig, zuchtte mijn hart naar menschelijk medegevoel,—maar in plaats daarvan, + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijn dierbaarste vriendin, mijn gids en mijn geleide, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijn vreugde bij mijn smart, stondt ge eensklaps aan mijn zijde!</span></p> +</div> +</div> +<p>“Zij bewoog zich voort als een van die liefelijke wezens, welke de romantische jeugd zich op de zonnige paden van het Eden +der verbeelding, voor den geest toovert,—een koningin der schoonheid, zonder versierselen, maar getooid met hare alles overtreffende +bekoorlijkheid. Haar tred was zoo licht, dat het oor hare nadering niet vernam, en indien hare bezielde aanraking niet eene +magische trilling had doen ontstaan, zou zij ongemerkt, ongezocht voorbijgegleden zijn. Een zonderlinge droefheid zetelde +op hare gelaatstrekken, als ijzige tranen op Decembers winterkleed, toen zij naar de strijdende elementen daar buiten wees +en mij verzocht <a id="d0e3022"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3022">171</a>]</span>de beide wezens, die daar werden voorgesteld, te aanschouwen.”<a id="d0e3024src" href="#d0e3024" class="noteref">1</a> + +</p> +<p>Deze nachtmerrie omvatte tien bladzijden schrifts en sloot met een preek, wanhopig akelig voor de Anti-Presbyterianen, doch +die den eersten prijs behaalde en als de schoonste proeve van den avond werd beschouwd. + +</p> +<p>De burgemeester van St. Petersburg hield onder het overreiken van den prijs aan haar, die hem behaald had, eene schitterende +redevoering, in welke hij betuigde, dat dit de welsprekendste rede was, die zijne ooren ooit gehoord hadden en dat Daniel +Webster zelfs er trotsch op had kunnen zijn. + +</p> +<p>In het voorbijgaan moet gezegd worden, dat de opstellen, welke overvloeiden van het woord “heerlijk” als ook van de vergelijking +“menschelijke ondervinding,” met “een bladzijde uit het leven,” het gemiddeld aantal overtrof. + +</p> +<p>Thans schoof de meester, opgewonden tot aan luidruchtigheid toe, zijn stoel op zijde, ging met den rug naar het publiek staan +en begon zijne aardrijkskundige lessen door op het bord eene kaart van Amerika te teekenen. Doch hij maakte met zijne onvaste +hand een figuur—en er werd een onderdrukt gelach in de school gehoord. Hij wist wat er aan haperde en deed zijn best om de +fout te herstellen, veegde enkele lijnen met de spons uit en maakte weder nieuwe. Helaas! zij werden hoe langer hoe slechter +en het gegiegel werd luider. Hij wijdde zijn gansche aandacht aan het werk, alsof hij besloten had zich niet door <a id="d0e3035"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3035">172</a>]</span>het publiek uit het veld te laten slaan. Hij voelde, dat aller oogen op hem gevestigd waren, en verbeeldde zich dat het beter +ging. En toch hield het gegiegel aan, ja, het vermeerderde blijkbaar. En daartoe was wel reden. Boven zijn hoofd was een vliering +met een luik, en uit dat luik, kwam een kat te voorschijn, welke men een touw om de achterpooten gehecht had. Die kat had +een doekje om den kop en de kaken gebonden, on haar het miauwen te beletten. Terwijl zij langzaam naar beneden sukkelde, kromde +zij zich naar alle kanten, sloeg hare klauwen om het touw, schommelde vervolgens naar de laagte en krabde tegen de ontastbare +lucht. Het gegiegel werd erger en erger: de kat was omstreeks zes duim van des soezerigen meesters hoofd. Nog een weinig later +en zij greep met hare klauwen wanhopig naar des meesters pruik, klemde zich daaraan vast en werd een oogenblik later weder +tot de vliering opgetrokken, met haar zegeteeken tusschen de pooten. En welk een lichtgloed verspreidde zich toen van des +meesters hoofd. Immers de verversjongen had dat lichaamsdeel met verguldsel besmeerd. + +</p> +<p>Met dit tooneel werd de vergadering gesloten. De jongens waren gewroken en de vacantie was begonnen. + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3024" href="#d0e3024src" class="noteref">1</a></span> De dusgenaamde “opstellen”, die wij hier hebben aangehaald, zijn zonder eenige verandering genomen uit een werkje getiteld: +“Proza en poëzie, door eene dame uit het verre Westen.” Zij zijn volmaakt naar het gewone schoolmeisjesmodel, en vandaar dat +wij beter geslaagd zijn, dan wanneer wij er een hadden verzonnen. +</p> +</div> +<p class="div1"><a id="d0e3039"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXIII.</h2> +<p>Aangetrokken door de schitterende uniform der “Matigheids-Cadetten” werd Tom lid der afdeeling van het nieuw opgerichte genootschap +en beloofde hij zich gedurende zijn lidmaatschap te onthouden van rooken en vloeken. Bij deze gelegenheid ontdekte de knaap +iets, waaraan hij vroeger <a id="d0e3044"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3044">173</a>]</span>nooit gedacht had, namelijk—dat de aflegging der belofte om iets <i>niet</i> te doen, het beste middel is om iets te leeren doen. Tom voelde zich door een nooit gekenden lust gekweld on te rooken en +te vloeken: ja, de begeerte werd zoo sterk, dat alleen de hoop om zijn roode sjerp te vertoonen, hem er van terughield zijn +lidmaatschap op te zeggen. + +</p> +<p>Het was 4 Juli toen hij tot den bond toetrad, en hij was nog geen acht en veertig uren lid geweest of hij was gereed en gezind +zich van zijne boeien te ontslaan. Doch juist dien dag vernam hij, dat de oude vrederechter ziek was en waarschijnlijk zou +sterven. Zulk een voornaam ambtenaar zou zeker met groote plechtigheid begraven worden en dan had hij een kansje om in zijn +uniform den stoet te volgen. Drie dagen lang was Tom diep begaan met des rechters toestand en vol verlangen naar tijding. +Nu en dan klom zijn hoop zoodanig, dat hij het waagde zijn sjerp uit de kast te halen en zich voor den spiegel voor de groote +gebeurtenis te oefenen. Doch de rechter bleef wanhopig lang tusschen dood en leven dobberen en werd ten slotte aan de betere +hand en daarna voor hersteld verklaard. Tom was boos en zeide onverwijld zijn lidmaatschap op. Helaas! dienzelfden nacht stortte +de rechter in en stierf. + +</p> +<p>Tom besloot oude vrederechters nooit meer te vertrouwen. De begrafenis was prachtig en de cadetten paradeerden op een wijze, +die er op toegelegd scheen om het vroegere lid van afgunst te doen vergaan. Doch hij was vrij en kon weder naar hartelust +rooken en vloeken. En nu bemerkte hij tot zijne verwondering, dat hij er op eens geene behoefte meer aan had. De wetenschap +alleen, dat hij het doen kon nam den lust en het genot er van weg. + +</p> +<p>Tot Toms groote verbazing begon hij te bemerken, dat de lang gewenschte vacantie wat vervelend werd. +<a id="d0e3055"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3055">174</a>]</span></p> +<p>Hij beproefde een dagboek te maken, doch aangezien er de eerste drie dagen niets merkwaardigs voorviel, gaf hij het op. Toen +kwam het “Café Chantant,” der negerzangers in de stad en maakte sensatie. Dadelijk werd er door Tom en Joe Harper een speel- +en zanggezelschap opgericht en de knapen vermaakten zich daarmede een paar dagen. Zelfs de dag van den intocht des nieuwen +Senators mislukte gedeeltelijk, omdat het hard regende. Dientengevolge was er geen optocht,—en zelfs in den grootsten man +der wereld (naar het oordeel van Tom), den heer Beuton, een wezenlijken Senator van de Vereenigde Staten, werd hij bitter +teleurgesteld, want deze bleek op geen stukken na vijf en twintig voet lang te zijn. + +</p> +<p>Toen kwam er een paardenspel. De jongens speelden drie dagen “cirque”, in tenten van lompen en oude tapijten, met toegangskaarten +van drie centen en twee voor meisjes, en daarna werd het paardenspel opgegeven. + +</p> +<p>Eindelijk kwam er een buikspreker en een goochelaar—die weder vertrokken en het stadje achterlieten somberder en droeviger +dan ooit. + +</p> +<p>Ook werden er enkele kinderpartijen gegeven, doch zij waren zoo zeldzaam en zoo heerlijk, dat de pijnlijke leemte tusschen +de eene visite en de andere er te meer om werd gevoeld. + +</p> +<p>Becky Thatcher was naar huis gegaan, naar Konstantinopel, om de vacantie bij hare ouders door te brengen: dus was er nergens +een zonnestraaltje te vinden. Daarbij kwam nog het vreeselijk geheim van den moord, dat eene slepende ellende bleef voor den +armen knaap. + +</p> +<p>Midden in de vacantie vertoonde zich de mazelen-epidemie en Tom was twee weken lang een gevangene, dood voor de wereld en +hetgeen daarin voorviel. Hij was zeer <a id="d0e3068"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3068">175</a>]</span>ziek en stelde nergens belang in. Toen hij eindelijk weder buiten mocht komen en zachtjes de stad doordrentelde, scheen alles +en elk schepsel een treurige verandering ondergaan te hebben. Er was een straatprediker geweest, die de menschen bekeerd had, +niet alleen de volwassenen, maar zelfs de kleine jongens en meisjes. Tom ging de stad rond in de hopelooze hoop van ten minste +een enkel zondig gezicht tegen te komen, doch overal wachtte hem teleurstelling. Hij vond Joe Harper verdiept in de studie +van het Nieuwe Testament en hij wendde zich droevig van dit drukkend schouwspel af. Hij zocht Ben Rogers en vond hem aan het +bezoeken van armen, met een mandje met traktaatjes, als eene waarschuwing tot bekeering, bij zich. Hij spoorde Jim Hollis +op, die hem wees op de zegen van de mazelen. Iedere jongen, dien hij tegenkwam, bracht een dosis tot zijn toestand van neerslachtigheid +toe, en toen hij in wanhoop eindelijk zijn toevlucht nam tot Huckleberry Finn en ook door hem met eene aanhaling uit de Schrift +ontvangen werd, brak hem het hart en sloop hij naar zijn bed en maakte zich wijs, dat hij de eenige in de stad was, die voor +eeuwig, eeuwig was verloren. + +</p> +<p>Juist dien nacht kwam er een vreeselijke storm met slagregen, ontzettende donderslagen en verblindende bliksemstralen. Tom +kroop onder de dekens en wachtte in een akelige onzekerheid zijn doemvonnis af: immers hij was volkomen overtuigd, dat dit +woeden der elementen om zijnentwil geschiedde. Hij geloofde, dat hij de verdraagzaamheid der bovenaardsche machten getart +had, meer dan zij dragen konden, en dat dit er het gevolg van was. Het zou hem wel vreemd voorgekomen zijn als zooveel vertooning +en geschut was aangewend om een mug te dooden, doch hij vond het heusch niet ongerijmd, dat er zulk een <a id="d0e3072"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3072">176</a>]</span>onweder was ontstaan om een worm als hij te vernietigen. + +</p> +<p>Langzamerhand bedaarde de storm en verdween, zonder zijn voornemen te hebben ten uitvoer gebracht. De eerste aandrang van +den knaap was, dankbaar te zijn en zich te verbeteren. De tweede was, te wachten: immers er mochten nog eens meer stormen +komen. + +</p> +<p>Den volgenden dag stond de dokter opnieuw voor zijn bed. Tom was weder ingestort. De drie volgende weken, die hij op zijn +rug doorbracht, schenen eene eeuwigheid. Toen hij eindelijk weder buiten kwam, was hij nauwlijks dankbaar dat hij gespaard +was gebleven, daar hij immers verlaten en van makkers beroofd was. Hij zwierf lusteloos door de straat en vond Jim Hollis +voor rechter spelende in een gerechtshof van jongelieden, die een kat wegens moord hadden aangeklaagd, in de tegenwoordigheid +van haar slachtoffer, een vogel. Daarna zag hij Joe Harper en Huck Finn, die in plaats van de Schriften te lezen, bezig waren +een gestolen meloen op te muizen. Arme knapen, ook zij waren weder ingestort! + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e3078"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXIV.</h2> +<p>Eindelijk kwam er beweging in de droomerige atmosfeer—en geweldige beweging ook. De zaak van den moord zou voorkomen bij het +Gerechtshof. Natuurlijk werd deze zaak het onderwerp van alle gesprekken; ook in Toms kring werd er druk over gesproken. Maar +telkens, als het woord genoemd werd, voer hem eene rilling door de leden en hij verbeeldde zich in zijn angst, dat er voorbedachtelijk +zoo gedurig in zijne tegenwoordigheid over gesproken <a id="d0e3083"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3083">177</a>]</span>werd, om te zien of hij er ook iets mede te maken had. Ofschoon hij zeker wist, dat niemand eenig vermoeden omtrent zijne +bekendheid met de misdaad kon hebben, voelde hij zich toch onder die praatjes niet op zijn gemak. Hij stierf elken dag duizend +dooden en nam eindelijk Huck met zich naar eene eenzame plaats om de zaak met hem te bepraten. Het zou eene verlichting wezen, +eens even zijn tong vrij te laten en den lijdenslast met een lotgenoot te deelen. Bovendien wilde hij er zich van overtuigen, +dat Huck gezwegen had. + +</p> +<p>“Huck, heb je nooit iemand daarover gesproken?” + +</p> +<p>“Waarover?” + +</p> +<p>“Dat weet je wel!” + +</p> +<p>“O, natuurlijk niet.” + +</p> +<p>“Nooit een woord?” + +</p> +<p>“Nooit een enkel woord.—Waarom vraag je dat?” + +</p> +<p>“Wel, ik was er bang voor.” + +</p> +<p>“Maar Tom Sawyer! Wij zouden geen vier en twintig uur meer geleefd hebben, als het ontdekt was. Dat weet je immers wel.” + +</p> +<p>Tom werd kalmer. Na een pauze hernam hij: + +</p> +<p>“Huck, je zoudt je immers door niets, noch door iemand laten ompraten.” + +</p> +<p>“Laten ompraten? Wel, als ik zin krijg om me door dien duivel van een kleurling te laten verzuipen, dan zal ik me laten ompraten.” + +</p> +<p>“Nu, dan is het in orde. Ik geloof, dat we veilig zijn, zoolang we zwijgen. Doch laat ons voor de securiteit nog eens zweren.” + +</p> +<p>“Best.” + +</p> +<p>Dus zwoeren de knapen ten tweede male met dure eeden. + +</p> +<p>“Wat zeggen de menschen toch, Huck? Ik heb er nog zoo weinig van gehoord.” +<a id="d0e3115"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3115">178</a>]</span></p> +<p>“Zeggen! ’t Is Muff Potter en ’t blijft Muff Potter. Het koude zweet staat mij op ’t voorhoofd, als ik het hoor, en ik zou +wel onder den grond willen kruipen.” + +</p> +<p>“Zoo gaat het mij ook. Ik weet, dat hij er om koud is.—Heb je niet somtijds medelijden met hem?” + +</p> +<p>“Ja, dag en nacht. ’t Is wel geen beste, die Muff Potter, maar hij heeft nooit iemand kwaad gedaan. Hij bedelt wel eens langs +de straat om geld te krijgen voor drank en hij loopt ook te luieren, maar o, Heertje, dat doen we allemaal, ten minste de +meesten, vooral de dominees en dat slag van volk. Maar hij is een goede kerel, want hij heeft me eens de helft van zijn visch +gegeven, terwijl hij zelf nog honger had; en ik weet niet hoeveel maal hij mij geholpen heeft, als ik in de knijp zat.” + +</p> +<p>“En voor mij heeft hij oude vliegers opgelapt, Huck, en vischnetten gebreid. Ik wou, dat ik hem uit de kast kon krijgen.” + +</p> +<p>“We kunnen er hem niet uit krijgen, Tom; en ’t zou hem niet veel baten, want ze zouden hem er wel gauw weder inpakken.” + +</p> +<p>“Ja, dat zouden zij. Maar ik vind het akelig om hem zoo duivelsch valsch te hooren beschuldigen van iets, dat hij niet gedaan +heeft.” + +</p> +<p>“Ik ook, Tom. Ik heb ze hooren zeggen, dat hij de gemeenste schurk uit het land was en dat het een wonder is, dat hij niet +eerder gehangen werd.” + +</p> +<p>“Ja, zoo praten zij. Ik heb hooren zeggen, dat, als hij vrij kwam, zij hem zouden <i>lynchen</i><a id="d0e3134src" href="#d0e3134" class="noteref">1</a>—en dat zouden zij doen ook.” + +</p> +<p>De jongens praatten nog een tijdlang op deze wijze <a id="d0e3139"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3139">179</a>]</span>voort, doch het gesprek bracht hun weinig troost aan. Tegen schemeravond stonden zij voor de kleine eenzame gevangenis, wellicht +met een vage hoop in het hart, dat er iets zou gebeuren, waardoor hunne moeielijkheden uit den weg zouden worden geruimd. +Doch er gebeurde niets; de engelen en feeën schenen zich het lot van dezen ongelukkige niet aan te trekken. + +</p> +<p>Tom en Huck deden dien avond wat zij al menigmaal hadden gedaan; zij zetten zich voor het tralievenster der cel neder en gaven +Potter wat tabak en een paar zwavelstokken. Daar de gevangene in een laag hok lag en door geen schildwachten werd bewaakt, +konden zij hem deze kleine giften zonder moeite toereiken. + +</p> +<p>Zijne dankbaarheid voor hunne geschenken had hen altijd pijnlijk aangedaan,—doch ditmaal trof zij hen meer dan ooit. Zij vonden +zichzelven onuitsprekelijk laf en valsch, toen Potter zeide: + +</p> +<p>“Jelui bent almachtig goed voor me geweest, jongens, beter dan iemand anders in de geheele stad, en ik zal het nooit, nooit +vergeten. Dikwijls zeg ik tot mijzelven: ‘Ik placht al de vliegers en dingen voor de jongens in orde te maken en hen te wijzen +waar de beste visch te vangen was en hun pleizier te doen zooveel ik kon, en thans, nu hij in nood is, hebben zij allen den +ouden Muff vergeten—allen behalve Tom en Huck. Die vergeten hem niet,<span class="corr" title="Bron: ">’</span> zeg ik, en ik vergeet hen niet. Wel jongens, ik heb een vreeselijke misdaad gepleegd, in mijne dronkenschap,—anders begrijp +ik niet, hoe ik het gedaan kon hebben,—en nu moet ik er voor hangen, en dat is maar goed, ja, ’t beste wat ze met mij doen +kunnen. Doch daar zullen wij niet verder over spreken. Ik wil jelui niet akelig maken, daarvoor ben jelui te goed voor mij +geweest! Maar wat ik zeggen wou, is dit: drinkt <a id="d0e3150"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3150">180</a>]</span>nooit te veel, en jelui zult nooit hier komen. Ga een beetje dichter bij het raam staan, dan kan ik jelui beter zien; ’t is +zoo’n troost, vriendelijke gezichten te zien, als men zich zoo diep ellendig voelt,—en ik zie ze hier nooit, behalve die van +jelui. Goede, vriendelijke gezichten. Goede, vriendelijke gezichten! Gaat op elkanders rug staan en geef mij de hand; uwe +handen kunnen wel door de tralies doch de mijne niet, die zijn te groot. Kleine, teere handjes, die Muff Potters last verlicht +hebben en welke, als ze maar konden, dien wel heelemaal zouden wegnemen!” + +</p> +<p>Tom ging dien avond diep rampzalig naar huis en werd den ganschen nacht door afgrijselijke droomen gekweld. De twee volgende +dagen was hij al vroeger op straat en en bleef hij om de zaal van het gerechtshof heen zweven, naar welk gebouw hij onwederstaanbaar +gedreven werd, ofschoon hij al zijne krachten inspande om zich te dwingen er vandaan te blijven. Huck ondervond hetzelfde +en de beide knapen vermeden elkander opzettelijk. Soms liepen zij voor een oogenblik weg, doch dezelfde vreeselijke betoovering +dreef hen altijd weder naar het gebouw terug. Telkens spitste Tom de ooren, wanneer er een leeglooper de zaal in- of uitslenterde, +doch hij hoorde onveranderlijk treurig nieuws; het net werd hoe langer hoe dichter om den armen Potter toegehaald. Aan den +avond van den tweeden dag liep in het stadje het gerucht dat het feit door Injun Joe’s verklaring volkomen was bewezen en +dat er geen twijfel meer bestond omtrent de uitspraak der jury. + +</p> +<p>Tom kwam laat in den avond tehuis en klom door het venster in zijne slaapkamer. Hij was in een staat van vreeselijke opgewondenheid +en uren verliepen, eer hij den slaap kon vatten. Den volgenden morgen liep de gansche stad uit naar het Hof, want dit was +de groote dag. De <a id="d0e3156"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3156">181</a>]</span>beide geslachten waren gelijkelijk in dit zich opeenhoopend publiek vertegenwoordigd. Na lang op zich te hebben laten wachten, +kwam de jury binnen en nam haar zetels in. Kort daarop werd Potter geboeid binnengebracht. Hij zag er bleek en ontdaan uit +en werd zoo geplaatst, dat al de nieuwsgierige oogen hem konden zien. Niet minder viel Injun Joe in ’t oog, verstaald als +altijd. Na eene kleine pauze kwam de voorzitter binnen en de sherif verklaarde de zitting voor geopend. Daarop volgde het +gewone gefluister onder de leden der balie en het bijeenverzamelen der stukken<span class="corr" title="Bron: ">.</span> Deze bijzonderheden en het haar vergezellend oponthoud brachten niet weinig bij om het indrukwekkende dezer bijeenkomst te +verhoogen en de vergadering in de grootste spanning te brengen. Nu werd er een getuige voorgeroepen die verklaarde, dat hij +Muff Potter in den vroegen morgen van den dag, waarop de moord ontdekt was, zich in een beek had zien wasschen en onmiddellijk +daarop door het kreupelhout wegsluipen. Nadat dien getuige enkele vragen gedaan waren, zeide de openbare aanklager; + +</p> +<p>“Hebt gij den getuige nog verder iets te vragen?” + +</p> +<p>De gevangene hief een oogenblik de oogen op, doch sloeg ze terstond weder neer, toen zijn verdediger zeide: + +</p> +<p>“Ik heb hem geene vragen te doen.” + +</p> +<p>De volgende getuige deelde mede, dat er een mes bij het lijk gevonden was. Op de vraag, of hij dezen ook iets te vragen had, +antwoordde de advocaat van Potter: + +</p> +<p>“Ik heb ook dezen niets te vragen.” + +</p> +<p>Het publiek begon teekenen van ontevredenheid te geven.—Was deze advocaat van plan zijn cliënt het leven te doen verliezen, +zonder een enkele poging te wagen om hem te redden?<span class="corr" title="Bron: ”"></span> + +</p> +<p>Verscheidene getuigen legden verklaringen af omtrent <a id="d0e3177"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3177">182</a>]</span>de schuld verradende houding van Potter, toen hij op de plaats waar de moord gepleegd was, gebracht werd. Zij mochten allen +aftrekken zonder kruisvragen te ondergaan. + +</p> +<p>Al de bezwarende omstandigheden, welke in dien morgen op het kerkhof hadden plaats gegrepen en die de aanwezigen zich zoo +goed wisten te herinneren, werden door geloofwaardige getuigen gestaafd, maar tot geen hunner werd door Potters verdediger +een vraag gericht. + +</p> +<p>De verslagenheid en ontevredenheid van het publiek uitte zich in een dof gemompel en gaf aanleiding tot eene berisping van +de zijde van den voorzitter. De woordvoerder voor de beschuldiging zeide daarop: + +</p> +<p>Door de beëedigde getuigenissen van burgers, wier geloofwaardigheid boven alle verdenking verheven is, hebben wij het onweerlegbaar +bewijs geleverd, dat de ongelukkige gevangene, die in gindsche bank gezeten is, het vreeselijk misdrijf heeft bedreven. Onze +taak is hiermede geëindigd. + +</p> +<p>Een kreet ontsnapte den armen Potter en hij sloeg zijne handen voor het gelaat en bewoog zich onrustig op zijne plaats, terwijl +er in de gerechtszaal een pijnlijk stilzwijgen heerschte. Vele mannen waren bewogen en menige vrouw gaf door tranen van medelijden +blijk. + +</p> +<p>De verdediger stond op en sprak: + +</p> +<p>“Mijnheer de Voorzitter! + +</p> +<p>“Toen wij bij het begin der behandeling van dit geding ons enkele aanmerkingen over de zaak veroorloofden, hebben wij gezegd, +dat wij zouden trachten aan te toonen, dat onze cliënt bij het plegen dezer ontzettende daad handelde in een toestand van +waanzin, ontstaan uit misbruik van sterken drank, die zijne aansprakelijkheid uitsloot. Wij zijn op dat voornemen teruggekomen; +die verdediging zullen wij niet voeren.” (En toen tot den deurwaarder) “Roep Thomas Sawyer.” +<a id="d0e3193"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3193">183</a>]</span></p> +<p>De grootste verbazing teekende zich op ieders gelaat, dat van Potter niet uitgezonderd. Aller oogen wendden zich vol bevreemding +en belangstelling op Tom, toen deze opstond en in het getuigenbankje plaats nam. De knaap zag er bleek en doodelijk verschrikt +uit. De eed werd hem afgenomen. + +</p> +<p>“Tom Sawyer, waar zijt gij den zeventienden Juni, omstreeks middernacht geweest?” + +</p> +<p>Tom keek naar het verstaalde gezicht van Injun Joe en zijne tong weigerde hare diensten. Het publiek luisterde met ingehouden +adem, doch de woorden wilden niet komen. Na een paar minuten echter kwam de ontstelde knaap eenigermate tot zich zelven en +trachtte hij zijne stem te verheffen, om zich door de aanwezigen te doen verstaan en zeide: + +</p> +<p>“Op het kerkhof!” + +</p> +<p>“Een weinig luider, als ’t u belieft. Wees niet bang.