summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:42:27 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:42:27 -0700
commit76a92b11996b39406ffef769b97d5fe07010649e (patch)
tree32ed2bbfd8b3d2147c1ea2e99ef5355436278318
initial commit of ebook 13591HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--13591-0.txt5423
-rw-r--r--13591-h/13591-h.htm5478
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/13591-8.txt5812
-rw-r--r--old/13591-8.zipbin0 -> 131705 bytes
-rw-r--r--old/13591-h.zipbin0 -> 138407 bytes
-rw-r--r--old/13591-h/13591-h.htm5899
-rw-r--r--old/13591.txt5812
-rw-r--r--old/13591.zipbin0 -> 131311 bytes
11 files changed, 28440 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/13591-0.txt b/13591-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..9ba58c5
--- /dev/null
+++ b/13591-0.txt
@@ -0,0 +1,5423 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 13591 ***
+
+[Transciber's Note:
+
+The printed errata have been resolved in the main text and removed.
+
+Inconsistensies in spelling, hyphenation and accents have been
+preserved, except for proper names. Those have been normalized to
+correct spelling with the help of a native Norwegian speaker.]
+
+VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK
+
+onder redactie van de Vereeniging "V.U.B."
+
+Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, _Voorzitter_; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM,
+Amsterdam, _Ondervoorzitter_; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM;
+Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J.
+BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY;
+Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS;
+Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR.
+J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, _Secretaris_.
+
+20
+
+HAARLEM
+
+DE ERVEN F. BOHN
+
+1922
+
+
+NOORWEGENS LETTERKUNDE
+IN DE NEGENTIENDE EEUW
+
+DOOR
+
+DR. R.C. BOER
+Hoogleeraar te Amsterdam
+
+HAARLEM
+DE ERVEN F. BOHN
+1922
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+Voorbericht
+
+Hoofdstuk I. Het ontwaken der nationale letterkunde
+
+ II. Romantiek
+
+ III. De taalbeweging en de oudste schrijvers
+ in landsmaal
+
+ IV. Het realisme
+
+ V. Jongere richtingen en persoonlijkheden
+
+Uitgaven en litteratuur
+
+Register van auteurs
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19e eeuw begint
+met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is
+slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de
+voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het
+chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt
+ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien,
+verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te
+buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te
+behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd
+op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode
+hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan
+allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering
+gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel vóór 1900
+debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt,
+niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen
+eener--niet al te enge--keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die
+wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe
+plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen
+althans eenigszins tot hun recht komen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE.
+
+
+1. _Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814_.
+
+In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen
+aan eene diepe depressie ten prooi. Eén ding was er, dat met recht de
+geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat
+waren, in beslag nam--de inrichting van den nieuwen staat en van zijne
+organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene
+aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan
+voorbijgaande belangstelling aanspraak maken.
+
+De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de
+ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie
+had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen,
+en de omstandigheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen
+ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land
+nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en
+wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch
+van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als
+officiëele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide
+landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was
+verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in
+sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het
+accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop
+der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd,
+dat er geen sprake meer was van tweeërlei bevolking. Het was trouwens
+een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name
+het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen
+overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper
+geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn.
+
+Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen
+stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde
+dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis
+had. Voor de plattelandsbevolking beteekende dit een ophouden van het
+litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten,
+bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale
+sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen
+voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop
+der 19e eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten
+opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg
+nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het
+voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst,
+accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan
+vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben
+meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken
+zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan.
+
+Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene
+eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde
+deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken
+werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal
+geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te
+onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder
+mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet
+gebruikelijk waren; dit waren provincialismen, die toch niet aan de
+taal een zeer bijzonder karakter gaven[1].
+
+Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der
+Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won
+Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de
+minder ontwikkelde volksklasse,--een samenhang, die in dien tijd toch
+niet heel veel kon beteekenen--, trad een samenhang met Denemarken, dat
+geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de
+algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale
+tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld
+werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien
+bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet
+slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te
+laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche
+kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der
+periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De
+grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen
+afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18e eeuw zijn
+er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden.
+
+De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt.
+Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het
+beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou
+geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien
+er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin
+nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een
+klein land geen geringe beteekenis.
+
+Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met
+Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het
+was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de
+wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land
+is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel
+schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats,
+die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam,
+het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw
+volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te
+volbrengen.
+
+De krachten van het nieuwe volk worden in de eerste plaats besteed aan
+het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet
+later volgen. Vóór alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en
+bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar
+veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische
+neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet
+denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden.
+Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen
+staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en
+voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote
+machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog
+hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat
+oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men
+koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust,
+dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat
+het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de
+ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot
+ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te
+scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt,
+draagt het stempel van deze armoede. Het zijn òf herhalingen der poëzie
+van de achttiende eeuw, òf bombastische loftuitingen op het Noorsche
+volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder
+Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn
+alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van
+vreemde voorbeelden, Schiller, Øhlenschläger, de Duitsche romantici;
+iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee
+verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als
+nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den
+titel _Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815_. Ongeveer al, wat zich in
+Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee
+bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat "ook tusschen
+Noorwegens klippen bloemen groeien". Maar onder die twintig is er niet
+één, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 1: Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in
+Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje _Dansk og
+Norsk i Norge i eldre Tider_, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden
+schrijver _Norsk Sproghistorie_ (1920).]
+
+
+
+
+2. _Wergeland--Welhaven._
+
+
+Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel
+met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als
+met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en
+land--maar toch vooral de stad--met rumoer. Het is treffend, dat wij bij
+deze eerste vlucht omhoog, die de nieuwe Noorsche litteratuur maakt,
+een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven
+toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook
+later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met
+hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen
+nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale
+gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en
+aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en
+een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den
+algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den
+moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland--Welhaven.
+
+Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet
+meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene
+productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal
+jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn
+jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot
+stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch
+predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van
+1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de
+herinnering aan dat jaar hoog gehouden werd, en dit milieu heeft een
+stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd
+kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige
+vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige,
+opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg
+onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen,
+maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de
+theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in
+kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het
+rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later,
+bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant
+aan de actieve politiek deelgenomen.
+
+Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke
+werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op
+een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld _Skabelsen, Mennesket og
+Messias_ (De schepping, de mensch en de Messias).
+
+Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet zóó te verstaan,
+dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof
+had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die
+van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van meer
+dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te
+schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript
+van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met
+de volgende vellen.
+
+Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en
+wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van
+dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het
+formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn
+persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont.
+
+De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene
+allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche
+overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol.
+Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar,
+komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange
+ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer
+nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van
+dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd
+van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de
+dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke
+een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter
+telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. De revolutie is
+daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom
+ook door den dichter een "bijbel der republikeinen" genoemd.
+
+Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te
+onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent,
+en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de
+menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet
+bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken.
+Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een
+gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de
+gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit
+iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de
+lezers--Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen--, maar de heftige
+toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele
+vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het
+gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het
+tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd
+over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum.
+
+Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft _Skabelsen,
+Mennesket og Messias_, gelijk de geheele productie van Wergeland,
+groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust
+der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze
+beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander
+verdringen, in den regel zóó snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt,
+maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te
+zeggen heeft,--soms echter ook zóó veel, dat hij valt over zijn woorden.
+Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte
+gevoeld werd.
+
+In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een
+groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm
+(o.a. _Papegøien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle,
+Barnemordersken_ e.a.), vertellingen in verzen (_Jan van Huysums
+Blomsterstykke, Den engelske Lods_), verhandelingen over politiek,
+geschiedenis (_Norges Konstitutions Historie_), moraal, taalhervorming
+en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij
+ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men
+thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn
+beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook
+in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor
+algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van
+vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de
+emancipatie der Joden. Het werk voor verlichting hangt samen met de
+houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand
+aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren
+geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was
+een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij
+te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te
+nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon,
+heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der
+impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld
+aannam van Carl Johan,--inderdaad een inconsequente handelwijze voor den
+dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op "tyrannen"
+af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld,
+en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs
+verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld
+als een nationaal verlies.
+
+Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf
+aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode
+Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene
+aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en
+de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne moeder was een nicht van den
+Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L.
+Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave
+gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge
+menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche
+patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte
+zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten
+van den Noorweegschen "odelsbonde" (d.i. de boer, die bezitter van zijn
+goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op
+wat Deensch was. In de politiek was Zweden de bête noire geworden; in
+zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken.
+
+Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of
+voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts
+in straatoploopen en andere luidruchtige manifestatiën. De aanvoerder
+van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu
+ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen.
+Het verschijnen van _Skabelsen, Mennesket og Messias_ deed den emmer
+overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze
+Wergeland zijn "razen tegen het verstand" verweet. Een heftige
+pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epigrammen.
+Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe
+heftigheid voortgezet.
+
+Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend
+resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur
+het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor
+hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de
+representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in
+plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen
+van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand
+gekomen, dat _Norges Dæmring_ (De Schemering van Noorwegen) heet.
+
+Een grooter tegenstelling dan die tusschen _Skabelsen_, _Mennesket og
+Messias_ en _Norges Dæmring_, laat zich niet denken. In _Norges Dæmring_
+voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig
+van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76
+sonnetten; de vorm is meesterlijk.
+
+Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang
+herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen
+krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke
+de patriotten gewend waren te geven. Groot en sterk is het land,
+krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar
+tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk
+gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de
+schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg
+voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen
+vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte
+de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen,
+Trondhjem;--nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij
+wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die
+groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En
+welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om
+vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen
+geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om
+tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor
+krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke
+vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des
+geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze
+gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich
+alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal
+daad zal worden, wat nu woorden zijn, zoekt de dichter troost[2].
+Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der
+voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar
+waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert:
+
+ "Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord;
+ hvad Norge var, det maa han engang vorde
+ paa Land, paa Bølge og i Folkerang."
+
+ (Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet
+ het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der
+ volken).
+
+_Norges Dæmring_ is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe
+bijgedragen, Noorwegen _i folkerang_ te doen worden, wat het eenmaal
+was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de
+massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg
+ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij
+ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door
+een troep gemeen afgeranseld.
+
+Een daad was _Norges Dæmring_ niet minder in de litteratuur. Hier werkt
+die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren,
+klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodieën te laten
+hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank.
+
+Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en
+Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de
+uitvoerigste "Literaturhistorie" van Noorwegen van Henrik Jæger kan men
+het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de
+groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En
+ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen
+in de 19e eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden
+nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de
+kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt,
+is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is
+het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur
+evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het
+sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de
+latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen
+zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie
+van Wergeland, en ook zijn behoefte, om aanvoerder van eene massa te
+zijn, vinden wij terug bij Bjørnson; het scherpe verstand, de vlijmende
+spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven
+keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bjørnson ook in zijn patriottische
+zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van
+grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met
+gelijke trekken bij Welhaven.
+
+Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor
+Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der
+eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn
+verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming[3], en de practijk
+tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als
+die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het
+verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de
+gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich
+zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken,
+wanneer zij maar half af waren.
+
+Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door
+verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij
+vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij
+had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt
+werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van
+zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende
+eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe
+gedachtenstroomingen.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 2:
+
+ Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad,
+ hvad nu er taust skal finde starke Munde
+ i Thingets Sale og i Templets Buer;
+ hvad nu er Larm skal blive vise raad,
+ og vis'ne ho'der byttes om med sunde--
+ hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer!
+]
+
+[Footnote 3: _Om norsk sprogreformation_. Een voorganger had Wergeland
+hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.]
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+ROMANTIEK.
+
+
+1. _De volksromantiek_.
+
+
+Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche poëzie eene bloeiperiode aan.
+Het is de romantiek, die haar intocht houdt[4]. De vorige periode leefde
+in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der
+Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar
+een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong
+niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in
+het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er
+reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te
+regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe
+onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de
+toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De
+romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur,
+en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen
+machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen,
+juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een
+frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik
+vóór alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij
+op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de
+krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder
+de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk
+geïmporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden
+de hekken van het patriottisme verhangen.
+
+De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen
+zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was
+en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede
+helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland
+gekomen, waar men de zaak grondig had opgevat. Herder was begonnen met
+studiën over volkspoëzie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven,
+om òf de stof te gebruiken in eigen gedichten, òf den toon van het
+volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet
+de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op
+getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und
+Hausmärchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn).
+In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de
+meest bekende dichter van den tijd, Øhlenschläger, zich van deze stoffen
+meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu
+is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide
+richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van
+stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de
+getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste
+werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone
+bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht
+hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste
+beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C.
+Asbjørnsen en Jørgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich
+als eerste uitgever van volkspoëzie M.B. Landstad aan.
+
+Asbjørnsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de
+stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen
+zouden geven[5]. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De
+overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van
+teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet
+alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat
+dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm
+bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot
+zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de
+bijzondere wijze van uitdrukking de poëzie dezer vertellingen gelegen
+was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden
+uitgegeven in de officiëele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en
+uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon,
+zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun
+zóó goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die
+tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen
+gelezen worden, hebben zij ook een zeer grooten invloed gehad op de
+ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het
+Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van
+deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de
+latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed
+van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer
+Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens
+nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die
+boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van
+voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe,
+den zoon van Jørgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is
+voortgegaan.
+
+De _Norske Folkeeventyr_ (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841
+verschenen[6], behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche
+letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan,
+grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen zóó
+eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan
+in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting
+meedeelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het
+bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een
+geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme
+litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote
+dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het
+werk tot op dezen dag niets verloren.
+
+Een eenigszins ander karakter dan de _Folkeeventyr_ dragen twee andere
+verzamelingen van Asbjørnsen, _Norske Huldreeventyr og Folkesagn_ (N.
+Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven.
+Asbjørnsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van
+romantiek tot realisme. Ofschoon het woord "eventyr"[7] in den titel
+voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen
+omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbjørnsen
+legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan,
+en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog
+geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die
+een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van
+zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote
+plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn
+vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de
+natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de
+Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen--Oostlandsch--dialect. Het
+werk van Asbjørnsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het
+volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst
+gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel
+_Plankekørerne_ (De Plankenvoerlui) draagt.
+
+Asbjørnsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar
+duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter
+karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr
+og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbjørnsen aan zijn zegslieden
+het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire,
+ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi
+gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek
+heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De
+Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan
+ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij.
+
+In 1853 gaf Landstad uit _Norske Folkeviser_. Daarop volgde in 1858 een
+kortere verzameling van Sophus Bugge: _Gamle norske Folkeviser_[8]. Deze
+boeken zijn niet zóó algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes
+van Asbjørnsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd[9].
+Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door
+weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten
+konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden
+opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal
+geärchaïseerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen
+toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te
+verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds
+voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is
+veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de
+opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de
+sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen
+staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een
+veel vroegere periode (de 16e eeuw) zijn opgeschreven.
+
+Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad,
+niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de
+gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters
+hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de poëzie in hooge
+mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads
+uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen.
+
+Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de
+eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden.
+Na de dæmringsfeide[10] zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel
+_Digte_ uit. Later verschenen _Nyere Digte_ 1845, _Halvhundrede Digte_
+1848, _Digte_ 1851, _Digte_ 1860, eindelijk nog _Sidste Digte_ (van 1860
+tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste
+helft der eeuw heeft voortgebracht.
+
+De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch
+ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud
+naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar
+naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw
+element bij.
+
+Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun
+gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige
+periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd
+en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt
+lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat _Vidar_. _Vidar_
+is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het
+einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. _Vidar_ was ook de
+naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte
+van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het
+monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft.
+
+De gedichten _Sisyphos, Glaukos, Goliath, Møkkurkalv, Nehemias_ (1839),
+_Tantalos, Protesilaos, Kalchas_ (1845), _Herakles, Ganymedes,
+Philoktetes_ (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het
+voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben
+verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van
+eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de
+wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een
+merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang,
+nadat hij in _Et Dukkehjem_ en _Gengangerne_ met de publieke opinie
+slaags was geweest. Eerst komt een uiting van lust om den strijd voort
+te zetten in _En Folkefiende_, dan de ontmoedigde verklaring, dat de
+man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in
+_Vildanden_[11].
+
+Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks
+vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de
+liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid.
+Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat
+hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven
+liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel
+woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de
+universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf
+zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen
+samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig,
+heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die
+der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten
+samen met die der mythologische gedichten. Ook hier bestaat een
+merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding
+voor het leven ontvangt,
+
+ "naar løst fra længsler og fra vild begær
+ den flyer til mindets aandehjem befriet"[12].
+
+(Kærl. Komedie, Værker II, 261).
+
+Vergelijk daarmee Welhaven's verzen:
+
+ "Hver en Fryd maa trylles om
+ til et Savn, som Sjælen freder;
+ Mindet kun et Held bereder,
+ der er Livets Eiendom"[13].
+
+(Digte 1845. Værker II, 234).
+
+Voornaam is deze poëzie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde
+heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen
+hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar
+persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij
+als schoon gevormde gedachte tot den lezer.
+
+Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische
+beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan deze
+beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij
+Welhaven's natuurpoëzie te danken. De romantische vlucht van de stad en
+de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar
+ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze
+dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof.
+Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, nøkken,
+nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbjørnsen ze deed, hun
+intree in de kunstpoëzie. Welhaven heeft in dit genre veel
+natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En
+ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden
+was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was.
+Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan
+de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want
+zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers
+wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer
+genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische poëzie van een
+dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn
+tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook
+nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden
+bron van poëzie een rijke was, die in de behoefte van meer dan één
+geslacht kon voorzien.
+
+Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad,
+in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden.
+Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige
+generatie.
+
+Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich
+verwijderen van het realisme waarnemen. _Norges Dæmring_ is te gelijk
+idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des
+dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor
+zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn
+pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in
+bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn
+troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het
+leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart
+zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee
+richtingen. Voor de eene--en dit is de richting der
+huldre-romantiek--bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,--ook
+Asbjørnsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze
+gehuldigd,--voor de andere zijn de ware objecten voor onze
+belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen,
+en deze richting loopt uit op menschenstudie en zoodoende op realisme
+in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbjørnsen in enkele stukken
+gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in
+de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt
+voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbjørnsen's
+realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot
+doorbraak komen.
+
+Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten
+van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van
+verschil. Welhaven heeft zich ook sterk geïnteresseerd voor de
+verzamelingen van Asbjørnsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de
+behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn
+behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van
+populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche
+letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche
+Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van
+de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een
+stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de
+geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid
+vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch.
+
+In 1840 werd Welhaven lector,--later (1846) professor in de
+philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het
+vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft
+nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het
+jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus
+is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan
+historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een
+duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan
+van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn.
+Hij stierf in 1873.
+
+Ook Jørgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen,
+is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de
+natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door
+eenvoud en religieusiteit.
+
+Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook
+melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in
+verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters
+der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot
+de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's _En Jægers
+Erindringer_, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der
+schilderingen van het volksleven behoort Østgaard's _En Fjeldbygd_. Het
+boek staat onder den invloed van Asbjørnsen's vertellingen, maar hij
+miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene
+zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van
+talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet
+hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan
+twijfelen, of het boek wel tot de poëtische litteratuur gerekend kan
+worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbjørnsen
+las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het
+denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van
+eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling.
+
+Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen
+schreef, samen uitgegeven onder den titel _Fra Lofoten og Solør_,
+interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake
+is,--Solør ligt in het binnenland--de bewoners der eilanden hun eerste
+intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger
+van Jonas Lie.
+
+Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bjørnson's
+boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in.
+
+Bjørnstjerne Bjørnson is in 1832 geboren als zoon van een
+dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te
+zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania,
+waar hij een tijd lang Heltberg's "studentenfabriek" bezocht--zie
+hierover meer in Hoofdstuk IV--en in 1852 student werd. Reeds te voren
+had hij een--onrijp--tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij
+regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856
+bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe
+Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier
+dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het
+eene is _Mellem Slagene_, dat in een ander verband besproken wordt; het
+andere is _Synnøve Solbakken_, de eerste zijner boerenvertellingen.
+
+Men kan zeggen, dat Bjørnson's novellen eene periode openen, en dat zij
+er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze
+beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling,
+die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de
+voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De
+sprookjes van Asbjørnsen en Moe zijn rijk aan poëzie, maar toch niet in
+de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct
+van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van Østgaard
+was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door
+menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bjørnson vereenigde
+een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot
+vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst
+kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel
+uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten
+opgang maakten.
+
+Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke
+zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste
+gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te
+vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt
+met Vinje's kritiek op Bjørnson's volgende vertelling _Arne_, die later
+zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van
+boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bjørnson, en die den
+schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede
+stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers
+met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bjørnson en zijn
+criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bjørnson
+mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet
+het portret nader bij de werkelijkheid staan.
+
+De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in
+twee jeugdwerken van Ibsen, _Gildet paa Solhoug_ (Het Feest te Solhoug,
+1855) en _Olaf Liljekrans_ (1856). Deze twee stukken representeeren een
+eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter.
+
+Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een
+welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen,
+en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee
+gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te
+Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In
+de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te
+bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte
+hij. Zóó is zijn eerste drama _Catilina_ ontstaan in den winter 1848-'49
+(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania,
+bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk _Kæmpehøien_
+van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste
+doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij
+een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen,
+met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu
+volgen snel op elkander _Sankthansnatten, Fru Inger til Østraat, Gildet
+paa Solhoug_ en _Olaf Liljekrans_. Het eerste van deze werken is van
+geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre;
+over de beide laatste zal hier iets gezegd worden.
+
+Toen Ibsen _Gildet paa Solhoug_ schreef, waren zijne oogen reeds
+opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe
+letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde
+zijne gedachten in eene andere richting. _Gildet paa Solhoug_ zou, wat
+de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend;
+de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14e eeuw), en door het
+hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar
+onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht
+te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene
+voorstudie voor _Hermændene paa Helgeland_, dat geheel onder den invloed
+der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der
+volkspoëzie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen
+worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor
+_Olaf Liljekrans_ bestaan verschillende voorstudiën. Voor een van deze,
+en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (_Rypen
+i Jostedal_, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling
+volkssagen van Faye, die hierboven genoemd werd. Wij hebben
+hier dus een stof, die met Asbjørnsen's vertellingen punten van
+aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door
+het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd;
+er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier zóó ver,
+dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een
+volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat
+citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen
+den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door
+overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde
+stuk _Sankthansnatten_, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt.
+
+Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te
+stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een
+voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre
+opgang gemaakt had, met name in zijn drama _Svend Dyrings Hus_. Wanneer
+men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz
+nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige
+kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere
+uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van _Olaf
+Liljekrans_ is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en
+een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk
+is. Het toont, dat de dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling
+door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die
+het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo
+gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de
+dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme
+voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs zóó
+ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling
+schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst
+proclameert. Deze verhandeling--later uitgegeven in het tiende deel
+zijner _Samlede Værker_--verscheen na de beide tooneelstukken en
+beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857)
+verscheen _Hermændene_, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie
+opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama
+gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym
+Jokum Pjurre, eene comedie _Gildet paa Mærrahoug_, waarvan reeds de
+titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (_mær_
+beteekent merrie).
+
+Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de
+eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed,
+waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal--groote
+stukken van _Olaf Liljekrans_, waar de individueele lyriek de
+volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen
+geschreven heeft--, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar
+ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester,
+die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de
+beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van
+bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn,
+reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal
+zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen
+jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in _Kejser og Galilæer_.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 4: Vertalingen van werken der Duitsche romantische school
+komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von
+Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici
+werden gelezen (zie Jægers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan
+uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.]
+
+[Footnote 5: De eenige voorganger van Asbjørnsen en Moe was de predikant
+Faye, die in 1833 een verzameling _Norske Folkesagn_ uitgaf, tamelijk
+rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het
+karakteristieke niet deed uitkomen.]
+
+[Footnote 6: Een voortzetting door Asbjørnsen met bijdragen uit
+opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2e uitg. 1876).]
+
+[Footnote 7: Het woord _huldreeventyr_ is een maaksel van Asbjørnsen en
+eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van poëtische fantasie,
+_huldre_ behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming
+voor zulke vertellingen is _huldresagn_.]
+
+[Footnote 8: In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling _Sange,
+Folkeviser of Stev_ (d.i. refreinen) uitgegeven.]
+
+[Footnote 9: Zie echter het litteratuuroverzicht.]
+
+[Footnote 10: Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan
+_Norges Dæmring_ een deel uitmaakt.]
+
+[Footnote 11: Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte
+als in uitdrukking tusschen _Protesilaos_ (Welhaven, Digtverker II,
+219): "Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han kæmper
+kun og falder" en _Brand_ (Ibsen, Saml. Værker III, 231): "Men hver, som
+gaar i første række, maa falde for sin fagre sag."]
+
+[Footnote 12: "Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd
+vliegt naar de geesteswoning der herinnering."]
+
+[Footnote 13: "Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis,
+waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een
+geluk, dat het eigendom der ziel is."]
+
+
+
+
+2. _De historiseerende Romantiek_.
+
+
+In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in
+zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den
+drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de
+historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan
+historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden
+beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer
+dan allen de volksoverlevering cultiveerde, Øhlenschläger, heeft ook tal
+van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote
+afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de
+bloeitijd is niet geheel dezelfde, en het geheel valt later dan in
+Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard[14] een historisch drama
+_Magnus Barfods Sonner_ (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had
+dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen
+toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den
+nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient
+zijn gedicht _Sønner af Norge_ van 1820 genoemd te worden, dat het
+nationale lied van het land geweest is, tot het door Bjørnson's _Ja, vi
+elsker dette Landet_ werd vervangen.
+
+In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de
+vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en
+drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste
+omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van
+1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich,
+doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studiën gemaakt;
+hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de
+geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten het eigen land. En hij
+waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken
+stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele
+gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De
+romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;--een
+liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat
+eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid
+schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama
+_Kong Sverres Ungdom_ (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud
+deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door
+haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene
+intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een
+historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende
+karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem
+zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon
+dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre.
+Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een
+historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd
+te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus
+een soort heerschappij oefende. In meer dan één genre had hij volstrekt
+niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk
+gehad, zijn roem te overleven, ofschoon hij tot het laatst is
+doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884
+op 73-jarigen leeftijd.
+
+De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de
+Engelsche geschiedenis ontleende tragedie _William Russel_ (1857) werd,
+ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde
+gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking
+(Saml. Værker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars,
+toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is
+merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in _Kærlighedens Komedie_,
+waar hij een bekrompen dame, Frøken Skære, haar verontwaardiging laat
+uiten over een student, die zóó laag, zóó onbeschoft, zóó gemeen was, om
+zelfs _William Russel_ te critiseeren. Het stuk wordt hier dus
+voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke
+plebejers.
+
+Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie _Hertug Skule_, die in
+1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's
+_Kongsemnerne_ was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De
+vergelijking was doodend;--hiermee had het aanvoerderschap van Munch in
+de Noorweegsche letterkunde een einde.
+
+Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in
+al haar schakeeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt
+dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de
+ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het
+historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch
+drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama.
+
+Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur.
+Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche
+vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij
+voorbeeld de stof voor Munch's _En Aften paa Giske_ uit Snorris Oláfs
+saga helga[15]. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de
+nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is
+die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en
+zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het
+persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen zóó, dat niets
+meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met
+het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der
+voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene
+kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is.
+
+Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's
+romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof
+insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder
+mate. _Catilina_ valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting
+van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd
+gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het
+gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het
+jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk poëzie te halen.
+Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet
+die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek
+aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden.
+
+_Fru Inger til Østraat_ (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter
+bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet zóó gevormd, en de
+ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk
+en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men
+den indruk, dat de dichter onder den invloed van het--insgelijks
+romantische--gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij
+de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen.
+Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp
+geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch.
+
+De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn _Hermændene
+paa Helgeland_ (1857) en _Kongsemnerne_ (1864). Van deze beteekent het
+tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog één historisch
+drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier
+bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische
+en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie
+in.
+
+De stof voor _Hermændene_ en _Kongsemnerne_ is aan de Noorsche oudheid
+ontleend. In een enkel opzicht vormt _Hermændene_ nog een overgang van
+het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt
+niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der
+middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den
+man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de
+_Volsungasaga_ die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen
+wordt opgedischt. De _Volsungasaga_ behoort niet tot de beste saga's,
+vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof
+uit de Edda, en zóó gaat _Hermændene_ in laatste instantie terug op eene
+stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die
+met de latere volkspoëzie punten van aanraking hebben. Het conflict is
+ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama _Gildet
+paa Solhoug_ behandeld was. Wanneer desniettegenstaande _Hermændene_ met
+recht tot een ander genre geteld wordt dan _Gildet paa Solhoug_, dan is
+de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl.
+Maar de stijl is dan ook niet die der _Volsungasaga_, maar die der
+historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd
+had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het
+voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der _Egilssaga_, der
+_Njálssaga_,--en hier is de stijl een andere dan in de _Volsungasaga_.
+Men kan dus met recht zeggen, dat in _Hermændene_ de familiesaga in
+dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de
+_Volsungasaga_, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in
+de _Njálssaga_ voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het
+schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is.
+
+En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie,
+waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit
+gezichtspunt eene vergelijking van het slot van _Gildet paa Solhoug_ met
+het slot van _Hermændene_. In het lyrisch drama, dat door stemmingen
+beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin
+bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige
+Bengt; de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven
+jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint
+het geluk. In _Hermændene_ is de hartstocht een stormwind, die alles
+wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood
+de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij één
+man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op.
+
+Op geheel andere wijze is _Kongsemnerne_ (De Kroonpretendenten) een
+historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de
+geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante,
+maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen,
+maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende
+langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want
+hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van
+die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover _Kongsemnerne_
+handelt. Tot nu toe stond het ééne landschap tegenover het andere, en de
+geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten
+tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken
+en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald
+Hárfagri had Noorwegen tot een _rijk_ gemaakt; nù moet het een _volk_
+worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als
+Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als
+bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is
+daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne
+maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over,
+dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet
+gegeven is, te leven.
+
+Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de
+Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit
+perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen
+tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer
+naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij
+door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was
+opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die
+kwamen, zouden de Skandinaviërs tot broeders maken, gelijk Hákon
+Hákonsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo
+nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen
+van Hákon wijzen, gelijk Hákon Skule wijst op de dagen van Harald
+Hárfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten
+beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden
+gesteld, Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen.
+Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die
+op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep:
+_Vaagner_ (wordt wakker), _Skandinaver_! getuigt er van.
+
+En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de
+interessantste figuur van het drama. Want _Kongsemnerne_ is niet alleen
+een tijdgedicht--het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht.
+Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van ééne zijde van den
+dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne
+roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is
+zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over
+hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel
+zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het
+denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer
+noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den
+grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn
+tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen,
+en zelf daarbij onder te gaan.
+
+Een tijdvak van negen jaren scheidt _Kongsemnerne_ van het geweldigste
+van Ibsen's historische drama's: _Kejser og Galilæer_. De romantische
+droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk
+afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de
+reeks moderne drama's (_nutidsdramer_) te openen, die aan de letterkunde
+van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt[16], om
+nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit
+de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal
+geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die
+van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste
+wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe
+verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de
+meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de
+lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te
+dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot
+hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk
+dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar
+het gaat hem als Kaïn; zijn offer wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan
+bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor
+brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de
+verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de
+idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en
+waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem
+dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop
+op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal
+voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de
+ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij
+gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich
+tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den
+Galileër, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een
+tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galileër aan hem
+persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer
+zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galileër
+opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den
+wettigen keizer ook dien tegen den Galileër aan. In naam herstelt hij
+het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist
+deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning
+voert. Vóór dien tijd heerschte het Christendom in het uitwendige; het
+was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde
+in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter
+begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering
+op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument,
+waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den
+Galileër, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het
+Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot
+oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de
+mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: "Jullie God
+is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen." Alleen Makrina
+spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: "Verdwaalde
+menschenziel,--_moest_ je dwalen, dan zal het je zeker ten goede
+gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken
+komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode
+levenden!"
+
+Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote
+drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die _Kejser og Galilæer_
+direct aan _Kongsemnerne_ bindt. De voorstelling van de roeping is niet
+geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest,
+waarin de dichter zich jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In
+_Kongsemnerne_ is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met
+Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft,
+wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met
+blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd,
+maar het begrip is toch aanwezig. In _Brand_ treedt de roeping op als
+een eisch, die verschrikken kan. In _Peer Gynt_ is sprake van twee
+wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief;
+in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van
+een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen,
+dat zij haar roeping verzaakt. In _Kejser og Galilæer_ blijven alleen de
+twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet.
+Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is
+alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het
+resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet
+dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of
+ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij
+kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede
+voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en
+zóó wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar
+wreedsten vorm. Daarom is Juliaan, evenals Kaïn en Judas, een martelaar
+voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de
+menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor
+deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken.
+
+Zóó ziet een philosophisch extract uit _Kejser og Galilæer_ er uit. Het
+stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten
+kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen
+levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme.
+Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij
+zóó in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon.
+Levend--en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene
+nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op
+elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van
+Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten
+heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de
+schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld
+kent.
+
+Bij het schrijven van _Kejser og Galilæer_ had Ibsen meer historisch
+materiaal, om op te bouwen, dan bij _Kongsemnerne_, en dit kan een der
+oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan
+bij het oudere drama. Ook was de dichter in den tusschentijd een ander
+geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873,
+kort voor het verschijnen van _Kejser og Galilæer_, aldus uit:
+"Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van
+wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest
+doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te
+gelijk geheele, volkomen realistische poëzie; ik heb de figuren voor
+mijn oogen gezien in het licht van den tijd,--en wil hopen, dat de
+lezers hetzelfde doen." In den zin, waarin de dichter hier het woord
+opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de
+stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan
+Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed
+der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien
+het juist is, wat Henrik Jæger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt--en
+tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen--dat in de
+teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar
+slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de
+teleurstelling van den dichter, die in de jaren vóór 1870 een nieuwen
+tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke
+persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden
+staatsburger had gegrondvest, dan is ook in deze wijze, om de oudheid
+in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met
+de wijze, waarop de grondgedachte in _Kongsemnerne_ ontstaat onder den
+invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm
+was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere
+banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer
+gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke
+problemen bezighouden.
+
+Bjørnson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856
+_Mellem Slagene_ (Tusschen de Gevechten), 1858 _Halte-Hulda_, 1861 _Kong
+Sverre_, 1862 _Sigurd Slembe_, 1864 _Maria Stuart i Skotland_, 1872
+_Sigurd Jorsalfar_ (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot
+de historiseerende romantiek de gedichtencyclus _Arnljot Gelline_
+(1870). Afgezien van _Maria Stuart_ vallen al deze werken binnen het
+kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van
+overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin,
+dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof
+eene--gefingeerde--gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas
+de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In
+_Mellem Slagene_ treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als
+deus ex machina in een rol, die zeker den historischen Sverre slecht
+zou gepast hebben,--hij moet den vrede stichten tusschen twistende
+echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man
+tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. _Halte-Hulda_
+maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de
+handeling gezegd wordt, in de 13e eeuw te geschieden. Het conflict is
+hier van gelijken aard als in _Hermændene_, en het is hier gelijk daar
+de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in
+aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen _Hermændene_ en _Halte-Hulda_
+nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik
+de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de
+natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bjørnson zich tot het
+publieke leven, dat--wanneer men een stof uit de oudheid
+kiest,--natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die
+men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de
+stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de
+koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt.
+
+Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters
+blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's
+van Ibsen en van Bjørnson niet groot. Vergelijkt men Bjørnson's
+historische drama's met die van een vroegeren tijd, dan is er wel een
+groote afstand. Bjørnson had levendigheid van geest en een groot lyrisch
+talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij
+had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een
+dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter
+heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen
+wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die
+hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen
+oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis
+te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere
+menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist
+hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren
+weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond
+hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De
+individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel
+oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en
+zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van
+elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's
+gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de
+man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook
+dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet de noodzakelijkheid niet
+in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan _Sigurd Slembe_, het stuk, dat
+doorgaat voor het beste van Bjørnson's historische drama's. Uitwendig
+heeft de held eenige gelijkenis met Skule in _Kongsemnerne_. Als deze
+tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft
+ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om
+zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren
+koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel
+trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem
+vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt
+Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van
+dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet
+precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een
+toeval--de grootere haast van de vijanden--de oorzaak, dat Sigurd
+misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een
+psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de
+hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die
+Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang
+bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed
+meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn
+vrienden beraden had, wat nu te doen stond, voor hij sluipmoordenaar
+werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem
+gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de
+grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond
+onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu
+consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde
+bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen
+bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin,
+waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar één pijl
+verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter
+gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche
+vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het
+eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad
+en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan.
+Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus
+willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis.
+
+Maar Bjørnson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de
+ontwikkeling eener handeling. Bjørnson is niet een steller van vragen;
+daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een
+beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe
+anders had _kunnen_ handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht;
+het is hem genoeg, dat de man anders had _moeten_ handelen. Hij wil
+verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te
+bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een
+exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een
+schouwburgpubliek gaarne zien.
+
+Er wordt in Bjørnson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls
+zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den
+regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den
+mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms
+leest men dingen van grenzenlooze naïveteit. Ook hiervoor zal een
+voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het
+gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de
+tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd
+morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk
+geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over
+op de karakteristiek van den man. Eén is er van meening, dat Sigurd zulk
+een aard heeft, dat òf alle anderen moeten omkomen, òf hij. En deze man
+eindigt aldus: "Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat
+hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals
+vereenigd zal worden tot eene heerlijke bedoeling.--Vrienden, ik geloof
+aan een leven na dit."
+
+Dat "vrienden" vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof
+men Bjørnson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort
+uitbrengen.--Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek
+om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij
+bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd
+zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt.
+
+Bjørnson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's
+geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van
+voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was
+voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte,
+die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in
+hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is
+zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling.
+Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den
+dichter juist tot _die_ stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond,
+dat er genoeg waren.
+
+Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de
+zoo veelzijdige productie van Bjørnson.
+
+Meer in overeenstemming met Bjørnson's talent is de gedichtencyclus
+_Arnljot Gelline_. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend.
+Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische
+gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende.
+Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om
+schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden,
+maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een
+gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren,
+hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de
+grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij
+langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij
+kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid
+gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam
+aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man
+treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den
+slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om
+den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij
+wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen
+kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich
+aan hem overgeven. Op wensch van den koning laat hij zich doopen; den
+volgenden dag is hij een der eersten, die valt.
+
+Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de
+realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken
+in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke
+betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot
+uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover
+sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft
+ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag.
+Deze figuur maakt Bjørnson tot het middelpunt van een groep gedichten.
+Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds
+het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de
+sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan
+bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig
+plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche
+volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden
+in zulk een gedicht tot één. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft
+hij met warmte weer. Maar Bjørnson zou Bjørnson niet zijn, als hij niet
+geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid
+der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan.
+Tevens moeten wij iets meer hooren over de misdaden van den roover;
+vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens
+gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de
+beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling--een zaak,
+waarover de geschiedenis zwijgt--sterk op den voorgrond gebracht; de
+persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en
+wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot
+valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning
+over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste
+van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach.
+
+Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die
+hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en
+leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De
+vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer
+dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt,
+maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin
+gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch
+gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door
+misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in
+zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid een held zich
+in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil
+schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer
+de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken,
+precies als in de boerennovellen.
+
+Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot
+Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het
+verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van
+een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere
+Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het
+hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden,
+zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken,
+en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw,
+die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de
+pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en
+bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide:
+"Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer."
+Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik
+gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij
+niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening,
+noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching.
+
+Het is wel gezegd, dat Bjørnson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt
+en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet
+zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet.
+
+En toch is _Arnljot Gelline_ een mooi gedicht, wanneer men er maar in
+zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan
+stemmingen rijken dichter.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 14: Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een
+vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven,
+_Fjeldeventyret_, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en
+zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt
+thans nog wel met succes gespeeld.]
+
+[Footnote 15: Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van
+1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13e eeuw Snorri
+Sturlason.]
+
+[Footnote 16: _De Unges Forbund_ is van 1869, dus drie jaar ouder dan
+_Kejser og Galilæer_. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de
+historische studien voor zijn groot drama bezig.]
+
+
+
+
+3. _Het hooggespannen Idealisme_.
+
+
+In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot
+voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de
+jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog
+meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door
+politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en
+werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen.
+
+De romantiek had de poëzie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den
+helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men
+wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote
+gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die
+nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de
+maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de
+dichters konden die vormen, zooals zij wilden. Maar voor dichters, die
+niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met
+de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren
+verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat
+van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zóó deden eigenlijk van
+den beginne af die poëten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde.
+Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan
+was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf
+der geïdealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een
+veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. _Dat_ hij hem ging,
+ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het
+geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De
+wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen
+van 1864 bepaald.
+
+Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in
+1862 gedaan; reeds _Kærlighedens Komedie_ toont de beginnende reactie
+tegen de romantiek, die in _Brand_ en _Peer Gynt_ wordt voortgezet.
+
+'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek
+geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof,
+dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als
+Ibsen is, houdt hij nog de geïdealiseerde personen voor de normale,
+maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het
+conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en
+Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar
+geplaatst in een nieuw daglicht,--dat van heden. Van des dichters
+standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek
+is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte,
+als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van
+den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas in _Peer Gynt_
+laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek
+gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een
+overgang van het historisch-romantisch drama naar het met _De Unges
+Forbund_ beginnende realistische drama. Van ééne zijde vertegenwoordigen
+zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den
+achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme.
+
+In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie
+genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis
+vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke
+kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke
+gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene
+maatschappij van halve menschen?" In het realistisch drama draait de
+dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van
+menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's
+gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen
+geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen
+tot de taal van het gewone leven, het proza, over.
+
+Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van _Kærlighedens
+Komedie_ (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker
+verband aangenomen met den roman _Amtmandens Døtre_ van Camilla Collett
+(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk
+vóór het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar
+het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en _Kærlighedens
+Komedie_. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder
+(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige
+vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot
+een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en
+Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt,
+dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde
+Schjøtt in haar opstel over Camilla Collett).
+
+Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook de vraag, die gesteld
+wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht
+zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de
+liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het
+huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke
+conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet
+eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog
+opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn,
+het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan
+elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet
+lijden. Door deze gezichtspunten is _Kærlighedens Komedie_ niet
+uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk
+gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe
+sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde
+langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en
+frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht.
+Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt
+overblijft,--zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de
+herinnering te bewaren--'voor de eeuwigheid te winnen', heet het
+hier,--liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen
+dit echter niet klagend, maar dankend: "Nu kan ik je _blij_ missen voor
+dit leven", is de afscheidsgroet.
+
+Het spreekt wel van zelf, dat _Kærlighedens Komedie_ niet verstaan, en
+dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het
+stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor
+de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat
+was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten
+behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen
+vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook
+volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poëzie maakt hier
+natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van
+poëtische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt.
+
+_Kærlighedens Komedie_ is echter niet alleen een hoog-romantisch
+gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild,
+wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar
+hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van
+verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang
+gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich
+in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het
+dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poëzie,--ziedaar
+de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der
+vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter
+samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de
+bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding
+geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen
+niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de
+studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt:
+"dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd."
+
+De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen
+reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "één
+hoog, voor de vreugde van het leven, en één, die beneden trilt, diep en
+lang."
+
+Gansch anders is de stemming in _Brand_. Maar tusschen _Kærlighedens
+Komedie_ en _Brand_ ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de
+werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet
+altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet.
+
+Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850
+ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de
+ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in
+den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting was gekomen, was
+van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een
+bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele
+patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere
+reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het
+Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam,
+een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de
+zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en
+Bjørnson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden
+voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche
+tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten--al zulke,
+die het bestuur van het land aangingen--anti-Zweedsch. Maar deze dingen
+beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet
+meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden
+kwam te staan. Hier trok men één lijn en stelde men zich ook voor, als
+één man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme
+ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts
+eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en
+waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken
+en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in
+die jaren gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de
+gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling
+van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het
+ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich
+vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander
+naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in
+vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte
+zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde
+studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjørnson tegenwoordig
+was.
+
+Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden
+doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon
+Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen,
+werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten,
+en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond
+echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten
+einde uitdrukking te geven aan meegevoel.
+
+Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en
+de pessimistische stemming doen rijpen, die in _Brand_ tot uiting komt.
+
+Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan,
+waarmee hij de gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op
+gewezen, dat in _Kongsemnerne_ de gedachte aan een in broederschap
+vereenigd Skandinavië herkend kan worden in Hakons groote
+koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds
+in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen
+oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den
+titel _Vaagner, Skandinaver!_, waarin onder anderen gewezen wordt op het
+gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht
+hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een
+Deensch-Noorsch studentencongres (_For Danmark_, Efterladte Skr. I, 87).
+In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, _En Broder i Nød_, zijn
+landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat
+is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864
+uit Rome: _Troens Grund_ (De Grond van het Geloof) bericht op
+sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo
+zegt hij, zijn oproep (d.i. _En Broder i Nød_) over zijn volk
+geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers
+over den val van Dybbøl, over de jonge Noorsche vrijwilligers.
+Inderdaad, van één was een neef weggeloopen, een ander miste zijn
+handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa zat een
+oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid
+uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over _hem_ is
+zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog
+leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar
+zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger.
+
+Interessant is het gedicht _Til de Medskyldige_ (Aan de Medeschuldigen),
+een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen
+_Brand_,--een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel
+voert,--die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een
+positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij
+zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij
+zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met
+bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden
+hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben
+verzuimd, deze vraag te stellen:
+
+ "Kan den med Rette tage Arvens Skat,
+ som fattes Haanden, der skal Arven løfte?"
+
+ (Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die
+ de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?)
+
+Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren
+direct aan deze verzen uit Norges Dæmring:
+
+ "Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen brænder,
+ kan ei fortabes, er en hellig arv,
+ der falder renterig til Folkets Tarv,
+ naar det kan hæve den med voxne Hænder!"
+
+ (Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet
+ verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten
+ goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen).
+
+In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat
+Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog
+op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders
+zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar
+handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou
+lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen
+blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich
+daarover scherp uit in zijn _Ballonbrev til en svensk dame_, waaruit ik
+alleen deze twee verzen citeer:
+
+ "Thi mod skønhed hungrer tiden,
+ Men det ved ei Bismarck's viden."
+
+ (Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's
+ wijsheid niet).
+
+En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872
+naar aanleiding van eene rede van Bjørnson. Ook deze dichter had de
+gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen
+uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbøl
+klaagde hij: _Da Norge ikke vilde hjælpe_. In 1870 was men in
+Skandinavië zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning
+herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche
+overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen
+was, kwam Bjørnson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest
+veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een
+verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een
+zelfstandig Noorwegen in Skandinavië en een zelfstandig Skandinavië in
+een groot Germanië. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten
+te houden. Deze omslag van Bjørnson, door hem zeker eerlijk bedoeld,
+maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen
+pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef
+_Nordens Signaler_ (later opnieuw uitgegeven in Samlede Værker X, 567),
+een gedicht vol vlijmenden spot:
+
+ "Der er omslag ivente! klem paa med talerne!
+ Vejrhanen paa fløjen har forandret signalerne."
+
+ (Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan
+ op den vleugel heeft de signalen veranderd).
+
+_Brand_ verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden
+te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de
+Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad
+heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de
+monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig.
+Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben,
+die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van
+den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen,
+waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke
+ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist
+pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken,
+die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in
+conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard
+is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het
+ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn
+personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit
+betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de
+predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor
+het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te
+danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een
+repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand
+tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het
+religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele
+monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker
+geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer
+klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze.
+
+Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze
+zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar één proseliet te
+maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te
+bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat
+deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking,
+nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen
+van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen,
+dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer
+hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het
+visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij
+weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke
+stem: 'Hij is deus caritatis'.
+
+Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat _Kærlighedens
+Komedie_ een voorlooper van _Brand_ is. Hij heeft op deze plaats het
+oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het
+eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende
+tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles,
+wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in
+'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt
+aangetoond,--natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen.
+Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en
+karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het
+verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar
+ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog
+praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant
+heeft plaats gehad.
+
+Op _Brand_ volgt in 1867 _Peer Gynt_. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet
+afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen,
+maar hij voert het volk zelf ten tooneele in één typischen representant.
+Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de
+dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot
+grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip,
+'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te
+bemerken, achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is
+zich zelf genoeg, een egoïst in plaats van een persoonlijkheid. Zijn
+levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde
+verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van
+zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid.
+Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit
+komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes,
+die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn
+gebruikt,--om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek
+rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche
+volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het
+hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen').
+
+In gelijke mate als van _Brand_ geldt van _Peer Gynt_, dat de dichter de
+stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de
+toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke
+overweegt; in _Peer Gynt_ kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere
+afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden,
+heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het
+beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt.
+Naast den spot treedt ook--in tegenstelling met _Brand_ een element van
+meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend
+individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het
+dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken
+en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift
+Neophilologus geschreven heb.
+
+Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van
+de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's
+is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de
+sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode
+voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot
+personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de
+dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze
+vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische
+slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze
+wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen.
+Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in
+waarheid beteekent hij den egoïst; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die
+aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend
+geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en
+allegorie.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL.
+
+
+Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die
+in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van
+Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in
+bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet
+gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon
+zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect
+aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was,
+stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie
+waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal
+uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor
+het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De
+sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van
+zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid
+openbaarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit
+streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de
+vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen
+geheel-Noorsche taal.
+
+De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint
+met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor
+geïnspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van
+Asbjørnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De
+vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert
+het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was
+hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe
+gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in
+belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de
+Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat
+verouderd was of daarvoor werd aangezien,--integendeel, zij gaf uiting
+aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu
+gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaïseering.
+Wanneer men tot dusverre schreef _lade, rige, løbe_, dan sprak men
+_late, rike, løpe_, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden
+gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend
+had. Men begint nu op deze wijze te schrijven en brengt door deze
+archaïseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in
+andere gevallen.
+
+De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K.
+Knudsen, die schreef _Haandbok i dansk-norsk Sproglære_ (1856). Tevens
+werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het
+belangrijkste werk, van denzelfden schrijver _Unorsk og Norsk_(1879-81).
+
+De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren,
+waarin Asbjørnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te
+nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen
+tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de
+stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en
+de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke ééne door
+het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene
+taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een
+ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding
+gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die
+ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal
+provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel
+Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen.
+
+De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet
+hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en
+zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen
+in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal,
+die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch.
+Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die
+autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal.
+
+Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het
+cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van
+kunstmatige talen mag zeggen--deze kunstmatige taal is eene levende
+geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op
+zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is.
+Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid,
+die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is,
+maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende
+streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de
+eenheid der Noorweegsche dialecten.
+
+Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht
+hebben. Maar niet alleen hun energie,--niet minder hun genie. Want het
+verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor
+het grootste deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan
+een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner
+gedachten gemaakt hebben.
+
+De schepper van het landsmaal is eigenlijk één man geweest, Ivar Aasen,
+een boerenzoon uit Zuid-Møre (een landschap op de Westkust), die zijn
+jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde
+Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten
+zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder
+hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de
+voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken
+_en geschreven_ werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht.
+Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde
+hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van
+de Noorweegsche volkstaal: _Det norske Folkesprogs Grammatik_ (1848, in
+tweede uitgave van 1864 betiteld _Norsk Grammatik_), waarop een
+woordenboek volgde: _Ordbog over det norske Folkesprogs_ (1850; later
+_Norsk Ordbog_ 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten
+opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene
+taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit
+andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon
+worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften
+gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen
+voor 'maalstræv' (_stræv_, het streven, werken voor iets), en het doel
+werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen
+burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen.
+
+Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het
+landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het
+bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in
+nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou
+zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden
+dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem
+van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen:
+aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide
+talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen
+het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal)
+den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is.
+Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan
+opnieuw. De taal, die de meeste concessies doet, is het bymaal; de
+laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in
+spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het
+landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van
+een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene
+taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen
+en van vele kansels en in meer dan één theater gehoord wordt.
+
+De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader
+aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn
+taalhistorische studiën in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij
+heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal
+wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die
+het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche
+dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaïseeren, die
+voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote
+autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het
+landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in
+poëzie als door de genoemde archaïstische tendenties behield deze taal
+een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was
+Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens
+een eerste poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de
+gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik
+van Westlandsch dialect kwam daarna Fjørtoft op, een politiek schrijver
+van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn
+dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande
+contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal
+ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad _Fram_ (1871-73) een dialect uit
+Zuid-Møre, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske
+(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden
+zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de
+groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak
+Westlandsch, maar al wat archaïstisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal
+is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is
+echter in het landsmaal nog niet bereikt.
+
+Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen.
+Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor
+onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en
+is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in
+landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden
+wetsvoorstellen in beide talen ingediend.
+
+Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige
+opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn
+originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder
+hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een
+tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal
+Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen
+ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een
+_husmand_, d.i. een kleinen boer, die op een _plads_ (kleine
+boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij
+opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een
+boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg.
+Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den
+krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man,
+die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij
+den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering
+mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft.
+Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren,
+is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den
+cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al
+hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft,
+tot de bekwaamste mannen van het land behoort. Die kennis echter
+vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij
+bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er
+ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is
+hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij
+geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven.
+Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt
+in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken
+oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van
+het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader
+aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke
+sympathieën, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden.
+Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van
+zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op
+rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik
+zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer
+geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op
+politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem
+aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere
+wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van
+goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zóó, dat hij geen aanstoot
+geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen
+subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en
+plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door
+zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot
+eenzaamheid gedoemd, en zóó geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur
+voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij
+daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft
+hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen
+deed hij een heftigen aanval op de regeering--en werd ontslagen.
+
+Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt
+niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat
+dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij
+gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon
+verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon
+zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren
+optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken
+geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven,
+die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de
+lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een
+humorist.
+
+Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van
+Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let
+op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest
+bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling
+en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven.
+Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin
+is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken.
+
+Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870
+verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen
+gevuld heeft, _Dølen_ ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle
+denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij
+had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen,
+van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen.
+
+Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig
+onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van
+wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en
+wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws
+had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij
+toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het
+zijn die gevoelsinhouden, die stijl, die eigenaardige combinaties, die
+humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke
+geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier
+geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche
+plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu
+toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door
+kende. _Dølen_ werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan.
+Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad
+moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige
+maanden, wanneer men hem dood waande, stak _Dølen_ dan plotseling weer
+het hoofd op.
+
+Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige
+kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd
+is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd
+komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon
+hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan
+tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaïsche werken
+staat hier bovenaan _Ferdaminni_ (Reisherinneringen), een boek, dat
+eerst stuksgewijze in _Dølen_ is verschenen. _Ferdaminni_ is de
+beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860
+maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt hier
+op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's
+Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien
+dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde
+verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan
+zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn
+geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed
+dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd
+werd.
+
+Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate
+onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken
+uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjørnson's _Arne_ (de tweede
+dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in één verwijt
+heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjørnson
+de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de
+stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met
+dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat
+Bjørnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het
+verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een
+_husmand_, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als
+dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen de
+boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de
+predikanten behooren, uit wier stand Bjørnson is voortgekomen, een kring
+met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij
+niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd
+billijk beoordeeld, maar wanneer hij in _Ferdaminni_ en elders hun
+zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen
+romantiek.
+
+Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook
+zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat
+hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan
+ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit
+onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's _Brand_. In de
+dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten
+tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters
+hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in
+dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet
+den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te
+zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat
+eerst naar eene vignetteekening den naam _Manden_ (De Man) kreeg en
+later omgedoopt is tot _Andhrimnir_ (de naam van den kok in Valholl).
+Dit blad was een navolging van het Deensche blad _Corsaren_, dat door
+Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op
+harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin
+omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover
+oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers
+ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen.
+Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden
+af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke
+toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche
+waardeering was er ook niet. In _Peer Gynt_ ontmoeten wij Vinje als
+Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der
+orangoetangs te spreken. Toen _Brand_ verscheen, heeft Vinje dit
+dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar
+op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte
+farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan.
+"Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een
+paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel;
+Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over
+Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon
+hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden
+hebben niet nagelaten, in zijn kritieken op _Arne_ en op _Brand_
+uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het
+geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands
+drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel,
+is het gevolg van meer dan één oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die
+hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren,
+dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich
+begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond
+alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was
+van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna
+identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel
+landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten,
+kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn
+tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch'
+schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te
+hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al
+spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair
+succes.
+
+Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in
+aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is
+het wel, dat iemand zijn leven geeft voor een denkbeeld, dat in de
+practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje
+zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door
+geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere
+gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er
+dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar
+voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte
+is hem te abstract.
+
+Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat,
+wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als
+litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent
+practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters
+konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest
+verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder
+grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting
+alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt
+samen met zijn beter inzicht in de realiteit.
+
+Vinje's belangrijkste levenswerk--men moge het prijzen of laken--is dat,
+wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor
+geijverd,--dat is één ding, maar vooral--hij heeft het gebruikt, en hij
+heeft het zóó gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noorweegsche
+letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest.
+
+Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver
+kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls
+begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te
+geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming
+verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele
+gedichten, waarin ééne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is
+volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de
+zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden,
+die opgenomen is in zijn gedichtencyclus _Storegut_.
+
+Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de
+hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is.
+Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast _Ferdaminni_,
+Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot
+de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus
+_Storegut_. Wat de compositie betreft, kan men _Storegut_ vergelijken
+met _Arnljot Gelline_ of met Runeberg's _Fänrik Staals Sägner_: het is
+een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een
+historische persoon of gebeurtenis. Voortgang is er eigenlijk niet in
+het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed
+zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat
+de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de
+karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk
+en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij
+kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een
+valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij
+voor het meerendeel stemmingen van één persoon schilderen. En er zijn
+ware meesterstukken onder.
+
+Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan
+schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie
+als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan
+men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt
+gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij
+in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in
+dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook
+oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het
+inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te
+verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe
+ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef
+geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo
+subjectief als Vinje, die _Brand_ voor een farce aanziet, geen
+psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen
+theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op
+wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama
+geschreven, _Olav digre_, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de
+proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men
+zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft
+kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet
+kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de
+grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naïveteit, waaraan
+wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die
+aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant
+genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let
+op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft.
+
+Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is.
+De stukken, die gereed waren, heeft hij in _Dølen_ uitgegeven. _Staale_
+heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een
+onafhankelijk man, die zijn eigen weg gaat, in de maatschappij
+mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn
+omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt
+toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen
+vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort
+schiet. _Staale_ is dan ook veel minder gelukt dan _Storegut_.
+
+Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland
+in: _Bretland og Breterne_. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje
+nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes
+in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland
+toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te
+bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor
+zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de
+tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen
+land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op
+den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden,
+waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen
+opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende
+bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maatschappij. Maar door
+zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten--de
+Times liet zich zeer onvriendelijk uit--, en daarmee was zijn uitzicht
+op succes in den vreemde afgesneden.
+
+Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet
+gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele
+vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een
+dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als
+zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten
+niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over
+hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar
+bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag
+gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht:
+men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem
+gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was
+uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat
+hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft.
+Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij
+geschreven heeft, maar _hoe_ hij geschreven heeft, eerst in bymaal,
+daarna--het meeste en het best--in landsmaal. Die beteekenis zal pas
+algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal
+bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen
+is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen
+voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te
+heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen,
+dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen,
+want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+HET REALISME.
+
+
+Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de
+idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de
+practijk, maar ook in de poëzie noodig was, rekening te houden met de
+wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen
+zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken
+periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu
+invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk,
+waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden
+dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en
+begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der
+Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het
+geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de
+litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat,
+godsdienst. In Denemarken doet de nieuwe richting haar intocht in de
+epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire
+voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen
+en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land
+is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere
+generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige
+periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjørnson
+zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep
+romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn.
+
+Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan
+beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt
+wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die
+litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd
+in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw
+is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel
+afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad
+van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken,
+is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat
+de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de
+waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt
+is, dit doel te bereiken. De leus kon trouwens gepaard gaan met andere
+leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd
+waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men
+in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet
+plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie
+debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich
+zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het
+standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers
+van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin,
+dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is.
+Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,--en dat hebben alle
+dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch
+altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die
+voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee
+richtingen ontwikkelen. Ã’f men gaat den eisch van het realisme steeds
+strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid
+nabij te komen,--het zoogenaamde naturalisme,--òf men laat het realisme
+als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel,
+dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat.
+Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten.
+
+Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet
+op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar
+aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd
+had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813
+is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven
+van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is
+zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste
+boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek.
+
+Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige
+jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een
+anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar
+geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de
+ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt
+zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd,
+waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere
+clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor
+Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in
+rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's
+tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in
+levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, heeft zij
+sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven.
+
+Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad
+(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte
+vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in
+1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in
+1855 haar hoofdwerk _Amtmandens Døtre_, het eerste der talrijke Noorsche
+boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze
+maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de
+litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met
+tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: _Fortællinger_
+(1861), _I de lange Nætter, Sidste Blade_ (3 verzamelingen 1868-73),
+_Fra de stummes Leir_ (1878), _Mod Strømmen_ (1879). Op den duur neemt
+zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar
+eerste roman opkwam voor de liefde--in plaats van conventie--als
+grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande
+verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den
+voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de
+schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op
+en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek
+in het potsierlijke; mannen als Goethe en Byron vinden weinig genade in
+haar oogen.
+
+Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek
+_Mod Strømmen_ (Tegen den Stroom) mocht eerder _Med Strømmen_ heeten;
+toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de
+vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor
+modern wilden doorgaan.
+
+Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870,
+als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een
+probleem debatteert'.
+
+Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit
+het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de
+werken van Asbjørnsen, Østgaard en enkele anderen. Voorts een deel van
+Vinje's geschriften en Bjørnson's boerennovellen, die echter weinig
+realistisch waren. Nu zou het anders worden.
+
+Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van
+den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn
+eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist.
+Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn,
+en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als
+zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn
+'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en
+bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen,
+zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere
+werken. Kritiek op de maatschappij--een der hoofdpunten van het jonge
+programma--komt bij hem reeds in 1862 voor in _Kærlighedens Komedie._
+Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later.
+Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden
+geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot
+uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het
+maatschappelijk leven. In _Kærlighedens Komedie_ is het nog een
+bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de
+maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn
+Falk en Svanhild een utopie. In _En Folkefiende_ daarentegen is de held
+een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,--wat
+alle anderen ook zeggen te willen,--en die met zijn omgeving in strijd
+raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase
+is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing
+van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld
+der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is
+het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische
+stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch
+leven, het proza, gekozen wordt, en dat de personen meer
+geïndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en
+deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een
+enkele repliek kent.
+
+Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is _De Unges Forbund_ van 1869.
+Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het
+vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die
+hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte
+het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote
+politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en
+kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale
+en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft
+de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde
+physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van
+twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde
+menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier
+dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de
+verontwaardiging van Bjørnson over het stuk; het waren zijn eigen
+phrases en zijn naïef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden
+gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjørnson niet eerlijk
+was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geërgerd[17]. En
+hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van
+eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend[18].
+
+Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral
+vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant,
+staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den
+samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil
+van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten
+een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen;
+tegen dit verbond--het ware verbond der jongeren.--is de vooze demagogie
+niet bestand.
+
+Men heeft Ibsen verweten, dat hij in _De Unges Forbund_ zich tegen 'de
+partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld
+Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. Ibsen zou in dit stuk de
+woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van
+dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk.
+Geen ding toont misschien duidelijker dan _De Unges Forbund_, hoe ver de
+dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het
+komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en
+heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist
+de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is
+volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter
+verwachtingen had van de oude aristocratie--mits deze zich vernieuwde.
+Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening
+uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die
+hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren.
+
+Tusschen _De Unges Forbund_ en _Samfundets Støtter_ liggen acht jaar
+(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met _Kejser og
+Galilæer_, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken
+is.
+
+Met _Samfundets Støtter_ (1877) begint een ononderbroken reeks moderne
+drama's. Weldra volgen _Et Dukkehjem_ (1879), _Gengangere_(1881), _En
+Folkefiende_ (1882), _Vildanden_ (1884). In al deze stukken wordt de
+werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt
+ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een
+samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij
+een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na
+jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste
+pessimisme.
+
+In _Samfundets Støtter_ geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in
+een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en
+het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich
+wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil
+tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer
+verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend
+heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken;
+Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit
+andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en
+dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een
+onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen
+tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen
+vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft
+liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om
+Bernick's geweten wakker te schudden. Zóó groot is het geloof van den
+dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het
+ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het
+blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip
+wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt
+Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te
+huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den
+waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de
+geesten van waarheid en vrijheid.
+
+Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar
+realist, toch ook nu nog als van ouds ideeëndichter is. De gedachte is
+zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",--abstracter
+kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt
+van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men
+bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest
+wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had
+een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met
+haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar
+ieder aan alle zijden door égards gebonden was, gemakkelijker haar
+onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw,
+die alleen naar de stem van haar hart luistert en zich aan geen enkele
+consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert
+tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in
+dezen zin zijn reeds Aurelia in _Catilina_, later Solvejg in _Peer
+Gynt_. En Ella Renthejm in _John Gabriel Borkman_ behoort tot dezelfde
+categorie.
+
+Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene
+maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal
+onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak,
+die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. _Et
+Dukkehjem_ is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen
+opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting
+teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid
+niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat
+noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de
+moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap
+terug te houden.
+
+In _Gengangere_ is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer
+met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die
+aan _Et Dukkehjem_ ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper
+stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig huwelijk
+leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en
+zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar
+huwelijk uit te blusschen.
+
+Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den
+dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de
+courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin
+zich zulk een frissche strijdlust openbaart als _En Folkefiende_. De
+ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd
+aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar.
+Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is
+menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op,
+maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man
+verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der
+badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij
+de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden,
+maar alle partijen, conservatief en radicaal,--anders elkanders gezworen
+vijanden,--vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen.
+Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van
+de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de
+oppositiepers werken broederlijk samen, om Stockman onmogelijk te
+maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met
+uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk.
+Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een
+nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld
+hij is, die het meest alleen staat.
+
+De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman
+zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en
+evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zóó waar geteekend,
+als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het
+karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in
+het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de
+menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met
+het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjørnson. Den zedelijken moed
+hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de
+vergaderzaal is die van Bjørnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het
+uitdrukt, aan Stockman Bjørnson's stem gegeven. Ook de overige personen
+zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de
+kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing,
+de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en
+wiens originaliteit hierin bestaat, dat hij er een 'gud døde mig' aan
+toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in
+wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van
+zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele
+karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet,
+Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood,
+als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet,
+welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien,
+dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel
+der echtheid.
+
+En dan komt _Vildanden_ (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat
+Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch
+geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant
+van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale
+figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht,
+waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van
+een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt.
+De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt:
+"mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord
+idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens," en die
+verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem
+je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed
+genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons
+arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen
+moet de dichter van _Brand_ gehad hebben, voor hij zóó iets schrijven
+kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag
+over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken
+helpt niet; de poëet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in
+Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat
+hij de dertiende man aan tafel is.
+
+En toch--het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof
+verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en
+geïncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene
+vrouw, die zit te wachten op het wonder,--dat een ander verrichten
+zal,--maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe
+edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het
+bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel
+heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zóó staat ook in
+_De wilde Eend_ een ideale figuur, die aan één zaak alles offert,
+tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in phrases is
+ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt
+hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer
+maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als
+offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan
+den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal;
+in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele
+gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van _Vildanden_ het
+geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend
+drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden.
+
+Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter
+behandelde dan één zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zóó levende
+personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest.
+Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij
+naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik
+mode was, maar omdat hij de menschen zóó zag. En wat de
+'problemenpoëzie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen
+behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd
+is zijn poëzie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom
+zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur van
+den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn
+toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen
+reflecteert zich het menschelijke.
+
+In dezelfde periode ging Bjørnson over tot de behandeling van
+maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het
+lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het
+meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben
+zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar
+daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjørnson was als
+kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij
+ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid
+gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan
+zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij
+veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land,
+en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche
+levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd
+een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken,
+novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is
+zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in
+volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke
+werkkracht. Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de
+wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een
+eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjørnson gehad
+heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die
+hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt
+Bjørnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hèm nieuw zijn, te
+populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene
+verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook
+zijn kunst ondergeschikt.
+
+Een voorlooper van Bjørnson's 'nutidsdramer' is _De Nygifte_ (De
+pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter
+levendige scènes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom
+begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren:
+_Redaktøren_ en _En Fallit_ (1875), _Kongen_ (1877), _Leonarda_ (1879),
+_Det ny System_ (1879), _En Hanske_ (1883), _Over Ævne_, I (1885), II
+(1895), _Geografi og Kærlighed_ (1885), _Paul Lange og Tora Parsberg_
+(1899), _Laboremus_ (1901), _Paa Storhove_ (1902), _Daglannet_ (1904),
+_Naar den ny vin blomstrer_ (1909). Vertellingen uit dezelfde periode
+zijn: _Magnhild_ (1877), _Kaptejn Mansana_ (1879), _Stöv_ (1882), _Det
+flager i Byen og paa Havnen_ (1884), _Paa Guds Veje_ (1889), _Nye
+Fortællinger_ (1899), _Mary_ (1906).
+
+In bijna al deze stukken maakt Bjørnson zich tot advocaat van een of
+andere meening of waarheid,--dikwijls eene zeer juiste,--die, naar hij
+meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de
+noodzakelijkheid van opvoeding in _Det flager_, van verdraagzaamheid in
+_Paa Guds Veje Kongen_ is een preek over het thema, dat de republiek de
+eenig juiste regeeringsvorm is. _En Hanske_ handelt over de
+geslachtsmoraal. De dichter is hier zóó vervuld van de leer, die
+gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over
+hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot
+breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjørnson niet
+alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie
+bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet,
+kan diezelfde naïveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit
+de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen
+ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjørnson ongetwijfeld voor een groot
+deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn
+behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil
+gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen
+en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjørnson
+gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als koeien, die
+iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen
+de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer
+de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan
+is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de
+tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan
+vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat
+hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het
+schellinkje, zeer gewaardeerd.
+
+Maar wanneer men het eerste gedeelte van _Det flager_ leest, waarin
+Bjørnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de
+gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze
+schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene
+situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het
+verlichtingswerk van Bjørnson niet noodig hebben, en die in vreemde
+litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het
+Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter
+als Bjørnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de
+schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van
+godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw
+ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven
+hiernamaals, terwijl dat plotseling anders wordt, zoodra Bjørnson ca.
+1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat
+het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop
+plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der
+orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders
+wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen
+kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een
+groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjørnson's poëzie
+duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat
+nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in
+aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in
+Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjørnson gehecht wordt. En
+dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het
+oordeel speelt de liefde eene rol,--en de liefde is naijverig.
+
+Jonas Lie (1833--1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede
+helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is,
+wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het
+Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de
+overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo
+stamt Lie in drie leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit
+het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook
+Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde
+Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder
+poëtischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van
+denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen
+heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur,
+die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden,
+in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur
+maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poëzie vinden ook in het
+dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zóó ver, dat
+hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om
+deze te objectiveeren.
+
+Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd
+voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die
+bij herhaling als poëtische motieven in zijn werken terugkeeren. Als
+zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in
+Tromsø, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die vóór hem
+in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht
+Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen
+een goede vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn
+poëtischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn
+leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen
+aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote
+handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de
+angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan.
+
+Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen
+te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg
+geïnteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit
+zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij
+de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd
+dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te
+vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van
+het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter
+geheel doet ontwaken, is zijn faillissement.
+
+Toen Lie zijne eerste vertelling _Den Fremsynte eller Billeder fra
+Nordland_ (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland)
+uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de
+litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op
+zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt hoofdzakelijk in den vorm van
+een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens
+zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het
+Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt ééne zijde
+van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke,
+zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst;
+zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke
+behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd
+hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in
+de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de
+alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en
+David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor
+hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar
+de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer
+hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij
+niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft
+geput, om het leven vol te houden.
+
+Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel
+romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als
+een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst
+belangrijk is, maar toch als een zieke, niet als een wezen van hooger
+orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaïschen mensch verborgen
+blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet
+in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk
+leven te kort schiet.
+
+De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het
+dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst
+opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van
+zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek
+daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins
+misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene
+zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met
+mythische wezens als _nøkken, draugen, tomtegubben_, en hoe zij meer
+mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn
+deze wezens poëtisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd
+met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken.
+Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die
+in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw
+hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen
+schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze
+teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden.
+
+Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op.
+Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf.
+Misschien heeft hij in _Den Fremsynte_ voor goed of voor langen tijd
+afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij
+zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed
+van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten
+_Dyre Rein_ (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is.
+Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in
+den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt
+zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het
+huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven.
+
+Met _Den Fremsynte_ had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt.
+Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost
+heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel
+achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker--niet in
+ieder--opzicht voorstudiën voor zijn latere meesterwerken. _Den
+Fremsynte_ was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte
+hij nog niet geheel, en vooral--hij had zich nog niet dien bijzonderen
+stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij schreef,
+zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie
+weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver
+van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne
+ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te
+schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een
+propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen
+van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren,
+waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode
+geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder
+zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn
+talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft
+ingenomen.
+
+De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met
+_Familien paa Gilje_ zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft
+hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn
+vooreerst zijn schipperromans _Tremasteren Fremtiden_ (1872), _Lodsen og
+hans Hustru_ (1874), _Rutland_ (1880), _Gaa Paa_ (1882). Deze sluiten in
+zooverre bij _Den Fremsynte_ aan, als zij schilderingen bevatten uit het
+leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter
+zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze
+boeken een gebeurtenis in de Noorsche litteratuur; er wordt een nieuw
+gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het
+onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen.
+Hij kent hen van kind af aan.
+
+Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling
+speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het
+zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het
+huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken,
+waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze
+periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd
+worden: _Thomas Ross_ (1878), _Adam Schrader_ (1879), _Livsslaven_
+(1883). Een eerste dramatische proeve is _Grabows Kat_ (1880). Een
+afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht
+_Faustina Strozzi_ (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan
+de geschiedenis (Italië's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de
+kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poëtisch werk niet
+van groote beteekenis.
+
+Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: _Familien paa Gilje_ (1883),
+_En Malstrøm_ (1884), _Otte Fortællinger_ (1885), _Kommandørens Døtre_
+(1886), _Et Samliv_ (1887), _Majsa Jons_ (1888), _Onde Magter_ (1890),
+_Trold_ (2 verzamelingen novellen 1891-2), _Niobe_ (1893), _Lystige
+Koner_ (1894), _Naar Sol gaat ned_ (1895), _Dyre Rein_ (1896),
+_Lindelin_ (1897), _Faste Forland_ (1899), _Wulffie & Comp_ (1900),
+_Naar Jernteppet falder_ (1901), _Ulfulgerne_ (1904).
+
+Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde
+motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering
+deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in
+vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den
+dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een
+nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde.
+
+Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen _(Lodsen og hans Hustru,
+Gaa paa_) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te
+kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een
+positie weet te verschaffen. In _Gaa paa_ is het een jonge man, die in
+armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder
+eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in
+den beginne en het besluit, het niet op te geven.
+
+_Thomas Ross_ vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad
+heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan
+het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het andere. Hij geraakt in
+bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een
+bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door
+een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot
+met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten.
+Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij
+gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de
+tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te
+houden.
+
+Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in _Faste
+Forland_, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van
+anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de
+ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde.
+Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist
+inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en
+hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden,
+maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste
+wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet
+bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn
+stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een
+badplaats om te scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel
+der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de
+financiëele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij
+aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een
+dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het
+badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een
+badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door
+zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn
+plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die
+hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij
+haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem
+geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te
+gemoet, en nu wordt Faste dichter.
+
+Het klinkt als een sprookje--en toch is het werkelijkheid. Ook de
+mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den
+bijstand van Thomasine.
+
+Het hoofdmotief van _Faste Forland_ is de mislukte onderneming en het
+faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een
+faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het
+hoofdmotief in _En Malstrøm_, en het neemt een gewichtige plaats in in
+_Et Samliv_ en in _Niobe_. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede
+de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer
+eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te
+schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van
+zeer verschillende zijden. In _Faste Forland_ is de slechte zakenman
+toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf
+niet gekend heeft; in _En Malstrøm_ en _Niobe_ ontmoeten wij twee
+variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van
+zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur),
+in _Et Samliv_ is het de familievader, die op het punt is, in den
+ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en
+kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom
+aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den
+genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door
+een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet
+ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld
+worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie
+is hier midden in de 'problemenpoëzie' geraakt; de vergelijking met
+anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in
+aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in de
+litteratuur in de mode; zoowel Bjørnson als Kielland hebben het
+behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze.
