diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 18098-8.txt | 3565 | ||||
| -rw-r--r-- | 18098-8.zip | bin | 0 -> 83925 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h.zip | bin | 0 -> 2183763 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/18098-h.htm | 3059 | ||||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-041.jpg | bin | 0 -> 88375 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-044.jpg | bin | 0 -> 102835 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-045.jpg | bin | 0 -> 109632 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-048.jpg | bin | 0 -> 149943 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-049.jpg | bin | 0 -> 119344 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-053.jpg | bin | 0 -> 107580 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-056.jpg | bin | 0 -> 80046 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-057.jpg | bin | 0 -> 111670 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-061.jpg | bin | 0 -> 94450 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-064.jpg | bin | 0 -> 97964 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-137.jpg | bin | 0 -> 80686 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-140.jpg | bin | 0 -> 127950 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-141.jpg | bin | 0 -> 122684 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-144.jpg | bin | 0 -> 60479 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-145.jpg | bin | 0 -> 132215 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-149.jpg | bin | 0 -> 98063 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-152.jpg | bin | 0 -> 101889 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-153.jpg | bin | 0 -> 98084 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-157.jpg | bin | 0 -> 111419 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18098-h/images/p1873-160.jpg | bin | 0 -> 100429 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
27 files changed, 6640 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/18098-8.txt b/18098-8.txt new file mode 100644 index 0000000..0a8cb04 --- /dev/null +++ b/18098-8.txt @@ -0,0 +1,3565 @@ +The Project Gutenberg EBook of Schetsen uit de Indische Vorstenlanden, by +Louis Rousselet + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Schetsen uit de Indische Vorstenlanden + De Aarde en haar volken, 1873 + +Author: Louis Rousselet + +Release Date: April 1, 2006 [EBook #18098] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SCHETSEN UIT DE INDISCHE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + +SCHETSEN UIT DE INDISCHE VORSTENLANDEN. + + +Op het eiland Java bestaan--het zal niemand onder onze lezers onbekend +zijn--nog twee zoogenoemd zelfstandige staten: het keizerrijk van Solo +of Soerakarta, de ruïne van het eenmaal zoo machtige rijk van Mataram; +en het rijk van Djokjokarta. De landstreken aan het gezag van den +Soesoehoenan of keizer van Soerakarta en den sultan van Djokjokarta +onderworpen, worden met den naam van Vorstenlanden aangeduid, ter +onderscheiding van de gewesten, die rechtstreeks onder het bestuur der +nederlandsche regeering staan. Toch is de onafhankelijkheid dezer beide +inlandsche staten inderdaad niet veel meer dan een schijnbeeld: de +keizer en de sultan zijn niet anders dan vasallen van het nederlandsche +gouvernement, dat aan hun hof door een resident vertegenwoordigd wordt, +zonder wiens goedvinden de bijkans machtelooze heerschers, hoe ook +met alle uiterlijke teekenen en huldebetooningen der souvereiniteit +omringd, niet veel vermogen. Soortgelijke toestanden bestaan ook, +en op grooter schaal en in rijker afwisseling, in het reusachtige +britsch-indische rijk, dat metterdaad geheel Hindostan met een deel +van Achter-Indië omvat. Ook dit bijkans onmetelijke gebied is niet +geheel aan de onmiddellijke heerschappij van den engelschen landvoogd +onderworpen: uitgestrekte landen, koninkrijken en vorstendommen, +hebben tot dus ver nog eene zekere mate van onafhankelijkheid en +zelfstandigheid weten te bewaren, en worden nog altijd door hunne +eigene Vorsten geregeerd; schoon al deze Vorsten, in meerdere of +mindere mate, aan de opperhoogheid der britsche kroon zijn onderworpen, +of althans door verdragen zoogenaamd tot bondgenooten, inderdaad +tot vasallen, van Engeland zijn gemaakt. Het zijn deze landen, +koninkrijken en vorstendommen, die wij met den naam van indische +Vorstenlanden wenschen aan te duiden: een naam, gewettigd door de +gelijkheid van toestand hier met dien op het eiland Java. + +Nog onlangs hebben wij den franschen reiziger L. Rousselet vergezeld +bij zijn bezoek aan het hof van een dezer inlandsche Vorsten, +den Guikowar of koning van Goezerate, die te Baroda zijn zetel +heeft. [1] Wij waren daar getuigen van de eigenaardige gebruiken +en de schitterende weelde van een indisch hof; en hadden tevens +gelegenheid, zij het ook slechts van ter zijde, een blik te werpen op +de innerlijke toestanden des lands en de regeering van den Rajah. Wij +durven vertrouwen dat het verhaal van den heer Rousselet een gunstigen +indruk heeft achtergelaten, zoodat het voorstel om hem ook op zijn +verderen tocht door de indische vorstenlanden te vergezellen, onzen +lezers niet onwelkom zal zijn. + + + +I. + + +Van Baroda begaf ik mij naar Ahmedabad, de aloude hoofdstad der +sultans, eene der prachtigste steden van het Oosten. Wij kwamen +daar den 5den December aan, en namen onzen intrek in een uitmuntend +ingerichte _bungalow_. Zulk een bungalow is eene voortreffelijke +instelling, voor de reizigers van onschatbare waarde. In alle +steden, waar het bezoek en verblijf van Europeanen van te weinig +beteekenis is, om de partikuliere ondernemingszucht tot het bouwen +van hotels uit te lokken, is namelijk van regeeringswege een nette +en eenvoudige bungalow, een soort van landhuis of villa, ingericht, +waar de reizigers op hun gemak kunnen logeeren, tegen betaling van +een roepy per dag. Daar al de vermogende inboorlingen, en ook de +meeste Anglo-Indiërs, op hunne reizen voor het minst door één bediende +vergezeld worden, is de _peon_ (kastelein) van de bungalow verplicht, +zijne keuken te hunner beschikking te stellen, en hun, tegen een matig +gestelden vasten prijs, al de levensmiddelen te bezorgen, waaraan +zij behoefte hebben. Zij, die geen kok in hun dienst hebben, kunnen +zich door een aan het logement verbonden hofmeester of _mess-man_, +overeenkomstig hun verlangen, hunne maaltijden laten bezorgen; mede +volgens een vast tarief, dat in alle kamers is opgehangen. + +Ahmedabad werd in 1426 door den Sultan Ahmed-Shâh gesticht, +op dezelfde plaats, waar vroeger eene oude indische stad had +gestaan. Hoogstwaarschijnlijk gebruikte de sultan de puinen van de door +hem verwoeste steden Khandravati en Anhilwara-Patan voor den bouw der +paleizen en moskeeën van zijne nieuwe hoofdstad, die weldra door den +rijkdom en de pracht harer monumenten door geheel het Oosten beroemd +zou worden. Want ook de opvolgers van Ahmed-Shâh waren met dezelfde +liefde voor de schoone kunsten bezield; en daar zij zelf van hindoesche +afkomst waren, behielden zij ook voor de heiligdommen hunner nieuwe +mohammedaansche eeredienst den eigenaardigen bouwstijl des lands: +een stijl, die zich door zijne oorspronkelijkheid en zuiverheid +zeer gunstig onderscheidt van den zoogenaamden sarraceenschen stijl, +die tegelijk met de Mongolen in Indië doordrong en daar bijkans de +overheerschende werd. + +Omstreeks 1570 viel de stad in de macht der Groot-mogols, en werd +zij tot hoofdplaats van eene der bloeiendste provinciën van het +machtige rijk verheven. Toen het zoogenaamde mongoolsche rijk ten +ondergang neigde, maakte Damasji Guikowar, ten jare 1737, gebruik van +de toenemende machteloosheid der keizerlijke regeering, om Ahmedabad +met de daarbij behoorende landstreek bij zijn eveneens op de puinen +van het keizerlijk gestichte koninkrijk van Baroda in te lijven. Zijne +opvolgers behielden de stad tot 1818, toen zij aan de Engelschen +overging, aan wie zij nu nog behoort. + +Een gordel van zware hooge muren, meer dan zeven kilometers in omtrek, +omringt de stad; torens en bolwerken geven haar een nog indrukwekkender +voorkomen. Naar men zegt, zijn deze werken aangelegd door den sultan +Mahmoed Begarha, omstreeks het einde der vijftiende eeuw. Achttien +monumentale poorten geven toegang tot de stad, die weleer eene +overtalrijke bevolking binnen hare wijde wallen herbergde; tegenwoordig +strekken zich tusschen de eigenlijke stad en den wal groote tuinen en +onbebouwde velden uit; zij heeft zich als het ware saamgetrokken in +haar al te ruimen steenen mantel; hare verschillende wijken zijn thans +door niet veel meer dan honderd-vijftig-duizend zielen bewoond. Maar +ook nu nog, hoezeer van haar vroegeren luister vervallen, maakt de +vroolijke, ruime, volkrijke stad een aangenamen indruk; overal vindt ge +prachtig geboomte, dat tot midden in de stad heerlijke lanen vormt; en +de statige overblijfselen van den ouden tijd zien er minder eenzaam en +verlaten uit te midden dier schilderachtige wit gepleisterde huisjes +en hutten, zoo bevallig om de ernstige bouwvallen gegroept. + +Zoo ge het indische leven te Ahmedabad in al zijne verscheidenheid +wilt bestudeeren, begeef u dan naar de prachtige breede straat +Manik-Shauk, het middelpunt van den handel en de bedrijvigheid +der stad. Daar worden de verschillende markten gehouden; daar zijn +de bazars, en daar ook kunt ge de prachtige typen dier zwervende +Radsjpoeten, Katis en Bhattis bewonderen, die uit de nabijgelegen +halfwilde landstreken naar Ahmedabad komen, en zooveel bijdragen tot +het bij uitnemendheid schilderachtig karakter harer openbare markten +en bazars. Kameelen en olifanten bewegen zich met afgemeten stap te +midden der bontgekleurde luidruchtige menigte, waaronder de engelsche +sipayers, in hunne eenvoudige uniform, zooveel mogelijk de orde +bewaren. De drukke, levendige straat, de voornaamste der stad, begint +bij den hoofdingang van het oude paleis der voormalige onder-koningen, +dat door zijne zware torens aan een middeleeuwsch kasteel doet denken, +en dat tegenwoordig tot strafgevangenis is ingericht, waar duizende +veroordeelden zich onledig houden met het vervaardigen van tapijten, +grove stoffen en papier. Men treedt dit voormalige paleis binnen +door eene prachtige moorsche poort, waaronder zich een wachthuis +bevindt. De tegenwoordige bestemming van het gebouw laat niet meer +toe, over de vroegere heerlijkheid dezer vorstelijke residentie te +oordeelen; de ruime zalen zijn, op last der engelsche inspecteurs, +zoo herhaaldelijk met witkalk overstreken geworden, dat alle sporen +van voormalige versiering geheel zijn verdwenen. + +Dit kasteel is met de Bâdre of citadel verbonden door eene lange reeks +van gebouwen, eertijds tot huisvesting bestemd voor het talrijke +garnizoen, dat de sultans in hunne hoofdstad onderhielden. Deze +citadel bevat niet veel merkwaardigs: eenige ruime binnenplaatsen, +vroeger tot tuinen aangelegd en tegenwoordig door leelijke engelsche +barakken ontsierd; eenige zuilengangen, en een reusachtig bolwerk: dat +is nagenoeg alles. Men vergeet ook nooit, den bezoeker opmerkzaam te +maken op eene oude schijf, boven eene der poorten geplaatst, en waarop +nog duidelijk de sporen van pijlpunten te herkennen zijn. Wanneer, +in den ouden tijd, de sultan eene belangrijke reis of een krijgstocht +zou gaan ondernemen, moest een ervaren schutter die schijf trachten te +treffen; trof de pijl het wit niet, dan werd de onderneming opgegeven, +of althans tot gunstiger gelegenheid uitgesteld. + +Op korten afstand van het paleis, verheft zich dwars over de straat +Manik-Shauk, een prachtige triomfboog die, naar de drie bogen van +moorschen stijl, den naam draagt van _Tin Durwazé_, de Drie poorten; +dit gebouw is een der bevalligste monumenten van de architectuur +der zestiende eeuw. Aan gene zijde van den triomfboog verrijst de +Jumah-Moesjid, de voornaamste moskee, de roem van Ahmedabad. Het +opschrift aan den hoofdingang meldt u, dat de sultan Mahmoed-Shâh +Begarha, de Stedendwinger, deze moskee heeft gebouwd met de puinen +van de tempels der ongeloovigen, in het jaar der hedsjrâh 827. Voor +het eigenlijke gebouw strekt zich een ruime, geplaveide hof uit, +aan drie zijden door zuilengangen omgeven. De voorgevel prijkt met +drie hooge poorten, die u vergunnen een blik te werpen in het ruime +heiligdom, waarvan het gewelf door eene menigte zuilen gedragen +wordt. Ter wederzijde van den middelsten ingang verheffen zich +twee slanke, uiterst sierlijk bewerkte minarets, maar waarvan de +spitsen in 1818, ten gevolge eener aardbeving, naar beneden zijn +gestort. Bij het binnentreden van het ruime bedehuis, gevoelt ge u +onwillekeurig door bewondering aangegrepen bij een blik op die lange +reeksen gebeeldhouwde pilaren; de koepels rusten op eene galerij +van kleine, massieve zuilen, waardoor een stroom van licht in den +tempel valt. Het volstrekte gemis van beelden, het groote aantal +en de eigenaardige versiering der kolommen, geven aan deze moskee, +die u aan een hindoe-tempel denken doet, een hoogst merkwaardig +karakter. In het midden van de moskee, tegenover den tabernakel, +waarin de Koran bewaard wordt, bevindt zich een groote marmeren zerk, +waaronder, volgens de overlevering, het afgodsbeeld begraven ligt, +dat vroeger in den heidenschen tempel, waarvan deze moskee de opvolger +is, werd aangebeden. Nabij de moskee staat de vorstelijke basiliek, +waar, onder marmeren troonhemels, de stoffelijke overblijfselen der +Sultans Ahmed, Mohammed en Koutub Oudin rusten; in hunne nabijheid +sluimeren hunne echtgenooten en afstammelingen. Al deze graftomben +munten uit door sierlijke bewerking; zij prijken met prachtig beeldwerk +en somwijlen met schitterende mozaïeken. + +Nog heden ten dage telt Ahmedabad meer dan vijftig moskeeën en +eene menigte grafmonumenten, die allen eene bijzondere studie waard +zijn. Geen andere stad van Indië kan op zulk een rijkdom van dergelijke +gedenkteekenen roemen. Deze moskeeën verheffen zich doorgaans, te +midden van tuinen en boomgaarden; op hooge steenen terrassen, vanwaar +zij de omringende huizen als met vorstelijke fierheid beheerschen. Die +plaatsing is bij uitnemendheid geschikt om de schoonheid der bogen, +der koepels en minarets te doen uitkomen, die zich nu, in al de +zuiverheid hunner lijnen, afteekenen tegen het diepe blauw van den +helderen indischen hemel. + +Eenige dagen na onze aankomst, was ik des morgens uitgereden, om de +frissche, geurige ochtendlucht in te ademen, toen ik eensklaps op den +weg voor mij uit een stofwolk zag oprijzen, die snel naderde. Ik had +nauwelijks den tijd ter zijde te gaan, toen vijf of zes open rijtuigen, +van antieken vorm, mij voorbijsnelden, waarin eenige inlanders zaten, +die ik aan hunne van goud schitterende tulbanden als lieden van aanzien +herkende. De rijtuigen werden gevolgd door een troep ruiters van een +wild, fantastisch voorkomen, met lange golvende baarden en lansen in de +hand, gezeten op groote, prachtig opgetuigde paarden. Dit alles schoot +mij, als een wervelwind, voorbij. Werktuigelijk groette ik, en zag nog +even hoe mijn groet door een der reizigers werd beantwoord. Ik was zeer +nieuwsgierig om te weten, wie deze vreemde gasten wel mochten zijn, en +spoedde mij naar de bungalow terug. Daar vond ik de binnenplaats geheel +ingenomen door onbekende ruiters, die er hun bivak hadden opgeslagen; +overal brandden vuren; de paarden stonden op eene rij vastgebonden; +en in een hoek zag ik de met stof overdekte gala-rijtuigen. Nu vernam +ik dat de nieuw aangekomen gast, die zooveel opschudding veroorzaakte, +geen minder personage was dan do prins Monti-Singh, zoon van den Rajah +van Marwar. De ruiters van zijn gevolg waren Radsjpoeten van den stam +of clan Rhatore, een der meest bekenden van de indische woestijn. + +Den volgenden morgen zond ik mijn _khansamah_, voor deze buitengewone +gelegenheid tot de waardigheid van _tsjoebdar_, gezant of heraut, +verheven, om den hoogen vreemdeling onzen welkomstgroet aan te +bieden. De prins beantwoordde de beleefdheid, door mij een deurwaarder +of kamerdienaar met gouden staf te zenden, die, na de gebruikelijke +begroetingen en plichtplegingen, mij mededeelde dat Zijne Hoogheid +mij nog dien zelfden dag zou ontvangen. Op het bepaalde uur begaf +ik mij met mijn reisgenoot naar den prins, die ons in eene ruime +zaal afwachtte, waarvan vier stoelen en een tapijt het gansche +ameublement uitmaakten. Monti-Singh ontving ons zeer vriendelijk +en reikte ons de hand; hij zette zich tusschen ons beiden neder, en +begon een gesprek in het engelsch, dat hem blijkbaar groote inspanning +kostte. Ik maakte aan die kwelling een einde, door hem in het hindi +te antwoorden; zeer in zijn schik, dat ik de taal zijns lands sprak, +begon hij nu met groote levendigheid te praten. Hij verzekerde mij +dat zijn vader, de Koning van Marwar, zich zeer gelukkig zou achten, +indien hij ons aan zijn hof mocht ontvangen, en dat de bekende +gastvrijheid der overige radsjpoet-vorsten ons overal eene gulle en +hartelijke ontvangst verzekerde. "Een europeesch reiziger," zeide hij, +"is bij ons bijna eene onbekende zeldzaamheid; de eenige Europeanen, +die wij nu en dan onder ons zien, zijn, behalve de gezanten van den +onderkoning, enkele officieren, die naar hun garnizoen gaan of naar +Bombay terugkeeren. Voor zoover ik weet, is er althans nog nooit +een Franschman te Jhodepoor verschenen."--Hij gaf mij daarop zeer +uitvoerige en nauwkeurige inlichtingen omtrent de beste manier, waarop +ik de reis zou kunnen doen, en de bezwaren die ik daarbij zou hebben +te overwinnen: mij tevens zeer sterk aanradende mijn weg te nemen +over Deesa, Sirohi, en Jhodepoor, in plaats van het land der Bhîls +te bezoeken en over Oodipoor te gaan. Maar ten aanzien van dit punt +stond mijn besluit vast; ik bepaalde er mij dan ook toe, hem te beloven +dat ik mijn best zou doen om over Ajmeer naar Jhodepoor te reizen. + +Prins Monti-Singh is de veertiende of vijftiende van de talrijke zonen +van den ouden Rajah van Jhodepoor, Tukt-Singh. Deze aartsvaderlijke +monarch bezit een vrij uitgestrekt rijk, maar dat meer woestijnen +dan bebouwbaar land bevat; toch is zijne hoofdstad eene der +fraaiste steden van Radsjpoetana, en zijn zijne inkomsten verre +van onaanzienlijk. Monti-Singh sprak met veel geestdrift over de +wildrijke vlakten van zijn vaderland, en gaf mij de verzekering +dat, zoo ik kwam, te mijner eer schitterende jachtpartijen zouden +worden aangelegd. Zijne fijne en sprekende trekken, zijne lichte +gelaatskleur en zijn lange baard deden hem dadelijk als een echten +Radsjpoet kennen: zijne eenigszins verwijfde houding en manieren +en zijne zeer diplomatieke wijze van spreken maakten echter op mij +geen gunstigen indruk. Ik vernam later, dat mijne vermoedens te dien +aanzien in geene deele ongegrond waren. + +Van de weinige dagen, die mij nog voor ons vertrek van Ahmedabad +overschoten, maakte ik gebruik om de omstreken te bezoeken, die +niet alleen heerlijk schoon zijn, maar ook rijk aan historische +herinneringen. Een mijner eerste uitstapjes bracht mij naar Sirkhej, +de aloude zomerresidentie van Sultan Ahmed, acht mijlen (kilometers) +van de stad verwijderd. Te vier uur in den morgen van onze bungalow +vertrokken, bereikten wij, bij het opgaan der zon, de oevers van de +Soebermoetti, het bevallige riviertje, dat de wallen van Ahmedabad +bespoelt. Onze bedienden hadden, met het weinige dat wij verder mede +namen, plaats genomen op een kleinen wagen door een os getrokken, +die de rivier zou doorwaden. Het water was laag, maar de stroom +was nog zoo sterk, dat ik inderdaad vreesde dat de wagen zou worden +medegevoerd. Toen ik met mijn paard gelukkig de overzijde bereikt +had, bleef ik een poos het prachtige landschap gadeslaan, waaraan +de indische wintermorgen, nieuwe bekoorlijkheid bijzette. De rivier +schitterde en fonkelde in het rijzende licht; gansche zwermen van +watervogels vlogen, zwevende, rijzende en dalende, over de kalme +oppervlakte; aan den anderen oever teekende zich, schemerachtig, half +in een wazigen, blauwachtigen nevel gehuld, de lange lijn der wallen +en vestingwerken. De lucht was, ondanks de zon, frisch en koel, en +verkwikte en versterkte mij. Niets bijna is met deze wintermorgen in +Indië te vergelijken: hij is even heerlijk als een lentedag in Europa; +maar de eigenaardige, grootsche pracht dezer door de natuur zoo rijk +begunstigde streken geeft aan alles eon onuitsprekelijk karakter van +schoonheid en verhevenheid. + +Nadat onze wagen veilig op den oever was geraakt, zetten wij onze +paarden in galop en sloegen den weg naar Sirkhej in. Wij volgden een +zandpad, nu en dan met gras begroeid, en ter wijderzijde omzoomd +door hooge cactussen, door dwerg-vijgeboomen, geheel behangen en +omwikkeld met convolvulussen en andere bloeiende lianen. Honderde +fraaie, zilvergrijze tortelduiven vlogen bij onze nadering weg, +en lieten dat eigenaardig geluid hooren, dat op een kort afgebroken +lach gelijkt; schitterend gekleurde papegaaien vervulden de lucht +met hunne schelle kreten, en overstemden bijna geheel het liefelijk +gekweel der oostersche nachtegalen, dat ons uit de naburige boschjes +tegenklonk. Eeuwenheugende reusachtige boomen spreidden hier en +daar hunne breede armen beschermend uit over de in hunne schaduw +wegduikende spitse koepels der witte grafmonumenten: liefelijkheid +en statige ernst waren in dit landschap op het schoonste vereenigd. + +Na een rit van een goed half uur bereikten wij eene tamelijk eentonige, +maar welbebouwde vlakte, op eenigen afstand door de heuvelen van +Sirkhej, op wier toppen zich de lijnen der monumenten tegen den +helderen achtergrond afteekenen, begrensd. Vroeger nam de Soebermoetti +haar loop langs den voet dezer heuvelen; hare uitgedroogde bedding, +met fijn los zand gevuld, was nu een rijweg, waardoor onze paarden met +moeite voortzwoegden. Aan den rand dezer bedding verheffen zich twee +hooge torens, waarvan het onderste gedeelte zeer veel door het water +geleden heeft, en die vroeger den hoofdingang vormden der vorstelijke +residentie. De weg is hier nog met groote zerken geplaveid, en boven +het hoofd van den bezoeker zweven dreigend stukken van half vernielde +gewelven. + +Wij begaven ons naar de moskee, het eenige nog bewoonbare gedeelte van +het voormalige paleis. De zware deur was gesloten; ik steeg van mijn +paard, en deed herhaalde malen den zwaren ijzeren klopper nedervallen, +die nog zijne oude plaats behouden had. Eene diepe, ongestoorde stilte +heerschte in het ronde; ettelijke duiven, door het gerucht dat wij +maakten verschrikt, vlogen in wijde kringen boven onze hoofden heen en +weder. Na verloop van eenige minuten hoorde ik grendels wegschuiven, +en spoedig daarop werd de deur geopend door een klein oud manneke, +met een langen witten baard en een wonderlijk voorkomen. Hem was de +bewaking van het heiligdom toevertrouwd; hij ontving ons met groote +vriendelijkheid. + +Wij traden op een ruim, geplaveid binnenplein, door portieken en +galerijen omgeven, en waarop zich in het midden een zwaar gebouw +verhief, met een vergulden koepel gekroond. Daar rusten, in eene +reliekkast van massief zilver, de overblijfselen van Sheik Ahmed +Gunj Boekeh, den biechtvader van Sultan Ahmed, en den hooggeëerden +beschermheilige van Sirkhej. Zijn graf is eene zeer druk bezochte +bedevaartsplaats voor al de Muzelmannen uit den omtrek; en twee malen +in het jaar is deze ruime binnenplaats opgevuld met pelgrims. Voor +dit monument staat eene kiosk, wier zestien slanke kolommen negen +koepels dragen: zeker een der fraaiste en sierlijkste gebouwen in +den eigenaardigen indo-muzelmanschen stijl. + +Aan de linkerzijde van de binnenplaats geeft eene fraaie portiek +den toegang naar de graven der Ranis of koninginnen: ruime kamers, +wier gewelven door zware pilaren worden getorscht; de wit marmeren +graftomben staan in afzonderlijke kapellen, die door sierlijk bewerkte +steenen balustraden zijn afgesloten. De aanblik dezer ruime luchtige +vertrekken is inderdaad schoon en indrukwekkend; maar evenals +bij alle mohammedaansche graven, treft u ook hier de volstrekte +afwezigheid van iedere ernstige, tot droefheid of weemoed stemmende +gedachte. Groote vensters, met balkons versierd, laten het licht +vrijelijk binnenstroomen, en gunnen u tegelijk een blik op den schoonen +vijver, die zich aan den voet der moskee uitstrekt. Een breede trap, +die naar den vijver afdaalt, scheidt deze vertrekken van eene andere +reeks nog grooter en fraaier zalen, waar zich de tomben van een aantal +sultans bevinden, onder anderen van den beroemden Mahmoed Begarha.--De +andere zijde van de binnenplaats wordt geheel ingenomen door eene +groote moskee, die, naar men zegt, getrouw naar de beroemde moskee +van Mekka gevolgd is. Ik heb deze laatste nooit gezien, maar betwijfel +het toch zeer of er werkelijk veel overeenkomst bestaat tusschen het +groote arabische heiligdom en dit monument in indischen stijl. + +De vijver, die tegenwoordig droog ligt, beslaat eene oppervlakte van +bijna eene mijl in het vierkant; ten tijde van Ahmed was deze vijver +een der wonderen van Indië. De eene zijde wordt geheel ingenomen door +de moskee en de daaraan grenzende gebouwen; aan de drie andere zijden +rijzen reusachtige trappen omhoog, weleer door prachtige paleizen +gekroond. Twee daarvan zijn nog in wezen: het paleis van Ahmed en +de harem. De hooge, met zuilenrij en en beeldwerk versierde gevels +schenken aan deze gebouwen een karakter van grootschheid, dat men in +de latere muzelmansche bouwgewrochten in Hindostan maar al te zeer +mist. Uit deze paleizen voerden onderaardsche tunnels naar den oever +van den grooten vijver. Aan een der hoeken is nog eene monumentale +sluis, waardoor het water van de Soebermoetti in het wijde bekken +gevoerd werd. + +Ons tweede bezoek gold het grafmonument van Shâh Alloem, op twee +mijlen afstands van Ahmedabad, te midden van eene menigte tomben, +moskeeën, paleizen en tuinen. Het mausoleum zelf is met een hoogen +koepel gekroond, en bevat verschillende zalen; in eene daarvan staat +de porfieren graftombe van Shâh Alloem. Deze zaal is met inlegwerk van +parelmoer versierd; kleine openingen, met fijn gebeeldhouwd steenen +lofwerk gesloten, laten slechts een schemerachtig licht doordringen, +dat eene fantastische uitwerking doet. De aangrenzende groote moskee, +een langwerpig op zuilen rustend gebouw, verrijst op een hoog terras; +vanwaar men een prachtig vergezicht heeft. De beide minarets zijn +nog ongeschonden in wezen. + +De omstreken van Ahmedabad zijn zoo rijk aan merkwaardigheden van +allerlei aard, dat het wel niet anders kan, of men gaat hier bijna +achteloos monumenten voorbij, die elders onmiddellijk uwe aandacht +trekken en uwe bewondering opwekken zouden. Datzelfde is het geval +te Delhi; maar daar hebben onderscheidene machtige volksstammen +en doorluchtige vorstengeslachten de sporen hunner heerschappij +en grootheid nagelaten; hier dagteekenen al deze kunstgewrochten en +verbazende scheppingen uit de betrekkelijk korte periode der regeering +van enkele vorsten in de vijftiende eeuw. + +De engelsche stad ligt te Ahmedabad op ongeveer vier mijlen afstands +van de indische, waarmede zij door prachtige dreven en lanen van hoog +geboomte verbonden is. Zij ligt in eene ruime vlakte, en bestaat, +behalve uit de kazernen en andere militaire inrichtingen, uit een +zeker aantal bevallige villa's, te midden van sierlijke tuinen +gelegen, en door ongeveer een honderdtal Europeanen, beambten der +kroon, bewoond. In de onmiddellijke nabijheid staat het paleis van +Shahi-Baugh, in 1625 gebouwd, op last van den onderkoning Sultan +Kurrum, die er zijne residentie wilde vestigen. Hij zette evenwel +nooit een voet in het paleis, omdat de groote poort in de buitenste +omwalling niet hoog genoeg was om den olifant door te laten, waarop +de prins gewoonlijk reed. Nog vóór dit gebrek kon worden verholpen, +werd de onderkoning, door den dood van zijn vader, geroepen om den +keizerlijken troon te Delhi te bestijgen, dien hij, onder den naam +van Shâh-Jehan, gedurende vele jaren, met roem bekleeden zou. + +Eindelijk had ik, na lang bieden en loven, eene overeenkomst gesloten +met een kameeldrijver, die mij, voor honderd-tachtig roepyen, twee +dromedarissen en zeven kameelen zou bezorgen om de reis naar Oodipoor +te ondernemen. Ik voorzag mij van eene kleine, zeer lichte tent, +en verder van de noodige bedden, keukengereedschap en andere zaken, +waaraan ik behoefte zou hebben. Wij togen nu toch naar een land, waar +nog logementen noch bungalows zijn te vinden, en waar ik begreep, +dat wij minstens een jaar zouden moeten toeven. + + + +II. + + +Op den bepaalden dag, den 19den December, stonden de kameelen op de +binnenplaats van de bungalow, gereed om hunne lading te ontvangen. De +twee dromedarissen, die wij berijden zouden, waren prachtig opgetuigd +met zijden dekkleeden en kwasten in overvloed; maar al deze pracht +zou verdwijnen, zoodra wij eenmaal op weg waren. Onze karavaan +bestond verder uit onze vier bedienden, twee samwâllahs en zeven +kameeldrijvers; al deze lieden waren met sabels en geweren gewapend, +en hielden zich waarschijnlijk overtuigd, dat zij zich binnen kort +ook van die wapenen zouden moeten bedienen. Ik riep ze allen bijeen en +hield eene korte toespraak, waarbij ik hun de verzekering gaf, dat het +land, hetwelk wij gingen doortrekken, overal veilig was; en dat wij +bovendien, daar wij goed gewapend waren, niets van de Bhîls hadden +te vreezen. Ik droeg aan een hunner het bevel over de karavaan op, +en gaf hem den last, in het dorp Raypoer, op vier-en-twintig mijlen +afstands van Ahmedabad te overnachten en onze komst af te wachten. Wij +waren overeengekomen eerst den volgenden morgen te vertrekken. + +Dien morgen werd ik reeds te vier uur door den samwallah gewekt; ik +wekte op mijn beurt mijn reismakker, en binnen weinige minuten waren +wij gereed. Ik wierp nog eenige kleeden op den zadel, en nam daarop +de achterste zitplaats in; mijn geleider zette zich vóór mij, en de +dromedaris sprong eensklaps overeind. Het zadel der dromedarissen +of rijkameelen is dubbel, of liever voor twee personen ingericht, +die vlak achter elkander plaats nemen. De achterste plaats is juist +niet de beste; maar ik had die uitgekozen, omdat ik nog niet gewoon +was aan de eigenaardige beweging van den kameel, en het dus nog niet +durfde ondernemen, zelf het dier te mennen. Het duurde wel een half +uur eer ik mijn evenwicht gevonden had: ik werd zoo geweldig heen en +weder geslingerd, dat ik stellig gevallen zou zijn, indien ik mij niet +stevig aan mijn voorman vastgehouden had. Ik weet deze beweging niet +beter te vergelijken dan met die van een schip op eene woelige zee; +het gevoel dat zij, bij iemand die daaraan niet gewoon is, opwekt, +heeft dan ook inderdaad veel van zeeziekte. Gelukkig went men er +zich vrij spoedig aan: na verloop van een groot half uur, voelde +ik mij ten minste genoeg op mijn gemak om eenige aandacht over te +hebben voor den weg, waarlangs wij voorttogen. Ahmedabad lag reeds +op verren afstand achter ons; het rijzende morgenlicht vertoonde ons +eene onafzienbare vlakte, hier en daar afgebroken door boomgroepen +en bosschages, waarin de dorpen wegscholen. + +Tegen zes uur in den morgen kwamen wij te Raypoer; onze tent was +reeds opgeslagen onder een grooten boom, aan den oever eener rivier, +en op een geweerschot afstands van het dorp. Onder een anderen boom +lag onze bagage; daar was ook de keuken en het verblijf van onze +bedienden; sabels en geweren, aan de takken opgehangen, gaven aan +dat gedeelte van het kamp een zeker krijgshaftig voorkomen. Het was, +vooral op dezen prachtigen morgen, een schilderachtig tafereel, dat ik +met te meer genoegen beschouwde, omdat het voor mij een teeken was, +dat nu eerst mijne eigenlijke reis begon. Tot dusver had ik bekende, +platgetreden wegen gevolgd, landen doorkruist, waar de beschaafde +europeesche invloed zich, in meer dan één opzicht, reeds krachtig had +doen gelden, en waaromtrent ik mij van te voren volkomen had kunnen +inlichten; nu stond ik aan de grenzen van het onbekende. Wat zou ik +in de landen der Radsjpoeten vinden: eene welwillende ontvangst of +een vijandige stemming? eene wildernis of een paradijs? Ik bracht +den dag door met het bezoeken van het dorp, het schieten van eenige +hazen en pauwen, en kon mij des avonds vermeien met het belangwekkend +tooneel van de tehuiskomst der kudden: twee- of drieduizend buffels +en ossen kwamen in galop aanrennen, en spoedden zich naar de rivier +om hun dorst te lesschen. + +Twee uur na middernacht verlieten wij Raypoer, doorwaadden de rivier, +en bevonden ons nu weder op het grondgebied van den Guikowar. De +nacht is zeer donker, maar het land is volkomen vlak; onze kameelen +gaan rustig en onvermoeid voort; de dorpen liggen allen op zekeren +afstand van den weg; ter nauwernood ontmoeten wij eene enkele woning, +tot wij te vier uur het stadje Deagaum bereiken. Aan de poort dezer +stad worden wij staande gehouden door eenige _sowars_, die ons naar +de plaats onzer bestemming vragen; en, na bekomen inlichting, ons +eenige _bohimias_ verschaffen, die ons naar het naaste dorp brengen +moesten. Deze bohimias zijn lieden van geringen stand, die verplicht +zijn, tegen een zeer matige vergoeding, de reizigers van het eene +dorp naar het andere te geleiden. De overheid van het dorp beloont +hen voor die dienst, door hun het verblijf in het dorp te vergunnen +en hun eenige stukken bouwland af te staan. Daar er in dit land +geen gebaande wegen zijn, zou de reiziger groot gevaar loopen in de +onafzienbare velden te verdwalen, indien deze gidsen hem niet te recht +hielpen. Intusschen hebben deze arme lieden een tamelijk zware taak +te vervullen; te ieder uur van den dag en den nacht moeten zij gereed +staan, om eenige mijlen ver de karavanen te geleiden, waarvoor zij +ongeveer een stuiver per _kôss_--twee engelsche mijlen--ontvangen; +ook is het niet zeldzaam dat zij gedwongen worden tot een volgend +station mede te gaan, of wel zonder belooning worden weggezonden. + +Dien dag en ook nog den volgenden liep onze weg nog steeds door +de eindelooze vlakten, die wij sedert ons vertrek van Baroda niet +verlaten hebben. Wel hadden wij in de verte enkele naakte en lage +heuvelreeksen gezien, als het ware de eerste voorloopers van het +Doenghêr-gebergte, waarachter het land Bâghoer, het land der Bhîls, +ligt: eene wilde, bergachtige streek, die de hooge vlakte van Malwa +van Goezerate scheidt, en ten zuidoosten aan het uitgestrekte gebied +der Radsjpoeten grenst;--maar toch verraste ons, in den vroegen +morgen van den 23sten December, het gezicht van een dorp, waarvan +de hutten schilderachtig lagen verspreid langs de helling van een +bevalligen heuvel van witachtigen zandsteen. Het landschap nam nu +eensklaps een geheel ander karakter aan. Aan de andere zijde van het +dorp stroomde eene kleine rivier, door groote boomen overschaduwd, +en omzoomd door bloeiend heidekruid; de heldere wateren murmelden +en ruischten tusschen en over rotsen en steenblokken, en verdeelden +zich in tallooze aderen en kanalen, die de aangrenzende velden +bevochtigen en vruchtbaar maken. Dit liefelijke, bijna zwitsersche +landschap maakt dan eensklaps plaats voor een statig indrukwekkend +woud, aan welks uiteinde zich een prachtig meer voor onze blikken +uitbreidt. Wat heerlijke aanblik, die wijde watervlakte, bezaaid met +bloeiende lotusplanten, waartusschen gansche scharen van watervogels +zwemmen en dartelen; en omzoomd door een donkeren gordel van bananen +en andere reusachtige tropische boomen en gewassen. Nergens is een +enkel spoor van menschelijk verblijf of werkzaamheid te ontdekken; +in ongestoorde zekerheid genieten de bewoners van dit schilderachtige +meer den heerlijken frisschen morgen. Op een der kleine lage eilandjes +staan gansche rijen van rooskleurige flamingo's, bijna onbewegelijk, +op den uitkijk; zwermen van wilde ganzen en schitterend gekleurde +eenden doorkruisen in alle richtingen de diepe, kalme wateren; reigers, +_karkhoundj_ en vele andere vogels van hunne soort staan, in kalme +rust, op de half overstroomde wortels der boomen langs den oever; +kleinere, purper en blauw gekleurde watersnippen springen en huppelen +over de breede lotusbladen: een tafereel vol leven, vol beweging, +en toch zoo kalm, zoo vredig, zoo onuitsprekelijk rustig. Zonder veel +opschudding te maken, gaan wij langs den dichtbelommerden oever voort; +tusschen de bloemrijke hagen, die tot boven onze hoofden opschieten, +openen zich bekoorlijke wegen, welke naar den _mekkâm_ voeren. + +De mekkâm, de voor het kamp aangewezen plaats, is doorgaans een +boomrijke plek nabij het dorp, waarvan de grond zorgvuldig geëffend +is. Deze plek wordt voor de reizigers beschikbaar gehouden; men vindt +er een waterput en somwijlen een kleinen tempel, zoodat de pelgrim +daar alles aantreft, wat hij noodig heeft: water, schaduw en een +bedehuis. De mekkâm van Tintouï, waar wij ons nu bevinden, is zeer +schoon: groote mangoboomen, nims en bananen omringen een open perk, +met frisch en mollig gras bedekt, waarop ik mijne tent laat opslaan; +op korten afstand vertoont zich het dorp, schilderachtig op eene +hoogte gelegen, juist aan den ingang der steile en donkere bergpassen, +waarvan de blauwachtige toppen en rotswanden zich aan den horizon +verheffen; een fort met zware gekanteelde muren beheerscht de geheele +omliggende vlakte. + +Tintouï, dat zijn gewicht vooral dankt aan zijne ligging aan den ingang +der passen van het Dounghêr-gebergte, behoort nog aan den Guikowar, +en vormt aan deze zijde de uiterste grens van zijne staten; maar dit +aanzienlijke vlek is tevens de residentie van een radsjpoeten baron +of thakoer, die wel in naam de heerschappij van den koning van Baroda +erkent, maar inderdaad onafhankelijk en de wezenlijke beheerscher +des lands is. Deze thakoers bekleeden hier dezelfde plaats en spelen +dezelfde rol, als onze feodale heeren en baronnen in de middeleeuwen: +zij bezitten in hunne domeinen het hooge en lage rechtsgebied, en zijn +aan den landsheer doorgaans niets anders verschuldigd dan eene zekere +schatting, of de levering van een zeker aantal gewapenden. Voor het +overige zijn zij bijna geheel onafhankelijk, en bezoeken slechts nu en +dan de hoofdstad, om den souverein hunne hulde te brengen. Trotsch, +aanmatigend en twistziek, liggen zij voortdurend met hunne naburen +overhoop, en ontzien zich ook niet, de karavanen, die hun gebied +doortrekken, te plunderen. Wel heeft de britsche regeering, althans +voor het uiterlijke, aan deze rooverijen paal en perk gesteld; maar, +in het wezen der zaak, heeft de gewelddadige plundering plaats gemaakt +voor eene meer georganiseerde afzetterij. In stede van de karavanen +te overvallen en uit te schudden, beschermt de thakoer ze veeleer: +slechts laat hij zich voor deze bescherming behoorlijk betalen. Zoodra +de karavaan het gebied van een dezer heeren betreedt, moet zij eene +schatting van zooveel percent van de waarde harer koopmansgoederen +voldoen; daarvoor koopt zij zich dan den vrijen en veiligen doortocht +door de bergpassen; vertrouwt zij daarentegen op hare eigene kracht, +en weigert zij de verlangde schatting, dan kan zij er zeker van +zijn door de stammen van het gebergte te worden uitgeplunderd. De +thakoer ontvangt, in zijne hoedanigheid van magistraat en rechter, +de klachten der mishandelde kooplieden, hoort ze geduldig aan, +houdt er aanteekening van, en roept al zijne manschappen onder de +wapenen: maar alle nasporingen leiden tot niets; de soldaten keeren +terug zonder de roovers te hebben gevonden, en de thakoer brengt den +kooplieden onder het oog, hoe dwaas zij gehandeld hebben door zijne +bescherming af te wijzen. + +Bij mijne aankomst te Tintouï, werd ik door de lijfwacht van den +thakoer ontvangen, die mij zijne groeten liet overbrengen en zijn +bezoek aankondigen; maar, daar ik gaarne het kasteel wilde bezichtigen, +verzocht ik hun, mij tot hun heer te geleiden. Eene zeer steile, met +groote zerken geplaveide helling, waarop de paarden telkens uitglijden, +brengt ons naar de poort van het slot, die door kleine torens en eene +omrastering van met ijzer beslagen palen wordt verdedigd. Het inwendige +van het kasteel vertoont eene zoo treffende gelijkenis met onze feodale +burchten uit de twaalfde en dertiende eeuw, dat ieder, die een dezer +slotruïnen gezien heeft, zich ook van deze indische vesting eene +duidelijke voorstelling maken kan. Het is eene wonderlijke, schijnbaar +ordelooze samenvoeging van torens, bolwerken, gebouwen, terrassen, die +zich stout en dreigend boven het diepe dal verheft, waarin de nederige +huizen van Tintouï staan verspreid. De thakoer, een Radsjpoet, met een +echt aristokratisch voorkomen en een sneeuwwitten baard, ontvangt mij +met groote hoffelijkheid, en vraagt mij naar het doel mijner reize: +op het hooren van den naam van zijn souverein, buigt hij eerbiedig +het hoofd, en zegt dat aangezien ik de vriend ben van zijn heer, +den machtigen Guikowar, hij mijn slaaf is, en dat zijn persoon, zijne +lieden en zijn land te mijner beschikking staan. Ik bepaal er mij toe, +zijne bescherming te vragen voor mijnen tocht door de bergpassen, +met verzoek eenige ruiters, als gewapend geleide, aan mijne karavaan +toe te voegen. Daarop deelde hij mij allerlei bijzonderheden mede +omtrent de Bhîls, hunne gewoonten en levenswijze, waarbij hij zich +zeer beklaagde over de herhaalde strooptochten dier stammen, waardoor +de karavanen van het bezoeken van zijn land werden afgeschrikt. + +Eenige uren later kwam de baron mijn een officieel tegenbezoek in +mijne tent brengen; hij was door een troep ruiters vergezeld, die +er, in hunne bijkans middeleeuwsche kostumen, allerschilderachtigst +uitzien. De oude thakoer vertoont in zijne houding en manieren +al de waardigheid, die aan zijn rang past; alles wat hij spreekt, +draagt den stempel van die fijne en nauwlettende wellevendheid, die +hem doet kennen als een der heeren van het hof van Oudeypoor, dat +als een voorbeeld van goeden toon en manieren door gansch Hindostan +beroemd is. Bij het afscheid omhelsde hij mij zeer hartelijk, met de +verklaring dat hij aan niemand de eer zou afstaan, mijne karavaan +tot aan de grenzen te geleiden, indien zijn hooge leeftijd hem dit +niet belette. Zijn zoon en drie ruiters zullen zich bij ons voegen; +nog dienzelfden avond wordt hunne tent nevens de onze opgeslagen. + +Maar eer wij verder gaan, moet ik mijn lezers het een en ander +mededeelen omtrent de Bhîls, wier naam ik reeds meermalen heb genoemd, +en wier land ik thans had betreden. + +De Bhîls behooren tot een der merkwaardige stammen der oorspronkelijke +bevolking van Indië, die vroeger in de uitgestrekte gewesten, thans +onder de namen van Malwa en Radsjpoetana bekend, was gevestigd. Door +de arische volksverhuizing uit het hoogland van centraal Azië, uit +hunne woonplaats verdrongen, trokken zij zich in het gebergte terug, +en schijnen langzamerhand tot dien staat van verval en barbaarschheid +verzonken te zijn, waarin wij hen thans aantreffen. In hunne +overleveringen en legenden leven nog enkele herinneringen aan den +ver vervlogen tijd, toen zij als oppermachtige gebieders in de vlakte +heerschten; een hunner aloude volkszangen verhaalt den oorsprong van +den diepgewortelden haat, die tusschen hen en de Brahmanen bestaat. + +Op zekeren dag, zoo luidt deze sage, dwaalde de god Mahadeo, van +vermoeidheid en honger uitgeput, door het woud, toen eene jonge, +schoone vrouw zich over hem ontfermde, en hem in hare woning opnam. Hij +verhief haar tot zijne echtgenoote, en verwekte een aantal kinderen +bij haar. Een daarvan, een zwarte, zeer leelijke knaap, van zeldzame +spierkracht, doodde Nandi, den gewijden stier van den god. Tot straf +voor dit misdrijf werd hij vervloekt en naar de wouden verbannen; hij +ontving den naam van Nishada of Bhîl, dat wil zeggen, de banneling, +de vogelvrijverklaarde.--Uit deze legende schijnt te blijken, +dat dit volk zich niet, als de andere Soedras, aan de heerschappij +der Brahmanen heeft willen onderwerpen, en daarom door hen van eene +misdaad beschuldigd werd, die in het oog van iederen rechtgeloovigen +Hindoe een onvergeeflijke gruwel is, van namelijk den heiligen os te +hebben gedood: eene misdaad, waarop zij nog schijnen roem te dragen. + +Ongetwijfeld hebben zij eenmaal zekere mate van macht en invloed +bezeten; en dat deze niet gering kan geweest zijn, blijkt wel uit het +feit, dat nog heden ten dage, bij de plechtige kroning der koningen +van Mewar, een der Radsjpoeten-staten, de teekenen der koninklijke +waardigheid door een Bhîl aan den nieuwen souverein worden ter +hand gesteld. Ook leeft nog in het volk een soort van godsdienstige +vereering voor de bouwvallen van sommige steden, wier puinen blijkbaar +van eene overoude beschaving getuigen. Eeuwen lang als wilde dieren +vervolgd en geplaagd, wreekten zij zich door schrikkelijke moord- +en plundertochten; en de naam van roovers van Mahadeo, dien zij zich +zelf gaven, werd in den ganschen omtrek geducht. In hunne bijkans +ontoegankelijke gebergten verscholen, wisten zij iederen vijandelijken +aanval af te slaan, en hunne onafhankelijkheid te bewaren. Zij zijn +in stammen of clans verdeeld, die ieder hun eigen opperhoofd hebben, +wien zijne onderhoorigen onbepaald gehoorzamen, en die bij hunne +strooptochten het bevel voert. Hunne dorpen of pâls zijn, evenals onze +middeleeuwsche burgten, altijd op hoogten gebouwd; iedere woning is +op zich zelf eene kleine vesting, waarvan de zware steenen muren een +dak van pannen of riet dragen. Het dorp is omgeven door eene hooge +en stevige omrastering van doornige struiken en dooreengevlochten +cactussen; in tijd van nood, worden de kudden door de vrouwen en +kinderen in de rotskloven en spelonken gedreven, en trekken de mannen +zich achter die sterke omwallingen terug, vanwaar zij hunne vijanden +kunnen gadeslaan en hunne pijlen afschieten. De indeeling in kasten is +bij hen onbekend; de jongelingen kiezen hunne bruiden uit een anderen +stam. De huwelijksplechtigheid is zoo eenvoudig mogelijk. Op zekeren +bepaalden dag komen de huwbare jongelingen en jonge dochters te zamen; +iedere jonkman kiest zich een meisje uit, en trekt zich met haar +voor eenige dagen in het woud terug, waarna het huwelijk als wettig +gesloten wordt beschouwd. Ook hunne godsdienst is hoogst eenvoudig: +hunne vereering geldt voornamelijk de elementen en de demonen, die +ziekten verwekken; de tempel bestaat uit een hoop steenen, met oker +besmeerd, of wel uit een ruw behouwen groote zerk. Echter koesteren +zij een bijzonderen eerbied voor den reusachtigen _mhowah_, dien boom, +die hun brood, brandhout en een bedwelmende drank levert; aan zijne +takken hangen zij bij voorkeur ijzeren gereedschappen op. Zij voeden +zich bijkans met alles wat hun voor de hand komt, en eten ook onreine +dieren, zoo als ratten en slangen. + +De Bhîls zijn doorgaans van middelbare gestalte, en, hoewel minder +sierlijk, echter veel krachtiger gebouwd dan de Hindoes. Hunne +gelaatstrekken zijn grof; hun platte neus en uitstekende wangbeenderen +zijn alles behalve fraai; hunne zwarte haren hangen in wilde wanorde +langs hun gelaat, alleen door een koord om de slapen eenigszins +saamgehouden. Zij gaan bijna geheel naakt, en hebben in den regel +geen ander gewaad dan een soort van _langoeti_ of schort, van twee +of drie vingers breed, dat om de heupen gewonden wordt. De vrouwen +zijn slanker van gestalte en lichter van kleur; haar gang is niet +zonder waardigheid; zij dragen een soort van rok, die om de heupen +gebonden en met een der uiteinden over de schouders geworpen wordt, +zoodat de helft der borst bloot blijft. Aan armen en been en dragen zij +eene menigte koperen ringen. De Bhîls gaan nooit uit, zonder bogen en +pijlen mede te nemen; zij weten deze wapenen met groote behendigheid +te gebruiken, en gaan er zelfs mede op de tijgerjacht. Jacht en +vischvangst zijn hunne geliefkoosde bezigheden; zij tijgen in groote +gezelschappen ter jacht; en vergiftigen de kreken met cactussap, +om alzoo de visschen te kunnen vangen. + +Hoewel zeer moedig, zijn zij tevens zeer bedachtzaam, en zullen +nooit een vijand aantasten, indien zij niet zeker zijn van de +overwinning. Toch is het vechten hun een ware behoefte; en wanneer +zij geen vijand te bestrijden hebben, dagen zij een naburigen clan +uit, en leveren elkander onderling moorddadige gevechten. Maar +zoodra een algemeen gevaar dreigt, worden deze onderlinge twisten +vergeten, en vereenigen zich de stammen tot den strijd tegen den +gemeenschappelijken vijand. Dan weergalmt door alle dalen de _kisri_ +of snijdende oorlogskreet, die van pâl tot pâl wordt herhaald; +en binnen weinige uren zijn honderde krijgsvaardige mannen op een +enkel punt vereenigd en tot den tocht gereed. De Bhîls verstaan +ook voortreffelijk de kunst, om het geluid van hyena's, jakhalzen +en nachtvogels na te bootsen, en geven daardoor elkander teekenen, +zonder den argwaan der reizigers op te wekken. + +Met al hunne gebreken, hebben de Bhîls twee deugden, die de eigenlijke +Hindoes missen: dankbaarheid jegens hunne weldoeners, en trouw aan +het eens gegeven woord. Van de eerste loffelijke eigenschap hebben +zij, tijdens den grooten opstand van 1857, een schitterend bewijs +gegeven, door niet alleen de Engelschen te beschermen, die door de +sipayers werden bedreigd, maar ook zelf tegen de opstandelingen te +gaan vechten. Zij zijn dan ook inderdaad veel aan de Engelschen +verschuldigd, die gedaan hebben wat zij konden om hen uit hun +ellendigen toestand op te heffen, en die in ieder geval een einde +hebben gemaakt aan de jaarlijksche strooptochten der Radsjpoeten, +waarbij de dorpen werden verbrand en de oogsten vernield. + +De stammen der Bhîls bewonen tegenwoordig de landstreek Baghoer, +een gedeelte van het Aravalli-gebergte en bijna het geheele +Windhya-gebergte. Men schat hun aantal op een à twee millioen; zij +maken dus nog een der groote indische volksstammen uit. In de dalen +van Mewar vindt men de kaste der zoogenaamde Bhilâlas, afstammelingen +van Bhîls en Radsjpoeten. Zij zijn vrij talrijk, maar missen de goede +eigenschappen van hunne stamouders. Ook bij hen bevestigt zich alzoo +de algemeene ervaring, dat uit zoodanige vermenging een lager en +minder begaafd ras ontspruit. + + + +Toen wij heden morgen van Tintouï zouden opbreken, geraakte onze +geheele karavaan in opschudding, en weigerde voor zonsopgang te +vertrekken. Het gerucht had zich verspreid, dat een zoogenoemde +_admikanewallah_, dat wil zeggen een tijger, die alleen menschen +verslindt, op den weg in hinderlaag lag. De Hindoes beweren namelijk, +dat wanneer een tijger eenmaal menschenbloed heeft geproefd, hij geen +andere prooi meer aanvalt. Nu verhaalde men dat zooeven een man door +zulk een admikanewallah verscheurd was. Het kostte den jongen thakoer +en mij groote moeite, onze manschappen te bewegen den tocht voort te +zetten: het was al erg genoeg, dat wij ons aan de aanvallen der Bhîls +blootstelden; ontmoetingen met tijgers waren hun in het geheel niet +naar den zin. Toch is onze karavaan thans sterk genoeg om voor geene +vijanden bevreesd te zijn: zij bestaat uit drie-en-twintig gewapende +mannen; wij zijn dus volkomen in staat om een geregelden veldslag te +leveren tegen wilden, die geen vuurwapenen bezitten. + +Boekthawoer-Singh, de jonge thakoer, rijdt nevens mij, en verhaalt +mij allerlei anekdotes betreffende de Bhîls. Ook vertelt hij van de +verwoestingen, die de gevreesde menschenetende tijger in den ganschen +omtrek aanricht; er gaat bijna geen dag voorbij, dat hij geen nieuw +slachtoffer velt; en hij is daarbij zoo slim, dat de jagers hem nog +nooit hebben kunnen bereiken. De Hindoes koesteren voor deze tijgers +eene bijna kinderachtige vrees, de europeesche jagers daarentegen, +die zulk een admikanewallah geschoten hebben, beweren dat het dier +bijna altijd krank en schurftig is: zij schrijven dit toe aan het eten +van menschenvleesch. Dat de admikanewallah zich hoofdzakelijk met +menschenvleesch voedt, wordt alzoo door beide partijen toegestemd; +maar terwijl de Hindoes daaraan eene buitengewone mate van wildheid +en bloeddorstigheid bij den tijger toeschrijven, houden de Europeanen +staande, dat dit voedsel het dier verzwakt en ziek maakt. Ik stel mij +de zaak aldus voor. Wanneer de tijger oud wordt, verliest hij veel +van zijne kracht en nog meer van zijne vlugheid; hij durft dan geen +buffel of afgedwaalden os aanvallen, omdat hij daarbij stellig het +onderspit zou delven; en herten of antilopen met een fikschen sprong +te bereiken, is hem onmogelijk geworden. Zoo is hij dan wel verplicht, +zich langs de wegen in hinderlaag te leggen, en uit te zien of een +zorgelooze wandelaar zich binnen zijn bereik waagt: geschiedt dit, +dan doet de honger hem de vrees overwinnen, die hij instinktmatig +voor den mensch gevoelt, en deze wordt maar al te licht zijn prooi. + +Even voorbij Tintouï versmallen zich de bergpassen, en weldra bevinden +wij ons in eene nauwe kloof, ter wederzijde door hooge zwartachtige +rotswanden ingesloten; de hellingen en de toppen der bergen zijn +met dicht bosch bedekt. Het is een grootsch, romantisch landschap, +vol wilde, aangrijpende schoonheid: reusachtige marmerblokken, hier en +daar over den grond verspreid, schitteren in het zonnelicht; schuimende +bergstroomen storten zich met klaterend geweld in de diepe kloven, +of zweven, als pluimen van stuivend zilver, van de steile hoogten +neder. De dorpen der Bhîls, als vestingen boven op de steilten +gebouwd, met een smallen zoom van bebouwd land aan hun voet, zien +er, met hunne stekelige muren van struiken en doornen, van verre als +reusachtige arendsnesten uit. Van tijd tot tijd wordt de gedaante van +een Bhîl op den top eener rots zichtbaar: dat zijn de schildwachten, +die moeten toezien wat er op den weg gebeurt; maar ons aantal en de +bescherming van den thakoer waarborgen ons tegen alle vijandelijkheden. + +De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen wij den mekkâm van Sameyra +bereikten. Dit dorp behoort aan een thakoer, die vasal is van den +rajah van Dounghêrpoer; het ligt aan den ingang van eene kleine, +maar uiterst vruchtbare vallei. Ook hier beheerscht de burcht van +den thakoer den ganschen omtrek. Wij slaan hier ons leger op, om +den nacht door te brengen; voor wij ons ter rust begeven, worden de +vuren rondom het kamp aangestoken en de wachten verdubbeld: het is +goed dat de Bhîls weten, dat wij op onze hoede zijn. Den volgenden +morgen togen wij reeds vroeg op weg. Het landschap wordt al woester +en woester; groote, wild dooreengeworpen rotsblokken vullen de enge +dalen en laten slechts weinige smalle paden voor den doortocht over; +het is inderdaad opmerkelijk te zien, met hoeveel tact en geduld onze +zwaar beladen kameelen zich door deze wildernis een weg banen. De +gewapende ruiters en voetknechten vormen met mij de voorhoede; onze +kameelen, door hunne drijvers geleid, en een dertigtal reizigers, +die zich gaandeweg bij ons hebben aangesloten, maken den middentocht +uit; eenige ruiters, door mijn reismakker aangevuurd, sluiten als +achterhoede den trein. Wij hebben al deze voorzorgen genomen, omdat wij +nu de gevaarlijkste en slechtst befaamde streken moeten doortrekken; +de ruwe, geheel onafhankelijke inlanders ontzien geen enkele karavaan, +onder wiens bescherming zij ook moge staan. Na onderscheidene enge +bergpassen te zijn doorgetrokken, komen wij in eene vruchtbare vallei, +door prachtige bergen ingesloten, wier hellingen met ondoordringbare +bosschen zijn bedekt. Aan beide zijde vertoonen zich op de hoogten, +talrijke dorpen of pâls van de Bhîls. + +Nauwelijks hadden wij deze vallei betreden, of een onvoorzien toeval +dreigde onzen verderen tocht eensklaps te stuiten. Reeds sedert den +morgen van dezen dag hadden wij onderscheidene Bhîls ontmoet, die +kalm en zwijgend hun weg vervolgden, zonder den broederlijken groet +te beantwoorden, dien onze sowars hun toeriepen. Een dezer laatsten, +over deze onwellevendheid verontwaardigd, maakte nu van de gelegenheid +gebruik om een Bhîl, die geheel onverzeld was, aan te vallen, te +slaan en van zijn boog en pijlen te berooven. Deze aanranding, die +zoo ernstige gevolgen voor ons kon hebben, was geheel buiten mijne +voorkennis geschiedt; ook had ik, in gesprek met Boekthawoer verdiept, +er niets van gemerkt, tot dat de soldaat, die gehoord had dat ik gaarne +zulk wapentuig wilde bezitten, mij de veroverde boog en pijlen kwam +aanbieden. Ik begreep aanstonds welk gevaar ons bedreigde: nauwelijks +had ik den tijd gehad, eenige bevelen te geven, of daar weergalmde +reeds de wilde krijgskreet door de vallei, voortgedragen van heuvel +tot heuvel; uit alle pâls kwamen gewapende mannen te voorschijn, die +in snellen loop naar ons toekwamen. Eene onbeschrijfelijke verwarring +maakte zich toen van het gros onzer kleine karavaan meester: de vrouwen +begonnen te schreeuwen en te jammeren; de kooplieden stelden zich aan +als razenden; zelfs de kameelen droegen het hunne bij, om het gewoel +en getier te vergrooten. Onze soldaten hielden zich gelukkig beter: +bedaard laadden zij hunne geweren, staken de lonten aan en wachtten +mijne bevelen af. + +Toen de Bhîls zagen dat wij gereed waren hen te ontvangen, ontstond +er eenige aarzeling in hunne rangen, en gingen zij minder vastberaden +voort: onze karabijnen boezemden hun blijkbaar ontzag in; intusschen +was hun getal reeds merkelijk aangegroeid, en begonnen zij hunne pijlen +op ons af te schieten, maar op een te verren afstand om ons te kunnen +treffen. Enkelen slaagden er in, achter de struiken voortsluipende, +ons te naderen; zij schoten hunne pijlen af, en troffen een kameel, +die begon te steigeren en achteruit te slaan, hetgeen de verwarring +nog grooter maakte. Ik stond op het punt, bevel tot vuren te geven, +toen ik eensklaps een ouden radsjpoet ruiter van ons geleide van +Sameyra, in vollen galop naar een bosschage van hoog struikgewas, +in de nabijheid onzer kameelen, zag rennen. Weldra wendde hij zich +plotseling om, en wierp zich, met uitgetogen sabel, op een ouden Bhîl, +die in de struiken verscholen zat; in een oogwenk had hij hem gevangen +genomen, en de handen op den rug gebonden. Deze onverwachte daad had +eene verrassende uitwerking; woeste, woedende kreten weergalmden van +alle kanten; een hagelbui van pijlen daalde op ons neder, waarop de +karavaan met geweerschoten antwoordde. Wij vingen den terugtocht +aan, onzen gevangene medevoerende, die, zooals de oude sowar mij +verzekerde, het opperhoofd was van een der dorpen. Ik liet daarop +de Bhîls waarschuwen, dat zoo zij voortgingen ons aan te vallen, hun +opperhoofd onverwijld zou worden ter dood gebracht. De waarschuwing +werd met luid geschreeuw beantwoord: maar zij trokken zich niet terug. + +Ik liet den ouden Bhîl ontboeien, die mij daarop, in slecht +hindoestani, verhaalde, hoezeer de lieden van zijn stam verbaasd en +geërgerd waren over de beleediging, die wij hun hadden aangedaan; +zij meenden, dat zij door de Europeanen beschermd werden, en waren er +niet aan gewoon door hen mishandeld te worden. "Het is voor het eerst, +zeide hij, dat iemand de vermetelheid heeft, de Bhîls in hunne eigen +valleien te tergen en uit te dagen."