diff options
Diffstat (limited to '14580-0.txt')
| -rw-r--r-- | 14580-0.txt | 8818 |
1 files changed, 8818 insertions, 0 deletions
diff --git a/14580-0.txt b/14580-0.txt new file mode 100644 index 0000000..1d84456 --- /dev/null +++ b/14580-0.txt @@ -0,0 +1,8818 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 14580 *** + + Elsje + + Door + + A.C. Kuiper, + +Schrijfster van "Anneke", "Een Hollandsch meisje op een engelsche + kostschool", enz., enz. + + Geïllustreerd door A. Wijthoff + + Derde druk. + + + Haarlem Vincent Loosjes 1906. + + + + + + +Hoofdstuk I. + +Een vroolijke Wandeling. + + +"Als 't je blieft, kereltje, hier is de stroopkan. Pas goed op en +kijk waar je loopt; de kan is heel vol, zooals je ziet. Wacht maar, +ik zal je wel even het stoepje afhelpen. Ziezoo, loop nu maar heel +voorzichtig, hoor. Dag ventje!" + +En de goedhartige kruideniersbediende keek het kleine mannetje +van vijf jaar na, dat met een ernstig gezichtje en stijf op elkaar +gedrukte lippen, langzaam de stille dorpsstraat door ging. Met de +volle stroopkan stevig tusschen zijn kleine roode handen geklemd, +het hoofd een weinig voorover gebogen en schuifelende pasjes, liep +hij voorzichtig voort over de ongelijke steenen, die hier en daar +verraderlijk glad waren, want het had hard gevroren de laatste dagen +en hoewel de zon op enkele plaatsen de ijskorst deed wegsmelten, +dat maakte de straat niet minder glibberig. Ons manneke was daarop +echter bedacht; hij haastte zich niet en het duurde een heel poosje, +eer zijn grappig rond figuurtje langs den hoek der straat verdween. + +"Ziezoo, die zal wel veilig bij zijn moeder komen," zei de bediende, +den winkel weer binnengaand. "En wat moet jij nu hebben, Elsje?" vroeg +hij, zich tot een meisje wendend, dat geduldig bij de toonbank stond +te wachten. Zij zag er frisch en gezond uit met haar roode wangen +en heldere, blauwe oogen en het gladgestreken blonde haar kwam even +onder het donkerroode wollen mutsje te voorschijn, dat zij onder de +kin vastgestrikt droeg. Onder den warmen, zwartwollen doek, die om +haar schouders geslagen en van achteren om het middel vastgeknoopt +was, droeg zij een blauwgestreept katoenen jakje en onder den gladden +rok van zwart merinos, kwamen grove wollen kousen en een paar stevige +schoenen te voorschijn, die er uitzagen alsof zij te groot waren voor +de voeten, die er in staken. Er lag iets vriendelijks en ook iets +kinderlijks over de geheele verschijning, iets guls en prettigs, dat +het vrij alledaagsche gezicht van het veertienjarige meisje bizonder +aantrekkelijk maakte. + +"Alles is weer op bij ons," zei ze lachend, waarbij een rij witte +tanden zichtbaar werd. "Ik moet weer koffie hebben en suiker en gort +en wat rijst en meel en bruine boonen--van alles weer evenveel als +altijd, als 't je blieft. Hier is mijn mand." + +En een groote hengselmand van den grond nemend, zette zij die op +de toonbank. + +"Grootmoeder wat beter?" vroeg de bediende, terwijl hij de +verschillende zaken afwoog en in zakjes deed. + +"Neen, niet veel," antwoordde Elsje, met een trek van bekommering op +haar gezicht. "De dokter zegt dat ze meer eten moet, maar ze heeft +haast nooit zin in wat. Ze is gelukkig wel beter dan verleden week." + +"Het zal langzamerhand wel in orde komen," klonk het op +geruststellenden toon uit den mond van den bediende, "als de winter +maar eens weer voorbij is. Dag Krelis!" vervolgde hij, zich tot een +jongen wendend, die den winkel inkwam. "Ben je gevallen, baas? Je +ziet heelemaal wit en zwart ook, warempel. Die mouw zal wel eens in +de waschtobbe moeten voordat ze weer schoon is." + +"Och, dat droogt wel weer op," zei de jongen, achteloos een veeg +over de bewuste mouw gevend. "Twee ons klontjes voor de koffie, als +'t je blieft." + +"Ziezoo, klaar is Kees," hernam de bediende, Elsje de gevulde +hengselmand en Krelis zijn zak met klontjes overreikend. "Dag kinderen, +plezierige wandeling samen!" + +De twaalfjarige knaap drukte zijn gladden bonten muts vaster op het +hoofd, knikte even, deed de rinkelende winkeldeur open en ging vóór +Elsje den winkel uit, niet uit lompheid, maar omdat het geen oogenblik +bij hem opkwam haar voor te laten gaan. + +Elsje volgde hem met haar mand aan den arm, de dorpsstraat door en +den straatweg op. Het was heerlijk, gezond winterweer; helder en +frischkoud, zacht vriezend. De zon scheen vol en rijk en verlichtte +met warmen glans de enkele donkere dennen en de bruinglinsterende +open velden aan beide kanten van den breeden straatweg. Over de dorre +grassen en halmen lag een gouden gloed en dunne laagjes fonkelenden +rijp losten zich in de warme zonnestralen op tot doorschijnende +waterdroppels, die aan de kale, gladde takken bleven hangen, +schitterend als zoovele diamanten. + +Met blijde, gelukkige oogen keek Elsje om zich heen, terwijl zij naast +haar jeugdigen geleider voortstapte. Het was haar aan te zien dat +haar jonge ziel vatbaar was om al dat heerlijke schoon te genieten +en van puur genot haalde zij eens diep adem alsof ze zeggen wou: +"Hè, hoe verrukkelijk mooi!" De jongen naast haar liep, een vroolijk +deuntje fluitend, verder. Hij voelde zich prettig opgewekt in de +gezonde winterkou; het liep zoo gemakkelijk en vlug over den harden, +drogen weg; buitendien was het Zaterdag en had hij dus den langen +Zondag in het vooruitzicht, waarop hij uren achtereen zou kunnen +schaatsenrijden. Kortom, alles werkte samen om hem bizonder goed +gemutst te doen zijn, maar zijn stemming was een geheel andere dan +die van Elsje. Zij zou niet onder woorden hebben kunnen brengen wat +zij voelde; er trilde iets in haar hart, dat haar zou hebben kunnen +doen juichen en ernstig zijn te gelijk--het was een zekere heilige +bewondering, een aanbidding bijna voor wat zij zag om zich heen. Want +in haar eenvoudig kinderhart leefde een groote, rijke liefde voor +de natuur; een liefde, die aan haar kalm leven een warmen gloed +verleende, maar die haar ook wonderlijk verschillend maakte van de +dorpsmeisjes met wie zij in aanraking kwam, al mocht men haar over +'t algemeen graag lijden. Overigens was er aan Elsje volstrekt niets +buitengewoons. Hare ouders, brave, oppassende lieden, had zij verloren +toen zij nog maar heel klein was en sedert dien tijd had zij altijd +met haar grootmoeder gewoond, in het kleine huisje, dat op een half +uur afstands van het dorp gelegen was. Haar grootvader was ook reeds +jaren dood en zijne weduwe had lang met naaien den kost verdiend en +daardoor de spaarpenningen van haar man onaangetast gelaten, zoodat zij +daarvan nu op haar ouden dag zuinig met haar kleindochter leven kon. + +"Hè," zei Elsje, terwijl ze even staan bleef, "wat is het +vandaag prachtig hier! En kijk eens, wat glinsteren die mooi in +de zon!" vervolgde ze, terwijl ze zich heenboog over een der lage, +kale struiken en voorzichtig een glimmenden tak aanraakte, waaraan +ontelbare waterdroppels flikkerden. + +"Ja, allerprachtigst!" lachte Krelis en een dikken tak beetpakkend, +schudde hij Elsje de zware druppels in het gezicht en riep spottend: +"En ze spatten ook zoo mooi!" + +In een oogwenk stond haar mand op den grond en haar gezicht snel met +haar hand afvegend, riep ze: "Dat zal ik je betaald zetten!" + +"Ga je gang, maar pas op dat je mand niet weggepakt wordt!" plaagde +hij en meteen het hengsel beetgrijpend, rende hij vooruit, zoo snel +als zijn jonge beenen het hem maar veroorloofden. + +"Vreeselijke jongen!" riep Elsje hem na, terwijl zij het ook op een +loopen zette, zonder echter den jeugdigen boosdoener te kunnen inhalen. + +Eindelijk verdween hij langs een smal zijpaadje, dat naar de kleine +boerderij voerde, waar hij thuis hoorde. + +"Och hemel, nu neemt hij mijn mand zeker mee naar binnen!" hijgde +Elsje, op het zijpad toesnellend. Maar toen zij dichterbij gekomen was, +zag zij de hengselmand op een grooten steen vlakbij staan. + +"Gelukkig," zei ze, zich bukkend om haar op te nemen. + +"Och, och, wat spatten ze mooi, wat spatten ze mooi!" klonk de stem +van Krelis achter haar, terwijl een dichte regen op haar neerviel +van den struik, waaronder zij zich gebukt had en dien hij uit alle +macht schudde. + +Zij richtte zich snel op, maar Krelis was haar al weer te vlug af +geweest, want toen zij zich naar hem omkeerde, was hij het zijpad al +weer in en niets dan een plagend geroep van: "Dag Els, dag Els!" bewees +dat hij nog in de nabijheid was. + +"Wacht maar, ik zal je wel krijgen, al is het dan vandaag niet!" riep +ze terug, waarop Krelis tergend een langgerekt gefluit liet hooren +en toen in huis verdween. + +"Ik zal hem wel," zei Elsje bij zichzelf, terwijl ze verder liep, "hij +behoeft niet te denken dat ik me zoo maar ongestraft laat beetnemen, +die brutale jongen!" En zij lachte, terwijl ze zich ten tweeden male +het gezicht afveegde. + +En verder liep ze, langs kale, uitgestrekte velden, waar de donkere +aarde door een dunne ijskorst was bedekt en waar de bonte kraaien, +deftig als oude heeren, in zwart-en-grijs gewaad voorttrippelden of +in lange zwenkingen door de lucht vlogen. Iets verder stak het korte +kreupelhout met zijn taaie, warmroode twijgjes, schilderachtig af +tegen de hoogere struiken, waarvan de dorre beuke- en eikebladeren, +die hardnekkig aan de kale takken waren blijven hangen, goudbruin waren +getint. Vlokkige witte wolkjes deden het zonnige blauw van den hemel te +helderder uitkomen en Elsje kon niet nalaten, nog even om zich heen te +zien met een: "Hè, heerlijk!" van innige bewondering, voordat ze het +korte pad opging naar het kleine huisje, dat zij met haar grootmoeder +bewoonde. Het zag er netjes en schilderachtig uit met de donkergroen +en rood geverfde luiken, de lage groene deur en de smalle ramen, die +thans door de warmte van binnen half ontdooid waren, zoodat Elsje het +vriendelijke gezicht van haar grootmoeder, omlijst door een hagelwit, +geplooid mutsje, naar buiten kon zien kijken. Zij knikten elkaar +vroolijk toe, waarna het meisje het plaatsje van roode tichelsteenen +op zij van het huis overliep naar de deur, de klink oplichtte en door +de smalle gang het woonvertrek inging, dat tevens als keuken dienst +deed. De kleine kamer had een zeer eenvoudig aanzien met de vierkante +houten tafel voor het raam, vier stoelen met matten zittingen en den +bruingeschilderden houten vloer. Aan den eenen kant van den gewitten +muur stond de kookkachel en daar tegenover een ouderwetsche latafel +met korte, gedraaide pooten. In een zwarte lijst tegen den muur hing +een verschoten merklap, door Elsje's grootmoeder bewerkt, toen ze nog +een kind was, terwijl de portretten van Elsje's ouders op de latafel +prijkten in gezelschap van een fleschje inkt, een paar pennenhouders, +twee hardblauwe bloemvaasjes, een mandje met gemaakte bloemen, een +staand spiegeltje en een Bijbel. Een groote koekoekklok hing naast +den schoorsteen, die met aardige blauwe tegeltjes was versierd, +terwijl een netjes gerimpelde strook of "val" langs den zwarthouten +schoorsteenmantel naar beneden hing. Vlak bij het raam, waarbij de +grootmoeder zat te breien, was een klein portretje opgehangen in een +fraai nieuwerwetsch lijstje, dat slecht in deze omgeving paste. Het +portret was dat van een jonge vrouw, met groote, sprekende oogen +en donker, golvend haar. Er lag een trek van trotschheid om den +fijnbesneden mond en het was alsof de fraaigevormde wenkbrauwen even +minachtend opgetrokken waren, iets wat het overigens zeer innemende +gelaat bepaald ontsierde. Er was in het portret een flauwe gelijkenis +waar te nemen met het gezicht der oude vrouw, die dezelfde donkere, +sprekende oogen had, waarvan echter de uitdrukking veel vriendelijker +was, terwijl het thans geheel witte haar volkomen glad langs hare +slapen was gestreken en zonder de minste neiging om te golven, even +onder de geplooide muts te voorschijn kwam. De kleine handen waren +rimpelig en mager van ouderdom en de dikke, blauwe aderen duidelijk +zichtbaar, terwijl de ijverige vingers vlug de breinaald hanteerden. + +Elsje leek niets op haar grootmoeder. Hare oogen waren lichtblauw, +evenals die harer eigene moeder geweest waren, ook had zij hetzelfde +geelblonde, touwachtige haar van haar moeder. Fijn besneden waren hare +trekken volstrekt niet, maar om haar frissche roode lippen lag, zooals +wij reeds gezegd hebben, iets guls en prettigs, en uit de vroolijke, +blauwe oogen straalde een glans van tevredenheid en geluk, die een +groote aantrekkelijkheid verleende aan haar gezicht. + +Haar grootmoeder keek Elsje met welgevallen aan, zooals ze thans voor +haar stond met wangen rood van de koude en oogen, nog schitterend +van het genot, dat de mooie wandeling haar had bezorgd. + +"O grootmoeder, wat is het heerlijk buiten!" zei ze, de mand op de +tafel zettend. "Ik wou dat u het ook allemaal eens gezien hadt! De +zon schijnt zoo mooi en het is zulk lekker weer om te loopen en alles +schittert even prachtig en...." + +"Ja, ja, ik wil het wel gelooven," zei de oude vrouw, lachend haar +kleindochtertje in de rede vallend, "maar maak nu maar een beetje +voort. Je moet het plaatsje nog schrobben en de koffie malen en dan +verlang ik erg dat je eens flink aan het breien gaat. Je bent ook +nogal lang weg geweest, dunkt me." + +"Och, die vervelende Krelis heeft me weer geplaagd," zei Elsje met +gemaakte knorrigheid, terwijl ze de pakjes uit de hengselmand nam. "Ik +zal gauw voortmaken, grootmoeder." + +Zij deed haar kapje en doek af en begon ijverig heen en weer te +dribbelen, waarbij het korte vlechtje op haar rug, dat met een zwart +veterbandje vastgestrikt en heel stijf gevlochten was, voortdurend +in dansende beweging kwam. + +Het vuur werd opgestookt, de groote ketel met water opgezet voor +de koffie, die straks bij de boterham gebruikt moest worden, sneden +brood met roggebrood werden gesneden en gesmeerd en eindelijk werd +de koffiemolen uit de kast gehaald en werden de boonen gemalen, +waarbij Elsje een even druk gebruik maakte van haar tongetje als +van haar handen. De grap van Krelis werd in kleuren en fleuren aan +grootmoeder verteld, wier oude oogen van pret begonnen te glinsteren +bij het aardige verhaal. Toen was er genoeg koffie gemalen en zei +Elsje, het blad met de kopjes klaarzettend en de koffie opschenkend: + +"Zal ik nu maar eerst het plaatsje schrobben, grootmoeder? Dan kan +de koffie onderwijl trekken." + +"Best kind." + +Ons meisje deed met een gewichtig gezicht een grooten blauwen +boezelaar voor, zette haar wollen kapje weer op, deed haar klompen +aan en ging naar buiten. En toen volgde er een plassen met water en +een geschrob en een klotsen op klompen, dat het een aard had. De roode +tichelsteentjes begonnen terdege te glimmen van al dat geboen en toen +Elsje eindelijk klaar was met schrobben en met groote handigheid wit +zand over het plaatsje had gestrooid uit een wijden, ruwhouten nap, +zag het er zoo netjes uit, dat zij niet nalaten kon een goedkeurend +knikje te geven, voordat ze in huis terugging. + +"Het water zal wel gauw weer bevriezen," zei ze, "er is zoo weinig +zon aan dezen kant, maar het is toch erg opgeknapt." + +"Hè, ik verlang naar mijn boterham," hernam ze, toen ze haar boezelaar +aan den spijker naast den schoorsteen had opgehangen. "Is de koffie +goed, grootmoeder?" + +"Ja kind, schenk maar eens gauw een warm kopje in." + +Elsje gehoorzaamde, zette het kopje voor de oude vrouw neer en +vroeg toen, met een bezorgden blik op het gelaat der grootmoeder, +dat plotseling heel bleek geworden en pijnlijk vertrokken was: + +"Al weer die akelige pijn op de borst, grootmoeder?" + +De oude vrouw knikte met een zwakke poging om te glimlachen. + +"Zoo benauwd," hijgde ze. "Erg benauwd! Wacht maar even." + +Het meisje ging achter haar staan, trok het grijze hoofd zacht naar +zich toe en liet het tegen haar schouder rusten. Zoo bleef zij staan, +totdat haar grootmoeder weer vrijer begon adem te halen, het kopje +koffie opnam, even dronk en zei: + +"Ziezoo, nu is het weer over. Hè, dat is een opluchting! Het kwam nu +toch ook heel onverwachts." + +"Zal ik u straks nog eens wat van dat drankje geven?" + +"Ja, voordat we naar bed gaan. Eet nu je boterham kind, je zult +trek hebben." + +Elsje haalde haar breikous uit de bovenste lade der latafel, nam een +stoel en ging over haar grootmoeder zitten. En alweer had zij van +allerlei te vertellen, terwijl de breinaalden lustig klapperden, de +zwarte kous onophoudelijk heen en weer slingerde en nu en dan haar +vroolijke lach helder en opwekkend door de kamer klonk. Zij moest +vooral haar best doen dat de oude vrouw geen sombere buien kreeg, +had de dokter gezegd en hoewel zij eigenlijk nooit anders deed dan +het haar grootmoeder zooveel mogelijk naar den zin te maken, spande +zij zich nu natuurlijk dubbel in. De wandeling naar het dorp en het +bezoek aan den kruidenier gaven haar stof genoeg tot praten, totdat +het langzamerhand donkerder werd en zij als vanzelf de breikous in +haar schoot liet zakken en stiller werd. Buiten was de maan langzaam +en statig opgekomen en verlichtte met een tooverachtig blauwen glans +de zwarte, fijne takken der enkele iepen langs den weg. Zacht dreven +de witte wolken verder door de blauwe lucht, waartegen de donkere +boomtakken scherp afstaken. In het kleine vertrek werd het hoe langer +hoe duisterder. De oude vrouw liet haar hoofd voorover glijden, sloot +de oogen en sluimerde in. Met de handen over elkaar geslagen en haar +gezicht een weinig opgeheven, zat Elsje met ernstige oogen peinzend +naar buiten te staren. + +Wat was het daar plechtig stil en mooi, dacht ze en hoe aardig was het +om oplettend naar boven te kijken naar die grillig gevormde kleine +wolken, die in al haar reine witheid langzaam voortgleden. Zou daar +nu de hemel achter zijn? En als men die wolkjes van dichtbij zag, +van heel dichtbij, zou men ze dan voorzichtig kunnen bevoelen en +er met de hand overheen strijken en zouden ze dan zacht en wollig +zijn als fijne watten? En hoe kwam het toch dat de maan dat vreemde, +blauwachtige schijnsel wierp over de koude, donkere aarde? En o, wat +was het mooi, wat was het alles prachtig mooi! God moest wel heel groot +en machtig zijn om alles zoo mooi en heerlijk te kunnen maken in de +natuur! En hoe moest het wel in den hemel wezen, als het waar was dat +daar alles nog veel mooier was dan hier! En....en als zij dan later in +den hemel kwam, o, wat zou ze dan wel niet voelen, hier op aarde was +het al dikwijls zoo prachtig! Het zou zeker nog heel lang duren, eer +zij den hemel zag, zij was nog zoo jong, maar grootmoeder, die zou.... + +Met een snik van ontzetting, brak zij haar gedachtenloop af. O neen, +neen, grootmoeder moest bij haar blijven, zij moest en zou weer +beter worden; wat zou Elsje moeten beginnen zonder haar? Zij boog +zich voorover om in de schemering naar haar te kijken en hoorde aan +de zachte, geregelde ademhaling dat de oude vrouw sliep. En terwijl +de tranen haar in de oogen sprongen, vouwde het meisje onwillekeurig +de handen en opziende naar de heldere winterlucht daar buiten, zond +ze een vurig gebed op tot God om haar grootmoeder nog lang voor haar +te sparen. + +"Maar Elsje kind, zit je daar nu nog te droomen?" klonk eensklaps de +stem der oude vrouw, die, uit haar dutje ontwaakt, verbaasd was, het +zoo donker om zich heen te vinden. "Maar meidlief, dat gaat nu toch zóó +niet! Kom, steek gauw de lamp aan en brei dan nog, totdat je aan den +voet beginnen moet. We moeten onzen tijd niet zoo verspillen, kindje!" + +"Maar het is ook zoo prachtig mooi buiten, grootmoeder. Hè!" + +En met een zucht onttrok zij zich aan haar droomerij, stond van haar +stoel op, stak de hanglamp aan, liet het gordijn naar beneden zakken +en begon den koffieboel op te ruimen. Haar grootmoeder sloeg haar +onderwijl oplettend gade, schudde even het hoofd, boog zich over haar +breiwerk heen en prevelde zacht bij zichzelf: + +"Als het maar gaat! Och, als het maar gaat!" + +"Klaar!" zei Elsje vroolijk, het koffieblad wegzettend en haar breikous +weer opnemend. "Nu nog flink een steekje breien, he grootmoeder? Dat +bevalt u beter dan al dat luie naar buiten kijken!" + +"Ja zeker, kind. Je moet ook denken dat je...." + +Zij eindigde den zin niet, zoodat Elsje verbaasd opzag en een ernstig +gezicht zette, toen zij bemerkte hoe bezorgd haar grootmoeder keek. + +"Wat moet ik denken, grootmoeder?" vroeg ze zacht. + +De oude vrouw antwoordde niet dadelijk; hare lippen trilden en hare +handen beefden zenuwachtig en hoewel zij haar mond opende, als om +iets te zeggen,--er kwam geen geluid. + +Elsje legde haar breiwerk neer en zag haar angstig aan. + +"Komt de benauwdheid weer terug?" vroeg ze snel. + +"Neen kind," klonk het half fluisterend. "Neen, maak je maar niet +ongerust. Ik wou je alleen maar zeggen,"--en nu klonk haar stem +duidelijk en scherp, alsof zij zich geweld aandeed om luid te +spreken,--"ik wou je alleen maar zeggen, dat je je best moest doen +om niet te droomerig te zijn...." + +"Droomerig!" riep Elsje lachend uit. "Maar dàt ben ik toch niet. Ik +maak het u toch soms druk genoeg!" + +"Jawel, maar je kunt toch van die stille buien hebben, waarin je +lang naar buiten zit te kijken, zonder een woord te zeggen of iets +uit te voeren. En dan houdt je er van om Zondagsmiddags alleen lange +wandelingen te gaan maken, als je de andere meisjes niet mee kunt +krijgen en dan vindt je het prettig om uit te gaan, soms in het +verschrikkelijkste weer.... En het is nu allemaal wel heel goed om +zooveel moois te zien in de natuur--daarvoor heeft onze lieve Heer haar +ook geschapen--maar ik zou zoo graag willen, kind, dat je _in alles_ +meer een gewoon meisje waart en dat je vooral niet overdreven werdt +in sommige dingen. Want....want als ik er eens niet meer ben en als +je later eens onder de menschen komt, zal die liefde voor de natuur +je niet heel veel helpen om flink door de wereld te komen en moedig +je strijd in die wereld te strijden...." + +"Grootmoeder," zei Elsje en zij liep naar de oude vrouw toe +en knielde bij haar neer. "Grootmoeder, waarom zouden wij nu al +over dien vreeselijken tijd spreken, die na uw dood voor mij komen +moet? Wij zijn nu immers nog bij elkaar en ik hoop dat dit nog heel, +heel lang zal duren en later...." zij snikte even, maar vermande +zich spoedig en vervolgde vroolijk: "dan hoop ik toch mijn best +te doen om hier op het dorp of in de buurt te kunnen blijven. En o +grootmoeder,"--en zij lachte door de tranen heen, die haar in de oogen +waren gesprongen,--"dan ben ik zeker een flinke, stevige boerenmeid +en dan kibbelen ze allemaal om me, wie mij in dienst zal krijgen!" + +Er kwam een weemoedig glimlachje op het gezicht der oude vrouw, +maar zij zweeg en schudde droevig het hoofd. Elsje zag met oogen +vol vragende verwondering naar haar op. Wat was er toch? Waarom was +grootmoeder van avond zoo gedrukt; wat kon er gebeurd zijn, dat haar in +die stemming had gebracht? Zij was gewoonlijk opgewekt en gelijkmatig +van humeur, niettegenstaande haar ziekelijken toestand--wat was er +toch, dat haar nu zoo bedroefd maakte? + +"Is er iets, grootmoeder?" vroeg Elsje bedeesd. "Heb ik iets gedaan, +dat u verdrietig heeft gemaakt? Ik weet heusch niet...." + +"Neen, neen, Elsje, je hebt je niets te verwijten, hoor! Kom, maak +het vuur maar aan kant. Zijn de luiken al gesloten buiten? Dan moesten +we maar naar bed gaan." + +Met een kleur sprong Elsje op. "Ik heb al weer vergeten de luiken +dadelijk te sluiten, toen ik de lamp opgestoken had," zei ze +beschaamd. "Het spijt me erg, grootmoeder." + +"Lieve meid, hoe vaak moet ik je dat nog zeggen? Doe het nu maar +gauw! Hier, sla je doek even om; het is zoo koud." + +Haastig sloeg Elsje den doek om en liep naar buiten. In een wip +waren de luiken voor de ramen geduwd, om later van binnen te worden +vastgemaakt; toen keek zij nog even op naar den sterrenhemel, die +plechtig en rustig neerzag op de donkere aarde en met een ernstige +uitdrukking op haar gezicht ging ze weer in huis. + +"Ik moet vóór alles oppassen dat grootmoeder niet weer in zoo'n +sombere, vreemde stemming komt," dacht ze. "De dokter heeft er mij +zoo voor gewaarschuwd." + +Maar noch de dokter, noch Elsje konden de oude vrouw van den last +bevrijden, die haar drukte. En toen haar kleindochtertje reeds lang +sliep, lag zij nog wakker, steeds weer gekweld door die ééne, telkens +terugkeerende vrees, dien angstigen twijfel, die voortdurend de woorden +op haar lippen bracht: "Als het maar gaat, och, als het maar gaat!" + + + +Hoofdstuk II. + +Zondagmorgen. + + +Den volgenden dag was het Zondag. Toen Elsje zich zachtjes aankleedde +om haar grootmoeder niet wakker te maken, die nog vast sliep, was +het haar, alsof het vandaag nog veel stiller en rustiger om haar +heen was dan andere ochtenden. Buiten scheen de zon even vroolijk +en gul als gisteren; er was weinig wind en weer was de lucht +helderblauw. Alles juist als den vorigen dag en toch ook weer niet +zoo, meende Elsje. Zondags zagen de dingen er in hare oogen bepaald +anders uit dan op werkdagen. Zij werd dan wakker met wat zij een "echt +Zondagsgevoel" noemde en kon duidelijk zien, vond ze, dat alles om +haar heen in de natuur in een stemming was, die geheel bij den Zondag +paste. De dorpsmeisjes lachten haar uit, als zij zulke dingen zei en +Elsje kreeg een kleur en schaamde zich een beetje, maar zij bleef +toch bij haar opinie. Zondags was alles anders, niet alleen in de +huizen en niet alleen wat de kleeding der menschen aanging, maar ook +buiten. En als de meisjes haar dan op stormachtige Zondagen plagend +vroegen, of zij nu ook iets bemerkte van de "plechtige Zondagsrust" +in de natuur, beweerde zij ernstig dat het buiten toch "anders" +was dan op gewone werkdagen. + +Vandaag was het buiten dan ook al heel stil en plechtig. De wandeling +naar de kerk zou zeker bizonder mooi en prettig zijn straks. Ze +legde haar donkerroode, beste jurk vast klaar op een stoel. Eerst +moest ze nog haar rok en jakje aan hebben om het vuur aan te leggen +en alles in orde te maken vóór kerktijd. Dan kon grootmoeder rustig +in haar zonnig hoekje voor het raam blijven zitten, tot zij weer +thuiskwam. Het was een erg nette jurk, die roode, vond Elsje. Mietje, +de dorpsnaaister, had haar gemaakt met een geplooid lijfje en lange +mouwen, met een smal bandje fluweel gegarneerd. Onderaan op den rok +had ze een keurige strook gezet met een band smal zwart fluweel er +boven; dat stond toch bizonder mooi, dacht Elsje, terwijl ze de jurk +op armslengte van zich afhield en met bewonderende oogen bekeek. Toen +hing zij het kostbare kleedingstuk uitgespreid over een stoel, legde +haar Zondagschen hoed van zwart stroo, gegarneerd met een vuurrood +krulveertje en een strikje van zwart lint, op de zitting, haar kerkboek +er naast en opende behoedzaam de deur der kleine slaapkamer, die aan +het woonvertrek grensde. + +En terwijl ze neerhurkte voor de kachel om het vuur aan te maken, +lachte ze vroolijk bij de gedachte, hoe ze Krelis op weg naar de kerk +zou tegen komen en hoe ze zich dan boos zou houden en voorwenden, +niet met hem te willen loopen en hoe hij dan zeker een oogenblik +denken zou, dat het meenens was en haar angstig vragend aanzien. Zij +was toch altijd twee jaar ouder dan hij en hij moest het eigenlijk +een heele eer vinden om met haar te mogen loopen! Ja, dat moest hij +en dat zou ze hem toch eens een klein beetje laten voelen, dat zou +ze heusch! En ze knikte lachend tegen het vuur, dat hoog begon op te +vlammen en grappige, knetterende geluiden maakte. + +Daar klonk de stem der oude vrouw uit de slaapkamer. + +"Elsje, Elsje!" riep ze. + +"Ja grootmoeder, wat is er?" vroeg Elsje, haastig uit haar knielende +houding opstaande en naar het bed toeloopend. + +"Is het al warm binnen? Ik wou opstaan." + +"Dan zou ik nog maar even wachten, grootmoeder. Ik zal de tusschendeur +open laten staan, dan wordt het hier ook een beetje warmer; de kachel +begint al flink te branden." + +"Goed, dan wacht ik nog een half uurtje. Maar kind, ik..." + +De oude vrouw zweeg plotseling en wendde het hoofd van Elsje af naar +den muur, alsof ze toch maar niet meer spreken wilde en zich gereed +maakte, nog wat te gaan slapen. + +Elsje bleef verwonderd bij het bed staan. + +"Wou u nog iets, grootmoeder?" + +Er kwam niet dadelijk antwoord. Eindelijk slaakte de oude vrouw een +diepen zucht en zonder haar gezicht naar haar kleindochtertje toe te +keeren, zei ze: + +"Ik .... ik wou liever dat je vandaag niet naar de kerk gingt, +kind. Ik voel me tamelijk goed, maar ik wou toch liever niet alleen +zijn van ochtend." + +"Ik wil graag bij u blijven," zei Elsje terstond. "Maar zou het niet +goed zijn dat de dokter even kwam vandaag? Ik kan heel gauw heen en +terug naar het dorp loopen om het hem te vragen." + +"Neen, neen, dat is heelemaal niet noodig. Maak je maar niet +ongerust. Ga jij nu maar voort met je werk, dan sta ik straks wel op." + +En zij trok de lakens over zich heen en sloot de oogen, als om te +kennen te geven dat het gesprek nu uit was. + +Elsje gehoorzaamde en ging stil, met een bezorgde uitdrukking op +haar gezicht, voort met haar werk. Wat was er met grootmoeder? Eerst +gisteravond die vreemde, droevige stemming en nu zoo kortaf, zoo +geheel anders dan gewoonlijk! De tranen sprongen haar in de oogen bij +de gedachte dat de oude vrouw toch misschien zieker was dan zij wilde +bekennen--och, als de dokter maar eens even kwam, dat zou haar een +heele gerustheid geven. Zij zou er straks nog eens met grootmoeder +over spreken en dan zou alles wel weer in orde komen. De dokter had +toch immers ook gezegd dat zij vooruitging--kom, ze moest nu maar +geen zorgen hebben vóór den tijd!-- + +Zoo, daar stond grootmoeders stoel weer in het aardige, zonnige hoekje +bij het raam. Elsje deed een kooltje vuur in de stoof en schoof die +bij den stoel. Nu gauw stof afgenomen en het ontbijt klaar gezet; ze +zou vlug voortmaken, dan was alles netjes, als grootmoeder binnen kwam. + +Zij dribbelde ijverig met haar stofdoek heen en weer, het geheele +vertrek door. Voor het portret der jonge vrouw in het sierlijke, +nieuwerwetsche lijstje, bleef zij even staan. "Zoo'n heel ander +gezicht dan dat van moeder," zei Elsje, "ze kijkt zoo streng! Ik zou +haar haast niet "tante" durven noemen!" En snel wischte zij het stof +van het glas af, alsof ze haast had om weg te komen van de uitdrukking +dier koele, donkere oogen, die zoo strak naar haar schenen te kijken. + +Intusschen woelde de oude vrouw onrustig in haar bed heen en +weer. "Straks bij het ontbijt zal ik het haar zeggen, dadelijk bij +het ontbijt--zoo gauw mogelijk, dat is het beste maar," mompelde ze +en dan weer: "Het moet maar terstond, dan is het er uit, dan weet ze +het. Mijn lief, lief kind, arme, kleine Elsje! O, als het maar gaat, +als het maar gaat!" + +Ze bleef even stil liggen en een paar tranen rolden langzaam langs hare +oude, verrimpelde wangen. Toen kwam er een trek van vastberadenheid +om haar mond en klonk het zacht en bevend: "Het _moet_, het is de +eenige weg,--God zal ons helpen!" + +Een uur later was het ontbijt afgeloopen, maar nog had de +grootmoeder den moed niet gehad, Elsje te zeggen wat het was, dat +haar drukte. Eerst toen het meisje de bordjes en kopjes afgewasschen +en weggezet had, zei de oude vrouw: + +"Het is nog vroeg. Krijg je den Bijbel, kind?" + +Het was het gewone verzoek, dat iederen Zondagmiddag terug kwam, +maar dat nu vroeger op den dag gedaan werd. + +"Nu al lezen, grootmoeder?" vroeg Elsje verwonderd. + +"Ja," knikte ze, "het is hier nu zoo rustig en we hebben al den tijd." + +Elsje kreeg den Bijbel en vroeg: + +"Zal ik lezen?" + +"Ja kind, dat is goed. Mijn stem is zwak vandaag. Lees jij maar." + +"Wat zal ik nemen?" vroeg Elsje, terwijl ze over haar grootmoeder +zitten ging en den Bijbel opensloeg. + +De oude vrouw bedacht zich even, toen zei ze zacht: + +"Psalm 121." + +Er volgde een oogenblik van vredige stilte, door niets verbroken +dan door het ritselend geluid van het omslaan der bladen door Elsje, +die den psalm opzocht. + +Toen begon ze te lezen: + + + + "Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp + komen zal. + "Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft. + "Hij zal uwen voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet + sluimeren. + "Ziet, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen. + "De Heer is uw Bewaarder, de Heer is uwe Schaduw, aan uwe + rechterhand. + "De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. + "De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij bewaren. + "De Heer zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van nu aan tot + in der eeuwigheid." + + + +Met gevouwen handen en aandachtig voorover gebogen hoofd, luisterde +de grootmoeder naar de frissche jonge meisjesstem, die duidelijk de +troostende woorden voorlas uit den grooten, ouderwetschen Bijbel, +welke reeds bij de grootouders van _deze_ oude vrouw in gebruik was +geweest. Elsje las vrij goed, langzaam en met ernst, onder den indruk +dat zij den Bijbel las, maar het was aan den toon van haar stem te +hooren dat de woorden niet diep tot haar doordrongen. Zij vond den +psalm mooi, zij voelde een zekere heilige bewondering voor de statige, +plechtige Bijbeltaal, maar zij bleef er rustig bij, haar hart kende +den strijd nog niet, die haar troost zou hebben doen zoeken en vinden +in dezen psalm. + +De oude grootmoeder kende dien strijd, och, zij kende dien maar al +te goed en het trilde om haar ingevallen mond, terwijl zij luisterde +met hare geheele ziel en hare handen gevouwen hield, als bad ze. Bij +de woorden: "_De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij +bewaren...._" kwam er een blijde glans in hare oogen en een zucht van +verlichting over hare lippen en ze knikte even, alsof ze zeggen wou: +"Dat is waar, o ja, dat is waar!" + +Moedig hief ze het hoofd op, met den trek van hoop nog steeds in +hare oogen en zoo bleef ze zitten, tot haar kleindochtertje den psalm +uitgelezen had en vroeg: + +"Maar verder lezen, grootmoeder?" + +"Neen, zoo is het genoeg kind," zei de oude vrouw zacht. Toen, nadat +zij eens diep adem gehaald had: "Elsje, ik heb je wat te zeggen." + +"Ja grootmoeder?" + +"Ik heb je wat te zeggen, kind; iets, dat....dat je vreemd zult +vinden. Wil je bedaard naar me luisteren?" + +"Ja," fluisterde Elsje benauwd en met angstige verwondering haar +grootmoeder aanziende. Wat kon er toch zijn? Waarom keek grootmoeder +zoo heel ernstig? Het gaf haar een gevoel van beklemming. + +"Het is nu al twaalf jaar geleden dat je moeder dood is, Elsje, en +al dertien dat je vader stierf. Je moeder was mijn liefste dochter +en je hebt heel, heel veel in haar verloren." + +Elsje knikte ernstig. Ja, dat wist ze, dat had grootmoeder haar al +heel dikwijls verteld. + +"Over mijn andere dochter, je tante, heb ik nooit veel met je +gesproken, maar je weet dat zij niets op je moeder gelijkt, uiterlijk +niet en innerlijk ook niet. Toch is zij ook mijn dochter en zij meent +het niet kwaad; zij meent het goed, ook al denkt zij anders over +de dingen dan ik. Je weet, Elsje, dat je tante een mooi meisje was, +toen ze jong was en ze zal nog wel mooi wezen....." + +"Ik vind het portret niets lief," zei Elsje, geprikkeld door een +onverklaarbaar gevoel van jaloerschheid op die tante, die "uiterlijk +noch innerlijk" op hare eigene lieve moeder leek. Zij zou zich van +dit gevoel geen rekenschap hebben kunnen geven, maar de woorden waren +er uit, bijna voordat zij het zelf wist. + +Hare grootmoeder zweeg, maar keek haar aan met iets verwijtends in +de vriendelijke oogen. Een oogenblik was het heel stil in de kamer, +haast even stil als daar buiten, waar de heldere winterzon de kale +takken der boomen verlichtte en alles rondom in rust scheen, in één +kalme, vredige rust. Een breede zonnestraal gleed tusschen de geplooide +witte gordijntjes door langs de tafel op den Bijbel en deed de groote, +zwarte letters glinsteren en de stofjes dwarrelen in het licht. En +bij al die lieflijke rust klopte het onrustig in Elsje's hart en er +kwam een donkerroode gloed over haar gezicht, toen haar grootmoeder +het stilzwijgen verbrak en zei: + +"Je hebt je tante nooit gezien, kind; naar een portret alleen mag +iemand niet oordeelen. En buitendien is dit portret al drie jaar +oud. Je tante gaf het mij, toen ze het laatst hier was en jij naar +school waart, zoodat je haar ook toen niet gezien hebt, evenmin als +den vorigen keer. En dat is jammer genoeg, want als je haar maar _eens_ +gezien hadt, zou er toch...." + +Zij eindigde den zin niet, maar zweeg even. Toen hernam ze, op +eenigszins vergoelijkenden toon: + +"Het spreekt van zelf dat je tante anders is dan wij zijn en je bent +oud genoeg om dat te begrijpen, Elsje. Ik heb je nooit heelemaal +verteld, hoe alles met haar is gegaan, maar het voornaamste weet je +toch. Je tante was een heel mooi meisje en toen ze volwassen was, +had zij er geen plezier in, om hier op het dorp of in de buurt te +blijven. Ze wou een betrekking zoeken als kinderjuffrouw en ze was +er knap genoeg voor om dat te worden, dat moet ik zeggen. Ze kreeg +haar zin en ze had het best. De menschen waren goed en vriendelijk +voor haar en het beviel haar ook allemaal wel, tot er een rijk heer +kwam, die zin in haar kreeg en met haar trouwen wou. Dat trok haar +nog veel meer aan dan kinderjuffrouw zijn en ze is toen met dien +rijken heer getrouwd en heeft drie jaren lang een gelukkig leven met +hem gehad. Dat zij haar oude moeder bij al haar pracht en weelde wel +eens een beetje vergat, och, dat is licht te begrijpen...." + +Elsje had tot zoover geduldig geluisterd naar het verhaal, dat zij +half kende, maar nu kon zij het toch niet langer uithouden. + +"Dat vind ik juist zoo leelijk van tante," riep ze driftig uit, +"dat zij net doet, alsof zij geen lieve, oude moeder meer heeft! Dat +ze te trotsch is om u bij zich te laten komen, dat ze haar dochtertje +nog maar eenmaal hier heeft gebracht en dat jaren geleden, dat ze net +precies doet of ze altijd een schatrijke, deftige dame is geweest, +dat ze u nooit eens heeft opgezocht met oom, toen die nog leefde en +dat ze u alleen met uw verjaardag en met nieuwjaar geregeld schrijft!" + +"Stil Elsje, je hebt het recht niet zoo te spreken en je doet me +pijn, kind." + +Elsje boog het hoofd en begon te schreien. + +"Maar laten wij dan toch ook maar niet over tante spreken," snikte +ze. "Ik heb haar nooit gezien, dat is waar, maar dat verlang ik ook +niet en dat zal ook wel nooit noodig zijn,--ze komt nu toch nooit +meer hier. Het is al heel mooi, als ze eens een brief schrijft!" + +"En nu _heb_ ik een brief van haar en daarover juist moet ik eens +heel ernstig met je spreken. Elsje." + +Elsje hield van verbazing op met snikken en zag haar grootmoeder, +door hare tranen heen, verschrikt aan. + +"Een brief?" stamelde ze. + +"Ja, hij kwam gisteren, toen jij naar het dorp waart en....en ik had +er je al eerder van willen vertellen. Tante schrijft heel vriendelijk +en aardig over je. Zij zegt dat het haar spijt dat ze je nog niet +gezien heeft en....en dat ze graag eens kennis met je maken wil." + +"Ik niet met haar!" zei Elsje driftig. + +Weer keken de oogen der oude grootmoeder zacht verwijtend, zoodat +Elsje de hare neersloeg en hare lippen stijf op elkaar drukte, als +om zichzelf tot zwijgen te dwingen. + +"Ik ken je haast niet, als je zoo bent, Elsje," hernam de oude vrouw +met iets strengs in haar stem. "Ik vraag je nog eens of je bedaard +naar mij wilt luisteren?" + +Elsje begon weer harder te schreien. + +"Als u over tante begint, krijg ik altijd dat akelige, booze gevoel in +me," zei ze. "Ik kan niet van haar houden, omdat ze naar en onhartelijk +is tegen u en ik zou veel liever niet over haar willen spreken--heusch +grootmoeder, veel liever niet. Wat heeft zij ook eigenlijk met mij +te maken?" + +"Zij heeft dit met je te maken, Elsje, dat zij de eenige bloedverwant +is, die je nog hebt in de wijde wereld, als ik er niet meer ben. Zij +heeft dit met je te maken dat zij zich bereid heeft verklaard, je +tot zich te nemen en voor je opvoeding te zorgen, als ik dat niet +meer doen kan en...." + +"O neen, neen, grootmoeder, dat niet, och neen, dat nooit! Ik smeek +het u, dat nooit! U wordt wel weer beter, de dokter heeft het zelf +gezegd en we zullen nog lang, heel lang bij elkaar blijven en....als +u er niet meer bent, dan...." zij legde haar armen op de tafel, +liet er haar hoofd op zakken en snikte het uit: "Dan wou ik dat ik +ook maar dood ging!" + +"Foei Elsje!" + +De woorden kwamen er streng berispend uit, maar de lippen der oude +vrouw trilden en hare oogen schoten vol tranen, terwijl ze naar het +gebogene meisjeshoofd keek. + +Eenige oogenblikken lang heerschte er diepe stilte, een stilte, +die Elsje benauwde en eindelijk de oogen naar haar grootmoeder op +deed slaan. + +"Ik wil wel probeeren om bedaard naar u te luisteren," zei ze zacht. + +"Goed kind. Laat ik je dan maar eens precies vertellen, wat tante +schrijft. Het is geen lange brief. Zij vraagt alleen of het mij beter +gaat en of ik wel genoeg ben om jou een poosje te kunnen missen." + +Angstig vragend keken Elsje's beschreide oogen, maar zij zeide niets +en knikte alleen even, als om te toonen dat zij nu heusch kalm en +oplettend luisterde. + +"Tante denkt--en _ik_ geloof het ook--dat het goed zou zijn, als je +eens een paar weken bij haar kwaamt om kennis te maken met haar en haar +dochtertje. Gij verschilt niet veel in leeftijd; Cécile is vijftien, +geloof ik, en jij bent juist veertien geworden, dus dat komt mooi bij +elkaar. Wie weet, hoe goed je het samen zult kunnen vinden en....tante +en ik denken dat je later waarschijnlijk beter zult kunnen wennen, +als je nu eerst eens een poosje bij haar aan huis bent geweest." + +"Mag ik u even iets vragen, grootmoeder?" vroeg Elsje, die nu +doodsbleek zag. + +"Natuurlijk kind." + +"Ik zou graag willen weten, waarom tante nu op eens vraagt, of ik +bij haar komen wil. Zij....zij heeft vroeger precies gedaan, alsof +ik niet bestond." + +Er kwam een flauw blosje op het gezicht der oude vrouw en een verlegene +uitdrukking in hare oogen. Misschien paste het het kind niet, om zoo +iets te zeggen, maar wat zij zeide, was maar al te waar. En dan....zij +zelf had eenige dagen geleden aan hare dochter geschreven. Het had +haar al maanden en maanden zwaar op het hart gelegen, wat er van Elsje +worden moest, als zij eens plotseling van haar weggenomen werd. Elsje +was nog bijna geheel een kind--even veertien jaar, en waar moest zij +heen, als zij eens eensklaps geheel alleen op de wereld stond? Zij +_had_ dan toch immers ook nog een tante en uit zichzelf zou het +kind deze nooit om hulp vragen, dat wist de oude vrouw zeker. En, +of de tante zich veel aan haar nichtje zou laten gelegen liggen, +als niemand haar dit vroeg, ... och, daar was heel weinig van te +zeggen. Een kwaad hart had ze niet maar ze had altijd weinig om andere +menschen gedacht; zij was altijd heel anders geweest dan haar zuster, +van haar vroegste jeugd af. Ze was ook zoo mooi en iedereen bewonderde +haar als om strijd--het was zeker niet onnatuurlijk dat ze altijd erg +vervuld was geweest van haar eigen schoonheid en bevalligheid en dat +ze wel wat ijdel geworden was. Hare hartelijke oogenblikken had ze +toch ook gehad....in de laatste jaren waren die zeker niet talrijk +geweest,--maar toch, maar toch was de oude vrouw, na lang beraad met +zichzelf, geëindigd met aan haar dochter te schrijven. Elsje was toch +ook zoo'n lief kind! Het kon wel niet anders, of ze moest de liefde +winnen van allen, met wie ze in aanraking kwam en het trof toch ook +aardig, dat de nichtjes bijna even oud waren; zij konden zoo veel +aan elkaar hebben! Langzamerhand zou Elsje zeker wel wennen aan haar +nieuw leven en in ieder geval zou hare tante niet veel moeite met haar +hebben--Elsje was zoo'n vroolijk, makkelijk, vlug kind! En de oude +vrouw had dus over haar aan haar dochter geschreven op bescheidene, +nederige wijze, maar toch ook zóó, dat het geweten der rijke mevrouw +d'Ablong was gaan spreken en haar genoopt had aan haar moeder te +schrijven, dat zij Elsje graag eens te logeeren wou hebben. Zij was +geschrikt, toen zij bemerkt had, hoe beverig het schrift der oude +vrouw was en hoe duidelijk de brief de sporen droeg van door een +zwakke, vermoeide hand geschreven te zijn. Nu het gevaar dreigde +dat zij haar moeder misschien spoedig door den dood zou verliezen, +scheen zij er plotseling iets van te voelen hoe groot dit verlies +zou zijn en een paar dagen nadat zij den brief had ontvangen, schreef +zij terug, hartelijker en uitvoeriger dan zij in lang gedaan had. En +de oude vrouw had dit antwoord met ontroering gelezen, blij dat haar +verzoek zóó opgenomen werd, maar....toen zij bedacht dat Elsje met +alles in kennis moest worden gesteld, toen zij bedacht, hoe het meisje +er tegenop zou zien haar te verlaten, toen ze bedacht, hoe eenzaam +en vreemd het kind zich in de weelderige omgeving gevoelen zou en +hoe haar eenvoudig hart terug verlangen zou naar het aardige stille +huisje en de lieflijke, schilderachtige natuur en o, toen ze bedacht, +hoe heel erg zij zelf haar missen zou--toen bekroop haar de vrees, +of zij wel goed gehandeld had en of zij de zorg voor Elsje niet +stil en geloovig had moeten overlaten aan God! Maar lang bleef die +vrees haar niet bij. Neen, ze had goed gehandeld, voor het welzijn +van haar dochter en Elsje, alle twee. Elsje behoorde daar, als haar +grootmoeder niet meer leefde--haar plaats was bij de zuster van haar +moeder, daar kon geen twijfel aan zijn. + +En ook--zoo redeneerde de oude vrouw in al den eenvoud van haar +hart--wie weet, of Elsje met haar frisschen levenslust, met haar +aardige, vroolijke praatjes en vooral met de reine, kinderlijke +liefde van haar warm jong hart, niet een bizonder gunstigen invloed +zou kunnen oefenen op haar tante en op het nichtje, dat wel al te veel +gehecht zou zijn aan al de weelderige pracht en het genot, waarin zij +leefde! Moeielijk zou Elsje's leven zeker zijn nu en dan, vooral in +het begin, maar toch zeker niet zóó moeielijk, als wanneer zij heel +alleen zou staan in de wijde wereld en dan--zij wist immers, waar zij +troost en hulp zoeken moest--_"de Heer zal u bewaren van alle kwaad; +uwe ziel zal Hij bewaren"_. Hij zou ook zorgen, dat Elsje's kinderziel +niet bedorven werd, niet verloren ging, maar rein en vroom bleef, +ook te midden van alle wereldsche heerlijkheid en verstrooiing. + +"Al had tante je wel eens eerder kunnen vragen om bij haar te komen, +dat is geen reden, waarom je haar niet dankbaar zoudt zijn, dat zij +het _nu_ vraagt," zei grootmoeder, zonder rechtstreeks te antwoorden +op Elsje's uiting, waarom haar tante "vroeger precies gedaan had, +alsof ze niet bestond." "Kom kind, kijk nu eens weer vroolijk. Ik wed +dat je later als je weer thuis bent, opgewonden verhalen doet over +alles wat je bij tante hebt genoten en over de liefheid van Cécile +en haar vriendinnetjes en over de mooie stad en het prachtige huis, +waarin tante woont en over de winkels en al de menschen op straat +en....en over nog een heeleboel meer. Wie weet, hoe weinig lust je +hebben zult om weer bij je oude grootmoeder terug te komen!" + +Elsje lachte door hare tranen heen en er kwam een beetje licht in de +duisternis van haar gemoed. Was het dan ook eigenlijk wel zoo heel +erg? Grootmoeder had gelijk. Het zou best kunnen zijn dat zij het +aardig en mooi vond in die groote, drukke stad, dat haar tante erg +meeviel bij de kennismaking en dat zij het met Cécile heel goed kon +vinden. Misschien zouden ze wel een heeleboel grappen hebben samen--het +moest toch ook wel prettig wezen om eens een poosje in één huis te +wonen met een meisje van haar eigen leeftijd! En dan....allerlei +te zien, waarover zij alleen maar eens een enkelen keer had hooren +spreken en later van alles aan grootmoeder te vertellen en aan de +dorpsmeisjes--dàt zou toch wel heerlijk wezen! + +Zij stond langzaam van haar stoel op, ging naar de oude vrouw toe en +gaf haar, een beetje verlegen, een kus op de wang. + +"Ik heb er wel meer lust in," zei ze zacht. + +"Zie je wel!" zei de grootmoeder vroolijk. "Maar dat spreekt immers +ook van zelf! Kom, trek nu gauw je beste jurk aan ...." + +"Mag ik het dan straks even aan Aafje en Geertje gaan vertellen en +bij Krelis aan huis? Ik zal niet lang wegblijven." + +"Ja zeker, dat is best. Maar maak dan nu gauw voort, kind." + +"Ja. Maar grootmoeder, wanneer ... wanneer zou tante me dan verwachten +en wie komt er dan zoo lang bij u?" + +"Ik denk dat tante je graag spoedig bij zich wil hebben, Elsje, en +ik zal vragen of Aafje's zuster dan bij mij wil komen. Zij kunnen er +daar nu best een missen, nu Grietje ook uit haar dienst thuis is." + +Twee uur later zat de oude grootmoeder in de vredige stilte om haar +heen, met den Bijbel voor zich, den psalm te herlezen en was Elsje +bezig, haar kennisjes het groote nieuws mede te deelen. Er viel een +traan op het oude gele Bijbelblad en driftig veegde Elsje's grootmoeder +hare oogen af en zei zacht: + +"Foei, ik moest blij zijn!" + +Toen liet ze hare handen in haar schoot glijden en keek lang en +peinzend het raam uit. En met een weemoedig lachje het hoofd schuddend, +fluisterde ze: + +"Zij zou geen kind zijn, als het nieuwe haar niet aantrok." + + + +Hoofdstuk III. + +Gewichtige Veranderingen. + + +Spoedig daarop kwam er een kort briefje van mevrouw d'Ablong, waarin +zij hare moeder meldde dat zij Zondags over zou komen om Elsje te +halen, als zij vóór dien tijd geen bericht ontving, dat de oude vrouw +haar kleindochtertje liever bij zich wilde houden. Grootmoeder liet +Elsje hierop tot antwoord schrijven dat zij gaarne met haar tante mee +zou gaan en een poosje bij haar blijven. Het waren maar enkele regels, +maar Elsje vond het toch heel moeielijk, die netjes en duidelijk op +het papier te krijgen en zij had een erge kleur, toen het briefje +af was en, voorzien van postzegel en adres, gereed lag om naar de +post te worden gebracht. Het was haar een pak van het hart, toen de +brief eindelijk weg was, maar kalmer werd zij er toen toch niet op +en hoe meer het gewichtige uur naderde, waarop zij haar tante van +aangezicht tot aangezicht zou aanschouwen, des te ongeduldiger werd +zij. Nu eens was ze uitgelaten bij het vooruitzicht allerlei nieuws +en moois te zullen zien, dan weer benauwde haar de angst om geheel +alleen onder vreemden te gaan--want vreemden waren mevrouw d'Ablong +en haar dochter voor haar, al waren zij ook haar eigene tante en +nichtje. Het meest van alles zag zij er tegen op haar grootmoeder te +verlaten, hoewel de gedachte niet bij haar opkwam, dat deze gedurende +haar afwezigheid weer zieker zou kunnen worden. Grootmoeder was nu +zoo opgewekt en vroolijk, vond Elsje, en ze zag er ook weer beter +uit--zij zou zeker wel gauw heelemaal weer opgeknapt zijn. + +Elsje moest maar geen goed meenemen, had haar tante geschreven; zij +zou haar wel een en ander leenen,--Cécile's kleeren zouden haar zeker +ook wel passen. "Dan zal ik mijn mooie, roode jurk maar aantrekken +op reis, vindt u niet, grootmoeder?" vroeg Elsje, "dan zie ik er +dadelijk netjes uit, als ik bij tante kom." + +"Ja, doe dat kind," zei grootmoeder en toen het eindelijk +Donderdagochtend geworden was en mevrouw d'Ablong tegen twee uur +verwacht kon worden, was Elsje al heel lang voor dien tijd klaar om +hare tante te ontvangen. De strooien hoed met het vuurroode veertje +lag netjes gereed op een stoel, met een paar wollen handschoenen en +een stevige parapluie. Elsje was geheel reisvaardig, maar zij had toch +gedurig een gevoel, alsof ze nog iets vergeten had en onophoudelijk +liep ze naar het kleine slaapvertrek om te zien, of zij alles wel goed +had opgeredderd en Aafje's zuster veilig haar nieuwe slaapstede kon +betrekken; dan weer trippelde zij naar de keukenkast om te kijken, +of alles op zijn plaats stond. + +"Och grootmoeder, ik wou toch eigenlijk maar veel liever niet gaan," +zei ze opeens met een diepen zucht. + +"Maar Elsje!" + +"Ik zie er zoo tegen op en het lijkt me niets prettig meer! Ik weet +haast wel zeker dat tante niet van mij houden zal en ik niet van haar." + +"Als je zulke dingen zegt, wil ik niet eens naar je luisteren, kind," +klonk het streng en beslist. + +Elsje ging zwijgend op haar gewone plaats voor het raam zitten, +tegenover haar grootmoeder en keek met een bedroefd gezicht naar +buiten. Gisteren was ze nog een eind de heide overgegaan, daar +in de verte, om een boodschap te doen bij vrouw Rikkers, die een +boerderij had en toen had ze nog gedacht, hoe vreemd het toch was dat +de heideplanten nu zoo dor en bruin waren, terwijl zij eenige maanden +geleden zoo prachtig hadden gebloeid, vol geur en kleuren. En toen had +ze er ook over gedacht, wat zij alles wel ondervonden zou hebben, als +al die hei _weer_ bloeide en wat ze dan wel niet allemaal met vrouw +Rikkers zou te bepraten hebben--zij hadden het nu samen altijd al +zoo druk! Maar gisteren, toen had ze zich vroolijk gevoeld en blij, +vol ongeduldig verlangen naar al het ongekende genot, dat haar in +de groote stad wachtte en nu--och nu zou ze veel, veel liever bij +grootmoeder hebben willen blijven. Zij voelde zich ook niets prettig, +zoo raar beverig en zoo akelig benauwd, net of ze niet goed slikken +kon. Ze wou dat tante dien brief maar nooit geschreven had! + +Maar er was nu niets meer aan te veranderen. De trein, die mevrouw +d'Ablong naar het kleine dorp brengen moest, waar Elsje woonde, kwam +al nader en nader en stond eindelijk hijgend en blazend een paar +minuten stil voor het onaanzienlijke station, waarbij Elsje's tante +uitstapte. De stationschef keek nieuwsgierig naar de deftige dame in +den langen mantel van bruin pluche, die bevallig sloot om de slanke, +statige gestalte. De chef was eerst een half jaar in dienst en had +er geen het minste denkbeeld van, wie de vreemde dame kon zijn. Met +een trotsche, eenigszins gebiedende uitdrukking in hare mooie, +donkere oogen, liep zij hem langzaam voorbij met de houding eener +koningin. Zij beantwoordde zijn beleefden groet met een genadig +hoofdknikje en ging toen het stille perron over in de richting van +den uitgang. "Wat komt die hier doen!" mompelde de chef bij zichzelf, +terwijl hij haar nazag. Eensklaps scheen zij zich te bedenken; ze +stond stil, keerde zich om, liep terug en trad op den chef toe. + +"Is hier geen