+Voor Kielland (in _Fortuna_) is het faillissement de onverantwoordelijke
+daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de
+schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen,
+valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets
+dan gemeenheid en laagheid. Er komen in _Fortuna_ prachtige bladzijden
+voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk
+geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders
+Bjørnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene
+maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk,
+dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen.
+Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is,
+maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of
+de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn
+gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is
+tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig
+samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den
+bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den
+man, noch de daad, maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft,
+kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zóó gaan moest, als
+het is gegaan.
+
+Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo
+groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij
+Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan één van zijn boeken zou
+men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een
+belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw.
+Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van één
+eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en
+hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun
+naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden,
+vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft
+hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste
+karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de
+liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven
+ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities
+zijn onder anderen Susanne in _Den Fremsynte_, Bera in _Faste Forland_,
+Ely Falk in _Adam Schrader_, Ellen in _Naar Jernteppet falder_. Op het
+juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te
+handhaven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij,
+die niet kan geven, wordt de egoïste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al
+deze typen heeft Lie geschilderd, zóó dat zij lijken.
+
+De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het
+grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat
+hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans
+den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (_Livsslaven_, waar
+de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie
+van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal
+dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het
+sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt.
+
+In _Lodsen og hans Hustru_ bestaat voor de verdenking eenige aanleiding,
+en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien
+jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in
+dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem
+niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste
+weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De
+omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar
+onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn gebrek aan
+vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in
+dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge
+mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man,
+die zóó lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal
+vallen, voortaan met parlement te regeeren. In _Adam Schrader_ is het
+conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt
+hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is
+een goed huisvader, maar prozaïsch; de vrouw is muzikaal; een vriend van
+den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied
+der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch,
+maar het karakter der vrouw is zóó oprecht en flink, dat aan haar deugd
+geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink
+de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek
+behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel
+van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden
+weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere
+wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij _Adam Schrader_ schreef.
+Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig
+is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in _Naar Sol
+gaar ned_. Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de
+vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man,
+een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij
+wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar
+het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn
+levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie.
+Maar de eer van zijn huis heeft hij gered.
+
+Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne
+alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans
+heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood.
+Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan.
+
+Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken _Naar
+Jernteppet falder_ in een der talrijke parallel loopende vertellingen
+van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een
+oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige
+lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel
+geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren
+wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan
+boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe
+kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis
+van het gemoed zijner vrouw. Wat gaat er in haar om? Wat verbergt zij
+voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag
+neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van
+angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is;
+wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt,
+gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het
+schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten
+geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag,
+wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een
+weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene
+rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent,
+zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell
+weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij
+bij haar was,--thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en
+met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu
+kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij
+tegenover haar uit, dat _zij_ het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De
+twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord
+daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt.
+De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopenbaard; het
+gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat
+waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte
+in een geheel modern kleed.
+
+Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts
+één tooneelstuk, _Lystige Koner_, is op dit motief opgebouwd. De
+behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt
+niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar
+plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis
+van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het
+er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal
+opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie
+het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg.
+
+Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter
+is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk
+de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij
+geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt.
+Zulke zijn: de Kaptein in _Familien paar Gilje_, Mads Foss in _En
+Malstrøm_, de directeur in _Onde Magter_. In zulke families vinden wij
+huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in _Familien paa
+Gilje_, misschien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de
+Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van
+gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden.
+
+Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de
+vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge
+geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de
+dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen
+eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan
+zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere
+beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna
+altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te
+keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van één van beide. Bij de
+jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat
+het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden
+een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk
+geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren,
+wanneer zij zwak zijn en toegeven. In _Rutland_ wil de jongen naar zee.
+De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil
+dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en
+verzoent zich later met den vader. Dit is het gunstigste verloop. In
+_Familien paa Gilje_ moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit
+de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in _En Malstrøm_ is het nog
+erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in
+_Kommandørens Døtre_, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het
+de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg
+staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in
+die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend,
+waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen
+drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn.
+
+Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses
+van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt
+niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen
+zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een
+gezin is dat van Dr. Baarwig in _Niobe_.
+
+De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp
+van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot
+hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen
+misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij
+zelf behoort tot de hoogere klasse, maar sedert zijn kindsheid heeft
+hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft
+hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een
+der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich
+onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is.
+Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principiëele
+vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen
+ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide,
+gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen
+heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de
+sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een
+schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in
+dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten _Livsslaven_, uit
+de eerste periode, en _Majsa Jons_, een van zijn rijpste werken.
+_Livsslaven_ is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode,
+die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en
+niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot
+misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die
+daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder
+wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer
+een--nog eenigszins sentimenteele--poging, om meegevoel met den
+onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der
+standen. Veel belangrijker is de historie van _Majsa Jons_, het
+naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen
+bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van
+familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij
+niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het
+onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in
+de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid,
+die zij uit de schipbreuk van haar leven redt.
+
+Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen
+zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene
+verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden,
+ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de
+vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot
+deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een
+fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het
+al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen
+zij één ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel,
+waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist.
+
+Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het
+familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine
+vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee
+bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in
+zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is.
+Zij doen het meest denken aan de spookhistoriën uit _Den Fremsynte_.
+Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele
+jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu
+ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire
+natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast
+elkaar staan stukken als _Moskenæsstrømmen_, waarin natuurkrachten
+gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt,
+_Bylgja_ en _Kværnkallen,_ die de mystieke indrukken schilderen, welke
+de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als _Hauk
+og Hadding_, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in
+den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm
+speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met
+name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch,
+onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort
+besproken roman _Dyre Rein_. Interessant is in dit licht ook de korte
+novelle _Østenfor Sol og vestenfor Maane_, waar tusschen de
+hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken
+voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en
+dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zóó, meent de dichter, is het ook
+onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar
+daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is
+noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die
+talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan
+egoïsme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die
+de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid--en
+moraal--proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan.
+
+Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor
+hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van
+den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn
+overige productie. Zijn tooneelstukken _Grabows Kat, Lystige Koner,
+Lindelin, Wulffie & Cie_, ofschoon niet van belang ontbloot, staan
+verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, _Faustina
+Strozzi_ en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie,
+maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren
+echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters
+persoon.
+
+Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen
+hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest,
+zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen,
+als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor
+en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke
+koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het
+gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student,
+nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere
+verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als
+advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien
+tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij
+reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine
+schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn
+werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken,
+_Novelletter_, dan romans, in één adem door (daartusschen enkele
+tooneelstukken): _Garman og Worse_ (1880), _Nye Novelletter_ (1880),
+_Arbeidsfolk_ (1881), _Else_ (1881), _Skipper Worse_ (1882), _To
+Novelletter fra Danmark_ (1882), _Gift_ (1883), _Fortuna_ (1884), _Sne_
+(1886), _Tre Par_ (blijspel 1886), _Bettys Formynder_ (blijspel 1887),
+_Sanct-Hansfest_ (1887), _Professoren_ (blijspel 1888), _Jacob_ (1891),
+eindelijk een bundel kleinere opstellen _Mennesker og Dyr_ (1892), een
+overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het
+voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan.
+
+Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat
+Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den
+inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En
+nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven
+had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig.
+Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen.
+Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij
+gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij.
+Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie
+was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel
+begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met
+een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En
+hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon.
+Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het
+publiek.
+
+Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat een modern dichter in 1880 te
+zeggen had,--kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine
+Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste
+kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet
+verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In
+Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen.
+En wat de poëten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen
+gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger.
+Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe
+verstand en den beweeglijken geest zich beëngd gevoeld hebben. Hij zoekt
+geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van
+Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij
+moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil
+het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen,
+en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak
+stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger.
+
+En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft
+hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche
+romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een
+schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is.
+
+In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat
+hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is
+moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de
+bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar
+gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om
+zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook
+waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den
+duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten.
+In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem
+dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn
+anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als
+onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele
+onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn
+boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer
+persoonlijk adres[19]. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en
+satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets
+dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen
+samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er
+de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in
+artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889)
+redacteur is[20]. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de
+overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij
+voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen
+neer.
+
+Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken
+sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den
+dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt.
+Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft
+Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet
+uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in
+zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar
+aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet
+plebeïsch, maar voornaam. Zóó is hij in staat, in _Garman og Worse_ een
+der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname
+familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil in de
+verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar
+vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in _Skipper Worse_
+diep door in het leven van de piëtistische secte der Haugianen. In
+andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten,
+dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet
+objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht
+van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal,
+suggestieve kracht,--en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in
+hooge mate. Boeken als _En Sankt-Hansaften_ en _Jacob_ kan men
+beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets
+van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen
+toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al
+deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten.
+En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het
+daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal
+die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds
+in vollen gang.
+
+In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende
+gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een
+verkorte weergave van hetgeen ik hierover in 'De Gids' van Mei 1897
+schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en
+directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn
+eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De
+intrigue van _Garman og Worse_ berust op de tegenstelling tusschen de
+deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche
+beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end".
+Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van
+dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door
+zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der
+firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in _Arbeidsfolk_,
+maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier
+ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen
+vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra
+verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het
+bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de
+vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband
+daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen?
+
+Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En
+hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad
+voert, werd in _Garman og Worse_ reeds aangeduid. In _Else_ zien wij
+het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot
+lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis
+door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de
+uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking
+grooter wordt.
+
+Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere
+generatie, en hij schrijft _Skipper Worse_. De vergelijking voert tot
+het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding
+beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen
+goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven
+uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon
+de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even
+degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd?
+Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die
+voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook
+de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld.
+Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie
+Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse
+nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote
+plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het
+zijn zij, wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de
+Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de
+verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt,
+verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in
+geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door
+lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden,
+wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht
+maken. Nog één geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan
+een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog
+maar in hardheid tegenover den arme.
+
+Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het
+vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij _Gift_ (Vergif) te
+danken. _Gift_ is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men
+kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft,
+de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar
+polemiek tegen het Latijn is slechts ééne zijde van het boek. De auteur
+verheft vóór alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt
+door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen
+van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het
+zelfstandig oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van
+ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige
+geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht
+slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft.
+
+De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de
+oorzaak, dat hij op _Gift_ twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste
+heet _Fortuna_. De schooljongen uit _Gift_, Abraham Løvdal, die bij zijn
+confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in
+levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is
+hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen
+maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en
+waarvoor hij, Abraham Løvdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn
+windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken,
+zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en
+assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer.
+Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die
+de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en
+vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien.
+
+Eene voortzetting van _Fortuna_ is _Sankt-Hans Fest_. Maar daartusschen
+ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. Naast
+de school werd in _Gift_ de kerk geschetst als een der machten, die de
+zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoïst
+maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen
+brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare
+dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op _Gift_ en
+_Fortuna_ volgt _Sne_.
+
+_Sne_ is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud
+en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der
+heiligen--de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden
+stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn
+preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de
+geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan
+bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en
+bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; _zijne_ hooge gedachten kan
+zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te
+zorgen valt. Daar zit hij--en wordt weerstaan door een jong meisje, dat
+van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de
+verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij--Johannes,
+die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der
+spotters niet is opgewassen, maar evenmin tegen den sterken wil van
+zijn vader, die Gabriële liefheeft en droomt van een verzoening tusschen
+het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Løvdal.
+Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook
+niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle
+reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets
+nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche
+stilheid, een rust als die des grafs.
+
+Dat is de gedachte, die _Sankt-Hans Fest_ beheerscht. Kielland laat hier
+de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren
+en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op:
+Abraham Løvdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit _Gift_ en
+_Fortuna_, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van
+schipper Worse, de jonge Garman, die aan _Garman og Worse_, de familie
+With, die aan _Else_ herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te
+gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag
+schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen
+Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren.
+De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen
+mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toegezegd,
+zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest
+bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en
+eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die
+zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de
+victualiën, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst
+van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden
+georganiseerd heeft.
+
+In _Sanct-Hans Fest_ is als het ware eene essentie van Kielland's
+sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn
+vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en
+geëxtraheerd tot een enkelen druppel. Het is het _mene tekel_ over eene
+leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan
+vreugde verloren heeft.
+
+In _Jacob_ wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de
+gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen
+indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in
+Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het
+streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in
+het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar
+het platteland. Maar in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is,
+ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het
+onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren
+gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval
+niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene
+verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een
+wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie
+vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen
+ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de
+schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij
+van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door
+langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer.
+
+_Jacob_ is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt
+Tørres Snørtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de
+eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren
+gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo
+heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom,
+en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal.
+Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te
+bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te
+zuigen. Hij maakt zich meester van al, wat in de stad te verdienen
+valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om
+zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien.
+Tørres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs
+een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder
+gekomen was--neen voorwaar, dat was hij niet!--hij was niet verder
+gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij
+zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht."
+
+Als Tørres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen
+met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te
+noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen.
+
+Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik
+hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Tørres.
+In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest.
+Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij
+bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de
+belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over.
+En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde
+het roer boven en de stroom beneden aan." En Tørres denkt er ook zoo
+over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle
+wijsheid van de wereld woog niet op tegen den kleinen katechismus, en
+dien kende hij--ha! ha! ha!--hij moest om zich zelf lachen.
+
+Daar had hij opgezien tegen Gustav Krøger en mijnheer Hamre en anderen,
+die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van
+rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren,
+en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen."
+
+Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte.
+Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn
+lans, en hij weet te treffen.
+
+Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de
+groep Lie--Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk
+heet _Farlige Folk_ (Gevaarlijke Menschen) (1881).
+
+Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die
+in 1882, dus slechts één jaar na Kielland, met haar eersten roman
+optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke
+problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de
+gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der
+menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden
+bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en
+daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij _Constance
+Ring_ (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen,
+samen eene familiegeschiedenis uitmakende: _Sjur Gabriel_ (1887), _To
+Venner_ (Twee Vrienden) (1887), _S.G. Myre_ (1890), _Afkom_
+(Nakomelingschap) (1898).
+
+In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog
+geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de
+aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de
+litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans
+Jæger opzicht met zijn roman _Fra Kristiania Bohemen_. Men kan dit boek
+rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een
+maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er
+wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije
+liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt,
+is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt,
+en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij
+aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die
+dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de
+schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat
+sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel
+mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk maakte van
+schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was,
+daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver
+heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor
+hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier
+heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met
+een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek
+daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de
+regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij
+legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf
+veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er
+werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele bohême-litteratuur.
+Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor
+was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben
+aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de
+zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan één kunstwerk
+gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband
+ontmoeten. Maar Jæger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot
+schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige
+schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met
+_Fra Kristiania Bohemen_. Hier is Jæger's roman misschien minder een
+voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook
+zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het
+aankomend individualisme.
+
+Hans Jæger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een
+zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben.
+Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook _Syk Kjærlighet_ (Zieke
+Liefde) van 1893. Zijn laatste boek _Anarkismens Bibel_ is van 1910. Hij
+behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in
+de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om
+hemelstormers te worden.
+
+Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven,
+ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch
+tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste
+werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest
+ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad
+hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden.
+Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats
+als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de
+werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren.
+
+Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jæderen, het
+achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk
+van zijn roman _Fred_ (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van
+het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk
+slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest.
+Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te
+breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken,
+maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid
+verschaft had, weder tot zich trokken.
+
+De jonge Garborg heeft het leven op Jæderen leeren voelen op eene
+exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader
+aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de piëtistische
+geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem
+bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en
+kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat
+hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze
+zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot
+deel van des dichters latere productie.
+
+Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een
+vroege en uitgebreide lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij
+schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan
+huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij
+pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met
+vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's
+'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen
+aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer,
+maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf.
+Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later
+ontving, van zijn pen geleefd.
+
+Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne
+meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een
+uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af,
+zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende,
+welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen
+wilde maken.
+
+De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet
+_Ein Fritenkjar_ (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel
+toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is
+nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van
+den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het
+religieuze denken, een der dingen, die in die jaren op het programma
+der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van
+kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te
+doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij
+ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man
+terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend
+predikant, die daarop bij zijne groeve--want de man overleeft dit
+weerzien niet--eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den
+schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een
+preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas
+twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had
+schuldig gemaakt.
+
+In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda
+voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het
+gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze
+weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef,
+was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van
+onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en
+spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En
+ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is
+in den zeer gebruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom
+gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te
+zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die
+hij 13 jaar later in _Trætte Mænd_ tweemaal maakt, waar hij twijfel
+oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden.
+Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der
+andere partij.
+
+Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg:
+_Bondestudentar_ (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste
+plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet
+meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die
+hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de
+schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de
+Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er
+hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij
+stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus
+naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een
+programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en
+geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen.
+
+Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke
+ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniël Braut, een
+boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere
+maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke
+mislukking van die poging. Wel brengt Daniël Braut zijne studie ten
+einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem
+steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen,
+door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden,
+in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan
+karakter in Daniël Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den
+strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te
+worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal
+afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis
+van Daniëls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar
+zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het
+zorgen voor den dag van morgen, immers:
+
+ "God geeft den zijnen kleeren en brood,
+ terwijl zij zachtelijk slapen."
+
+Daniël begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt,
+mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt
+een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de
+uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, dat
+de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de
+zijnen". "De zijnen",--dat zijn de burgemeester en de commissaris van
+politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij
+zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat
+wordt het ideaal van Daniël Braut. Daar er dus van den beginne af in
+Daniël geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit
+blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij
+misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij
+zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar.
+
+In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle
+rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze
+roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit
+Kristiania, die ten deele vóór zijn tijd liggen, maar die hij toch met
+een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten.
+Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die
+men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is
+dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven
+reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek'
+bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de
+dubbele beteekenis der figuur--als schepping van Garborg en tevens als
+den tijdelijken geestelijken helper van zoovele mannen, die in
+Noorwegen beteekenis gehad hebben--deelen wij een paar staaltjes uit een
+schooluur mee.
+
+"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen
+en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met
+de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het
+prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij.
+'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich
+ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?--och ja.
+Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen
+moesten klaarspelen--de oude zat maar te 'accompagneeren'--dan ging het
+mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den
+gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep
+zich met twee vingers vast in den neus en las _amo_ met een stem en een
+gezicht, dat de jongens het uitbrulden."
+
+Er wordt vertaald.
+
+"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder
+kwamen--er stond: _nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta
+regna reges defendant_--, toen zat hij vast, hij nam _tanta_ bij
+_regna_. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebø! Als
+je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student,
+en dan een varken, en je vond vlak daarop een mooie zijden parasol op
+den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en
+zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol
+verloren?--Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot
+je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij
+niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja
+zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het
+varken, neemt _tanta_ bij _regna_, omdat _regna_ het naast bij staat.
+Maar _tanta_ hoort bij _vi; quanta vi, tanta vi_, Halvor Mosebø!"--De
+jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen'
+niet licht.
+
+Daniël Braut is evenals Tørres Snørtevold in Kielland's _Jacob_ een
+boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het
+materiëele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen
+zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij
+behandeld zijn. Tørres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet.
+Daniël Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Tørres een
+caricatuur, terwijl het lot van Daniël Braut ons tragisch voorkomt.
+Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn
+natuurlijken kring had gelaten.
+
+In een paar volgende werken keert Garborg tot de problemenlitteratuur
+terug. Maar wat in _Bondestudentar_ gewonnen was, is niet verloren; het
+probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost,
+maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische
+schildering van een reeks levende personen.
+
+_Mannfolk_ (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie
+over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat
+groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is
+gezegd. Bjørnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak
+tendentiedrama _En Hanske_ (Een Handschoen), gevolgd door de brochure
+_Engifte og Mangegifte_ (Zij, die met één vrouw en die met vele vrouwen
+trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer
+zij verneemt, dat hij vóór haar eene andere heeft bemind. Bij het
+afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle
+oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de
+schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie
+ontstond. Men was vóór of tegen; in het openbaar meest vóór. Toen
+verscheen Hans Jæger's hierboven besproken boek en werd
+geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van
+Kristian Krogh _Albertine_; ook hiervan werden de exemplaren door de
+overheid opgehaald.
+
+Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van
+Bjørnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke
+korte vertelling _Ungdom_ (Jeugd) (1885); dan volgt _Mannfolk_, waarin
+de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen
+kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die
+het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het
+huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische
+eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen
+bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig
+ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjørnsonsche
+idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en
+levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch
+ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere
+geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven
+dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit.
+
+Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de
+hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de
+tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in
+het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan
+noch van de eene, noch van de andere afzien,--en zoo blijft hem dan
+niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man
+en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is
+hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne
+zuchten in poëtische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem
+ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er
+aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij
+van hèm zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen,
+dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij
+resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn".
+
+Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel
+is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de
+verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen,
+vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische
+toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele
+ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de
+beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een
+teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want
+deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniël
+Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.
+
+Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het
+verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid
+het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent
+daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere
+confiscatiën den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien
+maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver.
+Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer
+opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van _Mannfolk_
+schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.
+
+Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan
+een hut, aan het meer Savalen in het Østerdal, en weldra treedt hij in
+het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn
+bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te
+meer.
+
+Het verblijf op Kolbotten--zoo heet Garborg's woning in het
+Østerdal--heeft hij beschreven in een idyllisch boek, _Kolbottenbrev_
+(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven
+van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen
+uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie
+en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belangrijksten factor
+in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in
+het voorbijgaan _Hjaa ho Mor_ (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger
+van _Mannfolk_. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven,
+maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf
+geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat
+het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een
+pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt,
+kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een
+verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met
+vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt.
+Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit
+blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch
+met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden,
+dan toen het voor het eerst het licht zag.
+
+Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk
+_Uforsonlige_ (Onverzoenlijken). Het is geïnspireerd door politieke
+gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt.
+Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil,
+is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een
+partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de
+'onverzoenlijken' vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat
+het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere
+consideratiën'. Eén man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De
+meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en
+slaan dan om.
+
+Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man
+geworden.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 17: Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van
+27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjørnson op vrije voeten laten
+gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I,
+264).]
+
+[Footnote 18: Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij
+later nog eenmaal den redenaar Bjørnson als voorbeeld neemt, ditmaal
+voor zijn ideale figuur Dr. Stockman. Dit toont, dat
+Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds
+levende voorbeelden gebruikte.]
+
+[Footnote 19: De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de
+predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor
+iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in
+zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de
+zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.]
+
+[Footnote 20: Van zijn romans is er maar één (_Jacob_) geschreven na
+zijn werkzaamheid als redacteur.]
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN.
+
+
+Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die
+in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad.
+Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere
+landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls
+voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen,
+zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de
+problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieën
+herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor
+'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zóó kan het schijnen, wanneer men
+uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten
+vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de
+ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde
+lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te
+meenen, dat zij den nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als
+verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden,
+begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890
+debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was,
+blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond
+treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig.
+
+Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet
+tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat
+niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poëzie was slechts in
+weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit
+het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de
+dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van
+gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men
+kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men
+niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de
+grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen
+waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode
+blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen
+treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het,
+van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn uitgegaan, die
+nieuwe bezieling gebracht hebben.
+
+Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak
+tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De
+gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd
+kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De
+tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de
+tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand
+gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te
+putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de
+letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch
+proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het
+sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms
+meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium,
+dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle
+maatschappelijke ontwikkeling.
+
+Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element;
+zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is.
+Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering,
+stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie
+voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel
+duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere
+naturalisme plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn.
+Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en
+stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een
+zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt,
+om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze
+schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de
+gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men
+vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters
+van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jæger; wij vinden het
+terug bij Gabriël Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die
+alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming
+als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken;
+anderen slaan dit stadium over of maken het door vóór den tijd, waarin
+zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme
+voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan
+zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot
+god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te
+realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook,
+wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het
+schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar
+de schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan
+eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te
+deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven
+heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang
+bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren
+resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naïeve
+oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost
+gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor
+ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien.
+
+Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats
+de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in _Vildanden_
+is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,--een diep
+pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft,
+want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een
+pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die _En
+Folkefiende_ kenmerkt; de leer van _Vildanden_ is, dat het niet loont,
+voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het
+in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets
+nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant geworden in
+_Rosmersholm_ (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier
+nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het
+drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu
+onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke
+overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka
+wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij
+manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het
+leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn;
+slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op
+Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de
+mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven
+kost, is bijzaak, of liever--daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is
+andere taal dan die, welke Relling in _Vildanden_ voert. Het is de taal
+van den man met den paardenhoef in _Peer Gynt_, die zielen, welke zich
+verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere
+ingrediënten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt.
+
+In een gansch andere sfeer verplaatst ons _Fruen fra Havet_ (De Vrouw
+van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van
+minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een
+ideaal, maar ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida
+leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar
+vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met
+ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige
+behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik,
+wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar
+vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk
+verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door
+overwinning van het egoïsme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt,
+en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die
+een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het
+hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan.
+
+Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in _Lille Eyolf_
+(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet,
+nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid
+verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche
+verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van
+wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven,
+door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart
+en het opgeven van het egoïsme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid
+geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te
+worden'.
+
+Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poëzie.
+Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met
+het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida
+behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts
+incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld
+worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In
+de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en
+hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is
+zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt
+volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is
+wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft
+toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven,
+en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is
+een heerschzuchtig egoïst, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook
+een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het
+leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich
+herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den
+dienst opzeide, en het is de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij
+hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven
+inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij
+hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriël
+Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruïne over anderen
+gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht
+jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd,
+dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij
+wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen
+komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van
+Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van
+bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood
+heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is,
+stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag
+stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en
+hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn
+zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner
+ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten.
+
+Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in
+_Naar vi døde vaagner_ (Als wij dooden ontwaken) (1899). In
+tegenstelling met John Gabriël wordt Rubek zich den tweespalt in zijn
+leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en
+mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt
+zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm
+en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne
+geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te
+laten behouden, doen--te laat--een poging, om het verzuimde in te halen.
+Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een
+gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in
+een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien
+bestijgen, gaan zij samen onder.
+
+Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk
+voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk
+aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het
+zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele
+drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere
+schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen
+ook hier weer een voorganger geweest is.
+
+Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep
+heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich aan te
+ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze.
+Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriël Finne in 1899 op
+drieëndertig jarigen, Sigbjørn Obstfelder in 1900 op
+vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen
+leeftijd.
+
+Van deze drie toont Gabriël Finne het duidelijkst den samenhang met de
+vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest[21], maar
+hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige
+richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den
+vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de
+keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt,
+het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon
+is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het
+disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste
+oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de
+titel van zijn eersten bundel verhalen, _Unge Syndere_ (Jonge Zondaars),
+toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn
+standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de
+maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet
+mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie
+om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het
+cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij
+geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de
+wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar
+wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd
+uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan
+schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen
+lijden, en zóó is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven
+romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele
+personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte
+ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne
+bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood
+heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman _Rachel_, waarin de
+nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat
+Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm
+heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde.
+
+Finne's belangrijkste werken zijn: _Filosofen_ (1889), _Unge
+Syndere_(1890), _Doktor Wangs Børn_ (1890), _To Damer_ (1891), _Uglen_
+(De Uil) (1893), _Konny_ (een tooneelstuk) (1895), _Rachel_ (1895).
+
+Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist
+geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar
+hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt.
+
+Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjørn Obstfelder op de harde
+indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van
+de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats
+het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling
+plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond
+hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt
+niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne
+vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de
+eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in
+hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den
+dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de
+menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het
+dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is
+beurtelings pantheïstisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich
+soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft;
+deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan één vertelling ontmoet deze
+'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke
+of uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria
+onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit;
+Obstfelder weet haar zóó te schilderen, dat inderdaad de verworpene
+reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige
+overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de
+onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel
+der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem
+belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven
+gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale
+individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig
+voorbeeld leeren wij in _Korset_ (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont
+zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name
+Dostojewski.
+
+In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar
+daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende
+ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien.
+Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed
+geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet
+oud geworden is.
+
+Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat
+lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van
+zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook in het portret met den
+weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan
+eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Nærup siert.
+
+In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling
+met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug
+tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse--zelfanalyse--daalt
+veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht
+der periode, die achter hem ligt.
+
+De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: _Digte_ (1893), _To
+Novelletter, Korset, De røde Draaber_ (De roode Droppelen), _En Præsts
+Dagbog_. Van deze heeft _Korset_ het meest de aandacht getrokken.
+
+Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor
+genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen
+kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie
+boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te
+toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot
+een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, _Blandt
+Anarkister_, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij
+op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van de
+drie verhalen, die de beide volgende boeken (_Ira_ en _To Noveller_)
+bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een
+zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel
+ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (_En Ensom_);
+naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de
+psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element
+aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar
+ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het
+licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis.
+Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat
+hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden.
+
+Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt,
+eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst
+behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn
+gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn
+ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van
+dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het
+positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te
+zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener
+oude leer tot een gehoorzaam naprater eener nieuwe leer was geworden;
+het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij
+gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder
+hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de
+theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man
+was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu
+hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte,
+de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die
+beschreven wordt in _Trætte Mænd_ (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert
+de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is
+geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te
+schrijven, Gabriël Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een
+bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op
+genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een
+ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt
+hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood
+is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is.
+
+Maar Garborg is niet Gabriël Gram. Hij laat zich niet door een dominee
+op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van
+arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij
+geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, maar
+voor hem zelf is _Trætte Mænd_ een bad, waarin hij afwascht het
+negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom
+zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officiëele
+aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn
+oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en
+gelijk hij in _Trætte Mænd_ zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers
+onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de
+Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van
+redenen.
+
+Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's
+gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op,
+van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte,
+omdat hij geen vrede had met God. _Nu_ begrijpt hij hem; nu kan hij met
+liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij
+zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na _Trætte Mænd_, verscheen
+_Fred_ (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm
+van een roman wordt verteld. _Fred_ is een overweldigend boek. Nergens
+bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier.
+Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het
+primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking te
+geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter
+gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de
+razernij van den godsdienstwaanzin.
+
+Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd,
+dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom
+komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,--maar telkens komt de
+duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving
+hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige
+gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te
+krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God
+blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking
+het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt;
+dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot
+rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor;
+de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo
+groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren
+luisteren,--en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis,
+wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil
+doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in
+den geest, en,--twijfelt men, dan moet men slechts dat doen, wat het
+vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs
+en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen
+ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen
+loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te
+verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden.
+Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord.
+
+Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en
+dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo
+moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn.
+Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de
+oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om
+aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De
+schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts
+deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de
+vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,--niet aan Gods
+woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij
+heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och,
+kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat
+het niet erger kon worden!--De aanvallen van angst en twijfel nemen
+toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich
+verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als
+Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en
+nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds
+thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,--en toch niet alleen, want
+ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo
+wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten
+te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij
+ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele
+hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de
+troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk
+in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij
+hem; één onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong,
+en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek
+over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht
+en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...."
+
+Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit
+resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij.
+dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd
+wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in
+onzekerheid. Indien er één ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is
+het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het
+Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het
+Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van
+Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jæderen de macht gekregen
+had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel,
+maar gaf hun geen levend geloof.
+
+Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in
+tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op _Fred_ volgen. Twee
+daarvan sluiten onmiddellijk bij _Fred_ aan. Zij verhalen de
+geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar
+en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien
+hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk
+gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf.
+
+_Læraren_ (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit
+drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In
+beide staat één man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders
+zedelijk en verstandelijk, maar wordt uitgestooten, omdat hij de
+waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid
+van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal,
+dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld
+worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een
+ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin,
+bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave
+behoort tot de 'gewekten', de piëtisten, die bidstonden houden, die
+klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaäns is. Hij is zelfs hun
+voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op
+een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de
+quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens
+gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen
+van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den
+armen." Die preek is zóó frisch en zóó geestig, dat het moeite kost, er
+niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot.
+
+"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als
+wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen
+hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!--En noemen dan die
+leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon
+gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons.
+
+"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek
+daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal
+en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen
+komen, moeten met macht naar binnen dringen,--met heel hun heetsten wil.
+Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom
+noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch
+stelt, geeft ook de kracht."
+
+Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de
+schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat
+schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert
+haar naar buiten. Zij is van zich zelf."--Daarmee valt het gordijn van
+dit bedrijf.
+
+Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende
+gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun
+volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave
+leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders
+gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat
+wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend
+met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die
+vrienden van zonde en berouw, die hem een huichelaar noemen, en nu
+blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden.
+De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de
+schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt
+verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar
+man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen,
+ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het
+gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch
+goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te
+treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt.
+
+Een tweede stuk als _Læraren_ is zeker vroeger noch later ten tooneele
+gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een
+Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in
+voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling.
+Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest
+persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in
+die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin
+hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een
+spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge
+gedachten houden het ver boven het niveau ook der goede
+tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen
+uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin _Læraren_ speelt, is
+den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En
+wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de
+comische scènes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch
+geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is.
+
+Het andere werk, dat direct bij _Fred_ aansluit, is een boekje vol
+poëzie en vol wijsheid. _Den burtkomne Faderen_ (De verloren Vader). Het
+is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de
+wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies
+verloren te hebben, oud vóór den tijd, aan zich zelf en aan de
+menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om
+eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in
+hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint
+in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij
+heeft vrede gevonden met het leven--en met den dood.
+
+Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische
+oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van
+bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zachtheid. Gunnar houdt zich
+gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar
+niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en
+zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden."
+Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem
+iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En
+hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu
+in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel
+vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid.
+En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij."
+
+Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te
+begrijpen.
+
+Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren
+vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen.
+
+Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee
+dichtwerken, _Haugtussa_, en de voortzetting daarvan _I Helheim_.
+Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een
+visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels
+ophoudt; de dichter noemt haar Veslemøy, 'het stakkertje'. Het gedicht
+vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar
+in den steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen
+heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte
+en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze
+vrouw, die als _volva_ (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar
+dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven.
+
+In _I Helheim_ (In de Hel) gaat daarop Veslemøy in haar koortsigen droom
+met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar
+diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht
+heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur,
+maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn
+behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een
+psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad,
+dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten.
+Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen
+einde komt:
+
+ "Een oogenblik in dit vuur
+ is eeuwigheid zonder einde."
+
+Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap
+terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat
+van zijne kindsheid. Het is losgemaakt van leerstelligheid; de nadruk
+wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid.
+
+Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die
+een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog
+directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven;
+zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als
+stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij
+zóó hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook
+in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld
+_Jesus Messias_ (1906), _Den burtkomne Messias_ (1907), _Heimkomin Son_
+(1908).
+
+Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap
+geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan
+den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort:
+
+"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen
+katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen
+protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en
+wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het
+volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige
+troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed
+hebben, maar de rijke man zal branden, heeter dan heet, van eeuwigheid
+tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden--.
+
+"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat
+macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen,
+liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo
+ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?"
+
+Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een
+zedelijk opvoeder van zijn volk geweest.
+
+In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die
+in dezelfde periode optreden.
+
+Rasmus Løland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk
+zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een
+groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud,
+handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en
+vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het
+allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn
+kinderverhalen _Det store Nashorne_ (De groote Neushoorn) en
+_Kvitabjörnen_ (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg
+aan het begin van den na Løland's dood verschenen bundel _Paa
+Skuggesida_ (Aan den Schaduwkant).
+
+Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen (geb. 1857), Per Sivle (±
+1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen.
+
+Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende
+en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich
+door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een
+afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer
+hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In
+het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, _Menneskets Genesis_,
+is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn
+strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig
+leeft het geslacht van Kaïn nog.
+
+Heiberg's eerste tooneelstuk _Tante Ulrikke_ (1884) houdt zich bezig met
+den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos;
+hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept
+den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig
+karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich
+slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, _Kong Midas_ (1890), heeft
+Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later
+zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een
+waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten
+schijnen, bijna een groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft
+verwantschap met _Vildanden_, maar niet alleen het type, ook het stuk is
+gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering
+en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan
+Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering.
+Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van
+eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der
+achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach
+van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook
+het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog
+en houdt de belangstelling gaande. Op _Kong Midas_ volgden een aantal
+andere werken, waarvan wij noemen _Kunstnerne_ (1893), waarin de
+tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, _Det store
+Lod_ (1895), _Harald Svans Mor_ (1899). Een gansch ander karakter dragen
+een paar tragische stukken, _Balkonen_ (1894) en _Kærlighedens Tragedie_
+(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles
+verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van
+de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan
+de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem
+wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich
+van den mensch meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering
+is knap, de lezer huivert,--maar hij wenscht van zulk een liefde
+verschoond te blijven.
+
+Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar
+wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand
+meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige
+geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een
+stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te
+overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot
+klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat
+hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch,
+indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in
+pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem
+daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van
+nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem
+behoed hebben,--een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden
+trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een
+druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt
+zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op
+elkaar te zetten en te vroolijker te worden, naarmate hij het
+moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand
+moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet
+zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen.
+
+De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij
+nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In _Sult_ is het
+honger, in _Pan_ is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de
+heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In _Mysterier_
+hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van
+waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld,
+die van den heer Nagel--zoo heet de man--niet weten wil, nauwelijks
+ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van
+Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een
+zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als
+een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele
+maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand
+bestond reeds in _Fra det moderne Amerikas Aandsliv_, een persifflage,
+naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet
+objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij,
+zoo is in _Sult_ het 'ik' aanwezig. _Mysterier_ is de eerste poging, om
+die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar
+voortreffelijke maatschappelijke romans, _Redaktør Lynge_, waarin de
+verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers
+behandeld wordt, en _Ny Jord_, die een troep ijdele kunstenaars,
+voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige
+kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Bohême-leven,
+van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus,
+onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een
+achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een
+niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt
+hij weer in _Pan_, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken
+_Ved Rigets Port, Livets Spil_ en _Aftenrøde_ en in het wonderlijke
+gedicht in dramatischen vorm _Munken Vendt_ (1902). In latere werken
+komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar
+zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist
+Bardsen in _Børn af Tiden_ en in _Segelfoss By_, een aristocratisch
+voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en
+onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang,
+waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type,
+dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar
+toch reeds van den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver
+steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een
+litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (_Under
+Høststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glæde_) een
+nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze
+schrijft nu, gelijk in _Sult_, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu
+kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid
+is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een
+ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu
+aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat
+een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager
+te spreken, niet _alles_ van het leven te wachten, maar het toch met
+dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'.
+
+In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters
+subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de
+wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen
+beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn
+belangstelling niet onthoudt. Zóó is de wereld, vindt hij, en zóó is het
+leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de
+zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen.