—Gij waart....?” + +</p> +<p>“Op het kerkhof!” + +</p> +<p>Eene minachtende glimlach speelde om de lippen van Injun Joe. + +</p> +<p>“Waart gij in de nabijheid van het graf van Hoss Williams?” + +</p> +<p>“Ja, mijnheer.” + +</p> +<p>“Spreek nog iets luider. Hoe dicht waart ge er bij?” + +</p> +<p>“Zoo dicht, als ik thans bij u sta.” + +</p> +<p>“Hieldt gij u verborgen of niet?” + +</p> +<p>“Verborgen, mijnheer.” + +</p> +<p>“Waar?” + +</p> +<p>“Achter de olmboomen, aan den rand van het graf.” + +</p> +<p>Injun Joe deinsde onwillekeurig achteruit. + +</p> +<p>“Hadt gij niemand bij u?” +<a id="d0e3228"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3228">184</a>]</span></p> +<p>“Ja, mijnheer. Ik was daar met...” + +</p> +<p>“Wacht, wacht een oogenblik. Gij behoeft den naam van uw makker niet te noemen. Wij zullen hem te zijner tijd voorbrengen. +Hadt gij iets bij u?” + +</p> +<p>Tom aarzelde en keek verlegen voor zich. + +</p> +<p>“Spreek vrij uit, mijn jongen;—wees niet bedeesd. ’t Is altijd braaf on de waarheid te spreken. Wat hebt gij mede naar het +kerkhof genomen?” + +</p> +<p>“Niets dan een—een doode kat!” + +</p> +<p>Voor een oogenblik verhief zich zulk een luid glimlach onder de menigte, dat de voorzitter den hamer moest gebruiken. + +</p> +<p>“Nu, mijn jongen, vertel ons al wat er is voorgevallen. Zeg het in uw eigen taal;—sla niets over en wees niet bang.” + +</p> +<p>Tom begon. Eerst aarzelend, doch naarmate hij zich warmer over het onderwerp maakte, vloeiden zijne woorden met grooter gemak, +en het duurde niet lang of er werd geen geluid gehoord dan dat van zijne stem. Aller oogen waren op hem gericht en met open +mond en ingehouden adem hing het publiek aan zijne lippen, ontzet door het verhaal van de afgrijselijke geschiedenis. De hooggespannen +aandacht bereikte haar toppunt, toen de jongen zeide: + +</p> +<p>“En toen de dokter de plank opnam en Muff Potter viel, sprong Injun Joe met het mes op hem toe en....” + +</p> +<p>Krak! Sneller dan de bliksem vloog de kleurling door een raam, duwde allen die hem trachten tegen te houden terug en was verdwenen. + + + +<a id="d0e3249"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3249">185</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3134" href="#d0e3134src" class="noteref">1</a></span> Buitengerechtelijk veroordeelen en ter dood brengen. +</p> +</div> +<p class="div1"><a id="d0e3250"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXV.</h2> +<p>Tom was ten tweede male de held van den dag,—het troetelkind der ouden van dagen, het voorwerp van afgunst der jeugd. Zijn +naam werd zelfs door de drukpers onsterfelijk gemaakt, want hij werd eervol in het “Peterburgsche blaadje” vermeld. Er waren +er zelfs, die in hem, indien hij aan de galg ontkwam, een toekomstigen President zagen. + +</p> +<p>Zooals dat gewoonlijk gaat, koesterde de veranderlijke, onredelijke wereld Muff Potter aan haar hart en vertroetelde hem even +dwaas als zij hem te voren had beschimpt. Doch aangezien deze gewoonte de menschheid eer tot lof dan tot blaam strekt, zou +het onheusch zijn er haar een verwijt van te maken. + +</p> +<p>De eerstvolgende dagen waren voor Tom een tijdperk van onvermengd genot, maar zijne nachten waren vreeselijk. Het beeld van +Injun Joe vervolgde hem in zijn droomen en de moordenaar stond gedurig voor hem, met verdelging in zijn oog. De knaap was +er voor geen geld toe te bewegen om na zonsondergang de deur uit te gaan. De arme Huck verkeerde in denzelfden toestand van +ellende en schrik, want Tom had den avond voor den rechtsdag de geheele geschiedenis aan den pleitbezorger verteld, en Huck +was doodbang dat het uitlekken zou, dat ook hij in de zaak betrokken was, ofschoon de vlucht van Injun Joe hem de marteling +gespaard had van op ’s Hofs zitting getuigenis te moeten afleggen. + +</p> +<p>Sedert Toms bezwaard geweten hem in den laten avond <a id="d0e3261"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3261">186</a>]</span>naar het huis van den advocaat gedreven had en deze het huiveringwekkend verhaal had ontwrongen aan lippen, die door de vreeselijkste +en geheimzinnigste eeden gesloten waren geweest, had Huck zijn vertrouwen in de menschheid voor eeuwig verloren. Zoolang het +daglicht scheen, maakte Muff Potters dankbaarheid Tom blijde dat hij gesproken had; maar zoodra de avond was gedaald, zou +hij om alles gewild hebben dat zijn mond gesloten was gebleven. Het eene oogenblik bekroop hem de vrees, dat Injun Joe nooit +gevat zou worden, en het andere beefde hij bij de gedachte dat het wel zou gebeuren. Het was hem alsof hij niet weder vrij +zou ademen, voordat die man dood was en hij zijn lijk had gezien. Geldsommen waren uitgeloofd, men had het land doorkruist, +doch er werd geen Injun Joe gevonden. Op zekeren dag kwam er uit St Louis een van die alwetende, ontzagwekkende wonderen in +menschengedaante, een agent van de geheime politie, hoofdschuddend en met een voornaam gezicht te St Peterburg en maakte dien +kolossalen opgang, welke leden van dat verheven lichaam altijd maken. Hij kwam zeggen dat hij den “sleutel” gevonden had. +Doch aangezien men geen “sleutel” wegens moord kon ophangen, bracht het bezoek van den grooten man weinig licht aan en voelde +Tom zich al even bezwaard als vroeger. De eene dag voor en de andere na ging voorbij, zonder dat hem het drukkend wicht van +den angst werd afgenomen. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e3263"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXVI.</h2> +<p>Er komt een tijd in elk wel ingericht jongensleven, dat hij door eene vurige begeerte wordt aangegrepen om ergens <a id="d0e3268"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3268">187</a>]</span>een verborgen schat te gaan zoeken. Dat verlangen bekroop plotseling Tom. Hij stapte de deur uit om Joe Harper op te zoeken, +doch zonder baat. Toen ging hij naar Ben Rogers; helaas! deze was visschen. Weldra echter liep hij Huck tegen ’t lijf en de +beruchte straatjongen stond hem te woord. Tom nam hem met zich naar een eenzame plaats en deelde in vertrouwen zijn voornemen +mede. Huck werd bereid gevonden; hij had gaarne de hand in elke onderneming, welke genot beloofde en geen geld kostte, daar +hij een lastigen overvloed van die soort van tijd had, die <i>geen</i> geld is. + +</p> +<p>“Waar zullen wij graven!” vroeg Huck. + +</p> +<p>“O, overal!” + +</p> +<p>“Zoo, zijn dan overal schatten begraven?” + +</p> +<p>“Neen, waarachtig niet. Zij zijn meestal op allervreemdste plaatsen verborgen, Huck;—somtijds op eilanden en ook wel in verrotte +kisten, onder een tak van een ouden dooden boom op welken de maan te middernacht haar schaduw werpt. Doch doorgaans vindt +men ze veel in den grond onder spookhuizen.” + +</p> +<p>“Wie verstopt ze?” + +</p> +<p>“Wel de roovers natuurlijk.—Wie anders, denk je. De catechiseermeester van de zondagsschool?” + +</p> +<p>“Ik weet het zoo niet. Indien ik een schat had, zou ik hem niet verstoppen: ik zou er hem doorlappen om een lekker leventje +te hebben.” + +</p> +<p>“Ik ook; maar roovers doen dat niet; zij verbergen hem en laten hem waar hij is.” + +</p> +<p>“Komen zij hem nooit halen?” + +</p> +<p>“Neen; zij hebben er wel plan op, maar zij vergeten doorgaans de plaats, waar zij hem verstopt hebben, of zij gaan dood. Hoe +dan ook, hij blijft lang onder den grond liggen en begint te roesten; en in verloop van tijd vindt <a id="d0e3293"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3293">188</a>]</span>de een of ander een oud geel stukje papier, dat hem zegt waar de schat begraven is;—een papiertje dat men in een week niet +ontcijferen kan, omdat het schrift enkel uit teekens en hiëroglyphen bestaat.” + +</p> +<p>“Hiëro... wat?” + +</p> +<p>“Hiëroglyphen! Dat zijn prentjes en dingen, schijnbaar zonder beteekenis.” + +</p> +<p>“Heb jij ook van die papiertjes, Tom?” + +</p> +<p>“Neen.” + +</p> +<p>“Hoe kun je dan de teekenen uitvinden?” + +</p> +<p>“Wel, ik heb geen teekenen noodig. Schatten worden ook wel onder een spookhuis begraven of op een eiland, of onder een dooden +boom met vooruitstekende takken. Wij hebben het op Jacksons Island al zoo wat geprobeerd en nu kunnen wij weer ergens anders +aan den gang gaan. Daar heb je bij voorbeeld het oude spookhuis, Hill-House Branch, en verder zijn er een menigte boomen met +doode takken.” + +</p> +<p>“Vindt men ze onder alle?” + +</p> +<p>“Wat praat je toch! Natuurlijk niet!” + +</p> +<p>“Hoe weet je dan onder welke je moet zoeken?” + +</p> +<p>“Wij moeten ze alle uitgraven.” + +</p> +<p>“Maar, Tom, dan kunnen wij den geheelen zomer wel aan den gang blijven!” + +</p> +<p>“Wat kan dat schelen? Verbeeld je, dat we eens een koperen pot vinden met honderd roestige dollars er in, of een verrotte +kist met diamanten. Wat zou je daarvan zeggen?” + +</p> +<p>Hucks oogen glinsterden. + +</p> +<p>“Dat is zat, meer dan zat voor mij. Geef mij de honderd dollars, dan mag jij de diamanten houden!” + +</p> +<p>“Afgesproken! De diamanten zijn lang niet te verwerpen. <a id="d0e3325"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3325">189</a>]</span>Sommigen zijn twintig dollars het stuk waard. Er zijn er haast geen, die je onder de zes verkoopen kunt.” + +</p> +<p>“Wezenlijk? Is dat zoo?” + +</p> +<p>“Zeker; dat weet iedereen. Heb je er nooit een gezien, Huck?” + +</p> +<p>“Niet, dat ik mij herinner!” + +</p> +<p>“O, de koningen hebben ze bij menigte.” + +</p> +<p>“Maar ik ken geen enkelen koning, Tom.” + +</p> +<p>“Dat wil ik wel gelooven. Hier zijn geen koningen; maar als je eens naar Europa gingt, zou je er een mud in het rond zien +springen.” + +</p> +<p>“Springen zij?” + +</p> +<p>“Springen,—eend! Wel neen!” + +</p> +<p>“Wel, waarom zeg je het dan?” + +</p> +<p>“Och, ik bedoelde alleen maar, dat je ze zien zoudt,—maar niet zien springen, natuurlijk niet. Waarom zouden zij dat doen? +Ik meen, dat je er den grond mede bezaaid zoudt zien, evenals bij dien Richard den Bultenaar.” + +</p> +<p>“Richard ...? Hoe heet hij nog meer?” + +</p> +<p>“Hij heeft geen anderen naam. Koningen hebben alleen maar één voornaam. + +</p> +<p>“Zoo?” + +</p> +<p>“Zeker, zoo is ’t.” + +</p> +<p>“Nu, als ze dat prettig vinden, laten ze hun gang gaan. Ik zou geen koning willen zijn, om alleen maar één voornaam te hebben, +evenals de nikkers.—Maar zeg, waar ga je eerst graven?” + +</p> +<p>“Dat weet ik nog niet. Zullen wij eerst beginnen onder dien ouden dooden tak op den heuvel, aan de overzijde van Hill-House +Branch?” + +</p> +<p>“Akkoord.” + +</p> +<p>De knapen wisten een gebrekkige bijl en een schoffel <a id="d0e3363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3363">190</a>]</span>machtig te worden en ondernamen de voetreis van anderhalf uur. Zij kwamen bezweet en hijgend aan en legden zich onder de schaduw +van een olmboom neder om uit te rusten en een pijp te rooken. + +</p> +<p>“Het bevalt mij,” zei Tom. + +</p> +<p>“Mij ook,” antwoordde Huck. + +</p> +<p>“Zeg eens, Huck, als wij hier den schat vinden, wat doe jij dan met jouw aandeel?” + +</p> +<p>“Ik? Ik koop elken dag een pastei en een glas sodawater en ik ga naar elk paardenspel dat hier in de buurt komt. Ik verzeker +je, dat ik het er van nemen zal.” + +</p> +<p>“Zou je er niets van opsparen?” + +</p> +<p>“Opsparen? Waarvoor zou dat dienen?” + +</p> +<p>“Om wat te hebben om later van te leven.” + +</p> +<p>“O, dat hoeft niet, als ik dat deed, zou Pop op een goeden dag terugkomen en er zijne klauwen op zetten, om er spoedig een +eind aan te maken.—Wat doe jij met jouw part?” + +</p> +<p>“Ik koop een nieuwe trom, een sabel, een roode das, een groote poppenkast—en ik ga trouwen.” + +</p> +<p>“Trouwen?” + +</p> +<p>“Ja zeker.” + +</p> +<p>“Tom, ben je mal, of wat scheelt je?” + +</p> +<p>“Wacht maar: je zult het zien gebeuren.” + +</p> +<p>“Hemel, dat is nu het gekste ding, dat je doen kunt. Denk maar eens aan Pop en mijne moeder; ze deden niets dan vechten. Ik +herinner mij dat als den dag van gisteren.” + +</p> +<p>“Dat doet er niet toe. Het meisje, waarmede ik ga trouwen, zal niet vechten.” + +</p> +<p>“Tom, ik geloof dat zij allen hetzelfde zijn. Je kunt ze allen over één kam scheeren. Ik zou me, als ik jou was, nog eens +bedenken eer ik dat deed. Ik zeg je, dat het je berouwen zal. Hoe heet die meid?” +<a id="d0e3397"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3397">191</a>]</span></p> +<p>”’t Is geen meid;—’t is een meisje.” + +</p> +<p>“Dat is hetzelfde; sommigen zeggen meid en anderen meisje. ’t Is allebei goed. Hoe is haar naam?” + +</p> +<p>“Ik zal hem je later zeggen; nu nog niet.” + +</p> +<p>“Ook al goed. Alleen als je gaat trouwen, zal ik verlatener zijn dan ooit.” + +</p> +<p>“Neen, dat zul je niet, want je zult bij ons komen inwonen. Laat ons nu maar spoedig opstaan en aan het graven gaan.” + +</p> +<p>Zij werkten een half uur in het zweet hun aanschijns, doch zonder gevolg. Zij zwoegden nog een half uur, weder zonder baat. +Toen zeide Huck: + +</p> +<p>“Worden die schatten altijd zoo diep begraven als deze?” + +</p> +<p>“Somtijds, niet altijd. Meestal niet. Ik geloof, dat wij op de verkeerde plaats zijn.” + +</p> +<p>Zij kozen daarom een andere plek uit en begonnen weder. De arbeid ging wat langzamer, doch zij maakten toch vorderingen en +hielden het zwijgend eenigen tijd vol. Eindelijk ging Huck op zijne spade leunen, veegde zich met zijn mouw de parelen zweet +van het voorhoofd en zeide: + +</p> +<p>“Waar ga je graven, wanneer wij door dezen boom heen zijn?” + +</p> +<p>“Dan konden wij den ouden boom bij Cardiff Hill, achter het huis van de weduwe wel eens opdelven.” + +</p> +<p>“Dat zal wel een goede zijn. Maar zal de weduwe ons den schat niet afnemen, Tom? ’t is op haar land.” + +</p> +<p>“Zij hem ons afnemen? Laat zij ’t eens probeeren. Al wie een verborgen schat vindt, mag hem houden. Het doet er niet toe op +wiens land het is.” + +</p> +<p>Huck was met dit argument tevreden. De arbeid werd voortgezet. Eindelijk zeide Huck: + +</p> +<p>“Verduiveld, wij zijn zeker weer op de verkeerde plaats. Wat denk jij ervan?” +<a id="d0e3428"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3428">192</a>]</span></p> +<p>“Het is erg vreemd, Huck. Ik begrijp het niet. Soms komen er wel eens heksen tusschenbeide. Ik denk, dat dit nu het geval +is.” + +</p> +<p>“Onzin! Heksen kunnen niets doen bij daglicht.” + +</p> +<p>“Ja, dat is waar ook. Daar dacht ik niet aan. O, ik weet al wat het is. Wat zijn wij toch uilskuikens! Wij moeten zien te +ontdekken, op welken tak tegen middernacht de schaduw van de maan valt, en onder dien tak graven.” + +</p> +<p>“Vervloekt! dus hebben wij monnikenwerk gedaan. Nu zullen wij van nacht terugkomen. ’t Is een verduiveld lange weg. Kun jij +de deur uitkomen?” + +</p> +<p>“Ik denk het wel. Wij moeten het van nacht doen ook, want als iemand deze gaten ziet, zal hij het dadelijk begrijpen en zelf +gaan zoeken.” + +</p> +<p>“Goed, dan zal ik van nacht weer komen miauwen.” + +</p> +<p>“Best. Laat ons de spaden zoolang in het kreupelbosch verbergen.” + +</p> +<p>De knapen waren ter bestemder tijd op de afgesproken plaats en zaten in de schaduw van den boom te wachten. Het was een eenzaam +oord en eene van oudsher plechtige ure. Geesten fluisterden door de ruischende bladeren, spoken loerden in sombere hoeken, +het holklinkend geblaf van een hond werd in de verte gehoord en door een uil met zijne grafstem beantwoord. De knapen waren +geheel onder den indruk dezer ernstige zaken en spraken bijna geen woord. Na een poosje meenden zij, dat het wel twaalf uren +zou zijn; zij gaven nauwkeurig acht op de schaduwen en gingen aan het graven. De hoop begon in hun hart te herleven; hunne +belangstelling werd grooter en hun vlijt hield daarmede gelijken tred. Het gat werd al dieper en dieper en telkens, wanneer +de bijl op iets hards sloeg, sprong hun hart op van vreugde. Doch de <a id="d0e3445"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3445">193</a>]</span>eene teleurstelling volgde de andere. Het was nooit iets anders dan een steen of een paar stukken van beenderen. Eindelijk +zeide Tom: + +</p> +<p>“Het zal niet baten Huck; wij zijn alweer aan den verkeerden boom.” + +</p> +<p>“Maar wij kunnen niet verkeerd zijn: wij hebben precies de beschaduwde plek genomen.” + +</p> +<p>“Dat weet ik wel, maar er is iets anders.” + +</p> +<p>“Wat dan?” + +</p> +<p>“Dat wij naar den tijd geraden hebben. Waarschijnlijk was het te laat of te vroeg.” + +</p> +<p>Huck liet zijn schop vallen. + +</p> +<p>“Daar zul je het hebben,” zeide hij. “Dat is het vervelende ervan. Wij kunnen nooit het juiste oogenblik bepalen, en buitendien, +’t is hier al te griezelig om dezen tijd van den nacht, met ronddolende spoken en geesten. Ik heb een gevoel, alsof er voortdurend +iets achter mij staat, en ik durf mij nauwelijks omkeeren, omdat er anderen achter mij kunnen zijn, die hun kans afwachten. +Ik heb gebeefd als een riet, zoolang ik hier gestaan heb.” + +</p> +<p>“Ik ook, Huck. Zij leggen meestal een dooden man in den kuil, onder den boom waarin zij een schat geborgen hebben.” + +</p> +<p>“Hemelsche vader!” + +</p> +<p>“Ja, dat doen zij. Dat heb ik altijd gehoord.” + +</p> +<p>“Tom, ik houd er niet van, om in de buurt van doode menschen te zwerven. Je hebt er altijd min of meer last van.” + +</p> +<p>“Ik ben er ook niet voor om ze aan den gang te maken, Huck. Verbeeld je eens, dat er zijn schedel opstak en begon te praten.” + +</p> +<p>“Spreek er niet van, Tom; ’t is te vreeselijk.” +<a id="d0e3473"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3473">194</a>]</span></p> +<p>“Gij hebt gelijk, Huck. Ik voel mij niets op mijn gemak.” + +</p> +<p>“Zeg eens Tom, zullen wij deze plaats opgeven en het ergens anders gaan beproeven?” + +</p> +<p>“Goed. Ik geloof ook dat het beter zal zijn. Waar moeten we nu heen?” + +</p> +<p>Tom bedacht zich een oogenblik en zeide toen: + +</p> +<p>“Naar het spookhuis.” + +</p> +<p>“Dank je; ik houd niet van spookhuizen, Tom. Daar zie je gezichten nog akeliger dan die van doode menschen. Lijken mogen praten, +maar ze schuiven niet, als je er niet op verdacht bent, langs je heen in een lijkkleed, om over de schouders te kijken, en +ze kunnen ook niet met hunne tanden knarsen, zooals een spook doet. Ik zou het besterven, Tom—en iedereen met mij.” + +</p> +<p>“Ja maar, Huck, spoken sluipen alleen ’s nachts rond; zij zullen ons over dag het graven niet beletten.” + +</p> +<p>“Dat kan wel zijn. Maar je weet net zoo goed als ik, dat de menschen bij dag zoo min als bij nacht in de buurt van het spookhuis +komen.” + +</p> +<p>“Dat is omdat zij niet gaarne naar eene plaats gaan, waar een mensch vermoord is. Maar er is eigenlijk ’s nachts nooit iets +om dat huis gezien,—behalve een blauw licht bij het raam, doch geen echte spoken.” + +</p> +<p>“Wel, daar waar blauwe lichten dwarrelen, kun je er op aan dat geesten zijn. Dat is zoo zeker als iets, en iedereen weet, +dat niemand dan geesten ze gebruiken.” + +</p> +<p>“Ja, dat is zoo. Maar zij komen nooit over dag; daarom behoeven wij niet bang te zijn.” + +</p> +<p>“Nu, goed dan; wij zullen bij het spookhuis gaan graven, als jij het wilt. Maar ik zeg je, dat je vrijwillig in gevaar loopt.” +<a id="d0e3498"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3498">195</a>]</span></p> +<p>Zij waren thans aan den voet van den heuvel. Daar, midden in de door de maan verlichte vallei, stond het spookhuis, geheel +verlaten, met een vermolmd houten hek en welig, tot aan den drempel groeiend onkruid en met een bouwvalligen schoorsteen, +ledige raamkozijnen en gaten in het dak. + +</p> +<p>De knapen bleven een oogenblik staan kijken, half verwachtend een blauw licht bij het venster te zien bewegen. Zij spraken +op fluisterenden toon, zooals bij den tijd en de omstandigheden paste, weken een eindweegs ter rechterzijde af, om de ligging +van het spookhuis op te nemen, en begaven zich toen huiswaarts, door de bosschen die de achterzijde van Cardiff Hill versierden. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e3503"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXVII.</h2> +<p>Den volgenden dag, tegen twaalf uren, stonden de knapen bij den dooden boom om hun gereedschap te halen. Tom brandde van verlangen +om naar het spookhuis te gaan. Huck was minder opgewonden en zeide: + +</p> +<p>“Zeg eens, Tom: weet jij wat dag het is?” + +</p> +<p>Tom doorliep in gedachten de dagen der week en hief toen verschrikt de oogen op. + +</p> +<p>“Hemel, ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht, Huck.” + +</p> +<p>“Ik ook niet, maar op eens schoot het mij te binnen, dat het wel Vrijdag kon zijn.” + +</p> +<p>“Bewaar me; een mensch kan niet te voorzichtig wezen. Wij konden er wel eens inloopen, door zoo iets op Vrijdag aan te vangen.” + +</p> +<p>“Konden! Zeg liever zouden. Er zijn misschien geluksdagen, maar Vrijdag is er geen.” +<a id="d0e3520"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3520">196</a>]</span></p> +<p>“Dat weet elke gek. Ik geloof niet, dat jij de eerste bent, die dat uitgevonden hebt, Huck.” + +</p> +<p>“Nu, ik heb niet gezegd dat ik het was, heb ik wel? En het is niet alleen omdat het Vrijdag is; ik heb van nacht akelig gedroomd +ook,—van ratten.” + +</p> +<p>”’t Is toch niet waar? Een zeker teeken van naderend onheil! Vochten zij?” + +</p> +<p>“Neen.” + +</p> +<p>“Dat is tenminste nog een zegen, Huck. Wanneer zij niet vechten, is het alléén maar een teeken dat er een onheil <i>kan</i> komen. We behoeven dus niets te doen dan scherp toe te kijken en ons niet in gevaar te begeven. Wij zullen het graven vandaag +maar laten en liever gaan spelen. Ken je Robin Hood, Huck?” + +</p> +<p>“Neen, Wie is Robin Hood?” + +</p> +<p>“Wel, hij was een van de grootste mannen van Engeland en van de beste ook. Hij was een roover.” + +</p> +<p>“Heerejé, ik wou dat ik hem was. En wat heeft hij gekaapt?” + +</p> +<p>“Alleen maar bisschoppen en rijke lui en koningen en zulk volk. Maar hij plaagde de arme lui nooit. Hij had ze lief en deelde +alles eerlijk met hen.” + +</p> +<p>“Zoo, dan moet hij een beste kerel geweest zijn!” + +</p> +<p>“Waarachtig was hij dat, Huck. Hij was de grootmoedigste man, die ooit heeft bestaan. Je hebt tegenwoordig zulke lui niet +meer, daar ben ik zeker van. Hij kon, met zijne handen achter zijn rug gebonden, elken Engelschman afranselen, en met zijn +boog van taxishout, op anderhalve mijl afstand, een stuivertje doorboren, zonder ooit te missen.” + +</p> +<p>“Wat is een boog van taxishout?” + +</p> +<p>“Dat weet ik niet. ’t Is een boog, dat is zeker. En als hij het geldstuk een enkelen keer aan den kant raakte, dan <a id="d0e3550"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3550">197</a>]</span>raasde en tierde hij als een kind.