rijtuig te krijgen?" vroeg ze. + +"Als u even geduld hebt, mevrouw. Het logement is hier vlak bij en +daar kunt u heel goed terecht." + +"O, kan daar iemand heen worden gestuurd?" + +"Wel zeker, mevrouw, als u dat verkiest." + +"Goed. Laat er dan dadelijk iemand heen gaan en zeggen dat ik het +rijtuig terstond hebben moet. Ik zal hier blijven wachten." + +"Tot uw dienst, mevrouw." + +Vijf minuten later was het rijtuig met mevrouw d'Ablong op weg naar +de woning van Elsje's grootmoeder. De oude vrouw stond haastig van +haar stoel op, toen ze het geluid van naderende wielen hoorde. Met +bevende hand schoof zij het gordijntje op zij, om beter langs den weg +te kunnen zien. Zij hield zich goed, ter wille van Elsje, maar haar +hart klopte onstuimig en hare oude oogen deden pijn van de inspanning, +waarmee zij hare tranen terug hield. + +Daar kwam het rijtuig aan. Grootmoeder zuchtte eens diep. Misschien +reed het wel voorbij--het was toch niet onmogelijk dat haar +dochter loopen kwam van het station; den weg kende ze waarlijk goed +genoeg! Het rijtuig stond stil. Zij zat er dus wel in! De oude vrouw +liet het gordijntje los en ging weer zitten, bleek als een doode. Maar +zij vermande zich en toen de deur geopend werd en mevrouw d'Ablong +binnentrad, stond zij bedaard op en ging haar tegemoet. Elsje bleef +beschroomd bij het raam staan, met een kleur als vuur en hare handen +stijf geklemd om den rug van haar stoel. + +"Dag moeder, hoe gaat het?" zei de bezoekster, terwijl ze met haar +gehandschoende hand de voile voor haar gezicht wegschoof en zich +bukte, om de oude vrouw een kus op het voorhoofd te geven. "U ziet +nog bleekjes; bent u nog zwak?" + +"Neen, neen, ik ben bepaald beter. Ga zitten, Lize. Kijk, dit is nu +Elsje. Toe kind, kom hier en geef je tante een hand. Sprekend haar +moeder, vindt je niet, Lize?" + +"Ja," zei mevrouw d'Ablong langzaam, "dat dunkt me ook wel." Zij +hield Elsje's hand vast en bekeek haar van het hoofd tot de voeten, +zoodat het arme kind nog verlegener werd dan ze reeds was. + +"Zij ziet er ten minste gezond uit, dat is gelukkig. Maar....maar heeft +ze niet nog een andere jurk om aan te trekken voor de reis, moeder?" + +Een andere jurk! Elsje trok haar hand driftig los en zei met een +gebaar van trotschheid, dat haar grappig stond: + +"Dit is mijn beste." + +"O!" zei hare tante met een spottend lachje. "_Dan_ moet je haar +aanhouden natuurlijk. Je vindt het zeker heel prettig om een poosje +bij mij te komen logeeren he? Hoe oud ben je?" + +"Ja, ze stelt zich heel veel voor van haar uitstapje," viel Elsje's +grootmoeder snel in, toen ze zag hoe haar kleindochter het te kwaad +kreeg met hare tranen. "En het lijkt haar zoo aardig eens kennis +te maken met Cécile! Elsje is juist veertien geworden; dus de beide +meisjes komen goed bij elkaar, wat den leeftijd betreft." + +"O, maar Cilly is verleden week al zestien geworden," zei mevrouw +d'Ablong. "Dus dat is twee jaar verschil, dat zegt nogal wat op +dien leeftijd, maar daarom zal ze zich toch wel eens met Elsje +willen bemoeien, natuurlijk. Ze ziet er zoo allersnoeperigst uit, +Cilly,--ze wordt bepaald een mooi meisje. Ik moet haar toch stellig +eens meebrengen, moeder, als ik weer hier kom--iedereen roept er over, +zoo beelderig mooi als ze wordt." + +"Zoo?" zei de oude vrouw droog. "En ze vindt het zeker ook prettig +dat Elsje komt?" + +"O ja, dat vindt ze heel grappig, geloof ik. Maar vertel mij nu eens +moeder, hoe gaat het u eigenlijk? En zou Elsje zich ook onderwijl +klaar gaan maken? Zoo heel veel tijd hebben wij niet." + +"Ga je hoed opzetten, kindje," zei de grootmoeder met een bemoedigend +knikje. Zij zag wel hoe vreeselijk Elsje er nu tegen op begon te zien +om met hare tante mee te gaan. "Strijk je haar ook nog wat glad, hoor." + +Elsje verdween terstond in het slaapkamertje, blij dat ze alleen kon +zijn. Zij streek snel het haar glad, keek of het strikje nog stevig +zat om het stijve, korte vlechtje, zette haar hoed op, trok de wollen +handschoenen aan en knielde toen neer voor haar bed. + +"Help mij, lieve Heer!" smeekte ze met een korten, nijgenden snik, +terwijl ze hare handen tegen haar gezicht drukte. Toen stond ze op, +keek nog eens om zich heen en ging terug naar de andere kamer. + +"Klaar?" vroeg haar grootmoeder vroolijk. "Schenk tante dan nog maar +even een kopje koffie in en jezelf ook." + +"Neen, neen, dank u moeder, wij moeten nu werkelijk weg," zei mevrouw +d'Ablong, haastig van haar stoel opstaande. "U hoort dan wel, wanneer +Elsje weer thuis komt. En zult u vooral dikwijls bericht sturen, +hoe het u gaat? Ik zal goed op Elsje passen, dat beloof ik u." + +"Daar reken ik ook vast op," zei de oude vrouw ernstig. + +"Kom, neem dan nu maar afscheid, kind," zei mevrouw d'Ablong naar Elsje +omziende, die stil achter haar was blijven staan. "Maar mijn hemel, +schepseltje, wat heb je daar voor een hoed op! Je moet wat anders +opzetten! Daarmee kan ik onmogelijk eerste klasse met je reizen; +die jurk is al erg genoeg!" + +"Ik heb maar één hoed," zei Elsje koppig. + +"Zet je kapje maar op, kind, gauw maar; laat tante niet wachten." + +De vermanende toon harer grootmoeder deed Elsje terstond +gehoorzamen. Maar boos was ze toch. "Ik vind haar een naar mensch!" zei +ze, de kast in het slaapkamertje opentrekkend en haar wollen mutsje +te voorschijn halend. Met een driftige beweging strikte zij het onder +de kin vast. "Dit houd ik op, al gaat ze ook op haar hoofd staan!" zei +ze beslist. Toen ging ze weer terug met iets uitdagends in hare oogen. + +"Dat gaat ten minste nog," zei hare tante. "En nu moeten we heusch +weg, anders komen we nog te laat aan den trein. Dag moeder, zult u +goed op u zelf passen?" + +Weer kuste ze de oude vrouw. Toen trok ze haar voile voor het gezicht +en ging voor het kleine, ouderwetsche spiegeltje staan, om te zien of +haar hoed wel volkomen naar de regelen der kunst op haar hoofd stond. + +"Dag mijn lief, lief kind! God zegene je!" fluisterde de grootmoeder, +terwijl ze Elsje in haar armen gesloten hield. "Stuur mij maar eens +gauw een brief, hoor!" + +Elsje knikte. Spreken kon zij niet. Toen sloeg ze haar armen om +grootmoeders hals en kuste haar. + +Een oogenblik later zat ze naast hare tante in het rijtuig. De oude +vrouw stond voor het raam en knikte, knikte met een vriendelijk +lachend gezicht, terwijl hare mondhoeken zenuwachtig trilden. Nog +een oogenblik en het rijtuig was uit het gezicht verdwenen. + +Stil, met een verlegen gezicht, zoo geheel verschillend van de gewone, +vroolijke Elsje, volgde ons meisje mevrouw d'Ablong in den keurigen +coupé, dien de beleefde conducteur voor de deftige dame opende. "Jij +wilt zeker graag bij het raampje zitten, kind?" vroeg hare tante met +een werkelijk edele poging om het haar nichtje zoo prettig mogelijk +te maken en haar op haar gemak te zetten. Elsje knikte maar eens. Zij +had wel "ja tante" willen zeggen, maar ze durfde niet te spreken. Zij +had nog steeds dat rare, benauwde gevoel in de keel, net of ze niet +goed slikken kon en net of ze zou _moeten_ schreien, als ze probeerde +iets te zeggen. Daarbij was er nog een dame in den waggon, die haar +nog minder op haar gemak maakte dan ze reeds was. De dame had zoo'n +trotsch gezicht en zulke koude, grijze oogen en ze keek Elsje zoo +strak aan en zoo lang, alsof ze zeggen wou: "Kind, wat doe _jij_ hier, +in een coupé eerste klasse?" En toen Elsje ging zitten bij het raampje +en leunde tegen de zachte kussens, evenals zij haar tante zag doen, +ging de vreemde dame zoo stijf rechtop zitten en bekeek Elsje zoo +nauwkeurig dat het arme kind bepaald dacht dat zij onbehoorlijk zat, +ook rechtop zitten ging en verlegen het raampje uitkeek. Het was of +een magnetische kracht haar telkens weer noopte om te zien of de dame +nog naar haar keek, en herhaaldelijk als zij dit deed, zag ze de koude, +grijze oogen op zich gevestigd. + +Mevrouw d'Ablong had _hare_ oogen gesloten en zat doodstil, met hare +handen in haar mof, over Elsje, die een gevoel had, alsof ze alles zou +hebben willen geven, om rustig bij haar grootmoeder te zijn. Maar zij +moest zich goed houden,--vóór alles, zich goed houden--flink en moedig +zijn en haar best doen,--dat had ze grootmoeder zoo beloofd! Schreien +zou ze niet---vooral hier niet--hare tante zou zich niet voor haar +behoeven te schamen tegenover die trotsche, akelige dame daar in den +anderen hoek van den waggon. En met groote volharding keek Elsje +het raampje uit en deed zich geweld aan om bedaard te zijn. En +langzamerhand werd het kalmer in haar, zoodat ze met zekere stille +berusting hare tante volgde, toen deze aan een groot, druk station +den trein uitstapte met de woorden: + +"Ziezoo kind, nu zijn we dadelijk thuis. Ga maar gauw met me mee naar +het rijtuig. Loop vlak achter me, hoor; het is hier altijd zoo vol +om dezen tijd van den dag!" + +Ja, wèl was het er vol! Het was Elsje alsof ze droomde, toen ze +zich daar plotseling verplaatst zag in die woelige wereld, die haar +tot nu toe geheel onbekend was geweest. Het maakte haar angstig--de +dringende, luid pratende en roepende menschenmassa om haar heen, de +haastige kruiers, die tegen haar aanliepen en haar op zijde duwden, +de heeren en dames, die tusschen de drukte door, deftig heen en weer +wandelden op het perron, of beleefd hunne gasten begroetten, het +schelle, doordringende gefluit en gesis van aankomende en vertrekkende +treinen, het rijden met karren en kruiwagens--dit alles verdreef +geheel de kalme stemming, die zij met zooveel moeite was machtig +geworden en bevend, erg geagiteerd, haastte zij zich haar tante bij +te houden, terwijl deze zich vlug en handig een weg baande naar den +uitgang van het station, waar een rijtuig haar wachtte. "Zou Cécile +ons komen halen?" dacht Elsje. Die zat dan zeker al ongeduldig te +wachten in het rijtuig, of--zou ze er misschien ook een beetje tegen +opzien om kennis te maken met het onbekende nichtje? Elsje's hart +klopte sneller, toen het portier van het rijtuig geopend werd, maar +een gewaarwording van verlichting en toch ook van teleurstelling, +maakte zich van haar meester, toen ze zag dat het leeg was. Mevrouw +d'Ablong scheen hier niets ongewoons in te vinden. Zij zei alleen +maar: "Toe Elsje, haast je een beetje!" omdat het kind niet dadelijk +instapte en keerde zich met een vriendelijk lachje om, toen ze zich +door een beschaafde vrouwenstem bij den naam hoorde roepen en een +keurig gekleede dame achter zich zag staan. "Hoe gaat het u toch, +mevrouw d'Ablong?" zei ze, "Loulou heeft al zóó dikwijls verlangd, +Cilly eens weer te spreken en eens bij zich te zien. Zij houdt zoo +dolveel van Cilly! Hoe maakt ze het? Ziet zij er nog altijd even +beelderig lief uit? Ik vond haar om te stelen verleden winter op die +partij van mijnheer van Heusde. Bent u op reis geweest, of....o ja, +ik zie het, u hebt een logeetje meegebracht....maar neen, nu vergis +ik me toch zeker .... Bent u ook al heelemaal opgaande in werken van +liefdadigheid?" vervolgde ze fluisterend, "en moet er voor dat meisje +misschien een dienstje worden gezocht bij kinderen, of...." + +"Het is een kind van buiten, dat ik een poosje bij mij in huis neem," +zei mevrouw d'Ablong een beetje kortaf, met een zachte stem, maar +toch niet zóó zacht, of Elsje had het verstaan. + +Een kind van buiten, dat zij een poosje bij zich aan huis nam! Waarom +zei haar tante niet dat zij, Elsje, haar nichtje was en bij haar kwam +logeeren? Elsje vond het erg vreemd! Zij kreeg een gevoel, alsof hare +tante zich over haar schaamde en ze werd vuurrood en de tranen van +ergernis sprongen haar in de oogen. Zij veegde ze snel weg met een +ongeduldige beweging harer hand. Als mevrouw d'Ablong het een schande +vond dat zij haar tot nichtje had, dan zou zij haar niet lang lastig +vallen; ze wou wel dadelijk terug, heel graag wou ze dat! En dat zou +ze zeggen ook. En toen haar tante eindelijk van hare kennis afscheid +had genomen en in het rijtuig zat, begon Elsje met een onvaste stem, +maar met fonkelende oogen: + +"Waarom.... waarom mocht die dame niet weten dat ik uw nichtje ben, +tante?" + +Mevrouw d'Ablong keek vreemd op. Heel even gleed er een flauwe blos +over haar gezicht, maar zij herstelde zich terstond en zei koel, +terwijl zij Elsje strak aanzag: + +"Dat mocht ze heel wel weten, natuurlijk. Er is volstrekt geen reden, +waarom je je zoo dwaas zoudt opwinden, kind." + +"En waarom weet ze het dan nu nog niet en denkt ze dat ik een kind +van buiten ben, dat...." + +"Lieve tijd, Elsje, praat niet zoo ontzettend luid en kijk me niet +zoo woest aan! Je moet heusch een beetje gaan letten op je manieren, +kind. Je gedraagt je zoo allerakeligst burgerlijk! Neen, kijk nu niet +het raampje uit, terwijl ik met je spreek en bijt ook niet zoo op je +lippen. Die zijn waarlijk dik genoeg. Ik hoop dat wij een prettigen +tijd zullen hebben met elkaar en natuurlijk zal ik je aan iedereen +voorstellen als mijn nichtje, maar dan moet je zelf ook je best doen +en niet toegeven aan humeurtjes en driftige buien, als 't je blieft." + +Elsje antwoordde niet. Het was haar of een stem haar toefluisterde: +"Pas op, denk aan grootmoeder!" En met al de kracht die in haar +was, trachtte zij haar ergernis te onderdrukken en het gevoel van +eenzaamheid, dat haar dreigde te overweldigen. Zij bleef stil zitten +met neergeslagen oogen, tot het rijtuig stil hield voor een groot +huis van grijzen steen. + +"Welkom hier, Elsje," zei mevrouw d'Ablong, die toch een weinig +medelijden met haar begon te krijgen. "Kijk, Cécile staat al voor +het raam op ons te wachten." + +Eer Elsje tijd had gehad om naar het raam te kijken, was de breede +voordeur reeds geopend en stond zij achter hare tante in eene ruime, +marmeren vestibule, die smaakvol met palmen en hooge varenplanten was +versierd. "Dag mama, dag mama!" riep een welluidende stem en een slank +meisje met prachtige donkere oogen en krullend bruin haar, kwam op een +drafje de gang inloopen. Zij droeg een jurk van goudbruin fluweel, dat +haar warme, donkere tint op haar voordeeligst deed uitkomen en bewoog +zich met een gemakkelijke gratie, die hare bevalligheid zeer verhoogde. + +"Snoesje, snoesje, loop niet zoo hard! Kijk, je bent heelemaal +buiten adem!" zei mevrouw d'Ablong, terwijl zij het meisje naar zich +toetrok. Zij kuste haar op het voorhoofd en zag haar vol liefde en +trots in de mooie oogen. Toen keerde ze zich om en zei: + +"En hier heb je Elsje nu." + +"O!" zei Cécile op een langerekten toon, verwonderd en onverschillig +te gelijk. Zij bekeek Elsje, die stil en bedeesd op de mat was blijven +staan, van het hoofd tot de voeten, maar stak hare hand niet uit, +om haar welkom te heeten. + +"_Blijft_ ze Elsje heeten, zoo lang ze hier is, mama?" vroeg ze toen, +terwijl ze naast hare moeder de gang doorliep en Elsje langzaam volgde. + +Mevrouw d'Ablong bleef lachend staan. + +"Waarom vraag je dat, Cilly? Bevalt je die naam dan niet?" + +"Ik vind hem zoo echt boerinne-achtig," zei Cécile met een opgetrokken +neusje. "Wij kunnen haar heusch zoo niet blijven noemen. Ze kan +wel "Lizzie" heeten--dat klinkt veel ... veel netter. Ze moet toch +heelemaal anders gemaakt worden, voordat ze met onze kennissen kan +omgaan." + +"Nu ja, dat weet zij ook wel, is het niet, Elsje?" vroeg mevrouw +d'Ablong zich tot haar nichtje wendend. "Maar vandaag moet zij nu +eerst maar eens een beetje op haar gemak komen; het is alles nog +zoo vreemd en zoo heel anders dan bij haar thuis. Kom lieveling, +wijs jij haar nu haar kamer eens, dan ga ik even Missy goeden dag +zeggen. Is zij op de zaal?" + +"Ja mama." + +Zij waren een trapje opgegaan, dat met een dikken. Smyrnaschen +looper was belegd en stonden voor een hooge, eikenhouten kamerdeur, +die toegang gaf tot de "zaal", waar Cécile's Engelsche gouvernante +voor een hoog opvlammend haardvuur zat te handwerken. + +"Ga maar met Cilly mee, Elsje," zei hare tante, "en blijf dan maar +even wachten tot ik bij je kom; dan kunnen wij eens zien of er ook +een jurk van Cécile is, die je van avond aan kunt hebben. Je kunt +zóó niet aan tafel komen." + +"Ik begrijp niet...." begon Elsje met een stem, die van boosheid +trilde. + +"Je behoeft ook niet te begrijpen, kind," viel mevrouw d'Ablong haastig +in, terwijl Cécile Elsje spottend aanzag, "alles, wat je te doen hebt, +is met Cilly mee naar boven te gaan en op je kamer op mij te wachten." + +En zonder af te wachten of haar nichtje nog iets te zeggen had, opende +zij de eikenhouten deur en trad de zaal binnen met een vriendelijk: + +"_Well Missy, and how are you?_ + +"Dezen kant op," zei Cécile kortaf, terwijl ze even een trotsche +beweging met haar hoofd maakte in de richting die Elsje gaan +moest. "Wacht, ik zal je maar voorgaan. Niet stampen op de trap met +die lompe schoenen, als 't je blieft." + +Elsje's bloed begon te koken, maar weer kwam de gedachte aan hare +grootmoeder haar als 't ware smeeken, de driftige woorden terug +te houden, die haar op de tong lagen. Zij volgde Cécile zonder een +woord te zeggen en vroeg zich in het voorbijgaan met bitterheid af, +hoe zij met mogelijkheid luid zou hebben kunnen "stampen" op de zware, +mollige loopers van de trap. + +Haar hand gleed voorzichtig in den groven wollen handschoen over de +breede leuning, terwijl Cécile haar in al de elegance van keurige, lage +goudleeren schoentjes en zwart zijden kousen voor ging. Spoedig stonden +zij op een ruim, breed portaal, waar het gas reeds aangestoken was en +eindelijk opende Cécile aan het eind van dit portaal een deur en zei: + +"Hier moet je wezen. Nu weet je het." + +Meteen keerde zij zich om en liet haar nichtje midden in de halfdonkere +kamer alleen staan. Elsje hoorde haar over het portaal trippelen +en onderdrukt giegelen, terwijl zij onduidelijk de woorden opving: +"O, wat een kind, wat een lompe boerin!" Toen werd alles stil. + +Haar eerste werk was naar de deur te gaan en die te sluiten. Toen +sloeg zij de handen voor het gezicht en klaagde bitter en luid: +"O, grootmoeder, grootmoeder, was ik maar weer bij u! Ik houd het +niet uit, o, ik houd het niet uit!" Toen weer fluisterde ze, met een +plotselinge opwelling om heldhaftig te zijn en moedig, ter wille van +de oude vrouw, die haar zoo liefhad: + +"Maar ik _moet_ mijn best doen, ik moet, ik moet! Ik wil niet schreien, +niet laf zijn--tante zal ook wel dadelijk komen,--ik wil niet dat zij +mij bedroefd ziet, dat mag niet, nooit! Kom Elsje, niet flauw zijn, +wat zou Krelis je uitlachen, als hij je nu eens kon zien!" + +Er kwam een glimlach op haar gezicht bij de gedachte aan Krelis en +zijne grappige plagerijen en met een zucht deed zij het wollen kapje +af en liep naar de groote, wit porceleinen kachel om hare handen te +warmen. Het liep tegen halfvijf en begon hoe langer hoe donkerder te +worden in de kamer en hoe langer hoe somberder ook, vond Elsje. Zij +liep naar het raam toe en zag een binnenplaats, waarvan men een +gedeelte een vroolijker aanzien had trachten te geven door er eenige +_evergreens_ in groene kuipen neer te zetten. Elsje kon maar een klein, +klein stukje zien van de helderblauwe winterlucht--het zwaarmoedige +uitzicht benauwde haar en met een lichte huivering keerde zij zich van +het raam af en trachtte om zich heen te zien in de duistere kamer. Heel +veel vroolijker zag het er daar, nu althans, niet uit. Tegenover +het raam, tegen den muur, stond een groot eikenhouten ledikant met +een sierlijke sprei van witte kant, gevoerd met rose zijde, die Elsje +werkelijk prachtig vond. Naast den zwart marmeren schoorsteen stond een +zware, breede waschtafel ook van eikenhout en voorzien van een fraai, +marmeren blad en een reusachtig waschstel van Fransch porselein, met +takken chrysantemums beschilderd. Aan den eenen kant van het raam +prijkte een eikenhouten kleerenkast met een langwerpigen spiegel, +waarin Elsje zichzelf levensgroot zag weerkaatst; aan den anderen +kant stond een toilettafel, ook alweer voorzien van een spiegel en +van candelabres, flacons, toiletkussens, doellooze flaconkleedjes, +enz. Donkergroene overgordijnen en een donkergroen kleed droegen +er juist niet toe bij om het vertrek een blijmoediger aanzien te +geven, terwijl het eentonige, doffe getik der marmeren pendule op den +schoorsteen, op sombere wijze de doodsche stilte verbrak. Elsje had +groote moeite niet te veel onder den indruk te komen der naargeestige +omgeving om zich heen. In geduldige houding stond ze bij de kachel af +te wachten, wanneer het haar tante zou believen tot haar te komen--maar +heel geduldig en gedwee zag het er niet uit in haar hart. Er kwam een +diepe zucht over hare lippen, toen de deur eindelijk geopend werd en +mevrouw d'Ablong binnentrad, gevolgd door een dienstmeisje met eenige +kleeren over den arm. + + + +Hoofdstuk IV. + +"Elsje" of "Lizzie." + + +"Maar kind, waarom heb je niet even gescheld om het licht te laten +aansteken?" zei Elsje's tante. "Hoe kom je er bij om hier zoo in het +donker te blijven staan! Steek even de kaarsen aan op het toilet, +Keetje, en leg die kleeren maar op het bed. De jongejuffrouw zal zich +vandaag wel alleen kleeden." + +Keetje gehoorzaamde en terwijl ze nieuwsgierig keek naar de +"jongejuffrouw," die er--zooals zij later in de keuken vertelde, "niets +jongedamesachtig uitzag met hare dikke, roode wangen,"--vroeg ze: + +"Wilt u het gas niet aan hebben, mevrouw?" + +"Jawel, dat is goed en vraag dan aan juffrouw Cécile of ze ook even +hier komen wil." + +"Ja mevrouw." + +Keetje stak de gaspitten aan, deed de overgordijnen dicht, stookte +het vuur wat op en verdween. Het zag er nu vroolijker uit in de kamer, +vond Elsje en haar tante keek ook heusch wat vriendelijker. Dit deed +haar moed scheppen om te vragen: + +"Zou ik mijn eigen jurk niet mogen aanhouden, tante?" + +"Neen, Elsje, dat gaat heelemaal niet. Ik wil volstrekt niet dat +Miss Piper je ziet in die verschrikkelijke jurk en buitendien zouden +Cécile en ik ook onmogelijk den heelen avond naar dat leelijke toilet +kunnen kijken. Kom, trek je jurk maar gauw uit. Ik heb geen lust, +hier lang bij je te zitten en ik moet er natuurlijk vandaag bij zijn, +terwijl je je verkleedt; anders weet je zeker niet, hoe je doen moet." + +Elsje voelde wel dat tegenstribbelen niet zou baten, en begon langzaam, +met een bedroefd gezicht, haar jurk los te maken. Terwijl zij hiermee +bezig was, werd er aan de deur geklopt en riep de stem van Cécile: + +"Mag ik binnen komen, mama?" + +"Zeker snoesje, kom maar gauw hier." + +Elsje's vingers trilden. Als Cécile er nu ook nog bijkwam, was het +heelemaal niet meer om uit te houden.--O, kon zij toch maar wegloopen; +het was verschrikkelijk! Het schreien stond haar nader dan het lachen +en met een klagende stem zei ze: + +"Ik kan dat haakje niet los krijgen." + +"Help haar maar eens even, Cilly," zei mevrouw d'Ablong ongeduldig. "Ze +treuzelt zoo verbazend." + +Cécile gehoorzaamde, maakte het weerbarstige haakje los, trok Elsje +met een ruk de geliefde, roode jurk van de schouders en zei spottend: + +"O, o, wat een dikke, roode armen! En die handen! Echte +werkmeide-handen! En o mama, kijk toch eens, wat vreeselijk grof +vel! Dat wordt bepaald nooit beter; de stumper is er mee geboren." + +"Ik kan wel alleen," zei Elsje, knorrig Cécile op zijde duwend. + +"Hè, wat geeft ze me daar een stomp!" riep Cécile uit, zich boos over +den arm wrijvend. "Ik bedank er voor om haar te helpen, mama." + +"Ik heb je hulp ook heelemaal niet noodig," zei de arme Elsje, buiten +zichzelf van ergernis. + +"Bedaard wat meisje, bedaard wat!" zei hare tante berispend, "bedenk +een klein beetje wie je voor hebt, als 't je blieft. Kom maar hier +bij mij zitten, Cilly lieverd, dan kan ze zien, hoe ze alleen klaar +komt. Leg die leelijke jurk nu maar eens eindelijk neer, Elsje, +en trek je laarzen uit. Er staan lage schoentjes voor je bij het bed." + +Elsje deed wat haar gezegd werd, terwijl ze uit alle macht slikte om +hare tranen in te houden. + +"Trek nu die zijden kousen aan," gebood mevrouw d'Ablong. + +De zijden kousen pasten gelukkig en de mooie pantoffeltjes ook, +zoodat het eerste gedeelte van Elsje's toilet spoedig klaar was. + +"Ziezoo, wasch je nu eerst maar eens flink." + +Elsje schonk voorzichtig water uit de lampetkan in de groote kom, +nam een handdoek en doopte den tip ervan in het water. Zij was op +het punt om den natten handdoek naar haar gezicht te brengen, toen +Cécile in lachen uitbarstte en riep: + +"Maar mama, kijk toch eens! Ze wascht zich met de punt van den handdoek +in plaats van met een spons! En hemeltje, wat boent ze zich!" Want +Elsje begon in haar drift met den handdoektip stijf en snel over haar +gezicht te wrijven. + +"Lach haar nu niet _al_ te veel uit, Cilly, zij moet natuurlijk nog +allerlei leeren. Er ligt een spons in dat bakje, Elsje; gebruik die +een volgenden keer. Kijk, op de toilettafel liggen een kam en schuier; +doe nu eerst je haar, voordat je je handen wascht." + +"Mijn haar doen, tante?" + +"Ja, dacht je dat je er dat stijve vlechtje in zoudt mogen houden? Maak +het maar gauw los en kam het haar goed uit." + +"Een _verschrikkelijk_ leelijke kleur van haar," merkte Cécile +op. "En wat is het akelig glad en sluik! Echt melkboerenhondehaar, +vindt u niet, mama?" + +"Maar snoesje, hoe kom je aan _die_ uitdrukking?" + +"Och, zoo noemen ze zulk haar altijd. Wist u dat niet? Maar mama," +vervolgde ze fluisterend, "wat is ze vreeselijk leelijk, vindt u +niet? Hoe is het toch mogelijk, dat _zij_ familie van u is! En dan +zoo allernaarst burgerlijk! Ze moet er heel wat anders uitzien, +eer ze onze kennissen onder de oogen kan komen!" + +"Niet _iedereen_ ziet er even snoeperig uit!" zei mevrouw d'Ablong, +terwijl ze Cécile in de kin kneep en een kus gaf. Cilly streek met +een tevreden lachje haar krullend haar naar achteren. + +"Strik nu dat fluweelen lint netjes om je haar, Elsje," zei hare tante. + +"Noem haar toch als 't je blieft Lizzie, moedertje," vleide +Cécile. "Dat klinkt heusch zooveel beter." + +"Ik zal het probeeren, lieveling." + +Elsje zweeg. Niets kon haar op dit oogenblik meer schelen. Zij voelde +zich zoo ongelukkig dat het haar nauwelijks een vermeerdering van +haar leed toescheen, niet bij haar eigen naam te worden genoemd. + +"Kind, kind, wat gaat dat onhandig!" zei hare tante. "Heb je dan nog +nooit een strik gemaakt? Kom maar eens hier." + +Elsje gehoorzaamde. Mevrouw d'Ablong kamde het "akelig sluike" +haar naar achteren en strikte het zwart fluweelen lint om Elsje's +hoofd. Toen probeerde ze een kuif te maken, maar het haar viel +weerbarstig neer, glad en slap, zonder eenige elasticiteit. + +"Ik moet morgen dadelijk maar eens met je naar den kapper, +Els... Lizzie," zei hare tante. "Misschien kan hij je wat ponyhaar +knippen, dat je er een beetje meer presentabel uitziet. We moeten het +nu vandaag maar zoo laten. Probeer nu eens of die lichtgroene jurk je +past; ja die, met dat teere resedakleurtje. Wat stond jou die altijd +beelderig, Cilly; het is eigenlijk jammer dat je dat japonnetje nooit +meer draagt." + +"Die kleur wordt nu al weer zoo ouderwetsch," zei Cécile. + +De lichtgroene jurk paste Elsje niet. Hare armen gleden gemakkelijk +door de ruim neerhangende mouwen heen, maar de rok was te lang en +het lijfje veel te nauw. Met geen mogelijkheid kon de zijden veter, +waarmede de jurk dichtgesnoerd behoorde te worden, zoo strak door +de vetergaatjes worden getrokken, dat de beide kanten tegen elkaar +kwamen en om het middel was het kleedje in het geheel niet vast te +krijgen. "Trek toch maar niet meer, mama; zij _barst_ er letterlijk +uit," riep Cécile, schaterend van het lachen. + +"Ja, het gaat niet," zuchtte haar moeder. "Wat moet ze dan in +vredesnaam aan! Deze blauwe jurk is niets wijder. Weet jij ook wat?" + +"Misschien kan ze die flanellen blouse aan van me! U weet wel, die +lichtgele; ik draag haar weinig meer. Mij was ze altijd veel te wijd." + +"O ja, dat kunnen we wel eens probeeren. Och, schel even, lieveling." + +Cécile trok aan het schelkoord en Keetje verscheen weer. + +"Haal eens even die crème flanellen blouse van juffrouw Cécile en +den blauw-serge rok, die in de kast hangt op haar kamer en ook het +zijden ceintuur; dat ligt zeker op je toilettafel, Cilly?" + +"Ja, mama." + +De lichte blouse pastte Elsje beter, maar scheen hare roode wangen nog +rooder en haar middel nog dikker te maken, door al de ruime rimpelingen +en plooitjes, waarmee de stof gegarneerd was. Toch zag zij er niet +onaardig uit in haar nieuwe kleedij. De donkere rok werd door Keetje +voorzien van een opnaaisel, hing toen netjes en stond, zooals Cécile +beweerde, "nog het minst gek." Het breede ceintuur werd om het middel +vastgestrikt en de lange einden beletten te zien, hoe het split van +den rok met spelden vast was gestoken; de boord was Elsje veel te nauw. + +"Ziezoo, eindelijk klaar," zei mevrouw d'Ablong met een zucht. "Ga +nu eens even daar staan, kind--onder het gas, dat ik goed kan zien +hoe alles zit." + +Met een akelig ongemakkelijk gevoel, alsof al hare kleeren van haar +af moesten zakken en alsof heur haar heel slordig zat--net of ze pas +uit bed kwam en het heerlijk stevige vlechtje nog maken moest--liep +Elsje naar het midden der kamer. + +Cécile ging naast haar moeder staan en beiden beschouwden haar nichtje +met een kritisch oog. + +Elsje's trots kwam boven. Met verhoogde kleur en schitterende oogen, +hief ze het hoofd op en keek hare beide kwelgeesten strak aan. De +verlegene uitdrukking verdween en hare fiere houding, de glinsterende +sterretjes in de blauwe oogen en het werkelijk aardige toiletje misten +hunne uitwerking niet. + +"Als er nu nog een aanmerking komt, doe ik terstond mijn eigen jurk +weer aan," besloot ze bij zichzelf. + +"Ze ziet er werkelijk iets beter uit," zei mevrouw d'Ablong tot Cécile, +"vindt je ook niet?" + +Cécile antwoordde niet dadelijk, maar bekeek Elsje nog eens, met +tergende langzaamheid. Toen zei ze: + +"Ja, wel _iets_." + +"Kom Elsje, ga dan nu maar mee...." + +"Toe mama, neem haar nu toch wezenlijk liever Lizzie. Iedereen zal +denken dat u de meid roept als u Elsje zegt." + +"En toch _blijf_ ik zoo heeten," zei Elsje, zeer gedecideerd. + +Cécile keek haar spottend aan. + +"Och kind, stel je niet zoo aan, als 't je belieft, he!" zei ze op +minachtenden toon. "Kom mama, zullen we nu eindelijk naar beneden +gaan? Missy is al zoo lang alleen." + +Zij opende de deur voor mevrouw d'Ablong, volgde haar en keek niet +meer naar Elsje om. + +"Kom Lizzie!" riep hare tante, toen ze op het portaal bemerkte dat +Elsje in de kamer was achtergebleven. + +Stokstijf bleef het kind staan, waar zij stond. "Tante roept mij +niet!" mompelde ze boos. + +"Lizzie, Lizzie, kom dan toch!" klonk het weer. "Ga nu gauw mee +naar beneden!" + +Elsje verroerde zich niet. Zij werd hoe langer hoe koppiger. "Alles +wil ik verdragen," dacht ze met een hart vol bitterheid, "maar mijn +eigen naam zullen ze me niet ontnemen." + +"Ga jij maar vast naar de zaal, Cilly," hoorde zij mevrouw d'Ablong +zeggen. "Ik kom dadelijk." + +Elsje's hart begon sneller te kloppen, toen ze haar tante weer binnen +zag komen. + +"Wat beduidt dat, dat je me te vergeefs laat roepen?" vroeg ze streng. + +Geen antwoord. Het meisje stond nog steeds op dezelfde plek, +onbewegelijk als een beeld. + +"Kom, antwoord me," hernam mevrouw d'Ablong driftig. "Waarom kwam je +niet, toen ik je riep?" + +"U hebt mij niet geroepen." + +"Heb ik jou niet geroepen?" En Elsje's tante keek verbaasd. "Wie +anders?" + +Elsje haalde met een verlegen lachje de schouders op. + +"Lizzie," zei ze. + +"En wist je dan niet dat jij daarmee bedoeld werdt, mal kind? Ben je +nog zóó dom?" + +"U weet heel goed dat ik Elsje heet naar mijn lieve, lieve +grootmoeder," zei ze, in tranen uitbarstend. De gedachte aan haar +grootmoeder was haar te machtig. + +Mevrouw d'Ablong zweeg. Weer gleed, evenals daareven in het rijtuig, +een flauw blosje over hare wangen, maar er kwam nu tevens een zachtere, +teedere uitdrukking in hare oogen, die haar gezicht onuitsprekelijk +aantrekkelijk maakte. Zij sloeg den arm om het snikkende meisje heen +en haar naar zich toetrekkend, zei ze: + +"Je hebt gelijk kind, je heet Elsje en anders niet en ik zal je ook +zoo blijven noemen. Kom, schrei nu maar niet meer. Kijk mij eens aan +en laat me eens zien, dat je ook vroolijk kijken kunt." + +Elsje sloeg de betraande oogen op en de ongewoon zachte uitdrukking +op het gezicht van mevrouw d'Ablong ziende, vroeg ze zacht: + +"Mag ik u een kus geven?" + +Tot eenig antwoord trok haar tante haar dichter naar zich toe en +kuste haar. Toen liet ze haar los en zei: + +"Zullen we dan nu naar beneden gaan, Elsje?" + +"Ja," knikte het kind. "En.... en.... ik zal heusch mijn best doen, +tante." + +"Dàt hoop ik. Je moet maar goed opletten hoe Cilly zich gedraagt; +zij heeft zulke bizonder elegante manieren." + +Elsje zweeg. Waarom moest hare tante nu ook dadelijk weer Cécile +er bij halen? Maar het was waar--zij zag er erg deftig uit en alles +ging haar zoo gemakkelijk en natuurlijk af! Dát had Elsje dadelijk +wel gevoeld, dat er een groot verschil bestond tusschen haar nichtje +en haar, niet alleen omdat Cécile donker haar en donkerbruine oogen +had en zoo beelderig mooi gekleed was, maar vooral ook omdat ze zulke +lieve, bevallige manieren had, zoo netjes liep en zoo rechtop en met +kleine, aardige pasjes en omdat ze duizend kleinigheden geleerd had, +waarvan Elsje niets afwist en ook, och zoo bitter gaarne, niets weten +_wilde_. Ze voelde zich vandaag zoo akelig linksch en lomp en ze had +zulke nare, gloeiende wangen! Al die vreemde kleeren zaten haar ook +zoo ongemakkelijk en ze had net een gevoel, alsof het lint om heur +haar afzakte,--wat hing dat ook vervelend los in haar nek, zoo warm +en slordig. Had zij haar stijf, glad vlechtje nu tenminste ook maar +mogen behouden! + +Ze streek onhandig een weerbarstig lokje weg, toen mevrouw d'Ablong +de deur der zaal opende en zei: + +"Dit is mijn nichtje, Missy. Gij kunt u met haar in het Hollandsch +spreken oefenen, Engelsch moet zij nog leeren." + +Cécile's gouvernante, Miss Piper, stond langzaam op van haren stoel +bij den haard en bleef bedaard staan wachten, tot Elsje bij haar zou +komen om haar een hand te geven. + +Cécile zat aan den anderen kant van het vuur op een lage, sierlijk +gedrapeerde tabouret en keek met een spottend lachje op, toen hare +moeder met Elsje binnen kwam. + +Bedremmeld bleef het kind bij de deur staan, totdat mevrouw d'Ablong +haar bij de hand nam en naar Miss Piper toebracht. + +"Mijn nichtje, Miss Piper," herhaalde Elsje's tante. "Gij zult gauw +goede vrienden met haar worden, hoop ik. Zij kan nog heel veel van +u leeren. Kom Elsje, geef Missy een hand." + +"_Call her Lizzie, please,_" viel Cécile in, op beslisten toon. + +"Welkom hier, Lizzie!" zei de gouvernante, Elsje's hand even in de +hare houdend. "Ik hoop, wij zullen gauw zijn vrienden." + +Met een dankbaren blik keek Elsje op naar de slanke, geheel in 't +zwart gekleede gestalte en het vriendelijke gezicht met de beschaafde, +fijn besneden trekken. Er lag een zachte glans in de grijze oogen, +die op haar neerzagen en hoewel zij veel te bedeesd was om iets te +antwoorden op het gebroken Hollandsch der Engelsche, dat zoo goed +gemeend was, voelde zij zich toch dadelijk tot haar aangetrokken en +iets moediger gestemd. + +"Ga maar naast Cilly zitten, kind," zei mevrouw d'Ablong, "wij gaan +zoo meteen dineeren; je zult wel trek hebben na de reis. Ja, neem +dien stoel maar. Je behoeft er niet zoo voorzichtig mee te zijn; +hij is stevig genoeg. Och Cilly, help haar eens even; ze weet niet, +hoe ze dien stoel verschuiven moet." + +Cécile stond langzaam op, trok den stoel met een ruk naderbei en zei: + +"Daar! Ga nu maar zitten!" + +"_Cilly darling, how unladylike!_" zei miss Piper met een zachte stem. + +"Hè neen Missy, niet zoo'n boos gezicht zetten!" riep Cécile, +terwijl ze naar de gouvernante toeging en haar zachte wang tegen de +hare legde. "Toe, u ziet er veel gezelliger uit, als u zóó kijkt," +vervolgde ze met haar arm om Missy's hals geslagen en smeekend en +een beetje coquet tot haar opziende. + +"Kindje, kindje, wees toch zoo opgewonden niet! Dat deugt niets voor +je!" zei mevrouw d'Ablong bezorgd. + +"Maar _mother dear,_ ik _ben_ niet opgewonden. Wacht eens, ik zal +wel maken dat Missy weer in een goed humeur komt." En met vlugge +bevalligheid liep ze naar het andere einde der kamer, ging voor de +piano zitten, sloeg met vaste hand een paar accoorden aan en zong +toen met jubelende stem een couplet van "God save the Queen!" + +Toen ze geëindigd had, keek ze met een vroolijk gezicht om. + +"_Thank you, darling,_" zei Miss Piper. + +Cécile bleef bij de piano zitten spelen. + +"Ze ziet vandaag toch niet een beetje bleek? En heeft ze in 't +geheel niet over vermoeidheid geklaagd?" vroeg mevrouw d'Ablong aan +de gouvernante. + +"O neen, volstrekt niet. Ik geloof eigenlijk dat Cécile altijd gezond +is, mevrouw." + +"Jawel, wel gezond, maar zij moet zich toch een beetje in acht nemen, +vind ik. Ze speelt lief van avond, he?" + +"Heel lief." + +Het gesprek werd in het Engelsch gehouden en Elsje verstond er +natuurlijk niets van. Dat hinderde haar echter niet erg, want nu +behoefde zij er ook geen deel aan te nemen en kon zij ongestoord +om zich heen kijken en al de pracht van de rijk gemeubileerde kamer +bewonderen. Zij had nog nooit zoo iets gezien; waarheen zij ook keek, +overal was het even mooi, vond ze. Voor de hooge ramen hingen, in ruime +plooien, donkerroode gordijnen van zacht, zwaar pluche. Een donkerrood, +mollig smyrnaasch kleed bedekte den grond, terwijl hier en daar een +geelbruin vossevel, of een langharige tijgervacht mooi bij het rood +van het tapijt afstak. De makkelijke stoelen, de portière voor de deur, +het pluche tafelkleed en de smaakvolle, met goud doorstikte draperieën, +over de kleine tafeltjes en boven den spiegel aangebracht, alles was +in harmonie met elkaar en met de warme, teere kleuren van de vazen +en beeldjes, de kostbare snuisterijen en de teergele en rose zijde +der lampekappen, waardoor het licht gedempt en helder tevens heen +scheen. Hoeveel groote en kleine lampen waren er wel? Dat moest ze toch +eens even tellen! Dan kon ze het morgen aan grootmoeder schrijven. Daar +in dien hoek, naast die hooge, fraaibewerkte étagère met boeken, stond +een echte reuzenlamp, vond Elsje. Wat was daar een lange, koperen stang +aan, net een heel dunne, erg uitgerekte steel! En was die neerhangende, +gele kap van echte zijde? Zij had zoo'n fraaien glans en wat hing de +breede, doorschijnende kant er prachtig over heen! Als zij gedurfd had, +zou ze even opgestaan zijn om die lamp eens van naderbij te bekijken, +maar zij was blij dat ze zat en zou voor geen geld de heele kamer +door zijn geloopen naar dien verren hoek! Wat viel het licht van +dat porseleinen lampje op het tafeltje bij de piano mooi op Cécile's +goudbruin kleedje en op haar krullend haar! En wat speelde zij mooi! En +o, wat stond daar in dien anderen hoek een prachtig, wit beeld! Zou +dat nu van marmer zijn en zou het heel koud aanvoelen, als ze het +met hare vingers betastte? En waarom zou dat vrouwebeeld den vinger +zoo waarschuwend tegen den mond houden, alsof het zeggen wou: "Stil, +niet spreken, geen leven maken!" Naast dat beeld stond ook al weer +zoo'n mooie lamp op een standaard en wat werd die groote schilderij +aardig verlicht door het grappige, kleine lampje op een tafeltje, +dat Elsje voor een soort van nieuwerwetsche latafel aanzag en dat een +sierlijk schrijfbureautje van hare tante was! Van de schilderij kon +zij hare oogen niet afhouden. Deze stelde een lichte, opene plek voor +in het bosch en het was Elsje, als zag ze in werkelijkheid de teere, +groene tinten der wilgen en de zonnestralen, die door de takken +speelden. Hé, wat moest het op die plek heerlijk zijn! Zij vergat +heelemaal om voort te gaan met het tellen der lampen, zoo was ze in +de aanschouwing der schilderij verdiept en ze keek verschrikt op, +toen Cécile opeens haar pianospel staakte en vlak aan haar oor zei: + +"We moeten eten, Lizzie; ga gauw mee." + +Mevrouw d'Ablong en Miss Piper waren de kamer reeds uit. Elsje sprong +snel op. + +"Och Cécile, noem mij nu niet weer Lizzie," zei ze dringend. "Tante +heeft zelf gezegd, dat zij mij nooit anders dan Elsje noemen zou." + +"Zoo? Nu, dat moet mama weten, maar ik vind Lizzie oneindig mooier en +deftiger en je zult er dus maar aan moeten wennen dat je bij mij Lizzie +heet. Zeur nu niet langer en kijk ook niet zoo knorrig. Ik zal je den +weg wijzen naar de eetkamer; mama zal niet begrijpen, waar we blijven." + +Elsje volgde haar met een zucht. Zij vond Cécile naar en onhartelijk, +maar ze wou toch moedig blijven. + +De enkele vriendelijke woorden harer tante en van Miss Piper hadden +haar goed gedaan en zij streed dapper tegen het verlangen, om terstond +haar eigene kleeding weer aan te trekken en met den allervlugsten trein +naar haar grootmoeder terug te keeren. Ze keek verrast op, toen ze met +Cécile de ruime eetkamer binnentrad, die aan den tuin gelegen en in +het benedengedeelte van het huis was. Stevige, eikenhouten meubelen, +een langwerpige tafel met gedraaide pooten en stoelen met hooge, rechte +ruggen en groenlederen zittingen, gaven aan het vertrek een geheel +ander aanzien dan het salon boven vertoonde. Bruin beschilderde witte +tegels in eikenhouten lijsten en enkele blauw-porseleinen borden hingen +tegen het goudbruine behang en van een rijke gaskroon viel het licht +tintelend en flonkerend in de fijn geslepen wijnglazen, de kristallen +messenleggers en zoutvaatjes en het zware zilver op de tafel. + +"Komt meisjes, wij zitten te wachten," zei mevrouw d'Ablong +ongeduldig. "Hier moet je zitten, Elsje, naast mij." + +Elsje haastte zich plaats te nemen en Cécile ging tegenover haar +zitten naast Miss Piper. Een net dienstmeisje stond bij den stoel +van mevrouw d'Ablong en gaf de borden rond, terwijl hare meesteres +de soep opschepte. Elsje vond het haast jammer dat de aardige, losse +bloemschilderingen van het porselein bijna geheel door de dampende +soep werden bedekt, maar zij had ergen trek en begon dadelijk te eten, +toen het bord voor haar stond. + +"Je kunt wel heengaan tot ik schel, Dina," zei mevrouw d'Ablong. + +Dina verdween. + +"Mama," zei Cécile fluisterend, terwijl ze zich over de tafel heen +naar haar moeder toe boog, om niet door de gouvernante verstaan te +worden,--"zeg toch eens dat ze niet zoo afschuwelijk hoorbaar slikt +en die dikke, roode handen wat minder laat kijken." + +Zij had luid genoeg gesproken om door Elsje verstaan te worden. Het +arme kind kreeg een kleur, maar zij hield zich goed en at stil door, +met hare oogen naar beneden geslagen. + +Juist toen ze weer een lepel vol soep aan den mond bracht, legde hare +tante hare linkerhand op de hare. + +"Let er op, hoe Cilly eet," zei ze zacht. + +Met al te groote haast slikte Elsje de soep door, om te antwoorden +en toen ze wat zeggen wou, kreeg ze zulk een hevige hoestbui dat zij +er akelig benauwd van werd en de tranen haar over de wangen rolden. + +"Hè, wat een vervelend geluid!" zei Cécile. "Je kunt best ophouden, +als je maar wilt, Lizzie." + +"_Take some water, do,_" raadde Miss Piper aan. + +"Ja, drink eens, Elsje," zei mevrouw d'Ablong ongeduldig. Dat het +kind zich nu ook juist verslikken moest en aldoor die roode handen +aan den mond bracht, terwijl Miss Piper over haar zat! + +Elsje schonk met bevende hand en al kuchend een glas water in uit een +klein, elegant karafje dat voor haar bord stond. Haar hand schudde en +het water viel zoo hortend en stootend in het glas, dat dit overliep +en zich een smal stroompje op het tafellaken vormde. + +"Kind, wat ben je ook onhandig!" fluisterde mevrouw d'Ablong +wrevelig. "Bel eens even, Cilly, als 't je blieft." + +Cécile drukte op het knopje der zilveren tafelschel en Dina kwam +binnen. + +"Maak dat eens even een beetje schoon," zei mevrouw d'Ablong met +een blik naar het drijvende stroompje, dat hoe langer hoe breeder +werd. "Je kunt meteen de borden wel wegnemen." + +Dina gehoorzaamde handig en vlug, terwijl Elsje met een kleur van +agitatie weer aan haar soep begon. De anderen hadden de borden reeds +leeg; zij vond het verschrikkelijk alleen te zitten eten, met de +spottende oogen van Cécile strak op zich gevestigd. + +Het dienstmeisje bleef aarzelend wachten; zij zag dat hare meesteres +ongeduldig werd en durfde toch het bord niet weg te nemen, terwijl +Elsje nog at. Het arme kind zou met plezier de rest van haar soep +onaangeroerd hebben gelaten, als zij maar gedurfd had. + +Eindelijk was zij bijna klaar en hield het bord schuin om het met den +lepel goed schoon te kunnen maken. Maar hare tante, die haar ergenis +onmogelijk langer kon bedwingen, kwam driftig tusschenbeide. + +"Leg nu je lepel neer, Elsje," zei ze kortaf. "Neem dat bord weg, +Dina; ik begrijp niet, waarom je van middag zoo langzaam bent." + +"Maar ik heb het nog niet heelemaal op, tante," zei Elsje, om het +dienstmeisje te verontschuldigen. + +"Neem dat bord weg," herhaalde mevrouw d'Ablong streng tot Dina, +"en geef de jongejuffrouw een ander mes en een andere vork--je hadt +moeten zien dat deze geheel nat zijn." + +Dina haastte zich haar verzuim te herstellen en Elsje zweeg +bedrukt. Toen het dienstmeisje heengegaan en teruggekomen was, +het vleesch en de groenten had rondgediend en weer kon verdwijnen, +tot ze gebeld werd om het dessert op tafel te zetten--was Elsje weer +tamelijk op haar gemak gekomen en hoewel ze niet veel at, uit vrees +van de anderen op haar te laten wachten, smaakten de keurig toebereide +spijzen haar toch goed. Zij deed al haar best, zoo netjes mogelijk te +eten en keek nu en dan tersluiks naar Cécile om te zien hoe deze mes +en vork hanteerde. Elsje vond het vreemd, dat zij haar mes bijna even +ijverig gebruikte als haar vork en het was haar heel ongemakkelijk, de +vork niet vlak bij de tanden vast te houden--maar zij deed wat ze kon +en slaakte een zucht van verlichting, toen ze haar bord had leeggegeten +zonder een aanmerking van mevrouw d'Ablong te hebben gehoord. + +Het dessert werd opgezet en Dina plaatste naast ieder bord een fraai +kommetje van doorschijnend, rood glas, met water gevuld. + +Elsje keek er nieuwsgierig naar. Waarvoor zouden die moeten dienen? Wat +zag dat water er helder uit en hoe verleidelijk scheen het haar toe +er even een klein slokje van te drinken! Ze had zoo'n dorst en het +karafje weer ter hand nemen durfde ze niet goed na het ongeluk van +daareven. Die mooie kommetjes gebruikten rijke menschen zeker veel in +plaats van glazen. Ze liet het stukje witten podding met roode vla +nog onaangeroerd op haar bord liggen; ze moest wezenlijk eerst eens +even drinken--ze had zoo'n verbazenden dorst! Voorzichtig nam ze het +bewuste kommetje in hare beide handen en zette het aan den mond. He, +het water was lauw, hoe vreemd en wat smaakte dat naar! Juist wou ze +het sierlijke, glazen bakje weer neerzetten, toen Cécile haar aanzag +en boos zei: + +"Ze kan niet met ons aan tafel eten, mama. Kijk nu toch eens even." + +Elsje schrikte, meende dat ze gemorst had op haar jurk of iets heel +onbehoorlijks gedaan en liet in hare verwarring het kommetje uit hare +handen glippen. Groote en kleine roode scherven vielen op haar bord, +op de tafel en op den grond en met een angstig gezicht keek ze hare +tante aan. + +"Ik zou maar naar boven gaan, Elsje. Ik vind het heel verdrietig dat +je je nog zoo weinig weet te gedragen," zei mevrouw d'Ablong. + +Elsje stond op, waarbij eenige scherven van haar jurk afvielen op +den grond. Zij raapte ze snel op. + +"Ga nu terstond kind, en laat die dingen liggen." + +Met een bedroefd gezicht en met een haastigen, teleurgestelden blik +naar den podding, dien ze nu in 't geheel niet zou proeven, ging +Elsje de kamer uit. + + + +Hoofdstuk V. + +Van Top tot Teen herschapen. + + +Toen mevrouw d'Ablong een kwartier later in het salon kwam, vond ze +daar haar nichtje niet, zooals ze verwacht had. "Dan zal ze zeker +maar naar haar kamer gegaan zijn," dacht ze en liep met een zucht de +trap op. Nu reeds voelde ze eenig berouw dat ze Elsje te logeeren had +gevraagd--er zouden zooveel van die kleine, lastige onaangenaamheden +komen en het beviel haar volstrekt niet, haar gemakkelijk leven door +allerlei moeielijkheden met Elsje bedreigd te zien. Maar, zij had het +verzoek harer moeder toch niet kunnen weigeren--ze was nu eenmaal +dezen weg ingeslagen en ze moest er op voortgaan, daaraan was geen +twijfel. Ze moest het kind dan maar flink onder handen nemen van +tijd tot tijd, zoolang ze hier was en... misschien was het wel niet +noodig, dat Elsje later voor goed bij haar in huis kwam. Zoo oud was +de grootmoeder toch ook nog niet en zoo heel ziek scheen ze eigenlijk +ook niet te zijn en het was dus heel wel mogelijk dat Elsje volwassen +was en ergens een werkkring had gevonden, voordat haar grootmoeder +stierf. Dan zou zij heel makkelijk wat voortgeholpen kunnen worden +met geld en kleeren nu en dan; hare tante zou haar dan niet uit het +oog verliezen en goed voor haar zijn... uit de verte. Als alles zóó +ging, zou mevrouw d'Ablong zelf ook heel tevreden wezen. + +Maar, terwijl het kind bij haar in huis was, moest ze zich beter +gedragen, dat sprak van zelf. + +"Ik kom eens even met je spreken, Elsje," zei ze, de deur openend +van de logeerkamer, waar Elsje de eenzaamheid had gezocht. "Waarom +ben je niet naar de zaal gegaan, toen ik je wegstuurde?" + +"Ik wou veel liever hier blijven, tante," zei Elsje met iets angstigs +in hare stem. + +"Waarom?" + +Zij antwoordde niet dadelijk, maar wreef zenuwachtig hare handen +over elkaar. + +"Ik doe toch alles verkeerd," zei ze eindelijk op koppigen toon. + +"Hoor eens Elsje, als wij goede vrienden zullen blijven, moet je je +zooveel mogelijk voornemen, om _niet_ alles verkeerd te doen. Want +wat je daar zegt, is waar, je _doet_ bijna alles verkeerd. Maar als +je wezenlijk wilt, als je heel goed op Cilly let en haar navolgt in +alles, als je probeert om zooveel als het kan natuurlijk, op haar te +gelijken, dan...." + +"Ik verlang er niets naar om op Cécile te lijken," zei Elsje, +heel driftig. + +Het was er uit, voordat ze het wist en terstond, _toen_ het er uit +was, had ze berouw. Maar alles, wat zij dien dag had doorgemaakt, het +droevige gevoel van verlatenheid, dat haar weer overvallen was na het +ongeluk aan tafel en vooral het wreede, hatelijke gedrag van Cécile, +hadden haar in zulk een bittere stemming gebracht dat het haar was, +als leefde ze in een bangen droom en als was zij plotseling van de +vroolijke, levenslustige Elsje veranderd in een arme verschoppelinge, +door niemand begeerd en door niemand bemind. Als hare tante Cécile +buiten het gesprek had gelaten, zou Elsje haar drift hebben kunnen +bedwingen, maar nu liep de maat van haar geduld over en met fonkelende +oogen, snel en bijna woest, bracht ze er de noodlottige woorden uit. + +"Wil je wel eens dadelijk zeggen dat je dat niet meent, ondeugend, +brutaal kind?" riep mevrouw d'Ablong, haar bij de schouders +vattend. "Kom, kijk mij aan en zeg dat je het niet meent." + +Elsje barstte in tranen uit. + +"Laat mij weer naar huis gaan!" snikte ze. "Och, laat mij toch weer +naar grootmoeder gaan! Ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk! En +ik wil veel liever nooit, nooit weer hier komen! Ik doe toch niets +zooals ik moet en ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk!" + +Zij had hare tante van zich afgestooten en schreide bitter, met de +handen voor het gezicht geslagen. + +Met een strenge uitdrukking in hare oogen, bleef mevrouw d'Ablong +zwijgend bij haar staan. Er was niets met het meisje te beginnen, +zoolang ze zich zoo aanstelde, oordeelde zij, maar dergelijke dwaze +buien moesten in het vervolg vermeden worden, dat stond vast. + +Eindelijk bedaarde het snikken wat. + +"Mag ik als 't je blieft morgen weer terug naar huis?" vroeg het +kind met een smeekenden blik. "Ik durf best alleen te reizen en... en +grootmoeder zal het geld wel weerom geven." + +"Dat is natuurlijk te dwaas om van te praten, Elsje. Ik zou die +kinderachtigheid nu maar uit mijn hoofd zetten. Je bent oud genoeg om +te begrijpen, dat je het bij mij aan huis volstrekt niet 'vreeselijk' +behoeft te hebben, als je je verstandig gedraagt. Ik ben ernstig +boos op je om die leelijke, afgunstige woorden, die je zooeven hebt +gezegd. Je bent jaloersch op Cécile en dat had ik van jou allerminst +verwacht. Ik reken er op dat je die ongepaste jaloezie zult trachten te +overwinnen en _nooit_ zult toonen. Begrijp mij goed en doe wat ik zeg, +anders zullen we maatregelen nemen, die je heelemaal niet aanstaan, +juffertje. Je bent moe en alles is ongewoon voor je natuurlijk en +ik zal je voor ditmaal dus vergeven. Ga straks naar bed en kom niet +meer beneden. Keetje zal je een kop thee brengen en als je nog iets +noodig hebt, kun je het haar zeggen." + +En zonder het bedroefde kind verder met een blik te verwaardigen, +ging mevrouw d'Ablong de kamer uit. + +Niet lang daarna kwam Keetje boven met een nachtjapon van Cécile en +verdere toiletbenoodigdheden voor Elsje. + +"Mevrouw dacht dat het goed voor u zijn zou om nu maar naar bed +te gaan, jongejuffrouw," zei ze. "Zal ik u even helpen met het +uitkleeden? Dan kan ik u een kopje thee brengen, als u in bed bent." + +Elsje stond langzaam op van den stoel, waarop ze in moedeloos gepeins +was verzonken geweest. + +"Ja, ik zal naar bed gaan," zei ze, "maar je behoeft me niet te +helpen. Ik kleed me altijd alleen uit." + +"Maar misschien gaat het een beetje gauwer, als ik u help met dien +vastgespelden rok," zei Keetje goedhartig. Elsje zag er zoo bedroefd +en terneergeslagen uit, dat het dienstmeisje medelijden met haar +kreeg. Dina had natuurlijk in de keuken verteld wat er aan tafel +met Elsje was gebeurd en hoe boos mevrouw d'Ablong had gekeken en nu +Keetje het jonge gezichtje van het "dorpskind" zoo bitter bedrukt zag, +kwam haar goed hart boven. + +"Kom," zei ze, "ik zal wel maken dat u gauw rustig en wel te bed ligt, +jongejuffrouw. En wie weet, hoe lekker u dan slaapt." + +"Ik hoop het," zei Elsje zacht. "Maar wil je me Elsje noemen, als +'t je blieft, dat zou ik veel prettiger vinden." + +"Ik geloof niet dat mevrouw dat zou willen hebben," lachte Keetje +vroolijk. "Ziezoo, daar is de blauwe rok al uit. Straks zal ik +alles wel netjes opvouwen. Die nachtjapon zal wel een beetje te lang +zijn. Kijk, heb ik geen mooie voor u uitgezocht? Dat is allemaal echt +Fransch borduursel." + +Elsje voelde niet heel veel belangstelling voor het "echt Fransche +borduursel", maar Keetje's vriendelijkheid deed haar toch goed en +met een half ingehouden snik vroeg ze: + +"Woont jouw moeder ook buiten?" + +"Neen, hier in de stad. Wilt u nu in dien lagen leuningstoel gaan +zitten, dan zal ik uw haar uitschuieren. Pas op dat u niet over de +nachtjapon struikelt." + +Het was toch wel prettig om zich zoo'n beetje te laten bedienen, nu +ze zoo erg moe was, dacht Elsje, terwijl ze makkelijk leunde tegen +den rug van haar stoel. En wat was het een heerlijk gevoel, die zachte +aanraking van Keetje's hand aan heur haar en de gelijkmatige beweging +van den schuier over haar hoofd! + +"Nu bent u klaar en nu ga ik gauw een lekker warm kopje thee voor u +halen," zei het dienstmeisje eindelijk. "Is dat goed?" + +"Ja, als 't je blieft." + +Keetje ging heen en Elsje stond op om in bed te gaan. Eerst moest +ze nog even kijken hoe het er buiten uitzag. Ze schoof het gordijn +op zij, drukte haar gezicht tegen het raam en keek op naar het +kleine stukje lucht, dat vanuit haar kamer zichtbaar was. Hè, +wat fonkelden de sterren mooi--wat zou het prachtig, prachtig zijn +op de heide, dicht bij het huisje harer grootmoeder! Als zij maar +eens even bij haar kon zijn, even de armen om haar hals kon slaan +en haar een nachtkus geven, dan zou haar moed wel weer terugkomen, +dacht ze. Maar ze moest zich dapper houden, ze moest haar best doen, +niet weer flauw zijn en driftig tegen tante; ze had het grootmoeder +beloofd! Ze liet het gordijn los en slikte even. Ze wou nu niet meer +schreien. Ze was wezenlijk kinderachtig geweest, daar had tante wel +gelijk in. Morgen zou alles zeker wel beter gaan en met het optimisme +van een kind, begon zij zich voor te stellen, hoeveel gelukkiger dan +nu, zij zich morgenavond als zij naar bed ging, misschien voelen +zou. Tante zou dan ook wel niet meer boos zijn. Kom, ze moest nu +maar rustig gaan slapen. Zou ze ... zou ze nog eens even in dien +grooten spiegel kijken hoe die prachtige nachtpon haar stond met al +die breede strooken? Verlegen, alsof er iemand in de kamer was, die +haar uit kon lachen, ging ze voor den langen spiegel staan en keek +nieuwsgierig naar de meisjesgestalte in het lange, witte, bijna den +grond rakende gewaad. Was zij dat heusch? Ze vond eigenlijk wel dat +ze er heel deftig uitzag met die geborduurde kanten om de mouwen en +dat lange, breede borduursel van voren. Zoo moest grootmoeder haar +eens even kunnen zien! Als zij zoo eens plotseling voor haar staan +kon en haar goeden nacht zeggen! Wat zag haar gezicht er beschreid +uit en wat werd zij koud, zoo dicht bij het raam! Vlug liep ze naar +het ledikant, trok de dekens over zich heen en genoot de zachte, +mollige warmte van het veeren bed. Ze was zoo moe, zóó moe; Keetje +moest nu maar gauw komen met de thee, dan kon ze het licht meteen +uitdraaien. Daar schoot haar plotseling te binnen, dat ze grootmoeder +van avond nog een briefkaart had willen sturen met het bericht dat +ze goed was overgekomen. Hoe was het mogelijk dat ze dat had kunnen +vergeten! Misschien zou Keetje nog raad weten te schaffen. + +Daar was ze juist met een grooten kop thee in de hand. Elsje kwam +dadelijk met haar vraag voor den dag. "Mevrouw is juist bezig een +briefkaart te schrijven," zei Keetje, "en ze zou uwe groeten doen, +zei mevrouw. Drink nu maar gauw deze warme thee op, dat zal u goed +doen. Ziezoo, zal ik u nu nog eens instoppen?" + +"Ja, heel graag." + +Keetje streek het laken glad, schudde de kussens op, trok de +dekens dichter om Elsje heen en zag er daarbij zoo vriendelijk en +aantrekkelijk uit in haar helder katoenen japonnetje, met den keurigen +witten boezelaar en het nette geplooide mutsje, dat Elsje het prettig +vond om naar haar te kijken en met een dankbaren blik zei: + +"Dankje wel, hè, dankje wel." + +"Kan ik nu nog iets voor u doen?" vroeg Keetje eindelijk. "Zal ik +het licht maar uitdraaien?" + +"Ja, als 't je blieft." + +Het dienstmeisje deed het gas uit en verliet de kamer met een +vriendelijk "goeden nacht." Elsje was op het punt haar terug te +roepen en nog iets te vragen, maar zij durfde niet goed, zei zacht +bij zichzelf: "Het is te flauw" en deed toen hare oogen dicht, vast +besloten, dadelijk te gaan slapen. + +Zij deed ze echter terstond weer open, toen tot hare verwondering +de deur der kamer geopend werd en Keetje weer binnen kwam met een +brandend nachtlichtje in de hand. Heel zacht zette zij dit op de +tafel neer om Elsje niet te storen en juist wilde ze weer weggaan, +toen een zacht stemmetje zei: + +"Ben je daar nog, Keetje?" + +"Jawel, jongejuffrouw." + +"Wil je.... wil je even bij me komen?" + +Keetje kwam terstond bij het bed. + +"Ik.... ik.... wil jij me een nachtzoen geven? Dat doet grootmoeder +altijd." + +Het dienstmeisje dacht er niet aan op dit oogenblik, of "mevrouw" +een dergelijke familiariteit wel zou goedkeuren, boog zich over Elsje +heen en kuste haar op het voorhoofd. + +"Slaap lekker," zei ze. + +"Dank je wel," zei Elsje. "Dank je wel voor al je +vriendelijkheid. Nacht Keetje." + +"Nacht jongejuffrouw. Zult u nu gauw gaan slapen?" + +"Ja wezenlijk." + +En met de gedachte aan grootmoeder en aan den brief dien zij haar +morgen zou schrijven, viel Elsje in slaap. + +Om elf uur kwam haar tante even naar haar kijken. + +"Ze slaapt gelukkig rustig," dacht ze, "we moeten nu in vredesnaam +maar hopen dat alles morgen beter gaat." + +Den volgenden ochtend om half acht bracht Keetje Elsje een warme, +wollen ochtendjurk en voelde deze zich zeer verkwikt en bemoedigd +door de lange nachtrust, die ze had gehad. Aan het ontbijt liep +alles tamelijk goed voor haar af. Cécile was stil en een beetje +uit haar humeur, maar bemoeide zich weinig met haar en Miss Piper +was vriendelijk en beleefd evenals gisteren, terwijl mevrouw +d'Ablong blijkbaar haar best deed, om haar meer op haar gemak te +zetten. Dadelijk na het ontbijt bracht zij haar naar een aardige, +vroolijke kamer, die nog altijd de "kinderkamer" werd genoemd en op den +tuin uitzag. Er stond een groote tafel met een groen lakensch kleed +en tegen den muur waren boekenkasten geplaatst, waarvan de planken +met geschupte, groenlederen randen waren versierd. Elsje had nog nooit +zooveel boeken bij elkaar gezien en keek nieuwsgierig naar al de roode, +groene, zwarte, gele en bruine banden in de hooge eikenhouten kasten. + +"Hier neemt Cécile hare lessen altijd," zei mevrouw d'Ablong. "Je weet +immers dat ze niet meer school gaat? Vandaag is ze wat moe en moet ze +maar eens vacantie nemen: jij kunt hier dus van ochtend rustig gaan +zitten schrijven. Kijk, hier staat een inktkoker en in dat vloeiboek +zijn wel postpapier en couverts. Als je met je brief klaar bent, moet +je maar even op dit knopje drukken. Dat is een electrische schel en +als je hierop drukt, komt Dina terstond bij je en zal zij je brief +naar de post brengen. We moeten maar wat vroeg koffiedrinken vandaag; +dat ga ik van middag met je naar den kapper en de naaister en zoo +verder. Denk er aan dat je de groeten van mij doet aan grootmoeder en +haar vraagt, of ze ons eens gauw bericht stuurt hoe het met haar is." + +Een paar minuten later zat Elsje met een hoogroode kleur en een heel +ernstig gezicht haar brief te schrijven. Het was behagelijk warm +in de kamer en heel rustig om haar heen, maar het viel haar toch +allesbehalve gemakkelijk, den brief precies zóó te krijgen, als zij +dien hebben wou. Grootmoeder moest vooral niet den indruk ontvangen +dat zij ongelukkig was en telkens naar huis verlangde, maar Elsje +vond het heel moeielijk een opgewekten brief te schrijven, vooral +ook omdat het schrijven zelf al een heel ding voor haar was. Toen +het postvelletje vol was, streek ze met een zucht de hand over het +voorhoofd en las het geschrevene over met een gezicht, dat duidelijk +toonde dat ze er weinig mee ingenomen was. Zij had het ook zoo warm +en dat vervelende losse haar gaf haar telkens een gevoel, alsof ze +haar _eigen_ hoofd niet had vandaag. Keetje had wel getracht het +haar geheel op te maken naar Elsje's zin, maar dit was haar maar half +gelukt--het zat zoo akelig weinig stevig, vond Elsje. + +Met een uitdrukking van ontevredenheid in de oogen, zat ze naar de +dikke, groote letters op het papier te kijken, toen mevrouw d'Ablong +binnen kwam. + +"Ben je _nog_ niet klaar, kind?" vroeg ze. "Het is al elf uur." + +"Ja, tante, mijn brief is af," zei Elsje, haastig opstaande. + +"Goed, ga dan gauw mee naar beneden. Wij hebben nog zooveel te doen +vandaag. Hè, wat staat die jurk je akelig! Wij zullen wat nette, +nieuwe kleeren voor je laten maken. Vindt je het niet heerlijk, +dat je dat allemaal zoo maar van me krijgt?" + +"Het is heel vriendelijk van u tante, maar.... maar mijn roode jurk +zit me zoo erg gemakkelijk, die heb ik het liefst aan." + +"O, maar als een goede naaister jurken voor je maakt, zullen die je +nog prettiger zitten natuurlijk. Kom, treuzel nu niet langer." + +Niet lang daarna reed Elsje in gezelschap harer tante de drukke straten +door naar een der deftigstige modemagazijnen der stad. Men had haar een +winterhoed opgezet, dien Cécile niet meer droeg en een kort lakensch +manteltje aangetrokken, dat haar te nauw was, zoodat zij zich niet heel +behagelijk voelde "Wacht maar, we zullen wel gauw een jonge dame van +je maken," zei mevrouw d'Ablong, toen het rijtuig stilstond voor een +grooten winkel met spiegelruiten, waarachter zooveel fraaie stoffen in +donkere en lichte tinten en zooveel kostbare kant, zijde, fluweel en +wit dons lagen uitgestald dat Elsje groote oogen opzette. Zij volgde +hare tante schuchter, toen een bediende in livrei met een beleefde +buiging het portier en de glazen deuren van den winkel opende. + +Mevrouw d'Ablong liep tusschen de toonbanken aan beide zijden door, +terwijl haar nichtje zeer bedeesd achteraan kwam. Het was haar alsof +al die dames en heeren achter de toonbanken haar nazagen en alsof de +deftige mevrouwen, die hier hare inkoopen deden, haar aankeken met +oogen, die duidelijk zeiden: "Jij behoort hier niet, kind!" Ze was +blij, toen hare tante de trap opging, die toegang verleende tot een +zaal, waar slechts twee jonge meisjes aanwezig waren en waar stapels +fijn linnengoed in de winkelkasten tegen den muur waren geborgen. Er +heerschte een aangename warmte en Elsje vond dat de winkeljuffrouw, +die hare tante aansprak, een vriendelijk gezicht had. + +"Wat is er van uw dienst, mevrouw?" + +"Ik zou graag eens meisjeskorsetten van u willen zien," zei mevrouw +d'Ablong. "Het is voor dit meisje. Zij komt van buiten en ik moet +allerlei ondergoed voor haar hebben. De korsetten kunnen hier immers +gepast worden, niet waar?" + +"O ja zeker mevrouw, als u zoo goed wilt zijn mij even te volgen." + +Zij ging de zaal door naar een klein zijvertrekje, waar de zon +vroolijk naar binnen scheen en men door een hoog boogvenster een +levendig uitzicht had op de drukke straat, die er vroolijk uitzag in +het heldere, vriezende weer. + +"O tante, wat is het hier aardig!" riep Elsje, naar het raam +toeloopende en terstond daarop een kleur krijgende over hare +vermetelheid. + +Mevrouw d'Ablong keek haar ontevreden aan; zij vond het in 't +geheel niet noodig dat de winkeljuffrouw wist dat Elsje haar nichtje +was. Het kind was eerst zoo dwaas verlegen geweest hier en nu opeens +die uitroep! + +"Jawel, het uitzicht is hier niet onaardig," zei ze kortaf. "Maar +kleed je nu maar gauw uit; wij hebben nog zooveel te doen. Zoudt u +meteen eens onderlijfjes willen laten zien, juffrouw?" + +"Gaarne." En het meisje ging heen. + +"Komaan, Elsje, haast je wat," zei hare tante ongeduldig. "De juffrouw +komt dadelijk terug met de korsetten." + +"Maar ... maar tante, moet ik me dan hier heelemaal uitkleeden?" vroeg +het kind met een angstig gezicht. + +"Natuurlijk. Als wij alles eerst nog thuis laten sturen, duurt het +weer langer, eer je er een beetje presentabel uitziet." + +"Maar ik wil veel liever niet zoo'n stijf korset aan hebben," +klaagde Elsje. + +"Geen woord meer. Je doet nu dadelijk, wat ik je zeg," klonk het +gebiedend. + +Met een zucht kleedde Elsje zich uit en liet zich door de geduldige +winkeljuffrouw het eene korset na het andere aanpassen. O, wat +verveelde het haar en wat werden hare beenen moe en stijf van dat +lange staan! En hoe ongemakkelijk zaten haar al die nare, rare +machines met ontelbare baleinen en wat was het verschrikkelijk om +telkens weer de juffrouw te hooren zeggen: "Ziet u mevrouw, van boven +past dit heel goed, maar de jongejuffrouw is wat heel breed om het +middel en de heupen." De arme "jongejuffrouw" had op het laatst een +gevoel alsof ze een mismaakt schepsel was! En al was het warm in de +kamer, toch werden hare armen en haar hals zoo koud en kreeg ze zulk +akelig kippenvel! Hoe was het toch mogelijk dat het hare tante niet +verveelde naar dat verschrikkelijke passen te kijken en dat zij maar +steeds met dezelfde nauwkeurigheid haar oordeel ten beste gaf! + +"U kunt dien veter nog wel wat meer aantrekken," zei ze, toen Elsje +eindelijk een korset aan had, dat tamelijk goed paste. De juffrouw +voldeed aan het bevel en Elsje kreeg een gewaarwording alsof ze in +een soort van harnas vastgesnoerd zat. + +"Het zit me nauw," waagde ze te zeggen. + +"Nauw jongejuffrouw?" vroeg het meisje verbaasd. "Dat is toch een heel +wijd nummer. Het zal u nog wat ongemakkelijk zijn omdat het nieuw is, +maar ik geloof dat u er heel spoedig aan zult wennen." + +"Zij moet dit maar aanhouden," zei mevrouw d'Ablong beslist. "Nu de +onderlijfjes, juffrouw." + +Elsje begreep dat tegenstribbelen niets zou baten en onderwierp zich +aan haar lot met de kalmte der wanhoop. + +Met een onderlijfje kwam men gelukkig sneller klaar en eindelijk namen +zij afscheid van het onderkleeren-departement en bracht de onvermoeide +mevrouw d'Ablong haar nichtje in een geheel ander gedeelte van het +"modemagazijn", dat in Elsje's oogen een reusachtigen omvang had. + +Zij bevonden zich nu in een ruim vertrek, waar de japonstoffen werden +verkocht. Elsje's tante koos een paar donkere stoffen voor jurken uit +en begaf zich toen naar een kamer, waar Elsje de maat genomen werd +en een zeer elegant gekleede dame met mevrouw d'Ablong overlegde, hoe +de jurken gemaakt moesten worden. Hiermee was men veel gauwer gereed +dan Elsje had durven hopen en hoewel het akelig korset haar knelde en +zij zich niet heel opgewekt voelde, verheugde zij zich toch over het +feit, dat ze zich niet _weer_ zoo lang behoefde te laten passen. Juist +wilde hare tante zich met haar naar de mantelzaal begeven, toen haar +nog iets scheen in te vallen en ze tot de elegante dame zei: + +"O ja juffrouw, u hebt zeker nieuwe stoffen ontvangen voor +baltoiletjes? Waar kan ik die zien?" + +"Gaat u even zitten mevrouw en de jongejuffrouw ook, dan kan ik ze +wel dadelijk hier laten brengen." + +Ze drukte op een knopje en een jongen verscheen om even later terug +te keeren met het verlangde. + +"Vindt u dit niet bizonder lief, mevrouw?" zei de juffrouw, een +lichtrose stof vertoonend, die zacht en wollig aanvoelde en toch dun +en fijn was. "Dat zou deze jongejuffrouw heel goed staan." + +"Jawel, maar wat hebt u daar? Is dat lichtgeel of wit, die kantachtige +stof met die fijne, blauwe bloemetjes?" + +"Dit bedoelt u? Dat is heel zacht crème, mevrouw, iets beelderigs +voor een brunette, vindt u niet? Voor uwe eigene dochter +misschien.... u.... neemt u me niet kwalijk, maar u bent immers +mevrouw d'Ablong?" + +"Ja, en ik wou juist een baljaponnetje hebben voor mijn +dochtertje. Stuurt u me dit maar eens op zicht, als 't je +blieft. En.... ja, doet u er dat rose dan ook maar eens bij; het kon +zijn dat ik voor dit meisje ook een baltoiletje noodig had." + +"Als 't u belieft, mevrouw." + +Elsje kon hare ooren nauwelijks gelooven. Een baljurk noodig voor +haar! Met groote oogen keek ze haar tante aan, terwijl deze de beide +stoffen nog eens nauwkeurig bezag. + +"Dus dan stuurt u deze twee van avond nog op zicht?" vroeg ze nog eens. + +"Jawel mevrouw." + +"Kom Elsje, dan gaan we nu mantels passen." + +Elsje ging snel mee. Een vraag brandde haar op de lippen. + +"Tante," zei ze zacht, toen mevrouw d'Ablong op het punt was, de +"mantelzaal" binnen te gaan. + +"Wat is er?" + +"Heb ik misschien ook een baljurk noodig?" + +Mevrouw d'Ablong glimlachte en keek Elsje vriendelijker aan dan ze +vandaag nog gedaan had. + +"Wou je dat graag?" + +"Ik zou vreeselijk graag eens een bal willen zien," zei Elsje. "Maar +ik zou er liever stil naar kijken dan er aan meedoen, omdat.... omdat +ik niet weet of ik alles wel naar uw zin doen zou." + +"Als je je goed houdt en geen kuurtjes hebt en als je op Cécile's +manieren let en die probeert na te volgen, dan.... dan laat ik je +bij ons blijven tot na de partij. Cécile heeft er iederen winter +een en dit jaar zal er niet alleen gedanst worden, maar ook comedie +gespeeld. Als ik dus tevreden over je ben, zul je dat alles bijwonen." + +"O!" was al wat Elsje zeide, maar al was de gedachte haar pijnlijk +dat zij de belooning om bij de partij tegenwoordig te zijn, nog moest +verdienen, toch scheen het haar iets onuitsprekelijk heerlijks toe +eens een "echt bal" te zien. Dat zou iets zijn om van te vertellen, +als ze weer tegenover grootmoeder op haar oude plaatsje zat! + +"Hoe mooi tante," zei ze met een dankbaren blik op den warmen, +donkerbruinen mantel, dien mevrouw d'Ablong voor haar kocht. Het +korset begon wezenlijk al een beetje te wennen, vond ze, hoewel ze +een hooge kleur had, omdat ze zooveel minder makkelijk adem haalde +dan anders. Er werd bij een Fransch sprekende modiste een hoed met +veeren voor haar gekocht; toen gaf hare tante den koetsier bevel naar +den kapper te rijden. + +Dat viel Elsje niet mee; zij had gehoopt dat zij nu weer naar huis +terug zouden gaan, of dat zij eens wat zou mogen gaan wandelen. Ze +was zoo gewend om veel in de frissche lucht te zijn; ze snakte er +letterlijk naar om de aanraking van den wind te voelen op hare wangen +en zich te koesteren in de volle, heldere Januarizon. Met een zucht +ging ze met haar tante het "damessalon" van den "coiffeur" binnen. + +"Ik kom zelf maar even bij u, mijnheer," zei mevrouw d'Ablong tot een +klein mannetje met donker, krullend haar, "omdat er nogal haast bij +is. Wilt u eens zien, wat er van dit haar is te maken? Zet je hoed +eens af, kind." + +"Tot uw dienst, mevrouw," zei de beleefde kapper, buigend als een +knipmes. "Ga toch zitten als 't u belieft en wil de jongejuffrouw +dan in dezen stoel plaats nemen?" + +En met veel drukte en een vertoon van grooten ijver, schoof hij Elsje +een lederen stoel met hooge zitting toe en haalde zijn kam en schaar +te voorschijn. + +"Het is geen mooi haar," zei mevrouw d'Ablong, "maar u kunt er toch +misschien wel iets aan doen dat het wat aardiger en meer gedistingeerd +zit." + +"O ja zeker mevrouw, zeker. Wilt u het hoofd een _klein_ weinigje +meer rechtop houden, jongejuffrouw? Zoo is het goed, dank u. Ik +geloof dat het lang geleden is dat dit haar gepunt is, mevrouw. Hoe +zoudt u het vinden, als ik de jonge dame een heel klein weinigje +kleursel in het haar deed? De kleur is.... als ik het zeggen mag, +een beetje.... ordinair." + +"Neen, neen, verf wil ik niet in mijn haar hebben!" riep Elsje, +driftig opspringend. "Dat kan niet, dat vind ik veel te vies!" + +"Ga maar gauw weer zitten, kind," zei haar tante bedaard, maar met een +zeer strengen blik. "Neen mijnheer, u behoeft geen andere kleur aan +het haar te geven; van dergelijke kunstmiddeltjes houd ik heelemaal +niet, dat weet u wel. Hoe zou het staan, als het een weinig gegolfd +werd en als u wat pony knipte van voren?" + +"Dat zou wel gaan, mevrouw. Als de jongejuffrouw zoo goed zou willen +zijn, haar hoofdje wat stiller te houden. Zoo! Als dit achterhaar +nu goed weggeschuierd is en het ponyhaar een weinigje gefriseerd, +zult u eens zien hoe goed het staat." + +En ijverig gebruikte hij de krultang, waarbij het Elsje hoe langer +hoe benauwder te moede werd. + +Eindelijk legde hij het, in hare oogen zeer hatelijke, instrument +neer, nam den schuier, streek het achterhaar glad en strikte het lint +om Elsje's hoofd. Toen zijn werk met een blik vol innig welgevallen +beschouwend, zei hij: + +"Zie eens mevrouw, nu bevalt het u zeker beter, niet waar? Deze +coiffure geeft de jonge dame een geheel ander voorkomen, vindt u +niet? Alleen nog een klein, heel klein droppeltje van iets, om de +kleur iets minder geel te maken?" + +"Kijk mij eens goed aan," zei mevrouw d'Ablong, zonder op de vraag +van den kapper te letten. "Trek niet zoo met je wenkbrauwen. Neen, +neen, niet dat haar wegschuiven van je voorhoofd." + +"Het jeukt zoo," zei Elsje verdrietig. + +Weer keek haar tante haar aan met een afkeurenden blik; toen zei ze: + +"Zoo kan het wel blijven, mijnheer. Als er nog iets aan veranderd +worden moet, zal ik u wel een boodschap sturen." + +Eindelijk, eindelijk was er, voorloopig ten minste, niets meer te +bestellen ter verfraaiing van Elsje's toilet en persoon en reed zij +met haar tante naar huis terug. + + + +Hoofdstuk VI. + +Nieuwe Kennissen. + + +"Nog eens, Elsje, doe nu vooral je best, aardige, beschaafde, +damesachtige manieren aan te nemen," begon mevrouw d'Ablong weer in +het rijtuig. "Die drift zooeven bij den kapper stond je bij voorbeeld +weer heel leelijk. Neen, neen, zucht nu maar niet zoo ongeduldig en +schuif ook niet zoo heen en weer op de bank. Je zult werkelijk met +veel meer plezier bij ons logeeren, als je zelf probeert wat in den +smaak te vallen. Het is voor Cécile ook niet prettig, als je zoo'n +burgelijken indruk maakt. Wil je me nu beloven goed op te letten hoe +Cilly en ik ons gedragen?" + +"Ja tante," zei Elsje, zoo kalm als het haar mogelijk was, "maar +ik verlang er in het geheel niet naar om een modepop te worden. En +grootmoeder zegt nooit iets van mijn manieren!" + +"Wij spreken nu niet over grootmoeder, kind, maar wij hebben het erover +hoe je je _hier_ gedragen moet. Je kondt onmogelijk beter voorbeeld +hebben dan Cilly. Zij heeft onberispelijke manieren, al heeft ze +natuurlijk ook veel voor omdat ze zoo beelderig mooi is en dat...." + +Zij eindigde den zin niet, maar Elsje begreep wel dat ze bedoelde: +"en dat ben jij niet." Ze kreeg een kleur van ergernis, maar ze hield +zich in en bleef zwijgen totdat het rijtuig weer voor het huis van +mevrouw d'Ablong stil stond. + +"O, Cilly heeft zeker kennisjes bij zich," zei deze, toen Elsje en zij +naar boven gingen en een kamer voorbij kwamen, waar Elsje nog niet +geweest was en waaruit het geluid van vroolijke meisjesstemmen naar +buiten drong. "Doe maar gauw je goed af, Elsje, dan kun je naar haar +toegaan. Het is jammer dat je geen andere jurk hebt, maar deze past +je toch beter dan die blouse van gisteravond. Laat mij nog eens even +kijken hoe je haar nu zit. Zoo, zoo, vind ik het; het bevalt me toch +maar half. Hoe kom je nu toch weer zoo rood in je gezicht en lieve +tijd kind, wat heb je leelijke, groote handen! En hoe komen die toch +zóó ruw?" + +"Van het werken, tante," zei Elsje een beetje trotsch. "Maar zou +ik dat korset vandaag niet nog uit mogen hebben? Het geeft me zoo'n +benauwd gevoel." + +"Och kom kind, malligheden! Ga nu maar gauw naar Cilly's kamer en +let vooral op je manieren. Wees bedaard en spreek nog maar niet te +veel vandaag." + +"Ik wou liever eens wat gaan wandelen, tante. Ik verlang zoo vreeselijk +om eens even in de lucht te zijn. Thuis ben ik zooveel buiten. Later +kan ik toch ook nog wel met Cécile's vriendinnen kennis maken." + +"Neen, neen, je gaat er nu heen. Morgenochtend kan dat wandelen wel +gebeuren. Je blijft vandaag verder thuis." + +Dan maar met moed er op af! dacht Elsje, toen ze naar beneden liep +en de deur opende van de kamer, waaruit het drukke gelach en gepraat +klonk. Zij zag een vrij groot vertrek met twee ramen aan den tuin +en elegante tafeltjes, gemakkelijke stoeltjes, een kleine, sierlijke +canapé, waarvoor een aardig eikenhouten theetafeltje stond met een fijn +porseleinen theeservies, dat op dit oogenblik ijverig dienst deed, een +overvloed van smaakvolle, kleine snuisterijen op den schoorsteen en het +miniatuur-schrijfbureautje bij het raam, een groote verscheidenheid +van waaiers en zijden draperieën in zachte tinten,--op een lage, +zwarte zuil in een hoek een allerliefste kleine groep in wit marmer +van twee slapende kinderen, aan den muur een paar landschap-etsen +en een menigte kleine en groote photographieën en in een vergulden +lijst een schilderij van een mooi kinderkopje met bruine oogen en +donker krullend haar--blijkbaar een portret van Cécile, toen ze twee +of drie jaar oud was. + +Dit alles zag Elsje als niet ziende, zoozeer werd zij overweldigd +door een gevoel van plotselinge verlegenheid, toen zij de kamer +in ging. Niemand scheen haar binnenkomen te bemerken en zij bleef +in een linksche houding bij de deur staan, onzeker wat ze doen zou +en eigenlijk heel weinig verlangend om de aandacht op zich te doen +vestigen. + +"Neen maar, hoe allergekst Cilly," zei een groot, blond meisje, dat +naast Cécile zat, die de _afternoon-tea_ schonk in kleine kopjes van +doorschijnend wit porselein met rose bloemtakjes beschilderd. "Heeft +hij dat heusch tegen je gezegd en wat heb je toen geantwoord? Dat je +pas zestien waart?" + +"Eigenlijk maken wij Cilly ook ouder doordat wij juist hare vriendinnen +zijn," zei een meisje met een spits, scherp gezicht. "Wij zijn alle +drie al achttien en Cilly is _net_ zestien geworden." + +"Neen Lou, _ik_ ben nog maar zeventien," zei de derde gast, een meisje +met een rond gezicht en vroolijke, blauwe oogen. "En we blijven Cilly +trouw, hoor. Ik kan onmogelijk zonder haar leven en zij niet zonder +mij, is 't wel, _darling_? Toe, zeg ons nu eens gauw wat je geantwoord +hebt, op dat gewichtige oogenblik, toen je...." + +"_Dear me_, daar staat Lizzie af te luisteren wat wij praten!" viel +Cécile opeens verschrikt in. "Heeft mama je hierheen gestuurd, Lizzie?" + +Elsje knikte verlegen en bleef bij de deur staan, terwijl Cécile's +vriendinnen haar met onverholen verbazing aanstaarden. + +"En heeft mama ook gezegd dat je daar vooral bij de deur moest staan +blijven?" vroeg Cécile spottend. + +"Neen, volstrekt niet," zei Elsje, zich vermannend. + +"Nu, kom dan hier." + +Elsje kwam naderbij met een gezicht, dat onverschillig moest heeten, +maar waarop duidelijk te lezen stond dat ze zich weinig op haar +gemak voelde. + +"Dit is Lizzie van den Berg, mijn nichtje van buiten. Ze logeert bij +ons," zei Cécile, zich tot hare gasten wendend. + +"O, ik wist niet dat je een nichtje hadt, dat buiten woonde," zei de +scherpe Louise. "Zeker verre familie, he? Aangenaam kennis te maken," +vervolgde ze, zich tot Elsje wendend en hare hand uitstekend, waarop +de twee andere meisjes haar voorbeeld volgden. + +"Ze heeft ons wel eens verteld van een _neef_, die buiten woonde," +zei Emma, het meisje met het vroolijke gezicht schalks, terwijl Cécile +Elsje op een laag stoeltje naast zich liet plaats nemen. + +"_Please don't_," zei Cécile met een flauw blosje en met een +waarschuwende beweging harer oogen naar Elsje. + +"He ja, waar hadden wij het ook weer over?" zei het groote, blonde +meisje, dat Cato heette. "O gunst neen, daar kom ik weer op verboden +terrein!" En zij proestte het uit van het lachen. + +"Hè, wat ben je vervelend," zei Cécile spijtig. "Wil je nog een kopje +thee? Als 't je blieft, Lizzie, dit is voor jou." + +"Toe Cilly, niet boos zijn!" zei Cato, "dat kan ik heusch niet +dragen. Wat vind ik dat toch een allersnoeperigst portret van +je, dat geschilderde! En wat hadt je _toen_ toch een allerliefst +gezichtje! Jammer dat je zoo erg veranderd bent na dien tijd." + +"Cato, wees toch niet zoo laf," zei Cécile, toch nogal gevleid door +het bedekte compliment. + +"Ja, ik zou wel eens willen weten, of _sommige_ menschen dat portret +wel eens gezien hebben," zei Emma met een geheimzinnig lachje. + +"Wat meen je daarmee?" vroeg Cécile, terwijl ze met neergeslagen +oogen water in het trekpotje schonk. + +"He ja, wat zou ze daarmee meenen? Of liever, wien zou ze daarmee +meenen?" zei Louise lachend en op half fluisterenden toon. + +"Ik vind dat dat portret waard is dat iedereen het ziet, die je kent, +Cilly," zei Cato beslist. "Bent u dat niet met mij eens, juffrouw +Lizzie?" + +"Och Cato, wees toch niet zoo dwaas!" zei Cécile. "Noem haar toch +Lizzie, ze is pas veertien jaar." + +"Met heel veel genoegen. Nu Lizzie, ben je het niet met me eens?" + +"Ja," zei Elsje met een onbestemd gevoel dat men haar voor den +gek hield. + +"Ben je al eens eerder hier gelogeerd geweest?" vroeg Emma, met een +goedhartige poging om Elsje aan het praten te krijgen. + +"Neen." + +"En houdt je veel van het buitenleven?" + +"Ja." + +"Cécile heeft zeker ook al eens bij jou gelogeerd?" + +"Neen." + +"Het lijkt wel het spelletje van ja en neen," zei Louise zacht +tot Cato. + +"O, het is zoo'n vervelend kind," fluisterde Cécile terug. "Ik begrijp +heusch niet waarom mama haar hier gevraagd heeft." + +Met een gloeiend gezicht, warme handen en een benauwd, stijf gevoel +door het korset niet alleen, maar ook door de ongemakkelijke houding, +waarin ze zat, op het puntje van het lage vouwstoeltje--achterover +leunen wist ze niet of voor haar "welgemanierd" was--beantwoordde Elsje +de vragen, die haar werden gedaan. Weer was het haar alsof zij iemand +anders was, niet hetzelfde meisje als de vroolijke, levenslustige, +werkzame Elsje, die blij en moedig haar taak verrichtte en gelukkig +was in het kleine huisje bij grootmoeder. + +En toen de meisjes haar met rust lieten, in de overtuiging dat er met +dat "stille burgerkind" niets te beginnen was, keek zij verlangend +naar de heldere zonnestralen, die in de kamer vielen en zag zij het +alles duidelijk voor zich: de lange, rustige dorpsstraat met de roode +en grijze gevels der huizen en de groen-en-roode luiken beschenen door +de zon, den breeden straatweg met de schilderachtige dennengroepjes, +de ruime velden met de korte struiken langs den kant, de kale takken +goudbruin en geel getint door het warme licht,--en eindelijk het +vriendelijke huisje met grootmoeders gezicht voor het raam, haar +toeknikkend met een welkomstgroet in de oude oogen. + +Emma moest tweemaal de vraag herhalen, die ze tot Elsje had gericht, +zoozeer was deze in gedachten verzonken. + +"Ben je nog hier met Cécile's partij?" vroeg ze. + +"Dat denk ik niet," zei Cécile haastig. "En in ieder geval kan _zij_ +natuurlijk niet meespelen. Dan moeten we liever een ander zien te +vinden voor die rol. Lizzie heeft stellig nooit comedie gespeeld; +zij kan onmogelijk meedoen." + +"Nu, _wij_ weten dan ten minste al vast, wat we te leeren hebben," +zei Louise. "Voor die rol van Grietje moet dan nog iemand gevonden +worden. Zeg Cilly, je hebt zeker weer een snoeperig toiletje?" + +"Ik weet nog niet precies wat ik aan zal doen," zei Cécile. "Misschien +geeft mama me weer iets nieuws." + +"Toe Cato, sta nu op, we moeten heusch weg," zei Emma. "Je gaat immers +zoo ver met me mee?" + +"Ja zeker. O, daar is je mama, Cilly. Dag mevrouw, hoe maakt u het? Hoe +heerlijk, dat Cilly's partij al zoo gauw is!" + +"Dag meisjes," zei mevrouw d'Ablong, die binnen gekomen was met twee +brieven in de hand. "Hier is een brief van grootmama, Cilly. Zij komt +hier gauw een poosje logeeren, dus zij zal er waarschijnlijk ook zijn +met de partij." + +"O, dat is gezellig," zei Cécile. "Jij kent grootmama wel, he Emma?" + +"Ja zeker, die aardige dame met dat prachtige grijze haar, die hier +ook was op je verjaardag. Zij is immers uw moeder, niet waar mevrouw?" + +"Neen, de moeder van mijn man," zei mevrouw d'Ablong. "Ze woont op +een buiten in de buurt van Arnhem. Cécile logeert er dolgraag." + +"O ja, dat wist ik wel, maar ik dacht dat zij uw moeder was. Hoe +aardig dat zij juist hier is met de partij, Cilly. Maar nu moeten we +heusch weg." + +"Hier is ook een brief voor jou, Elsje," zei hare tante zacht. "Van +grootmoeder, daar ben je zeker heel blij mee." + +"O ja, hoe heerlijk!" zei Elsje, blij opspringend. "Mag ik weggaan, +tante, en hem boven lezen op mijn kamer?" + +"Ja, maar groet de meisjes dan eerst." + +Elsje gehoorzaamde haastig en Emma zei vriendelijk: + +"Dag Lizzie, ik hoop dat je me eens op komt zoeken met Cécile." + +Toen snelde Elsje naar boven naar haar kamer, met den kostbaren brief +stijf in haar hand gedrukt. De tranen sprongen haar in de oogen, +toen ze het welbekende, beverige schrift zag op het adres en met +haastige, trillende vingers scheurde zij het couvert open en begon +te lezen. Lang was de brief niet, maar Elsje las dien herhaaldelijk +over, als wilde zij de hartelijke, bemoedigende woorden uit het hoofd +leeren. Grootmoeder had haar brief natuurlijk nog niet ontvangen, maar +zij zag er verlangend naar uit, dat begreep Elsje zeker wel. Het was +erg vreemd dat zij niet thuis was, maar zij moest toch maar denken +dat grootmoeder het heel goed had; Aafje's zuster zorgde best voor +haar. En Krelis was er 's ochtends geweest met een aardig klein poesje +voor Elsje. Hij had er twee van vrouw Rikkers gekregen en dat van +Elsje was pikzwart met een smalle witte streep op het borstje. En +Aafje's zuster was een beetje bang voor het katje, omdat het haar +telkens voor de voeten liep. + +Telkens als Elsje dit gedeelte van den brief las, lachte zij hardop, +maar zij las het eerste stukje met grootmoeders hartelijke woorden +vol liefde, nog vaker en eindelijk bracht zij het papier met een +hartstochtelijke beweging aan de lippen en kuste het. + +Toen lachte ze om hare opgewondenheid. + +"Hoe kom ik toch zoo mal hier!" zei ze bij zichzelf, "grootmoeder +zou mij erg uitlachen, als ze me zoo zag. Kom, ik moet moed houden +en niet zoo flauw zijn." + +"Ben je hier, Elsje?" klonk de stem van mevrouw d'Ablong op het +portaal. + +"Ja tante." + +"Goede berichten van grootmoeder?" vroeg ze, de kamer inkomend. "Voelt +ze zich beter?" + +"O ja, dat geloof ik wel; daar schrijft grootmoeder heel weinig over." + +"Kom, dat is een goed teeken. Ga nu nog even naar Cécile's kamer, +kind. Cilly heeft je wat te zeggen. Wees vooral lief en bedaard tegen +haar hoor en doe wat zij je zegt." + +Elsje zuchtte eens even, maar zij gehoorzaamde toch en een oogenblik +later stond ze weer in Cécile's kamer. + +Cilly lag lang-uit op de canapé met een boek in de hand. Zij keek niet +op, toen Elsje binnenkwam, maar zij scheen toch gemerkt te hebben, +dat deze in de kamer was, want met hare oogen op het boek geslagen, +zei ze koel: + +"O, ben je daar?" + +Toen bleef ze rustig doorlezen, terwijl Elsje ongeduldig afwachtte, +wat ze verder zeggen zou. Zij deed echter precies of ze alleen was, +sloeg een bladzijde om en bleef ijverig in het boek kijken. + +Het was eenvoudig niet om uit te staan, vond Elsje. + +"Cilly," zei ze. + +Cécile keek op. "Och kind, noem mij als 't je blieft maar Cécile, dat +spreek je in ieder geval beter uit dan Cilly. Het is of je tien s's +in het woord brengt, zoo dwaas en ordinair komt het er uit. Wat is er?" + +"Dat wou ik jou juist vragen," zei Elsje, al haar best doende niet +driftig te worden. "Tante heeft me naar je toegestuurd, omdat je me +iets te zeggen hadt." + +"O ja, dat is ook zoo, maar je kondt toch wel even wachten. Heeft +mama je die pony laten knippen? Ik vind niet dat het je schoonheid +verhoogt." + +Elsje antwoordde niet. + +"Je schijnt geen heel goed humeur te hebben," hernam Cécile +spottend. "Hoor eens Lizzie, mama wil absoluut dat je hier nog bent +met mijn partij, maar doe dan als 't je blieft je best om een _klein_ +beetje meer een _lady_ te zijn. Mama wil ook dat je meespeelt in het +comediestukje dat wij zullen opvoeren. _Ik_ vind het gek, maar het +moet nu natuurlijk toch. Gelukkig is het een kleine rol en je moet +dan voor dienstmeisje spelen, dat komt dus nogal goed uit; voor die +rol ben je nog het meest geschikt. Leer je gemakkelijk uit het hoofd?" + +"Op school kon ik altijd best leeren," zei Elsje fier, "maar ik wil +liever niet meedoen in dat tooneelstukje. Ik wil ook wel weer weg vóór +de partij, als jij het zoo verschrikkelijk vindt dat ik er bij ben!" + +"Je doet wat mama wil, niet wat je zelf wilt, dat spreekt," zei Cécile +beslist. "Natuurlijk zou het voor mij oneindig prettiger zijn als +je er niet bij waart, maar mama heeft mij zooeven gezegd dat zij er +bepaald op gesteld is omdat het jouw grootmoeder plezier zal doen en +nu gebeurt het natuurlijk." + +"Mijn grootmoeder is de jouwe ook, Cécile," zei Elsje met bevende +lippen. "En je moogt wel heel trotsch op haar wezen." + +Nu was het Cécile's beurt om een beetje verlegen te kijken. Zij +antwoordde echter niets op Elsje's woorden, maar zei, op het boek +wijzend: "Kom eens even wat dichter bij. Kijk, dit is het stukje. Het +dienstmeisje komt het eerst op en moet vlug en wat bijdehand spelen. Je +rol is klein; in het tweede en derde bedrijf heb je bijna niets te +zeggen. Je kunt van avond wel in de leerkamer gaan zitten en je rol +overschrijven. Weet je hoe je dat doen moet?" + +"Ja, ik moet zeker alleen opschrijven wat die Grietje te zeggen heeft." + +"En goed opletten, wanneer je invallen moet. De volgende week hebben +we repetitie, maak dat je je rol dan prompt hebt geleerd. Ik zal het +boek wel op de leerkamer leggen, ga nu maar heen." + +En 's avonds zat Elsje weer rustig alleen in de leerkamer. Er lag een +groot vel papier voor haar en met een kleur van inspanning schreef +ze vlijtig de rol van "Grietje" over. Als zij zich van avond flink +hield, mocht ze den volgenden ochtend alleen een eindje gaan wandelen, +had hare tante gezegd. Zij moest dan in de buurt blijven natuurlijk, +dan was er geen kans op dat ze verdwalen zou. En met het puntje van +haar tong uit den mond en haar hoofd dicht over het papier gebogen, +schreef ze zonder ophouden voort. Miss Piper kwam haar een kopje thee +brengen en bleef even bij haar om een paar vriendelijke woorden te +zeggen, maar overigens kon zij zich ongestoord aan haar werk wijden, +zoodat ze eindelijk het laatste woord had geschreven. Ze vond dat die +"Grietje" nogal grappige dingen zeide en zij zag er op dit oogenblik +nog niet erg tegen op om voor dienstmeisje te spelen. Het zou wel gaan, +dacht ze; het leek haar niet heel moeielijk. Als zij de meisjes maar +eerst wat beter kende, zou ze zich wel gauw wat meer met haar op haar +gemak voelen. + +Den volgenden ochtend gaf mevrouw d'Ablong haar werkelijk verlof om +even uit te gaan. Het sneeuwde een weinig, maar dat hinderde Elsje +niet. Zij beloofde vast dat ze niet te ver van huis zou gaan en niet +te lang wegblijven--toen liep ze vlug naar haar kamer om zich klaar te +maken. Daar viel haar opeens iets in. Als zij nu gauw even haar eigen +roode jurk aantrok en haar kapje opzette! Het was zooveel prettiger +om daarin uit te gaan dan met haar nieuwen hoed en mantel--daar kon +ook zoo licht iets aankomen met die sneeuw! Tante zou er natuurlijk +niets tegen hebben; zij ging nu immers alleen uit en niemand kende +haar in deze groote stad. Zij bedacht zich niet lang, maar deed vlug +de kast open om te zien of haar jurk er nog in hing. Jawel hoor, daar +was ze, die verachte roode! En daar was haar kapje ook! Kom, een, +twee, drie, haar reiscostuum weer aangetrokken, toen vlug de trappen +af en de gang door naar de voordeur. Al maakte ze zichzelf wijs dat +haar tante nu niets op deze kleeding zou aan te merken hebben, toch +vond ze het erg plezierig dat ze niemand tegenkwam op haar tocht naar +beneden. De voordeur ging gelukkig veel gemakkelijker open dan ze +had durven hopen. Daar stond ze op de stoep. Hè, wat was het buiten +heerlijk! Het begon harder te sneeuwen en groote vlokken stoven haar +langs de ooren, op haar kapje, op de jurk en op de oogharen, zoodat +ze die lachend knipte en het vocht van haar gezicht moest vegen. Ze +keek eerst eens goed om zich heen, voordat ze verder ging. Ze moest +den weg vooral onthouden, maar o, wat was het heerlijk, heerlijk om +de frissche lucht weer in te ademen! Zij had een gevoel alsof ze in +geen dagen buiten was geweest. Met volle teugen dronk ze de lucht in +en keek vroolijk rond. Het huis van mevrouw d'Ablong stond op een +stille, deftige gracht. Langzaam liep zij de statige, hooge huizen +langs tot ze bij een breede straat kwam, waar het heel druk was en +zich rij aan rij groote, mooie winkels vertoonden. + +O, wat wemelde het hier van menschen! Zij bleef dicht langs den +winkelkant gaan, uit vrees van tusschen den drom van karren, +rijtuigen en trams te raken, die voortdurend door de straat +reden. Telkens stond ze stil voor een der winkelramen om al het +moois te bewonderen, dat hier uitgestald lag. Het meest trok een +groote bloemenwinkel haar aandacht. Het was haar alsof ze in een +toovertuin keek, zoo prachtig zag het er achter dat raam uit! Rijke +bouquetten lichtgele rozen met fijne, sierlijke takjes vrouwenhaar, +stonden in hooge vazen van zacht-groen en rood glas, terwijl een +overvloed van kerstrozen, de mooie, reinwitte sterren afstekend +tegen de donkergroene, stevige bladeren, gegroepeerd was tegen een +draperie van donkerrood fluweel. Allerlei soorten varenplanten en +palmen waren tusschen de bloemen in gezet. Elsje kon hare oogen +nauwelijks gelooven. Al die prachtige bloemen en planten midden in +den winter! Naast den bloemenwinkel, op den hoek van een nauwe straat, +was een kleine kruidenierswinkel, die er bizonder onaanzienlijk uitzag +naast zijn rijken buurman, maar Elsje keek er opgetogen naar. Bijna +precies zoo'n kruidenierswinkel als die bij haar in het dorp! De deur +stond op een kier en zij gluurde nieuwsgierig naar binnen. Kijk, de +toonbank was ook aan denzelfden kant en och, wat stond daar een aardig +klein kereltje met knikkers te spelen! Een vrouw met een vriendelijk +gezicht stond achter de toonbank en riep: "Toe maar Evert, toe maar, +het gaat al heel mooi!" Zij was zeker de moeder van den kleinen jongen. + +Daar rolde een der knikkers naar buiten vlak voor Elsje's voeten. "O +moeder, daar loopt er een weg, die mooie groote nog wel! Dien pakken +ze bepaald mee!" En zoo gauw als zijn kleine voeten hem veroorloofden, +dribbelde Evert naar de deur toe om den verloren schat te gaan zoeken. + +Elsje had den knikker terstond opgeraapt, maar Evert zag dit niet +en liep op een drafje de deur uit, juist op het oogenblik dat een +vigilante snel den hoek der straat omkwam. De kruideniersvrouw gaf +een gil en vloog den winkel uit om haar zoontje buiten het bereik der +paardenhoeven te brengen, maar zij kwam te laat en Evert zou zeker +een vreeselijk ongeluk hebben gekregen, indien Elsje hem niet had +gegrepen en vlug als de wind met hem den winkel was ingeloopen. Het +kleine kereltje begon te schreien nu de schrik voorbij was, zijn +moeder drukte hem met een hartstochtelijke beweging aan het hart en +dankte toen Elsje met uitbundige dankbaarheid. + +"Nu is mijn knikker heelemaal weg!" klaagde Evert met zulk een bedroefd +gezichtje dat zijn moeder en Elsje er om moesten lachen. + +"Kijk eens!" zei Elsje, hem het verlorene voorhoudend. "Dien had ik +al eerder opgeraapt dan jou." + +Evert lachte door zijne tranen heen. + +"Dank je wel hoor, voor al je hulp," zei zijn moeder. "Dat trof mooi, +he Evert? Dat dit vriendelijke meisje juist den knikker moest oprapen +en jou zoo flink weghalen voor die vigelante!" + +"Ja," zei Evert en keek Elsje met groote oogen aan. Zij scheen een +gunstigen indruk op hem te maken, want terwijl hij haar zachtjes aan +den rok trok, zei hij: + +"Je moet mijn paardje zien." + +"Dat wil ik heel graag," zei Elsje vroolijk, "als moeder het goed +vindt." + +"Wel zeker," zei deze. "Evert heeft van Sinterklaas een paardje +gekregen en dat wil hij nu aan iedereen laten kijken. Kom maar even +binnen, als 't je blieft." Elsje ging den winkel door en volgde +de vrouw door een smalle gang naar een klein vertrek, dat achter +den winkel gelegen was en hierop door een glazen deur uitzicht +gaf. Tegenover deze deur was een raam aan een klein tuintje en hier, +in de lage vensterbank, stond de grootste schat van Evert, een klein, +bruin, houten paard. + +"Kijk!" zei hij terstond, toen zij de kamer in waren, met een blik +vol trots zijn ros aan Elsje toonend. + +"Heel mooi!" zei ze, "en hij heeft ook heel wat te eten!" + +Er lagen eenige krenten en rozijnen bij het paard op de vensterbank. + +"Ik eet er ook van," zei Evert heel eerlijk en stopte een paar rozijnen +in den mond. "Wil je ook wat?" + +"Neen, dan zullen we haar wat meer geven," zei zijn moeder. "Wacht +maar!" Zij ging even naar den winkel en kwam spoedig met een bruin +papieren zakje vol rozijnen terug. + +"Dank u wel," zei Elsje. "Ik vind dit zoo'n aardigen winkel, net zoo +een als bij ons." + +"Is je vader dan ook kruidenier?" + +"Neen, mijn ouders zijn dood. Ik woon buiten, dicht bij een heel mooi +dorp, bij mijn grootmoeder. Ik ben hier maar voor een poosje. Maar +nu moet ik weer naar huis, anders is tante boos op me. Dag Evert!" + +"Dag!" zei Evert. + +"Elsje heet ik." + +"Dag Elsje. Kom je morgen weer?" + +"Neen, dat denk ik niet," zei Elsje lachend. + +"Ze zal nog wel eens voorbij komen," zei de vrouw, ziende dat Evert +een lipje trok. "Dag Elsje, dank je nog wel voor je hulp." + +Elsje nam een beetje haastig afscheid. Zij had opeens gezien op +de klok in den winkel dat het bijna twaalf uur was en hare tante +had haar zeker al eerder thuis verwacht. Ze was den bloemenwinkel +al voorbij en liep snel voort, toen ze opeens uitgleed en met een +smak op den grond viel. Het zakje ontglipte haar hand en raakte los +en al de rozijnen vielen in een lange, bruine streep op den grond, +tot groote vreugde van twee of drie straatjongens, die uit alle macht +aan het grabbelen gingen. + +Pijn deed ze zich gelukkig niet erg, maar ze had toch moeite om weer +op te komen; de plek, waar zij gevallen was, was zóó glad. Telkens +als ze probeerde op te staan, gleed ze weer uit. + +"Geef mij maar eens een hand," zei een vriendelijke stem achter haar +en haar rechterhand uitstrekkend, zag ze een heer bij zich staan +met een jong, prettig gezicht, waarin de donkerbruine oogen haar +vroolijk aanzagen. + +"Een, twee, drie!" zei hij, haar hand stevig vasthoudend. "Ziezoo, +nu zou ik maar gauw maken dat ik van die verraderlijke gladde plek +vandaan kwam." + +"Dank u wel, mijnheer," zei Elsje beschroomd. + +"Niet te danken, meisje," zei hij. "Pas nu verder maar op, hoor." + +"Ja, mijnheer," zei ze en terwijl hij voor haar uit liep, de straat +door, keek zij hem met een dankbaren blik na. Hij sloeg den hoek +om en liep de gracht op, waar mevrouw d'Ablong woonde en toen zij +het huis naderde, zag Elsje hem tot hare verbazing de stoep opgaan +en aanschellen. Hij stond met den rug naar haar toe, toen zij op +hare beurt de stoep opging en keerde zich lachend om, toen hij haar +herkende. + +"Zoo zoo, moet je hier ook zijn?" zei hij. Toen tot Dina, die de +deur opende: + +"Morgen Dientje. De dames zijn zeker thuis, he?" + +"Jawel mijnheer, daar komt mevrouw juist aan." En met een verbaasden +blik op Elsje, die zij eerst niet herkend had: "O jongejuffrouw, +bent u het?" + +Elsje ging vlug naar binnen. Zij had opeens een gevoel dat zij toch +veel beter gedaan zou hebben niet in deze kleeding uit te gaan en +zij schrikte erg toen ze zag, hoe ontstemd hare tante naar haar keek. + +"Ga terstond naar boven en verkleed je," zei ze fluisterend, waarop +Elsje zoo snel mogelijk naar haar kamer liep. + +"Zoo tante, hoe maakt u het?" zei de jonge man, die met groote +verwondering naar mevrouw d'Ablong en Elsje had gekeken. "En Cécile, +is ze ook wel en Miss Piper? Nog altijd even gezond en elegant?" + +"Allemaal uitstekend, uitstekend," was het antwoord. "Ga mee naar +beneden. Je blijft toch natuurlijk lunchen?" + +"Zeker, heel graag. Heeft grootmama u geschreven dat zij gauw hier +hoopte te komen?" + +"Ja. Cécile vindt het heerlijk dat zij er juist met de partij zal +zijn. Zou je ook niet kunnen komen, Frits? Cilly zou het zeker +ontzettend graag willen." + +"Ik weet het heusch niet, tante," zei Frits, terwijl hij zich +behagelijk in een lagen stoel bij den haard liet glijden en met +de hand door zijn donkerbruin haar streek. Men zou hem voor een +broer van Cécile hebben kunnen houden: hij had dezelfde fijnbesneden +gelaatstrekken, dezelfde kleur van oogen en ook die gemakkelijkheid +in houding en manieren, die zijn nichtje zoo goed stond. Maar de +uitdrukking van trots en aanmatiging, die Cécile's gezicht soms +zoo onaangenaam maakte, zag men nooit op dat van Frits. Juist zijn +bizonder groote vriendelijkheid, gaf hem een aantrekkelijkheid, +die Cécile doorgaans mistte. + +Hij was de lieveling van zijn grootmoeder, die hem na den dood zijner +ouders,--zij had haar man en hare twee zonen, den vader van Cécile en +dien van Frits overleefd--geheel had opgevoed. Frits placht te zeggen, +dat hij het gemis zijner ouders nooit had _kunnen_ voelen, zoozeer +had zijn grootmoeder haar best gedaan het hem te vergoeden. Als +kleine jongen was hij bij haar gekomen; thans was hij student in +de rechten en kwam hij iederen Zaterdag en Zondag buiten bij zijn +grootmoeder doorbrengen. + +Daar vloog Cécile de kamer binnen. + +"O dag Frits, hoe vreeselijk gezellig!" zei ze, terwijl ze hem hare +beide handen toestak. _Thans_ keek ze volstrekt niet trotsch of uit +de hoogte. + +"Dag Cilly," zei hij, lachend opstaande. "Wat een eer, dat je zóó blij +bent me te zien! Neen, je hebt me je twee handen gegeven, nu houd +ik ze ook vast. Kom, wat krijg ik nog meer? Ik ben je eigen neef en +vroeger kreeg ik altijd een...." + +"Och malle jongen!" zei Cilly met een coquette beweging van haar hoofd +en terwijl ze haar best deed, hare handen weg te trekken. "Ik dank +je wel--met die vreeselijke snor, die je er tegenwoordig op na houdt!" + +"O, geef me dan maar een kus op de wang, daarmee ben ik ook tevreden." + +"Neen, dien geef ik je niet. Toe mama, mag hij nu ophouden? Anders +roep ik Miss Piper." + +"Och kom Cilly, geef hem maar even een kus, als hij daar zoo op +gesteld is," zei hare moeder lachend. "Vraag hem maar eens of hij +ook op de partij komt." + +"Hè ja, kom je? Toe, kom je?" vroeg Cécile dringend. + +"Heel misschien, maar zeker _niet_, als je me nu geen kus geeft," +zei Frits, plagend op haar neerziende. + +"Je bent bepaald de eenige wezenlijke _heer_. Er komen anders niets +dan jongens van 16 en 17." + +"En ik ben al over de twintig! Denk je dat ik me met zulke knaapjes +wil bemoeien?" + +"Neen, maar dan bemoei je je maar met ons. Als.... als.... ik je _twee_ +kussen geef, kom je dan?" + +"_En_ als ik er altijd een hebben mag, wanneer ik er om vraag." + +"Hè neen, dat kan niet. Wat zegt u nu, mama?" + +"Dat moet je zelf uitmaken, kind. Maar maak wat gauw voort, want wij +gaan dadelijk lunchen." + +"Nu, in vredesnaam dan maar," zei Cécile met een zucht. "Dus je +komt _zeker?