+Drie van deze boeken, _Børn af Tiden, Segelfoss By, Markens Grøde_,
+behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver
+nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt
+hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten
+gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die
+weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen.
+In de plebeïsche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer
+van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In _Markens Grøde_
+echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder
+geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land
+bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en
+aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door
+toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die
+mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en
+weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt
+is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle
+vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel
+_Konerne ved Vandposten_.
+
+Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige
+andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar
+interessante bundels novellen (in één van deze het uitgelaten vroolijke
+stuk _Dronningen af Saba_). En dan het meesterwerk _Livet i Vold_,
+uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering.
+
+Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers
+van dit tijdvak,--hij is in 1853 geboren,--maar hij is betrekkelijk laat
+begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na
+1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen
+gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met
+oppositie tegen sommige theorieën uit het vorige tijdvak, en wel vooral
+tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die
+dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het
+verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk _Uten
+Ansvar_ (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht,
+maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den
+dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren.
+
+Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle.
+Zijn locaal is het Østerdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert
+1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in
+kleine bundels: _Skisser, Fra Skog og Fjeld_, e.a. Deze zijn verzameld
+onder den titel _Folkelivsbilleder_ (1904). Jongere verzamelingen zijn
+_Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier_. Tot hetzelfde type
+behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans:
+_Fonnaasfolket_ (1902), _Glomdalsbruden, Østerdalskongen_ (een breede
+uitwerking van een der Folkelivsbilleder), _Jutulskaret, Knut Veum_
+(1910, het laatste).
+
+Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur
+van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is
+dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde
+leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand
+komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen
+behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op
+polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer,
+zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van
+het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij,
+waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is,
+een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in
+die vertelling uit het Østerdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat
+het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en
+maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die
+in tamelijk behoeftige omstandigheden leeft. De man is begaafd en heeft
+aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende
+zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar
+hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan
+oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een
+carrière-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is
+niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt
+Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom
+toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is
+zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden,
+wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring
+blijft, behoeft dat niet gezegd te worden.
+
+Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre
+en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek;
+hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling
+van Bjørnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te
+zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd.
+
+Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn
+belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte vertellingen.
+Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van
+De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van
+gelijken aard: _Sidsel Sidserk_, _Sølve Solfeng_, en een paar jongere
+bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, _Storken,
+Høit Tilhest_ en _Hanen_, die door hun comische kracht aan Holberg
+herinneren.
+
+Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode
+begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren,
+Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb.
+1865).
+
+Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een
+lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het
+diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak.
+Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich
+openbarende in meer dan ééne generatie. Zijne opvatting der levensvragen
+draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken
+zijner eerste periode zijn: _Jon Græff_ 1891, _Ensomme Mennesker_ 1892,
+_Mulm_ 1893, _Kobberslangen_ 1894, _Ada Wilde_ 1896, _Ulf Ran_ 1897,
+_Enken_ 1899.
+
+Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door vertellingen uit het
+volksleven, _Folkelivsskildringer_, waarvan de eerste bundel in 1894
+uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: _Almue_ 1891, _En
+Skibsgut_ 1892, _Straf_ 1893, _Gammelholm_ 1899, alsmede comedies:
+_Stridsmænd_ 1896, _Jakob og Kristoffer_ 1900. Ook daarna heeft hij
+ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is
+van 1921 en draagt den titel _Inde i Fjordene_.
+
+Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite
+heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een
+origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen,
+veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen,
+waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan
+worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat.
+Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties,
+zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch
+niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet
+onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de
+dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan
+zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische
+juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite
+doet, ze door te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver
+heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te
+vernieuwen. In de jaren 1892--1900 gaf hij uit: _Huldren_ 1892, _Ungt
+Folk_ 1893, _Flaggermusvinger_ 1895, _Sus_ 1896, _Fra Hav til Hei_ 1897,
+_Hugormen_ 1898, _Trækfugle_ 1899. Van zijn latere werken is misschien
+het belangrijkste _Den sidste Gæst_ 1910.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 21: Aan Kielland heeft hij ook zijn roman _To Damer_
+opgedragen.]
+
+
+
+
+LYRISCHE DICHTERS.
+
+
+In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de
+litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al
+wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De
+romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien
+tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts
+aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de
+groote verskunstenaar, gaat na _Peer Gynt_ geheel tot het proza over; de
+romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste
+lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en
+daarmee zinkt de lyrische poëzie in een winterslaap, die met weinig
+onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren
+enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder
+vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte
+onderbreking door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en
+Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit _Med Lyre og Lanse_
+(Met Lier en Lans), in 1880 _Vaarbrud_ (Lentedoorbraak), de tweede in
+1880 _Polemiske Sonetter_. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk
+politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop
+zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de
+stemmingspoëzie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: _Digte af Per Gynt_, in
+1897 _Norsk Høifjeld_, in 1901 _Vintereventyr_.
+
+Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864),
+Caspari op dit gebied vóór geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887,
+nieuwe bundels volgden in 1894 _Fra Vaar til Høst_, 1896 _Musik og
+Vaar_, 1900 _Det dyre Brød_, 1904 _Fra Kristiana_. Uit deze verzen sprak
+een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te
+gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden.
+
+Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag,
+een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf,
+getiteld _Digte_ en _Nat_, waarin deels, onder den invloed van Deensche
+dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel
+Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op
+het drama en den roman toegelegd.
+
+
+
+
+UITGAVEN EN LITTERATUUR[22].
+
+
+ALGEMEENE WERKEN.
+
+Henrik Jæger, _Illustreret norsk Literaturhistorie_, 3 dln. Kristiania
+1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl Nærup,
+_Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904_, Kristiania
+1905.--Gehrard Gran, _Nordmænd i det 19de Aarhundrede_, 3 dln.
+Kristiania 1914. Houdt biographieën in van vooraanstaande mannen op
+ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als
+_Nordm. 19. A._)--_Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug._
+1915.--J.B. Halvorsen, _Norsk Forfatter-Lexicon._--Edv. Bull, A.
+Krogvig, G. Gran, _Norsk biografisk Leksikon._ Verschijnt sedert 1921.
+
+HOOFDSTUK I.
+
+_Henrik Wergeland_. Wergeland, _Udvalgte Skrifter_. Kristiania en
+Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl Nærup. In
+deel VII eene autobiographie, getiteld _Hasselnødder_.--O Skavlan,
+_Henrik Wergeland_, Kristiania 1892.--G. Gran, _Henrik Wergeland_ in
+_Nordm. 19. A._ dl. 1.
+
+_Johan Sebastian Welhaven_. Welhaven, _Samlede Digterværker_, 3e
+uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.--_Digte i Udvalg_, 1919.--A.
+Löchen, _J.S. Welhavens liv og skrifter_, Kria 1900.--G. Gran, _Joh. S.
+Welhaven_ in _Nordm. 19. A._ dl. 1.
+
+HOOFDSTUK II.
+
+_Asbjørnsen en Moe_. De verzamelingen zijn talrijke malen
+uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken
+titel _Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr_ (deel I:
+_Huldreeventyr og Folkesagn_, deel II: _Folkeeventyr_). Hiervan bestaat
+eene volksuitgave en eene geïllustreerde. Aanbeveling verdienen ook de
+kleinere geïllustreerde bundels: _Norske Folke- og Huldre-eventyr i
+Udvalg_; _Udvalgte Folkeeventyr_; _Eventyrbok for Børn_.--Moltke Moe,
+_Det nationale gjennembrud og dets mænd (Asbjørnsen, Moe, Aasen)_ in
+_Nordm. 19. A._ dl. 2 (zeer leerzaam).
+
+_Jørgen Moe_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Jubilæumsudgave.
+
+_Folkeviser_. M.B. Landstad, _Norske Folkeviser_, Christiania 1853,
+is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, _Gamle norske Folkeviser_,
+Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der _Norske Folkeviser_, door Knut
+Liestøl en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen.
+
+_J.S. Welhaven_. Zie bij Hoofdstuk I.
+
+_Bjørnstjerne Bjørnson_. Bjørnson, _Samlede Digterverker,
+Standardudgave_, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn
+afzonderlijk verkrijgbaar.--P.A. Rosenberg, _Bjørnstjerne Bjørnson_,
+1915.--G. Gran in _Nordm. 19. A._ dl. 3.--G. Brandes in _Det moderne
+Gjennembruds Mænd_, 2. uitg. 1891--R.C. Boer, _Bjørnstjerne Bjørnson_ in
+_De Gids_ (Nov. 1899). dez., _Laboremus_ in _De Gids_ (Aug. 1901).
+
+_Henrik Ibsen_. Ibsen, _Samlede Digterværker. Standardudgave_, 7
+dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk
+verkrijgbaar.--_Ibsens Episke Brand_, udg. af Karl Larsen 1907.--_Ibsens
+Efterladte Skrifter_, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de
+studie van den dichter.)--_Breve fra Henrik Ibsen_, 2 dln.
+1904.--Henrik Jæger, _Henrik Ibsen, Et literært Livsbillede._--G.
+Brandes, _Henrik Ibsen_ 1898.--Albert Dresdner, _Ibsen als Norweger und
+Europäer_.--John Paulsen. _Samliv med Ibsen_, 1906. _Ny Samling_
+1913.--Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding
+der reeds genoemde _Efterladte Skrifter_.--R.C. Boer, _Peer Gynt_ (_De
+Gids_ van Oct. 1893). dez., _Kleine Eyolf_ (_De Gids_ van Febr. 1895).
+dez., _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.;
+o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., _Ibsen's Epische
+Brand_ (_Onze Eeuw_, 1909), dez., _Ibsen's Nagelaten Werken_ (_Onze
+Eeuw_ 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (_Neophilologus_ 1919). Jacqueline
+E. van der Waals, _Brand en de brieven van Ibsen_ (_Onze Eeuw_, Mei
+1919).--Een uitvoerig commentaar op _Peer Gynt_ schreef H. Logeman (Den
+Haag 1917).
+
+HOOFDSTUK III.
+
+_Ivar Aasen_, _Skrifter i Samling_, 3 dln. Kria en Khvn.--Moltke
+Moe, _Det nationale gjennembrud og dets mænd_ (zie bij Hoofdstuk II).
+
+_Aasmund O. Vinje_. A.O. Vinje, _Skrifter i Utval_, utgjevne af Det
+norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).--_Dikt og prosaskrifter i
+utval_ ved Halvdan Koht Kria, 1903.--_Ferdaminni_ en _Storegut_ zijn
+herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske
+Samlaget.--Vetle Vislie, _Aasmund Vinje_, Bergen 1890.--Een kort werkje
+van denzelfde in de _Norske Folkeskrifter_ udgj. av Norigs Ungdomslag og
+Studentmaallaget no. 28.--Halvdan Koht, _A.O. Vinje_ in _Nordm. 19. A._
+dl. 3.
+
+_Landsmaal_. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het
+landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven
+tijdschrift _Syn og Segn_.
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+_Camilla Collett_, _Samlede Verker Mindeudgave_, 3 dln. Enkele
+boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.--Alf Collett, _Camilla Colletts
+Livs Historie_. 1911.--Lilly Heber, _Camilla Collett_, 1913.--Mathilde
+Schjøtt in _Nordm. 19. A._ dl. 1.
+
+_Ibsen en Bjørnson._. Zie bij Hoofdstuk II.
+
+_Jonas Lie_. J. Lie, _Samlede Digterverker, Standardudgave_, 10
+dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk
+verkrijgbaar.--Arne Garborg, _Jonas Lie, En Udviklingshistorie_, Kria
+1893.--Erik Lie, _Jonas Lies Oplevelser_, Kria en Khvn 1908.
+
+_Alexander L. Kielland_. A.L. Kielland, _Samlede Digterverker.
+Standardudgave_, 5 dln. Kria en Khvn 1920. _Breve_, met inleiding van G.
+Gran, 1907.--Brandes, _Essays, Fremmede Personligheder_, Khvn 1889, p.
+17.--R.C. Boer, _Alexander L. Kielland_ (_De Gids_, Mei 1897).
+
+_Kristian Elster_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria 1904.--_Brandes,
+Essays, Fremmede Personligheder_, p. 1,--A.L. Kielland in de uitgave van
+Elsters _Solskyer_.
+
+_Amalie Skram_. Hare romans zijn afzonderlijk
+verkrijgbaar.--_Samlede Skrifter_, uitverkocht.
+
+_Arne Garborg_. Arne Garborg, _Skrifter i samling.
+Jubilaeumsutgaave_, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.--Erik
+Lie, _Arne Garborg, En Livsskildring_, Kria 1914.--Zie ook de
+Garborg-aflevering van _Syn og Segn_ (Januari-Februari 1921).--R.C.
+Boer, _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.).
+
+HOOFDSTUK V.
+
+_Gabriel Finne_. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.--R.C.
+Boer. _Gabriel Finne_, (_De Gids_, Juli 1898).
+
+_Sigbjørn Obstfelder_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria en Khvn
+1917. De werken ook afzonderlijk.
+
+_Arne Garborg_. Zie bij Hoofdstuk IV.
+
+_Rasmus Løland_. Een biographische schets door Arne Garborg is
+hierboven bladz. 225 genoemd.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie
+vorige pag.).
+
+_Gunnar Heiberg_. _Samlede dramatische Verker_, 4 dln. Kria
+1917-1918.
+
+_Knut Hamsun_. _Samlede Verker_, 12 dln. Ook afzonderlijk.--John
+Landquist, _Knut Hamsun, En studie över en nordisk romantisk
+diktare_.--R.C. Boer. _Knut Hamsun_ (_De Gids_ November 1896), dez.,
+_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April
+1912), dez., _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.).
+
+_Jacob B. Bull_. _Folkelivsbilleder_, 4 dln., 3e uitg. 1919.
+_Folkelivsromaner_, 3 dln., 2e uitg. 1918--_Nutidsromaner_, 3 dln.
+1918.--_Historiske romaner_. 4 dln.--De meeste werken ook
+afzonderlijk.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.).
+
+_Hans Aanrud_, _Fortællinger_, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der
+uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.--R.C. Boer,
+_Reisherinneringen_ (zie vorige pagina).
+
+_Thomas Krag_, _Samlede Skrifter_, 9 dln. De werken ook
+afzonderlijk.
+
+_Hans E. Kinck_. Over zijn drama _Den sidste Gæst_ zie R.C. Boer,
+_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April
+1912).
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 22: Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer
+beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.]
+
+
+
+
+REGISTER VAN AUTEURS.
+
+Aanrud, H.
+Aasen, I.
+Arnim
+Asbjørnsen, P. Chr.
+Auerbach, B.
+Bjerregaard, H.A.
+Bjørnson, B.
+Brandes, G.
+Brentano
+Bugge, S
+Bull, J.B.
+Caspari, C.P.F.
+Collett, C.
+Dostojewski
+Drachmann, H.
+Dybfest, A.
+Egge, P.
+Elster, Kr.
+Faye, A.
+Finne, G.
+Fjørtoft, O.J.
+Garborg, A.
+Goldschmidt, M.
+Grimm, J. en W.
+Gran, G.
+Hamsun, K.
+Hansen, M.
+Heiberg, G.
+Heiberg, J.L.
+Heiberg, P.A.
+Heine, H.
+Herre, B.
+Hertz, H.
+Hielm, J.A.
+Holberg, L.
+Ibsen, H.
+Jacobsen, J.P.
+Jæger, Hans
+Jæger, Henrik
+Kielland, Al. L.
+Kinck, H.E.
+Knudsen, K.
+Krag, Th.
+Krag, V.
+Krogh, Kr.
+Landstad, M.B.
+Lie, J.
+Løland, R.
+Mill, Stuart
+Moe, J.
+Moe, M.
+Munch, A.
+Munch, J. Storm
+Munch, P.A.
+Novalis
+Nærup, C.
+Obstfelder, S.
+Randers, Kr.
+Runeberg, J.L.
+Sagen, Lyder
+Sars, E.
+Schjøtt, M.
+Schiller, Fr. von.
+Schultze, H.
+Schwach, C.N.
+Seip, D.A.
+Sivle, P.
+Skavlan, O.
+Skram, A.
+Snorri Sturlason
+Spencer, H.
+Tvedt, J.
+Vinje, A.
+Vislie, V.
+Vogt, N. Collett
+Welhaven, J.S.C.
+Wergeland, H.
+Øhlenschläger, A.G.
+Østgaard, N.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de
+Negentiende Eeuw, by R.C. Boer
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 13591 ***
diff --git a/13591-h/13591-h.htm b/13591-h/13591-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..a1362b0
--- /dev/null
+++ b/13591-h/13591-h.htm
@@ -0,0 +1,5478 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content=
+ "text/html; charset=UTF-8">
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of NOORWEGENS LETTERKUNDE IN DE NEGENTIENDE EEUW, by R.C. Boer.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ P { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ H1,H2,H3,H4,H5,H6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;
+ }
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ }
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */
+ .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */
+ .sidenote {width: 20%; margin-bottom: 1em; margin-top: 1em; padding-left: 1em; font-size: smaller; float: right; clear: right;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;}
+ .poem .caesura {vertical-align: -200%;}
+ .spaced {letter-spacing: 2px}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 13591 ***</div>
+
+<!-- Autogenerated TOC. Modify or delete as required. -->
+ <a href='#NOORWEGENS_LETTERKUNDE'><b>NOORWEGENS LETTERKUNDE</b></a><br />
+ <a href='#VOORBERICHT'><b>VOORBERICHT.</b></a><br />
+ <b>HOOFDSTUK I. Het ontwaken der nationale letterkunde</b><br />
+ <a href='#HOOFDSTUK_I'>1. <i>Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814</i>.</a><br />
+ <a href='#2_WergelandmdashWelhaven'><b>2. <i>Wergeland&mdash;Welhaven.</i></b></a><br />
+ <b>HOOFDSTUK II. Romantiek</b><br />
+ <a href='#HOOFDSTUK_II'>1. <i>De volksromantiek</i>.</a><br />
+ <a href='#2_De_historiseerende_Romantiek'><b>2. <i>De historiseerende Romantiek</i>.</b></a><br />
+ <a href='#3_Het_hooggespannen_Idealisme'><b>3. <i>Het hooggespannen Idealisme</i>.</b></a><br />
+ <a href='#HOOFDSTUK_III'><b>HOOFDSTUK III. De taalbeweging en de oudste schrijvers in landsmaal</b></a><br />
+ <a href='#HOOFDSTUK_IV'><b>HOOFDSTUK IV. Het realisme</b></a><br />
+ <a href='#HOOFDSTUK_V'><b>HOOFDSTUK V. Jongere richtingen en persoonlijkheden</b></a><br />
+ <a href='#LYRISCHE_DICHTERS'><b>LYRISCHE DICHTERS.</b></a><br />
+ <a href='#UITGAVEN_EN_LITTERATUUR'><b>UITGAVEN EN LITTERATUUR.</b></a><br />
+ <a href='#REGISTER_VAN_AUTEURS'><b>REGISTER VAN AUTEURS.</b></a><br />
+
+<!-- End Autogenerated TOC. -->
+
+
+
+<p>VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK</p>
+
+<p>onder redactie van de Vereeniging &quot;V.U.B.&quot;</p>
+
+<p>Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, <i>Voorzitter</i>; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM,
+Amsterdam, <i>Ondervoorzitter</i>; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM;
+Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J.
+BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY;
+Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS;
+Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR.
+J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, <i>Secretaris</i>.</p>
+
+<p>20</p>
+
+<p>HAARLEM</p>
+
+<p>DE ERVEN F. BOHN</p>
+
+<p>1922</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='NOORWEGENS_LETTERKUNDE'></a><h2>NOORWEGENS LETTERKUNDE<br />IN DE NEGENTIENDE EEUW</h2><a name='Page_2'></a>
+
+<p>DOOR<br />
+DR. R.C. BOER<br />
+Hoogleeraar te Amsterdam</p>
+
+<p>HAARLEM<br />
+DE ERVEN F. BOHN<br />
+1922</p>
+
+<a name='Page_3'></a>
+
+<a name='Page_5'></a>
+
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='VOORBERICHT'></a><h2>VOORBERICHT.</h2><a name='Page_6'></a>
+<br />
+
+<p>Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19<sup>e</sup> eeuw begint
+met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is
+slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de
+voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het
+chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt
+ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien,
+verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te
+buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te
+behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd
+op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode
+hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan
+allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering
+gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel v&oacute;&oacute;r 1900
+debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt,
+niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen<a name='Page_7'></a>
+eener&mdash;niet al te enge&mdash;keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die
+wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe
+plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen
+althans eenigszins tot hun recht komen.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='HOOFDSTUK_I'></a><h2><a name='Page_8'></a>HOOFDSTUK I.</h2>
+
+<p>HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE.</p>
+<br />
+
+<p>1. <i>Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814</i>.</p>
+
+<p>In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen
+aan eene diepe depressie ten prooi. E&eacute;n ding was er, dat met recht de
+geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat
+waren, in beslag nam&mdash;de inrichting van den nieuwen staat en van zijne
+organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene
+aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan
+voorbijgaande belangstelling aanspraak maken.</p>
+
+<p>De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de
+ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie
+had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen,
+en de omstan<a name='Page_9'></a>digheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen
+ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land
+nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en
+wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch
+van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als
+offici&euml;ele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide
+landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was
+verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in
+sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het
+accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop
+der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd,
+dat er geen sprake meer was van twee&euml;rlei bevolking. Het was trouwens
+een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name
+het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen
+overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper
+geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn.</p>
+
+<p>Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen
+stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde
+dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis
+had. Voor de plattelands<a name='Page_10'></a>bevolking beteekende dit een ophouden van het
+litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten,
+bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale
+sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen
+voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop
+der 19<sup>e</sup> eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten
+opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg
+nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het
+voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst,
+accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan
+vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben
+meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken
+zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan.</p>
+
+<p>Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene
+eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde
+deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken
+werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal
+geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te
+onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder
+mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet
+gebruikelijk waren; dit waren <a name='Page_11'></a>provincialismen, die toch niet aan de
+taal een zeer bijzonder karakter gaven<a name='FNanchor_1_1'></a><a href='#Footnote_1_1'><sup>[1]</sup></a>.</p>
+
+<p>Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der
+Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won
+Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de
+minder ontwikkelde volksklasse,&mdash;een samenhang, die in dien tijd toch
+niet heel veel kon beteekenen&mdash;, trad een samenhang met Denemarken, dat
+geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de
+algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale
+tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld
+werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien
+bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet
+slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te
+laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche
+kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der
+periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De
+grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen
+afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18<sup>e</sup> eeuw zijn
+er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden. </p><a name='Page_12'></a>
+
+<p>De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt.
+Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het
+beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou
+geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien
+er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin
+nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een
+klein land geen geringe beteekenis.</p>
+
+<p>Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met
+Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het
+was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de
+wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land
+is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel
+schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats,
+die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam,
+het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw
+volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te
+volbrengen.</p>
+
+<p>De krachten van het nieuwe volk worden <a name='Page_13'></a>in de eerste plaats besteed aan
+het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet
+later volgen. V&oacute;&oacute;r alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en
+bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar
+veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische
+neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet
+denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden.
+Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen
+staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en
+voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote
+machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog
+hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat
+oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men
+koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust,
+dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat
+het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de
+ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot
+ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te
+scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt,
+draagt het stempel van deze armoede. Het zijn <a name='Page_14'></a>&ograve;f herhalingen der po&euml;zie
+van de achttiende eeuw, &ograve;f bombastische loftuitingen op het Noorsche
+volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder
+Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn
+alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van
+vreemde voorbeelden, Schiller, &Oslash;hlenschl&auml;ger, de Duitsche romantici;
+iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee
+verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als
+nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den
+titel <i>Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815</i>. Ongeveer al, wat zich in
+Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee
+bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat &quot;ook tusschen
+Noorwegens klippen bloemen groeien&quot;. Maar onder die twintig is er niet
+&eacute;&eacute;n, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_1_1'></a><a href='#FNanchor_1_1'>[1]</a><div class='note'><p> Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in
+Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje <i>Dansk og
+Norsk i Norge i eldre Tider</i>, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden
+schrijver <i>Norsk Sproghistorie</i> (1920).</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='2_WergelandmdashWelhaven'></a><h2>2. <i>Wergeland&mdash;Welhaven.</i></h2>
+<br />
+
+<p>Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel
+met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als
+met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en
+land&mdash;maar toch vooral de stad&mdash;met rumoer. Het is treffend, dat wij bij
+deze eerste vlucht omhoog, die de <a name='Page_15'></a>nieuwe Noorsche litteratuur maakt,
+een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven
+toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook
+later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met
+hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen
+nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale
+gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en
+aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en
+een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den
+algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den
+moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland&mdash;Welhaven.</p>
+
+<p>Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet
+meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene
+productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal
+jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn
+jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot
+stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch
+predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van
+1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de
+herinnering aan dat jaar hoog <a name='Page_16'></a>gehouden werd, en dit milieu heeft een
+stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd
+kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige
+vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige,
+opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg
+onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen,
+maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de
+theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in
+kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het
+rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later,
+bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant
+aan de actieve politiek deelgenomen.</p>
+
+<p>Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke
+werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op
+een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld <i>Skabelsen, Mennesket og
+Messias</i> (De schepping, de mensch en de Messias).</p>
+
+<p>Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet z&oacute;&oacute; te verstaan,
+dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof
+had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die
+van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van <a name='Page_17'></a>meer
+dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te
+schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript
+van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met
+de volgende vellen.</p>
+
+<p>Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en
+wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van
+dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het
+formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn
+persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont.</p>
+
+<p>De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene
+allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche
+overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol.
+Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar,
+komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange
+ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer
+nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van
+dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd
+van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de
+dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke
+een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter
+telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. <a name='Page_18'></a>De revolutie is
+daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom
+ook door den dichter een &quot;bijbel der republikeinen&quot; genoemd.</p>
+
+<p>Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te
+onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent,
+en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de
+menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet
+bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken.
+Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een
+gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de
+gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit
+iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de
+lezers&mdash;Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen&mdash;, maar de heftige
+toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele
+vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het
+gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het
+tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd
+over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum.</p>
+
+<p>Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft <i>Skabelsen,
+Mennesket og Messias</i>, gelijk de geheele productie van Wergeland,
+<a name='Page_19'></a>groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust
+der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze
+beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander
+verdringen, in den regel z&oacute;&oacute; snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt,
+maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te
+zeggen heeft,&mdash;soms echter ook z&oacute;&oacute; veel, dat hij valt over zijn woorden.
+Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte
+gevoeld werd.</p>
+
+<p>In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een
+groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm
+(o.a. <i>Papeg&oslash;ien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle,
+Barnemordersken</i> e.a.), vertellingen in verzen (<i>Jan van Huysums
+Blomsterstykke, Den engelske Lods</i>), verhandelingen over politiek,
+geschiedenis (<i>Norges Konstitutions Historie</i>), moraal, taalhervorming
+en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij
+ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men
+thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn
+beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook
+in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor
+algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van
+vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de
+emancipatie der Joden. Het werk <a name='Page_20'></a>voor verlichting hangt samen met de
+houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand
+aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren
+geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was
+een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij
+te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te
+nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon,
+heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der
+impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld
+aannam van Carl Johan,&mdash;inderdaad een inconsequente handelwijze voor den
+dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op &quot;tyrannen&quot;
+af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld,
+en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs
+verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld
+als een nationaal verlies.</p>
+
+<p>Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf
+aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode
+Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene
+aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en
+de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne <a name='Page_21'></a>moeder was een nicht van den
+Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L.
+Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave
+gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge
+menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche
+patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte
+zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten
+van den Noorweegschen &quot;odelsbonde&quot; (d.i. de boer, die bezitter van zijn
+goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op
+wat Deensch was. In de politiek was Zweden de b&ecirc;te noire geworden; in
+zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken.</p>
+
+<p>Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of
+voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts
+in straatoploopen en andere luidruchtige manifestati&euml;n. De aanvoerder
+van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu
+ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen.
+Het verschijnen van <i>Skabelsen, Mennesket og Messias</i> deed den emmer
+overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze
+Wergeland zijn &quot;razen tegen het verstand&quot; verweet. Een heftige
+pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epi<a name='Page_22'></a>grammen.
+Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe
+heftigheid voortgezet.</p>
+
+<p>Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend
+resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur
+het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor
+hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de
+representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in
+plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen
+van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand
+gekomen, dat <i>Norges D&aelig;mring</i> (De Schemering van Noorwegen) heet.</p>
+
+<p>Een grooter tegenstelling dan die tusschen <i>Skabelsen</i>, <i>Mennesket og
+Messias</i> en <i>Norges D&aelig;mring</i>, laat zich niet denken. In <i>Norges D&aelig;mring</i>
+voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig
+van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76
+sonnetten; de vorm is meesterlijk.</p>
+
+<p>Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang
+herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen
+krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke
+de patriotten gewend waren te geven. Groot en <a name='Page_23'></a>sterk is het land,
+krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar
+tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk
+gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de
+schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg
+voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen
+vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte
+de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen,
+Trondhjem;&mdash;nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij
+wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die
+groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En
+welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om
+vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen
+geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om
+tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor
+krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke
+vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des
+geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze
+gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich
+alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal
+daad zal worden, wat nu <a name='Page_24'></a>woorden zijn, zoekt de dichter troost<a name='FNanchor_2_2'></a><a href='#Footnote_2_2'><sup>[2]</sup></a>.
+Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der
+voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar
+waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord;<br /></span>
+<span>hvad Norge var, det maa han engang vorde<br /></span>
+<span>paa Land, paa B&oslash;lge og i Folkerang.&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<div class='blkquot'><p>(Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet
+ het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der
+ volken). </p></div>
+
+<p><i>Norges D&aelig;mring</i> is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe
+bijgedragen, Noorwegen <i>i folkerang</i> te doen worden, wat het eenmaal
+was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de
+massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg
+ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij
+ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door
+een troep gemeen afgeranseld.</p>
+
+<p><a name='Page_25'></a>Een daad was <i>Norges D&aelig;mring</i> niet minder in de litteratuur. Hier werkt
+die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren,
+klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodie&euml;n te laten
+hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank.</p>
+
+<p>Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en
+Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de
+uitvoerigste &quot;Literaturhistorie&quot; van Noorwegen van Henrik J&aelig;ger kan men
+het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de
+groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En
+ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen
+in de 19<sup>e</sup> eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden
+nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de
+kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt,
+is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is
+het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur
+evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het
+sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de
+latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen
+zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie
+van Wergeland, en ook zijn behoefte, <a name='Page_26'></a>om aanvoerder van eene massa te
+zijn, vinden wij terug bij Bj&oslash;rnson; het scherpe verstand, de vlijmende
+spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven
+keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bj&oslash;rnson ook in zijn patriottische
+zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van
+grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met
+gelijke trekken bij Welhaven.</p>
+
+<p>Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor
+Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der
+eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn
+verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming<a name='FNanchor_3_3'></a><a href='#Footnote_3_3'><sup>[3]</sup></a>, en de practijk
+tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als
+die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het
+verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de
+gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich
+zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken,
+wanneer zij maar half af waren.</p>
+
+<p>Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door
+verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij
+<a name='Page_27'></a>vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij
+had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt
+werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van
+zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende
+eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe
+gedachtenstroomingen.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_2_2'></a><a href='#FNanchor_2_2'>[2]</a><div class='note'><p>
+</p><p>
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad,<br /></span>
+<span>hvad nu er taust skal finde starke Munde<br /></span>
+<span>i Thingets Sale og i Templets Buer;<br /></span>
+<span>hvad nu er Larm skal blive vise raad,<br /></span>
+<span>og vis'ne ho'der byttes om med sunde&mdash;<br /></span>
+<span>hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer!<br /></span>
+</div></div>
+</div>
+
+<a name='Footnote_3_3'></a><a href='#FNanchor_3_3'>[3]</a><div class='note'><p> <i>Om norsk sprogreformation</i>. Een voorganger had Wergeland
+hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='HOOFDSTUK_II'></a><h2><a name='Page_28'></a>HOOFDSTUK II.</h2>
+
+<p>ROMANTIEK.</p>
+<br />
+
+<p>1. <i>De volksromantiek</i>.</p>
+<br />
+
+<p>Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche po&euml;zie eene bloeiperiode aan.
+Het is de romantiek, die haar intocht houdt<a name='FNanchor_4_4'></a><a href='#Footnote_4_4'><sup>[4]</sup></a>. De vorige periode leefde
+in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der
+Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar
+een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong
+niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in
+het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er
+reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te
+regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe
+onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de
+toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De
+romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur,
+en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen
+machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen,
+juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een
+frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik
+v&oacute;&oacute;r alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij
+op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de
+krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder
+de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk
+ge&iuml;mporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden
+de hekken van het patriottisme verhangen. </p><a name='Page_29'></a>
+
+<p>De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen
+zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was
+en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede
+helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland
+gekomen, waar men de zaak grondig <a name='Page_30'></a>had opgevat. Herder was begonnen met
+studi&euml;n over volkspo&euml;zie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven,
+om &ograve;f de stof te gebruiken in eigen gedichten, &ograve;f den toon van het
+volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet
+de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op
+getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und
+Hausm&auml;rchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn).
+In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de
+meest bekende dichter van den tijd, &Oslash;hlenschl&auml;ger, zich van deze stoffen
+meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu
+is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide
+richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van
+stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de
+getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste
+werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone
+bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht
+hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste
+beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C.
+Asbj&oslash;rnsen en J&oslash;rgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich
+als eerste uitgever van volkspo&euml;zie M.B. Landstad aan.</p>
+
+<p><a name='Page_31'></a>Asbj&oslash;rnsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de
+stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen
+zouden geven<a name='FNanchor_5_5'></a><a href='#Footnote_5_5'><sup>[5]</sup></a>. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De
+overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van
+teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet
+alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat
+dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm
+bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot
+zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de
+bijzondere wijze van uitdrukking de po&euml;zie dezer vertellingen gelegen
+was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden
+uitgegeven in de offici&euml;ele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en
+uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon,
+zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun
+z&oacute;&oacute; goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die
+tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen
+gelezen worden, hebben zij ook <a name='Page_32'></a>een zeer grooten invloed gehad op de
+ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het
+Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van
+deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de
+latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed
+van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer
+Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens
+nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die
+boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van
+voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe,
+den zoon van J&oslash;rgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is
+voortgegaan.</p>
+
+<p>De <i>Norske Folkeeventyr</i> (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841
+verschenen<a name='FNanchor_6_6'></a><a href='#Footnote_6_6'><sup>[6]</sup></a>, behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche
+letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan,
+grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen z&oacute;&oacute;
+eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan
+in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting
+mee<a name='Page_33'></a>deelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het
+bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een
+geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme
+litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote
+dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het
+werk tot op dezen dag niets verloren.</p>
+
+<p>Een eenigszins ander karakter dan de <i>Folkeeventyr</i> dragen twee andere
+verzamelingen van Asbj&oslash;rnsen, <i>Norske Huldreeventyr og Folkesagn</i> (N.
+Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven.
+Asbj&oslash;rnsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van
+romantiek tot realisme. Ofschoon het woord &quot;eventyr&quot;<a name='FNanchor_7_7'></a><a href='#Footnote_7_7'><sup>[7]</sup></a> in den titel
+voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen
+omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbj&oslash;rnsen
+legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan,
+en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog
+geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die
+een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van
+zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote
+plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn
+vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de
+natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de
+Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen&mdash;Oostlandsch&mdash;dialect. Het
+werk van Asbj&oslash;rnsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het
+volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst
+gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel
+<i>Plankek&oslash;rerne</i> (De Plankenvoerlui) draagt.</p>
+
+<p><a name='Page_34'></a>Asbj&oslash;rnsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar
+duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter
+karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr
+og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbj&oslash;rnsen aan zijn zegslieden
+het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire,
+ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi
+gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek
+heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De
+Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan
+ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij.</p>
+
+<p><a name='Page_35'></a>In 1853 gaf Landstad uit <i>Norske Folkeviser</i>. Daarop volgde in 1858 een
+kortere verzameling van Sophus Bugge: <i>Gamle norske Folkeviser</i><a name='FNanchor_8_8'></a><a href='#Footnote_8_8'><sup>[8]</sup></a>. Deze
+boeken zijn niet z&oacute;&oacute; algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes
+van Asbj&oslash;rnsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd<a name='FNanchor_9_9'></a><a href='#Footnote_9_9'><sup>[9]</sup></a>.
+Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door
+weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten
+konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden
+opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal
+ge&auml;rcha&iuml;seerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen
+toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te
+verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds
+voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is
+veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de
+opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de
+sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen
+staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een
+veel vroegere periode (de 16<sup>e</sup> eeuw) zijn opgeschreven.</p>
+
+<p><a name='Page_36'></a>Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad,
+niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de
+gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters
+hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de po&euml;zie in hooge
+mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads
+uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen.</p>
+
+<p>Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de
+eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden.
+Na de d&aelig;mringsfeide<a name='FNanchor_10_10'></a><a href='#Footnote_10_10'><sup>[10]</sup></a> zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel
+<i>Digte</i> uit. Later verschenen <i>Nyere Digte</i> 1845, <i>Halvhundrede Digte</i>
+1848, <i>Digte</i> 1851, <i>Digte</i> 1860, eindelijk nog <i>Sidste Digte</i> (van 1860
+tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste
+helft der eeuw heeft voortgebracht.</p>
+
+<p>De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch
+ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud
+naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar
+naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw
+element bij.</p>
+
+<p><a name='Page_37'></a>Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun
+gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige
+periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd
+en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt
+lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat <i>Vidar</i>. <i>Vidar</i>
+is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het
+einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. <i>Vidar</i> was ook de
+naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte
+van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het
+monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft.</p>
+
+<p>De gedichten <i>Sisyphos, Glaukos, Goliath, M&oslash;kkurkalv, Nehemias</i> (1839),
+<i>Tantalos, Protesilaos, Kalchas</i> (1845), <i>Herakles, Ganymedes,
+Philoktetes</i> (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het
+voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben
+verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van
+eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de
+wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een
+merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang,
+nadat hij in <i>Et Dukkehjem</i> en <i>Gengangerne</i> met de publieke opinie
+slaags was geweest. Eerst komt <a name='Page_38'></a>een uiting van lust om den strijd voort
+te zetten in <i>En Folkefiende</i>, dan de ontmoedigde verklaring, dat de
+man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in
+<i>Vildanden</i><a name='FNanchor_11_11'></a><a href='#Footnote_11_11'><sup>[11]</sup></a>.</p>
+
+<p>Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks
+vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de
+liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid.
+Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat
+hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven
+liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel
+woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de
+universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf
+zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen
+samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig,
+heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die
+der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten
+samen met die der mythologische gedichten. Ook hier <a name='Page_39'></a>bestaat een
+merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding
+voor het leven ontvangt,</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;naar l&oslash;st fra l&aelig;ngsler og fra vild beg&aelig;r<br /></span>
+<span>den flyer til mindets aandehjem befriet&quot;<a name='FNanchor_12_12'></a><a href='#Footnote_12_12'><sup>[12]</sup></a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>(K&aelig;rl. Komedie, V&aelig;rker II, 261).</p>
+
+<p>Vergelijk daarmee Welhaven's verzen:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Hver en Fryd maa trylles om<br /></span>
+<span>til et Savn, som Sj&aelig;len freder;<br /></span>
+<span>Mindet kun et Held bereder,<br /></span>
+<span>der er Livets Eiendom&quot;<a name='FNanchor_13_13'></a><a href='#Footnote_13_13'><sup>[13]</sup></a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>(Digte 1845. V&aelig;rker II, 234).</p>
+
+<p>Voornaam is deze po&euml;zie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde
+heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen
+hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar
+persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij
+als schoon gevormde gedachte tot den lezer.</p>
+
+<p>Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische
+beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan <a name='Page_40'></a>deze
+beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij
+Welhaven's natuurpo&euml;zie te danken. De romantische vlucht van de stad en
+de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar
+ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze
+dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof.
+Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, n&oslash;kken,
+nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbj&oslash;rnsen ze deed, hun
+intree in de kunstpo&euml;zie. Welhaven heeft in dit genre veel
+natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En
+ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden
+was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was.
+Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan
+de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want
+zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers
+wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer
+genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische po&euml;zie van een
+dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn
+tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook
+nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden
+bron van po&euml;zie een <a name='Page_41'></a>rijke was, die in de behoefte van meer dan &eacute;&eacute;n
+geslacht kon voorzien.</p>
+
+<p>Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad,
+in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden.
+Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige
+generatie.</p>
+
+<p>Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich
+verwijderen van het realisme waarnemen. <i>Norges D&aelig;mring</i> is te gelijk
+idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des
+dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor
+zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn
+pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in
+bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn
+troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het
+leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart
+zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee
+richtingen. Voor de eene&mdash;en dit is de richting der
+huldre-romantiek&mdash;bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,&mdash;ook
+Asbj&oslash;rnsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze
+gehuldigd,&mdash;voor de andere zijn de ware objecten voor onze
+belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen,
+en deze richting loopt <a name='Page_42'></a>uit op menschenstudie en zoodoende op realisme
+in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbj&oslash;rnsen in enkele stukken
+gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in
+de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt
+voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbj&oslash;rnsen's
+realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot
+doorbraak komen.</p>
+
+<p>Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten
+van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van
+verschil. Welhaven heeft zich ook sterk ge&iuml;nteresseerd voor de
+verzamelingen van Asbj&oslash;rnsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de
+behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn
+behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van
+populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche
+letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche
+Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van
+de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een
+stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de
+geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid
+vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch.</p>
+
+<p>In 1840 werd Welhaven lector,&mdash;later (1846) <a name='Page_43'></a>professor in de
+philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het
+vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft
+nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het
+jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus
+is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan
+historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een
+duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan
+van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn.
+Hij stierf in 1873.</p>
+
+<p>Ook J&oslash;rgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen,
+is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de
+natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door
+eenvoud en religieusiteit.</p>
+
+<p>Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook
+melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in
+verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters
+der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot
+de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's <i>En J&aelig;gers
+Erindringer</i>, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der
+schilderingen van het volks<a name='Page_44'></a>leven behoort &Oslash;stgaard's <i>En Fjeldbygd</i>. Het
+boek staat onder den invloed van Asbj&oslash;rnsen's vertellingen, maar hij
+miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene
+zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van
+talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet
+hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan
+twijfelen, of het boek wel tot de po&euml;tische litteratuur gerekend kan
+worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbj&oslash;rnsen
+las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het
+denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van
+eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling.</p>
+
+<p>Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen
+schreef, samen uitgegeven onder den titel <i>Fra Lofoten og Sol&oslash;r</i>,
+interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake
+is,&mdash;Sol&oslash;r ligt in het binnenland&mdash;de bewoners der eilanden hun eerste
+intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger
+van Jonas Lie.</p>
+
+<p>Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bj&oslash;rnson's
+boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in.</p>
+
+<p>Bj&oslash;rnstjerne Bj&oslash;rnson is in 1832 geboren als <a name='Page_45'></a>zoon van een
+dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te
+zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania,
+waar hij een tijd lang Heltberg's &quot;studentenfabriek&quot; bezocht&mdash;zie
+hierover meer in Hoofdstuk IV&mdash;en in 1852 student werd. Reeds te voren
+had hij een&mdash;onrijp&mdash;tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij
+regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856
+bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe
+Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier
+dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het
+eene is <i>Mellem Slagene</i>, dat in een ander verband besproken wordt; het
+andere is <i>Synn&oslash;ve Solbakken</i>, de eerste zijner boerenvertellingen.</p>
+
+<p>Men kan zeggen, dat Bj&oslash;rnson's novellen eene periode openen, en dat zij
+er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze
+beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling,
+die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de
+voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De
+sprookjes van Asbj&oslash;rnsen en Moe zijn rijk aan po&euml;zie, maar toch niet in
+de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct
+van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van <a name='Page_46'></a>&Oslash;stgaard
+was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door
+menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bj&oslash;rnson vereenigde
+een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot
+vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst
+kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel
+uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten
+opgang maakten.</p>
+
+<p>Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke
+zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste
+gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te
+vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt
+met Vinje's kritiek op Bj&oslash;rnson's volgende vertelling <i>Arne</i>, die later
+zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van
+boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bj&oslash;rnson, en die den
+schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede
+stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers
+met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bj&oslash;rnson en zijn
+criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bj&oslash;rnson
+mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet
+het portret nader bij de werkelijkheid staan.</p>
+
+<p><a name='Page_47'></a>De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in
+twee jeugdwerken van Ibsen, <i>Gildet paa Solhoug</i> (Het Feest te Solhoug,
+1855) en <i>Olaf Liljekrans</i> (1856). Deze twee stukken representeeren een
+eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter.</p>
+
+<p>Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een
+welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen,
+en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee
+gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te
+Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In
+de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te
+bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte
+hij. Z&oacute;&oacute; is zijn eerste drama <i>Catilina</i> ontstaan in den winter 1848-'49
+(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania,
+bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk <i>K&aelig;mpeh&oslash;ien</i>
+van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste
+doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij
+een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen,
+met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu
+volgen snel op elkander <i>Sankthansnatten, Fru Inger til &Oslash;straat, Gildet
+paa Solhoug</i> en <i>Olaf Liljekrans</i>. Het <a name='Page_48'></a>eerste van deze werken is van
+geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre;
+over de beide laatste zal hier iets gezegd worden.</p>
+
+<p>Toen Ibsen <i>Gildet paa Solhoug</i> schreef, waren zijne oogen reeds
+opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe
+letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde
+zijne gedachten in eene andere richting. <i>Gildet paa Solhoug</i> zou, wat
+de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend;
+de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14<sup>e</sup> eeuw), en door het
+hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar
+onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht
+te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene
+voorstudie voor <i>Herm&aelig;ndene paa Helgeland</i>, dat geheel onder den invloed
+der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der
+volkspo&euml;zie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen
+worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor
+<i>Olaf Liljekrans</i> bestaan verschillende voorstudi&euml;n. Voor een van deze,
+en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (<i>Rypen
+i Jostedal</i>, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling
+volkssagen van Faye, die hierboven (blz. <a href='#Page_31'>31</a>) genoemd werd. Wij hebben
+hier dus een stof, die met <a name='Page_49'></a>Asbj&oslash;rnsen's vertellingen punten van
+aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door
+het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd;
+er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier z&oacute;&oacute; ver,
+dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een
+volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat
+citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen
+den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door
+overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde
+stuk <i>Sankthansnatten</i>, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt.</p>
+
+<p>Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te
+stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een
+voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre
+opgang gemaakt had, met name in zijn drama <i>Svend Dyrings Hus</i>. Wanneer
+men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz
+nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige
+kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere
+uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van <i>Olaf
+Liljekrans</i> is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en
+een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk
+is. Het toont, dat de <a name='Page_50'></a>dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling
+door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die
+het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo
+gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de
+dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme
+voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs z&oacute;&oacute;
+ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling
+schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst
+proclameert. Deze verhandeling&mdash;later uitgegeven in het tiende deel
+zijner <i>Samlede V&aelig;rker</i>&mdash;verscheen na de beide tooneelstukken en
+beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857)
+verscheen <i>Herm&aelig;ndene</i>, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie
+opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama
+gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym
+Jokum Pjurre, eene comedie <i>Gildet paa M&aelig;rrahoug</i>, waarvan reeds de
+titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (<i>m&aelig;r</i>
+beteekent merrie).</p>
+
+<p>Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de
+eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed,
+waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal&mdash;groote
+stukken van <i>Olaf Liljekrans</i>, waar de individueele lyriek de
+<a name='Page_51'></a>volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen
+geschreven heeft&mdash;, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar
+ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester,
+die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de
+beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van
+bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn,
+reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal
+zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen
+jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in <i>Kejser og Galil&aelig;er</i>.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_4_4'></a><a href='#FNanchor_4_4'>[4]</a><div class='note'><p> Vertalingen van werken der Duitsche romantische school
+komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von
+Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici
+werden gelezen (zie J&aelig;gers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan
+uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.</p></div>
+
+<a name='Footnote_5_5'></a><a href='#FNanchor_5_5'>[5]</a><div class='note'><p> De eenige voorganger van Asbj&oslash;rnsen en Moe was de predikant
+Faye, die in 1833 een verzameling <i>Norske Folkesagn</i> uitgaf, tamelijk
+rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het
+karakteristieke niet deed uitkomen.</p></div>
+
+<a name='Footnote_6_6'></a><a href='#FNanchor_6_6'>[6]</a><div class='note'><p> Een voortzetting door Asbj&oslash;rnsen met bijdragen uit
+opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2<sup>e</sup> uitg. 1876).</p></div>
+
+<a name='Footnote_7_7'></a><a href='#FNanchor_7_7'>[7]</a><div class='note'><p> Het woord <i>huldreeventyr</i> is een maaksel van Asbj&oslash;rnsen en
+eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van po&euml;tische fantasie,
+<i>huldre</i> behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming
+voor zulke vertellingen is <i>huldresagn</i>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_8_8'></a><a href='#FNanchor_8_8'>[8]</a><div class='note'><p> In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling <i>Sange,
+Folkeviser of Stev</i> (d.i. refreinen) uitgegeven.</p></div>
+
+<a name='Footnote_9_9'></a><a href='#FNanchor_9_9'>[9]</a><div class='note'><p> Zie echter het litteratuuroverzicht.</p></div>
+
+<a name='Footnote_10_10'></a><a href='#FNanchor_10_10'>[10]</a><div class='note'><p> Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan
+<i>Norges D&aelig;mring</i> een deel uitmaakt.</p></div>
+
+<a name='Footnote_11_11'></a><a href='#FNanchor_11_11'>[11]</a><div class='note'><p> Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte
+als in uitdrukking tusschen <i>Protesilaos</i> (Welhaven, Digtverker II,
+219): &quot;Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han k&aelig;mper
+kun og falder&quot; en <i>Brand</i> (Ibsen, Saml. V&aelig;rker III, 231): &quot;Men hver, som
+gaar i f&oslash;rste r&aelig;kke, maa falde for sin fagre sag.&quot;</p></div>
+
+<a name='Footnote_12_12'></a><a href='#FNanchor_12_12'>[12]</a><div class='note'><p> &quot;Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd
+vliegt naar de geesteswoning der herinnering.&quot;</p></div>
+
+<a name='Footnote_13_13'></a><a href='#FNanchor_13_13'>[13]</a><div class='note'><p> &quot;Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis,
+waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een
+geluk, dat het eigendom der ziel is.&quot;</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='2_De_historiseerende_Romantiek'></a><h2>2. <i>De historiseerende Romantiek</i>.</h2>
+<br />
+
+<p>In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in
+zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den
+drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de
+historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan
+historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden
+beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer
+dan allen de volksoverlevering cultiveerde, &Oslash;hlenschl&auml;ger, heeft ook tal
+van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote
+afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de
+bloeitijd is niet geheel dezelfde, <a name='Page_52'></a>en het geheel valt later dan in
+Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard<a name='FNanchor_14_14'></a><a href='#Footnote_14_14'><sup>[14]</sup></a> een historisch drama
+<i>Magnus Barfods Sonner</i> (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had
+dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen
+toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den
+nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient
+zijn gedicht <i>S&oslash;nner af Norge</i> van 1820 genoemd te worden, dat het
+nationale lied van het land geweest is, tot het door Bj&oslash;rnson's <i>Ja, vi
+elsker dette Landet</i> werd vervangen.</p>
+
+<p>In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de
+vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en
+drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste
+omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van
+1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich,
+doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studi&euml;n gemaakt;
+hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de
+geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten <a name='Page_53'></a>het eigen land. En hij
+waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken
+stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele
+gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De
+romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;&mdash;een
+liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat
+eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid
+schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama
+<i>Kong Sverres Ungdom</i> (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud
+deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door
+haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene
+intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een
+historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende
+karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem
+zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon
+dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre.
+Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een
+historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd
+te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus
+een soort heerschappij oefende. In meer dan &eacute;&eacute;n genre had hij volstrekt
+niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk
+gehad, zijn roem <a name='Page_54'></a>te overleven, ofschoon hij tot het laatst is
+doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884
+op 73-jarigen leeftijd.</p>
+
+<p>De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de
+Engelsche geschiedenis ontleende tragedie <i>William Russel</i> (1857) werd,
+ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde
+gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking
+(Saml. V&aelig;rker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars,
+toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is
+merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in <i>K&aelig;rlighedens Komedie</i>,
+waar hij een bekrompen dame, Fr&oslash;ken Sk&aelig;re, haar verontwaardiging laat
+uiten over een student, die z&oacute;&oacute; laag, z&oacute;&oacute; onbeschoft, z&oacute;&oacute; gemeen was, om
+zelfs <i>William Russel</i> te critiseeren. Het stuk wordt hier dus
+voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke
+plebejers.</p>
+
+<p>Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie <i>Hertug Skule</i>, die in
+1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's
+<i>Kongsemnerne</i> was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De
+vergelijking was doodend;&mdash;hiermee had het aanvoerderschap van Munch in
+de Noorweegsche letterkunde een einde.</p>
+
+<p>Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in
+al haar scha<a name='Page_55'></a>keeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt
+dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de
+ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het
+historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch
+drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama.</p>
+
+<p>Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur.
+Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche
+vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij
+voorbeeld de stof voor Munch's <i>En Aften paa Giske</i> uit Snorris Ol&aacute;fs
+saga helga<a name='FNanchor_15_15'></a><a href='#Footnote_15_15'><sup>[15]</sup></a>. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de
+nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is
+die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en
+zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het
+persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen z&oacute;&oacute;, dat niets
+meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met
+het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der
+voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene
+kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is.</p>
+
+<p><a name='Page_56'></a>Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's
+romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof
+insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder
+mate. <i>Catilina</i> valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting
+van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd
+gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het
+gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het
+jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk po&euml;zie te halen.
+Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet
+die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek
+aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden.</p>
+
+<p><i>Fru Inger til &Oslash;straat</i> (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter
+bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet z&oacute;&oacute; gevormd, en de
+ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk
+en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men
+den indruk, dat de dichter onder den invloed van het&mdash;insgelijks
+romantische&mdash;gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij
+de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen.
+Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp
+<a name='Page_57'></a>geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch.</p>
+
+<p>De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn <i>Herm&aelig;ndene
+paa Helgeland</i> (1857) en <i>Kongsemnerne</i> (1864). Van deze beteekent het
+tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog &eacute;&eacute;n historisch
+drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier
+bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische
+en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie
+in.</p>
+
+<p>De stof voor <i>Herm&aelig;ndene</i> en <i>Kongsemnerne</i> is aan de Noorsche oudheid
+ontleend. In een enkel opzicht vormt <i>Herm&aelig;ndene</i> nog een overgang van
+het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt
+niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der
+middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den
+man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de
+<i>Volsungasaga</i> die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen
+wordt opgedischt. De <i>Volsungasaga</i> behoort niet tot de beste saga's,
+vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof
+uit de Edda, en z&oacute;&oacute; gaat <i>Herm&aelig;ndene</i> in laatste instantie terug op eene
+stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die
+met de latere volkspo&euml;zie punten van aanraking <a name='Page_58'></a>hebben. Het conflict is
+ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama <i>Gildet
+paa Solhoug</i> behandeld was. Wanneer desniettegenstaande <i>Herm&aelig;ndene</i> met
+recht tot een ander genre geteld wordt dan <i>Gildet paa Solhoug</i>, dan is
+de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl.
+Maar de stijl is dan ook niet die der <i>Volsungasaga</i>, maar die der
+historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd
+had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het
+voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der <i>Egilssaga</i>, der
+<i>Nj&aacute;lssaga</i>,&mdash;en hier is de stijl een andere dan in de <i>Volsungasaga</i>.
+Men kan dus met recht zeggen, dat in <i>Herm&aelig;ndene</i> de familiesaga in
+dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de
+<i>Volsungasaga</i>, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in
+de <i>Nj&aacute;lssaga</i> voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het
+schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is.</p>
+
+<p>En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie,
+waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit
+gezichtspunt eene vergelijking van het slot van <i>Gildet paa Solhoug</i> met
+het slot van <i>Herm&aelig;ndene</i>. In het lyrisch drama, dat door stemmingen
+beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin
+bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige
+Bengt; <a name='Page_59'></a>de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven
+jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint
+het geluk. In <i>Herm&aelig;ndene</i> is de hartstocht een stormwind, die alles
+wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood
+de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij &eacute;&eacute;n
+man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op.</p>
+
+<p>Op geheel andere wijze is <i>Kongsemnerne</i> (De Kroonpretendenten) een
+historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de
+geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante,
+maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen,
+maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende
+langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want
+hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van
+die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover <i>Kongsemnerne</i>
+handelt. Tot nu toe stond het &eacute;&eacute;ne landschap tegenover het andere, en de
+geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten
+tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken
+en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald
+H&aacute;rfagri had Noorwegen tot een <i>rijk</i> gemaakt; n&ugrave; moet het <a name='Page_60'></a>een <i>volk</i>
+worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als
+Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als
+bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is
+daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne
+maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over,
+dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet
+gegeven is, te leven.</p>
+
+<p>Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de
+Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit
+perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen
+tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer
+naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij
+door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was
+opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die
+kwamen, zouden de Skandinavi&euml;rs tot broeders maken, gelijk H&aacute;kon
+H&aacute;konsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo
+nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen
+van H&aacute;kon wijzen, gelijk H&aacute;kon Skule wijst op de dagen van Harald
+H&aacute;rfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten
+beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden
+gesteld, <a name='Page_61'></a>Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen.
+Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die
+op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep:
+<i>Vaagner</i> (wordt wakker), <i>Skandinaver</i>! getuigt er van.</p>
+
+<p>En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de
+interessantste figuur van het drama. Want <i>Kongsemnerne</i> is niet alleen
+een tijdgedicht&mdash;het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht.
+Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van &eacute;&eacute;ne zijde van den
+dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne
+roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is
+zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over
+hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel
+zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het
+denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer
+noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den
+grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn
+tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen,
+en zelf daarbij onder te gaan.</p>
+
+<p>Een tijdvak van negen jaren scheidt <i>Kongsemnerne</i> van het geweldigste
+van Ibsen's <a name='Page_62'></a>historische drama's: <i>Kejser og Galil&aelig;er</i>. De romantische
+droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk
+afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de
+reeks moderne drama's (<i>nutidsdramer</i>) te openen, die aan de letterkunde
+van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt<a name='FNanchor_16_16'></a><a href='#Footnote_16_16'><sup>[16]</sup></a>, om
+nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit
+de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal
+geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die
+van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste
+wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe
+verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de
+meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de
+lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te
+dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot
+hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk
+dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar
+het gaat hem als Ka&iuml;n; zijn offer <a name='Page_63'></a>wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan
+bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor
+brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de
+verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de
+idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en
+waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem
+dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop
+op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal
+voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de
+ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij
+gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich
+tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den
+Galile&euml;r, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een
+tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galile&euml;r aan hem
+persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer
+zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galile&euml;r
+opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den
+wettigen keizer ook dien tegen den Galile&euml;r aan. In naam herstelt hij
+het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist
+deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning
+voert. V&oacute;&oacute;r dien tijd <a name='Page_64'></a>heerschte het Christendom in het uitwendige; het
+was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde
+in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter
+begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering
+op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument,
+waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den
+Galile&euml;r, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het
+Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot
+oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de
+mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: &quot;Jullie God
+is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen.&quot; Alleen Makrina
+spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: &quot;Verdwaalde
+menschenziel,&mdash;<i>moest</i> je dwalen, dan zal het je zeker ten goede
+gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken
+komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode
+levenden!&quot;</p>
+
+<p>Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote
+drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die <i>Kejser og Galil&aelig;er</i>
+direct aan <i>Kongsemnerne</i> bindt. De voorstelling van de roeping is niet
+geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest,
+waarin de dichter zich <a name='Page_65'></a>jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In
+<i>Kongsemnerne</i> is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met
+Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft,
+wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met
+blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd,
+maar het begrip is toch aanwezig. In <i>Brand</i> treedt de roeping op als
+een eisch, die verschrikken kan. In <i>Peer Gynt</i> is sprake van twee
+wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief;
+in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van
+een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen,
+dat zij haar roeping verzaakt. In <i>Kejser og Galil&aelig;er</i> blijven alleen de
+twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet.
+Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is
+alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het
+resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet
+dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of
+ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij
+kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede
+voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en
+z&oacute;&oacute; wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar
+wreedsten vorm. Daarom <a name='Page_66'></a>is Juliaan, evenals Ka&iuml;n en Judas, een martelaar
+voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de
+menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor
+deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken.</p>
+
+<p>Z&oacute;&oacute; ziet een philosophisch extract uit <i>Kejser og Galil&aelig;er</i> er uit. Het
+stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten
+kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen
+levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme.
+Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij
+z&oacute;&oacute; in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon.
+Levend&mdash;en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene
+nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op
+elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van
+Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten
+heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de
+schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld
+kent.</p>
+
+<p>Bij het schrijven van <i>Kejser og Galil&aelig;er</i> had Ibsen meer historisch
+materiaal, om op te bouwen, dan bij <i>Kongsemnerne</i>, en dit kan een der
+oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan
+bij het oudere drama. Ook <a name='Page_67'></a>was de dichter in den tusschentijd een ander
+geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873,
+kort voor het verschijnen van <i>Kejser og Galil&aelig;er</i>, aldus uit:
+&quot;Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van
+wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest
+doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te
+gelijk geheele, volkomen realistische po&euml;zie; ik heb de figuren voor
+mijn oogen gezien in het licht van den tijd,&mdash;en wil hopen, dat de
+lezers hetzelfde doen.&quot; In den zin, waarin de dichter hier het woord
+opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de
+stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan
+Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed
+der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien
+het juist is, wat Henrik J&aelig;ger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt&mdash;en
+tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen&mdash;dat in de
+teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar
+slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de
+teleurstelling van den dichter, die in de jaren v&oacute;&oacute;r 1870 een nieuwen
+tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke
+persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden
+staatsburger had gegrondvest, dan <a name='Page_68'></a>is ook in deze wijze, om de oudheid
+in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met
+de wijze, waarop de grondgedachte in <i>Kongsemnerne</i> ontstaat onder den
+invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm
+was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere
+banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer
+gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke
+problemen bezighouden.</p>
+
+<p>Bj&oslash;rnson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856
+<i>Mellem Slagene</i> (Tusschen de Gevechten), 1858 <i>Halte-Hulda</i>, 1861 <i>Kong
+Sverre</i>, 1862 <i>Sigurd Slembe</i>, 1864 <i>Maria Stuart i Skotland</i>, 1872
+<i>Sigurd Jorsalfar</i> (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot
+de historiseerende romantiek de gedichtencyclus <i>Arnljot Gelline</i>
+(1870). Afgezien van <i>Maria Stuart</i> vallen al deze werken binnen het
+kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van
+overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin,
+dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof
+eene&mdash;gefingeerde&mdash;gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas
+de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In
+<i>Mellem Slagene</i> treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als
+deus ex machina in een rol, die zeker <a name='Page_69'></a>den historischen Sverre slecht
+zou gepast hebben,&mdash;hij moet den vrede stichten tusschen twistende
+echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man
+tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. <i>Halte-Hulda</i>
+maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de
+handeling gezegd wordt, in de 13<sup>e</sup> eeuw te geschieden. Het conflict is
+hier van gelijken aard als in <i>Herm&aelig;ndene</i>, en het is hier gelijk daar
+de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in
+aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen <i>Herm&aelig;ndene</i> en <i>Halte-Hulda</i>
+nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik
+de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de
+natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bj&oslash;rnson zich tot het
+publieke leven, dat&mdash;wanneer men een stof uit de oudheid
+kiest,&mdash;natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die
+men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de
+stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de
+koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt.</p>
+
+<p>Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters
+blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's
+van Ibsen en van Bj&oslash;rnson niet groot. Vergelijkt men Bj&oslash;rnson's
+historische drama's met die <a name='Page_70'></a>van een vroegeren tijd, dan is er wel een
+groote afstand. Bj&oslash;rnson had levendigheid van geest en een groot lyrisch
+talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij
+had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een
+dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter
+heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen
+wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die
+hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen
+oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis
+te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere
+menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist
+hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren
+weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond
+hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De
+individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel
+oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en
+zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van
+elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's
+gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de
+man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook
+dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet <a name='Page_71'></a>de noodzakelijkheid niet
+in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan <i>Sigurd Slembe</i>, het stuk, dat
+doorgaat voor het beste van Bj&oslash;rnson's historische drama's. Uitwendig
+heeft de held eenige gelijkenis met Skule in <i>Kongsemnerne</i>. Als deze
+tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft
+ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om
+zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren
+koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel
+trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem
+vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt
+Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van
+dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet
+precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een
+toeval&mdash;de grootere haast van de vijanden&mdash;de oorzaak, dat Sigurd
+misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een
+psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de
+hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die
+Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang
+bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed
+meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn
+vrienden beraden had, wat nu <a name='Page_72'></a>te doen stond, voor hij sluipmoordenaar
+werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem
+gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de
+grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond
+onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu
+consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde
+bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen
+bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin,
+waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar &eacute;&eacute;n pijl
+verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter
+gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche
+vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het
+eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad
+en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan.
+Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus
+willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis.</p>
+
+<p>Maar Bj&oslash;rnson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de
+ontwikkeling eener handeling. Bj&oslash;rnson is niet een steller van vragen;
+daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een
+beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe
+<a name='Page_73'></a>anders had <i>kunnen</i> handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht;
+het is hem genoeg, dat de man anders had <i>moeten</i> handelen. Hij wil
+verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te
+bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een
+exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een
+schouwburgpubliek gaarne zien.</p>
+
+<p>Er wordt in Bj&oslash;rnson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls
+zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den
+regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den
+mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms
+leest men dingen van grenzenlooze na&iuml;veteit. Ook hiervoor zal een
+voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het
+gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de
+tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd
+morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk
+geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over
+op de karakteristiek van den man. E&eacute;n is er van meening, dat Sigurd zulk
+een aard heeft, dat &ograve;f alle anderen moeten omkomen, &ograve;f hij. En deze man
+eindigt aldus: &quot;Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat
+hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals
+vereenigd zal <a name='Page_74'></a>worden tot eene heerlijke bedoeling.&mdash;Vrienden, ik geloof
+aan een leven na dit.&quot;</p>
+
+<p>Dat &quot;vrienden&quot; vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof
+men Bj&oslash;rnson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort
+uitbrengen.&mdash;Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek
+om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij
+bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd
+zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt.</p>
+
+<p>Bj&oslash;rnson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's
+geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van
+voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was
+voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte,
+die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in
+hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is
+zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling.
+Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den
+dichter juist tot <i>die</i> stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond,
+dat er genoeg waren.</p>
+
+<p>Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de
+zoo veelzijdige productie van Bj&oslash;rnson.</p>
+
+<p><a name='Page_75'></a>Meer in overeenstemming met Bj&oslash;rnson's talent is de gedichtencyclus
+<i>Arnljot Gelline</i>. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend.
+Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische
+gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende.
+Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om
+schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden,
+maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een
+gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren,
+hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de
+grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij
+langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij
+kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid
+gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam
+aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man
+treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den
+slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om
+den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij
+wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen
+kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich
+aan hem overgeven. Op <a name='Page_76'></a>wensch van den koning laat hij zich doopen; den
+volgenden dag is hij een der eersten, die valt.</p>
+
+<p>Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de
+realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken
+in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke
+betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot
+uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover
+sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft
+ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag.
+Deze figuur maakt Bj&oslash;rnson tot het middelpunt van een groep gedichten.
+Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds
+het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de
+sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan
+bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig
+plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche
+volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden
+in zulk een gedicht tot &eacute;&eacute;n. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft
+hij met warmte weer. Maar Bj&oslash;rnson zou Bj&oslash;rnson niet zijn, als hij niet
+geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid
+der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan.
+Tevens moeten wij <a name='Page_77'></a>iets meer hooren over de misdaden van den roover;
+vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens
+gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de
+beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling&mdash;een zaak,
+waarover de geschiedenis zwijgt&mdash;sterk op den voorgrond gebracht; de
+persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en
+wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot
+valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning
+over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste
+van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach.</p>
+
+<p>Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die
+hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en
+leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De
+vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer
+dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt,
+maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin
+gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch
+gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door
+misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in
+zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid <a name='Page_78'></a>een held zich
+in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil
+schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer
+de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken,
+precies als in de boerennovellen.</p>
+
+<p>Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot
+Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het
+verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van
+een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere
+Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het
+hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden,
+zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken,
+en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw,
+die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de
+pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en
+bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide:
+&quot;Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer.&quot;
+Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik
+gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij
+niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening,
+noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching.</p>
+
+<p><a name='Page_79'></a>Het is wel gezegd, dat Bj&oslash;rnson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt
+en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet
+zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet.</p>
+
+<p>En toch is <i>Arnljot Gelline</i> een mooi gedicht, wanneer men er maar in
+zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan
+stemmingen rijken dichter.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_14_14'></a><a href='#FNanchor_14_14'>[14]</a><div class='note'><p> Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een
+vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven,
+<i>Fjeldeventyret</i>, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en
+zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt
+thans nog wel met succes gespeeld.</p></div>
+
+<a name='Footnote_15_15'></a><a href='#FNanchor_15_15'>[15]</a><div class='note'><p> Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van
+1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13<sup>e</sup> eeuw Snorri
+Sturlason.</p></div>
+
+<a name='Footnote_16_16'></a><a href='#FNanchor_16_16'>[16]</a><div class='note'><p> <i>De Unges Forbund</i> is van 1869, dus drie jaar ouder dan
+<i>Kejser og Galil&aelig;er</i>. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de
+historische studien voor zijn groot drama bezig.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='3_Het_hooggespannen_Idealisme'></a><h2>3. <i>Het hooggespannen Idealisme</i>.</h2>
+<br />
+
+<p>In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot
+voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de
+jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog
+meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door
+politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en
+werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen.</p>
+
+<p>De romantiek had de po&euml;zie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den
+helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men
+wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote
+gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die
+nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de
+maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de
+dichters konden die vormen, <a name='Page_80'></a>zooals zij wilden. Maar voor dichters, die
+niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met
+de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren
+verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat
+van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Z&oacute;&oacute; deden eigenlijk van
+den beginne af die po&euml;ten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde.
+Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan
+was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf
+der ge&iuml;dealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een
+veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. <i>Dat</i> hij hem ging,
+ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het
+geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De
+wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen
+van 1864 bepaald.</p>
+
+<p>Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in
+1862 gedaan; reeds <i>K&aelig;rlighedens Komedie</i> toont de beginnende reactie
+tegen de romantiek, die in <i>Brand</i> en <i>Peer Gynt</i> wordt voortgezet.</p>
+
+<p>'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek
+geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof,
+dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als
+Ibsen is, houdt hij nog de ge&iuml;deali<a name='Page_81'></a>seerde personen voor de normale,
+maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het
+conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en
+Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar
+geplaatst in een nieuw daglicht,&mdash;dat van heden. Van des dichters
+standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek
+is, antwoordt: &quot;Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte,
+als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van
+den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden.&quot; Pas in <i>Peer Gynt</i>
+laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek
+gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een
+overgang van het historisch-romantisch drama naar het met <i>De Unges
+Forbund</i> beginnende realistische drama. Van &eacute;&eacute;ne zijde vertegenwoordigen
+zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den
+achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme.</p>
+
+<p>In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie
+genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis
+vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke
+kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke
+gedachte ligt in de vraag: &quot;wat wordt er van het ideaal in eene
+maatschappij van <a name='Page_82'></a>halve menschen?&quot; In het realistisch drama draait de
+dichter later de vraag om en laat haar luiden: &quot;wat wordt er van
+menschen zonder ideaal?&quot; Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's
+gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen
+geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen
+tot de taal van het gewone leven, het proza, over.</p>
+
+<p>Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van <i>K&aelig;rlighedens
+Komedie</i> (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker
+verband aangenomen met den roman <i>Amtmandens D&oslash;tre</i> van Camilla Collett
+(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk
+v&oacute;&oacute;r het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar
+het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en <i>K&aelig;rlighedens
+Komedie</i>. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder
+(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige
+vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot
+een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en
+Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt,
+dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde
+Schj&oslash;tt in haar opstel over Camilla Collett).</p>
+
+<p>Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook <a name='Page_83'></a>de vraag, die gesteld
+wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht
+zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de
+liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het
+huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke
+conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet
+eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog
+opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn,
+het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan
+elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet
+lijden. Door deze gezichtspunten is <i>K&aelig;rlighedens Komedie</i> niet
+uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk
+gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe
+sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde
+langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en
+frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht.
+Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt
+overblijft,&mdash;zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de
+herinnering te bewaren&mdash;'voor de eeuwigheid te winnen', heet het
+hier,&mdash;liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen
+dit echter niet klagend, maar <a name='Page_84'></a>dankend: &quot;Nu kan ik je <i>blij</i> missen voor
+dit leven&quot;, is de afscheidsgroet.</p>
+
+<p>Het spreekt wel van zelf, dat <i>K&aelig;rlighedens Komedie</i> niet verstaan, en
+dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het
+stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor
+de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat
+was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten
+behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen
+vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook
+volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige po&euml;zie maakt hier
+natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van
+po&euml;tische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt.</p>
+
+<p><i>K&aelig;rlighedens Komedie</i> is echter niet alleen een hoog-romantisch
+gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild,
+wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar
+hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van
+verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang
+gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich
+in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het
+dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan po&euml;zie,&mdash;ziedaar
+<a name='Page_85'></a>de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der
+vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter
+samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de
+bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding
+geeft, om te zeggen: &quot;zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen
+niets te zoeken heeft.&quot; In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de
+studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt:
+&quot;dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd.&quot;</p>
+
+<p>De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen
+reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, &quot;&eacute;&eacute;n
+hoog, voor de vreugde van het leven, en &eacute;&eacute;n, die beneden trilt, diep en
+lang.&quot;</p>
+
+<p>Gansch anders is de stemming in <i>Brand</i>. Maar tusschen <i>K&aelig;rlighedens
+Komedie</i> en <i>Brand</i> ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de
+werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet
+altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet.</p>
+
+<p>Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850
+ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de
+ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in
+den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting <a name='Page_86'></a>was gekomen, was
+van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een
+bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele
+patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere
+reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het
+Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam,
+een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de
+zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en
+Bj&oslash;rnson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden
+voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche
+tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten&mdash;al zulke,
+die het bestuur van het land aangingen&mdash;anti-Zweedsch. Maar deze dingen
+beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet
+meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden
+kwam te staan. Hier trok men &eacute;&eacute;n lijn en stelde men zich ook voor, als
+&eacute;&eacute;n man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme
+ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts
+eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en
+waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken
+en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in
+die jaren <a name='Page_87'></a>gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de
+gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling
+van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het
+ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich
+vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander
+naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in
+vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte
+zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde
+studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bj&oslash;rnson tegenwoordig
+was.</p>
+
+<p>Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden
+doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon
+Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen,
+werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten,
+en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond
+echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten
+einde uitdrukking te geven aan meegevoel.</p>
+
+<p>Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en
+de pessimistische stemming doen rijpen, die in <i>Brand</i> tot uiting komt.</p>
+
+<p>Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan,
+waarmee hij de <a name='Page_88'></a>gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op
+gewezen, dat in <i>Kongsemnerne</i> de gedachte aan een in broederschap
+vereenigd Skandinavi&euml; herkend kan worden in Hakons groote
+koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds
+in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen
+oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den
+titel <i>Vaagner, Skandinaver!</i>, waarin onder anderen gewezen wordt op het
+gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht
+hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een
+Deensch-Noorsch studentencongres (<i>For Danmark</i>, Efterladte Skr. I, 87).
+In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, <i>En Broder i N&oslash;d</i>, zijn
+landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat
+is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864
+uit Rome: <i>Troens Grund</i> (De Grond van het Geloof) bericht op
+sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo
+zegt hij, zijn oproep (d.i. <i>En Broder i N&oslash;d</i>) over zijn volk
+geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers
+over den val van Dybb&oslash;l, over de jonge Noorsche vrijwilligers.