--Hij verzocht, dat de geroofde +boog en pijlen zouden worden teruggegeven, en dat de schuldige soldaat +zou worden uitgeleverd: dan zouden wij ongehinderd onze reis kunnen +vervolgen. Ik gaf hem de verzekering dat het voorgevallene mij leed +deed, en bood hem aan den boog en de pijlen terug te geven, en den +sowar vergeving voor zijne aanranding te doen vragen. Blijkbaar +verlangde de oude wilde, dien man in zijne macht te hebben; maar +toen hij zag, dat ik dit standvastig weigerde, nam hij mijn voorstel +aan. Door twee soldaten begeleid, trad hij naar zijne stamgenooten +en maakte hen met de getroffen schikking bekend. De boog en de pijlen +werden teruggegeven; den gevangene echter hielden wij bij ons tot wij +de vallei verlaten hadden. Eer wij hem zijne vrijheid terug gaven, liet +ik hem een groot glas brandewijn inschenken, dat hij in een enkelen +teug ledigde. Met haastigen tred keerde hij naar zijne stamgenooten +terug, die ons zwijgend gevolgd waren, en begon nu onze lieden uit te +schelden, hun toevoegende dat zij hun behoud alleen te danken hadden +aan de tegenwoordigheid der sahibs (heeren); en dat zoo hij ooit +een hunner in de vallei mocht ontmoeten, de verdiende straf niet zou +uitblijven. Deze laatste bedreiging echter schenen de sowars, die toch +langs denzelfden weg moesten terugkeeren, zich niet erg aan te trekken. + +Wij sloegen dien avond ons kamp op nabij het vlek Bitsjoewara, in het +midden eener ruime vallei gelegen. De thakoer van Bitsjoewara komt +ons een bezoek brengen; waarschijnlijk heeft hij het noodig geacht, +vooraf de flesch aan te spreken: althans hij is erg dronken. Naar +het schijnt, is hij een harde meester voor zijne onderhoorigen, die +zich in zijne tegenwoordigheid bitter over hem beklagen; hij tracht +zich met den grootsten ernst en echte dronkemansgemoedelijkheid, te +verdedigen, en de beschuldigingen, die tegen hem ingebracht worden, +te wederleggen. Waarschijnlijk ziet hij ons voor agenten van het +engelsche gouvernement aan, die hem rekenschap komen vragen van zijn +gedrag. Daar ik het een en ander noodig heb, dat in het dorp niet te +krijgen is, kom ik met den thakoer overeen, dat hij mij acht kippen en +vier dozijn eieren zal bezorgen, voor een flesch engelsche rum. Een +uur later verschijnt hij, waggelende en zwaaiende, op den top des +heuvels gevolgd door zijne bedienden: hij draagt zelf de kippen, +die hij met veel beweging en allerlei buigingen en gebaren, voor +mij op den grond legt; daarop vertrekt hij, zoogoed als het gaat, +met zijne flesch in de hand. Een beklagelijk schouwspel, dat hier +echter gelukkig zeer zeldzaam voorkomt. Gedurende den ganschen tijd van +mijn verblijf in Hindostan heb ik nimmer een man van deftigen stand, +vooral nooit een Radsjpoet, in zulk een ellendigen toestand gezien, +als waarin deze thakoet van Bitsjoewara verkeerde. + +Na een dag oponthoud in eene nette bungalow van het engelsche station +Kheirwara, zetten wij onzen tocht naar Oudeypoor voort. De sowars van +Sameyra en Tintouï hebben ons hier verlaten, en zijn vervangen geworden +door vijf ruiters van het contingent ven Oudeypoor, die de kommandant +van het garnizoen van Kheirwara ter onzer beschikking had gesteld. Een +paar mijlen voorbij het station voert onze weg weder midden door de +bergpassen; de bergen dragen hier echter een gansch ander karakter: +de naakte, ruwe, verscheurde rotswanden stijgen tot eene aanmerkelijke +hoogte, en tusschen de verschillende bergreeksen strekken zich breede +valleien uit, door frissche waterstroomen besproeid. Wij hebben het +Vindhya-gebergte verlaten en bevinden ons nu in de Aravallis, die zich +dwars door Radsjpoetana tot aan Delhi uitstrekken. Deze bergketen is +nog zeer weinig bekend; zij bevat niet alleen een onuitputtelijken +rijkdom van kostbare marmersoorten, maar ook goud, zilver, koper, lood, +blik, rotskristal, granaat en andere edele steenen. Al deze schatten +liggen ongebruikt; de inlanders kunnen ze zelven niet exploiteeren, +en houden de toegangen tot hunne bergen zooveel mogelijk voor de +Europeanen gesloten. De hoogste toppen der Aravallis reiken tot ruim +drie duizend voet boven de zee. + +In den morgen van den 30sten December, na een vermoeiende nachtelijke +reis door het gebergte en door dichte wouden, bereikten wij de plaats +onzer bestemming: Oudeypoor, de hoofdstad van Mewar. + + + +III. + + +Wij hadden den laatsten heuvel bestegen; mijne bedienden sprongen van +vreugde; luide jubelkreten stegen uit de karavaan op: wij waren aan +het einde van den bezwaarlijken tocht. Ik hield stil, en beschouwde +in stomme bewondering het prachtige panorama, dat zich daar voor +mijne blikken ontrolde. Ik had mij bijna nooit zoo iets schoons +voorgesteld: eene tooververschijning uit de Duizend-en-een-Nacht scheen +plotseling voor mij te verrijzen. Op den voorgrond eene lange reeks van +vestingwerken, pagodes en paleizen, zich krachtig afteekenende tegen +een breeden gordel van bloeiende tuinen en donkergroene bosschages; +en daarachter en daarboven de stad, met haar fantastische weelde van +torens, naalden, spitsen, kiosken, rustende tegen de helling van een +hoogen heuvel, welks top gekroond wordt door een groot paleis van wit +marmer, schitterend uitkomend tegen den blauwachtigen achtergrond der +bergen. Geen pen, geen teekenstift of penseel, kan, naar waarheid, +het wonderschoone beeld wedergeven dezer stad, zoo te recht Oudeypoor, +de stad der rijzende zon, genaamd. + +Na eenige oogenblikken van bewonderende beschouwing, daalden +wij van den heuvel af en trokken naar de stad. Daar vroeg ik aan +eenige voorbijgangers den weg naar de woning van den resident, +die mij aanstonds gewezen werd. De residentie is een groot paleis +met koepels en ruime terrassen: het ligt op den top van een heuvel, +een à twee mijlen van de wallen verwijderd. Van een in scharlaken +roode liverei uitgedosten bediende vernam ik, tot mijn grooten spijt, +dat de engelsche resident nog niet van zijne officiëele rondreis was +teruggekeerd, en dat wij, gedurende zijne afwezigheid, nergens in +de stad een onderkomen zouden vinden. Ik wierp een wanhopigen blik +op den omtrek, maar zag niets dan steenachtige heuvelen, zonder een +enkelen boom, waaronder wij onze tent konden opslaan om beschutting +te vinden tegen de felle hitte des daags en de scherpe koude des +nachts. Juist kwam een _djemadar_, een chef van het dienstdoend +personeel, aansnellen, en bood mij een verblijf in een der gebouwen +van het paleis aan. Hoezeer tegen mijn zin, nam ik dit aanbod aan: mij +vast voornemende te vertrekken, zoodra ik eene geschikte gelegenheid +tot het opslaan van mijn kamp zou hebben gevonden. + +Den volgenden morgen was ons eerste werk, te paard een bezoek te +gaan afleggen bij Lutsjmun Rao, dewan of eerste minister van den +koning van Mewar, voor wien de engelsche kommandant van Kheirwara mij +een aanbevelingsbrief had medegegeven. Onze sowars hadden zich, als +gewapend geleide, bij ons aangesloten, en zoo trok onze kleine stoet +naar de naaste poort der stad. De hooge, zware, gekanteelde muren zijn +omgeven door een diepe, met stroomend water gevulde gracht; maar er +zijn geen aarden werken, en eenige kanonschoten zouden voldoende zijn +om in dien muur een geweldige bres te schieten. Van afstand tot afstand +verheffen zich zware vierkante bolwerken, waarop kanonnen zijn geplant. + +De kommandant der wacht aan de zware, goed versterkte poort, treedt +naar buiten, en vraagt waarheen wij gaan. Op het hooren van den naam +des ministers, laat hij ons door, en geeft ons zelfs een soldaat mede +om ons naar de woning van den dewan te geleiden. Wij bevinden ons nu +in eene nauwe, drukke, volkrijke straat, waar onze sowars ons met +groote vrijpostigheid een weg banen; de voorbijgangers staren ons +met verbaasde en nieuwsgierige blikken aan; naar het schijnt, zijn +zij niet gewoon andere Europeanen te zien, dan die tot het engelsche +gezantschap behooren. Alles is hier nieuw voor mij: de bouworde der +huizen, het voorkomen der inwoners, de gansche omgeving; aan alle +zijden verheffen zich tempels en prachtgebouwen te midden van krotten +en half in puin gestorte hutten: het geheel is niet alleen verrassend +en nieuw, maar ook in de hoogste mate schilderachtig. + +Wij stijgen af op de binnenplaats der woning van Lutsjmun Rao. De +minister ontvangt ons zeer wellevend; hij is echter een Brahmaan en +geen Radsjpoet; hij vraagt naar het doel onzer reis, en paait ons, met +onberispelijke beleefdheid, met die indische beloften en toezeggingen, +die tot niets verbinden. "Wij wenschen bij den Maha-Rana te worden +toegelaten"--"Zeker, zeker; het zal hem een groot genoegen zijn, +u te kunnen ontvangen";--maar ik kan onmogelijk te weten komen, hoe +en wanneer dit geschieden zal. Ik verzoek hem dringend, ons eenig +onderkomen in de stad te bezorgen; maar hij durft dit niet te doen, +zonder vooraf met den Rana gesproken te hebben. Inmiddels biedt hij +ons de gebouwen van den Hawalla, den circus, aan, buiten de stad in +de nabijheid der residentie gelegen. Deze Hawalla, waar vroeger de +gevechten van olifanten en de voorstellingen der worstelaars gegeven +werden, bestaat uit een ruim langwerpig perk, de eigenlijke arena, +omgeven door een acht à tien voet hoogen muur, waarop zich van +afstand tot afstand sierlijke paviljoenen verheffen, wier platte +daken door zuilenrijen gedragen worden. Het paviljoen, waarin wij +onzen intrek namen, telde niet minder dan acht-en-veertig pilaren, +in vier rijen geplaatst. Wij hadden van hier een prachtig uitzicht; +en in den zomer zou deze sierlijke open zuilenhal voorzeker eene +alleszins begeerlijke woning zijn geweest; in dezen, tijd des jaars +was het er evenwel wat al te frisch. + +Kort nadat wij ons hier gevestigd hadden, ontvingen wij een +aantal bezoeken, onder anderen van den inspecteur der koninklijke +gevangenissen en van een kapitein der lijfwacht; deze beide heeren +waren uiterst beleefd, maar overstelpten ons evenzoo met telkens +herhaalde vragen; ik bemerkte weldra dat men ons eigenlijk voor +spionnen hield. Hoe vele malen ik ook verzekerde dat wij alleen gekomen +waren om het land te zien, met zijne inwoners en monumenten kennis te +maken, altijd kwam weder dezelfde vraag terug: "Wie zendt u?"--en wat +ik ook deed, het was mij onmogelijk hun aan het verstand te brengen, +dat wij enkel uit liefde voor de wetenschap zulk een gevaarlijke reis +hadden ondernomen. De eerste minister kwam zelf, met een groot gevolg, +ons bezoeken; hij was zoo beleefd mogelijk, bewonderde onze paarden +en alles wat wij bij ons hadden, prees de hoogst vernuftige wijze, +waarop wij onze woning hadden ingericht, sprak op den gulsten en +vriendelijksten toon met ons:--en vroeg mij toen eensklaps, met het +onnoozelste gezicht van de wereld, welke politieke zending mij was +opgedragen: hij zou dit geheim aan niemand anders dan aan den Rana +in persoon mededeelen. Ziende dat ik elk officieel karakter bleef +ontkennen, beloofde hij, dat hij ons den volgenden dag aan den koning +zou voorstellen. + +Den volgenden dag herhaalde zich dezelfde komedie nog eens. Toen ik mij +naar het paleis begaf, kwam ons een van de secretarissen des konings, +Bulwant Rao, te gemoet rijden, en verzocht mij terug te keeren. Met +een zeer ernstig gelaat deelde hij mij mede, dat ik niet bij den +Rana kon worden toegelaten, indien ik hem niet vooraf in kennis +stelde met hetgeen ik dezen te zeggen had. Ik gevoelde grooten lust +hem te antwoorden, dat ik den Rana niet verlangde te spreken; maar ik +bedwong mij, en herhaalde nog eens mijne verzekeringen en verklaringen, +waarop het gewone antwoord volgde. Ditmaal had de secretaris al wat +ik zeide woordelijk opgeschreven; toen hij mij verliet, gaf hij mij +de verzekering, dat ik binnen weinige dagen ten gehoore zou worden +ontvangen. Vraagt misschien een mijner lezers, waarom ik er dan +toch zoo hoogen prijs op stelde bij den Rana te worden toegelaten, +dan moge hij weten dat ik, eenmaal door dezen monarch ontvangen, met +zekerheid rekenen kon op een goed onthaal bij al de andere vorsten +der Radsjpoeten, die hem als het hoofd van hunne familie en van de +gansche natie beschouwen. + +Samboe-Singh, Maha-Rana van Mewar, was toen (1866) een jonkman van +ruim achttien jaar. Uit den stam der Sesoedias gesproten, is hij het +erkende hoofd en de vertegenwoordiger van de doorluchtige familie der +Soeryavansis, het beroemde Zonnegeslacht van Indië. Zijn persoon is +voor alle Hindoes een voorwerp van eerbiedige vereering; hij voert +den weidschen titel van _Hindoe-Soeradje_, Zon der Hindoes. Deze +hooge onderscheiding dankt hij niet aan zijne macht, want hij behoort +slechts tot de vorsten van den tweeden rang; maar zijne familie heeft +zich dien roem verworven door den heldhaftigen tegenstand, dien zij +langen tijd aan de vreemde muzelmansche veroveraars bood. In het eind +overwonnen, versmaadde zij toch de zoo verleidelijke en voordeelige +verbintenissen met het keizerlijke geslacht der Groot-mogols van Delhi, +en bewaarde, ook ten koste van zware offers, de zuiverheid van haar +bloed on de onbevlekte reinheid harer kaste: een voorbeeld, slechts +door weinige vorstelijke familiën van Hindostan gevolgd. Daaraan +dankt dit aloude geslacht niet alleen zijne eereplaats aan het +hoofd der indische aristokratie, maar ook vele andere voorrechten en +onderscheidingen. In eene vergadering van inlandsche vorsten bekleedt +de Rana altijd het gestoelte der eere, en heeft het recht te allen +tijde het woord te voeren; in de geschillen, die wegens kwestiën +van kaste of godsdienst tusschen de Radsjpoeten onderling ontstaan, +is hij de hoogste scheidsrechter en zijne uitspraak beslissend. + +Het gebied van den Maha-Rana omvat niet veel meer dan 550 vierkante +mijlen, en telt eene bevolking van ruim een millioen zielen; deze +staat schijnt nog ongeveer dezelfde grenzen te hebben als toen, ten +jare 781, de Gheloot Bappa de Mori-koningen van Tsjittore verdreef, +en de dynastie der Rana's grondvestte. Het koninkrijk Mewar wordt +ten zuiden begrensd door het Vindhya-gebergte, ten westen door de +Aravallis, ten oosten door Malwa, en ten noorden door de engelsche +provincie Adsjmir. De inkomsten van den staat worden geschat op veertig +lakh roepyen, gelijkstaande met ongeveer twee millioen gulden. Er is +geen twijfel aan, of bij voortgaande ontwikkeling, kan deze opbrengst +meer dan vertienvoudigd worden. + +De Rana's zijn, zooals men ziet, van overouden stam. Het is +opmerkelijk dat zij, volgens de traditiën hunner familie, verwant +zouden zijn met de koningen van Perzië uit het huis der Sassaniden, +en ook met de keizers van het oostersch-romeinsche rijk. Naar men +verhaalt zou een Rana eene dochter van den grooten koning, den +beroemden Shâh Koshroe-Anoeshirvan, hebben gehuwd; een ander zou +de hand hebben verworven van de dochter van een der byzantijnsche +keizers. Er is misschien geene tweede familie, die haar stamboom +zoo hoog kan opvoeren als het geslacht der Rana's van Tsjittore en +Oodipoor: hunne zorgvuldig bijgehouden genealogie verliest zich in +den fabelachtigen voortijd. Zeker is het, dat de Radsjpoeten zich +bij voorkeur te Oodipoor vrij hebben gehouden van alle vermenging +met vreemd bloed; de hoofden der aloude stammen of clans Sesoedia, +Rhattore, Tsjolan, hebben daar hun verblijf. Hier bovenal hebben +de Radsjpoeten nog die schitterende eigenschappen weten te bewaren, +die fierheid, die loyauteit, die wellevendheid, die eenmaal zoozeer de +bewondering opwekten van den engelschen majoor Todd, hun lofredenaar en +geschiedschrijver; minder dan elders is in Mewar hun nationaal karakter +gewijzigd door de aanraking met en den invloed van vreemde veroveraars, +hetzij Muzelmannen, hetzij Engelschen. De naam Radsjpoeten beteekent +zonen der koningen; en iedere familie voert haar stamboom op tot een +der aloude vorsten des lands. Iedere stam splitst zich in clans, die +elk een bijzonderen naam dragen; niemand mag in zijn eigen clan huwen: +de mannen moeten hunne echtgenooten uit een anderen clan kiezen: +eene bepaling, die niet alleen de stammen onderling door steeds +nieuwe banden verbindt, maar die ook bij uitnemendheid geschikt is, +om de zuiverheid van het bloed en de kracht des volks te bewaren. + +De verschillende clans ontleenen hunne namen aan een of ander +merkwaardig feit uit het leven van hun stamvader. Omtrent den +oorsprong van den naam, dien het koninklijk geslacht van Oodipoor, +de Sesoedias, voert, meldt de legende het volgende. Eens dat een der +voorvaderen van den Rana met zijne edellieden, in de vlakten van Mewar +op de jacht was, gebeurde het bij ongeluk, dat hij eene groote vlieg +inslikte. Het insect drong tot in zijne maag door, en veroorzaakte hem +zoo ondragelijke smarten, dat bij het voornemen opvatte, zich van het +leven te berooven. Gelukkig verscheen er een fakir, die op zich nam om +den Rana te genezen. Ongemerkt sneed hij een stukje van het oor eener +koe af, wikkelde dat in een linnen doekje, bond daaraan een draad vast, +en liet het den Rana inslikken. Zoodra dit stukje oor in de maag van +den vorst kwam, zette de vlieg, door haar instinkt gedreven, zich +daarop, en werd zoo gemakkelijk te voorschijn gehaald. De monarch +was genezen, en wilde nu ook weten, door welk middel dit bewerkt +was. De fakir zocht allerlei uitvluchten, maar moest eindelijk de +ontzettende waarheid bekennen. Wie beschrijft de ontsteltenis van den +Rana, toen hij vernam dat een stuk van het heilige dier over zijne +lippen gekomen was! Na zulk een misdaad, zij het dan ook onbewust, +te hebben bedreven, achtte hij zich niet waardig, langer te leven; +hij besloot vrijwillig te sterven, en zijne lippen te reinigen, door +gesmolten lood in te slikken. Zijne bloedverwanten en hovelingen om +zich vereenigd hebbende, nam de Rana met vaste hand den kelk met +het gesmolten metaal, en ledigde dien met een enkelen teug. Maar, +o wonder! het vloeiende lood ging over zijne lippen zonder ze te +verbranden, en werd in zijn mond tot frisch, heerlijk water. Dat +was de hand der hooge goden: en de Rana, dankbaar voor de hem zoo +zichtbaar bewezen gunst en bescherming, nam voor zijn geslacht den +naam aan van Sesoedia, van het zelfstandig naamwoord _siça_ (lood). + +De Sesoedias vooral mogen zich met volle recht koningskinderen noemen; +groot en welgemaakt van gestalte, schoon van gelaat, dragen hunne +edele sprekende trekken den onmiskenbaren stempel van het zuivere +arische bloed. Zij kennen geen ander bedrijf dan den wapenhandel; +in Mewar vormen zij de aristokratie en bekleeden alle militaire +rangen; moedig, tot vermetelheid toe, zijn zij uitstekende ruiters en +onverschrokken jagers. De jacht is voor hen meer dan een vermaak of +een tijdverdrijf, zij is hun eene ware hartstocht, hunne godsdienst +zelve legt hun de verplichting op, gedurende zekere tijden des jaars +ter jacht te tijgen; en zelden gaan er eenige weken voorbij, zonder +dat zij tegen het wild gedierte te velde trekken. De jonge Radsjpoet +wordt niet eer in den kring der volwassen mannen opgenomen, dan nadat +hij met eigen hand een dier reusachtige wilde zwijnen heeft gedood, +die zich in het Aravalli-gebergte ophouden. Alleen, slechts met zijn +schild en zijn zwaren _catâr_ (een soort van slagzwaard) gewapend, +begeeft zich de jonkman op weg, en wacht op een plek in het woud, +waar de wilde zwijnen gewoonlijk langs komen, zijn geduchten vijand +af. Ziet hij het woeste dier naderen, dan buigt hij eene knie ter +aarde, en houdt zijn catâr gereed, om hem te treffen met doodelijken +slag. Is hij overwinnaar in dien gevaarlijken strijd, dan keert hij +naar zijne woning, en noodigt zijne verwanten tot een feestmaal, +waarvan het gedoode zwijn den hoofdschotel vormt. + +De kleeding der Radsjpoeten is zeer sierlijk en smaakvol. Zij bestaat +uit eene lange, nauwsluitende tuniek en nauwsluitenden pantalon, +beiden van rijk geborduurde en met goud doorwerkte stof; aan de voeten +en de armen dragen ook de mannen zware ringen van massief goud: eene +gewoonte, die bij geene andere kaste van Indië wordt aangetroffen. De +vorm van den tulband is zeer verschillend, doch steeds sierlijk; ook +weten zij dit bevallig hoofddeksel met zekere gratie en coquetterie te +dragen, die hun iets zeer gedistingeerds geeft. In hun gordel dragen +zij een volslagen tuighuis van dolken, degens, zwaarden; over den +schouder hangt het ronde schild van rhinocerosvel, met gouden knoppen +versierd. Hunne paarden zijn met smaak en pracht opgetuigd, en worden +met groote zorg onderhouden en gekweekt.--De vrouwen der Radsjpoeten +zijn groot, welgemaakt en dikwijls zeer schoon; de echtgenooten der +edelen leven in den harem of de zenanah; de vrouwen van minderen stand +zijn vrij en verschijnen met ongedekt gelaat op straat, maar zoodra +zij meenen dat een Europeaan haar gadeslaat, omsluieren zij zich. Zij +dragen een wijden geplooiden rok, die tot over de knieën reikt; een +klein keurslijf, dat alleen de schouders en de borst bedekt en den +rug bloot laat; en een breeden sjerp van gaas of zijde, waarmede zij +zich het bovenlijf omwikkelen, en waarvan een der punten over haar +hoofd geworpen wordt. Evenals alle vrouwen door geheel Hindostan, +overladen zij zich met eene ongeloofelijke menigte van gouden en +zilveren sieraden. + +Ieder vermogend Radsjpoet heeft ten minste drie vrouwen, die niet +alleen in het huiselijke, maar ook in het openbare leven eene zeer +gewichtige rol spelen: niets geschiedt zonder dat vooraf haar raad is +ingewonnen. Zelden zal een man, op eene belangrijke vraag, dadelijk +antwoord geven: hij moet eerst zijne vrouw raadplegen, en meestal is +het hare beslissing, die hij u later mededeelt. De Radsjpoeten betoonen +der vrouw dien kieschen eerbied, wijden haar die dweepende vereering, +die een eigenaardig kenmerk van alle ridderlijke volken is; hunne +gedichten vloeien over van allerlei verhalen, waarin de verlossing +van eene of andere gevangen schoone, of de wraak eener beleedigde dame +het hoofdthema uitmaakt. In hunne groote oorlogen speelt bijna altijd +eene vrouw de hoofdrol; en nog heden ten dage zendt eene dame, die eene +beleediging te wreken heeft, een armband aan een of anderen krijgsman, +dien zij tot haar ridder heeft uitverkoren. De aldus aangewezene is nu, +op straffe van oneer, verplicht, als wreker der dame op te treden. De +kronieken van Radsjpoetana zijn trouwens niet minder rijk aan trekken +van heldenmoed en zelfopoffering ook der vrouwen. + +Sinds overoude tijden en nog in deze dagen, is de stand der barden of +heldendichters bij de Radsjpoeten hoog in eere. Iedere stam, iedere +aanzienlijke familie, elke vorst of baron heeft zijn eigen bard of +_bhât_, wiens roeping het is de herinnering te bewaren aan de aloude +overleveringen en legenden van de familie of den stam. Hij houdt de +geslachtregisters, en draagt bij plechtige gelegenheden zijne liederen +voor, waarin de groote daden der voorvaderen worden geprezen. Ook de +huiselijke en familiefeesten luistert hij op door zijne zangen; en des +avonds zet hij zich in den kring en doet allen luisteren naar zijne +verhalen en improvisaties. De persoon van den bard is in zekeren zin +gewijd; hij is de overbrenger van de oorlogsverklaringen; hij is de +voornaamste onderhandelaar in alle gewichtige zaken en vereffent de +meeste geschillen. Hij houdt zich ook onledig met sterrenwichelarij; +en bij de stammen der woestijn staat hij wellicht hooger in aanzien +dan de priester van Brahma zelf. Hoe dit alles herinnert aan onze +eigene middeleeuwsche toestanden; en hoe zonderling voelt zich de +europeesche reiziger te moede, als hij hier eensklaps, in het hart +van Azië, eene wereld om zich heen ziet herleven, die hij tot dusver +alleen uit de oude kronieken en romancen kende, en die hij voor altijd +ondergegaan waande. + +De Radsjpoeten geven zich zelf tegenwoordig den titel van Kshatriyas: +met welken naam, zooals men weet, vroeger de kaste der krijgslieden, +de eerste in rang na die der Brahmanen, werd aangeduid, of liever +de militaire adel van arischen stam, die de landen aan den voet +van den Himalaya veroverde en daar een nieuw rijk grondvestte. Zij +beweren dan ook af te stammen van den beroemden koning Rama, den +overwinnaar van Lanka, den held van het oud-indische epos: hunne +vestiging in het land zou dus tot omstreeks tweeduizend jaren voor +Christus opklimmen. Intusschen is het thans zoogoed als uitgemaakt, +dat de verschijning der Radsjpoeten in Hindostan tot een zeerveel +later tijdperk behoort. Volgens het verhaal der Brahmanen, zouden +de Kshatriyas allen gedood zijn bij een opstand der lagere kasten, +aan wier hoofd zich Pasoerama, een der incarnatiën van Vishnoe, had +gesteld; dit zou eenige eeuwen vóór onze jaartelling hebben plaats +gehad. Wat hiervan zij: zeker is het, dat de aloude adel der Kshatriyas +in den loop des tijds zijn overwicht en de alleenheerschappij +verloor: want zelfs op den keizerlijken troon van Magadha ontmoeten +wij verschillende familiën, die oorspronkelijk tot de lage kaste der +Soedras behoorden.--De Radsjpoeten beginnen eerst omstreeks de zesde +of zevende eeuw onzer jaartelling eene staatkundige rol in Indië +te spelen; langen tijd schijnen zij zich aan de grenzen des lands, +aan gene zijde van den Indus, te hebben opgehouden; Todd meende +hen te moeten rekenen tot de skytische stammen, die langzamerhand +de westelijke grenzen van Hindostan hadden overschreden. Tusschen +de zesde en de zevende eeuw zien wij deze Radsjpoeten-stammen zich +snel tot macht en aanzien verheffen; de Tsjandelas veroveren Malwa, +de Tsjohans en Rhatores maken zich meester van Kanoedsj en Delhi: de +Gheloten en Baghelas vestigen zich in Mewar en Goezerate. In dien tijd +hielden de Radsjpoeten zich nog afgezonderd van de eigenlijke Hindoes, +waarvan zij zich ook door hunne godsdienst onderscheidden. Zij waren +destijds Djaïnen, doch omhelsden reeds vrij spoedig het Brahmanisme, +met name de eeredienst van Çiva. Na hunne bekeering deden zij ook +hunne aanspraken gelden op den titel van Kshatriyas: aanspraken, +wier geldigheid echter door de Brahmanen, tot op dezen dag, nooit +uitdrukkelijk is erkend. En inderdaad, zoowel door hun gelaatsvorm, +zoozeer van dien der andere Hindoes afwijkende, als door hunne zeden +en gewoonten, schijnen de Radsjpoeten veelmeer aan de oude Parthen, +dan aan de oorspronkelijke vedische Kshatriyas verwant. Waarschijnlijk +zijn zij de laatste emigranten van arischen stam, die uit het hoogland +van Midden-Azië in Indië doordrongen. + +Inmiddels was het mij nog niet mogen gelukken tot den Rana door te +dringen, en reeds dacht ik er aan, mijne vruchtelooze pogingen op +te geven en Oodipoor te verlaten, toen er eensklaps een onverwacht +bondgenoot kwam opdagen, die mij zijne veelvermogende hulp aanbood. De +Rao van Baidlah, de eerste baron des rijks, had nauwelijks de tijding +van onze komst vernomen, of hij haastte zich ons te komen begroeten en +zijne diensten aan te bieden. Hij kwam, vergezeld van een schitterend +gevolg, in een prachtigen draagstoel gezeten; ik ging hem te gemoet, +reikte hem de hand, hielp hem bij het uitstijgen, en geleidde hem, +met de verschuldigde eerbewijzen, naar zijn zetel. + +"Waar hebt gij de indische etiquette geleerd, waarvan de sahibs +doorgaans niets weten?" vroeg mij de Rao. Ik verhaalde hem nu van mijn +langdurig verblijf te Baroda, van mijn vertrouwelijken omgang met +den Guikowar, en van het doel mijner komst in Mewar. Hij luisterde +aandachtig naar mij, betuigde zijn spijt, dat ik mij niet dadelijk +tot hem gewend had, en gaf mij de verzekering, dat de Rana zich +stellig zou beijveren mijn eersten ongunstigen indruk weg te nemen, +en mij niet minder goed zou ontvangen dan de Guikowar Khanderao. + +De Rao van Baidlah is een schoon grijsaard, de volmaakte type van een +Radsjpoet; zijne manieren zijn waardig en bevallig; in zijn spreken +paart hij aan de onberispelijkste etiquette eene vrijmoedigheid en +ongedwongenheid, die bij de Hindoes verre van algemeen is. Hij is +het hoofd van den oppersten raad der zestien Raos of hertogen van +het koninkrijk Mewar: die machtige leenmannen, die, voor dat de +Engelschen zich met de regeering des lands bemoeiden, de macht van +den souverein bijna geheel aan zich getrokken, en hem zelf tot een +schijnbeeld gemaakt hadden. + +Bijkans het gansche land is tusschen deze groote Raos, bijna allen +aan de koninklijke familie verwant, verdeeld; in hunne gewesten of +heerlijkheden oefenen zij een schier onbeperkt gezag uit; slechts +zelden verschijnen zij aan het hof te Oodipoor, en zijn soms +in openbaren opstand tegen den Rana. De britsche regeering heeft +gedaan wat zij kon om de macht dezer Raos te breken, en den Rana het +verloren gezag weder te geven; maar tot dusverre is zij daarin maar +zeer ten deele geslaagd. De bezittingen van den Rao van Baidlah zijn +zeer uitgestrekt, en leveren hem een inkomen van omstreeks zes ton +per jaar op, zijne hoofdstad is slechts eenige mijlen van Oodipoor +verwijderd, zoodat hij, zonder zijne residentie te verlaten, aan het +hof verschijnen kan. Hij behoort tot den stam der Tsjohans, en aan +zijn rang zijn enkele, echt middeleeuwsche privilegiën verbonden. Zoo +worden, bijvoorbeeld, den derden dag der maand Samvatsiri, de teekenen +der koninklijke waardigheid naar Baidlah gebracht en aan den Rao ter +hand gesteld, die daarop, met groote staatsie, een bezoek gaat afleggen +bij den Rana, welke hem in persoon aan den ingang van het paleis +ontvangt. Scherpzinnig en met een fijn, doordringend verstand begaafd, +heeft hij het volle vertrouwen van den jongen vorst weten te winnen, +en tevens de vriendschap van het britsche gouvernement. Hij stelt +hoogen prijs op de handhaving van den alouden luister der vorstelijke +dynastie van Oodipoor en van de rechten en privilegiën van den adel; +maar tegelijk is hij niet afkeerig van de nieuwe denkbeelden en +instellingen, die met de Europeanen naar Hindostan zijn gekomen; +en wel gaarne zou hij de ontwikkeling van europeeschen handel en +nijverheid in zijn vaderland bevorderen, voor zooverre dit bestaanbaar +is met de oude rechten en inzettingen. Aan zijn invloed vooral was +de bescherming te danken, die de europeesche vluchtelingen, tijdens +den grooten opstand van 1857, in Mewar vonden; zij werden niet alleen +in veiligheid gebracht, maar zelfs gedurende vele maanden kosteloos +gehuisvest en gevoed. De koningin van Engeland zond, uit dankbaarheid, +den ouden Rao een prachtigen eeresabel, dien hij ons met blijkbare +zelfvoldoening toonde. + +Zijn eerste bezoek duurde langer dan een uur; hij onderzocht al onze +bagages, tot zelfs ons toiletgereedschap, en had vooral grooten schik +in een stereoscoop met gekleurde platen van de Tuileriën en Versailles; +hij kon zich van de beschouwing dezer platen niet verzadigen, zoodat +ik hem den stereoscoop ten geschenke gaf. Om te bewijzen dat hij met +de gewoonten der beschaafde wereld bekend was, nam hij zonder aarzelen +een glas sherry van mij aan, en vroeg mij een sigaar. Dit verwonderde +mij ten hoogste: want nog nimmer had ik een Hindoe, vooral van zoo +aanzienlijke kaste, ontmoet, die dus openlijk de europeesche gewoonten +volgde; later vond ik overvloedige gelegenheid om mij te overtuigen, +dat, althans wat het gebruik van wijn en sigaren betreft, de +Radsjpoeten zich niet streng aan de voorschriften hunner kaste houden. + +Het bezoek van den Rao droeg al spoedig vruchten. Reeds den volgenden +morgen stond een door hem gezonden olifant voor onze deur gereed, +vergezeld van een djemadar met vier sowars. De secretaris des +konings, Bulwant Rao, die ons als cicerone zal dienen, voert ons +door eene voorstad, waar de rijke inwoners van Oodipoor hunne villas +of landhuizen hebben; aan alle kanten verheffen zich sierlijke +heuvelen, met heerlijke lommerrijke tuinen bedekt, waar, tusschen +het dichte groen, sierlijke kiosken, smaakvolle paviljoenen en wit +marmeren tempeltjes, die zich in heldere waterkommen spiegelen, +den voorbijganger tegenlachen. Wij trekken de stad binnen door +eene met bolwerken verdedigde poort, en bevinden ons nu in een +prachtigen bazar- of winkelstraat; de huizen zijn allen van steen +gebouwd en van platte daken voorzien; de winkels bevinden zich onder +booggangen, die de straat ter wederzijde begrenzen, en zien er netjes +en zindelijk uit. Het geheele voorkomen der stad is bij uitnemendheid +schilderachtig; elk huis heeft zijn eigenaardige bouworde, en prijkt +met balkons, pilaren, beeldwerken en fresko's, die aan iedere woning +een bijzonderen artistieken stempel geven. + +Sommige straten hebben eene aanmerkelijke lengte en zijn geheel +rechtlijnig; er heerscht hier over het algemeen eene groote drukte. Ook +hier, evenals in de meeste oostersche en ook vroeger in de europeesche +steden, zijn de verschillende beroepen en bedrijven allen bij elkander +in dezelfde straat of wijk gevestigd. Zoo heeft men de straat der +schoenmakers, der vervaardigers van tulbanden; der wapensmeden, der +goudsmeden en juweliers, der handelaars in zijde en andere kostbare, +stoffen. In de adellijke wijk vindt ge eene menigte trotsche woningen, +echte kasteelen met gekanteelde muren, torens en bolwerken; jammer +slechts, dat deze vorstelijke residentiën dikwijls door ruïnen en +bouwvallige gebouwen worden ontsierd. De aanwezigheid dezer ruïnen +midden in de stad verbaast u: zij is het gevolg van den kwalijk +begrepen eerbied, dien de Radsjpoeten voor het werk der voorgeslachten +koesteren; zij willen deze gebouwen noch herstellen noch afbreken, +maar laten ze geheel in den toestand, waarin zij door den tijd +gebracht zijn. + +Langs steile straten beklimmen wij den heuvel, waarop het koninklijk +paleis troont: die straten zijn zoo steil, dat zij voor rijtuigen +bijna onbruikbaar zijn. In de voornaamste straat, die naar het paleis +voert, en dicht bij den hoofdingang, verheft zich de groote koninklijke +pagode, aan Djaggernauth gewijd, en in het laatst der zestiende eeuw +door Pertap-Singh gebouwd. Zij staat op een hoog, wit marmeren terras, +waarheen een breede trap, door twee marmeren olifanten met opgeheven +snuit bewaakt, voert. De gansche tempel is uit wit marmer opgetrokken +en geheel met beeldhouwwerk bedekt; de fraaie, bevallige groote toren +verheft zich tot eene hoogte van ongeveer vijf-en-twintig ellen. Voor +het heiligdom staat een sierlijk paviljoen, op zuilen rustende en +met een pyramidaal dak gekroond; langs de wanden zijn bas-reliefs +aangebracht, tafreelen uit het leven van Krishna voorstellend. + +Wij dalen aan de andere zijde den heuvel weder af, en staan weldra aan +den oever van een schilderachtig meer, dat ik reeds eenmaal uit de +verte gezien had. Aan den zoom van het meer verrijst een prachtige, +witmarmeren triomfboog, met drie doorgangen; door deze poort trekken +de veelvuldige processiën, die bij gelegenheid der groote feesten +zich naar het meer begeven. Wij stappen in eene gereedliggende boot, +die ons naar de eilanden roeien moet; en weldra drijven wij op de +kalme wateren van het meer Petsjola, waarin de huizen en paleizen der +stad zich weerspiegelen. Eerst niet veelmeer dan eene smalle rivier, +ter wederzijde door heuvelen, met paleizen gekroond, ingesloten, +breidt het meer zich weldra tot eene wijde watervlakte uit, waaruit +de eilanden Jug-Navas en Jug-Munder oprijzen. + +Wij landen aan het eerste eiland, dat geheel wordt ingenomen door eene +reeks van paleizen, door den Rana Juggut-Singh gesticht. Deze paleizen +bevatten receptiezalen, staatsievertrekken, baden, kiosken: alles +even rijk van stijl en schitterend van versiering. Al deze gebouwen, +groote en kleine, zijn zonder uitzondering van wit of zwart marmer +opgetrokken; de wanden zijn met veelkleurige mozaïeken versierd, en +de voornaamste vertrekken bezitten historische fresko-schilderijen +van groote waarde. Elk gebouw heeft zijn bijzonderen tuin, door +zuilengangen omgeven; daar verspreiden heerlijke bloemperken, +bosschages van citroen- en oranjeboomen hunne welriekende geuren, en +slingeren zich murmelende, kristalheldere beken door den rijken hof, +waar reusachtige mango- en tamarindeboomen met hunne verkwikkende +schaduw de zuilengangen omhullen. Boven de koepels der paleizen +verheffen dadel- en kokospalmen hunne sierlijke bladerkroonen, zacht +wiegelende op den adem der koelte. Alle onderdeelen en bijzonderheden +zijn hier in volkomen overeenstemming met de heerlijke schoonheid +van het geheel; niets verbaast of treft u door groote afmetingen of +stoute vormen; de paleizen zijn klein, bevallig, gemakkelijk ingericht; +het zijn inderdaad lusthoven, waar de Rana nu en dan verpoozing zoekt +van de statelijke pracht en strenge etiquette, die aan het hof van +de Zon der Hindoes heerschen. + +Ik zou hier uren hebben willen vertoeven, maar Bulwant-Rao noodigde +mij uit naar het andere eiland te gaan, waar een ontbijt voor +ons gereed stond. Reeds van verre doet zich Jug-Munder als eene +verschijning uit het feeënland voor, met zijne koepels en palmen, +zich weerkaatsende in de kalme wateren van het meer. Wij leggen aan +bij een marmeren trap, en beginnen nu onze wandeling door eene nieuwe +reeks van paleizen en tuinen, niet minder schoon dan die op het eiland +Jug-Navas. Mijn gids wees mij een groot gebouw, met een mongoolschen +koepel gekroond en door hem het paleis van Shâh Jehan genoemd. Deze +vorst was in opstand gekomen tegen zijn vader, den keizer Djehanghir, +en had eene schuilplaats gezocht aan het hof van den Rana Koeroen, +den zoon van Oemra. De Rana ontving den voortvluchtigen prins met echt +oostersche gastvrijheid; hij liet voor hem op het eiland Jug-Munder +een prachtig paleis bouwen, waarop hij de halve maan liet plaatsen; +het inwendige prijkte met mozaïeken van jaspis, agaat, onyx, en +met rijke veelkleurige tapijten en draperieën; in een der zalen +stond een troon, uit een enkel blok groenachtigen serpentijnsteen +gehouwen, en door vier karyatiden gedragen. Al deze heerlijkheid +is nog ongeschonden in wezen. Op dit tooverachtig schoone eiland, +een waar paradijs, werden in 1857 de Engelschen geherbergd, die aan +den moord der garnizoenen van Neemuch en Idore waren ontkomen. + +Na een eenvoudig ontbijt, dat wij in een der kiosken nuttigden, +namen wij den terugtocht aan. Van hier omvat men, met een enkelen +blik, de geheele reeks der paleizen van Oodipoor. Vooreerst, aan het +uiteinde van den heuvel, het paleis van Oemra, dat tegenwoordig niet +meer bewoond wordt; dan het paleis van den regeerenden Rana, met de +Rosana, het vrouwenverblijf, waarvan de kolossale muur tot aan den +oever van het meer reikt, en zijne lommerrijke tuinen, bezaaid met +kiosken; en eindelijk de stad, half wegschuilende achter een woud van +groote boomen. Dat gezicht is zeker een der fraaiste van geheel Indië. + +Bij het uitstappen aan de kaai, wijst men ons de staatsiebooten +van den Rana: groote, zeer sierlijke gondels, waarin ongeveer een +honderdtal personen plaats kunnen vinden. De achtersteven stijgt, +terrasgewijze, tot eene aanmerkelijke hoogte: op het hoogste terras +staat de troonzetel van den Rana. De voorsteven is versierd met de +beelden van paarden of pauwen, die uit het water schijnen op te rijzen. + +Onze nieuwe vriend, de Rao van Baidlah, wist ons zoo, gedurende +eenige dagen, telkens nieuwe uitspanningen te bezorgen; maar van onze +audiëntie kwam nog niets. Eindelijk werd ik, op zekeren morgen, gewekt +door kanonschoten, die de lang verwachte terugkomst verkondigden van +majoor Nixon, den engelschen resident bij het hof van den Maha-Rana. Ik +schreef hem dadelijk, en zond hem mijne aanbevelingsbrieven; een +half uur later zaten wij te zamen aan het ontbijt. De koele wijze, +waarop men ons tot dusver behandeld had, scheen hem volstrekt niet te +verwonderen; volgens hem, had men ons waarschijnlijk voor russische +spionnen aangezien. Hij drong er evenwel op aan, dat wij ons verblijf +zouden verlengen, en gaf de stellige verzekering, dat hij ons aan den +Rana zou voorstellen, aan wiens hof wij zeker niet minder te zien en +op te merken zouden vinden dan aan dat van Baroda. De majoor liet niet +af, voor wij andermaal onzen intrek in de residentie hadden genomen, +en stelde ons nog dien avond voor aan twee engelsche officieren, +den ingenieur en den dokter, die met hem het geheele europeesche +personeel der ambassade uitmaakten. Ik bracht in gezelschap van die +heeren een genotvollen avond door. + + + +IV. + + +Zooals ik vermoed had, bracht de komst van den engelschen resident +eene groote verandering in onze positie te Oodipoor. De rana, +officiëel van onze komst onderricht, kon ons nu niet langer voor +russische spionnen aanzien, die gekomen waren om hem in eene of andere +gevaarlijke samenzwering te wikkelen, maar toonde zich bereid ons +als gewone fransche reizigers te ontvangen. De majoor Nixon wilde +ons zelf aan den vorst voorstellen, en stond er op, dat de eerste +audiëntie zoo statig mogelijk zou zijn. In een hofrijtuig gezeten, +door eene eerewacht begeleid, reden wij van de britsche residentie naar +het paleis. Voor de hoofdpoort stonden de soldaten der koninklijke +lijfwacht en presenteerden het geweer; wij stapten af op het ruime +voorplein; de rao van Baidlah, die ons in naam van den maha-rana +ontvangen moest, wachtte ons op het bordes op. + +Eer ik de tsjoebdars met gouden staven volg, die ons naar de troonzaal +moeten geleiden, sta ik een oogenblik stil, om deze wonderschoone +vorstenwoning te beschouwen, waarvan de toegang mij zoolang verboden +bleef: hooge muren, van vensters met steenen traliewerk voorzien; +torens, met sierlijke koepels gekroond; galerijen, tot bijkans +duizelingwekkende hoogte boven elkander oprijzende:--en dat alles van +wit marmer, overdekt met het weelderigste beeldhouwwerk. De aanblik +had iets tooverachtigs; het was een fantastisch geheel, schijnbaar +zonder orde en harmonie, maar toch zoo schoon, dat de herinnering +daaraan niet licht wijken zal. + +Doch ik kan deze wonderen slechts met een vluchtigen blik overzien: +wij volgen den majoor door lange, overwelfde, koele galerijen, die, +zachtkens stijgende, ons naar de bovenverdiepingen voeren. De rana zal +ons in den vollen durbar ontvangen: eene hooge eere! durbar noemt men +in geheel Hindostan eene plechtige audiëntie bij den rajah, waarbij +ook de voornaamste edellieden, de groot-dignitarissen van het hof en +staatsdienaars tegenwoordig zijn; bij uitbreiding wordt het woord +soms wel van den souverein zelf gebruikt, als hij groote publieke +ceremoniën met zijne tegenwoordigheid vereert.