_" + +"Ja, maar eerst de twee...." + +"Jawel, jawel, gauw dan maar." + +Zij ging op de teenen staan en Frits boog zich tot haar over. Juist +op het oogenblik dat zij zijn wang aanraakte, kwam Elsje de kamer +in. Zij bleef verlegen bij de deur staan. + +"Wie is daar?" riep Cécile, zich omkeerend. "O, Lizzie, ben jij +het? Kom maar binnen." + +En alsof ze het niet onaardig vond, dat Elsje zag hoe vrij ze met +haar neef omging, kuste zij hem hartelijk. + +"Dat was wezenlijk goed gemeend," zei Frits. "Je bent zoo kwaad niet, +als je wel lijkt. En vertel mij nu eens, wie Lizzie is. Wij kennen +elkaar al van van ochtend, is het niet, Lizzie?" + +"Dan behoef ik ook niet meer te vertellen wie zij is," zei Cécile +spottend. + +"Ik heet Elsje," zei haar nichtje snel, "Elsje van den Berg en ik +woon buiten bij mijn grootmoeder. Ik ben hier bij tante gelogeerd." + +Keetje had haar een der jurken aangetrokken, die van de naaister thuis +gekomen was. Het was een donkerblauwe stof en de jurk was zoo aardig +gegarneerd en kleurde zoo goed bij Elsje's blond haar en het frissche +rood harer wangen dat mevrouw d'Ablong met welgevallen opmerkte hoe +goed zij er op dit oogenblik uitzag. + +"Ja, ja, ze heet Elsje," zei ze. "Zij is het eenige kind van mijne +overledene zuster, Frits, en ook door hare grootmoeder opgevoed, +evenals jij." + +"He, dat vind ik aardig!" zei Frits. "Dan zullen wij wel goede vrienden +samen worden, Elsje." + +"Hè, zeg toch Lizzie," zei Cécile. + +"Wel neen, ik vind Elsje veel mooier. Heb jij Lizzie gemaakt van +dien aardigen, Hollandsche naam? Zeg Elsje, wordt je ook wel eens +Roodkapje genoemd?" + +Elsje zweeg bedremmeld en keek verlegen naar hare tante. Zij durfde +niet vroolijk te antwoorden op de toespeling op haar toilet van +dien ochtend. + +"O, daar is Miss Piper," zei Frits opstaande om de Engelsche te +begroeten, die juist op dit oogenblik binnen kwam. + +Tot Elsje's blijdschap werd er thans een begin gemaakt met het lunch +en was zij niet langer het onderwerp van het gesprek. Frits babbelde +onophoudelijk voort en vertelde allerlei vroolijke grappen, waarom zij +telkens hardop lachen moest. Hare tante keek haar soms waarschuwend +aan, als Elsje naar hare meening, onbehoorlijk luid lachte, maar +Frits vond het aardig, hare blauwe oogen van pret te zien glinsteren +en toen hij wegging, zei hij: + +"Dag Roodkapje. Ik ben blij dat je ook vroolijk kijken kunt. Geen al +te deftige Lizzie worden, hoor!" + + + +Hoofdstuk VII. + +"Ik bedank er voor!" + + +"En wilt u dan vooral goed op hare manieren letten, mijnheer? Zorgen +dat ze wat netter loopt en zoo verder? Ze behoeft juist niet zooveel +dansen te kennen, als ze maar wat mee kan doen. Ik ben er op gesteld +dat ze een klein beetje meer elegance krijgt en ze wil zelf graag +haar best doen, is het niet Elsje?" + +"Ja tante," zei Elsje zacht. + +Zij stond met een ernstig gezicht naar den dansmeester te kijken, +die zich bereid had verklaard haar een weinig dansles te geven, +opdat ze niet geheel onbeslagen op het ijs zou komen ter gelegenheid +van de partij van Cécile. De eerste les zou thans een aanvang nemen +in de leerkamer, terwijl Miss Piper het toeschouwend publiek zou +uitmaken. Elsje was blij dat Cécile het veel te druk had met het +leeren van haar rol om naar de dansles te komen kijken. + +"Ik zal mijne beste krachten aan de jonge dame wijden, mevrouw +d'Ablong," zei de dansmeester met een sierlijke buiging. "U weet, ik +heb groot succès gehad met uwe dochter, verbazend succès bepaald. Zoo +iets lichts en elegants en zwevends, zoo uitermate bevallig...." + +"O jawel, daar hebt u gelijk in," viel mevrouw d'Ablong ongeduldig +in. "Maar mijn dochter is..." + +"Van nature reeds zoo allerinnemendst," zei de dansmeester met een +beleefd lachje. + +"Ja juist," was het antwoord, dat een beetje trotsch en uit de hoogte +gegeven werd. "Nu, u weet nu, geloof ik, mijn bedoeling. Dag Elsje, +doe goed je best. Dag Missy, ik zal probeeren die kant voor u te +krijgen. Dag mijnheer Meudon." + +"Uw dienaar mevrouw," zei de dansmeester met een tweede buiging. + +Mevrouw d'Ablong ging heen en Elsje zuchtte even en ging toen +rechtop staan als een kaars. Het was haar aan te zien dat zij zich +vast voorgenomen had, haar beste beentje voor te zetten. Maar ook in +den letterlijken zin des woords, was dit niet gemakkelijk. De kleine +dansmeester kweet zich met groot geduld van zijn taak, maar Elsje vond +het verbazend moeielijk, precies te doen wat hij verlangde. "Als u +zoo goed wilt zijn, om naar mijn voeten te kijken," zei hij telkens +en heel gehoorzaam keek ze strak naar de keurige, blinkende schoenen +van haar onderwijzer. "Vooral het hoofdje recht houden!" riep hij dan +weer, waarop Elsje verschrikt gehoorzaamde, zonder hare oogen van de +schoenen van mijnheer Meudon af te wenden. "Flink rechtop en de armen +niet zoo ver van het lijf. Ziezoo, nu de eerste pas, de derde.... zóó, +dat gaat al beter. O, maar u moet geen kromme knieën maken! Ja juist, +zoo is het goed. Probeer nu eens op de maat van mijn viool. Een, +twee, drie.... een, twee, drie.... een, twee, drie....e, een, twee, +drie.... Kijk eens, dat gaat al heel aardig. Wel, wel, wat bent u +warm! Eens even rusten?" + +"Heel graag mijnheer." + +"Dan zou ik maar een oogenblikje gaan zitten. Hebt u nooit eerder +dansen geleerd?" + +"Neen mijnheer." + +"Maar dan gaat het heusch al vrij goed. Vindt u ook niet, +juffrouw?" vroeg hij, zich tot Miss Piper wendend, die Elsje telkens +bemoedigend had toegeknikt, zonder dat deze er iets van gemerkt had. + +"Ik versta niet u," zei Miss Piper. "Ik ben Engelsch." + +"O...." zei mijnheer Meudon teleurgesteld. "Maar u spreekt toch +Hollandsch?" + +"Heel klein. Het is moeielijk aan mij." + +"Vindt u niet," begon hij, langzaam en zeer gearticuleerd sprekend, +alsof hij met een doove sprak, "dat zij," en hij wees naar Elsje, +"al goed danst?" + +"Zij wil gauw leeren, u meent?" + +"Ja." + +"Ik hoop zoo," zei Miss Piper lachend. "Zij heeft alleen juist +begonnen." + +"Ja zeker en alle begin is moeielijk," zei de goedhartige dansmeester, +"kom jonge dame, nog maar eens op de maat van de viool." + +Elsje deed al haar best, maar toen de les afgeloopen was, was ze +moe en had ze een gevoel dat ze het nooit zou leeren. Met een zucht +streek ze zich het lastige ponyhaar van het voorhoofd weg en keek +naar buiten in den tuin, waar de regen bij stroomen neerviel en +plassen als kleine meren vormde tusschen de vuilwitte sneeuw, die op +de bloembedden lag. Het zag er somber uit, alles grauw en vaal met +een egaal-grijze doffe tint--"echt weer om heerlijk in mijn kamer te +gaan zitten, met den rug naar het raam en het gezicht naar het vuur," +had Cécile 's ochtends gezegd. De regen viel gestadig neer in dichte, +rechte stralen en alles droop van het water; de kale takken van den +beuk in den tuin, de glibberige, houten schutting, de klimop langs +het tuinhuisje--alles was doornat; het zag er uit, alsof er niet meer +water bij kon, zoo doorweekt en drassig. En toch scheen het Elsje +heerlijk, om eens even, al was het ook maar vijf minuten, in dien +regen te zijn. Zij was nu al een week bij hare tante en het was haar +als had ze bijna geen frissche lucht ingeademd in dien tijd. Buiten +hare ochtendwandeling, was ze nog maar weinig uit geweest en dan nog +steeds met mevrouw d'Ablong en telkens in het rijtuig, omdat het weer +"zoo heel ongunstig" was, volgens deze. En er was zooveel te doen voor +die partij! Dan weer moest Elsje haar rol van dienstmeisje instudeeren, +dan weer gepast worden, want zij kreeg werkelijk ook een baltoiletje, +dan weer vermaningen aanhooren, hoe ze zich gedragen moest, of zich +het haar op verschillende wijzen laten kappen door Keetje, opdat +zij toch vooral op Cécile's feest niet te "boerinne-achtig" voor +den dag zou komen. Bijna den geheelen dag was men met haar bezig, +om haar te fatsoeneeren en te kneden naar één model, dat van Cécile, +op wie zij toch in de verste verte nooit zou gelijken, zooals mevrouw +d'Ablong herhaaldelijk met een trotsch lachje verzekerde. Het begon +Elsje te vervelen, o zoo erg soms, en als hare grootmoeder haar niet +telkens zoo opgewekt en bemoedigend had geschreven en als zij niet +steeds had gedacht: "Na de partij mag ik weer naar huis",--zou zij +zich zeker niet zoo geduldig en gehoorzaam hebben kunnen gedragen. + +Van de merkwaardigheden van de stad had ze nog weinig of niets +gezien. "Als Cécile's partij voorbij is, kan Miss Piper wel eens met je +uitgaan, die weet uitstekend den weg," zei mevrouw d'Ablong, toen Elsje +het eens waagde te vragen, of ze eens wat van de stad mocht gaan zien, +"alleen laat ik je niet weer uitgaan, dat spreekt van zelf." + +En nu, terwijl de regen tegen de ramen kletterde, snakte het kind +er letterlijk naar, om dien ook op hare wangen te voelen, om den +frisschen, woesten wind met hare haren te laten spelen, om er zich door +te laten voortzwiepen tot ze hijgend stil moest staan, zooals ze dat +zoo dikwijls gedaan had, lachend en vroolijk, op den verlaten straatweg +buiten haar dorp, met geen andere getuigen dan de enkele boomen, die +het hoofd schenen te schudden over den dartelen, onbeschaamden wind. + +Zij haalde eens diep adem, terwijl Miss Piper ernstig naar haar keek +en zich afvroeg, waarom hare oogen zoo schitterden en ze zoo ongeduldig +met den voet op den grond stampte. + +"_Poor child_!" zei de gouvernante bij zichzelf. Toen, naar Elsje +toegaande en de hand op haar schouder leggend, vroeg ze: + +"Wat is het, Elsie?" + +Cécile was de eenige in huis, die haar nog "Lizzie" noemde. Miss +Piper deed haar best, Elsje te zeggen, ten volle bereid haar genoegen +te doen. + +Elsje keek verschrikt om. Gehoor gevende aan een opwelling van +teederheid, trok de Engelsche haar naar zich toe en herhaalde hare +vraag. + +"Ik zou zoo vreeselijk graag eens wandelen gaan," zei Elsje. + +"Wandelen? In dit weer?" + +"Ja, ja, in dit weer!" riep Elsje, zich losrukkend, op opgewonden +toon. "In dit weer! En in mijn eigen jurk, zonder parapluie en op +een ruime, opene plek, waar men de wolken zien kan, de zware, donkere +wolken, en waar men den regen en den wind nog erger voelt dan in de +stad en ... waar men aan geen mooie manieren en rijke kleeren en al +wat stijf is behoeft te denken! En waar men het mooist kan zien, hoe +de lucht langzaam helderder wordt met lichte strepen en heel kleine, +lichtblauwe vlekjes en waar ...." + +"Lieve tijd Lizzie, wat bezielt je? Staat ze nu al te acteeren, +Missy?" klonk opeens de stem van Cécile, die ongemerkt binnen gekomen +was. "Dat is anders nu nog niet noodig. Bewaar dat maar voor van avond, +dwaas kind." + +"_For shame, Cilly_," zei Miss Piper berispend. "_Why can't you be +kind to your cousin_?" + +Cécile haalde de schouders op, terwijl Elsje, zonder een woord te +zeggen, haastig het vertrek verliet. Haar gemoed was vol. Driftig liep +ze naar boven naar haar kamer en de deur vrij onzacht dichtslaande, +riep ze uit: + +"Ik kan het hier niet langer uithouden! Ik moet weg, zoo gauw +mogelijk! Niemand houdt van me hier en niemand heeft me noodig! En +ik verlang zoo verschrikkelijk naar grootmoeder!" + +En de handen voor het gezicht slaande, viel ze neer op een stoel en +barstte in tranen uit. + +"Ik word hier slecht," snikte ze, "heel, heel anders dan thuis. En ik +ben hoe langer hoe laffer! Telkens die akelige tranen en dat nare, +benauwde gevoel in mijn keel. Ik wou dat ik hier nooit gekomen +was--nooit, nooit! Och, waarom wou grootmoeder ook zoo graag dat +ik hier heen ging? Ik hoor hier niet, ik doe letterlijk nooit iets +goed en tante schaamt zich over mij... en die akelige Cécile... och, +grootmoeder, grootmoeder!" + +Zij gleed van den stoel af, knielde er bij neer en bleef zoo zacht +voortschreien. + +Eindelijk bedaarde hare droefheid wat en de handen vouwend, bad ze +eenvoudig en ernstig: "Help mij, lieve Heer, o, help mij toch!" + +Toen sprong ze op, waschte haar gezicht, knikte haar beeld in den +spiegel vroolijk toe en zei: "Kom Elsje, moed gehouden! Denk aan +grootmoeder!" + +En met een plotselinge verandering van toon: "O, hoe heerlijk, +heerlijk zal het zijn als ik haar weerzie! Hoeveel dagen zou dat nog +moeten duren?" + +Maar ze hield zich goed en dien middag aan tafel deed ze zoo haar +best zich naar de regelen der etiquette te gedragen, dat hare tante +haar goedkeurend toeknikte en zachtjes zei: + +"Ziezoo Elsje, je begint al aardig aan te leeren. Let vooral altijd +goed op Cilly." + +Na den eten reden Cécile en Elsje samen naar het huis van Louise of +"Loulou" van Rensen, waar de eerste repetitie plaats zou hebben van +het tooneelstukje, dat op de partij moest worden vertoond. Cato en +Emmy waren al aanwezig, toen de beide nichtjes Louise's kamer binnen +kwamen, die zich op een der bovenverdiepingen van het groote huis +bevond. Mevrouw van Rensen, dezelfde dame, die mevrouw d'Ablong +bij het station had aangesproken, was ook binnen. Zij zou naar de +voorstelling kijken en hare op- en aanmerkingen ten beste geven. Ze +begroette Cécile hartelijk en vriendelijk, maar behandelde Elsje erg +uit de hoogte, zei dat ze haar al eens gezien had aan het station, +maar eigenlijk niet recht begreep hoe zij familie kon zijn van mevrouw +d'Ablong en dat het haar zeker heel vreemd was, zoo'n heel ander leven +te hebben hier dan op haar dorp. Elsje antwoordde niet veel en Cécile +deed niets om haar uit de verlegenheid te helpen en mevrouw van Rensen +op de hoogte te brengen omtrent hare betrekking tot mevrouw d'Ablong, +zoodat de avond al dadelijk onaangenaam begon voor Elsje en zij zich +geweld aan moest doen, kalm te blijven en haar rol bedaard en prompt +op te zeggen, 's Ochtends in de leerkamer had hare tante haar dit +nog eens voor de zooveelste maal laten doen en haar precies gewezen, +hoe ze los en ongedwongen, met een stofdoek in de hand, de kamer door +gaan moest en opgewekt en levendig spreken. Elsje was hierin werkelijk +beter geslaagd dan hare tante had durven hopen, maar nu zij mevrouw van +Rensen tot toehoorster had en de andere meisjes met strakke gezichten +naar haar stonden te kijken, overviel haar een gevoel van verlegenheid, +dat zij niet bij machte was te overwinnen en speelde zij stijf en +gedwongen. Zij was blij, toen haar taak verricht was en de anderen +aan de beurt kwamen. Niemand zei iets van haar spel, terwijl mevrouw +van Rensen uitbundig was in haar lof omtrent het acteeren der anderen +en vooral Cécile prees, die een jong getrouwd vrouwtje voor moest +stellen en bedrijvig met haar sleutelmandje heen en weer dribbelde. + +"Snoesig, vindt u niet?" fluisterde Loulou haar moeder in, terwijl +Cécile aan het spelen was. "En dan moet u straks eens opletten, +hoe doddig zij er uitziet met dat kapotje!" + +"Ja. Het is jammer dat gij niet allemaal al in uw kostuum kunt spelen +van avond. Cilly is bijna klaar met haar kleeding, dunkt me." + +"O, maar wij ook. Op de groote repetitie bij Cilly aan huis, kleeden +wij ons natuurlijk allemaal geheel zooals 't moet." + +Daar vloog opeens de deur open en stormden twee kinderen, een jongen +en een meisje, de kamer in. + +"Mama, mama!" riepen ze tegelijk. "Papa vraagt of u beneden komt, neef +Gerard is er en of wij even mochten blijven kijken naar de comedie!" + +"Sst.... stil, stil!" zei mevrouw van Rensen, half lachend. Het +aardige tweetal, een jongen van 5 en een meisje van 4 jaar, bleef +hijgend en met roode wangen naast haar staan. "Gaat maar stil hier +zitten," zei hunne moeder fluisterend, "maar dan heel rustig zijn; +dan moogt ge wel even blijven kijken." + +De kinderen gingen naast elkaar op de canapé zitten en mevrouw van +Rensen verliet de kamer. + +Cécile speelde door alsof er niets gebeurd was en Loulou's broertje +en zusje keken naar haar met onverholen belangstelling. De "comedie" +scheen hun echter niet mee te vallen, want nadat zij een paar minuten +rustig hadden geluisterd maar niets begrepen, keken ze met groote +oogen om zich heen, vol verlangen naar iets, dat hunne aandacht meer +blijvend zou boeien. + +Elsje had hen met een lachend gezicht gade geslagen, terwijl de andere +meisjes in haar werk verdiept waren. Elsje was ook de eenige, wier +rol thans geheel was geëindigd en toen het kleine meisje haar zag, +wenkte zij haar terstond door onophoudelijk knikken en grappige, +animeerende bewegingen met haar handje, om tusschen haar en haar +broertje op de canapé te komen zitten. + +Elsje liet zich niet lang bidden en er kwam een warm, gelukkig gevoel +in haar hart, toen de beide kinderen zich tegen haar aanvlijden en +het kleine meisje vertrouwend naar haar opkeek. + +"Moet je heelemaal niet meespelen?" vroeg ze, zóó zacht dat Elsje +haar onmogelijk verstaan kon. + +Zij boog zich dichter naar het roode mondje toe, dat nu vlak bij +haar wang de gewichtige vraag herhaalde en haar toen als van zelf, +een kus gaf. + +"Dat was een presentje! Dat dacht je niet, he?" lachte het kleine +meisje vroolijk. + +"Ik wil heel graag nog zoo'n presentje," fluisterde Elsje, terwijl +ze haar hand over het zachte, blonde haar van het kind streek. + +"Wat! Wat voor presentje?" vroeg de kleine jongen nieuwsgierig, die in +het geheel niet op zijn zusje geleek, maar donkerbruin haar en groote, +bruine oogen had. + +"Niet zeggen, niet zeggen!" zei het meisje, maar Elsje kon den +vragenden blik van haar aardigen, kleinen buurman niet weerstaan en +hem een kus op de ronde wangen drukkend, zei ze: + +"Dàt presentje! Bevalt het je?" + +"Gunst Lizzie, je let heelemaal niet op!" riep Loulou opeens +scherp. "Toe kinderen, gaat nu maar weer naar beneden; het is hoog +tijd voor jullie om naar bed te gaan. Wat bezielt de juffrouw toch +dat ze jullie heelemaal vergeet!" + +"We mochten vandaag laat opblijven om de comedie!" riep haar zusje +triomfantelijk. + +"En we zitten hier nu net zoo gezellig!" riep het broertje. + +Een algemeen gelach volgde, maar Louise bleef onverbiddelijk. Zij +stuurde de twee kinderen de kamer uit, riep aan de trap: "Juffrouw, +komt u Liesje en Tom halen?" en deed toen de deur dicht. + +"Hè Lou, hoe wreed!" zei Emma medelijdend. + +"Nu ja, maar die kinderen blijven vandaag veel te laat op en als we hen +nu nog langer hier hadden gehouden, waren ze hoe langer hoe lastiger +geworden. Toe, laten we nu maar gauw nog eens repeteeren. Kom Lizzie, +sta nu op van die canapé en begin te spelen." + +Elsje gehoorzaamde. Louise, Cécile en Cato gingen op de canapé zitten, +dicht bij elkaar, met spottende gezichten, alsof zij afgesproken +hadden, nu eens flink om Elsje te gaan lachen. Emma bleef bij haar +staan met het boekje in de hand, om haar voort te helpen als zij +haperde en Elsje begon te spelen. + +Het ontging haar natuurlijk niet dat de drie meisjes op de canapé zich +vroolijk om haar maakten. Zij giegelden en fluisterden onophoudelijk +onder elkaar, maar hoewel haar bloed begon te koken, hield zij zich +goed en liet zich niet van haar stuk brengen. Zooveel mogelijk haar +best doende niet op de plaaggeesten te letten, speelde zij door, +totdat Cécile opeens proestend en met tranen in de oogen van het +lachen, uitriep: + +"Lieve tijd Lizzie, wat speel je stijf en houterig; ik geloof dat je +het met opzet doet om ons te ergeren!" + +"Neen, heelemaal niet!" riep Elsje, terstond uit haar rol vallend en +met een kleur van verontwaardiging. Ze spande zich echter met waren +heldenmoed in, om zich dapper te houden en vervolgde haar spel. Emma +schudde afkeurend het hoofd tegen hare vriendinnen, maar zij letten +er niet op. + +"Zeg Cilly, hoe kom _jij_ toch aan die boerin tot nichtje?" fluisterde +Cato, den zakdoek voor den mond houdend en terstond weer proestend +van het lachen. + +"Hardrood zijn haar wangen en geel is heur haar!" zei Louise, bijna +overluid en op een toon, alsof ze een vers reciteerde. "Wanneer gaat +ze eigenlijk weer weg, Cilly?" + +"Ik geloof dat ze na de partij naar haar lieflijk dorp teruggaat," +antwoordde Cécile op alles behalve fluisterenden toon. + +Nu was Elsje's geduld ten einde. Zonder het te willen, had zij wel +_moeten_ hooren, wat er gezegd was en met fonkelende oogen, driftig, +geheel buiten zichzelf, riep ze uit: + +"En ik wou dat ik dadelijk terug kon gaan, van avond nog, nu, +terstond! Ik wou dat ik nooit, nooit hier gekomen was in die nare, +groote stad en bij jullie, die .... die .... heelemaal geen gevoel +hebt! Ik wou dat ik bij mijn grootmoeder was gebleven .... die is zoo +engelachtig voor me, als jullie je heelemaal niet kunt voorstellen! En +ik _wou_ dat ik weer in mijn lieflijk dorp was, Cécile, want dat is +het, je hebt gelijk dat je het zoo noemt, het is er heerlijk! En ik +wou dat ik weer buiten kon wandelen in de frissche, heerlijke lucht +en langs de hooge boomen en over onze mooie heide--alleen, alleen met +den ruimen, prachtigen hemel boven me en al die plechtige stilte om +me heen! Alleen, zonder al die rare, opgeprikte menschen, zonder al +die mooie kleeren en zonder jullie, die zoo'n verschrikkelijken hekel +aan me hebt! O, ik wou dat ik weg kon dadelijk, dadelijk! Maar jullie +zult nu geen last meer van me hebben! Ik bedank er voor om met jullie +comedie te spelen! Ik ga naar huis, speelt maar alleen!" + +En met bevende lippen en ijskoude handen, maar met het hoofd fier in +den nek geworpen--ze _wilde_ niet schreien--snelde ze de kamer uit. + +"Mijn hemel, wat een burgerlijk, aanstellerig kind!" zei Cato, toen +Elsje verdwenen was, maar de anderen, ook Cécile, zwegen beschaamd +en Emma keerde zich om, om niet te laten zien dat zij tranen in de +oogen had. + +"Ze kan toch onmogelijk alleen naar huis gaan," zei Louise, na eenige +oogenblikken van algemeen stilzwijgen. "Ze weet zeker den weg niet, +wel Cilly? En het regent ook zoo!" + +"Ik denk dat ze wel weer terug zal komen," zei Cécile. "Ze zal +veel te bang zijn dat mama boos op haar is, als ze zoo opeens thuis +komt. Laten we maar stil afwachten, wat zij doet; ik geloof nooit dat +ze zonder mij weg zal gaan en buitendien weet ze ook heelemaal niet, +hoe ze loopen moet." + +"Zal ik eens even gaan zien, waar ze gebleven is?" vroeg Emma. "Hè, +waarom moesten jullie haar nu ook zóó plagen! Laat ik maar eens gauw +gaan zoeken..." + +"Neen, neen, neen!" viel Cécile haastig in. "Blijf stil hier, Emma, +dan komt ze bepaald veel gauwer terug." + +Intusschen was Elsje, met het vaste voornemen het huis uit te loopen, +de trap afgegaan. Op een der onderste treden struikelde ze en viel. Ze +deed zich gelukkig in 't geheel geen pijn en wilde juist weer opstaan, +toen in hare nabijheid een deur langzaam en met moeite werd geopend +en een kleine gestalte in een wit nachtjapontje op den drempel +verscheen. Twee aardige, bloote voetjes trippelden naar Elsje toe, +een zacht handje werd tegen haar wang gelegd en een vleiend stemmetje +vroeg: + +"Heb je je pijn gedaan? Wat viel je met een bons! Ik hoorde het +heelemaal." + +"Liesje, Liesje, kom gauw hier, kindje! Niet op dat koude +portaal!" riep een stem uit de kamer, waarop Elsje's vriendinnetje +terugriep: "Ja, ja, ik moet even helpen!" + +"Of kan je wel alleen opstaan?" vroeg ze, toen Elsje snel opsprong, +"Kom maar gauw even mee naar binnen; juf zal je wel weer beter maken, +die is heel lief." + +En Elsje's hand pakkend, trok ze haar snel met zich mee in de +kinderkamer, waar haar broertje al te bed lag en een vriendelijke +kinderjuffrouw Elsje lachend toeknikte. + +"Liesje is altijd vol ijver om iedereen te helpen," zei ze. "Kom +vrouwtje, nu gauw in bed. Het is toch al zoo erg laat geworden +van avond." + +"Kom je ons goeden nacht zeggen?" riep Tom vanuit zijn ledikantje. + +Elsje antwoordde niet. Het was haar alsof ze droomde. In een +opgewondene, driftige stemming, met een diep ongelukkig gevoel +in haar hart, was ze zooeven de trap afgekomen en nu stond ze daar +plotseling in een warme, vroolijke kamer en drie gezichten keken haar +vriendelijk en vol belangstelling aan. Liesje zette een stoel voor +haar bij de tafel en dribbelde toen met een grappig, bedrijvig air +naar de juffrouw toe, fluisterde deze iets in en lachtte tevreden, +toen zij zei: "Ja, dat mag wel, maar dan ook terstond naar bed hoor!" + +Het kleine meisje schoof vlug een tabouret bij den schoorsteen, +klauterde er op en haalde een doos te voorschijn, waarmee ze terstond +naar Elsje toeliep. + +"Wil jij dit even open maken?" vroeg ze. "Kijk maar eens, wat er +in is." + +Elsje opende de doos en zag een stuk chocolade liggen, dat blijkbaar +een deel had uitgemaakt van een sinterklaas-letter. + +"Dat ziet er erg lekker uit," zei ze. "Is dat van jou, Liesje?" + +"En van Tom," zei Liesje. "Proef er maar eens van." "Neemt ze het +heele stuk?" riep Tom vanuit zijn bed. Het scheen hem wat _heel_ +royaal toe, alles aan Elsje af te staan. + +Liesje liep haastig naar zijn bed toe en haar hoofdje naast het zijne +op het kussen leggend, fluisterde zij hem iets in, dat blijkbaar +zijn goedkeuring niet geheel wegdroeg, want hij schudde met groote +levendigheid van neen en betuigde bovendien nog: + +"Dat wil ik niet, heelemaal niet, hoor." Liesje bedacht zich even, +toen fluisterde zij hem weer iets in en nu kwam hij blijkbaar tot +andere gedachten. + +"Mag ik er dan den heelen dag mee spelen en kom jij er dan heelemaal +niet aan?" vroeg hij. + +Zij knikte bevestigend en toen riepen ze tegelijk, Liesje met een +erg blij gezichtje: + +"Je moogt het heele stuk chocolade nemen; het is heelemaal voor jou." + +"Neen," zei Elsje, die evenals de juffrouw, lachend naar de beide +kinderen gekeken had, "dat is veel te jammer, dan blijft er niets +voor jullie over." + +"Jawel, jawel, je moet het nemen, heusch," zei Liesje, terwijl ze +naar Elsje toekwam en een laatsten, niet geheel ongevoeligen blik op +de lekkernij wierp. "En nu ga ik naar bed." + +En terwijl Elsje bij haar neerknielde, sloeg ze de armpjes om haar hals +en zei: "Nacht...." Toen plotseling zichzelf in de rede vallend met +een vroolijken, reinen lach, die Elsje als muziek in de ooren klonk, +"maar ik weet nog niet eens, hoe je heet!" + +"Ik heet Elsje." + +"Elsje? Wat aardig! Nacht Elsje...." en met haar zachte wang tegen +die van hare nieuwe vriendin, fluisterde ze: "Neem je het nu heusch +wel heelemaal? Toe, doe je het?" + +Elsje drukte haar vaster tegen zich aan. "Kleine schat!" zei ze +zacht. "Ja, ik zal de chocolade nemen, hoor en ik dank je heel, +heel hartelijk." + +"En Tom ook," zei Liesje, hare armen losmakend. + +"Ja zeker, Tom ook. Ik dank jou ook hartelijk voor die heerlijke +chocolade, Tom," riep Elsje. + +"Tot je dienst," riep Tom wijs terug. + +Nu was Liesje's hart eindelijk gerust en liet ze zich gewillig door +de juffrouw overdekken en toestoppen. + +"Blijf je nog een beetje hier in de kamer?" vroeg ze toen aan Elsje. + +"Neen, neen, ik moet nu dadelijk weer naar boven," zei Elsje +snel. Haar drift was verdwenen, zij schaamde zich zelfs een beetje +over haar uitval van straks en was nu vast besloten, weer naar de +andere meisjes toe te gaan. Het aardige tooneeltje op de kinderkamer +had haar in een geheel andere stemming gebracht. Kom, ze moest weer +moedig zijn, zich niet zoo gauw van haar stuk laten brengen--het was +toch ook alles maar voor een tijd! + +Ze nam haastig afscheid van de kinderjuffrouw en Tom en Liesje en +ging toen, wel met een kloppend hart, maar uiterlijk zoo bedaard als +haar mogelijk was, naar Louise's kamer terug. + +Er kwam een zegevierende uitdrukking op Cécile's gezicht, toen zij +binnenkwam en zij keek Emma aan, alsof ze zeggen wou: "Heb ik het +je niet gezegd?" Er werd echter geen woord over het voorgevallene +gesproken. Louise en Cato waren koel beleefd tegen Elsje, Cécile +bemoeide zich niet met haar en Emma durfde niet te vriendelijk te zijn, +uit vrees dat de anderen haar zouden uitlachen. + +Het stukje werd nog eenmaal gerepeteerd, toen was het tijd om naar +huis te gaan. + +Tot Elsje's verwondering zeide Cécile in het rijtuig geen woord over +haar uitbarsting van drift. Zij sprak trouwens in het geheel niet +en nam geen de minste notitie van Elsje, totdat het rijtuig voor het +huis van mevrouw d'Ablong stil hield. "Het zal mij eens verwonderen +of grootmama nog op is," zei ze toen, "misschien is ze al naar bed +gegaan, vermoeid van de reis." + +"Zou je grootmama dan vandaag al komen?" vroeg Elsje uit het rijtuig +stappend. + +"Ja, van avond, terwijl wij uit waren." + +Dus al weer iemand om kennis mee te maken en zich niet mee op haar +gemak te voelen, dacht Elsje met een zucht, terwijl ze Cécile in huis +volgde. De beide meisjes ontdeden zich van haar hoed en mantel en +gingen toen naar de zaal. Cécile liep vlug naar binnen, Elsje volgde +langzaam en verlegen. + +In een gemakkelijken stoel bij den open haard, met het zachte schijnsel +van het lamplicht vallend op haar mooi, wit haar, waarbij het kapseltje +van zwarte kant aardig afstak, zat een oude dame met levendige, +donkere oogen, die sterk aan die van haar kleinzoon Frits d'Ablong +herinnerden. Op haar schoot lag een handwerk van fijne, zachtrose +wol en een grove haaknaald van wit been bewoog zich ijverig heen +en weer in hare kleine, welgevormde handen. Zij keek terstond op, +toen de meisjes binnenkwamen en liet zich met een lachend gezicht +door Cécile op beide wangen kussen. + +"Zoo Cilly, ben je daar eindelijk?" zei ze met een welluidende +stem. "Is dat nu een manier om uit te zijn, als je oude grootmoeder +bij je komt! Toe kindje, ga eens even op zij. Is dit nu het dochtertje +van je zuster, Lize?" En zij knikte Elsje vriendelijk toe. + +"Ja mama," zei mevrouw d'Ablong. + +"Kom eens even bij me, lieve meid," zei de oude dame. "Ik vind het +aardig dat wij ook kennis met elkaar maken. Mijn kleinzoon heeft mij +al van je verteld. Kom, geef mij ook maar een kus. Je hebt ook nog +een oude grootmoeder, he?" + +"Ja mevrouw," zei Elsje met haar hand in de zachte, warme hand der +vriendelijke dame. + +"Dan moest je mij ook maar grootmama noemen, zoolang je hier bent. Wil +je dat wel?" + +"Heel graag," zei Elsje zacht en boos op zichzelf, omdat ze weer dien +onverklaarbaren drang tot schreien voelde. + +"Mooi zoo, geef mij dan nu een kus en laat mij je eens even goed +aankijken. Ik moet toch weten, hoe mijn nieuw kleindochtertje er +uit ziet." + +Zij trok Elsje dichter naar zich toe, kuste haar op de wang, nam haar +hoofd tusschen de beide handen en keek haar vriendelijk in de oogen. + +"Ziezoo, nu heb ik je portret al in mijn hoofd," zei ze, terwijl Elsje +haar dolgraag nog een kus zou hebben gegeven, als ze maar gedurfd had. + +Toen ze zich dien avond te slapen legde, voelde ze zich gelukkiger +dan ze nog gedaan had, sedert ze bij hare tante logeerde. Over hetgeen +bij Louise van Rensen voorgevallen was, had Cécile thuis niets gezegd. + + + +Hoofdstuk VIII. + +De Feestavond. + + +De gewichtige dag aan den avond waarvan de partij zou plaats hebben, +was aangebroken en in het huis van mevrouw d'Ablong heerschte een +ongewone drukte. De beide deuren der twee kamers, die en suite +met elkaar waren verbonden en zich vooraan in het huis bevonden, +stonden wijd open, wel een bewijs dat er iets buitengewoons +aan de hand was, want deze kamers werden alleen bij feestelijke +gelegenheden gebruikt. Mannen liepen onophoudelijk af en aan met +hooge, mooie planten in groene kuipen om de hoeken der kamers te +versieren en guirlandes van dennengroen en puntige, glanzige klimop +werden met smaak om den spiegel en aan den muur bevestigd, waar +zij schilderachtig afstaken tegen de teere, lichte kleuren van het +behang. Cécile hield met een kritisch oog het toezicht over alles, +terwijl hare moeder nu en dan even binnen kwam om te zien, of men +goed vorderde met de versiering. "Het moet alles nu eens heel mooi +zijn, mama," had Cécile gezegd, "eens wat anders dan vroeger," +en mevrouw d'Ablong vond alles goed, wat Cécile goed vond en was +alleen maar bang dat zij zich te veel zou vermoeien, als zij het zich +'s ochtends reeds zoo druk maakte. Grootmama was met haar kleinzoon, +die den vorigen avond gearriveerd was, gaan wandelen. Zij had Elsje +gevraagd om mee te gaan, maar daar kon geen denken aan zijn, had +Cécile gezegd. Elsje moest noodzakelijk haar rol nog eens bestudeeren, +zij kende die volstrekt niet prompt en buitendien was er nog van +allerlei te doen. Het was een groote teleurstelling voor Elsje, die +toch al veel minder aan de oude dame had dan zij aanvankelijk had +gehoopt. Cécile wist altijd op een behendige manier tusschen beide +te komen, om een toenadering tusschen deze twee te verhinderen. Zij +vond het onnoodig en ongewenscht dat hare grootmoeder zich veel met +Elsje bemoeide en deze onder hare bescherming nam. Elsje moest weten, +waar zij staan moest; zij was nu eenmaal uit een totaal anderen stand +en het was al mooi genoeg dat zij bij de deftige mevrouw d'Ablong +logeeren mocht, zooveel mooie kleeren cadeau kreeg, bij de partij +mocht zijn, enz. enz. Frits was ook veel te vriendelijk jegens Elsje, +hij deed heusch net soms, of hij haar niet onaardig vond! Dat was nu +niet noodig, oordeelde Cécile; Elsje zou er maar brutaal van worden, +zij was toch al onbescheiden genoeg. En buitendien, zij hoorde hier +eigenlijk niet--het was vervelend altijd dat kind overal bij. Cécile +zou blij zijn, als zij weer goed en wel naar haar dorp vertrokken +was. Mama had haar eigenlijk maar nooit hier moeten laten komen! + +Intusschen, zij was niet van plan, haar plezier te laten bederven door +Elsje. Gelukkig gedroeg deze zich thans ten minste iets beter dan in +'t begin en als zij zich nu 's avonds maar een beetje achteraf hield +en wat bescheiden was, ook niet te veel danste, want dat deed ze nog +allesbehalve mooi,--dan zou alles wel goed afloopen. + +'s Avonds, voordat de beide meisjes zich gingen kleeden voor het feest, +nam Cécile Elsje nog eens onder handen op haar kamer. "Gedraag je nu +_als 't je blieft_ een beetje netjes," zei ze, "en lach vooral niet +zoo onbeschaafd luid. Dat deedt je gisterenavond telkens, als Frits een +aardigheid zei. Die keek ook al zoo vreemd op, toen hij het hoorde!" + +"Dat is niet waar," zei Elsje driftig. + +"Zulke uitdrukkingen gebruikt men bij ons niet," antwoordde Cécile +doodbedaard en uit de hoogte. "Je weet nu, waaraan je je te houden +hebt. Stel je niet op den voorgrond van avond, dans niet te veel, want +dat gaat je nog heel onelegant af en zeg geen onbehoorlijke dingen." + +"Dat doe ik nooit," zei Elsje koppig. + +"Je hebt me nu, geloof ik, wel begrepen," hernam Cécile scherp. "O, +daar is Keetje om je te helpen bij het kleeden." + +Cécile verdween en Keetje haastte zich, aan Elsje's toilet te +beginnen. Een beelderige baljurk van de zachte, rose stof gemaakt, die +mevrouw d'Ablong in den winkel had uitgezocht, lag op het bed. Cécile +zou een nieuw balkleedje dragen van het bewuste, teergele, kantachtige +weefsel met de fijne, blauwe bloempjes. Elsje had een kleur gekregen, +toen de naaister haar paste en er over uit was, zoo goed als het rose +haar stond. Ze was meisje genoeg, om hiervoor niet ongevoelig te zijn +en ze verlangde naar het bal en zag er tegen op tegelijk. Keetje +besteedde bizonder veel zorg aan het kapsel en slaagde werkelijk +gelukkig. + +"Kijk nu eens even in den spiegel, jongejuffrouw," zei ze, "en zie +eens, hoe het u zoo bevalt. De kuif zit, dunkt me, veel beter dan +anders, ik heb er erg mijn best op gedaan." + +"Ik vind het keurig," zei Elsje verlegen; zij was niet gewend om veel +in den spiegel te kijken. Een lichte huivering van half prettige, half +"griezelige" agitatie voer haar door de leden, toen Keetje de jurk +voorzichtig van het bed nam en haar over de schouders liet glijden. Het +ruime lijfje, smaakvol met een weinig ragfijne kant gegarneerd, zat +keurig, en aardig staken de lage, goudleeren dansschoentjes en de +zijden kousen onder den ruimen rok uit. Elsje bleef met neergeslagen +oogen staan, terwijl Keetje handig en vlug haar werk deed. Zij had een +gevoel, alsof zij iemand anders was en toen Keetje op goedkeurenden +toon zei: "Ziezoo, nu bent u klaar!" keek ze met een droomerig lachje +op. Ze verroerde zich niet en haar hart klopte sneller, toen Keetje +de kaarsen op den schoorsteen aanstak en zei: + +"Nu moet u eens voor den grooten spiegel gaan staan, _zóó_, dan kunt +u uzelf van top tot teen bekijken." + +Zij duwde Elsje zacht naar voren en toen deze de oogen opsloeg, +zag ze haar beeld plotseling levensgroot in den fraaien spiegel +weerkaatst. Met zekeren nieuwsgierigen schroom keek ze naar de bekende +en toch zoo ongewone verschijning. Ze zag een bedeesd meisjesgezicht +met een warmrood blosje op de wangen, groote, schitterende oogen, +waarin een uitdrukking van kinderlijke verlegenheid lag, een half +blooten hals, door een teere kantwolk omsloten, en een stevig, rond +figuurtje, waaromheen lichtrose plooien bevallig waren gedrapeerd. Ze +haalde eens diep adem en keerde zich half beschaamd van den spiegel af, +als vond ze dat ze nu reeds meer dan lang genoeg gekeken had. Keetje +bezag haar nog eens met een langen, onderzoekenden blik, om te +ontdekken of zij nog iets verzuimd had, toen zei ze: + +"Nu ga ik mevrouw even roepen, jongejuffrouw. Zij heeft mij gezegd +dat ik dit doen moest, als u klaar waart." + +Zij ging de kamer uit en kwam bijna onmiddellijk terug met mevrouw +d'Ablong, die reeds geheel gekleed was in een japon van zware, +ruischende zwarte zijde. Een prachtige, diamanten broche prijkte aan +haar hals. + +"Heel netjes," zei ze, nadat zij Elsje nauwkeurig van top tot teen +had opgenomen. "Kijk maar niet zoo bedremmeld, kind; kom, laat mij +eens zien hoe je gezicht er uit ziet." En het meisje vriendelijk bij +de kin vattend, keek ze haar lachend aan. + +"Wat heb je een kleur en wat schitteren je oogen!" zei ze, "het is +net of je een ander kind bent. Nu, vindt je het nu ook prettig dat +ik je die mooie jurk heb gegeven en ben je nu van plan om eens een +heelen boel plezier te hebben van avond?" + +Elsje knikte. + +"Wat zal grootmoeder verlangen naar al je verhalen," vervolgde mevrouw +d'Ablong, die in een bizonder goed humeur was, nu ze zag hoe lief +Elsje het mooie toiletje stond. "Je zult wel dansers krijgen hoor, +doe vooral goed je best om de passen netjes te maken." + +En in een, bij haar zeer ongewone, opwelling van teederheid voor Elsje, +kuste zij haar op de wang. + +"Maar kindje, wat gloeit je gezicht!" riep zij uit, "ben je zoo +opgewonden?" Toen, met een plotselinge verandering van toon: "Ik vind +toch dat die garneering om den hals wat kaal staat. Je hals is ook +niet blank genoeg om zoo ver bloot te zijn. Je moest eigenlijk... ja, +wacht eens, ik zal je voor dezen éénen keer mijn parelsnoer leenen; +dat zal bepaald mooi staan bij die crème kant. Maar het is heel, heel +kostbaar, Elsje, pas dus vooral goed op dat je het niet verliest. Het +is een erfstuk van de familie d'Ablong en buitendien een groote som +gelds waard." + +"Maar dan wil ik het eigenlijk veel liever niet dragen, tante, als +er eens wat aan kwam...." + +"Onzin! Wat zou er nu aan een parelsnoer komen, dat je gewoon om je +hals draagt! Blijf hier maar even wachten, ik kom dadelijk weer terug." + +Een paar minuten later kwam zij de kamer weer in met den kostbaren +ketting in haar hand. Juist wilde zij de deur sluiten, toen Cécile +op den drempel verscheen. + +"Ik zag u hierin gaan, mama," zei ze, "ik ben klaar. Niet onaardig, +vindt u wel?" + +Mevrouw d'Ablong keerde zich snel om en met een glans van moederlijken +trots op haar gelaat, keek ze naar de jonge meisjesgestalte, die in al +de schoonheid van een allerelegantst toiletje, kwistig met lichtblauwe +strikken en volants van slap neerhangende kant versierd, voor haar +stond. Het weelderige, donkere haar viel krullend en golvend neer +langs den blanken hals en werd alleen in bedwang gehouden door een +lossen strik van lichtblauw lint, dat mooi afstak bij de warmbruine +kleur van het haar. De groote, donkere oogen, de fraaie teekening der +wenkbrauwen, de lange oogwimpers, de bevallige ronding der armen, +de slankheid van het figuurtje--alles scheen bij deze smaakvolle +kleeding nog meer uit te komen dan anders en zonder de minste poging +om hare bewondering te verbergen en Cécile's ijdelheid te temperen, +riep mevrouw d'Ablong uit: + +"Allerbeelderigst Cilly! Je ziet er meer dan snoeperig uit! Heeft +grootmama je al gezien en Frits?" + +"Neen mama." + +"Dan zou ik maar gauw naar beneden gaan. Het is ook al niet vroeg +meer. Maar kijk nog eens even naar Elsje; vindt je niet dat dat +japonnetje haar aardig staat?" + +Cécile verwaardigde zich niet, meer dan een vluchtigen blik op haar +nichtje te werpen en zei op onverschilligen toon: + +"Het gaat nogal." Toen opeens driftig: "Maar mama, waarom heeft ze +uw parels aan?" + +"Het stond anders zoo kaal; die kant valt zoo erg naar beneden, +hier van voren." + +"Nu, u moet het weten, maar ik vind dat parels al allerminst bij +Lizzie passen." + +"Kom Cilly, nu niet zulke onaardige dingen zeggen," zei hare moeder +op vergoelijkenden toon. "Nu maar naar beneden meisjes, ik ben trotsch +op jullie alle twee." + +Grootmama en Frits waren vol lof over het fraaie baltoiletje van Cécile +en Frits plaagde zijn nichtje met haar zwak voor mooie kleeren. Naar +Elsje keek de oude dame met een vriendelijke tinteling in hare oogen, +alsof het haar goed deed in het eenvoudige kindergezichtje te zien, +dat gloeide van koortsachtige spanning. Zij trok Elsje naar zich toe +en kuste haar en Frits keek haar vroolijk aan en zei lachend: + +"Niet alle dansen weggeven aan anderen, hoor Roodkapje! Ik reken er +vast op dat je er twee of drie met mij doen zult." + +"Aan het dansen zijn wij nog zoo gauw niet toe," viel Cécile haastig +in. "Eerst babbelen we een beetje en laten onze balboekjes vullen, maar +voordat het wezenlijke dansen begint, voeren we het tooneelstukje op." + +"O," riep Frits, groote oogen opzettend, "moet daar die fraaie tribune +voor dienen?" + +"Ja, en nu vertel ik je verder niets meer," zei Cécile met geveinsde +knorrigheid. "Je moogt het gordijn wegtrekken, dat als scherm dienst +doet van avond en dan moet je oplettend en bewonderend naar de +comedie kijken." + +"UEd. hebt maar te bevelen," zei Frits, het hoofd buigend. + +Toch kwam het anders uit dan Cécile zich had voorgesteld. Toen al de +gasten, een vroolijke, levendige stoet van jongens en meisjes van 14 +tot 18 jaar, verschenen waren en de prettige tonen der muziek werden +gehoord, smeekten allen zoo dringend om een, twee dansjes, voordat +er iets anders gebeurde, dat Cécile wel toe moest geven, hoewel +zij het niet heel vleiend vond dat er naar de tooneelvoorstelling +niet meer werd verlangd. Daarbij kwam dat Frits met onverklaarbaren +slechten smaak er op stond den eersten dans met Elsje te doen, die +verbaasd en verrukt haar hand op zijn arm legde en door hem geholpen, +veel beter en met veel meer genot danste dan zij had durven hopen. En +hoewel het Cécile gelukte de jeugdige cavaliers, die zich als om strijd +verdrongen om hunne namen in haar balboekje op te schrijven, van Elsje +af te houden, toch verminderde dit het gevoel van bitterheid niet, +dat bij haar opkwam, toen ze Frits ook den tweeden dans met Elsje zag +doen. Eindelijk, bij den derden zag ze haar als "muurbloem" op een der +stoelen zitten en toen deze dans afgeloopen en het oogenblik gekomen +was, waarop de actrices zich uit de balzaal moesten verwijderen, +ging ze snel naar Elsje toe en fluisterde: + +"Ga terstond mee, we moeten ons stukje doen." + +Elsje stond dadelijk op en volgde haar naar de achterkamer, waar een +klein tooneel was geïmproviseerd, terwijl de meisjes zich verkleeden +moesten in een vertrekje, dat door een deur met de achterkamer was +verbonden. Een tweede deur kwam op de gang uit. Loulou, Cato, en Emma +waren er reeds, toen Cécile en Elsje binnen kwamen. + +"O Cilly, wat zie je er beelderig uit van avond!" riep Cato. "Jij +bent natuurlijk weer la reine du bal." + +"Zoo!" zei Cécile op onverschilligen toon. "Ik heb anders nog niet +heel veel plezier gehad; ik schaam me zóó over Lizzie." + +"Over mij?" vroeg Elsje verbaasd, wier vroolijke oogen toonden dat +_zij_ wel plezier gehad had. + +"Ja, over jou! Heet hier anders soms iemand Lizzie?" + +"Alsof ik wel zoo heette!" lachte Elsje. "Maar wat heb ik dan gedaan?" + +"Als je dat niet begrijpt, kan ik het je niet uitleggen," zei Cécile +boos. "Je hebt je heel onbehoorlijk en coquet aangesteld. Sta daar +nu maar niet zoo dom te kijken, maar maak liever voort. Denk er +aan dat jij het eerst opkomen moet en dus ook het eerst klaar moet +zijn. Speel nu als 't je blieft een beetje goed en spreek duidelijk, +maar gil en lach niet zoo onbeschaafd." + +Elsje antwoordde niet. Zij wilde zich goed houden en beet zich op de +lippen om zichzelf tot zwijgen te dwingen. De anderen keken Cécile +verbaasd aan, maar achtten het ook wijs niets te zeggen. Emma hielp +Elsje aan hare kleeding en zette haar het nette, witte mutsje op, +dat zij als dienstmeisje dragen moest. Allen waren druk bezig, hare +baltoiletten te verwisselen voor de eenvoudiger kleedij, waarin zij +haar rol vervullen moesten. + +Eindelijk kon de voorstelling een aanvang nemen. In lange rijen +zaten en stonden de gasten in afwachting van hetgeen zij te zien +zouden krijgen. Frits trok met een plechtig gezicht het gordijn weg +en Cécile duwde Elsje naar voren en fluisterde boos: + +"Kom, gauw nu maar, treuzel niet, als 't je blieft." + +"Neen," zei Elsje gejaagd, terwijl ze zich opeens heel zenuwachtig +voelde en buitengemeen geneigd om weg te loopen, _niet_ in de richting +van het tooneel. Zij vermande zich echter en trad moedig naar voren, +hoewel ze vreemd duizelig werd en hare oogen als in een witten +nevel zagen. + +Zoo duidelijk sprekend als haar maar mogelijk was, begon ze te spelen, +maar ze wist nauwelijks, wat ze zeide. Ze kende echter haar rol zoo +prompt dat ze geen oogenblik haperde, totdat plotseling een jongensstem +uit de toeschouwers riep: + +"Niet met je rug naar het publiek! Keer je eens om!" + +"Sst.... stil.... stil...." riepen verscheidene andere stemmen. + +"Nu ja, maar we zien en hooren zoo niets," zei de eerste stem weer. + +Elsje keerde zich om--zij wist niet eens dat zij met haar rug naar +het publiek toe had gestaan--en begon nog eens. Nauwelijks echter had +zij een paar zinnen gezegd, of hare stem begaf haar. Zij hapte naar +adem en keek met een hulpelooze, angstige uitdrukking in hare oogen +naar de zee van nieuwsgierige gezichten voor haar. Zij probeerde nog +eens en nog eens, maar er kwam geen geluid. De tooneelkoorts had het +arme kind deerlijk in hare macht; zij stond te trillen op hare beenen, +het suisde in hare ooren en zij voelde zich diep ongelukkig. Al haar +moed begaf haar en met een wanhopig gebaar sloeg zij de handen voor +het gezicht en barstte in tranen uit. + +Frits schoof snel het gordijn weer voor het tooneel. + +"Even geduld, dames en heeren," riep hij, "een onzer actrices is +een weinig ongesteld geworden. Straks zal de voorstelling wel weer +opnieuw kunnen beginnen." + +Intusschen had Cécile Elsje driftig bij den arm genomen en meegetrokken +naar het kleedkamertje. Elsje volgde gedwee en hard snikkend. + +"Je hebt alles, alles bedorven!" knorde Cécile. "Wij hadden je nooit +mee moeten laten spelen! En wat moeten wij nu beginnen?" vervolgde ze, +zich tot de anderen wendend, "met die erbarmelijk snikkende Lizzie +kunnen wij niets uitvoeren." + +"Mag ik binnen komen?" vroeg een stem aan de deur, die op de gang +uitkwam. + +"Wie is daar, wie is daar?" riepen Loulou en Emma tegelijk. + +"Wie ben je?" riep Cécile. + +"Kitty van Heusde," antwoordde de stem. "Laat mij heusch maar +binnen--ik kom jullie helpen." + +Emma opende de deur en een klein, dik meisje met een rond, prettig +gezicht, trad snel binnen. + +"Ik wou vragen," zei ze, "of ik voor dienstmeisje zal spelen. Ik ken +het stukje heel goed, wij hebben het juist bij ons thuis opgevoerd, +op Papa's verjaardag. Misschien wil zij," en zij wees medelijdend op +Elsje, die op een stoel zat te schreien, "er wel graag af." + +"O ja natuurlijk," zei Cécile. "Dat treft heerlijk, Kit. Verkleed je +dan maar gauw. Kom Lizzie, trek dat costuum eens uit. Het zal je wel +passen denk ik, Kitty, jullie zijn zoowat even groot." + +Elsje gehoorzaamde en bleef toen met een treurig gezicht, in haar +onderlijfje zitten. Emma vroeg haar vriendelijk of ze haar even zou +helpen om haar baljurk weer aan te trekken, maar ze schudde droevig +het hoofd. De andere meisjes lieten haar aan haar lot over. De +voorstelling begon weer, thans met de allesbehalve bedeesde Kitty +van Heusde als dienstmeisje, en was in vollen gang, toen Elsje nog +steeds bitter terneergeslagen in het kleedkamertje zat. Juist waren +al de vijf actrices op het tooneel bezig, toen de eene deur van het +vertrekje zacht geopend werd en de oude grootmoeder binnen kwam. + +"Maar kindje," zei ze, hare hand op Elsje's schouder leggend, "zit +je hier nog zóó? Wel foei, dat is nu net om kou te vatten en ziek te +worden! Kom, laat ik je maar eens gauw weer netjes maken. Dit is je +japonnetje, he?" + +"Ja," zei Elsje, "maar ik durf toch niet weer naar binnen." + +"Niet weer naar binnen! Dat meen je niet! Je zult eens zien hoeveel +plezier je nog zult hebben. Sta maar eens gauw op." + +Elsje durfde niet tegen te stribbelen en in een oogenblik had de +handige, oude dame haar de mooie, rose jurk aangetrokken. Het kostbare +parelsnoer werd weer om haar hals bevestigd, toen sloeg grootmama +den arm om haar heen, trok haar naar zich toe en zei: + +"Zullen we nu samen weer naar binnen gaan?" + +"Ik durf wezenlijk niet," zei Elsje bevend. + +"Kom, kom, een beetje moedig wezen. Leg je hand maar hier, zóó; +nu gaan we gearmd naar binnen." + +Elsje drukte zich dichter tegen de oude dame aan, toen zij de danszaal +weer inging. Het binnenkomen viel haar echter erg mee. Al de gasten +waren verdiept in het tooneelstukje en bijna niemand keek om, toen +hare begeleidster met haar op een der achterste rijen zitten ging, +waar nog twee stoelen leeg waren. Mevrouw d'Ablong alleen wierp haar +een koelen blik toe en wenkte grootmama om naar voren te komen en haar +vroegere plaats in te nemen. De oude dame knikte echter ontkennend +en bleef bij Elsje. + +Met een hoogroode kleur en koude handen zat deze verlegen en beschaamd +naast haar en hoewel zij zich langzamerhand een beetje meer op haar +gemak begon te voelen en weer eens om zich heen durfde te zien, +kwam de vroolijke stemming, waarin zij bij het begin van den avond +was geweest, niet terug. Toen het comediestukje geëindigd was en +de jeugdige actrices levendig waren toegejuicht en herhaaldelijk +teruggeroepen, nam grootmama afscheid en ging naar hare kamer. Zij +was moe en men zou zich nu ook wel zonder haar kunnen amuseeren, +betuigde ze lachend. Zij fluisterde Elsje nog een paar bemoedigende +woorden toe en ging toen heen. Het arme kind voelde zich nu weer erg +verlaten. Hare tante durfde zij niet onder de oogen komen en Frits +evenmin en toen Cécile, Loulou en Cato haar met spottende gezichten +voorbij gingen en ze Cato hoorde zeggen: "Dat laffe kindje moest +maar naar bed gaan, dunkt me," trok zij zich angstig terug in een +stil hoekje achter een paar hooge dennestruiken, waar toevallig een +stoel stond. Juist vroeg ze zich af, of het werkelijk maar niet beter +zou zijn dat ze stil naar haar kamer ging--niemand zou haar zeker +missen, dacht ze met bitterheid--toen ze een frissche koelte hare +wangen voelde streelen en bemerkte dat ze dicht bij een raam zat, +dat half open stond, zeker om te verhinderen dat het in de balzaal +te benauwd werd. Het was een mooie Februari-avond en Elsje knielde +met een zucht van welbehagen voor het venster neer, legde haar hoofd +op het kozijn en keek naar buiten. Wat flonkerden de sterren en wat +was de lucht donkerblauw en welk een heerlijke geur verspreidden de +dennen naast en achter haar! Als zij de dansmuziek niet zoo duidelijk +had gehoord, zou ze zich bijna hebben kunnen verbeelden dat ze buiten +was in het bosch, met de plechtige stilte van den avond om zich heen +en den schitterenden sterrenhemel boven haar hoofd. Hé, wat was het +heerlijk om die verkwikkelijke koelte over hare gloeiende wangen te +voelen glijden! Zij stak haar hoofd verder buiten het raam en keek +met een ernstig gezicht naar boven, terwijl ze hare handen gevouwen +op de vensterbank hield. Zoo bleef ze onbewegelijk een oogenblik +zitten. Een lokje van heur haar viel naar voren en zij schoof het +met de linkerhand weg, waarbij deze even in aanraking kwam met het +kanten plooisel om haar hals. Tegelijkertijd voelde ze plotseling dat +ze het parelsnoer niet meer om had. Met een snelle beweging trok zij +haar hoofd naar binnen, voelde nog eens en nog eens, maar de kostbare +ketting was geheel verdwenen. Hevig verschrikt sprong zij op en zocht +op den grond om zich heen, op de vensterbank, bij de dennen--alles te +vergeefs. Zij wist zeker dat ze het snoer nog om had gehad toen ze hier +ging zitten, want ze had toen nog een paar achterharen losgetrokken uit +het slootje, dat daaraan was blijven haken--waar kon de ketting opeens +gebleven zijn? Radeloos sloeg zij de handen in elkaar en trachtte na te +denken. Daar viel haar iets in! Misschien was het slootje losgeraakt +en het parelsnoer uit het raam naar buiten gevallen, terwijl zij naar +den sterrenhemel opkeek. Terstond stak zij haar hoofd weer buiten +het venster en keek scherp rond, of zij in het maanlicht de parelen +ook ergens op de stoep zag liggen. Maar er was niets te zien dan de +blauwe steenen der stoeptreden en de stille, rustige gracht, die op dit +oogenblik van den avond gewoonlijk zeer weinig werd bezocht. Zij moest +verder zoeken, verder zoeken.... Als er eens iemand voorbij gekomen +was en het parelsnoer opgeraapt en meegenomen had, terwijl zij bezig +was bij de dennen er naar te zoeken! Haar hart klopte hevig bij die +verschrikkelijke gedachte! Nooit, nooit zou zij hare tante weer onder +de oogen durven komen, voordat ze het kostbare sieraad teruggevonden +had! Wie was er, die haar helpen kon? Niemand, niemand! Grootmama was +zeker al te bed gegaan, Miss Piper zat den geheelen avond rustig op +haar kamer en buitendien--zij zouden toch niet weten, waar de parels +gebleven waren! O, zij moest zoeken, zoeken, net zoolang tot zij ze +weer had, den geheelen nacht door, als het noodig was. Hoe kon zij hier +ook nog blijven staan! Zij moest dadelijk naar buiten gaan en overal +kijken bij de stoep--van hieruit kon zij toch ook onmogelijk goed zien. + +Daar hoorde zij de stem van Frits roepen: "Waar is Roodkapje toch?" En +Cécile, die lachend terugriep: "Zeker naar boven gegaan, het is +kleine kinderen-bedtijd!" En bevend en angstig, doodsbenauwd dat +iemand haar zien zou, snelde zij uit haar schuilplaats naar de deur +der kamer, die zich gelukkig dicht bij het venster bevond. Tot haar +blijdschap kwam ze niemand tegen in de helder verlichte gang en in +een ondenkbaar kort oogenblik had ze de voordeur geopend en stond ze +op de stoep. Toen keek ze snel rond. Daar was het open raam, waaruit +ze naar buiten had gekeken, dan zou het snoer hier kunnen liggen. Ze +liep haastig twee der stoeptreden af en zocht, zocht uit alle macht, +dan hier, dan daar, overal waar het maar met eenige mogelijkheid +heen zou hebben kunnen glijden--maar het was en bleef weg. Het was +verschrikkelijk! Het arme kind werd hoe langer hoe wanhopiger. In +haar zenuwachtigen toestand deed ze zichzelf de hevigste verwijten +over hare onvoorzichtigheid om het hoofd uit het raam te steken. Met +gloeiende wangen, een brandend gevoel in de oogen en overigens koud +en rillend van agitatie, liep zij nog eens en nog eens de stoep op +en af. Al haar zoeken bleef vruchteloos, een hevige angst voor den +toorn harer tante maakte zich van haar meester en in hare radeloosheid +nauwelijks in staat tot geregeld denken, stond zij een oogenblik met +bange, groote oogen te kijken langs de stille gracht. Wat moest ze +beginnen? Weer naar binnen gaan, durfde ze niet--kon ze maar ergens +heen gaan, vluchten, weg, ergens, waar ze dien nacht kon blijven en +dan morgen naar huis, naar grootmoeder en die alles vertellen. Die +zou haar dan wel helpen om alles aan tante te schrijven.... + +En tante zou haar niet missen van avond, die dacht natuurlijk dat +zij al naar bed was, dat dacht Cécile immers ook.... maar waar zou +ze heen; waar? + +Daar kreeg ze plotseling een inval. Ja, ja, dat zou gaan! En zonder +zich een oogenblik te bedenken, vloog ze als een pijl uit den boog de +hooge huizen langs, een wonderlijke verschijning in haar fladderend +licht toiletje, zonder hoed op het wuivende blonde haar en met de +dunne, sierlijke dansschoentjes aan de voeten. Op den hoek der gracht +sloeg ze de breede winkelstraat in, die nog helder verlicht was; +het was ongeveer tien uur. De voorbijgangers keken nieuwsgierig naar +haar, maar zij lette niet op hunne verbaasde gezichten en snelde al +maar voort, voort, tot ze voor den kleinen kruidenierswinkel stond, +waarmee ze vroeger kennis had gemaakt. Met een bevende hand deed ze de +winkeldeur open en trad binnen. Een man, die achter de toonbank stond, +keek haar met sprakelooze verwondering aan. Dat was een vreemde klant +op den laten avond, vond hij. + +"Ik.... ik.... is uw vrouw binnen?" vroeg Elsje hijgend. + +"Jawel, die is thuis," zei de man met een hoofdknik. "Maar wat moet +u met haar, jongejuffrouw? Het is al zoo laat, ik begrijp niet...." + +"Dus zij is binnen?" viel Elsje hem haastig in de rede en zonder zijn +antwoord af te wachten, liep ze de smalle gang door en de kamer achter +den winkel in. De kruidenier volgde haar terstond. + +"Lieve tijd, wat is dat?" riep zijn vrouw, ontsteld van haar stoel +opspringend, toen ze Elsje zag. "Wat moet dat jonge dametje hier, +Gerrit? En in die dunne