+Inderdaad, van &eacute;&eacute;n was een neef weggeloopen, een ander miste zijn
+handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa <a name='Page_89'></a>zat een
+oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid
+uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over <i>hem</i> is
+zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog
+leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar
+zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger.</p>
+
+<p>Interessant is het gedicht <i>Til de Medskyldige</i> (Aan de Medeschuldigen),
+een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen
+<i>Brand</i>,&mdash;een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel
+voert,&mdash;die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een
+positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij
+zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij
+zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met
+bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden
+hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben
+verzuimd, deze vraag te stellen:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Kan den med Rette tage Arvens Skat,<br /></span>
+<span>som fattes Haanden, der skal Arven l&oslash;fte?&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<div class='blkquot'><p>(Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die
+ de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?) </p></div>
+
+<p>Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren
+direct aan deze verzen uit Norges D&aelig;mring:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'><a name='Page_90'></a>
+<span>&quot;Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen br&aelig;nder,<br /></span>
+<span>kan ei fortabes, er en hellig arv,<br /></span>
+<span>der falder renterig til Folkets Tarv,<br /></span>
+<span>naar det kan h&aelig;ve den med voxne H&aelig;nder!&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<div class='blkquot'><p>(Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet
+ verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten
+ goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen). </p></div>
+
+<p>In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat
+Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog
+op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders
+zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar
+handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou
+lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen
+blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich
+daarover scherp uit in zijn <i>Ballonbrev til en svensk dame</i>, waaruit ik
+alleen deze twee verzen citeer:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Thi mod sk&oslash;nhed hungrer tiden,<br /></span>
+<span>Men det ved ei Bismarck's viden.&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<div class='blkquot'><p>(Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's
+ wijsheid niet). </p></div>
+
+<p>En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872
+naar aanleiding van eene rede van Bj&oslash;rnson. Ook deze dichter had <a name='Page_91'></a>de
+gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen
+uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybb&oslash;l
+klaagde hij: <i>Da Norge ikke vilde hj&aelig;lpe</i>. In 1870 was men in
+Skandinavi&euml; zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning
+herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche
+overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen
+was, kwam Bj&oslash;rnson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest
+veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een
+verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een
+zelfstandig Noorwegen in Skandinavi&euml; en een zelfstandig Skandinavi&euml; in
+een groot Germani&euml;. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten
+te houden. Deze omslag van Bj&oslash;rnson, door hem zeker eerlijk bedoeld,
+maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen
+pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef
+<i>Nordens Signaler</i> (later opnieuw uitgegeven in Samlede V&aelig;rker X, 567),
+een gedicht vol vlijmenden spot:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Der er omslag ivente! klem paa med talerne!<br /></span>
+<span>Vejrhanen paa fl&oslash;jen har forandret signalerne.&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<div class='blkquot'><p>(Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan
+ op den vleugel heeft de signalen veranderd). </p></div>
+
+<p><a name='Page_92'></a><i>Brand</i> verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden
+te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de
+Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad
+heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de
+monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig.
+Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben,
+die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van
+den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen,
+waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke
+ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist
+pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken,
+die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in
+conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard
+is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het
+ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn
+personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit
+betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de
+predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor
+het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te
+<a name='Page_93'></a>danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een
+repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand
+tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het
+religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele
+monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker
+geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer
+klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze.</p>
+
+<p>Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze
+zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar &eacute;&eacute;n proseliet te
+maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te
+bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat
+deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking,
+nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen
+van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen,
+dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer
+hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het
+visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij
+weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke
+stem: 'Hij is deus caritatis'.</p>
+
+<p>Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat <i>K&aelig;rlighedens
+Komedie</i> een voorlooper <a name='Page_94'></a>van <i>Brand</i> is. Hij heeft op deze plaats het
+oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het
+eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende
+tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles,
+wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in
+'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt
+aangetoond,&mdash;natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen.
+Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en
+karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het
+verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar
+ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog
+praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant
+heeft plaats gehad.</p>
+
+<p>Op <i>Brand</i> volgt in 1867 <i>Peer Gynt</i>. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet
+afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen,
+maar hij voert het volk zelf ten tooneele in &eacute;&eacute;n typischen representant.
+Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de
+dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot
+grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip,
+'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te
+bemerken, <a name='Page_95'></a>achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is
+zich zelf genoeg, een ego&iuml;st in plaats van een persoonlijkheid. Zijn
+levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde
+verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van
+zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid.
+Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit
+komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes,
+die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn
+gebruikt,&mdash;om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek
+rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche
+volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het
+hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen').</p>
+
+<p>In gelijke mate als van <i>Brand</i> geldt van <i>Peer Gynt</i>, dat de dichter de
+stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de
+toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke
+overweegt; in <i>Peer Gynt</i> kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere
+afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden,
+heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het
+beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt.
+Naast den spot treedt ook&mdash;in tegenstelling met <i>Brand</i> een <a name='Page_96'></a>element van
+meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend
+individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het
+dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken
+en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift
+Neophilologus geschreven heb.</p>
+
+<p>Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van
+de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's
+is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de
+sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode
+voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot
+personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de
+dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze
+vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische
+slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze
+wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen.
+Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in
+waarheid beteekent hij den ego&iuml;st; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die
+aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend
+geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en
+allegorie.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='HOOFDSTUK_III'></a><h2><a name='Page_97'></a>HOOFDSTUK III.</h2>
+
+<p>DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL.</p>
+<br />
+
+<p>Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die
+in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van
+Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in
+bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet
+gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon
+zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect
+aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was,
+stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie
+waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal
+uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor
+het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De
+sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van
+zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid
+open<a name='Page_98'></a>baarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit
+streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de
+vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen
+geheel-Noorsche taal.</p>
+
+<p>De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint
+met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor
+ge&iuml;nspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van
+Asbj&oslash;rnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De
+vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert
+het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was
+hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe
+gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in
+belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de
+Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat
+verouderd was of daarvoor werd aangezien,&mdash;integendeel, zij gaf uiting
+aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu
+gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archa&iuml;seering.
+Wanneer men tot dusverre schreef <i>lade, rige, l&oslash;be</i>, dan sprak men
+<i>late, rike, l&oslash;pe</i>, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden
+gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend
+had. Men begint nu op <a name='Page_99'></a>deze wijze te schrijven en brengt door deze
+archa&iuml;seering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in
+andere gevallen.</p>
+
+<p>De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K.
+Knudsen, die schreef <i>Haandbok i dansk-norsk Sprogl&aelig;re</i> (1856). Tevens
+werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het
+belangrijkste werk, van denzelfden schrijver <i>Unorsk og Norsk</i>(1879-81).</p>
+
+<p>De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren,
+waarin Asbj&oslash;rnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te
+nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen
+tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de
+stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en
+de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke &eacute;&eacute;ne door
+het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene
+taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een
+ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding
+gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die
+ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal
+provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel
+Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen.</p>
+
+<p><a name='Page_100'></a>De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet
+hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en
+zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen
+in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal,
+die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch.
+Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die
+autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal.</p>
+
+<p>Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het
+cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van
+kunstmatige talen mag zeggen&mdash;deze kunstmatige taal is eene levende
+geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op
+zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is.
+Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid,
+die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is,
+maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende
+streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de
+eenheid der Noorweegsche dialecten.</p>
+
+<p>Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht
+hebben. Maar niet alleen hun energie,&mdash;niet minder hun genie. Want het
+verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor
+het grootste <a name='Page_101'></a>deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan
+een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner
+gedachten gemaakt hebben.</p>
+
+<p>De schepper van het landsmaal is eigenlijk &eacute;&eacute;n man geweest, Ivar Aasen,
+een boerenzoon uit Zuid-M&oslash;re (een landschap op de Westkust), die zijn
+jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde
+Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten
+zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder
+hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de
+voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken
+<i>en geschreven</i> werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht.
+Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde
+hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van
+de Noorweegsche volkstaal: <i>Det norske Folkesprogs Grammatik</i> (1848, in
+tweede uitgave van 1864 betiteld <i>Norsk Grammatik</i>), waarop een
+woordenboek volgde: <i>Ordbog over det norske Folkesprogs</i> (1850; later
+<i>Norsk Ordbog</i> 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten
+opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene
+taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit
+<a name='Page_102'></a>andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon
+worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften
+gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen
+voor 'maalstr&aelig;v' (<i>str&aelig;v</i>, het streven, werken voor iets), en het doel
+werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen
+burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen.</p>
+
+<p>Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het
+landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het
+bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in
+nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou
+zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden
+dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem
+van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen:
+aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide
+talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen
+het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal)
+den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is.
+Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan
+opnieuw. De taal, die de meeste concessies <a name='Page_103'></a>doet, is het bymaal; de
+laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in
+spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het
+landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van
+een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene
+taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen
+en van vele kansels en in meer dan &eacute;&eacute;n theater gehoord wordt.</p>
+
+<p>De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader
+aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn
+taalhistorische studi&euml;n in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij
+heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal
+wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die
+het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche
+dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archa&iuml;seeren, die
+voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote
+autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het
+landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in
+po&euml;zie als door de genoemde archa&iuml;stische tendenties behield deze taal
+een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was
+Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens
+een eerste <a name='Page_104'></a>poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de
+gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik
+van Westlandsch dialect kwam daarna Fj&oslash;rtoft op, een politiek schrijver
+van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn
+dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande
+contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal
+ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad <i>Fram</i> (1871-73) een dialect uit
+Zuid-M&oslash;re, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske
+(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden
+zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de
+groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak
+Westlandsch, maar al wat archa&iuml;stisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal
+is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is
+echter in het landsmaal nog niet bereikt.</p>
+
+<p>Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen.
+Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor
+onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en
+is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in
+landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden
+wetsvoorstellen in beide talen ingediend.</p>
+
+<p><a name='Page_105'></a>Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige
+opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn
+originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder
+hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een
+tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal
+Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen
+ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een
+<i>husmand</i>, d.i. een kleinen boer, die op een <i>plads</i> (kleine
+boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij
+opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een
+boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg.
+Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den
+krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man,
+die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij
+den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering
+mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft.
+Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren,
+is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den
+cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al
+hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft,
+tot de bekwaamste <a name='Page_106'></a>mannen van het land behoort. Die kennis echter
+vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij
+bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er
+ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is
+hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij
+geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven.
+Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt
+in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken
+oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van
+het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader
+aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke
+sympathie&euml;n, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden.
+Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van
+zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op
+rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik
+zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer
+geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op
+politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem
+aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere
+wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van
+goede manieren. Zelfs eten kan hij niet z&oacute;&oacute;, dat <a name='Page_107'></a>hij geen aanstoot
+geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen
+subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en
+plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door
+zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot
+eenzaamheid gedoemd, en z&oacute;&oacute; geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur
+voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij
+daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft
+hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen
+deed hij een heftigen aanval op de regeering&mdash;en werd ontslagen.</p>
+
+<p>Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt
+niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat
+dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij
+gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon
+verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon
+zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren
+optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken
+geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven,
+die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de
+lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een
+humorist.</p>
+
+<p><a name='Page_108'></a>Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van
+Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let
+op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest
+bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling
+en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven.
+Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin
+is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken.</p>
+
+<p>Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870
+verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen
+gevuld heeft, <i>D&oslash;len</i> ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle
+denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij
+had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen,
+van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen.</p>
+
+<p>Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig
+onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van
+wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en
+wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws
+had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij
+toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het
+zijn die gevoelsinhouden, die <a name='Page_109'></a>stijl, die eigenaardige combinaties, die
+humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke
+geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier
+geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche
+plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu
+toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door
+kende. <i>D&oslash;len</i> werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan.
+Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad
+moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige
+maanden, wanneer men hem dood waande, stak <i>D&oslash;len</i> dan plotseling weer
+het hoofd op.</p>
+
+<p>Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige
+kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd
+is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd
+komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon
+hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan
+tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne proza&iuml;sche werken
+staat hier bovenaan <i>Ferdaminni</i> (Reisherinneringen), een boek, dat
+eerst stuksgewijze in <i>D&oslash;len</i> is verschenen. <i>Ferdaminni</i> is de
+beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860
+maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt <a name='Page_110'></a>hier
+op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's
+Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien
+dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde
+verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan
+zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn
+geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed
+dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd
+werd.</p>
+
+<p>Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate
+onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken
+uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bj&oslash;rnson's <i>Arne</i> (de tweede
+dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in &eacute;&eacute;n verwijt
+heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bj&oslash;rnson
+de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de
+stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met
+dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat
+Bj&oslash;rnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het
+verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een
+<i>husmand</i>, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als
+dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen <a name='Page_111'></a>de
+boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de
+predikanten behooren, uit wier stand Bj&oslash;rnson is voortgekomen, een kring
+met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij
+niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd
+billijk beoordeeld, maar wanneer hij in <i>Ferdaminni</i> en elders hun
+zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen
+romantiek.</p>
+
+<p>Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook
+zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat
+hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan
+ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit
+onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's <i>Brand</i>. In de
+dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten
+tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters
+hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in
+dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet
+den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te
+zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat
+eerst naar eene vignetteekening den naam <i>Manden</i> (De Man) kreeg en
+later omgedoopt is tot <i>Andhrimnir</i> (de naam van den kok in Valholl).
+<a name='Page_112'></a>Dit blad was een navolging van het Deensche blad <i>Corsaren</i>, dat door
+Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op
+harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin
+omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover
+oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers
+ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen.
+Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden
+af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke
+toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche
+waardeering was er ook niet. In <i>Peer Gynt</i> ontmoeten wij Vinje als
+Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der
+orangoetangs te spreken. Toen <i>Brand</i> verscheen, heeft Vinje dit
+dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar
+op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte
+farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan.
+&quot;Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen,&quot; zegt Vinje. Een
+paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel;
+Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over
+Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon
+hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden
+hebben niet nage<a name='Page_113'></a>laten, in zijn kritieken op <i>Arne</i> en op <i>Brand</i>
+uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het
+geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands
+drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel,
+is het gevolg van meer dan &eacute;&eacute;n oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die
+hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren,
+dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich
+begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond
+alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was
+van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna
+identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel
+landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten,
+kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn
+tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch'
+schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te
+hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al
+spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair
+succes.</p>
+
+<p>Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in
+aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is
+het wel, dat iemand zijn leven geeft voor <a name='Page_114'></a>een denkbeeld, dat in de
+practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje
+zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door
+geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere
+gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er
+dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar
+voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte
+is hem te abstract.</p>
+
+<p>Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat,
+wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als
+litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent
+practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters
+konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest
+verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder
+grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting
+alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt
+samen met zijn beter inzicht in de realiteit.</p>
+
+<p>Vinje's belangrijkste levenswerk&mdash;men moge het prijzen of laken&mdash;is dat,
+wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor
+geijverd,&mdash;dat is &eacute;&eacute;n ding, maar vooral&mdash;hij heeft het gebruikt, en hij
+heeft het z&oacute;&oacute; gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noor<a name='Page_115'></a>weegsche
+letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest.</p>
+
+<p>Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver
+kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls
+begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te
+geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming
+verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele
+gedichten, waarin &eacute;&eacute;ne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is
+volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de
+zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden,
+die opgenomen is in zijn gedichtencyclus <i>Storegut</i>.</p>
+
+<p>Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de
+hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is.
+Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast <i>Ferdaminni</i>,
+Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot
+de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus
+<i>Storegut</i>. Wat de compositie betreft, kan men <i>Storegut</i> vergelijken
+met <i>Arnljot Gelline</i> of met Runeberg's <i>F&auml;nrik Staals S&auml;gner</i>: het is
+een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een
+historische persoon of gebeurtenis. Voort<a name='Page_116'></a>gang is er eigenlijk niet in
+het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed
+zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat
+de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de
+karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk
+en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij
+kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een
+valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij
+voor het meerendeel stemmingen van &eacute;&eacute;n persoon schilderen. En er zijn
+ware meesterstukken onder.</p>
+
+<p>Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan
+schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie
+als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan
+men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt
+gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij
+in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in
+dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook
+oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het
+inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te
+verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe
+<a name='Page_117'></a>ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef
+geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo
+subjectief als Vinje, die <i>Brand</i> voor een farce aanziet, geen
+psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen
+theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op
+wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama
+geschreven, <i>Olav digre</i>, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de
+proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men
+zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft
+kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet
+kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de
+grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne na&iuml;veteit, waaraan
+wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die
+aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant
+genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let
+op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft.</p>
+
+<p>Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is.
+De stukken, die gereed waren, heeft hij in <i>D&oslash;len</i> uitgegeven. <i>Staale</i>
+heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een
+onafhankelijk man, die zijn <a name='Page_118'></a>eigen weg gaat, in de maatschappij
+mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn
+omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt
+toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen
+vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort
+schiet. <i>Staale</i> is dan ook veel minder gelukt dan <i>Storegut</i>.</p>
+
+<p>Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland
+in: <i>Bretland og Breterne</i>. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje
+nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes
+in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland
+toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te
+bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor
+zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de
+tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen
+land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op
+den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden,
+waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen
+opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende
+bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maat<a name='Page_119'></a>schappij. Maar door
+zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten&mdash;de
+Times liet zich zeer onvriendelijk uit&mdash;, en daarmee was zijn uitzicht
+op succes in den vreemde afgesneden.</p>
+
+<p>Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet
+gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele
+vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een
+dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als
+zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten
+niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over
+hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar
+bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag
+gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht:
+men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem
+gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was
+uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat
+hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft.
+Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij
+geschreven heeft, maar <i>hoe</i> hij geschreven heeft, eerst in bymaal,
+daarna&mdash;het meeste en het best&mdash;in <a name='Page_120'></a>landsmaal. Die beteekenis zal pas
+algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal
+bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen
+is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen
+voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te
+heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen,
+dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen,
+want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='HOOFDSTUK_IV'></a><h2><a name='Page_121'></a>HOOFDSTUK IV.</h2>
+
+<p>HET REALISME.</p>
+<br />
+
+<p>Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de
+idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de
+practijk, maar ook in de po&euml;zie noodig was, rekening te houden met de
+wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen
+zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken
+periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu
+invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk,
+waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden
+dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en
+begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der
+Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het
+geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de
+litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat,
+godsdienst. In Denemarken <a name='Page_122'></a>doet de nieuwe richting haar intocht in de
+epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire
+voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen
+en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land
+is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere
+generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige
+periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bj&oslash;rnson
+zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep
+romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn.</p>
+
+<p>Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan
+beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt
+wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die
+litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd
+in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw
+is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel
+afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad
+van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken,
+is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat
+de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de
+waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt
+is, dit doel te bereiken. De leus kon <a name='Page_123'></a>trouwens gepaard gaan met andere
+leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd
+waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men
+in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet
+plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie
+debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich
+zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het
+standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers
+van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin,
+dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is.
+Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,&mdash;en dat hebben alle
+dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch
+altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die
+voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee
+richtingen ontwikkelen. &Ograve;f men gaat den eisch van het realisme steeds
+strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid
+nabij te komen,&mdash;het zoogenaamde naturalisme,&mdash;&ograve;f men laat het realisme
+als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel,
+dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat.
+Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten.</p>
+
+<p><a name='Page_124'></a>Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet
+op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar
+aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd
+had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813
+is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven
+van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is
+zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste
+boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek.</p>
+
+<p>Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige
+jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een
+anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar
+geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de
+ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt
+zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd,
+waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere
+clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor
+Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in
+rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's
+tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in
+levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, <a name='Page_125'></a>heeft zij
+sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven.</p>
+
+<p>Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad
+(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte
+vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in
+1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in
+1855 haar hoofdwerk <i>Amtmandens D&oslash;tre</i>, het eerste der talrijke Noorsche
+boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze
+maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de
+litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met
+tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: <i>Fort&aelig;llinger</i>
+(1861), <i>I de lange N&aelig;tter, Sidste Blade</i> (3 verzamelingen 1868-73),
+<i>Fra de stummes Leir</i> (1878), <i>Mod Str&oslash;mmen</i> (1879). Op den duur neemt
+zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar
+eerste roman opkwam voor de liefde&mdash;in plaats van conventie&mdash;als
+grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande
+verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den
+voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de
+schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op
+en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek
+in het potsierlijke; mannen als Goethe en <a name='Page_126'></a>Byron vinden weinig genade in
+haar oogen.</p>
+
+<p>Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek
+<i>Mod Str&oslash;mmen</i> (Tegen den Stroom) mocht eerder <i>Med Str&oslash;mmen</i> heeten;
+toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de
+vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor
+modern wilden doorgaan.</p>
+
+<p>Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870,
+als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een
+probleem debatteert'.</p>
+
+<p>Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit
+het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de
+werken van Asbj&oslash;rnsen, &Oslash;stgaard en enkele anderen. Voorts een deel van
+Vinje's geschriften en Bj&oslash;rnson's boerennovellen, die echter weinig
+realistisch waren. Nu zou het anders worden.</p>
+
+<p>Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van
+den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn
+eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist.
+Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn,
+en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als
+zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn
+'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en
+<a name='Page_127'></a>bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen,
+zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere
+werken. Kritiek op de maatschappij&mdash;een der hoofdpunten van het jonge
+programma&mdash;komt bij hem reeds in 1862 voor in <i>K&aelig;rlighedens Komedie.</i>
+Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later.
+Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden
+geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot
+uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het
+maatschappelijk leven. In <i>K&aelig;rlighedens Komedie</i> is het nog een
+bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de
+maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn
+Falk en Svanhild een utopie. In <i>En Folkefiende</i> daarentegen is de held
+een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,&mdash;wat
+alle anderen ook zeggen te willen,&mdash;en die met zijn omgeving in strijd
+raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase
+is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing
+van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld
+der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is
+het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische
+stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch
+leven, het proza, <a name='Page_128'></a>gekozen wordt, en dat de personen meer
+ge&iuml;ndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en
+deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een
+enkele repliek kent.</p>
+
+<p>Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is <i>De Unges Forbund</i> van 1869.
+Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het
+vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die
+hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte
+het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote
+politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en
+kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale
+en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft
+de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde
+physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van
+twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde
+menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier
+dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de
+verontwaardiging van Bj&oslash;rnson over het stuk; het waren zijn eigen
+phrases en zijn na&iuml;ef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden
+gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bj&oslash;rnson niet eerlijk
+<a name='Page_129'></a>was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich ge&euml;rgerd<a name='FNanchor_17_17'></a><a href='#Footnote_17_17'><sup>[17]</sup></a>. En
+hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van
+eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend<a name='FNanchor_18_18'></a><a href='#Footnote_18_18'><sup>[18]</sup></a>.</p>
+
+<p>Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral
+vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant,
+staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den
+samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil
+van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten
+een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen;
+tegen dit verbond&mdash;het ware verbond der jongeren.&mdash;is de vooze demagogie
+niet bestand.</p>
+
+<p>Men heeft Ibsen verweten, dat hij in <i>De Unges Forbund</i> zich tegen 'de
+partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld
+Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. <a name='Page_130'></a>Ibsen zou in dit stuk de
+woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van
+dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk.
+Geen ding toont misschien duidelijker dan <i>De Unges Forbund</i>, hoe ver de
+dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het
+komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en
+heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist
+de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is
+volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter
+verwachtingen had van de oude aristocratie&mdash;mits deze zich vernieuwde.
+Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening
+uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die
+hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren.</p>
+
+<p>Tusschen <i>De Unges Forbund</i> en <i>Samfundets St&oslash;tter</i> liggen acht jaar
+(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met <i>Kejser og
+Galil&aelig;er</i>, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken
+is.</p>
+
+<p>Met <i>Samfundets St&oslash;tter</i> (1877) begint een ononderbroken reeks moderne
+drama's. Weldra volgen <i>Et Dukkehjem</i> (1879), <i>Gengangere</i>(1881), <i>En
+Folkefiende</i> (1882), <i>Vildanden</i> (1884). In al deze stukken wordt de
+werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt
+<a name='Page_131'></a>ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een
+samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij
+een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na
+jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste
+pessimisme.</p>
+
+<p>In <i>Samfundets St&oslash;tter</i> geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in
+een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en
+het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich
+wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil
+tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer
+verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend
+heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken;
+Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit
+andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en
+dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een
+onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen
+tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen
+vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft
+liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om
+Bernick's geweten wakker te schudden. Z&oacute;&oacute; <a name='Page_132'></a>groot is het geloof van den
+dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het
+ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het
+blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip
+wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt
+Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te
+huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den
+waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de
+geesten van waarheid en vrijheid.</p>
+
+<p>Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar
+realist, toch ook nu nog als van ouds idee&euml;ndichter is. De gedachte is
+zoo algemeen mogelijk; &quot;de geest van waarheid en vrijheid&quot;,&mdash;abstracter
+kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt
+van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men
+bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest
+wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had
+een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met
+haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar
+ieder aan alle zijden door &eacute;gards gebonden was, gemakkelijker haar
+onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw,
+die alleen naar de stem van haar hart luistert <a name='Page_133'></a>en zich aan geen enkele
+consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert
+tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in
+dezen zin zijn reeds Aurelia in <i>Catilina</i>, later Solvejg in <i>Peer
+Gynt</i>. En Ella Renthejm in <i>John Gabriel Borkman</i> behoort tot dezelfde
+categorie.</p>
+
+<p>Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene
+maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal
+onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak,
+die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. <i>Et
+Dukkehjem</i> is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen
+opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting
+teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid
+niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat
+noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de
+moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap
+terug te houden.</p>
+
+<p>In <i>Gengangere</i> is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer
+met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die
+aan <i>Et Dukkehjem</i> ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper
+stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig <a name='Page_134'></a>huwelijk
+leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en
+zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar
+huwelijk uit te blusschen.</p>
+
+<p>Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den
+dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de
+courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin
+zich zulk een frissche strijdlust openbaart als <i>En Folkefiende</i>. De
+ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd
+aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar.
+Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is
+menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op,
+maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man
+verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der
+badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij
+de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden,
+maar alle partijen, conservatief en radicaal,&mdash;anders elkanders gezworen
+vijanden,&mdash;vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen.
+Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van
+de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de
+oppositiepers werken broederlijk <a name='Page_135'></a>samen, om Stockman onmogelijk te
+maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met
+uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk.
+Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een
+nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld
+hij is, die het meest alleen staat.</p>
+
+<p>De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman
+zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en
+evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, z&oacute;&oacute; waar geteekend,
+als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het
+karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in
+het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de
+menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met
+het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bj&oslash;rnson. Den zedelijken moed
+hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de
+vergaderzaal is die van Bj&oslash;rnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het
+uitdrukt, aan Stockman Bj&oslash;rnson's stem gegeven. Ook de overige personen
+zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de
+kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing,
+de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en
+wiens originaliteit hierin bestaat, dat <a name='Page_136'></a>hij er een 'gud d&oslash;de mig' aan
+toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in
+wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van
+zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele
+karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet,
+Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood,
+als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet,
+welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien,
+dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel
+der echtheid.</p>
+
+<p>En dan komt <i>Vildanden</i> (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat
+Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch
+geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant
+van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale
+figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht,
+waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van
+een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt.
+De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt:
+&quot;mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord
+idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens,&quot; <a name='Page_137'></a>en die
+verklaart: &quot;neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem
+je hem te gelijk het geluk af.&quot; En eindelijk: &quot;Och, het leven kon goed
+genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons
+arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch.&quot; Bittere ervaringen
+moet de dichter van <i>Brand</i> gehad hebben, voor hij z&oacute;&oacute; iets schrijven
+kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: &quot;At digte er at holde dommedag
+over sig selv&quot; (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken
+helpt niet; de po&euml;et, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in
+Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat
+hij de dertiende man aan tafel is.</p>
+
+<p>En toch&mdash;het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof
+verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en
+ge&iuml;ncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene
+vrouw, die zit te wachten op het wonder,&mdash;dat een ander verrichten
+zal,&mdash;maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe
+edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het
+bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel
+heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Z&oacute;&oacute; staat ook in
+<i>De wilde Eend</i> een ideale figuur, die aan &eacute;&eacute;n zaak alles offert,
+tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in <a name='Page_138'></a>phrases is
+ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt
+hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer
+maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als
+offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan
+den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal;
+in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele
+gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van <i>Vildanden</i> het
+geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend
+drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden.</p>
+
+<p>Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter
+behandelde dan &eacute;&eacute;n zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men z&oacute;&oacute; levende
+personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest.
+Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij
+naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik
+mode was, maar omdat hij de menschen z&oacute;&oacute; zag. En wat de
+'problemenpo&euml;zie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen
+behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd
+is zijn po&euml;zie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom
+zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur <a name='Page_139'></a>van
+den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn
+toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen
+reflecteert zich het menschelijke.</p>
+
+<p>In dezelfde periode ging Bj&oslash;rnson over tot de behandeling van
+maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het
+lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het
+meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben
+zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar
+daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bj&oslash;rnson was als
+kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij
+ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid
+gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan
+zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij
+veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land,
+en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche
+levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd
+een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken,
+novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is
+zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in
+volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke
+werkkracht. <a name='Page_140'></a>Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de
+wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een
+eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bj&oslash;rnson gehad
+heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die
+hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt
+Bj&oslash;rnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor h&egrave;m nieuw zijn, te
+populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene
+verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook
+zijn kunst ondergeschikt.</p>
+
+<p>Een voorlooper van Bj&oslash;rnson's 'nutidsdramer' is <i>De Nygifte</i> (De
+pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter
+levendige sc&egrave;nes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom
+begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren:
+<i>Redakt&oslash;ren</i> en <i>En Fallit</i> (1875), <i>Kongen</i> (1877), <i>Leonarda</i> (1879),
+<i>Det ny System</i> (1879), <i>En Hanske</i> (1883), <i>Over &AElig;vne</i>, I (1885), II
+(1895), <i>Geografi og K&aelig;rlighed</i> (1885), <i>Paul Lange og Tora Parsberg</i>
+(1899), <i>Laboremus</i> (1901), <i>Paa Storhove</i> (1902), <i>Daglannet</i> (1904),
+<i>Naar den ny vin blomstrer</i> (1909). Vertellingen uit dezelfde periode
+zijn: <i>Magnhild</i> (1877), <i>Kaptejn Mansana</i> (1879), <i>St&ouml;v</i> (1882), <i>Det
+flager i Byen og paa Havnen</i> (1884), <i>Paa Guds Veje</i> (1889), <i>Nye
+Fort&aelig;llinger</i> (1899), <i>Mary</i> (1906).</p>
+
+<p><a name='Page_141'></a>In bijna al deze stukken maakt Bj&oslash;rnson zich tot advocaat van een of
+andere meening of waarheid,&mdash;dikwijls eene zeer juiste,&mdash;die, naar hij
+meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de
+noodzakelijkheid van opvoeding in <i>Det flager</i>, van verdraagzaamheid in
+<i>Paa Guds Veje Kongen</i> is een preek over het thema, dat de republiek de
+eenig juiste regeeringsvorm is. <i>En Hanske</i> handelt over de
+geslachtsmoraal. De dichter is hier z&oacute;&oacute; vervuld van de leer, die
+gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over
+hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot
+breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bj&oslash;rnson niet
+alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie
+bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet,
+kan diezelfde na&iuml;veteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit
+de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen
+ontstaan. Zijn populariteit dankt Bj&oslash;rnson ongetwijfeld voor een groot
+deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn
+behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil
+gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen
+en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bj&oslash;rnson
+gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als k<a name='Page_142'></a>oeien, die
+iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen
+de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer
+de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan
+is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de
+tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan
+vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat
+hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het
+schellinkje, zeer gewaardeerd.</p>
+
+<p>Maar wanneer men het eerste gedeelte van <i>Det flager</i> leest, waarin
+Bj&oslash;rnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de
+gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze
+schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene
+situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het
+verlichtingswerk van Bj&oslash;rnson niet noodig hebben, en die in vreemde
+litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het
+Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter
+als Bj&oslash;rnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de
+schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van
+godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw
+ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven
+hiernamaals, terwijl dat plotseling anders <a name='Page_143'></a>wordt, zoodra Bj&oslash;rnson ca.
+1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat
+het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop
+plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der
+orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders
+wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen
+kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een
+groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bj&oslash;rnson's po&euml;zie
+duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat
+nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in
+aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in
+Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bj&oslash;rnson gehecht wordt. En
+dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het
+oordeel speelt de liefde eene rol,&mdash;en de liefde is naijverig.</p>
+
+<p>Jonas Lie (1833&mdash;1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede
+helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is,
+wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het
+Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de
+overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo
+stamt Lie in drie <a name='Page_144'></a>leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit
+het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook
+Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde
+Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder
+po&euml;tischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van
+denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen
+heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur,
+die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden,
+in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur
+maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem po&euml;zie vinden ook in het
+dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist z&oacute;&oacute; ver, dat
+hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om
+deze te objectiveeren.</p>
+
+<p>Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd
+voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die
+bij herhaling als po&euml;tische motieven in zijn werken terugkeeren. Als
+zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in
+Troms&oslash;, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die v&oacute;&oacute;r hem
+in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht
+Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen
+een goede <a name='Page_145'></a>vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn
+po&euml;tischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn
+leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen
+aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote
+handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de
+angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan.</p>
+
+<p>Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen
+te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg
+ge&iuml;nteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit
+zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij
+de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd
+dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te
+vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van
+het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter
+geheel doet ontwaken, is zijn faillissement.</p>
+
+<p>Toen Lie zijne eerste vertelling <i>Den Fremsynte eller Billeder fra
+Nordland</i> (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland)
+uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de
+litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op
+zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt <a name='Page_146'></a>hoofdzakelijk in den vorm van
+een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens
+zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het
+Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt &eacute;&eacute;ne zijde
+van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke,
+zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst;
+zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke
+behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd
+hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in
+de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de
+alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en
+David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor
+hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar
+de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer
+hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij
+niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft
+geput, om het leven vol te houden.</p>
+
+<p>Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel
+romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als
+een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst
+belangrijk is, maar toch als een <a name='Page_147'></a>zieke, niet als een wezen van hooger
+orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den proza&iuml;schen mensch verborgen
+blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet
+in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk
+leven te kort schiet.</p>
+
+<p>De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het
+dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst
+opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van
+zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek
+daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins
+misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene
+zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met
+mythische wezens als <i>n&oslash;kken, draugen, tomtegubben</i>, en hoe zij meer
+mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn
+deze wezens po&euml;tisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd
+met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken.
+Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die
+in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw
+hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen
+schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze
+teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden.</p>
+
+<p><a name='Page_148'></a>Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op.
+Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf.
+Misschien heeft hij in <i>Den Fremsynte</i> voor goed of voor langen tijd
+afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij
+zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed
+van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten
+<i>Dyre Rein</i> (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is.
+Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in
+den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt
+zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het
+huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven.</p>
+
+<p>Met <i>Den Fremsynte</i> had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt.
+Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost
+heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel
+achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker&mdash;niet in
+ieder&mdash;opzicht voorstudi&euml;n voor zijn latere meesterwerken. <i>Den
+Fremsynte</i> was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte
+hij nog niet geheel, en vooral&mdash;hij had zich nog niet dien bijzonderen
+stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij <a name='Page_149'></a>schreef,
+zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie
+weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver
+van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne
+ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te
+schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een
+propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen
+van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren,
+waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode
+geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder
+zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn
+talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft
+ingenomen.</p>
+
+<p>De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met
+<i>Familien paa Gilje</i> zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft
+hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn
+vooreerst zijn schipperromans <i>Tremasteren Fremtiden</i> (1872), <i>Lodsen og
+hans Hustru</i> (1874), <i>Rutland</i> (1880), <i>Gaa Paa</i> (1882). Deze sluiten in
+zooverre bij <i>Den Fremsynte</i> aan, als zij schilderingen bevatten uit het
+leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter
+zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze
+boeken een gebeurtenis in de Noorsche <a name='Page_150'></a>litteratuur; er wordt een nieuw
+gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het
+onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen.
+Hij kent hen van kind af aan.</p>
+
+<p>Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling
+speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het
+zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het
+huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken,
+waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze
+periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd
+worden: <i>Thomas Ross</i> (1878), <i>Adam Schrader</i> (1879), <i>Livsslaven</i>
+(1883). Een eerste dramatische proeve is <i>Grabows Kat</i> (1880). Een
+afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht
+<i>Faustina Strozzi</i> (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan
+de geschiedenis (Itali&euml;'s vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de
+kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als po&euml;tisch werk niet
+van groote beteekenis.</p>
+
+<p>Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: <i>Familien paa Gilje</i> (1883),
+<i>En Malstr&oslash;m</i> (1884), <i>Otte Fort&aelig;llinger</i> (1885), <i>Kommand&oslash;rens D&oslash;tre</i>
+(1886), <i>Et Samliv</i> (1887), <i>Majsa Jons</i> (1888), <i>Onde Magter</i> (1890),
+<i>Trold</i> (2 verzamelingen novellen 1891-2), <i>Niobe</i> (1893), <i>Lystige
+Koner</i> <a name='Page_151'></a>(1894), <i>Naar Sol gaat ned</i> (1895), <i>Dyre Rein</i> (1896),
+<i>Lindelin</i> (1897), <i>Faste Forland</i> (1899), <i>Wulffie &amp; Comp</i> (1900),
+<i>Naar Jernteppet falder</i> (1901), <i>Ulfulgerne</i> (1904).</p>
+
+<p>Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde
+motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering
+deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in
+vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den
+dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een
+nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde.</p>
+
+<p>Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen <i>(Lodsen og hans Hustru,
+Gaa paa</i>) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te
+kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een
+positie weet te verschaffen. In <i>Gaa paa</i> is het een jonge man, die in
+armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder
+eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in
+den beginne en het besluit, het niet op te geven.</p>
+
+<p><i>Thomas Ross</i> vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad
+heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan
+het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het <a name='Page_152'></a>andere. Hij geraakt in
+bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een
+bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door
+een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot
+met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten.
+Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij
+gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de
+tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te
+houden.</p>
+
+<p>Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in <i>Faste
+Forland</i>, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van
+anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de
+ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde.
+Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist
+inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en
+hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden,
+maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste
+wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet
+bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn
+stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een
+badplaats om te <a name='Page_153'></a>scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel
+der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de
+financi&euml;ele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij
+aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een
+dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het
+badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een
+badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door
+zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn
+plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die
+hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij
+haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem
+geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te
+gemoet, en nu wordt Faste dichter.</p>
+
+<p>Het klinkt als een sprookje&mdash;en toch is het werkelijkheid. Ook de
+mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den
+bijstand van Thomasine.</p>
+
+<p>Het hoofdmotief van <i>Faste Forland</i> is de mislukte onderneming en het
+faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een
+faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het
+hoofdmotief in <i>En Malstr&oslash;m</i>, en het neemt een gewichtige plaats in in
+<i>Et Samliv</i> <a name='Page_154'></a>en in <i>Niobe</i>. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede
+de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer
+eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te
+schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van
+zeer verschillende zijden. In <i>Faste Forland</i> is de slechte zakenman
+toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf
+niet gekend heeft; in <i>En Malstr&oslash;m</i> en <i>Niobe</i> ontmoeten wij twee
+variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van
+zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur),
+in <i>Et Samliv</i> is het de familievader, die op het punt is, in den
+ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en
+kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom
+aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den
+genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door
+een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet
+ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld
+worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie
+is hier midden in de 'problemenpo&euml;zie' geraakt; de vergelijking met
+anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in
+aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in <a name='Page_155'></a>de
+litteratuur in de mode; zoowel Bj&oslash;rnson als Kielland hebben het
+behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze.