--Een der binnenplaatsen +op de bovenverdieping is tot troonzaal ingericht; een groot zeildoek +keert de felle zonnestralen. De deurwaarders kondigen onze komst aan; +de koning zit op een zilveren troon, door gouden leeuwen gedragen; +zijne hovelingen en edelen zijn ter wederzijde in een halven kring +geschaard. Zoodra wij de zaal binnentreden, rijst de koning van zijn +troon op, en gaat ons enkele schreden te gemoet; hij reikt ons de hand, +en wij zetten ons nevens hem op zilveren leuningstoelen neder. + +Samboe-Singh was toen, zoo als ik reeds zeide, achttien of negentien +jaar oud; hij ziet er vriendelijk en goed uit, maar zijne trekken +missen die fijnheid, dat scherp geteekende, dat anders den leden van +zijn geslacht doorgaans eigen is; zijne manieren zijn vriendelijk, +voorkomend en toch vol waardigheid; hij schijnt een echt gentleman. Met +groote hoffelijkheid verontschuldigt hij zich over de teleurstelling, +die hij ons door het lange uitstel dezer audiëntie heeft veroorzaakt: +redenen van zuiver staatkundigen aard hebben hem belet vroeger aan +ons verzoek gevolg te geven. Hij luistert met groote belangstelling +naar hetgeen ik hem omtrent het doel mijner reis verhaal, doet +mij allerlei vragen aangaande Frankrijk, en drukt eindelijk zijne +verwachting uit, dat ik mijn verblijf te Oodipoor nog eenigen tijd +rekken zal. Wanneer wij opstaan om de zaal te verlaten, ontvangen +wij--de resident, mijn reismakker en ik--uit handen van den rana +zelf, het bosje betelbladeren, _bîra_ genaamd, en besprenkelt hij +zelf onze zakdoeken met eenige druppelen rozenolie. Deze ceremonie, +die aan alle indische hoven bij het afscheid nemen gebruikelijk is, +heeft hier eene dubbele beteekenis: alleen vorsten van hoogen stam, +beroemde veldoversten of zeer aanzienlijke vreemdelingen plegen de +bîra uit handen van den maha-rana van Oodipoor te ontvangen. Zulk +een eerbewijs geldt bijna als een adelbrief. Ik steek de beroemde +bîra eerbiedig in mijn zak, en wij keeren naar het rijtuig terug, +gevolgd door de edelen, die ons tot aan de voorplaats uitgeleide doen. + +Het paleis van Oodipoor, misschien het grootste en prachtigste van +geheel Hindostan, beslaat den top van een tamelijk hoogen heuvel, die +evenwijdig aan het meer, van het oosten naar het westen loopt. Daar +de kruin des heuvels zeer smal is, hebben de indische architecten +aan de eene zijde een groot terras of platform uitgebouwd, dat door +drie rijen bogen en gewelven boven elkander gedragen wordt: een ware +reuzenarbeid. Gedeeltelijk is het paleis op dit terras opgetrokken; +het overige vormt eene groote ruime binnenplaats, waarop de kazernen +en de stallen der olifanten zijn geplaatst. + +De gezamenlijke paleizen, sedert de dagen van Oemra-Singh tot op +die van Sirdar-Singh gebouwd, en wier lengte te zamen meer dan drie +kilometers bedraagt, zijn in een dubbelen muur gevat. De hoofdingang +is aan de zijde der stad: eene prachtige marmeren poort, met drie +rijk gebeeldhouwde doorgangen, en met eene rijke attika gekroond; de +paneelen, de balkons, de koepels zijn met smaak versierd. Deze poort +voert naar de groote binnenplaats, aan twee zijden door de koninklijke +vertrekken ingesloten; de muren zijn op de verschillende verdiepingen +met gebeeldhouwde galerijen versierd; in de hoeken verrijzen bevallige +achtkantige torens, met koepels gekroond. De hoogte van het gebouw +bedraagt zeven-en-dertig el, maar de glans van het schitterend witte +marmer, waarvan het geheel is opgetrokken, en de eenvoudig-grootsche +stijl der architectuur maken zulk een overweldigenden indruk, dat ge +aanvankelijk het paleis voor veel hooger aanziet. + +Aan het uiteinde van dezen hof bevindt zich eene groote deur, die +zorgvuldig gesloten en door soldaten van de lijfwacht bewaard wordt: +dat is de ingang van de zenanah of het vrouwenverblijf; niemand +dan rana of de leden zijner familie mag dit gedeelte van het paleis +bezoeken. Boven de poort prijkt het meer dan levensgroote standbeeld +van Ganesa, den god der wijsheid. + +Het inwendige van het paleis beantwoordt volkomen aan de grootste +pracht van het uiterlijke, en tevens aan de eigenaardige behoeften van +het tropische klimaat; lange, schemerachtige, zacht-hellende gangen en +galerijen vervangen onze trappen, en voeren van de eene verdieping naar +de andere: de ruime, luchtige, goed verlichte zalen zijn geheel met +gepolijst marmer van verschillende kleur bekleed, hetgeen niet alleen +zeer fraai staat, maar ook tot de frischheid der vertrekken bijdraagt; +overal binnenplaatsen, hoven, fonteinen, bloemen. De groote vertrekken +zijn met draperiën behangen; zachte kussens, wollige tapijten bedekten +den vloer; de wanden, schitteren van mozaïek en van ivoor, parelmoer +en kostbare steenen; spiegels en veelkleurige fresko's verhoogen +die pracht. Een der zalen is op zeer eigenaardige wijze versierd, +en perst den europeeschen bezoeker onwillekeurig een glimlach af: de +wanden zijn geheel bedekt met europeesche borden, schoteltjes, glazen, +bobèches, enz.;--het gemeenste glas- of aardewerk prijkt hier naast het +kostbaarste saksische porselein of het fraaiste boheemsche kristal: +de indische kunstenaar heeft niet gelet op de innerlijke waarde van +al dit huisraad, maar enkel op de kleur: en met den hem aangeboren +takt is hij er in geslaagd van deze wonderlijke, zoozeer heterogene +elementen een niet onbevallig geheel samen te stellen, dat althans +door het ongewone treft. De fresko's op de muren en zolderingen +van sommige vertrekken zijn van groote, voor 't minst historische +waarde. Men vindt hier de portretten van al de ranas, te beginnen +met Oedey-Singh, den stichter van Oodipoor, tot op onzen tijdgenoot +Samboe-Singh; bij deze portretten bevinden zich voorstellingen van de +merkwaardigste gebeurtenissen uit de regeering dezer verschillende +vorsten. Met groote zorg en eene opmerkelijke fijnheid van koloriet +geschilderd, zijn deze fresko's uitnemende bijdragen voor de studie +van de geschiedenis en de zeden der Sesoedias. + +Een der grootste merkwaardigheden van het paleis van Oodipoor is +ongetwijfeld de tuin, die boven op het platte dak is aangelegd. Ge +kunt u moeielijk voorstellen, welken zonderlingen indruk het maakt, +wanneer ge daar eensklaps, hoog in de lucht, eeuwenheugende boomen +en prachtige bloemperken ziet. In het midden van den tuin bevindt +zich een waterbekken, vanwaar straalsgewijze de met marmer geplaveide +paden uitgaan; het water vloeit door sierlijk met mozaïeken ingelegde +kanalen, en verliest zich in de schaduw van geurige granaat- en +oranjeboschjes. Eene opene marmeren galerij omgeeft deze bekoorlijke +plek; in het rond zijn fluweelen sofa's geplaatst, waarop de heeren +van het hof hunne siësta komen houden. Van deze hoogte overzien zij +de gansche schoone vallei, waar bijna iedere plek getuigd van den +wapenroem en de heldendaden hunner voorvaderen, die eeuwen lang, +met onbezweken volharding, deze toenmaals woeste en vergeten plek +gronds, die zij in een paradijs herschiepen, tegen den aandrang der +Muzelmannen hebben verdedigd. + +Na dit alles bezichtigd te hebben, begeven wij ons naar het +Koesh-Mahal, het paleis des vermaaks, door den laatsten rana, Sirdar +Singh, opzettelijk gebouwd voor de ontvangst zijner europeesche +gasten. In de groote, met vorstelijke pracht versierde zalen van dit +paleis worden de diners en feesten gegeven, wanneer aanzienlijke +vreemdelingen uit het westen den koning bezoeken. De tsjoebdar, +die ons tot cicerone dient, toont ons de toebereidselen van zulk een +feest, dat tot eere van onze komst zal worden aangericht. Boven de +zalen verheffen zich marmeren kiosken, vanwaar de blik het schoonste +panorama van de stad, het meer en de omringende bergen overziet. De +bergketen, die de vallei van Oodipoor omringt, draagt den naam +van _Guirwô_ of cirkel; eigenlijk vormt zij een onregelmatigen +ellips van twee en twintig mijlen van het noorden tot het zuiden, +en van zeventien mijlen van het westen tot het oosten. De stad zelf +ligt aan het uiteinde van dien boog, en wordt alleen door het meer +Petsjola van de bergen gescheiden. De middelbare hoogte van den Guirwô +bedraagt zeshonderd el boven den beganen grond der vallei; aan den +oever van het meer bereiken de bergen eene hoogte van duizend el; +zij vertoonen in hunne lijnen de vreemdste en meest afwisselende +vormen. Dit ingesloten dal is als strategische positie van groot +gewicht: het heeft slechts drie naar het oosten gekeerde uitgangen, +bij Dobarri, bij Dailwara en bij Naen; en deze openingen zijn niets +meer dan enge en zeer lange bergpassen, die met het uiterste gemak +tegen een overmachtigen vijand kunnen verdedigd worden. + +Op de helling, aan de zijde van het meer, verheft zich de Rosanah, +een uitgestrekt paleis, met den voorgevel naar het water gekeerd, en +de vertrekken bevattende van de hovelingen, de heeren en officieren +van het hof. Schilderachtige tuinen, terrasgewijze afdalende, voeren +u naar den oever van het meer; deze tuinen prijken met paviljoenen +en kiosken, half wegduikende in den lommer der boomen, waaronder +fonteinen ruischen. Een dezer tooverpaleizen staat vlak aan den oever: +duizend slanke zuilen dragen de met mozaïek ingelegde zoldering, +en eene gansche reeks van springende fonteinen hult het geheele +gebouw als in een sluier van water. Hier komt de rana met zijn hof, +in de heete zomerdagen, de brandende middaguren doorbrengen. + +Toen ik in de residentie terugkeerde, deelde de majoor mij mede, +dat de Maha-Rana, den volgenden dag, ter onzer eere, een feest op +het eiland Jug-Navas zou geven, gevolgd door een jacht op het water. + +Den volgenden morgen begeven wij ons al vroeg op het pad; wij rijden de +stad door, en schepen ons in aan de kaai; eenige minuten later stappen +wij op het eiland Jug-Navas aan wal. Deze anders zoo stille plek is nu +vol leven en beweging: de lakeien en bedienden van den rana loopen heen +en weder, levensmiddelen aandragende en alles gereedmakende voor onze +ontvangst. De kamers worden in der haast gemeubeld; de open vensters +en galerijbogen worden met draperiën of stores behangen; de marmeren +vloeren met kussens en tapijten belegd. Aan het uiteinde van het eiland +is een geheel gebouw ter onzer beschikking gesteld; wij vinden daar +bedden, stoelen, toilettafels, en, wat ons niet minder welkom is, een +ontbijt. In eene naburige keuken is men bezig een tweede, steviger +dejeuner klaar te maken, waarbij het althans aan fijne wijnen niet +ontbreken zal. Van alle kanten schitteren de zilveren stralen der +fonteinen tusschen het donkere loof, en honderde beekjes slingeren +zich murmelend tusschen de bloembedden. Men heeft niets vergeten: in +een kiosk aan den oever word ik eene groep vroolijke jonge meisjes +gewaar, rijk uitgedost met gouden sieraden, en schitterende van +edelgesteenten: dat zijn de nautsjnis of hofdanseressen, die de rana +hier heeft gezonden om ons door hare dansen en gezangen te vermaken. Ik +onderhoud mij eenige oogenblikken met deze bayaderen, en sta verbaasd +over haar zuiver accent en haar sierlijke gekuischte taal, waaruit +duidelijk blijkt dat zij eene beschaafde opvoeding moeten genoten +hebben. Een jonge Radsjpoet, wien ik mijne verwondering mededeelde, +zeide mij dat deze nautsjnis niet, als de gewone danseressen, arme +schepsels zijn, die niets weten dan wat het toeval haar heeft geleerd, +maar integendeel van hare eerste jeugd zeer zorgvuldig worden opgevoed +en onderwezen in alles wat tot veraangenaming van het leven strekken +kan, in poëzie, muziek, beschaafde innemende manieren. + +Samboe-Singh zelf verschijnt eerst tegen twee uur; hij is gezeten in +een prachtig versierde gondel, die aan de groote trap aanlegt, waar +wij gereed staan om hem te ontvangen; de Rao van Baidlah en de Rao +van Pursaoli vergezellen den Vorst. Terwijl wij met elkander praten, +worden de toebereidselen voor de jacht voltooid; daarop scharen zich +de tsjoebdars en de soldaten der lijfwacht ter wederzijde van den weg, +en wij trekken in optocht, voorafgegaan door de zingende bayaderen, +naar den oever, waar wij ons inschepen in de booten. Deze platboomde +schuiten kunnen niet meer dan drie of vier personen bevatten, en +zijn uitnemend geschikt voor de jacht in deze meren en moerassen, +waar het water doorgaans maar weinig diepte heeft. + +Wij steken het meer over, en verliezen ons weldra in een doolhof van +smalle kanalen, die in alle richtingen het groote moeras aan den voet +der bergen doorkruisen; reusachtige biezen en dichte rietbosschen +omsluiten ons van alle kanten; en naarmate wij verder komen, vliegen +gansche zwermen van eenden, ganzen en flamingo's uit deze bosschen +op. Nu werden de geweren ter hand genomen; en na verloop van een uur +hadden wij eenige honderde eenden en andere vogels geschoten. Te vier +uur verlieten wij het moeras, en keerden naar het meer terug, waar wij +de staatsiegondels vinden; hier neemt de rana, op de meest hoffelijke +wijze, afscheid van ieder onzer, en keert naar zijn paleis weder; wij +blijven nog in onze booten om de jacht op krokodillen voort te zetten. + +De krokodil van de indische binnenmeren is een geducht roofdier; +hij bereikt eene vrij aanmerkelijke lengte, en schroomt niet de +menschen aan te vallen. Sedert de engelsche resident te Oodipoor is +gevestigd, en de rana, in strijd met de godsdienstige vooroordeelen, +die de krokodillen onschendbaar maakten, aan de Europeanen vergunning +heeft gegeven hen te dooden, hebben deze monsters de onmiddellijke +omstreken der stad verlaten, en zich op den tegenover liggenden oever +teruggetrokken. Onverbiddelijk in hunne schuilhoeken vervolgd, zijn +zij zeer bedachtzaam en voorzichtig geworden; zoodra zich eene boot +op het meer vertoont, duiken zij allen onder en laten, ook wanneer zij +weder boven komen, niets dan het uiteinde van hun snuit zien. Maar dit +is voor den jager voldoende; de kogels van onze getrokken karabijnen +treffen de krokodillen ook onder water; een heftige beweging in het +meer en een roode plek op het water zijn echter de eenige zichtbare +resultaten van deze jacht, want de gedoode alligator zinkt onmiddellijk +naar den grond. + +Wij keeren naar ons toover-eiland terug, waar wij door het gezang +der bayaderen worden verwelkomd; na het middagmaal begeven wij ons +andermaal in onze booten en laten ons gedurende eenige uren door +het meer roeien; de maan rijst boven de bergen en giet haar zilveren +licht uit over de wit marmeren koepels van het paleis; de kabbelende +wateren schijnen met diamanten bezaaid; de zwoele avondwind voert +ons de welluidende tonen toe van het gezang der nautsjnis, die ons +op eenigen afstand volgen. + +Eindelijk is het tijd om huiswaarts te keeren; onze olifanten wachten +ons aan de kaai, en wij begeven ons op weg naar de residentie, vervuld +met de aangenaamste herinneringen aan dezen heerlijken dag. De rana +heeft woord gehouden: hij heeft ons bijna de schitterende gastvrijheid +van onzen vriend den Guikowar doen vergeten. + + + +V. + + +Toch was deze dag slechts de inleiding tot eene lange reeks van +feesten, die onafgebroken tot den 17den Januari voortduurden. In dien +roes begonnen wij bijna te vergeten, dat wij nog eene lange reis hadden +te doen, eer wij Jhodipoor, de eerstvolgende plaats onzer bestemming, +bereiken zouden; toch besloot ik aan dit werkelooze leven een einde +te maken, en deelde aan den majoor mijn voornemen mede, om den 20sten +te vertrekken. + +Intusschen had men weldra iets gevonden, om onze afreis te vertragen: +de groote jacht, die de rana jaarlijks in het Aravalli-gebergte +houdt, zou weldra plaats grijpen; en de majoor gaf mij zulk eene +schitterende beschrijving van die monster-jacht, dat ik mijn vertrek +dadelijk uitstelde. Waarom ook zou ik mij haasten: ik had mij wel +vast voorgenomen niet het voorbeeld te volgen onzer hedendaagsche +touristen, die land aan land pijlsnel doorvliegen, als joeg hen een +demon voort; altijd gejaagd en gehaast en voortgedreven, zien zij +eigenlijk niets, en eenmaal aan de plaats hunner bestemming gekomen, +vragen zij zich zelf twijfelend af, waarom zij zich toch zoo gehaast +hebben. Waren drie jaren niet voldoende om Indië te bezoeken, welnu, +dan zou ik er vier of zoo noodig vijf jaren voor besteden, maar ik +zou dan ook inderdaad iets gezien hebben. + +In den morgen van den 18den Januari heerschte er in den omtrek van de +residentie die eigenaardige drukte en beweging, die onafscheidelijk +is van het vertrek van een hooggeplaatst persoon in Indië. Daar de +majoor door al zijne bedienden en huisgenooten gevolgd werd, waren er +verscheidene olifanten en een aantal kameelen noodig, om de tenten, +de bagage en de mondbehoeften te vervoeren. Zulk een pleiziertochtje is +hier in dit land geene kleinigheid: weelde en prachtvertoon is overal +onontbeerlijk; en voor eene jachtexpeditie, die hoogstens veertien +dagen zou duren, moest de majoor een volledig ameublement medenemen: +tafels, stoelen, bedden, sofa's, buffetten en zilverwerk. Het zou +zijner hooge waardigheid en zijn aanzien afbreuk hebben gedaan, indien +zijne slaapkamer in het kamp minder weelderig ware gemeubeld geweest, +dan in zijn paleis te Oodipoor. + +Het hof zal eerst den volgenden dag op reis gaan; de majoor, dokter +Cunningham, mijn reisgezel en ik zullen den nacht doorbrengen in een +huis buiten den Guirwô, en den volgenden morgen naar de bergen van +Nahrmoegra, de algemeene verzamelplaats, trekken. Tegen twee uur, +worden wij in twee open calèches, ieder met zes paarden bespannen +afgehaald; de zweepen klappen, en wij vertrekken in vliegenden +draf, gevolgd door een eskadron lanciers van den rana. Voor wij +de bergengte bereiken, die naar de vlakte van Mewar voert, geleidt +de majoor ons naar het meer Oedey-Sâgur, aan het uiteinde van den +Guirwô, tegenover Oodipoor, gelegen: een schilderachtige waterkom, +door donkere wouden omzoomd, en aan drie zijden beheerscht door de +toppen van de Aravallis, die aan geheel het landschap een verheven +ernstig voorkomen geven. Evenals het meer Petsjola is ook dit meer +kunstmatig gevormd, door afdamming van de rivier Bunas, een op zich +zelf zeer onbeduidend stroompje, dat op die wijze twee der fraaiste +meren van Indië, op eenige mijlen afstands van elkander gelegen, +voedt. De dijken van de meren Oedey-Sâgur en Petsjola verdienen met +eere genoemd te worden onder de groote werken, door de Radsjpoeten +tot stand gebracht. De dijk van Petsjola heeft een omtrek van twee +kilometers; het door den dijk omsloten meer ligt tien of twaalf el +boven den bodem der vallei, en bevat eene watermassa, die gerust op +meer dan twee milliards kubiek el kan worden geschat; de dijk is zoo +stevig aangelegd, dat hij eene gansche stadswijk dragen kan. De _bánd_ +van Oedey-Sâgur is zeshonderd el lang en gemiddeld twintig el hoog; +de watervlakte heeft eene lengte van vier en eene breedte van drie +kilometers: de gemiddelde diepte bedraagt tien el. De dijk is van +steen gebouwd, met trappen en kiosken voorzien; op de kruin verheft +zich een fraai zomerpaleis. Deze kunstmatige meren hebben evenwel +nog eene andere bestemming, dan om louter tot verfraaiing van het +landschap te dienen. Men vindt ze overal door geheel Radsjpoetana, +dat voornamelijk aan hen zijne buitengewone vruchtbaarheid dankt; +het water, aldus opgesloten in een bekken, dat eenige ellen boven den +beganen grond ligt, onderhoudt, vooral in het droge jaargetijde, eene +weldadige frischheid en vochtigheid, en voedt de putten en bronnen +der naburige dorpen. Verbreek de dijken dezer meren, en de rivieren, +die ze vormen, zullen weder worden wat zij vroeger waren: woedende, +vernielende bergstroomen in den regentijd, in het overige van het +jaar droge, dorre ravijnen; en deze nu zoo vruchtbare vlakten zullen, +binnen weinige jaren, weder terugkeeren tot de woestijn, waaraan zij +zijn ontwoekerd. De volken, die elkander in het bezit dezer landen, +en over het algemeen van Centraal-Indië zijn opgevolgd, hebben, +van de vroegste tijden, het nut dezer kunstmatige meren erkend; +overal hebben zij het water door reusachtige afdammingen opgehouden, +om het vervolgens naar hun wil en keus te geleiden. Sommigen van deze +waterwerken zijn duizende jaren oud, en wekken nog, door hun grootschen +aanleg, de bewondering der reizigers op; velen zijn echter sedert +vervallen, en alom waar dit, door de zorgeloosheid der regeeringen, +is geschied, is het land tot een wildernis geworden. + +Na ons bezoek aan het meer, keeren wij naar den grooten weg terug, +en bereiken, tegen steile hellingen opklauterende, den ingang +van den bergpas van Dobarri. Ter wederzijde verheffen zich hooge +rotswanden, die slechts een weg van weinige ellen breed vrijlaten; +de plek draagt den stempel van eene wilde grootschheid, wel geschikt +om een diepen indruk te maken. In deze kronkelende bergengten heerscht +eene ongestoorde stilte: de steile rotswanden, die loodrecht uit de +omringende afgronden oprijzen, maken zelfs voor dieren den toegang +bijna onmogelijk. Op het smalste punt van den pas bevindt zich eene +versterkte poort, van bolwerken voorzien en gedekt door wallen, +die langs de hellingen naar boven loopen; in een paviljoen nevens de +poort is een militaire wacht geplaatst, die niemand doorlaat dan na +voorafgaand onderzoek; op korten afstand ziet men een tempel en een +waterbron, waar de pelgrims komen uitrusten. + +Wij gaan de poort door, en overzien de rijke en vruchtbare vlakten +van Mewar: aan den horizon verheffen zich de bergen van Tsjittore, +de oude stad der Ranas. Op de plek, waar wij ons nu bevinden, stond, +volgens de overlevering, ook eenmaal Pertap-Singh, en wierp een blik +op zijn voorvaderlijk koninkrijk, door de vreemdelingen overweldigd, +aan wie hij hier een eeuwigen haat zwoer. Door de mohammedaansche +keizers van Delhi verdreven en van zijne bezittingen beroofd, bleef +Pertap niets meer over dan het enge gebied, binnen den kring van den +Guirwô ingesloten; toch bleef hij onverzettelijk de vredesvoorstellen +der Mongolen afslaan, die hem, tegen den vrijwilligen afstand zijner +souvereiniteitsrechten, eer en schatten aanboden; hij verklaarde +hun een onverzoenlijken krijg. Met een handvol edelen, die hem +getrouw waren gebleven, en de hulp der wilde Bhîls, weerstond +hij, aan de bergengte van Dobarri, de herhaalde aanvallen der +keizerlijke legers, en wist het, door onbezweken heldenmoed en schier +bovenmenschelijke inspanning, zoover te brengen dat hij langzamerhand +geheel Mewar herwon. Weinig natiën kunnen op eene geschiedenis bogen, +zoo rijk aan heldendaden, zoo luide getuigende van zelfopofferende +vaderlandsliefde, als die der Radspoeten van Mewar; van alle indische +stammen waren zij de eenigen, die volstandig weigerden, de knie te +buigen voor de Muzelmannen, en te midden van gruwelijke vervolgingen +en verdelgingsoorlogen hunne fiere onafhankelijkheid wisten te bewaren. + +Het landschap, dat ons omringt, verhoogt de belangstelling, waarmede +wij naar het verhaal van majoor Nixon luisteren; de radsjpoet ruiters, +die ons vergezellen, verheffen zich trotscher in den zadel, nu zij +den grond betreden, zoo menigmalen door het bloed hunner heldhaftige +voorvaderen gedrenkt, en ik zelf kan zekere aandoening, bij de +herinnering aan dit verleden, niet onderdrukken. + +Wij worden weldra uit onze mijmering gewekt door het gezicht van de +bungalow van Dubock, waar onze bedienden reeds zijn aangekomen en +waar ons een goed middagmaal wacht. Dubock is een klein dorp, aan +den zuidelijken uitloop van de Nahrmoegraketen (Tijgergebergte), +en slechts eenige mijlen van onze verzamelplaats verwijderd. Wij +brengen hier den nacht door. + +Den volgenden morgen breken onze lieden reeds vroegtijdig het kamp op, +en trekken naar het dorp Nahrmoegra; in plaats van den gewonen weg +te volgen, gaven wij de voorkeur aan den tocht over de bergvlakten, +om nauwkeurig bekend te worden met de gesteldheid der streek, waar wij +de volgende dagen ter jacht zullen gaan. De Nahrmoegrabergen vormen +eene kleine keten, die over eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen +evenwijdig aan de oostelijke bergketen van den Guirwô loopt; zij zijn +van deze laatste gescheiden door eene tamelijk breede vallei, met op +zich zelf staande hoogten bezaaid. De hellingen van het gebergte loopen +in eene menigte voorsprongen uit, die op wonderlijke wijze als door +elkander zijn geworpen en een bijkans ondoordringbaar net van kloven +en diepten en ravijnen vormen. De zijden der bergen zijn geheel bedekt +met dicht kreupelhout, bestaande uit een soort van kleinen, doornige +acacia, _Acacia detinens_, die zelden hooger wordt dan drie el, en +eene groote menigte gele bessen voortbrengt, die eene lekkernij zijn +voor de wilde zwijnen. Gansche kudden van deze dieren houden zich in +die bosschen op, veilig onder de bijzondere bescherming des konings: +zonder uitdrukkelijke vergunning van den rana mag niemand hier in +den omtrek een geweer afschieten, veel minder jagen. Terwijl wij +door het dichte hout voorttrekken, zien wij dan ook overal troepen +wilde zwijnen, die bij onze nadering op de vlucht gaan. Het dorp +Nahrmoegra ligt aan het noordelijk uiteinde van de bergketen; een +sierlijk paleis, waarvan de koepels en torens zich boven het geboomte +verheffen, dient den Rajah tot verblijf gedurende den jachttijd. + +Bij onze aankomst vinden wij het kamp der jagers reeds geheel kompleet; +nabij het paleis zijn onze tenten geplaatst, die eene aanzienlijke +oppervlakte beslaan. Aan de overzijde van een klein ravijn staan de +gekleurde tenten van het gevolg van den rana, de stallen der olifanten, +en de barakken der kavalerie en van de twee regimenten infanterie, +die als drijvers dienst zullen doen. Meer dan tienduizend menschen +zijn nu bijeen in dit doorgaans zoo stille en rustige oord; uit +het kamp gaat een oorverdoovend gerucht op: toch schijnt er de meest +volmaakte orde te heerschen. De etiquette wordt hier niet minder streng +in acht genomen dan aan het hof zelf; eene deputatie van edellieden +komt ons, met groote staatsie, uit naam van den rana begroeten en ons +het programma der feesten ter hand stellen, die gedurende de veertien +dagen, dat de jachtpartij duurt, zullen plaats hebben. De bayaderen +hebben den last ontvangen, hare tenten in de nabijheid van die der +vreemde heeren op te slaan. In den loop van den avond verschijnt de +Rana, dien wij in het paleis afwachten; hij voert ons zelf door zijne +woning rond, die inderdaad door eenvoud en smaak uitmunt. + +Den 20sten, des middags, heeft de plechtige opening der jaarlijksche +jacht plaats. De rana, op zijn olifant gezeten, verlaat zijn paleis, +omstuwd door een koor van barden, die toepasselijke liederen +aanheffen en groote palmtakken, met rozen versierd, zwaaien. De +opperjagermeester, Maharaj Singjee, op een rijk opgetuigde kameel +gezeten, volgt te midden der schaar van bedienden; achter hen komen de +edelen en de genoodigden, ieder op een olifant; een talrijke schaar van +Radsjpoeten te paard sluit den trein. De stoet trekt langzaam voort, +te midden van eene menigte van dorpelingen en landlieden, van alle +kanten saamgestroomd, om getuige te zijn van deze plechtigheid. Op +een mijl afstands van het dorp gekomen, wijst de rana de personen +aan, die de hooge eer zullen hebben met hem zelf te mogen jagen: +die bevoorrechten zijn de resident, de dokter, mijn reismakker en ik, +benevens de beide raos van Baidlah en Pursaoli; al de anderen zullen +zich eenvoudig tot de rol van toeschouwer bepalen. Dit aldus geregeld +en de jacht nu geopend zijnde, verspreiden de drijvers zich in de +vlakte en jagen een troep wilde zwijnen op, die langs de olifanten +heenloopen; vier liggen weldra ter aarde; deze buit wordt voor den +eersten dag voldoende gerekend; de stoet schaart zich weder in orde +en keert naar het kamp terug. Aan den ingang van het paleis komen de +bayaderen, in hare fraaiste kleederen uitgedost, ons geluk wenschen +met den behaalden buit. + +De vier volgende dagen waren hoofdzakelijk gewijd aan eene soort van +drijfjacht in de vlakte, om het wild naar het gebergte te drijven. Geen +schilderachtiger aanblik, dan de lange lijn van olifanten, te midden +der ruiters, zich in de vlakte ontplooiende; de reusachtige dieren, +behangen met fraaie dekkleeden, uit de huiden hunner voorgangers +vervaardigd, verheffen zich boven het kreupelhout als wandelende +torens, en schrijden rustig en met vasten tred voort, dwars door +de doornige struiken. Nooit komt de gevatheid en het merkwaardige +instinkt van den olifant treffender uit, dan bij het nazetten der +gewonde dieren. De wilde zwijnen hollen bij troepen langs de jagers +heen; zoodra er een gewond is, verwijdert hij zich van de troep, en +verschuilt zich in het dichte kreupelhout. Daar ieder gewond dier van +rechtswege toebehoort aan den jager, die het 't eerst getroffen heeft, +moet deze zich van de groep zijner makkers afzonderen en zijn wild +gaan opsporen. Daarbij dient de olifant, dien hij berijdt, hem als +speurhond; onvermoeid volgt het dier het spoor, van tijd tot tijd +snuffelende, waar het wilde zwijn geloopen heeft; de gang van den +olifant is zoo zacht, dat hij dikwijls langs de schuwste dieren heen +gaat, zonder dat deze hem gewaar worden. Het is mij meermalen gebeurd, +dat ik, op een olifant gezeten, het spoor van een of ander wild +volgende, op weinige schreden afstands een troep damherten zag, die +rustig bleven doorgrazen. In de nabijheid van het gewonde dier gekomen, +staat de olifant eensklaps stil; en dikwijls kunt ge eerst na scherp +rondzien het arme opgejaagde wilde zwijn ontdekken, gewond tusschen +de struiken neergezonken; een kogel maakt een einde aan zijn lijden, +en de olifant verkondigt de zegepraal door een luiden vreugdekreet. + +Den 24sten kwamen de shikaris ons verwittigen, dat de _hankh_ of +de jachten in het gebergte een aanvang konden nemen; volgens hunne +verzekeringen hadden de dieren, verschrikt door onze drijfjachten, +zich in grooten getale in de boschrijke kloven en ravijnen +verscholen. Dadelijk werd het plan voor den veldtocht vastgesteld; +wij zouden aan de zuidelijke punt van de bergketen beginnen, en aldus +voortgaan tot den bergpas achter ons kamp, waar de laatste groote +jacht zou plaats hebben. + +Den volgenden morgen trok de jachtstoet naar Dubock, en vandaar +naar de _houdi_, waarin wij de jacht zouden bijwonen. Deze houdis +zijn een soort van kleine bolwerken, doorgaans aan den ingang van +een dal of ravijn opgeworpen, zoodat het vuur der jagers de vallei +geheel bestrijkt. Alles is hier voor ons gemak ingericht: sierlijke +leuningstoelen staan gereed voor den rana en de genoodigden; bier, +champagne, limonade met ijs en andere ververschingen zijn in overvloed +voorhanden. Deze manier van jagen is zeker wel de minst vermoeiende, +die men zich denken kan. Achter iederen jager staan twee shikaris, +met eene geheele batterij van geweren; een hunner is belast met het +laden der geweren, terwijl de andere ze aan den jager ter hand stelt, +naarmate hij ze noodig heeft. + +De houdi van Dubock is allerfraaist gelegen, beschaduwd door een groep +hoog geboomte, aan den rand van een diep dal; de vlakte en het gebergte +der Aravallis liggen in een wijd panorama voor ons. De drijvers, +die vooruit zijn vertrokken, hebben zich ten getale van drieduizend +man in het gebergte verspreid en alle hoogten bezet; het opgejaagde +wild blijft geen andere uitweg over, dan het smalle dal aan onzen +voet. Weldra klinkt ons uit de verte een luid gerucht tegen; uit het +kreupelhout schettert en dreunt het oorverdoovend geraas van gongs, +trompetten en tamtams. Eenige oogenblikken later ruischt en kraakt het +in de struiken, en een troep wilde zwijnen stormt in het dal: zij zijn +ongeveer ten getale van twintig en blijkbaar zeer verschrikt. Binnen +het bereik onzer geweren gekomen, worden zij door onze kogels begroet; +enkelen storten neder; anderen keeren naar het gebergte terug; sommigen +zijn verstandig genoeg om hun weg te vervolgen en bereiken ongedeerd de +vlakte. Na verloop van een half uur is de verwarring onbeschrijfelijk; +de wilde zwijnen verdringen zich bij honderden in de smalle kloof, +en het vuur van de houdi zwijgt geen oogenblik. Jakhalzen, hyenas +vluchten in wilde warreling met de evers; al deze arme dieren zijn +door een panischen schrik bevangen en loopen blindelings in hun +verderf. Langzaam en voorzichtig treedt een panter te voorschijn; +hij poogt de rotsen te beklimmen, en zoo achter de noodlottige houdi +heen te komen: maar weldra tuimelt hij, door onderscheidene kogels +getroffen, in de diepte, onder het luide gejuich der Radsjpoeten. + +Eindelijk komen de drijvers terug; de jacht is afgeloopen. Wij +dalen in de vallei af om het wild te onderzoeken. Het schouwspel is +inderdaad afschuwelijk: de gedoode dieren liggen in schrikkelijke +wanorde op en over elkander; breede bloedplassen bedekken den rotsigen +bodem. Meer dan veertig wilde zwijnen, een vijftiental jakhalzen, +hyenas en wilde honden, en een panter: ziedaar de buit, in anderhalf +uur behaald. Mijne belangstelling wordt vooral opgewekt door de +wilde honden, waarvan ik dikwijls had hooren spreken, maar die ik +nog nooit had gezien. Zij zijn ongeveer zoo groot als een jakhals, +op wien zij veel gelijken, ook door den vorm van hun kop; maar hun +haar is korter, vaalbruin van kleur, en hun staart kaal. Het geblaf +van den wilden hond komt overeen met dat van den gewonen huishond, +maar is ruwer en heeft een onaangenamen, klagenden toon. In talrijke +groepen vereenigd, maken deze dieren jacht op de herten en antilopen, +die zij zonder veel moeite weten machtig te worden; den mensch vallen +zij nooit aan. Zelfs zeer jong gevangen, worden zij nooit recht tam. + +Ons leven in het kamp van Nahrmoegra is eene opeenvolging van feesten; +om daarvan een denkbeeld te geven, zal ik beschrijven hoe wij in den +regel den dag doorbrengen. + +Onze tenten, die tot slaapkamers dienen, zijn in een wijden kring +geschaard om twee groote tenten of liever gebouwen van tentdoek, +van verandahs omgeven en met de grootste weelderigheid gemeubeld; +een daarvan is de eetzaal, de andere is de algemeene salon, waar alle +leden van het gezelschap elkander ontmoeten. Ten zes uur in den morgen +komen de bedienden ons wekken met een glas sherry; opgestaan zijnde, +trek ik mijne kleederen uit, en ga, met een eenvoudigen _janghir_, +een korten nauwsluitenden broek, gekleed, naar buiten. Daar zet ik mij +neder op een bos stroo, en breng mijn eersten groet aan mijne makkers, +die, in hetzelfde kostuum uitgedost, in dezelfde houding, voor hunne +tenten zitten; de _Bhistis_ naderen met hunne zakken ijswater en dienen +ons een stortbad toe. Eenige minuten later zijn wij, in een deftiger +kostuum, vergaderd rondom de tafel in de _Mess-Tent_, de eetzaal, +waar een stevig eerste ontbijt staat aangericht. Vroolijk pratende en +keuvelende, heerlijke _tsjeroets_ van Manilla rookende, gaat de tijd +al ras voorbij; vervolgens stijgen wij te paard en gaan een toertje in +den omtrek maken, onderwijl eenige ganzen en flamingo's schietende. Ten +elf uur wordt op nieuw toilet gemaakt, en het tweede ontbijt gebruikt: +de bedienden van den rana brengen ons daarbij dagelijks een deel +van den koninklijken maaltijd. Twee deurwaarders met gouden staven +wandelen aan de spits van dezen langen stoet van bedienden, die +schotels aandragen met de meest verschillende spijzen beladen. Naar +dit proefje van het dejeuner van den rana te oordeelen, moet die vorst +met eene merkwaardigen eetlust begaafd zijn; waarschijnlijk zal echter +zijn persoonlijk aandeel wel geringer zijn dan de voor ons bestemde +porties. De gerechten van dit ontbijt bestaan in gebraden vleesch, +wilde-zwijnen pooten, reeënbouten, sterkgekruide ragouts en zoogenaamde +_curries_; enkele van deze schotels zouden eener aanzienlijke tafel +in Europa geen oneer aandoen. De _pickles_ van allerlei soort, +suikergoed en gebak vullen zoowat een dozijn schotels. Natuurlijk +raken wij slechts even, voor den vorm, aan dit monster-dejeuner, +dat verder aan onze bedienden wordt overgelaten. Het midden van +den dag is aan de jacht gewijd. Ten vier uur, na ons nogmaals door +een stortbad verkwikt en opgefrischt te hebben, ontvangen wij het +bezoek van de indische edellieden, die over allerlei zaken met ons +komen spreken. Het middagmaal duurt, naar de algemeene gewoonte in +Hindostan, zeer lang, omdat ook hier het engelsche gebruik gevolgd +wordt om na afloop der tafel nog te blijven drinken; de bayaderen, +de goochelaars en het vuurwerk houden ons daarna tot middernacht bezig. + +Den 30sten tijgen wij voor het laatst ter jacht; des avonds is er +groot feest in het paleis, ten besluite der jachten van Nahrmoegra. Den +volgenden morgen keerden wij naar Oodipoor. + + + +VI. + + +De maand Februari ging voorbij met de verschillende feesten van +den Holi, het lentefeest en tevens het indische carnaval, waarbij +de uitgelatenste vroolijkheid en ook de ergerlijkste zedeloosheid +en dartelheid allerwege den boventoon voeren. De rana had ons +overgehaald tot na den afloop dezer feesten en die van de godin Goeri, +te Oodipoor te blijven; nu echter stond mijn besluit om te vertrekken +onwrikbaar vast. Wij hadden ons afscheidsbezoek bij den rana gebracht, +en alle toebereidselen voor de reis waren voltooid. De rana had de +beleefdheid gehad zijne kameelen te onzer beschikking te stellen: +maar de vakil, de stalmeester, had--ik weet zelf niet waarom--ons +allerlei moeilijkheden in den weg gelegd. Hij zond ons kreupele, +onhandelbare of zwakke dieren, die wij niet konden gebruiken. Eindelijk +gaf ik hem te kennen dat ik mij tot den resident of des noods tot den +rana zelf zou wenden; dit hielp: en weldra had ik nu vijftien sterke +kameelen tot mijnen dienst, die onze bagage, onze bedienden en onze +tenten moesten vervoeren; twee uitnemende dromedarissen zullen ons +dienen om daarop te rijden. Ons geleide bestaat uit twaalf sowars; +onze bedienden en de kameeldrijvers daarbij geteld, is onze karavaan +meer dan veertig personen sterk. + +In den vroegen morgen van den 5den Maart, zond ik al mijn volkje +vooruit naar Dubock; bij het vertrek heerscht de meest volslagen +wanorde, zooals trouwens hier doorgaans het geval is. Wij ontbijten +voor het laatst bij den resident; al onze goede vrienden zitten +nog eens met ons aan tafel. Eindelijk--een laatste handdruk, en dan +vaarwel! Wij springen in het zadel en rijden in galop weg; na een +rit van een uur bereiken wij de bergpassen van Dobarri. Nog eenmaal +wierpen wij een blik op het landschap achter ons: daar lag de rijke, +heerlijke vallei met hare bosschen, hare vruchtbare velden, hare +lachende dorpen; het riviertje de Bairis baande zich kronkelend een +weg tusschen de rotsen. In de verte Oodipoor, de stad van de rijzende +zon, met haar diadeem van paleizen, rustende tegen de Aravallis, +wier prachtige grootsche lijnen zich krachtig in de blauwe lucht +afteekenden. Wij trekken de bergengte door, en hebben de grenzen +van den Guirwô overschreden; voor ons ontvouwt zich het panorama der +vlakten van Mewar, ten oosten begrensd door eene schemerende blauwe +lijn, de bergen van Tsjittore. + +Wij bereiken de bungalow van Dubock, waarbij ons kamp is +opgeslagen. Nauwelijks zijn wij daar aangekomen, of twee _harkaras_ +of boden van den rana komen ons de _purwanas_ of firmans ter hand +stellen, die de koning ons had beloofd. Deze purwanas zijn gericht aan +de thakoers of baronnen, aan de kotwals of bevelhebbers der steden, +aan de patels of dorpshoofden, en houden den last in, vooreerst, +dat wij behandeld moeten worden met al den eerbied, dien men aan +vrienden van den maha-rana verschuldigd is; voorts, dat ons dadelijk, +zonder eenige vergoeding, de _rassâd_ voor ons en onze lieden moet +worden verschaft. Onder dezen _rassâd_ verstaat men zoowel de noodige +levensmiddelen als de koelies. Op mijn bevel moet dit alles, op de +verschillende plaatsen waar wij ons ophouden, worden geleverd; het +dorpshoofd maakt dan eene lijst op der geleverde goederen, die door +mij wordt geteekend en vervolgens aan den minister van den rana ter +hand gesteld, die voor de betaling zorgt. De purwana voegt daarbij, +dat, aangezien de sahibs reizen om het land te leeren kennen, elk +gehouden is hun alle merkwaardigheden aan te wijzen, en hun alle +verlangde inlichtingen te geven omtrent de zeden, de overleveringen +en legenden der streek. Deze laatste bijvoeging is van groot gewicht: +want daar de inlanders altijd bevreesd zijn op eene of andere manier +in onaangenaamheid te geraken, antwoorden zij zonder zulk een bevel +steeds ontwijkend op al uwe vragen en houden zich als wisten zij van +niets. De beide harkaras, die ons zullen vergezellen, moeten voor de +goede naleving der firmans zorgen. + +Het kamp is in de volmaakste orde; de kameelen en paarden zijn aan +palen vastgebonden; de tenten regelmatig geplaatst; ieder man is op +zijn post, en heeft zijn bed, een strooien mat, gereed gemaakt. Van de +verwarring en wanorde, die te Oodipoor heerschten, is geen spoor meer +over. Zoo lang de reis nog niet begonnen is, kunt ge niets van uw volk +gedaan krijgen: de beesten worden slecht geladen; de touwen breken; +elk oogenblik hebt ge met allerlei moeielijkheden te kampen. Maar +nauwelijks zijn zij een paar mijlen buiten de stad, of uwe lieden +begrijpen dat alle verder tegenspartelen nutteloos is, en van nu gaat +alles naar wensch. De Hindoes hebben allen een ingeschapen lust voor +reizen; het eenige waar zij tegen opzien, is het vertrek; maar eenmaal +op weg, zult ge moeielijk lieden vinden, die zich gewilliger en met +meer blijmoedigheid de vermoeienissen en ontberingen van een langen +marsch getroosten; zij zijn op reis bereid te doen, wat zij u in de +stad zeer stellig weigeren zouden, en niemand aarzelt een oogenblik, +de handen aan het werk te slaan. + +Nog voor het aanbreken van den dag, werd ik den volgenden morgen door +mijn getrouwen bediende gewekt. Al ons volk is reeds op de been, en +druk bezig, bij het schijnsel der wachtvuren, de kameelen te laden, +die gansch niet in hun schik zijn, dat zij zoo vroeg gewekt worden, +en hun ongenoegen door een luid gebulk openbaren. Het tooneel is +schilderachtig genoeg: dit geraas en rumoer, dat rosachtig schijnsel +der vuren, die zonderlinge dieren, onwillig tegenstribbelende tegen die +door elkander woelende menschen, die groote donkere boomgroepen:--en +dan dat stille rustige, in schemering gehulde landschap daar om +heen. Het is vier uur in den morgen, tusschen de keerkringen het +stille uur; het roofgedierte, dat des nachts rondsluipt, is reeds naar +zijn holen terug gekeerd; de andere woud- en veld- en luchtbewoners +wachten op de komst van den dageraad; de lucht is frisch, koel zelfs: +het doet u goed, bij het wachtvuur te staan. De maan is ondergegaan; +geen ander licht dan het schijnsel der sterren en de heldere glans +van het zodiacaal licht, dat aan den oostelijken horizon als een +langwerpige aureool straalt. + +Het land, waar wij ons thans bevinden, behoort zeker tot de door de +natuur meest gezegende streken; de bodem bestaat uit die zwarte, zware +tuinaarde, in het hindoesch _mâl_ genaamd, waaraan de uitgestrekte +landstreek, door de Tsjumboel bespoeld, den naam van Malwa dankt. Maar +de bebouwing staat hier niet in evenredigheid tot de vruchtbaarheid; de +onophoudelijke oorlogen der vorige eeuw hebben het land grootendeels +tot een wildernis gemaakt; het oog van den reiziger dwaalt langs +onafzienbare vlakten, overal bedekt met dat grijsachtige struikgewas, +dat alle indische jungles vormt. Van afstand tot afstand ontmoet +ge een enkel dorp, met zijne woningen en tuinen tegen de hellingen +van een heuvel gebouwd; daar om heen smaragdgroene rijstvelden, +veelkleurige opiumplantages, prachtige akkers met graan. Deze dorpen +zien er allen welvarend uit; bij onze nadering loopen de inwoners +toe om ons te groeten. + +Na een tocht van een-en-twintig kilometers door deze fraaie, +hoewel eenigszins eentonige landstreek, komen wij te Mynar, een +schilderachtig dorp, tegen een heuvel gelegen, waarvan de top door +een sierlijken tempel wordt gekroond. Wij slaan ons kamp op in de +schaduw van eeuwenheugende boomen, aan den oever van een fraai meer, +tegenover een grooten plas, waar, tusschen de breede lotusbladen, +gansche zwermen van eenden dartelen. Ik begaf mij daarheen, en schoot +mijn geweer onder den hoop af. Duizende eenden verduisterden de lucht, +en lieten zich dooden met eene gemakkelijkheid, die mij al spoedig +de lust deed vergaan. + +De sowars rapen den buit op, en volgen mij, bij zich zelven mompelende +en lachende, tot aan mijne tent; maar nauwelijks heb ik mijn ontbijt +gebruikt, of een zwaarlijvige brahmaan komt mij vertellen dat het +niet geoorloofd is op het meer te gaan jagen, omdat het dorp gewijde +grond is. Ik tracht hem onder het oog te brengen dat ik, indien ik +al kwaad heb gepleegd, dit dan toch onwetend heb gedaan, en dat de +rana mij bovendien heeft vergund om overal in zijne staten zonder +eenige beperking te jagen. Deze uitlegging schijnt den brahmaan niet +te voldoen, die blijft razen en tieren, tot ik hem buiten het kamp +laat zetten. + +Mynar is inderdaad een _sahsun_, dat wil zeggen eene kerkelijk +domein; de priesters beweren dat hun dit goed geschonken werd door +den mythischen rajah Mandhata, die vóór Vicramaditya te Dhar regeerde +en wiens rijk zich uitstrekte tot de Aravallis. Deze koning, eens te +Doendia, eene naburige stad, zijnde, bracht daar den goden de aswamedha +of het offer van een paard; na afloop der plechtigheid, wilde hij de +beide ritsjis of heilige kluizenaars, die geofferd hadden een geschenk +vereeren, maar deze weigerden iedere gave. Toen nam de koning zijne +toevlucht tot list: hij verborg in de bîra, het bosje betelbladen, +dat hij hun aanbood, een brief, waarbij hun het dorp Mynar met de +daarbij behoorende gronden in eigendom werd geschonken. De ritsjis, +de bîra aangenomen hebbende verloren hun vermogen om wonderen te doen; +zij vestigden zich toen op hun nieuw domein en werden landbouwers. + +In geheel Radsjpoetana is er geen enkele staat, waarin althans niet +een vijfde gedeelte van den grond het eigendom is der brahmanen; in +den loop der eeuwen heeft de brahmaansche kerk onberekenbare schatten +opgestapeld, wier bezit zij met alle kracht verdedigt. Worden de +vorsten niet in de oude gewijde boeken van Manoe zelf vermaand, +om vóór hun dood al hunne persoonlijke bezittingen aan de priesters +te vermaken? En worden zij, die de hand zouden durven slaan aan de +gewijde goederen, niet bedreigd met een verblijf van zestigduizend jaar +in het lichaam van een onreinen worm? Het moet toch wel hard zijn, +na al de weelden van den troon genoten te hebben, zoo ontzettend +diep te vallen; en aan den anderen kant is het recht aangenaam uit +dit leven te scheiden met het bewustzijn dat, zoo uwe erfgenamen al +teleur zijn gesteld, dan toch uwe ziel van alle smet is gereinigd +en der zaligheid deelachtig wordt;--daarom geven de koningen, en +de kerk behoudt wat zij eens ontving. In het koninkrijk Mewar gaat +een vijfde van de staatsinkomsten in de handen der brahmanen over; +en ter nauwernood durft de koning het wagen om gronden, die reeds +voor eeuwen aan de priesters werden geschonken en nu geheel verlaten +liggen, weder bij het kroondomein te voegen. Tot het dorp Mynar +behooren vijfduizend _bigahs_, ongeveer zesduizend-vierhonderd bunders +bouwland, waarvan meer dan drie vierde gedeelte onbebouwd en woest +ligt, door de afwezigheid of het uitsterven der oude bezitters. Niet +alleen laten de koningen dus een groot deel van hun land ongebruikt +en braak liggen, maar nog voortdurend maken zij nieuwe schenkingen, +die het land nog meer verarmen; doch deze staat van zaken kan niet +eindeloos voortduren, en waarschijnlijk is de tijd niet meer verre dat +de vorsten op aansporing der engelsche agenten, hunne bijgeloovige +vrees zullen overwinnen en maatregelen nemen om althans de woeste +gronden weder aan den landbouw terug te geven. + +Twee dagreizen brengen ons naar Tsjittore, de aloude hoofdstad +van Mewar, en gedurende eenige eeuwen het laatste bolwerk der +hindoesche nationaliteit tegen de mohammedaansche overweldiging. De +stad ligt op den top van een alleenstaanden berg; het plateau heeft +eene lengte van vijf kilometers, bij eene breedte van gemiddeld +vierhonderd el. De wanden van den berg, die tusschen de negentig en +honderdtwintig ellen hoog is, rijzen bijna loodrecht uit de vlakte op; +een hooge gekanteelde muur, met zware torens voorzien, loopt langs +den rand van den afgrond. Deze natuurlijke gesteldheid, gevoegd bij +uitnemend aangelegde verdedigingswerken, maakte Tsjittore tot eene +bijkans onneembare vesting; rijkelijk van waterputten voorzien, en met +welgevulde reusachtige magazijnen, kon zij ook moeielijk door honger +bedwongen worden:--en toch zijn weinige steden in Indië zoo dikwijls +genomen geworden als juist deze. Haar kwetsbaar punt is eene kleine +bergvlakte, ten zuiden van den berg, die, hoewel lager liggende dan de +muur der vesting, toch voor de aanvallers een geschikt punt oplevert +om de stad aan te tasten. Volgens de overlevering, zou dit plateau, +onder den naam van Tsjittore bekend, zijn ontstaan te danken hebben aan +den tartaarschen sultan Ala-Oedin; inderdaad was het van dit punt, dat +hij den storm waagde, die hem, ten jare 1303, Tsjittore in handen deed +vallen; en daar het beleg niet minder dan twaalf jaren geduurd had, +is het zeerwel mogelijk, dat de belegeringswerken van den sultan de +kruin van dezen vooruitspringenden heuvel aanmerkelijk hebben verhoogd; +naar men wil, had hij op deze hoogte zijne munjanikas of werptuigen +geplaatst. Madhaji Scindia plantte, in 1792, mede op de hoogte van +Tsjittore zijne batterijen, waarmede hij de stad bombardeerde. + +Het lagere gedeelte van de berghelling is met ondoordringbaar bosch +begroeid, waarin allerlei gedierte huist; ten oosten aan den voet +des bergs, ligt de Toelaïti of benedenstad; aan deze zijde bevinden +zich ook al de merkwaardige monumenten van Tsjittore. Een enkele +weg voert van de Toelaïti naar boven, naar Tsjittore; deze toegang +was door zeven poorten verdedigd, die tegenwoordig zeer vervallen +zijn. Deze poorten, op verschillende hoogte geplaatst, dragen allen +een monumentaal karakter, en zijn zeer fraai van stijl; zij bevatten +niet slechts wachtkamers, maar zelfs groote zalen. Tusschen de +derde en de vierde poort verrijst een klein marmeren grafmonument, +dat de immer gedenkwaardige plek aanwijst, waar de beide helden +Jeimul en Puttoe, tijdens het beleg der stad door keizer Akbar, +sneuvelden. In de nabijheid is het graf van een anderen martelaar van +de onafhankelijkheid der Radsjpoeten, Ragondeh, tegenwoordig als een +heilige vereerd. De laatste poort is een statig, indrukwekkend gebouw: +een wijde boog geeft toegang tot de stad; ter wederzijde zijn fraaie +wachthuizen, door zuilen gedragen; en boven de poort is de Durri Kana +of groote staatsiezaal der Radsjpoeten vorsten. Het was in deze zaal, +dat de machtige Kangra Rani, de beschermgodin van Tsjittore, aan +den rana Ursi verscheen, en hem de vernedering van zijn doorluchtig +geslacht voorspelde. Maar hier is geen enkel brok muur, geen steen +bijna, waaraan zich niet eene of andere legende uit den heldentijd +hecht, en die niet de herinnering van een schitterend wapenfeit of +van eene edele zelfopoffering voor het geheugen terugroept. Deze poort +leidde vroeger naar eene groote schitterende stad, de roem van Indië, +waarvan nu niets meer over is dan enkele leemen hutten, verloren te +midden der bouwvallen van paleizen en praalgebouwen. + +Van al deze overblijfselen van vervlogen grootheid, paleizen en +tempels, is verreweg het merkwaardigste de Kheerut-Khoemb of Toren +der Overwinning van Khoembhoe. Hij werd door den rana van dien +naam gebouwd, ter herinnering aan de groote overwinning, die hij +op de verbonden legers des sultans van Malwa en Goezerate behaald +had. Het eenige monument in geheel Hindostan, dat met dezen toren kan +vergeleken worden, is de toren der Overwinning van Koetub te Delhi, +die de Kheerut in hoogte, maar niet in schoonheid overtreft. De +Kheerut van Tsjittore is een vierkante toren van zeven-en-dertig +ellen hoogte; de breedte van iedere zijde is beneden tien el, en +boven onder den koepel vijf el; de toren rust op een grondslag of +voetstuk van dertien el aan iedere zijde. De vorm van het gebouw is +verre van regelmatig; het is verdeeld in negen verdiepingen, waarvan +de met zuilen versierde vensters, de balkons en uitspringende lijsten +de eenvormigheid der lijnen bevallig breken en eene hoogst gelukkige +uitwerking doen. Zoowel het uit- als het inwendige prijkt met duizende +standbeelden, bas-reliefs en ornamenten; alle goden van den indischen +Olympus zijn hier vertegenwoordigd. De negende verdieping is een +lantaarn, waarboven zich een moderne koepel verheft, daar de oude +door den bliksem is vernield. In deze verhevene zaal bevonden zich +de marmerplaten, waarop de stamboom der Ranas en hunne voornaamste +daden waren gebeiteld; het mohammedaansche vandalisme heeft er +slechts enkelen van gespaard. Van den top des torens geniet men een +overheerlijk uitzicht over de gansche omliggende streek. + +Aan den voet van dezen toren bevindt zich een tempel aan Brâma, +den onzichtbaren god, gewijd, en mede door Khoembhoe, ter eere van +zijn vader Mokul, gesticht. In de nabijheid ligt de Shâr Bâgh of +de koninklijke begraafplaats, met de graftomben van al de Ranas, te +beginnen met Bappa, den stichter der dynastie (782) tot Oedey-Singh, +den laatsten vorst van Tsjittore (1597). Onder deze graftomben zijn er +vele, die eene nauwkeurige studie alleszins waardig zijn. Maar waar +zou ik eindigen, indien ik al de merkwaardigheden wilde beschrijven +van deze aloude hoofdstad, waar nog meer dan driehonderd monumenten, +uit een tijdvak van misschien zeven of acht eeuwen afkomstig, verhalen +van de vroegere heerlijkheid, thans voor immer ondergegaan? + +Men zal zich, na het gezegde, eenigermate een denkbeeld kunnen +maken van den geweldigen indruk, dien de rampen van deze stad +op de Hindoes moesten maken: eene stad, die gedurende de lange +onafhankelijkheidsoorlogen het voornaamste brand- en middelpunt der +hindoesche nationaliteit was, en daarbij de trots en de laatste hoop +der ridderlijke Radsjpoeten. Nog is deze herinnering levendig in +aller gemoed, en de naam van Tsjittore, de ongelukkige stad, zweeft +nog steeds op de lippen des volks. + +De Hindoes verhalen van drie-en-een-halve _sacas_ (plundering) van +Tsjittore, tijdens het bestuur der Radsjpoeten: en wel, een onder +Lakumsi, en de twee anderen onder Bikramajit en Oedey-Singh. Luisteren +wij een oogenblik naar het verhaal dezer schitterende episoden uit +de laatste heldhaftige worsteling voor de onafhankelijkheid van het +oude Indië. + +De rana Lakumsi besteeg den troon zijner vaderen in het jaar 1275; +zijne hoofdstad, tot op dat oogenblik nog door geen vijand vermeesterd, +bevatte bijna alles wat er in Hindostan groots en heiligs was +overgebleven: Delhi was toen reeds gevallen. Bhimsi, oom des konings +en regent gedurende diens minderjarigheid, had de dochter van een +edelman van Ceilon gehuwd, eene vrouw van zeldzame schoonheid en zeer +uitnemende gaven van geest en hart. De sultan Ala-Oedin-Ghilsy, van de +bekoorlijkheden dezer vorstin gehoord hebbende, sloeg het beleg voor +Tsjittore, met geen ander doel dan om deze beroemde vrouw, van wier +voortreffelijkheid het gansche land gewaagde, voor zich te winnen. De +Radsjpoeten verdedigden zich met heldenmoed; en de sultan, wien het +lange, hopelooze beleg begon te verdrieten, verklaarde eindelijk +te zullen aftrekken, indien het hem slechts eenmaal vergund mocht +zijn, het gelaat der schoone Pudmani te aanschouwen. Zijn wensch +werd ingewilligd: en Ala, zich verlatende op het eerewoord en de +ridderlijke trouw der Radsjpoeten, kwam binnen Tsjittore, werd bij +de vorstin toegelaten, en verliet ongedeerd de stad. Bhimsi, zich +niet minder edelmoedig willende toonen dan de tartaarsche sultan, +begeleidde dezen tot buiten de vestingwerken. Juist daarop had Ala +gerekend: de onvoorzichtige Radsjpoet zag zich plotseling overvallen +en als gevangene naar het muzelmansche kamp gevoerd. Groot was de +verslagenheid in Tsjittore, toen men den volgende morgen vernam, dat +Ala zijn gevangene niet wilde loslaten, tenzij hem de prinses werd +uitgeleverd. Pudmani aarzelde niet, en maakte aan allen haar besluit +kenbaar, zich in handen van den sultan te stellen; maar tegelijk +riep zij hare bloedverwanten bijeen en deelde hun het plan mede, +dat zij ontworpen had om haar gemaal te redden. Ala werd mitsdien +geboodschapt dat de vorstin zijne gevangene zou worden in plaats van +Bhimsi: onder voorwaarde evenwel, dat het haar vergund zou zijn, zich +tot aan het vijandelijk kamp te doen vergezellen door hare vrouwen +en dienstmaagden en door de leden harer familie; en voorts onder de +uitdrukkelijke bepaling dat de wetten van de zenanah stipt zouden +worden geëerbiedigd. Deze voorwaarden aangenomen zijnde, daalden den +volgenden dag zevenhonderd draagstoelen van de rotsige hoogte af; +in iederen draagstoel zat, verborgen door de dichte gordijnen, een +uitgelezen strijder van de ridderschap van Tsjittore; de vier dragers +waren vermomde soldaten. Bij het tartaarsche kamp gekomen, werd aan +de gewaande vrouwen, een half uur toegestaan om afscheid te nemen van +Pudmani; de in vrijheid gestelde Bhimsi voegde zich bij zijne helden, +en beraadslaagde met hen, aan aller oog onttrokken door de gordijnen +der draagstoelen. Op een gegeven teeken springen nu de mannen eensklaps +te voorschijn; de soldaten van Ala willen hen gevangen nemen. Van de +verwarring gebruik makende, werpt Bhimsi zich op een paard en ijlt naar +Tsjittore, terwijl zijn makkers zijn terugtocht dekken. De strijd was +bloedig; van de heldenschaar der Radsjpoeten keerden maar weinigen in +de vesting terug; maar het verlies van Ala-Oedin was zoo groot, dat hij +den moed verloor en het beleg opbrak. De indische geschiedschrijvers +noemen dit de halve _saca_ van Tsjittore; want hoewel de stad niet +genomen werd, had zij toch de bloem van haar ridderschap verloren. + +In 1290 keerde Ala-Oedin terug en sloeg nogmaals het beleg +voor Tsjittore; ditmaal met het vaste voornemen om deze laatste +wijkplaats der afgodendienaars te vernietigen. Meer dan twaalf +jaren lang bood de onneembare vesting een heldhaftigen tegenstand; +maar eindelijk slaagden de Muzelmannen er in, zich van de hoogte van +Tsjittore meester te maken: en nu begrepen de Radsjpoeten dat hun val +onvermijdelijk was. De legende verhaalt dat, op dit uiterste oogenblik, +de beschermgodin van Tsjittore, de vreeselijke Kangra-Rani, aan den +koning Lakumsi verscheen, en tot hem de ontzettende woorden sprak: +"Ik begeer koninklijke offers! Dat twaalf gekroonde vorsten hun +bloed voor mij vergieten, en uwe nakomelingen zullen over Mewar +regeeren!" Den volgenden dag riep de rana Lakumsi, die allen in +den strijd was voorgegaan, zijne edelen en de voornaamsten der stad +bijeen, en deelde hun de woorden der godin mede; maar de grijsaards +trachtten den vorst te overreden, dat zijne overspannen verbeelding +hem had misleid. Doch nu verschijnt Kangra-Rani ook voor hunne oogen, +en roept hun toe: "Wat baten mij de duizende barbaren, die gij mij +ten offer hebt gebracht? ik dorst naar koningsbloed! Laat iederen +dag een andere vorst worden gekroond; laat hem getooid worden met de +koninklijke insigniën, met de _kirma_ (zonnescherm), met de _sjatta_ +(kleine parasol) en de _sjamra_ (waaier); dat hij gedurende drie +dagen zijne bevelen uitvaardige, en den vierden dag ten strijde ga +en sneuvele. Op deze voorwaarden alleen zal ik met u blijven."