kleeren...." + +"Ik ben het, Elsje, u kent mij toch nog wel?" zei Elsje gejaagd +en schreiend. "En ik kom u vragen, of ik hier van nacht mag +blijven. Morgen ga ik weer weg--naar huis terug, naar grootmoeder." + +"Ja, nu zie ik het," zei de vrouw, "je bent dat zelfde meisje, +dat Evert laatst voor een ongeluk heeft bewaard. Maar lieve kind, +waarom ben je weggeloopen van die tante, bij wie je logeerde en dan +nog wel zoo koud gekleed! Kom, schrei nu niet. Vertel mij maar eens +waar je logeert, dan zal mijn man je wel even thuis brengen. Wat is +er toch? Waarom ben je zoo vreeselijk bedroefd?" + +"O, ik kan het u niet zeggen en ik kan niet weer naar tante terug +gaan, heusch niet! Ik heb iets verloren van haar, iets heel kostbaars +en ik kan niet weer naar haar toegaan, voordat dat terug is! Och, +laat mij hier van nacht blijven, als 't je blieft, als 't je blieft." + +"Maar je tante zal zoo ongerust worden, als ze niet weet, waar je +bent. Kom, zeg ons nu maar even, waar ze woont en schrei niet meer +zoo vreeselijk! Het is toch zeker ook maar een ongeluk geweest dat +je dat mooie ding hebt verloren. Ik zou maar gauw weer naar huis gaan +en haar alles zeggen, dat is veel beter, gerust, en dan zal mijn man +je even brengen. Is 't niet Gerrit?" + +Gerrit, die zijn vrouw voortdurend het woord liet doen en nog steeds +met de uiterste verbazing op zijn gezicht stond toe te kijken, +knikte toestemmend. + +"Neen, neen!" riep Elsje angstig. "Ik kan niet weer terug, wezenlijk +niet, och, geloof mij toch! En tante zal niet ongerust zijn, want +zij denkt dat ik al in bed lig. Laat mij hier blijven van nacht, als +'t je blieft, als 't je blieft! Morgen zal ik weer weggaan...." + +Er was niets met haar te beginnen. Zij was zoo over stuur en zoo +angstig bevreesd dat men haar haar zin niet zou geven, dat de vrouw +eindelijk hoofdschuddend toegaf, haar in Gerrit's gemakkelijken stoel +bij de tafel duwde en zei: + +"Nu, nu, blijf hier dan maar van nacht. Rust nu maar eens even uit +en probeer wat kalmer te worden." + +Toen ging zij met haar man de kamer uit. + +"Wij moeten haar in vrede's naam van nacht maar hier houden," zei +ze. "Het arme kind is heelemaal in de war. Het is te hopen dat die +tante van haar werkelijk niet ongerust over haar is. Als ze nu van +nacht eens goed geslapen heeft, zal ze morgen wel wat handelbaarder +zijn. Ze kan natuurlijk toch niet reizen in die jurk; ze heeft niet +eens een hoed en mantel bij zich en wie weet, of ze wel reisgeld heeft +meegenomen! Ze schijnt opeens weggeloopen te zijn. Ze ziet er als een +echte jongejuffrouw uit nu met die mooie kleeren, heel anders dan toen +ik haar voor 't eerst zag. Toen leek ze een gewoon burgermeisje. Het +is een raadselachtige geschiedenis, Gerrit; misschien komen we er +morgen achter. Er is nu niets uit het arme kind te krijgen. Ik moet +haar maar gauw in bed stoppen. Gelukkig dat Jan net voor vier dagen +naar zijn ouders is, nu kan ze in zijn bed slapen." + +Jan was de bediende, een buitenjongen, die bij den kruidenier in de +leer was. + + + +Hoofdstuk IX. + +Groot Verdriet. + + +Een half uur later stond Elsje met een bedrukt gezicht en rood +beschreide oogen naast de goedhartige kruideniersvrouw op een klein, +hoogst eenvoudig gemeubileerd zolderkamertje met een bedstee, waarvoor +hardgele gordijnen hingen. + +"Kijk," zei haar gastvrouw, de gordijnen opentrekkend, "het bed is +groot genoeg en ik heb er mooi, schoon linnen voor je opgelegd. Kom, +wees nu maar niet meer bedroefd en ga maar gauw slapen. Wat zal de +kleine Evert het aardig vinden je morgenochtend te zien! Denk er aan +dat je de kaars uitblaast als je klaar bent en slaap lekker! Morgen +zal alles wel weer in orde komen, daar ben ik niets bang voor. Nacht +Elsje!" + +Elsje sloeg met een plotselinge, hartstochtelijke beweging de armen +om haar hals, legde haar kloppend hoofd tegen den schouder der goede +vrouw en barstte weer in tranen uit. + +"O, ik verlang zoo naar huis, naar grootmoeder!" snikte ze, in korte, +afgebroken zinnen, "ik vind het zoo vreeselijk, vreeselijk hier in +de stad--o, ik wou dat ik er nooit gekomen was, nooit! Ik .... ik +wou dat ik maar weg was .... ik wou...." + +"Stil, stil," viel de vrouw haar sussend in de rede, "je moet nu niet +meer schreien, wezenlijk niet. Je zult nog hoofdpijn krijgen en ziek +worden, als je je zoo vreeselijk over stuur maakt. Kom, kom, kom, +stil nu, stil nu." + +Zij maakte zich zacht los uit de omarming van het snikkende kind, +schonk een glas water in, liet haar drinken en zei op beslisten toon: + +"Nu moet je wezenlijk terstond naar bed gaan. Kijk, hier op dezen +stoel ligt een nachtjak van mij voor je. Dat zal je wel een beetje te +wijd wezen, maar dat is niets, beter te wijd dan te nauw. Kom, drink +nog maar eens, zie zoo, nu bedaard het al een beetje, he? Nacht Elsje." + +En haar onverwachte gast nog eens vriendelijk toeknikkend, ging +ze heen. + +Toen Elsje alleen gelaten was, bleef ze voortschreien, eerst +hartstochtelijk en met zenuwachtige snikken, toen zachter en +bedaarder. Eindelijk was het alsof ze geen kracht meer had om langer te +schreien, geen kracht om uiting te geven aan het gevoel van wanhopige +smart, dat haar bezielde, geen kracht om iets anders te doen dan met +doffe lijdelijkheid, gekleed als zij was, op het bed te gaan liggen +en met starende oogen voor zich uit te zien. Langzamerhand echter +kwam iets van haar ouden moed weer boven. "Zoo mag het niet langer," +fluisterde ze, terwijl ze zich van het bed liet afglijden. "Ik moet +wezenlijk probeeren of ik wat kan slapen. Misschien .... misschien +gebeurt er morgen iets, dat.... mij helpt." + +Zij trok de dunne rose jurk en hare dansschoentjes uit en besloot +zich maar niet verder uit te kleeden en zoo in bed te gaan. Zij was +veel te gejaagd, veel te veel onder den indruk van het half onbestemde +denkbeeld dat zij het druk zou hebben morgen en vroeg klaar zou moeten +zijn, om zich thans rustig te kunnen ontkleeden en bedaard te gaan +slapen. Zij huiverde en rilde van koude en zenuwachtigheid en toen +ze de kaars uitgeblazen had en was gaan liggen, scheen het haar een +onmogelijkheid toe, dat zij in slaap zou komen. Haar hoofd begon te +kloppen en te gloeien en met tergende duidelijkheid stonden haar nu +eensklaps de bezwaren voor den geest, die aan haar terugreis op morgen +zouden zijn verbonden. Ze had geen geld bij zich--hoe zou ze dan een +kaartje kunnen betalen? Grootmoeder zou misschien, neen zeker, heel +boos zijn, als ze zoo opeens voor haar stond, weggevlucht van hare +tante. En tante zelf--die zou het haar zeker nooit, nooit vergeven, +nog minder misschien dan het verliezen van het parelsnoer. En ze +kon toch ook niet reizen in die dunne, lichte jurk, zonder hoed of +iets! Maar misschien zou de kruideniersvrouw haar wel een of ander +willen leenen--als zij ten minste iets had, dat haar paste. Ja, +ja, die zou haar wel willen helpen, als ze kon. Maar mocht ze wel +weggaan, zou hare tante zich niet erg ongerust maken waar zij toch +was--morgenochtend aan het ontbijt zou men haar natuurlijk missen! O, +wat moest ze beginnen, wat moest ze beginnen! Ze wist zich geen raad, +heelemaal geen raad en onrustig woelde zij op het bed heen en weer, +totdat eindelijk een weldadige slaap zich over haar ontfermde en haar +tijdelijk rust gaf. + +Intusschen was het bal bij mevrouw d'Ablong onafgebroken, met +steeds toenemende levendigheid, voortgezet. Cécile was na de +tooneelvoorstelling geheel en al de koningin van het feest geworden +en hare moeder zag met fiere goedkeuring, hoe iedereen als om strijd +haar dochtertje fêteerde. Zij bemerkte vrij spoedig dat Elsje zich +uit de danszaal had verwijderd en hoewel zij haar die straf zelf niet +zou hebben opgelegd, vond zij het niet kwaad dat Elsje toonde zich +genoeg te schamen over haar gedrag op het tooneel, om maar liever +niet meer mee te dansen. Ze zal naar hare kamer gegaan zijn, dacht +mevrouw d'Ablong en ze vatte half en half het voornemen op, naar haar +toe te gaan en haar na een ernstige terechtwijzing te vergunnen, zich +weer bij de dansenden te voegen--maar werd in de uitvoering van dit +plan telkens verhinderd door de gedachte dat Elsje zich misschien +weer op een of andere manier "kinderachtig" zou gedragen en haar +compromitteeren. Neen, het was wellicht maar beter dat het lastige +kind boven bleef. Cécile had nu ook juist zoo heel veel plezier, +dat zou misschien veranderen, als Elsje weer beneden kwam. Zij moest +straks maar eens even naar haar gaan kijken en als zij dan wat al +te bedroefd was, haar wat lekkers brengen--een portie ijs en een +taartje--en zeggen dat zij in 't vervolg maar wat beter haar best +moest doen. Misschien had Cécile ten slotte toch gelijk gehad; het +was niet verstandig geweest, Elsje tot het feest te laten blijven. Ze +kon nu in de volgende week ook wel weer vertrekken. Hare tante zou +haar dan zelf brengen en meteen eens zien, hoe de oude grootmoeder +het maakte--de laatste berichten waren iets minder gunstig geweest. + +Mevrouw d'Ablong haastte zich niet, Elsje op haar kamer te gaan +toespreken. Frits had al een paar maal gevraagd of "Roodkapje" heusch +naar bed gegaan was. Dat had zij nu niet moeten doen, beweerde hij; +zóó erg was het toch niet dat zij nog niet gewend was om als actrice +op te treden! Hij vond het jammer dat zij nu in 't geheel niets aan +de partij had. Kon hare tante haar niet laten zeggen of gaan zeggen +dat ze wezenlijk weer beneden komen moest? + +Mevrouw d'Ablong gaf op beide vragen een ontwijkend antwoord. Zij vond +het niet noodig Frits op de hoogte te brengen omtrent de beweegredenen, +die haar noopten, Elsje van de balzaal verwijderd te houden--Frits +zag dat zij het onderwerp van Elsje's afwezigheid liever verder +onaangeroerd liet en sprak dus over wat anders. Later zocht hij nog +eens of hij Elsje ook ergens in een verborgen hoekje zag zitten, +maar toen al zijn pogingen vruchteloos bleven, gaf hij het op en +kwam tot de overtuiging dat zij zich werkelijk voor goed op haar +kamer had teruggetrokken. Cécile was blij dat Elsje "zoo verstandig" +geweest was naar bed te gaan en Loulou en Cato waren het geheel met +haar eens. Emma vond het jammer, maar zei niet veel en de overige +gasten hadden nog te weinig van Elsje gemerkt, om zich erg over haar +al of niet tegenwoordig zijn te bekommeren. + +Er gingen dus twee, drie uren voorbij, voordat iemand bemerkte dat +Elsje het huis harer tante had verlaten. Tweemaal was deze op het punt +naar boven te gaan, maar telkens werd zij door een of ander in haar +voornemen verhinderd en toen zij het eindelijk ten uitvoer bracht, +was het laat en hadden de gasten reeds afscheid genomen. Het laatste +rijtuig reed weg en Cécile liet zich met een zucht op een der canapés +neervallen, volkomen bereid nog een praatje met Frits te houden voordat +ze naar boven ging, toen hare moeder opeens met een verschrikt, bleek +gezicht weer binnen kwam met het onrustbarende bericht dat Elsje +niet op haar kamer was en noch Keetje, noch de andere dienstboden, +noch grootmama en Miss Piper haar hadden gezien. Niemand begreep waar +zij heengegaan kon zijn. Keetje en Dina waren bezig het geheele huis +te doorzoeken, maar ook dit was vruchteloos, zooals bleek toen de +beide dienstmeisjes in de danszaal verschenen. + +"Zijn jullie overal geweest en heb je Anna ook ondervraagd?" + +"Ja mevrouw," zei Dina, "maar Anna is den geheelen avond in de keuken +geweest, natuurlijk. Zij had de jongejuffrouw in 't geheel niet gezien, +zei ze." + +"Wat moet ik beginnen?" zei mevrouw d'Ablong zich tot Frits wendend, +die angstig toegeluisterd had. + +"Ik weet het waarlijk niet, tante," zei hij. "Misschien zal het +het beste zijn dat ik er terstond op uitga en eens zie of ze in +haar droefheid over haar mislukt spel ook naar buiten geloopen en +verdwaald is. Zij houdt zoo ontzettend veel van wandelen en in de +lucht zijn en het is mogelijk dat ze op dezen mooien avond even de +straat opgeloopen is...." + +"Dan heeft ze al een heel raren tijd uitgekozen voor hare wandeling," +viel Cécile scherp in. "Kom mama, zij zal wel weer terug komen, ik zou +mij nu maar niet dadelijk zoo ongerust maken. En wat behoeft Frits er +nu ook terstond op uit te gaan, ze komt natuurlijk van zelf wel weer +terug! Als ze wezenlijk zoo dwaas is geweest om te gaan wandelen en +verdwaald is, zal een politieagent haar wel weer thuis brengen." + +"Neen, neen, neen! Ik heb geen rust, voordat ze veilig en wel weer hier +is," zei Frits. "Dat arme kind! Ik ga dadelijk mijn jas aantrekken, +tante." + +"Och Frits, wees nu toch niet zoo onverstandig!" riep Cécile. "Ik +vind het onzinnig, als je gaat!" + +"Dat is niet anders," antwoordde Frits snel. "Ik ga onmiddellijk. Als +ik haar niet vind, zal ik dan de politie maar in den arm nemen, tante?" + +"Ja, ja, zeker. Doe alles maar precies, zooals 't jou het best +dunkt. Je bent een heerlijke steun voor me, Frits; wat moest ik +beginnen zonder jou van nacht?" + +Frits hoorde de laatste woorden niet eens meer, hij was de kamer al +uit en heel spoedig daarop het huis. + +"Ga jij nu maar dadelijk naar bed, kindje," zei mevrouw d'Ablong +tot Cécile, die erg uit haar humeur was, "anders heb je morgen nog +hoofdpijn. Je zult toch wel al moe zijn." + +"Ja mama, ik blijf natuurlijk niet op," zei Cécile wrevelig, "ik +zou niet weten waarvoor ik dat doen zou. Gaat u niet naar bed? Dat +vervelende kind zal wel terug komen, daar zou ik me niet ongerust +over maken." + +"Ik hoop het hartelijk," zei hare moeder, "maar natuurlijk ben ik +ongerust, Cilly, dat spreekt nu toch waarlijk van zelf. Ik wou dat +ik Elsje hier maar nooit te logeeren had gevraagd." + +"Ja, dàt wou ik ook," zei Cécile zeer beslist. "Toe mama, gaat u +nu toch mee naar boven. Dina en Keetje en Anna desnoods ook, kunnen +immers wel opblijven." + +"Neen, neen, ik ga niet naar bed, voordat ze er weer is. Loop vooral +zachtjes voorbij grootmama's kamer, Cilly. Zij was bijna in slaap, +toen ik zooeven bij haar kwam en ik heb haar alleen maar gevraagd of +Elsje ook bij haar geweest was. Zij weet niet dat zij weg is." + +"Dat is ten minste één geluk," zeide Cécile. "En Missy?" + +"Die zal mij wel gezelschap houden van nacht. Zij weet alles." + +"O, dus dan blijft u ten minste niet alleen, gelukkig. Nacht +moedertje." + +"Nacht lieveling. Probeer je dan heusch om gauw in slaap te komen en +je niet te angstig te maken over Elsje?" + +"Ik ben heelemaal niet angstig, mama. Ik wou dat u het maar wat minder +waart. O, daar is Missy! Ik hoop dat dat nare wachten niet te lang +zal behoeven te duren." + +Maar het wachten duurde wèl lang. Cécile was reeds een paar uur vast +in slaap, mevrouw d'Ablong had de dienstboden naar bed gestuurd en Miss +Piper en zijzelf begonnen hoe langer hoe ongeduldiger en ongeruster te +worden, toen Frits eindelijk terug kwam. Hij zag er moe en verslagen +uit. Nergens had hij eenig spoor van de vluchteling kunnen ontdekken, +alleen had een politieagent even over tienen een meisje in een lichte +jurk de gracht langs zien snellen. Hij had haar de straat op den hoek +zien inslaan, maar haar verder uit het oog verloren. + +Het was verschrikkelijk. Mevrouw d'Ablong verloor geheel hare +zelfbeheersching en snikte het uit, zichzelf de hevigste verwijten +doende, dat zij niet eerder naar Elsje had omgezien. Frits en Miss +Piper deden al wat zij konden om haar tot bedaren te brengen. De +politie was van alles onderricht, verzekerde Frits en zou zeker het +verloren schaap wel weer terug brengen--zij moesten niet zoo gauw +den moed verliezen. Maar zijn stem beefde, terwijl hij dit zeide +en de vreeselijkste vermoedens rezen bij hem op, als hij bedacht, +hoe weinig Elsje den weg kende in de groote stad en hoe licht zij +in het water geloopen of op een andere wijze verongelukt zou kunnen +zijn. Telkens zag hij haar weer voor zich, zooals hij haar voor 't +eerst gezien had met het aardige, roode kapje om het frissche, jonge +gezichtje en met de dankbare uitdrukking in de blauwe oogen. Ook hij +verweet zich dat hij haar te veel aan haar lot had overgelaten na de +tooneelvoorstelling en hoe hij ook zijn best deed hoopvol te blijven, +zijn ongerustheid werd grooter, hoe meer het eene uur na het andere +verliep, zonder dat de politie iets van zich liet hooren. + +Mevrouw d'Ablong liet zich eindelijk overhalen, even op de canapé +te gaan liggen en wat te rusten, toen de ochtend langzaam begon +te naderen. + +Zij waren op Cécile's kamer gaan zitten, omdat het na het eerste +half uur in de half ontredderde balzaal niet meer uit te houden +was. Voortdurend herinnerd te worden aan al de luidruchtige +vroolijkheid, die daar kort geleden had geheerscht en dan zoo +beangst van hart te zijn, was niet te dragen. En de onzekerheid, +die hen bleef kwellen, den geheelen nacht door, was ook nauwelijks +te dragen;--toen de morgen aanbrak, kon zelfs Frits zijn ongerustheid +niet meer verbergen. + +Het was ongeveer zeven uur en nog zoowat schemerdonker, toen +Elsje gewekt werd door een gebons tegen haar deur, dat door twee +kleine, stevige vuisten werd veroorzaakt. "Elsje, Elsje, opstaan, +opstaan!" riep Evert's kinderstemmetje zoo luid, dat Elsje al +heel vast zou hebben moeten slapen, als zij niet reeds door het +vuistenbombardement wakker geworden was. Met een zucht richtte zij +zich op. Een oogenblik keek ze verbaasd om zich heen, heel spoedig +echter herinnerde ze zich waar ze was, waarom ze half gekleed te +bed lag en hoe het kwam dat ze zich zoo moe en dof en ongelukkig +voelde. Nog nooit was haar zoo sterk de neiging overvallen, om haar +hoofd weer op het kussen te leggen en weer te gaan slapen--nog nooit +was zij met zulk een treurig, moedeloos hart den dag begonnen. Haar +frissche, jonge levenslust had haar tot nu toe hiervoor bewaard, ook +al de dagen die zij reeds bij hare tante aan huis had doorgebracht, +maar nu--nu was het alsof alle moed haar had begeven, nu scheen het +haar toe dat op dit oogenblik niemand zoo ongelukkig, zoo verlaten, +zoo hulpeloos was als zij. + +"Ben je wakker?" riep Evert weer ongeduldig. "Je moet opstaan. Ik +ben al bijna heelemaal klaar. Moeder zegt dat je op moet staan." + +Hij luisterde een seconde, of zij ook antwoordde, toen riep hij weer: + +"Mag ik even bij je komen?" + +Die vraag kon Elsje niet onbeantwoord laten. Er kwam een flauw lachje +op haar gezicht, zij sprong het bed uit en deed de deur open. Daar +stond Evert in al de glorie van bretels, een echten jongensbroek en +een rood wollen lijfje. + +"Ik moet mijn kiel nog aan, zie je," zei hij. "Maar ik ben al +gewasschen en mijn haar is ook al opgekamd." + +Dat was wel te zien, de blonde kuif stond recht en glimmend van het +water overeind. + +"Maar, wat ben jij ook al ver!" vervolgde hij op teleurgestelden toon, +"ik dacht dat je nog op bed lag, toen ik je kwam roepen." + +"Dat was ook zoo," zei Elsje. + +"Heb je je dan zóó gauw aangekleed? Je moet je toch zeker alleen nog +maar wasschen en je jurk aantrekken, he?" + +"Ik ben niet uitgekleed geweest," zei Elsje, die te waarheidlievend +was om hem in den waan te laten, dat ze zóó gauw terecht kon met +haar toilet. + +Evert keek haar met groote oogen aan. + +"Ben je dan met al je rokken aan in bed gaan liggen?" vroeg hij. "Mag +je dat van je moeder?" + +"Ik heb geen moeder meer," zei Elsje, terwijl ze bij hem neerknielde +en de tranen haar in de oogen schoten. "Neen, ik _mag_ eigenlijk +niet half aangekleed gaan slapen, zooals ik van nacht gedaan heb, +maar ... maar...." + +"Waarom begin je opeens te schreien?" vroeg Evert medelijdend. Hij +legde zijn kleine ronde armen om haar hals, drukte haar hoofd tegen +zich aan en zei: "Heb je je pijn gedaan? Zal ik het afkussen?" En +zonder Elsje's antwoord af te wachten, raakte hij haar wang zacht +aan met zijn roode lipjes. + +"Neen, ik heb geen pijn," zei Elsje, hem door hare tranen heen +lachend aanziende, "en het is heel flauw van me dat ik schrei. Ik +zal me ook maar eens flink wasschen en mijn haar netjes opkammen, +net als jij. Kom, ik moet maar gauw voortmaken." En zij sprong snel op. + +"En ik moet mijn kiel nog aan," zei Evert met een gewichtig +gezicht. "Dan kom ik weer bij je terug als ik heelemaal klaar +ben. Vindt je dat goed?" + +"Ja best." + +Evert verdween om zijn kiel aan te trekken en vader en moeder met +veel drukte te vertellen, hoe Elsje "bijna heelemaal aangekleed" +in bed gelegen had. + +Ons meisje deed al haar best in een moediger stemming te +geraken. "Kom," zei ze bij zichzelf, toen Evert haar verlaten had, +"ik wil nu werkelijk niet langer zoo flauw zijn. Eigenlijk is het ook +dom van me geweest om weg te loopen gisteravond, want nu wordt tante +natuurlijk straks heel ongerust, als ze me aan het ontbijt niet ziet +en ik weet zelf niet eens wat ik beginnen moet. Het zal misschien het +allerbeste zijn dat ... dat ik toch weer naar tante terug ga straks +... en haar eerlijk alles vertel...." + +Dit was zeker een kloek besluit, maar kalmer werd Elsje er niet op +toen zij het genomen had. Zij werd hoe langer hoe zenuwachtiger, toen +zij zich voorstelde welk een ontvangst haar in het huis van mevrouw +d'Ablong wachten moest en niet dan met inspanning gelukte het haar, +eenige aandacht te schenken aan haar toilet. Zij moest eens even +vrij ademhalen--hoe was het mogelijk dat zij dat akelige korset had +aangehouden van nacht--hè, zij zou het even uittrekken! Zoo gezegd, +zoo gedaan, en een kreet van verbazing en vreugde ontsnapte haar, toen +ze haar onderlijfje en het korset losgemaakt had en plotseling iets +ritselend op den grond hoorde vallen, dat ... het kostbare parelsnoer +bleek te zijn! Waarschijnlijk was het slootje door grootmama niet heel +stevig vast gemaakt en los gegaan, toen Elsje voor het open raam naar +buiten zat te kijken. Op voor haar onverklaarbare wijze was het snoer +van haar hals af en naar beneden gegleden en tusschen het verachte +korset vastgeraakt. Met stralende oogen raapte zij het van den grond +op, bekeek het nauwkeurig, zag tot haar groote blijdschap dat het in +'t geheel niet beschadigd was en legde het voorzichtig neer op een +stoel. Met de grootste haast kleedde en waschte zij zich toen. Nu +moest ze in ieder geval maken dat ze zoo gauw mogelijk weer bij hare +tante terug was. Als zij maar niet telkens zoo vreemd duizelig geweest +was en het niet zoo akelig geklopt en gebonsd had in haar hoofd! Zij +moest ieder oogenblik eens even stilstaan om op haar verhaal te +komen. Het was of het kamertje met haar in de rondte draaide--hè, +zoo raar! Toen ze een glas water gedronken had werd het een beetje +beter, maar ze bleef zich toch rillerig en onaangenaam voelen en trok +huiverend de dunne, rose jurk aan,--ze was zóó koud! Maar ze _moest_ +zich haasten--als ze terstond als ze klaar was naar het huis van +mevrouw d'Ablong terugliep, zou ze misschien nog vroeg genoeg komen +om zich even te kunnen verkleeden en aan het ontbijt te zijn, voordat +haar tante beneden was. Zij zou haar dan alles vertellen natuurlijk, +hoewel ze daar vreeselijk tegen op zag, maar dat kon niet anders, +dat sprak van zelf. + +Daar werd de deur van haar kamertje geopend en de kruideniersvrouw +stond voor haar met Evert aan de hand. + +"Goed geslapen, Elsje?" vroeg ze vriendelijk. "Wacht, laat ik die +jurk maar eens even voor je vastmaken. Zóó. Maar meisje, wat zijn je +handen ijskoud! Ga maar gauw mee naar beneden, daar begint de kachel +al heerlijk te branden." + +"Ik zou eigenlijk graag dadelijk naar huis willen gaan," zei +Elsje. "Kijk, dit was het, wat ik verloren had. Ik dacht dat het +voor goed weg was gisteravond en toen ben ik weggeloopen van tante +in mijn schrik. Maar ik had het niet moeten doen; het was verkeerd +van mij en daarom moet ik nu terstond naar huis--anders wordt tante +bepaald ongerust." + +"Maar je moet toch eerst een boterham eten, Elsje, en wat warms +drinken en dan zal mijn man wel dadelijk naar je tante toegaan en +haar zeggen waar je bent. Vertel mij maar even waar ze woont." + +"Neen, neen, ik moet zelf gaan en dadelijk," zei Elsje erg gejaagd, +terwijl ze de parelen, die de onschuldige oorzaak waren geweest van +zooveel onrust en angst, in den zak van haar jurk liet glijden. "Ik +moet nu terstond weg, wezenlijk. Ik dank u heel vriendelijk dat ik hier +heb mogen slapen en ... als ik kan, wil ik ook graag eens wat voor +u doen, maar nu moet ik naar tante terug. Is ... is er misschien ook +een oude hoed voor mij en een doek of zoo iets? Ik ben zoo erg koud." + +"Waarom heb je je zomerjurk aan?" vroeg Evert, "en waarom ga je +dadelijk weer weg? Blijf je niet met me spelen van ochtend?" + +"Neen, neen, nu niet, een anderen keer." + +"Hè, waarom nu niet?" vroeg Evert weer met een pruilend lipje. + +"Stil jongen, niet lastig zijn," zei zijn moeder. "Elsje komt wel eens +gauw weer terug, is 't niet Elsje? Ze moet ons dan nog een heeleboel +vertellen. Waar ze woont en waar ze logeert en hoe haar tante heet +en nog allerlei dingen meer, maar nu gaan we naar beneden." + +De goede vrouw was, zooals te begrijpen is, erg nieuwsgierig wie en wat +Elsje eigenlijk was, maar Elsje was veel te zenuwachtig om nauwkeurig +te letten op wat zij zeide en haar te antwoorden en toen ze een reepje +brood gegeten had en een slokje gedronken uit het glas met warme melk, +dat de kruideniersvrouw haar voorzette, stond ze snel van tafel op, +liet zich een ouden, wijden wintermantel van haar gastvrouw aantrekken, +betuigde dat zij het best zonder hoed kon doen, toen er niet dadelijk +een voor haar te vinden was, nam afscheid van het kleine gezin en +liep snel den winkel uit. Evert riep haar nog na of zij niet een nieuw +zakje met rozijnen hebben moest, want zij had hem verteld hoe zij het +vorige was kwijt geraakt, maar zij hoorde hem niet eens meer en liep +op een draf voort, de drukke straat door en de deftige gracht op. + +Het was nu acht uur en de melkboeren, bakkers en enkele dienstmeisjes, +die zij tegen kwam, keken haar verbaasd na, terwijl zij in haar +zonderling kostuum voortsnelde. Het was dan ook een wonderlijke +verschijning: die meisjesgestalte gehuld in een vaalbruinen, lakenschen +mantel met ouderwetsche, neerhangende wijde mouwen, die ver over de +handen vielen--daaronder de lichte, in 't oog vallende jurk en de +zijden kousen met de lage, goudlederen schoentjes en het blonde haar, +dat woest in den wind fladderde. + +Maar evenmin als den avond te voren stoorde Elsje zich nu aan de +blikken der voorbijgangers; zij liep voort, voort, tot ze eindelijk +geheel buiten adem op de stoep stond van het huis van mevrouw +d'Ablong. De kruidenier had aangeboden haar thuis te brengen, maar +zij had zijn aanbod afgeslagen, overtuigd dat zij veel vlugger zou +kunnen loopen als ze alleen was. Nu ze echter op de stoep stond en +aangescheld had, scheen het haar toe dat ze er niet zoo verschrikkelijk +tegen op zou hebben gezien naar binnen te gaan, als er iemand bij +haar was geweest. In haar hoofd begon het nog harder te kloppen en +klappertandend, rillend en bevend wachtte zij het oogenblik af, dat de +deur geopend zou worden. Lang behoefde zij niet te wachten. De deur +werd met een ruk open gedaan door Frits, die bij iedere schel hoopte +dat er bericht van de politie zou zijn en met smeekende oogen en de +woorden: "O, het spijt me zoo vreeselijk!" liep Elsje de gang in. Op +hetzelfde oogenblik overviel haar zulk een hevige duizeling dat ze +zich onmogelijk staande kon houden en met de handen rondtastend en +een zwakken kreet om hulp, op het marmer neerzakte. In een oogenblik +had Frits haar van den grond getild en zijn arm om haar heenslaande, +zei hij zacht: + +"Stil maar Elsje, stil maar. Wij zijn heel blij dat je er weer +bent. Haal maar eens flink adem. Zoo! Steun nu maar goed op +mij. Tante is binnen. Wij gaan dadelijk naar haar toe. Niet bang +zijn, het is niets, niets. Kom, kom, niet zoo beven! Straks maar +gauw naar bed, he? De warmte zal je goed doen. Arm kind, arme kleine +Roodkapje! Gelukkig dat wij je weer hebben." + +"Wat is er, is er bericht?" vroeg de stem van mevrouw d'Ablong +haastig, terwijl de deur der kamer waar zij had zitten wachten, +snel werd geopend. "Toe Frits, kom toch gauw." + +"Er is heel goed bericht tante," zei Frits, "ik kom u Elsje zelf +brengen," en een oogenblik later stond hij met Elsje, die er doodsbleek +en zeer bevreesd uitzag, voor Miss Piper en Mevrouw d'Ablong. + +"O tante, tante," riep het arme kind, "het spijt me zoo vreeselijk! Het +spijt me zoo vreeselijk! Hier zijn ze weer! Ik dacht dat ze +weg waren gisteravond en toen ben ik weggeloopen in mijn angst, +omdat.... ik.... bang was dat u heel boos zoudt zijn.... maar hier +zijn ze weer!" En snel haalde ze de kostbare parelen uit haar zak +en legde ze haar tante in de hand. Toen begon ze weer over al hare +leden te beven, alles draaide voor hare oogen en met den uitroep: +"Ik ben zoo koud, zoo akelig koud!" viel ze op een stoel neer. + +"_She is fainting, she's fainting!_" riep Miss Piper bij haar +neerknielend, terwijl zij uit alle macht Elsje's handen begon te +wrijven; maar flauw vallen deed deze nog niet, hoewel ze zich hoe +langer hoe zieker en akeliger begon te voelen. + +"Ik zal me dadelijk gaan verkleeden, tante," zei ze, met een zwakke +poging om op te staan, "och wees maar niet al te boos op mij, het +spijt me zoo vreeselijk, zoo vreeselijk! Het was heel leelijk van me +om weg te loopen, maar ik was zoo bang en toen.... + +"Niet praten zooveel," zei Miss Piper. "Jij moet nemen een lange rust +en probeeren te slapen." + +"Tante, tante, bent u erg boos?" riep Elsje, angstig naar mevrouw +d'Ablong kijkend, die met Frits stond te fluisteren. + +"Neen kindje, neen," zei ze, veel te blij dat Elsje er weer was om haar +te kunnen beknorren. "Wind je nu maar niet zoo op. Je bent ziek en je +moet maar dadelijk naar bed. Frits zal naar den dokter gaan, die zal +je wel gauw weer opknappen, hopen we. Maar waar ben je toch den heelen +nacht geweest, toch niet aldoor op straat? Er is zóó naar je gezocht." + +Met horten en stooten, veel te moe om geregeld haar wedervaren te +kunnen vertellen en toch niet gerust voordat haar tante alles wist, +deed Elsje haar verhaal, waarbij Miss Piper haar telkens in de rede +viel door te zeggen dat ze "moest probeeren te kalmeeren haarzelf" +en "niet weenen, niet weenen", en "wezenlijk moest nemen een rust +nu." Elsje gunde zich echter geen rust, voordat ze, zoo goed en zoo +kwaad als het ging, haar hart geheel had uitgestort en nauwkeurig +had aangeduid, waar de kruidenier woonde, die haar zoo gastvrij had +geherbergd. Zij was erg bang dat de kruideniersvrouw haar mantel niet +terug zou krijgen en eerst toen haar tante haar vast had beloofd dat +het kleedingstuk nog dien ochtend door den oppasser zou worden terug +bezorgd met een vriendelijk briefje en toen ze nog eens en nog eens +had gehoord dat niemand boos op haar was, liet ze zich overhalen naar +boven te gaan en zich door Keetje, die nu natuurlijk bizonder hartelijk +voor haar was, te laten uitkleeden. Mevrouw d'Ablong bracht haar een +geklopt ei met wijn en ging toen zelf nog wat rusten, terwijl Miss +Piper haar voorbeeld volgde, maar eerst Cécile van alles op de hoogte +bracht, die later, zonder veel medelijden voor Elsje uit te spreken, +alles aan grootmama vertelde, die erg met de arme vluchtelinge te +doen had. De dokter kwam 's middags en constateerde dat Elsje hevig +de koorts had en veel kou had gevat op haar avontuurlijken tocht. Hij +zou den volgenden ochtend weerkomen--er was nu nog weinig van te +zeggen of zij werkelijk ziek zou worden of niet. + +De oppasser bracht den mantel, keurig in een doos gepakt, aan de +kruideniersvrouw terug met een eigenhandig geschreven briefje van +mevrouw d'Ablong. Elsje had haar verteld dat zij den naam harer tante +niet had genoemd en ook niet had gezegd waar deze woonde en mevrouw +d'Ablong vond het bij nader inzien ook onnoodig, het kruideniersgezin +daaromtrent thans in te lichten. Zij gebood den oppasser de vrouw +een belooning in geld te overhandigen, niet te zeggen wie hem zond +en schreef het volgende briefje: + +"_Elsje's tante zendt u haren vriendelijken dank voor de goede zorgen +en de gastvrijheid, aan haar nichtje verleend._" + +De kruideniersvrouw keek vreemd en wat teleurgesteld op, toen ze het +briefje las. De belooning in geld wezen haar man en zij eenigszins bits +van de hand; dàt was het niet, waarnaar zij verlangden, maar: "ik had +gedacht dat het meisje zelf ons hartelijker zou hebben behandeld," zei +ze. De geheele geschiedenis bleef even raadselachtig als zij geweest +was, vooral toen Elsje niet meer van zich liet hooren en ook niet in +den winkel verscheen, hoewel Evert telkens verlangend naar haar uitzag. + + + +Hoofdstuk X. + +Grootmama. + + +"Een telegram, mevrouw, of u zoo goed wilt zijn, hier even uw naam te +teekenen," met deze woorden kwam Dina twee dagen later de eetkamer +binnen, waar mevrouw d'Ablong, grootmama, Miss Piper en Cécile aan +het ontbijt zaten. + +"Zeker _toch_ een telegram van Lizzie's grootmoeder," zei Cécile +ontevreden, "om te vragen hoe het op dit oogenblik met haar is. En +u zoudt nog wel niet te alarmeerend schrijven, mama!" + +"_Cilly, Cilly dear_," begon Miss Piper op vermanenden toon, maar op +het zelfde oogenblik uitte de oude dame een kreet van schrik en vroeg: + +"Mijn hemel Lize, wat is er? Wat zie je doodsbleek! Zeg toch in +vredesnaam wat er is!" + +"Mijn lieve moeder is gestorven," zei mevrouw d'Ablong met bevende +lippen, het telegram aan grootmama overreikend, "ze is van nacht +plotseling heengegaan, terwijl wij rustig lagen te slapen. Mijn lieve, +lieve moeder!" + +Zij bedekte haar gezicht met de beide handen en begon zacht te +schreien. Cécile stond langzaam van tafel op. + +"Och moedertje, wat spijt me dat voor u," zei ze, haar arm om haar +moeders hals slaande en bij haar neerknielend. "Geen wonder dat u +bedroefd bent, arme mama! Ja, leg uw hoofd maar tegen mij aan en +schrei maar eens goed uit! Wat een vreeselijk plotseling bericht +ook--zij hadden u toch ook eerst wel een brief kunnen schrijven, +om u wat voor te bereiden." + +"Ik moet er dadelijk heen, ik moet terstond op reis," zei mevrouw +d'Ablong, met koortsachtige haast van tafel opstaande en Cécile zacht +van zich afduwend. "Ik wil mijn lieve moeder ten minste nog even zien, +voordat... voordat ze begraven wordt. Och, waarom heeft zij zoo alleen +moeten sterven! Waarom was ik niet bij haar! Ik zou stellig nog eens +naar haar toegegaan zijn, als Elsje niet ziek geworden was...." + +"Ja, die arme Elsje, wat zal die ontzettend bedroefd zijn," zei de +oude dame zacht, "zij verliest _alles_ in hare grootmoeder." + +"Och heden ja, wat moet zij nu beginnen, nu staat ze heel alleen op +de wereld," zei Cécile, "hier kan ze natuurlijk niet blijven en ze +is nog te jong om in betrekking te gaan." + +"Foei Cilly," zei haar grootmoeder verwijtend, "hoe zou je moeder er +nu ooit toe komen om dat lieve kind aan haar lot over te laten! Haar +plaats is...." + +"Ja, zeker, Elsje's plaats is _hier_," viel mevrouw d'Ablong +zenuwachtig in, geheel vervuld als zij op dit oogenblik was van het +verlangen om te doen wat zij maar kon, om hare nalatigheid tegenover +hare moeder op een of andere wijze goed te maken. + +Cécile haalde even nauw merkbaar de schouders op, maar zweeg. Hare +moeder was nu veel te bedroefd om bedaard over iets te kunnen praten, +redeneerde zij bij zichzelf, maar dat Elsje voor goed hier in huis +zou blijven was natuurlijk al te dwaas. + +"Het zal heel moeielijk zijn, het arme kind te vertellen dat hare +grootmoeder gestorven is," begon de oude dame weer, "vooral omdat +het bericht haar licht weer erger ziek zou kunnen maken. Wij kunnen +het toch niet lang voor haar verborgen houden natuurlijk." + +"Neen, dat gaat niet," zei mevrouw d'Ablong zeer zenuwachtig. "En wie +zal het haar zeggen? Ik moet terstond op reis en zij slaapt nu nog--de +dokter heeft zoo gezegd dat zij zooveel mogelijk rust moet hebben." + +Zij keek haar schoonmoeder met een angstig vragenden blik aan en deze +knikte haar geruststellend toe. + +"Ik zal van ochtend wel met den dokter spreken en hem vragen of ik +het haar zeggen mag," zei ze. + +"Wilt u dat doen? Dan ben ik u heel, heel dankbaar. Dan ga ik nu +terstond naar boven om mij klaar te maken. Ja Cilly lieveling, ik +wil heel graag dat je even met mij mee gaat naar mijn kamer. Och, +ik had jou ook zoo graag nog eens meegenomen naar haar toe; nu is +het te laat." + +Ja, nu was het te laat! Het was zeker niet meer dan natuurlijk dat +Cécile, onder de bestaande omstandigheden, weinig of niets voelde +voor den dood der brave, oude vrouw, die zulk een trouwe, goede moeder +voor Cécile's eigene mooie moeder was geweest, maar mevrouw d'Ablong +voelde toch een steek in haar hart, toen Cilly, terwijl ze bij de +voordeur afscheid van haar nam, bedaard zei: + +"Als het er is, neemt u dan een portret van uw moeder mee, mama? Ik +weet heelemaal niet hoe zij eruitzag." + +En Elsje? Het arme kind had sedert den ochtend, waarop zij van haar +vreemden tocht was teruggekeerd, al den tijd te bed doorgebracht. De +dokter had bedenkelijk het hoofd geschud, toen hij haar voor de tweede +maal bezocht, gezegd dat hij bevreesd was voor een longaandoening en de +grootste voorzichtigheid aanbevolen. Het was mogelijk dat de ziekte van +tamelijk langdurigen aard zou zijn en het was dus niet ongewenscht dat +de patiënt op een vroolijker kamer lag, ergens waar zij de zon eens +kon zien en niet alleen de kachel warmte bracht. Grootmama opperde +terstond het plan dat haar kamer, die ruim en vroolijk was en aan den +zonnigen tuinkant lag, voor Elsje in orde zou worden gemaakt. Zoo heel +lang zou zij zelf toch niet meer blijven logeeren en buitendien kon +zij heel goed slapen op de logeerkamer, waar de patiënt nu lag. Deze +werd dus, terdege in wollen dekens gewikkeld, naar het andere vertrek +overgebracht en daar lag zij thans gerust te slapen, terwijl Keetje +nu en dan heel zacht binnenkwam om de kachel te verzorgen en te zien +of de zieke al wakker was en naar haar ontbijt verlangde. Eindelijk +hoorde ze Elsje diep zuchten en met een zwak stemmetje vragen: + +"Ben jij daar, Keetje?" + +"Ja jongejuffrouw, bent u goed wakker? Zal ik dan uw ontbijt maar +halen?" + +Er kwam geen antwoord, zoodat Keetje naar het bed toe ging en haar +vraag herhaalde. Elsje lag nog met gesloten oogen; thans opende zij +die en zei met een lachje: + +"Ik ben toch zoo vreeselijk lui. Ik zou best nog een beetje kunnen +slapen." + +"Dan zou ik het maar doen ook--straks kom ik wel eens weer naar u +kijken. Kom, doe maar gauw de oogen weer dicht." + +"Ja. Maar Keetje...." + +"Ja, jongejuffrouw?" + +"Hoe is het met allemaal beneden? Goed?" + +Keetje zweeg verlegen. Straks zou het arme kind weten wat er niet +"goed" was--hoe moest zij haar vraag beantwoorden? + +Maar Elsje maakte het haar gemakkelijk. Zij wachtte Keetje's antwoord +niet af, maar had haar hoofd al weer op het kussen omgedraaid en was +bijna weer in slaap. + +Het was omstreeks elf uur, toen ze verkwikt en met een heerlijk +gevoel van flink uitgerust te zijn, opnieuw wakker werd. Met geopende +oogen, maar zich overigens geheel overgevend aan een behagelijke +gewaarwording van zalige rust, bleef ze doodstil in dezelfde houding +liggen, al haar aandacht wijdend aan een vriendelijken zonnestraal, +die onder de neergelaten gordijnen door naar binnen scheen. Ze voelde +zich te zwak en te dommelig op dit oogenblik om er aan te denken, +hoe mooi en lieflijk het thans buiten zijn moest, waar het vroege +voorjaar de kastanjes reeds deed uitbotten en over alles licht en +glans wierp. Het was haar genoeg, warm gekoesterd te mogen rusten in +het ruime, makkelijke bed, dat de lieve oude dame haar had afgestaan +en stil tevreden te zijn, omdat het akelige gehamer en gesis in haar +hoofd en de benauwde pijn op haar borst zich van ochtend nauwelijks +deden gevoelen. + +Even bleef ze zoo liggen, toen ze plotseling geheel wakker werd door +een gefluister in hare nabijheid, waarvan ze duidelijk de woorden +opving: + +"Ja, het zal toch maar beter zijn dat het haar nu gezegd wordt. Ze zal +toch naar hare tante vragen, als zij die den geheelen dag niet ziet +en buitendien ben ik er volstrekt geen voorstander van, dergelijke +dingen voor patiënten verborgen te houden, als het niet absoluut +noodzakelijk is." + +Elsje herkende de stem van den dokter en hoorde grootmama antwoorden: + +"Dan moet ik het haar straks zeggen, als zij wakker is, het arme +kind! Wilt u ook nog even naar haar kijken, dokter, al slaapt ze?" + +"Neen, neen, ik slaap niet," riep Elsje uit, geheel opgeschrikt uit +haar zoete rust. "Wat is er, wat is er?" + +"Stil, stil, rustig meisje, rustig," zei de dokter, met de oude dame +naderbij komend. "Kom, ik ben zoo gewend dat mijn patiëntje gehoorzaam +is. Ga gauw weer liggen, zóó!" En hij legde zijn koele hand op haar +voorhoofd en dwong haar stil te blijven liggen. + +"Maar wat is er toch, dokter?" vroeg ze weer. + +De dokter antwoordde niet, maar nam een stoel en ging bij het bed +zitten, bevoelde Elsje's pols, deed haar eenige vragen en zei toen +op hartelijken toon: + +"Er is iets gebeurd, Elsje, daar je heel bedroefd om zijn zult. Er +is van ochtend bericht gekomen over je grootmoeder en dat bericht is +niet gunstig." + +Zij bleef hem strak aanzien, maar scheen nog volstrekt niet te +vermoeden, waar zijne woorden op doelden. + +"Elsje," zeide de oude dame zacht, terwijl ze zich over haar heenboog +en haar diep in de oogen zag. "Mijn lief, lief kind, je grootmoeder +is gestorven." + +Elsje keek haar aan, met zulk een vreemde, onzekere uitdrukking in +de oogen, zoo geheel alsof zij niet begreep wat haar gezegd was, +dat grootmama zachtjes herhaalde: + +"Zij is dood, Elsje." + +"Neen, neen!" riep het arme kind nu, terwijl ze met een woeste beweging +de beide handen der oude dame greep, "dat kan niet, dat kan niet! Dat +bericht is verkeerd, zoo ziek was grootmoeder niet! Maar ze is zeker +erger, dan wil ik naar huis... en dan mag ik ook wel! Ik ben zooveel +beter en ik verlang zoo vreeselijk..." + +"Dat zou nu niet meer helpen, Elsje, ze is werkelijk gestorven." + +"En ik heb haar niet eens meer gezien! Mijn arme, lieve grootmoeder! Ik +kan niet zonder haar leven, dat kan ik niet! Och, was ik hier maar +nooit heengegaan! En nu is er niemand meer, die wezenlijk van mij +houdt en die mij noodig heeft! O, ik had nooit van haar weg moeten +gaan--mijn lief, lief grootmoedertje! Och, was ik nu ook maar dood, +was ik nu ook maar dood!" + +En alsof ze niet getroost wilde worden, alsof ze de medelijdende +uitdrukking in de oogen die haar aanzagen, niet kon verdragen, +alsof haar smart te groot was om het daglicht te zien, drukte zij +haar hoofd diep in het kussen en begon hartstochtelijk te snikken. + +"Laat haar maar uitschreien, dat zal haar goed doen," fluisterde de +dokter. "Ik ga nu heen, maar ik kom stellig van middag of van avond +nog even terug." + +Hij stond op en was op het punt, de kamer te verlaten, toen Elsje +hem met een zwakke stem terugriep. + +"Dokter," fluisterde ze, zoo zacht dat hij zich moest inspannen om +te verstaan wat zij zeide: "Denkt u.... zou het kunnen.... zou ik +ook gauw dood gaan, misschien?" + +"O neen, dat geloof ik volstrekt niet," zei hij zeer ernstig. + +"En het is natuurlijk slecht om het te wenschen?" + +"Jij moogt het zeker niet wenschen, Elsje. Zou je grootmoeder dat +ook gewild hebben?" + +"Neen, neen," zei ze, maar ik kan niet zonder haar leven, dat kan +ik niet." + +En met een kermenden zucht keerde zij het hoofd naar den muur. + +Den geheelen dag bleef zij in dien toestand van ontroostbare +droefheid. De oude dame was bijna voortdurend bij haar, Keetje +verzorgde haar liefderijker en trouwer dan ooit, men trachtte haar +van smakelijk toebereide schoteltjes te doen proeven--maar zij at +nauwelijks, schreide weinig na die eerste uitbarstingen lag maar +stil, steeds met het hoofd naar den muur toegekeerd, zonder iets te +zeggen of eenig teeken te geven dat zij bemerkte wat om haar heen +gebeurde. Toen de dokter weer kwam, was ze even ingesluimerd. Hij +oordeelde het beter, haar niet wakker te maken en beloofde den +volgenden dag terug te zullen komen. + +Na een onrustigen nacht en een bitter droevig ontwaken, lag zij den +ochtend daarop moe en lusteloos, met een vreemde onverschilligheid, die +haar zelf verbaasde, voor zich uit te staren, te uitgeput om geregeld +te kunnen nadenken. Men had haar verteld dat haar tante weggereisd was +om bij de begravenis tegenwoordig te kunnen zijn, maar dit had weinig +indruk op haar gemaakt. Het was haar nog als leefde zij in een bangen +droom--maar als ze soms, als met een schok, uit dien droom scheen te +ontwaken, was alles zoo ontzettend, zoo benauwend donker en eenzaam om +haar heen dat zij zich angstig afvroeg, hoe het mogelijk zou zijn om +voort te leven met die alles overheerschende smart in haar binnenste. + +Het was aan den middag van dien dag, dat grootmama zich bedaard aan +de tafel zette, die bij het raam was geschoven en met een vriendelijk +knikje naar Elsje, die lijdelijk toezag wat ze deed, haar haakwerk +opnam en de grove haakpen vlug door de zachte wol liet glijden, +waarvan een grappig klein kindermanteltje moest worden vervaardigd. De +gordijnen waren aan den achterkant van het huis niet neergelaten en +terwijl de oude dame rustig zat te werken, wierp het zonlicht schuine +stralen op haar gestalte en deed het mooie, witte haar glinsteren +als zilver. De vriendelijke, bruine oogen werden vochtig, terwijl +zij ze op haar werk hield geslagen, want al keek zij niet op, ze +voelde toch wel hoe Elsje's oogen dof en treurig naar haar keken en +haar hart was vol medelijden voor het arme kind, dat nergens troost +scheen te kunnen vinden voor haar smart. + +Eindelijk liet ze haar werk in den schoot zakken, keek peinzend naar +buiten in het heldere, vroolijke licht vol leven en lente, legde toen +wol en haakpen naast zich neer op de tafel, en schoof, de ingeving van +haar hart volgend, een in zwart kalfsleer gebonden boek naar zich toe. + +Elsje had met hare oogen hare bewegingen gevolgd, zonder er veel +belang in te stellen. + +De oude dame sloeg een paar malen de bladzijden van het boek om, +dat met groote, duidelijke letters gedrukt was; toen begon ze met +hare welluidende stem hardop te lezen: + +"_Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp komen zal_. + +"Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde +gemaakt heeft. + +"Hij zal uwen voet niet laten wankelen, uw Bewaarder +zal niet sluimeren...." + +Elsje hield den blik onafgewend op haar gevestigd en er kwam een +wonderlijke verandering in de uitdrukking van haar gezicht, terwijl ze +luisterde naar de bekende woorden van den psalm--denzelfden psalm, +dien zij haar grootmoeder op dien gedenkwaardigen Zondagochtend +voorgelezen had. + +Reeds toen ze de eerste woorden hoorde, week hare onverschilligheid +en aandachtig, onwillekeurig de handen vouwend, luisterde ze naar +de lieve stem en dronk de troostende woorden in, die deze las. Er +heerschte een vredige rust in de kamer, waar de zon een gouden gloed +wierp over de doffe tinten van het tapijt en grillige figuren tooverde +op het behang en de donkergroene bedgordijnen van het mahoniehouten +ledikant. Schilderachtig en aantrekkelijk was de gestalte der oude +dame, zooals zij daar zat, met het grijze hoofd even voorover gebogen +over den Bijbel en de kleine, gerimpelde handen rustig gevouwen +in haar schoot. Dartele zonnestraaltjes speelden over haar japon, +het zwart kanten mutsje en het witte haar, maar zij verschoonden het +oude, schoongevormde gelaat, waarop thans een eenvoudig kinderlijke +uitdrukking lag. Het was alsof er een weldadige invloed uitging +van hare geheele persoonlijkheid en het luisterende kind bleef haar +aanzien met een glans van innige dankbaarheid in de oogen, toen de +psalm reeds geëindigd was. + +Grootmama keek zwijgend voor zich uit, nadat ze de laatste woorden +had gelezen: _"De Heer zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van +nu aan tot in der eeuwigheid,"_ en het was Elsje, als zag ze haar +eigene grootmoeder voor zich, zooals deze tegenover haar had gezeten +aan den ochtend, waarop zij zelf haar den psalm had voorgelezen, +die haar getroost en bemoedigd had, evenals hij het nu haar +kleindochtertje deed. Ze bleef stil liggen en voor het eerst sedert +het bange oogenblik, waarop men haar had verteld dat haar grootmoeder +gestorven was, keerde de hoop terug in haar hart en was het haar, als +voelde zij zich gesteund door een sterke hand, gesteund om geduldig en +geloovig te dragen wat haar werd opgelegd, getroost door de woorden: +_"Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft."_ + +Het bleef een poosje stil in de kamer, toen klonk het zacht en bedeesd: + +"Grootmama." + +De oude dame keek snel op. Niettegenstaande zij Elsje herhaaldelijk +had aangemoedigd haar bij dien naam te noemen, was deze altijd met +zekere verlegenheid "mevrouw" blijven zeggen, bevreesd als zij was +dat hare tante en Cécile er aanmerking op zouden maken als zij anders +handelde. Nu dacht zij hieraan echter niet, ze voelde alleen maar +een onuitsprekelijk verlangen, haar hart uit te storten tegenover de +lieve vrouw, die zoo goed scheen te begrijpen hoe vreeselijk bedroefd +zij was en welken troost zij noodig had. + +"Ja lieveling," zei grootmama, naar het bed toegaande. + +"Ik wou u graag eens vertellen van grootmoeder.... van dien psalm...." + +En met de hand der oude dame in de hare vertelde zij van den ochtend, +waarop hare grootmoeder haar had gezegd dat zij afscheid moesten +nemen voor een tijd. Hoe zij er tegen op gezien had hier te komen +en hoe ze bang was dat men hier heel weinig van haar hield en dat ze +hier nu toch zou moeten blijven en hoe zij graag haar best wou doen, +maar het zoo heel moeielijk vond precies te wezen, zooals ze moest, +en hoe ze veel liever zou willen werken en zelf haar brood verdienen, +als zij weer beter was en hoe gelukkig en vroolijk haar leven was +geweest bij haar grootmoeder in het aardige kleine huisje. En hoe zij +er tegen op zag, altijd in een stad te moeten wonen en een jonge dame +te moeten worden en hoe verschrikkelijk moeielijk het haar toescheen, +altijd precies te weten wat ze zeggen moest en hoe ze zich moest +gedragen. En hoe erg ze soms verlangen kon om terug te zijn in haar +vriendelijk dorp en lange wandelingen te maken over de ruime heide en +langs den breeden straatweg--en hoe haar grootmoeder óók had gezegd +dat zij nooit alleen zou zijn, want dat er Een was, die haar altijd +nabij zou wezen en....en....hoe ze dat zelf ook geloofde. Eindelijk +zei grootmama dat ze nu al zooveel had gepraat dat zij zich te moe +zou maken, als ze nog meer zeide en dat ze nu eens probeeren moest, +of zij niet wat slapen kon. Ze moest zich nu maar bedaard houden +en vast _blijven_ hopen dat ze geholpen zou worden, altijd. En zij +mocht niet denken dat niemand hier van haar hield, want dat wist +ze wel beter en allen zouden zeker langzamerhand nog meer van haar +gaan houden en wat haarzelve betrof, zij hield van Elsje, alsof ze +haar eigen kleindochtertje was, dat wist zij immers wel? En Elsje +knikte haar dankbaar toe. Ja, dat had ze wel gevoeld dat grootmama +van haar hield en zij vond haar zoo lief en goed.... En toen ze dit +zeide, strekte zij de armen uit en het gezicht der oude dame naar +zich toetrekkend, drukte zij er een kus op. "Dank u wel voor alles," +fluisterde ze--toen viel ze in een gerusten slaap. + +Stil en terneergedrukt keerde mevrouw d'Ablong van haar droevige reis +terug. De oude vrouw was 's nachts kalm ingeslapen, nadat zij den +vorigen dag erg had geklaagd over benauwdheid en een duizelig gevoel +in het hoofd. 