—Kom laten wij Robin Hood spelen; ’t is een prettig spel. Ik zal het je leeren.” + +</p> +<p>Ze speelden den geheelen middag Robin Hood, terwijl zij nu en dan een verlangenden blik op het spookhuis wierpen en spraken +over de plannen en vooruitzichten voor den volgenden dag. Toen de zon in het westen onderging, wandelden zij langs de breede +schaduwen der boomen naar huis en waren in de bosschen van Cardiff Hill spoedig uit het gezicht verdwenen. + +</p> +<p><span class="corr" title="Bron: Zatermiddag">Zaterdagmiddag</span> waren de knapen weder bij den dooden boom. + +</p> +<p>Eerst zaten zij in de schaduw een poosje te rooken en te babbelen en gingen toen het gemaakte gat weder opgraven. Zij deden +dat, niet omdat zij groote verwachtingen hadden, maar alleen omdat Tom gezegd had, dat het dikwijls gebeurd was, dat menschen, +toen zij den schat tot op een duim na bereikt hadden, het opgegeven hadden, en dat er toen anderen gekomen waren, die met +één stoot van de spade hem te voorschijn hadden gehaald. + +</p> +<p>Hun streven mislukte echter ditmaal en ze namen daarom hun gereedschap maar weder op en gingen heen, niet met de gedachte +dat zij met de fortuin een loopje hadden genomen, maar in de overtuiging dat zij aan alle voorwaarden, aan het delven naar +schatten verbonden, hadden voldaan. + +</p> +<p>Toen zij het spookhuis naderden, was er iets zoo akeligs en huiveringwekkends in de doodelijke stilte onder de brandende zon +en iets zoo neerdrukkends in de eenzame, verlatene plaats, dat zij een oogenblik bang waren om binnen te gaan. Zij kropen +naar de deur en keken bevend door een reetje. Zij zagen een met onkruid begroeide, van vloer beroofde kamer, zonder behangsel, +met een ouderwetsche haardstede, vensters zonder gordijnen en een bouwvallige trap, en overal flarden van spinnewebben. Toen +<a id="d0e3564"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3564">198</a>]</span>traden zij met versnelden polsslag, fluisterende stem, gretige ooren en gezwollen spieren binnen, gereed om desnoods onmiddellijk +weder den aftocht te blazen. + +</p> +<p>Een oogenblikje later, toen hun blik aan de huiveringwekkende omgeving was gewend, verminderde hun angst en namen zij de plaats +nauwkeuriger op, vol verbazing en verwondering over hun eigen stoutmoedigheid. Daarop wilden zij boven een kijkje nemen. ’t +Had iets van zich den terugweg af te snijden, maar zij zagen elkander met moedige blikken aan en kwamen tot een kloek besluit +om hun gereedschap in een hoek te werpen en de trap te beklimmen. Boven vertoonden zich dezelfde teekenen van verval. In een +donkeren hoek vonden zij een kabinetje, dat iets geheimzinnigs beloofde; doch die belofte bleek ijdel te zijn, want het was +ledig. Zij hadden thans moed verzameld en waren gereed hunne onderneming door te zetten. Juist toen zij naar beneden wilden +stappen om aan het werk te gaan, zeide Tom: “Stil!” + +</p> +<p>“Wat is er?” fluisterde Huck, bleek van schrik. + +</p> +<p>“Stil! Daar! Hoort gij het?” + +</p> +<p>“Ja, O, heer! Laat ons wegloopen!” + +</p> +<p>“Houd je stil! Beweeg je niet! Zij komen naar de deur toe.” + +</p> +<p>De jongens gingen plat op den grond liggen en keken door de openingen tusschen de planken, in doodangst afwachtende wat er +gebeuren zou. + +</p> +<p>“Zij houden stil,” fluisterden zij eindelijk. + +</p> +<p>“Neen—zij komen! Hier zijn zij! Geen woord meer, Huck. Goede hemel, ik wou dat ik er uit was!” + +</p> +<p>Twee mannen traden binnen. De knapen dachten: + +</p> +<p>“Dit is de oude, doofstomme Spanjaard, die onlangs een paar malen in de stad is geweest, en den anderen man heb ik nooit gezien.” +<a id="d0e3586"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3586">199</a>]</span></p> +<p>De andere was een havelooze bandiet, ongekamd en ongeschoren, met een hoogst ongunstig uiterlijk. De Spanjaard was in eene +<i>serape</i> gehuld; hij had zware, witte bakkebaarden, lang wit haar, dat golvend onder zijn hoofddeksel te voorschijn kwam en hij droeg +groene ooglappen. Toen zij binnentraden, begon de “andere” heel zacht te spreken. Zij zetten zich op den grond neder, het +gelaat naar de deur gekeerd en met den rug tegen den muur, en de “andere” hervatte zijn gesprek. Hij werd iets minder omzichtig +in houding en gebaren en zijne woorden werden gaandeweg duidelijker. + +</p> +<p>“Neen,” zei hij, “ik heb er goed over gedacht en ik heb er geen zin in: het is gevaarlijk.” + +</p> +<p>“Gevaarlijk?” gromde de doofstomme Spanjaard, tot verbazing der knapen. “Gevaarlijk, melkbaard?” + +</p> +<p>Deze stem deed de knapen beven en naar adem snakken. Het was die van Injun Joe! + +</p> +<p>Er volgde een oogenblik van stilte, waarop Joe hernam: + +</p> +<p>“Wat kan gevaarlijker zijn dan die karwei van daarginds—en er is toch niets van gekomen.” + +</p> +<p>“Dat was heel wat anders. Dicht bij de rivier en geen enkel huis in de nabijheid. ’t Zal nooit bekend worden, dat wij het +beproefd hebben, vooral niet daar het mislukt is.” + +</p> +<p>“Wel, wat kan gevaarlijker zijn dan over dag hier te komen? Ieder, die ons ziet, kan argwaan krijgen!” + +</p> +<p>“Dat weet ik, maar er was geen andere plaats geschikt na die malle karwei. Ik hunker er naar dit hol te verlaten. Ik wou gisteren +al gaan, maar er was geen denken aan zich buiten te wagen, met die helsche jongens, die bij den heuvel speelden.<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>De “helsche jongens” beefden bij dit gezegde en dachten hoe gelukkig het was, dat zij zich herinnerd hadden dat <a id="d0e3613"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3613">200</a>]</span>het Vrijdag was en dat zij tot het besluit waren gekomen een dag te wachten. Zij wenschten in hun hart, dat zij het een jaar +hadden uitgesteld. + +</p> +<p>De twee mannen haalden eenig voedsel voor den dag en begonnen te eten. Na eenige oogenblikken van stilzwijgen zeide Injun +Joe: + +</p> +<p>“Kijk eens, jongen: ga jij naar de rivier, waar je behoort, wacht daar totdat je van mij hoort. Ik zal het er op wagen nog +wat hier in de stad te blijven om den boel op te nemen. Wij zullen dat gevaarlijke karweitje ondernemen, als ik alles goed +bespionneerd en bemerkt heb dat de kansen goed staan. En dan naar Texas. Wij zullen eerlijk samen deelen.” + +</p> +<p>De andere was met dit plan tevreden. + +</p> +<p>Onderwijl raakten de beide mannen aan het gapen en Injun Joe zeide: + +</p> +<p>“Ik ben dood van den slaap! ’t Is jouw beurt om te waken.” + +</p> +<p>En hij rolde zich in het onkruid en begon te snorken. Zijn metgezel stootte hem een paar malen aan en hij werd rustig. Daarop +begon de waker te knikkebollen; zijn hoofd zonk lager en lager en beiden hieven thans een duo van snorken aan. + +</p> +<p>De knapen haalden dankbaar adem. Tom fluisterde: + +</p> +<p>“Nu de kans waarnemen, kom!” + +</p> +<p>Huck zeide: “Ik kan het niet doen;—Ik zou sterven, indien zij ontwaakten.” + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/plate4.jpg" alt="“Man, het is geld!”"></p> +<p class="figureHead">“Man, het is geld!”</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Tom smeekte en Huck bleef weigeren. Eindelijk stond Tom zachtjes op on alleen te vertrekken. De eerste stap echter, dien hij +deed, veroorzaakte zulk een afschuwelijk gekraak in den vloer, dat hij bijna dood van schrik nederviel. Hij waagde geen tweede +poging. De knapen telden de traag verloopende oogenblikken, totdat het hun was alsof de tijd was <a id="d0e3640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3640">201</a>]</span>geëindigd en de sombere eeuwigheid een aanvang had genomen. Eindelijk bemerkten zij tot hun vreugde dat de zon onderging. + +</p> +<p>Nu hield het gesnork van een der mannen op. Injun Joe richtte zich op, zag rond, keek boosaardig glimlachend naar zijn metgezel, +stootte hem met zijn voet aan en zeide: + +</p> +<p>“Hoor eens! jij bent een goede waker, dat ben je.” + +</p> +<p>“Nu, er is toch niets gebeurd.” + +</p> +<p>“Niet? Heb je geslapen?” + +</p> +<p>“Och, zoo wat gesluimerd. ’t Is haast tijd voor ons om op te rukken, kameraad. Wat zullen wij doen met den kleinen buit, waarvan +wij ons meester gemaakt hebben?” + +</p> +<p>“Ik weet het niet. Hier laten zooals wij altijd doen. Wij hebben haar niet noodig, voordat wij naar het zuiden gaan. Zeshonderd +vijftig in zilveren munt is een last!” + +</p> +<p>“Nu, goed dan. Maar dan behoeven wij hier ook niet terug te komen.” + +</p> +<p>“Zou je denken? Wel, ik geloof dat het veilig is hier de nachten door te brengen, zooals gewoonlijk; ja, dat is beter.” + +</p> +<p>“Ja, maar, kijk eens: het kan nog wel lang duren eer wij eene goede gelegenheid hebben voor dat andere karweitje;—er kan iets +tusschenbeide komen en het is niet zoo’n heel veilige plaats. Wij zullen den buit liever begraven, en diep ook.” + +</p> +<p>“Dat is een goede inval,” zeide zijn kameraad en liep naar het andere eind der kamer, knielde voor den haard neder en haalde +tusschen de steenen een zak te voorschijn, die een liefelijk geklingel deed hooren. Hij nam er twintig of dertig dollars uit +voor zich zelven en even zooveel voor Injun Joe en reikte den zak toen aan den laatste over, die in een hoek van het vertrek +op zijne knieën zat en bezig was met zijn snoeimes een gat te graven. +<a id="d0e3662"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3662">202</a>]</span></p> +<p>In een oogenblik vergaten de knapen hun vrees en hunne ellende. Met fonkelende oogen sloegen zij elke beweging gade. ’t Was +een onmetelijke schat! Zeshonderd dollars!—geld genoeg om een half dozijn jongens rijk te maken. Hier bood zich eene gelegenheid +tot het graven van schatten aan onder de gelukkigste voorteekenen. Hier was geene kwellende onzekerheid omtrent de plek waar +gegraven moest worden. Zij stootten elkander gedurig aan,—met gebaren, die zeggen wilden: + +</p> +<p>“O, zijt gij niet blijde, dat wij hier zijn?” + +</p> +<p>Onder het graven <span class="corr" title="Bron: stoote">stootte</span> Joe’s mes op een hard voorwerp. + +</p> +<p>“Heila!” + +</p> +<p>“Wat is het?” vroeg zijn kameraad. + +</p> +<p>“Een half verrotte plank,—neen, het is een kist, geloof ik. Kom, help een handje en wij zullen zien wat het is. Pas op, ik +heb er een gat in gestooten.” + +</p> +<p>Hij reikte hem de behulpzame hand en zij trokken het voorwerp naar boven. + +</p> +<p>“Man, het is geld!” + +</p> +<p>De beide mannen haalden een handvol klinkende munt voor den dag. Het waren goudstukken. De jongens boven hun hoofd waren even +opgewonden en verrukt als zij. + +</p> +<p>Joe’s kameraad zeide: + +</p> +<p>“We zullen eens gauw zien hoeveel er in zit. Wacht, ik heb in een hoek onder den schoorsteen een roestige bijl onder het onkruid +zien liggen.” + +</p> +<p>Hij liep weg en haalde de bijl en spade der knapen. Injun Joe nam de bijl op, bekeek haar nauwkeurig, schudde het hoofd, mompelde +iets tusschen zijne tanden en ging er toen mede aan het werk. + +</p> +<p>De kist was spoedig opgedolven. Zij was niet zeer groot, met ijzer beslagen en moest zeer sterk geweest zijn, <a id="d0e3692"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3692">203</a>]</span>voordat de tijd haar beschadigd had. De mannen beschouwden den schat een poos onder zalig stilzwijgen. + +</p> +<p>“Kameraad, er zitten duizend dollars in!” zeide Injun Joe. + +</p> +<p>“Zij zeggen, dat de rooverbende van Murrel hier een zomer heeft rondgezworven,” merkte de vreemdeling op. + +</p> +<p>“Dat weet ik wel,” zeide Injun Joe, “en nu ik dit zie, geloof ik het bepaald.” + +</p> +<p>“Nu behoeven wij die andere karwei immers niet te doen,” zeide de ander. + +</p> +<p>De kleurling fronste het voorhoofd en zeide: + +</p> +<p>“Je kent me niet, of je weet niet van die zaak. ’t Is niet om te stelen,—maar om wraak te nemen!” En er flikkerde een boosaardig +licht in zijne oogen. “Ik heb je hulp er bij noodig. Zoodra het geschied is, gaan wij naar Texas. Ga jij maar naar huis, naar +je wijf en je kinderen, en wacht totdat je van mij hoort.” + +</p> +<p>“Nu, als je het zegt, zal ik het doen. Wat zullen wij met deze kist uitvoeren? Haar weder begraven?” + +</p> +<p>“Ja!” (Een inwendig gejuich op de bovenverdieping). “Neen, bij den grooten Sachem, neen!” (Een diepe neerslachtigheid boven.) +“Ik had het haast vergeten: op die bijl zit versche aarde.” (De knapen beefden van schrik). “Wat doen hier een bijl en een +spade? Hoe zit er versche aarde aan? Wie heeft die hier gebracht, en waar zijn zij heengegaan? Heb je niemand gehoord of gezien?—Wat! +die kist weer begraven en permissie geven om hier te komen, on te zien dat de vloer omgewoeld is? Dat nu niet bepaald!—niet +bepaald! Wij zullen de kist medenemen naar mijn hol!” + +</p> +<p>“Dat is goed. Jammer dat wij dit niet eerder bedacht hebben. Gij meent numero één?”<span class="corr" title="Bron: ”"></span> +<a id="d0e3714"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3714">204</a>]</span></p> +<p>“Neen,” “numero twee,”—onder het kruis. De andere plaats is te slecht en te gemeen.” + +</p> +<p>“Goed; ’t is bijna donker genoeg om te vertrekken.” + +</p> +<p>Injun Joe stond op, ging van het eene raam naar het andere en zag voorzichtig naar buiten. Daarop zeide hij: + +</p> +<p>“Wie zou dit gereedschap hier gebracht hebben? Denk je, dat ze boven kunnen zijn?” + +</p> +<p>De knapen hielden hun adem in. Injun Joe legde zijne hand op zijn mes, hield een oogenblik besluiteloos stil en stapte toen +naar de trap. De knapen dachten aan het kabinetje, maar hun kracht was gebroken. Voetstappen kraakten op de trap.—De vreeselijke +toestand, waarin zij zich bevonden, wakkerde de laatste vonk van moed in hun hart nog eens op;—zij waren op het punt om in +het kabinetje te springen, toen zij een gekraak van verrot hout hoorden. Injun Joe lag op den grond, onder de brokstukken +der vermolmde trap! Hij stond op met een vloek en zijn kameraad zeide: + +</p> +<p>“Nu, wat doet er dat toe of er iemand boven is;—laten zij er blijven—wat raakt het! Indien zij naar beneden willen springen +en den nek breken—wie belet het hun? Het zal binnen vijftien minuten donker zijn— en dan kunnen zij ons volgen, indien zij +willen; ik ben gereed hen te ontvangen. Ik geloof, dat de lui die deze dingen hier in gesleept hebben, ons hebben gezien en +ons voor duivels of spoken of zoo iets hebben gehouden. Ik wed, dat zij nog aan den haal zijn.” + +</p> +<p>Joe mompelde eenige onverstaanbare klanken en toen stemde hij met zijn kameraad in, om van het karige daglicht gebruik te +maken en te vertrekken. Kort daarna slopen zij in de schemering het huis uit en stapten met hunne kostbare lading naar de +rivier. +<a id="d0e3729"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3729">205</a>]</span></p> +<p>Tom en Huck stonden bevend, maar met een gevoel van verlichting op en staarden hen door de reten tusschen de planken na. Volgen? +Neen! Zij waren tevreden, toen zij den vasten bodem weder bereikten en zonder den nek gebroken te hebben, over den heuvel +naar huis konden gaan. Zij spraken niet veel, daar zij te zeer verdiept waren in zelfverwijt en woede tegen het noodlot, dat +hun de spade en de bijl daar had doen neerzetten. Indien die er niet gestaan hadden, zou Injun Joe nooit argwaan gekoesterd +hebben. Hij zou het zilver met het goud daar verborgen hebben, totdat hij aan zijn plan van wraakneming had voldaan. En dan +zou hij ondervonden hebben, wat het zegt een schat niet meer te vinden. ’t Was een bitter noodlot, dat het gereedschap daar +gebracht had. Zij besloten een oog te houden op den Spanjaard, wanneer hij naar de stad zou gaan, om zijne kans voor zijn +wraakzuchtig plan waar te nemen en namen zich voor “numero twee” op te sporen, waar het ook zijn mocht. + +</p> +<p>Op eens schoot Tom eene vreeselijke gedachte door de ziel. + +</p> +<p>“Wraak! Wat, indien hij ons bedoelt, Huck?” + +</p> +<p>“O, neen,” zeide Huck, en viel bijna flauw van schrik. + +</p> +<p>Zij praatten nog geruimen tijd over het vreeselijk geval, en toen zij de stad binnentraden, kwamen zij tot het besluit te +gelooven, dat het ook wel iemand anders kon zijn,—ten minste dat hij niemand anders kon bedoelen dan Tom, daar deze de eenige +was geweest die getuigenis had afgelegd. + +</p> +<p>Het was een zeer magere troost voor Tom, dat hij alleen maar in gevaar was. Gezelschap zou naar zijne meening verkieslijker +zijn geweest. + + + +<a id="d0e3742"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3742">206</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e3743"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXVIII.</h2> +<p>Tom werd dien nacht in zijne droomen vreeselijk gekweld door het avontuur van den vorigen dag. Vier malen had hij zijne handen +op den kostbaren schat gelegd en vier malen ook gleed die, wanneer de slaap hem begaf en het ontwaken hem tot de werkelijkheid +terugbracht, tusschen zijn vingers door. + +</p> +<p>Toen hij in den vroegen morgen al die bizonderheden van die merkwaardige gebeurtenis nog eens voor den geest riep, scheen +ze hem wonderbaar ver af en lang geleden, alsof zij in een andere wereld of in een lang verloopen tijdperk had plaats gehad. +De gedachte kwam zelfs in hem op, dat het groote avontuur misschien niets geweest was dan een droom. Er was een krachtige +bewijsgrond voor dat denkbeeld bij te brengen, deze namelijk, dat de hoeveelheid muntspecie, die zijne oogen hadden aanschouwd, +te kolossaal was om werkelijkheid te wezen. + +</p> +<p>Hij had nooit in zijn leven vijftig dollars bijeen gezien en hij geleek daarin op alle knapen van zijn leeftijd en stand. +In zijn verbeelding werden de woorden “honderden” en “duizenden” alleen maar bij manier van spreken gebruikt en bestonden +er zulke sommen in de wereld niet. Hij vermoedde geen oogenblik, dat een zoo groote som, als meer dan honderd dollars in klinkende +munt, in iemands bezit kon zijn. Indien hij zijn begrip van een verborgen schat had moeten ontleden, zou hij gezegd hebben, +dat deze bestond uit een handvol dollars en een schepel prachtige, andere munten. +<a id="d0e3752"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3752">207</a>]</span></p> +<p>Langzamerhand echter onder het overdenken werden de bijzonderheden van zijn avontuur scherper en klaarder, en eindelijk kreeg +de gedachte, dat het toch geen droom was geweest, bij hem de overhand. Aan deze onzekerheid moest een einde gemaakt worden. +Hij zou haastig zijn boterham eten en dan Huck opzoeken. + +</p> +<p>Huck zat aan dolboord van een plat vaartuig, achteloos met zijn voeten in het water te schoppen en zag er zeer droefgeestig +uit. Tom besloot te wachten, totdat Huck over de zaak zou beginnen. Als hij dat niet deed, was het avontuur slechts een droom +geweest. + +</p> +<p>“Heila, Huck!” + +</p> +<p>“Heila, jij!” + +</p> +<p>Een oogenblik stilte. + +</p> +<p>“Tom, indien wij dit vervloekte gereedschap bij den dooden boom gelaten hadden, was het geld reeds ons. O, is het niet vreeselijk?” + +</p> +<p>”’t Is dus geen droom? Geen droom? Toch zou ik haast willen, dat het er een was; ja ’k mag een boon zijn, als ik het niet +wou!” + +</p> +<p>“Wat is geen droom?” + +</p> +<p>“O, dat ding van gisteren. Ik denk soms half, dat alles een droom is.” + +</p> +<p>“Een droom? Indien die trappen niet kapot waren gegaan, zou je eens gezien hebben of het een droom was! Ik droom ’s nachts +al genoeg van dien Spanjaard met zijn ooglappen; hij vervolgt mij overal. Ik wou dat hij stikte.” + +</p> +<p>“Neen, niet stikken. Wij moeten hem vinden. Het geld opsporen!” + +</p> +<p>“Tom, wij zullen den schat nooit vinden. Een mensch heeft maar eens een kans voor zoo’n hoop geld, en die hebben wij verspeeld. +Ik zou beven als ik hem zag.” +<a id="d0e3777"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3777">208</a>]</span></p> +<p>“Ik ook; maar ik zou hem toch graag zien en naspeuren—naar zijn ‘nommer twee.’” + +</p> +<p>“Nommer twee, ja, dat is het. Ik heb er over loopen denken, maar ik kan het niet uitmaken. Wat denk jij, dat het is?” + +</p> +<p>“Ik weet het niet. ’t Is mij te geheimzinnig, Huck. Zou het ook het nummer van een huis kunnen zijn?” + +</p> +<p>“Onmogelijk! Neen, Tom, dat is het niet. Indien het dat is, dan is het niet in dit kleine stadje: hier zijn geen nummers.” + +</p> +<p>“Ja, dat is waar. Laat mij even bedenken! Wacht—het is een nommer van een kamer in een herberg!” + +</p> +<p>“O, daar zul je het hebben! Er zijn hier maar twee kroegen. Wij kunnen dat spoedig uitvinden!” + +</p> +<p>“Blijf jij hier, Huck, totdat ik terug ben!” + +</p> +<p>Tom was op eens verdwenen, daar hij op publieke plaatsen niet gaarne met Huck gezien werd. + +</p> +<p>Binnen een half uur had hij ontdekt, dat in de voornaamste herberg kamer “nommer twee” bewoond werd door een jong advocaat. +In de andere, een logement van den derden rang, was aan een der logeerkamers iets geheimzinnigs verbonden. Het zoontje van +den herbergier zeide, dat die kamer altijd op slot was, en dat hij er nooit iemand had zien in- of uitgaan, behalve des nachts. +Waarom dit geschiedde, wist hij niet; wel betuigde hij soms verlangd te hebben er achter te komen, doch hij was er niet zoo +bijzonder nieuwsgierig naar, en stelde zich tevreden met te gelooven dat het in die kamer spookte. Verder vertelde hij ook +nog, dat hij er den vorigen nacht een licht had zien branden. + +</p> +<p>“Dat is alles wat ik te weten ben gekomen, Huck. Ik geloof, dat wij het wezenlijke ‘nummer twee’ gevonden hebben.” +<a id="d0e3798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3798">209</a>]</span></p> +<p>“Ik vermoed het ook. Wat zullen we doen?” + +</p> +<p>“Laat mij eens bedenken.” + +</p> +<p>Tom bedacht zich een geruimen tijd. Toen zeide hij: + +</p> +<p>“Ik zal het je zeggen. De achterdeur van dat ‘nummer twee’ komt uit in dat kleine steegje tusschen de herberg en die oude +trap van den kalkoven. Nu moet je al de deursleutels opsnorren die jij krijgen kunt, en ik zal die van tante wegkapen, en +in den eersten donkeren nacht den besten zullen wij ze gaan probeeren. En denk er aan, dat je op den uitkijk blijft naar Injun +Joe, omdat hij gezegd heeft dat hij in de stad zou komen en nog op een kans zou loeren om aan zijn wraak te voldoen. Als je +hem ziet, moet je hem volgen; en als hij niet naar ‘nummer twee’ gaat, dan is dat de plaats niet.” + +</p> +<p>“Tom, ik durf hem niet alleen volgen.” + +</p> +<p>“Och kom; ’t is natuurlijk nacht. Hij zal je misschien niet eens zien; en als hij dat doet, zal hij je toch niet verdenken.” + +</p> +<p>“Nu, als het donker is, zal ik hem misschien volgen. Maar ik weet het nog niet zeker. Ik zal zien wat ik doe.” + +</p> +<p>“Wedden, Huck, dat <i>ik</i> hem wel volg, als het donker is. Hij kon waarachtig wel eens geen gelegenheid hebben om zijn plan tot wraakneming ten uitvoer +te brengen en zou hij op zijn geld afgaan.” + +</p> +<p>“Je hebt gelijk, Tom, je hebt gelijk! Ik zal hem volgen. Sapperloot, dat zal ik!” + +</p> +<p>“Nu praat je naar mijn zin! Geef den moed niet op, Huck, en ik zal het ook niet doen.” + + + +<a id="d0e3822"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3822">210</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e3823"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXIX.</h2> +<p>Dienzelfden avond waren Huck en Tom van zessen klaar on het waagstuk te ondernemen. Zij bleven tot na negen uren in de buurt +der herberg omhangen, terwijl de een bij de steeg en de ander bij de deur der herberg wacht hield. Niemand ging het straatje +in of uit; niemand die op den Spanjaard geleek, stapte naar de herberg of kwam er vandaan. Daar de nacht beloofde zeer helder +te zijn, ging Tom naar huis met de afspraak, dat indien het onverhoopt nog donker werd, Huck zou komen “miauwen,” en hij de +deur zou uitsluipen en de sleutels probeeren. Doch de nacht bleef onbewolkt en Huck gaf het wachthouden op en ging tegen middernacht +in een leege suikerton slapen. + +</p> +<p>Dinsdag hadden de knapen denzelfden tegenspoed. Woensdag ook. Doch Donderdagnacht beloofde beter te zijn. Tom sloop ter goeder +ure met tantes dievenlantarentje de deur uit en nam een grooten handdoek met zich, om daarmede het licht te bedekken. Hij +verborg de lantaarn in Hucks suikerton en het wachthouden begon. + +</p> +<p>Tegen elf uren werd de herberg gesloten en werden de lichten, de eenige uit de geheele buurt, uitgedaan. Geen Spanjaard werd +er gezien. Niemand was het steegje in- of uitgegaan. Alles was gunstig. Overal zwarte duisternis en doodelijke stilte, alleen +afgewisseld door het verwijderd gerommel van den donder. + +</p> +<p>Tom nam zijn lantaren, stak haar in de ton aan en bedekte <a id="d0e3834"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3834">211</a>]</span>haar zorgvuldig met den handdoek, en de avonturiers kropen in de duisternis naar de herberg. Huck bleef op schildwacht staan +en Tom liep op den tast de steeg in. + +</p> +<p>Al wachtende voelde Huck zich door een doodelijken angst gedrukt en hunkerde hij naar het oogenblik, waarop hij een straaltje +van Toms lantaarn zou zien, opdat hij een teeken mocht hebben dat zijn kameraad nog leefde. Uren schenen voorbijgegaan sedert +Tom was verdwenen. Hij was zeker flauw gevallen, wellicht dood; misschien was hem van angst en schrik het hart gebroken. In +zijn angst ging Huck hoe langer hoe dichter bij de steeg staan, in vreeze van allerlei ontzettende dingen te zullen zien en +elk oogenblik verwachtende dat er een ongeluk zou komen, dat hem den laatsten adem zou doen uitblazen. Daarvoor was niet veel +noodig, want hij scheen nauwelijks in staat een vingerhoedje adem te halen, en zijn hart bonsde zoo geweldig, dat het welhaast +moest barsten. Plotseling zag hij een lichtstraal en fluisterde Tom hem in ’t oor: + +</p> +<p>“Loop! loop, als ge uw leven liefhebt!” + +</p> +<p>Hij behoefde het niet te herhalen; eenmaal was genoeg. Huck was in vliegenden galop voortgeijld eer het woord ten tweeden +male was uitgesproken. De knapen hielden niet stil, eer zij de loods van een verlaten slachthuis hadden bereikt. Juist toen +zij deze schuilplaats gevonden hadden, barstte het onweder los en stroomde de regen naar binnen. Zoodra Tom weder kon ademhalen, +zeide hij: + +</p> +<p>“Huck, het was verschrikkelijk! Ik probeerde twee of drie sleutels, zoo zacht als ik kon, maar zij maakten zulk een drommelsch +geraas, dat ik van schrik nauwelijks op mijne beenen kon blijven staan. Ik kon het slot ook niet omdraaien. Op eens bemerkte +ik, dat ik den knop vasthield en dat de deur openging. Zij was niet dicht geweest. Ik <a id="d0e3844"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3844">212</a>]</span>strompelde naar binnen, nam den handdoek van de lantaarn en—o, groote geest van Cesar....!” + +</p> +<p>“Wat—wat zag je, Tom?” + +</p> +<p>“Huck, ik was bijna op de hand gestapt van Injun Joe!” + +</p> +<p>”’t Is toch niet waar?” + +</p> +<p>“Ja wel. Hij lag daar, met den groenen lap op zijn oog en uitgestrekte armen op den vloer te slapen.” + +</p> +<p>“Heere, Heere! En wat heb je toen gedaan? Werd hij wakker?” + +</p> +<p>“Neen, hij bewoog zich niet. Zeker dronken. Ik greep den handdoek en ijlde weg.” + +</p> +<p>“Waarachtig, ik zou niet eens aan den handdoek gedacht hebben!” + +</p> +<p>“Nu, ik wel. Tante zou mij krijgen, als ik hem verloren had.” + +</p> +<p>“Zeg, eens, Tom, heb je de kist gezien?” + +</p> +<p>“Huck, ik heb niet gewacht on rond te kijken; ik heb de kist niet gezien en ik heb het kruis niet gezien. Ik zag niets dan +een flesch en een tinnen kroes op den grond naast Injun Joe. Ja toch, ik zag twee vaatjes en een menigte flesschen in de kamer. +Vat je nu niet, wat ze in die spookkamer uitvoeren?” + +</p> +<p>“Wat dan?” + +</p> +<p>“Wel, zij spookt van de brandewijnvaatjes, ’t Is best mogelijk, dat al de Matigheidsherbergen zoo’n spookkamer hebben, Huck.” + +</p> +<p>“Ja, dat kan wel. Wie zou dat ooit gedacht hebben! Maar Tom, ’t is nu juist een allemachtig goed oogenblik on de kist te krijgen, +als Injun Joe dronken is.” + +</p> +<p>“Dat is waar! Wil je het probeeren?” + +</p> +<p>Huck sidderde. + +</p> +<p>“Neen, liever niet.” + +</p> +<p>“Ik ook niet, Huck. Eén flesch naast Injun Joe is niet <a id="d0e3880"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3880">213</a>]</span>genoeg. Indien er drie gestaan hadden, zou ik het gedaan hebben.” + +</p> +<p>Er volgde een lange pauze; eindelijk zeide Tom: “Zie eens Huck, ik geloof dat het beter is, dat zaakje niet te probeeren, +totdat we weten dat Injun Joe er niet is. ’t Is te vreeselijk.—Nu, indien wij elken nacht de wacht houden, kunnen wij er zeker +van zijn, hem den of anderen tijd de kamer te zien uitgaan, en dan zullen wij de kist er zoo gauw mogelijk uithalen.” + +</p> +<p>“Uitmuntend. Ik zal den heelen nachten waken en zal dat de eerste weken blijven doen, als jij het andere deel van de karwei +op je neemt.” + +</p> +<p>“Goed, ik beloof het je. Al wat jij te doen hebt, is op een draf te loopen naar Hooper-street en te miauwen; en als ik slaap, +gooi je maar wat zand tegen het raam, dan word ik wel wakker. + +</p> +<p>“Best, dat blijft afgesproken.” + +</p> +<p>“Nu, Huck, het onweder is voorbij en ik ga naar huis. Over een paar uren breekt de dag aan. Jij gaat terug en blijft wachten, +niet waar?” + +</p> +<p>“Ik heb gezegd, Tom, dat ik het doen zal en ik zal het doen. Ik zal een jaar lang om de herberg blijven ronddolen. Ik zal +over dag slapen en ’s nachts waken.” + +</p> +<p>“Dat is goed. Waar ga je dan slapen?” + +</p> +<p>“In de hooischuur van Ben Rogers. Hij laat mij dat vrij doen, en de zwarte knecht van zijn ouden heer, oom Jack, vindt het +ook goed. Ik draag wel eens water voor oom Jack, en hij geeft mij, als hij het missen kan, nu en dan een beetje eten. ’t Is +een verduiveld goede nikker, die Jack, Tom!—Hij houdt van mij, omdat ik niet altijd doe alsof ik voornamer ben dan hij. Wij +hebben ook wel eens samen gegeten. Maar dat moet je niet vertellen. Een <a id="d0e3898"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3898">214</a>]</span>mensch doet soms dingen, als hij honger heeft, die hij laten zou, als hij altijd genoeg kreeg.” + +</p> +<p>“Nu, als ik je over dag niet noodig heb, Huck, zal ik je laten slapen. Ik zal je niet komen plagen. Als je ’s nachts wat ziet, +loop dan even aan om te miauwen.” + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e3902"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXX.</h2> +<p>Het eerste wat Tom Vrijdagochtend hoorde was een heerlijke tijding: de familie Thatcher was den vorigen avond in de stad teruggekomen. +Beiden Injun Joe en de schat werden voor het oogenblik van ondergeschikt belang en Becky nam de voornaamste plaats in het +hart van den knaap in. Hij kwam haar tegen en zij hadden een oneindig genot met elkaar in het spelen van “verstoppertje” en +“slootje springen.” De dag eindigde op een bijzonder prettige wijs. Becky smeekte hare moeder, den volgenden dag voor de lang +beloofde en lang uitgestelde pic-nic vast te stellen, en deze stemde toe. De vreugde der kleine kende geen palen en Tom was +niet minder uitgelaten. Voor zonsondergang waren de uitnoodigingen rondgezonden en onmiddellijk daarop was de jeugd van St. +Petersburg in eene koortsachtige opgewondenheid over de pret, die haar te wachten stond. Tom kon niet slapen van pleizier +en hij leefde in de hoop Huck te hooren “miauwen” en zijn schat te krijgen, om daarmede Becky en de pic-nickers den volgenden +dag in verbazing te brengen. Maar hij werd teleurgesteld. Er kwam dien nacht geen teeken. Eindelijk daagde de morgen en tusschen +tien en elf uren vereenigde zich ten huize van den heer Thatcher een hoop dartele, stoeiende jongens en meisjes en was alles +tot vertrekken gereed. +<a id="d0e3907"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3907">215</a>]</span></p> +<p>Het was toenmaals de gewoonte niet van bejaarde lieden, om buitenpartijen door hunne tegenwoordigheid te bederven. De kinderen +werden veilig geacht onder de vleugelen van een paar jonge dames van achttien en van een paar jonge heeren van drie- of vier +en twintig jaren. + +</p> +<p>De oude stoomboot was voor de gelegenheid afgehuurd, en toen al de genoodigden bijeen waren, stapte de vroolijke troep, met +manden vol proviand, door de hoofdstraat naar de rivier. Sid was ongesteld en liep het pretje mis, en Marie bleef bij hem +te huis. Bij het afscheid nemen zeide mevrouw Thatcher tot Becky: + +</p> +<p>“Je zult wel wat laat tehuis komen. Misschien was het wel beter dat je bij een van de meisjes bleeft slapen, die het dichtst +bij de kade woont.” + +</p> +<p>“Dan zal ik maar bij Suze Harper blijven, mama.” + +</p> +<p>“Goed, maar gedraag je behoorlijk en wees niet lastig.” + +</p> +<p>Onder de wandeling zeide Tom tot Becky: + +</p> +<p>“Hoor eens: ik zal je vertellen wat wij zullen doen. In plaats van naar de Harpers te gaan, zullen wij den heuvel beklimmen +en in het huis van de weduwe Douglas overnachten. Zij zal wel room-ijs hebben. Zij heeft het bijna elken dag, bij massa’s, +ja, bij hoopen! En zij zal blij zijn, als zij ons ziet.” + +</p> +<p>“O, dat zal grappig zijn!” riep Becky uit. Doch een oogenblik later hernam zij: + +</p> +<p>“Maar wat zal mama zeggen?” + +</p> +<p>“Hoe zal zij het te weten komen?” + +</p> +<p>Het meisje overdacht de zaak nog eens en zeide aarzelend: + +</p> +<p>“Ik geloof, dat het verkeerd is, maar....” + +</p> +<p>“Och, kom, het is geen lor waard! Je moeder zal het niet te weten komen. En wat steekt er in? Al wat zij verlangt, is dat +je op een veilige plaats zult zijn, en ik wed dat, <a id="d0e3934"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3934">216</a>]</span>indien zij er aan gedacht had, ze je geraden zou hebben naar de weduwe te gaan. Ja, ik weet dat zij dat gedaan zou hebben!” + +</p> +<p>Het heerlijke gastvrije dak der weduwe Douglas was een verleidelijk lokaas. Het bleef dan ook, met Toms overredingen, overwinnaar. +Er werd derhalve besloten niemand iets van het programma voor den nacht mede te deelen. Opeens schoot Tom te binnen, dat Huck +dien nacht wel eens kon komen, om het teeken te geven. Deze gedachte bracht een gevoeligen schok aan zijne blijde verwachtingen. +Toch kon hij er niet toe komen het pretje bij de weduwe Douglas er aan te geven. En waarom zou hij dat doen? Het teeken was +den vorigen nacht niet gekomen. Waarom zou het dan juist dezen nacht gebeuren? De zekere pret van dezen avond woog nog zwaarder +dan de onzekere schat; en als een echte jongen besloot hij aan den sterksten lust toe te geven en zich op te leggen, dien +dag niet meer aan de geldkist te denken. + +</p> +<p>Drie mijlen voorbij de stad werd de boot bij een boschrijk dal ter reede gelegd. Het gezelschap verdrong zich naar den oever +en weldra weerklonken de wouden en rotsige hoogten wijd en zijd van het gejubel der kinderen. Alle middelen om moede en bezweet +te worden werden in praktijk gebracht, totdat men zich eindelijk bij het kamp verzamelde en met flinken eetlust gewapend, +op de medegebrachte proviand aanviel. Na den maaltijd ging men over tot een verkwikkend rust- en praatuurtje onder de schaduw +der breedgetakte eiken. Na een wijle jubelde eene stem: + +</p> +<p>“Wie gaat er mede naar de grot?” + +</p> +<p>“Iedereen!” Dadelijk werden er pakken met waskaarsen voor den dag gehaald en onmiddellijk daarop werd de heuvel beklommen. +De ingang der grot lag aan de helling van den <a id="d0e3944"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3944">217</a>]</span>berg en was kenbaar aan eene opening in den vorm van de letter A. De zware eikenhouten deur stond open. Door deze kwam men +in een klein kamertje, kil als een ijskelder en door de natuur met stevige, vochtige kalksteenen muren omringd. Het was hoogst +belangwekkend en geheimzinnig om daar in de diepe duisternis te staan en dan het gezicht te hebben op de groene, door de zon +beschenen vallei. Doch de indruk van dit tooneel werd spoedig vergeten en het stoeien hervat. Zoodra er een kaars werd aangestoken, +werd de bezitter aangevallen, ’t geen een worsteling en dappere verdediging ten gevolge had. Maar de kaars was spoedig op +den grond geworpen en uitgeblazen, waarop een luid gejuich ontstond en eene nieuwe vervolging. Doch aan alle lofzangen komt +een einde en de stoet rukte op naar den hoofdtoegang, terwijl de flikkerende kaarsen de reusachtige rotsgewelven, waar deze +zich zestig voet boven het hoofd aaneensloten, flauw te zien gaven. De hoofdtoegang zelf was ten hoogste acht of tien voet +breed. Bij elke trede werden nieuwe en engere rotsspleten ontdekt. De grot van Mc. Douglas was dan ook een doolhof van gangen, +die in het oneindige in en uit elkander liepen en nergens heen leidden. Men vertelde, dat men dagen en nachten door dit labyrinth +van spleten en gangen kon dwalen, zonder den uitgang der grot te vinden, en dat, naarmate men dieper naar beneden ging, het +onveranderlijk hetzelfde bleef: doolhof onder doolhof en alle zonder einde. Niemand kende de grot geheel, dit behoorde tot +de onmogelijkheden. De meeste jongelieden hadden er een gedeelde van gezien en het was niet gebruikelijk zich ooit verder +dat dit bekend terrein te wagen. Tom Sawyer wist al evenveel van de spelonk als iedereen. + +</p> +<p>De stoet bewoog zich omstreeks drie kwartier langs den hoofdgang voort en langzamerhand begonnen enkele paren <a id="d0e3948"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3948">218</a>]</span>in zijgangen weg te sluipen, door donkere gaanderijen te kruipen en elkaar bij verrassing te overvallen, op punten waar de +gangen weder in elkander liepen. Een paar slaagden er in zich een half uur te verstoppen, zonder van het bezochte grondgebied +te zijn afgeweken. + +</p> +<p>Van lieverlede kwam de eene groep na de andere, jubelend, hijgende naar adem, van het hoofd tot de voeten met afgedropen kaarsvet +besmeerd en uitgelaten van de pret, terug. Zij waren verbaasd te bemerken, dat zij aan tijd noch ruimte gedacht hadden en +dat de avond viel. De bel der stoomboot had reeds een half uur haar schel geklingel doen hooren, doch, ’t was zoo heerlijk, +zoo romantisch den dag op deze wijs te besluiten. En toen de boot met hare luidruchtige bemanning van wal stak, was de kapitein +de eenige, die er geen schik in had, dat het reeds zoo laat was geworden. + +</p> +<p>Huck stond op zijn post, toen de lichten der veerboot langs de kade flikkerden. Hij hoorde geen gerucht aan boord, want de +jongeluidjes waren vreedzaam en stil, zooals doodmoede lieden gewoonlijk zijn. Hij was wel verlangend te weten, welke boot +dit zijn kon en waarom zij niet aan de kade aanlegde,—maar zijne gedachten bepaalden zich niet lang bij dit onderwerp, en +hij was weldra geheel in zijn eigen aangelegenheden verdiept. De nacht werd donker en de lucht was bewolkt. Het werd gaandeweg +tien uren en alle geraas van rijtuigen en voetstappen hield op; de schaarsche lichten werden al flauwer; de nog op straat +slenterende voetgangers verdwenen en de stad ging de nachtrust in en liet den kleinen waker met de eenzaamheid en de spoken +alleen. + +</p> +<p>Het sloeg elf uren en de lichten in de herberg werden uitgedaan en nu heerschte er duisternis alom. + +</p> +<p>Huck wachtte, naar het hem toescheen, een eindeloos <a id="d0e3958"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3958">219</a>]</span>langen tijd, doch er gebeurde niets. Zijn vertrouwen begon te wankelen. Was het de moeite waard? Was het werkelijk de moeite +waard? Waarom zou hij het niet opgeven en naar bed gaan? + +</p> +<p>Plotseling vernam zijn oor een geluid. In een oogenblik was hij geheel aandacht. De deur in het steegje werd zachtjes dichtgedaan. +Onmiddellijk kroop hij in een hoek bij den kalkoven. Het volgende oogenblik slopen twee mannen langs hem heen, van wie de +een iets onder zijn arm scheen te dragen. Het moest de kist zijn! Zij gingen dus den schat verplaatsen! Waarom zou hij Tom +nu roepen? Het zou een dwaasheid wezen!—De mannen zouden met de kist wegloopen en zij zou nooit gevonden worden. Neen, hij +zou blijven waken en hen volgen; hij zou zich aan de duisternis toevertrouwen, als een waarborg tegen ontdekking. Deze dingen +bij zich zelven overleggende, sloop hij stil voort en kroop voorzichtig als een kat, blootsvoets achter de mannen aan, terwijl +hij hen zoover voor zich uit liet gaan dat hij hen nog juist in het gezicht had. + +</p> +<p>Zij slopen de op de rivier uitloopende straat door en sloegen toen links af, eene zijstraat in. Daarna gingen zij rechtuit, +totdat zij aan het pad kwamen, dat naar <span class="corr" title="Bron: Cardif">Cardiff</span> Hill leidde. Dit werd ingeslagen en zij stapten al maar voort, tot nabij het huis van den ouden boschwachter, dat halverwege +den heuvel gelegen was. + +</p> +<p>“Goed,” dacht Huck, “zij zullen den schat in de oude steengroeve begraven.” Maar zij hielden niet eens bij de steengroeve +stil. Zij gingen door naar den top. Toen kozen zij een zijpaadje tusschen de groote sumakboomen en waren op eens in de duisternis +verdwenen. Huck versnelde zijn pas en liet minder ruimte tusschen hen en zich zelven; zij konden hem thans immers onmogelijk +zien. Hij draafde een <a id="d0e3969"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3969">220</a>]</span>poosje, ging toen weder wat langzamer; uit vrees van te ver te zullen, loopen, liep zachtjes weer een eindje door en hield +toen stil. Hij luisterde, geen geluid, behalve het gebons van zijn eigen hart. Daar werd op eens over den heuvel het zuchten +van een uil vernomen. + +</p> +<p>Onheilspellend geluid! Maar geen voetstappen. Hemel! was alles verloren? Hij was op het punt met gevleugelde voeten weg te +snellen, toen hij, geen vier pas van zich af, een man hoorde hoesten. Het hart schoot den knaap in de keel, doch hij bekwam +weder. Toch beefde hij, alsof hem een dozijn koortsen op het lijf werden gejaagd, en hij stond zoo wankel op zijne beenen, +dat hij bepaald dacht op den grond te zullen vallen. Hij wist waar hij was. Het was hem bekend, dat hij zich op vijf treden +afstand bevond van het hek, dat hem naar de landerijen van de weduwe Douglas bracht. + +</p> +<p>“Heel goed,” dacht hij, “laten zij den schat hier begraven dan zal hij niet moeilijk te vinden zijn.” + +</p> +<p>Thans werd er een zachte, zeer zachte stem gehoord;—het was die van Injun Joe. + +</p> +<p>“Godv....! zij heeft zeker gezelschap: er is nog licht aan, zoo laat als het is.” + +</p> +<p>“Ik zie geen lichten.” + +</p> +<p>Dit was de stem van dien vreemdeling,—den vreemdeling uit het spookhuis. Een ijskoude rilling voor Huck door de leden. Dus +dit was de dag der wrake! Zijne eerste gedachte was te vluchten. Toen schoot hem te binnen, dat de weduwe Douglas meer dan +eens vriendelijk geweest was en het kon zijn, dat deze mannen plan hadden haar te vermoorden. Hij zou zoo gaarne moed gehad +hebben om haar te waarschuwen, maar hij wist dat hij het niet durfde;—zij mochten hem eens beetpakken. +<a id="d0e3983"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3983">221</a>]</span></p> +<p>Hij overdacht dit alles en meer nog in het oogenblik, dat verliep tusschen de opmerking van den vreemdeling en het antwoord +van Injun Joe, hetwelk aldus luidde: + +</p> +<p>“Omdat het kreupelhout je in den weg staat. Kom dezen kant uit.—Zie je het nu?” + +</p> +<p>“Ja, zeker, er zijn menschen. Ik geloof dat het beter is, het op te geven.” + +</p> +<p>“Opgeven? Juist nu ik dit land voor altijd ga verlaten! Het opgeven,—om nooit weer een kans te krijgen. Ik zeg je nog eens, +wat ik je al meer gezegd heb, dat ik niets om den buit geef;—dien mag jij hebben. Maar haar man heeft mij gemeen behandeld—en +meer dan eens, en vooral daarin dat hij, die vrederechter was, mij als een vagebond in de gevangenis heeft gezet. En dat niet +alles. Dat is niet het millioenste deel. Hij heeft mij laten geeselen!—geeselen, vlak voor de gevangenis, als een neger, terwijl +de geheele stad er naar stond te kijken. Geeselen, versta je het? Hij is mij voor geweest en is gestorven. Maar zij zal er +voor boeten.” + +</p> +<p>“Och, vermoord haar niet! Doe het niet!” + +</p> +<p>“Vermoorden? Wie spreekt van vermoorden? Ik zou hem vermoorden, als hij hier was; maar haar niet. Wanneer men zich op eene +vrouw wreekt, vermoordt men haar niet:—ba! maar men berooft haar van hare schoonheden. <span class="corr" title="Bron: Mijn">Men</span> snijdt haar de neusgaten in tweeën;—men kerft haar de ooren als een varken!” + +</p> +<p>“Bij God, dat is...” + +</p> +<p>“Houd je gevoelens voor je, dat is je geraden! Ik zal haar aan haar bed vastbinden. Als zij doodbloedt, kan ik het helpen? +Ik zal er mij niet naar over maken. Vriendje, je zult mij in dit zaakje helpen—om mij te pleizieren; daarvoor ben je hier,—want +’t kan zijn, dat ik het niet <a id="d0e4003"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4003">222</a>]</span>alleen af kan. Als je weifelt ben je een man des doods! Versta je dat? En indien ik jou doodmaak, is zij er ook om koud—en +dan geloof ik niet dat iemand ooit veel van deze zaak zal te weten komen.” + +</p> +<p>“Wel, als het dan moet, laat ons er dan aan beginnen. Hoe eer hoe beter;—ik beef als een riet!” + +</p> +<p>“Het nu doen?—En er is gezelschap! Kijk eens hier: zorg, dat ik je niet ga mistrouwen! Neen,—wij zullen wachten, totdat de +lichten uit zijn. Het heeft geen haast.” + +</p> +<p>Huck voelde, dat er een oogenblik van stilzwijgen zou volgen—en dat was nog vreeselijker dan het moorddadig gesprek. Daarom +hield hij zijn adem in, deed omzichtig een stap achteruit, zette behoedzaam zijn voet stevig neer, na heel gevaarlijk op één +been te hebben staan balanceeren en bijkans gevallen te zijn, eerst den eenen kant uit en toen den anderen. Hij deed met dezelfde +moeite en hetzelfde gevaar nog een stap achteruit; toen nog een en nog een.—Daar brak een tak onder zijn voet! Hij hield zijn +adem in en luisterde. Hij vernam geen geluid; het was volmaakt stil. Zijne dankbaarheid kende geen palen. Nu kwam hij in het +sumakboschje;—daar wendde en keerde hij zich voorzichtig als een laveerend schip en stapte vervolgens haastig, maar behoedzaam +voort. Toen hij de steengroeve voorbij was, achtte hij zich veilig en zette het op een loopen. Hij ijlde al maar voort, totdat +hij het huis van den ouden boschwachter had bereikt. Daar klopte hij aan de deur en weldra werden de hoofden van den ouden +man en van zijn beide forschgespierde zonen voor de ramen zichtbaar. + +</p> +<p>“Wat een rumoer daar? Wie klopt er? Wat moet je?” + +</p> +<p>“Laat mij binnen—en gauw ook. Ik zal alles vertellen.” + +</p> +<p>“Wat? Wie ben je?