--De +twaalf zonen van den rana waren aanstonds bereid zich ten offer te +wijden, en betwistten elkander de eer wie het eerst ten doode zou +gaan. Ursi werd het eerst als koning uitgeroepen: en na eene regeering +van vier dagen, sneuvelde hij, strijdende voor Tsjittore. Elf zijner +zonen waren aldus voor het vaderland gevallen, toen de rana zelf +zijn krijgers verkondigde, dat nu de beurt om te sterven aan hem +gekomen was. De laatste zijner zonen, die op uitdrukkelijk bevel van +zijn vader, met een zwak geleide, de vesting verlaten had, bereikte +gelukkig het Aravalli-gebergte. De Radsjpoeten bereidden zich nu +tot den dood: de verschrikkelijke offerande van den johur zou worden +voltrokken. De onderaardsche vertrekken van den Rani Bindar werden +met brandbare stoffen opgevuld, en daarboven de schatten opgestapeld, +die de muzelmansche hebzucht het meest konden prikkelen: de juweelen, +de gouden en zilveren vaten en de vrouwen; deze laatsten gingen, ten +getale van eenige duizenden, dit levend graf binnen, op het voetspoor +van hare vorstin, de onvergelijkelijke Pudmani. Toen liet de rana de +poorten der vesting openen, en omstuwd door het overblijfsel zijner +helden, wierp hij zich op het leger van Ala; allen werden tot den +laatsten man gedood, na onder hunne vijanden eene verschrikkelijke +slachting te hebben aangericht. Toen de tartaarsche sultan eindelijk +Tsjittore binnentrok, vond hij eene zwijgende, uitgestorven stad, +waarboven een akelige zware rookwolk hing, die opsteeg uit de +onderaardsche vertrekken, waarin alles, dat zijne begeerlijkheid had +opgewekt, door de smeulende vlammen werd verteerd! In zijne woede, +vernielde hij alle gebouwen binnen de vesting, met uitzondering van +het paleis van Pudmani, de vrouw, die de onschuldige oorzaak was +geworden van den val van Tsjittore. + +Aldus de legende, die zekerlijk de historische werkelijkheid heeft +opgesierd. De tweede verovering der uit hare puinen herrezen hoofdstad +had plaats onder de regeering van Bikramajit, omstreeks 1537. De +vroegere rampen waren sinds lang vergeten, en onder de glansrijke +regeering van den rana Khoembhoe had Tsjittore het toppunt van macht en +heerlijkheid bereikt, toen de sultan Bahadoer-Bajazet, de beheerscher +van Goezerate, een inval in Mewar deed, om de nederlaag van zijn +voorganger Mozuffar te wreken. De rana, een man van een heftig +en wantrouwend karakter, door zijne edelen verlaten, die zich in +Tsjittore hadden opgesloten, trok moedig den sultan tegen, maar werd +verslagen. Onmiddellijk werd nu de hoofdstad belegerd, en Bajazet +maakte daarbij gebruik van geschut: een wapen, dat de Radsjpoeten +tot dusverre hadden versmaad. Volgens de verhalen van dien tijd, +werd de muzelmansche artillerie gekommandeerd door een Europeaan: +Labri Khan van Frenghân, waarschijnlijk een deserteur van de vloot +van Vasco De Gama. Hij liet mijnen rondom de vesting aanleggen; +en eene daarvan had eene zoo geweldige uitwerking, dat de wal over +eene lengte van veertig ellebogen instortte, benevens een bolwerk, +waarvan al de verdedigers omkwamen. De radsjpoeten edellieden boden een +hardnekkigen tegenstand, en riepen, bij afwezigheid van den rana, een +der prinsen van het koninklijk geslacht tot koning uit; deze, met de +teekenen der souvereine waardigheid bekleed, begaf zich naar den muur +en liet zich dooden, ten einde door dit offer de vertoornde godheid +te verzoenen. Onder de vele bewijzen van schitterenden heldenmoed, +waarvan ook dit beleg wederom getuige was, roemen de nationale +barden bovenal het gedrag van de koningin-moeder, Jowahir-Baï, die, +van top tot teen gewapend, zelf aan het hoofd eener gewapende bende, +een uitval deed en sneuvelde, na met eigen hand eene menigte vijanden +te hebben omgebracht. Eindelijk was langer tegenstand onmogelijk +geworden; de vijand heeft bijna den wal vermeesterd; de vreeselijke +plechtigheid van den johur zal wederom worden gevierd; maar de tijd +ontbreekt om een brandstapel op te richten; de koningin Kurnavati +en dertienduizend vrouwen vereenigen zich op eene ondermijnde rots: +de lont wordt aan het kruid gelegd; en, na aldus hunne eer en hunne +dierbaarste panden gered te hebben, ijlen de mannen naar de laatste +worsteling, waaruit geen hunner keert. Bajazet werd, bij het gezicht +dezer brandende, met dooden en stervenden opgevulde stad, van afschuw +bevangen, en verliet haar zoo spoedig mogelijk. + +Ruim dertig jaren later was Tsjittore nogmaals uit zijne asch herrezen, +toen keizer Akbar het beleg voor de stad kwam slaan. De eerste maal +werd hij, dank zij den heldenmoed van den rana Oedey-Singh, terug +geslagen; maar kort daarop kwam hij terug. Ditmaal beging Oedey de +laagheid van te vluchten, en de verdediging zijner hoofdstad over +te laten aan zijne onverschrokken vasallen; zij deden wonderen van +dapperheid, maar niets kon de arme stad redden, dus alleen gelaten in +hare worsteling met het ontzachelijke rijk van den Groot-mogol. De +vertegenwoordigers der schitterendste geslachten van den adel van +Mewar vielen in den ongelijken strijd; de weduwe van Saloembra, een +der Omras of pairs des rijks, geleidde zelf haar zestienjarigen zoon +en hare schoondochter naar het gevecht, en alle drie vonden den dood +op de wallen der heilige stad. Twee clanhoofden, Jeimul en Puttoe, +hadden het bevel over de vesting op zich genomen; zij deden al wat +menschelijkerwijze mogelijk was om de stad te redden, en hun onbezweken +heldenmoed wekte zoozeer de bewondering zelfs der aanvallers op, dat +tot op den huidigen dag hunne namen bijna evenzeer door de muzelmannen +als door de Radsjpoeten in hooge eere worden gehouden. Jeimul, door +de hand van Akbar zelf doodelijk gewond, gaf eindelijk, het teeken tot +den Johur. Negen koninginnen, vijf prinsessen en meer dan tienduizend +vrouwen bestegen den brandstapel, terwijl de laatste verdedigers zich +te midden der vijandelijke gelederen wierpen. De groote Akbar toonde +zich onverzoenlijk, en liet allen, die nog in het leven waren gebleven, +ombrengen; hij overtrof in vernielingswoede Ala-Oedin en Bajazet, +en verwoestte of schond al de monumenten van Tsjittore. + +De godin Kangra-Rani had beloofd, deze rotsvesting nooit te zullen +verlaten, zoolang nog een der afstammelingen van Bappa zich voor haar +ten doode zou wijden. Getrouw aan deze belofte, hadden de zonen van +Lakumsi, had de koning zelf, en hadden na hem vele andere vorsten, hun +leven vrijwillig ten offer gebracht; maar bij deze laatste worsteling +had geen enkel koninklijk slachtoffer den toorn der vreeselijke +godin bezworen: de betoovering was geweken en de band, die haar aan +de Sesoedias verbond, voor immer verbroken. Zij verliet de rotsburgt, +die door haar koning verlaten was; en met haar verdween het prestige, +dat Tsjittore omgeven had, en het steeds als het laatste en hoogste +palladium van den stam der Radsjpoeten had doen beschouwen. De stad, +die niet zonder recht den naam van de Onverwinlijke droeg, kon geene +verdedigers meer vinden; en zooals de bard zegt, "deze koninklijke +woning, die duizend jaren lang haar hoofd had opgeheven boven alle +steden van Hindostan, is geworden tot een verblijf voor het wild +gedierte, hare tempels zijn onreine holen geworden." Weleer de heilige +stad bij uitnemendheid, wordt zij heden nog wel als een gewijde +plaats beschouwd, maar die nu ten prooi is gelaten aan demonen en +onreine geesten; en het is den rana's uitdrukkelijk verboden, haar te +betreden. Geen hunner heeft, na Pertap-Singh, den voet op deze rots +gezet, en zij, die het hebben gewaagd deze bouwvallen te bezoeken, +werden als door eene onzichtbare macht terug gedreven. + +Zulke herinneringen omzweven de eenzame, met ruïnen gekroonde rots, +waarop de aloude hoofdstad der rana's in doodslaap gedompeld ligt, +verlaten en vergeten. Aan haren voet, in de vlakte, ligt de Toelaïti, +de benedenstad, met hare fraaie, drukke bazars, vol leven en beweging, +met hare sierlijke huizen en welvarende bevolking, de tweede stad +des rijks. Maar meer dan al deze welvaart en vooruitgang trokken +mij de bleeke ruïnen der oude koningsstad aan, getuigen van een zoo +schitterend verleden, dat voor immer is voorbijgegaan. + + + +VII. + + +Den 17den Maart verlaten wij Tsjittore en slaan den weg noordwaarts in +naar Ajmeer of Adsmir, de voornaamste stad der Aravallis. Dien dag en +de volgende dagen voert onze tocht ons nog altijd door de staten van +den maha-rana, door de vruchtbare, maar niet overal evengoed bebouwde +vlakten van Mewar. Onderweg maakten wij kennis met den rajah van +Bunera, een van de aanzienlijkste vasallen van den maha-rana, die mede +uit den koninklijken stam der Sesoedias is gesproten en een prachtig +kasteel, geheel van wit marmer opgetrokken; bewoont. De titel van +rajah (koning) werd aan een der voorouders van dezen hoogen edelman, +als belooning voor bewezen diensten, door de mongoolsche keizers +geschonken. De rajah ontving ons met die uitgezochte hoffelijkheid +en waardige voorkomendheid, die eene der goede eigenschappen van den +radsjpoeten adel mag worden genoemd. Wij brachten op zijn kasteel +een paar allergenoegelijkste dagen door. + +In den morgen van den 23sten trokken wij de Kuhri-Nadi over, die de +staten van den rana van de provincie Ajmeer scheidt. Deze provincie +is het eenige gedeelte van Radsjpoetana, dat rechtstreeks onder +britsch gezag staat. Zij behoort aan de Engelschen sedert 1818; +in de vijftiende eeuw kwam zij in handen der mongoolsche keizers, +en later, toen het groote rijk uit elkander viel, in de macht der +mahratten-koningen van Gwalior; toen de Engelschen optraden als de +erfgenamen van den Padishâh, eischten zij ook deze provincie, als deel +uitmakende van de keizerlijke goederen, en sedert is zij ook aan hen +verbleven. Dit belangrijk gewest ligt aan alle zijden ingesloten door +de staten der vorsten van Mewar, Marwar, Jhodepoor en Kishengurh. + +Den volgenden dag bereikten wij Nusserabad, een van de gewichtigste +engelsche militaire stations in Radsjpoetana. Het kamp maakt een +allertreurigsten, somberen indruk; in 1857 maakten de opstandelingen +zich van dezen post meester, verbrandden al de woningen, hakten +al de boomen om en vernielden de plantages: de gansche streek werd +een wildernis. Ook de indische stad onderging hetzelfde lot als het +engelsche kamp en werd bijna geheel verwoest; tegenwoordig is zij +niet veel meer dan een grooten bazar, die echter eene bevolking telt +van twintigduizend zielen. Men heeft zooveel mogelijk getracht de +aangerichte schade te herstellen: maar de boomen langs de wegen hebben +al het voorkomen van bezemstelen; en alle pogingen om nieuwe tuinen +en plantages aan te leggen, hebben tot dusver schipbreuk geleden: +de grond, door de brandende zonnehitte geblakerd, en beroofd van de +hier vooral zoo onontbeerlijke schaduw, is uitgedroogd en zoo hard als +metaal geworden. Maar zoo het uiterlijk voorkomen van Nusserabad weinig +opwekkend is, wijkt die indruk toch spoedig bij nadere kennismaking: +de talrijke bezetting maakt zich hier het leven zoo aangenaam mogelijk, +waartoe zeker de nabijheid van Ajmeer en de tegenwoordigheid van een +aantal Europeanen zeerveel bijdragen. + +Hier kon ik op nieuw de ervaring opdoen, dat er weinig landen zijn, +waar de vreemdelingen een guller en hartelijker onthaal vinden, +dan in de engelsche stations van Hindostan. Om aan de verschillende +uitnoodigingen te kunnen beantwoorden, zagen wij ons verplicht, vijf +dagen te Nusserabad te vertoeven. Trouwens, die dagen werden op de +aangenaamste wijze doorgebracht: onder anderen ook door een uitstapje +naar de Aravallis, waar wij, met eenige officieren, gingen jagen. De +vlakten om het kamp zijn overrijk aan allerlei soorten van wild; en +in de dalen en kloven der groote bergketen huizen eene menigte wilde +dieren. De jacht is dan ook een van de voornaamste uitspanningen der +officieren, die zeer weinig te doen hebben; ieder jaar organiseeren +zij groote expeditiën, die aan eene menigte tijgers, panthers, beren +en dergelijken het leven kosten, en stof opleveren voor gesprekken en +verhalen gedurende het gansche jaar. Het ontbreekt op die jachten dan +ook dikwijls niet aan dramatische incidenten en treffende ontmoetingen; +doorgaans zelfs loopt het niet zonder ongelukken af. Want de tijger, +schoon in gewone omstandigheden eer lafhartig dan moedig en zoolang +mogelijk de voorkeur gevende aan de vlucht, wordt toch, als hij eenmaal +gewond en in de engte gedreven is, een allergevaarlijkste tegenpartij, +die niets meer ontziet en geen gevaar kent. + +Den 30sten Maart begeven wij ons op weg naar Ajmeer, waarvan wij nog +slechts vijftien mijlen verwijderd zijn. Even voorbij Nusserabad begint +het bergland, en weldra bevonden wij ons midden in de Aravallis. Juist +toen wij de eerste bergengte doortrokken, verhief de zon zich boven de +kimmen, en zette het prachtige landschap eene nieuwe bekoorlijkheid +bij; aan alle zijden verrijzen getande, afgebrokkelde, wonderlijk +gevormde naalden en spitsen en toppen, waartusschen zich diepe +afgronden openen, in ondoordringbaar duister gehuld. De zonnestralen, +door de rotspunten gebroken en weerkaatst, vlechten rooskleurige +lichtkransen om de hoogere toppen; reusachtige cactussen, de +eenige plant die op deze hoogte tiert, vormen schilderachtige +groepen en fantastische bosschages; op de bergvlakten verheffen +zich enkele breedgebladerde acacias met vuurroode bloementrossen; +duizende patrijzen, in het kreupelhout verscholen, begroeten met hun +doordringend geschreeuw de opkomende zon, terwijl van tijd tot tijd, +bij onze nadering, een pauw opvliegt, en als een krans van stralende +smaragden voor onze oogen schittert. De frischheid van den morgen, +het gezang der vogels, de schoonheid van het landschap, doen ons +alle vermoeienissen vergeten; eene vroolijke opgewektheid bezielt +ons allen; wij zijn weldra aan het doel. Wij slaan een hoek om, +en daar ligt Ajmeer voor ons, met zijne beroemde citadel Teraghur; +een prachtige, verrassende aanblik: de witte huizen der stad zijn +in een breeden krans van groen gevat, waardoor zij eene bloeiende +oase schijnt te midden dezer wildernis van rotsen en klippen. Eene +breede vallei scheidt ons nog van haar, en wij hebben niet minder +dan twee uren noodig, om die vallei door te trekken; nabij de stad is +het veld overal bezaaid met bloemen, die reusachtige perken vormen, +en waaruit de zoo beroemde oliën en reukwaters vervaardigd worden. + +Ten negen uur trekken wij, door eene der oude poorten Ajmeer binnen, +en verliest zich onze karavaan in smalle en schilderachtige bazars, +die op het eerste gezicht aan die van Kaïro herinneren. Onze +voornaamste zorg is het vinden van een geschikt logement; hier is +geen rana, die een paleis ter onzer beschikking kan stellen; hier +is zelfs geen bungalow, want er komen hier zoo weinig reizigers, +dat de stad geene inrichting van dien aard bezit. Wel hebben wij +brieven voor den gouverneur der provincie, den majoor Davidson, +en zouden wij dus een beroep kunnen doen op zijne gastvrijheid; +maar het valt licht te begrijpen, dat ongevraagde gasten niet altijd +welkom zijn, vooral niet, als zij met een gevolg van een vijftig +personen komen. Ik herinnerde mij evenwel dat de majoor Nixon ons +den raad gegeven had, om, wanneer wij in verlegenheid mochten zijn, +ons in zijn naam te wenden tot een bankier van de sekte der Djaïnen, +den Seth Partah-Mull. Ik vraag een der voorbijgangers mij de woning +van den Seth te wijzen; en na verschillende groote straten, met fraaie +huizen omzoomd te zijn doorgegaan, komen wij bij den bankier. Zijne +bedienden ontvangen ons met groote beleefdheid; en weldra sta ik +tegenover den Seth, een man van omstreeks veertig jaar, met een zeer +innemend voorkomen. Nauwelijks heb ik hem de reden van ons bezoek +medegedeeld, of zonder verdere ophelderingen of verontschuldigingen +af te wachten, geeft hij onmiddellijk last dat een zijner huizen tot +onze beschikking zal worden gesteld. Met innemende vriendelijkheid +weigert hij zelfs onze dankbetuigingen aan te hooren, verklarende dat +hij ons dank verschuldigd is voor de bewezen eer, ons tevens dringende +om van de lange reis te gaan uitrusten. Een half uur later bevonden +wij ons in een keurig, indisch huisje ver van de bazars in eene der +voorsteden; de bedienden van den Seth brengen haastig alles in orde +voor ons verblijf: rondom onze woning strekt zich een groote boomgaard +uit, met granaat- en citroenboomen beplant; een kanaal met stroomend +water loopt door deze bosschage, overal frischheid verspreidende. Dit +alles heeft Purtab-Mull, met vorstelijke gastvrijheid, geheel tot onze +beschikking gesteld voor al den tijd dien wij hier zullen vertoeven. + +Te Ajmeer aangekomen, haast ik mij, het geleide, dat de rana ons +gegeven had, terug te zenden, en den koning tevens kennis te geven +van de wijze, waarop wij onderweg zijn ontvangen geworden; vervolgens +geef ik den majoor Davidson bericht van onze aankomst. De majoor +zond ons aanstonds een zijner rijtuigen, en stelde zich geheel te +onzer beschikking voor het bezoeken der stad en hare omstreken. Het +is bijna onnoodig hierbij te voegen, dat ik ook bij hem hetzelfde +vriendelijke onthaal en dezelfde voorkomende hulpvaardigheid vond, +waaraan de hooge engelsche ambtenaren in Indië mij reeds gewend hadden. + +Ajmeer is eene zeer oude stad; in de eerste eeuwen onzer jaartelling +werd zij gesticht door den Sjohan Aja-Pal, die, volgens de legende, +aanvankelijk een herder was, maar later een machtig vorst werd. Hij +bouwde de beroemde citadel, die de stad beheerscht, en maakte zich van +geheel de omliggende landstreek meester. Vandaar de naam der stad, die +sommigen Aja-Mer, de berg van den herder, of Aji-Mer, de onverwinlijke +berg, noemen. In 1191 maakte de Sultan Shahab-Oedin zich meester +van Ajmeer, in 1559 voegde Akbar ook dit gewest bij het rijk van den +Groot-mogol. De latere lotgevallen van de stad vermeldde ik reeds. + +Ajmeer ligt in eene bekoorlijke vallei; aan de eene zijde breidt +de stad zich uit langs den oever van eene schilderachtig meer, +de Ana-Sagur; aan de andere zijde leunt zij tegen de hellingen van +een prachtigen berg, op welks top zich het fort Teraghur verheft. De +schoone ligging en het heerlijke klimaat lokten al vroeg de mongoolsche +keizers, die de vallei met hunne paleizen en parken vulden. Een der +fraaiste dezer paleizen is dat van Daôlat-Baugh, dat in de zestiende +eeuw door keizer Jehanghir werd gebouwd, en tegenwoordig de residentie +is van den engelschen gouverneur. Sierlijke marmeren paviljoenen +verrijzen aan den oever van het meer, en bieden het heerlijkst +panorama over de stad en de omliggende bergen. De groote tuin is vol +eeuwenheugende boomen: daar ontving der trotsche Jehanghir eens den +gezant van koning Jacobus I van Engeland, die hem de hulde van zijn +meester kwam brengen. + +Het meer is, evenals alle meren in dat gedeelte van Indië, gevormd +door het kunstmatig afsluiten eener rivier; de reusachtige dijk +werd in de elfde eeuw, onder de regeering van koning Ana-Dévâ, +aangelegd. De stad is omsloten door een gordel van zware muren, op +bevel van keizer Jehanghir opgetrokken, die aan de eene zijde langs de +toppen der aangrenzende bergen loopen en zich aan de citadel Teraghur +aansluiten. Acht groote, fraaie poorten geven toegang tot de stad. Aan +de zijde der vlakte wordt Ajmeer verdedigd door een versterkt kasteel, +dat een groot paleis en kazernen voor de bezetting bevat, maar alleen +in tijd van nood wordt gebruikt. Geene andere stad van Radsjpoetana, +Jeypoor uitgezonderd, bezit zulke fraaie bazars als Ajmeer; het is die +gedeeltelijk aan de Engelschen verschuldigd. Deze bazars zijn fraaie, +breede, wel aangelegde straten, ter wederzijde van trottoirs voorzien; +de benedenverdiepingen der huizen zijn tot sierlijke winkels ingericht; +de gevels prijken met balkons en verandahs. De woningen der rijken +zijn van wit marmer, en daaronder zijn er verscheidene, die met +volle recht op den naam van paleizen aanspraak mogen maken. Ik wijs +slechts op het paleis der Seths, het eigendom van eenige bankiers van +de sekte der Djaïnen, een wonderschoon gebouw, eerst in den laatsten +tijd verrezen, maar dat gerust de vergelijking kan doorstaan met de +uitnemendste gewrochten van de kunst der Radsjpoeten. + +Nevens deze groote ruime bazars, de schepping der Engelschen, breidt +zich een net uit van nauwe, kronkelende, schilderachtig verwarde +straten en stegen, altijd opgevuld met eene luidruchtige menigte. De +kunstenaar vindt daar eerst het ware, echte Ajmeer en weinige steden +van het Oosten, Kaïro daaronder begrepen, kunnen een verrassender, +bekoorlijker aanblik opleveren. Alle stammen en rassen van Indië +ontmoeten elkander in deze nauwe straten, niet meer dan twee el breed, +waar de voornaamste markt gehouden wordt van een land, ongeveer zoo +groot als Frankrijk; in deze duistere winkels vindt ge genoegzaam alle +takken van nijverheid en bedrijf vertegenwoordigd. Niets belangrijker +dan eene wandeling door deze bazars: gedurende mijn verblijf in de +stad besteedde ik geregeld mijne morgenuren, om alleen te midden dezer +schare heen en weder te kuieren; en iederen dag vond ik wat nieuws, +dat mijn aandacht trok. Daar zit op zijn hooge bank, waarheen hij +langs een trap opstijgt, de juwelier, een brahmaan, kenbaar aan +het gewijde koord om het naakte bovenlijf, bezig met het snijden +van keurige edelgesteenten: hij heeft eene groote bril op den neus, +het onmisbaar teeken zijner waardigheid als meester in het vak; zijne +leerlingen, ongetwijfeld zijne zonen, zijn bezig met het smeden of +bewerken van kostbare metalen. Zoodra ik het woord tot hem richt, +neemt hij zijn bril af, groet mij met de uiterste wellevendheid, en +haalt dadelijk uit een ijzeren kistje zijne kostbaarheden voor den +dag; hij laat mij alles zien, en verklaart mij de wijze van bewerking; +hij is volkomen tevreden indien ik eene of andere kleinigheid koop, +zonder mij iets hoegenaamd op te dringen.--Daarnaast is de fabriekant +van armbanden en ringen; voor het vuur neergehurkt, smelt hij zijn fijn +rood- of groenkleurig lak, dat hij vervolgens over een ronden vorm, +in de gedaante van een suikerbrood, uitspreidt; dan verdeelt hij de +massa, met een scherp werktuig, in smalle ringen, en haar plotseling +afkoelende, stelt hij mij in een oogenblik twintig braceletten +ter hand, even licht als sierlijk. Deze kunstenaar is doorgaans +een banian van Marwar of een muzelman; zijne vrouw is hem bij zijn +bedrijf behulpzaam, of wel zij past de braceletten aan de klanten, +die nooit ontbreken, want alle vrouwen en meisjes, van welke kaste +ook, dragen eene menigte van deze armbanden, zoo zelfs dat soms de +geheele voorarm er mede bedekt is; en daar deze sieraden uiterst +broos en tevens zeer goedkoop zijn, is er steeds drukke navraag. + +De rij der winkels volgende, komen wij langs de vervaardigers +van muziekinstrumenten, waar ge groote violen, guitaren, gongs +en tam-tams ziet uitgestald; langs de kopergieters, op den grond +neergezeten te midden van stapels van koper vaatwerk van allerlei +vorm en grootte. Somwijlen is eene gansche straat uitsluitend bewoond +door lieden, die hetzelfde ambacht drijven: schoenmakers, zijdewevers, +pottenbakkers, die, zonder iets van de concurrentie te vreezen, hunne +waren nevens elkander uitstallen. De bazars waar laken en zijde en +andere stoffen verkocht worden, zijn de voornaamste; hier zijn de +winkels goed verlicht en netjes; de koopman, op sneeuwwitte kussens +neergezeten, wacht rustig zijne klanten af, terwijl zijn boekhouder, +van den morgen tot den avond op eene eindelooze rol papier zit te +cijferen. Te midden der vroolijke, luidruchtige menigte bewegen zich +voortdurend een aantal straatventers, die u op luiden toon hunne +waren aanprijzen: balletjes van suiker en meel, gebakjes, groenten, +vruchten, betel, messen en vele andere zaken. + +Sedert eeuwen reeds in de macht der muzelmannen, bevat Ajmeer geen +enkel monument meer, dat aan zijne vroegere beheerschers herinnert, +die, naar de overlevering verhaalt, de stad met de uitnemendste +kunstgewrochten hadden getooid; van deze heerlijkheid is evenwel +niets overgebleven dan de Araï-Dinka-Jhopra, aan den voet van den +Teraghur, waarop ik straks terugkom. Binnen de stad zelf is het eenige +oude monument de doergah van Kowjah-Sayed: een der meest gevierde +heiligdommen van het mohammedaansche Hindostan. De doergah bevat het +graf van den hoogvereerden Kowjah-Sayed, den eersten prediker van den +islam aan de ongeloovige bewoners van Ajmeer. In het jaar 527 van de +hedsjra in Sijistan geboren, kwam hij te Ajmeer met den veroveraar +Koetub en bleef daar tot aan zijn dood. Hij had, toen hij stierf, +den eerwaardigen ouderdom van honderd-acht jaren bereikt. Zijn leven +was eene opeenvolging van vrome daden en van wonderen, die de stof +hebben geleverd voor tallooze legenden. Na zijn dood vereerden alle +vorsten van Indië zijn graf met geschenken; en keizer Jehanghir liet +hem, in 1610, een prachtig mausoleum oprichten. + +Ik begaf mij naar den doergah met een aanbevelingsbrief van den +gouverneur; maar deze had mij toch gewaarschuwd dat ik waarschijnlijk +niet zeer vriendelijk zou worden ontvangen: want in den regel worden +de Europeanen niet tot het inwendige van het gebouw toegelaten. Bij +de eerste poort werd ik terug gehouden door een groep mannen met +een somber en dreigend voorkomen, die mij op ruwen toon toevoegden, +dat ik niet verder mocht gaan, zonder mij eerst van mijne schoenen +te ontdoen. Daar ik mij vast voorgenomen had, alles te zien, +gehoorzaamde ik dadelijk aan dit bevel, en volgde op mijne kousen +een der mollahs, die aanbood mij als gids te dienen. Wij betraden +eene ruime binnenplaats, met wit marmer geplaveid, en aan alle zijden +omgeven door moskeeën en graftomben, allen verblindend wit en stralende +in het zonnelicht; in het midden, door prachtige boomen overschaduwd, +verhief zich het wit marmeren mausoleum. Die weinige boomen, te midden +dezer omgeving van gepolijst marmer, verspreidden eene zachte, als +van licht doortrokken schaduw, en maakten van dezen hof, waar anders +de veelheid der monumenten lichtelijk zou hebben vermoeid en gedrukt, +een waar paradijs. Eene diepe stilte heerschte in het rond; geen enkel +geluid, dan alleen het zacht gemompel van enkele oude mollahs, die, op +de steenen neêrgebogen, gebeden en litanieën prevelden. Ik zette mij +onder een boom neder, en mijn gids liet mij aan mijne overpeinzingen +over. Het was mij niet vergund, het graf zelf van den heilige te +naderen, maar van verre zag ik een massief zilveren kist onder +een troonhemel van goudlaken: daar rustten de kostbare relikwieën, +waaraan telken jare vele duizende pelgrims hunne hulde komen bewijzen. + +Van den doergah van Kowjah-Sayed begaf ik mij naar de moskee van +Araï-Din-ka-Jhopra, waarvan de bouwvallen zich schilderachtig +verheffen in een klein bosch, op korten afstand van de wallen van +den Teraghur. Deze beroemde moskee is zeker een der merkwaardigste +monumenten van geheel Hindostan, niet alleen door hare zeldzame pracht, +maar vooral door hare archeologische beteekenis. Zij is tegelijkertijd +een der eerste gebouwen, door de muzelmannen in Indië opgericht, +en ook een der fraaiste exemplaren van de eigenaardige architectuur +der Djaïnen, uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Dit schijnbaar +zonderling verschijnsel is evenwel niet moeilijk te verklaren. Toen +de Mohammedanen de indische rijken overweldigden, waren hunne woeste +horden op niets anders dan op plundering en vernieling bedacht, +zonder er zich in het minst om te bekommeren wat de plaats zou moeten +innemen der kunstgewrochten, die zij verwoestten. Eenmaal meester van +het land geworden zijnde, en zich daar voorgoed willende vestigen, +haastten de eerste sultans zich, tempels op te richten ter eere van +den waren God; en daar zij zelf geen bouwmeester hadden, moesten zij +daarvoor de hulp der Hindoes inroepen. De prachtige paleizen der oude +inlandsche koningen en de wonderschoone tempels der afgoden leverden +hun bouwstoffen in onuitputtelijken overvloed. Zij lieten slechts de +afgodsbeelden wegnemen, eenige eigenaardige ornamenten aanbrengen, +en gaven aan het aldus gemetamorphoseerde gebouw den stempel eener +moskee door het bijbouwen van een gevel of portiek met puntbogen. Aldus +ontwikkelde zich die grootsche, indrukwekkende stijl, waaraan sommigen +den naam van indo-sarraceenschen hebben gegeven, en waaraan Indië, +voor een goed deel, zijne uitnemendste kunstgewrochten dankt. + +De Araï-Din-ka-Jhopra--dat wil zeggen, het werk van twee-en-een-halven +dag--staat op een hoog terras, waarheen vroeger breede steenen trappen +voerden, die tegenwoordig verdwenen en door een eenvoudiger stoep +vervangen zijn. De aanblik van deze ruïnen is zeer schilderachtig: +dicht geboomte omhult den voet van het terras, en laat niets +doorschemeren dan alleen de gebeeldhouwde kroonlijst der moskee. Eene +sierlijke poort voert naar eene groote geplaveide binnenplaats, waarvan +de zerken meerendeels verbroken zijn. Tegenover deze poort verrijst +de moskee; maar de gevel is bijna geheel verborgen door eene rij +groote boomen en een modernen muur, hetgeen het effect bederft. Aan de +drie andere zijden is de hof omgeven door zuilengalerijen, die groote +paviljoenen, in een ernstigen stijl gebouwd, dragen. Eerst als ge door +het poortje in den muur zijt gegaan, kunt ge de moskee in haar geheel +overzien. In het midden van den voorgevel verheft zich eene hooge +majestueuse poort, ter wederzijde omgeven door drie lagere booggangen: +deze zeven poorten dragen de namen van de zeven dagen der week. De +gansche voorgevel is als met een net van beeldhouwwerk bedekt, zoo +fijn en zoo smaakvol, dat het alleen met kant te vergelijken is. Het +inwendige der moskee is dezen prachtigen voorgevel volkomen waardig: +moeilijk kunt ge u iets schooners denken dan deze ruime hal, waarvan +het heerlijk gebeeldhouwde gewelf door vier rijen sierlijke zuilen +gedragen wordt. + +Het middenschip is gedekt door eene reeks koepels in den eigenaardigen +djaïna-stijl; de zijschepen hebben platte zolderingen, in vakken +verdeeld en evenals de koepels, met de grootste weelderigheid en +rijkste verscheidenheid van beeldhouwwerk bedekt. De zuilen zijn +evenzeer uitnemende modellen van den djaïna-stijl; door hun slanken +vorm en hunne schikking geven zij aan den tempel een karakter van +grootschheid en majesteit, meer dan anders aan de heiligdommen dezer +secte eigen pleegt te zijn. + +Geen enkel opschrift geeft den tijd der stichting van dezen tempel +aan; in den muur bevindt zich wel een zwart marmeren plaat, waarop +eenige regelen in het sanskriet zijn gebeiteld, maar dit opschrift +is volstrekt onleesbaar. Todd meent dat de tempel gesticht werd door +koning Swamprithi, twee eeuwen vóór Christus; en tot staving van +dat gevoelen beroept hij zich op de gelijkenis van dit monument +met de ruïnen van een ander heiligdom te Komulmair, waarvan de +stichting aan dien vorst wordt toegeschreven. Het komt mij juister +voor, de stichting van dezen tempel te plaatsen omstreeks de vierde +eeuw van onze jaartelling, toen de zoogenaamde djaïna-stijl, zich +van den boeddhistischen stijl losmakende, zich zelfstandig begon +te ontwikkelen. Ware de Araï-Din-ka-Jhopra inderdaad door koning +Swamprithi gebouwd, dan zou zij een boeddhistische tempel zijn +geweest. Wat hier ook van zij, de oude tempel van Ajmeer, later in +eene moskee herschapen, is een hoogst merkwaardig kunstgewrocht; +en het is treurig te zien, hoe dit monument gaandeweg in een bouwval +verandert: over weinige jaren zal er zoogoed als niets meer van over +zijn; en den Engelschen zal met recht het verwijt treffen dat zij +een gedenkteeken hebben laten vervallen, zelfs door de wilde horden +van Turkestan ontzien en met eerbied behandeld. + +Ik richtte nu mijne schreden naar den ouden burcht der Sjohan-koningen, +waarvan de zware muren en torens, volgens de overlevering door Aja-Pal +gebouwd, zich op den top des bergs, ongeveer duizend voet boven mijn +hoofd, verhieven. Dit was geen gemakkelijk werk, want de helling +van den berg is zeer steil; maar de moeite wordt rijkelijk beloond +door het prachtige panorama, dat zich, naarmate men hooger komt, +voor den blik ontvouwt. Van de wallen van den Teraghur overziet ge, +met een enkelen blik, geheel deze breede, wonderschoone vallei, eene +ware oase, verloren te midden van eene wildernis van naakte rotsen en +dorre zandvlakten; naar het westen ontwaart ge eene breede, lange gele +streep: dat is de woestijn van Thoerr, Maroestan, het koninkrijk van +den Dood. Het uitzicht treft bovenal door de rijke afwisseling en de +scherpe contrasten, vlak nevens elkaar; het loont, zooals ik zeide, +volkomen de moeite der beklimming; maar iets anders moet ge hier +dan ook niet zoeken. Geen enkel spoor is meer te vinden van de oude +koninklijke paleizen: niets dan eene kleine, armzalige, witgepleisterde +moskee, en de ruime barakken van het engelsche sanitarium. De lucht is, +op deze hoogte, zeer zuiver, en de temperatuur, bijna het gansche jaar +door, gematigd. De Engelschen hebben daarvan gebruik gemaakt, en de +oude koningsveste ingericht tot een sanitarium of gezondheids-station, +waar de soldaten, die te Nusserabad en te Ajmeer in bezetting liggen, +zich van tijd tot tijd komen verfrisschen en hunne uitgeputte krachten +herstellen. + +De omstreken der stad zijn uitnemend schoon en rijk aan bekoorlijke +wandelingen. Een van de voornaamste sieraden der omliggende dorpen zijn +de reusachtige baolis of waterputten. De uitdrukking put is echter +min juist gekozen: het is een soort van vijver, door onderaardsche +bronnen gevoed, en waarvan de waterspiegel altijd verscheidene ellen +beneden den beganen grond ligt. De wanden van dezen reusachtigen put +zijn tot boven den grond met sierlijke galerijen, eenige verdiepingen +hoog, voorzien; ik weet het geheel niet beter te vergelijken dan +bij een huis, waar men door het dak zou inkomen, en ver beneden +op de binnenplaats neerzien. Een koepel kroont het geheele gebouw, +dat in den regel eene stichting is van particuliere liefdadigheid en +den reiziger een vrij verblijf aanbiedt. De galerijen zijn dan ook +meestal met eene bonte menigte gevuld; en beneden, aan den rand van +den vijver, ziet ge altijd mannen en vrouwen, die zich baden of de +door hunne godsdienst voorgeschreven wasschingen volbrengen. Water +en koelte zijn de kostbaarste geschenken, die men in Indië den armen +reiziger, op zijne eindelooze tochten, bieden kan; en waar hij die +vindt, zal hij nooit vergeten voor zijn edelen weldoener te bidden. + +Wij vertoefden omstreeks tien dagen te Ajmeer, en brachten dien tijd, +in gezelschap van majoor Davidson en een kleinen kring Europeanen, +zoo aangenaam mogelijk door. Eindelijk moesten wij zorgen voor eene +nieuwe karavaan, om onze reis naar Jeypoor te vervolgen: en daar wij +hier geen inlandsch vorst vonden, die ons dadelijk verschafte wat wij +noodig hadden, had dit vrij wat moeite in. Evenwel, met behulp der +engelsche overheden, slaagde ik er in, de noodige lastdieren bijeen +te krijgen, benevens twee slechte dromedarissen. Daar de wegen veilig +waren, hadden wij geen gewapend geleide noodig. + +(_Wordt vervolgd._) + + + + + +DE KINABOOM IN INDIË. + + +De britsch-indische regeering is op de gelukkige gedachte gekomen, +om den kostbaren kinaboom, wiens vaderland, zooals men weet, +Zuid-Amerika is, naar Hindostan over te brengen, en daar, zoo mogelijk, +te acclimatiseeren. De door haar genomen proeve mag nu reeds worden +gerekend volkomen te zijn geslaagd. In de plantages op den Nilagiris +bevinden zich tegenwoordig ruim twee millioen zesmaalhonderd duizend +kinaplanten, die eene uitgestrektheid van meer dan negenhonderd-vijftig +acres (bunders) land beslaan. De grootste boomen zijn dertig voet +hoog, en hebben een omvang van ruim drie voet. In het afgeloopen +jaar werden bijna zevenduizend-driehonderd pond voortreffelijke +kinabast uit deze plantages te Londen ter markt gebracht, terwijl +bovendien meer dan vijf-en-dertig duizend pond in Indië zelf +werden afgeleverd. De totale opbrengst bedroeg zestienhonderd pond +sterling. De aanzienlijke uitgaven, die de regeering zich voor de +aankweeking dezer kostbare plant in Indië getroost heeft, zullen haar +binnen kort met winst worden terugbetaald; en, wat van meer belang is, +reeds nu worden jaarlijks honderde inboorlingen, door het gebruik der +kinine, genezen. Het hoofddoel van dezen menschlievenden, weldadigen +maatregel, het kostbaar geneesmiddel tegen de koorts ook voor de +armsten verkrijgbaar te stellen, is reeds bereikt geworden. Ook in +dit opzicht heeft de britsche regeering bewezen een zegen voor hare +aziatische onderdanen te zijn. + + + + + +HET INDO-ENGELSCHE GEZANTSCHAP AAN DEN ATALIK-GAZI VAN OOST-TURKESTAN. + + +Sedert nu ruim een jaar geleden, de russische generaal Kaulbars naar +Kashgar ging en met den Atalik-Gazi een handelsverdrag sloot, heeft men +zich ook in Engeland meer rekenschap gegeven van het gewicht, dat deze +vorst in het hart van Centraal-Azië, door de ligging van zijn land, bij +den min of meer vreedzamen wedstrijd tusschen Rusland en Engeland in +de schaal kan leggen. Door het boek van Shaw, dat zoovele belangrijke +mededeelingen omtrent de handelsbetrekkingen dezer streken bevat, +en door de herhaalde waarschuwingen van Vámbery, zijn de Engelschen +tot de overtuiging gekomen, dat hier niet enkel commerciëele, maar ook +zeer ernstige politieke belangen op het spel staan. Hayward en Forsyth +waren, evenals Shaw, nu drie jaren geleden naar Yarkhand gegaan, om +met den Atalik-Gazi betrekkingen aan te knoopen; maar hunne pogingen +waren met geen gunstig gevolg bekroond geworden. Sedert dien tijd is +bij dien vorst, voornamelijk door het naderen der Russen tot dicht +bij de grenzen van zijn rijk, de overtuiging levendig geworden, +dat het in zijn eigen belang wenschelijk is, met den onder-koning +van Hindostan op vriendschappelijken voet te staan. + +In het begin dezes jaars verscheen te Calcutta een gezant van den +Atalik-Gazi, om de wederzijdsche betrekkingen tusschen de beide +mogendheden te bespreken, en de verzekering te geven, dat een +engelsch gezantschap in Kashgar op eene vriendelijke ontvangst kon +rekenen. De onder-koning, lord Northbrooke, heeft onmiddellijk aan +dien wenk gevolg gegeven; en voor eenigen tijd is uit Calcutta het +bericht ontvangen dat dit gezantschap, in de maand Juli aanstaande, +van Simlah uit de reis zou aanvaarden. Vandaar zal het gezantschap +den weg volgen door Kashmîr en Ladakh, en vandaar over Shadoela en +Yarkhand naar Kashgar, waar men nog voor het einde van het jaar hoopt +aan te komen. Aan het hoofd dezer zeer belangrijke zending staat de +bekwame, ervaren Forsyth, wien verder eenige uitstekende mannen op +verschillend gebied zijn toegevoegd. + +Met het oog op de groote gebeurtenissen, die zich, in eene meer of min +verwijderde toekomst, in Centraal-Azië voorbereiden, kan de uitslag +van deze zending van zeer groot gewicht zijn. + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Zie _Aarde_, 1872, bladz. 281 en volgende. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Schetsen uit de Indische Vorstenlanden, by +Louis Rousselet + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SCHETSEN UIT DE INDISCHE *** + +***** This file should be named 18098-8.txt or 18098-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/0/9/18098/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +*** END: FULL LICENSE *** + diff --git a/18098-8.zip b/18098-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b30b2b6 --- /dev/null +++ b/18098-8.zip diff --git a/18098-h.zip b/18098-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0efcc16 --- /dev/null +++ b/18098-h.zip diff --git a/18098-h/18098-h.htm b/18098-h/18098-h.htm new file mode 100644 index 0000000..5b0ad56 --- /dev/null +++ b/18098-h/18098-h.htm @@ -0,0 +1,3059 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>The Project Gutenberg eBook of Schetsen uit de Indische Vorstenlanden</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Louis Rousselet (1845–1929)"> +<meta name="DC.Creator" content="Louis Rousselet (1845–1929)"> +<meta name="DC.Title" content="Schetsen uit de Indische Vorstenlanden"> +<meta name="DC.Date" content="##### 2006"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16% 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +/****** Title Page ******/ + +h1.docTitle +{ +font-size: 1.6em; +line-height: 2em; +} + +h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle +{ +text-align: center; +} + +h2.byline +{ +font-size: 1.1em; +line-height: 1.44em; +font-weight: normal; +} + +span.docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: normal; +} + +/******* Headers ******/ + +.div0 +{ +padding-bottom: 1.6em; +} + +.div1 +{ +padding-bottom: 1.44em; +} + +.div2 +{ +padding-bottom: 1.2em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-bottom: 1.0em; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-style: normal; +text-transform: none; +clear: both; +} + +h1 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h1.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h2 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h2.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h3 +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h4 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left: 10%; +margin-right: 10%; +} + +h5 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +h6 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +/****** Paragraphs ******/ + +p +{ +text-indent: 0; +} + +.alignleft +{ +text-align: left; +} + +.aligncenter +{ +text-align: center; +} + +.alignright +{ +text-align: right; +} + +.alignblock +{ +text-align: justify; +} + +p.poetry +{ +margin: 0em 10% 1.58em 10%; +} + +p.line +{ +margin: 0 10% 0 10%; +} + +p.beforeline, p.afterline +{ +margin-top: 1em; +} + +p.initial +{ +text-indent: 0em; +} + +p.argument, p.note +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +text-indent: 0em; +} + +p.argument +{ +margin: 1.58em 10% 1.58em 10%; +} + +p.quote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + +div.blockquote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + + +/****** Figures ******/ + +div.divFigure +{ +text-align: center; +} + +.floatLeft +{ +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +text-align: center; +} + +p.figure, p.legend +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} + +p.smallprint, li.smallprint +{ +font-size: 80%; +color: #666666; +} + +/* Special cases for Filipino Riddles */ + +p.question +{ +text-align: left; +margin-bottom: 0em; +} + +p.answer +{ +text-align: right; +margin-top: 0em; +} + +p.explanation +{ +margin-left: 0.9em; +margin-right: 0.9em; +font-size: smaller; +} + + +/****** Sidenotes ******/ + +.leftnote +{ +position:absolute; +left:1%; +height:0em; +width:14%; +font-size: 0.8em; +text-indent: 0em; +line-height: 1.2em; +} + +/****** Page Numbers ******/ + +.pagenum +{ +display: inline; +font-size: 70%; +text-align: right; +position: absolute; right: 1%; +padding: 0 0 0 0; +margin: 0 0 0 0; +} + +.pagenum a +{ +text-decoration: none; +} + + +/****** Footnotes ******/ + +a.noteref:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +vertical-align: 0.25em; +text-decoration: none; +} + +div.footnotes +{ +padding: 0 0 0 0; +margin-top: 1em; +} + +hr.fnsep +{ +width: 25%; +text-align: left; +margin-left: 0; +margin-right: 0; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0.5em; +margin-bottom: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align: left; +width: 2em; +} + +/****** Poetry ******/ + +div.poem +{ +text-align: left; +margin-left: 5%; +width: 90%; +position: relative; +} + +.poem h4 +{ +margin-left: 5em; +font-weight: normal; +text-decoration: underline; +} + +.poem .stanza +{ +margin-top: 1em; +} + +.poem .linenum +{ +position: absolute; +top: auto; +left: -2.5em; +margin: 0; +text-indent: 0; +font-size: 90%; +text-align: center; +width: 1.75em; +color: #777; +} + +.poem .i0 { display: block; margin-left: 2em; } +.poem .i1 { display: block; margin-left: 3em; } +.poem .i2 { display: block; margin-left: 4em; } +.poem .i3 { display: block; margin-left: 5em; } +.poem .i4 { display: block; margin-left: 6em; } +.poem .i5 { display: block; margin-left: 7em; } +.poem .i6 { display: block; margin-left: 8em; } +.poem .i7 { display: block; margin-left: 9em; } +.poem .i8 { display: block; margin-left: 10em; } +.poem .i9 { display: block; margin-left: 11em; } + + + +/****** Annotations ******/ + +span.corr +{ +border-bottom: 1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom: 1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom: 1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing: 0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant: small-caps; +} + + +/****** Anchors ******/ + +a.hidden:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.hidden +{ +text-decoration: none; +} + +hr +{ +width: 45%; +margin-top: 1em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +clear: both; +text-align: center; +height: 1px; +} + + + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Schetsen uit de Indische Vorstenlanden, by +Louis Rousselet + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Schetsen uit de Indische Vorstenlanden + De Aarde en haar volken, 1873 + +Author: Louis Rousselet + +Release Date: April 1, 2006 [EBook #18098] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SCHETSEN UIT DE INDISCHE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="bodytext"><a id="d0e63"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e63">41</a>]</span><p class="div1"></p> +<h2>Schetsen uit de Indische Vorstenlanden.</h2> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-041.jpg" alt="Balkon van de groote moskee te Sirkhej."></p> +<p class="figureHead">Balkon van de groote moskee te Sirkhej.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Op het eiland Java bestaan—het zal niemand onder onze lezers onbekend zijn—nog twee zoogenoemd zelfstandige staten: het keizerrijk +van Solo of Soerakarta, de ruïne van het eenmaal zoo machtige rijk van Mataram; en het rijk van Djokjokarta. De landstreken +aan het gezag van den Soesoehoenan of keizer van Soerakarta en den sultan van Djokjokarta onderworpen, worden met den naam +van Vorstenlanden aangeduid, ter onderscheiding van de gewesten, die rechtstreeks onder het bestuur der nederlandsche regeering +staan. Toch is de onafhankelijkheid dezer beide inlandsche staten inderdaad niet veel meer dan een schijnbeeld: de keizer +en de sultan zijn niet anders dan vasallen van het nederlandsche gouvernement, dat aan hun hof door een resident vertegenwoordigd +wordt, zonder wiens goedvinden de bijkans machtelooze heerschers, hoe ook met alle uiterlijke teekenen en huldebetooningen +der souvereiniteit omringd, niet veel vermogen. Soortgelijke toestanden bestaan ook, en op grooter schaal en in rijker afwisseling, +in het reusachtige britsch-indische rijk, dat metterdaad geheel Hindostan met een deel van Achter-Indië omvat. Ook dit bijkans +onmetelijke gebied is niet geheel aan de onmiddellijke heerschappij van den engelschen landvoogd onderworpen: uitgestrekte +landen, koninkrijken en vorstendommen, hebben tot dus ver nog eene zekere mate van onafhankelijkheid en zelfstandigheid weten +te bewaren, en worden nog altijd door hunne eigene Vorsten geregeerd; schoon al deze Vorsten, in meerdere of mindere mate, +aan de opperhoogheid der britsche kroon zijn onderworpen, of althans door verdragen zoogenaamd tot bondgenooten, inderdaad +tot vasallen, van Engeland zijn gemaakt. Het zijn deze landen, koninkrijken en vorstendommen, die wij met den naam van indische +Vorstenlanden wenschen aan te duiden: een naam, gewettigd door de gelijkheid van toestand hier met dien op het eiland Java. + + +</p> +<p>Nog onlangs hebben wij den franschen reiziger L. Rousselet vergezeld bij zijn bezoek aan het hof van een dezer inlandsche +Vorsten, den Guikowar of koning van Goezerate, die te Baroda zijn zetel heeft.<a id="d0e76src" href="#d0e76" class="noteref">1</a> Wij waren daar getuigen van de eigenaardige gebruiken en de schitterende weelde van een indisch hof; en hadden tevens gelegenheid, +zij het ook slechts van ter zijde, een blik te werpen op de innerlijke toestanden des lands en de regeering van den Rajah. +Wij durven vertrouwen dat het verhaal van den heer Rousselet een gunstigen indruk heeft achtergelaten, zoodat het voorstel +om hem ook op zijn verderen tocht door de indische vorstenlanden te vergezellen, onzen lezers niet onwelkom zal zijn. + + + +</p> +<p class="div2"></p> +<h3 class="label">I.