's Ochtends was zij nog een brief aan Elsje begonnen, +met het voornemen dien 's avonds af te maken. Toen had ze zich echter +zoo ongesteld gevoeld, dat ze maar gauw naar bed gegaan was en men +om den dokter had gezonden. Deze had haar poeiers gegeven en gezegd +dat zij vooral niet op moest staan, voordat hij den volgenden ochtend +weer bij haar was geweest--en toen die ochtend kwam, lag zij met een +uitdrukking van vrede op haar gezicht, dood op hare legerstede. Aafje's +zuster was 's nachts herhaaldelijk opgestaan om naar haar te kijken en +de patiënt sliep toen telkens rustig, totdat hare verzorgster haar een +diepen zucht had hooren slaken en naar haar toegegaan was, om te vragen +of zij weer benauwd was en nog eens wou innemen. Op dat oogenblik had +Elsje's grootmoeder den laatsten adem uitgeblazen. De dokter had toen +'s ochtends terstond aan mevrouw d'Ablong getelegrafeerd. + +Deze had den begonnen brief voor Elsje meegenomen, benevens enkele +kleinigheden, waaraan zij meende dat het meisje gehecht zou kunnen zijn +en ook den grooten, ouderwetschen Bijbel, waarin de oude vrouw nog een +der laatste dagen van haar leven met bevende letters Elsje's naam had +geschreven. Of zij daarbij een voorgevoel gehad had van haar naderend +einde? Haar kleindochtertje las den begonnen brief met brandende oogen. + + "Mijn lief kind," las ze, + + "Wat begin ik nu erg te verlangen dat je weer thuis komt. Het + is mij net alsof je al maanden weg bent geweest. Krelis heeft + het poesje maar weer mee naar huis genomen, hij zou het voor + je bewaren, zei hij. Aafje's zuster is er zoo bang voor en + het arme diertje kan geen goed bij haar doen. Wil je aan + tante zeggen ...." + +Dat was alles. Het bericht over Elsje's ziekte was juist te laat +gekomen. Met een diepen zucht gaf zij den brief ter lezing aan mevrouw +d'Ablong, die zeer ontroerd was geweest, toen zij haar weerzag. De +trotsche vrouw was geheel onder den indruk van de eenvoudige +plechtigheid der begrafenis in het dorp, waar ze haar jeugd had +doorgebracht en van het vredig sterven der moeder, wier liefde zij +zoo weinig had gewaardeerd. Voor 't oogenblik althans was haar hart +vervuld van een vurig verlangen om tegenover Elsje goed te maken wat +zij tegenover de oude vrouw had verzuimd en met groote hartelijkheid +sprak zij het bedroefde meisje toe en beloofde haar dat _zij_ nu +voor haar zorgen zou en haar een gelukkig thuis verschaffen. Er +viel een lichtstraal van hoop in Elsje's hart, terwijl ze naar haar +luisterde en iets van haar ouden moed en frisschen levenslust keerde +terug. En er kwam een blik van verbaasde dankbaarheid op haar gezicht, +toen ook Cécile, die hiertoe door hare moeder was aangespoord, haar +vriendelijk toesprak en--hoewel met een haperende stem--zeide, dat +zij hoopte dat Elsje gelukkig zou zijn hier, in haar nieuw tehuis. + +Intusschen herstelde Elsje slechts langzaam. Zij bleef hoesten +en aanvallen van koorts krijgen en moest nog steeds haar kamer +houden. "Geduld maar, geduld maar, wij gaan toch vooruit," zei de +dokter en Elsje _was_ geduldig en droeg hare beproeving en haar +leed zoo moedig mogelijk. Het was een zware dag voor haar, toen +grootmama weer naar buiten vertrok en aan den middag van dien dag +zat ze stil en ernstig voor zich uit te zien in den tuin, met een +gevoel van verlatenheid in haar hart, dat zij te vergeefs poogde +te overwinnen. Miss Piper zat bij haar en hare tante had haar een +ruikertje Maartsche viooltjes gebracht, maar daardoor was hare +stemming niet opgewekter geworden en ze moest zich geweld aan doen +om hare tranen te bedwingen. + +Daar hoorde zij plotseling een wonderlijk gestommel op de trap en +het vroolijk, helder gelach van een kind; toen een hoog stemmetje, +dat riep: "Jawel, ik kan best alleen. Ik zal wel roepen bij de +deur--ga maar gauw weer weg!" en daarop een getrippel van kleine +voetjes op het portaal. "Open de deur!" riep het heldere stemmetje +weer en toen Miss Piper haastig aan dit verzoek had voldaan, vertoonde +zich een alleraardigste kleine gedaante op den drempel. Twee groote, +donkerblauwe oogen, schitterend van pret, keken uit een rond, blozend +kindergezichtje, waaromheen een donkerrood, geplooid kaperhoedje +was gestrikt, van dezelfde stof gemaakt als het ruime manteljurkje, +dat bevallig neerhing om de kleine gestalte. In hare beiden handen +hield het kleine meisje, stevig vastgeklemd, een eirond voorwerp, +dat in een grijs papier was gewikkeld. + +"Daar kom ik aan!" zei ze met een vroolijk gezicht naar Elsje +toeloopend, nadat ze eerst heel beleefd Miss Piper een handje had +gegeven. + +"Liesje!" riep Elsje uit, terwijl het kind op haar schoot klauterde, +waarbij het kostbare pakje groot gevaar liep uit de kleine handen +te vallen. + +"Ben je nog ziek?" vroeg Liesje, Elsje's gezicht met groote +nauwkeurigheid bekijkend. "Je ziet heelemaal niet bleek." + +"Nu niet, omdat ik zoo blij ben dat jij bij me bent." + +"Denk je dan dat ik je wat kom brengen?" vroeg Liesje, met zulk een +grappige poging om te kijken alsof zulk een veronderstelling hoogst +ongerijmd zou geweest zijn, dat Elsje hardop lachte. + +"Nu, dacht je dat?" vroeg Liesje weer. + +"Ik dacht er alleen maar aan hoe prettig ik het vond, je daar opeens +te zien straks," zei Elsje. "Hoe ben je hier toch gekomen?" + +"Loulou is beneden bij Cécile, en ik zei dat ik een visitetje bij +jou zou maken," zei Liesje deftig. + +"Dat vind ik heel aardig van je." + +"Wat denk je dat hierin zit?" vroeg het kleine meisje, het +geheimzinnige grijze pakje bij Elsje's oor houdend en heen en weer +schuddend. Elsje hoorde iets zacht rammelen, maar werd daar niet veel +wijzer door. + +"Weet je het niet?" vroeg Liesje. + +"Neen, ik kan het niet raden." + +Liesje gleed van haar schoot af, liep naar Miss Piper toe, liet het +pakje aan _haar_ oor rammelen, maar met hetzelfde ongunstige resultaat. + +"Laat mij probeeren weer," zei Miss Piper, maar het hielp niets. + +"O maar, wat dom!" riep Liesje uit. "Nu _moet_ ik het je dan maar +laten kijken," en met een gewichtig gezicht het papier van het pakje +losmakend, haalde zij een paaschei van chocolade te voorschijn en +hield dit Elsje voor. + +"Nu al een paaschei?" zei Elsje met groote oogen. "Of heb je dit +misschien van verleden jaar bewaard?" + +Liesje schudde ijverig van neen. + +"Zij waren nog maar in één winkel te krijgen," zei ze, "en onze +juffrouw wist het." + +"Zoo, en je bent er zeker heel blij mee?" + +"Het is voor jou," zei Liesje, terwijl ze met een zucht van voldoening +het ei voor Elsje op de tafel legde. + +"Voor _mij_!" riep Elsje verheugd uit. "Maar Liesje, heb je dat dan +exprès voor mij gekocht?" + +Liesje knikte met een grappig pedante uitdrukking op haar +gezichtje. Toen zei ze haastig: + +"Van mama's geld, maar ik heb het bedacht." + +Elsje's oogen schitterden even blij als die van haar klein +vriendinnetje. Zij trok het kind naar zich toe en zei: + +"Ik ben er heel, heel blij mee. Dank je vriendelijk, hoor." + +"Bewaar je het tot Paschen?" vroeg Liesje ernstig. + +"Wou je dat liever? Of wou je er nu ook wel graag eens even van +proeven?" + +Liesje bedacht zich even en keek met begeerige oogen naar het ei. "Het +ziet er erg lekker uit," zei ze. + +"Dan moet je er nu ook maar een stukje van hebben. Wil jij het +kapot maken?" + +Neen, dat gewichtige werk moest Miss Piper maar doen, vond Liesje +en met gespannen aandacht volgde zij de bewegingen der Engelsche, +terwijl deze de lekkernij doorbrak en ieder een stukje gaf. Toen +bleef zij nog een poosje babbelen over Tom, die gauw zes jaar werd +en dan naar school ging en eindelijk nam ze afscheid met de stellige +belofte dat ze gauw eens weerom zou komen. + + + +Hoofdstuk XI. + +Evert Jacob Ferdinand Mors. + + +Elsje's herstel kwam langzaam maar zeker en toen het tegen Mei liep +en het voorjaar in het land was, keerde haar gezondheid geheel terug +en begon ze zich met den dag sterker te voelen. + +"Je zult nu spoedig weer geheel de oude zijn," zei de dokter, maar +"geheel de oude" zou Elsje, naar hare eigene meening, nooit weer +worden. Zij miste hare grootmoeder zoozeer en de gedachte dat het +gelukkige, zonnige leven met haar nooit terug zou keeren, de gedachte +dat alles zóó anders was geworden, dat ze zulk een geheel andere +toekomst te gemoet ging dan zij zich ooit had voorgesteld, dat zij +haar lief, gelukkig thuis voor goed had verloren en dat het nu haar +plicht was, zich in het deftige, groote huis harer tante op haar +plaats te gaan voelen en zich door deze te laten vormen en kneden, +tot ze eindelijk op den naam van "jonge dame" aanspraak zou kunnen +maken--dat alles drukte haar soms zoo, dat ze zich met zekeren schrik +afvroeg, hoe het kwam, dat er zoo weinig dankbaarheid in haar hart was +voor de zorgen, waarmede mevrouw d'Ablong haar omringde. Deze was, de +eerste weken na den dood van Elsje's grootmoeder, bizonder hartelijk +voor haar geweest en ook nu nog behandelde zij haar vriendelijker +dan ze gedaan had, toen Elsje haar logée was, maar ze kon toch nu +en dan haar ongeduld en wrevel niet onderdrukken, als ze zag, hoe +weinig Elsje nog vorderde in het aannemen van elegante manieren en +meer aristocratische spraak en wijze van zich uit te drukken en hoe +zij er geheel als een jong boerinnetje bleef uitzien. + +"Hoor eens Elsje," zei ze op zekeren dag, toen deze vroolijk geworden +door een bezoek van kleine Liesje, die haar in geen enkel opzicht +anders scheen te wenschen dan zij was en volgens hare zuster Loulou, +"een allerdwaaste vereering voor Elsje had opgevat"--"hoor eens Elsje, +ik moet nu toch eens even ernstig met je spreken. Kijk eens, ik wil +je heel graag bij mij houden en ik hoop dat je je hier hoe langer +hoe meer thuis zult gaan voelen, maar je bent nu verstandig en oud +genoeg, dunkt me, om te begrijpen, dat je je nu _anders_ moet gaan +gedragen. Gelukkig was nu zooeven alleen die kleine Liesje er bij, +toen je zoo ongemanierd hard lachte en daarbij je mond zoo ontzettend +wijd opendeedt...." + +"Dat doet ze alleen om te laten zien, dat ze mooie, witte tanden +heeft," zei Cécile, die in de kamer gekomen was, terwijl haar moeder +Elsje toesprak. + +"Och wat, dat is heelemaal niet waar!" zei Elsje driftig. "_Ik_ +ben zoo akelig nuffig niet als jij!" + +"Ga liever naar je kamer Cilly, snoesje," zei mevrouw d'Ablong +bedaard. "Elsje weet op 't oogenblik niet goed wat zij zegt. Het +spijt me heel erg te hooren, dat zij haar jaloezie nog altijd niet +overwonnen heeft." + +"Och tante, ik ben heelemaal niet jaloersch op Cécile," zei Elsje, +die zichzelf werkelijk weinig in bedwang had thans, opgeschrikt als +zij was uit hare vroolijke stemming door de onverwachte strafpredikatie +harer tante. "Ik ben juist heel blij dat...." + +"Zwijg Elsje," viel mevrouw d'Ablong in. "Kom Cilly, ga nu liever +heen." + +"O ja mama, met plezier," antwoordde Cécile spottend. Ze keerde zich +om, om de kamer uit te gaan, toen ze zich weer scheen te bedenken en +naar hare moeder terugliep. + +"Mama," zei ze zacht, terwijl ze mevrouw d'Ablong met hare +donkere oogen smeekend aanzag, "zult u het u nu heusch niet te veel +aantrekken? Ik vind het zoo naar dat u zooveel moeite hebt met Lizzie +en dat ze u zooveel verdriet doet." + +Ze had niet zoo fluisterend gesproken of Elsje had verstaan, wat zij +zeide. Ze beet zich op de lippen, wendde het hoofd af en keek met een +brandend gevoel in hare oogen den tuin in. Schreien wilde zij nu niet, +dàt zou Cécile er niet van hebben, maar o, wat vond zij haar naar, +naar--en wat zou ze haar graag eens flink door elkander hebben geschud +en haar gezegd hebben dat ze nooit, nooit op haar hoopte te gelijken, +in _niets_! + +"Kindlief," zei mevrouw d'Ablong, Cécile naar zich toetrekkend, +"zóó erg is het niet. Elsje meent het veel beter dan ze nu toont, +daarvan ben ik overtuigd. Maak je daarover nu maar niet bezwaard, +lieveling. Je ziet heusch wat bleek, snoesje, je moet bepaald van +den zomer weer eens naar zee. Wat is er toch, Cilly, je voelt je toch +immers heel wel?" + +"Ja _mother dear_, ik ben alleen maar een klein beetje zenuwachtig; +ik vind het zóó naar voor u." + +"Maar kindje, dat moet je je nu heusch zoo niet aantrekken. Alles zal +langzamerhand wel beter gaan. Maar ik vind het toch heel lief van je, +om zoo voor mij te voelen. Ga nu gauw naar je kamer. Keetje zal je +een kop bouillon brengen straks. Laat Miss Piper bij je gaan zitten +en ga dan even op je rustbank liggen." + +Cécile ging nu werkelijk heen en geduldig luisterde Elsje verder naar +de terechtwijzingen en raadgevingen harer tante, die bizonder veel +woorden schenen te vereischen. "Ik heb er over gedacht," eindigde ze, +"om je naar een kostschool te sturen, maar ik heb hiervan afgezien, +omdat je je daar waarschijnlijk zeer eenzaam voelen zoudt en je bijna +voortdurend zoudt moeten schamen, niet alleen over je slechte manieren, +maar ook omdat je nog maar zoo heel weinig geleerd hebt en natuurlijk +geheel van voren af aan zoudt moeten beginnen met de talen enz. Van +'t najaar zullen we dus een aanvang maken met je goede privaatlessen +te laten geven--voor je gezondheid is het beter dat we nu nog wat +wachten. Je kunt je nu wel vast wat oefenen in het Engelsch met Miss +Piper. Over een poosje zullen Cécile en ik wel naar een of andere +badplaats moeten en ik weet nog niet of we jou dan mee zullen nemen +of niet. Dat hangt ook van je gedrag af. In ieder geval zal ik er +voor zorgen dat je ook nog eens buiten komt van den zomer. Dat zal +je goed doen, denk ik, maar ik verwacht dan ook stellig van je dat +je veel meer je best zult doen dan tot nu toe gebeurd is, om te zijn +en je te gedragen zooals _ik_ dat wil en zooals het ook behoort. Het +spijt mij heel, heel erg dat je het nog altijd niet schijnt te kunnen +verdragen dat Cécile in alles je meerdere is. Het spreekt van zelf +dat zij dat is en dat ze dat blijven zal ook, maar je kunt toch heel +goed probeeren om haar na te volgen wat hare manieren en houding en +alles betreft. Ik zeg je nu nog eens beslist dat ik _verkies_ dat je +je vriendelijk tegenover haar gedraagt en ik raad je sterk aan met +alle macht tegen je jaloezie te strijden. Cilly kan het niet helpen +dat zij mooi is en dat jij niet op haar lijkt." + +Elsje antwoordde niet, maar zij voelde zich diep gekrenkt. Alsof zij +er ooit aan gedacht had om jaloersch op Cécile te zijn en dáárom! + +Met een zucht verliet ze de kamer, toen hare tante haar daartoe verlof +gegeven had. Voor de zooveelste maal nam ze zich voor nog meer haar +best te doen om het mevrouw d'Ablong naar den zin te maken en een +beetje van Cécile te gaan houden. Maar het was zoo moeielijk en Cécile +behandelde haar altijd zoo uit de hoogte en zoo onvriendelijk! O, +zij _kon_ niet van haar houden! Toen zij den vorigen dag op Cilly's +kamer gekomen was, om voor 't eerst na den dood harer grootmoeder, +de andere meisjes weer te spreken--waren Cato en Emma en zelfs Loulou +vriendelijk voor haar geweest en hadden een paar hartelijke woorden +tot haar gesproken over haar verlies, maar Cécile was al gauw over wat +anders begonnen en een poosje later hadden de meisjes samen zitten +te fluisteren en te giegelen, terwijl Elsje er stil en verlegen +bij zat. Zij was toen eindelijk maar weg gegaan en naar haar eigen +kamer geloopen, met een gevoel van verlatenheid en bitterheid in haar +hart. Ja, ze was toen zoo boos geweest en zoo hevig ontevreden met +haar lot, zoo vol haatdragendheid tegenover Cécile in haar hart--dat +ze geschrikt was voor zichzelf en in wanhopige droefheid de handen +gevouwen had en uitgeroepen: "Help mij toch, o Heer, ik word zoo +slecht!" En zij had toen zoo naar hare grootmoeder verlangd, zoo +vreeselijk, dat het haast niet uit te houden was geweest. + +En nu vandaag--alweer die bittere uitval tegen hare tante! Wat moest +zij beginnen?--Zij was heel, heel anders dan vroeger! Toen had ze +zich zoo zelden ongelukkig gevoeld en o nooit, nooit zoo slecht, +zoo bitter, zoo ontevreden met haar lot! Maar och, toen was haar +leven ook blij en vriendelijk geweest, vol heldere, vroolijke +zonnestraaltjes en eenvoudig, rein genot! En dan kwam daar opeens +met bijna onweerstaanbaren drang, een snakkend verlangen in haar +op naar buiten, naar een lange, frissche wandeling, zooals ze die +vroeger zooveel had gedaan--alleen met de ruime, groote natuur om zich +heen--alleen op de heide, alleen tusschen de dennen, den harsgeur met +wellust opsnuivend--alleen op den vriendelijken, schilderachtigen +straatweg, vanwaar zij het huisje harer grootmoeder reeds uit de +verte kon zien liggen--alleen in de heerlijke, vrije, rijke natuur, +ver verwijderd van alle menschelijke kleingeestigheid! + +Iederen dag ging ze een eind wandelen met Miss Piper en Cécile. En zij +zag de knoppen der boomen op de pleinen en langs de grachten zwellen +en ze keek op naar de lucht, waarin het zachtwit der kleine wolken +zoo fraai afstak bij het heldere blauw en ze zag den gouden gloed +der zon op het oude, grijze steen van groote, statige gebouwen en op +het dek der schepen in de gracht en in het tintelende, rimpelende +water en op de bogen der bruggen en ze zag al de vroolijke drukte +van het voorjaar in de bonte uitstallingen der kleedermagazijnen en +in de elegante toiletjes der dames en kinderen in de parken en ze zag +dat de stad mooi was in den lentetooi--maar het verkwikte haar niet; +het was haar als kon zij er niet ruim en diep ademhalen--zij snakte +naar de plechtige stilte en de reine, vroolijke lieflijkheid van het +voorjaar _buiten_. + +O, wat waren de straten stoffig en warm en wat was het vol en +luidruchtig in het park, waar Cécile altijd zoo gaarne wandelde! Het +wemelde er van rijtuigen en kinderwagens en bovenal van menschen--allen +keurig gekleed, wandelend naast elkaar, netjes en deftig met +parasols en elegante wandelstokken, of rijdend in fraaie equipages +met livrei. Elsje drukte soms hare handen stijf tegen elkaar in de +glacé handschoenen om zichzelf te dwingen, bedaard naast Miss Piper +te blijven loopen. + +Met een bijna woeste hartstochtelijkheid kwam er dan een verlangen +over haar, om de nette, geëffende paden langs te hollen in vroolijk +huppelenden draf en het park uit te loopen naar buiten, ver buiten +de stad, naar de weide in het verschiet met de goudgele, glanzige +dotterbloemen, waar het gegons der blijde insecten niet vermengd +was met het geluid van schelle menschenstemmen. En o, om daar dan +de pijnlijk knijpende, nauwe knoopjeslaarzen te mogen uittrekken, +den breeden vilten hoed aan den arm te hangen, de fluweelen jurk uit +te doen en met bloote armen in haar onderlijfje rond te loopen en +adem te halen uit ruime borst in de heerlijke, geurige, reine lucht +en dan neer te vallen op het fluweelzachte, groene gras, te liggen +kijken naar de blauwe, blauwe lucht en met hare handen het frissche, +malsche gras te voelen. Naar buiten, naar buiten! + +En dan hoorde ze de vriendelijke stem van Miss Piper naast zich: + +"Moe, Elsie? Wou je lijken te gaan huiswaarts? De lucht is te heet; +het is te veel voor je." + +En dan knikte Elsje bevestigend. Ja, ze wou maar liever naar huis. + +Soms dacht ze, of ze zich misschien nog zoo weinig in hare nieuwe +omgeving op hare plaats voelde, omdat zij den omgang miste met menschen +uit haar eigen stand. En eindelijk vermande ze zich, om aan hare tante +te vragen, of ze het kruideniersgezin eens mocht gaan opzoeken. Ze had +die vraag telkens uitgesteld omdat ze een voorgevoel had, dat mevrouw +d'Ablong haar verzoek met een weigering zou beantwoorden en daarin +had zij zich niet bedrogen. Alleen uitgaan mocht ze niet meer na den +noodlottigen avond van het bal en dat hare tante er ooit uit zichzelf +toe zou komen om met haar een bezoek te maken in den kruidenierswinkel, +achtte zij hoogst onwaarschijnlijk. Toen zij met haar vraag voor den +dag kwam, klonk het terstond zeer beslist: "O neen kind, daar zie +ik volstrekt geen nut in. Die menschen zijn heel vriendelijk voor +je geweest, dat is waar, maar ik vind het allerminst gewenscht dat +je je verder met hen bemoeit en visitetjes bij hen gaat maken. Als +het weer St. Nicolaas is, kunnen we er wel eens iets heensturen en +er bij schrijven dat het van jou komt, maar familiariteiten met hen +verlang ik in 't geheel niet voor je. Ik ben al blij genoeg dat je +nooit een lid van dat gezin tegenkomt op je middagwandeling met Miss +Piper en als dat ooit gebeuren mocht...." + +"Wij gaan altijd een heel anderen kant uit, nooit die straat door," +viel Elsje in. + +"En dat is wel heel goed ook. Maar je moet iemand niet zoo onbeleefd in +de rede vallen, Elsje, dat hoort zoo niet. En houd je armen toch niet +zoo wijd van je lijf. Lieve tijd, kind, wat moet ik je dat dikwijls +zeggen! Kom, ga nu maar naar Miss Piper. Ik hoor met genoegen dat je +al een klein beetje begint te vorderen in het Engelsch. Gelukkig dat +je tenminste niet dom bent." + +"En ik _wil_ die aardige, lieve menschen dan toch nog eens zien +en hun zeggen, hoe dankbaar ik hun ben voor hun vriendelijkheid op +dien vreeselijken avond," dacht Elsje, terwijl zij naar de leerkamer +liep. "Ik zal hun dan meteen zeggen dat ik nooit weer mag komen, +maar één keer moet ik er nog heen--dat kan tante onmogelijk verkeerd +vinden." + +Het besluit was gauw genomen, maar hoe zou ze het ten uitvoer +brengen? Dat ging veel gemakkelijker dan ze had durven hopen. + +Op zekeren ochtend was mevrouw d'Ablong uitgegaan om een arm gezin +te bezoeken, Miss Piper lag met hoofdpijn te bed en Cécile was den +geheelen dag bij Loulou van Rensen om haar te helpen met het nummeren +van voorwerpen voor een bazaar. Elsje was dus geheel aan haar lot +overgelaten en, zooals ze met een zucht van tevredenheid bedacht, +geheel vrij. Terstond kwam het denkbeeld bij haar op, dat dit nu een +geschikte gelegenheid was om even uit te gaan en een paar oogenblikken, +heel kort maar, in den kruidenierswinkel door te brengen. Haar +geweten begon onrustig te kloppen bij de gedachte dat zij iets zou +gaan doen dat hare tante hoogst waarschijnlijk af zou keuren, maar +alweer troostte zij zich met de gedachte: "Als ik er heel even heenga +om hen te bedanken en dan zeg dat ik nooit weerom mag komen, _kan_ +tante het zoo erg niet vinden," en zonder zich langer te bedenken, +zette zij haar hoed op, deed haar mantel om en ging heen. In de gang +kwam ze Dina tegen, die haar verwonderd aankeek, maar Elsje vroeg +haar met zoo'n grappig deftig _air_, of ze haar even uit wou laten en +liep toen zoo bedaard en netjes de stoep af--ze begon in die dingen +al aardig aan te leeren!--dat Dina tot de overtuiging kwam dat alles +in orde was en met een lachje naar de keuken terugliep. "Ze wordt +heusch al heelemaal een klein dametje," dacht ze. + +Spoedig had Elsje de drukke winkelstraat ingeslagen en vlug stapte +ze voort, totdat ze vlak in de buurt van den kruidenierswinkel +kwam. Toen vertraagde zij haar pas en eindelijk bleef ze aarzelend +staan. Plotseling begon haar geweten weer te spreken. Eigenlijk mocht +zij toch niet doen wat ze zoo vurig wenschte, eigenlijk had hare tante +haar toch bepaald verboden naar hare vrienden toe te gaan--eigenlijk +had zij toch maar stil thuis moeten blijven! Wacht, ze zou maar +heel even den winkel voorbijgaan--alleen maar één enkel oogenblik +naar binnen kijken. Dan zou ze weer bedaard naar huis terug gaan en +nooit weer haar best doen met het kruideniersgezin in aanraking te +komen. Langzaam liep ze den hoek om, het verboden terrein voorbij, +toen zij eensklaps de deur van den winkel rinkelend hoorde opengaan +en Everts blijde kinderstem hoorde roepen: "Elsje! Elsje! Moeder, +moeder, daar is Elsje eindelijk!" + +Nu was het gedaan met Elsje's bedachtzaamheid. Zij bleef staan, liet +zich door den verrukten Evert in den winkel trekken en stond weldra, +met een van blijdschap stralend gezicht, voor haar vroegere gastvrouw. + +"Dag Elsje," zei deze op hartelijken toon, "dat is goed, dat we je +eindelijk eens weerzien. En ben je hier nog altijd gelogeerd?" + +"Neen," zei Elsje, terwijl de blijde trek van haar gezicht verdween, +"mijn grootmoeder is gestorven en nu blijf ik hier." + +"Och, wat is dat treurig; is je grootmoeder dood? Arm kind! En blijf +je nu bij je tante?" + +"Ja," zei Elsje, bij de gedachte aan mevrouw d'Ablong weer onrustig +wordend, "en ik kom u nu maar heel even bedanken dat u zoo goed en +vriendelijk voor me geweest bent, toen op dien akeligen avond. Ik +.... ik vergeet dat bepaald nooit, maar nu moet ik weer weg." + +"Weer weg! Nu al! En je bent er net! Kom, dat meen je niet en Evert +heeft al zoo lang naar je verlangd." + +"Ja, maar ik moet toch heusch dadelijk weer naar huis. Ik bedank u +nog hartelijk voor alles." + +"Nu ja, dat weet ik nu wel dat je heel dankbaar bent, maar ik vind +het niet aardig, als je niet nog wat blijft. Kom Evert, haal maar +eens even een stoel voor Elsje--wij kunnen niet naar binnen gaan, +want mijn man is uit en ik kan den winkel niet alleen laten." + +Evert kwam hijgend en met een vuurroode kleur van inspanning met een +stoel aansjouwen en met de woorden: "Dan blijf ik nog even," ging +Elsje zitten. En zonder zich een oogenblik te bedenken, vertelde ze +nu wie zij was en waar zij gewoond had en hoe hare tante heette en +hoe moeilijk zij het nog vond aan het stadsleven te wennen. Gevleid +door de zeer groote belangstelling der kruideniersvrouw, die met +een verbaasd gezicht naar haar luisterde, terwijl Evert steeds met +grappige vragen tusschenbeide kwam, als hij niet begreep wat zij +zeide, babbelde Elsje druk voort, totdat de schel der winkeldeur en +het binnenkomen van een klant haar stoorden en zij opsprong met een: +"Maar nu moet ik heusch terstond weg." + +"Dan breng ik je een eindje," zei Evert zeer galant en deftig. "Moeder, +mag dat? Mag ik even met Elsje mee?" + +"Ja, maar dan een heel klein eindje hoor, niet verder dan tot de +gracht, waar Elsje woont. En dan dadelijk weer thuis komen, anders +wordt moeder ongerust." + +Evert vloog heen om zijn pet te halen en een oogenblik later trippelde +hij, druk pratend, naast Elsje voort. + +Tot haar blijdschap zag zij op de klok in den bekenden bloemenwinkel +dat het eerst elf uur was. Hare tante zou dan zeker vooreerst nog +niet thuiskomen--zoo heel veel haast behoefde ze dus eigenlijk +niet te maken. Het was zoo aardig en gezellig om langzaam voort +te drentelen met den aardigen, kleinen Evert naast zich, die haar +zooveel te vertellen had! Wat zou het heerlijk zijn, als hare +tante nog van besluit veranderde en haar toestond hare vrienden +geregeld te bezoeken--al was het maar één keer in de maand bij +voorbeeld. Over mevrouw d'Ablong en Cécile had zij heel weinig met +de kruideniersvrouw gesproken--hare natuurlijke fijngevoeligheid +had haar daarvan weerhouden. Ook had ze niet over haar lot geklaagd; +dat zou zóó ondankbaar geweest zijn, vond ze. Och heden, daar waren +zij al bij de gracht, dan moest ze Evert nu terugsturen en zelf ook +weer naar huis gaan. Juist wilde zij haar vriendje goedendag zeggen, +toen een grappig tooneeltje voor het smalle hoekhuis der stille gracht, +haar aandacht trok. + +Een steviggebouwde vischboer, klein van stuk, maar overigens stoer +en forsch, met een rond, frischrood gezicht, levendige bruine oogen, +die half listig, half schalksch keken, en geelblond haar, waarvan een +lok van voren onder zijn pet uitkwam, stond, met zijn vischkar naast +zich, druk over zijn koopwaar te onderhandelen met het dienstmeisje +van het hoekhuis. Zij schenen het niet eens te kunnen worden over +den prijs der "prachtige, springlevende" botjes, die de boer niet +ophield met groote welsprekendheid aan te prijzen. Een slagersjongen +met een mand op den rug en een paar straatjongens stonden met open +monden te luisteren naar het levendige debat, zonder er zich ook maar +een oogenblik in te mengen. Het zeer belangstellende, toeschouwende +publiek werd thans nog vermeerderd door Elsje en den kleinen Evert. + +"Geloof me, kindlief, ik kan ze je onmogelijk minder geven dan voor +zestig cents," begon de vischboer weer. + +"Dat kan je begrijpen, vijf-en-veertig," zei het dienstmeisje, +"geen cent meer en dan zijn ze nog heel goed betaald ook!" + +"Dat meen je niet! Ik zie aan je gezicht dat je het niet meent. Dat +kan ik immers niet doen! Al stond de koningin daar nu in eigen persoon +voor me..." + +"Nu heel best dan," viel het dienstmeisje snibbig in, "dan moet je +het laten, maar houd me dan ook niet langer op," en meteen maakte +zij een beweging, alsof ze de voordeur wou sluiten. + +"Nou, neem ze dan in vredesnaam maar," zei de consequente vischboer +met een zucht en met een gezicht, alsof hem het grootste onrecht werd +aangedaan. "Ik kan nou eenmaal niet zoo van jou weggaan, daarvoor +heb ik te veel hart voor je, maar anders, 't is schande, schande." + +"Ja, praat jij maar toe," lachte het dienstmeisje, "kom, maak ze maar +gauw schoon. Ik heb wel wat anders te doen dan hier den heelen morgen +naar jou te staan luisteren." + +Op dit oogenblik, terwijl Elsje en Evert met de grootste aandacht +het gesprek volgden, kwam mevrouw d'Ablong, in gezelschap van mevrouw +van Rensen, de gracht langs. De laatste zag Elsje het eerst. + +"Vergis ik me, of is dat uw nichtje, die daar staat te kijken naar +die onappetijtelijke vischkar?" vroeg ze aan haar buurvrouw. + +"Wel neen, Elsje is thuis," zei mevrouw d'Ablong, maar ze keek toch +haastig naar de plek, waar de vischboer nog stond met zijn bewonderend +gehoor om zich heen. + +"Ja, ik geloof toch, dat zij het is," zei ze snel. "Hoe durft ze! Ik +begrijp niet...." + +"Zij schijnt nog niet in _alle_ opzichten een jonge dame te zijn," +zei mevrouw van Rensen met een spottend glimlachje. "Uw taak is niet +gemakkelijk, lieve mevrouw." + +De arme mevrouw d'Ablong had juist met veel voldoening aan hare +aristocratische kennis verteld, dat Elsje haar "dorpsmaniertjes" +geheel begon kwijt te raken! + +"Ik neem hier nu maar afscheid van u," begon mevrouw van Rensen +weer, terwijl zij staan bleef en hare gezellin moeite deed kalm te +blijven. Hoe kon Elsje nu toch ook zoo ongemanierd zijn! "Dag lieve +mevrouw, zal ik Cilly maar hartelijk van u groeten? Loulou is steeds +in één adoratie voor haar." + +Mevrouw d'Ablong nam haastig afscheid en liep toen vlug naar Elsje toe, +die half met den rug naar haar toegekeerd stond. Zij keek verschrikt +op, toen zij een hand op haar schouder voelde en een bekende stem +aan haar oor hoorde zeggen: + +"Wat doe jij _hier_? Ga terstond mee naar huis." + +"O ja tante," stamelde Elsje, "ik .... ik was al op weg. Ik ... ben +maar even uit geweest." + +Evert hield hare hand stijf vast en zag ernstig op naar de deftig +gekleede dame, die zoo boos keek. + +"Wat is dat voor een kind?" vroeg zij scherp. + +"Ik heet Evert, Jacob, Ferdinand Mors," zei het kereltje trotsch, +"en Elsje zegt...." + +"Nog eens, wie is dat kind?" viel mevrouw d'Ablong in, terwijl zij +zich met Elsje en Evert van het vischtooneel verwijderde. + +"Het is het zoontje van den kruidenier," zei Elsje bijna fluisterend. + +"Dus je bent daar _toch_ heen geweest, hoewel ik het je bepaald +verboden had?" vroeg hare tante met ingehouden toorn. + +"Ja," antwoordde Elsje heel zacht. + +"Waarom knijp je mijn hand zoo vreeselijk stijf?" vroeg Evert met +een helder stemmetje. "Ben je bang voor die mevrouw?" + +Elsje antwoordde niet. Het schreien stond haar nader dan het lachen. + +"Ik wil nu maar liever naar huis," zei Evert, hare hand loslatend. + +"Wij zullen je wel even brengen, kind," zei mevrouw d'Ablong +opeens. "Wijs ons den weg maar." + +Tot Elsje's verbazing sloegen zij de breede winkelstraat weer +in. Mevrouw d'Ablong sprak geen woord meer en het was haar aan te zien +dat zij haar best deed, bedaard te blijven. Zij keek in 't geheel +niet naar Elsje, maar strak voor zich uit. De kruidenierswinkel was +spoedig bereikt. Evert duwde gedienstig de rinkelende winkeldeur open +en vloog naar binnen, op zijn moeder toe. + +"Wij hebben zoo'n plezier gehad," zei hij, "en er was een vischkar +met een vroolijken man en Elsje en ik..." + +"U bent zeker de moeder van dit jongetje?" vroeg mevrouw d'Ablong +beleefd, maar zeer uit de hoogte en zonder er aan te denken dat zij +Evert in zijn verhaal stoorde. + +"Jawel mevrouw," antwoordde de kruideniersvrouw, terwijl ze met een +verwonderden blik nu eens naar Elsje, dan naar mevrouw d'Ablong keek. + +"Dan mag ik u nog wel eens vriendelijk dank zeggen voor uw gastvrijheid +tegenover mijn nichtje," zei Elsje's tante, terwijl ze haar beurs uit +den zak haalde, er een gouden tientje uitnam en dit op de toonbank +legde. "Dit kan zeker wel voor den spaarpot van uw kleinen jongen +dienen?" + +"O ja, ja," riep Evert verheugd. "Staat het koninginnetje erop, +moeder?" + +"Het spijt me dat Evert uw geschenk gezien heeft, mevrouw," zei +zijn moeder beleefd, "want ik zou het u liever weer teruggeven. Wij +zijn niet vriendelijk voor Elsje geweest met het doel er geld voor +te krijgen." + +"O neen, dat begrijp ik heel goed," zei mevrouw d'Ablong haastig en +vol verlangen om een eind te maken aan het onderhoud. "Maar u wilt +het toch zeker wel aannemen voor den spaarpot van uw zoontje? Ik +.... ik wou u ook nog even zeggen ... u begrijpt ... mijn nichtje +leeft in zoo'n geheel andere omgeving.... Ik geloof dat het voor +beide partijen aangenamer zal zijn, als zij u niet meer bezoekt." + +Elsje werd vuurrood en keek het raam uit. Zij _kon_ de goede +kruideniersvrouw niet langer aanzien. + +"O! u bedoelt dat wij niet goed genoeg voor haar zijn? Niet deftig +genoeg?" vroeg deze, met iets scherps in hare stem. + +Mevrouw d'Ablong zweeg; het was geheel onnoodig deze vragen nog +te beantwoorden. Die vrouw achter de toonbank had het heel juist +uitgedrukt--dat was precies wat zij bedoelde. + +"Het zou mij spijten, als ik u gekrenkt had," zei ze eindelijk op +vriendelijken toon. "Ik ben u werkelijk heel dankbaar voor uwe +goedheid tegenover mijn nichtje en zijzelf is vol lof over uwe +hartelijkheid. Maar.... + +"Jawel, jawel, ik begrijp u heel goed," viel de kruideniersvrouw +snel in, terwijl hare oogen schitterden van nog iets anders dan +verontwaardiging. "Neem je geld terug, als 't je blieft, mevrouw, +wij hebben dat niet noodig. U zult wel gelijk hebben, het zal beter +zijn dat Elsje niet meer hier komt." En met driftige haast begon zij +de theebussen en trommels op de planken aan den muur te verschikken. + +Mevrouw d'Ablong wachtte even, kuchte en zei eindelijk: + +"Dan zullen wij nu maar heengaan, juffrouw. Ik dank u nog zeer voor +uwe vriendelijkheid jegens mijn nichtje." + +De kruideniersvrouw keerde zich snel om. "Ik geloof dat u iets +vergeet, mevrouw," zei ze, toen zij het geld nog op de toonbank zag +liggen. Mevrouw d'Ablong deed precies alsof zij haar niet hoorde en +liep den winkel uit. Elsje volgde langzaam. Met een bedroefd gezicht +wendde zij zich nog even om, keek de kruideniersvrouw smeekend aan +en fluisterde: + +"Houd het als 't je blieft voor Evert, och toe, als 't je blieft. We +zien elkaar toch nog wel _eens_ weer, denk ik." + +En na den kleinen, zeer verbaasden Evert snel een kus gegeven te +hebben en zijn moeder een treurig afscheidsknikje, haastte ze zich, +zich bij hare tante te voegen. + +Deze bleef zwijgend naast haar loopen en deed juist alsof Elsje +niet bij haar was, totdat zij thuis waren gekomen. Toen opende zij +terstond de deur der zijkamer, nam haar nichtje mee naar binnen, +keek haar strak in de oogen en zei zeer beslist: + +"Nu zeg ik je eens vooral Elsje, dat ik niet verkies, ja--dat ik +je _verbied_, weer naar die menschen toe te gaan. Heb je me goed +begrepen? Ik verbied het je ten strengste. En als ik ooit bemerk +dat je mijn gebod overtreden hebt, zal ik je stellig straffen, heel +stellig hoor. Begrijp je me goed?" + +"Ja tante," zei Elsje, die op dat oogenblik bepaald bang voor haar was. + +"Goed. Dan zullen we de zaak nu hierbij laten rusten. Alleen heb ik je +nog te zeggen dat ik er ook sterk tegen ben, dat je 's ochtends alleen +uitgaat--of op welken tijd van den dag dan ook. Pas op dat dat nooit +weer gebeurt. Ik wil het eenvoudig niet meer hebben. Ik wist niet waar +ik me bergen zou van schaamte, toen mevrouw van Rensen en ik je daar +bij die rare vischkar zagen staan. Denk er aan dat je me gehoorzaamt, +anders zal ik andere maatregelen moeten nemen en veel strenger voor +je zijn. Je weet dus nu precies, waar je je aan te houden hebt?" + +"Ja, tante, ja." + + + +Hoofdstuk XII. + +Naar Buiten! + + +"Misschien zal het dan toch maar beter zijn Elsje thuis te laten +met Miss Piper," zei mevrouw d'Ablong op een ochtend in Juni, toen +de dokter er geweest was en haar geraden had, Cécile een poosje de +zeelucht te laten genieten. + +"O ja mama, veel beter," antwoordde Cilly beslist. "Hadt u er +heusch over gedacht haar mee te nemen? Zij weet zich nog zóó weinig +te gedragen. Verbeeld u, met haar in dat groote hotel en aan table +d'hôte, dat zou immers heelemaal niet gaan!" + +"Och, dat weet ik niet. Zij begint toch wezenlijk al aardig aan te +leeren. En de zeelucht zou zeker ook goed voor haar zijn; zij is +bizonder stil den laatsten tijd en ze ziet er ook weer minder goed +uit dan ze gedaan heeft. Het spijt me dat ik den dokter niet eens +gevraagd heb, wat hij ervan dacht." + +"Maar mama, hij heeft immers verleden week nog gezegd dat zij nu heusch +totaal beter was en dat ze alleen nog maar wat versterkt behoefde te +worden. Zoo'n rustig tijdje met Missy alleen zal juist heel goed voor +haar zijn. En in September gaan wij immers bij grootmama logeeren. Dan +komt Lizzie dus toch buiten!" + +"Och Cilly, waarom blijf je dat arme kind nu toch altijd Lizzie +noemen? Ik vind het zoo overdreven van je. Elsje is immers een heel +aardige naam en je doet er haar zoo'n verdriet mee dat je nog altijd +Lizzie zegt! Zij doet zelf haar best om hier te wennen en zich +naar mijn zin te gedragen, waarom wil jij nu ook niet een beetje +vriendelijker voor haar zijn?" + +"Ik begrijp u niet, mama," zei Cécile, terwijl zij zich met een +zucht in een gemakkelijken stoel liet vallen. "Ik dacht juist dat ik +mij niets te verwijten had tegenover Lizzie of Elsje, als u dat dan +zooveel liever hebt. Ik wil haar ook wel Elsje noemen, hoe kon ik ook +weten dat zij daar zoo bizonder op gesteld is! Maar ik vind het heel +verdrietig dat ik het u niet naar den zin heb gemaakt. Ik doe zóó +mijn best. Toen zij jarig was laatst, heb ik nog bloemen voor haar +gekocht en toen heeft ze me daar nog wel zoo overdreven hartelijk voor +bedankt. Ik kon het toch niet helpen dat die verjaardag een treurige +dag voor haar was!" + +"Neen Cilly, dat spreekt van zelf, dat kon je ook niet. Maar ik +houd vol dat je meer van Elsje zult kunnen gaan houden, als je dat +wilt--wezenlijk wilt en dat jij kunt maken, dat ze zich hier in huis +meer op haar gemak gevoelt en beter over weg kan met jouw kennissen." + +"Maar mama, hoe kunt u het zeggen! Loulou en Cato vinden juist dat +ik er mij bizonder goed onder houd dat Elsje hier moet wonen. Als +u eens wist hoe moeielijk ik het soms vind om mij niet aan haar te +ergeren en niet driftig te worden, als zij rare dingen zegt of doet." + +"Nu kom Cilly, dat gebeurt nu toch zoo heel dikwijls niet meer." + +"Och, laten wij er maar niet meer over spreken, mama, wij worden het +toch niet eens en--dat zult u misschien heel dwaas vinden--maar ik +krijg er zoo'n hoofdpijn van. De dokter vond bepaald ook dat ik erg +zenuwachtig was. Och, maar dat komt er niets opaan. Ik beloof u dat +ik mij nog meer zal inspannen en laat Elsje dan maar wèl met ons mee +gaan op reis. Laten we dan nu heusch over wat anders gaan spreken, +mama, ik kan wezenlijk niet langer over Elsje praten. Het is heel +flauw van me natuurlijk, maar het agiteert me ontzettend." + +En met een air van lusteloosheid leunde zij achterover in haar stoel +en deed hare oogen dicht, alsof ze eigenlijk te moe was om nog een +woord te zeggen. + +"Cilly, kindje," zei mevrouw d'Ablong ongerust, terwijl zij opstond +en zich over Cécile heenboog, "voel je je wezenlijk moe? Maar waarom +heb je me dat dan niet eerder gezegd? En heb je hoofdpijn ook? Ja, +je ziet bepaald bleek! Maar snoesje, waarom laat je me dan toch ook +doorspreken?" + +"Och het is niets, mama," zei Cécile, hare oogen openend en tot hare +moeder opslaande, "ik voel me alleen maar een beetje op, anders niet." + +"Maar hoe komt dat dan? Zou je het je gisteren te druk hebben gemaakt +met dien bazaar? Je hebt toch goed geslapen van nacht?" + +"Ja moedertje, zeker. Toe, wees nu maar niet ongerust. Ik ben heusch +heel wel, alleen maar een beetje zenuwachtig." + +"Maar Cilly, dat ben je anders nooit, wat is er dan toch? Je hebt +toch niets dat je hindert?" + +Cécile zweeg even, toen zei ze: + +"Het is heusch niets, mama. Het zal wel weer overgaan, wezenlijk." + +"Maar dan gaan we dadelijk naar zee, morgen of overmorgen. Waarom +heb je het mij toch niet eerder gezegd, snoesje? Er _is_ toch immers +niets dat je hindert?" + +"Och lieve mama, laten wij er nu maar niet meer over praten. Het is +heel kinderachtig van me om zoo zenuwachtig te zijn. Maar het is waar, +ik voel me eigenlijk al lang een beetje zwak en op. De zeelucht zal +mij wel heelemaal weer opknappen, heusch. Het komt alleen, omdat...." + +"Nu, omdat?" + +"Och neen, laat ik het u maar niet zeggen. Zullen we dus maar besluiten +dat Elsje met ons meegaat, moedertje?" + +"Dat weet ik niet. Elsje kan mij nu ook op 't oogenblik niets +schelen. Wat is er, Cilly? Ik moet het weten!" + +Cécile sloeg de oogen neer, keek toen weer op met een smeekenden blik +en zei: + +"Ik zeg het heusch liever niet, mama, ik doe er u bepaald verdriet +mee." + +"Alsof je me nu geen verdriet doet! Kom kindje, zeg het mij nu." + +Weer sloeg Cécile de oogen neer. Toen fluisterde ze, half klagend: + +"Ik had het u veel liever niet willen zeggen. Het is alleen maar, +dat.... dat ik zoo moe word van Elsje." + +"Moe van Elsje! Hoe meen je dat, lieveling?" + +"Ik weet niet hoe ik het zeggen moet, mamaatje," zei Cécile, haar hoofd +tegen den schouder van mevrouw d'Ablong leggend, die teeder de armen +om haar heensloeg. "Het is eigenlijk al heel lang. Het agiteert me dat +Elsje zoo dikwijls iets doet dat u hindert, het maakt me geagiteerd +dat u vindt dat ik niet lief voor haar ben, en.... en... och het +agiteert me heelemaal dat zij er is. Erg flauw van me, vindt u +niet? Ik vind het zelf ook en het is dus veel beter dat zij wel met +ons meegaat. Langzamerhand zal ik die rare kuren wel afleeren." + +"En heb je je daardoor nu al lang zwak en moe gevoeld, Cilly? Hoe is +het mogelijk dat ik daar niets van gemerkt heb!" + +"Ik heb gedaan wat ik kon om het u niet te toonen," zeide Cécile, +haar moeder een kus gevend. "U hadt toch al genoeg verdriet, lief +moedertje. Maar nu spreken wij er niet meer over, he? En Elsje gaat +stellig met ons mee?" + +Maar mevrouw d'Ablong schudde het hoofd. + +"Neen, nu gaan we zeker met ons beiden. Arm kindje! Heeft je dat +allemaal zoo gehinderd? Ik ben blij dat ik het weet; Elsje moet nu +stil bij Missy blijven en als wij dan later allen samen bij grootmama +zijn, ben jij weer heelemaal gezond en sterk, hoop ik. En dan zal +langzamerhand alles wel beter gaan." + +"Bent u heusch niet boos op mij, moedertje?" + +Tot eenig antwoord trok mevrouw d'Ablong haar dichter naar zich toe +en kuste haar. "Boos op jou, lieveling? In 't geheel niet, hoor. Houd +je nu maar heel, heel rustig vandaag. Beloof je me dat?" + +"O ja mama; ik ben toch eigenlijk wel heel blij dat u het weet. Het +is zoo'n heerlijke verlichting!" + +Een week later waren mevrouw d'Ablong en Cécile vertrokken naar de +drukke modebadplaats, die Cécile het meest aantrok en brak er voor +Elsje een rustige, doch zeer eentonige tijd aan. Miss Piper was lief +en vriendelijk voor haar en aanmerkingen maakte zij weinig, maar +het was een mooie, warme zomer en Elsje kon de drukkende stadshitte +en de benauwde atmosfeer in den tuin van haar tante, nauwelijks +verdragen. Miss Piper deed wat zij kon om het haar aangenaam te +maken. Met groote hartelijkheid sprak zij met haar over den dood +harer grootmoeder en met geduld hielp zij haar aan het handwerk, +een reusachtig stuk tapisserie, waaraan mevrouw d'Ablong wenschte dat +Elsje een gedeelte van haar vrijen tijd zou wijden. Het was gewoonlijk +te warm om 's middags uit te gaan en den eenen dag na den anderen +zaten zij samen op het bordes, dat aan de zaal grensde en op den tuin +uitzag. Elsje's oogen werden moe van het kijken naar het helwitte +zonnescherm, dat boven haar hoofd gespannen was en de kleine tuin +met de keurig aangelegde perken vol vuurroode geraniums en lichtrose +maandroosjes, begon zijn bekoorlijkheid voor haar te verliezen, +toen de langdurige droogte de paden stoffig en hard had gemaakt en +de bladeren der struiken er bestoven en vaal begonnen uit te zien. + +Bezoek kwam er, nu Cécile en haar moeder van huis waren, heel weinig en +buitendien waren vele families ook op reis of naar buiten, zoodat het +er langs de grachten somber en doodsch uitzag met zooveel luiken voor +de ramen en briefjes met "afwezig" op de deuren. Op hare dagelijksche +ochtendwandelingen met Miss Piper naar het park, had Elsje dikwijls +een gevoel alsof zij iemand anders was, niet hetzelfde meisje als +die Elsje, die vroolijk en vol levenslust iederen dag begon, toen zij +bij hare grootmoeder woonde, niet hetzelfde meisje als die Elsje, die +grappen maakte met Krelis en de meisjes van het dorp en voor wie tot nu +toe het leven een bron van rein genot was geweest. Het was ook juist, +alsof zij opeens veel ouder geworden was--soms kon zij 's ochtends +opstaan met zulk een overweldigend gevoel van gedruktheid, dat het +haar bijna angstig maakte en zij al hare krachten moest inspannen +om vriendelijk en geduldig te zijn tegen Miss Piper. Dan werd ze +soms boos op zichzelf, verweet zich dat zij schandelijk ondankbaar +was bij al het goede, dat haar tegenwoordig leven toch ook had en +werd dan weer overmand door een hartstochtelijk verlangen naar haar +grootmoeder, door een vurig snakken ook naar één dag, één uur in de +stilte en de schoonheid der natuur. Zij was zoo stil in het bijzijn +der gouvernante en ging er zoo bleek en teer uitzien dat Miss Piper +zich ongerust over haar begon te maken en eindelijk besloot mevrouw +d'Ablong over haar te schrijven. Het liep reeds tegen September, maar +er moest toch nog bijna een maand verloopen eer Cécile en haar moeder +van de badplaats terug zouden komen; het zou dus nog vrij lang duren, +eer Elsje's tante haar weerzag. + +Op een drukkend warmen ochtend, terwijl Elsje bleek en met een +vreemde lusteloosheid, die zij vroeger nooit had gekend, tegenover +de gouvernante op het bordes zat te handwerken, haalde deze haar +schrijfgereedschap te voorschijn. Zij was juist een brief aan mevrouw +d'Ablong begonnen, toen de deur der zaal plotseling werd geopend, +een vlugge stap door de kamer klonk en Frits d'Ablong op het bordes +verscheen. Hij zag er bizonder opgewekt uit en zijn gezicht was +bruingebrand door de zon, maar hij keek terstond heel ernstig, toen +hij Elsje's bleeke gezichtje zag en haar scherp onderzoekend aanziende, +vroeg hij vriendelijk: + +"Hoe is het, Roodkapje? Nog niet heelemaal weer beter?" + +Nu zag Elsje niet bleek meer. Een donkere blos verspreidde zich over +haar wangen en voorhoofd en hare lippen begonnen te beven, toen zij +trachtte te antwoorden. Tot haar ontsteltenis kon zij niet anders +uitbrengen dan: "Ik.... ik ben...." en begon toen opeens bitter +te schreien. + +"Het is niets.... niets.... het is erg flauw," snikte ze, boos op +zichzelf en erg verlegen. Wat moest Frits wel van haar denken en +wat had zij nu toch weer? Zij had werkelijk in het huis harer tante +al veel meer tranen vergoten in dien korten tijd dat zij er woonde, +dan in al de jaren van haar vroeger leven. + +Vol schaamte wendde zij het hoofd af en wilde opstaan om zachtjes +heen te gaan, maar Frits hield haar tegen met de woorden: + +"Ik zie wel dat je nog lang niet beter bent. Kom, kom, wees maar +bedaard. Je moet eens naar buiten, dat zal je goed doen. Het is hier +ook zoo benauwd in de stad. Wat zegt u, Miss Piper, heeft zij de +buitenlucht niet dringend noodig?" + +De gouvernante knikte, ernstig toestemmend. + +"Grootmama heeft tot voor een paar dagen in de meening verkeerd dat +Elsje met tante en Cécile meegegaan was," hernam Frits, "en ik zelf +ben op reis geweest. Wij dachten niet anders of je waart druk bezig +je frissche roode wangen terug te krijgen in de versterkende zeelucht, +Roodkapje," ging hij lachend tot Elsje voort. "Een paar dagen geleden +eerst hoorde grootmama door een brief van tante, dat jij met Missy +thuis waart gebleven en daarom kom ik je nu uit haar naam vragen, +of je lust hebt nu maar zoo gauw mogelijk bij ons buiten te komen en +dan natuurlijk niet eerder dan met tante en Cilly weer naar stad te +gaan. Wil je, of blijf je liever hier?" + +Of zij wilde? Met een kreet van blijdschap en stralende oogen sprong +zij op. "Als.... als ik mag, als tante het goed vindt," stamelde zij. + +"Ik ben juist een brief aan mevrouw d'Ablong begonnen," zei Miss Piper +met een geruststellend knikje, "zij vindt het zeker heel goed dat je +gaat. Zal ik het haar vragen?" + +"O ja, dolgraag." + +"Dus dat blijft dan afgesproken," zei Frits, "ik ben blij dat je er +lust in hebt. Grootmama verlangt erg je eens weer te zien. Wij kunnen +dan samen reizen, want ik blijf een paar dagen hier in de stad. Zou +je tegen overmorgen klaar kunnen zijn? Dan zal tante wel al geschreven +hebben dat zij het uitstekend vindt, dat je bij ons komt." + +"O ja, ik kan best klaar, mijnheer," zei Elsje, die een gevoel had, +dat zij eigenlijk op dit oogenblik al klaar was om op reis te gaan. + +"_Mijnheer!_ Wat beteekent dat nu, Roodkapje? Weet je wel dat je me +beleedigt, als je me niet eenvoudig Frits noemt, evenals Cilly? Ik +zal jou mademoiselle Roodkapje moeten gaan noemen, als jij mijnheer +tegen mij zegt! Mag ik vragen, hoe oud u zijt, mejuffrouw?" + +"Ik ben pas vijftien geworden," antwoordde Elsje lachend. + +"En ik pas twee-en-twintig," zei Frits. "Ja, dan moet je toch wel een +beetje eerbied voor me hebben! Je zoudt me wel 'oom' kunnen noemen +als we samen reizen, maar ik heb toch liever dat je Frits zegt. En +wat gaat u dan doen, Miss Piper, als Roodkapje u verlaat?" + +"Dan hoop ik reeds nu mijn vacantie te beginnen en naar Engeland +te gaan." + +"Dus dan komt alles mooi in orde," zei Frits. "Dan zal ik de dames +nu maar verlaten, dan kom ik morgenavond nog wel even hooren of ik +het genoegen zal hebben, overmorgen Roodkapje mee naar grootmama te +nemen. Dag Missy, dag Roodkapje." + +"Ik _heet_ eigenlijk Elsje," zei ze met haar ouden, vroolijken lach. + +"Ja, dat weet ik wel, maar ik heb je als Roodkapje leeren kennen en +zoo heet je dus bij mij. Kom, laat mij maar eens netjes even uit, +dat doet Cilly ook altijd." + +Elsje gehoorzaamde lachend. Bij de voordeur reikte Frits haar nog +eens de hand en zei: "Nu, dag Roodkapje. Ik zal straks aan grootmama +schrijven hoor, dat je hoogstwaarschijnlijk komt." + +"Dag mijn.... Frits," zei Elsje verlegen. + +"Zóó! Dat klinkt al _heel_ hartelijk," plaagde hij haar met +een ondeugende flikkering in zijn oogen, maar Elsje overwon hare +verlegenheid, gaf hem met een spottend gezicht een deftige, kleine +hoofdbuiging tot afscheid en deed de voordeur dicht. + +Toen verdween al hare deftigheid terstond. Vlug als de wind snelde +zij de gang door, de zaal in en het bordes op, sloeg onstuimig de +armen om Miss Piper's hals, drukte zich tegen haar aan en riep uit: + +"O Missy, Missy, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij. O, hoe heerlijk, +hoe heerlijk!" + +En Miss Piper legde de pen neer, schoof den brief van zich af, trok +Elsje dichter naar zich toe en liefkoosde en kuste haar, al maar +zachtjes mompelend: "_Dear little Elsie! Poor darling! I am glad too, +my pet!