<span class="corr" title="Bron: ">”</span> +<a id="d0e4020"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4020">223</a>]</span></p> +<p>“Huckleberry Finn. Gauw, laat mij binnen!” + +</p> +<p>“Huckleberry Finn, waarachtig! ’t Is geen naam, waarvoor zich vele deuren openen, geloof ik. Maar laat hem binnen, jongens, +en laat ons zien wat er te doen is.” + +</p> +<p>“Zeg het, als je blieft, nooit, dat ik je het verteld heb,” waren Hucks eerste woorden, toen hij binnentrad. “Doe het als +je blieft niet;—ik zal zeker vermoord worden; maar de weduwe is zoo goed voor mij geweest, en ik moet het zeggen;—ik zal het +vertellen, als je mij belooft, dat je nooit zult zeggen dat ik het was.” + +</p> +<p>“Bij den Hemel, hij heeft iets te vertellen, of hij zou zoo niet spreken!” riep de oude man uit. “Voor den dag er mee, en +niemand zal het verklappen.” + +</p> +<p>Tien minuten later beklommen de oude man en zijne zonen, behoorlijk gewapend, den heuvel en stapten op hun teenen het pad +der sumakboomen in. Huck vergezelde hen niet verder; hij verborg zich achter een rotsblok en luisterde. + +</p> +<p>Er volgden eenige oogenblikken van lange, akelige stilte. Plotseling werd er een geknal van vuurwapenen gehoord en een gil. + +</p> +<p>Huck wachtte niet om eenige bijzonderheden te vernemen, maar ijlde zoo spoedig, als zijne beenen hem dragen konden, den heuvel +af. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e4035"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXXI.</h2> +<p>Zondagochtend voor dag en dauw kroop Huck reeds den berg op en klopte aan de deur van den ouden boschwachter<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> De huisgenooten lagen nog te bed en sliepen een hazenslaap, <a id="d0e4043"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4043">224</a>]</span>tengevolge van de spanning waarin zij een gedeelte van den nacht hadden doorgebracht. Een stem riep uit een raam: + +</p> +<p>“Wie is daar?” + +</p> +<p>Huck antwoordde verschrikt, op zachten toon: + +</p> +<p>“Laat mij, als ’t u blieft, binnen. Het is niemand dan Huck Finn.” + +</p> +<p>“Dat is een naam voor welken de deur dag en nacht open staat!—Wees welkom!” + +</p> +<p>Dit waren vreemde woorden in de ooren van den jeugdigen vagebond en de liefelijkste die hij ooit had vernomen. Hij herinnerde +zich niet de twee laatste immer gehoord te hebben. De deur werd haastig ontsloten en de knaap trad binnen. Men gaf hem een +stoel, en de oude man en zijne zonen kleedden zich in aller ijl aan. + +</p> +<p>“Nu, mijn jongen, ik hoop dat gij een goeden eetlust hebt meegebracht, want wij gaan ontbijten zoodra de zon opkomt, en ’t +zal een brandend zonnetje zijn ook. Ik en de jongens hoopten al dat ge gisteren hier zoudt zijn teruggekeerd en in ons huis +zoudt geslapen hebben.” + +</p> +<p>“Ik was zoo vreeselijk geschrikt,” zeide Huck, “en ik heb het op een loopen gezet. Ik rende weg zoodra de pistolen afgingen, +en ik holde drie mijlen ver voort, en ik ben nu gekomen omdat ik er iets van weten wou. Ik kom voor het daglicht, omdat ik +de duivels niet graag tegen het lijf zou loopen, zelfs al zijn ze dood.” + +</p> +<p>“Wel, arme jongen, je ziet er uit alsof je een akeligen nacht gehad hebt,—maar hier staat een bed voor je, wanneer je ontbeten +hebt. Neen, zij zijn niet dood, jongen;—dat spijt ons genoeg. Wij wisten, door jouw beschrijving, waar wij de hand op hen +moesten leggen. Wij kropen op de teenen voort, totdat wij omstreeks vijftien pas van hen verwijderd waren—en ’t pad der sumakboomen +was zoo <a id="d0e4061"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4061">225</a>]</span>donker als een kelder—en juist toen voelde ik dat ik moest niezen. ’t Was bitter ongelukkig; ik trachtte het in te houden, +maar ’t hielp niet: het wilde komen en het kwam. Ik liep vooruit met opgeheven pistool en toen het genies de schurken verschrikt +uit het bosch deed opspringen, riep ik: ‘Vuur jongens!’ en schoot in de richting, waar het geritsel vandaan kwam. En dat deden +de jongens ook, maar de schelmen waren in een ommezien weg en wij holden hen in het bosch achterna. Ik geloof, dat wij hen +niet eens geraakt hebben. Toen wij stilhielden, schoten zij op ons, maar hunne kogels sisten langs ons heen, zonder ons te +deren. Zoodra wij het geluid hunner voetstappen niet meer hoorden, gaven wij de jacht op en gingen naar de stad om de politie +roepen. Deze riep de gewapende macht bijeen en hield de wacht langs den oever der rivier, en zoodra het licht wordt, zal de +sherif met zijne kornuiten de bosschen doorkruisen. Mijne jongens zullen meegaan. Ik wou, dat wij de rekels zoo wat konden +beschrijven;—dat zou heel wat helpen. Maar gij kondt zeker in het duister niet zien hoe zij er uitzagen, hé?” + +</p> +<p>“O, jawel, ik heb ze door de stad zien gaan en ben hen gevolgd.” + +</p> +<p>“Prachtig! Beschrijf ze dan, beschrijf ze dan, mijn jongen.” + +</p> +<p>“De eene is de doofstomme Spanjaard, die een paar malen hier geweest is en de andere is een kerel met een gemeen gezicht, +in lompen.” + +</p> +<p>“Genoeg, jongen! Wij kennen de kerels. Wij zijn ze een dag of wat geleden, achter in de bosschen van de weduwe Douglas tegengekomen +en zij kropen voor ons weg. Er uit, jongens, naar den sherif.—Morgen komt er weer een dag om te ontbijten.” + +</p> +<p>De zonen van den boschwachter vertrokken dadelijk. Toen <a id="d0e4073"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4073">226</a>]</span>zij de kamer uit waren, sprong Huck op en riep uit: + +</p> +<p>“O, vertel als het u blieft aan niemand, dat ik ze op het spoor ben gekomen! O, als het u blieft niet.” + +</p> +<p>“Heel goed, Huck, als gij dat verkiest; maar gij moest eigenlijk de eer hebben van ’t geen gij gedaan hebt.” + +</p> +<p>“O, neen, neen! Zeg het als het u blieft niet.” + +</p> +<p>“Neen,” antwoordde de boschwachter, <span class="corr" title="Bron: ">“</span>de jongens zullen het niet zeggen—en ik ook niet. Maar waarom wilt gij het niet weten?” + +</p> +<p>Huck wilde zich niet verder uitlaten en zeide alleen, dat hij een der beide mannen goed kende en dat hij bang was dat die +man te weten zou komen, dat hij iets kwaads van hem wist, daar hij hem dan zeker zou vermoorden. + +</p> +<p>De oude man beloofde nogmaals te zullen zwijgen en zeide: + +</p> +<p>“Hoe zijt gij er toch toe gekomen om deze kerels te volgen, jongen? Zagen zij er verdacht uit?” + +</p> +<p>Huck zweeg en bedacht zich even, om naar een voorzichtig antwoord te zoeken. Toen zeide hij: + +</p> +<p>“Wel, ziet gij, ik heb een hard lot,—ten minste dat zeggen de lui—en ik kan er niets aan doen—en soms kan ik niet slapen, +omdat ik er zoo lang over lig te denken en op middelen zin om er een eind aan te maken. Dat deed ik juist gisteren-nacht. +Ik kon niet slapen en ging daarom tegen middernacht de straat op, om er nog eens over te denken, en toen ik bij dien ouden, +wrakken steenoven kwam bij de Matigheidsherberg, ging ik met mijn rug tegen den muur staan. Juist op dat oogenblik slopen +die twee kerels mij voorbij, met iets onder den arm, ’t welk ik vermoedde dat zij gestolen hadden. De een rookte en de ander +nam een zwavelstok, om zijn sigaar op te steken. Zij hielden vlak voor mij stil en hunne sigaren verlichtten hun ’t gezicht, +en ik zag aan de witte <a id="d0e4096"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4096">227</a>]</span>bakkebaarden en den lap op zijn oog, dat ‘de lange’ de doofstomme Spanjaard en dat de andere een havelooze, gemeene duivel +was.” + +</p> +<p>“Kondt gij bij het licht der sigaar zien, dat hij er gemeen in de kleeren uitzag?” + +</p> +<p>Die vraag bracht Huck een oogenblik van zijn stuk. Toen hernam hij: “Dat weet ik zoo niet—maar, ik geloof het toch wel.” + +</p> +<p>“Toen gingen zij voort, en gij....?” + +</p> +<p>“Ik volgde hen. Ja, dat deed ik. Ik wou eens zien waar zij heen slopen. Ik speurde het na tot aan ’t hek bij de weduwe en +bleef in het duister staan en hoorde den havelooze smeekend vragen, om medelijden met de weduwe te hebben, en den Spanjaard +zweren, dat hij haar neus kapot zou snijden en haar ooren kerven, juist zooals...” + +</p> +<p>“Wat! zeide de <i>doofstomme</i> man dat alles?” + +</p> +<p>Huck had weder een verschrikkelijken flater gemaakt. Hij deed al zijn best om den ouden man niet te laten merken wie die Spanjaard +was, en toch scheen zijn tong het er op gezet te hebben hem er in te laten loopen. Hij deed zijn uiterste best om zich uit +deze moeielijkheid te redden, doch de oude man keek hem strak in het gezicht en de knaap maakte het eene abuis na het andere. +Eindelijk zeide de boschwachter: + +</p> +<p>“Jongen, wees niet zoo bang voor mij; ik zou voor al het geld van de wereld geen haar van uw hoofd willen krenken. Neen, ik +zal u beschermen,—dat zal ik. Deze Spanjaard is niet doofstom: gij hebt u dat onwetend laten ontvallen; gij kunt het niet +weder intrekken. Gij weet meer van den Spanjaard. Vertrouw mij; zeg mij wat het is. Ik zal u niet verraden.” + +</p> +<p>Huck zag den ouden man een oogenblik in de eerlijke <a id="d0e4117"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4117">228</a>]</span>oogen, boog zich toen over hem been en fluisterde hem in ’t oor: + +</p> +<p>“Het is geen Spanjaard; het is Injun Joe.” + +</p> +<p>De boschwachter viel van schrik bijna van zijn stoel en zeide: + +</p> +<p>“Nu is mij alles duidelijk. Toen gij spraakt van ooren kerven en neuzen opensnijden, dacht ik, dat gij er dit bij hadt gemaakt, +omdat blanken nooit op deze wijze wraak nemen. Maar een kleurling! dat is heel wat anders.” + +</p> +<p>Zij praatten al ontbijtende voort en in den loop van het gesprek zeide de oude man, dat het laatste wat hij en zijne zonen +gedaan hadden eer zij naar bed gingen, was geweest een lantaarntje nemen en in de buurt van het hek zoeken, of zij ook sporen +van bloed ontdekten. Zij vonden er echter geene, maar wel een grooten bos... + +</p> +<p>“Wat?” + +</p> +<p>Indien de woorden een bliksemstraal geweest waren, konden zij niet met meer verpletterende snelheid aan Hucks bleeke lippen +zijn ontsnapt. Zijne oogen stonden strak en zijn adem stokte, toen hij naar een antwoord wachtte. + +</p> +<p>De boschwachter schrikte, zag hem een paar seconden zwijgend aan en zeide toen: + +</p> +<p>“Breekijzers. Maar, wat scheelt u?” + +</p> +<p>Huck zonk achterover en haalde zacht en onuitsprekelijk dankbaar adem. De boschwachter zag hem weder aan en hernam: + +</p> +<p>“Ja, breekijzers. Dat schijnt u een pak van ’t hart te nemen. Maar waarom verschriktet gij zoo? Wat dacht gij, dat wij gevonden +hadden?” + +</p> +<p>Huck zat in een benauwd hoekje; de vragende oogen waren op hem gericht; hij zou alles gegeven hebben, indien hij een aannemelijk +antwoord had kunnen vinden. Maar <a id="d0e4141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4141">229</a>]</span>niets deed zich voor. Het vragend oog doorboorde hem al dieper en dieper.—Daar schoot hem een allerdwaast antwoord in. Er +was geen tijd om te overwegen, dus mompelde hij op goed geluk: + +</p> +<p>“Ik dacht, boeken van de zondagsschool.” + +</p> +<p>De arme knaap was te beangst om zelfs te kunnen glimlachen,—doch de oude man lachte luid en vroolijk, schudde Huck door elkander +en eindigde met te zeggen, dat zulk een lach goud waard was, omdat deze het geld voor den dokter in den zak hielp houden. +Toen voegde hij er bij: + +</p> +<p>“Arme jongen, je ziet er bleek en vermoeid uit. Je bent niet wel. Geen wonder dat je hersenen wat verward zijn. Maar je zult +er wel bovenop komen. Rust en slaap zullen je, hoop ik, wel weder in orde brengen.” + +</p> +<p>Huck was boos op zich zelven, dat hij zoo dom was geweest, zich door zulk eene verdachte verlegenheid te verraden, want hij +had, zoodra hij het gesprek bij het hek had afgeluisterd, het denkbeeld laten varen dat het pakje, ’t welk zij uit de herberg +hadden medegebracht, de schat was. Hij had althans maar gedacht, doch niet geweten dat het de schat <i>niet</i> was, en vandaar dat de mededeeling van den buitgemaakten bundel te prachtig was om er zijne tegenwoordigheid van geest bij +te blijven bewaren. Alles te zamen genomen evenwel, was hij blijde dat deze kleine episode had plaats gehad, want nu wist +hij stellig en zeker, dat deze buit de schat niet was en dus kwam zijn gemoed tot rust en voelde hij zich grootelijks verruimd. +Ja, waarlijk, alles scheen thans naar de juiste richting te drijven: de schat moest nog op “nummer twee” zijn; de mannen zouden +dien dag gepakt en in de gevangenis gezet worden en hij en Tom zouden morgen-nacht, zonder moeite en zonder vrees voor stoornis, +het geld in beslag nemen. +<a id="d0e4154"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4154">230</a>]</span></p> +<p>Juist toen het ontbijt was afgeloopen, werd er op de deur geklopt. Hij sprong op om eene schuilplaats te zoeken, want hij +had geen lust om zelfs in de verste verte met de gebeurtenis van den vorigen nacht in verband te worden gebracht. De boschwachter +liet verscheidene dames en heeren binnen, onder welke de weduwe Douglas, en hij bemerkte dat heele zwermen den heuvel beklommen, +om het hek te bekijken. Het nieuws had zich dus verspreid. + +</p> +<p>De boschwachter moest zijnen bezoekers de geschiedenis van dien nacht vertellen. De weduwe kon geen woorden vinden on hare +dankbaarheid voor hare bescherming uit te drukken. + +</p> +<p>“Spreek er niet van, mevrouw,” zeide de boschwachter. “Er is een ander, aan wien gij meer verplicht zijt dan aan mij en aan +mijne jongens. Maar deze wil zijn naam niet genoemd hebben. Wij zouden daar nooit geweest zijn, indien hij ons niet gewaarschuwd +had.” + +</p> +<p>Natuurlijk wekte dit eene mate van nieuwsgierigheid op, die de hoofdzaak in de schaduw stelde; doch de boschwachter liet de +bezoekers in het onzekere en door hen werd deze tijding door de geheele stad gebracht. Toen zij al het overige vernomen had, +zeide de weduwe: + +</p> +<p>“Ik heb in bed liggen lezen en ben zoo in slaap gevallen en heb niets van het leven gehoord. Waarom hebt gij mij niet wakker +gemaakt?” + +</p> +<p>“Wij dachten, dat het niet noodig was. De kerels zouden waarschijnlijk niet terugkomen. Zij hadden geen gereedschap om mede +te werken; en waartoe zou het dienen u te wekken en u doodelijk te doen ontstellen? Mijne drie zwarte knechts hebben den ganschen +nacht voor uw huis de wacht gehouden. Zij zijn juist teruggekomen.” + +</p> +<p><span class="corr" title="Bron: “"></span>Er kwamen hoe langer hoe meer bezoekers en de <a id="d0e4170"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4170">231</a>]</span></p> +<p>geschiedenis moest een paar uren lang aanhoudend verteld en oververteld worden. + +</p> +<p>In de vacantie was er geen zondagsschool, maar men ging wat vroeger naar de kerk. De ontrustbarende gebeurtenis werd daar +dien morgen behoorlijk uitgeplozen en iedereen kon vernemen, dat er nog geen taal of teeken van de schelmen ontdekt was. + +</p> +<p>Toen de kerk uitging, liep mevrouw Thatcher toevallig naast juffrouw Harper, die met de schare het Godshuis verliet, en zeide: + +</p> +<p>“Slaapt mijn Becky den heelen dag? Ik dacht wel, dat zij erg vermoeid zou zijn.” + +</p> +<p>“Uwe Becky?” + +</p> +<p>“Ja,” zeide de ander met een verschrikt gelaat. “Heeft zij van nacht dan niet bij u gelogeerd?” + +</p> +<p>“Wel neen.” + +</p> +<p>Mevrouw Thatcher werd bleek en viel op eene bank neder, juist toen tante Polly, in een levendig gesprek met eene oude vriendin, +haar voorbijging. Tante Polly zeide: + +</p> +<p>“Goeden morgen, mevrouw Thatcher; goeden morgen, juffrouw Harper. Ik mis een van mijne jongens. Tom is zeker van nacht aan +uw huis blijven slapen en durft nu niet in de kerk komen, niet waar? Ik zal weer een appeltje met hem te schillen hebben.” + +</p> +<p>Mevrouw Thatcher schudde het hoofd en werd nog bleeker. + +</p> +<p>“Hij is niet bij ons geweest,’” zeide juffrouw Harper, met een verontrust gelaat. Ook tante Polly werd angstig. + +</p> +<p>“Joe Harper, heb je mijn Tom van morgen al gesproken?” + +</p> +<p>“Neen, juffrouw.” + +</p> +<p>“Wanneer heb je hem het laatst gezien?” + +</p> +<p>Joe trachtte zich dit te binnen te brengen, maar hij <a id="d0e4201"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4201">232</a>]</span>herinnerde het zich niet. De kerkgangers bleven met bedrukte gezichten staan kijken; er ontstond een geheimzinnig gefluister, +en onrust teekende zich op ieders gelaat. De kinderen en de onderwijzers werden angstig ondervraagd, doch niemand had er op +gelet of Tom en Becky aan boord van de stoomboot waren, toen zij naar huis voeren. Het was zoo donker, en men had er niet +aan gedacht om te vragen, of er ook een gemist werd. Een der aanwezige jongelieden liet zich ontvallen, dat hij vreesde dat +ze nog in de grot waren! Bij deze veronderstelling viel mevrouw Thatcher dadelijk in onmacht en tante Polly begon te schreien +en hare handen te wringen. + +</p> +<p>In een oogenblik ging de noodkreet van mond tot mond, van groep tot groep, van straat tot straat, en binnen vijf minuten luidde +de noodklok met woesten klank en was de gansche stad in rep en roer. De gebeurtenis te Cardiff Hill zonk dadelijk in het niet; +de inbrekers waren vergeten. Paarden werden gezadeld, schuitjes bemand, de stoomboot werd uitgezonden, en eer de vreeselijke +tijding een half uur oud was, waren er tweehonderd man in vaartuigen of te voet op weg naar de grot. + +</p> +<p>In den namiddag was de stad als uitgestorven. Vele dames kwamen tante Polly en mevrouw Thatcher bezoeken en zochten haar te +troosten. Zij schreiden met haar, en dat deed de bedroefden nog meer goed dan hare woorden. + +</p> +<p>Den ganschen langen nacht wachtte men op tijding, en toen de dag eindelijk aanbrak, kwam er niets dan de boodschap: “Zend +meer kaarsen en meer voedsel.” Mevrouw Thatcher was bijna krankzinnig van angst, en tante Polly ook. De heer Thatcher zond +nu en dan bemoedigende boodschappen uit de grot, doch dezen brachten weinig troost. +<a id="d0e4209"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4209">233</a>]</span></p> +<p>De oude boschwachter kwam tegen het aanbreken van den dag, met kaarsvet besmeerd, met modder bespat en doodmoede tehuis. Hij +vond Huck nog in het bed, dat hij voor hem had gereedgemaakt. De knaap lag in ijlende koorts. De dokters waren allen naar +de grot en dus nam de weduwe Douglas de zorg voor den patiënt op zich. Zij zeide dat zij voor hem doen zou wat zij kon, omdat, +’t zij hij goed was of slecht, hij des Heeren was, en niets wat den Heer toebehoorde, mocht veronachtzaamd worden. De boschwachter +verklaarde, dat Huck nog zoo’n slechte jongen niet was, waarop de weduwe antwoordde: + +</p> +<p>“Dat spreekt vanzelf. Dat is de stempel des Heeren; deze kan niet uitgewischt worden. God doet dat nooit, maar drukt Zijn +merk op elk schepsel, dat uit Zijne hand komt.” + +</p> +<p>Vroeg in den middag kwam het meerendeel der St. Petersburgers, die uitgegaan waren om te zoeken, doodelijk vermoeid in de +stad terug, doch de sterksten onder de burgers zetten het onderzoek voort. De eenige tijding die zij meebrachten was, dat +men bezig was een verwijderd gedeelte van de spelonk te doorzoeken, waarin nooit menschelijke voetstappen waren doorgedrongen, +en dat elke hoek en spleet zou worden nagespeurd. Verder, dat door den ganschen doolhof, lichten her- en derwaarts flikkerden +en de doffe klank van pistoolschoten door de sombere gewelven weerkaatste. Op eene plaats, ver van het gewoonlijk door de +toeristen bezochte gedeelte, had men de namen “Becky” en “Tom” met kaarssnuitsel op een rotsachtigen muur gevonden en vlak +daarbij een met vet besmeerd stukje lint. Mevrouw Thatcher herkende het lint en schreide er bittere tranen over. Zij zeide, +dat dit het laatste aandenken was, ’t welk zij ooit van haar kind <a id="d0e4216"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4216">234</a>]</span>zou bezitten; dat geen andere gedachtenis haar zoo dierbaar zou zijn, daar dit voorwerp het laatst van het levende lichaam +gescheiden was, voordat de vreeselijke dood was gekomen. Sommigen verhaalden, dat men nu en dan in de grot een verwijderd +stipje licht zag flikkeren, en dat telkens, als dit te zien kwam, door een twintigtal mannen, die troepsgewijze door de holklinkende +gangen liepen, een jubelkreet werd aangeheven, die telkens door wanhopige teleurstelling werd gevolgd. + +</p> +<p>Dus sleepten drie vreeselijke dagen en nachten hunne trage uren voort en de stedelingen vervielen welhaast in wanhoop. De +toevallige ontdekking, onlangs gedaan, dat de eigenaar van de Matigheidsherberg in een bijgebouw sterken drank bewaarde, scheen +het publiek nauwelijks te treffen, hoe verschrikkelijk de gebeurtenis ook zijn mocht. + +</p> +<p>In een helder oogenblik gedurende zijne ziekte, bracht Huck schoorvoetend het gesprek op herbergen en vroeg eindelijk, met +een vaag vermoeden van het ergste, of er sedert zijne ziekte ook iets in de Matigheidsherberg ontdekt was. + +</p> +<p>“Ja,” zeide de weduwe. + +</p> +<p>Huck sprong met verwilderde oogen in zijn bed op. + +</p> +<p>“Wat? Wat was het?” + +</p> +<p>“Drank! En de herberg is gesloten. Ga stil liggen, kind;—gij doet mij schrikken.” + +</p> +<p>“Zeg mij slechts één ding—één ding als het u blieft. Heeft Tom Sawyer het ontdekt?” + +</p> +<p>De weduwe barstte in tranen uit. + +</p> +<p>“Stil, kind, stil! Ik heb al meer gezegd, dat gij niet moet praten. Gij zijt zeer, zeer ziek.” + +</p> +<p>Zoo! dus was er niets dan drank gevonden. Het zou wel eene groote opschudding gegeven hebben, indien het <a id="d0e4238"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4238">235</a>]</span>de schat was geweest. Dus was deze voor eeuwig verloren! Maar waarom zou zij schreien? Hoe vreemd dat zij schreide. Deze gedachten +doorkruisten Hucks brein en onder de vermoeienis van het peinzen viel hij in slaap. Toen zeide de weduwe tot zich zelve: + +</p> +<p>“Daar slaapt hij, de arme drommel. Tom Sawyer hem vinden! Gave God, dat iemand Tom Sawyer vond! Ach, er zijn er niet veel +meer, die nog hoop en kracht hebben om met zoeken voort te gaan.” + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e4242"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXXII.</h2> +<p>Wij moeten thans naar de pic-nic en Tom en Becky’s aandeel in de pret terugkeeren. Zij hadden met de anderen door de donkere +gangen gehuppeld en de bekende wonderen van de grot bezocht,—wonderen met wel te grootsche namen bestempeld, zooals: het “Salon,” +de “Kathedraal,” het “Paleis van Aladdin,” enz. Aan het daarop gevolgd “verstoppertje” spelen hadden zij ijverig deelgenomen, +totdat zij van de inspanning moede waren geworden. Daarna eens opwandelende, waren zij in een kronkelpad afgedwaald en hadden +daar, bij het licht hunner omhooggehouden kaarsen, het krabbelschrift van namen, datums, adressen en motto’s gelezen, waarmede +de rotswanden (met kaarssnuitsel) beschreven waren. Al voortgaande en pratende, hadden zij niet eens bemerkt, dat zij zich +in een gedeelte der grot bevonden, op welks muren geene namen te lezen stonden. Hier schreven zij hun eigen naam met kaarssnuitsel +op een vooruitstekend rotsblok en gingen verder. Kort daarop kwamen zij op eene plaats, waar een, over een zandrif <a id="d0e4247"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4247">236</a>]</span>naar beneden vlietend en een laag kalksteen met zich voerend waterstroompje, in de langzaam voortgaande eeuwen, een versteende +Niagara van schitterend en onvergankelijk stalactiet had gevormd. + +</p> +<p>Om Becky pleizier te doen, kroop Tom met zijn tenger lichaam tusschen de steenen door, om de plaats te verlichten. Te midden +dier rotsenmassa ontdekte hij eene door de natuur gevormde trap, door nauwe muren ingesloten, en bij dat gezicht werd hij +door den lust tot een ontdekkingstocht aangegrepen. Becky verklaarde zich bereid hem te vergezellen en zij maakten met den +walm der kaars een teeken, dat hen den terugweg zou doen weervinden, en gingen op verkenning uit. Zij sloegen allerlei paden +in, tot ver in de grot; zij maakten nog eens een merkteeken en gingen steeds voort om nieuwe wonderen te zoeken, die zij aan +de bovenwereld zouden vertellen. Op eens ontdekten zij een ruim hol, van welks zoldering een massa glinsterend druipsteen +afhing, in lengte en vorm aan een menschenbeen gelijk. Vol bewondering en verbazing wandelden zij daarin rond en verlieten +het hol weder door een der vele gangen, die er op uitliepen. Hun weg bracht hen bij een tooverachtig schoone springbron, welker +bodem met schitterende gekristallisseerde waterdroppen als ingelegd was. De bron stond midden in een grot, met muren door +allervreemdsoortigste pilaren gestut, gevormd door de verbinding van groote <span class="corr" title="Bron: salactieten">stalactieten</span> en stalagmieten, die wederom aan het eeuwenlang neerdruppelen van water hun ontstaan te danken hadden. Onder dit dak hadden +zich dikke zwermen vledermuizen bij duizendtallen opeengehoopt. Door het licht verschrikt, kwamen deze dieren bij honderden +naar beneden en fladderden met een akelig geschreeuw woedend om de kaarsen been. Tom kende hun aard en het gevaar, <a id="d0e4254"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4254">237</a>]</span>dat van dien kant dreigde. Hij greep Becky bij de hand en duwde haar in een der vele gangen—en voorwaar niet te vroeg, want +een vledermuis sloeg, juist toen zij den grot verlieten, met hare vleugels Becky’s licht uit. De booze dieren vervolgden de +kinderen nog een tijdlang, doch de vluchtelingen liepen telkens een nauwen gang in en ontkwamen eindelijk aan deze gevaarlijke +beesten. + +</p> +<p>Kort daarna ontdekte Tom een onderaardsch meer, welks eindelooze lengte zich in de duisternis verloor. Ofschoon hij groote +geneigdheid had om de oevers van dat meer te gaan verkennen, kwam hij tot het besluit, dat het beter zou zijn een oogenblik +te gaan zitten, on uit te rusten. En nu eerst wekte de doodelijke stilte van het oord verlammend op hun jeugdig gemoed. + +</p> +<p>“Tom, ik verbeeld mij, dat wij sedert uren niets van de anderen gehoord hebben.”’ + +</p> +<p>“Becky, ik geloof dat wij veel dieper zijn dan zij, maar ik weet niet in welke richting, in het noorden, zuiden of oosten. +Ik geloof niet, dat het mogelijk is hen hier te hooren.” + +</p> +<p>Becky begon bang te worden. + +</p> +<p>“Ik zou wel eens willen weten, hoe lang wij al hier zijn.—Zou het niet beter wezen terug te keeren?” + +</p> +<p>“Ja, dat geloof ik ook.” + +</p> +<p>“Kunt gij den weg terugvinden? Ik zie niets dan kronkelpaden en slingerwegen.” + +</p> +<p>“Ik zou het wel kunnen, maar ik ben bang voor de vleermuizen. Indien zij ook mijn kaars uitdeden, zouden wij er ellendig aan +toe zijn. We moeten het met een anderen weg beproeven. + +</p> +<p>“Och, ik hoop maar dat wij niet zullen verdwalen. Dat zou zoo vreeselijk wezen!” +<a id="d0e4274"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4274">238</a>]</span></p> +<p>En het meisje begon te beven bij de gedachte aan die ontzettende mogelijkheid. + +</p> +<p>Zij liepen een gang in en gingen zwijgend een geruimen tijd voort, naar elke nieuwe opening kijkende, om te zien of zij ook +iets ontdekten dat hun bekend voorkwam, doch ’t was alles even vreemd. Telkens als Tom de plaats opnam, bespiedde Becky angstig +zijn gelaat en telkens antwoordde hij vroolijk: + +</p> +<p>“O, wees zonder zorg; dit is het pad niet, maar wij zullen het rechte zeker vinden.” + +</p> +<p>Bij elke mislukte poging echter verloor de knaap iets van zijn moed en nu op goed geluk, in allerlei richtingen, verschillende +gangen in te slaan, in het wanhopend vertrouwen, dat hij den doorgang dien zij noodig hadden, wel vinden zou. Voortdurend +riep hij: + +</p> +<p>”’t Zal wel gaan.” Doch er lag hem zulk een looden wicht op het hart, dat de woorden hun klank verloren en luidden alsof hij +geroepen had: “Alles is verloren.” + +</p> +<p>Becky klampte zich angstig aan hem vast en deed haar best om niet te schreien, maar de tranen sprongen haar ondanks haar zelve +uit de oogen.—Eindelijk riep zij uit: + +</p> +<p>“O, Tom, ik geef niets om de vleermuizen! Laat ons liever langs den ouden weg teruggaan. ’t Is alsof wij hoe langer hoe verder +van het rechte pad afdwalen.” + +</p> +<p>Tom hield stil. + +</p> +<p>“Luister!” zeide hij. + +</p> +<p>Niets dan diepe stilte,—eene stilte zoo groot, dat de kinderen hun adem konden hooren. + +</p> +<p>Tom begon te roepen. De kreet weerkaatste door de holle gangen en stierf in de verte weg, in een geluid dat aan een spotlach +deed denken. + +</p> +<p>“O, doe het niet meer, Tom! het is al te akelig!” zeide Becky. +<a id="d0e4299"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4299">239</a>]</span></p> +<p>”’t Is akelig, maar ’t is toch beter, Becky. Misschien kunnen zij het hooren.” + +</p> +<p>De woorden “misschien kunnen” joegen Becky een rilling door de leden, nog kouder dan het spookachtig geluid had gedaan, want +zij waren de taal der wanhoop. De kinderen stonden stil en luisterden, alweder zonder gevolg. Opeens keerde Tom op zijne schreden +terug en verhaastte zijn stappen. Een oogenblik later verried eene angstige onbeslistheid in zijne manieren aan Becky het +vreeselijk feit: hij had het spoor van den terugweg verloren!” + +</p> +<p>“O, Tom, heb je geen teekens gemaakt?” + +</p> +<p>“Becky, ik was zoo dwaas! Ik dacht, dat wij niet langs dezen kant zouden behoeven terug te gaan. Ik kan den weg niet meer +vinden. ’t Is alles even verward!” + +</p> +<p>“Tom! Tom! wij zijn verloren. Wij zullen het daglicht nooit meer zien. O, waarom hebben wij de anderen verlaten?” + +</p> +<p>Zij zonk op den grond neder en barstte in zulk een waanzinnig gekrijt uit, dat Tom bang werd dat zij zoude sterven of het +verstand verliezen. Hij ging naast haar zitten en sloeg zijne armen om haar heen: zij verborg haar gezichtje tegen zijn borst, +hield hem stijf vast en stortte hare angsten en haar tot niets leidend berouw tot hem uit;—en de verwijderde echo’s verkeerden +dat alles in een hoonend gelach. Tom smeekte haar moed te houden, maar zij antwoordde dat dit haar onmogelijk was. + +</p> +<p>Toen begon hij er zich een verwijt van te maken, dat hij haar in dezen ellendigen toestand gebracht had. Dit had eene goede +uitwerking; want zoodra hij zich zelven beschuldigde, beloofde zij, dat zij haar best zou doen om zich goed te houden en dat +zij zou opstaan en hem volgen, <a id="d0e4314"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4314">240</a>]</span>werwaarts hij haar wilde heenleiden, als hij haar beloofde niet meer zoo te praten; beiden hadden zij immers, zoo zeide zij, +schuld. + +</p> +<p>Zoo gingen zij dan weer verder,—zonder doel, enkel op goed geluk af. Het beste ook wat zij doen konden, was te loopen, steeds +te loopen. De hoop scheen voor een oogenblik te herleven, niet omdat er eenig uitzicht op redding was, maar dewijl het in +haar natuur ligt steeds te herleven, zoolang zij door de jaren en de ervaring van teleurstellingen, haar veerkracht nog niet +verloren heeft. + +</p> +<p>Een poos daarna nam Tom Becky’s kaars en blies die uit. Dat was een veelbeteekenende spaarzaamheid. Ook zonder dat het gezegd +werd, begreep Becky wat dit beduidde en de hoop ontzonk haar weder. Zij wist, dat Tom nog eene geheele kaars en drie of vier +eindjes in den zak had en toch zuinig moest zijn. + +</p> +<p>Allengs begon het vermoeiend zwerven hun invloed op hen uit te oefenen. De kinderen trachtten te doen alsof zij ’t niet merkten, +want de gedachte alleen aan zitten, terwijl elke minuut kostbaar was, was vreeselijk. Zich bewegen, hoe dan ook en waarheen +dan ook, was vorderen en kon met een gewenschten uitslag worden bekroond. Stilzitten daarentegen, was den dood inroepen en +zijn komst verhaasten. + +</p> +<p>Eindelijk weigerden Becky’s zwakke leden haar verder te dragen. Zij legde zich op den grond neder, en Tom zette zich naast +haar. Zij spraken van huis, van hunne ouders, van hun heerlijk bed en voor alle dingen van het verrukkelijke licht; Becky +schreide en Tom verzon van alles on haar op te beuren! Maar alle troostwoorden waren afgesleten en klonken als bijtende spot. +Uitgeput van vermoeidheid viel Becky ten laatste in slaap. Tom <a id="d0e4324"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4324">241</a>]</span>was er blijde om en bleef op haar bedroevend gelaat turen. Hij zag het, onder den invloed van vriendelijke droomen, weer glad +en effen worden en bemerkte, dat een glimlach op hare lippen neerdaalde en zich er bleef vestigen. Die kalmte bracht zijn +eigen gemoed ook eenigszins tot rust en zijne gedachten dwaalden terug naar vroegere tijden en nevelachtige herinneringen. +Te midden zijner overpeinzingen ontwaakte Becky met een vroolijk lachje,—doch het stierf op hare lippen weg en werd gevolgd +door een diepen zucht. + +</p> +<p>“O, hoe kon ik slapen? Ik wou dat ik maar nooit, nooit meer was wakker geworden! Neen, neen, Tom, zie mij niet zoo angstig +aan! Ik zal het nooit meer zeggen.” + +</p> +<p>“Ik ben zoo blijde dat gij geslapen hebt, Becky. Gij zult nu minder moede zijn en wij zullen den weg vinden.” + +</p> +<p>“Wij kunnen het probeeren, Tom, maar ik heb zulk een mooi land in mijn droom gezien—en daarheen zullen wij gaan, denk ik.” + +</p> +<p>“Misschien nog wel niet. Houd je goed, Becky, en laat ons voortgaan.” + +</p> +<p>Zij stonden op en dwaalden hand in hand, hopeloos voort. Zij trachtten den tijd te begrooten, dien zij in de grot hadden doorgebracht, +maar dien bij benadering berekenen konden zij niet. Het scheen hun dagen en weken te zijn, ofschoon dat onmogelijk was, want +hunne kaarsen waren nog niet opgebrand. + +</p> +<p>Een langen, zeer langen tijd daarna zeide Tom, dat zij zachtjes moesten loopen en luisteren of zij ook water hoorden druppelen, +daar zij bij een bron moesten zijn. Deze vonden zij ook werkelijk en Tom stelde voor om weer wat te rusten. Beiden waren doodmoede +en toch zeide Becky, dat zij nog wel een eind verder zou kunnen gaan; maar tot <a id="d0e4338"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4338">242</a>]</span>hare verbazing wilde Tom daar niet van hooren. Daarom gingen zij weder zitten, en Tom maakte zijne kaars met klei aan den +muur vast. Ieder was in zijn eigen gedachten verdiept; een geruimen tijd werd er geen woord gesproken. Becky verbrak het stilzwijgen +het eerst. + +</p> +<p>“Tom,” zeide zij, “ik heb zoo’n honger.” + +</p> +<p>Tom haalde iets uit den zak. + +</p> +<p>“Herken je dit?” zeide hij. + +</p> +<p>Becky trachtte te glimlachen en zeide: + +</p> +<p>“Het is onze bruidskoek, Tom!” + +</p> +<p>“Ja, ik wou dat hij tienmaal grooter was, want het is alles wat wij hebben.” + +</p> +<p>“Ik had hem voor de pic-nic medegenomen, on hem met u te deelen, Tom, zooals groote menschen doen;—maar ik vrees dat het onze....” +Zij voltooide den volzin niet. Tom verdeelde den koek en Becky at met graagte, terwijl Tom zijne helft langzaam opmuisde. +Er was overvloed van water om bij het eten te gebruiken. Eindelijk opperde Becky de vraag, of het niet beter zou zijn weder +verder te gaan. Tom zweeg een oogenblik en zeide toen: + +</p> +<p>“Becky, kun je verdragen, dat ik je iets zeg?” + +</p> +<p>Becky werd bleek, doch knikte toestemmend. + +</p> +<p>“Nu dan, Becky, wij moeten hier blijven, omdat hier water voorhanden is; want dit kleine stukje is ons laatste eindje kaars.” + +</p> +<p>Becky barstte in tranen en weeklagen uit. + +</p> +<p>Tom deed zijn best on haar te troosten, doch zonder baat. Eindelijk riep zij uit. + +</p> +<p>“Tom!” + +</p> +<p>“Wat is er, Becky?” + +</p> +<p>“Zou men ons missen en trachten op te sporen?” + +</p> +<p>“Ja, zeker.” +<a id="d0e4372"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4372">243</a>]</span></p> +<p>“Zou men nog bezig zijn met zoeken?” + +</p> +<p>“Ik geloof het bepaald en ik hoop het.” + +</p> +<p>“Wanneer zou men ons het eerst gemist hebben?” + +</p> +<p>“Toen zij naar de boot terugkeerden, denk ik.” + +</p> +<p>“Tom, het kon wel zijn, dat het toen donker was;—zouden zij dan wel opgemerkt hebben, dat wij er niet waren? + +</p> +<p>“Ik weet het niet. Maar in elk geval moet je moeder je gemist hebben, zoodra zij te huis waren.” + +</p> +<p>Een uitdrukking van schrik op Becky’s gelaat bracht Tom tot bezinning en hij zag, dat hij een misslag had begaan. Tom en Becky +zouden dien avond niet naar huis gegaan zijn. De kinderen spraken niet meer en bleven zitten peinzen. Een nieuwe uitbarsting +van droefheid van Becky deed Tom zien, dat ook zij dacht aan ’t geen er in zijne ziel omging,—namelijk, dat de Zondagochtend +al voorbij kon zijn, eer mevrouw Thatcher tot de ontdekking kwam, dat Becky niet bij juffrouw Harper was. De kinderen hielden +de oogen strak op het stukje kaars gevestigd en verbeidden met een kloppend hart, angstig het oogenblik, waarop het zou wegsmelten +en uitgaan. Zij zagen het pitje eindelijk alleen staan; zij zagen de zwakke vlam rijzen en dalen, dalen en rijzen en het dunne +rookkolommetje klimmen; zij zagen een laatste flikkering aan den top—en toen heerschte de vreeselijkste duisternis. + +</p> +<p>Hoe lang het duurde, eer Becky tot het bewustzijn kwam dat zij in de armen van Tom lag te schreien, zou geen van beiden hebben +kunnen zeggen. Zij wisten alleen maar, dat zij beiden, na een schijnbaar oneindig lang verloop van tijd, uit een soort van +verdooving wakker werden, on hun ellendig bestaan voor te zetten. Tom dacht dat het Zondag, misschien ook Maandag was. Hij +trachtte Becky aan het praten te krijgen, doch zij was sprakeloos van verdriet en <a id="d0e4389"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4389">244</a>]</span>wanhoop. Om haar te troosten zeide Tom, dat men hen stellig al lang gemist had en bepaald nog aan het zoeken was. Hij zou +nog eens roepen, want wellicht waren er menschen in de nabijheid. En dat deed hij ook, maar de verwijderde echo’s herhaalden +in de duisternis zijn geluid zoo akelig, dat hij geen moed had nogmaals zijne stem te verheffen. + +</p> +<p>Weder gingen er uren voorbij en weder begon de honger de arme gevangenen te kwellen. Gelukkig had Tom nog een stukje koek +bewaard, ’t welke zij verdeelden en opaten. Maar ’t was alsof dit armzalig mondjevol hen nog hongeriger maakte. + +</p> +<p>Op eens riep Tom uit: + +</p> +<p>“Stil! hoort gij niet wat?” + +</p> +<p>Beiden hielden den adem in en luisterden. + +</p> +<p>Daar klonk een geluid alsof er in de verte geroepen werd. Tom beantwoordde dat geroep oogenblikkelijk en ging, Becky bij de +hand nemende, op den tast de gang door, in de richting van waar het geluid gehoord was. Een oogenblik hield hij stil om nogmaals +te luisteren en weder klonk het geroep, ditmaal iets naderbij. + +</p> +<p>“Zij zijn het!” zeide Tom. “Zij komen! Ga maar mede; wij zijn nu op den rechten weg.” + +</p> +<p>De kinderen waren uitgelaten van vreugde. Toch liepen zij behoedzaam voort, want valputten waren geen ongewoon verschijnsel +in de grot en daarvoor moest gewaakt worden. Zij hadden dan ook nog niet lang hun weg vervolgd of zij moesten stilhouden. +Het gat waarvoor zij stonden kon drie, maar ook honderd voet diep zijn. Aan verder gaan was geen denken. Tom ging op zijn +buik liggen en reikte naar beneden zoo ver hij kon, doch voelde geen bodem. Hier moesten zij dus blijven wachten, totdat er +hulp komen zou. Weer luisterden zij scherp; het verwijderd geluid <a id="d0e4405"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4405">245</a>]</span>werd blijkbaar zwakker; nog een oogenblik en alles was weder doodstil. + +</p> +<p>Welk eene bittere teleurstelling! Tom schreeuwde zich heesch, doch tevergeefs. Toch bleef hij Becky moed inspreken. Nogmaals +ging er eene eeuwigheid van angstig wachten voorbij, zonder dat het geroep herhaald werd. + +</p> +<p>De kinderen slopen naar de bron terug. Langzaam kropen de uren voort en zij vielen weer in slaap, on uitgehongerd en rampzalig +te ontwaken. Naar Toms gissing moest het thans Dinsdag wezen. Daar viel hem iets in. In hun buurt waren eenige zijgangen. +Zou het niet beter zijn deze te onderzoeken, dan werkeloos te blijven zitten wachten? Hij haalde een vliegertouw uit den zak, +maakte dat aan een vooruitstekend rotsblok vast en ging verder, en Becky kwam achter hem aan, terwijl hij het touw loswond, +naarmate zij voortslopen. Twintig stappen verder liep de gang op een viersprong uit. Tom legde zich op de knieën en kroop +op handen en voeten voort, totdat hij een der hoeken om was. Hij deed eene poging om het nog een eind verder te brengen; en +op datzelfde oogenblik kwam achter een rots, op geen twintig pas afstands, eene menschenhand te voorschijn, die eene kaars +vasthield. Tom slaakte een kreet van vreugde en onmiddellijk daarop werd de hand gevolgd door het lichaam, waaraan zij toebehoorde—en +dat was van Injun Joe! Verlamd van schrik bleef Tom als aan den grond vastgenageld staan. Een oogenblik later echter werd +hij gerustgesteld, daar hij den Spanjaard zag wegloopen en uit het gezicht verdwijnen. Tom verbaasde zich, dat Injun Joe zijne +stem niet had herkend en niet naar hem was toegekomen on hem te vermoorden, wegens zijn getuigen voor het Gerechtshof. Doch +de echo’s, zoo dacht hij, hadden zeker zijne stem onkenbaar gemaakt. <a id="d0e4411"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4411">246</a>]</span>Toch trilde elke spier van zijn lichaam en hij nam zich voor om, als hij kracht genoeg had, naar de bron terug te keeren, +daar te blijven, en zich door niets te laten verleiden nogmaals het gevaar te loopen van Injun Joe te ontmoeten. Zorgvuldig +hield hij zijn wedervaren voor Becky verborgen en vertelde haar, dat hij op goed geluk af geschreeuwd had. + +</p> +<p>Doch honger en ellende kregen ten laatste de overhand over angst en vrees. Nog eenige lange uren wachtens aan de bron en nog +eenige uren slapens brachten eene verandering teweeg. De kinderen werden met een woedenden honger wakker. Tom verbeeldde zich +dat het Woensdag of Donderdag, ja, misschien Vrijdag of Zaterdag was en dat men het zoeken had opgegeven. Hij voelde zich +bereid Injun Joe en alle andere vreeselijkheden te trotseeren. Maar Becky was in een treurige onverschilligheid vervallen, +waaruit Tom vruchteloos trachtte haar op te wekken. Zij zeide, dat zij wilde blijven waar zij nu was, on daar te sterven;—de +dood zou zeker niet lang meer uitblijven. Tom mocht, als hij wilde, met het vliegertouw gaan zoeken, doch zij smeekte hem, +nu en dan eens terug te komen, on haar een woord toe te spreken en zij liet hem beloven, dat wanneer de vreeselijke ure kwam, +hij aan hare zijde zou staan en hare hand zou vasthouden, totdat alles voorbij was. Tom kuste haar, met een gevoel in zijne +keel alsof deze werd toegeknepen, en vertelde haar, dat hij er zeker van was, òf de zoekenden òf een uitweg uit de grot te +zullen vinden. Daarop nam hij het vliegertouw in de hand en sloop, flauw van den honger en beklemd door een vreeselijk voorgevoel +van den naderenden dood, op handen en voeten door een der gangen voort. + + + +<a id="d0e4415"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4415">247</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e4416"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXXIII.</h2> +<p>Het was Dinsdagmiddag, het werd Dinsdagavond en nog was het stadje St. Petersburg in rouw. Men had openbare bidstonden voor +de verloren kinderen gehouden en ook in menige binnenkamer was een stil, hartelijk gebed voor hen opgegaan, doch er kwam nog +geen goed nieuws uit de grot. De meerderheid der lieden, die zich in de spelonk hadden gewaagd, hadden het zoeken opgegeven +en waren naar hun dagelijksch werk teruggekeerd, met de boodschap, dat de kinderen onmogelijk gevonden konden worden. Mevrouw +Thatcher was zeer ziek en bij tijden ijlhoofdig. De menschen zeiden dat het hartverscheurend was haar om haar kind te hooren +roepen, en te aanschouwen hoe zij somtijds het hoofd opbeurde en luisterde, om het terstond daarop moede en weeklagend in +het kussen te leggen. Tante Polly was diep neerslachtig en hare grijze haren waren bijna wit geworden. En met weemoed in het +hart legden de inwoners van St. Petersburg zich dien Dinsdagavond ter rust. + +</p> +<p>Maar ziet, in het holst van den nacht deed zich op eens het luiden der torenklok hooren en in een oogenblik wemelden de straten +van opgewonden, halfgekleede menschen, die jubelden: “Sta op! sta op! Zij zijn gevonden!” Er werd op horens geblazen en op +bekkens geslagen en de bevolking stroomde in grooten getale naar de rivier, de kinderen te gemoet, die in een open rijtuig, +door jubelende burgers voortgetrokken, naar huis gereden werden. Men verdrong zich om den wagen en voegde zich bij den uitgelaten +troep, die <a id="d0e4423"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4423">248</a>]</span>onder een oorverdoovend hoezee-geroep, plechtstatig door de hoofdstraten huiswaarts stapte. + +</p> +<p>Het stadje werd geïllumineerd, niemand ging meer naar bed en ’t was de heerlijkste nacht, dien St. Petersburg ooit had beleefd. +Het eerste half uur trok een stoet in optocht het huis van den heer Thatcher voorbij, drukte de geredden aan het hart, kuste +hen, schudden mevrouw Thatcher de hand, poogde haar toe te spreken en bevochtigde de straat met heete vreugdetranen. Tante +Polly was buiten zichzelve van blijdschap en mevrouw Thatcher evenzeer. Het geluk der laatste echter kon eerst volmaakt wezen, +zoodra de boodschapper, die de blijde tijding aan haar echtgenoot bracht, terug zou zijn. + +</p> +<p>Tom lag op de sofa, met een gretig luisterend gehoor om zich heen, en vertelde zijn wonderbaar avontuur, zich nu en dan de +vrijheid veroorlovende het verhaal door treffende toevoegsels op te sieren, en eindigde met eene beschrijving van den staat +waarin hij Becky verliet, om nogmaals op verkenning uit te gaan. Hij verhaalde, hoe hij zich twee gangen, zoover als het vliegertouw +reikte, gewaagd had; hoe hij een derden was ingegaan en hoe hij op het punt was terug te keeren, toen hij, heel in de verte +eene opening ontdekt had, waaruit een blauw stipje schemerde, dat aan daglicht deed denken; hoe hij het vliegertouw had losgelaten +en er op den tast heen was gekropen, zijn hoofd en zijne schouders door eene kleine opening gestoken had en de breede Mississipi +had zien stroomen. En indien het nacht geweest was, zou hij dat stipje daglicht niet gezien hebben en die gang niet zijn ingegaan! +Hij vertelde, hoe hij naar Becky was teruggeloopen en haar de blijde tijding had gebracht en zij hem gezegd had, haar niet +met zulken onzin aan het hoofd te malen, daar zij doodmoede was en wist dat zij ging <a id="d0e4429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4429">249</a>]</span>sterven en dat ook maar liever deed. Daarna beschreef hij, hoe hij zich had ingespannen on haar te overtuigen, en hoe zij +bijna van zichzelve was gevallen van blijdschap, toen zij naar de plaats gekropen waren, van waar het blauwe stipje daglicht +zichtbaar was; hoe hij zich door de opening gewrongen had en haar er toen uit had geholpen; hoe zij daar gezeten hadden en +geschreid hadden van blijdschap; hoe een paar mannen in een schuit waren voorbijgevaren, en hoe Tom hen had gewenkt en geroepen +en hen met hun treurigen toestand had bekend gemaakt; hoe de mannen de vreeselijke geschiedenis eerst niet hadden geloofd, +omdat, zeiden zij, de kinderen drie en een half uur van den ingang der grot verwijderd waren; hoe zij hen aan boord hadden +genomen, naar huis hadden gevoerd, hun voedsel gegeven hadden, hen een paar uur hadden laten rusten en hen toen naar huis +hadden gebracht. + +</p> +<p>Vóór het aanbreken van den dag werden de heer Thatcher en de enkele zoekers, die nog met hem in de grot waren, ontdekt, door +het kluwen touw dat zij achter zich gespannen hadden, en werd hun het groote nieuws verteld. + +</p> +<p>Tom en Becky ontwaarden spoedig, dat drie dagen en nachten, zonder eten, in een vochtige spelonk doorgebracht, hun niet in +de koude kleeren gingen zitten. Zij moesten Woensdag en Donderdag te bed blijven en schenen toch hoe langer hoe vermoeider +te worden. Tom mocht Donderdag een uurtje opzitten, ging Vrijdag weer eens uit en werd Zaterdag voor hersteld verklaard, doch +Becky hield haar kamertje tot Zondag, en toen zag zij er uit alsof zij maanden ziek was geweest. + +</p> +<p>Tom hoorde dat Huck ongesteld was en ging hem Vrijdag bezoeken, maar werd niet in de ziekenkamer toegelaten; zelfs Zaterdag +en Zondag kreeg hij hem nog niet te zien. <a id="d0e4437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4437">250</a>]</span>Daarna evenwel mocht hij dagelijks bij hem komen, onder voorwaarde dat hij over het avontuur niet spreken zou en geen onderwerpen +zou aanroeren, die den zieken knaap opgewonden konden maken. De weduwe Douglas bleef in de kamer, om te zien of haar gebod +gehoorzaamd werd. Tehuis vernam Tom het gebeurde te Cardiff Hill en ook dat het lichaam van den in lompen gekleeden onbekende, +in de rivier gevonden was bij de aanlegplaats der veerboot. Waarschijnlijk was hij verdronken, toen hij trachtte zich door +de vlucht te redden. + +</p> +<p>Op zekeren morgen, omstreeks veertien dagen na hunne redding uit de grot, ging Tom Huck zijn gewoon bezoek brengen. De kleine +vagebond was thans genoegzaam hersteld om een opwekkend verhaal te mogen aanhooren, en Tom had hem iets te vertellen, dat, +naar hij meende, zijne belangstelling gaande zou maken. + +</p> +<p>Het huis van den heer Thatcher lag op zijn weg en de jongeheer Sawyer ging er, eer hij Huck bezocht, even aan om Becky te +zien. De rechter en een paar zijner vrienden verzochten Tom, hun zijn wedervaren nog eens te verhalen, en een van hen vroeg +hem spottend, of hij nog niet eens gaarne in de grot zou gaan, waarop Tom antwoordde, dat hij er niet tegen op zou zien. + +</p> +<p>Toen zeide de rechter: + +</p> +<p>“Er zijn er nog wel meer, die daarin behagen zouden scheppen. Maar wij hebben er voor gezorgd, dat dit niet meer kan gebeuren. +Niemand zal er ooit meer in verdwalen.” + +</p> +<p>“Waarom niet?” + +</p> +<p>“Omdat ik, veertien dagen geleden, de groote deur van een ijzeren hek met een dubbelen grendel heb laten voorzien, waarvan +ik den sleutel in mijn bezit heb.” +<a id="d0e4451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4451">251</a>]</span></p> +<p>Tom werd zoo wit als een laken. + +</p> +<p>“Wat scheelt er aan, jongen? Hier, loop, haal een glas water!” + +</p> +<p>Het water kwam en Toms gezicht werd er mede besproeid. + +</p> +<p>“O, nu komt hij weer bij!—Wat scheelde er aan Tom?” + +</p> +<p>“O, mijnheer Thatcher, Injun Joe is in de grot!” + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e4462"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXXIV.</h2> +<p>Binnen een paar minuten was de tijding wijd en zijd verspreid en waren er al een dozijn bootslieden op weg naar de Douglasgrot, +op de hielen gevolgd door het propvolle veerbootje. Tom Sawyer zat in een schuitje met den heer Thatcher. Toen de deur der +grot geopend werd, vertoonde zich in de donkere plaats een droevig schouwspel. Injun Joe lag dood op den grond uitgestrekt, +met zijn gezicht naar de deur, alsof zijne smeekende oogen tot het laatste toe, op het licht en de vroolijkheid der buitenwereld +gericht waren geweest. Tom was zeer getroffen: immers hij wist bij ondervinding hoeveel deze ongelukkige moest geleden hebben. +Doch hoeveel medelijden hij ook met hem mocht gevoelen, werd hem, bij het aanschouwen van Injuns lijk, een pak van het hart +genomen, en nu eerst gevoelde hij, welk een loodzwaren last van ellende hij getorst had, sedert hij zijne stem tegen dien +bloeddorstigen kleurling verheven had. + +</p> +<p>Injun Joe’s zakmes lag met gebroken lemmer vlak bij zijn lijk. Van den zwaren balk, waarop de deur rustte, waren met eindelooze +inspanning, stukken afgehakt en aan <a id="d0e4469"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4469">252</a>]</span>splinters gesneden;—vruchtelooze arbeid, want onder den balk lag een reusachtig rotsblok en tegen dien onbuigzamen hinderpaal +vermocht het mes niets en brak het lemmer. En zelfs al had die steenen versperring er niet gelegen, zoo zou Injun Joe toch +vergeefsch werk verricht hebben, want indien het hem al gelukt was, den balk geheel aan spaanders te snijden, zou hij zijn +lichaam toch niet onder de deur hebben kunnen heen persen, en dat wist hij. Toch had hij zijn krachten op den balk beproefd, +alleen maar om de vervelende uren door te komen en zijne gemartelde leden te kunnen gebruiken. Gewoonlijk waren er een half +dozijn eindjes kaars in de spleten bij den ingang te vinden, door de bezichtigers der grot achtergelaten; maar thans was er +geen enkel te zien. De gevangene had ze opgezocht en opgegeten! Hij was er ook in geslaagd een paar vleermuizen te vangen, +die hij eveneens had verslonden en waarvan alleen de klauwen waren overgelaten. De ongelukkige was den hongerdood gestorven! + +</p> +<p>Op eene plek in zijne nabijheid, had zich in den loop der jaren, door het droppelen van het water, een stalagmiet gevormd. +Dezen had de gevangene vernield en op de plaats waar hij gestaan had, een steentje neergezet, waarin hij een gaatje had geboord, +om er den kostbaren droppel in op te vangen, die iedere twintig minuten, met de vreeselijke regelmaat van het getik eener +klok, naar beneden viel; in de vier en twintig uren niet meer dan een <span class="corr" title="Bron: dessertlepetje">dessertlepeltje</span> vol. Die droppel viel er reeds, toen de Pyramiden waren voltooid; toen Troje onderging; toen de fondamenten van Rome werden +gelegd; toen Christus gekruisigd werd; toen de Veroveraar naar Brittannië zeilde. + +</p> +<p>Injun Joe werd aan den ingang der grot begraven en uren in den omtrek stroomden de menschen, in booten en <a id="d0e4478"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4478">253</a>]</span>rijtuigen, uit steden, dorpen en gehuchten, naar de plaats toe. Zij brachten hunne kinderen met zich, alsook wagens met proviand—en +gingen naar huis, met de bekentenis op de lippen, dat zij, bij de begrafenis van den moordenaar evenveel genot gesmaakt hadden, +als wanneer zij hem hadden zien hangen. + +</p> +<p>De ochtend na de begrafenis nam Tom Huck met zich naar eene eenzame plaats, om hem iets zeer gewichtigs mede te deelen. Huck +had door den boschwachter en de weduwe Douglas alles van Toms avontuur vernomen; maar Tom beweerde, dat er iets was, dat zij +hem niet verteld hadden, en over dat verzwegene wenschte hij hem nu te spreken. Hucks gelaat betrok en hij zeide: + +</p> +<p>“Ik weet, wat het is. Je bent op ‘nommer twee’ geweest en hebt niets dan brandewijn gevonden. Niemand heeft mij verteld dat +jij het waart, maar ik wist dat jij het moest geweest zijn, zoodra ik over die ‘brandewijn-zaak’ hoorde spreken. En ik wist, +dat jij het geld niet hadt, anders zou je het mij wel op de een of andere wijze hebben doen weten, al had je er met niemand +anders over gesproken. Tom, ik heb altijd wel gedacht, dat wij dien buit nooit zouden machtig worden.” + +</p> +<p>“Wel, Huck, ik heb nooit met iemand over dien kroeghouder gesproken. Je weet, dat het op den Zaterdag van de pic-nic in zijne +herberg nog in orde was. Herinner je je niet, dat jij er dien nacht zoudt waken?” + +</p> +<p>“O, jawel! Het was dezelfde nacht, waarin ik Injun Joe naar de weduwe volgde.” + +</p> +<p>“Ben je hem gevolgd?” + +</p> +<p>“Ja! maar je moet je mond houden. Ik weet zeker, dat er nog vrienden van Injun Joe hier in den omtrek zijn, en ik heb geen +zin om door dezen zuur aangezien en gemeen <a id="d0e4492"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4492">254</a>]</span>behandeld te worden. Indien ik er niet geweest was, zou hij nu goed en wel in Texas zitten”. + +</p> +<p>Toen vertelde Huck zijn geheele avontuur aan Tom, die alleen nog maar dat gedeelte gehoord had, waarin de boschwachter was +betrokken. + +</p> +<p>“Ja,” zeide Huck, op de hoofdzaak terugkomende, “hij die den brandewijn in ‘nommer twee’ gekaapt heeft, die heeft ook het +geld weggenomen; in allen gevalle is ’t voor ons verkeken.” + +</p> +<p>“Huck, dat geld is nog altijd op ‘nommer twee’ gebleven.” + +</p> +<p>“Wat zeg je?” Huck zag zijn makker scherp aan. “Hebt je het spoor van den schat teruggevonden, Tom?” + +</p> +<p>“Huck, hij is in de grot.” + +</p> +<p>Hucks oogen schitterden. + +</p> +<p>“Zeg het nog eens, Tom!” + +</p> +<p>“Het geld is in de grot!” + +</p> +<p>“Tom,—zeg, meen je ’t, of meen je ’t niet?” + +</p> +<p>“Ik meen het, Huck, en ik zeg het in allen ernst. Wil je er met mij heen gaan en mij helpen het er uit te halen?” + +</p> +<p>“Waarachtig wil ik dat! Ik wil het, als wij er onzen weg kunnen vinden zonder gevaar van te verdwalen.” + +</p> +<p>“Dat zal heel gemakkelijk gaan, Huck.” + +</p> +<p>“Waarom denk je, dat het geld in....?” + +</p> +<p>“Huck wacht totdat wij er zijn. Als wij het er niet vinden krijg je mijn trom en alles wat ik in de wereld bezit. Waarachtig, +dat krijg je.” + +</p> +<p>“Best;—dat blijft afgesproken. Wanneer zullen we gaan?” + +</p> +<p>“Nu dadelijk, als je ’t goedvindt. Ben je sterk genoeg?” + +</p> +<p>“Is het diep in de grot? Ik ben pas een dag of drie, vier op de been en ik kan, geloof ik, niet veel verder dan een half uur +loopen, Tom.” +<a id="d0e4528"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4528">255</a>]</span></p> +<p>“Als wij den weg volgen, die iedereen gaat, is het omstreeks drie uren gaans, maar ik weet een veel korteren, dien niemand +kent. Huck, ik zal je er been brengen in een bootje. Ik zal het bootje hierheen roeien en ik zal alleen weer teruggaan. Je +hoeft er je hand niet om te verleggen.” + +</p> +<p>“Laat ons dan aanstonds maar vertrekken, Tom.” + +</p> +<p>“Best. Wij hebben wat brood en vleesch noodig, benevens onze pijpen en een paar zakjes en een stuk of drie vliegertouwen en +eenige van die nieuwerwetsche dingen, die ze lucifers noemen. Ik zeg je, dat ik wat gegeven had, als ik die gehad had, toen +ik laatst in de grot was.” + +</p> +<p>Even na twaalven namen de knapen een klein bootje in beslag, van een schipper die van huis was, en begaven zich onmiddellijk +op weg. Toen zij op eenigen afstand van de “Holle Grot” waren, zeide Tom: + +</p> +<p>“Je ziet, dat die steile oeverkant langs de ‘Holle Grot’ er overal gelijk uitziet; geen huizen, geen houtwerven, niets dan +kreupelhout. Maar zie je die witte plek daarginds, waar een aardstorting is geweest? Nu dat is een van mijn teekenen. Daar +zullen wij aan wal gaan.” + +</p> +<p>Zij gingen aan wal. + +</p> +<p>“Op deze plaats, Huck, zou je het hol, waar ik uitgekropen ben, met een hengelroede kunnen aanraken. Zie eens, of je het vinden +kunt.” + +</p> +<p>Huck keek naar alle kanten en vond niets. Tom stapte met hooge borst naar een dicht boschje van sumakhout en zeide: + +</p> +<p>“Hier is het, Huck; het is het aardigste holletje uit de gansche streek. Je moet het niet verklappen. Ik heb al lang zin gehad +om roover te worden, maar ik wist, dat ik eerst zoo’n ding moest hebben als dit;—maar dat te <a id="d0e4547"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4547">256</a>]</span>vinden, daar zat het hem! Nu hebben wij het en wij zullen het alleen aan Joe Harper en Ben Rogers vertellen, want die zullen +natuurlijk tot de bende behooren, anders zouden wij er niets aan hebben. De ‘Bende van Tom Sawyer,’ klinkt prachtig; doet +het niet, Huck?” + +</p> +<p>“Ja, Tom, ’t klinkt best. En wie zullen we bestelen?” + +</p> +<p>“Wel, iedereen. Verdwaalde lui;—dat is zoo de gewoonte.” + +</p> +<p>“En ze doodmaken?” + +</p> +<p>“Neen, niet altijd. Ze in de grot opsluiten, totdat zij een losprijs betaald hebben.” + +</p> +<p>“Wat is een losprijs.” + +</p> +<p>“Geld. Je laat ze alles wat zij van hun vrienden krijgen kunnen, bijeengaren, en als ze dat, nadat je ze een jaar gehouden +hebt, niet kunnen geven, maak je ze dood. Dat is zoo de gewone manier. Alleen de vrouwen worden niet vermoord. Die sluit je +op, maar je vermoordt ze niet. Zij zijn altijd mooi en rijk en vreeselijk bang. Je berooft ze van haar horloges en dingen, +maar je neemt in haar bijzijn altijd je hoed van je hoofd en spreekt beleefd tegen haar. Er zijn geen beleefder lui dan roovers, +dat staat in alle boeken. De vrouwen gaan van je houden, en als ze een dag of veertien in de grot geweest zijn, houden ze +op met schreien en dan kun je ze niet meer kwijtraken. Als je ze wegjoegt, zouden zij dadelijk omkeeren en terugkeeren. Dat +kun je in alle rooversgeschiedenissen lezen.” + +</p> +<p>“Jongens, dat is mij een leventje, Tom. Ik geloof, dat het prettiger is dan zeeroover te zijn. + +</p> +<p>“Ja; en ’t is in sommige opzichten beter ook, omdat het dicht is bij huis, en bij de paardenspellen en alles.” + +</p> +<p>Thans waren de jongens gereed en zij stapten, Tom in de voorhoede, de grot binnen. Zij kropen het gat door, <a id="d0e4567"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4567">257</a>]</span>maakten hunne aaneengebonden vliegertouwen aan een rotsblok vast en gingen verder. Weldra waren zij bij de bron, en het gezicht +van die plaats joeg Tom eene rilling door de leden. Hij toonde Huck het overblijfsel van een kaarspit, op een stukje klei +tegen den muur en beschreef hem, hoe hij en Becky de vlam hadden zien worstelen en sterven. + +</p> +<p>De knapen begonnen nu te fluisteren, want de stilte en de duisternis der plaats maakten hen een weinig benauwd. Zij gingen +voort en traden de gangen in die Tom aanwees, totdat zij den valput bereikten. Hunne waskaarsen brachten hen tot de ontdekking, +dat het geen echte afgrond was, maar slechts eene steile helling van klei, omstreeks twintig of dertig voet naar omlaag. + +</p> +<p>Tom fluisterde: + +</p> +<p>“Nu zal ik je wat laten kijken, Huck.” + +</p> +<p>Hij hield zijne kaars omhoog en zeide: + +</p> +<p>“Kijk zoo ver om den hoek als je kunt. Zie je dat? Daar, op gindsche groote rots, die met kaarsvet is besmeerd.” + +</p> +<p>“Tom, het is een kruis!” + +</p> +<p>“En waar is uw nommer twee?—Onder het kruis, hé? Vlak bij die rots zag ik Injun Joe zijne kaars snuiten, Huck.” + +</p> +<p>Huck keek een oogenblik naar het geheimzinnige teeken en zeide met eene bevende stem: + +</p> +<p>“Tom, laat ons van hier weggaan!” + +</p> +<p>“Wat! En den schat laten staan?” + +</p> +<p>“Ja. De geest van Injun Joe dwaalt hier bepaald rond.” + +</p> +<p>“Neen, dat doet hij niet, Huck; dat doet hij niet. Dat doet hij alleen op de plaats, waar hij stierf,—bij den ingang der grot, +drie uren van hier.” + +</p> +<p>“Neen, Tom, dat is zoo niet. De geesten dwalen, waar hun geld is. Ik ken hun gewoonte en jij weet het ook.” + +</p> +<p>Tom begon bang te worden dat Huck gelijk had, en er <a id="d0e4597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4597">258</a>]</span>rees twijfel op in zijn hart. Doch plotseling schoot hem iets te binnen. “Zie eens, Huck, hoe dwaas wij ons aanstellen! De +geest van Injun Joe kan niet komen waar een kruis staat!” + +</p> +<p>Dat was een afdoende bewering, vond Huck. “Daar dacht ik niet aan; Tom. Maar, ’t is waar. Dat kruis is een geluk voor ons<span class="corr" title="Bron: ">.</span> Ik<span class="corr" title="Bron: ."></span> geloof, dat wij nu wel kunnen afdalen, om naar de kist te zoeken.” + +</p> +<p>Tom ging eerst en maakte, al dalende, groote indruksels van voetstappen in de klei. Huck volgde. Vier gangen leidden uit de +kleine spelonk naar de plaats, waar de groote rots stond. De knapen namen drie dezer gangen op, doch zonder gevolg. In den +vierden, die het dichtst bij den voet der rots was, vonden zij een kleinen inham, waarin een stroobed lag en een paar dekens, +verder een paar oude bretels, een weinig spekvet en een paar rondom afgeknabbelde vogelpooten. De knapen zochten en doorzochten +de plaats aan alle kanten, doch tevergeefs. Eindelijk zeide Tom: + +</p> +<p>“Hij zeide <i>onder</i> het kruis. En dit is er bijna onder. Het kan niet onder de rots zelve zijn, want daar is de grond te hard.” + +</p> +<p>Zij onderzochten alles nog eens en zetten zich toen ontmoedigd neder. Huck had niets te vertellen. Eindelijk zeide Tom: + +</p> +<p>“Kijk eens, Huck, aan deze zijde der rots zijn voetstappen en kaarsvet op de klei, doch niet aan den anderen kant. Ik weet, +dat het geld toch onder de rots is. Ik ga de klei eens opgraven.” + +</p> +<p>“Dat is zoo gek nog niet bedacht, Tom!” zeide Huck blijmoedig. + +</p> +<p>Toms mes van “echt” staal werd voor den dag gehaald, en hij had geen vier duim gegraven of hij krabbelde op hout. + +</p> +<p>“Hei, Huck! hoor je dat?” +<a id="d0e4623"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4623">259</a>]</span></p> +<p>Huck begon ook te graven en te krabbelen. Eenige planken werden spoedig gevonden en verwijderd. Zij dienden om een door de +natuur gevormden kelder te verbergen, die zich onder de rots bevond. Tom kroop in dien kelder en hield zijne kaars zoo ver +vooruit, als hem mogelijk was, doch kon—zoo zeide hij—niet tot aan het einde der kloof zien. Daarom stelde hij voor, haar +geheel te doorzoeken. Hij bukte zich en stapte onder de rots door in den kelder. Een enge weg leide langzaam naar beneden. +Hij volgde het kronkelend pad, eerst ter rechter- en toen ter linkerzijde, en Huck vlak achter hem. Op eens stond Tom voor +eene kleine, halfronde, open plek en riep hij uit: + +</p> +<p>“Hemeltje, Huck, zie eens hier!” + +</p> +<p>Het was de kist, veilig en wel, in een klein, aardig holletje, bij een leege kruitdoos, een paar geweren in lederen overtrekken, +twee of drie paar oude schoenen, een lederen gordel en eenig ander jachtgereedschap, doorweekt van het druppelend water. + +</p> +<p>“Eindelijk gevonden!” zeide Huck, terwijl hij met zijne handen in de vuile muntstukken grabbelde. “Ja, wij zijn rijk, Tom!” + +</p> +<p>“Huck, ik heb altijd gedacht, dat wij het geld krijgen zouden. Het is haast al te heerlijk om het te kunnen gelooven, maar +wij hebben het, dat is zeker. Doch wij zullen hier niet blijven talmen, maar het er uitdragen. Laat mij eens zien, of ik die +kist kan optillen.” + +</p> +<p>Zij woog omstreeks vijftig pond. Tom kon haar optillen, wanneer hij haar schuin hield, maar haar niet dragen. + +</p> +<p>“Dat dacht ik wel,” zeide hij. “In het spookhuis zag ik aan hun manier van dragen, dat zij zwaar was. Ik geloof dat het maar +goed is, dat ik er aan gedacht heb de zakken mede te nemen.” +<a id="d0e4638"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4638">260</a>]</span></p> +<p>Het geld was spoedig in de zakken, en de jongens namen ze op en droegen ze naar de rots met het kruis. + +</p> +<p>“Laat ons nu de geweren en de andere dingen halen,” zeide Huck. + +</p> +<p>“Neen, Huck, die zullen wij hier laten. Dat zijn juist de zaken die wij noodig hebben, als wij op rooftochten uitgaan. Wij +zullen ze hier laten en onze slemppartijen hier ook houden.” + +</p> +<p>“Wat zijn slemppartijen?” + +</p> +<p>“Dat weet ik niet, maar roovers houden altijd slemppartijen en wij moeten zulks natuurlijk ook doen.—Kom mee, Huck, wij zijn +hier lang genoeg geweest. Ik heb honger ook. Wij zullen eten en rooken, als wij in de boot zijn.” + +</p> +<p>Kort daarop kwamen zij uit het sumakboschje te voorschijn, keken voorzichtig rond, vonden de kust veilig en zaten spoedig +in het bootje te eten en te rooken. Toen de zon ter kimme daalde, stootten zij van wal en begaven zich op weg. Tom gleed in +het schemerdonker, vroolijk met Huck keuvelende, langs den oever voort en zette voet aan wal, toen het geheel duister geworden +was. + +</p> +<p>“Nu, Huck,” zeide Tom, “wij zullen het geld op de vliering der houtloods van de weduwe brengen en morgen terugkomen om den +boel te tellen en te verdeelen, en dan zullen wij een plaatsje in het bosch opzoeken, waar wij het geld veilig kunnen bewaren. +Ga jij hier stil liggen en blijf op de kist passen, dan zal ik het kruiwagentje van Benny Taylor zien op te schommelen. Ik +ben binnen een minuut weer bij je.” + +</p> +<p>Hij verdween en kwam spoedig terug met het wagentje, waarin hij de beide zakken neerlegde, en nadat hij ze met eenige oude +prullen bedekt had, gingen de knapen met hunne lading op weg. +<a id="d0e4655"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4655">261</a>]</span></p> +<p>Toen zij bij het huis van den boschwachter kwamen, hielden zij stil om te rusten. Juist toen zij weder verder wilden gaan, +stapte de boschwachter uit de deur en zeide: + +</p> +<p>“Heila! wie is dat?” + +</p> +<p>“Huck Finn en Tom Sawyer!” + +</p> +<p>“Dat treft bijzonder. Gaat gauw met me mee, jongens; iedereen zit op jelui te wachten! Hier, spoedig maar, naar boven. Ik +zal het wagentje wel dragen. ’t Is waarachtig een vracht! Wat zit er in, steenen of oud ijzer?” + +</p> +<p>“Oud ijzer,” zeide Tom. + +</p> +<p>“Dat dacht ik al; de jongens hier in de stad geven zich meer moeite om een paar brokken oud ijzer op te snorren, om die aan +den smid voor den smeltoven te verkoopen, dan zij zouden overhebben voor geregeld werk, dat hun tweemaal zooveel opbracht. +Maar dat is nu eenmaal de menschelijke natuur. Gauw maar, gauw maar!” + +</p> +<p>De jongens vroegen, waar die spoed voor diende. + +</p> +<p>“Dat doet er niet toe; je zult het zien, als wij bij de weduwe Douglas zijn.” + +</p> +<p>Huck zeide, want hij was bevreesd valsch beschuldigd te worden, met zekeren angst: + +</p> +<p>“Mijnheer Jones, wij hebben niets gedaan?” + +</p> +<p>De boschwachter lachte. + +</p> +<p>“Wel, ik kan niets zeggen, mijn jongen. Ik weet nergens van. Ge zijt immers goede vrienden met de weduwe?” + +</p> +<p>“Ja. Zij is zoo goed voor mij geweest” + +</p> +<p>“Nu, dan is het in orde. Waarom zou je dan bang zijn?” + +</p> +<p>Deze vraag was in Hucks tragen geest nog niet beantwoord, toen hij zich met Tom in het salon van mevrouw Douglas geduwd zag. +De boschwachter liet het wagentje bij de deur staan en volgde. Het geheele huis was prachtig verlicht en alle personen van +gewicht waren daar bijeen. De Thatchers <a id="d0e4686"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4686">262</a>]</span>waren tegenwoordig, de Harpers, de Rogers’, tante Polly, Sid, Marie, de predikant, de dokter en een menigte anderen, allen +in hunne beste kleederen. + +</p> +<p>De weduwe ontving de knapen zoo hartelijk, als men twee jongens, die er uitzagen als zij, ontvangen kan. Zij waren van het +hoofd tot de voeten met modder en kaarsvet besmeerd. Tante Polly werd vuurrood van schaamte, fronste hare wenkbrauwen en schudde +haar hoofd tegen Tom. Doch niemand leed half zooveel al de knapen zelven. De boschwachter zeide: + +</p> +<p>“Tom was niet tehuis en ik had het juist opgegeven, toen ik hem en Huck vlak bij mijne deur tegen ’t lijf liep, en ik bracht +hen in aller ijl hier.” + +</p> +<p>“En daar deedt ge goed aan,” zeide de weduwe. “Komt met mij mede, jongens.” + +</p> +<p>Zij nam hen met zich naar eene slaapkamer en zeide: + +</p> +<p>“Gaat u nu wasschen en kleeden. Hier zijn twee pakken nieuwe kleederen, hemden, sokken, alles bijeen. Zij zijn voor Huck.