</h3> +<p>Van Baroda begaf ik mij naar Ahmedabad, de aloude hoofdstad der sultans, eene der prachtigste steden van het Oosten. Wij kwamen +daar den 5<sup>den</sup> December aan, en namen onzen intrek in een uitmuntend ingerichte <i>bungalow</i>. Zulk een bungalow is eene voortreffelijke instelling, voor de reizigers van onschatbare waarde. In alle steden, waar het +bezoek en verblijf van Europeanen van te weinig beteekenis is, om de partikuliere ondernemingszucht tot het bouwen van hotels +<a id="d0e96"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e96">42</a>]</span>uit te lokken, is namelijk van regeeringswege een nette en eenvoudige bungalow, een soort van landhuis of villa, ingericht, +waar de reizigers op hun gemak kunnen logeeren, tegen betaling van een roepy per dag. Daar al de vermogende inboorlingen, +en ook de meeste Anglo-Indiërs, op hunne reizen voor het minst door één bediende vergezeld worden, is de <i>peon</i> (kastelein) van de bungalow verplicht, zijne keuken te hunner beschikking te stellen, en hun, tegen een matig gestelden vasten +prijs, al de levensmiddelen te bezorgen, waaraan zij behoefte hebben. Zij, die geen kok in hun dienst hebben, kunnen zich +door een aan het logement verbonden hofmeester of <i>mess-man</i>, overeenkomstig hun verlangen, hunne maaltijden laten bezorgen; mede volgens een vast tarief, dat in alle kamers is opgehangen. + + +</p> +<p>Ahmedabad werd in 1426 door den Sultan Ahmed-Shâh gesticht, op dezelfde plaats, waar vroeger eene oude indische stad had gestaan. +Hoogstwaarschijnlijk gebruikte de sultan de puinen van de door hem verwoeste steden Khandravati en Anhilwara-Patan voor den +bouw der paleizen en moskeeën van zijne nieuwe hoofdstad, die weldra door den rijkdom en de pracht harer monumenten door geheel +het Oosten beroemd zou worden. Want ook de opvolgers van Ahmed-Shâh waren met dezelfde liefde voor de schoone kunsten bezield; +en daar zij zelf van hindoesche afkomst waren, behielden zij ook voor de heiligdommen hunner nieuwe mohammedaansche eeredienst +den eigenaardigen bouwstijl des lands: een stijl, die zich door zijne oorspronkelijkheid en zuiverheid zeer gunstig onderscheidt +van den zoogenaamden sarraceenschen stijl, die tegelijk met de Mongolen in Indië doordrong en daar bijkans de overheerschende +werd. + +</p> +<p>Omstreeks 1570 viel de stad in de macht der Groot-mogols, en werd zij tot hoofdplaats van eene der bloeiendste provinciën +van het machtige rijk verheven. Toen het zoogenaamde mongoolsche rijk ten ondergang neigde, maakte Damasji Guikowar, ten jare +1737, gebruik van de toenemende machteloosheid der keizerlijke regeering, om Ahmedabad met de daarbij behoorende landstreek +bij zijn eveneens op de puinen van het keizerlijk gestichte koninkrijk van Baroda in te lijven. Zijne opvolgers behielden +de stad tot 1818, toen zij aan de Engelschen overging, aan wie zij nu nog behoort. + +</p> +<p>Een gordel van zware hooge muren, meer dan zeven kilometers in omtrek, omringt de stad; torens en bolwerken geven haar een +nog indrukwekkender voorkomen. Naar men zegt, zijn deze werken aangelegd door den sultan Mahmoed Begarha, omstreeks het einde +der vijftiende eeuw. Achttien monumentale poorten geven toegang tot de stad, die weleer eene overtalrijke bevolking binnen +hare wijde wallen herbergde; tegenwoordig strekken zich tusschen de eigenlijke stad en den wal groote tuinen en onbebouwde +velden uit; zij heeft zich als het ware saamgetrokken in haar al te ruimen steenen mantel; hare verschillende wijken zijn +thans door niet veel meer dan honderd-vijftig-duizend zielen bewoond. Maar ook nu nog, hoezeer van haar vroegeren luister +vervallen, maakt de vroolijke, ruime, volkrijke stad een aangenamen indruk; overal vindt ge prachtig geboomte, dat tot midden +in de stad heerlijke lanen vormt; en de statige overblijfselen van den ouden tijd zien er minder eenzaam en verlaten uit te +midden dier schilderachtige wit gepleisterde huisjes en hutten, zoo bevallig om de ernstige bouwvallen gegroept. + +</p> +<p>Zoo ge het indische leven te Ahmedabad in al zijne verscheidenheid wilt bestudeeren, begeef u dan naar de prachtige breede +straat Manik-Shauk, het middelpunt van den handel en de bedrijvigheid der stad. Daar worden de verschillende markten gehouden; +daar zijn de bazars, en daar ook kunt ge de prachtige typen dier zwervende Radsjpoeten, Katis en Bhattis bewonderen, die uit +de nabijgelegen halfwilde landstreken naar Ahmedabad komen, en zooveel bijdragen tot het bij uitnemendheid schilderachtig +karakter harer openbare markten en bazars. Kameelen en olifanten bewegen zich met afgemeten stap te midden der bontgekleurde +luidruchtige menigte, waaronder de engelsche sipayers, in hunne eenvoudige uniform, zooveel mogelijk de orde bewaren. De drukke, +levendige straat, de voornaamste der stad, begint bij den hoofdingang van het oude paleis der voormalige onder-koningen, dat +door zijne zware torens aan een middeleeuwsch kasteel doet denken, en dat tegenwoordig tot strafgevangenis is ingericht, waar +duizende veroordeelden zich onledig houden met het vervaardigen van tapijten, grove stoffen en papier. Men treedt dit voormalige +paleis binnen door eene prachtige moorsche poort, waaronder zich een wachthuis bevindt. De tegenwoordige bestemming van het +gebouw laat niet meer toe, over de vroegere heerlijkheid dezer vorstelijke residentie te oordeelen; de ruime zalen zijn, op +last der engelsche inspecteurs, zoo herhaaldelijk met witkalk overstreken geworden, dat alle sporen van voormalige versiering +geheel zijn verdwenen. + +</p> +<p>Dit kasteel is met de Bâdre of citadel verbonden door eene lange reeks van gebouwen, eertijds tot huisvesting bestemd voor +het talrijke garnizoen, dat de sultans in hunne hoofdstad onderhielden. Deze citadel bevat niet veel merkwaardigs: eenige +ruime binnenplaatsen, vroeger tot tuinen aangelegd en tegenwoordig door leelijke engelsche barakken ontsierd; eenige zuilengangen, +en een reusachtig bolwerk: dat is nagenoeg alles. Men vergeet ook nooit, den bezoeker opmerkzaam te maken op eene oude schijf, +boven eene der poorten geplaatst, en waarop nog duidelijk de sporen van pijlpunten te herkennen zijn. Wanneer, in den ouden +tijd, de sultan eene belangrijke reis of een krijgstocht zou gaan ondernemen, moest een ervaren schutter die schijf trachten +te treffen; trof de pijl het wit niet, dan werd de onderneming opgegeven, of althans tot gunstiger gelegenheid uitgesteld. + + +</p> +<p>Op korten afstand van het paleis, verheft zich dwars over de straat Manik-Shauk, een prachtige triomfboog die, naar de drie +bogen van moorschen stijl, den naam draagt van <i><span class="corr" title="Bron: Tiu">Tin</span> Durwazé</i>, de Drie poorten; dit gebouw is een der bevalligste monumenten van de architectuur der zestiende eeuw. Aan gene zijde van +den triomfboog verrijst de Jumah-Moesjid, de voornaamste moskee, de roem van Ahmedabad. Het opschrift aan den hoofdingang +meldt u, dat de sultan Mahmoed-Shâh Begarha, de Stedendwinger, deze moskee heeft gebouwd met de puinen van de tempels der +ongeloovigen, in het jaar <a id="d0e121"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e121">43</a>]</span>der hedsjrâh 827. Voor het eigenlijke gebouw strekt zich een ruime, geplaveide hof uit, aan drie zijden door zuilengangen +omgeven. De voorgevel prijkt met drie hooge poorten, die u vergunnen een blik te werpen in het ruime heiligdom, waarvan het +gewelf door eene menigte zuilen gedragen wordt. Ter wederzijde van den middelsten ingang verheffen zich twee slanke, uiterst +sierlijk bewerkte minarets, maar waarvan de spitsen in 1818, ten gevolge eener aardbeving, naar beneden zijn gestort. Bij +het binnentreden van het ruime bedehuis, gevoelt ge u onwillekeurig door bewondering aangegrepen bij een blik op die lange +reeksen gebeeldhouwde pilaren; de koepels rusten op eene galerij van kleine, massieve zuilen, waardoor een stroom van licht +in den tempel valt. Het volstrekte gemis van beelden, het groote aantal en de eigenaardige versiering der kolommen, geven +aan deze moskee, die u aan een hindoe-tempel denken doet, een hoogst merkwaardig karakter. In het midden van de moskee, tegenover +den tabernakel, waarin de Koran bewaard wordt, bevindt zich een groote marmeren zerk, waaronder, volgens de overlevering, +het afgodsbeeld begraven ligt, dat vroeger in den heidenschen tempel, waarvan deze moskee de opvolger is, werd aangebeden. +Nabij de moskee staat de vorstelijke basiliek, waar, onder marmeren troonhemels, de stoffelijke overblijfselen der Sultans +Ahmed, Mohammed en Koutub Oudin rusten; in hunne nabijheid sluimeren hunne echtgenooten en afstammelingen. Al deze graftomben +munten uit door sierlijke bewerking; zij prijken met prachtig beeldwerk en somwijlen met schitterende mozaïeken. + +</p> +<p>Nog heden ten dage telt Ahmedabad meer dan vijftig moskeeën en eene menigte grafmonumenten, die allen eene bijzondere studie +waard zijn. Geen andere stad van Indië kan op zulk een rijkdom van dergelijke gedenkteekenen roemen. Deze moskeeën verheffen +zich doorgaans, te midden van tuinen en boomgaarden; op hooge steenen terrassen, vanwaar zij de omringende huizen als met +vorstelijke fierheid beheerschen. Die plaatsing is bij uitnemendheid geschikt om de schoonheid der bogen, der koepels en minarets +te doen uitkomen, die zich nu, in al de zuiverheid hunner lijnen, afteekenen tegen het diepe blauw van den helderen indischen +hemel. + +</p> +<p>Eenige dagen na onze aankomst, was ik des morgens uitgereden, om de frissche, geurige ochtendlucht in te ademen, toen ik eensklaps +op den weg voor mij uit een stofwolk zag oprijzen, die snel naderde. Ik had nauwelijks den tijd ter zijde te gaan, toen vijf +of zes open rijtuigen, van antieken vorm, mij voorbijsnelden, waarin eenige inlanders zaten, die ik aan hunne van goud schitterende +tulbanden als lieden van aanzien herkende. De rijtuigen werden gevolgd door een troep ruiters van een wild, fantastisch voorkomen, +met lange golvende baarden en lansen in de hand, gezeten op groote, prachtig opgetuigde paarden. Dit alles schoot mij, als +een wervelwind, voorbij. Werktuigelijk groette ik, en zag nog even hoe mijn groet door een der reizigers werd beantwoord. +Ik was zeer nieuwsgierig om te weten, wie deze vreemde gasten wel mochten zijn, en spoedde mij naar de bungalow terug. Daar +vond ik de binnenplaats geheel ingenomen door onbekende ruiters, die er hun bivak hadden opgeslagen; overal brandden vuren; +de paarden stonden op eene rij vastgebonden; en in een hoek zag ik de met stof overdekte gala-rijtuigen. Nu vernam ik dat +de nieuw aangekomen gast, die zooveel opschudding veroorzaakte, geen minder personage was dan do prins Monti-Singh, zoon van +den Rajah van Marwar. De ruiters van zijn gevolg waren Radsjpoeten van den stam of clan Rhatore, een der meest bekenden van +de indische woestijn. + +</p> +<p>Den volgenden morgen zond ik mijn <i>khansamah</i>, voor deze buitengewone gelegenheid tot de waardigheid van <i>tsjoebdar</i>, gezant of heraut, verheven, om den hoogen vreemdeling onzen welkomstgroet aan te bieden. De prins beantwoordde de beleefdheid, +door mij een deurwaarder of kamerdienaar met gouden staf te zenden, die, na de gebruikelijke begroetingen en plichtplegingen, +mij mededeelde dat Zijne Hoogheid mij nog dien zelfden dag zou ontvangen. Op het bepaalde uur begaf ik mij met mijn reisgenoot +naar den prins, die ons in eene ruime zaal afwachtte, waarvan vier stoelen en een tapijt het gansche ameublement uitmaakten. +Monti-Singh ontving ons zeer vriendelijk en reikte ons de hand; hij zette zich tusschen ons beiden neder, en begon een gesprek +in het engelsch, dat hem blijkbaar groote inspanning kostte. Ik maakte aan die kwelling een einde, door hem in het hindi te +antwoorden; zeer in zijn schik, dat ik de taal zijns lands sprak, begon hij nu met groote levendigheid te praten. Hij verzekerde +mij dat zijn vader, de Koning van Marwar, zich zeer gelukkig zou achten, indien hij ons aan zijn hof mocht ontvangen, en dat +de bekende gastvrijheid der overige radsjpoet-vorsten ons overal eene gulle en hartelijke ontvangst verzekerde. “Een europeesch +reiziger,” zeide hij, “is bij ons bijna eene onbekende zeldzaamheid; de eenige Europeanen, die wij nu en dan onder ons zien, +zijn, behalve de gezanten van den onderkoning, enkele officieren, die naar hun garnizoen gaan of naar Bombay terugkeeren. +Voor zoover ik weet, is er althans nog nooit een Franschman te Jhodepoor verschenen.”—Hij gaf mij daarop zeer uitvoerige en +nauwkeurige inlichtingen omtrent de beste manier, waarop ik de reis zou kunnen doen, en de bezwaren die ik daarbij zou hebben +te overwinnen: mij tevens zeer sterk aanradende mijn weg te nemen over Deesa, Sirohi, en Jhodepoor, in plaats van het land +der Bhîls te bezoeken en over Oodipoor te gaan. Maar ten aanzien van dit punt stond mijn besluit vast; ik bepaalde er mij +dan ook toe, hem te beloven dat ik mijn best zou doen om over Ajmeer naar Jhodepoor te reizen. + +</p> +<p>Prins Monti-Singh is de veertiende of vijftiende van de talrijke zonen van den ouden Rajah van Jhodepoor, Tukt-Singh. Deze +aartsvaderlijke monarch bezit een vrij uitgestrekt rijk, maar dat meer woestijnen dan bebouwbaar land bevat; toch is zijne +hoofdstad eene der fraaiste steden van Radsjpoetana, en zijn zijne inkomsten verre van onaanzienlijk. Monti-Singh sprak met +veel geestdrift over de wildrijke vlakten van zijn vaderland, en gaf mij de verzekering dat, zoo ik kwam, te mijner eer schitterende +jachtpartijen zouden worden <a id="d0e137"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e137">44</a>]</span>aangelegd. Zijne fijne en sprekende trekken, zijne lichte gelaatskleur en zijn lange baard deden hem dadelijk als een echten +Radsjpoet kennen: zijne eenigszins verwijfde houding en manieren en zijne zeer diplomatieke wijze van spreken maakten echter +op mij geen gunstigen indruk. Ik vernam later, dat mijne vermoedens te dien aanzien in geene deele ongegrond waren. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-044.jpg" alt="Samboe-Singh, Maha-Rana van Oodipoor."></p> +<p class="figureHead">Samboe-Singh, Maha-Rana van Oodipoor.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Van de weinige dagen, die mij nog voor ons vertrek van Ahmedabad overschoten, maakte ik gebruik om de omstreken te bezoeken, +die niet alleen heerlijk schoon zijn, maar ook rijk aan historische herinneringen. Een mijner eerste uitstapjes <span class="corr" title="Bron: bragt">bracht</span> mij naar Sirkhej, de aloude zomerresidentie van Sultan Ahmed, acht mijlen (kilometers) van de stad verwijderd. Te vier uur +in den morgen van onze bungalow vertrokken, bereikten wij, bij het opgaan der zon, de oevers van de Soebermoetti, het bevallige +riviertje, dat de wallen van Ahmedabad bespoelt. Onze bedienden hadden, met het weinige dat wij verder mede namen, plaats +genomen op een kleinen wagen door een os getrokken, die de rivier zou doorwaden. Het water was laag, maar de stroom was nog +zoo sterk, dat ik inderdaad vreesde dat de wagen zou worden medegevoerd. Toen ik met mijn paard gelukkig de overzijde bereikt +had, bleef ik een poos het prachtige landschap gadeslaan, waaraan de indische wintermorgen, nieuwe bekoorlijkheid bijzette. +De rivier schitterde en fonkelde in het rijzende licht; gansche zwermen van watervogels vlogen, zwevende, rijzende en dalende, +over de kalme oppervlakte; aan den anderen oever teekende zich, schemerachtig, half in een wazigen, blauwachtigen nevel gehuld, +de lange lijn der wallen en vestingwerken. De lucht was, ondanks de zon, frisch en koel, en verkwikte en versterkte mij. Niets +bijna is met deze wintermorgen in Indië te vergelijken: hij is even heerlijk als een lentedag in Europa; maar de eigenaardige, +<a id="d0e149"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e149">46</a>]</span>grootsche pracht dezer door de natuur zoo rijk begunstigde streken geeft aan alles eon onuitsprekelijk karakter van schoonheid +en verhevenheid. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-045.jpg" alt="Ons kamp bij Raypoer."></p> +<p class="figureHead">Ons kamp bij Raypoer.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Nadat onze wagen veilig op den oever was geraakt, zetten wij onze paarden in galop en sloegen den weg naar Sirkhej in. Wij +volgden een zandpad, nu en dan met gras begroeid, en ter wijderzijde omzoomd door hooge cactussen, door dwerg-vijgeboomen, +geheel behangen en omwikkeld met convolvulussen en andere bloeiende lianen. Honderde fraaie, zilvergrijze tortelduiven vlogen +bij onze nadering weg, en lieten dat eigenaardig geluid hooren, dat op een kort afgebroken lach gelijkt; schitterend gekleurde +papegaaien vervulden de lucht met hunne schelle kreten, en overstemden bijna geheel het liefelijk gekweel der oostersche nachtegalen, +dat ons uit de naburige boschjes tegenklonk. Eeuwenheugende reusachtige boomen spreidden hier en daar hunne breede armen beschermend +uit over de in hunne schaduw wegduikende spitse koepels der witte grafmonumenten: liefelijkheid en statige ernst waren in +dit landschap op het schoonste vereenigd. + +</p> +<p>Na een rit van een goed half uur bereikten wij eene tamelijk eentonige, maar welbebouwde vlakte, op eenigen afstand door de +heuvelen van Sirkhej, op wier toppen zich de lijnen der monumenten tegen den helderen achtergrond afteekenen, begrensd. Vroeger +nam de Soebermoetti haar loop langs den voet dezer heuvelen; hare uitgedroogde bedding, met fijn los zand gevuld, was nu een +rijweg, waardoor onze paarden met moeite voortzwoegden. Aan den rand dezer bedding verheffen zich twee hooge torens, waarvan +het onderste gedeelte <span class="corr" title="Bron: zeerveel">zeer veel</span> door het water geleden heeft, en die vroeger den hoofdingang vormden der vorstelijke residentie. De weg is hier nog met groote +zerken geplaveid, en boven het hoofd van den bezoeker zweven dreigend stukken van half vernielde gewelven. + +</p> +<p>Wij begaven ons naar de moskee, het eenige nog bewoonbare gedeelte van het voormalige paleis. De zware deur was gesloten; +ik steeg van mijn paard, en deed herhaalde malen den zwaren ijzeren klopper nedervallen, die nog zijne oude plaats behouden +had. Eene diepe, ongestoorde stilte heerschte in het ronde; ettelijke duiven, door het gerucht dat wij maakten verschrikt, +vlogen in wijde kringen boven onze hoofden heen en weder. Na verloop van eenige minuten hoorde ik grendels wegschuiven, en +spoedig daarop werd de deur geopend door een klein oud manneke, met een langen witten baard en een wonderlijk voorkomen. Hem +was de bewaking van het heiligdom toevertrouwd; hij ontving ons met groote vriendelijkheid. + +</p> +<p>Wij traden op een ruim, geplaveid binnenplein, door portieken en galerijen omgeven, en waarop zich in het midden een zwaar +gebouw verhief, met een vergulden koepel gekroond. Daar rusten, in eene reliekkast van massief zilver, de overblijfselen van +Sheik Ahmed Gunj Boekeh, den biechtvader van Sultan Ahmed, en den hooggeëerden beschermheilige van Sirkhej. Zijn graf is eene +zeer druk bezochte bedevaartsplaats voor al de Muzelmannen uit den omtrek; en twee malen in het jaar is deze ruime binnenplaats +opgevuld met pelgrims. Voor dit monument staat eene kiosk, wier zestien slanke kolommen negen koepels dragen: zeker een der +fraaiste en sierlijkste gebouwen in den eigenaardigen indo-muzelmanschen stijl. + +</p> +<p>Aan de linkerzijde van de binnenplaats geeft eene fraaie portiek den toegang naar de graven der Ranis of koninginnen: ruime +kamers, wier gewelven door zware pilaren worden getorscht; de wit marmeren graftomben staan in afzonderlijke kapellen, die +door sierlijk bewerkte steenen balustraden zijn afgesloten. De aanblik dezer ruime luchtige vertrekken is inderdaad schoon +en indrukwekkend; maar evenals bij alle mohammedaansche graven, treft u ook hier de volstrekte afwezigheid van iedere ernstige, +tot droefheid of weemoed stemmende gedachte. Groote vensters, met balkons versierd, laten het licht vrijelijk binnenstroomen, +en gunnen u tegelijk een blik op den schoonen vijver, die zich aan den voet der moskee uitstrekt. Een breede trap, die naar +den vijver <span class="corr" title="Bron: afdaald">afdaalt</span>, scheidt deze vertrekken van eene andere reeks nog grooter en fraaier zalen, waar zich de tomben van een aantal sultans bevinden, +onder anderen van den beroemden Mahmoed Begarha.—De andere zijde van de binnenplaats wordt geheel ingenomen door eene groote +moskee, die, naar men zegt, getrouw naar de beroemde moskee van Mekka gevolgd is. Ik heb deze laatste nooit gezien, maar betwijfel +het toch zeer of er werkelijk veel overeenkomst bestaat tusschen het groote arabische heiligdom en dit monument in indischen +stijl. + +</p> +<p>De vijver, die tegenwoordig droog ligt, beslaat eene oppervlakte van bijna eene mijl in het vierkant; ten tijde van Ahmed +was deze vijver een der wonderen van Indië. De eene zijde wordt geheel ingenomen door de moskee en de daaraan grenzende gebouwen; +aan de drie andere zijden rijzen reusachtige trappen omhoog, weleer door prachtige paleizen gekroond. Twee daarvan zijn nog +in wezen: het paleis van Ahmed en de harem. De hooge, met zuilenrij en en beeldwerk versierde gevels schenken aan deze gebouwen +een karakter van grootschheid, dat men in de latere muzelmansche bouwgewrochten in Hindostan maar al te zeer mist. Uit deze +paleizen voerden onderaardsche tunnels naar den oever van den grooten vijver. Aan een der hoeken is nog eene monumentale sluis, +waardoor het water van de Soebermoetti in het wijde bekken gevoerd werd. + +</p> +<p>Ons tweede bezoek gold het grafmonument van Shâh Alloem, op twee mijlen afstands van Ahmedabad, te midden van eene menigte +tomben, moskeeën, paleizen en tuinen. Het mausoleum zelf is met een hoogen koepel gekroond, en bevat verschillende zalen; +in eene daarvan staat de porfieren graftombe van Shâh Alloem. Deze zaal is met inlegwerk van parelmoer versierd; kleine openingen, +met fijn gebeeldhouwd steenen lofwerk gesloten, laten slechts een schemerachtig licht doordringen, dat eene fantastische uitwerking +doet. De aangrenzende groote moskee, een langwerpig op zuilen rustend gebouw, verrijst op een hoog terras; vanwaar men een +prachtig vergezicht heeft. De beide minarets zijn nog ongeschonden in wezen. + +</p> +<p>De omstreken van Ahmedabad zijn zoo rijk aan merkwaardigheden van allerlei aard, dat het wel niet anders kan, of men gaat +hier bijna achteloos monumenten <a id="d0e178"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e178">47</a>]</span>voorbij, die elders onmiddellijk uwe aandacht trekken en uwe bewondering opwekken zouden. Datzelfde is het geval te Delhi; +maar daar hebben onderscheidene machtige volksstammen en doorluchtige vorstengeslachten de sporen hunner heerschappij en grootheid +nagelaten; hier dagteekenen al deze kunstgewrochten en verbazende scheppingen uit de betrekkelijk korte periode der regeering +van enkele vorsten in de vijftiende eeuw. + +</p> +<p>De engelsche stad ligt te Ahmedabad op ongeveer vier mijlen afstands van de indische, waarmede zij door prachtige dreven en +lanen van hoog geboomte verbonden is. Zij ligt in eene ruime vlakte, en bestaat, behalve uit de kazernen en andere militaire +inrichtingen, uit een zeker aantal bevallige villa’s, te midden van sierlijke tuinen gelegen, en door ongeveer een honderdtal +Europeanen, beambten der kroon, bewoond. In de onmiddellijke nabijheid staat het paleis van Shahi-Baugh, in 1625 gebouwd, +op last van den onderkoning Sultan Kurrum, die er zijne residentie wilde vestigen. Hij zette evenwel nooit een voet in het +paleis, omdat de groote poort in de buitenste omwalling niet hoog genoeg was om den olifant door te laten, waarop de prins +gewoonlijk reed. Nog vóór dit gebrek kon worden verholpen, werd de onderkoning, door den dood van zijn vader, geroepen om +den keizerlijken troon te Delhi te bestijgen, dien hij, onder den naam van Shâh-Jehan, gedurende vele jaren, met roem bekleeden +zou. + +</p> +<p>Eindelijk had ik, na lang bieden en loven, eene overeenkomst gesloten met een kameeldrijver, die mij, voor honderd-tachtig +roepyen, twee dromedarissen en zeven kameelen zou bezorgen om de reis naar Oodipoor te ondernemen. Ik voorzag mij van eene +kleine, zeer lichte tent, en verder van de noodige bedden, keukengereedschap en andere zaken, waaraan ik behoefte zou hebben. +Wij togen nu toch naar een land, waar nog logementen noch bungalows zijn te vinden, en waar ik begreep, dat wij minstens een +jaar zouden moeten toeven. + + + +</p> +<p class="div2"></p> +<h3 class="label">II.</h3> +<p>Op den bepaalden dag, den 19<sup>den</sup> December, stonden de kameelen op de binnenplaats van de bungalow, gereed om hunne lading te ontvangen. De twee dromedarissen, +die wij berijden zouden, waren prachtig opgetuigd met zijden dekkleeden en kwasten in overvloed; maar al deze pracht zou verdwijnen, +zoodra wij eenmaal op weg waren. Onze karavaan bestond verder uit onze vier bedienden, twee samwâllahs en zeven kameeldrijvers; +al deze lieden waren met sabels en geweren gewapend, en hielden zich waarschijnlijk overtuigd, dat zij zich binnen kort ook +van die wapenen zouden moeten bedienen. Ik riep ze allen bijeen en hield eene korte toespraak, waarbij ik hun de verzekering +gaf, dat het land, hetwelk wij gingen doortrekken, overal veilig was; en dat wij bovendien, daar wij goed gewapend waren, +niets van de Bhîls hadden te vreezen. Ik droeg aan een hunner het bevel over de karavaan op, en gaf hem den last, in het dorp +Raypoer, op vier-en-twintig mijlen afstands van Ahmedabad te overnachten en onze komst af te wachten. Wij waren overeengekomen +eerst den volgenden morgen te vertrekken. + +</p> +<p>Dien morgen werd ik reeds te vier uur door den samwallah gewekt; ik wekte op mijn beurt mijn reismakker, en binnen weinige +minuten waren wij gereed. Ik wierp nog eenige kleeden op den zadel, en nam daarop de achterste zitplaats in; mijn geleider +zette zich vóór mij, en de dromedaris sprong eensklaps overeind. Het zadel der dromedarissen of rijkameelen is dubbel, of +liever voor twee personen ingericht, die vlak achter elkander plaats nemen. De achterste plaats is juist niet de beste; maar +ik had die uitgekozen, omdat ik nog niet gewoon was aan de eigenaardige beweging van den kameel, en het dus nog niet durfde +ondernemen, zelf het dier te mennen. Het duurde wel een half uur eer ik mijn evenwicht gevonden had: ik werd zoo geweldig +heen en weder geslingerd, dat ik stellig gevallen zou zijn, indien ik mij niet stevig aan mijn voorman vastgehouden had. Ik +weet deze beweging niet beter te vergelijken dan met die van een schip op eene woelige zee; het gevoel dat zij, bij iemand +die daaraan niet gewoon is, opwekt, heeft dan ook inderdaad veel van zeeziekte. Gelukkig went men er zich vrij spoedig aan: +na verloop van een groot half uur, voelde ik mij ten minste genoeg op mijn gemak om eenige aandacht over te hebben voor den +weg, waarlangs wij voorttogen. Ahmedabad lag reeds op verren afstand achter ons; het rijzende morgenlicht vertoonde ons eene +onafzienbare vlakte, hier en daar afgebroken door boomgroepen en <span class="corr" title="Bron: boschages">bosschages</span>, waarin de dorpen wegscholen. + +</p> +<p>Tegen zes uur in den morgen kwamen wij te Raypoer; onze tent was reeds opgeslagen onder een grooten boom, aan den oever eener +rivier, en op een geweerschot afstands van het dorp. Onder een anderen boom lag onze bagage; daar was ook de keuken en het +verblijf van onze bedienden; sabels en geweren, aan de takken opgehangen, gaven aan dat gedeelte van het kamp een zeker krijgshaftig +voorkomen. Het was, vooral op dezen prachtigen morgen, een schilderachtig tafereel, dat ik met te meer genoegen beschouwde, +omdat het voor mij een teeken was, dat nu eerst mijne eigenlijke reis begon. Tot dusver had ik bekende, platgetreden wegen +gevolgd, landen doorkruist, waar de beschaafde europeesche invloed zich, in meer dan één opzicht, reeds krachtig had doen +gelden, en waaromtrent ik mij van te voren volkomen had kunnen inlichten; nu stond ik aan de grenzen van het onbekende. Wat +zou ik in de landen der Radsjpoeten vinden: eene welwillende ontvangst of een vijandige stemming? eene wildernis of een paradijs? +Ik bracht den dag door met het bezoeken van het dorp, het schieten van eenige hazen en pauwen, en kon mij des avonds vermeien +met het belangwekkend tooneel van de tehuiskomst der kudden: <span class="corr" title="Bron: twee">twee-</span> of drieduizend buffels en ossen kwamen in galop aanrennen, en spoedden zich naar de rivier om hun dorst te lesschen. + +</p> +<p>Twee uur na middernacht verlieten wij Raypoer, doorwaadden de rivier, en bevonden ons nu weder <a id="d0e204"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e204">48</a>]</span>op het grondgebied van den Guikowar. De nacht is zeer donker, maar het land is volkomen vlak; onze kameelen gaan rustig en +onvermoeid voort; de dorpen liggen allen op zekeren afstand van den weg; ter nauwernood ontmoeten wij eene enkele woning, +tot wij te vier uur het stadje Deagaum bereiken. Aan de poort dezer stad worden wij staande gehouden door eenige <i>sowars</i>, die ons naar de plaats onzer bestemming vragen; en, na bekomen inlichting, ons eenige <i>bohimias</i> verschaffen, die ons naar het naaste dorp brengen moesten. Deze bohimias zijn lieden van geringen stand, die verplicht zijn, +tegen een zeer matige vergoeding, de reizigers van het eene dorp naar het andere te geleiden. De overheid van het dorp beloont +hen voor die dienst, door hun het verblijf in het dorp te vergunnen en hun eenige stukken bouwland af te staan. Daar er in +dit land geen gebaande wegen zijn, zou de reiziger groot gevaar loopen in de onafzienbare velden te verdwalen, indien deze +gidsen hem niet te recht hielpen. Intusschen hebben deze arme lieden een tamelijk zware taak te vervullen; te ieder uur van +den dag en den nacht moeten zij gereed staan, om eenige mijlen ver de karavanen te geleiden, waarvoor zij ongeveer een stuiver +per <i>kôss</i>—twee engelsche mijlen—ontvangen; ook is het niet zeldzaam dat zij gedwongen worden tot een volgend station mede te gaan, +of wel zonder belooning worden weggezonden. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-048.jpg" alt="Graftomben te Tintouï."></p> +<p class="figureHead">Graftomben te Tintouï.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Dien dag en ook nog den volgenden liep onze weg nog steeds door de eindelooze vlakten, die wij sedert ons vertrek van Baroda +niet verlaten hebben. Wel hadden wij in de verte enkele naakte en lage heuvelreeksen gezien, als het ware de eerste voorloopers +van het Doenghêr-gebergte, waarachter het land Bâghoer, <a id="d0e222"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e222">49</a>]</span>het land der Bhîls, ligt: eene wilde, bergachtige streek, die de hooge vlakte van Malwa van Goezerate scheidt, en ten zuidoosten +aan het uitgestrekte gebied der Radsjpoeten grenst;—maar toch verraste ons, in den vroegen morgen van den 23<sup>s</sup>ten December, het gezicht van een dorp, waarvan de hutten schilderachtig lagen verspreid langs de helling van een bevalligen +heuvel van witachtigen zandsteen. Het landschap nam nu eensklaps een geheel ander karakter aan. Aan de andere zijde van het +dorp stroomde eene kleine rivier, door groote boomen overschaduwd, en omzoomd door bloeiend heidekruid; de heldere wateren +murmelden en ruischten tusschen en over rotsen en steenblokken, en verdeelden zich in tallooze aderen en kanalen, die de aangrenzende +velden bevochtigen en vruchtbaar maken. Dit liefelijke, bijna zwitsersche landschap maakt dan eensklaps plaats voor een statig +indrukwekkend woud, aan welks uiteinde zich een prachtig meer voor onze blikken uitbreidt. Wat heerlijke aanblik, die wijde +watervlakte, bezaaid met bloeiende lotusplanten, waartusschen gansche scharen van watervogels zwemmen en dartelen; en omzoomd +door een donkeren gordel van bananen en andere reusachtige tropische boomen en gewassen. Nergens is een enkel spoor van menschelijk +verblijf of werkzaamheid te ontdekken; in ongestoorde zekerheid genieten de bewoners van dit schilderachtige meer den heerlijken +frisschen morgen. Op een der kleine lage eilandjes staan gansche rijen van rooskleurige flamingo’s, bijna onbewegelijk, op +den uitkijk; zwermen van wilde ganzen en schitterend gekleurde eenden doorkruisen in alle richtingen de diepe, kalme wateren; +reigers, <i>karkhoundj</i> en vele andere vogels van hunne soort staan, in kalme rust, op de half overstroomde wortels der boomen langs den oever; kleinere, +purper en blauw gekleurde watersnippen springen en huppelen over de breede lotusbladen: een tafereel vol leven, vol beweging, +en toch zoo kalm, zoo vredig, zoo onuitsprekelijk rustig. Zonder veel opschudding te maken, gaan wij langs den dichtbelommerden +oever voort; tusschen de bloemrijke hagen, die tot boven <a id="d0e230"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e230">50</a>]</span>onze hoofden opschieten, openen zich bekoorlijke wegen, welke naar den <i>mekkâm</i> voeren. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-049.jpg" alt="De Maha-Rana en de engelsche resident."></p> +<p class="figureHead">De Maha-Rana en de engelsche resident.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De mekkâm, de voor het kamp aangewezen plaats, is doorgaans een boomrijke plek nabij het dorp, waarvan de grond zorgvuldig +geëffend is. Deze plek wordt voor de reizigers beschikbaar gehouden; men vindt er een waterput en somwijlen een kleinen tempel, +zoodat de pelgrim daar alles aantreft, wat hij noodig heeft: water, schaduw en een bedehuis. De mekkâm van Tintouï, waar wij +ons nu bevinden, is zeer schoon: groote mangoboomen, nims en bananen omringen een open perk, met frisch en mollig gras bedekt, +waarop ik mijne tent laat opslaan; op korten afstand vertoont zich het dorp, schilderachtig op eene hoogte gelegen, juist +aan den ingang der steile en donkere bergpassen, waarvan de blauwachtige toppen en rotswanden zich aan den horizon verheffen; +een fort met zware gekanteelde muren beheerscht de geheele omliggende vlakte. + +</p> +<p>Tintouï, dat zijn gewicht vooral dankt aan zijne ligging aan den ingang der passen van het Dounghêr-gebergte, behoort nog +aan den Guikowar, en vormt aan deze zijde de uiterste grens van zijne staten; maar dit aanzienlijke vlek is tevens de residentie +van een radsjpoeten baron of thakoer, die wel in naam de heerschappij van den koning van Baroda erkent, maar inderdaad onafhankelijk +en de wezenlijke beheerscher des lands is. Deze thakoers bekleeden hier dezelfde plaats en spelen dezelfde rol, als onze feodale +heeren en baronnen in de middeleeuwen: zij bezitten in hunne domeinen het hooge en lage rechtsgebied, en zijn aan den landsheer +doorgaans niets anders verschuldigd dan eene zekere schatting, of de levering van een zeker aantal gewapenden. Voor het overige +zijn zij bijna geheel onafhankelijk, en bezoeken slechts nu en dan de hoofdstad, om den souverein hunne hulde te brengen. +Trotsch, aanmatigend en twistziek, liggen zij voortdurend met hunne naburen overhoop, en ontzien zich ook niet, de karavanen, +die hun gebied doortrekken, te plunderen. Wel heeft de britsche regeering, althans voor het uiterlijke, aan deze rooverijen +paal en perk gesteld; maar, in het wezen der zaak, heeft de gewelddadige plundering plaats gemaakt voor eene meer georganiseerde +afzetterij. In stede van de karavanen te overvallen en uit te schudden, beschermt de thakoer ze veeleer: slechts laat hij +zich voor deze bescherming behoorlijk betalen. Zoodra de karavaan het gebied van een dezer heeren betreedt, moet zij eene +schatting van zooveel percent van de waarde harer koopmansgoederen voldoen; daarvoor koopt zij zich dan den vrijen en veiligen +doortocht door de bergpassen; vertrouwt zij daarentegen op hare eigene kracht, en weigert zij de verlangde schatting, dan +kan zij er zeker van zijn door de stammen van het gebergte te worden uitgeplunderd. De thakoer ontvangt, in zijne hoedanigheid +van magistraat en rechter, de klachten der mishandelde kooplieden, hoort ze geduldig aan, houdt er aanteekening van, en roept +al zijne manschappen onder de wapenen: maar alle nasporingen leiden tot niets; de soldaten keeren terug zonder de roovers +te hebben gevonden, en de thakoer brengt den kooplieden onder het oog, hoe dwaas zij gehandeld hebben door zijne bescherming +af te wijzen. + +</p> +<p>Bij mijne aankomst te Tintouï, werd ik door de lijfwacht van den thakoer ontvangen, die mij zijne groeten liet overbrengen +en zijn bezoek aankondigen; maar, daar ik gaarne het kasteel wilde bezichtigen, verzocht ik hun, mij tot hun heer te geleiden. +Eene zeer steile, met groote zerken geplaveide helling, waarop de paarden telkens uitglijden, brengt ons naar de poort van +het slot, die door kleine torens en eene omrastering van met ijzer beslagen palen wordt verdedigd. Het inwendige van het kasteel +vertoont eene zoo treffende gelijkenis met onze feodale burchten uit de twaalfde en dertiende eeuw, dat ieder, die een dezer +slotruïnen gezien heeft, zich ook van deze indische vesting eene duidelijke voorstelling maken kan. Het is eene wonderlijke, +schijnbaar ordelooze samenvoeging van torens, bolwerken, gebouwen, terrassen, die zich stout en dreigend boven het diepe dal +verheft, waarin de nederige huizen van Tintouï staan verspreid. De thakoer, een Radsjpoet, met een echt aristokratisch voorkomen +en een sneeuwwitten baard, ontvangt mij met groote hoffelijkheid, en vraagt mij naar het doel mijner reize: op het hooren +van den naam van zijn souverein, buigt hij eerbiedig het hoofd, en zegt dat aangezien ik de vriend ben van zijn heer, den +machtigen Guikowar, hij mijn slaaf is, en dat zijn persoon, zijne lieden en zijn land te mijner beschikking staan. Ik bepaal +er mij toe, zijne bescherming te vragen voor mijnen tocht door de bergpassen, met verzoek eenige ruiters, als gewapend geleide, +aan mijne karavaan toe te voegen. Daarop deelde hij mij allerlei bijzonderheden mede omtrent de Bhîls, hunne gewoonten en +levenswijze, waarbij hij zich zeer beklaagde over de herhaalde strooptochten dier stammen, waardoor de karavanen van het bezoeken +van zijn land werden afgeschrikt. + +</p> +<p>Eenige uren later kwam de baron mijn een officieel tegenbezoek in mijne tent brengen; hij was door een troep ruiters vergezeld, +die er, in hunne bijkans middeleeuwsche kostumen, allerschilderachtigst uitzien. De oude thakoer vertoont in zijne houding +en manieren al de waardigheid, die aan zijn rang past; alles wat hij spreekt, draagt den stempel van die fijne en nauwlettende +wellevendheid, die hem doet kennen als een der heeren van het hof van Oudeypoor, dat als een voorbeeld van goeden toon en +manieren door gansch Hindostan beroemd is. Bij het afscheid omhelsde hij mij zeer hartelijk, met de verklaring dat hij aan +niemand de eer zou afstaan, mijne karavaan tot aan de grenzen te geleiden, indien zijn hooge leeftijd hem dit niet belette. +Zijn zoon en drie ruiters zullen zich bij ons voegen; nog dienzelfden avond wordt hunne tent nevens de onze opgeslagen. + +</p> +<p>Maar eer wij verder gaan, moet ik mijn lezers het een en ander mededeelen omtrent de Bhîls, wier naam ik reeds meermalen heb +genoemd, en wier land ik thans had betreden. + +</p> +<p>De Bhîls behooren tot een der merkwaardige stammen der oorspronkelijke bevolking van Indië, die vroeger in de uitgestrekte +gewesten, thans onder de namen <a id="d0e252"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e252">51</a>]</span>van Malwa en Radsjpoetana bekend, was gevestigd. Door de arische volksverhuizing uit het hoogland van centraal Azië, uit hunne +woonplaats verdrongen, trokken zij zich in het gebergte terug, en schijnen langzamerhand tot dien staat van verval en barbaarschheid +verzonken te zijn, waarin wij hen thans aantreffen. In hunne overleveringen en legenden leven nog enkele herinneringen aan +den ver vervlogen tijd, toen zij als oppermachtige gebieders in de vlakte heerschten; een hunner aloude volkszangen verhaalt +den oorsprong van den diepgewortelden haat, die tusschen hen en de Brahmanen bestaat. + +</p> +<p>Op zekeren dag, zoo luidt deze sage, dwaalde de god Mahadeo, van vermoeidheid en honger uitgeput, door het woud, toen eene +jonge, schoone vrouw zich over hem ontfermde, en hem in hare woning opnam. Hij verhief haar tot zijne echtgenoote, en verwekte +een aantal kinderen bij haar. Een daarvan, een zwarte, zeer leelijke knaap, van zeldzame spierkracht, doodde Nandi, den gewijden +stier van den god. Tot straf voor dit misdrijf werd hij vervloekt en naar de wouden verbannen; hij ontving den naam van Nishada +of Bhîl, dat wil zeggen, de banneling, de vogelvrijverklaarde.—Uit deze legende schijnt te blijken, dat dit volk zich niet, +als de andere Soedras, aan de heerschappij der Brahmanen heeft willen onderwerpen, en daarom door hen van eene misdaad beschuldigd +werd, die in het oog van iederen rechtgeloovigen Hindoe een onvergeeflijke gruwel is, van namelijk den heiligen os te hebben +gedood: eene misdaad, waarop zij nog schijnen roem te dragen. + +</p> +<p>Ongetwijfeld hebben zij eenmaal zekere mate van macht en invloed bezeten; en dat deze niet gering kan geweest zijn, blijkt +wel uit het feit, dat nog heden ten dage, bij de plechtige kroning der koningen van Mewar, een der Radsjpoeten-staten, de +teekenen der koninklijke waardigheid door een Bhîl aan den nieuwen souverein worden ter hand gesteld. Ook leeft nog in het +volk een soort van godsdienstige vereering voor de bouwvallen van sommige steden, wier puinen blijkbaar van eene overoude +beschaving getuigen. Eeuwen lang als wilde dieren vervolgd en geplaagd, wreekten zij zich door schrikkelijke moord- en plundertochten; +en de naam van roovers van Mahadeo, dien zij zich zelf gaven, werd in den ganschen omtrek geducht. In hunne bijkans ontoegankelijke +gebergten verscholen, wisten zij iederen vijandelijken aanval af te slaan, en hunne onafhankelijkheid te bewaren. Zij zijn +in stammen of clans verdeeld, die ieder hun eigen opperhoofd hebben, wien zijne onderhoorigen onbepaald gehoorzamen, en die +bij hunne strooptochten het bevel voert. Hunne dorpen of pâls zijn, evenals onze middeleeuwsche burgten, altijd op hoogten +gebouwd; iedere woning is op zich zelf eene kleine vesting, waarvan de zware steenen muren een dak van pannen of riet dragen. +Het dorp is omgeven door eene hooge en stevige omrastering van doornige struiken en dooreengevlochten cactussen; in tijd van +nood, worden de kudden door de vrouwen en kinderen in de rotskloven en spelonken gedreven, en trekken de mannen zich achter +die sterke omwallingen terug, vanwaar zij hunne vijanden kunnen gadeslaan en hunne pijlen afschieten. De indeeling in kasten +is bij hen onbekend; de jongelingen kiezen hunne bruiden uit een anderen stam. De huwelijksplechtigheid is zoo eenvoudig mogelijk. +Op zekeren bepaalden dag komen de huwbare jongelingen en jonge dochters te zamen; iedere jonkman kiest zich een meisje uit, +en trekt zich met haar voor eenige dagen in het woud terug, waarna het huwelijk als wettig gesloten wordt beschouwd. Ook hunne +godsdienst is hoogst eenvoudig: hunne vereering geldt voornamelijk de elementen en de demonen, die ziekten verwekken; de tempel +bestaat uit een hoop steenen, met oker besmeerd, of wel uit een ruw behouwen groote zerk. Echter koesteren zij een bijzonderen +eerbied voor den reusachtigen <i>mhowah</i>, dien boom, die hun brood, brandhout en een bedwelmende drank levert; aan zijne takken hangen zij bij voorkeur ijzeren gereedschappen +op. Zij voeden zich bijkans met alles wat hun voor de hand komt, en eten ook onreine dieren, zoo als ratten en slangen. + +</p> +<p>De Bhîls zijn doorgaans van middelbare gestalte, en, hoewel minder sierlijk, echter veel krachtiger gebouwd dan de Hindoes. +Hunne gelaatstrekken zijn grof; hun platte neus en uitstekende wangbeenderen zijn alles behalve fraai; hunne zwarte haren +hangen in wilde wanorde langs hun gelaat, alleen door een koord om de slapen eenigszins saamgehouden. Zij gaan bijna geheel +naakt, en hebben in den regel geen ander gewaad dan een soort van <i>langoeti</i> of schort, van twee of drie vingers breed, dat om de heupen gewonden wordt. De vrouwen zijn slanker van gestalte en lichter +van kleur; haar gang is niet zonder waardigheid; zij dragen een soort van rok, die om de heupen gebonden en met een der uiteinden +over de schouders geworpen wordt, zoodat de helft der borst bloot blijft. Aan armen en been en dragen zij eene menigte koperen +ringen. De Bhîls gaan nooit uit, zonder bogen en pijlen mede te nemen; zij weten deze wapenen met groote behendigheid te gebruiken, +en gaan er zelfs mede op de tijgerjacht. Jacht en vischvangst zijn hunne geliefkoosde bezigheden; zij tijgen in groote gezelschappen +ter jacht; en vergiftigen de kreken met cactussap, om alzoo de visschen te kunnen vangen. + +</p> +<p>Hoewel zeer moedig, zijn zij tevens zeer bedachtzaam, en zullen nooit een vijand aantasten, indien zij niet zeker zijn van +de overwinning. Toch is het vechten hun een ware behoefte; en wanneer zij geen vijand te bestrijden hebben, dagen zij een +naburigen clan uit, en leveren elkander onderling moorddadige gevechten. Maar zoodra een algemeen gevaar dreigt, worden deze +onderlinge twisten vergeten, en vereenigen zich de stammen tot den strijd tegen den gemeenschappelijken vijand. Dan weergalmt +door alle dalen de <i>kisri</i> of snijdende oorlogskreet, die van pâl tot pâl wordt herhaald; en binnen weinige uren zijn honderde krijgsvaardige mannen +op een enkel punt vereenigd en tot den tocht gereed. De Bhîls verstaan ook voortreffelijk de kunst, om het geluid van hyena’s, +jakhalzen en nachtvogels na te bootsen, en <a id="d0e271"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e271">52</a>]</span>geven daardoor elkander teekenen, zonder den argwaan der reizigers op te wekken. + +</p> +<p>Met al hunne gebreken, hebben de Bhîls twee deugden, die de eigenlijke Hindoes missen: dankbaarheid jegens hunne weldoeners, +en trouw aan het eens gegeven woord. Van de eerste loffelijke eigenschap hebben zij, tijdens den grooten opstand van 1857, +een schitterend bewijs gegeven, door niet alleen de Engelschen te beschermen, die door de sipayers werden bedreigd, maar ook +zelf tegen de opstandelingen te gaan vechten. Zij zijn dan ook inderdaad veel aan de Engelschen verschuldigd, die gedaan hebben +wat zij konden om hen uit hun ellendigen toestand op te heffen, en die in ieder geval een einde hebben gemaakt aan de jaarlijksche +strooptochten der Radsjpoeten, waarbij de dorpen werden verbrand en de oogsten vernield. + +</p> +<p>De stammen der Bhîls bewonen tegenwoordig de landstreek Baghoer, een gedeelte van het <span class="corr" title="Bron: Aravali-gebergte">Aravalli-gebergte</span> en bijna het geheele Windhya-gebergte. Men schat hun aantal op een à twee millioen; zij maken dus nog een der groote indische +volksstammen uit. In de dalen van Mewar vindt men de kaste der zoogenaamde Bhilâlas, afstammelingen van Bhîls en Radsjpoeten. +Zij zijn vrij talrijk, maar missen de goede eigenschappen van hunne stamouders. Ook bij hen bevestigt zich alzoo de algemeene +ervaring, dat uit zoodanige vermenging een lager en minder begaafd ras ontspruit. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Toen wij heden morgen van Tintouï zouden opbreken, geraakte onze geheele karavaan in opschudding, en weigerde voor zonsopgang +te vertrekken. Het gerucht had zich verspreid, dat een zoogenoemde <i>admikanewallah</i>, dat wil zeggen een tijger, die alleen menschen verslindt, op den weg in hinderlaag lag. De Hindoes beweren namelijk, dat +wanneer een tijger eenmaal menschenbloed heeft geproefd, hij geen andere prooi meer aanvalt. Nu verhaalde men dat zooeven +een man door zulk een admikanewallah verscheurd was. Het kostte den jongen thakoer en mij groote moeite, onze manschappen +te bewegen den tocht voort te zetten: het was al erg genoeg, dat wij ons aan de aanvallen der Bhîls blootstelden; ontmoetingen +met tijgers waren hun in het geheel niet naar den zin. Toch is onze karavaan thans sterk genoeg om voor geene vijanden bevreesd +te zijn: zij bestaat uit drie-en-twintig gewapende mannen; wij zijn dus volkomen in staat om een geregelden veldslag te leveren +tegen wilden, die geen vuurwapenen bezitten. + +</p> +<p>Boekthawoer-Singh, de jonge thakoer, rijdt nevens mij, en verhaalt mij allerlei anekdotes betreffende de Bhîls. Ook vertelt +hij van de verwoestingen, die de gevreesde menschenetende tijger in den ganschen omtrek aanricht; er gaat bijna geen dag voorbij, +dat hij geen nieuw slachtoffer velt; en hij is daarbij zoo slim, dat de jagers hem nog nooit hebben kunnen bereiken. De Hindoes +koesteren voor deze tijgers eene bijna kinderachtige vrees, de europeesche jagers daarentegen, die zulk een admikanewallah +geschoten hebben, beweren dat het dier bijna altijd krank en schurftig is: zij schrijven dit toe aan het eten van menschenvleesch. +Dat de admikanewallah zich hoofdzakelijk met menschenvleesch voedt, wordt alzoo door beide partijen toegestemd; maar terwijl +de Hindoes daaraan eene buitengewone mate van wildheid en bloeddorstigheid bij den tijger toeschrijven, houden de Europeanen +staande, dat dit voedsel het dier verzwakt en ziek maakt. Ik stel mij de zaak aldus voor. Wanneer de tijger oud wordt, verliest +hij veel van zijne kracht en nog meer van zijne vlugheid; hij durft dan geen buffel of afgedwaalden os aanvallen, omdat hij +daarbij stellig het onderspit zou delven; en herten of antilopen met een fikschen sprong te bereiken, is hem onmogelijk geworden. +Zoo is hij dan wel verplicht, zich langs de wegen in hinderlaag te leggen, en uit te zien of een zorgelooze wandelaar zich +binnen zijn bereik waagt: geschiedt dit, dan doet de honger hem de vrees overwinnen, die hij instinktmatig voor den mensch +gevoelt, en deze wordt maar al te licht zijn prooi. + +</p> +<p>Even voorbij Tintouï versmallen zich de bergpassen, en weldra bevinden wij ons in eene nauwe kloof, ter wederzijde door hooge +zwartachtige rotswanden ingesloten; de hellingen en de toppen der bergen zijn met dicht bosch bedekt. Het is een grootsch, +romantisch landschap, vol wilde, aangrijpende schoonheid: reusachtige marmerblokken, hier en daar over den grond verspreid, +schitteren in het zonnelicht; schuimende bergstroomen storten zich met klaterend geweld in de diepe kloven, of zweven, als +pluimen van stuivend zilver, van de steile hoogten neder. De dorpen der Bhîls, als vestingen boven op de steilten gebouwd, +met een smallen zoom van bebouwd land aan hun voet, zien er, met hunne stekelige muren van struiken en doornen, van verre +als reusachtige arendsnesten uit. Van tijd tot tijd wordt de gedaante van een Bhîl op den top eener rots zichtbaar: dat zijn +de schildwachten, die moeten toezien wat er op den weg gebeurt; maar ons aantal en de bescherming van den thakoer waarborgen +ons tegen alle vijandelijkheden. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-053.jpg" alt="Ontmoeting met de Bhîls."></p> +<p class="figureHead">Ontmoeting met de <span class="corr" title="Bron: Bhils">Bhîls</span>. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen wij den mekkâm van Sameyra bereikten. Dit dorp behoort aan een thakoer, die vasal +is van den rajah van Dounghêrpoer; het ligt aan den ingang van eene kleine, maar uiterst vruchtbare vallei. Ook hier beheerscht +de burcht van den thakoer den ganschen omtrek. Wij slaan hier ons leger op, om den nacht door te brengen; voor wij ons ter +rust begeven<span class="corr" title="Bron: ">,</span> worden de vuren rondom het kamp aangestoken en de wachten verdubbeld: het is goed dat de Bhîls weten, dat wij op onze hoede +zijn. Den volgenden morgen togen wij reeds vroeg op weg. Het landschap wordt al woester en woester; groote, wild dooreengeworpen +rotsblokken vullen de enge dalen en laten slechts weinige smalle paden voor den doortocht over; het is inderdaad opmerkelijk +te zien, met hoeveel tact en geduld onze zwaar beladen kameelen zich door deze wildernis een weg banen. De gewapende ruiters +en voetknechten vormen met mij de voorhoede; onze kameelen, door hunne drijvers geleid, en een dertigtal <a id="d0e304"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e304">54</a>]</span>reizigers, die zich gaandeweg bij ons hebben aangesloten, maken den middentocht uit; eenige ruiters, door mijn reismakker +aangevuurd, sluiten als achterhoede den trein. Wij hebben al deze voorzorgen genomen, omdat wij nu de gevaarlijkste en slechtst +befaamde streken moeten doortrekken; de ruwe, geheel onafhankelijke inlanders ontzien geen enkele karavaan, onder wiens bescherming +zij ook moge staan. Na onderscheidene enge bergpassen te zijn doorgetrokken, komen wij in eene vruchtbare vallei, door prachtige +bergen ingesloten, wier hellingen met ondoordringbare bosschen zijn bedekt. Aan beide zijde vertoonen zich op de hoogten, +talrijke dorpen of pâls van de Bhîls. + +</p> +<p>Nauwelijks hadden wij deze vallei betreden, of een onvoorzien toeval dreigde onzen verderen tocht eensklaps te stuiten. Reeds +sedert den morgen van dezen dag hadden wij onderscheidene Bhîls ontmoet, die kalm en zwijgend hun weg vervolgden, zonder den +broederlijken groet te beantwoorden, dien onze sowars hun toeriepen. Een dezer laatsten, over deze onwellevendheid verontwaardigd, +maakte nu van de gelegenheid gebruik om een Bhîl, die geheel onverzeld was, aan te vallen, te slaan en van zijn boog en pijlen +te berooven. Deze aanranding, die zoo ernstige gevolgen voor ons kon hebben, was geheel buiten mijne voorkennis geschiedt; +ook had ik, in gesprek met Boekthawoer verdiept, er niets van gemerkt, tot dat de soldaat, die gehoord had dat ik gaarne zulk +wapentuig wilde bezitten, mij de veroverde boog en pijlen kwam aanbieden. Ik begreep aanstonds welk gevaar ons bedreigde: +nauwelijks had ik den tijd gehad, eenige bevelen te geven, of daar weergalmde reeds de wilde krijgskreet door de vallei, voortgedragen +van heuvel tot heuvel; uit alle pâls kwamen gewapende mannen te voorschijn, die in snellen loop naar ons toekwamen. Eene onbeschrijfelijke +verwarring maakte zich toen van het gros onzer kleine karavaan meester: de vrouwen begonnen te schreeuwen en te jammeren; +de kooplieden stelden zich aan als razenden; zelfs de kameelen droegen het hunne bij, om het gewoel en getier te vergrooten. +Onze soldaten hielden zich gelukkig beter: bedaard laadden zij hunne geweren, staken de lonten aan en wachtten mijne bevelen +af. + +</p> +<p>Toen de Bhîls zagen dat wij gereed waren hen te ontvangen, ontstond er eenige aarzeling in hunne rangen, en gingen zij minder +vastberaden voort: onze karabijnen boezemden hun blijkbaar ontzag in; intusschen was hun getal reeds merkelijk aangegroeid, +en begonnen zij hunne pijlen op ons af te schieten, maar op een te verren afstand om ons te kunnen treffen. Enkelen slaagden +er in, achter de struiken voortsluipende, ons te naderen; zij schoten hunne pijlen af, en troffen een kameel, die begon te +steigeren en <span class="corr" title="Bron: ach-achteruit">achteruit</span> te slaan, hetgeen de verwarring nog grooter maakte. Ik stond op het punt, bevel tot vuren te geven, toen ik eensklaps een +ouden radsjpoet ruiter van ons geleide van <span class="corr" title="Bron: Sameyrra">Sameyra</span>, in vollen galop naar een bosschage van hoog struikgewas, in de nabijheid onzer kameelen, zag rennen. <span class="corr" title="Bron: Welda">Weldra</span> wendde hij zich plotseling om, en wierp zich, met uitgetogen sabel, op een ouden Bhîl, die in de struiken verscholen zat; +in een oogwenk had hij hem gevangen genomen, en de handen op den rug gebonden. Deze onverwachte daad had eene verrassende +uitwerking; woeste, woedende kreten weergalmden van alle kanten; een hagelbui van pijlen daalde op ons neder, waarop de karavaan +met geweerschoten antwoordde. Wij vingen den terugtocht aan, onzen gevangene medevoerende, die, zooals de oude sowar mij verzekerde, +het opperhoofd was van een der dorpen. Ik liet daarop de Bhîls waarschuwen, dat zoo zij voortgingen ons aan te vallen, hun +opperhoofd onverwijld zou worden ter dood gebracht. De waarschuwing werd met luid geschreeuw beantwoord: maar zij trokken +zich niet terug. + +</p> +<p>Ik liet den ouden Bhîl ontboeien, die mij daarop, in slecht hindoestani, verhaalde, hoezeer de lieden van zijn stam verbaasd +en geërgerd waren over de beleediging, die wij hun hadden aangedaan; zij meenden, dat zij door de Europeanen beschermd werden, +en waren er niet aan gewoon door hen mishandeld te worden. “Het is voor het eerst, zeide hij, dat iemand de vermetelheid heeft, +de Bhîls in hunne eigen valleien te tergen en uit te dagen.”—Hij verzocht, dat de geroofde boog en pijlen zouden worden teruggegeven, +en dat de schuldige soldaat zou worden uitgeleverd: dan zouden wij ongehinderd onze reis kunnen vervolgen. Ik gaf hem de verzekering +dat het voorgevallene mij leed deed, en bood hem aan den boog en de pijlen terug te geven, en den sowar vergeving voor zijne +aanranding te doen vragen. Blijkbaar verlangde de oude wilde, dien man in zijne macht te hebben; maar toen hij zag, dat ik +dit standvastig weigerde, nam hij mijn voorstel aan. Door twee soldaten begeleid, trad hij naar zijne stamgenooten en maakte +hen met de getroffen schikking bekend. De boog en de pijlen werden teruggegeven; den gevangene echter hielden wij bij ons +tot wij de vallei verlaten hadden. Eer wij hem zijne vrijheid terug gaven, liet ik hem een groot glas brandewijn inschenken, +dat hij in een enkelen teug ledigde. Met haastigen tred keerde hij naar zijne stamgenooten terug, die ons zwijgend gevolgd +waren, en begon nu onze lieden uit te schelden, hun toevoegende dat zij hun behoud alleen te danken hadden aan de tegenwoordigheid +der sahibs (heeren); en dat zoo hij ooit een hunner in de vallei mocht ontmoeten, de verdiende straf niet zou uitblijven. +Deze laatste bedreiging echter schenen de sowars, die toch langs denzelfden weg moesten terugkeeren, zich niet erg aan te +trekken. + +</p> +<p>Wij sloegen dien avond ons kamp op nabij het vlek Bitsjoewara, in het midden eener ruime vallei gelegen. De thakoer van Bitsjoewara +komt ons een bezoek brengen; waarschijnlijk heeft hij het noodig geacht, vooraf de flesch aan te spreken: althans hij is erg +dronken. Naar het schijnt, is hij een harde meester voor zijne onderhoorigen, die zich in zijne tegenwoordigheid bitter over +hem beklagen; hij tracht zich met den grootsten ernst en echte dronkemansgemoedelijkheid, te verdedigen, en de beschuldigingen, +die tegen hem ingebracht worden, te wederleggen. Waarschijnlijk ziet hij ons voor agenten van het engelsche gouvernement aan, +die hem rekenschap komen vragen van zijn gedrag. <a id="d0e323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e323">55</a>]</span>Daar ik het een en ander noodig heb, dat in het dorp niet te krijgen is, kom ik met den thakoer overeen, dat hij mij acht +kippen en vier dozijn eieren zal bezorgen, voor een flesch engelsche rum. Een uur later verschijnt hij, waggelende en zwaaiende, +op den top des heuvels gevolgd door zijne bedienden: hij draagt zelf de kippen, die hij met veel beweging en allerlei buigingen +en gebaren, voor mij op den grond legt; daarop vertrekt hij, zoogoed als het gaat, met zijne flesch in de hand. Een beklagelijk +schouwspel, dat hier echter gelukkig zeer zeldzaam voorkomt. Gedurende den ganschen tijd van mijn verblijf in Hindostan heb +ik nimmer een man van deftigen stand, vooral nooit een Radsjpoet, in zulk een ellendigen toestand gezien, als waarin deze +thakoet van Bitsjoewara verkeerde. + +</p> +<p>Na een dag oponthoud in eene nette bungalow van het engelsche station Kheirwara, zetten wij onzen tocht naar Oudeypoor voort. +De sowars van Sameyra en Tintouï hebben ons hier verlaten, en zijn vervangen geworden door vijf ruiters van het contingent +ven Oudeypoor, die de kommandant van het garnizoen van Kheirwara ter onzer beschikking had gesteld. Een paar mijlen voorbij +het station voert onze weg weder midden door de bergpassen; de bergen dragen hier echter een gansch ander karakter: de naakte, +ruwe, verscheurde rotswanden stijgen tot eene aanmerkelijke hoogte, en tusschen de verschillende bergreeksen strekken zich +breede valleien uit, door frissche waterstroomen besproeid. Wij hebben het Vindhya-gebergte verlaten en bevinden ons nu in +de Aravallis, die zich dwars door Radsjpoetana tot aan Delhi uitstrekken. Deze bergketen is nog zeer weinig bekend; zij bevat +niet alleen een onuitputtelijken rijkdom van kostbare marmersoorten, maar ook goud, zilver, koper, lood, blik, rotskristal, +granaat en andere edele steenen. Al deze schatten liggen ongebruikt; de inlanders kunnen ze zelven niet exploiteeren, en houden +de toegangen tot hunne bergen zooveel mogelijk voor de Europeanen gesloten. De hoogste toppen der Aravallis reiken tot ruim +drie duizend voet boven de zee. + +</p> +<p>In den morgen van den 30<sup>sten</sup> December, na een vermoeiende nachtelijke reis door het gebergte en door dichte wouden, bereikten wij de plaats onzer bestemming: +Oudeypoor, de hoofdstad van Mewar. + + + +</p> +<p class="div2"></p> +<h3 class="label">III.</h3> +<h3> + +</h3> +<p>Wij hadden den laatsten heuvel bestegen; mijne bedienden sprongen van vreugde; luide jubelkreten stegen uit de karavaan op: +wij waren aan het einde van den bezwaarlijken tocht. Ik hield stil, en beschouwde in stomme bewondering het prachtige panorama, +dat zich daar voor mijne blikken ontrolde. Ik had mij bijna nooit zoo iets schoons voorgesteld: eene tooververschijning uit +de Duizend-en-een-Nacht scheen plotseling voor mij te verrijzen. Op den voorgrond eene lange reeks van vestingwerken, pagodes +en paleizen, zich krachtig afteekenende tegen een breeden gordel van bloeiende tuinen en donkergroene bosschages; en daarachter +en daarboven de stad, met haar fantastische weelde van torens, naalden, spitsen, kiosken, rustende tegen de helling van een +hoogen heuvel, welks top gekroond wordt door een groot paleis van wit marmer, schitterend uitkomend tegen den blauwachtigen +achtergrond der bergen. Geen pen, geen teekenstift of penseel, kan, naar waarheid, het wonderschoone beeld wedergeven dezer +stad, zoo te recht Oudeypoor, de stad der rijzende zon, genaamd. + +</p> +<p>Na eenige oogenblikken van bewonderende beschouwing, daalden wij van den heuvel af en trokken naar de stad. Daar vroeg ik +aan eenige voorbijgangers den weg naar de woning van den resident, die mij aanstonds gewezen werd. De residentie is een groot +paleis met koepels en ruime terrassen: het ligt op den top van een heuvel, een à twee mijlen van de wallen verwijderd. Van +een in scharlaken roode liverei uitgedosten bediende vernam ik, tot mijn grooten spijt, dat de engelsche resident nog niet +van zijne officiëele rondreis was teruggekeerd, en dat wij, gedurende zijne afwezigheid, nergens in de stad een onderkomen +zouden vinden. Ik wierp een wanhopigen blik op den omtrek, maar zag niets dan steenachtige heuvelen, zonder een enkelen boom, +waaronder wij onze tent konden opslaan om beschutting te vinden tegen de felle hitte des daags en de scherpe koude des nachts. +Juist kwam een <i>djemadar</i>, een chef van het dienstdoend personeel, aansnellen, en bood mij een verblijf in een der gebouwen van het paleis aan. Hoezeer +tegen mijn zin, nam ik dit aanbod aan: mij vast voornemende te vertrekken, zoodra ik eene geschikte gelegenheid tot het opslaan +van mijn kamp zou hebben gevonden. + +</p> +<p>Den volgenden morgen was ons eerste werk, te paard een bezoek te gaan afleggen bij Lutsjmun Rao, dewan of eerste minister +van den koning van Mewar, voor wien de engelsche kommandant van Kheirwara mij een aanbevelingsbrief had medegegeven. Onze +sowars hadden zich, als gewapend geleide, bij ons aangesloten, en zoo trok onze kleine stoet naar de naaste poort der stad. +De hooge, zware, gekanteelde muren zijn omgeven door een diepe, met stroomend water gevulde gracht; maar er zijn geen aarden +werken, en eenige kanonschoten zouden voldoende zijn om in dien muur een geweldige bres te schieten. Van afstand tot afstand +verheffen zich zware vierkante bolwerken, waarop kanonnen zijn geplant. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-056.jpg" alt="Oudeypoor van het meer gezien."></p> +<p class="figureHead">Oudeypoor van het meer gezien.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De kommandant der wacht aan de zware, goed versterkte poort, treedt naar buiten, en vraagt waarheen wij gaan. Op het hooren +van den naam des ministers, laat hij ons door, en geeft ons zelfs een soldaat mede om ons naar de woning van den dewan te +geleiden. Wij bevinden ons nu in eene nauwe, drukke, volkrijke straat, waar onze sowars ons met groote vrijpostigheid een +weg banen; de voorbijgangers staren ons met verbaasde en nieuwsgierige blikken aan; naar het schijnt, zijn zij niet gewoon +andere Europeanen te zien, dan die tot het engelsche gezantschap behooren. Alles is hier nieuw voor mij: de bouworde der huizen, +het voorkomen der inwoners, de gansche omgeving; aan alle zijden verheffen zich <a id="d0e353"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e353">57</a>]</span>tempels en prachtgebouwen te midden van krotten en half in puin gestorte hutten: het geheel is niet alleen verrassend en nieuw, +maar ook in de hoogste mate schilderachtig. + +</p> +<p>Wij stijgen af op de binnenplaats der woning van Lutsjmun Rao. De minister ontvangt ons zeer wellevend; hij is echter een +Brahmaan en geen Radsjpoet; hij vraagt naar het doel onzer reis, en paait ons, met onberispelijke beleefdheid, met die indische +beloften en toezeggingen, die tot niets verbinden. “Wij wenschen bij den Maha-Rana te worden toegelaten”—“Zeker, zeker; het +zal hem een groot genoegen zijn, u te kunnen ontvangen”;—maar ik kan onmogelijk te weten komen, hoe en wanneer dit geschieden +zal. Ik verzoek hem dringend, ons eenig onderkomen in de stad te bezorgen; maar hij durft dit niet te doen, zonder vooraf +met den Rana gesproken te hebben. Inmiddels biedt hij ons de gebouwen van den Hawalla, den circus, aan, buiten de stad in +de nabijheid der residentie gelegen. Deze Hawalla, waar vroeger de gevechten van olifanten en de voorstellingen der worstelaars +gegeven werden, bestaat uit een ruim langwerpig perk, de eigenlijke arena, omgeven door een acht à tien voet hoogen muur, +waarop zich van afstand tot afstand sierlijke paviljoenen verheffen, wier platte daken door zuilenrijen gedragen worden. Het +paviljoen, waarin wij onzen intrek namen, telde niet minder dan acht-en-veertig pilaren, in vier rijen geplaatst. Wij hadden +van hier een prachtig uitzicht; en in den zomer zou deze sierlijke open zuilenhal voorzeker eene alleszins begeerlijke woning +zijn geweest; in dezen, tijd des jaars was het er evenwel wat al te frisch. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-057.jpg" alt="Graftombe aan het meer Boerdi-Talao."></p> +<p class="figureHead">Graftombe aan het meer Boerdi-Talao.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Kort nadat wij ons hier gevestigd hadden, ontvingen wij een aantal bezoeken, onder anderen van den inspecteur der koninklijke +gevangenissen en van een kapitein der lijfwacht; deze beide heeren waren uiterst beleefd, maar overstelpten ons evenzoo met +telkens herhaalde vragen; ik bemerkte weldra dat men ons eigenlijk voor spionnen hield. Hoe vele malen ik ook verzekerde dat +wij alleen gekomen waren om het land te zien, met zijne inwoners en monumenten kennis te maken, altijd kwam weder dezelfde +vraag terug: “Wie zendt u?”—en wat ik ook deed, het was mij onmogelijk hun aan het verstand te brengen, dat wij enkel uit +liefde voor de wetenschap zulk een gevaarlijke reis hadden ondernomen. De eerste minister kwam zelf, met een groot gevolg, +ons bezoeken; hij was zoo beleefd mogelijk, bewonderde onze paarden en alles wat wij bij ons hadden, prees de hoogst vernuftige +wijze, waarop wij onze woning hadden ingericht, sprak op den gulsten en vriendelijksten <a id="d0e364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e364">58</a>]</span>toon met ons:—en vroeg mij toen eensklaps, met het onnoozelste gezicht van de wereld, welke politieke zending mij was opgedragen: +hij zou dit geheim aan niemand anders dan aan den Rana in persoon mededeelen. Ziende dat ik elk officieel karakter bleef ontkennen, +beloofde hij, dat hij ons den volgenden dag aan den koning zou voorstellen. + +</p> +<p>Den volgenden dag herhaalde zich dezelfde komedie nog eens. Toen ik mij naar het paleis begaf, kwam ons een van de secretarissen +des konings, Bulwant Rao, te gemoet rijden, en verzocht mij terug te keeren. Met een zeer ernstig gelaat deelde hij mij mede, +dat ik niet bij den Rana kon worden toegelaten, indien ik hem niet vooraf in kennis stelde met hetgeen ik dezen te zeggen +had. Ik gevoelde grooten lust hem te antwoorden, dat ik den Rana niet verlangde te spreken; maar ik bedwong mij, en herhaalde +nog eens mijne verzekeringen en verklaringen, waarop het gewone antwoord volgde. Ditmaal had de secretaris al wat ik zeide +woordelijk opgeschreven; toen hij mij verliet, gaf hij mij de verzekering, dat ik binnen weinige dagen ten gehoore zou worden +ontvangen. Vraagt misschien een mijner lezers, waarom ik er dan toch zoo hoogen prijs op stelde bij den Rana te worden toegelaten, +dan moge hij weten dat ik, eenmaal door dezen monarch ontvangen, met zekerheid rekenen kon op een goed onthaal bij al de andere +vorsten der Radsjpoeten, die hem als het hoofd van hunne familie en van de gansche natie beschouwen. + +</p> +<p>Samboe-Singh, Maha-Rana van Mewar, was toen (1866) een jonkman van ruim achttien jaar. Uit den stam der Sesoedias gesproten, +is hij het erkende hoofd en de vertegenwoordiger van de doorluchtige familie der Soeryavansis, het beroemde Zonnegeslacht +van Indië. Zijn persoon is voor alle Hindoes een voorwerp van eerbiedige vereering; hij voert den weidschen titel van <i>Hindoe-Soeradje</i>, Zon der Hindoes. Deze hooge onderscheiding dankt hij niet aan zijne macht, want hij behoort slechts tot de vorsten van den +tweeden rang; maar zijne familie heeft zich dien roem verworven door den heldhaftigen tegenstand, dien zij langen tijd aan +de vreemde muzelmansche veroveraars bood. In het eind overwonnen, versmaadde zij toch de zoo verleidelijke en voordeelige +verbintenissen met het keizerlijke geslacht der Groot-mogols van Delhi, en bewaarde, ook ten koste van zware offers, de zuiverheid +van haar bloed on de onbevlekte reinheid harer kaste: een voorbeeld, slechts door weinige vorstelijke familiën van Hindostan +gevolgd. Daaraan dankt dit aloude geslacht niet alleen zijne eereplaats aan het hoofd der indische aristokratie, maar ook +vele andere voorrechten en onderscheidingen. In eene vergadering van inlandsche vorsten bekleedt de Rana altijd het gestoelte +der eere, en heeft het recht te allen tijde het woord te voeren; in de geschillen, die wegens kwestiën van kaste of godsdienst +tusschen de Radsjpoeten onderling ontstaan, is hij de hoogste scheidsrechter en zijne uitspraak beslissend. + +</p> +<p>Het gebied van den Maha-Rana omvat niet veel meer dan 550 vierkante mijlen, en telt eene bevolking van ruim een millioen zielen; +deze staat schijnt nog ongeveer dezelfde grenzen te hebben als toen, ten jare 781, de Gheloot Bappa de Mori-koningen van Tsjittore +verdreef, en de dynastie der Rana’s grondvestte. Het koninkrijk Mewar wordt ten zuiden begrensd door het Vindhya-gebergte, +ten westen door de <span class="corr" title="Bron: Aravalis">Aravallis</span>, ten oosten door Malwa, en ten noorden door de engelsche provincie Adsjmir. De inkomsten van den staat worden geschat op +veertig lakh roepyen, gelijkstaande met ongeveer twee millioen gulden. Er is geen twijfel aan, of bij voortgaande ontwikkeling, +kan deze opbrengst meer dan vertienvoudigd worden. + +</p> +<p>De Rana’s zijn, zooals men ziet, van overouden stam. Het is opmerkelijk dat zij, volgens de traditiën hunner familie, verwant +zouden zijn met de koningen van Perzië uit het huis der Sassaniden, en ook met de keizers van het oostersch-romeinsche rijk. +Naar men verhaalt zou een Rana eene dochter van den grooten koning, den beroemden Shâh Koshroe-Anoeshirvan, hebben gehuwd; +een ander zou de hand hebben verworven van de dochter van een der byzantijnsche keizers. Er is misschien geene tweede familie, +die haar stamboom zoo hoog kan opvoeren als het geslacht der Rana’s van Tsjittore en Oodipoor: hunne zorgvuldig bijgehouden +genealogie verliest zich in den fabelachtigen voortijd. Zeker is het, dat de Radsjpoeten zich bij voorkeur te Oodipoor vrij +hebben gehouden van alle vermenging met vreemd bloed; de hoofden der aloude stammen of clans Sesoedia, Rhattore, Tsjolan, +hebben daar hun verblijf. Hier bovenal hebben de Radsjpoeten nog die schitterende eigenschappen weten te bewaren, die fierheid, +die loyauteit, die wellevendheid, die eenmaal zoozeer de bewondering opwekten van den engelschen majoor Todd, hun lofredenaar +en geschiedschrijver; minder dan elders is in Mewar hun nationaal karakter gewijzigd door de aanraking met en den invloed +van vreemde veroveraars, hetzij Muzelmannen, hetzij Engelschen. De naam Radsjpoeten beteekent zonen der koningen; en iedere +familie voert haar stamboom op tot een der aloude vorsten des lands. Iedere stam splitst zich in clans, die elk een bijzonderen +naam dragen; niemand mag in zijn eigen clan huwen: de mannen moeten hunne echtgenooten uit een anderen clan kiezen: eene bepaling, +die niet alleen de stammen onderling door steeds nieuwe banden verbindt, maar die ook bij uitnemendheid geschikt is, om de +zuiverheid van het bloed en de kracht des volks te bewaren. + +</p> +<p>De verschillende clans ontleenen hunne namen aan een of ander merkwaardig feit uit het leven van hun stamvader. Omtrent den +oorsprong van den naam, dien het koninklijk geslacht van Oodipoor, de Sesoedias, voert, meldt de legende het volgende. Eens +dat een der voorvaderen van den Rana met zijne edellieden, in de vlakten van Mewar op de jacht was, gebeurde het bij ongeluk, +dat hij eene groote vlieg inslikte. Het insect drong tot in zijne maag door, en veroorzaakte hem zoo ondragelijke smarten, +dat bij het voornemen opvatte, zich van het leven te berooven. Gelukkig verscheen er een fakir, die op zich nam om den Rana +te genezen. Ongemerkt sneed hij een stukje <a id="d0e382"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e382">59</a>]</span>van het oor eener koe af, wikkelde dat in een linnen doekje, bond daaraan een draad vast, en liet het den Rana inslikken. +Zoodra dit stukje oor in de maag van den vorst kwam, zette de vlieg, door haar instinkt gedreven, zich daarop, en werd zoo +gemakkelijk te voorschijn gehaald. De monarch was genezen, en wilde nu ook weten, door welk middel dit bewerkt was. De fakir +zocht allerlei uitvluchten, maar moest eindelijk de ontzettende waarheid bekennen. Wie beschrijft de ontsteltenis van den +Rana, toen hij vernam dat een stuk van het heilige dier over zijne lippen gekomen was! Na zulk een misdaad, zij het dan ook +onbewust, te hebben bedreven, achtte hij zich niet waardig, langer te leven; hij besloot vrijwillig te sterven, en zijne lippen +te reinigen, door gesmolten lood in te slikken. Zijne bloedverwanten en hovelingen om zich vereenigd hebbende, nam de Rana +met vaste hand den kelk met het gesmolten metaal, en ledigde dien met een enkelen teug. Maar, o wonder! het vloeiende lood +ging over zijne lippen zonder ze te verbranden, en werd in zijn mond tot frisch, heerlijk water. Dat was de hand der hooge +goden: en de Rana, dankbaar voor de hem zoo zichtbaar bewezen gunst en bescherming, nam voor zijn geslacht den naam aan van +Sesoedia, van het zelfstandig naamwoord <i>siça</i> (lood). + +</p> +<p>De Sesoedias vooral mogen zich met volle recht koningskinderen noemen; groot en welgemaakt van gestalte, schoon van gelaat, +dragen hunne edele sprekende trekken den onmiskenbaren stempel van het zuivere arische bloed. Zij kennen geen ander bedrijf +dan den wapenhandel; in Mewar vormen zij de aristokratie en bekleeden alle militaire rangen; moedig, tot vermetelheid toe, +zijn zij uitstekende ruiters en onverschrokken jagers. De jacht is voor hen meer dan een vermaak of een tijdverdrijf, zij +is hun eene ware hartstocht, hunne godsdienst zelve legt hun de verplichting op, gedurende zekere tijden des jaars ter jacht +te tijgen; en zelden gaan er eenige weken voorbij, zonder dat zij tegen het wild gedierte te velde trekken. De jonge Radsjpoet +wordt niet eer in den kring der volwassen mannen opgenomen, dan nadat hij met eigen hand een dier reusachtige wilde zwijnen +heeft gedood, die zich in het Aravalli-gebergte ophouden. Alleen, slechts met zijn schild en zijn zwaren <i>catâr</i> (een soort van slagzwaard) gewapend, begeeft zich de jonkman op weg, en wacht op een plek in het woud, waar de wilde zwijnen +gewoonlijk langs komen, zijn geduchten vijand af. Ziet hij het woeste dier naderen, dan buigt hij eene knie ter aarde, en +houdt zijn catâr gereed, om hem te treffen met doodelijken slag. Is hij overwinnaar in dien gevaarlijken strijd, dan keert +hij naar zijne woning, en noodigt zijne verwanten tot een feestmaal, waarvan het gedoode zwijn den hoofdschotel vormt. + +</p> +<p>De kleeding der Radsjpoeten is zeer sierlijk en smaakvol. Zij bestaat uit eene lange, nauwsluitende tuniek en nauwsluitenden +pantalon, beiden van rijk geborduurde en met goud doorwerkte stof; aan de voeten en de armen dragen ook de mannen zware ringen +van massief goud: eene gewoonte, die bij geene andere kaste van Indië wordt aangetroffen. De vorm van den tulband is zeer +verschillend, doch steeds sierlijk; ook weten zij dit bevallig hoofddeksel met zekere gratie en coquetterie te dragen, die +hun iets zeer gedistingeerds geeft. In hun gordel dragen zij een volslagen tuighuis van dolken, degens, zwaarden; over den +schouder hangt het ronde schild van rhinocerosvel, met gouden knoppen versierd. Hunne paarden zijn met smaak en pracht opgetuigd, +en worden met groote zorg onderhouden en gekweekt.—De vrouwen der Radsjpoeten zijn groot, welgemaakt en dikwijls zeer schoon; +de echtgenooten der edelen leven in den harem of de zenanah; de vrouwen van minderen stand zijn vrij en verschijnen met ongedekt +gelaat op straat, maar zoodra zij meenen dat een Europeaan haar gadeslaat, omsluieren zij zich. Zij dragen een wijden geplooiden +rok, die tot over de knieën reikt; een klein keurslijf, dat alleen de schouders en de borst bedekt en den rug bloot laat; +en een breeden sjerp van gaas of zijde, waarmede zij zich het bovenlijf omwikkelen, en waarvan een der punten over haar hoofd +geworpen wordt. Evenals alle vrouwen door geheel Hindostan, overladen zij zich met eene ongeloofelijke menigte van gouden +en zilveren sieraden. + +</p> +<p>Ieder vermogend Radsjpoet heeft ten minste drie vrouwen, die niet alleen in het huiselijke, maar ook in het openbare leven +eene zeer gewichtige rol spelen: niets geschiedt zonder dat vooraf haar raad is ingewonnen. Zelden zal een man, op eene belangrijke +vraag, dadelijk antwoord geven: hij moet eerst zijne vrouw raadplegen, en meestal is het hare beslissing, die hij u later +mededeelt. De Radsjpoeten betoonen der vrouw dien kieschen eerbied, wijden haar die dweepende vereering, die een eigenaardig +kenmerk van alle ridderlijke volken is; hunne gedichten vloeien over van allerlei verhalen, waarin de verlossing van eene +of andere gevangen schoone, of de wraak eener beleedigde dame het hoofdthema uitmaakt. In hunne groote oorlogen speelt bijna +altijd eene vrouw de hoofdrol; en nog heden ten dage zendt eene dame, die eene beleediging te wreken heeft, een armband aan +een of anderen krijgsman, dien zij tot haar ridder heeft uitverkoren. De aldus aangewezene is nu, op straffe van oneer, verplicht, +als wreker der dame op te treden. De kronieken van Radsjpoetana zijn trouwens niet minder rijk aan trekken van heldenmoed +en zelfopoffering ook der vrouwen. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-061.jpg" alt="Durbar bij den Maha-Rana van Oodipoor."></p> +<p class="figureHead">Durbar bij den Maha-Rana van Oodipoor.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Sinds overoude tijden en nog in deze dagen, is de stand der barden of heldendichters bij de Radsjpoeten hoog in eere. Iedere +stam, iedere aanzienlijke familie, elke vorst of baron heeft zijn eigen bard of <i>bhât</i>, wiens roeping het is de herinnering te bewaren aan de aloude overleveringen en legenden van de familie of den stam. Hij +houdt de geslachtregisters, en draagt bij plechtige gelegenheden zijne liederen voor, waarin de groote daden der voorvaderen +worden geprezen. Ook de huiselijke en familiefeesten luistert hij op door zijne zangen; en des avonds zet hij zich in den +kring en doet allen luisteren naar zijne verhalen en improvisaties. De persoon van den bard is in zekeren zin gewijd; hij +is de overbrenger van de oorlogsverklaringen; <a id="d0e406"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e406">60</a>]</span>hij is de voornaamste onderhandelaar in alle gewichtige zaken en vereffent de meeste geschillen. Hij houdt zich ook onledig +met sterrenwichelarij; en bij de stammen der woestijn staat hij wellicht hooger in aanzien dan de priester van Brahma zelf. +Hoe dit alles herinnert aan onze eigene middeleeuwsche toestanden; en hoe zonderling voelt zich de europeesche reiziger te +moede, als hij hier eensklaps, in het hart van Azië, eene wereld om zich heen ziet herleven, die hij tot dusver alleen uit +de oude kronieken en romancen kende, en die hij voor altijd ondergegaan waande. + +</p> +<p>De Radsjpoeten geven zich zelf tegenwoordig den titel van Kshatriyas: met welken naam, zooals men weet, vroeger de kaste der +krijgslieden, de eerste in rang na die der Brahmanen, werd aangeduid, of liever de militaire adel van arischen stam, die de +landen aan den voet van den Himalaya veroverde en daar een nieuw rijk grondvestte. Zij beweren dan ook af te stammen van den +beroemden koning Rama, den overwinnaar van Lanka, den held van het oud-indische epos: hunne vestiging in het land zou dus +tot omstreeks tweeduizend jaren voor Christus opklimmen. Intusschen is het thans zoogoed als uitgemaakt, dat de verschijning +der Radsjpoeten in Hindostan tot een zeerveel later tijdperk behoort. Volgens het verhaal der Brahmanen, zouden de Kshatriyas +allen gedood zijn bij een opstand der lagere kasten, aan wier hoofd zich Pasoerama, een der incarnatiën van Vishnoe, had gesteld; +dit zou eenige eeuwen vóór onze jaartelling hebben plaats gehad. Wat hiervan zij: zeker is het, dat de aloude adel der Kshatriyas +in den loop des tijds zijn overwicht en de alleenheerschappij verloor: want zelfs op den keizerlijken troon van Magadha ontmoeten +wij verschillende familiën, die oorspronkelijk tot de lage kaste der Soedras behoorden.—De Radsjpoeten beginnen eerst omstreeks +de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling eene staatkundige rol in Indië te spelen; langen tijd schijnen zij zich aan de +grenzen des lands, aan gene zijde van den Indus, te hebben opgehouden; Todd meende hen te moeten rekenen tot de skytische +stammen, die langzamerhand de westelijke grenzen van Hindostan hadden overschreden. Tusschen de zesde en de zevende eeuw zien +wij deze Radsjpoeten-stammen zich snel tot macht en aanzien verheffen; de Tsjandelas veroveren Malwa, de Tsjohans en Rhatores +maken zich meester van Kanoedsj en Delhi: de Gheloten en Baghelas vestigen zich in Mewar en Goezerate. In dien tijd hielden +de Radsjpoeten zich nog afgezonderd van de eigenlijke Hindoes, waarvan zij zich ook door hunne godsdienst onderscheidden. +Zij waren destijds Djaïnen, doch omhelsden reeds vrij spoedig het Brahmanisme, met name de eeredienst van Çiva. Na hunne bekeering +deden zij ook hunne aanspraken gelden op den titel van Kshatriyas: aanspraken, wier geldigheid echter door de Brahmanen, tot +op dezen dag, nooit uitdrukkelijk is erkend. En inderdaad, zoowel door hun gelaatsvorm, zoozeer van dien der andere Hindoes +afwijkende, als door hunne zeden en gewoonten, schijnen de Radsjpoeten veelmeer aan de oude Parthen, dan aan de oorspronkelijke +vedische Kshatriyas verwant. Waarschijnlijk zijn zij de laatste emigranten van arischen stam, die uit het hoogland van Midden-Azië +in Indië doordrongen. + +</p> +<p>Inmiddels was het mij nog niet mogen gelukken tot den Rana door te dringen, en reeds dacht ik er aan, mijne vruchtelooze pogingen +op te geven en Oodipoor te verlaten, toen er eensklaps een onverwacht bondgenoot kwam opdagen, die mij zijne veelvermogende +hulp aanbood. De Rao van Baidlah, de eerste baron des rijks, had nauwelijks de tijding van onze komst vernomen, of hij haastte +zich ons te komen begroeten en zijne diensten aan te bieden. Hij kwam, vergezeld van een schitterend gevolg, in een prachtigen +draagstoel gezeten; ik ging hem te gemoet, reikte hem de hand, hielp hem bij het uitstijgen, en geleidde hem, met de verschuldigde +eerbewijzen, naar zijn zetel. + +</p> +<p>“Waar hebt gij de indische etiquette geleerd, waarvan de sahibs doorgaans niets weten?” vroeg mij de Rao. Ik verhaalde hem +nu van mijn langdurig verblijf te Baroda, van mijn vertrouwelijken omgang met den Guikowar, en van het doel mijner komst in +Mewar. Hij luisterde aandachtig naar mij, betuigde zijn spijt, dat ik mij niet dadelijk tot hem gewend had, en gaf mij de +verzekering, dat de Rana zich stellig zou beijveren mijn eersten ongunstigen indruk weg te nemen, en mij niet minder goed +zou ontvangen dan de Guikowar Khanderao. + +</p> +<p>De Rao van Baidlah is een schoon grijsaard, de volmaakte type van een Radsjpoet; zijne manieren zijn waardig en bevallig; +in zijn spreken paart hij aan de onberispelijkste etiquette eene vrijmoedigheid en ongedwongenheid, die bij de Hindoes verre +van algemeen is. Hij is het hoofd van den oppersten raad der zestien Raos of hertogen van het koninkrijk Mewar: die machtige +leenmannen, die, voor dat de Engelschen zich met de regeering des lands bemoeiden, de macht van den souverein bijna geheel +aan zich getrokken, en hem zelf tot een schijnbeeld gemaakt hadden. + +</p> +<p>Bijkans het gansche land is tusschen deze groote Raos, bijna allen aan de koninklijke familie verwant, verdeeld; in hunne +gewesten of heerlijkheden oefenen zij een schier onbeperkt gezag uit; slechts zelden verschijnen zij aan het hof te Oodipoor, +en zijn soms in openbaren opstand tegen den Rana. De britsche regeering heeft gedaan wat zij kon om de macht dezer Raos te +breken, en den Rana het verloren gezag weder te geven; maar tot dusverre is zij daarin maar zeer ten deele geslaagd. De bezittingen +van den Rao van Baidlah zijn zeer uitgestrekt, en leveren hem een inkomen van omstreeks zes ton per jaar op, zijne hoofdstad +is slechts eenige mijlen van Oodipoor verwijderd, zoodat hij, zonder zijne residentie te verlaten, aan het hof verschijnen +kan. Hij behoort tot den stam der Tsjohans, en aan zijn rang zijn enkele, echt middeleeuwsche privilegiën verbonden. Zoo worden, +bijvoorbeeld, den derden dag der maand Samvatsiri, de teekenen der koninklijke waardigheid naar Baidlah gebracht en aan den +Rao ter hand gesteld, die daarop, met groote staatsie, een bezoek gaat afleggen bij den Rana, welke hem in persoon aan den +ingang van het paleis ontvangt. Scherpzinnig en met een fijn, doordringend verstand begaafd, heeft hij het volle vertrouwen +<a id="d0e418"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e418">62</a>]</span>van den jongen vorst weten te winnen, en tevens de vriendschap van het britsche gouvernement. Hij stelt hoogen prijs op de +handhaving van den alouden luister der vorstelijke dynastie van Oodipoor en van de rechten en privilegiën van den adel; maar +tegelijk is hij niet afkeerig van de nieuwe denkbeelden en instellingen, die met de Europeanen naar Hindostan zijn gekomen; +en wel gaarne zou hij de ontwikkeling van europeeschen handel en nijverheid in zijn vaderland bevorderen, voor zooverre dit +bestaanbaar is met de oude rechten en inzettingen. Aan zijn invloed vooral was de bescherming te danken, die de europeesche +vluchtelingen, tijdens den grooten opstand van 1857, in Mewar vonden; zij werden niet alleen in veiligheid gebracht, maar +zelfs gedurende vele maanden kosteloos gehuisvest en gevoed. De koningin van Engeland zond, uit dankbaarheid, den ouden Rao +een prachtigen eeresabel, dien hij ons met blijkbare zelfvoldoening toonde. + +</p> +<p>Zijn eerste bezoek duurde langer dan een uur; hij onderzocht al onze bagages, tot zelfs ons toiletgereedschap, en had vooral +grooten schik in een stereoscoop met gekleurde platen van de Tuileriën en Versailles; hij kon zich van de beschouwing dezer +platen niet verzadigen, zoodat ik hem den stereoscoop ten geschenke gaf. Om te bewijzen dat hij met de gewoonten der beschaafde +wereld bekend was, nam hij zonder aarzelen een glas sherry van mij aan, en vroeg mij een sigaar. Dit verwonderde mij ten hoogste: +want nog nimmer had ik een Hindoe, vooral van zoo aanzienlijke kaste, ontmoet, die dus openlijk de europeesche gewoonten volgde; +later vond ik overvloedige gelegenheid om mij te overtuigen, dat, althans wat het gebruik van wijn en sigaren betreft, de +Radsjpoeten zich niet streng aan de voorschriften hunner kaste houden. + +</p> +<p>Het bezoek van den Rao droeg al spoedig vruchten. Reeds den volgenden morgen stond een door hem gezonden olifant voor onze +deur gereed, vergezeld van een djemadar met vier sowars. De secretaris des konings, Bulwant Rao, die ons als cicerone zal +dienen, voert ons door eene voorstad, waar de rijke inwoners van Oodipoor hunne villas of landhuizen hebben; aan alle kanten +verheffen zich sierlijke heuvelen, met heerlijke lommerrijke tuinen bedekt, waar, tusschen het dichte groen, sierlijke kiosken, +smaakvolle paviljoenen en wit marmeren tempeltjes, die zich in heldere waterkommen spiegelen, den voorbijganger tegenlachen. +Wij trekken de stad binnen door eene met bolwerken verdedigde poort, en bevinden ons nu in een prachtigen bazar- of winkelstraat; +de huizen zijn allen van steen gebouwd en van platte daken voorzien; de winkels bevinden zich onder booggangen, die de straat +ter wederzijde begrenzen, en zien er netjes en zindelijk uit. Het geheele voorkomen der stad is bij uitnemendheid schilderachtig; +elk huis heeft zijn eigenaardige bouworde, en prijkt met balkons, pilaren, beeldwerken en fresko’s, die aan iedere woning +een bijzonderen artistieken stempel geven. + +</p> +<p>Sommige straten hebben eene aanmerkelijke lengte en zijn geheel rechtlijnig; er heerscht hier over het algemeen eene groote +drukte. Ook hier, evenals in de meeste oostersche en ook vroeger in de europeesche steden, zijn de verschillende beroepen +en bedrijven allen bij elkander in dezelfde straat of wijk gevestigd. Zoo heeft men de straat der schoenmakers, der vervaardigers +van tulbanden; der wapensmeden, der goudsmeden en juweliers, der handelaars in zijde en andere kostbare, stoffen. In de adellijke +wijk vindt ge eene menigte trotsche woningen, echte kasteelen met gekanteelde muren, torens en bolwerken; jammer slechts, +dat deze vorstelijke residentiën dikwijls door ruïnen en bouwvallige gebouwen worden ontsierd. De aanwezigheid dezer ruïnen +midden in de stad verbaast u: zij is het gevolg van den kwalijk begrepen eerbied, dien de Radsjpoeten voor het werk der voorgeslachten +koesteren; zij willen deze gebouwen noch herstellen noch afbreken, maar laten ze geheel in den toestand, waarin zij door den +tijd gebracht zijn. + +</p> +<p>Langs steile straten beklimmen wij den heuvel, waarop het koninklijk paleis troont: die straten zijn zoo steil, dat zij voor +rijtuigen bijna onbruikbaar zijn. In de voornaamste straat, die naar het paleis voert, en dicht bij den hoofdingang, verheft +zich de groote koninklijke pagode, aan Djaggernauth gewijd, en in het laatst der zestiende eeuw door Pertap-Singh gebouwd. +Zij staat op een hoog, wit marmeren terras, waarheen een breede trap, door twee marmeren olifanten met opgeheven snuit bewaakt, +voert. De gansche tempel is uit wit marmer opgetrokken en geheel met beeldhouwwerk bedekt; de fraaie, bevallige groote toren +verheft zich tot eene hoogte van ongeveer vijf-en-twintig ellen. Voor het heiligdom staat een sierlijk paviljoen, op zuilen +rustende en met een pyramidaal dak gekroond; langs de wanden zijn bas-reliefs aangebracht, tafreelen uit het leven van Krishna +voorstellend. + +</p> +<p>Wij dalen aan de andere zijde den heuvel weder af, en staan weldra aan den oever van een schilderachtig meer, dat ik reeds +eenmaal uit de verte gezien had. Aan den zoom van het meer verrijst een prachtige, witmarmeren triomfboog, met drie doorgangen; +door deze poort trekken de veelvuldige processiën, die bij gelegenheid der groote feesten zich naar het meer begeven. Wij +stappen in eene gereedliggende boot, die ons naar de eilanden roeien moet; en weldra drijven wij op de kalme wateren van het +meer Petsjola, waarin de huizen en paleizen der stad zich weerspiegelen. Eerst niet veelmeer dan eene smalle rivier, ter wederzijde +door heuvelen, met paleizen gekroond, ingesloten, breidt het meer zich weldra tot eene wijde watervlakte uit, waaruit de eilanden +Jug-Navas en Jug-Munder oprijzen. + +</p> +<p>Wij landen aan het eerste eiland, dat geheel wordt ingenomen door eene reeks van paleizen, door den Rana Juggut-Singh gesticht. +Deze paleizen bevatten receptiezalen, staatsievertrekken, baden, kiosken: alles even rijk van stijl en schitterend van versiering. +Al deze gebouwen, groote en kleine, zijn zonder uitzondering van wit of zwart marmer opgetrokken; de wanden zijn met veelkleurige +mozaïeken versierd, en de voornaamste vertrekken bezitten historische fresko-schilderijen van groote waarde. Elk gebouw heeft +<a id="d0e432"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e432">63</a>]</span>zijn bijzonderen tuin, door zuilengangen omgeven; daar verspreiden heerlijke bloemperken, bosschages van citroen- en oranjeboomen +hunne welriekende geuren, en slingeren zich murmelende, kristalheldere beken door den rijken hof, waar reusachtige mango- +en tamarindeboomen met hunne verkwikkende schaduw de zuilengangen omhullen. Boven de koepels der paleizen verheffen dadel- +en kokospalmen hunne sierlijke bladerkroonen, zacht wiegelende op den adem der koelte. Alle onderdeelen en bijzonderheden +zijn hier in volkomen overeenstemming met de heerlijke schoonheid van het geheel; niets verbaast of treft u door groote afmetingen +of stoute vormen; de paleizen zijn klein, bevallig, gemakkelijk ingericht; het zijn inderdaad lusthoven, waar de Rana nu en +dan verpoozing zoekt van de statelijke pracht en strenge etiquette, die aan het hof van de Zon der Hindoes heerschen. + +</p> +<p>Ik zou hier uren hebben willen vertoeven, maar Bulwant-Rao noodigde mij uit naar het andere eiland te gaan, waar een ontbijt +voor ons gereed stond. Reeds van verre doet zich Jug-Munder als eene verschijning uit het <span class="corr" title="Bron: feëenland">feeënland</span> voor, met zijne koepels en palmen, zich weerkaatsende in de kalme wateren van het meer. Wij leggen aan bij een marmeren trap, +en beginnen nu onze wandeling door eene nieuwe reeks van paleizen en tuinen, niet minder schoon dan die op het eiland Jug-Navas. +Mijn gids wees mij een groot gebouw, met een mongoolschen koepel gekroond en door hem het paleis van Shâh Jehan genoemd. Deze +vorst was in opstand gekomen tegen zijn vader, den keizer Djehanghir, en had eene schuilplaats gezocht aan het hof van den +Rana Koeroen, den zoon van Oemra. De Rana ontving den voortvluchtigen prins met echt oostersche gastvrijheid; hij liet voor +hem op het eiland Jug-Munder een prachtig paleis bouwen, waarop hij de halve maan liet plaatsen; het inwendige prijkte met +mozaïeken van jaspis, agaat, onyx, en met rijke veelkleurige tapijten en draperieën; in een der zalen stond een troon, uit +een enkel blok groenachtigen serpentijnsteen gehouwen, en door vier karyatiden gedragen. Al deze heerlijkheid is nog ongeschonden +in wezen. Op dit tooverachtig schoone eiland, een waar paradijs, werden in 1857 de Engelschen geherbergd, die aan den moord +der garnizoenen van Neemuch en Idore waren ontkomen. + +</p> +<p>Na een eenvoudig ontbijt, dat wij in een der kiosken nuttigden, namen wij den terugtocht aan. Van hier omvat men, met een +enkelen blik, de geheele reeks der paleizen van Oodipoor. Vooreerst, aan het uiteinde van den heuvel, het paleis van Oemra, +dat tegenwoordig niet meer bewoond wordt; dan het paleis van den regeerenden Rana, met de Rosana, het vrouwenverblijf, waarvan +de kolossale muur tot aan den oever van het meer reikt, en zijne lommerrijke tuinen, bezaaid met kiosken; en eindelijk de +stad, half wegschuilende achter een woud van groote boomen. Dat gezicht is zeker een der fraaiste van geheel Indië. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-064.jpg" alt="Een nautsj in het paleis op het eiland Jug-Navas."></p> +<p class="figureHead">Een nautsj in het paleis op het eiland Jug-Navas.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Bij het uitstappen aan de kaai, wijst men ons de staatsiebooten van den Rana: groote, zeer sierlijke gondels, waarin ongeveer +een honderdtal personen plaats kunnen vinden. De achtersteven stijgt, terrasgewijze, tot eene aanmerkelijke hoogte: op het +hoogste terras staat de troonzetel van den Rana. De voorsteven is versierd met de beelden van paarden of pauwen, die uit het +water schijnen op te rijzen. + +</p> +<p>Onze nieuwe vriend, de Rao van Baidlah, wist ons zoo, gedurende <span class="corr" title="Bron: eenig">eenige</span> dagen, telkens nieuwe uitspanningen te bezorgen; maar van onze audiëntie kwam nog niets. Eindelijk werd ik, op zekeren morgen, +gewekt door kanonschoten, die de lang verwachte terugkomst verkondigden van majoor Nixon, den engelschen resident bij het +hof van den Maha-Rana. Ik schreef hem dadelijk, en zond hem mijne aanbevelingsbrieven; een half uur later zaten wij te zamen +aan het ontbijt. De koele wijze, waarop men ons tot dusver behandeld had, scheen hem volstrekt niet te verwonderen; volgens +hem, had men ons waarschijnlijk voor russische spionnen aangezien. Hij drong er evenwel op aan, dat wij ons verblijf zouden +verlengen, en gaf de stellige verzekering, dat hij ons aan den Rana zou voorstellen, aan wiens hof wij zeker niet minder te +zien en op te merken zouden vinden dan aan dat van Baroda. De majoor liet niet af, voor wij andermaal onzen intrek in de residentie +hadden genomen, en stelde ons nog dien avond voor aan twee engelsche officieren, den ingenieur en den dokter, die met hem +het geheele europeesche personeel der ambassade uitmaakten. Ik bracht in gezelschap van die heeren een genotvollen avond door. + + +<a id="d0e453"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e453">137</a>]</span></p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-137.jpg" alt="Paleis op het eiland Jug-Munder te Oodipoor."></p> +<p class="figureHead">Paleis op het eiland Jug-Munder te Oodipoor.</p> +</div><p> + + + +</p> +<p class="div2"></p> +<h3 class="label">IV.</h3> +<p>Zooals ik vermoed had, bracht de komst van den engelschen resident eene groote verandering in onze positie te Oodipoor. De +rana, officiëel van onze komst onderricht, kon ons nu niet langer voor russische spionnen aanzien, die gekomen waren om hem +in eene of andere gevaarlijke samenzwering te wikkelen, maar toonde zich bereid ons als gewone fransche reizigers te ontvangen. +De majoor Nixon wilde ons zelf aan den vorst voorstellen, en stond er op, dat de eerste audiëntie zoo statig mogelijk zou +zijn. In een hofrijtuig gezeten, door eene eerewacht begeleid, reden wij van de britsche residentie naar het paleis. Voor +de hoofdpoort stonden de soldaten der koninklijke lijfwacht en presenteerden het geweer; wij stapten af op het ruime voorplein; +de rao van Baidlah, die ons in naam van den maha-rana ontvangen moest, wachtte ons op het bordes op. + +</p> +<p>Eer ik de tsjoebdars met gouden staven volg, die ons naar de troonzaal moeten geleiden, sta ik een oogenblik stil, om deze +wonderschoone vorstenwoning te beschouwen, waarvan de toegang mij zoolang verboden bleef: hooge muren, van vensters met steenen +traliewerk voorzien; torens, met sierlijke koepels gekroond; galerijen, tot bijkans duizelingwekkende hoogte boven elkander +oprijzende:—en dat alles van wit marmer, overdekt met het weelderigste beeldhouwwerk. De aanblik had iets tooverachtigs; het +was een fantastisch geheel, schijnbaar zonder orde en harmonie, maar toch zoo schoon, dat de herinnering daaraan niet licht +wijken zal. + +</p> +<p>Doch ik kan deze wonderen slechts met een vluchtigen blik overzien: wij volgen den majoor door lange, overwelfde, koele galerijen, +die, zachtkens stijgende, ons naar de bovenverdiepingen voeren. De rana zal ons in den vollen durbar ontvangen: eene hooge +eere! durbar noemt men in geheel Hindostan eene plechtige audiëntie bij den rajah, waarbij ook de voornaamste edellieden, +de groot-dignitarissen van het hof en staatsdienaars tegenwoordig zijn; bij uitbreiding wordt het woord soms wel van den souverein +zelf gebruikt, als hij groote publieke ceremoniën met zijne tegenwoordigheid vereert.—Een der binnenplaatsen op de bovenverdieping +is tot troonzaal ingericht; een groot zeildoek keert de felle zonnestralen. De deurwaarders kondigen onze komst aan; de koning +zit op een zilveren troon, door gouden leeuwen gedragen; zijne hovelingen en edelen zijn ter wederzijde in een halven kring +geschaard. Zoodra wij de zaal binnentreden, rijst de koning van zijn troon op, en gaat ons enkele schreden te gemoet; hij +reikt ons de hand, en wij zetten ons nevens hem op zilveren leuningstoelen neder. + +</p> +<p>Samboe-Singh was toen, zoo als ik reeds zeide, achttien of negentien jaar oud; hij ziet er vriendelijk en goed uit, maar zijne +trekken missen die fijnheid, dat scherp geteekende, dat anders den leden van zijn geslacht doorgaans eigen is; zijne manieren +zijn vriendelijk, voorkomend en toch vol waardigheid; hij schijnt een echt gentleman. Met groote hoffelijkheid verontschuldigt +hij zich over de teleurstelling, die hij ons door het lange uitstel dezer audiëntie heeft veroorzaakt: redenen van zuiver +staatkundigen aard hebben hem belet vroeger aan ons verzoek gevolg te geven. Hij <a id="d0e470"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e470">138</a>]</span>luistert met groote belangstelling naar hetgeen ik hem omtrent het doel mijner reis verhaal, doet mij allerlei vragen aangaande +Frankrijk, en drukt eindelijk zijne verwachting uit, dat ik mijn verblijf te Oodipoor nog eenigen tijd rekken zal. Wanneer +wij opstaan om de zaal te verlaten, ontvangen wij—de resident, mijn reismakker en ik—uit handen van den rana zelf, het bosje +betelbladeren, <i>bîra</i> genaamd, en besprenkelt hij zelf onze zakdoeken met eenige druppelen rozenolie. Deze ceremonie, die aan alle indische hoven +bij het afscheid nemen gebruikelijk is, heeft hier eene dubbele beteekenis: alleen vorsten van hoogen stam, beroemde veldoversten +of zeer aanzienlijke vreemdelingen plegen de bîra uit handen van den maha-rana van Oodipoor te ontvangen. Zulk een eerbewijs +geldt bijna als een adelbrief. Ik steek de beroemde bîra eerbiedig in mijn zak, en wij keeren naar het rijtuig terug, gevolgd +door de edelen, die ons tot aan de voorplaats uitgeleide doen. + +</p> +<p>Het paleis van Oodipoor, misschien het grootste en prachtigste van geheel Hindostan, beslaat den top van een tamelijk hoogen +heuvel, die evenwijdig aan het meer, van het oosten naar het westen loopt. Daar de kruin des heuvels zeer smal is, hebben +de indische architecten aan de eene zijde een groot terras of platform uitgebouwd, dat door drie rijen bogen en gewelven boven +elkander gedragen wordt: een ware reuzenarbeid. Gedeeltelijk is het paleis op dit terras opgetrokken; het overige vormt eene +groote ruime binnenplaats, waarop de kazernen en de stallen der olifanten zijn geplaatst. + +</p> +<p>De gezamenlijke paleizen, sedert de dagen van Oemra-Singh tot op die van Sirdar-Singh gebouwd, en wier lengte te zamen meer +dan drie kilometers bedraagt, zijn in een dubbelen muur gevat. De hoofdingang is aan de zijde der stad: eene prachtige marmeren +poort, met drie rijk gebeeldhouwde doorgangen, en met eene rijke attika gekroond; de paneelen, de balkons, de koepels zijn +met smaak versierd. Deze poort voert naar de groote binnenplaats, aan twee zijden door de koninklijke vertrekken ingesloten; +de muren zijn op de verschillende verdiepingen met gebeeldhouwde galerijen versierd; in de hoeken verrijzen bevallige achtkantige +torens, met koepels gekroond. De hoogte van het gebouw bedraagt zeven-en-dertig el, maar de glans van het schitterend witte +marmer, waarvan het geheel is opgetrokken, en de eenvoudig-grootsche stijl der architectuur maken zulk een overweldigenden +indruk, dat ge aanvankelijk het paleis voor veel hooger aanziet. + +</p> +<p>Aan het uiteinde van dezen hof bevindt zich eene groote deur, die zorgvuldig gesloten en door soldaten van de lijfwacht bewaard +wordt: dat is de ingang van de zenanah of het vrouwenverblijf; niemand dan rana of de leden zijner familie mag dit gedeelte +van het paleis bezoeken. Boven de poort prijkt het meer dan levensgroote standbeeld van Ganesa, den god der wijsheid. + +</p> +<p>Het inwendige van het paleis beantwoordt volkomen aan de grootste pracht van het uiterlijke, en tevens aan de eigenaardige +behoeften van het tropische klimaat; lange, schemerachtige, zacht-hellende gangen en galerijen vervangen onze trappen, en +voeren van de eene verdieping naar de andere: de ruime, luchtige, goed verlichte zalen zijn geheel met gepolijst marmer van +verschillende kleur bekleed, hetgeen niet alleen zeer fraai staat, maar ook tot de frischheid der vertrekken bijdraagt; overal +binnenplaatsen, hoven, fonteinen, bloemen. De groote vertrekken zijn met draperiën behangen; zachte kussens, wollige tapijten +bedekten den vloer; de wanden, schitteren van mozaïek en van ivoor, parelmoer en kostbare steenen; spiegels en veelkleurige +fresko’s verhoogen die pracht. Een der zalen is op zeer eigenaardige wijze versierd, en perst den europeeschen bezoeker onwillekeurig +een glimlach af: de wanden zijn geheel bedekt met europeesche borden, schoteltjes, glazen, bobèches, <span class="abbr" title="enzovoort"><abbr title="enzovoort">enz.