_" + +Het was Elsje alsof haar adem stilstond, toen Miss Piper den volgenden +dag den brief van mevrouw d'Ablong opende, die het antwoord bevatte +op de gewichtige vraag. Gelukkig liet Missy haar niet lang in +onzekerheid. Elsje's tante schreef dat zij er niet tegen was dat +haar nichtje reeds nu naar grootmama vertrok, maar dat Elsje dan +vooral erg haar best moest doen zich _ladylike_ te gedragen en niet +te uitgelaten en te druk te zijn. Miss Piper kon dan naar Engeland +vertrekken en Cécile en zijzelf hoopten over een week of drie ook +bij grootmama te komen. + +Twee dagen later, 's middags om twee uur, reed Elsje, in gezelschap +van Frits, naar het station. Het was haar bijna alsof zij droomde, +toen hij haar verzekerde dat zij nog vóór vijven bij grootmama buiten +zouden zijn en zij keek zegevierend naar de stoffige, warme straten +en grachten, die zij langs reden--het was zoo'n heerlijke gedachte +dat zij die nu in weken niet zien zou! Maar bij al haar blijdschap +dacht zij toch telkens aan de waarschuwing harer tante om zich vooral +te gedragen als een jonge dame en toen Frits haar in den coupé had +geholpen en tegenover haar ging zitten, moest hij er om lachen dat +zij zulk een deftig _air_ aannam en hem met zulk een zachte stem +antwoordde op zijn vraag, of zij gemakkelijk zat en of de zon haar +niet hinderde. Er waren nog twee meisjes van Elsje's leeftijd in +den trein. Zij reisden met hare moeder en het duurde niet lang of +Frits had een gesprek met deze aangeknoopt. Langzamerhand geraakten +de drie meisjes ook met elkaar aan het praten en spoedig klonk er +telkens een luid en frisch gelach, als Frits een grappig verhaal deed +of Elsje plaagde. Hij had er plezier in haar aan den gang te brengen +en aardige, gevatte antwoorden uit te lokken op zijn plagerijen en in +een bizonder vroolijke stemming namen zij eindelijk afscheid van hun +reisgezelschap en verlieten den trein bij een schilderachtig gelegen +klein station, dat Elsje levendig herinnerde aan dat van het dorp, +waar zij gewoond had. + +"Kijk eens, daar wacht Jacob al op ons," zei Frits, op een ouden +koetsier wijzend, die op den bok van een kleinen _panier_ gezeten, +uitkeek naar de logés van zijn meesteres. Hij groette beleefd toen +hij Frits en Elsje bemerkte en even later zaten zij in het sierlijke +rijuigje. De aardige, jonge paardjes zetten zich vlug in beweging en +voort ging het den straatweg over, het dorpje door en eindelijk door +een prachtige beukenlaan op de bevallige villa toe, die door de oude +mevrouw d'Ablong werd bewoond. + +Het was een ritje van een half uur ongeveer, maar in dien korten tijd +genoot Elsje al zooveel, als had zij uren gereden door de bekoorlijke +streek. Haar spraakzaamheid van zooeven was geheel verdwenen, maar al +bracht zij het niet onder woorden, Frits zag wel aan de glinsterende +oogen, waarmee zij om zich heen keek en aan de uitdrukking van vredig +geluk op haar gezicht, hoe zij genoot. Nu en dan haalde zij diep adem +en eens zelfs hoorde hij haar zacht neuriën bij zichzelf op een wijze, +alsof zij er zich nauwelijks van bewust was dat zij dit deed. Toen +het rijtuigje voor het hek der villa stilstond en zij grootmama onder +de veranda zag staan, ontwaakte zij uit haar mijmering en sprong zoo +vlug uit den _panier_ dat Frits uitriep: "Neen maar, wat een haast +heb je, Roodkapje!" + +Ja, zij _had_ haast. Toen zij het lieve gezicht der oude dame zag, +sprong haar hart op van vreugde en was al hare kalmte weg. + +"O grootmama, lieve grootmama!" zei ze, toen deze haar hartelijk +welkom heette en kuste. + +"Ik ben er ook nog, grootmoedertje," zei Frits naderbij +komend. "Roodkapje was er wel toe over te halen om nu al bij u te +komen, zooals u ziet, maar u moet haar niet al te veel verwennen, +want dan wordt ze brutaal." + +"Brutaal?" Elsje keerde zich snel om en herinnerde zich met schrik de +waarschuwingen harer tante. "Dat ben ik toch niet geweest?" vroeg ze. + +"Wel neen, hoe heb ik het nu met je? Ik dacht juist dat je zoo goed +tegen plagen kondt," antwoordde Frits. "Zal ik maar naar mijn kamer +gaan, grootmama, en u verder de zorg voor deze jonge dame over laten?" + +"Ja, dat is best. Ga jij dan maar met mij mee, kind, dan zal ik je +je slaapkamer wijzen. Vindt je het hier niet mooi?" + +"Prachtig mooi!" zei Elsje op bijna eerbiedigen toon, terwijl ze +bewonderend keek naar het lieflijke uitzicht, dat men van uit de +veranda had naar alle kanten heen. Het huis lag aan den lommerrijken +straatweg, vlak tegenover de oprijlaan van een groot, ouderwetsch +kasteel, waarvan de puntige torentjes en hoekvensters tusschen het +donkere groen der linden te voorschijn kwamen. Aan den rechterkant +leidde een dennenlaan naar het heuvelachtige bosch en de heide en +aan den linkerkant lagen, tusschen het bouwland verspreid, enkele +boerderijen. + +De oude dame liet Elsje stil genieten, terwijl deze met genot overal +rond keek en de geurige dennenlucht inademde. Grootmama zag met deernis +hoe teer en bleek zij er uitzag en nam zich vast voor alles te doen, +wat zij kon om haar verblijf hier gelukkig te maken. + +"Kom kindje, nu moet je je goed eens gaan afdoen en je eens +wasschen. Wij eten om half zes, dus je hebt nog net den tijd om een +beetje uit te rusten. Wil je me maar volgen?" + +Zij gingen door de openstaande glazen deuren naar binnen en toen +de gang door naar boven naar een groot portaal, waarop verscheidene +deuren uitkwamen. + +"Je ziet, ik heb plaats voor vele logés," zei de oude dame, "maar op +'t oogenblik zijn alleen de kamers van Frits en mij bezet en die +van jou. Ik dacht dat je het wel prettig zoudt vinden, als er geen +vreemden waren." + +"O ja," antwoordde Elsje met haar geheele hart, terwijl ze hare +gastvrouw volgde naar een vrij groote kamer, die eenvoudig gemeubileerd +was, maar er toch bizonder aantrekkelijk uitzag. Er stonden twee +ledikanten, een waschtafel voor twee personen, een met neteldoek +gedrapeerde toilettafel en eenige stoelen, terwijl de vensters van +buiten met klimrozen waren begroeid. Voor de ramen hingen neteldoeksche +gordijnen en het viel Elsje op, dat een daarvan vreemd bol uitstond +van onderen, alsof men er iets achter had gezet. Zij had geen tijd +te onderzoeken wat dit was, want plotseling klonk de muziek van een +reinen, vroolijken kinderlach door het vertrek, het gordijn werd +met een ruk terzijde geschoven en ... kleine Liesje van Rensen stond +voor haar. + +"Dàt dacht je niet, he?" riep ze, snel naar Elsje toeloopend, die +met een kreet van blijdschap bij haar neerknielde en toen dankbaar +opzag naar grootmama. + +"Kleine Liesje had de buitenlucht ook noodig, moet je weten," zei +deze lachend. "En hare ouders vonden haar nog te jong om met de +geheele familie mee op reis te gaan. Daarom is ze toen maar bij mij +gekomen. Ze zou eerst pas de volgende week..." + +"Ja, ik zou eerst veel later gaan," viel Liesje ijverig in, "maar +toen kwam er opeens een brief of ik gisteren al kon komen!" + +"Ik vond het een aardige verrassing voor je haar hier te vinden," zei +de oude dame, terwijl ze zachtjes hare hand over Elsje's haar streek. + +Elsje's hart was zoo vol, dat zij niets anders doen kon dan grootmama's +hand grijpen en die stevig drukken. + +Liesje was natuurlijk opgetogen en bleef steeds zoo dicht mogelijk +bij Elsje. Aan tafel moest zij naast haar zitten, na den eten was zij +er niet af te brengen te helpen bij het uitpakken van den koffer en +zij vond het heerlijk, toen Elsje later terstond beslist den wensch +uitte om Liesje zelf iederen avond naar bed te brengen. Toen het +kleine meisje eindelijk onder de dekens lag, na hare beide armen om +Elsje's hals te hebben geslagen en na haar met een "nacht snoes!" een +nachtkus te hebben gegeven, dronk Elsje heerlijk rustig thee onder +de veranda met de oude mevrouw d'Ablong en Frits, en ging de avond +voorbij onder gezellige, vroolijke gesprekken. Noch grootmama noch +Frits schenen iets aan te merken te hebben op Elsje's manieren of +op hare wijze van zich uit te drukken en toen ze later alleen op +hare kamer was, vroeg zij zich verwonderd af, hoe het kwam dat zij +zich hier in huis zoo bizonder op haar gemak voelde. Met een zucht +van geluk legde zij zich ter ruste en toen de oude dame nog even naar +haar kwam kijken, deed zij als Liesje, sloeg de armen om grootmama's +hals en fluisterde: + +"Wat houd ik toch veel van u en wat is het heerlijk weer bij u +te zijn!" + +En nu volgden er dagen voor Elsje, die zij haar geheele leven niet weer +zou vergeten, dagen van rein genot, waarin de vrede en blijmoedigheid +terugkeerden in haar hart. Bijna overweldigend was voor haar in +het begin de aanblik van de prachtige natuur. "Nu moet je maar eens +alleen een eind gaan wandelen," zei grootmama den eersten ochtend na +het ontbijt. "Neen, Liesje blijft van morgen bij mij--je bent nu mijn +patiëntje en ik reken er op dat je me stipt zult gehoorzamen. Tegen +koffietijd kan Liesje je dan wel hier in de dennenlaan tegemoet +komen. Ga dien kant maar eens uit, je zult het daar heel mooi vinden." + +Elsje gehoorzaamde met een lachend gezicht en liep langzaam de +dennenlaan in op zij van het huis. Het was er zoo heerlijk stil +en mooi en het rook er zoo lekker! Met innig welbehagen ademde ze +de verkwikkende lucht in en wandelde voort, terwijl de grond hoe +langer hoe heuvelachtiger werd en zij soms even stil moest staan om +adem te scheppen. "Wat ben ik gek gauw moe," dacht ze. Toen ze bij +grootmoeder was, kon ze uren achtereen loopen, zonder iets te voelen +en nu was ze nog geen half uurtje van huis, of ze kreeg al lust om +eens even te gaan zitten. Maar nu al rusten, dat was toch al te erg, +vond ze. Neen, ze zou nog doorloopen tot aan dien hoogen heuvel, daar +op zij van den weg. Dien moest zij even beklimmen, men had daar zeker +een prachtig uitzicht; ze kon daar dan wel een poosje gaan zitten. Ze +hijgde wel wat, terwijl ze haar voornemen ten uitvoer bracht, maar +zij gaf den moed niet op en toen ze bovenop den heuvel gekomen was, +hoe werd hare moeite toen beloond! + +Plotseling stond ze voor een groot heideveld, waarover de zon vol +scheen en aan de purperkleurige bloesems van het heidekruid een +schitterenden glans verleende. Als een glinsterend, reusachtig tapijt, +vol gloed en kleuren strekte zich de heide uit, terwijl tusschen +den overvloed van bloeiende Erica, enkele blauwe klokjes groeiden, +waarvan de teere stengels zachtjes door den morgenwind heen en weer +werden bewogen. Een zoete welriekende geur steeg uit het kruid op en +een oogenblik was het Elsje, terwijl ze dien inademde, als stond ze +weer bij de heide in de buurt van het huisje van hare grootmoeder. Het +scheen haar alles zoo bekend, zoo heerlijk bekend, hier voelde ze +zich thuis, zoo geheel en al! 0, God was goed, zoo goed voor haar, +dat Hij haar dit liet genieten! Even stond ze doodstil en ernstig op +te kijken naar de rein-blauwe lucht--toen, als overweldigd door een +gevoel van onuitsprekelijke, hartstochtelijke vreugde, wierp zij +zich languit voorover op de heide en greep liefkoozend met beide +handen in het taaie, veerkrachtige kruid. Zoo bleef ze liggen, met +wellust de heidelucht opsnuivend en zich geheel overgevend aan een +gewaarwording van groot, oneindig genot. Eindelijk hief zij het hoofd +op, plantte hare beide ellebogen in den grond en keek gretig voor zich +uit. Het zachte gegons der bijen, het fluisteren van den wind door +de dennen naast haar, het rinkelen van de belletjes van een huifkar +heel in de verte, was al wat de stilte verbrak. Recht vóór haar, +in de diepte, zag ze het dorp liggen, met de roode daken der huisjes +aardig afstekend tegen het groen der hoornen en aan hare linkerhand +vertoonde zich een glooiende heuvelenrij, gelijk aan die, welke zij +zooeven had beklommen. En terwijl ze daar lag, werd het zeer rustig +en vredig in haar en kwamen haar de welbekende woorden in de gedachten: + +"_Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulpe komen +zal._" + +Hoe lang ze zoo bleef liggen, met al haar hart genietend, zou ze +niet hebben kunnen zeggen, maar ze schrikte op, toen ze plotseling +het zachte stemmetje van Liesje aan haar oor hoorde fluisteren: + +"Slaap je? Waarom blijf je daar zoo stil liggen?" + +"Zoo zoo, jonge dame, hebben wij het ons zo gemakkelijk mogelijk +gemaakt?" klonk de stem van Frits toen. "Gelukkig dat wij je eindelijk +gevonden hebben; dat is me een zoeken geweest, he Liesje?" + +Verlegen sprong Elsje op. Dat Frits haar daar zoo had moeten zien +liggen! Wie weet, hoe ontzettend weinig jongedamesachtig hij hare +houding gevonden had! Als tante het hoorde.... + +"Ik ... ik vond het zo heerlijk hier!" zei ze. "Ik wist niet ... ik +dacht ... het spijt me erg dat ik niet wat netter zat." + +"Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?" En Frits lachte +hartelijk. "Wie zit er nu ooit 'netjes' op de heide! En ik vond je +houding juist zoo schilderachtig! Neen, kijk maar niet zoo verschrikt; +ik meen het, hoor. Het was alleen een beetje moeielijk je te vinden, +maar Liesje heeft me dapper geholpen bij het zoeken. Je zult wel +trek hebben na je vermoeienden tocht, he?" En hij keek haar plagend +aan. Elsje lachte vroolijk. + +"Ik houd zooveel van de heide," zei ze. "Toen ik nog bij grootmoeder +woonde ging ik er zoo dikwijls heen." + +"Ja, de heide is prachtig," zei Frits. "Kom, zullen we nu naar huis +gaan? Ja Liesje, blijf jij maar naast Elsje loopen aan dien kant, +dan ontsnapt ze ons niet weer. Waar heb je vroeger gewoond, Elsje?" + +Elsje vertelde het hem en Frits toonde zooveel belangstelling in +haar vroeger leven, dat zij er over doorpraatte tot zij de villa +hadden bereikt. + +"Wel kindje, je begint er al wat beter uit te zien," zei +grootmama. "Was het mooi buiten?" + +"Zij heeft er niet veel van gezien. Ze heeft een dutje gedaan op de +heide" zei Frits. + +"0 neen, heelemaal niet!" riep Elsje verontwaardigd uit. "Ik heb maar +al liggen kijken naar alles--het was er zoo prachtig!" + +"Je hebt heerlijk gedroomd," spotte Frits weer en toen Elsje hevig +ontkennend het hoofd schudde, legde grootmama de hand op haar arm en +zei vriendelijk: + +"Laat hem maar praten, kind; ik geloof heelemaal niet dat je geslapen +hebt." + + + +Hoofdstuk XIII. + +"Koningin! Koningin!" + + +"Ziezoo Liesje, nu ben je heusch heelemaal klaar. Neen, neen, je moet +niet te veel aan de bladeren trekken, dan gaan de kransen dadelijk +stuk. Ja, loop maar flink rechtop--dan zie je er dubbel deftig uit." + +En Liesje liep met een gewichtig gezicht en kleine, voorzichtige pasjes +naar grootmama toe, die onder een breeden beuk op een mosheuveltje +zat uit te rusten van de lange wandeling, die het gezelschap samen +had gemaakt. + +"Hè, nu wil ik ook heel graag eens even zitten," zei Elsje met de +handen nog vol eikebladeren. Frits, Liesje en zij waren druk aan het +plukken geweest en Elsje was daarop ijverig aan het kransen vlechten +gegaan, zoodat Liesje nu een lange guirlande droeg op haar witte jurk, +armbanden om de polsen en een krans op het blonde haar. + +"Prachtig hoor!" zei grootmama, toen het kleine meisje vlak voor haar +ging staan met de woorden: "Kijk eens!" + +"Nu moet Elsje zelf ook bekransd worden," zei Frits, terwijl Elsje en +hij zich naast de oude dame neervlijden, "kom Roodkapje, wij hebben +die eikebladeren niet voor niets geplukt. Niet zoo lui zijn als 't +je blieft. Ik sta er op dat je een krans voor jezelf vlecht en dan +nog een voor grootmama en een voor mij." + +"En als ik dat nu eens niet doe?" vroeg Elsje lachend. + +"Dan noem ik je nooit meer Roodkapje." + +"Alsof dat zoo'n straf was!" riep Elsje uit, om toen plotseling +van toon te veranderen en langzaam, en als bij zichzelf te zeggen: +"Ja .... dat zou ik toch wel een beetje jammer vinden." + +Grootmama keek snel op. "Waarom wordt je zoo graag Roodkapje +genoemd?" vroeg ze. + +Elsje antwoordde niet dadelijk. Toen zei ze: "Het herinnert me zoo +prettig aan vroeger." + +"Waarom ben jij Roodkapje?" vroeg Liesje met groote oogen. + +"Omdat zij soms boodschappen gaat doen met een heel aardig, rood +wollen kapje op," zei Frits. + +"En waarom zet je het dan nu nooit op?" vroeg Liesje. "Je hebt altijd +dien grooten hoed op, als wij samen boodschappen doen in het dorp. Doe +je morgen dan dat aardige, roode kapje eens op?" + +"Morgen zijn tante en Cécile hier," zei Elsje langzaam. + +"Maar je hebt dat kapje toch zeker ook niet bij je, wel?" vroeg +grootmama. Het deed haar leed op te merken hoe weinig Elsje naar het +gezelschap van mevrouw d'Ablong en Cécile scheen te verlangen. Zij +was nu drie weken bij de oude dame gelogeerd geweest, drie gelukkige, +zonnige weken, waarin hare oude opgewektheid en hare gezondheid geheel +waren teruggekeerd, maar hoe vroolijk en spraakzaam zij overigens +ook was, over hare tante en Cécile sprak zij bijna nooit. + +Zij werd een beetje verlegen bij grootmama's vraag omtrent het +bewuste kapje en beschroomd, erg bang dat men haar uit zou lachen, +zei ze bijna fluisterend: + +"Ja, ik heb het wel meegenomen in den koffer, omdat ik dacht .... als +ik soms eens alleen uitging .... het leek me zoo aardig het dan eens +op te zetten en me dan te verbeelden dat ... dat alles nog net was +als vroeger." + +Er volgde een oogenblik van algemeen stilzwijgen en Liesje trok +Elsje den hoed van het hoofd en zette haar voorzichtig haar eigen +breedgeranden hoed op. Elsje scheen hiervan niets te bemerken--zij +was geheel in gedachten verdiept en keek stil voor zich uit het +donkere bosch in, waar de zon door de dichte bladeren heen, kleine +lichtvlekjes wierp op het groene mos. Met een grappig ernstig gebaar +legde Liesje haar vingertje tegen den mond om Frits en grootmama te +waarschuwen, Elsje niet opmerkzaam te maken op wat zij gedaan had. Zij +verried dit echter onmiddellijk zelf door voor Elsje te gaan staan, +in de handen te klappen en juichend uit te roepen: + +"Daar heb ik je gefopt! Daar heb ik je gefopt! O, wat zie je er +mooi uit!" + +"Ik geloof dat ik een prachtigen hoed op heb," zei Elsje, die haar +stil had laten begaan, maar heel goed gemerkt had wat zij deed. "Dien +houd ik dan maar op vandaag, denk ik, hij is zoo heerlijk voor de +zon met dien breeden rand." + +"En met al dat gebabbel over dien hoed wordt er maar heelemaal niets +meer aan de kransen gedaan," mopperde Frits. "Het is wat moois! Als +ik dat geweten had, had ik me ook niet zoo uitgesloofd met het plukken +van eikebladeren!" + +"Stil maar, ik begin al weer!" lachte Elsje vroolijk. "Zal ik er dan +eerst maar een voor u maken, grootmama?" + +"Dank je kind, ik ben over die ijdelheid heen." + +"Nu, ik eigenlijk ook," zei Elsje met een wijs gezicht. + +"Lieve tijd, wat een aanstellerij!" riep Frits uit. "Alsof niet alle +meisjes nuffig waren! Maar zoo kom je er niet af! Ik wil een krans +hebben voor mijn strooien hoed en een beetje gauw ook!" + +"Plaag dat arme kind toch niet zoo, Frits," zei grootmama. + +"Alsof zij mij nooit plaagde!" zei Frits, op een toon van verdrukte +onschuld. + +"Ik doe nu in ieder geval heel gedwee wat je me bevolen hebt," zei +Elsje bedaard. + +"Wil je van avond het roode kapje eens opzetten als wij uitgaan?" vroeg +Liesje weer. + +"Dat weet ik nog niet," zei Elsje langzaam, bedenkend dat hoogst +waarschijnlijk heden avond mevrouw d'Ablong en Cécile er zouden +zijn. De eerste had geschreven dat zij niet precies het uur van hare +aankomst bij grootmama kon melden, omdat Cécile en zij nog even in de +stad aan wenschten te gaan onderweg. In ieder geval moest grootmama +maar geen rijtuig aan het station sturen, zij zouden er daar wel +een nemen. + +"Als Elsje het aardige, roode kapje opzet, moet je mij even roepen, +hoor Liesje," zei Frits. "Ik ben verlangend er de kennis mee te +vernieuwen. Och, och, wat keek je me _toen_ dankbaar aan Elsje, toen ik +je voor 't eerst zag! De tijden zijn wel veranderd! Nu krijg ik haast +nooit eens een vriendelijk woord en het grieft me tot in mijn ziel +te zien, hoe weinig het je aanstaat, dien krans voor mij te maken." + +"Maar ik doe het met plezier," zei Elsje lachend. + +"Ik hoop dat je de zuivere waarheid spreekt," zei Frits. "Ik houd er in +'t geheel niet van dat iemand zich voor mij opoffert." + +"Pruttel nu maar niet langer, de krans is klaar," zei Elsje. "Als +'t je blieft. Doe hem maar gauw om je hoed." + +"Ik had gedacht dat jij dat nu eens netjes voor mij doen zoudt." + +"Toe Frits, help mij eens even op, wij moesten nu maar weer naar huis +wandelen," zei grootmama. "Het loopt tegen etenstijd." + +Frits gehoorzaamde en bleef toen stokstijf staan met zijn hoed vast +op het hoofd gedrukt. Elsje sprong snel op met den krans nog in hare +handen. Daar viel Liesje's hoed haar af. + +"O, o, o!" riep Liesje. "Hij duikelt het heuveltje af. Kijk eens! O, +wat aardig!" + +Frits liep den vluchteling snel na, gaf Liesje en Elsje ieder hare +eigene hoeden terug en bleef toen weer stokstijf staan, erg rechtop, +in dezelfde houding als daareven. + +"Komt kinderen, nu een beetje voortgemaakt!" riep de oude dame. + +"Nog één oogenblikje, grootmoedertje," zei Frits. "Kom Roodkapje, +probeer eens of je zoo hoog kunt reiken en leg mij den krans eens om +den hoed, terwijl ik dien op heb." + +"Zooveel grooter ben je niet dan ik," meesmuilde Elsje, maar zij moest +toch op hare teenen gaan staan en hare armen hoog uitrekken om bij den +hoed te kunnen komen. Een beetje hijgend en met moeite was ze bezig +het kunststuk te volbrengen, terwijl Frits lachend op haar neerzag, +toen zij plotseling ontsteld keek bij het hooren van een welbekende +stem, die riep: + +"Hier zijn ze, hier zijn ze!" + +Snel liet Elsje hare armen zakken en trad achteruit, terwijl hare +tante en Cécile naderden. Zij waren een uur geleden aan de villa +gekomen, hadden even gewacht, maar waren toen ongeduldig geworden en +de wandelaars gaan zoeken. + +"Dol gezellig dat wij u zoo makkelijk hebben gevonden," zei Cécile, +grootmama een kus gevend. "Ik heb _onzinnig_ naar u verlangd, +grootmoedertje." + +"En naar mij toch zeker ook?" vroeg Frits, met welgevallen naar zijn +nichtje kijkend. Zij zag er allerliefst uit in haar zomertoiletje van +licht crème en met den witten hoed met klaprozen op het donkere haar. + +"Neen, naar jou natuurlijk heelemaal niet," zei ze met een coquet +lachje. "Hoe maak je het? En hoe gaat het jou, Lizzie, och, Elsje +bedoel ik. Dag, Liesje, kleine snoes, hoe heb jij het?" + +En met een bevallige beweging knielde zij bij Liesje neer op het mos +en kuste haar. + +"Ik loop met Elsje. Mag ik met Elsje?" vroeg Liesje, toen het +gezelschap zich in beweging zette om naar huis te wandelen. + +"Ja, maar ik loop ook naast Elsje," zei Frits. "Kijk eens Cilly, +heeft Roodkapje mijn hoed niet mooi versierd?" + +"O, stond ze daarom zoo ongeneerd vlak bij je?" vroeg Cécile scherp. + +"Zoo, heb je dat nog net gezien? Ja, ja, Roodkapje en ik zijn beste +maatjes." + +"Kom eens hier, Elsje," riep mevrouw d'Ablong, zich omkeerend. Zij liep +met grootmama voor de anderen uit. "Ik moet je eens goed aankijken +en eens zien of je heusch heelemaal weer de oude bent geworden. Dat +is een gesukkel geweest, he?" + +"Ik blijf bij Elsje," riep Liesje weer en Cécile en Frits liepen +dus samen. + +Cécile scheen niet bizonder tevreden over het onderhoud dat zij toen +met haar neef had. + +'s Avonds ten minste, toen Elsje alleen op haar kamer was en zich +gereed maakte om naar bed te gaan, kwam zij bij haar met een zeer +ontevreden gezicht en zei: + +"Hoor eens Elsje, ik vind het heel onplezierig, maar ik moet eens +even met je spreken." + +"Met mij? Wat is er dan?" vroeg Elsje verbaasd en fluisterend. "Praat +niet te luid, want dan maak je Liesje wakker." + +"Ik heb je maar een paar woorden te zeggen, maar ik hoop dat je +me goed begrijpen zult. Val mij als 't je blieft niet in de rede +en luister goed. Ik heb mij ontzettend geërgerd, toen Frits mij +van middag vertelde dat je hem zooveel over je vroeger leven hadt +medegedeeld. Enfin, dat is nu eenmaal gebeurd en daar is dus niets +aan te veranderen, hoewel ik volstrekt niet begrijp, wat Frits met +jouw dorp te maken heeft,--maar veel erger is het dat je je hier in +huis en vooral tegenover Frits zoo belachelijk vrij gedraagt. Frits +is te goedhartig en grootmama te lief om daarvan iets te zeggen, +maar ik raad je sterk aan in 't vervolg wat minder het hoogste woord +te hebben en je familiare grappen voor je te houden. Ik heb je nu +bijtijds gewaarschuwd, voordat mama ernstig boos op je wordt en je +eens goed onder handen neemt. Nu zal zij er misschien niet meer met +je over spreken, als je ten minste je best doet dat alles anders +wordt. Vergeet niet waar je staan moet en bedenk als 't je blieft +dat je toch altijd maar een gewoon dorpskind blijft, al ben je dan +ook honderdmaal mijn nichtje. Nacht Elsje." + +Elsje antwoordde niet, ook niet op de laatste woorden; ze bleef +doodstil bij het raam naar buiten staan kijken, toen Cécile reeds lang +de kamer had verlaten. Zij zag heel bleek en hield de handen stijf +tegen elkaar gedrukt, maar zij schreide niet en bleef uiterst bedaard, +hoewel het lang niet bedaard was in haar binnenste. Geruimen tijd +bleef ze zoo staan, al maar in dezelfde houding naar buiten kijkend +in den plechtigen maneschijn, toen ontspanden zich hare trekken en +met een zucht liet zij het venstergordijn zakken en ontkleedde zich. + +Zij was op 't punt om in bed te stappen, toen haar iets inviel en +zij aarzelend en langzaam naar haar koffer toeging, dien opende, +naar iets zocht en eindelijk het bekende roode kapje te voorschijn +haalde. Zij hield het even in hare handen, keek er naar met half +lachende, half weemoedige oogen, sprong toen eensklaps op, strikte +het kapje om haar hoofd vast en ging voor den spiegel staan. De witte +nachtpon en het roode kapje staken grappig bij elkander af en vormden +nu juist geen toilet, dat goed bij elkaar paste, maar .... Elsje zag +toch in het korte oogenblik dat ze in den spiegel keek, dat het kapje +haar heel aardig stond en zoodra ze tot deze ontdekking kwam, bloosde +zij van schaamte over hare ijdelheid, liep snel van den spiegel weg, +trok zich het kapje van het hoofd, bergde het heelemaal onder in den +koffer weg en besloot het nooit, nooit weer op te zetten, zoolang +ze hier was. Frits zou er stellig wel niet meer om vragen, maar in +ieder geval zou ze het toch zeker niet doen. Zij _wilde_ niet nuffig +en coquet worden evenals Cécile en o--misschien, misschien _was_ ze +wel te vrij geweest en te familiaar, maar grootmama en Frits hadden +er toch niets van laten blijken dat ze dat vonden en ze was hier zoo +innig gelukkig geweest. Cécile had ook altijd zooveel aanmerkingen, +maar--ze moest toch oppassen en ze zou stiller zijn en geen grappen +meer maken en heel veel met Liesje alleen gaan wandelen en goed op +haar manieren letten; ze zou erg haar best doen dat tante tevreden +over haar kon zijn--dat nam ze zich vast voor. + +Na dien avond was het gedaan met Elsje's zorgelooze uren van +genot. Grootmama en Frits waren wel even vriendelijk en alles bleef +even mooi, maar zij voelde zich telkens niet op haar gemak, vond +het maar het allerprettigst heele ochtenden en middagen met Liesje +alleen naar het bosch te gaan en was boos en verlegen tegelijk, als ze +Cécile's oogen waarschuwend op zich gevestigd zag. Frits plaagde haar +eerst dat ze zoo graag het heele bosch voor Liesje en zich alleen had +en dat zij het overige gezelschap telkens ontvluchtte, maar Elsje keek +dan zoo verschrikt en wist zoo heelemaal niet wat ze moest antwoorden, +dat hij haar met rust liet en zich alleen verwonderd afvroeg, hoe +zij opeens zoo veranderd was. In zijn bijzijn en dat van grootmama +behandelde Cécile Elsje altijd beleefd en goed, al hield zij haar +op een afstand. Een groote troost was voor Elsje het gezelschap van +Liesje, hoewel het kleine meisje haar telkens in verlegenheid bracht +door herhaaldelijk te vragen of zij het roode kapje nu niet eens op +wilde zetten. Mevrouw d'Ablong keek dan heel verbaasd en eindelijk +moest Elsje haar klein vriendinnetje bepaald verbieden, er meer naar +te vragen; Frits bemerkte al heel gauw dat het onderwerp zijn tante +niet aangenaam was en zweeg er dus over. Grootmama kwam trouw elken +avond even bij Elsje's bed om haar nog eens goeden nacht te kussen en +deed dit in deze dagen bizonder hartelijk, maar zij vroeg haar niet, +of haar iets scheelde en wat; zij begreep heel goed, welken strijd +het meisje had te strijden, maar vond het toch niet goed tusschen +haar schoondochter en Elsje te komen. Mevrouw d'Ablong was trouwens +vrij tevreden over het gedrag van haar nichtje en eens zelfs kwam ze +opzettelijk bij haar op haar kamer en zei: + +"Nu moet ik je eens een prijsje geven, kind. Ik vind wezenlijk dat +je wat vooruit gaat in je manieren en vanavond vooral heb je je +zoo bescheiden en netjes gedragen, dat ik er plezier in had. Ik had +niets op je houding aan te merken, toen je bij dat tafeltje platen +zat te kijken." + +Elsje glimlachte flauw. Zij had dien avond zoo erg lang gevonden en +zoo verlangd om maar naar boven te gaan! + +Het was eenige dagen na dit gesprek dat grootmama en mevrouw d'Ablong +een lang onderhoud hadden in de veranda. Frits, Cécile, Elsje en +Liesje waren samen naar het bosch gegaan. "Ik laat je nu eens niet +weer zoo rustig je gang gaan, Roodkapje," had Frits 's ochtends aan +het ontbijt lachend gezegd. "Je blijft hier nu nog maar zoo kort, +ik wil nu nog een beetje van je gezelschap profiteeren, daar moet je +je dus maar in schikken." + +Cécile zorgde er echter wel voor dat Frits zich ook dezen ochtend +meer met haar bemoeide dan met Elsje. De wandeling was echter zoo +mooi en Liesje babbelde zoo gezellig, dat Elsje toch erg genoot en +in een heel opgewekte stemming weer thuis kwam. + +"Ga eens even met grootmama en mij mee, Elsje," zei mevrouw d'Ablong +na de koffie. "Wij hebben je iets heel gewichtigs te zeggen." + +Elsje keek verschrikt op en volgde hare tante met een kloppend hart +naar het aardige, kleine boudoir, waar de oude dame reeds rustig in +haar gemakkelijken stoel voor het raam zat te wachten. + +Zij trok Elsje naar zich toe en zei: + +"Kom nu maar eens prettig hier bij me zitten, kind, in dat lage +stoeltje. Neen, een beetje dichterbij; ik heb je graag vlak naast me." + +Elsje keek haar dankbaar aan, terwijl ze gehoorzaamde. Mevrouw d'Ablong +ging tegenover de oude dame zitten en begon: + +"Grootmama vindt, Elsje, en ik vind het ook, dat het goed voor je zijn +zou, eens wat meer met meisjes van je eigen leeftijd om te gaan. Cilly +is nogal wat ouder dan jij en zooveel meer ontwikkeld en buitendien +is er nog heel veel dat je leeren moet en dat je ook gemakkelijker +leeren zult, als je onder meisjes bent, dan wanneer je privaatlessen +krijgt. Grootmama en ik gelooven ook dat je dan gelukkiger zult +zijn en je later wat meer bij ons zult thuis voelen. Ik ben daarom +van plan veranderd en besloten je wèl naar kostschool te sturen en +ook liefst zoo gauw mogelijk. Neen, kijk maar niet zoo verschrikt, +je zult het er heel prettig vinden en je gezondheid is nu weer zoo +goed, dat ik je wel van mij durf te laten gaan. De kostschool, die +ik op het oog heb, is op de badplaats, waar Cilly en ik gelogeerd +hebben. Ik heb er heel veel goeds van gehoord en de directrice een +paar malen gesproken. Zij weet nu alles van je vroeger leven af en zal +zeker doen wat zij kan om je leven bij haar gelukkig te doen zijn, +mits .... je goed je best doet, gehoorzaam haar raad opvolgt en er +vooral op let, je even beschaafd en netjes te gedragen als de andere +meisjes. De zeelucht zal zeker ook heel goed voor je wezen en ik hoop +en vertrouw dus dat deze maatregel aan het doel zal beantwoorden en +je langzamerhand heelemaal zóó worden zult, dat ik er trotsch op kan +zijn dat je mijn nichtje bent." + +"Maar je bent nu toch ook al trotsch op Elsje, niet waar?" zei de +oude dame met een vriendelijk knikje, terwijl ze hare zachte hand op +die van Elsje legde. Het meisje werd beurtelings rood en bleek. + +"Ik hoop het nog veel meer te worden," zei mevrouw d'Ablong zeer +beslist. "Kom kind, kijk maar niet zoo verschrikt. Ik ben overtuigd +dat het nieuwe leven je wel bevallen zal. Je moet natuurlijk nog +heel veel leeren, maar je bent pas vijftien jaar en als je nu bij +voorbeeld tot je achttiende op kostschool blijft...." + +"O tante, zóó lang?" viel Elsje verschrikt in. + +"De tijd zal om zijn, voordat je het weet, lieveling," zei +grootmama. "En dan moet je de heerlijke vacanties niet vergeten, +waarin je natuurlijk heel dikwijls bij mij komt logeeren." + +"Mag ... mag ik weggaan, tante?" vroeg Elsje, die vurig verlangde, +alleen te zijn. Zij had een gevoel alsof ze zich niet langer +goed zou kunnen houden--op dit oogenblik scheen het haar nog iets +verschrikkelijks toe naar een kostschool te worden gestuurd, om daar, +zooals zij stellig verwachtte, door de andere meisjes, die wèl al +"jonge dames" waren, uitgelachen en geplaagd te worden. Maar zij _zou_ +haar best doen; zij zou alles doen wat ze maar kon, om hare tante +niet te veel tot last te wezen en ze zou moed houden ook! + +En ze _bleef_ moed houden en strijden tegen het overweldigende gevoel +van eenzaamheid, dat haar soms dreigde te bemachtigen. Het was maar +goed dat zij al heel spoedig vertrekken moest. Het nieuwe schooljaar +was reeds sedert een paar weken ingegaan en toen het besluit van +mevrouw d'Ablong eenmaal vaststond, werd er haast achter het werk +gezet en ruim een week nadat Elsje gehoord had, welk nieuw leven +haar wachtte, was zij reeds met hare tante op weg naar de bewuste +badplaats en reed ze, met een erg benauwd gevoel in de keel, naar het +deftige kostschoolgebouw, dat een tijdlang hare woning zou wezen. De +directrice, een statige, lange dame met doordringende, bruine oogen, +ontving haar echter zoo hartelijk en sprak haar zoo vriendelijk toe, +dat zij verruimd adem haalde, toen de eerste begroeting achter den rug +was en zelfs veel minder zenuwachtig was dan ze gedacht had te zullen +zijn, toen zij afscheid van hare tante genomen had en de directrice +volgde naar de groote eetzaal, waar ruim twintig meisjes aan de tafel +zaten, gereed om het lunch te gaan nuttigen. Elsje kreeg een stoel +naast een bleek, heel blond meisje, dat er zeer verlegen uitzag en hare +oogen op haar bord hield geslagen. De verlegenheid van hare buurvrouw +maakte Elsje vrijmoediger; zij keek bedaard om zich heen en bemerkte +tot haar blijdschap dat volstrekt niet alle meisjes onberispelijk +rechtop zaten en zich zoo elegant gedroegen als Cécile. De Engelsche +onderwijzeres, die tegenover Elsje zat, moest telkens een of andere +vermaning toedienen met betrekking tot het hanteeren van mes, vork +en glas en Elsje vond het een heel aangename gewaarwording dat zij +haar zoo goed kon verstaan--dàt had zij aan Miss Piper te danken en +zij was er nu haast blij om dat zij zooveel mooie zomerdagen alleen +in haar gezelschap had doorgebracht. Na het lunch werd zij aan al de +onderwijzeressen en aan de meisjes voorgesteld. Er waren verscheidene +nieuwe leerlingen onder en zij waren lang niet allen zoo knap en +zoo begaafd, als Elsje had gevreesd. Wel was zij natuurlijk zeer +ten achter bij de meeste meisjes van haar leeftijd, vooral wat het +Fransch en Duitsch betrof, waarmee zij nog geheel van voren af aan +moest beginnen, maar haar aanleg en haar wil waren zeer goed en dit +kon niet van al de andere leerlingen worden gezegd. Er waren er onder, +die naar kostschool waren gestuurd omdat ze bizonder moeilijk leerden, +of bizonder lui van nature waren. Onder de uitnemende leiding der +directrice en het goede onderwijs maakten echter de meesten flinke +vorderingen en wat Elsje betrof,--zij deed zoozeer haar best en begon +spoedig zooveel lust te krijgen in haar werk dat ze zich in de lesuren +bepaald gelukkig voelde. Hare belangstelling en ambitie waren opgewekt +en met groot genot kon zij soms over hare boeken gebogen zitten, +geheel verdiept in een geschiedenisles of in een of ander vers, dat +zij later zou moeten reciteeren. Dat reciteeren was in het eerst een +ontzettend iets voor haar. De directrice had als vasten regel ingesteld +dat alle meisjes een avond in de week iets moesten voordragen. Allen +kwamen dan in het salon, dat anders alleen Zondags werd gebruikt, +bijeen en na de thee namen de werkzaamheden een aanvang en moest +ieder meisje haar best doen, zóó goed haar bijdrage op te zeggen, +als zij dit maar met mogelijkheid kon. + +De "nieuwelingen" zagen in het begin altijd erg tegen dezen avond op, +maar de directrice, die zelf bizonder goed reciteerde en een zeer +welluidende stem had, hielp allen zoo goed terecht en met zooveel +geduld, dat hare leerlingen hoe langer hoe meer moed begonnen te +vatten en ook Elsje, toen zij eenige maanden op school geweest was, +den "reciteeravond" werkelijk prettig begon te vinden. Met de andere +meisjes kon zij goed overweg. Er waren er, die haar een beetje vreemd +aanzagen, toen zij met groote vrijmoedigheid allerlei omtrent haar +vroeger leven vertelde, maar zij deed dit zoo aardig en vroolijk en +als het nichtje van de deftige mevrouw d'Ablong vond men haar toch +zoo geheel _comme il faut_, dat de meesten met gretige ooren naar +haar grappige verhalen luisterden. Want op ernstige wijze sprak zij +over haar dorpsleven slechts met haar kamergenoot, het blonde meisje, +naast wie zij den eersten dag aan tafel had gezeten. Dit meisje was +het eenige kind van een rijken bloemist, die in Gelderland woonde +en van den dokter den raad had gekregen, zijn zwak dochtertje de +zeelucht te laten genieten. Verscheidene leerlingen der deftige +kostschool vonden het wat beneden zich, zich veel met de dochter van +een bloemist te bemoeien, al was deze ook nog zoo rijk en het meisje +zelf voelde wel dat sommige harer aristocratische schoolkameraadjes +haar "minder" rekenden en hare aangeboren schroomvalligheid werd +daardoor nog grooter. Met Elsje echter was zij geheel op haar gemak +en het waren gelukkige oogenblikken voor de beide meisjes, als zij +naast elkaar mochten gaan op de lange, dagelijksche wandeling langs +het prachtige strand. De leerlingen moesten dan netjes in de rij +loopen, iets wat voor de meesten een kwelling was en Elsje vooral +voelde soms een bijna onweerstaanbare neiging in zich opkomen om +weg te snellen van de anderen naar een hooge duin in de verte, die +hijgend te beklimmen en in vrije eenzaamheid het mooie uitzicht +te genieten op de grootsche zee, die haar ernstig maakte en deed +jubelen tegelijk. Eens zelfs trok zij, in een uitgelaten bui, haar +vriendinnetje lachend mee uit de rij en liep met haar een eind de zee +in, om toen met natte laarzen en neergeslagen oogen, langzaam terug +te keeren tot de zeer toornige Française, die de meisjes dien dag op +de wandeling vergezelde. Elsje begreep later zelf niet hoe zij het +had durven doen! Het was alsof zij soms uiting geven _moest_ aan het +gevoel van vroolijken levenslust in haar hart, want over 't geheel was +zij zeer gelukkig in haar tegenwoordig leven en er waren oogenblikken, +waarin hare zonnige natuur haar bijna dwong tot juichen en zingen. + +"Zij is een mijner beste en liefste leerlingen," verzekerde de +directrice aan mevrouw d'Ablong, toen Elsje een jaar op de kostschool +had doorgebracht, "het is alleen maar jammer, dat zij soms van die +wonderlijke, luidruchtige buien heeft. Zij is dan zoo levendig en +vol grappen, dat zij al de andere meisjes aan den gang maakt en... ja +eerlijk gezegd, heb ik zelf soms moeite mijn lachen te bedwingen. Zij +kan zoo aardig origineel met een of andere opmerking voor den dag +komen. Zij heeft bepaald vele gaven, lieve mevrouw, en het is treffend +om te zien hoe zij onder den indruk komt van een mooi natuurtafreel, +dan is ze stil en ernstig, maar er zijn dagen dat haar levenslust +haar vergeten doet waar zij is en zij zal nog veel moeten leeren, +eer zij zich volkomen gracieus en _ladylike_ gedraagt. Dat drukke en +opgewondene moet wat getemperd worden." + +"O ja zeker, zeker, levendigheid is goed, maar luidruchtigheid kan +ijselijk burgerlijk zijn," antwoordde mevrouw d'Ablong zeer beslist. + +Zij zou reden hebben zich nog meer te ergeren aan Elsje's gemis aan +aristocratische bedaardheid. Tot groote teleurstelling van Elsje, +ging men in de zomervacantie niet bij grootmama logeeren. Met de +Paaschdagen had Elsje haar even gezien en er zich op verheugd in +Juli en Augustus eenige weken bij haar te komen, maar toen de groote +vacantie aanstaande was, schreef hare tante haar dat Cécile weer een +week of zes aan zee moest doorbrengen en dat zij zelf daarom besloten +had met de beide meisjes kamers te nemen in het badhotel, waar zij +den vorigen zomer met Cilly had gelogeerd. Grootmama schreef aan +Elsje hoe het haar speet, dat zij haar nu niet bij zich zou krijgen; +zij moesten nu beiden maar hopen op den volgenden zomer; het jaar +zou gauw genoeg om zijn en in de Kerstvacantie kwam de oude dame +stellig bij haar schoondochter logeeren. Wat zou Elsje dan al een +jonge dame zijn! Zij was nu immers al zestien jaar? Frits beweerde, +dat hij haar nauwelijks meer "Roodkapje", zou durven noemen, als hij +een paar dagen in het hotel kwam logeeren bij zijn tante. + +Dus Frits zou ze toch wèl zien! Dat vond Elsje nogal prettig en toen +de vacantie eindelijk daar was en mevrouw d'Ablong haar het aardige +slaapkamertje toonde, dat zij voor zich alleen zou hebben en haar een +paar vriendelijke woorden zei, omdat zij op school zoo goed haar best +had gedaan en toen Cécile zich verwaardigde ook vrij aardig jegens +haar te wezen,--trok het denkbeeld in het hotel zes weken door te +brengen, haar meer aan. + +Er waren verscheidene gasten en men at aan table d'hôte. Het trof +toevallig dat Elsje een paar plaatsen van hare tante en Cécile af een +stoel kreeg naast een vriendelijken, ouden heer, die al heel gauw een +praatje met haar begon. Elsje antwoordde vroolijk en ongedwongen. Zij +had er nogal tegenop gezien met zooveel vreemde menschen aan tafel +te zitten, maar nu de maaltijd even aan den gang was, viel het haar +erg mee. Hare tante keek telkens eens tersluiks langs de tafel heen, +of Elsje netjes at en netjes zat en bemerkte tot haar voldoening dat +het meisje erg "aangeleerd" was in het verloopen jaar. Alles ging +goed tot het dessert, toen de oude heer allerlei grappen met zijn +buurmeisje begon te maken over een schoteltje pralines en flikjes, +waarvan hij haar zeer overvloedig had bediend. Elsje's oogen begonnen +te schitteren van pret. Zij had een kleur gekregen, eerst van een +beetje agitatie, later van het drukke praten en van het plezier en +zij zag er zoo aardig en aantrekkelijk uit in haar frissche jeugd, dat +haar buurman hoe langer hoe meer welbehagen in haar kreeg. Toevallig +was het juist een oogenblik heel stil aan tafel, toen de vroolijke, +oude heer iets zeide, dat Elsje in een luiden, helderen lach deed +uitbarsten, die echter plotseling verstomde, toen men haar verbaasd +aanzag en hare tante met een gezicht vol strenge berisping haar kant +uitkeek. Het was gedaan met Elsje's zorgelooze vroolijkheid. De oude +heer fluisterde haar toe dat zij niet zoo verlegen moest zijn en dat +hij nog wel eens veel luider gelachen had, maar dat troostte Elsje +niet en zij was blij toen het tijd was om van tafel op te staan, ook +al vreesde zij dat haar nu van haar tante een strafpredikatie wachtte, +die dan ook niet uitbleef. + +Den volgenden dag was haar plaats veranderd en zat ze naast mevrouw +d'Ablong aan een hoek der tafel. Haar vroegere buurman knikte haar +vriendelijk toe uit de verte en maakte 's avonds een praatje met haar, +maar Elsje was toen zoo bedaard en antwoordde zoo _einsilbig_, dat +hij nauwelijks wist, hoe hij het met haar had. Eenige dagen later was +hij vertrokken--eigenlijk maar een rust, dacht Elsje met een zucht, +terwijl ze zich telkens afvroeg, waarom het toch deftiger was om op +gemaakt zachten toon te spreken en zijne vreugde en droefheid weinig +te toonen, dan om zich precies voor te doen zooals men werkelijk was +en zich voelde. + +Toch had zij geen onaangename vacantie. Hare tante en Cécile waren +vriendelijker dan vroeger en zij bemerkte wel dat zij meer met haar op +hadden en zich veel minder over haar schaamden en ergerden dan een jaar +geleden. Cécile had echter een wonderlijke manier om Elsje achteraf +te houden en zichzelf op den voorgrond te brengen, als zij met andere +loges in aanraking kwamen. Heel veel kon dit Elsje nu wel niet schelen, +maar het was toch een eigenaardig prettige gewaarwording voor haar, +toen Frits kwam en minstens evenveel notitie van haar nam als van +Cécile. Hij bleef haar hardnekkig "Roodkapje" noemen en toen in het +dorp het bericht de ronde deed dat de koninginnen een bezoek zouden +komen brengen, raadde hij Elsje sterk aan, zich op den grooten dag +als Roodkapje te verkleeden en in dit kostuum aan de jonge koningin +een mandje met wafels te overhandigen. Nu, daaraan dacht Elsje niet, +maar zij had wel een gevoel, alsof ze zichzelf niet was, toen zij +op den feestdag na het ontbijt op de duin voor het hotel stond en +in de kronkelende dorpsstraat beneden, tusschen de hooge linden, +de vroolijke vlaggen zag wapperen, die helder beschenen werden door +de volle, rijke zon. Koningin Wilhelmina zien! Het was iets, waarvan +ze had gedroomd en waarnaar ze had gehunkerd jaren lang en toen Frits +haar den vorigen avond de versieringen in het dorp had laten kijken, +was het haar plotseling zoo vreemd week geworden om het hart, dat het +haar benauwde en zij angstig had uitgeroepen: "Als zij nu opeens eens +niet kwamen!" + +Wat had Frits haar toen uitgelachen--gelukkig was Cécile er niet +bij geweest! Die was veel kalmer bij het vooruitzicht; zij had de +koninginnen al zoo verbazend vaak gezien! + +De vorstelijke rijtuigen zouden langs het hotel voorbijkomen en +de gasten behoefden dus in 't geheel geen moeite te doen. Dat vond +Elsje eigenlijk een beetje jammer en o, wat moest het nog lang duren, +eer zij kwamen! Het was nu half tien en zij konden niet vóór elf uur +komen, had Frits gezegd. Hoe zou ze den tijd klein krijgen! + +"je bent te laat, zij zijn al weer weg! Ik moest je wel de groeten doen +van koningin Wilhelmina," klonk de stem van Frits achter haar. Elsje +keerde zich lachend om. + +"Dan hebben zij wel een _bizonder_ kort bezoek aan het dorp gebracht," +zei ze. "Hoe is het mogelijk dat zij dan toch nog tijd hebben gevonden +om met jou te spreken?" + +"Lieve tijd, hoe brutaal! Bedenk een beetje wie je voor je hebt, +jonge dame! Vergeet niet dat ik heel gauw Mr. Frits d'Ablong zal +zijn en spoedig beroemd en bekend in het buitenland, zoowel als in +ons eigen kleine landje." + +"In het buitenland?" vroeg Elsje verbaasd. + +"Ja zeker, want zoodra ik gepromoveerd ben, ga ik een poosje naar +Duitschland en als ik dan terugkom, probeer ik een plaats als +rentmeester te krijgen op een groot buiten in Gelderland. Dat is +altijd grootmama's wensch geweest en als die nu werkelijk eenmaal +vervuld wordt, ben ik natuurlijk heel wat meer waard dan nu. Ik wed +dat je me dan heelemaal niet meer Frits durft te noemen." + +"Misschien wel niet," zei Elsje zacht. + +"Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?" vroeg hij lachend. "Kom, +kijk mij eens recht in de oogen en zeg eens gauw dat je me nooit +anders dan Frits zult noemen." + +Wat had Elsje opeens? Zij begreep het zelf niet. Confuus voor Frits +was zij eigenlijk nog nooit geweest, maar op dit oogenblik kwam er +eensklaps een vreemde verlegenheid over haar, waartegen zij zich +te vergeefs poogde te verzetten, terwijl ze hare oogen opsloeg, +hem aanzag en zei: + +"Ik wil heel graag altijd Frits zeggen." + +"Wel natuurlijk," zei hij vroolijk. "O, daar komen tante en Cilly +aan. Hierheen dames, als 't je blieft; er is hier voor allen +plaats." En hij ging de anderen voor naar een groote veranda, waar +de vorstelijke stoet langs zou rijden en stoelen waren neergezet. + +"Niet waar, mevrouw, wij staan allen op en maken eenvoudig een buiging, +als zij komen? U doet toch zeker ook niet mee aan dat luide roepen der +dorpsbewoners? Die kunnen hier trouwens ook moeilijk komen bij het +hotel; de weg is smal. Maar u bent het toch met mij eens, nietwaar, +dat het veel deftiger en welstandiger is om eerbiedig te buigen dan +zoo oorverdoovend te juichen?" + +Het was een der gasten uit het hotel, die deze vragen tot mevrouw +d'Ablong richtte, die met Cécile, Frits en Elsje onder de veranda +had plaats genomen. + +"O ja, zeker, zeker," haastte zij zich te antwoorden, terwijl het +overige gezelschap eerbiedig toeluisterde. "Dat spreekt van zelf. Ik +ben het volkomen met u eens." + +Elsje alleen had niet naar het gesprek geluisterd. Met een kloppend +hart zat zij het plechtige oogenblik af te wachten. Frits keek haar +nu en dan van ter zijde aan, glimlachend over haar jonge geestdrift. + +Eindelijk, eindelijk, daar naderden zij. Langzaam en statig kwamen +de rijtuigen dichter bij. Elsje's hart klopte nu bijna hoorbaar +en als in een droom volgde zij het voorbeeld der anderen en stond +op van haar stoel. Daar was het rijtuig der koninginnen vlak voor +haar. Hare blijde oogen zagen een jeugdige, blonde verschijning, +die met een innemend lachje en een bevallige buiging het eerbiedig +nijgen der hotelgasten beantwoordde, en uiting gevend aan het warme +gevoel van liefde en bewondering, dat haar bezielde, wuifde Elsje +met hare beide handen en riep met bevende lippen, luid en juichend: + +"O koningin, koningin, koningin!" + +Er gleed een vroolijk lachje over het gelaat van haar, wie deze +uitroep gold en met stralende oogen zag Elsje het rijtuig na, toen +zij de hand harer tante op haar arm voelde. + +"Stil toch kind, stil toch, je hoort toch dat niemand anders wat +roept!" klonk het verdrietig. + +"Vreeselijk aanstellerig van je, Elsje," fluisterde Cécile, die haar +sierlijkste buiging ten beste had gegeven. + +"Kom tante, zij was zoo erg blij!" bracht Frits verontschuldigend in +het midden. "Ik zou dolgraag meegeroepen hebben met Elsje, als ik maar +gedurfd had. Koningin Wilhelmina zal je nu natuurlijk nooit vergeten, +Roodkapje. Hadt je nu nog maar een mandje wafels bij je gehad en je +kapje op!" + +Maar mevrouw d'Ablong was niets gesticht over Elsje's uiting van +geestdrift. "Zulke dingen doen deftige menschen niet, dat behoort +niet zoo," zei ze 's avonds tot haar, toen ze haar nog eens onder +handen nam. "Ik ben anders wel tevreden over je tegenwoordig, maar +je moet heusch wat meer op Cécile letten, die weet altijd precies, +hoe zij zich gedragen moet. De andere gasten keken zoo verbaasd en +vreemd op, toen jij daar opeens zoo hard aan 't roepen gingt!" + +Het was misschien niet goed van Elsje, maar _deze_ berisping trok zij +zich heel weinig aan. Zij was zóó blij dat zij de koningin gezien +had en zoo opgetogen over haar, dat er voor 't oogenblik althans, +geen plaats was in haar hart voor spijt over hetgeen ze in haar groote +vreugde had gedaan. Zij luisterde beleefd naar wat hare tante zeide, +maar dacht er verder niet over na. + +En wie beschrijft hare verrukking, toen ze op een der eerste ochtenden +na de vacantie, de eetkamer op school inkwam en op haar bord een +pakje vond liggen, dat een groot kabinetportret der jonge koningin +bleek te bevatten. Met groote ingenomenheid bekeek zij het en zag +toen dat achter op het karton geschreven stond: + +"_Met hartelijke groeten van Frits d'Ablong. Ter herinnering aan_ +18 _Augustus._" + + + +Hoofdstuk XIV. + +"Kindersproke." + + +"O tante, zóó lang?" had Elsje gevraagd, toen mevrouw d'Ablong zeide +dat zij haar tot haar achttiende jaar op kostschool wilde laten blijven +en nu was ten slotte de tijd om, voordat zij het zelf haast wist. Zij +zou het niet geloofd hebben als iemand het haar drie jaren geleden +had voorspeld, maar toen de dag van het afscheid naderde, voelde zij +zich zoo bedroefd en zag zij er zoo tegen op het gelukkige leven, +dat zij op school gehad had, vaarwel te zeggen, dat zij er werkelijk +een oogenblik ernstig over dacht, hare tante te smeeken, haar nog +een jaar te laten blijven. Maar, zoo onhartelijk en ondankbaar wilde +zij toch niet zijn. "Nu verlang ik er bepaald naar dat je voor goed +thuiskomt, kind," zei mevrouw d'Ablong den laatsten keer dat zij +Elsje bezocht. "Cécile gaat zoo verbazend veel uit, nu zij eenmaal +gepresenteerd is en ik ben zoo bang dat ik haar gauw heelemaal zal +verliezen..." + +"Waarom tante?" viel Elsje haastig in. Zij wist dat de wensch van +grootmama spoedig zou worden vervuld en Frits er in geslaagd was +een betrekking als rentmeester te vinden. Het groote buiten, waar hij +werkzaam zou wezen, lag op een klein uur afstands van de villa der oude +dame en dezen zomer zou Frits voor goed uit Duitschland terug komen +en zijn nieuwen werkkring aanvaarden. Elsje had hem slechts een paar +malen even gezien in de laatste twee jaren; hij was dikwijls in het +land geweest buiten den vacantietijd. Toen zij hem het laatst ontmoet +had, in de vorige zomervacantie, buiten bij grootmama, was het haar +opgevallen dat Cécile en hij zoo vertrouwelijk samen waren. Zij had +toen weer sterk het onderscheid gevoeld tusschen Cilly en zichzelf, +want, hoewel hare manieren nu, volgens mevrouw d'Ablong, "bijna +onberispelijk" waren, overviel haar toch telkens in tegenwoordigheid +van Cécile en Frits, een gevoel van linkschheid, dat haar verlegen en +stil maakte. Zij had zich niets gelukkig gevoeld die dagen dat Frits +buiten was en het eigenlijk een verlichting gevonden, toen hij weer +vertrekken moest. Het was niet lief van haar, dat voelde ze wel, maar +zij kon het niet heel goed verdragen dat hij en Cécile het zoo bizonder +goed samen konden vinden, en toch, wat ging het haar eigenlijk aan, +zij schaamde zich er over dat het haar zoo hinderde. Wat verbeeldde +zij zich wel? Frits was immers ook altijd even vriendelijk en beleefd +jegens haar; _meer_ verlangde zij toch niet? Zij werd telkens boos op +zichzelf, als zij zoo redeneerde, maar.... heel veel hielpen die toorn +en dat redeneeren haar niet. Zij had zich echter vast voorgenomen, +het heusch heel prettig te vinden, als zij hoorde dat Frits en Cécile +samen zouden trouwen; nu hare tante echter, naar zij dacht, met dit +bericht voor den dag zou komen, verlangde zij er heelemaal niet naar, +het te hooren. Zij kreeg een kleur, toen zij op de geheimzinnige +woorden van mevrouw d'Ablong inviel met haar: + +"Waarom tante?" + +"Wel meisje, wat komt dat er levendig uit!" lachte hare tante. "Zoo, +zoo, begin je je ook al zoo verbazend voor dergelijke dingen te +interesseeren? Nu, ik heb wel hoop dat mijn aardig nichtje _ook_ +nog wel eens iemand zal vinden, die heel veel van haar houdt. Je +ziet er veel beter uit, Elsje. Je moet maar veel rose dragen, die +blouse flatteert je bepaald. Neen, kijk mij eens even goed aan! Ik +geloof heusch dat ik je bij je kin moet vasthouden; je draait +telkens je hoofd om. Ziezoo, nu moet je me wel aankijken, ondeugend +kind. Ik denk wezenlijk meisje, dat je met die blauwe oogen nog +eens iemand betooveren zult. Wordt je nu al verlegen om zoo'n gewoon +complimentje? Wat ben je toch een grappig, kinderlijk schepseltje! En +wou je nu zoo dolgraag eens weten, waarop ik zoo pas doelde? Krijg +je nu al weer een kleur en wat kijk je vreeselijk ernstig! Nu Elsje, +ik denk.... ik denk haast wel dat Cécile gauw geëngageerd zal zijn." + +"O," zei Elsje met een zucht, terwijl ze haar gezicht wegtrok en haar +best deed blij te kijken. + +"Ik denk," vervolgde mevrouw d'Ablong met een trotsch lachje, "dat zij +een allersnoeperigst bruidje zal wezen; maar zoover zijn wij nog niet, +gelukkig. Ik mag je nog niet vertellen met wien Cilly trouwen gaat, +dat heb ik haar stellig beloofd en je moet er haar ook nog maar niet +over schrijven, dat heeft ze liever niet. Er zijn redenen waarom het +engagement voorloopig nog geheim moet blijven, maar je begrijpt zeker +wel dat ik nu nog meer verlang om je voor goed thuis te krijgen, he?" + +"O ja, tante." + +"Vooreerst zal Cécile nog wel niet trouwen, maar haar aanstaande man +zal haar natuurlijk heel dikwijls van mij weghalen, dat spreekt van +zelf. Ik denk dat zij een erg knap paar zullen zijn. Maar nu mag +ik er je niets meer van vertellen. Cilly heeft me dat zoo op het +hart gedrukt. Nu kindje, daar luidt de bel voor je lunch, ga maar +gauw heen--tot Juli hoor! Wij zien elkaar dan terug bij grootmama; +ik zal er voor zorgen dat er nog een paar nette, nieuwe toiletjes +voor je worden gemaakt. En o ja, denk er aan dat je er niets van laat +blijken, als je bij grootmama komt, dat je van Cécile's engagement +afweet. Het moet bepaald nog strikt geheim blijven tot het najaar; +pas dus goed op, hoor." + +"Ja zeker tante." + +Dit was een van de redenen, waarom Elsje er zoo tegen opzag van +haar gelukkigen kostschooltijd afscheid te nemen. "Frits en Cécile +geëngageerd," dacht ze, "wat zullen zij mij dan uitstekend goed +kunnen missen! Ik vind het heerlijk, heerlijk, grootmama weer te +zien, maar alles zal nu wel heel anders wezen dan vroeger. Grootmama +zal natuurlijk, evenals tante, erg opgaan in die twee. Maar ik +moet mijn best doen. Tante is zoo lief voor mij tegenwoordig +en... en... misschien valt het wel mee. Ik vind het vreemd dat +Frits eerst in Augustus thuiskomt, hij zal toch wel heel erg naar +Cécile verlangen. Vóór dien tijd zal het dan toch wel heel prettig +zijn bij grootmama; ik wou dat ik dan later nog wat bij Line mocht +gaan logeeren." + +Line was de dochter van den bloemist. Elsje en zij waren nu elkaars +"grootste" vriendinnen en vonden het een verschrikkelijk denkbeeld +dat de tijd spoedig aanstaande was, waarop zij elkaar niet meer +dagelijks zouden zien. Zij namen zich echter stellig voor, elkaar +trouw te schrijven en Line rekende er vast op, dat Elsje eens gauw +bij haar zou komen logeeren. + +"Dag Elsje, dag lieve, lieve Elsje!" zei ze, toen het uur van afscheid +nemen werkelijk was gekomen en de twee vriendinnen elkaar voor het +laatst omhelsden. "Je schrijft me nu heusch dadelijk, he? Ik beloof +je dat ik je brief heel gauw zal beantwoorden. Ik hoop dat je het +heerlijk hebben zult buiten, bij die lieve oude dame. Ik vind het +verrukkelijk om naar huis te gaan, maar o, wat wou ik dolgraag dat +je nu al met me mee gingt!" + +"Kom Line, nu moet Elsje heusch weg, haar koffer is al naar het +station," kwam de directrice tusschenbeide. "Heb je al de andere +meisjes ook al goedendag gezegd, Elsje? Het spijt iedereen dat je +voor goed weggaat. Je bent mij een heel lieve leerling geweest, kind; +God zegene je!" + +Elsje was verbaasd te zien, hoe de anders zoo statige dame de tranen +in de oogen had. Nu kon zijzelf zich ook niet langer goed houden. Tot +op dit oogenblik had zij dapper tegen hare ontroering gestreden, +maar thans begaf haar opeens alle zelfbeheersching en hare handen +voor het gezicht slaande, riep ze snikkend uit: + +"Och juffrouw, ik wou hier zoo vreeselijk graag nog wat blijven; +ik heb het hier zoo heerlijk gehad..." + +"Kom lieve meid, je zult het immers bij je tante ook weer heel prettig +hebben! Doe maar goed je best om een lieve tweede dochter voor haar te +zijn. Dag kind, dag kind! Laat mij maar eens gauw wat van je hooren." + +En het rijtuig reed met Elsje en de Fransche secondante, die haar naar +het station bracht, weg, terwijl zij nog maar al met hare hand uit +het raampje wuifde, tot het laatste stipje van het kostschoolgebouw +uit het gezicht was verdwenen. + +O, wat was het heerlijk, toen