—Neen, +geen dank, Huck! De boschwachter heeft er een voor u gekocht, en ik het andere. Maar zij zullen beide zeker passen. Stap er +maar in. Wij zullen wachten. Komt beneden, als gij u gepoetst hebt.” + +</p> +<p>Toen verliet zij hen. + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e4700"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXXV.</h2> +<p>Zoodra de weduwe weg was, zeide Huck: “Tom, wij kunnen, als wij een touw hebben, ons naar beneden laten zakken. Het raam is +niet hoog boven den grond.” + +</p> +<p>“Waarom zouden wij dat doen?” +<a id="d0e4707"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4707">263</a>]</span></p> +<p>“Och, ik ben aan zoo’n troep menschen niet gewoon. Ik kan het niet uitstaan. Ik ga niet naar binnen, Tom.” + +</p> +<p>“Och, onzin! ’t Is niets. Ik geef er niet om en ik zal wel voor je praten.” + +</p> +<p>Daar kwam Sid binnen. + +</p> +<p>“Tom,” zeide hij, “tante heeft den geheelen middag op je zitten wachten. Marie had je zondagsche kleeren klaargelegd en iedereen +heeft zich boos over je gemaakt. Zeg, is dat geen vet en klei dat er op je broek zit?” + +</p> +<p>“Nu, mijnheer Sidje, bemoei je met je eigen zaken. Waarvoor dient al dat lawaai daar binnen?” + +</p> +<p>”’t Is een van de partijen, die de weduwe zoo dikwijls geeft. Dezen keer is het voor den boschwachter en zijn zoons, omdat +zij haar verleden week uit den nood gered hebben. En zeg,—ik zal je iets zeggen, als je het weten wilt.” + +</p> +<p>“Wat dan?” + +</p> +<p>“Wel, de oude Jones zal van avond hier aan de menschen een geheim vertellen; maar ik heb alles afgeluisterd, toen hij het +vandaag aan tante kwam zeggen, en ik geloof dat het nu geen geheim meer is. Iedereen weet het,—de weduwe ook, al doet ze net +alsof zij het niet weet. Verbeeld je, Jones had beloofd dat Huck hier zou wezen; want hij kon het groote geheim niet aan den +dag brengen zonder Huck, weet je?” + +</p> +<p>“Het geheim? Welk geheim, Sid?” + +</p> +<p>“Och, dat Huck de dieven bij de weduwe ontdekt heeft. Ik geloof dat Jones zich heel wat voorstelt van de verrassing, maar +zij zal in ’t water vallen.” + +</p> +<p>Sid wreef zich tevreden in de handen. + +</p> +<p>“Sid, heb jij het verklapt?” + +</p> +<p>“Dat doet er niet toe. Iemand heeft het gedaan, dat is genoeg.” + +</p> +<p>“Sid, er is maar één persoon in de geheele stad, gemeen <a id="d0e4736"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4736">264</a>]</span>genoeg om dat te doen, en dat ben jij. Als je in Hucks plaats geweest waart, zou je als een slang den heuvel afgekropen zijn +en nooit iets van de dieven verteld hebben. Jij kunt niet anders dan gemeene dingen doen en jij kunt niet aanzien, dat er +een ander geprezen wordt, omdat hij goed heeft gedaan. Daar, je behoeft er niet voor te bedanken, zooals de weduwe zegt.” +En Tom gaf Sid een klap om zijne ooren en schopte hem de deur uit, “Kom, ga het nu aan tantetje vertellen en morgen zul je +er van lusten.” + +</p> +<p>Niet lang hierna zaten al de gasten der weduwe aan tafel en een dozijn kinderen werden, naar de gewoonte van dat land en dien +tijd, aan kleine tafeltjes, in dezelfde kamer opeengehoopt. Op een gepast oogenblik hield de heer Jones een kleine toespraak, +waarin hij de weduwe zijn dank betuigde voor de eer die zij hem en zijnen zonen bewees; maar er was, zeide hij een ander persoon +wiens nederigheid, enz. enz. Hij bracht het geheim van Hucks aandeel aan het vraagstuk op de treffendste wijze en met de schoonste +dramatische wendingen, die hij in zijne macht had, voor den dag; doch de verrassing, die deze ontdekking veroorzaakte, was +eenigszins gehuicheld, en het gejuich was niet zoo groot als het onder gelukkiger omstandigheden geweest zou zijn. Toch deed +de weduwe haar best om een verrast gezicht te zetten en hoopte zulk een tal van complimenten en zooveel dankbaarheid op Hucks +hoofd, dat de knaap den bijna ondraaglijken last zijner nieuwe kleeren haast vergat, door het onuitstaanbaar lijden van als +een mikpunt voor ieders blikken en ieders loftuigingen gebruikt te worden. De weduwe zeide, dat zij Huck een tehuis zou geven +onder haar dak en voor zijne opvoeding zou zorgen; en dat, als zij geld te missen had, zij hem een eerlijk beroep zou doen +leeren. +<a id="d0e4740"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4740">265</a>]</span></p> +<p>Nu kwam de gelegenheid voor Tom en hij zeide: + +</p> +<p>“Huck heeft het niet noodig. Huck is rijk!” + +</p> +<p>Kieschheid alleen deed den lach terughouden, dien deze grappige uitval onwillekeurig uitlokte. Men zweeg en er ontstond eene +onaangename stilte, die door Tom verbroken werd. + +</p> +<p>“Huck heeft geld genoeg. Jelui moogt het gelooven of niet, maar hij heeft bergen geld! O, jelui behoeft niet te lachen; ik +kan het jelui laten zien. Wacht maar een minuut.” Dit zeggende liep hij de deur uit. + +</p> +<p>De gasten zagen elkander verbijsterd en nieuwsgierig aan en keken daarna naar Huck, die geen woord sprak. + +</p> +<p>“Sid, wat scheelt Tom?” zeide tante Polly. “Hij.... Wel, er is met dien jongen niets aan te vangen. Ik heb nooit.... ” + +</p> +<p>Tom kwam binnen, gebogen onder den last zijner zakken, en tante Polly eindigde haar volzin niet. Tom wierp de massa gele geldstukken +op tafel en zeide: + +</p> +<p>“Daar—wat heb ik gezegd? Het geld is van ons beiden; Huck de helft en ik de helft.” + +</p> +<p>Dit tooneel deed iedereen den adem inhouden. Allen keken; niemand sprak. Toen volgde er een eenstemmig geroep om eene verklaring +van het geval. Tom zeide, dat hij die geven kon,—en dat deed hij. Het verhaal was lang, maar hoogst belangrijk, en de vergaderde +menigte was sprakeloos van verbazing. Toen de knaap aan het einde was gekomen, zeide de boschwachter: + +</p> +<p>“Ik dacht, dat ik voor deze gelegenheid den gasten eene kleine verrassing had bereid, maar zij is, hierbij vergeleken, niets +waard. Deze doet de mijne, ik moet het eerlijk bekennen, geheel in het niet zinken.” + +</p> +<p>Het geld werd geteld. De som bedroeg over de twaalfduizend <a id="d0e4763"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4763">266</a>]</span>dollars. Het was meer dan een der aanwezigen ooit bijeen had gezien, ofschoon verscheidenen der hier vergaderde personen meer +waard waren dan geheel de gevonden schat. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e4765"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e4853">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoofdstuk XXXVI.</h2> +<p>De lezer mag zich overtuigd houden, dat het buitenkansje van Tom en Huck eene groote opschudding in het eenvoudige, kleine +stadje veroorzaakte. Zulk een groote som, in klinkende munt, was een bijna ongelooflijk bezit. Men sprak zoo veel over deze +daad en verheerlijkte haar in zulk een mate, dat zij eindelijk het verstand van menigen ziekelijk opgewonden burger aan het +wankelen bracht. Elk spookhuis te St. Petersburg en in de naburige dorpen werd onderzocht; de vloeren werden plank voor plank +opgenomen en de fondamenten opgegraven en geplunderd, in de hoop van verborgen schatten op te leveren. En dat niet door kleine +jongens, maar door volwassen menschen en ernstige, nuchtere lieden ook. Waar Tom en Huck ook verschenen, werden zij bewonderd +en vol verbazing aangestaard. Alles wat zij deden, werd als iets heel bijzonders beschouwd. Zij hadden blijkbaar het vermogen +verloren om gewone dingen te zeggen of te doen. Bovendien werd de geschiedenis van hun vroeger leven opgehaald en werden daarin +bewijzen van een buitengewonen aanleg en een buitengewoon verstand ontdekt. + +</p> +<p>De weduwe Douglas zette Hucks geld uit tegen zes percent, en de heer Thatcher deed, op verzoek van tante Polly, hetzelfde +voor Tom. De knapen hadden nu elk een <a id="d0e4772"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4772">267</a>]</span>ontzaglijk inkomen: een dollar voor elken werkdag en een halve voor de Zondagen. Het was juist zooveel als de dominee ontving,—neen, +het was zooveel als hem was toegezegd, want hij kon het gewoonlijk niet bijeenkrijgen. Een en een kwart dollar was in die +dagen voldoende weekgeld voor eens jongens kost, inwoning, kleeding en bewassching. + +</p> +<p>De heer Thatcher had een hoog denkbeeld van Tom Sawyer gekregen. Hij verklaarde, dat geen gewone jongen zijne dochter uit +de grot zou gered hebben. Toen Becky haar vader in vertrouwen vertelde, hoe grootmoedig Tom hare zweepslagen op school op +zich had genomen, was de rechter zichtbaar bewogen; en toen zij haar vader smeekte de vreeselijke leugen over het hoofd te +zien, waaraan Tom zich had schuldig gemaakt, om de zweepslagen van hare schouders te nemen, zeide de rechter opgewonden, dat +het een brave, een edele, een grootmoedige leugen was, een leugen die verdiende in Amerika’s geschiedrollen te worden te boek +gesteld. + +</p> +<p>Becky vond, dat haar vader er nooit zoo fier en mannelijk had uitgezien, als toen hij, onder het uiten dezer woorden, met +van geestdrift schitterende oogen, de kamer doorliep. Geen wonder dat zij alles dadelijk aan Tom ging overbrieven! + +</p> +<p>De heer Thatcher hield zich overtuigd, dat Tom eens een groot rechtsgeleerde of een beroemd militair zou worden. Hij zeide +dat hij zijn best zou doen, dat de knaap naar de Militaire Academie werd gezonden en dan naar de beste hoogeschool in het +land, opdat hij voor beide vakken klaar zou zijn. + +</p> +<p>De schatten van Huck Finn en het feit dat hij onder de bescherming der weduwe Douglas kwam, brachten of liever trokken en +sleurden hem in de maatschappij en zijn lijden was meer dan hij kon dragen. De dienstboden der weduwe <a id="d0e4782"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4782">268</a>]</span>hielden hem rein, zorgden dat hij er netjes uitzag, kamden en borstelden hem en legden hem ’s nachts in ongemakkelijke bedden, +waarop geen vlekje of spatje te ontdekken was. Hij moest met mes en vork eten, een servet gebruiken en een kopje en schoteltje; +hij moest zijne lessen leeren, naar de kerk gaan en netjes spreken. Waarheen hij zich ook wendde, overal werd hij door de +grendels en ketenen der beschaving ingesloten en aan handen en voeten gebonden. + +</p> +<p>Hij droeg zijne ellende drie weken lang, geduldig en onderworpen, en toen werd hij op zekeren dag gemist. Gedurende acht en +veertig uren liet de weduwe overal naar hem zoeken. Het publiek was er diep mede begaan; men zocht rechts en links en de rivier +werd zelfs gebaggerd. Den derden morgen nadat hij gemist was, ging Tom verstandig onder een paar leege vaten achter het verlaten +slachthuis snuffelen en vond den vluchteling in een van deze. Huck had daar geslapen, hij had juist zijn ontbijt genuttigd, +bestaande uit een paar armzalige stukjes brood en vleesch, die hij hier en daar had weggekaapt, en hij zat nu dood op zijn +gemak in een okshoofd zijn pijpje te rooken. Hij was ongekamd, ongewasschen en gekleed in dezelfde oude lompen, die hem in +de dagen, waarin hij nog vrij en gelukkig was, zulk een eigenaardig voorkomen gaven. Tom las hem de les, zeide hem hoezeer +hij allen verontrust had en verzocht hem naar huis te gaan. Hucks gelaat verloor de uitdrukking van kalme tevredenheid en +betrok. + +</p> +<p>Hij zeide: + +</p> +<p>“Spreek er niet van, Tom. Ik heb mijn best gedaan, maar het gaat niet; neen, het gaat niet voor mij: ik ben er niet aan gewoon. +De weduwe is goed en vriendelijk; maar ik kan het niet bij haar uithouden. Ik moet alle ochtenden op hetzelfde uur opstaan +en mij het vel van het lijf laten <a id="d0e4790"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4790">269</a>]</span>wasschen en kammen; zij wil mij niet eens in de schuur laten slapen; ik moet kleeren dragen waaronder ik bezwijk; en zij zijn +zoo akelig mooi, dat ik er niet mede kan zitten, liggen, noch op den grond rollen; ik mag nergens aankomen en moet naar de +kerk gaan. Ik mag er geene vliegen vangen, niet pruimen, en moet den geheelen Zondag schoenen dragen. De weduwe eet, als de +bel luidt; zij gaat naar bed, als de bel luidt; zij staat op, als de bel luidt; en alles gaat zoo drommels geregeld, dat een +gewoon mensch er niet tegen bestand is.” + +</p> +<p>“Maar, Huck, zoo leeft iedereen.” + +</p> +<p>”’t Kan me niet schelen, Tom; ik ben niet als iedereen en ik kan het niet uithouden. Het is vreeselijk om zoo aan banden gelegd +te worden. En je komt er zoo gemakkelijk aan je eten, dat het mij niet smaakt. Als ik wil visschen, moet ik het vragen; als +ik wil zwemmen, moet ik het vragen; en vroeger kon ik alles doen wat ik wou. Elken dag vlucht ik een uurtje naar den zolder +om te rooken, omdat ik zoo’n flauwen smaak in mijn mond heb. Als ik dat niet deed zou ik sterven, Tom. De weduwe gunt me geen +pijp; ik mag niet gapen, mij niet uitrekken en mij niet krabben, als er anderen bij zijn. Ik moet ook op mijne knieën liggen, +ik moet naar school gaan—en dat wil ik niet, Tom. ’t Is mij een kwelling om rijk te zijn en te zweeten, totdat je woudt dat +je dood was. Neen, deze kleeren lijken mij, een vat lijkt me,—en ik denk niet weder te veranderen. Toch, ik zou nooit in al +die ellende gekomen zijn, als het niet was door dat geld. Nu moet je mijn part maar bij dat van jou doen en mij nu en dan +een cent of wat geven,—doch niet vaak, omdat ik geen penning geef om dingen, die ik kan koopen. En dan, och toe, maak jij +het weer voor mij af met de weduwe!” +<a id="d0e4796"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4796">270</a>]</span></p> +<p>“O, Huck, je weet, dat ik dat niet doen kan! Dat is niet mooi; en buitendien, als je het nog een poos probeert, zul je eindigen +met het prettig te vinden.” + +</p> +<p>“Prettig vinden? Ja—net zoo zeker als ik het prettig zal vinden, om een uur op een brandende kachel te zitten. Neen, Tom, +ik wil niet rijk zijn en in die vervloekte, mooie huizen wonen. Ik houd van de bosschen en van de rivier en van leege vaten—en +daarbij denk ik te blijven. Juist toen we een grot gevonden hadden en geweren, en alles klaar was om roovers te worden, daar +komt me die verdraaide weduwe en bederft alles!” + +</p> +<p>Tom zag een lichtstraal. + +</p> +<p>“Kijk eens hier, Huck. Rijk zijn verhindert een mensch niet om roover te worden.” + +</p> +<p>“Niet? O, dat is gelukkig! Meen je dat, Tom? Meen je het wezenlijk?” + +</p> +<p>“Ja, zoo waar als ik hier zit. Maar, Huck, je kunt niet meer met ons mee doen, als je geen fatsoenlijke jongen wordt.” + +</p> +<p>“Waarom niet, Tom? Ben ik dan ook niet zeeroover geweest?” + +</p> +<p>“Jawel, maar dat is heel wat anders. Een struikroover is veel voornamer dan een zeeroover. In de meeste landen zijn de groote +lui allemaal roovers.” + +</p> +<p>“Tom, jij die altijd zoo goed jegens mij geweest bent, waarom sluit je me nu buiten? Neen, je meent het niet, Tom.” + +</p> +<p>“Huck, ik wou dat ik het niet behoefde te doen en ik voor mij zou het je ook niet behoeven; maar wat zouden de menschen zeggen? +De menschen zouden zeggen: ‘Nu! de bende van Tom Sawyer.... gemeene lui.’ En daarmede zouden ze jou meenen, Huck. Dat zou +je ook niet <a id="d0e4817"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4817">271</a>]</span>prettig vinden.” Huck zweeg eenige oogenblikken en had een bitteren strijd in zijn binnenste te voeren. Eindelijk sprak hij: + +</p> +<p>“Wel, ik zal voor een maand naar de weduwe teruggaan en het probeeren, en zien of ik het kan uithouden, als je me belooft +dat ik bij de bende zal behooren, Tom.” + +</p> +<p>“Best, Huck, dat blijft afgesproken. Ga maar mee, oude jongen; ik zal aan de weduwe vragen, of ze je een beetje meer vrijheid +wil geven.” + +</p> +<p>“Zul je dat wezenlijk doen, Tom? Dat is goed. Als ze mij maar enkele dingen toelaat, die ik graag doe, zal ik wel vloeken +en rooken, waar ze mij niet hoort of ziet, en mij er dan wel doorredden. Wanneer ga je de bende in orde maken, en wanneer +worden we roovers?” + +</p> +<p>“Nu, zoo dadelijk. Wij zullen de jongens bij elkaar zien te krijgen en van nacht het initiatief nemen.” + +</p> +<p>“Het initiatief? <span class="corr" title="Bron: Was">Wat</span> is dat?” + +</p> +<p>“Dat is, dat we zweren zullen, elkander bij te staan en nooit de geheimen der bende te verklappen, zelfs al werden we aan +stukken gehakt, en het geheele huisgezin uit te moorden van hen, die de bende kwaad doet.” + +</p> +<p>“Dat is aardig,—dat is allemachtig aardig, Tom.” + +</p> +<p>“Wel, waarachtig is het dat. En wij moeten tegen middernacht zweren, op de akeligste, eenzaamste plaats, die we maar vinden +kunnen. Een spookhuis is het beste; maar die zijn nu allemaal omvergehaald. En wij moeten zweren op een doodkist en den eed +met bloed bezegelen.” + +</p> +<p>“Nu, dat lijkt mij! Wel, dat is duizendmaal prettiger dan zeeroover te zijn. Ik zal tot aan mijn dood bij de weduwe blijven; +en als ik een geduchte roover zal zijn, van wien iedereen den mond vol heeft, zal ze nog blij toe wezen, dat ze me uit het +slijk heeft gehaald.” +<a id="d0e4840"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4840">272</a>]</span></p> +<p>Dus eindigt dit verhaal. Daar het uitsluitend mijne bedoeling was, de geschiedenis van een jongen te vertellen, mag ik thans +ophouden; anders zou het de levensbeschrijving van een man worden. Als men een roman schrijft over volwassenen, weet de schrijver +precies hoe hij moet eindigen,—te weten, met een huwelijk. Doch wanneer hij iets uit de kinderwereld weergeeft, moet hij ophouden, +waar het hem ’t best toeschijnt. + +</p> +<p>De meesten der personen die in dit boek voorkomen leven nog en zijn voorspoedig en gelukkig. Misschien zal het de moeite waard +zijn te eeniger tijd de geschiedenis der kinderen nog eens op te nemen en te zien wat voor soort van mannen en vrouwen zij +geworden zijn.<a id="d0e4845src" href="#d0e4845" class="noteref">1</a> Daarom zal het ’t verstandigst wezen voor het oogenblik van dat tijdperk huns levens niet te spreken. + + +</p> +<p><span class="smallcaps">De Schrijver.</span> + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4845" href="#d0e4845src" class="noteref">1</a></span> Zulks is geschied in het latere werk van Mark Twain “De Lotgevallen van Huckleberry Finn”, waarvan eveneens eene goede geïllustreerde +uitgave in de Nederlandsche taal is verschenen. +</p> +</div> +</div> +<div class="backmatter"> +<p class="div1"><a id="d0e4853"></a></p> +<h2>Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#d0e92">Hoofdstuk I.</a></li> +<li><a href="#d0e336">Hoofdstuk II.</a></li> +<li><a href="#d0e438">Hoofdstuk III.</a></li> +<li><a href="#d0e526">Hoofdstuk IV.</a></li> +<li><a href="#d0e712">Hoofdstuk V.</a></li> +<li><a href="#d0e774">Hoofdstuk VI.</a></li> +<li><a href="#d0e1142">Hoofdstuk VII.</a></li> +<li><a href="#d0e1321">Hoofdstuk VIII.</a></li> +<li><a href="#d0e1439">Hoofdstuk IX.</a></li> +<li><a href="#d0e1593">Hoofdstuk X.</a></li> +<li><a href="#d0e1789">Hoofdstuk XI.</a></li> +<li><a href="#d0e1876">Hoofdstuk XII.</a></li> +<li><a href="#d0e1967">Hoofdstuk XIII.</a></li> +<li><a href="#d0e2128">Hoofdstuk XIV.</a></li> +<li><a href="#d0e2209">Hoofdstuk XV.</a></li> +<li><a href="#d0e2282">Hoofdstuk XVI.</a></li> +<li><a href="#d0e2423">Hoofdstuk XVII.</a></li> +<li><a href="#d0e2459">Hoofdstuk XVIII.</a></li> +<li><a href="#d0e2517">Hoofdstuk XIX.</a></li> +<li><a href="#d0e2737">Hoofdstuk XX.</a></li> +<li><a href="#d0e2807">Hoofdstuk XXI.</a></li> +<li><a href="#d0e2914">Hoofdstuk XXII.</a></li> +<li><a href="#d0e3039">Hoofdstuk XXIII.</a></li> +<li><a href="#d0e3078">Hoofdstuk XXIV.</a></li> +<li><a href="#d0e3250">Hoofdstuk XXV.</a></li> +<li><a href="#d0e3263">Hoofdstuk XXVI.</a></li> +<li><a href="#d0e3503">Hoofdstuk XXVII.</a></li> +<li><a href="#d0e3743">Hoofdstuk XXVIII.</a></li> +<li><a href="#d0e3823">Hoofdstuk XXIX.</a></li> +<li><a href="#d0e3902">Hoofdstuk XXX.</a></li> +<li><a href="#d0e4035">Hoofdstuk XXXI.</a></li> +<li><a href="#d0e4242">Hoofdstuk XXXII.</a></li> +<li><a href="#d0e4416">Hoofdstuk XXXIII.</a></li> +<li><a href="#d0e4462">Hoofdstuk XXXIV.</a></li> +<li><a href="#d0e4700">Hoofdstuk XXXV.</a></li> +<li><a href="#d0e4765">Hoofdstuk XXXVI.</a></li> +</ul> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's De Lotgevallen van Tom Sawyer, by Mark Twain + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LOTGEVALLEN VAN TOM SAWYER *** + +***** This file should be named 18381-h.htm or 18381-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/3/8/18381/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/18381-h/images/frontcover.jpg b/18381-h/images/frontcover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e04f2f1 --- /dev/null +++ b/18381-h/images/frontcover.jpg diff --git a/18381-h/images/p039.gif b/18381-h/images/p039.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6af9444 --- /dev/null +++ b/18381-h/images/p039.gif diff --git a/18381-h/images/plate1.jpg b/18381-h/images/plate1.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8b4ec95 --- /dev/null +++ b/18381-h/images/plate1.jpg diff --git a/18381-h/images/plate2.jpg b/18381-h/images/plate2.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..99edf44 --- /dev/null +++ b/18381-h/images/plate2.jpg diff --git a/18381-h/images/plate3.jpg b/18381-h/images/plate3.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8b9ce23 --- /dev/null +++ b/18381-h/images/plate3.jpg diff --git a/18381-h/images/plate4.jpg b/18381-h/images/plate4.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..631c904 --- /dev/null +++ b/18381-h/images/plate4.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..5fbbb55 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #18381 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18381) |