</abbr></span>;—het gemeenste glas- of aardewerk prijkt hier naast het kostbaarste saksische porselein of het fraaiste boheemsche kristal: +de indische kunstenaar heeft niet gelet op de innerlijke waarde van al dit huisraad, maar enkel op de kleur: en met den hem +aangeboren takt is hij er in geslaagd van deze wonderlijke, zoozeer heterogene elementen een niet onbevallig geheel samen +te stellen, dat althans door het ongewone treft. De fresko’s op de muren en zolderingen van sommige vertrekken zijn van groote, +voor ’t minst historische waarde. Men vindt hier de portretten van al de ranas, te beginnen met <span class="corr" title="Bron: Oedy-Sing">Oedey-Singh</span>, den stichter van Oodipoor, tot op onzen tijdgenoot Samboe-Singh; bij deze portretten bevinden zich voorstellingen van de +merkwaardigste gebeurtenissen uit de regeering dezer verschillende vorsten. Met groote zorg en eene opmerkelijke fijnheid +van koloriet geschilderd, zijn deze fresko’s uitnemende bijdragen voor de studie van de geschiedenis en de zeden der Sesoedias. + + +</p> +<p>Een der grootste merkwaardigheden van het paleis <span class="corr" title="Bron: vau">van</span> Oodipoor is ongetwijfeld de tuin, die boven op het platte dak is aangelegd<span class="corr" title="Bron: ">.</span> Ge kunt u moeielijk voorstellen, welken zonderlingen indruk het maakt, wanneer ge daar eensklaps, hoog in de lucht, eeuwenheugende +boomen en prachtige bloemperken ziet. In het midden van den tuin bevindt zich een waterbekken, vanwaar straalsgewijze de met +marmer geplaveide paden uitgaan; het water vloeit door sierlijk met mozaïeken ingelegde kanalen, en verliest zich in de schaduw +van geurige granaat- en oranjeboschjes. Eene opene marmeren galerij omgeeft deze bekoorlijke plek; in het rond zijn fluweelen +sofa’s geplaatst, waarop de heeren van het hof hunne siësta komen houden. Van deze hoogte overzien zij de gansche schoone +vallei, waar bijna iedere plek getuigd van den wapenroem en de heldendaden hunner voorvaderen, die eeuwen lang, met onbezweken +volharding, deze toenmaals woeste en vergeten plek gronds, die zij in een paradijs herschiepen, tegen den aandrang der Muzelmannen +hebben verdedigd. + +</p> +<p>Na dit alles bezichtigd te hebben, begeven wij ons naar het Koesh-Mahal, het paleis des vermaaks, door den laatsten rana, +Sirdar Singh, opzettelijk gebouwd voor de ontvangst zijner europeesche gasten. In de groote, met vorstelijke pracht versierde +zalen van dit paleis worden de diners en feesten <a id="d0e499"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e499">139</a>]</span>gegeven, wanneer aanzienlijke vreemdelingen uit het westen den koning bezoeken. De tsjoebdar, die ons tot cicerone dient, +toont ons de toebereidselen van zulk een feest, dat tot eere van onze komst zal worden aangericht. Boven de zalen verheffen +zich marmeren kiosken, vanwaar de blik het schoonste panorama van de stad, het meer en de omringende bergen overziet. De bergketen, +die de vallei van Oodipoor omringt, draagt den naam van <i>Guirwô</i> of cirkel; eigenlijk vormt zij een onregelmatigen ellips van twee en twintig mijlen van het noorden tot het zuiden, en van +zeventien mijlen van het westen tot het oosten. De stad zelf ligt aan het uiteinde van dien boog, en wordt alleen door het +meer Petsjola van de bergen gescheiden. De middelbare hoogte van den Guirwô bedraagt zeshonderd el boven den beganen grond +der vallei; aan den oever van het meer bereiken de bergen eene hoogte van duizend el; zij vertoonen in hunne lijnen de vreemdste +en meest afwisselende vormen. Dit ingesloten dal is als strategische positie van groot gewicht: het heeft slechts drie naar +het oosten gekeerde uitgangen, bij Dobarri, bij Dailwara en bij Naen; en deze openingen zijn niets meer dan enge en zeer lange +bergpassen, die met het uiterste gemak tegen een overmachtigen vijand kunnen verdedigd worden. + +</p> +<p>Op de helling, aan de zijde van het meer, verheft zich de Rosanah, een uitgestrekt paleis, met den voorgevel naar het water +gekeerd, en de vertrekken bevattende van de hovelingen, de heeren en officieren van het hof. Schilderachtige tuinen, terrasgewijze +afdalende, voeren u naar den oever van het meer; deze tuinen prijken met paviljoenen en kiosken, half wegduikende in den lommer +der boomen, waaronder fonteinen ruischen. Een dezer tooverpaleizen staat vlak aan den oever: duizend slanke zuilen dragen +de met mozaïek ingelegde zoldering, en eene gansche reeks van springende fonteinen hult het geheele gebouw als in een sluier +van water. Hier komt de rana met zijn hof, in de heete zomerdagen, de brandende middaguren doorbrengen. + +</p> +<p>Toen ik in de residentie terugkeerde, deelde de majoor mij mede, dat de Maha-Rana, den volgenden dag, ter onzer eere, een +feest op het eiland Jug-Navas zou geven, gevolgd door een jacht op het water. + +</p> +<p>Den volgenden morgen begeven wij ons al vroeg op het pad; wij rijden de stad door, en schepen ons in aan de kaai; eenige minuten +later stappen wij op het eiland Jug-Navas aan wal. Deze anders zoo stille plek is nu vol leven en beweging: de lakeien en +bedienden van den rana loopen heen en weder, levensmiddelen aandragende en alles gereedmakende voor onze ontvangst. De kamers +worden in der haast gemeubeld; de open vensters en galerijbogen worden met draperiën of stores behangen; de marmeren vloeren +met kussens en tapijten belegd. Aan het uiteinde van het eiland is een geheel gebouw ter onzer beschikking gesteld; wij vinden +daar bedden, stoelen, toilettafels, en, wat ons niet minder welkom is, een ontbijt. In eene naburige keuken is men bezig een +tweede, steviger dejeuner klaar te maken, waarbij het althans aan fijne wijnen niet ontbreken zal. Van alle kanten schitteren +de zilveren stralen der fonteinen tusschen het donkere loof, en honderde beekjes slingeren zich murmelend tusschen de bloembedden. +Men heeft niets vergeten: in een kiosk aan den oever word ik eene groep vroolijke jonge meisjes gewaar, rijk uitgedost met +gouden sieraden, en schitterende van edelgesteenten: dat zijn de nautsjnis of hofdanseressen, die de rana hier heeft gezonden +om ons door hare dansen en gezangen te vermaken. Ik onderhoud mij eenige oogenblikken met deze bayaderen, en sta verbaasd +over haar zuiver accent en haar sierlijke gekuischte taal, waaruit duidelijk blijkt dat zij eene beschaafde opvoeding moeten +genoten hebben. Een jonge Radsjpoet, wien ik mijne verwondering mededeelde, zeide mij dat deze nautsjnis niet, als de gewone +danseressen, arme schepsels zijn, die niets weten dan wat het toeval haar heeft geleerd, maar integendeel van hare eerste +jeugd zeer zorgvuldig worden opgevoed en onderwezen in alles wat tot veraangenaming van het leven strekken kan, in poëzie, +muziek, beschaafde innemende manieren. + +</p> +<p>Samboe-Singh zelf verschijnt eerst tegen twee uur; hij is gezeten in een prachtig versierde gondel, die aan de groote trap +aanlegt, waar wij gereed staan om hem te ontvangen; de Rao van Baidlah en de Rao van Pursaoli vergezellen den Vorst. Terwijl +wij met elkander praten, worden de toebereidselen voor de jacht voltooid; daarop scharen zich de tsjoebdars en de soldaten +der lijfwacht ter wederzijde van den weg, en wij trekken in optocht, voorafgegaan door de zingende bayaderen, naar den oever, +waar wij ons inschepen in de booten. Deze platboomde schuiten kunnen niet meer dan drie of vier personen bevatten, en zijn +uitnemend geschikt voor de jacht in deze meren en moerassen, waar het water doorgaans maar weinig diepte heeft. + +</p> +<p>Wij steken het meer over, en verliezen ons weldra in een doolhof van smalle kanalen, die in alle richtingen het groote moeras +aan den voet der bergen doorkruisen; reusachtige biezen en dichte rietbosschen omsluiten ons van alle kanten; en naarmate +wij verder komen, vliegen gansche zwermen van eenden, ganzen en flamingo’s uit deze bosschen op. Nu werden de geweren ter +hand genomen; en na verloop van een uur hadden wij eenige honderde eenden en andere vogels geschoten. Te vier uur verlieten +wij het moeras, en keerden naar het meer terug, waar wij de staatsiegondels vinden; hier neemt de rana, op de meest hoffelijke +wijze, <span class="corr" title="Bron: afsheid">afscheid</span> van ieder onzer, en keert naar zijn paleis weder; wij blijven nog in onze booten om de jacht op <span class="corr" title="Bron: krododillen">krokodillen</span> voort te zetten. + +</p> +<p>De krokodil van de indische binnenmeren is een geducht roofdier; hij bereikt eene vrij aanmerkelijke lengte, en schroomt niet +de menschen aan te vallen. Sedert de engelsche resident te Oodipoor is gevestigd, en de rana, in strijd met de godsdienstige +vooroordeelen, die de krokodillen onschendbaar maakten, aan de Europeanen vergunning heeft gegeven hen te dooden, hebben deze +monsters de onmiddellijke omstreken der stad verlaten, en zich op den tegenover liggenden oever teruggetrokken. Onverbiddelijk +in hunne schuilhoeken vervolgd, zijn zij zeer bedachtzaam en voorzichtig geworden; zoodra zich eene boot op het meer <a id="d0e522"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e522">140</a>]</span>vertoont, duiken zij allen onder en laten, ook wanneer zij weder boven komen, niets dan het uiteinde van hun snuit zien. Maar +dit is voor den jager voldoende; de kogels van onze getrokken karabijnen treffen de krokodillen ook onder water; een heftige +beweging in het meer en een roode plek op het water zijn echter de eenige zichtbare resultaten van deze jacht, want de gedoode +alligator zinkt onmiddellijk naar den grond. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-140.jpg" alt="De Kheerut-Khoemb te Tsjittore."></p> +<p class="figureHead">De Kheerut-Khoemb te Tsjittore.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Wij keeren naar ons toover-eiland terug, waar wij door het gezang der bayaderen worden verwelkomd; na het middagmaal begeven +wij ons andermaal in onze booten en laten ons gedurende eenige uren door het meer roeien; de maan rijst boven de bergen en +giet haar zilveren licht uit over de wit marmeren koepels van het paleis; de kabbelende wateren schijnen met diamanten bezaaid; +de zwoele avondwind voert ons de welluidende tonen toe van het gezang der nautsjnis, die ons op eenigen afstand volgen. + +</p> +<p>Eindelijk is het tijd om huiswaarts te keeren; onze olifanten wachten ons aan de kaai, en wij begeven ons op weg naar de residentie, +vervuld met de aangenaamste herinneringen aan dezen heerlijken dag. De rana heeft woord gehouden: hij heeft ons bijna de <a id="d0e533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e533">142</a>]</span>schitterende gastvrijheid van onzen vriend den Guikowar doen vergeten. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-141.jpg" alt="Ontmoeting met den rajah van Bunera."></p> +<p class="figureHead">Ontmoeting met den rajah van Bunera.</p> +</div><p> + + + +</p> +<p class="div2"></p> +<h3 class="label">V.</h3> +<p>Toch was deze dag slechts de inleiding tot eene lange reeks van feesten, die onafgebroken tot den 17<sup>den</sup> Januari voortduurden. In dien roes begonnen wij bijna te vergeten, dat wij nog eene lange reis hadden te doen, eer wij Jhodipoor, +de eerstvolgende plaats onzer bestemming, bereiken zouden; toch besloot ik aan dit werkelooze leven een einde te maken, en +deelde aan den majoor mijn voornemen mede, om den 20<sup>sten</sup> te vertrekken. + +</p> +<p>Intusschen had men weldra iets gevonden, om onze afreis te vertragen: de groote jacht, die de rana jaarlijks in het Aravalli-gebergte +houdt, zou weldra plaats grijpen; en de majoor gaf mij zulk eene schitterende beschrijving van die monster-jacht, dat ik mijn +vertrek dadelijk uitstelde. Waarom ook zou ik mij haasten: ik had mij wel vast voorgenomen niet het voorbeeld te volgen onzer +hedendaagsche touristen, die land aan land pijlsnel doorvliegen, als joeg hen een demon voort; altijd gejaagd en gehaast en +voortgedreven, zien zij eigenlijk niets, en eenmaal aan de plaats hunner bestemming gekomen, vragen zij zich zelf twijfelend +af, waarom zij zich toch zoo gehaast hebben. Waren drie jaren niet voldoende om Indië te bezoeken, welnu, dan zou ik er vier +of zoo noodig vijf jaren voor besteden, maar ik zou dan ook inderdaad iets gezien hebben. + +</p> +<p>In den morgen van den 18<sup>den</sup> Januari heerschte er in den omtrek van de residentie die eigenaardige drukte en beweging, die onafscheidelijk is van het +vertrek van een hooggeplaatst persoon in Indië. Daar de majoor door al zijne bedienden en huisgenooten gevolgd werd, waren +er verscheidene olifanten en een aantal kameelen noodig, om de tenten, de bagage en de mondbehoeften te vervoeren. Zulk een +pleiziertochtje is hier in dit land geene kleinigheid: weelde en prachtvertoon is overal onontbeerlijk; en voor eene jachtexpeditie, +die hoogstens veertien dagen zou duren, moest de majoor een volledig ameublement medenemen: tafels, stoelen, bedden, sofa’s, +buffetten en zilverwerk. Het zou zijner hooge waardigheid en zijn aanzien afbreuk hebben gedaan, indien zijne slaapkamer in +het kamp minder weelderig ware gemeubeld geweest, dan in zijn paleis te Oodipoor. + +</p> +<p>Het hof zal eerst den volgenden <span class="corr" title="Bron: den">dag</span> op reis gaan; de majoor, dokter Cunningham, mijn reisgezel en ik zullen den nacht doorbrengen in een huis buiten den Guirwô, +en den volgenden morgen naar de bergen van Nahrmoegra, de algemeene verzamelplaats, trekken. Tegen twee uur, worden wij in +twee open calèches, ieder met zes paarden bespannen afgehaald; de zweepen klappen, en wij vertrekken in vliegenden draf, gevolgd +door een eskadron lanciers van den rana. Voor wij de bergengte bereiken, die naar de vlakte van Mewar voert, geleidt de majoor +ons naar het meer Oedey-Sâgur, aan het uiteinde van den Guirwô, tegenover Oodipoor, gelegen: een schilderachtige waterkom, +door donkere wouden omzoomd, en aan drie zijden beheerscht door de toppen van de Aravallis, die aan geheel het landschap een +verheven ernstig voorkomen geven. Evenals het meer Petsjola is ook dit meer kunstmatig gevormd, door afdamming van de rivier +Bunas, een op zich zelf zeer onbeduidend stroompje, dat op die wijze twee der fraaiste meren van Indië, op eenige mijlen afstands +van elkander gelegen, voedt. De dijken van de meren Oedey-Sâgur en Petsjola verdienen met eere genoemd te worden onder de +groote werken, door de Radsjpoeten tot stand gebracht. De dijk van Petsjola heeft een omtrek van twee kilometers; het door +den dijk omsloten meer ligt tien of twaalf el boven den bodem der vallei, en bevat eene watermassa, die gerust op meer dan +twee milliards kubiek el kan worden geschat; de dijk is zoo stevig aangelegd, dat hij eene gansche stadswijk dragen kan. De +<i>bánd</i> van Oedey-Sâgur is zeshonderd el lang en gemiddeld twintig el hoog; de watervlakte heeft eene lengte van vier en eene breedte +van drie kilometers: de gemiddelde diepte bedraagt tien el. De dijk is van steen gebouwd, met trappen en kiosken voorzien; +op de kruin verheft zich een fraai zomerpaleis. Deze kunstmatige meren hebben evenwel nog eene andere bestemming, dan om louter +tot verfraaiing van het landschap te dienen. Men vindt ze overal door geheel Radsjpoetana, dat voornamelijk aan hen zijne +buitengewone vruchtbaarheid dankt; het water, aldus opgesloten in een bekken, dat eenige ellen boven den beganen grond ligt, +onderhoudt, vooral in het droge jaargetijde, eene weldadige frischheid en vochtigheid, en voedt de putten en bronnen der naburige +dorpen. Verbreek de dijken dezer meren, en de rivieren, die ze vormen, zullen weder worden wat zij vroeger waren: woedende, +vernielende bergstroomen in den regentijd, in het overige van het jaar droge, dorre ravijnen; en deze nu zoo vruchtbare vlakten +zullen, binnen weinige jaren, weder terugkeeren tot de woestijn, waaraan zij zijn ontwoekerd. De volken, die elkander in het +bezit dezer landen, en over het algemeen van Centraal-Indië zijn opgevolgd, hebben, van de vroegste tijden, het nut dezer +kunstmatige meren erkend; overal hebben zij het water door reusachtige afdammingen opgehouden, om het vervolgens naar hun +wil en keus te geleiden. Sommigen van deze waterwerken zijn duizende jaren oud, en wekken nog, door hun grootschen aanleg, +de bewondering der reizigers op; velen zijn echter sedert vervallen, en alom waar dit, door de zorgeloosheid der regeeringen, +is geschied, is het land tot een wildernis geworden. + +</p> +<p>Na ons bezoek aan het meer, keeren wij naar den grooten weg terug, en bereiken, tegen steile hellingen opklauterende, den +ingang van den bergpas van Dobarri. Ter wederzijde verheffen zich hooge rotswanden, die slechts een weg van weinige ellen +breed vrijlaten; de plek draagt den stempel van eene wilde grootschheid, wel geschikt om een diepen indruk te maken. In deze +kronkelende bergengten heerscht eene ongestoorde stilte: de steile rotswanden, die loodrecht uit de omringende afgronden oprijzen, +maken <a id="d0e568"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e568">143</a>]</span>zelfs voor dieren den toegang bijna onmogelijk. Op het smalste punt van den pas bevindt zich eene versterkte poort, van bolwerken +voorzien en gedekt door wallen, die langs de hellingen naar boven loopen; in een paviljoen nevens de poort is een militaire +wacht geplaatst, die niemand doorlaat dan na voorafgaand onderzoek; op korten afstand ziet men een tempel en een waterbron, +waar de pelgrims komen uitrusten. + +</p> +<p>Wij gaan de poort door, en overzien de rijke en vruchtbare vlakten van Mewar: aan den horizon verheffen zich de bergen van +Tsjittore, de oude stad der Ranas. Op de plek, waar wij ons nu bevinden, stond, volgens de overlevering, ook eenmaal Pertap-Singh, +en wierp een blik op zijn voorvaderlijk koninkrijk, door de vreemdelingen overweldigd, aan wie hij hier een eeuwigen haat +zwoer. Door de mohammedaansche keizers van Delhi verdreven en van zijne bezittingen beroofd, bleef Pertap niets meer over +dan het enge gebied, binnen den kring van den Guirwô ingesloten; toch bleef hij onverzettelijk de vredesvoorstellen der Mongolen +afslaan, die hem, tegen den vrijwilligen afstand zijner souvereiniteitsrechten, eer en schatten aanboden; hij verklaarde hun +een onverzoenlijken krijg. Met een handvol edelen, die hem getrouw waren gebleven, en de hulp der wilde Bhîls, weerstond hij, +aan de bergengte van Dobarri, de herhaalde aanvallen der keizerlijke legers, en wist het, door onbezweken heldenmoed en schier +bovenmenschelijke inspanning, zoover te brengen dat hij langzamerhand geheel Mewar herwon. Weinig natiën kunnen op eene geschiedenis +bogen, zoo rijk aan heldendaden, zoo luide getuigende van zelfopofferende vaderlandsliefde, als die der Radspoeten van Mewar; +van alle indische stammen waren zij de eenigen, die volstandig weigerden, de knie te buigen voor de Muzelmannen, en te midden +van gruwelijke vervolgingen en verdelgingsoorlogen hunne fiere onafhankelijkheid wisten te bewaren. + +</p> +<p>Het landschap, dat ons omringt, verhoogt de belangstelling, waarmede wij naar het verhaal van majoor Nixon luisteren; de radsjpoet +ruiters, die ons vergezellen, verheffen zich trotscher in den zadel, nu zij den grond betreden, zoo menigmalen door het bloed +hunner heldhaftige voorvaderen gedrenkt, en ik zelf kan zekere aandoening, bij de herinnering aan dit verleden, niet onderdrukken. + + +</p> +<p>Wij worden weldra uit onze mijmering gewekt door het gezicht van de bungalow van Dubock, waar onze bedienden reeds zijn aangekomen +en waar ons een goed middagmaal wacht. Dubock is een klein dorp, aan den zuidelijken uitloop van de Nahrmoegraketen (Tijgergebergte), +en slechts eenige mijlen van onze verzamelplaats verwijderd. Wij brengen hier den nacht door. + +</p> +<p>Den volgenden morgen breken onze lieden reeds vroegtijdig het kamp op, en trekken naar het dorp Nahrmoegra; in plaats van +den gewonen weg te volgen, gaven wij de voorkeur aan den tocht over de bergvlakten, om nauwkeurig bekend te worden met de +gesteldheid der streek, waar wij de volgende dagen ter jacht zullen gaan. De Nahrmoegrabergen vormen eene kleine keten, die +over eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen evenwijdig aan de oostelijke bergketen van den Guirwô loopt; zij zijn van +deze laatste gescheiden door eene tamelijk breede vallei, met op zich zelf staande hoogten bezaaid. De hellingen van het gebergte +loopen in eene menigte voorsprongen uit, die op wonderlijke wijze als door elkander zijn geworpen en een bijkans ondoordringbaar +net van kloven en diepten en ravijnen vormen. De zijden der bergen zijn geheel bedekt met dicht kreupelhout, bestaande uit +een soort van kleinen, doornige acacia, <i>Acacia detinens</i>, die zelden hooger wordt dan drie el, en eene groote menigte gele bessen voortbrengt, die eene lekkernij zijn voor de wilde +zwijnen. Gansche kudden van deze dieren houden zich in die bosschen op, veilig onder de bijzondere bescherming des konings: +zonder uitdrukkelijke vergunning van den rana mag niemand hier in den omtrek een geweer afschieten, veel minder jagen. Terwijl +wij door het dichte hout voorttrekken, zien wij dan ook overal troepen wilde zwijnen, die bij onze nadering op de vlucht gaan. +Het dorp Nahrmoegra ligt aan het noordelijk uiteinde van de bergketen; een sierlijk paleis, waarvan de koepels en torens zich +boven het geboomte verheffen, dient den Rajah tot verblijf <span class="corr" title="Bron: geduren">gedurende</span> den jachttijd. + +</p> +<p>Bij onze aankomst vinden wij het kamp der jagers reeds geheel kompleet; nabij het paleis zijn onze tenten geplaatst, die eene +aanzienlijke oppervlakte beslaan. Aan de overzijde van een klein ravijn staan de gekleurde tenten van het gevolg van den rana, +de stallen der olifanten, en de barakken der kavalerie en van de twee regimenten infanterie, die als drijvers dienst zullen +doen. Meer dan tienduizend menschen zijn nu bijeen in dit doorgaans zoo stille en rustige oord; uit het kamp gaat een oorverdoovend +gerucht op: toch schijnt er de meest volmaakte orde te heerschen. De etiquette wordt hier niet minder streng in acht genomen +dan aan het hof zelf; eene deputatie van edellieden komt ons, met groote staatsie, uit naam van den rana begroeten en ons +het programma der feesten ter hand stellen, die gedurende de veertien dagen, dat de jachtpartij duurt, zullen plaats hebben. +De bayaderen hebben den last ontvangen, hare tenten in de nabijheid van die der vreemde heeren op te slaan. In den loop van +den avond verschijnt de Rana, dien wij in het paleis afwachten; hij voert ons zelf door zijne woning rond, die inderdaad door +eenvoud en smaak uitmunt. + +</p> +<p>Den 20<sup>sten</sup>, des middags, heeft de plechtige opening der jaarlijksche jacht plaats. De rana, op zijn olifant gezeten, verlaat zijn paleis, +omstuwd door een koor van barden, die toepasselijke liederen aanheffen en groote palmtakken, met rozen versierd, zwaaien. +De opperjagermeester, Maharaj Singjee, op een rijk opgetuigde kameel gezeten, volgt te midden der schaar van bedienden; achter +hen komen de edelen en de genoodigden, ieder op een olifant; een talrijke schaar van Radsjpoeten te paard sluit den trein. +De stoet trekt langzaam voort, te midden van eene menigte van dorpelingen en landlieden, van alle kanten saamgestroomd, <a id="d0e591"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e591">144</a>]</span>om getuige te zijn van deze plechtigheid. Op een mijl afstands van het dorp gekomen, wijst de rana de personen aan, die de +hooge eer zullen hebben met hem zelf te mogen jagen: die bevoorrechten zijn de resident, de dokter, mijn reismakker en ik, +benevens de beide raos van Baidlah en Pursaoli; al de anderen zullen zich eenvoudig tot de rol van toeschouwer bepalen. Dit +aldus geregeld en de jacht nu geopend zijnde, verspreiden de drijvers zich in de vlakte en jagen een troep wilde zwijnen op, +die langs de olifanten heenloopen; vier liggen weldra ter aarde; deze buit wordt voor den eersten dag voldoende gerekend; +de stoet schaart zich weder in orde en keert naar het kamp terug. Aan den ingang van het paleis komen de bayaderen, in hare +fraaiste kleederen uitgedost, ons geluk wenschen met den behaalden buit. + +</p> +<p>De vier volgende dagen waren hoofdzakelijk gewijd aan eene soort van drijfjacht in de vlakte, om het wild naar het gebergte +te drijven. Geen schilderachtiger aanblik, dan de lange lijn van olifanten, te midden der ruiters, zich in de vlakte ontplooiende; +de reusachtige dieren, behangen met fraaie dekkleeden, uit de huiden hunner voorgangers vervaardigd, verheffen zich boven +het kreupelhout als wandelende torens, en schrijden rustig en met vasten tred voort, dwars door de doornige struiken. Nooit +komt de gevatheid en het merkwaardige instinkt van den olifant treffender uit, dan bij het nazetten der gewonde dieren. De +wilde zwijnen hollen bij troepen langs de jagers heen; zoodra er een gewond is, verwijdert hij zich van de troep, en verschuilt +zich in het dichte kreupelhout. Daar ieder gewond dier van rechtswege toebehoort aan den jager, die het ’t eerst getroffen +heeft, moet deze zich van de groep zijner makkers afzonderen en zijn wild gaan opsporen. Daarbij dient de olifant, dien hij +berijdt, hem als speurhond; onvermoeid volgt het dier het spoor, van tijd tot tijd snuffelende, waar het wilde zwijn geloopen +heeft; de gang van den olifant is zoo zacht, dat hij dikwijls langs de schuwste dieren heen gaat, zonder dat deze hem gewaar +worden. Het is mij meermalen gebeurd, dat ik, op een olifant gezeten, het spoor van een of ander wild volgende, op weinige +schreden afstands een troep damherten zag, die rustig bleven doorgrazen. In de nabijheid van het gewonde dier gekomen, staat +de olifant eensklaps stil; en dikwijls kunt ge eerst na scherp rondzien het arme opgejaagde wilde zwijn ontdekken, gewond +tusschen de struiken neergezonken; een kogel maakt een einde aan zijn lijden, en de olifant verkondigt de zegepraal door een +luiden vreugdekreet. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-144.jpg" alt="Een juwelier."></p> +<p class="figureHead">Een juwelier.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Den 24<sup>sten</sup> kwamen de shikaris ons verwittigen, dat de <i>hankh</i> of de jachten in het gebergte een aanvang konden nemen; volgens hunne verzekeringen hadden de dieren, verschrikt door onze +drijfjachten, zich in grooten getale in de boschrijke kloven en ravijnen verscholen. Dadelijk werd het plan voor den veldtocht +vastgesteld; wij zouden aan de zuidelijke punt van de bergketen beginnen, en aldus voortgaan tot den bergpas achter ons kamp, +waar de laatste groote jacht zou plaats hebben. + +</p> +<p>Den volgenden morgen trok de jachtstoet naar Dubock, en vandaar naar de <i>houdi</i>, waarin wij de jacht zouden bijwonen. Deze houdis zijn een soort van kleine bolwerken, doorgaans aan den ingang van een dal +of ravijn opgeworpen, zoodat het vuur der jagers de vallei geheel bestrijkt. Alles is hier voor ons gemak ingericht: sierlijke +leuningstoelen staan gereed voor den rana en de genoodigden; bier, champagne, limonade met ijs en andere ververschingen zijn +in overvloed voorhanden. Deze manier van jagen is zeker wel de minst vermoeiende, die men zich denken kan. Achter iederen +jager staan twee shikaris, met eene geheele batterij van geweren; een hunner is belast met het laden der geweren, terwijl +de andere ze aan den jager ter hand stelt, naarmate hij ze noodig heeft. + +</p> +<p>De houdi van Dubock is allerfraaist gelegen, <span class="corr" title="Bron: beschaduw">beschaduwd</span> <a id="d0e618"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e618">145</a>]</span>door een groep hoog geboomte, aan den rand van een diep dal; de vlakte en het gebergte der Aravallis liggen in een wijd panorama +voor ons. De drijvers, die vooruit zijn vertrokken, hebben zich ten getale van drieduizend man in het gebergte verspreid en +alle hoogten bezet; het opgejaagde wild blijft geen andere uitweg over, dan het smalle dal aan onzen voet. Weldra klinkt ons +uit de verte een luid gerucht tegen; uit het kreupelhout schettert en dreunt het oorverdoovend geraas van gongs, trompetten +en tamtams. Eenige oogenblikken later ruischt en kraakt het in de struiken, en een troep wilde zwijnen stormt in het dal: +zij zijn ongeveer ten getale van twintig en blijkbaar zeer verschrikt. Binnen het bereik onzer geweren gekomen, worden zij +door onze kogels begroet; enkelen storten neder; anderen keeren naar het gebergte terug; sommigen zijn verstandig genoeg om +hun weg te vervolgen en bereiken ongedeerd de vlakte. Na verloop van een half uur is de verwarring onbeschrijfelijk; de wilde +zwijnen verdringen zich bij honderden in de smalle kloof, en het vuur van de houdi zwijgt geen oogenblik. Jakhalzen, hyenas +vluchten in wilde warreling met de evers; al deze arme dieren zijn door een panischen schrik bevangen en loopen blindelings +in hun verderf. Langzaam en voorzichtig treedt een panter te voorschijn; hij poogt de rotsen te beklimmen, en zoo achter de +noodlottige houdi heen te komen: maar weldra tuimelt hij, door onderscheidene kogels getroffen, in de diepte, onder het luide +gejuich der Radsjpoeten. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-145.jpg" alt="De Araï-Din-ka-Jhopra te Ajmeer"></p> +<p class="figureHead">De Araï-Din-ka-Jhopra te Ajmeer</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Eindelijk komen de drijvers terug; de jacht is afgeloopen. Wij dalen in de vallei af om het wild te onderzoeken. Het schouwspel +is inderdaad afschuwelijk: de gedoode dieren liggen in schrikkelijke wanorde op en over elkander; breede bloedplassen bedekken +den rotsigen bodem. Meer dan veertig wilde zwijnen, een vijftiental jakhalzen, hyenas en wilde honden, en een panter: ziedaar +de buit, in anderhalf uur behaald. Mijne belangstelling wordt vooral opgewekt door de wilde honden, waarvan ik dikwijls had +hooren spreken, maar die ik nog nooit had gezien. Zij zijn ongeveer zoo groot als een jakhals, op wien zij veel gelijken, +ook door den vorm van hun kop; maar hun haar is korter, vaalbruin van kleur, en hun staart kaal. Het geblaf van den wilden +hond komt overeen met dat van den gewonen huishond, maar is ruwer en heeft een onaangenamen, klagenden toon. In talrijke groepen +vereenigd, maken deze dieren jacht op de herten en antilopen, die zij zonder veel moeite weten machtig te worden; den mensch +vallen zij nooit aan. Zelfs zeer jong gevangen, worden zij nooit recht tam. +<a id="d0e627"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e627">146</a>]</span></p> +<p>Ons leven in het kamp van Nahrmoegra is eene opeenvolging van feesten; om daarvan een denkbeeld te geven, zal ik beschrijven +hoe wij in den regel den dag doorbrengen. + +</p> +<p>Onze tenten, die tot slaapkamers dienen, zijn in een wijden kring geschaard om twee groote tenten of liever gebouwen van tentdoek, +van verandahs omgeven en met de grootste weelderigheid gemeubeld; een daarvan is de eetzaal, de andere is de algemeene salon, +waar alle leden van het gezelschap elkander ontmoeten. Ten zes uur in den morgen komen de bedienden ons wekken met een glas +sherry; opgestaan zijnde, trek ik mijne kleederen uit, en ga, met een eenvoudigen <i>janghir</i>, een korten nauwsluitenden broek, gekleed, naar buiten. Daar zet ik mij neder op een bos stroo, en breng mijn eersten groet +aan mijne makkers, die, in hetzelfde kostuum uitgedost, in dezelfde houding, voor hunne tenten zitten; de <i>Bhistis</i> naderen met hunne zakken ijswater en dienen ons een stortbad toe. Eenige minuten later zijn wij, in een deftiger kostuum, +vergaderd rondom de tafel in de <i>Mess-Tent</i>, de eetzaal, waar een stevig eerste ontbijt staat aangericht. Vroolijk pratende en keuvelende, heerlijke <i>tsjeroets</i> van Manilla rookende, gaat de tijd al ras voorbij; vervolgens stijgen wij te paard en gaan een toertje in den omtrek maken, +onderwijl eenige ganzen en flamingo’s schietende. Ten elf uur wordt op nieuw toilet gemaakt, en het tweede ontbijt gebruikt: +de bedienden van den rana brengen ons daarbij dagelijks een deel van den koninklijken maaltijd. Twee deurwaarders met gouden +staven wandelen aan de spits van dezen langen stoet van bedienden, die schotels aandragen met de meest verschillende spijzen +beladen. Naar dit proefje van het dejeuner van den rana te oordeelen, moet die vorst met eene merkwaardigen eetlust begaafd +zijn; waarschijnlijk zal echter zijn persoonlijk aandeel wel geringer zijn dan de voor ons bestemde porties. De gerechten +van dit ontbijt bestaan in gebraden vleesch, wilde-zwijnen pooten, reeënbouten, sterkgekruide ragouts en zoogenaamde <i>curries</i>; enkele van deze schotels zouden eener aanzienlijke tafel in Europa geen oneer aandoen. De <i>pickles</i> van allerlei soort, suikergoed en gebak vullen zoowat een dozijn schotels. Natuurlijk raken wij slechts even, voor den vorm, +aan dit monster-dejeuner, dat verder aan onze bedienden wordt overgelaten. Het midden van den dag is aan de jacht gewijd. +Ten vier uur, na ons nogmaals door een stortbad verkwikt en opgefrischt te hebben, ontvangen wij het bezoek van de indische +edellieden, die over allerlei zaken met ons komen spreken. Het middagmaal duurt, naar de algemeene gewoonte in Hindostan, +zeer lang, omdat ook hier het engelsche gebruik gevolgd wordt om na afloop der tafel nog te blijven drinken; de bayaderen, +de goochelaars en het vuurwerk houden ons daarna tot middernacht bezig. + +</p> +<p>Den 30<sup>sten</sup> tijgen wij voor het laatst ter jacht; des avonds is er groot feest in het paleis, ten besluite der jachten van Nahrmoegra. +Den volgenden morgen keerden wij naar Oodipoor. + + + +</p> +<p class="div2"></p> +<h3 class="label"><span class="corr" title="Bron: V">VI</span>. +</h3> +<p>De maand Februari ging voorbij met de verschillende feesten van den Holi, het lentefeest en tevens het indische carnaval, +waarbij de uitgelatenste vroolijkheid en ook de ergerlijkste zedeloosheid en dartelheid allerwege den boventoon voeren. De +rana had ons overgehaald tot na den afloop dezer feesten en die van de godin Goeri, te Oodipoor te blijven; nu echter stond +mijn besluit om te vertrekken onwrikbaar vast. Wij hadden ons afscheidsbezoek bij den rana gebracht, en alle toebereidselen +voor de reis waren voltooid. De rana had de beleefdheid gehad zijne kameelen te onzer beschikking te stellen: maar de vakil, +de stalmeester, had—ik weet zelf niet waarom—ons allerlei moeilijkheden in den weg gelegd. Hij zond ons kreupele, onhandelbare +of zwakke dieren, die wij niet konden gebruiken. Eindelijk gaf ik hem te kennen dat ik mij tot den resident of des noods tot +den rana zelf zou wenden; dit hielp: en weldra had ik nu vijftien sterke kameelen tot mijnen dienst, die onze bagage, onze +bedienden en onze tenten moesten vervoeren; twee uitnemende dromedarissen zullen ons dienen om daarop te rijden. Ons geleide +bestaat uit twaalf sowars; onze bedienden en de kameeldrijvers daarbij geteld, is onze karavaan meer dan veertig personen +sterk. + +</p> +<p>In den vroegen morgen van den 5<sup>den</sup> Maart, zond ik al mijn volkje vooruit naar Dubock; bij het vertrek heerscht de meest volslagen wanorde, zooals trouwens hier +doorgaans het geval is. Wij ontbijten voor het laatst bij den resident; al onze goede vrienden zitten nog eens met ons aan +tafel. Eindelijk—een laatste handdruk, en dan vaarwel! Wij springen in het zadel en rijden in galop weg; na een rit van een +uur bereiken wij de bergpassen van Dobarri. Nog eenmaal wierpen wij een blik op het landschap achter ons: daar lag de rijke, +heerlijke vallei met hare bosschen, hare vruchtbare velden, hare lachende dorpen; het riviertje de Bairis baande zich kronkelend +een weg tusschen de rotsen. In de verte Oodipoor, de stad van de rijzende zon, met haar diadeem van paleizen, rustende tegen +de Aravallis, wier prachtige grootsche lijnen zich krachtig in de blauwe lucht afteekenden. Wij trekken de bergengte door, +en hebben de grenzen van den Guirwô overschreden; voor ons ontvouwt zich het panorama der vlakten van Mewar, ten oosten begrensd +door eene schemerende blauwe lijn, de bergen van Tsjittore. + +</p> +<p>Wij bereiken de bungalow van Dubock, waarbij ons kamp is opgeslagen. Nauwelijks zijn wij daar aangekomen, of twee <i>harkaras</i> of boden van den rana komen ons de <i>purwanas</i> of firmans ter hand stellen, die de koning ons had beloofd. Deze purwanas zijn gericht aan de thakoers of baronnen, aan de +kotwals of bevelhebbers der steden, aan de patels of dorpshoofden, en houden den last in, vooreerst, dat wij behandeld moeten +worden met al den eerbied, dien men aan vrienden van den maha-rana verschuldigd is; <a id="d0e675"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e675">147</a>]</span>voorts, dat ons dadelijk, zonder eenige vergoeding, de <i>rassâd</i> voor ons en onze lieden moet worden verschaft. Onder dezen <i>rassâd</i> verstaat men zoowel de noodige levensmiddelen als de koelies. Op mijn bevel moet dit alles, op de verschillende plaatsen +waar wij ons ophouden, worden geleverd; het dorpshoofd maakt dan eene lijst op der geleverde goederen, die door mij wordt +geteekend en vervolgens aan den minister van den rana ter hand gesteld, die voor de betaling zorgt. De purwana voegt daarbij, +dat, aangezien de sahibs reizen om het land te leeren kennen, elk gehouden is hun alle merkwaardigheden aan te wijzen, en +hun alle verlangde inlichtingen te geven omtrent de zeden, de overleveringen en legenden der streek. Deze laatste <span class="corr" title="Bron: bijvoeving">bijvoeging</span> is van groot gewicht: want daar de inlanders altijd bevreesd zijn op eene of andere manier in onaangenaamheid te geraken, +antwoorden zij zonder zulk een bevel steeds ontwijkend op al uwe vragen en houden zich als wisten zij van niets. De beide +harkaras, die ons zullen vergezellen, moeten voor de goede naleving der firmans zorgen. + +</p> +<p>Het kamp is in de volmaakste orde; de kameelen en paarden zijn aan palen vastgebonden; de tenten regelmatig geplaatst; ieder +man is op zijn post, en heeft zijn bed, een strooien mat, gereed gemaakt. Van de verwarring en wanorde, die te Oodipoor heerschten, +is geen spoor meer over. Zoo lang de reis nog niet begonnen is, kunt ge niets van uw volk gedaan krijgen: de beesten worden +slecht geladen; de touwen breken; elk oogenblik hebt ge met allerlei moeielijkheden te kampen. Maar nauwelijks zijn zij een +paar mijlen buiten de stad, of uwe lieden begrijpen dat alle verder tegenspartelen nutteloos is, en van nu gaat alles naar +wensch. De Hindoes hebben allen een ingeschapen lust voor reizen; het eenige waar zij tegen opzien, is het vertrek; maar eenmaal +op weg, zult ge moeielijk lieden vinden, die zich gewilliger en met meer blijmoedigheid de vermoeienissen en ontberingen van +een langen marsch getroosten; zij zijn op reis bereid te doen, wat zij u in de stad zeer stellig weigeren zouden, en niemand +aarzelt een oogenblik, de handen aan het werk te slaan. + +</p> +<p>Nog voor het aanbreken van den dag, werd ik den volgenden morgen door mijn getrouwen bediende gewekt. Al ons volk is reeds +op de been, en druk bezig, bij het schijnsel der wachtvuren, de kameelen te laden, die gansch niet in hun schik zijn, dat +zij zoo vroeg gewekt worden, en hun ongenoegen door een luid gebulk openbaren. Het tooneel is schilderachtig genoeg: dit geraas +en rumoer, dat rosachtig schijnsel der vuren, die zonderlinge dieren, onwillig tegenstribbelende tegen die door elkander woelende +menschen, die groote donkere boomgroepen:—en dan dat stille rustige, in schemering gehulde landschap daar om heen. Het is +vier uur in den morgen, tusschen de keerkringen het stille uur; het roofgedierte, dat des nachts rondsluipt, is reeds naar +zijn holen terug gekeerd; de andere woud- en veld- en luchtbewoners wachten op de komst van den dageraad; de lucht is frisch, +koel zelfs: het doet u goed, bij het wachtvuur te staan. De maan is ondergegaan; geen ander licht dan het schijnsel der sterren +en de heldere glans van het zodiacaal licht, dat aan den oostelijken horizon als een langwerpige aureool straalt. + +</p> +<p>Het land, waar wij ons thans bevinden, behoort zeker tot de door de natuur meest gezegende streken; de bodem bestaat uit die +zwarte, zware tuinaarde, in het hindoesch <i>mâl</i> genaamd, waaraan de uitgestrekte landstreek, door de Tsjumboel bespoeld, den naam van Malwa dankt. Maar de bebouwing staat +hier niet in evenredigheid tot de vruchtbaarheid; de onophoudelijke oorlogen der vorige eeuw hebben het land grootendeels +tot een wildernis gemaakt; het oog van den reiziger dwaalt langs onafzienbare vlakten, overal bedekt met dat grijsachtige +struikgewas, dat alle indische jungles vormt. Van afstand tot afstand ontmoet ge een enkel dorp, met zijne woningen en tuinen +tegen de hellingen van een heuvel gebouwd; daar om heen smaragdgroene rijstvelden, veelkleurige opiumplantages, prachtige +akkers met graan. Deze dorpen zien er allen welvarend uit; bij onze nadering loopen de inwoners toe om ons te groeten. + +</p> +<p>Na een tocht van een-en-twintig kilometers door deze fraaie, hoewel eenigszins eentonige landstreek, komen wij te Mynar, een +schilderachtig dorp, tegen een heuvel gelegen, waarvan de top door een sierlijken tempel wordt gekroond. Wij slaan ons kamp +op in de schaduw van eeuwenheugende boomen, aan den oever van een fraai meer, tegenover een grooten plas, waar, tusschen de +breede lotusbladen, gansche zwermen van eenden dartelen. Ik begaf mij daarheen, en schoot mijn geweer onder den hoop af. Duizende +eenden verduisterden de lucht, en lieten zich dooden met eene gemakkelijkheid, die mij al spoedig de lust deed vergaan. + +</p> +<p>De sowars rapen den buit op, en volgen mij, bij zich zelven mompelende en lachende, tot aan mijne tent; maar nauwelijks heb +ik mijn ontbijt gebruikt, of een zwaarlijvige brahmaan komt mij vertellen dat het niet geoorloofd is op het meer te gaan jagen, +omdat het dorp gewijde grond is. Ik tracht hem onder het oog te brengen dat ik, indien ik al kwaad heb gepleegd, dit dan toch +onwetend heb gedaan, en dat de rana mij bovendien heeft vergund om overal in zijne staten zonder eenige beperking te jagen. +Deze uitlegging schijnt den brahmaan niet te voldoen, die blijft razen en tieren, tot ik hem buiten het kamp laat zetten. + + +</p> +<p>Mynar is inderdaad een <i>sahsun</i>, dat wil zeggen eene kerkelijk domein; de priesters beweren dat hun dit goed geschonken werd door den mythischen rajah Mandhata, +die vóór Vicramaditya te Dhar regeerde en wiens rijk zich uitstrekte tot de Aravallis. Deze koning, eens te Doendia, eene +naburige stad, zijnde, bracht daar den goden de aswamedha of het offer van een paard; na afloop der plechtigheid, wilde hij +de beide ritsjis of heilige kluizenaars, die geofferd hadden een geschenk vereeren, maar deze weigerden iedere gave. Toen +nam de koning zijne toevlucht tot list: hij verborg in de bîra, het bosje betelbladen, dat hij hun aanbood, een brief, waarbij +hun het dorp Mynar met de daarbij behoorende gronden in eigendom werd geschonken. De ritsjis, de bîra aangenomen hebbende +verloren hun vermogen om wonderen te <a id="d0e704"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e704">148</a>]</span>doen; zij vestigden zich toen op hun nieuw domein en werden landbouwers. + +</p> +<p>In geheel Radsjpoetana is er geen enkele staat, waarin althans niet een vijfde gedeelte van den grond het eigendom is der +brahmanen; in den loop der eeuwen heeft de brahmaansche kerk onberekenbare schatten opgestapeld, wier bezit zij met alle kracht +verdedigt. Worden de vorsten niet in de oude gewijde boeken van Manoe zelf vermaand, om vóór hun dood al hunne persoonlijke +bezittingen aan de priesters te vermaken? En worden zij, die de hand zouden durven slaan aan de gewijde goederen, niet bedreigd +met een verblijf van zestigduizend jaar in het lichaam van een onreinen worm? Het moet toch wel hard zijn, na al de weelden +van den troon genoten te hebben, zoo ontzettend diep te vallen; en aan den anderen kant is het recht aangenaam uit dit leven +te scheiden met het bewustzijn dat, zoo uwe erfgenamen al teleur zijn gesteld, dan toch uwe ziel van alle smet is gereinigd +en der zaligheid deelachtig wordt;—daarom geven de koningen, en de kerk behoudt wat zij eens ontving. In het <span class="corr" title="Bron: koningrijk">koninkrijk</span> Mewar gaat een vijfde van de staatsinkomsten in de handen der brahmanen over; en ter nauwernood durft de koning het wagen +om gronden, die reeds voor eeuwen aan de priesters werden geschonken en nu geheel verlaten liggen, weder bij het kroondomein +te voegen. Tot het dorp Mynar behooren vijfduizend <i>bigahs</i>, ongeveer zesduizend-vierhonderd bunders bouwland, waarvan meer dan drie vierde gedeelte onbebouwd en woest ligt, door de +afwezigheid of het uitsterven der oude bezitters. Niet alleen laten de koningen dus een groot deel van hun land ongebruikt +en braak liggen, maar nog voortdurend maken zij nieuwe schenkingen, die het land nog meer verarmen; doch deze staat van zaken +kan niet eindeloos voortduren, en waarschijnlijk is de tijd niet meer verre dat de vorsten op aansporing der engelsche agenten, +hunne bijgeloovige vrees zullen overwinnen en maatregelen nemen om althans de woeste gronden weder aan den landbouw terug +te geven. + +</p> +<p>Twee dagreizen brengen ons naar Tsjittore, de aloude hoofdstad van Mewar, en gedurende eenige eeuwen het laatste bolwerk der +hindoesche nationaliteit tegen de mohammedaansche overweldiging. De stad ligt <span class="corr" title="Bron: op op">op</span> den top van een alleenstaanden berg; het plateau heeft eene lengte van vijf kilometers, bij eene breedte van gemiddeld vierhonderd +el. De wanden van den berg, die tusschen de negentig en honderdtwintig ellen hoog is, rijzen bijna loodrecht uit de vlakte +op; een hooge gekanteelde muur, met zware torens voorzien, loopt langs den rand van den afgrond. Deze natuurlijke gesteldheid, +gevoegd bij uitnemend aangelegde verdedigingswerken, maakte Tsjittore tot eene bijkans onneembare vesting; rijkelijk van waterputten +voorzien, en met welgevulde reusachtige magazijnen, kon zij ook moeielijk door honger bedwongen worden:—en toch zijn weinige +steden in Indië zoo dikwijls genomen geworden als juist deze. Haar kwetsbaar punt is eene kleine bergvlakte, ten zuiden van +den berg, die, hoewel lager liggende dan de muur der vesting, toch voor de aanvallers een geschikt punt oplevert om de stad +aan te tasten. Volgens de overlevering, zou dit plateau, onder den naam van Tsjittore bekend, zijn ontstaan te danken hebben +aan den tartaarschen sultan Ala-Oedin; inderdaad was het van dit punt, dat hij den storm waagde, die hem, ten jare 1303, Tsjittore +in handen deed vallen; en daar het beleg niet minder dan twaalf jaren geduurd had, is het zeerwel mogelijk, dat de belegeringswerken +van den sultan de kruin van dezen vooruitspringenden heuvel aanmerkelijk hebben verhoogd; naar men wil, had hij op deze hoogte +zijne munjanikas of werptuigen geplaatst. Madhaji Scindia plantte, in 1792, mede op de hoogte van Tsjittore zijne batterijen, +waarmede hij de stad bombardeerde. + +</p> +<p>Het lagere gedeelte van de berghelling is met ondoordringbaar bosch begroeid, waarin allerlei gedierte huist; ten oosten aan +den voet des bergs, ligt de Toelaïti of benedenstad; aan deze zijde bevinden zich ook al de merkwaardige monumenten van Tsjittore. +Een enkele weg voert van de Toelaïti naar boven, naar Tsjittore; deze toegang was door zeven poorten verdedigd, die tegenwoordig +zeer vervallen zijn. Deze poorten, op verschillende hoogte geplaatst, dragen allen een monumentaal karakter, en zijn zeer +fraai van stijl; zij bevatten niet slechts wachtkamers, maar zelfs groote zalen. Tusschen de derde en de vierde poort verrijst +een klein marmeren grafmonument, dat de immer gedenkwaardige plek aanwijst, waar de beide helden Jeimul en Puttoe, tijdens +het beleg der stad door keizer Akbar, sneuvelden. In de nabijheid is het graf van een anderen martelaar van de onafhankelijkheid +der Radsjpoeten, Ragondeh, tegenwoordig als een heilige vereerd. De laatste poort is een statig, indrukwekkend gebouw: een +wijde boog geeft toegang tot de stad; ter wederzijde zijn fraaie wachthuizen, door zuilen gedragen; en boven de poort is de +Durri Kana of groote staatsiezaal der Radsjpoeten vorsten. Het was in deze zaal, dat de machtige Kangra Rani, de beschermgodin +van Tsjittore, aan den rana Ursi verscheen, en hem de vernedering van zijn doorluchtig geslacht voorspelde. Maar hier is geen +enkel brok muur, geen steen bijna, waaraan zich niet eene of andere legende uit den heldentijd hecht, en die niet de herinnering +van een schitterend wapenfeit of van eene edele zelfopoffering voor het geheugen terugroept. Deze poort leidde vroeger naar +eene groote schitterende stad, de roem van Indië, waarvan nu niets meer over is dan enkele leemen hutten, verloren te midden +der bouwvallen van paleizen en praalgebouwen. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-149.jpg" alt="Het paleis te Amber."></p> +<p class="figureHead">Het paleis te Amber.