zij aan het eind harer reis aankwam, +terstond toen zij uit den coupé stapte, het lieve gezicht van grootmama +voor zich te zien! "Welkom thuis, kind, welkom thuis!" zei de oude +dame, Elsje naar zich toetrekkend en een kus gevend. "Wat heb ik naar +je verlangd!" + +"En ik naar u, grootmama," zei Elsje warm. + +"Ja? Kom, dat is goed. Jacob staat met het rijtuig op ons te +wachten. Kijk, de paardjes trappelen al van ongeduld om je thuis te +brengen. Je ziet Cilly zeker ook al, he? Zij is maar heel gemakkelijk +in het rijtuig blijven zitten; tante wacht je thuis op. Jammer +dat Frits er nu nog niet is, die verlangt ook naar je. Kijk je zoo +nieuwsgierig, omdat je niet weet wie die andere jonge dame is, die +naast Cilly zit? Maar je kent haar toch heel goed! Zij logeert ook +een poosje bij mij. Kom, ga maar gauw mee." + +"O ja, nu zie ik het; het is Loulou van Rensen," zei Elsje, nu juist +niet op verheugden toon. + +"Dag Elsje, welkom hier," zei Loulou vriendelijk, zoodra ze haar +zag. "Vindt je het niet verbazend prettig om voor goed van kostschool +af te zijn? Wat zie je er goed uit, zeker ook van blijdschap, he?" + +"Dat weet ik niet," zei Elsje lachend. "Dag Cécile." + +"Dag Elsje, welkom hier," was al wat Cécile zeide, maar Elsje lette +er niet op en was dadelijk druk in gesprek met grootmama, die alles +weten moest van de directrice en van het afscheid en vooral van +Elsje's grootste vriendin. + +Mevrouw d'Ablong begroette Elsje vrij hartelijk en nam haar dadelijk +mee naar hare kamer om haar de nieuwe japonnetjes te laten zien, die +zij voor haar in orde had laten maken. "Dat opgestoken haar staat je +bizonder goed," zei ze, "maar je moet er bepaald een schildpadden +naald in steken. O, daar komt grootmama ook al weer aan. Die heeft +wat naar je verlangd, kind; Cilly zou haast jaloersch geworden zijn." + +"Ik kom Elsje een brief brengen, zeker van Miss Piper," zei de oude +dame, die de kamer binnenkwam, gevolgd door Cécile en Louise. + +"Cilly heeft _geen_ reden om jaloersch te wezen. Is het wel, _madame +la baronne_?" fluisterde Loulou lachend. + +"Sst! Stil toch!" fluisterde Cécile terug. "En wees toch niet zoo +flauw met je _madame la baronne_! Dat ben ik heelemaal niet...." + +"Maar je zult er toch op lijken, als je later op het kasteel woont." + +"Och wat, kasteel! Het is heelemaal geen kasteel, het is een heel +gewoon huis!" + +"Maar...." + +"Toe, stil nu," zei Cécile op gebiedenden toon. "Is het een brief +van Miss Piper, Elsje? En vindt ze het niet naar, dat ze nu al een +jaar van ons weg is?" + +"Zij schrijft heel hartelijk, lees maar eens," zei Elsje. "Ik vind +het erg aardig dat zij er aan gedacht heeft dat ik vandaag voor goed +thuis kwam." + +"Nu moet je mij eens even al je aandacht schenken, kind," zei +grootmama, een klein doosje te voorschijn halend. "Ik had het je +al willen geven op je achttienden verjaardag, maar tante vond het +aardiger, als je het nu kreegt. Kijk eens!" + +En het doosje openend, liet zij Elsje een allerliefst geëmailleerd +gouden horloge zien. + +"Neem het er maar uit," zei ze met een vriendelijk knikje, toen Elsje +er met een verbluft gezicht naar stond te kijken. + +Voorzichtig en een beetje verlegen gehoorzaamde ze. + +"Lees eens, wat op den rand staat," zei de oude dame weer. "Ik hoop +dat het je bevalt." + +"O grootmama," was al wat Elsje zeide, toen ze de kleine letters op den +rand van het horloge ontcijferde. "Aan mijn lieve kleindochter," stond +er en toen ze die woorden las, was het Elsje een oogenblik, alsof ze +werkelijk hare eigene lieve grootmoeder terug had gekregen. Er kwam een +warm, weldadig gevoel in haar hart bij het besef, hoe de oude dame ook +haar geheel als hare eigene kleindochter wenschte te beschouwen en het +horloge in het étui op de tafel leggend, liep ze naar grootmama toe, +sloeg op hare oude, kinderlijke wijze de armen om haar hals en zei: + +"O dank u, dank u hartelijk." + +"Wat een roerend schouwspel!" zei Cécile zachtjes tot Louise, die +met haar bij het raam stond. + +"Och, ik vind het eigenlijk heel aardig dat ze zoo blij is," fluisterde +Louise terug. "En wat is ze er lief gaan uitzien, Cilly. Ze heeft +zoo'n mooie kleur van haar gekregen en ik heb vroeger nooit opgemerkt +dat ze zulke aardige oogen had." + +"Lieve tijd, Lou, ze kan best hooren wat je zegt. Houd je toch stil!" + +Maar Elsje had het niet gehoord. Zij was veel te veel vervuld van het +bezit van haar horloge en druk in gesprek met grootmama en mevrouw +d'Ablong. "Hoe maakt Liesje het toch?" vroeg ze, toen Louise later +een praatje met haar maakte, "vindt ze het nog zoo prettig op school +en is ze alweer gegroeid?" + +"O ja, ze is bepaald al weer grooter dan toen jij haar het laatst +zaagt en ze vindt het erg deftig dat ze nu heusch acht jaar is." + +"Ik verlang haar weer eens te zien," zei Elsje. + +"Ik geloof dat ze ook erg naar jou verlangt, maar ze zal je nu wel +niet meer bij den naam durven noemen." + +"Dat zal ze wel, hoop ik," zei Elsje lachend. "En anders zal ik het +haar wel leeren." + +Het viel haar dien eersten dag zeer mee, dat Louise zooveel +vriendelijker jegens haar was dan ze verwacht had, maar den volgenden +dag scheen deze het weer noodig te vinden, Elsje wat meer op een +afstand te houden. Zij was zooveel jonger en Cécile had eigenlijk wel +gelijk, het was vervelend dat dat jonge kind nu telkens mee moest, +als zij wandelen gingen. Zij konden nu lang zoo vrij en genoegelijk +niet meer praten als zij tot hiertoe hadden gedaan. + +Heel erg geneerden zij zich trouwens niet, toen zij na het ontbijt met +Elsje in het bosch liepen. Elsje deed eerst haar best mee te praten, +maar toen het gesprek langzamerhand uitsluitend over de bals liep, +die Cécile en Louise den vorigen winter hadden bijgewoond en toen +de laatste Cilly voortdurend plagend _madame la baronne_ noemde en +allerlei geheimzinnige toespelingen maakte op iemand, die ook wel +dolgraag naast Cilly zou hebben willen loopen, begon het Elsje te +vervelen en liep zij zwijgend voort, zooveel mogelijk de plechtige +schoonheid van het bosch genietend. Maar het gefluister en gegiegel +naast haar hinderde haar toch en zij was blij, toen het tijd werd om +naar huis te gaan. Grootmama kwam de meisjes uit de veranda tegemoet, +toen zij hen zag aankomen. "Een telegram! Een telegram van Frits!" riep +ze. "Hij komt morgen al thuis." + +"O, hoe vreeselijk gezellig!" riep Cécile terug, terwijl Elsje +haar snel aankeek. Wat nam Cécile het bericht eigenlijk gewoon +op! Zij praatte er niet eens verder over, toen zij in huis waren, +maar greep gretig naar twee brieven, die de post juist voor haar had +gebracht. Hoe vreemd! Zij moest toch wel heel blij zijn, dat hij nu +al zoo gauw kwam. Het engagement werd dan zeker dadelijk publiek, +al was het nog geen najaar. Foei, wat was zijzelf weinig kalm! Wat +had zij toch? Het zou heel aardig wezen, Frits eens weer te zien, maar +daarom behoefde haar hart nu toch niet zoo dwaas onstuimig te kloppen +en was het volstrekt niet noodig dat hare wangen zoo gloeiden! "Wel, +kindje, wat staan je oogen helder, bevalt het luie leventje je al +goed?" vroeg grootmama, en Elsje knikte een beetje verlegen, zij +voelde zich zoo vreemd en o, ze zag zoo tegen morgen op. Ze zou dan +natuurlijk heel verheugd moeten kijken, als men haar vertelde dat +Cécile en Frits geëngageerd waren en ze was er in werkelijkheid niets +mee ingenomen. Ze kon het niet helpen, het was misschien heel leelijk +van haar, maar ze vond het in 't geheel geen prettig vooruitzicht, +om die twee zoo heel intiem samen te zien. "Ik ben een akelig, +onuitstaanbaar, ondankbaar schepsel!" zei ze tot zichzelf, toen ze +'s avonds alleen op haar kamer was en in een alles behalve kalme +stemming. "En ik _moet_ morgen blij kijken en heel vroolijk zijn, +maar och, ik wou ... ik wou dat ik Frits verschrikkelijk naar vond!" + +Met dezen onvriendelijken wensch in haar hart viel zij in slaap. + +Ze was wonderlijk kalm, toen het uur naderde, waarop Frits thuis +komen zou. Zij zag er nu niets tegenop, heelemaal niet en dat was +erg gelukkig, vond ze, maar och lieve tijd, al hare kalmte verdween +als sneeuw voor de zon, toen zij Frits voor zich zag. En hij was +zelf nog wel zoo stil, ja zelfs een beetje verlegen, toen hij haar +goedendag zeide. "Je bent zoo veranderd," zei hij, terwijl hij met +iets eerbiedigs in zijne oogen keek naar de slanke, bevallige gestalte +en het frissche meisjesgezicht, waarover een eigenaardig bekoorlijke +beschroomdheid lag. Elsje _kon_ niet anders dan ernstig kijken op dit +oogenblik. Zonder een woord te spreken, legde zij hare hand in die +van Frits en keek hem aan. Toen voelde zij zich opeens zoo onrustig +en gejaagd, dat ze het een verademing vond, toen hij zich van haar +afwendde, omdat grootmama hem iets vroeg. + +"Nu komt het, nu komt het!" dacht Elsje, toen het geheele gezelschap +na de koffie bij elkaar in de veranda stond en Frits Cécile plaagde, +omdat zij hem niet met een kus welkom had geheeten. "Je hebt snood +de belofte gebroken, die je me jaren geleden gedaan hebt," zei hij, +waarop Cécile beweerde dat zij nooit beloofd had, dat zij hem altijd +"zoo overdreven hartelijk" zou begroeten, als zij hem zag. "Dat zou +ook heelemaal niet _comme il faut_ zijn," fluisterde Louise haar in, +waarop Frits absoluut weten wilde, wat zij gezegd had en Elsje maar al +op heete kolen stond, omdat zij ieder oogenblik verwachtte dat mevrouw +d'Ablong of grootmama over het engagement van Frits en Cécile zou gaan +spreken. Dien dag gebeurde dit echter niet en tot Elsje's verwondering +ook den volgenden niet en den daarop volgenden en toen er een week +voorbij was gegaan, zonder dat iemand ook maar een enkele toespeling +op het bewuste engagement had gemaakt, kwam zij tot de overtuiging dat +men het toch niet eerder bekend wenschte te maken dan in het najaar. + +Deze gedachte moest haar kalmer hebben gestemd, maar tot haar schrik +was dit het geval niet. Het was ook zoo vreemd dat Cécile en Frits +elkaar betrekkelijk zoo weinig zochten en dat de eerste telkens +lange wandelingen met Louise ging maken, zonder dat men wist, waar de +beide meisjes gebleven waren. Na den eten waren zij telkens spoorloos +verdwenen en het was nu al een paar malen gebeurd dat Elsje haar op +het tennisveld achter het huis had gezocht en daar Frits aangetroffen +had. Hij had dan telkens verrast opgekeken, als hij haar zag en eenmaal +waren zij heel prettig samen gewandeld naar de heide, naar de plek, +waar hij Elsje eens in liggende houding had aangetroffen. Hij was +toen erg vriendelijk en zeide dat hij zoo blij was geweest, haar weer +te zien en te kunnen denken dat zij zich nu veel gelukkiger voelde, +dan toen zij voor 't eerst die plek had bezocht en zij had toen maar +even geknikt--zij _kon_ niet spreken; o, als hij eens geweten had, +hoe onrustig en bang het was in haar hart! + +Zij wilde en durfde zich niet afvragen, wat dit wonderlijke gevoel +veroorzaakte in haar binnenste, maar het maakte haar ongelukkig +en opgewonden tegelijk en toen zij dien avond weer op haar kamer +naar buiten stond te kijken, wendde zij zich opeens woest af van +het vredige schouwspel daar buiten en riep uit: "O, ik wil het niet, +ik wil het niet! Het zou schande zijn, ik _mag_ niet!" En in een diep +bedroefde stemming, overstelpt door een gevoel van schaamte en weemoed, +knielde zij neer en bad vurig en smeekend: + +"Heer, neem die liefde weg uit mijn hart. O, ik smeek U, neem haar +weg en help mij, help mij!" + +Maar haar strijd werd haar niet gemakkelijk gemaakt. "Ik wou dat hij +maar minder vriendelijk was," dacht ze, telkens als Frits een gesprek +met haar aanknoopte en haar op allerlei wijzen toonde dat hij haar +aardig vond en van haar hield. "Waar is Roodkapje? Gaat Roodkapje +niet mee?" hoorde zij hem steeds roepen, als er questie was van +een wandeltocht of iets dergelijks. "Ik mag je toch immers nog wel +Roodkapje noemen?" had hij gevraagd. "Ik vind het zoo aardig, zoo'n +naampje voor mij apart!" En zij had toen een beetje stroef "ja" gezegd, +boos op zichzelf, omdat de laatste woorden haar zoo welkom waren. + +Als zij ten minste uiterlijk maar heel kalm had kunnen zijn, +dan zou het nog niet zoo erg zijn geweest, maar het kostte haar +groote moeite, zich bedaard voor te doen, vooral als zij telkens de +spottende oogen van Cécile en Louise op zich zag gevestigd, wanneer +Frits haar een beleefdheid bewees of met haar praatte. Zij vond het +bepaald een verademing, toen er, na een droogte van eenige weken, +plotseling een dag kwam, waarop het zoo hevig regende dat er van +uitgaan geen sprake kon zijn. Zij besloot nu rustig den geheelen +middag op hare kamer te gaan zitten schrijven, aan een langen brief +aan Line. Gelukkig werd zij niet in haar voornemen verhinderd, maar +moeite kostte haar de brief wel--het was zoo vreemd om over koetjes +en kalfjes te schrijven aan hare vriendin, terwijl haar hart vol +strijd en droefheid was. "Zóó is het toch maar het beste," zei ze, +toen ze den brief met een zucht sloot. Toen kwam er een lachje op +haar gezicht. Wat was zij toch eigenlijk dwaas! Kom, zij zou er wel +overheen komen; zij moest er vooral maar niet te veel aan denken; +als Frits en Cécile eenmaal getrouwd waren, kwam alles wel weer in +orde. Bij die gedachte zuchtte ze echter weer, alsof dat "in orde zijn" +toch maar betrekkelijk zou wezen. + +"Komt Cilly en Loulou, vroolijkt ons eens wat op door een beetje +muziek," zei grootmama 's avonds onder theetijd. "Ik word heelemaal +somber door dien aanhoudenden stortregen vandaag. Wil je eens wat +zingen, Louise, en heeft Cilly moed, je te accompagneeren?" + +"O ja zeker," riepen de beide meisjes tegelijk uit. Frits deed de +piano open en even later klonken de vroolijke tonen van een Fransch +liedje door de kamer. + +"Alleraardigst!" riep grootmama, toen het uit was. "Zingt nu nog eens +een paar duetten, ik hoor jullie zoo graag samen." + +De meisjes waren onvermoeid en zongen met lust en volharding door, +totdat de schemering inviel en Cécile beweerde dat zij nu "heusch +onmogelijk een noot meer kon lezen." + +"Het spijt me toch wel, dat ik Elsje in 't geheel geen muziek heb laten +leeren," zei mevrouw d'Ablong tot grootmama. "Zij scheen er echter +weinig aanleg voor te hebben, maar nu mist ze het toch, dunkt me." + +"Ze moet haast wel aanleg tot zingen hebben met die welluidende stem," +zei Frits opeens. + +Elsje werd verlegen en Louise en Cécile stootten elkaar aan. + +"Elsje kan zoo fraai reciteeren," zei Cécile, "misschien wil zij +dat nu wel eens voor ons doen. Wij zitten nu net zoo poëtisch in +schemerdonker en daar heeft ze geen licht voor noodig." + +"Ik weet niet of Elsje er lust in heeft," zei grootmama langzaam en +een weinig bevreesd dat Elsje er tegenop zou zien, in dit gezelschap +iets voor te dragen. + +"Dat denk ik wel," zei mevrouw d'Ablong beslist, terwijl Elsje zwijgend +voor zich keek, onzeker wat zij zeggen zou. + +"Wil je, Roodkapje?" vroeg Frits dringend. "Het behoeft maar een +kleinigheid te wezen." + +"Komaan, Elsje, ik weet dat je het heel goed doet," zei mevrouw +d'Ablong snel. "Je hebt het zoo uitmuntend geleerd op school en het +al zoo dikwijls gedaan, wees nu niet laf." + +"Nu begin ik nog meer te verlangen. Ik heb je nog nooit hooren +reciteeren, Roodkapje," zei Frits weer. + +"Ik wil wel, tante," zei Elsje zacht, "als ik maar wist wat." + +"Kijk, je kunt door het raam de sterren zien schijnen; het wordt +beter weer, inspireert je dat niet?" vroeg Louise lachend. + +En de flonkerende sterren schenen Elsje werkelijk op een inval +te brengen. + +"Wij hebben de laatste weken op school iets geleerd, dat ik +bizonder mooi vond," zei ze. "Zal ik dat nemen? Maar het is heel +eenvoudig. _Kindersproke_ heet het; misschien kent u het, grootmama?" + +Neen, niemand kende het. "Begin maar gauw, dan zijn wij even ver als +jij," zei Cécile. + +En met een heldere stem, eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid, +begon Elsje te reciteeren: + + + KINDERSPROKE. + + Nacht is niet boos... Als hij komt de nacht, + Maakt hij den hemel open, + En veel sterren en sterretjes komen zacht + Op gouden voetjes geloopen. + Zij zijn nieuwsgierig, en naar beneê' + Zouden ze heel graag komen; + Maar ze zijn bang voor de groote zee + En voor de hooge boomen. + + 't Is boven óók donker ... maar zij hebben licht! + De zon gaf ze allemaal lichtjes, + Voordat hij naar bed ging; die houden ze dicht + Bij hun gouden sterregezichtjes. + Zij kijken, en lachen, en knikken goênacht, + En zeggen: "je moet gauw gaan slapen." + Zij worden eerst naar bed gebracht, + Als de zon heeft uitgeslapen. + + Ze wand'len boven den ganschen nacht + Op hun kleine bloote voetjes; + Dat doet geen pijn ... de wolken zijn zacht, + En ze gaan ook maar zoetjes, zoetjes; + Ze mogen nóóit leven maken; dàt zou + De moede menschen hind'ren... + 'k Geloof niet dat _ik_ ze hooren zou; + Maar er zijn ook _zieke_ kind'ren. + + 'k Zou heel graag eens naar boven gaan, + Als 'k wist hoe daar te komen... + Vogels hebben vleugels aan, + Die vliegen boven de boomen. + Bouwen ze boven ook hun nest? + Of zou hun dat niet bevallen? + En loopen je altijd alleen?--Je zoudt best + Uit je open huis kunnen vallen. + + Hebben je boven ook een tuin, + En bloemen ... en kersen ... en bijen, + --Die brommen zoo!--en een hooge duin + Waar je op en af kunt rijen? + En je moeders handen, zijn ze ook zoo zacht + Als ze je 's morgens komt wasschen, + En de zeep zoo schuimt, en een watervracht + Over je rug komt plassen? + + In _mijn_ bosch woont een nachtegaal. + Hebben je kleine muschjes, + Die je voeren kunt?--Ben je allemaal + Broertjes ... broertjes en zusjes? + Ik krijg er haast ook een: 't bedje staat klaar, + Hebben jullie allemaal bedjes? + Maar waar zijn ze dan, ik zie er geen .. waar? + 'k Hou 't mijne nu altijd netjes. + + Twee, tien, twintig ... altijd meer + Komen je aangeloopen... + In mijn oogen strooien je prikkeltjes neer... + Ik hou ze niet meer open! + Tien, zes, honderd... ik ben te moe + Om je allemaal te tellen... + Als ik wakker word, is de hemel toe + En 'k heb nog zóóveel te vertellen... + + +"Hoe allerliefst!" zei grootmama, toen Elsje zweeg. "Dank je wel, +kind. Het is een verkwikking, zoo iets te hooren. Van wien is dat +beelderige dingetje?" + +"Van Marie Boddaert," zei Elsje. + +"Is dat niet een freule?" riep Louise uit. "Ook van adel!" vervolgde +ze fluisterend tot Cécile. + +"Vervelend kind, houd je toch stil!" knorde Cilly. + +"Ik vond het ook een heel aardig vers," zei Louise, "maar ik begrijp +toch niet, hoe iemand zooveel kan zien in die sterren." + +"O Loulou, hoe prozaïsch!" riep mevrouw d'Ablong uit. "Neen, ik vind +het bizonder mooi en Elsje reciteert het ook heel goed. Vindt u niet, +grootmama?" + +"Ja zeker," zeide de oude dame met nadruk. + +Frits zei in 't geheel niets over het vers, maar bleef stil naar buiten +zitten kijken, terwijl de anderen druk aan het praten gingen. Opeens +echter stond hij op en zei: + +"Zouden we nu niet nog eens even een eind gaan loopen? Het is zoo +mooi buiten nu en ik heb bepaald behoefte aan wat frissche lucht." + +"Ik blijf heusch liever thuis," zeiden grootmama en mevrouw d'Ablong +tegelijk. + +"Wij willen wel mee. Is het niet, Loulou?" zei Cécile. + +"Dolgraag." + +"En jij, Elsje?" vroeg Frits. + +"Ja, ik vind het heel prettig." + +"Een eind den straatweg op maar, dunkt me, he?" zei Frits, toen de +meisjes en hij buiten stonden. "Daar zal het 't droogst zijn." + +"O ja," zei Cilly. "Kom Lou, dan gaan wij maar samen vooruit; ik moet +je nog even wat zeggen." + +"Over dien laatsten brief?" vroeg Louise nieuwsgierig, terwijl +ze Cécile snel volgde. Frits en Elsje kwamen langzaam en zwijgend +achteraan. + +"Wat een heerlijke avond nog!" zei Frits eindelijk. + +"Ja, heerlijk." + +Weer zwegen beiden, toen zei Frits aarzelend en zacht: + +"Ik vond het een genot naar je te luisteren zooeven, Roodkapje. Zou +je me een genoegen willen doen?" + +"Wat meen je?" + +"Het is hier zoo rustig en vredig en de anderen zijn een heel eind +vooruit. Niemand anders dan ik kan je hooren. Wil je het vers nu nog +eens voor mij alleen opzeggen?" + +"O jawel," zei Elsje dadelijk. Zij voelde zich zoo wonderlijk kalm +en gelukkig op dit oogenblik--het was of de plechtige avondstilte om +haar heen haar hare rust teruggegeven had. + +Heel langzaam voortwandelend, zeide zij het vers nog eens op. Toen +ze zweeg, bleef Frits staan, keek haar ernstig aan en zei: + +"Dank je wel. Ik vind het heel lief van je dat je dat voor mij hebt +willen doen." + +"Zeg eens even, vergeten jullie ons heelemaal?" riep Cécile, die met +Louise teruggekeerd was. "Wij gaan naar huis, hoor; het is daar verder +op den weg zóó nat." + +"Ja, wij gaan ook naar huis," zei Elsje snel. + +Cécile ging naast Frits loopen en begon druk met hem te praten, hem +plagend dat hij zooveel stiller was dan andere avonden. "Dat komt zeker +door al die poëzie over de sterren," zei ze spottend, toen ze de villa +hadden bereikt en toen Louise en zij later met Elsje naar boven waren +gegaan, hoorde deze haar op het portaal lachend tot Loulou fluisteren: + +"Het is onzinnig, maar ze heeft het gedecideerd beet, hoor!" + + + +Hoofdstuk XV. + +Cécile's Engagement. + + +Er gingen drie, vier weken op deze wijze voorbij en alles bleef bij +het oude. Niemand maakte ook maar de geringste toespeling op een +engagement tusschen Frits en Cécile en Elsje's strijd werd hoe langer +hoe zwaarder. Louise zou nu spoedig vertrekken en dan zouden die +fluisterende gesprekken en dat laffe gegiegel ten minste ophouden, +dacht zij met een zucht van verlichting. Frits was telkens uren +aaneen op de buitenplaats, waarvan hij met September den post van +rentmeester op zich zou gaan nemen. Er was een aardig, vroolijk huis +te zijner beschikking gesteld en grootmama en hij waren druk bezig, +de kamers prettig en comfortabel in te richten en allerlei noodige +veranderingen te laten aanbrengen. Cécile interesseerde zich zeer voor +het huis en gaf telkens raadgevingen ten beste omtrent het schikken +der meubelen en het versieren der muren. Zij had veel smaak en was +daarvan zelf ook volkomen overtuigd. Door het geheele gezelschap +werden herhaaldelijk tochten gemaakt naar het huis, waarbij Frits er +met trots de goede hoedanigheden en de mooie ligging van aanwees. + +"Nu is mijne toekomstige woning bijna klaar," zei hij, toen hij op +een Zaterdagavond thuiskwam. "Ik hoop dat de dames mij de eer willen +aandoen er morgenmiddag nog eens met mij heen te gaan en te zien of +het geheel hare hooge goedkeuring wegdraagt." + +Het was den volgenden dag prachtig weer en Elsje genoot 's ochtends +met haar geheele hart de mooie wandeling naar de kleine dorpskerk, +waarheen de weg voerde langs kronkelende, smalle paden tusschen het +bouwland door. Zij voelde zich vredig en blijmoedig gestemd; alles om +haar heen was zoo mooi, zich badend in den glans van gouden zonlicht; +het was haar, alsof de natuur in al hare lieflijkheid haar toeriep om +te genieten met een dankbaar, gelukkig hart. Zij was zoo klein soms +in haar angstigen, eenzamen strijd, dat voelde zij wel en alles was +rustig in haar, vol moed en hoop, toen ze luisterde naar de ernstige +preek en met hare heldere stem de gezangen meezong. Grootmama moest +telkens eens naar haar kijken, terwijl ze eenvoudig en met zekeren +heiligen ernst in de oogen deel nam aan de godsdienstoefening en +Frits liep zwijgend naast haar op den terugweg, als beschroomd om +hare stemming te verbreken. + +"Erg interessant en peinzend," zei Cécile, die met Louise achter hen +liep. "Het wordt heusch te dwaas, Lou. Dat kind gaat zich allerlei +dingen verbeelden, omdat Frits uit goedigheid met haar loopt en +vriendelijk voor haar is." + +"Ja, het is allergekst," zei Louise, "nu, ze zal het langzamerhand +wel afleeren." + +"Dat zal wel dienen, ten minste, maar eigenlijk moesten wij haar dan +wat helpen." + +"Och, laten wij haar nu maar niet plagen; ik heb toch een beetje met +haar te doen." + +Heel noodig scheen het anders niet te zijn dien dag, dat Louise +medelijden met Elsje had, want 's middags was ze heel opgewekt +en babbelde vroolijk met Frits, die haar zoo dikwijls vroeg +toen zij in en bij zijn huis rondliepen: "En hoe vindt je dit nu, +Roodkapje?" "Is de natuur hier nu niet nog veel mooier dan bij jouw +dorp, Roodkapje?" "Moet je mijn kippenhok nu niet eens gaan bewonderen, +Roodkapje?" en dergelijke dingen meer, dat grootmama tusschenbeide kwam +en lachend beweerde dat hij Elsje nu eens met rust moest laten. Zij +kon onmogelijk op al zijn vragen tegelijk antwoorden. + +"Mag ik je nu nog even één vraag doen?" vroeg Frits een poos later, +toen hij met Elsje voor het bewuste kippenhok heen en weer liep. De +anderen stonden al bij het hek van den tuin op haar te wachten om terug +te gaan; Frits zou veel later volgen, hij moest nog in het huis zijn. + +"Ik moet nu heusch weg," zei Elsje haastig en op eens niets kalm meer, +zij wist zelf nauwelijks waarom. + +"Je moogt terstond gaan," zei Frits, zeer snel sprekend. "Ik wou +alleen weten, of je dat aardige roode kapje nog hebt en of je het +dan nog eens voor mij op zoudt willen zetten." + +"O, dat is thuis, in de stad," zei Elsje lachend en blozend. "Dan +moet je nog een beetje geduld hebben." En zonder af te wachten, +of Frits ook nog iets te zeggen had, liep ze weg, naar de anderen toe. + +"Wat ben je stil, Elsje," zei Cécile met een fijn lachje toen zij +naar huis terug wandelden. + +"Zeker erg boeiende gedachten!" zei Louise spottend. Mogen wij die +niet weten, Elsje?" + +"Ik denk dat je er niet erg nieuwsgierig naar bent," antwoordde +Elsje bedaard. + +"Maar dat zijn we juist wel," zei Cécile. "Je bent zoo verbazend +interessant den laatsten tijd en je krijgt zoo dikwijls een lief +kleurtje! Maar daar zou ik toch niet te veel een gewoonte van maken +als ik jou was; het staat je niet erg." + +"Dat kan mij niets schelen," zei Elsje driftig. + +"Dat ben ik zoo vrij niet te gelooven, meisje," zei Cécile scherp. "Het +kan je wel degelijk schelen, hoe je er uitziet. Wat beduidt het anders +dat je zoo vaak dien grooten hoed opzet, nadat Frits eenmaal heeft +gezegd, dat die je niet onaardig staat?" + +Elsje werd vuurrood en beet zich op de lippen. + +"Ik geloof heusch," vervolgde de onverbiddelijke Cécile, "dat je +er bizonder op let, wat Frits zegt. Louise heeft het ook opgemerkt, +is het niet, Lou?" + +"Ja natuurlijk," zei Louise. + +Elsje zweeg, maar de kleur op hare wangen werd donkerder en hare oogen +schitterden van verontwaardiging en angst. Gelukkig waren zij nu juist +de villa genaderd en kon zij zich bij de twee oudere dames voegen. + +"O Elsje, wat zie je er warm uit!" zei mevrouw d'Ablong. "Ga maar +gauw een koelere japon aantrekken, kind. Jij verkleedt je zeker ook +nog even, he Cilly?" + +"Ja mama. O, zijn er brieven gekomen? Kijk eens even hoe aardig! Een +voor Lou, een voor Elsje en een voor mij. Hier Elsje, zeker van je +zielsvriendin!" + +Elsje nam den brief aan, die werkelijk van Line bleek te zijn. Zij +liep er langzaam mee naar boven, voorafgegaan door Louise en Cécile, +die dolle pret samen hadden. Zij stonden nog op het portaal te lachen, +toen Elsje naderde en juist wilde deze de kamer van Frits voorbijgaan, +waarvan de deur op een kier stond, toen Cécile haar opeens een duw gaf, +zoodat zij midden in de kamer terecht kwam. + +"Mal kind, je bent verliefd!" riep Cécile. "Geniet daar maar eens +heerlijk een beetje, hoor. Je hebt dan zijn kamer tenminste, al heb +je hem niet." + +En voordat Elsje weg kon loopen, had zij de deur gesloten en den +sleutel van buiten in het slot omgedraaid. Elsje hoorde Louise nog +zeggen: "Och Cilly, dat vind ik nu al te erg! Laat er haar toch weer +uit! Wat zal zij beginnen, als hij straks thuis komt?" En Cécile's +antwoord: "Wel neen, ze zit daar best!" Daarop verwijderden de beide +meisjes zich. + +Wat moest de arme Elsje nu doen? Met den brief van Line nog ongeopend +in hare hand, stond ze een oogenblik strak voor zich uit te kijken, +om toen naar de deur te snellen en driftig aan den knop te rukken, +die natuurlijk zijn dienst weigerde. Toen liep ze naar het raam, keek +naar buiten en kwam, met een trilling van schrik, tot de overtuiging +dat het onmogelijk zou zijn van die hoogte naar beneden in den tuin te +springen. Er zat niets anders op dan zoo rustig mogelijk te wachten, +tot het Cécile zou believen den sleutel weer om te draaien en haar +vrij te laten. Maar als Frits voor dien tijd thuis kwam en haar +daar vond! Dat zou verschrikkelijk wezen! Zij kon dat denkbeeld in +het geheel niet verdragen, liep weer naar de deur en riep luid en +dringend: "Och Cécile, doe toch open, laat er mij als 't je blieft +uit!" En toen ze geen antwoord kreeg: "Grootmama! Tante!" + +Het bleef echter stil op het portaal. De twee oudere dames waren zeker +beneden en Louise en Cécile bekommerden zich niet meer om haar. Het +was verschrikkelijk, verschrikkelijk! Maar niettegenstaande haar angst +en gejaagdheid, begaf ook nu hare zelfbeheersching haar niet. Zij +trachtte zich tot kalmte te dwingen en bedaard af te wachten, wat er +gebeuren zou. Zoodra ze iemand hoorde op het portaal of in den tuin, +zou ze roepen; tot zoolang _moest_ ze geduld hebben. Om zich den tijd +te korten, zou ze probeeren Line's brief te lezen. + +Zij scheurde het couvert open en zag dat het slechts een kort, maar +dringend schrijven bevatte van Line om haar uit te noodigen, _zoo +gauw als zij maar kon,_ te komen logeeren. Hare ouders verlangden +erg kennis met Elsje te maken, schreef zij. Hare moeder was in het +begin der volgende week jarig en er zou dan een groote buitenpartij +plaats hebben; daar moest Elsje noodzakelijk bij zijn! Zij moest maar +terstond terug schrijven, dat zij kwam en wanneer. Line had een gevoel, +alsof zij haar in geen maanden gezien had! + +Elsje las de weinige regels snel door, onderwijl scherp luisterend, +of zij niet iemand hoorde aankomen, die haar uit haar gevangenschap +kon verlossen. Het bleef echter doodstil op het portaal en ook in +den tuin vertoonde zich niemand. Zij stond nog steeds op dezelfde +plek bij het raam naar buiten te kijken en bleef daar staan, erg +ongeduldig en zenuwachtig, zonder er een oogenblik aan te denken, +nieuwsgierig in de kamer rond te snuffelen of een kijkje te nemen in +de boeken van Frits, die door het geheele vertrek lagen verspreid. "Ik +moet bedaard blijven," dacht ze, "zoodat ik hem heel gewoon en kalm +kan zeggen, wat er gebeurd is, als hij straks komt," maar zij werd +er juist niet kalmer op, toen zij eindelijk een bekenden mannenstap +hoorde op het portaal. Aan de kamer van Frits grensde een klein +vertrekje waar hij sliep. Dit kon alleen door de zitkamer worden +bereikt, maar Elsje koesterde toch een oogenblik de vurige hoop dat +hij daar dadelijk heen zou gaan en haar niet zou zien, als zij even, +in half gebogene houding, achter de schrijftafel staan bleef, terwijl +hij de kamer doorging. Ze kon dan terstond wegsnellen, als hij zijn +slaapkamertje binnengegaan was. Maar...Frits zelf bracht hare plannen +geheel in de war. Hij was natuurlijk zeer verwonderd, zijn kamer +op slot te vinden en draaide terstond ongeduldig den sleutel om, +om toen een beetje driftig naar binnen te loopen en rond te kijken, +of er ook iets bizonders te zien was. Er kwam een zekere verlegene +verbazing op zijn gezicht, toen hij Elsje gewaar werd. + +Het arme meisje werd vuurrood, kwam bevend achter de schrijftafel te +voorschijn en zei snel en geagiteerd: + +"Cécile had mij hier opgesloten, heelemaal uit de grap natuurlijk, +maar ik vond het toch heel akelig en ik was zoo bang..." + +"Bang?" viel Frits langzaam in, terwijl hij haar ernstig in de oogen +keek. "Maar voor mij ben je toch niet bang, Roodkapje?" + +"O neen," zei Elsje, een anderen kant uitkijkende. "Heelemaal niet +natuurlijk, maar ik dacht dat je misschien boos op me zoudt wezen." + +"Als je niet bang voor me bent, waarom durf je me dan niet aan +te kijken?" + +"Dat ... dat durf ik wel." + +"Doe het dan eens." + +Zij wierp het hoofd een weinig achterover, als wilde ze hare +verlegenheid trotsch onderdrukken, en zag hem aan, boos op zichzelf, +omdat ze voelde, dat ze al weer een kleur kreeg. + +"Dus je bent heelemaal niet bang voor me?" vroeg hij met een fijn +lachje, dat Elsje opeens in een geheel andere stemming bracht en een +uitdrukking in hare oogen deed ontstaan, die Frits niet begreep. Het +was, alsof zij plotseling erg verontwaardigd werd. + +"Neen, volstrekt niet natuurlijk," riep ze, terwijl ze vlug als de +wind van hem wegliep, de kamer uit. + +"Hij lacht mij uit," fluisterde zij met trillende lippen, toen ze in +hare eigene kamer was. "Ik heb zeker heel gek gedaan! O, wat moet ik +beginnen, wat moet ik beginnen!" + +Maar terwijl ze zich verkleedde, werd ze kalmer. Ze zou hare tante +dadelijk den brief van Line laten zien en haar vragen of zij over een +paar dagen naar haar toe mocht gaan. Als zij Frits maar niet meer +zag, zou alles wel beter met haar worden en als zij dan terugkwam, +werd het engagement tusschen Cécile en hem zeker heel gauw publiek en +zou alles van zelf gemakkelijker worden. Zij hield de lippen stijf op +elkaar gedrukt, terwijl ze hierover nadacht en dwong zich letterlijk +tot kalmte, toen ze weer naar beneden gaan moest en de anderen zien. + +"Een vrij goedkoope aardigheid van je, Cilly," hoorde zij Frits tot +Cécile zeggen, toen zij de kamer inkwam. Hij schoof snel een stoel voor +haar naast grootmama, toen hij haar zag, maar Elsje lette er niet op +en ging terstond naar hare tante, die een weinig van de anderen af, +op de canapé zat te lezen. + +"Het spijt me voor je, kindlief, maar daar kan niets van komen," +zei mevrouw d'Ablong half fluisterend, toen ze Line's briefje +had gelezen. "Ik heb die vriendschap toegelaten toen je nog op de +kostschool waart en ik ben er ook niet tegen dat dat meisje en jij +nog brieven aan elkaar schrijven--zoo langzamerhand zal dat ook wel +uitslijten. Ik begrijp wel dat het een teleurstelling voor je is, +niet naar haar toe te gaan, maar heusch, die menschen behooren niet +tot onzen stand en wij kunnen niet met hen omgaan, dat gaat niet. Je +moet maar een heel beleefd briefje terugschrijven dat het je spijt, +maar dat grootmama je nu liever hier houdt." + +"Maar tante, grootmama heeft daar toch niets van gezegd." + +"Neen, maar ik weet toch dat het zoo is. Kom kind, trek er nu je hart +maar af en kijk niet zoo verdrietig. Maar Elsje, je hebt tranen in de +oogen! Wat is er toch met je? Je bent den laatsten tijd bepaald anders +dan vroeger. Ga hier eens even bij mij op de canapé zitten. Is er wat, +kind? Kom, zeg het mij maar." + +"Neen tante, er is niets, heusch niet," zei Elsje met zooveel nadruk, +dat mevrouw d'Ablong haar lachend aankeek. "Ik zou alleen zoo dolgraag +naar Line willen gaan." + +"Ja, maar dat kan nu niet en daar spreken we nu ook niet meer +over. Maar ik geloof dat je niet heelemaal de zuivere waarheid spreekt +meisje, en dat je wel wat scheelt." + +Het trof gelukkig voor Elsje dat juist op dit kritieke oogenblik de +gong voor het middagmaal werd geluid. + +Zij volgde de anderen met een zucht van verlichting en deed haar best +onder het eten zoo spraakzaam en vroolijk mogelijk te zijn. Frits +babbelde druk met haar mede en zij vond ten slotte dit uur lang zoo +moeielijk niet, als zij gevreesd had dat het zijn zou. + +Maar na den eten werd zij weer moedeloozer. Louise en Cécile +waren dadelijk naar boven gegaan, grootmama rustte even en mevrouw +d'Ablong en Frits liepen druk in gesprek samen in den tuin. Elsje +stond alleen onder de veranda, geheel vervuld van de teleurstelling, +dat zij niet bij Line mocht gaan logeeren en ook weer angstig over +de geheime blijdschap, die zij in haar hart voelde, omdat ze hier +moest blijven. Het was alles onrustig en gejaagd in haar en gehoor +gevend aan een opwelling om in de plechtige eenzaamheid van het bosch, +de kalmte te zoeken, die zij noodig had, liep zij de dennenlaan op +zij van het huis in en gaf zich over aan de gewaarwording van innig, +rein genot, die ze steeds voelde, als ze alleen was met de natuur. + +"Hè, hoe heerlijk!" zuchtte ze, opkijkend naar de blauwe lucht +en de verkwikkenden harsgeur inademend, terwijl er een weldadig +gevoel van vredige berusting in haar hart kwam, vermengd met het +oude gevoel van schaamte over hare kleingeloovige zwakheid. Met een +ernstige uitdrukking op haar gezicht, liep ze langzaam voort tot ze +opeens verschrikt stil stond bij het hooren van de stem van Frits, +die haar riep. + +"Elsje, Elsje, Roodkapje, wacht even!" riep hij en zonder te +antwoorden, keerde zij zich om en zag hoe hij hijgend en op een drafje +naar haar toekwam. + +"Mag ik met je meewandelen?" riep hij, en verbaasd dat zij niet +dadelijk "ja, graag," zeide, vroeg hij toen hij bij haar stond: +"Nu, wil je me mee hebben of niet?" + +Elsje wist zelf nauwelijks later, hoe zij de woorden er uit had +gebracht, maar overweldigd door een vreemden angst om alleen met +hem te zijn en om, als zij later met Frits thuiskwam, de spottende +blikken van Louise en Cécile op zich gevestigd te zien, zei ze gejaagd: + +"Ik....ik ga liever alleen, eigenlijk." + +Frits kreeg een kleur en beet zich op de lippen. Hij zag er boos uit, +vond Elsje. + +"Dan zal ik je natuurlijk geen oogenblik langer met mijn gezelschap +lastig vallen," zei hij koel, keerde haar den rug toe en sloeg een +zijpad in naar het bosch. + +Al Elsje's rust was verdwenen en toch had zij geen berouw over haar +gedrag. "Laat hij dan maar boos wezen, ik kon niet anders," mompelde +ze, terwijl ze terstond den terugweg naar huis insloeg. Zij mocht +hem eens weer tegenkomen als zij verder wandelde en dat wilde ze in +geen geval! + +Ze vond de vier andere dames al aan de theetafel zitten, toen ze de +veranda inliep en met geheime vreugde merkte ze op, dat Loulou en +Cécile verbaasd keken, toen zij zagen dat ze alleen was. Grootmama +vroeg ook: "He, heb je Frits niet mee gebracht?" en Elsje antwoordde +heel gewoon: "Neen grootmama," zonder te blikken of te blozen. "Dan +is hij toch zeker alleen gaan wandelen," zei grootmama weer en Elsje +zweeg; ze wist immers, dat de oude dame het bij het rechte eind had. + +"Wat blijft hij dan vreeselijk lang uit," zei Cécile, "niet heel +beleefd tegenover jou, Lou, het is je laatste avond." + +"O, _ik_ mis hem niet erg," fluisterde Louise met een veelbeteekenenden +blik op Elsje. + +"Nu begrijp ik toch heusch heelemaal niet, waar Frits blijft," begon +grootmama weer, toen het over negenen was en haar kleinzoon nog maar +steeds niet terug kwam. + +"Misschien is hij nog even naar zijn huis gegaan," zei mevrouw +d'Ablong. + +"Neen, dat denk ik niet, dan zou hij het mij wel gezegd hebben." + +Het werd half tien, tien uur en nog kwam Frits niet. "De heerlijke +zomeravond zal hem zeker tot een bizonder lange wandeling verleid +hebben," zei grootmama. "Hij houdt ook zoo dolveel van de heide bij +maanlicht, evenals jij, Elsje. Hoe is het, kind? Je bent zoo stil, +dunkt me." + +"Ik heb wat hoofdpijn, grootmama," zei Elsje zacht. + +"Dan zou ik maar dadelijk naar bed gaan, Elsje," zei mevrouw d'Ablong +bezorgd. "Je hebt bijna nooit hoofdpijn; een lange nacht zal je +goed doen." + +"Ja, ik wil eigenlijk wel graag gaan," antwoordde Elsje, die er erg +tegenop zag Frits weer te zien, na de ontmoeting in de dennenlaan. + +"Blijf morgenochtend nog maar rustig wat liggen als je je niet prettig +voelt, hoor," zei grootmama, toen zij Elsje goeden nacht wenschte. + +"Ja, laten wij maar vast afscheid nemen," zei Louise, "ik ga al om +half negen weg--dan ben je misschien nog niet bij de hand." + +"Dan mag ze ook wel afscheid nemen van mama en mij," zei Cécile, +"want wij brengen je met het rijtuig naar den trein, zooals je weet +en gaan dan verder." + +Elsje bleef verbaasd staan en keek mevrouw d'Ablong aan. "U en Cécile +gaan toch nog niet weg, tante?" vroeg ze verwonderd. + +"Neen, wij gaan maar voor twee dagen uit logeeren," antwoordde mevrouw +d'Ablong met een geheimzinnig lachje. "Ik mag er je niets meer van +vertellen, dat wil Cilly niet hebben. Het moet een verrassing zijn +voor je en voor Frits ook natuurlijk; die zou zeker van avond niet +zoo lang uitblijven, als hij wist dat Cilly er morgen en overmorgen +niet zal zijn. Nacht Elsje, ga maar gauw naar bed, hoor." + +Elsje begreep er niets van. _Wat_ moest een verrassing zijn voor haar +en voor Frits en waarom mocht Frits niet weten dat Cécile twee dagen +uit logeeren ging? Grootmama had ook al zoo geheimzinnig geglimlacht +en later weer zoo heel ernstig gekeken, toen ze Elsje een kus gaf +en met nadruk zeide: "Nacht mijn lief kleindochtertje!" Zou zij +toen gemeend hebben dat zij graag wilde dat Elsje wezenlijk hare +kleindochter werd? Elsje schrikte over hare eigene vermetelheid, +toen deze gedachte bij haar opkwam. Hoe was het mogelijk dat zij zoo +iets _durfde_ te denken! Grootmama was natuurlijk erg ingenomen met +het engagement van Frits en Cécile en zijzelf _moest_ probeeren er +ook mede ingenomen te zijn. Als hare tante en Cécile over twee dagen +weer thuis waren, zou het dan toch zeker publiek worden--Elsje wou +nu erg graag dat het maar zoover was. Hè, wat was haar hoofd moe en +wat deed het pijn! Zij moest maar gauw probeeren in slaap te komen. + +Den volgenden ochtend werd zij heerlijk verkwikt wakker en was juist +op het punt om op te staan, toen de deur harer kamer langzaam werd +geopend en hare tante, binnenkwam. Zij zag er bizonder vriendelijk uit, +boog zich over Elsje heen, kuste haar en zeide: + +"Ik zou nog maar rustig een beetje blijven liggen, meisje, tot wij +weg zijn. Frits is gisteravond laat thuis gekomen, maar ik heb hem +van ochtend toch al gesproken. Neen, kijk mij eens even goed aan. Ben +je van plan vandaag weer heelemaal in je eentje te gaan wandelen of +mag Frits nu wel met je mee, ondeugend kind?" + +Elsje kleurde tot achter de ooren. Dus Frits had alles aan hare tante +verteld,--dat vond ze in 't geheel niet aardig van hem! + +"O, ik wil ook wel met Frits wandelen," zei ze koel. + +"Zoo jonge dame, wil je dat wel? Nu, dan wensch ik je een prettige +wandeling, hoor!" + +Toen, opeens ernstig wordend, knielde mevrouw d'Ablong bij het ledikant +neer en zei op zachten toon: + +"Mis je je grootmoeder nu nog zoo erg, Elsje? Of heb je toch ook bij +mij een gelukkig leven gehad?" + +"O ja tante, ja," riep het jonge meisje uit met een dankbaren blik. "U +bent zoo goed voor me en zoo lief." + +"Niet altijd," zei mevrouw d'Ablong met zulk een glans van teederheid +in de donkere oogen, dat Elsje er aangedaan van werd, de armen om +haar hals sloeg en zeide: + +"Ik houd toch zooveel van u, tante." + +"Zóóveel?" vroeg mevrouw d'Ablong glimlachend. "Meer dan van iemand +op de wereld, Elsje?" + +Elsje antwoordde niet dadelijk. Toen zei ze heel zacht: + +"Dat weet ik niet." + +"Dan hoop ik dat je het spoedig weten zult," zei hare tante vriendelijk +en met nadruk. Even later had zij de kamer verlaten. + +Het was met een gemengde gewaarwording van teleurstelling en +verlichting dat Elsje, toen zij beneden kwam, bemerkte dat niet +alleen hare tante, Cécile en Louise vertrokken waren, maar dat ook +Frits reeds ontbeten had en naar het dorp gegaan was om boodschappen +te doen. Tegen koffietijd kwam hij terug, maar terstond na het lunch +ging hij naar zijn kamer, waar hij "allerlei te beredderen" had, +zooals hij beweerde. Grootmama en Elsje gingen toen samen buiten zitten +handwerken, maar het was een vreemde, ongezellige middag, vond de oude +dame en wat Elsje betreft--zij was zoo stil en tevens zoo ongedurig +dat grootmama haar telkens vroeg, of de hoofdpijn nog niet over was +en of zij niet eens even zou gaan liggen. Elsje was blij, toen het +etenstijd was, maar bedaarder werd zij er niet op, toen Frits haar +na den eten aarzelend vroeg, of zij lust had nog eens naar de heide +te wandelen, naar het bekende plekje, dat zij zoo mooi vond. "O ja, +ik wil heel graag," zei ze snel--ze durfde nu niet te zeggen dat ze +eigenlijk liever alleen uit wilde gaan--"dan neem ik een boek mee, +als je 't goed vindt, het lijkt me zoo prettig toe, daar een beetje +te gaan zitten lezen." + +"Zeker, dat vind ik uitstekend," antwoordde Frits, "ik zal ook een +boek halen." + +Een paar minuten later wandelden zij, ieder gewapend met een boek, +de bewuste dennenlaan door naar den heuvel bij de heide. Frits had +ook nog een klein pakje in zijn hand. Elsje begreep volstrekt niet, +waarom hij dat meenam en wat het bevatten kon--het was een bruin +papieren pakje en zij keek er een paar malen nieuwsgierig naar, maar +durfde toch niet vragen, wat er in het papier was. Zij voelde zich weer +vervelend verlegen en weinig op haar gemak. Het was onuitstaanbaar, +en als Frits nu maar wat meer gepraat had en er niet zoo ernstig had +uitgezien, juist alsof hij nog wat boos op haar was, zou ze wel gauw +wat minder geagiteerd geworden zijn, geloofde ze. Nù was ze heel blij, +toen ze het heuveltje beklommen hadden en de heide zich in al hare +pracht van geur en kleuren voor hunne oogen uitstrekte. + +"Hier ga _ik_ zitten," zei Elsje, terwijl ze zich neervlijde tegen +de zachte glooiing van den rand der heide. + +"Dus dat beteekent dat ik verder mijn heil moet zoeken?" vroeg Frits +lachend. "Of is daar heusch plaats voor twee?" + +"Natuurlijk wel." + +"Zit je gemakkelijk?" vroeg Frits weer, met zijn elleboog onder het +hoofd, in liggende houding voor zich uitkijkend en met zijn boek nog +ongeopend naast zich op den grond. Elsje sloeg met ijver de bladzijden +van het hare om. + +"O ja, heel gemakkelijk," zei ze, zonder op te zien, hoewel ze heel +goed voelde dat Frits haar aanzag. + +"Wat lees je op 't oogenblik?" vroeg hij even later, zonder zijne +oogen van haar gezicht af te wenden, dat beurtelings bleek en rood +werd, tot Elsje's diepe ergernis. + +"Nu, wat lees je? Het is zeker een erg mooi gedeelte van het boek," +begon hij weer. "Je bent er zoo in verdiept." + +Elsje zou niet hebben kunnen antwoorden op die vraag, al had zij ook +nog zoo graag gewild. Zij _wist_ niet wat zij las, heelemaal niet +en zij vond dat het zoo niet langer uit te houden was en ongeduldig +opspringend, riep zij uit: + +"Ik ga nog even een eind loopen. Het is hier zoo... zoo benauwd, +vind ik." + +"Benauwd?" riep Frits verwonderd, terwijl hij eveneens opsprong. Maar +niettegenstaande zijn verbazing over Elsje's woorden, scheen hij +het zelf ook opeens wat "benauwd" te krijgen. Hij zag er ten minste +niets koel en kalm uit, toen hij voor Elsje ging staan en haast +fluisterend vroeg: + +"Wil je mij je horloge nog eens laten zien?" + +Met een zucht van verlichting dat de vraag zoo gewoon was, haalde +Elsje het horloge te voorschijn. Frits hield het even in zijn hand, +toen vroeg hij dringend: + +"Wil je me voorlezen, wat er op staat, Roodkapje?" + +Elsje maakte het kettinkje los en hem het horloge nog eens overreikend, +zei ze: + +"Lees het zelf maar, het staat er duidelijk op." + +Hij keek haar even zwijgend aan, toen zei hij langzaam: + +"Ik wou veel liever dat jij het deedt." + +"O, heel goed," antwoordde ze met gemaakte luchthartigheid. "Er staat: +'Aan mijne lieve kleindochter.' Aardig van grootmama, he?" + +Frits vond het zeker bizonder aardig, maar hij liet er zich toch +niet over uit. Zijne oogen stonden heel ernstig, terwijl hij toezag, +hoe Elsje haar kettinkje met bevende vingers weer vastmaakte; toen +greep hij hare beide handen en vroeg: + +"Wil je dat wezenlijk zijn, Elsje? Wil je grootmama's kleindochter +worden in werkelijkheid?" + +"Hoe...hoe dan?" vroeg ze angstig. + +"Begrijp je dat niet?" vroeg hij snel, maar op hetzelfde oogenblik +zag hij dat zij het wèl begreep. Er kwam een glans van geluk in hare +oogen en een gloed over haar gezichtje, die hem duidelijk zeiden, wat +haar antwoord zou zijn op zijn vraag en toch herhaalde hij ongeduldig: + +"Wil je, Elsje, wil je?" + +"Cécile..." stamelde ze, "ik dacht dat Cécile en jij..." + +"Dacht je dat?" vroeg hij, erg verbaasd. Toen vervolgde hij langzaam: +"Maar nu weet je wel beter, he? En wil je me gelukkig maken? Wil je +mijn vrouwtje worden, Elsje? Zeg toch wat; wil je, wil je?" + +"Ik wil wel," zei ze, niet zacht en verlegen, niet half coquet en +aarzelend, maar met een heldere stem, duidelijk en vast en met een +reine, vrome liefde in de oogen. + +Een oogenblik later zei Frits, terwijl hij met een vroolijk gezicht het +pakje te voorschijn haalde, dat Elsje's nieuwsgierigheid had opgewekt: + +"Ik heb van ochtend een cadeautje voor je gekocht in het dorp. Wil +je het van mij aannemen?" + +"Als het mooi is," zei Elsje lachend. Zij maakte het touw los, vouwde +het papier open en hield toen een rood wollen kapje in de hand, +precies gelijk aan dat, waarmee Frits haar het eerst gezien had. + +"Dank je wel," zei ze. "Hoe aardig!" + +"Laat ik het je nu eens even opzetten," zei Frits, haar den hoed +van het hoofd nemend. "Zoo, eerst moet al dat springerige haar goed +glad gestreken worden. Neen, laat mij maar begaan, ik kan er best mee +terecht. Ziezoo, het past je uitstekend! Kijk me nu nog eens goed aan, +dan kan ik zien, of het heusch goed zit." + +Zij zag hem aan en kreeg een kleur voor de uitdrukking, die ze in +zijne oogen las. + +"Ja juist, zóó moet je ook kijken, als wij straks bij grootmama +komen," zei hij. "Neen, neen, je houdt het kapje op; ik zal je hoed wel +dragen en je boek ook. Ziezoo, geef mij nu een arm. Wat zal grootmama +blij wezen!" + +"Denk je dat heusch?" + +"Denk ik dat heusch? Ja mevrouw Frits d'Ablong, dat denk ik +wezenlijk. Neen, krijg nu maar niet weer een kleur! Of ja, doe het +toch maar wel: het staat je niet kwaad." + +Zij waren niet heel ver van huis, maar wat duurde die wandeling +lang! Zij hadden zooveel te bespreken samen, zooveel, en Elsje had +van allerlei te vragen. + +"Line mag toch zeker op onze bruiloft komen, he Frits? En weet je +wat ik zoo graag zou willen? Dat we heel gauw eens samen een bezoek +maakten bij dien kruidenier, je weet wel, in dien winkel, waar ik toen +'s nachts heb geslapen, jaren geleden met die akelige partij. Tante +wou nooit dat ik er weer heenging, maar jij vindt het toch goed, he?" + +Frits vond alles goed. Zij zouden een visite maken bij den kruidenier +en het dorp gaan bezoeken, waar Elsje was geboren en zoo lang had +gewoond en Elsje zou hem de oude plekjes wijzen, waar zij als kind +zooveel had gewandeld en zij zouden heel gauw trouwen, als grootmama +en tante het goed vonden en alles zou even heerlijk en prettig wezen. + +"Grootmama, Roodkapje wil mij wel hebben," zei Frits, toen zij +eindelijk bij de oude dame stonden, die al lang naar hen had +uitgezien. Zij wist al sedert weken dat Frits Elsje tot vrouw +verlangde. + +"Mijn lief kleindochtertje," zei ze, Elsje in de armen sluitend. Toen, +met een vroolijk lachje: + +"Wel, nu ben je heusch Roodkapje! Hoe komt dat?" + +"Dat heeft ze aan mij te danken," zei Frits met trots. "Kijk, +daar bloost ze alweer! Zij is bepaald een beetje bang voor me, +grootmoeder. Niet kwaad, he?" + +"Och wat, ik ben heelemaal niet bang voor je!" zei Elsje +verontwaardigd. + +"Ook nooit geweest?" plaagde Frits. "En gisteravond dan?" + +"Ik ga terstond naar mijn kamer als je zoo onaardig bent," zei +Elsje. "Gaat u dan mee naar boven, grootmama?" + +"Wel neen, daar denkt grootmama natuurlijk niet aan. Je bent mij nu +gehoorzaamheid verschuldigd en moet doen, wat ik zeg. Kom maar gauw +hier, dan zal ik je je roode kapje afzetten. Ik geloof dat dat je +zoo brutaal maakt." + +"Ik kan het zelf wel," zei Elsje, het kapje losmakend en de kamer +uitloopend naar boven naar haar kamer. Zij had behoefte eens even +alleen te zijn met haar geluk en er God voor te danken. + +"Wat ben ik blij voor je, mijn jongen!" zei grootmama, toen ze met +Frits alleen was gebleven. + +Iedereen scheen blij te wezen met Elsje's engagement, merkte zij +met vreugde op. Hare tante was uitbundig in hare betuigingen van +blijdschap en zelfs Cécile beweerde dat zij het erg aardig vond dat +die twee "echte buitenmenschen" het samen eens waren geworden. + +"Je bent zeker zoo vervuld geweest van je engagement, dat je het +heelemaal niet vreemd vond dat mama en ik plotseling voor twee dagen +uitgingen," zei ze tot Frits aan den avond van den dag, waarop mevrouw +d'Ablong en zij teruggekomen waren. + +"Grootmama zeide dat alles een verrassing wezen moest," zei Frits, +en ik heb dus heel gedwee naar niets gevraagd. Wij hebben ons erg +goed gehouden, is het niet, Roodkapje?" + +"Ja, dat dunkt mij ook." + +"Jij moet nu ook maar eens gauw een keuze doen, Cilly," zei grootmama +lachend en met een veelbeteekenend knikje. + +"Dat is niet meer noodig, grootmoedertje, dat weet u wel," zei Cécile, +trotsch het hoofd in den nek werpend. "Het is nu bijna September en +over een dag of tien wordt mijn engagement publiek." + +"O Cilly, hoe aardig! Maar wat heb je dat prachtig geheim gehouden! En +wie is de gelukkige?" vroegen Frits en Elsje te gelijk. + +"Mijn aanstaande man is van adel en heeft een buitenplaats even buiten +Utrecht," zei Cécile fier. "Hij heet Victor,--Jonkheer Victor van +den Berkenhorst. Je kent hem wel een beetje, Frits." + +"Jawel," zei Frits peinzend. "Heb ik hem niet ontmoet op dat bal bij +mevrouw van Rensen van den winter?" + +"Ja, hij ziet er heel knap uit, lang en blond. Hij studeert nog, maar +hij is heel gauw klaar. Wij hadden zoo graag ons engagement eerder +publiek gemaakt, maar zijn vader is een maand of vijf geleden gestorven +en nu wilde zijn moeder liever dat wij tot het najaar wachtten. Mama +en ik zijn nu een paar dagen bij haar geweest; zij woont beelderig +mooi in Utrecht." + +"Niet zoo prettig als wij wonen zullen, toch zeker," fluisterde Elsje +zacht tot Frits. "Ik vind het zoo heerlijk dat ik mijn verdere leven +niet in een stad zal behoeven door te brengen, en dat wij grootmama +zoo dicht in de buurt zullen hebben." + +"Als je maar geen last van mij krijgt," zei de oude dame lachend. Zij +had Elsje's laatste woorden juist gehoord. + +"Daar zijn wij niet bang voor, is het wel Roodkapje?" vroeg Frits. + +"Neen, in 't geheel niet," antwoordde Elsje ernstig. "Ik ben juist +zoo heel dankbaar dat ik grootmama dan werkelijk met recht bij dien +naam zal mogen noemen." + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Elsje, by A.C. Kuiper + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 14580 *** |