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Van al deze overblijfselen van vervlogen grootheid, paleizen en tempels, is verreweg het merkwaardigste de Kheerut-Khoemb +of Toren der Overwinning van Khoembhoe. Hij werd door den rana van dien naam gebouwd, ter herinnering aan de groote overwinning, +die hij op de verbonden legers des sultans van Malwa en Goezerate behaald had. Het eenige monument in geheel Hindostan, dat +met dezen toren kan vergeleken worden, is de toren der Overwinning van Koetub te Delhi, die de Kheerut in hoogte, maar niet +in schoonheid overtreft. De Kheerut van Tsjittore is een vierkante toren van zeven-en-dertig ellen hoogte; de <a id="d0e728"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e728">150</a>]</span>breedte van iedere zijde is beneden tien el, en boven onder den koepel vijf el; de toren rust op een grondslag of voetstuk +van dertien el aan iedere zijde. De vorm van het gebouw is verre van regelmatig; het is verdeeld in negen verdiepingen, waarvan +de met zuilen versierde vensters, de balkons en uitspringende lijsten de eenvormigheid der lijnen bevallig breken en eene +hoogst gelukkige uitwerking doen. Zoowel het uit- als het inwendige prijkt met duizende standbeelden, bas-reliefs en ornamenten; +alle goden van den indischen Olympus zijn hier vertegenwoordigd. De negende verdieping is een lantaarn, waarboven zich een +moderne koepel verheft, daar de oude door den bliksem is vernield. In deze verhevene zaal bevonden zich de marmerplaten, waarop +de stamboom der Ranas en hunne voornaamste daden waren gebeiteld; het mohammedaansche <span class="corr" title="Bron: wandalisme">vandalisme</span> heeft er slechts enkelen van gespaard. Van den top des torens geniet men een overheerlijk uitzicht over de gansche omliggende +streek. + +</p> +<p>Aan den voet van dezen toren bevindt zich een tempel aan Brâma, den onzichtbaren god, gewijd, en mede door Khoembhoe, ter +eere van zijn vader Mokul, gesticht. In de nabijheid ligt de <span class="corr" title="Bron: ShârBâgh">Shâr Bâgh</span> of de koninklijke begraafplaats, met de graftomben van al de Ranas, te beginnen met Bappa, den stichter der dynastie (782) +tot Oedey-Singh, den laatsten vorst van Tsjittore (1597). Onder deze graftomben zijn er vele, die eene nauwkeurige studie +alleszins waardig zijn. Maar waar zou ik eindigen, indien ik al de merkwaardigheden wilde beschrijven van deze aloude hoofdstad, +waar nog meer dan driehonderd monumenten, uit een tijdvak van misschien zeven of acht eeuwen afkomstig, verhalen van de vroegere +heerlijkheid, thans voor immer ondergegaan? + +</p> +<p>Men zal zich, na het gezegde, eenigermate een denkbeeld kunnen maken van den geweldigen indruk, dien de rampen van deze stad +op de Hindoes moesten maken: eene stad, die gedurende de lange onafhankelijkheidsoorlogen het voornaamste brand- en middelpunt +der hindoesche nationaliteit was, en daarbij de trots en de laatste hoop der ridderlijke Radsjpoeten. Nog is deze herinnering +levendig in aller gemoed, en de naam van Tsjittore, de ongelukkige stad, zweeft nog steeds op de lippen des volks. + +</p> +<p>De Hindoes verhalen van drie-en-een-halve <i>sacas</i> (plundering) van Tsjittore, tijdens het bestuur der Radsjpoeten: en wel, een onder Lakumsi, en de twee anderen onder Bikramajit +en Oedey-Singh. Luisteren wij een oogenblik naar het verhaal dezer schitterende episoden uit de laatste heldhaftige worsteling +voor de onafhankelijkheid van het oude Indië. + +</p> +<p>De rana Lakumsi besteeg den troon zijner vaderen in het jaar 1275; zijne hoofdstad, tot op dat oogenblik nog door geen vijand +vermeesterd, bevatte bijna alles wat er in Hindostan groots en heiligs was overgebleven: Delhi was toen reeds gevallen. Bhimsi, +oom des konings en regent gedurende diens minderjarigheid, had de dochter van een edelman van Ceilon gehuwd, eene vrouw van +zeldzame schoonheid en zeer uitnemende gaven van geest en hart. De sultan Ala-Oedin-Ghilsy, van de bekoorlijkheden dezer vorstin +gehoord hebbende, sloeg het beleg voor Tsjittore, met geen ander doel dan om deze beroemde vrouw, van wier voortreffelijkheid +het gansche land gewaagde, voor zich te winnen. De Radsjpoeten verdedigden zich met heldenmoed; en de sultan, wien het lange, +hopelooze beleg begon te verdrieten, verklaarde eindelijk te zullen aftrekken, indien het hem slechts eenmaal vergund mocht +zijn, het gelaat der schoone Pudmani te aanschouwen. Zijn wensch werd ingewilligd: en Ala, zich verlatende op het eerewoord +en de ridderlijke trouw der Radsjpoeten, kwam binnen Tsjittore, werd bij de vorstin toegelaten, en verliet ongedeerd de stad. +Bhimsi, zich niet minder edelmoedig willende toonen dan de tartaarsche sultan, begeleidde dezen tot buiten de vestingwerken. +Juist daarop had Ala gerekend: de onvoorzichtige Radsjpoet zag zich plotseling overvallen en als gevangene naar het muzelmansche +kamp gevoerd. Groot was de verslagenheid in Tsjittore, toen men den volgende morgen vernam, dat Ala zijn gevangene niet wilde +loslaten, tenzij hem de prinses werd uitgeleverd. Pudmani aarzelde niet, en maakte aan allen haar besluit kenbaar, zich in +handen van den sultan te stellen; maar tegelijk riep zij hare bloedverwanten bijeen en deelde hun het plan mede, dat zij ontworpen +had om haar gemaal te redden. Ala werd mitsdien geboodschapt dat de vorstin zijne gevangene zou worden in plaats van Bhimsi: +onder voorwaarde evenwel, dat het haar vergund zou zijn, zich tot aan het vijandelijk kamp te doen vergezellen door hare vrouwen +en dienstmaagden en door de leden harer familie; en voorts onder de uitdrukkelijke bepaling dat de wetten van de zenanah stipt +zouden worden geëerbiedigd. Deze voorwaarden aangenomen zijnde, daalden den volgenden dag zevenhonderd draagstoelen van de +rotsige hoogte af; in iederen draagstoel zat, verborgen door de dichte gordijnen, een uitgelezen strijder van de ridderschap +van Tsjittore; de vier dragers waren vermomde soldaten. Bij het tartaarsche kamp gekomen, werd aan de gewaande vrouwen, een +half uur toegestaan om afscheid te nemen van Pudmani; de in vrijheid gestelde Bhimsi voegde zich bij zijne helden, en beraadslaagde +met hen, aan aller oog onttrokken door de gordijnen der draagstoelen. Op een gegeven teeken springen nu de mannen eensklaps +te voorschijn; de soldaten van Ala willen hen gevangen nemen. Van de verwarring gebruik makende, werpt Bhimsi zich op een +paard en ijlt naar Tsjittore, terwijl zijn makkers zijn terugtocht dekken. De strijd was bloedig; van de heldenschaar der +Radsjpoeten keerden maar weinigen in de vesting terug; maar het verlies van Ala-Oedin was zoo groot, dat hij den moed verloor +en het beleg opbrak. De indische geschiedschrijvers noemen dit de halve <i>saca</i> van Tsjittore; want hoewel de stad niet genomen werd, had zij toch de bloem van haar ridderschap verloren. + +</p> +<p>In 1290 keerde Ala-Oedin terug en sloeg nogmaals het beleg voor Tsjittore; ditmaal met het vaste voornemen om deze laatste +wijkplaats der afgodendienaars te vernietigen. Meer dan twaalf jaren lang bood de onneembare vesting een heldhaftigen tegenstand; +<a id="d0e752"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e752">151</a>]</span>maar eindelijk slaagden de Muzelmannen er in, zich van de hoogte van Tsjittore meester te maken: en nu begrepen de Radsjpoeten +dat hun val onvermijdelijk was. De legende verhaalt dat, op dit uiterste oogenblik, de beschermgodin van Tsjittore, de vreeselijke +Kangra-Rani, aan den koning Lakumsi verscheen, en tot hem de ontzettende woorden sprak: “Ik begeer koninklijke offers! Dat +twaalf gekroonde vorsten hun bloed voor mij vergieten, en uwe nakomelingen zullen over Mewar regeeren!” Den volgenden dag +riep de rana Lakumsi, die allen in den strijd was voorgegaan, zijne edelen en de voornaamsten der stad bijeen, en deelde hun +de woorden der godin mede; maar de grijsaards trachtten den vorst te overreden, dat zijne overspannen verbeelding hem had +misleid. Doch nu verschijnt Kangra-Rani ook voor hunne oogen, en roept hun toe: “Wat baten mij de duizende barbaren, die gij +mij ten offer hebt gebracht? ik dorst naar koningsbloed! Laat iederen dag een andere vorst worden gekroond; laat hem getooid +worden met de koninklijke insigniën, met de <i>kirma</i> (zonnescherm), met de <i>sjatta</i> (kleine parasol) en de <i>sjamra</i> (waaier); dat hij gedurende drie dagen zijne bevelen uitvaardige, en den vierden dag ten strijde ga en sneuvele. Op deze +voorwaarden alleen zal ik met u blijven.”—De twaalf zonen van den rana waren aanstonds bereid zich ten offer te wijden, en +betwistten elkander de eer wie het eerst ten doode zou gaan. Ursi werd het eerst als koning uitgeroepen: en na eene regeering +van vier dagen, sneuvelde hij, strijdende voor Tsjittore. Elf zijner zonen waren aldus voor het vaderland gevallen, toen de +rana zelf zijn krijgers verkondigde, dat nu de beurt om te sterven aan hem gekomen was. De laatste zijner zonen, die op uitdrukkelijk +bevel van zijn vader, met een zwak geleide, de vesting verlaten had, bereikte gelukkig het Aravalli-gebergte. De Radsjpoeten +bereidden zich nu tot den dood: de verschrikkelijke offerande van den johur zou worden voltrokken. De onderaardsche vertrekken +van den Rani Bindar werden met brandbare stoffen opgevuld, en daarboven de schatten opgestapeld, die de muzelmansche hebzucht +het meest konden prikkelen: de juweelen, de gouden en zilveren vaten en de vrouwen; deze laatsten gingen, ten getale van eenige +duizenden, dit levend graf binnen, op het voetspoor van hare vorstin, de onvergelijkelijke Pudmani. Toen liet de rana de poorten +der vesting openen, en omstuwd door het overblijfsel zijner helden, wierp hij zich op het leger van Ala; allen werden tot +den laatsten man gedood, na onder hunne vijanden eene verschrikkelijke slachting te hebben aangericht. Toen de tartaarsche +sultan eindelijk Tsjittore binnentrok, vond hij eene zwijgende, uitgestorven stad, waarboven een akelige zware rookwolk hing, +die opsteeg uit de onderaardsche vertrekken, waarin alles, dat zijne begeerlijkheid had opgewekt, door de smeulende vlammen +werd verteerd! In zijne woede, vernielde hij alle gebouwen binnen de vesting, met uitzondering van het paleis van Pudmani, +de vrouw, die de onschuldige oorzaak was geworden van den val van Tsjittore. + +</p> +<p>Aldus de legende, die zekerlijk de historische werkelijkheid heeft opgesierd. De tweede verovering der uit hare puinen herrezen +hoofdstad had plaats onder de regeering van Bikramajit, <span class="corr" title="Bron: ometreeks">omstreeks</span> 1537. De vroegere rampen waren sinds lang vergeten, en onder de glansrijke regeering van den rana Khoembhoe had Tsjittore +het toppunt van macht en heerlijkheid bereikt, toen de sultan Bahadoer-Bajazet, de beheerscher van Goezerate, een inval in +Mewar deed, om de nederlaag van zijn voorganger Mozuffar te wreken. De rana, een man van een heftig en wantrouwend karakter, +door zijne edelen verlaten, die zich in Tsjittore hadden opgesloten, trok moedig den sultan tegen, maar werd verslagen. Onmiddellijk +werd nu de hoofdstad belegerd, en Bajazet maakte daarbij gebruik van geschut: een wapen, dat de Radsjpoeten tot dusverre hadden +versmaad. Volgens de verhalen van dien tijd, werd de muzelmansche artillerie gekommandeerd door een Europeaan: Labri Khan +van Frenghân, waarschijnlijk een deserteur van de vloot van Vasco De Gama. Hij liet mijnen rondom de vesting aanleggen; en +eene daarvan had eene zoo geweldige uitwerking, dat de wal over eene lengte van veertig ellebogen instortte, benevens een +bolwerk, waarvan al de verdedigers omkwamen. De radsjpoeten edellieden boden een hardnekkigen tegenstand, en riepen, bij afwezigheid +van den rana, een der prinsen van het koninklijk geslacht tot koning uit; deze, met de teekenen der souvereine waardigheid +bekleed, begaf zich naar den muur en liet zich dooden, ten einde door dit offer de vertoornde godheid te verzoenen. Onder +de vele bewijzen van schitterenden heldenmoed, waarvan ook dit beleg wederom getuige was, roemen de nationale barden bovenal +het gedrag van de koningin-moeder, Jowahir-Baï, die, van top tot teen gewapend, zelf aan het hoofd eener gewapende bende, +een uitval deed en sneuvelde, na met eigen hand eene menigte vijanden te hebben omgebracht. Eindelijk was langer tegenstand +onmogelijk geworden; de vijand heeft bijna den wal vermeesterd; de vreeselijke plechtigheid van den johur zal wederom worden +gevierd; maar de tijd ontbreekt om een brandstapel op te richten; de koningin Kurnavati en dertienduizend vrouwen vereenigen +zich op eene ondermijnde rots: de lont wordt aan het kruid gelegd; en, na aldus hunne eer en hunne dierbaarste panden gered +te hebben, ijlen de mannen naar de laatste worsteling, waaruit geen hunner keert. Bajazet werd, bij het gezicht dezer brandende, +met dooden en stervenden opgevulde stad, van afschuw bevangen, en verliet haar zoo spoedig mogelijk. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-152.jpg" alt="Het paleis der Seths te Ajmeer."></p> +<p class="figureHead">Het paleis der Seths te Ajmeer.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Ruim dertig jaren later was Tsjittore nogmaals uit zijne asch herrezen, toen keizer Akbar het beleg voor de stad kwam slaan. +De eerste maal werd hij, dank zij den heldenmoed van den rana Oedey-Singh, terug geslagen; maar kort daarop kwam hij terug. +Ditmaal beging Oedey de laagheid van te vluchten, en de verdediging zijner hoofdstad over te laten aan zijne onverschrokken +vasallen; zij deden wonderen van dapperheid, maar niets kon de arme stad redden, dus alleen gelaten in hare worsteling met +het ontzachelijke rijk van den Groot-mogol. De vertegenwoordigers der schitterendste geslachten van den adel van Mewar vielen +in den ongelijken strijd; de weduwe van Saloembra, een der Omras <a id="d0e775"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e775">153</a>]</span>of pairs des rijks, geleidde zelf haar zestienjarigen zoon en hare schoondochter naar het gevecht, en alle drie vonden den +dood op de wallen der heilige stad. Twee clanhoofden, Jeimul en Puttoe, hadden het bevel over de vesting op zich genomen; +zij deden al wat menschelijkerwijze mogelijk was om de stad te redden, en hun onbezweken heldenmoed wekte zoozeer de bewondering +zelfs der aanvallers op, dat tot op den huidigen dag hunne namen bijna evenzeer door de muzelmannen als door de Radsjpoeten +in hooge eere worden gehouden. Jeimul, door de hand van Akbar zelf doodelijk gewond, gaf eindelijk, het teeken tot den Johur. +Negen koninginnen, vijf prinsessen en meer dan tienduizend vrouwen bestegen den brandstapel, terwijl de laatste verdedigers +zich te midden der vijandelijke gelederen wierpen. De groote Akbar toonde zich onverzoenlijk, en liet allen, die nog in het +leven waren gebleven, ombrengen; hij overtrof in vernielingswoede Ala-Oedin en Bajazet, en verwoestte of schond al de monumenten +van Tsjittore. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-153.jpg" alt="Sheodan-Sing, Maharao Rajah van Ulwur."></p> +<p class="figureHead">Sheodan-Sing, Maharao Rajah van Ulwur.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De godin Kangra-Rani had beloofd, deze rotsvesting nooit te zullen verlaten, zoolang nog een der afstammelingen van Bappa +zich voor haar ten doode zou wijden. Getrouw aan deze belofte, hadden de zonen van Lakumsi, had de koning zelf, en hadden +na hem vele andere vorsten, hun leven vrijwillig ten offer gebracht; maar bij deze laatste worsteling had geen enkel koninklijk +slachtoffer den toorn der vreeselijke godin bezworen: de betoovering was geweken en de band, die haar aan de Sesoedias verbond, +voor immer verbroken. Zij verliet de rotsburgt, die door haar koning verlaten was; en met haar verdween het prestige, dat +Tsjittore omgeven had, en het steeds als het laatste en hoogste palladium van den stam <a id="d0e784"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e784">154</a>]</span>der Radsjpoeten had doen beschouwen. De stad, die niet zonder recht den naam van de Onverwinlijke droeg, kon geene verdedigers +meer vinden; en zooals de bard zegt, “deze koninklijke woning, die duizend jaren lang haar hoofd had opgeheven boven alle +steden van Hindostan, is geworden tot een verblijf voor het wild gedierte, hare tempels zijn onreine holen geworden.” Weleer +de heilige stad bij uitnemendheid, wordt zij heden nog wel als een gewijde plaats beschouwd, maar die nu ten prooi is gelaten +aan demonen en onreine geesten; en het is den rana’s uitdrukkelijk verboden, haar te betreden. Geen hunner heeft, na Pertap-Singh, +den voet op deze rots gezet, en zij, die het hebben gewaagd deze bouwvallen te bezoeken, werden als door eene onzichtbare +macht terug gedreven. + +</p> +<p>Zulke herinneringen omzweven de eenzame, met ruïnen gekroonde rots, waarop de aloude hoofdstad der rana’s in doodslaap gedompeld +ligt, verlaten en vergeten. Aan haren voet, in de vlakte, ligt de Toelaïti, de benedenstad, met hare fraaie, drukke bazars, +vol leven en beweging, met hare sierlijke huizen en welvarende bevolking, de tweede stad des rijks. Maar meer dan al deze +welvaart en vooruitgang trokken mij de bleeke ruïnen der oude koningsstad aan, getuigen van een zoo schitterend verleden, +dat voor immer is voorbijgegaan. + + + +</p> +<p class="div2"></p> +<h3 class="label"><span class="corr" title="Bron: VI">VII</span>. +</h3> +<p>Den 17<sup>den</sup> Maart verlaten wij Tsjittore en slaan den weg noordwaarts in naar Ajmeer of Adsmir, de voornaamste stad der Aravallis. Dien +dag en de volgende dagen voert onze tocht ons nog altijd door de staten van den maha-rana, door de vruchtbare, maar niet overal +evengoed bebouwde vlakten van Mewar. Onderweg maakten wij kennis met den rajah van Bunera, een van de aanzienlijkste vasallen +van den maha-rana, die mede uit den koninklijken stam der Sesoedias is gesproten en een prachtig kasteel, geheel van wit marmer +opgetrokken; bewoont. De titel van rajah (koning) werd aan een der voorouders van dezen hoogen edelman, als belooning voor +bewezen diensten, door de mongoolsche keizers geschonken. De rajah ontving ons met die uitgezochte hoffelijkheid en waardige +voorkomendheid, die eene der goede eigenschappen van den radsjpoeten adel mag worden genoemd. Wij brachten op zijn kasteel +een paar allergenoegelijkste dagen door. + +</p> +<p>In den morgen van den 23<sup>sten</sup> trokken wij de Kuhri-Nadi over, die de staten van den rana van de provincie Ajmeer scheidt. Deze provincie is het eenige +gedeelte van Radsjpoetana, dat rechtstreeks onder britsch gezag staat. Zij behoort aan de Engelschen sedert 1818; in de vijftiende +eeuw kwam zij in handen der mongoolsche keizers, en later, toen het groote rijk uit elkander viel, in de macht der mahratten-koningen +van Gwalior; toen de Engelschen optraden als de erfgenamen van den Padishâh, eischten zij ook deze provincie, als deel uitmakende +van de keizerlijke goederen, en sedert is zij ook aan hen verbleven. Dit belangrijk gewest ligt aan alle zijden ingesloten +door de staten der vorsten van Mewar, Marwar, Jhodepoor en Kishengurh. + +</p> +<p>Den volgenden dag bereikten wij Nusserabad, een van de gewichtigste engelsche militaire stations in Radsjpoetana. Het kamp +maakt een allertreurigsten, somberen indruk; in 1857 maakten de opstandelingen zich van dezen post meester, verbrandden al +de woningen, hakten al de boomen om en vernielden de plantages: de gansche streek werd een wildernis. Ook de indische stad +onderging hetzelfde lot als het engelsche kamp en werd bijna geheel verwoest; tegenwoordig is zij niet <span class="corr" title="Bron: veelmeer">veel meer</span> dan een grooten bazar, die echter eene bevolking telt van twintigduizend zielen. Men heeft zooveel mogelijk getracht de aangerichte +schade te herstellen: maar de boomen langs de wegen hebben al het voorkomen van bezemstelen; en alle pogingen om nieuwe tuinen +en plantages aan te leggen, hebben tot dusver schipbreuk geleden: de grond, door de brandende zonnehitte geblakerd, en beroofd +van de hier vooral zoo onontbeerlijke schaduw, is uitgedroogd en zoo hard als metaal geworden. Maar zoo het uiterlijk voorkomen +van Nusserabad weinig opwekkend is, wijkt die indruk toch spoedig bij nadere kennismaking: de talrijke bezetting maakt zich +hier het leven zoo aangenaam mogelijk, waartoe zeker de nabijheid van Ajmeer en de tegenwoordigheid van een aantal Europeanen +zeerveel bijdragen. + +</p> +<p>Hier kon ik op nieuw de ervaring opdoen, dat er weinig landen zijn, waar de vreemdelingen een guller en hartelijker onthaal +vinden, dan in de engelsche stations van Hindostan. Om aan de verschillende uitnoodigingen te kunnen beantwoorden, zagen wij +ons verplicht, vijf dagen te Nusserabad te vertoeven. Trouwens, die dagen werden op de aangenaamste wijze doorgebracht: onder +anderen ook door een uitstapje naar de Aravallis, waar wij, met eenige officieren, gingen jagen. De vlakten om het kamp zijn +overrijk aan allerlei soorten van wild; en in de dalen en kloven der groote bergketen huizen eene menigte wilde dieren. De +jacht is dan ook een van de voornaamste uitspanningen der officieren, die zeer weinig te doen hebben; ieder jaar organiseeren +zij groote expeditiën, die aan eene menigte tijgers, panthers, beren en dergelijken het leven kosten, en stof opleveren voor +gesprekken en verhalen gedurende het gansche jaar. Het ontbreekt op die jachten dan ook dikwijls niet aan dramatische incidenten +en treffende ontmoetingen; doorgaans zelfs loopt het niet zonder ongelukken af. Want de tijger, schoon in gewone omstandigheden +eer lafhartig dan moedig en zoolang mogelijk de voorkeur gevende aan de vlucht, wordt toch, als hij eenmaal gewond en in de +engte gedreven is, een allergevaarlijkste tegenpartij, die niets meer ontziet en geen gevaar kent. + +</p> +<p>Den 30<sup>sten</sup> Maart begeven wij ons op weg naar Ajmeer, waarvan wij nog slechts vijftien mijlen verwijderd zijn. Even voorbij Nusserabad +begint het bergland, en weldra bevonden wij ons midden in de Aravallis. Juist toen wij de eerste bergengte doortrokken, verhief +de zon zich boven de kimmen, en zette het prachtige landschap eene nieuwe bekoorlijkheid <a id="d0e815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e815">155</a>]</span>bij; aan alle zijden verrijzen getande, afgebrokkelde, wonderlijk gevormde naalden en spitsen en toppen, waartusschen zich +diepe afgronden openen, in ondoordringbaar duister gehuld. De zonnestralen, door de rotspunten gebroken en weerkaatst, vlechten +rooskleurige lichtkransen om de hoogere toppen; reusachtige cactussen, de eenige plant die op deze hoogte tiert, vormen schilderachtige +groepen en fantastische bosschages; op de bergvlakten verheffen zich enkele breedgebladerde acacias met vuurroode bloementrossen; +duizende patrijzen, in het kreupelhout verscholen, begroeten met hun doordringend geschreeuw de opkomende zon, terwijl van +tijd tot tijd, bij onze nadering, een pauw opvliegt, en als een krans van stralende smaragden voor onze oogen schittert. De +frischheid van den morgen, het gezang der vogels, de schoonheid van het landschap, doen ons alle vermoeienissen vergeten; +eene vroolijke opgewektheid bezielt ons allen; wij zijn weldra aan het doel. Wij slaan een hoek om, en daar ligt Ajmeer voor +ons, met zijne beroemde citadel Teraghur; een prachtige, verrassende aanblik: de witte huizen der stad zijn in een breeden +krans van groen gevat, waardoor zij eene bloeiende oase schijnt te midden dezer wildernis van rotsen en klippen. Eene breede +vallei scheidt ons nog van haar, en wij hebben niet minder dan twee uren noodig, om die vallei door te trekken; nabij de stad +is het veld overal bezaaid met bloemen, die reusachtige perken vormen, en waaruit de zoo beroemde oliën en reukwaters vervaardigd +worden. + +</p> +<p>Ten negen uur trekken wij, door eene der oude poorten Ajmeer binnen, en verliest zich onze karavaan in smalle en schilderachtige +bazars, die op het eerste gezicht aan die van Kaïro herinneren. Onze voornaamste zorg is het vinden van een geschikt logement; +hier is geen rana, die een paleis ter onzer beschikking kan stellen; hier is zelfs geen bungalow, want er komen hier zoo weinig +reizigers, dat de stad geene inrichting van dien aard bezit. Wel hebben wij brieven voor den gouverneur der provincie, den +majoor Davidson, en zouden wij dus een beroep kunnen doen op zijne gastvrijheid; maar het valt licht te begrijpen, dat ongevraagde +gasten niet altijd welkom zijn, vooral niet, als zij met een gevolg van een vijftig personen komen. Ik herinnerde mij evenwel +dat de majoor Nixon ons den raad gegeven had, om, wanneer wij in verlegenheid mochten zijn, ons in zijn naam te wenden tot +een bankier van de sekte der Djaïnen, den Seth Partah-Mull. Ik vraag een der voorbijgangers mij de woning van den Seth te +wijzen; en na verschillende groote straten, met fraaie huizen omzoomd te zijn doorgegaan, komen wij bij den bankier. Zijne +bedienden ontvangen ons met groote beleefdheid; en weldra sta ik tegenover den Seth, een man van omstreeks veertig jaar, met +een zeer innemend voorkomen. Nauwelijks heb ik hem de reden van ons bezoek medegedeeld, of zonder verdere ophelderingen of +verontschuldigingen af te wachten, geeft hij onmiddellijk last dat een zijner huizen tot onze beschikking zal worden gesteld. +Met innemende vriendelijkheid weigert hij zelfs onze dankbetuigingen aan te hooren, verklarende dat hij ons dank verschuldigd +is voor de bewezen eer, ons tevens dringende om van de lange reis te gaan uitrusten. Een half uur later bevonden wij ons in +een keurig, indisch huisje ver van de bazars in eene der voorsteden; de bedienden van den Seth brengen haastig alles in orde +voor ons verblijf: rondom onze woning strekt zich een groote boomgaard uit, met granaat- en citroenboomen beplant; een kanaal +met stroomend water loopt door deze bosschage, overal frischheid verspreidende. Dit alles heeft Purtab-Mull, met vorstelijke +gastvrijheid, geheel tot onze beschikking gesteld voor al den tijd dien wij hier zullen vertoeven. + +</p> +<p>Te Ajmeer aangekomen, haast ik mij, het geleide, dat de rana ons gegeven had, terug te zenden, en den koning tevens kennis +te geven van de wijze, waarop wij onderweg zijn ontvangen geworden; vervolgens geef ik den majoor Davidson bericht van onze +aankomst. De majoor zond ons aanstonds een zijner rijtuigen, en stelde zich geheel te onzer beschikking voor het bezoeken +der stad en hare omstreken. Het is bijna onnoodig hierbij te voegen, dat ik ook bij hem hetzelfde vriendelijke onthaal en +dezelfde voorkomende hulpvaardigheid vond, waaraan de hooge engelsche ambtenaren in Indië mij reeds gewend hadden. + +</p> +<p>Ajmeer is eene zeer oude stad; in de eerste eeuwen onzer jaartelling werd zij gesticht door den Sjohan Aja-Pal, die, volgens +de legende, aanvankelijk een herder was, maar later een machtig vorst werd. Hij bouwde de beroemde citadel, die de stad beheerscht, +en maakte zich van geheel de omliggende landstreek meester. Vandaar de naam der stad, die sommigen Aja-Mer, de berg van den +herder, of Aji-Mer, de onverwinlijke berg, noemen. In 1191 maakte de Sultan Shahab-Oedin zich meester van Ajmeer, in 1559 +voegde Akbar ook dit gewest bij het rijk van den Groot-mogol. De latere lotgevallen van de stad vermeldde ik reeds. + +</p> +<p>Ajmeer ligt in eene bekoorlijke vallei; aan de eene zijde breidt de stad zich uit langs den oever van eene schilderachtig +meer, de Ana-Sagur; aan de andere zijde leunt zij tegen de <span class="corr" title="Bron: helingen">hellingen</span> van een prachtigen berg, op welks top zich het fort Teraghur verheft. De schoone ligging en het heerlijke klimaat lokten +al vroeg de mongoolsche keizers, die de vallei met hunne paleizen en parken vulden. Een der fraaiste dezer paleizen is dat +van Daôlat-Baugh, dat in de zestiende eeuw door keizer Jehanghir werd gebouwd, en tegenwoordig de residentie is van den engelschen +gouverneur. Sierlijke marmeren paviljoenen verrijzen aan den oever van het meer, en bieden het heerlijkst panorama over de +stad en de omliggende bergen. De groote tuin is vol eeuwenheugende boomen: daar ontving der trotsche Jehanghir eens den gezant +van koning Jacobus I van Engeland, die hem de hulde van zijn meester kwam brengen. + +</p> +<p>Het meer is, evenals alle meren in dat gedeelte van Indië, gevormd door het kunstmatig afsluiten eener rivier; de reusachtige +dijk werd in de elfde eeuw, onder de regeering van koning <span class="corr" title="Bron: Ana-Devâ">Ana-Dévâ</span>, aangelegd. De stad is omsloten door een gordel van <a id="d0e833"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e833">156</a>]</span>zware muren, op bevel van keizer Jehanghir opgetrokken, die aan de eene zijde langs de toppen der aangrenzende bergen loopen +en zich aan de citadel Teraghur aansluiten. Acht groote, fraaie poorten geven toegang tot de stad. Aan de zijde der vlakte +wordt Ajmeer verdedigd door een versterkt kasteel, dat een groot paleis en kazernen voor de bezetting bevat, maar alleen in +tijd van nood wordt gebruikt. Geene andere stad van Radsjpoetana, Jeypoor uitgezonderd, bezit zulke fraaie bazars als Ajmeer; +het is die gedeeltelijk aan de Engelschen verschuldigd. Deze bazars zijn fraaie, breede, wel aangelegde straten, ter wederzijde +van trottoirs voorzien; de benedenverdiepingen der huizen zijn tot sierlijke winkels ingericht; de gevels prijken met balkons +en verandahs. De woningen der rijken zijn van wit marmer, en daaronder zijn er verscheidene, die met volle recht op den naam +van paleizen aanspraak mogen maken. Ik wijs slechts op het paleis der Seths, het eigendom van eenige bankiers van de sekte +der Djaïnen, een wonderschoon gebouw, eerst in den laatsten tijd verrezen, maar dat gerust de vergelijking kan doorstaan met +de uitnemendste gewrochten van de kunst der Radsjpoeten. + +</p> +<p>Nevens deze groote ruime bazars, de schepping der Engelschen, breidt zich een net uit van nauwe, kronkelende, schilderachtig +verwarde straten en stegen, altijd opgevuld met eene luidruchtige menigte. De kunstenaar vindt daar eerst het ware, echte +Ajmeer en weinige steden van het Oosten, Kaïro daaronder begrepen, kunnen een verrassender, bekoorlijker aanblik opleveren. +Alle stammen en rassen van Indië ontmoeten elkander in deze nauwe straten, niet meer dan twee el breed, waar de voornaamste +markt gehouden wordt van een land, ongeveer zoo groot als Frankrijk; in deze duistere winkels vindt ge genoegzaam alle takken +van nijverheid en bedrijf vertegenwoordigd. Niets belangrijker dan eene wandeling door deze bazars: gedurende mijn verblijf +in de stad besteedde ik geregeld mijne morgenuren, om alleen te midden dezer schare heen en weder te kuieren; en iederen dag +vond ik wat nieuws, dat mijn aandacht trok. Daar zit op zijn hooge bank, waarheen hij langs een trap opstijgt, de juwelier, +een brahmaan, kenbaar aan het gewijde koord om het naakte bovenlijf, bezig met het snijden van keurige edelgesteenten: hij +heeft eene groote bril op den neus, het onmisbaar teeken zijner waardigheid als meester in het vak; zijne leerlingen, ongetwijfeld +zijne zonen, zijn bezig met het smeden of bewerken van kostbare metalen. Zoodra ik het woord tot hem richt, neemt hij zijn +bril af, groet mij met de uiterste wellevendheid, en haalt dadelijk uit een ijzeren kistje zijne kostbaarheden voor den dag; +hij laat mij alles zien, en verklaart mij de wijze van bewerking; hij is volkomen tevreden indien ik eene of andere kleinigheid +koop, zonder mij iets hoegenaamd op te dringen.—Daarnaast is de fabriekant van armbanden en ringen; voor het vuur neergehurkt, +smelt hij zijn fijn rood- of groenkleurig lak, dat hij vervolgens over een ronden vorm, in de gedaante van een suikerbrood, +uitspreidt; dan verdeelt hij de massa, met een scherp werktuig, in smalle ringen, en haar plotseling afkoelende, stelt hij +mij in een oogenblik twintig braceletten ter hand, even licht als sierlijk. Deze kunstenaar is doorgaans een banian van Marwar +of een muzelman; zijne vrouw is hem bij zijn bedrijf behulpzaam, of wel zij past de braceletten aan de klanten, die nooit +ontbreken, want alle vrouwen en meisjes, van welke kaste ook, dragen eene menigte van deze armbanden, zoo zelfs dat soms de +geheele voorarm er mede bedekt is; en daar deze sieraden uiterst broos en tevens zeer goedkoop zijn, is er steeds drukke navraag. + + +</p> +<p>De rij der winkels volgende, komen wij langs de vervaardigers van muziekinstrumenten, waar ge groote violen, guitaren, gongs +en tam-tams ziet uitgestald; langs de kopergieters, op den grond neergezeten te midden van stapels van koper vaatwerk van +allerlei vorm en grootte. Somwijlen is eene gansche straat uitsluitend bewoond door lieden, die hetzelfde ambacht drijven: +schoenmakers, zijdewevers, pottenbakkers, die, zonder iets van de concurrentie te vreezen, hunne waren nevens elkander uitstallen. +De bazars waar laken en zijde en andere stoffen verkocht worden, zijn de voornaamste; hier zijn de winkels goed verlicht en +netjes; de koopman, op sneeuwwitte kussens neergezeten, wacht rustig zijne klanten af, terwijl zijn boekhouder, van den morgen +tot den avond op eene eindelooze rol papier zit te cijferen. Te midden der vroolijke, luidruchtige menigte bewegen zich voortdurend +een aantal straatventers, die u op luiden toon hunne waren aanprijzen: balletjes van suiker en meel, gebakjes, groenten, vruchten, +betel, messen en vele andere zaken. + +</p> +<p>Sedert eeuwen reeds in de macht der muzelmannen, bevat Ajmeer geen enkel monument meer, dat aan zijne vroegere beheerschers +herinnert, die, naar de overlevering verhaalt, de stad met de uitnemendste kunstgewrochten hadden getooid; van deze heerlijkheid +is evenwel niets overgebleven dan de Araï-Dinka-Jhopra, aan den voet van den Teraghur, waarop ik straks terugkom. Binnen de +stad zelf is het eenige oude monument de doergah van Kowjah-Sayed: een der meest gevierde heiligdommen van het mohammedaansche +Hindostan. De doergah bevat het graf van den hoogvereerden Kowjah-Sayed, den eersten prediker van den islam aan de ongeloovige +bewoners van Ajmeer. In het jaar 527 van de hedsjra in Sijistan geboren, kwam hij te Ajmeer met den veroveraar Koetub <span class="corr" title="Bron: een">en</span> bleef daar tot aan zijn dood. Hij had, toen hij stierf, den eerwaardigen ouderdom van honderd-acht jaren bereikt. Zijn leven +was eene opeenvolging van vrome daden en van wonderen, die de stof hebben geleverd voor tallooze legenden. Na zijn dood vereerden +alle vorsten van Indië zijn graf met geschenken; en keizer Jehanghir liet hem, in 1610, een prachtig mausoleum oprichten. + + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-157.jpg" alt="De koninklijke tempels te Ulwur."></p> +<p class="figureHead">De koninklijke tempels te Ulwur.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Ik begaf mij naar den doergah met een aanbevelingsbrief van den gouverneur; maar deze had mij toch gewaarschuwd dat ik waarschijnlijk +niet zeer vriendelijk zou worden ontvangen: want in den regel worden de Europeanen niet tot het inwendige van het gebouw toegelaten. +Bij de eerste poort werd ik terug gehouden door een groep mannen met een somber en <a id="d0e851"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e851">158</a>]</span>dreigend voorkomen, die mij op ruwen toon toevoegden, dat ik niet verder mocht gaan, zonder mij eerst van mijne schoenen te +ontdoen. Daar ik mij vast voorgenomen had, alles te zien, gehoorzaamde ik dadelijk aan dit bevel, en volgde op mijne kousen +een der mollahs, die aanbood mij als gids te dienen. Wij betraden eene ruime binnenplaats, met wit marmer geplaveid, en aan +alle zijden omgeven door moskeeën en graftomben, allen verblindend wit en stralende in het zonnelicht; in het midden, door +prachtige boomen overschaduwd, verhief zich het wit marmeren mausoleum. Die weinige boomen, te midden dezer omgeving van gepolijst +marmer, verspreidden eene zachte, als van licht doortrokken schaduw, en maakten van dezen hof, waar anders de veelheid der +monumenten lichtelijk <span class="corr" title="Bron: zoo">zou</span> hebben vermoeid en gedrukt, een waar paradijs. Eene diepe stilte heerschte in het rond; geen enkel geluid, dan alleen het +zacht gemompel van enkele oude mollahs, die, op de steenen neêrgebogen, gebeden en litanieën prevelden. Ik zette mij onder +een boom neder, en mijn gids liet mij aan mijne overpeinzingen over. Het was mij niet vergund, het graf zelf van den heilige +te naderen, maar van verre zag ik een massief zilveren kist onder een troonhemel van goudlaken: daar rustten de kostbare relikwieën, +waaraan telken jare vele duizende pelgrims hunne hulde komen bewijzen. + +</p> +<p>Van den doergah van Kowjah-Sayed begaf ik mij naar de moskee van Araï-Din-ka-Jhopra, waarvan de bouwvallen zich schilderachtig +verheffen in een klein bosch, op korten afstand van de wallen van den Teraghur. Deze beroemde moskee is zeker een der merkwaardigste +monumenten van geheel Hindostan, niet alleen door hare zeldzame pracht, maar vooral door hare archeologische beteekenis. Zij +is tegelijkertijd een der eerste gebouwen, door de muzelmannen in Indië opgericht, en ook een der fraaiste exemplaren van +de eigenaardige architectuur der Djaïnen, uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Dit schijnbaar zonderling verschijnsel is +evenwel niet moeilijk te verklaren. Toen de Mohammedanen de indische rijken overweldigden, waren hunne woeste horden op niets +anders dan op plundering en vernieling bedacht, zonder er zich in het minst om te bekommeren wat de plaats zou moeten innemen +der kunstgewrochten, die zij verwoestten. Eenmaal meester van het land geworden zijnde, en zich daar voorgoed willende vestigen, +haastten de eerste sultans zich, tempels op te richten ter eere van den waren God; en daar zij zelf geen bouwmeester hadden, +moesten zij daarvoor de hulp der Hindoes inroepen. De prachtige paleizen der oude inlandsche koningen en de wonderschoone +tempels der afgoden leverden hun bouwstoffen in onuitputtelijken overvloed. Zij lieten slechts de afgodsbeelden wegnemen, +eenige eigenaardige ornamenten aanbrengen, en gaven aan het aldus gemetamorphoseerde gebouw den stempel eener moskee door +het bijbouwen van een gevel of portiek met puntbogen. Aldus ontwikkelde zich die grootsche, indrukwekkende stijl, waaraan +sommigen den naam van indo-sarraceenschen hebben gegeven, en waaraan Indië, voor een goed deel, zijne uitnemendste kunstgewrochten +dankt. + +</p> +<p>De Araï-Din-ka-Jhopra—dat wil zeggen, het werk van twee-en-een-halven dag—staat op een hoog terras, waarheen vroeger breede +steenen trappen voerden, die tegenwoordig verdwenen en door een eenvoudiger stoep vervangen zijn. De aanblik van deze ruïnen +is zeer schilderachtig: dicht geboomte omhult den voet van het terras, en laat niets doorschemeren dan alleen de gebeeldhouwde +kroonlijst der moskee. Eene sierlijke poort voert naar eene groote geplaveide binnenplaats, waarvan de zerken meerendeels +verbroken zijn. Tegenover deze poort verrijst de moskee; maar de gevel is bijna geheel verborgen door eene rij groote boomen +en een modernen muur, hetgeen het effect bederft. Aan de drie andere zijden is de hof omgeven door zuilengalerijen, die groote +paviljoenen, in een ernstigen stijl gebouwd, dragen. Eerst als ge door het poortje in den muur zijt gegaan, kunt ge de moskee +in haar geheel overzien. In het midden van den voorgevel verheft zich eene hooge majestueuse poort, ter wederzijde omgeven +door drie lagere booggangen: deze zeven poorten dragen de namen van de zeven dagen der week. De gansche voorgevel is als met +een net van beeldhouwwerk bedekt, zoo fijn en zoo smaakvol, dat het alleen met kant te vergelijken is. Het inwendige der moskee +is dezen prachtigen voorgevel volkomen waardig: moeilijk kunt ge u iets schooners denken dan deze ruime hal, waarvan het heerlijk +gebeeldhouwde gewelf door vier rijen sierlijke zuilen gedragen wordt. + +</p> +<p>Het middenschip is gedekt door eene reeks koepels in den eigenaardigen djaïna-stijl; de zijschepen hebben platte zolderingen, +in vakken verdeeld en evenals de koepels, met de grootste weelderigheid en rijkste verscheidenheid van beeldhouwwerk bedekt. +De zuilen zijn evenzeer uitnemende modellen van den djaïna-stijl; door hun slanken vorm en hunne schikking geven zij aan den +tempel een karakter van grootschheid en majesteit, meer dan anders aan de heiligdommen dezer secte eigen pleegt te zijn. + +</p> +<p>Geen enkel opschrift geeft den tijd der stichting van dezen tempel aan; in den muur bevindt zich wel een zwart marmeren plaat, +waarop eenige regelen in het sanskriet zijn gebeiteld, maar dit opschrift is volstrekt onleesbaar. Todd meent dat de tempel +gesticht werd door koning Swamprithi, twee eeuwen vóór Christus; en tot staving van dat gevoelen beroept hij zich op de gelijkenis +van dit monument met de ruïnen van een ander heiligdom te Komulmair, waarvan de stichting aan dien vorst wordt toegeschreven. +Het komt mij juister voor, de stichting van dezen tempel te plaatsen omstreeks de vierde eeuw van onze jaartelling, toen de +zoogenaamde djaïna-stijl, zich van den boeddhistischen stijl losmakende, zich zelfstandig begon te ontwikkelen. Ware de Araï-Din-ka-Jhopra +inderdaad door koning Swamprithi gebouwd, dan zou zij een boeddhistische tempel zijn geweest. Wat hier ook van zij, de oude +tempel van Ajmeer, later in eene moskee herschapen, is een hoogst merkwaardig kunstgewrocht; en het is treurig te zien, hoe +dit monument gaandeweg in een bouwval <a id="d0e864"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e864">159</a>]</span>verandert: over weinige jaren zal er zoogoed als niets meer van over zijn; en den Engelschen zal met recht het verwijt treffen +dat zij een gedenkteeken hebben laten vervallen, zelfs door de wilde horden van Turkestan ontzien en met eerbied behandeld. + + +</p> +<p>Ik richtte nu mijne schreden naar den ouden burcht der Sjohan-koningen, waarvan de zware muren en torens, volgens de overlevering +door Aja-Pal gebouwd, zich op den top des bergs, ongeveer duizend voet boven mijn hoofd, verhieven. Dit was geen gemakkelijk +werk, want de helling van den berg is zeer steil; maar de moeite wordt rijkelijk beloond door het prachtige panorama, dat +zich, naarmate men hooger komt, voor den blik ontvouwt. Van de wallen van den Teraghur overziet ge, met een enkelen blik, +geheel deze breede, wonderschoone vallei, eene ware oase, verloren te midden van eene wildernis van naakte rotsen en dorre +zandvlakten; naar het westen ontwaart ge eene breede, lange gele streep: dat is de woestijn van Thoerr, Maroestan, het koninkrijk +van den Dood. Het uitzicht treft bovenal door de rijke afwisseling en de scherpe contrasten, vlak nevens elkaar; het loont, +zooals ik zeide, volkomen de moeite der beklimming; maar iets anders moet ge hier dan ook niet zoeken. Geen enkel spoor is +meer te vinden van de oude koninklijke paleizen: niets dan eene kleine, armzalige, witgepleisterde moskee, en de ruime barakken +van het engelsche sanitarium. De lucht is, op deze hoogte, zeer zuiver, en de temperatuur, bijna het gansche jaar door, gematigd. +De Engelschen hebben daarvan gebruik gemaakt, en de oude koningsveste ingericht tot een sanitarium of gezondheids-station, +waar de soldaten, die te Nusserabad en te Ajmeer in bezetting liggen, zich van tijd tot tijd komen verfrisschen en hunne uitgeputte +krachten herstellen. + +</p> +<p>De omstreken der stad zijn uitnemend schoon en rijk aan bekoorlijke wandelingen. Een van de voornaamste sieraden der omliggende +dorpen zijn de reusachtige baolis of waterputten. De uitdrukking put is echter min juist gekozen: het is een soort van vijver, +door onderaardsche bronnen gevoed, en waarvan de waterspiegel altijd verscheidene ellen beneden den beganen grond ligt. De +wanden van dezen reusachtigen put zijn tot boven den grond met sierlijke galerijen, eenige verdiepingen hoog, voorzien; ik +weet het geheel niet beter te vergelijken dan bij een huis, waar men door het dak zou inkomen, en ver beneden op de binnenplaats +neerzien. Een koepel kroont het geheele gebouw, dat in den regel eene stichting is van particuliere liefdadigheid en den reiziger +een vrij verblijf aanbiedt. De galerijen zijn dan ook meestal met eene bonte menigte gevuld; en beneden, aan den rand van +den vijver, ziet ge altijd mannen en vrouwen, die zich baden of de door hunne godsdienst voorgeschreven wasschingen volbrengen. +Water en koelte zijn de kostbaarste geschenken, die men in Indië den armen reiziger, op zijne eindelooze tochten, bieden kan; +en waar hij die vindt, zal hij nooit vergeten voor zijn edelen weldoener te bidden. + +</p> +<p>Wij vertoefden omstreeks tien dagen te Ajmeer, en brachten dien tijd, in gezelschap van majoor Davidson en een kleinen kring +Europeanen, zoo aangenaam mogelijk door. Eindelijk moesten wij zorgen voor eene nieuwe karavaan, om onze reis naar Jeypoor +te vervolgen: en daar wij hier geen inlandsch vorst vonden, die ons dadelijk verschafte wat wij noodig hadden, had dit vrij +wat moeite in. Evenwel, met behulp der engelsche overheden, slaagde ik er in, de noodige lastdieren bijeen te krijgen, benevens +twee slechte dromedarissen. Daar de wegen veilig waren, hadden wij geen gewapend geleide noodig. + +</p> +<p>(<i>Wordt vervolgd.</i>) + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p1873-160.jpg" alt="Paviljoen van den Dewani-Khas te Digh."></p> +<p class="figureHead">Paviljoen van den Dewani-Khas te Digh.</p> +</div><p> + + +<a id="d0e882"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e882">63</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e76" href="#d0e76src" class="noteref">1</a></span> Zie <i>Aarde</i>, 1872, <span class="abbr" title="bladzijde"><abbr title="bladzijde">bladz.</abbr></span> 281 en volgende. +</p> +</div> +<p class="div1"></p> +<h2>De Kinaboom in Indië.</h2> +<p>De britsch-indische regeering is op de gelukkige gedachte gekomen, om den kostbaren kinaboom, wiens vaderland, zooals men +weet, Zuid-Amerika is, naar Hindostan over te brengen, en daar, zoo mogelijk, te acclimatiseeren. De door haar genomen proeve +mag nu reeds worden gerekend volkomen te zijn geslaagd. In de plantages op den Nilagiris bevinden zich tegenwoordig ruim twee +millioen zesmaalhonderd duizend kinaplanten, die eene uitgestrektheid van meer dan negenhonderd-vijftig acres (bunders) land +beslaan. De grootste boomen zijn dertig voet hoog, en hebben een omvang van ruim drie voet. In het afgeloopen jaar werden +bijna zevenduizend-driehonderd pond voortreffelijke kinabast uit deze plantages te Londen ter markt gebracht, terwijl bovendien +meer dan vijf-en-dertig duizend pond in Indië zelf werden afgeleverd. De totale opbrengst bedroeg zestienhonderd pond sterling. +De aanzienlijke uitgaven, die de regeering zich voor de aankweeking dezer kostbare plant in Indië getroost heeft, zullen haar +binnen kort met winst worden terugbetaald; en, wat van meer belang is, reeds nu worden jaarlijks honderde inboorlingen, door +het gebruik der kinine, genezen. Het hoofddoel van dezen menschlievenden, weldadigen maatregel, het kostbaar geneesmiddel +tegen de koorts ook voor de armsten verkrijgbaar te stellen, is reeds bereikt geworden. Ook in dit opzicht heeft de britsche +regeering bewezen een zegen voor hare aziatische onderdanen te zijn. + + +<a id="d0e888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e888">159</a>]</span></p> +<p class="div1"></p> +<h2>Het Indo-Engelsche Gezantschap aan den Atalik-Gazi van Oost-Turkestan.</h2> +<p>Sedert nu ruim een jaar geleden, de russische generaal Kaulbars naar Kashgar ging en met den Atalik-Gazi een handelsverdrag +sloot, heeft men zich ook in Engeland meer rekenschap gegeven van het gewicht, dat deze vorst in het hart van Centraal-Azië, +door de ligging van zijn land, bij den min of meer vreedzamen wedstrijd tusschen Rusland en Engeland in de schaal kan leggen. +Door het boek van Shaw, dat zoovele belangrijke mededeelingen omtrent de handelsbetrekkingen dezer streken bevat, en door +de herhaalde waarschuwingen van Vámbery, zijn de Engelschen tot de overtuiging gekomen, dat hier niet enkel commerciëele, +maar ook zeer ernstige politieke belangen op het spel staan. Hayward en Forsyth waren, evenals Shaw, nu drie jaren geleden +naar Yarkhand gegaan, om met den Atalik-Gazi betrekkingen aan te knoopen; maar hunne pogingen waren met geen gunstig gevolg +bekroond geworden. Sedert dien tijd is bij dien vorst, voornamelijk door het naderen der Russen tot dicht bij de grenzen van +zijn rijk, de overtuiging levendig geworden, dat het in zijn eigen belang wenschelijk is, met den onder-koning van Hindostan +op vriendschappelijken voet te staan. + +</p> +<p>In het begin dezes jaars verscheen te Calcutta een gezant van den Atalik-Gazi, om de wederzijdsche betrekkingen tusschen de +beide mogendheden te bespreken, en de verzekering te geven, dat een engelsch gezantschap in Kashgar op eene vriendelijke ontvangst +kon rekenen. De onder-koning, lord Northbrooke, heeft onmiddellijk aan dien wenk gevolg gegeven; en voor eenigen tijd is uit +Calcutta het bericht ontvangen dat dit gezantschap, in de maand Juli aanstaande, van Simlah uit de reis zou aanvaarden. Vandaar +zal het gezantschap den weg volgen door Kashmîr en Ladakh, en vandaar over Shadoela en Yarkhand naar Kashgar, waar men nog +voor het einde van het jaar hoopt aan te komen. Aan het hoofd dezer zeer belangrijke zending staat de bekwame, ervaren Forsyth, +wien verder eenige uitstekende mannen op verschillend gebied zijn toegevoegd. + +</p> +<p>Met het oog op de groote gebeurtenissen, die zich, in eene meer of min verwijderde toekomst, in Centraal-Azië voorbereiden, +kan de uitslag van deze zending van zeer groot gewicht zijn. + +</p> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Schetsen uit de Indische Vorstenlanden, by +Louis Rousselet + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SCHETSEN UIT DE INDISCHE *** + +***** This file should be named 18098-h.htm or 18098-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/0/9/18098/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +*** END: FULL LICENSE *** + + + +</pre> + +</body> +</html> + diff --git a/18098-h/images/p1873-041.jpg b/18098-h/images/p1873-041.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..228cbc9 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-041.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-044.jpg b/18098-h/images/p1873-044.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..809165d --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-044.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-045.jpg b/18098-h/images/p1873-045.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d7160c8 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-045.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-048.jpg b/18098-h/images/p1873-048.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..99fee5f --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-048.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-049.jpg b/18098-h/images/p1873-049.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a48e247 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-049.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-053.jpg b/18098-h/images/p1873-053.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..884f6d7 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-053.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-056.jpg b/18098-h/images/p1873-056.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e49e79e --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-056.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-057.jpg b/18098-h/images/p1873-057.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f805542 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-057.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-061.jpg b/18098-h/images/p1873-061.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..52dbd8b --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-061.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-064.jpg b/18098-h/images/p1873-064.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3183e58 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-064.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-137.jpg b/18098-h/images/p1873-137.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cc92c29 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-137.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-140.jpg b/18098-h/images/p1873-140.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0fe6c2f --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-140.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-141.jpg b/18098-h/images/p1873-141.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6fa6fd1 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-141.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-144.jpg b/18098-h/images/p1873-144.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..850e4d7 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-144.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-145.jpg b/18098-h/images/p1873-145.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ce942b8 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-145.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-149.jpg b/18098-h/images/p1873-149.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..65e5fd6 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-149.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-152.jpg b/18098-h/images/p1873-152.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..109f751 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-152.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-153.jpg b/18098-h/images/p1873-153.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e7c4035 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-153.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-157.jpg b/18098-h/images/p1873-157.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..77ff620 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-157.jpg diff --git a/18098-h/images/p1873-160.jpg b/18098-h/images/p1873-160.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2177b05 --- /dev/null +++ b/18098-h/images/p1873-160.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..02ac653 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #18098 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18098) |