+Voor Kielland (in <i>Fortuna</i>) is het faillissement de onverantwoordelijke
+daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de
+schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen,
+valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets
+dan gemeenheid en laagheid. Er komen in <i>Fortuna</i> prachtige bladzijden
+voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk
+geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders
+Bj&oslash;rnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene
+maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk,
+dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen.
+Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is,
+maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of
+de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn
+gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is
+tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig
+samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den
+bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den
+man, noch de daad, <a name='Page_156'></a>maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft,
+kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het z&oacute;&oacute; gaan moest, als
+het is gegaan.</p>
+
+<p>Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo
+groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij
+Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan &eacute;&eacute;n van zijn boeken zou
+men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een
+belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw.
+Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van &eacute;&eacute;n
+eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en
+hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun
+naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden,
+vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft
+hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste
+karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de
+liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven
+ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities
+zijn onder anderen Susanne in <i>Den Fremsynte</i>, Bera in <i>Faste Forland</i>,
+Ely Falk in <i>Adam Schrader</i>, Ellen in <i>Naar Jernteppet falder</i>. Op het
+juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te
+hand<a name='Page_157'></a>haven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij,
+die niet kan geven, wordt de ego&iuml;ste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al
+deze typen heeft Lie geschilderd, z&oacute;&oacute; dat zij lijken.</p>
+
+<p>De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het
+grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat
+hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans
+den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (<i>Livsslaven</i>, waar
+de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie
+van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal
+dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het
+sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt.</p>
+
+<p>In <i>Lodsen og hans Hustru</i> bestaat voor de verdenking eenige aanleiding,
+en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien
+jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in
+dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem
+niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste
+weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De
+omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar
+onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn. <a name='Page_158'></a>gebrek aan
+vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in
+dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge
+mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man,
+die z&oacute;&oacute; lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal
+vallen, voortaan met parlement te regeeren. In <i>Adam Schrader</i> is het
+conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt
+hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is
+een goed huisvader, maar proza&iuml;sch; de vrouw is muzikaal; een vriend van
+den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied
+der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch,
+maar het karakter der vrouw is z&oacute;&oacute; oprecht en flink, dat aan haar deugd
+geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink
+de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek
+behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel
+van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden
+weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere
+wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij <i>Adam Schrader</i> schreef.
+Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig
+is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in <i>Naar Sol
+gaar ned</i>. <a name='Page_159'></a>Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de
+vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man,
+een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij
+wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar
+het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn
+levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie.
+Maar de eer van zijn huis heeft hij gered.</p>
+
+<p>Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne
+alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans
+heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood.
+Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan.</p>
+
+<p>Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken <i>Naar
+Jernteppet falder</i> in een der talrijke parallel loopende vertellingen
+van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een
+oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige
+lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel
+geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren
+wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan
+boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe
+kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis
+van het gemoed zijner vrouw. Wat <a name='Page_160'></a>gaat er in haar om? Wat verbergt zij
+voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag
+neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van
+angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is;
+wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt,
+gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het
+schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten
+geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag,
+wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een
+weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene
+rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent,
+zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell
+weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij
+bij haar was,&mdash;thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en
+met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu
+kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij
+tegenover haar uit, dat <i>zij</i> het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De
+twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord
+daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt.
+De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopen<a name='Page_161'></a>baard; het
+gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat
+waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte
+in een geheel modern kleed.</p>
+
+<p>Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts
+&eacute;&eacute;n tooneelstuk, <i>Lystige Koner</i>, is op dit motief opgebouwd. De
+behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt
+niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar
+plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis
+van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het
+er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal
+opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie
+het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg.</p>
+
+<p>Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter
+is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk
+de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij
+geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt.
+Zulke zijn: de Kaptein in <i>Familien paar Gilje</i>, Mads Foss in <i>En
+Malstr&oslash;m</i>, de directeur in <i>Onde Magter</i>. In zulke families vinden wij
+huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in <i>Familien paa
+Gilje</i>, mis<a name='Page_162'></a>schien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de
+Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van
+gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden.</p>
+
+<p>Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de
+vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge
+geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de
+dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen
+eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan
+zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere
+beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna
+altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te
+keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van &eacute;&eacute;n van beide. Bij de
+jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat
+het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden
+een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk
+geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren,
+wanneer zij zwak zijn en toegeven. In <i>Rutland</i> wil de jongen naar zee.
+De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil
+dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en
+verzoent zich later met den vader. Dit is <a name='Page_163'></a>het gunstigste verloop. In
+<i>Familien paa Gilje</i> moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit
+de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in <i>En Malstr&oslash;m</i> is het nog
+erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in
+<i>Kommand&oslash;rens D&oslash;tre</i>, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het
+de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg
+staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in
+die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend,
+waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen
+drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn.</p>
+
+<p>Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses
+van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt
+niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen
+zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een
+gezin is dat van Dr. Baarwig in <i>Niobe</i>.</p>
+
+<p>De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp
+van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot
+hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen
+misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij
+zelf behoort tot de hoogere klasse, maar <a name='Page_164'></a>sedert zijn kindsheid heeft
+hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft
+hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een
+der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich
+onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is.
+Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principi&euml;ele
+vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen
+ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide,
+gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen
+heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de
+sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een
+schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in
+dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten <i>Livsslaven</i>, uit
+de eerste periode, en <i>Majsa Jons</i>, een van zijn rijpste werken.
+<i>Livsslaven</i> is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode,
+die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en
+niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot
+misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die
+daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder
+wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer
+een&mdash;nog eenigszins senti<a name='Page_165'></a>menteele&mdash;poging, om meegevoel met den
+onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der
+standen. Veel belangrijker is de historie van <i>Majsa Jons</i>, het
+naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen
+bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van
+familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij
+niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het
+onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in
+de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid,
+die zij uit de schipbreuk van haar leven redt.</p>
+
+<p>Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen
+zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene
+verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden,
+ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de
+vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot
+deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een
+fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het
+al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen
+zij &eacute;&eacute;n ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel,
+waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist.</p>
+
+<p><a name='Page_166'></a>Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het
+familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine
+vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee
+bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in
+zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is.
+Zij doen het meest denken aan de spookhistori&euml;n uit <i>Den Fremsynte</i>.
+Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele
+jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu
+ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire
+natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast
+elkaar staan stukken als <i>Mosken&aelig;sstr&oslash;mmen</i>, waarin natuurkrachten
+gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt,
+<i>Bylgja</i> en <i>Kv&aelig;rnkallen,</i> die de mystieke indrukken schilderen, welke
+de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als <i>Hauk
+og Hadding</i>, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in
+den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm
+speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met
+name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch,
+onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort
+besproken roman <i>Dyre Rein</i>. Interessant is in dit licht ook de korte
+<a name='Page_167'></a>novelle <i>&Oslash;stenfor Sol og vestenfor Maane</i>, waar tusschen de
+hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken
+voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en
+dood, die in die wereld wordt gevoerd. Z&oacute;&oacute;, meent de dichter, is het ook
+onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar
+daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is
+noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die
+talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan
+ego&iuml;sme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die
+de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid&mdash;en
+moraal&mdash;proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan.</p>
+
+<p>Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor
+hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van
+den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn
+overige productie. Zijn tooneelstukken <i>Grabows Kat, Lystige Koner,
+Lindelin, Wulffie &amp; C<sup>ie</sup></i>, ofschoon niet van belang ontbloot, staan
+verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, <i>Faustina
+Strozzi</i> en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie,
+maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren
+<a name='Page_168'></a>echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters
+persoon.</p>
+
+<p>Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen
+hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest,
+zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen,
+als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor
+en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke
+koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het
+gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student,
+nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere
+verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als
+advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien
+tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij
+reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine
+schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn
+werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken,
+<i>Novelletter</i>, dan romans, in &eacute;&eacute;n adem door (daartusschen enkele
+tooneelstukken): <i>Garman og Worse</i> (1880), <i>Nye Novelletter</i> (1880),
+<i>Arbeidsfolk</i> (1881), <i>Else</i> (1881), <i>Skipper Worse</i> (1882), <i>To
+Novelletter fra Danmark</i> (1882), <i>Gift</i> (1883), <i>Fortuna</i> (1884), <i>Sne</i>
+(1886), <i>Tre Par</i> (blijspel <a name='Page_169'></a>1886), <i>Bettys Formynder</i> (blijspel 1887),
+<i>Sanct-Hansfest</i> (1887), <i>Professoren</i> (blijspel 1888), <i>Jacob</i> (1891),
+eindelijk een bundel kleinere opstellen <i>Mennesker og Dyr</i> (1892), een
+overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het
+voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan.</p>
+
+<p>Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat
+Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den
+inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En
+nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven
+had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig.
+Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen.
+Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij
+gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij.
+Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie
+was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel
+begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met
+een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En
+hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon.
+Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het
+publiek.</p>
+
+<p>Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat <a name='Page_170'></a>een modern dichter in 1880 te
+zeggen had,&mdash;kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine
+Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste
+kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet
+verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In
+Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen.
+En wat de po&euml;ten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen
+gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger.
+Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe
+verstand en den beweeglijken geest zich be&euml;ngd gevoeld hebben. Hij zoekt
+geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van
+Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij
+moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil
+het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen,
+en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak
+stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger.</p>
+
+<p>En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft
+hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche
+romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een
+schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is.</p>
+
+<p><a name='Page_171'></a>In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat
+hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is
+moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de
+bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar
+gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om
+zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook
+waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den
+duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten.
+In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem
+dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn
+anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als
+onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele
+onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn
+boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer
+persoonlijk adres<a name='FNanchor_19_19'></a><a href='#Footnote_19_19'><sup>[19]</sup></a>. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en
+satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets
+<a name='Page_172'></a>dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen
+samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er
+de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in
+artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889)
+redacteur is<a name='FNanchor_20_20'></a><a href='#Footnote_20_20'><sup>[20]</sup></a>. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de
+overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij
+voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen
+neer.</p>
+
+<p>Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken
+sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den
+dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt.
+Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft
+Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet
+uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in
+zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar
+aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet
+plebe&iuml;sch, maar voornaam. Z&oacute;&oacute; is hij in staat, in <i>Garman og Worse</i> een
+der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname
+familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil <a name='Page_173'></a>in de
+verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar
+vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in <i>Skipper Worse</i>
+diep door in het leven van de pi&euml;tistische secte der Haugianen. In
+andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten,
+dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet
+objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht
+van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal,
+suggestieve kracht,&mdash;en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in
+hooge mate. Boeken als <i>En Sankt-Hansaften</i> en <i>Jacob</i> kan men
+beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets
+van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen
+toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al
+deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten.
+En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het
+daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal
+die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds
+in vollen gang.</p>
+
+<p>In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende
+gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een
+verkorte weergave van hetgeen ik <a name='Page_174'></a>hierover in 'De Gids' van Mei 1897
+schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en
+directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn
+eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De
+intrigue van <i>Garman og Worse</i> berust op de tegenstelling tusschen de
+deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche
+beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van &quot;West end&quot;.
+Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van
+dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door
+zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der
+firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in <i>Arbeidsfolk</i>,
+maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier
+ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen
+vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra
+verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het
+bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de
+vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband
+daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen?</p>
+
+<p>Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En
+hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad
+voert, werd in <i>Garman og Worse</i> reeds <a name='Page_175'></a>aangeduid. In <i>Else</i> zien wij
+het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot
+lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis
+door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de
+uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking
+grooter wordt.</p>
+
+<p>Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere
+generatie, en hij schrijft <i>Skipper Worse</i>. De vergelijking voert tot
+het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding
+beter was. Worse's: &quot;Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen
+goed&quot;, waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven
+uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon
+de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even
+degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd?
+Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die
+voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook
+de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld.
+Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie
+Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse
+nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote
+plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het
+zijn zij, <a name='Page_176'></a>wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de
+Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de
+verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt,
+verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in
+geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door
+lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden,
+wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht
+maken. Nog &eacute;&eacute;n geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan
+een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog
+maar in hardheid tegenover den arme.</p>
+
+<p>Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het
+vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij <i>Gift</i> (Vergif) te
+danken. <i>Gift</i> is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men
+kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft,
+de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar
+polemiek tegen het Latijn is slechts &eacute;&eacute;ne zijde van het boek. De auteur
+verheft v&oacute;&oacute;r alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt
+door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen
+van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het
+zelfstandig <a name='Page_177'></a>oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van
+ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige
+geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht
+slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft.</p>
+
+<p>De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de
+oorzaak, dat hij op <i>Gift</i> twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste
+heet <i>Fortuna</i>. De schooljongen uit <i>Gift</i>, Abraham L&oslash;vdal, die bij zijn
+confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in
+levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is
+hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen
+maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en
+waarvoor hij, Abraham L&oslash;vdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn
+windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken,
+zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en
+assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer.
+Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die
+de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en
+vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien.</p>
+
+<p>Eene voortzetting van <i>Fortuna</i> is <i>Sankt-Hans Fest</i>. Maar daartusschen
+ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. <a name='Page_178'></a>Naast
+de school werd in <i>Gift</i> de kerk geschetst als een der machten, die de
+zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden ego&iuml;st
+maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen
+brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare
+dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op <i>Gift</i> en
+<i>Fortuna</i> volgt <i>Sne</i>.</p>
+
+<p><i>Sne</i> is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud
+en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der
+heiligen&mdash;de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden
+stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn
+preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de
+geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan
+bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en
+bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; <i>zijne</i> hooge gedachten kan
+zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te
+zorgen valt. Daar zit hij&mdash;en wordt weerstaan door een jong meisje, dat
+van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de
+verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij&mdash;Johannes,
+die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der
+spotters niet is opgewassen, <a name='Page_179'></a>maar evenmin tegen den sterken wil van
+zijn vader, die Gabri&euml;le liefheeft en droomt van een verzoening tusschen
+het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham L&oslash;vdal.
+Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook
+niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle
+reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets
+nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche
+stilheid, een rust als die des grafs.</p>
+
+<p>Dat is de gedachte, die <i>Sankt-Hans Fest</i> beheerscht. Kielland laat hier
+de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren
+en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op:
+Abraham L&oslash;vdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit <i>Gift</i> en
+<i>Fortuna</i>, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van
+schipper Worse, de jonge Garman, die aan <i>Garman og Worse</i>, de familie
+With, die aan <i>Else</i> herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te
+gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag
+schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen
+Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren.
+De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen
+mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toege<a name='Page_180'></a>zegd,
+zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest
+bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en
+eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die
+zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de
+victuali&euml;n, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst
+van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden
+georganiseerd heeft.</p>
+
+<p>In <i>Sanct-Hans Fest</i> is als het ware eene essentie van Kielland's
+sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn
+vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en
+ge&euml;xtraheerd tot een enkelen druppel. Het is het <i>mene tekel</i> over eene
+leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan
+vreugde verloren heeft.</p>
+
+<p>In <i>Jacob</i> wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de
+gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen
+indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in
+Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het
+streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in
+het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar
+het platteland. Maar <a name='Page_181'></a>in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is,
+ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het
+onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren
+gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval
+niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene
+verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een
+wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie
+vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen
+ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de
+schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij
+van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door
+langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer.</p>
+
+<p><i>Jacob</i> is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt
+T&oslash;rres Sn&oslash;rtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de
+eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren
+gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo
+heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom,
+en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal.
+Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te
+bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te
+zuigen. Hij maakt zich meester van al, <a name='Page_182'></a>wat in de stad te verdienen
+valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om
+zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien.
+T&oslash;rres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: &quot;ja het was hem zelfs
+een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder
+gekomen was&mdash;neen voorwaar, dat was hij niet!&mdash;hij was niet verder
+gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij
+zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht.&quot;</p>
+
+<p>Als T&oslash;rres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen
+met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te
+noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen.</p>
+
+<p>Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik
+hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van T&oslash;rres.
+In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest.
+Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: &quot;Zoo lag de maatschappij
+bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de
+belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over.
+En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde
+het roer boven en de stroom beneden aan.&quot; En T&oslash;rres denkt er ook zoo
+over: &quot;de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle
+wijsheid van de wereld woog niet op tegen den <a name='Page_183'></a>kleinen katechismus, en
+dien kende hij&mdash;ha! ha! ha!&mdash;hij moest om zich zelf lachen.</p>
+
+<p>Daar had hij opgezien tegen Gustav Kr&oslash;ger en mijnheer Hamre en anderen,
+die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van
+rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren,
+en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen.&quot;</p>
+
+<p>Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte.
+Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn
+lans, en hij weet te treffen.</p>
+
+<p>Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de
+groep Lie&mdash;Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk
+heet <i>Farlige Folk</i> (Gevaarlijke Menschen) (1881).</p>
+
+<p>Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die
+in 1882, dus slechts &eacute;&eacute;n jaar na Kielland, met haar eersten roman
+optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke
+problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de
+gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der
+menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden
+bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en
+daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij <a name='Page_184'></a><i>Constance
+Ring</i> (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen,
+samen eene familiegeschiedenis uitmakende: <i>Sjur Gabriel</i> (1887), <i>To
+Venner</i> (Twee Vrienden) (1887), <i>S.G. Myre</i> (1890), <i>Afkom</i>
+(Nakomelingschap) (1898).</p>
+
+<p>In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog
+geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de
+aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de
+litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans
+J&aelig;ger opzicht met zijn roman <i>Fra Kristiania Bohemen</i>. Men kan dit boek
+rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een
+maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er
+wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije
+liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt,
+is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt,
+en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij
+aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die
+dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de
+schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat
+sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel
+mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk <a name='Page_185'></a>maakte van
+schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was,
+daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver
+heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor
+hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier
+heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met
+een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek
+daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de
+regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij
+legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf
+veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er
+werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele boh&ecirc;me-litteratuur.
+Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor
+was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben
+aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de
+zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan &eacute;&eacute;n kunstwerk
+gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband
+ontmoeten. Maar J&aelig;ger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot
+schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige
+schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met
+<i>Fra Kristiania Bohemen</i>. Hier is J&aelig;ger's <a name='Page_186'></a>roman misschien minder een
+voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook
+zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het
+aankomend individualisme.</p>
+
+<p>Hans J&aelig;ger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een
+zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben.
+Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook <i>Syk Kj&aelig;rlighet</i> (Zieke
+Liefde) van 1893. Zijn laatste boek <i>Anarkismens Bibel</i> is van 1910. Hij
+behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in
+de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om
+hemelstormers te worden.</p>
+
+<p>Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven,
+ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch
+tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste
+werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest
+ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad
+hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden.
+Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats
+als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de
+werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren.</p>
+
+<p><a name='Page_187'></a>Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap J&aelig;deren, het
+achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk
+van zijn roman <i>Fred</i> (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van
+het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk
+slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest.
+Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te
+breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken,
+maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid
+verschaft had, weder tot zich trokken.</p>
+
+<p>De jonge Garborg heeft het leven op J&aelig;deren leeren voelen op eene
+exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader
+aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de pi&euml;tistische
+geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem
+bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en
+kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat
+hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze
+zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot
+deel van des dichters latere productie.</p>
+
+<p>Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een
+vroege en uitgebreide <a name='Page_188'></a>lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij
+schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan
+huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij
+pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met
+vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's
+'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen
+aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer,
+maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf.
+Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later
+ontving, van zijn pen geleefd.</p>
+
+<p>Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne
+meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een
+uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af,
+zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende,
+welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen
+wilde maken.</p>
+
+<p>De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet
+<i>Ein Fritenkjar</i> (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel
+toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is
+nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van
+den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het
+religieuze denken, <a name='Page_189'></a>een der dingen, die in die jaren op het programma
+der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van
+kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te
+doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij
+ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man
+terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend
+predikant, die daarop bij zijne groeve&mdash;want de man overleeft dit
+weerzien niet&mdash;eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den
+schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een
+preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas
+twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had
+schuldig gemaakt.</p>
+
+<p>In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda
+voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het
+gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze
+weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef,
+was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van
+onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en
+spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En
+ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is
+in den zeer ge<a name='Page_190'></a>bruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom
+gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te
+zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die
+hij 13 jaar later in <i>Tr&aelig;tte M&aelig;nd</i> tweemaal maakt, waar hij twijfel
+oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden.
+Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der
+andere partij.</p>
+
+<p>Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg:
+<i>Bondestudentar</i> (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste
+plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet
+meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die
+hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de
+schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de
+Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er
+hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij
+stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus
+naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een
+programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en
+geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen.</p>
+
+<p>Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke
+ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Dani&euml;l Braut, <a name='Page_191'></a>een
+boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere
+maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke
+mislukking van die poging. Wel brengt Dani&euml;l Braut zijne studie ten
+einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem
+steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen,
+door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden,
+in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan
+karakter in Dani&euml;l Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den
+strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te
+worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal
+afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis
+van Dani&euml;ls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar
+zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het
+zorgen voor den dag van morgen, immers:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;God geeft den zijnen kleeren en brood,<br /></span>
+<span>terwijl zij zachtelijk slapen.&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Dani&euml;l begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt,
+mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt
+een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de
+uitspraak: &quot;die niet werkt, zal niet eten.&quot; Tot het voor hem opgaat, dat
+<a name='Page_192'></a>de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking &quot;de
+zijnen&quot;. &quot;De zijnen&quot;,&mdash;dat zijn de burgemeester en de commissaris van
+politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij
+zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot &quot;de zijnen&quot; te behooren. Dat
+wordt het ideaal van Dani&euml;l Braut. Daar er dus van den beginne af in
+Dani&euml;l geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit
+blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij
+misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij
+zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar.</p>
+
+<p>In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle
+rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze
+roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit
+Kristiania, die ten deele v&oacute;&oacute;r zijn tijd liggen, maar die hij toch met
+een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten.
+Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die
+men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is
+dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven
+reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek'
+bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de
+dubbele beteekenis der figuur&mdash;als schepping van Garborg en tevens als
+den tijdelijken geestelijken helper van <a name='Page_193'></a>zoovele mannen, die in
+Noorwegen beteekenis gehad hebben&mdash;deelen wij een paar staaltjes uit een
+schooluur mee.</p>
+
+<p>&quot;Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen
+en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met
+de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het
+prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij.
+'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich
+ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?&mdash;och ja.
+Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen
+moesten klaarspelen&mdash;de oude zat maar te 'accompagneeren'&mdash;dan ging het
+mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den
+gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep
+zich met twee vingers vast in den neus en las <i>amo</i> met een stem en een
+gezicht, dat de jongens het uitbrulden.&quot;</p>
+
+<p>Er wordt vertaald.</p>
+
+<p>&quot;Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder
+kwamen&mdash;er stond: <i>nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta
+regna reges defendant</i>&mdash;, toen zat hij vast, hij nam <i>tanta</i> bij
+<i>regna</i>. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Moseb&oslash;! Als
+je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student,
+en dan een varken, en je <a name='Page_194'></a>vond vlak daarop een mooie zijden parasol op
+den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en
+zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol
+verloren?&mdash;Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot
+je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij
+niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja
+zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het
+varken, neemt <i>tanta</i> bij <i>regna</i>, omdat <i>regna</i> het naast bij staat.
+Maar <i>tanta</i> hoort bij <i>vi; quanta vi, tanta vi</i>, Halvor Moseb&oslash;!&quot;&mdash;De
+jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen'
+niet licht.</p>
+
+<p>Dani&euml;l Braut is evenals T&oslash;rres Sn&oslash;rtevold in Kielland's <i>Jacob</i> een
+boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het
+materi&euml;ele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen
+zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij
+behandeld zijn. T&oslash;rres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet.
+Dani&euml;l Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is T&oslash;rres een
+caricatuur, terwijl het lot van Dani&euml;l Braut ons tragisch voorkomt.
+Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn
+natuurlijken kring had gelaten.</p>
+
+<p>In een paar volgende werken keert Garborg <a name='Page_195'></a>tot de problemenlitteratuur
+terug. Maar wat in <i>Bondestudentar</i> gewonnen was, is niet verloren; het
+probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost,
+maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische
+schildering van een reeks levende personen.</p>
+
+<p><i>Mannfolk</i> (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie
+over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat
+groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is
+gezegd. Bj&oslash;rnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak
+tendentiedrama <i>En Hanske</i> (Een Handschoen), gevolgd door de brochure
+<i>Engifte og Mangegifte</i> (Zij, die met &eacute;&eacute;n vrouw en die met vele vrouwen
+trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer
+zij verneemt, dat hij v&oacute;&oacute;r haar eene andere heeft bemind. Bij het
+afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle
+oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de
+schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie
+ontstond. Men was v&oacute;&oacute;r of tegen; in het openbaar meest v&oacute;&oacute;r. Toen
+verscheen Hans J&aelig;ger's hierboven (blz. <a href='#Page_184'>184</a>) besproken boek en werd
+geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van
+Kristian Krogh <i>Albertine</i>; ook hiervan werden de exemplaren door de
+overheid opgehaald.</p>
+
+<p><a name='Page_196'></a>Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van
+Bj&oslash;rnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke
+korte vertelling <i>Ungdom</i> (Jeugd) (1885); dan volgt <i>Mannfolk</i>, waarin
+de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen
+kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die
+het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het
+huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische
+eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen
+bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig
+ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bj&oslash;rnsonsche
+idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en
+levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch
+ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere
+geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven
+dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit.</p>
+
+<p>Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de
+hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de
+tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in
+het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan
+noch van de eene, noch <a name='Page_197'></a>van de andere afzien,&mdash;en zoo blijft hem dan
+niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man
+en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is
+hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne
+zuchten in po&euml;tische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem
+ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er
+aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij
+van h&egrave;m zeker is, dan luidt zijn antwoord: &quot;ik kan naar waarheid zeggen,
+dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest&quot;. En even later knikt hij
+resoluut: &quot;De waarheid moet ons heilig zijn&quot;.</p>
+
+<p>Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel
+is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de
+verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen,
+vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische
+toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele
+ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de
+beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een
+teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want
+deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Dani&euml;l
+Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.</p>
+
+<p><a name='Page_198'></a>Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het
+verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid
+het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent
+daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere
+confiscati&euml;n den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien
+maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver.
+Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer
+opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van <i>Mannfolk</i>
+schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.</p>
+
+<p>Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan
+een hut, aan het meer Savalen in het &Oslash;sterdal, en weldra treedt hij in
+het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn
+bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te
+meer.</p>
+
+<p>Het verblijf op Kolbotten&mdash;zoo heet Garborg's woning in het
+&Oslash;sterdal&mdash;heeft hij beschreven in een idyllisch boek, <i>Kolbottenbrev</i>
+(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven
+van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen
+uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie
+en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belang<a name='Page_199'></a>rijksten factor
+in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in
+het voorbijgaan <i>Hjaa ho Mor</i> (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger
+van <i>Mannfolk</i>. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven,
+maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf
+geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat
+het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een
+pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt,
+kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een
+verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met
+vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt.
+Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit
+blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch
+met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden,
+dan toen het voor het eerst het licht zag.</p>
+
+<p>Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk
+<i>Uforsonlige</i> (Onverzoenlijken). Het is ge&iuml;nspireerd door politieke
+gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt.
+Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil,
+is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een
+partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de
+'onverzoenlijken' <a name='Page_200'></a>vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat
+het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere
+considerati&euml;n'. E&eacute;n man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De
+meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en
+slaan dan om.</p>
+
+<p>Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man
+geworden.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_17_17'></a><a href='#FNanchor_17_17'>[17]</a><div class='note'><p> Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van
+27 Sept. 1872: &quot;Menschen, die Jaabeck en Bj&oslash;rnson op vrije voeten laten
+gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden&quot; (Breve I,
+264).</p></div>
+
+<a name='Footnote_18_18'></a><a href='#FNanchor_18_18'>[18]</a><div class='note'><p> Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij
+later nog eenmaal den redenaar Bj&oslash;rnson als voorbeeld neemt, ditmaal
+voor zijn ideale figuur Dr. Stockman (zie blz. <a href='#Page_135'>135</a>). Dit toont, dat
+Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds
+levende voorbeelden gebruikte.</p></div>
+
+<a name='Footnote_19_19'></a><a href='#FNanchor_19_19'>[19]</a><div class='note'><p> De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de
+predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor
+iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in
+zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de
+zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.</p></div>
+
+<a name='Footnote_20_20'></a><a href='#FNanchor_20_20'>[20]</a><div class='note'><p> Van zijn romans is er maar &eacute;&eacute;n (<i>Jacob</i>) geschreven na
+zijn werkzaamheid als redacteur.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='HOOFDSTUK_V'></a><h2><a name='Page_201'></a>HOOFDSTUK V.</h2>
+
+<p>JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN.</p>
+<br />
+
+<p>Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die
+in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad.
+Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere
+landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls
+voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen,
+zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de
+problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographie&euml;n
+herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor
+'ziel' en 'persoon' in de plaats. Z&oacute;&oacute; kan het schijnen, wanneer men
+uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten
+vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de
+ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde
+lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te
+meenen, dat zij den <a name='Page_202'></a>nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als
+verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden,
+begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890
+debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was,
+blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond
+treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig.</p>
+
+<p>Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet
+tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat
+niet tot schade van de letterkunde. De problemen-po&euml;zie was slechts in
+weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit
+het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de
+dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van
+gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men
+kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men
+niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de
+grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen
+waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode
+blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen
+treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het,
+van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn <a name='Page_203'></a>uitgegaan, die
+nieuwe bezieling gebracht hebben.</p>
+
+<p>Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak
+tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De
+gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd
+kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De
+tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de
+tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand
+gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te
+putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de
+letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch
+proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het
+sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms
+meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium,
+dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle
+maatschappelijke ontwikkeling.</p>
+
+<p>Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element;
+zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is.
+Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering,
+stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie
+voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel
+duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere
+naturalisme <a name='Page_204'></a>plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn.
+Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en
+stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een
+zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt,
+om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze
+schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de
+gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men
+vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters
+van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans J&aelig;ger; wij vinden het
+terug bij Gabri&euml;l Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die
+alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming
+als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken;
+anderen slaan dit stadium over of maken het door v&oacute;&oacute;r den tijd, waarin
+zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme
+voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan
+zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot
+god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te
+realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook,
+wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het
+schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar
+de <a name='Page_205'></a>schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan
+eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te
+deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven
+heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang
+bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren
+resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met na&iuml;eve
+oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost
+gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor
+ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien.</p>
+
+<p>Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats
+de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in <i>Vildanden</i> (zie blz. <a href='#Page_138'>138</a>)
+is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,&mdash;een diep
+pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft,
+want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een
+pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die <i>En
+Folkefiende</i> kenmerkt; de leer van <i>Vildanden</i> is, dat het niet loont,
+voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het
+in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets
+nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant <a name='Page_206'></a>geworden in
+<i>Rosmersholm</i> (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier
+nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het
+drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu
+onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke
+overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka
+wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij
+manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het
+leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn;
+slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op
+Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de
+mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven
+kost, is bijzaak, of liever&mdash;daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is
+andere taal dan die, welke Relling in <i>Vildanden</i> voert. Het is de taal
+van den man met den paardenhoef in <i>Peer Gynt</i>, die zielen, welke zich
+verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere
+ingredi&euml;nten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt.</p>
+
+<p>In een gansch andere sfeer verplaatst ons <i>Fruen fra Havet</i> (De Vrouw
+van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van
+minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een
+ideaal, maar <a name='Page_207'></a>ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida
+leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar
+vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met
+ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige
+behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik,
+wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar
+vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk
+verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door
+overwinning van het ego&iuml;sme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt,
+en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die
+een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het
+hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan.</p>
+
+<p>Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in <i>Lille Eyolf</i>
+(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet,
+nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid
+verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche
+verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van
+wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven,
+door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart
+<a name='Page_208'></a>en het opgeven van het ego&iuml;sme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid
+geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te
+worden'.</p>
+
+<p>Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's po&euml;zie.
+Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met
+het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida
+behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts
+incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld
+worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In
+de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en
+hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is
+zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt
+volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is
+wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft
+toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven,
+en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is
+een heerschzuchtig ego&iuml;st, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook
+een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het
+leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich
+herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den
+dienst opzeide, en het is <a name='Page_209'></a>de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij
+hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven
+inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij
+hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabri&euml;l
+Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ru&iuml;ne over anderen
+gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht
+jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd,
+dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij
+wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen
+komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van
+Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van
+bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood
+heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is,
+stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag
+stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en
+hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn
+zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner
+ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten.</p>
+
+<p>Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in
+<i>Naar vi d&oslash;de vaagner</i> (Als wij dooden ontwaken) (1899). In
+<a name='Page_210'></a>tegenstelling met John Gabri&euml;l wordt Rubek zich den tweespalt in zijn
+leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en
+mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt
+zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm
+en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne
+geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te
+laten behouden, doen&mdash;te laat&mdash;een poging, om het verzuimde in te halen.
+Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een
+gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in
+een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien
+bestijgen, gaan zij samen onder.</p>
+
+<p>Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk
+voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk
+aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het
+zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele
+drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere
+schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen
+ook hier weer een voorganger geweest is.</p>
+
+<p>Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep
+heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich <a name='Page_211'></a>aan te
+ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze.
+Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabri&euml;l Finne in 1899 op
+drie&euml;ndertig jarigen, Sigbj&oslash;rn Obstfelder in 1900 op
+vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen
+leeftijd.</p>
+
+<p>Van deze drie toont Gabri&euml;l Finne het duidelijkst den samenhang met de
+vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest<a name='FNanchor_21_21'></a><a href='#Footnote_21_21'><sup>[21]</sup></a>, maar
+hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige
+richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den
+vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de
+keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt,
+het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon
+is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het
+disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste
+oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de
+titel van zijn eersten bundel verhalen, <i>Unge Syndere</i> (Jonge Zondaars),
+toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn
+standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de
+maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet
+<a name='Page_212'></a>mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie
+om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het
+cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij
+geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de
+wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar
+wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd
+uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan
+schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen
+lijden, en z&oacute;&oacute; is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven
+romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele
+personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte
+ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne
+bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood
+heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman <i>Rachel</i>, waarin de
+nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat
+Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm
+heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde.</p>
+
+<p>Finne's belangrijkste werken zijn: <i>Filosofen</i> (1889), <i>Unge
+Syndere</i>(1890), <i>Doktor Wangs B&oslash;rn</i> (1890), <i>To Damer</i> (1891), <i>Uglen</i>
+(De Uil) (1893), <i>Konny</i> (een tooneelstuk) (1895), <i>Rachel</i> (1895).</p>
+
+<p><a name='Page_213'></a>Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist
+geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar
+hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt.</p>
+
+<p>Op eene gansch andere wijze reageert Sigbj&oslash;rn Obstfelder op de harde
+indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van
+de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats
+het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling
+plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond
+hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt
+niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne
+vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de
+eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in
+hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den
+dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de
+menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het
+dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is
+beurtelings panthe&iuml;stisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich
+soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft;
+deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan &eacute;&eacute;n vertelling ontmoet deze
+'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke
+of <a name='Page_214'></a>uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria
+onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit;
+Obstfelder weet haar z&oacute;&oacute; te schilderen, dat inderdaad de verworpene
+reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige
+overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de
+onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel
+der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem
+belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven
+gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale
+individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig
+voorbeeld leeren wij in <i>Korset</i> (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont
+zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name
+Dostojewski.</p>
+
+<p>In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar
+daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende
+ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien.
+Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed
+geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet
+oud geworden is.</p>
+
+<p>Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat
+lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van
+zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook <a name='Page_215'></a>in het portret met den
+weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan
+eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl N&aelig;rup siert.</p>
+
+<p>In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling
+met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug
+tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse&mdash;zelfanalyse&mdash;daalt
+veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht
+der periode, die achter hem ligt.</p>
+
+<p>De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: <i>Digte</i> (1893), <i>To
+Novelletter, Korset, De r&oslash;de Draaber</i> (De roode Droppelen), <i>En Pr&aelig;sts
+Dagbog</i>. Van deze heeft <i>Korset</i> het meest de aandacht getrokken.</p>
+
+<p>Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor
+genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen
+kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie
+boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te
+toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot
+een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, <i>Blandt
+Anarkister</i>, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij
+op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van <a name='Page_216'></a>de
+drie verhalen, die de beide volgende boeken (<i>Ira</i> en <i>To Noveller</i>)
+bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een
+zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel
+ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (<i>En Ensom</i>);
+naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de
+psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element
+aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar
+ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het
+licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis.
+Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat
+hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden.</p>
+
+<p>Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt,
+eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst
+behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn
+gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn
+ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van
+dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het
+positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te
+zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener
+oude leer tot een gehoorzaam <a name='Page_217'></a>naprater eener nieuwe leer was geworden;
+het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij
+gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder
+hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de
+theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man
+was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu
+hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte,
+de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die
+beschreven wordt in <i>Tr&aelig;tte M&aelig;nd</i> (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert
+de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is
+geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te
+schrijven, Gabri&euml;l Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een
+bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op
+genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een
+ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt
+hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood
+is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is.</p>
+
+<p>Maar Garborg is niet Gabri&euml;l Gram. Hij laat zich niet door een dominee
+op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van
+arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij
+geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, <a name='Page_218'></a>maar
+voor hem zelf is <i>Tr&aelig;tte M&aelig;nd</i> een bad, waarin hij afwascht het
+negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom
+zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het offici&euml;ele
+aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn
+oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en
+gelijk hij in <i>Tr&aelig;tte M&aelig;nd</i> zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers
+onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de
+Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van
+redenen.</p>
+
+<p>Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's
+gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op,
+van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte,
+omdat hij geen vrede had met God. <i>Nu</i> begrijpt hij hem; nu kan hij met
+liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij
+zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na <i>Tr&aelig;tte M&aelig;nd</i>, verscheen
+<i>Fred</i> (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm
+van een roman wordt verteld. <i>Fred</i> is een overweldigend boek. Nergens
+bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier.
+Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het
+primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking <a name='Page_219'></a>te
+geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter
+gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de
+razernij van den godsdienstwaanzin.</p>
+
+<p>Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd,
+dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom
+komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,&mdash;maar telkens komt de
+duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving
+hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige
+gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te
+krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God
+blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking
+het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt;
+dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot
+rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor;
+de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo
+groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren
+luisteren,&mdash;en staat er niet geschreven: &quot;aangaande mij en mijn huis,
+wij zullen den Heere dienen&quot;? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil
+doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in
+den geest, en,&mdash;twijfelt men, dan <a name='Page_220'></a>moet men slechts dat doen, wat het
+vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs
+en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen
+ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen
+loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te
+verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden.
+Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord.</p>
+
+<p>Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en
+dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo
+moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn.
+Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de
+oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om
+aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De
+schrift zegt: &quot;Dwingt ze, om in te gaan,&quot; Maar het geweld heeft slechts
+deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de
+vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,&mdash;niet aan Gods
+woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij
+heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och,
+kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat
+het <a name='Page_221'></a>niet erger kon worden!&mdash;De aanvallen van angst en twijfel nemen
+toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich
+verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als
+Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en
+nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds
+thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,&mdash;en toch niet alleen, want
+ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo
+wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten
+te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij
+ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele
+hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de
+troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk
+in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij
+hem; &eacute;&eacute;n onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong,
+en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. &quot;De zuidenwind streek
+over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht
+en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde....&quot;</p>
+
+<p>Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit
+resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij.
+<a name='Page_222'></a>dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd
+wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in
+onzekerheid. Indien er &eacute;&eacute;n ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is
+het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): &quot;Het was het
+Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het
+Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van
+Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in J&aelig;deren de macht gekregen
+had.&quot; Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel,
+maar gaf hun geen levend geloof.</p>
+
+<p>Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in
+tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op <i>Fred</i> volgen. Twee
+daarvan sluiten onmiddellijk bij <i>Fred</i> aan. Zij verhalen de
+geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar
+en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien
+hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk
+gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf.</p>
+
+<p><i>L&aelig;raren</i> (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit
+drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In
+beide staat &eacute;&eacute;n man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders
+zedelijk en verstandelijk, <a name='Page_223'></a>maar wordt uitgestooten, omdat hij de
+waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid
+van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal,
+dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld
+worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een
+ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin,
+bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave
+behoort tot de 'gewekten', de pi&euml;tisten, die bidstonden houden, die
+klagen over de zonde, en wier taal de tale Kana&auml;ns is. Hij is zelfs hun
+voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op
+een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de
+quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens
+gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen
+van zich zelf. &quot;Verkoopt, wat gij hebt,&quot; leert hij, &quot;en geeft het den
+armen.&quot; Die preek is z&oacute;&oacute; frisch en z&oacute;&oacute; geestig, dat het moeite kost, er
+niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot.</p>
+
+<p>&quot;Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als
+wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen
+hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!&mdash;En noemen dan die
+leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon
+<a name='Page_224'></a>gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons.</p>
+
+<p>&quot;Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek
+daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal
+en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen
+komen, moeten met macht naar binnen dringen,&mdash;met heel hun heetsten wil.
+Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom
+noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch
+stelt, geeft ook de kracht.&quot;</p>
+
+<p>Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: &quot;Zalig is de
+schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden.&quot; Er ontstaat
+schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: &quot;Voert
+haar naar buiten. Zij is van zich zelf.&quot;&mdash;Daarmee valt het gordijn van
+dit bedrijf.</p>
+
+<p>Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende
+gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun
+volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave
+leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders
+gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat
+wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend
+met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die
+vrienden van zonde en berouw, <a name='Page_225'></a>die hem een huichelaar noemen, en nu
+blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden.
+De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de
+schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt
+verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar
+man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen,
+ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het
+gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch
+goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te
+treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt.</p>
+
+<p>Een tweede stuk als <i>L&aelig;raren</i> is zeker vroeger noch later ten tooneele
+gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een
+Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in
+voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling.
+Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest
+persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in
+die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin
+hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een
+spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge
+gedachten houden het ver boven het <a name='Page_226'></a>niveau ook der goede
+tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen
+uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin <i>L&aelig;raren</i> speelt, is
+den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En
+wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de
+comische sc&egrave;nes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch
+geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is.</p>
+
+<p>Het andere werk, dat direct bij <i>Fred</i> aansluit, is een boekje vol
+po&euml;zie en vol wijsheid. <i>Den burtkomne Faderen</i> (De verloren Vader). Het
+is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de
+wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies
+verloren te hebben, oud v&oacute;&oacute;r den tijd, aan zich zelf en aan de
+menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om
+eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in
+hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint
+in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij
+heeft vrede gevonden met het leven&mdash;en met den dood.</p>
+
+<p>Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische
+oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van
+bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zacht<a name='Page_227'></a>heid. Gunnar houdt zich
+gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar
+niemand kan het hem wijzen: &quot;de rechtvaardigen hielden oordeel en
+zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden.&quot;
+Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem
+iets te zeggen. &quot;Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En
+hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu
+in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel
+vooruit gehad heeft. &quot;Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid.
+En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij.&quot;</p>
+
+<p>Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te
+begrijpen.</p>
+
+<p>Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren
+vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen.</p>
+
+<p>Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee
+dichtwerken, <i>Haugtussa</i>, en de voortzetting daarvan <i>I Helheim</i>.
+Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een
+visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels
+ophoudt; de dichter noemt haar Veslem&oslash;y, 'het stakkertje'. Het gedicht
+vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar
+in den <a name='Page_228'></a>steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen
+heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte
+en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze
+vrouw, die als <i>volva</i> (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar
+dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven.</p>
+
+<p>In <i>I Helheim</i> (In de Hel) gaat daarop Veslem&oslash;y in haar koortsigen droom
+met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar
+diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht
+heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur,
+maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn
+behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een
+psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad,
+dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten.
+Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen
+einde komt:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Een oogenblik in dit vuur<br /></span>
+<span>is eeuwigheid zonder einde.&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap
+terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat
+van zijne kindsheid. Het is losgemaakt <a name='Page_229'></a>van leerstelligheid; de nadruk
+wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid.</p>
+
+<p>Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die
+een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog
+directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven;
+zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als
+stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij
+z&oacute;&oacute; hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook
+in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld
+<i>Jesus Messias</i> (1906), <i>Den burtkomne Messias</i> (1907), <i>Heimkomin Son</i>
+(1908).</p>
+
+<p>Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap
+geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan
+den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort:</p>
+
+<p>&quot;Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen
+katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen
+protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en
+wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het
+volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige
+troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed
+hebben, maar de rijke man zal branden, heeter <a name='Page_230'></a>dan heet, van eeuwigheid
+tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden&mdash;.</p>
+
+<p>&quot;De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat
+macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen,
+liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo
+ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?&quot;</p>
+
+<p>Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een
+zedelijk opvoeder van zijn volk geweest.</p>
+
+<p>In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die
+in dezelfde periode optreden.</p>
+
+<p>Rasmus L&oslash;land (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk
+zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een
+groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud,
+handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en
+vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het
+allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn
+kinderverhalen <i>Det store Nashorne</i> (De groote Neushoorn) en
+<i>Kvitabj&ouml;rnen</i> (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg
+aan het begin van den na L&oslash;land's dood verschenen bundel <i>Paa
+Skuggesida</i> (Aan den Schaduwkant).</p>
+
+<p>Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen <a name='Page_231'></a>(geb. 1857), Per Sivle (&plusmn;
+1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen.</p>
+
+<p>Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende
+en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich
+door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een
+afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer
+hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In
+het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, <i>Menneskets Genesis</i>,
+is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn
+strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig
+leeft het geslacht van Ka&iuml;n nog.</p>
+
+<p>Heiberg's eerste tooneelstuk <i>Tante Ulrikke</i> (1884) houdt zich bezig met
+den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos;
+hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept
+den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig
+karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich
+slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, <i>Kong Midas</i> (1890), heeft
+Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later
+zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een
+waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten
+schijnen, bijna een <a name='Page_232'></a>groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft
+verwantschap met <i>Vildanden</i>, maar niet alleen het type, ook het stuk is
+gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering
+en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan
+Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering.
+Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van
+eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der
+achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach
+van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook
+het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog
+en houdt de belangstelling gaande. Op <i>Kong Midas</i> volgden een aantal
+andere werken, waarvan wij noemen <i>Kunstnerne</i> (1893), waarin de
+tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, <i>Det store
+Lod</i> (1895), <i>Harald Svans Mor</i> (1899). Een gansch ander karakter dragen
+een paar tragische stukken, <i>Balkonen</i> (1894) en <i>K&aelig;rlighedens Tragedie</i>
+(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles
+verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van
+de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan
+de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem
+wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich
+van den mensch <a name='Page_233'></a>meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering
+is knap, de lezer huivert,&mdash;maar hij wenscht van zulk een liefde
+verschoond te blijven.</p>
+
+<p>Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar
+wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand
+meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige
+geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een
+stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te
+overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot
+klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat
+hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch,
+indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in
+pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem
+daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van
+nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem
+behoed hebben,&mdash;een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden
+trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een
+druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt
+zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op
+elkaar te zetten en <a name='Page_234'></a>te vroolijker te worden, naarmate hij het
+moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand
+moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet
+zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen.</p>
+
+<p>De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij
+nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In <i>Sult</i> is het
+honger, in <i>Pan</i> is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de
+heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In <i>Mysterier</i>
+hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van
+waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld,
+die van den heer Nagel&mdash;zoo heet de man&mdash;niet weten wil, nauwelijks
+ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van
+Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een
+zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als
+een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele
+maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand
+bestond reeds in <i>Fra det moderne Amerikas Aandsliv</i>, een persifflage,
+naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet
+objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij,
+zoo is in <i>Sult</i> het 'ik' aanwezig. <i>Mysterier</i> is de eerste poging, <a name='Page_235'></a>om
+die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar
+voortreffelijke maatschappelijke romans, <i>Redakt&oslash;r Lynge</i>, waarin de
+verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers
+behandeld wordt, en <i>Ny Jord</i>, die een troep ijdele kunstenaars,
+voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige
+kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Boh&ecirc;me-leven,
+van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus,
+onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een
+achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een
+niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt
+hij weer in <i>Pan</i>, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken
+<i>Ved Rigets Port, Livets Spil</i> en <i>Aftenr&oslash;de</i> en in het wonderlijke
+gedicht in dramatischen vorm <i>Munken Vendt</i> (1902). In latere werken
+komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar
+zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist
+Bardsen in <i>B&oslash;rn af Tiden</i> en in <i>Segelfoss By</i>, een aristocratisch
+voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en
+onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang,
+waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type,
+dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar
+toch reeds van <a name='Page_236'></a>den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver
+steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een
+litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (<i>Under
+H&oslash;ststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Gl&aelig;de</i>) een
+nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze
+schrijft nu, gelijk in <i>Sult</i>, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu
+kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid
+is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een
+ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu
+aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat
+een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager
+te spreken, niet <i>alles</i> van het leven te wachten, maar het toch met
+dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'.</p>
+
+<p>In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters
+subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de
+wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen
+beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn
+belangstelling niet onthoudt. Z&oacute;&oacute; is de wereld, vindt hij, en z&oacute;&oacute; is het
+leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de
+zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen.
+Drie van deze <a name='Page_237'></a>boeken, <i>B&oslash;rn af Tiden, Segelfoss By, Markens Gr&oslash;de</i>,
+behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver
+nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt
+hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten
+gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die
+weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen.
+In de plebe&iuml;sche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer
+van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In <i>Markens Gr&oslash;de</i>
+echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder
+geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land
+bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en
+aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door
+toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die
+mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en
+weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt
+is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle
+vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel
+<i>Konerne ved Vandposten</i>.</p>
+
+<p>Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige
+andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar
+interessante bundels novellen (in &eacute;&eacute;n van <a name='Page_238'></a>deze het uitgelaten vroolijke
+stuk <i>Dronningen af Saba</i>). En dan het meesterwerk <i>Livet i Vold</i>,
+uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering.</p>
+
+<p>Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers
+van dit tijdvak,&mdash;hij is in 1853 geboren,&mdash;maar hij is betrekkelijk laat
+begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na
+1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen
+gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met
+oppositie tegen sommige theorie&euml;n uit het vorige tijdvak, en wel vooral
+tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die
+dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het
+verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk <i>Uten
+Ansvar</i> (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht,
+maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den
+dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren.</p>
+
+<p>Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle.
+Zijn locaal is het &Oslash;sterdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert
+1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in
+kleine bundels: <i>Skisser, Fra Skog og Fjeld</i>, e.a. Deze zijn verzameld
+onder den titel <i>Folkelivsbilleder</i> (1904). <a name='Page_239'></a>Jongere verzamelingen zijn
+<i>Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier</i>. Tot hetzelfde type
+behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans:
+<i>Fonnaasfolket</i> (1902), <i>Glomdalsbruden, &Oslash;sterdalskongen</i> (een breede
+uitwerking van een der Folkelivsbilleder), <i>Jutulskaret, Knut Veum</i>
+(1910, het laatste).</p>
+
+<p>Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur
+van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is
+dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde
+leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand
+komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen
+behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op
+polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer,
+zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van
+het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij,
+waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is,
+een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in
+die vertelling uit het &Oslash;sterdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat
+het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en
+maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die
+in tamelijk behoeftige omstandig<a name='Page_240'></a>heden leeft. De man is begaafd en heeft
+aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende
+zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar
+hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan
+oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een
+carri&egrave;re-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is
+niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt
+Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom
+toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is
+zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden,
+wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring
+blijft, behoeft dat niet gezegd te worden.</p>
+
+<p>Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre
+en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek;
+hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling
+van Bj&oslash;rnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te
+zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd.</p>
+
+<p>Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn
+belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte <a name='Page_241'></a>vertellingen.
+Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van
+De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van
+gelijken aard: <i>Sidsel Sidserk</i>, <i>S&oslash;lve Solfeng</i>, en een paar jongere
+bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, <i>Storken,
+H&oslash;it Tilhest</i> en <i>Hanen</i>, die door hun comische kracht aan Holberg
+herinneren.</p>
+
+<p>Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode
+begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren,
+Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb.
+1865).</p>
+
+<p>Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een
+lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het
+diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak.
+Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich
+openbarende in meer dan &eacute;&eacute;ne generatie. Zijne opvatting der levensvragen
+draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken
+zijner eerste periode zijn: <i>Jon Gr&aelig;ff</i> 1891, <i>Ensomme Mennesker</i> 1892,
+<i>Mulm</i> 1893, <i>Kobberslangen</i> 1894, <i>Ada Wilde</i> 1896, <i>Ulf Ran</i> 1897,
+<i>Enken</i> 1899.</p>
+
+<p>Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door <a name='Page_242'></a>vertellingen uit het
+volksleven, <i>Folkelivsskildringer</i>, waarvan de eerste bundel in 1894
+uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: <i>Almue</i> 1891, <i>En
+Skibsgut</i> 1892, <i>Straf</i> 1893, <i>Gammelholm</i> 1899, alsmede comedies:
+<i>Stridsm&aelig;nd</i> 1896, <i>Jakob og Kristoffer</i> 1900. Ook daarna heeft hij
+ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is
+van 1921 en draagt den titel <i>Inde i Fjordene</i>.</p>
+
+<p>Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite
+heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een
+origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen,
+veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen,
+waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan
+worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat.
+Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties,
+zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch
+niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet
+onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de
+dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan
+zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische
+juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite
+doet, ze door <a name='Page_243'></a>te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver
+heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te
+vernieuwen. In de jaren 1892&mdash;1900 gaf hij uit: <i>Huldren</i> 1892, <i>Ungt
+Folk</i> 1893, <i>Flaggermusvinger</i> 1895, <i>Sus</i> 1896, <i>Fra Hav til Hei</i> 1897,
+<i>Hugormen</i> 1898, <i>Tr&aelig;kfugle</i> 1899. Van zijn latere werken is misschien
+het belangrijkste <i>Den sidste G&aelig;st</i> 1910.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_21_21'></a><a href='#FNanchor_21_21'>[21]</a><div class='note'><p> Aan Kielland heeft hij ook zijn roman <i>To Damer</i>
+opgedragen.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='LYRISCHE_DICHTERS'></a><h2>LYRISCHE DICHTERS.</h2>
+<br />
+
+<p>In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de
+litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al
+wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De
+romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien
+tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts
+aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de
+groote verskunstenaar, gaat na <i>Peer Gynt</i> geheel tot het proza over; de
+romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste
+lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en
+daarmee zinkt de lyrische po&euml;zie in een winterslaap, die met weinig
+onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren
+enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder
+vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte
+onderbreking <a name='Page_244'></a>door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en
+Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit <i>Med Lyre og Lanse</i>
+(Met Lier en Lans), in 1880 <i>Vaarbrud</i> (Lentedoorbraak), de tweede in
+1880 <i>Polemiske Sonetter</i>. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk
+politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop
+zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de
+stemmingspo&euml;zie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: <i>Digte af Per Gynt</i>, in
+1897 <i>Norsk H&oslash;ifjeld</i>, in 1901 <i>Vintereventyr</i>.</p>
+
+<p>Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864),
+Caspari op dit gebied v&oacute;&oacute;r geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887,
+nieuwe bundels volgden in 1894 <i>Fra Vaar til H&oslash;st</i>, 1896 <i>Musik og
+Vaar</i>, 1900 <i>Det dyre Br&oslash;d</i>, 1904 <i>Fra Kristiana</i>. Uit deze verzen sprak
+een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te
+gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden.</p>
+
+<p>Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag,
+een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf,
+getiteld <i>Digte</i> en <i>Nat</i>, waarin deels, onder den invloed van Deensche
+dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel
+Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op
+het drama en den roman toegelegd.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='UITGAVEN_EN_LITTERATUUR'></a><h2><a name='Page_245'></a>UITGAVEN EN LITTERATUUR<a name='FNanchor_22_22'></a><a href='#Footnote_22_22'><sup>[22]</sup></a>.</h2>
+<br />
+
+<p>ALGEMEENE WERKEN.</p>
+
+<p>Henrik J&aelig;ger, <i>Illustreret norsk Literaturhistorie</i>, 3 dln. Kristiania
+1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl N&aelig;rup,
+<i>Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904</i>, Kristiania
+1905.&mdash;Gehrard Gran, <i>Nordm&aelig;nd i det 19<sup>de</sup> Aarhundrede</i>, 3 dln.
+Kristiania 1914. Houdt biographie&euml;n in van vooraanstaande mannen op
+ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als
+<i>Nordm. 19. A.</i>)&mdash;<i>Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug.</i>
+1915.&mdash;J.B. Halvorsen, <i>Norsk Forfatter-Lexicon.</i>&mdash;Edv. Bull, A.
+Krogvig, G. Gran, <i>Norsk biografisk Leksikon.</i> Verschijnt sedert 1921.</p>
+
+<p>HOOFDSTUK I.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Henrik Wergeland</span>. Wergeland, <i>Udvalgte Skrifter</i>. Kristiania en
+Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl N&aelig;rup. In
+deel VII eene autobiographie, getiteld <i>Hasseln&oslash;dder</i>.&mdash;O Skavlan,
+<i>Henrik Wergeland</i>, Kristiania 1892.&mdash;G. Gran, <i>Henrik Wergeland</i> in
+<i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Johan Sebastian Welhaven</span>. Welhaven, <i>Samlede Digterv&aelig;rker</i>, 3<sup>e</sup>
+uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.&mdash;<i>Digte i Udvalg</i>, 1919.&mdash;A.
+L&ouml;chen, <i>J.S. Welhavens liv og skrifter</i>, Kria 1900.&mdash;G. Gran, <i>Joh. S.
+Welhaven</i> in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p>
+
+<p><a name='Page_246'></a>HOOFDSTUK II.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Asbj&oslash;rnsen en Moe</span>. De verzamelingen zijn talrijke malen
+uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken
+titel <i>Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr</i> (deel I:
+<i>Huldreeventyr og Folkesagn</i>, deel II: <i>Folkeeventyr</i>). Hiervan bestaat
+eene volksuitgave en eene ge&iuml;llustreerde. Aanbeveling verdienen ook de
+kleinere ge&iuml;llustreerde bundels: <i>Norske Folke- og Huldre-eventyr i
+Udvalg</i>; <i>Udvalgte Folkeeventyr</i>; <i>Eventyrbok for B&oslash;rn</i>.&mdash;Moltke Moe,
+<i>Det nationale gjennembrud og dets m&aelig;nd (Asbj&oslash;rnsen, Moe, Aasen)</i> in
+<i>Nordm. 19. A.</i> dl. 2 (zeer leerzaam).</p>
+
+<p><span class='spaced'>J&oslash;rgen Moe</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Jubil&aelig;umsudgave.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Folkeviser</span>. M.B. Landstad, <i>Norske Folkeviser</i>, Christiania 1853,
+is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, <i>Gamle norske Folkeviser</i>,
+Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der <i>Norske Folkeviser</i>, door Knut
+Liest&oslash;l en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen.</p>
+
+<p><span class='spaced'>J.S. Welhaven</span>. Zie bij Hoofdstuk I.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Bj&oslash;rnstjerne Bj&oslash;rnson</span>. Bj&oslash;rnson, <i>Samlede Digterverker,
+Standardudgave</i>, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn
+afzonderlijk verkrijgbaar.&mdash;P.A. Rosenberg, <i>Bj&oslash;rnstjerne Bj&oslash;rnson</i>,
+1915.&mdash;G. Gran in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 3.&mdash;G. Brandes in <i>Det moderne
+Gjennembruds M&aelig;nd</i>, 2. uitg. 1891&mdash;R.C. Boer, <i>Bj&oslash;rnstjerne Bj&oslash;rnson</i> in
+<i>De Gids</i> (Nov. 1899). dez., <i>Laboremus</i> in <i>De Gids</i> (Aug. 1901).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Henrik Ibsen</span>. Ibsen, <i>Samlede Digterv&aelig;rker. Standardudgave</i>, 7
+dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk
+verkrijgbaar.&mdash;<i>Ibsens Episke Brand</i>, udg. af Karl Larsen 1907.&mdash;<i>Ibsens
+Efterladte Skrifter</i>, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de
+studie van den dichter.)&mdash;<i>Breve fra Henrik Ibsen</i>, 2 dln.
+1904.&mdash;<a name='Page_247'></a>Henrik J&aelig;ger, <i>Henrik Ibsen, Et liter&aelig;rt Livsbillede.</i>&mdash;G.
+Brandes, <i>Henrik Ibsen</i> 1898.&mdash;Albert Dresdner, <i>Ibsen als Norweger und
+Europ&auml;er</i>.&mdash;John Paulsen. <i>Samliv med Ibsen</i>, 1906. <i>Ny Samling</i>
+1913.&mdash;Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding
+der reeds genoemde <i>Efterladte Skrifter</i>.&mdash;R.C. Boer, <i>Peer Gynt</i> (<i>De
+Gids</i> van Oct. 1893). dez., <i>Kleine Eyolf</i> (<i>De Gids</i> van Febr. 1895).
+dez., <i>Reisherinneringen uit Noorwegen</i> (<i>De Gids</i>, Dec. 1908 en vv.;
+o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., <i>Ibsen's Epische
+Brand</i> (<i>Onze Eeuw</i>, 1909), dez., <i>Ibsen's Nagelaten Werken</i> (<i>Onze
+Eeuw</i> 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (<i>Neophilologus</i> 1919). Jacqueline
+E. van der Waals, <i>Brand en de brieven van Ibsen</i> (<i>Onze Eeuw</i>, Mei
+1919).&mdash;Een uitvoerig commentaar op <i>Peer Gynt</i> schreef H. Logeman (Den
+Haag 1917).</p>
+
+<p>HOOFDSTUK III.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Ivar Aasen</span>, <i>Skrifter i Samling</i>, 3 dln. Kria en Khvn.&mdash;Moltke
+Moe, <i>Det nationale gjennembrud og dets m&aelig;nd</i> (zie bij Hoofdstuk II).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Aasmund O. Vinje</span>. A.O. Vinje, <i>Skrifter i Utval</i>, utgjevne af Det
+norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).&mdash;<i>Dikt og prosaskrifter i
+utval</i> ved Halvdan Koht Kria, 1903.&mdash;<i>Ferdaminni</i> en <i>Storegut</i> zijn
+herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske
+Samlaget.&mdash;Vetle Vislie, <i>Aasmund Vinje</i>, Bergen 1890.&mdash;Een kort werkje
+van denzelfde in de <i>Norske Folkeskrifter</i> udgj. av Norigs Ungdomslag og
+Studentmaallaget n<sup>o</sup>. 28.&mdash;Halvdan Koht, <i>A.O. Vinje</i> in <i>Nordm. 19. A.</i>
+dl. 3.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Landsmaal</span>. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het
+landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven
+tijdschrift <i>Syn og Segn</i>.</p>
+
+<p><a name='Page_248'></a>HOOFDSTUK IV.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Camilla Collett</span>, <i>Samlede Verker Mindeudgave</i>, 3 dln. Enkele
+boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.&mdash;Alf Collett, <i>Camilla Colletts
+Livs Historie</i>. 1911.&mdash;Lilly Heber, <i>Camilla Collett</i>, 1913.&mdash;Mathilde
+Schj&oslash;tt in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Ibsen en Bj&oslash;rnson.</span>. Zie bij Hoofdstuk II.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Jonas Lie</span>. J. Lie, <i>Samlede Digterverker, Standardudgave</i>, 10
+dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk
+verkrijgbaar.&mdash;Arne Garborg, <i>Jonas Lie, En Udviklingshistorie</i>, Kria
+1893.&mdash;Erik Lie, <i>Jonas Lies Oplevelser</i>, Kria en Khvn 1908.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Alexander L. Kielland</span>. A.L. Kielland, <i>Samlede Digterverker.
+Standardudgave</i>, 5 dln. Kria en Khvn 1920. <i>Breve</i>, met inleiding van G.
+Gran, 1907.&mdash;Brandes, <i>Essays, Fremmede Personligheder</i>, Khvn 1889, p.
+17.&mdash;R.C. Boer, <i>Alexander L. Kielland</i> (<i>De Gids</i>, Mei 1897).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Kristian Elster</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Kria 1904.&mdash;<i>Brandes,
+Essays, Fremmede Personligheder</i>, p. 1,&mdash;A.L. Kielland in de uitgave van
+Elsters <i>Solskyer</i>.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Amalie Skram</span>. Hare romans zijn afzonderlijk
+verkrijgbaar.&mdash;<i>Samlede Skrifter</i>, uitverkocht.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Arne Garborg</span>. Arne Garborg, <i>Skrifter i samling.
+Jubilaeumsutgaave</i>, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.&mdash;Erik
+Lie, <i>Arne Garborg, En Livsskildring</i>, Kria 1914.&mdash;Zie ook de
+Garborg-aflevering van <i>Syn og Segn</i> (Januari-Februari 1921).&mdash;R.C.
+Boer, <i>Reisherinneringen uit Noorwegen</i> (<i>De Gids</i>, Dec. 1908 en vv.).</p>
+
+<p>HOOFDSTUK V.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Gabriel Finne</span>. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.&mdash;R.C.
+Boer. <i>Gabriel Finne</i>, (<i>De Gids</i>, Juli 1898).</p>
+
+<p><a name='Page_249'></a><span class='spaced'>Sigbj&oslash;rn Obstfelder</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Kria en Khvn
+1917. De werken ook afzonderlijk.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Arne Garborg</span>. Zie bij Hoofdstuk IV.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Rasmus L&oslash;land</span>. Een biographische schets door Arne Garborg is
+hierboven bladz. 225 genoemd.&mdash;R.C. Boer, <i>Reisherinneringen</i> (zie
+vorige pag.).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Gunnar Heiberg</span>. <i>Samlede dramatische Verker</i>, 4 dln. Kria
+1917-1918.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Knut Hamsun</span>. <i>Samlede Verker</i>, 12 dln. Ook afzonderlijk.&mdash;John
+Landquist, <i>Knut Hamsun, En studie &ouml;ver en nordisk romantisk
+diktare</i>.&mdash;R.C. Boer. <i>Knut Hamsun</i> (<i>De Gids</i> November 1896), dez.,
+<i>Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur</i> (<i>De Gids</i>, Maart en April
+1912), dez., <i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pag.).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Jacob B. Bull</span>. <i>Folkelivsbilleder</i>, 4 dln., 3<sup>e</sup> uitg. 1919.
+<i>Folkelivsromaner</i>, 3 dln., 2<sup>e</sup> uitg. 1918&mdash;<i>Nutidsromaner</i>, 3 dln.
+1918.&mdash;<i>Historiske romaner</i>. 4 dln.&mdash;De meeste werken ook
+afzonderlijk.&mdash;R.C. Boer, <i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pag.).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Hans Aanrud</span>, <i>Fort&aelig;llinger</i>, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der
+uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.&mdash;R.C. Boer,
+<i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pagina).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Thomas Krag</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 9 dln. De werken ook
+afzonderlijk.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Hans E. Kinck</span>. Over zijn drama <i>Den sidste G&aelig;st</i> zie R.C. Boer,
+<i>Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur</i> (<i>De Gids</i>, Maart en April
+1912).</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_22_22'></a><a href='#FNanchor_22_22'>[22]</a><div class='note'><p> Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer
+beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='REGISTER_VAN_AUTEURS'></a><h2><a name='Page_250'></a>REGISTER VAN AUTEURS.</h2>
+
+Aanrud, H., <a href='#Page_240'>240</a>-<a href='#Page_241'>241</a><br />
+Aasen, I., <a href='#Page_101'>101</a>-<a href='#Page_103'>103</a><br />
+Arnim, <a href='#Page_30'>30</a><br />
+Asbj&oslash;rnsen, P. Chr., <a href='#Page_30'>30</a>-<a href='#Page_35'>35</a>, <a href='#Page_40'>40</a>-<a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_45'>45</a>, <a href='#Page_48'>48</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_99'>99</a>, <a href='#Page_126'>126</a><br />
+Auerbach, B., <a href='#Page_44'>44</a><br />
+Bjerregaard, H.A., <a href='#Page_52'>52</a><br />
+Bj&oslash;rnson, B., <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_44'>44</a>-<a href='#Page_46'>46</a>, <a href='#Page_52'>52</a>, <a href='#Page_68'>68</a>-<a href='#Page_79'>79</a>, <a href='#Page_86'>86</a>, <a href='#Page_87'>87</a>, <a href='#Page_91'>91</a>, <a href='#Page_110'>110</a>, <a href='#Page_111'>111</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_126'>126</a>, <a href='#Page_128'>128</a>, <a href='#Page_129'>129</a>, <a href='#Page_135'>135</a>, <a href='#Page_139'>139</a>-<a href='#Page_143'>143</a>, <a href='#Page_155'>155</a>, <a href='#Page_195'>195</a>, <a href='#Page_196'>196</a><br />
+Brandes, G., <a href='#Page_67'>67</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_189'>189</a><br />
+Brentano, <a href='#Page_30'>30</a><br />
+Bugge, S, <a href='#Page_35'>35</a><br />
+Bull, J.B., <a href='#Page_238'>238</a>-<a href='#Page_240'>240</a><br />
+Caspari, C.P.F., <a href='#Page_244'>244</a><br />
+Collett, C., <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_124'>124</a>-<a href='#Page_126'>126</a><br />
+Dostojewski, <a href='#Page_214'>214</a><br />
+Drachmann, H., <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_244'>244</a><br />
+Dybfest, A., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_215'>215</a>-<a href='#Page_216'>216</a><br />
+Egge, P., <a href='#Page_241'>241</a>-<a href='#Page_242'>242</a><br />
+Elster, Kr., <a href='#Page_183'>183</a><br />
+Faye, A., <a href='#Page_31'>31</a>, <a href='#Page_48'>48</a><br />
+Finne, G., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_211'>211</a>-<a href='#Page_213'>213</a><br />
+Fj&oslash;rtoft, O.J., <a href='#Page_104'>104</a><br />
+Garborg, A., <a href='#Page_104'>104</a>, <a href='#Page_186'>186</a>-<a href='#Page_200'>200</a>, <a href='#Page_216'>216</a>-<a href='#Page_230'>230</a><br />
+Goldschmidt, M., <a href='#Page_112'>112</a><br />
+Grimm, J. en W., <a href='#Page_30'>30</a><br />
+Gran, G., <a href='#Page_17'>17</a><br />
+Hamsun, K., <a href='#Page_233'>233</a>-<a href='#Page_238'>238</a><br />
+Hansen, M., <a href='#Page_14'>14</a><br />
+Heiberg, G., <a href='#Page_231'>231</a>-<a href='#Page_233'>233</a><br />
+Heiberg, J.L., <a href='#Page_21'>21</a><br />
+Heiberg, P.A., <a href='#Page_21'>21</a><br />
+Heine, H., <a href='#Page_110'>110</a>, <a href='#Page_115'>115</a><br />
+Herre, B., <a href='#Page_43'>43</a><br />
+Hertz, H., <a href='#Page_49'>49</a><br />
+Hielm, J.A., <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_98'>98</a><br />
+Holberg, L., <a href='#Page_11'>11</a>, <a href='#Page_232'>232</a>, <a href='#Page_241'>241</a><br />
+Ibsen, H., <a href='#Page_22'>22</a>, <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_37'>37</a>, <a href='#Page_38'>38</a>, <a href='#Page_46'>46</a>-<a href='#Page_51'>51</a>, <a href='#Page_54'>54</a>-<a href='#Page_69'>69</a>, <a href='#Page_80'>80</a>-<a href='#Page_96'>96</a>, <a href='#Page_112'>112</a>, <a href='#Page_114'>114</a>, <a href='#Page_121'>121</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_126'>126</a>-<a href='#Page_139'>139</a>, <a href='#Page_205'>205</a>-<a href='#Page_210'>210</a>, <a href='#Page_243'>243</a><br />
+Jacobsen, J.P., <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_244'>244</a><br />
+J&aelig;ger, Hans, <a href='#Page_184'>184</a>-<a href='#Page_186'>186</a>, <a href='#Page_195'>195</a>, <a href='#Page_204'>204</a><br />
+J&aelig;ger, Henrik, <a href='#Page_28'>28</a>, <a href='#Page_67'>67</a><br />
+Kielland, Al. L., <a href='#Page_155'>155</a>, <a href='#Page_168'>168</a>-<a href='#Page_183'>183</a>, <a href='#Page_203'>203</a><br />
+Kinck, H.E., <a href='#Page_242'>242</a>-<a href='#Page_243'>243</a><br />
+Knudsen, K., <a href='#Page_99'>99</a><br />
+Krag, Th., <a href='#Page_241'>241</a><br />
+Krag, V., <a href='#Page_244'>244</a><br />
+Krogh, Kr., <a href='#Page_195'>195</a><br />
+Landstad, M.B., <a href='#Page_30'>30</a>, <a href='#Page_35'>35</a>-<a href='#Page_36'>36</a>, <a href='#Page_46'>46</a><br />
+Lie, J., <a href='#Page_44'>44</a>, <a href='#Page_143'>143</a>-<a href='#Page_168'>168</a>, <a href='#Page_243'>243</a><br /><a name='Page_251'></a>
+L&oslash;land, R., <a href='#Page_230'>230</a><br />
+Mill, Stuart, <a href='#Page_121'>121</a><br />
+Moe, J., <a href='#Page_30'>30</a>-<a href='#Page_35'>35</a>, <a href='#Page_42'>42</a>, <a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_45'>45</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_99'>99</a><br />
+Moe, M., <a href='#Page_32'>32</a><br />
+Munch, A., <a href='#Page_52'>52</a>-<a href='#Page_54'>54</a><br />
+Munch, J. Storm, <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_28'>28</a><br />
+Munch, P.A., <a href='#Page_103'>103</a><br />
+Novalis, <a href='#Page_28'>28</a><br />
+N&aelig;rup, C., <a href='#Page_215'>215</a><br />
+Obstfelder, S., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_213'>213</a>, <a href='#Page_215'>215</a><br />
+Randers, Kr., <a href='#Page_244'>244</a><br />
+Runeberg, J.L., <a href='#Page_115'>115</a><br />
+Sagen, Lyder, <a href='#Page_14'>14</a><br />
+Sars, E., <a href='#Page_54'>54</a><br />
+Schj&oslash;tt, M., <a href='#Page_82'>82</a><br />
+Schiller, Fr. von., <a href='#Page_14'>14</a><br />
+Schultze, H., <a href='#Page_44'>44</a><br />
+Schwach, C.N., <a href='#Page_14'>14</a><br />
+Seip, D.A., <a href='#Page_11'>11</a><br />
+Sivle, P., <a href='#Page_230'>230</a><br />
+Skavlan, O., <a href='#Page_50'>50</a><br />
+Skram, A., <a href='#Page_183'>183</a>-<a href='#Page_184'>184</a><br />
+Snorri Sturlason, <a href='#Page_55'>55</a><br />
+Spencer, H., <a href='#Page_121'>121</a><br />
+Tvedt, J., <a href='#Page_230'>230</a><br />
+Vinje, A., <a href='#Page_46'>46</a>, <a href='#Page_103'>103</a>, <a href='#Page_105'>105</a>-<a href='#Page_120'>120</a>, <a href='#Page_126'>126</a>, <a href='#Page_129'>129</a><br />
+Vislie, V., <a href='#Page_129'>129</a><br />
+Vogt, N. Collett, <a href='#Page_244'>244</a><br />
+Welhaven, J.S.C., <a href='#Page_6'>6</a>, <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_15'>15</a>, <a href='#Page_20'>20</a>-<a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_36'>36</a>-<a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_79'>79</a>, <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_85'>85</a>, <a href='#Page_90'>90</a>, <a href='#Page_124'>124</a><br />
+Wergeland, H., <a href='#Page_6'>6</a>, <a href='#Page_14'>14</a>-<a href='#Page_21'>21</a>, <a href='#Page_25'>25</a>, <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_32'>32</a>, <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_85'>85</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_124'>124</a><br />
+&Oslash;hlenschl&auml;ger, A.G., <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_30'>30</a>, <a href='#Page_51'>51</a><br />
+&Oslash;stgaard, N., <a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_44'>44</a>, <a href='#Page_126'>126</a><br />
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 13591 ***</div>
+</body>
+</html>
+
+
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..cc45ebc
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #13591 (https://www.gutenberg.org/ebooks/13591)
diff --git a/old/13591-8.txt b/old/13591-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..1629eed
--- /dev/null
+++ b/old/13591-8.txt
@@ -0,0 +1,5812 @@
+The Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de Negentiende
+Eeuw, by R.C. Boer
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw
+
+Author: R.C. Boer
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13591]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+[Transciber's Note:
+
+The printed errata have been resolved in the main text and removed.
+
+Inconsistensies in spelling, hyphenation and accents have been
+preserved, except for proper names. Those have been normalized to
+correct spelling with the help of a native Norwegian speaker.]
+
+VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK
+
+onder redactie van de Vereeniging "V.U.B."
+
+Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, _Voorzitter_; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM,
+Amsterdam, _Ondervoorzitter_; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM;
+Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J.
+BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY;
+Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS;
+Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR.
+J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, _Secretaris_.
+
+20
+
+HAARLEM
+
+DE ERVEN F. BOHN
+
+1922
+
+
+NOORWEGENS LETTERKUNDE
+IN DE NEGENTIENDE EEUW
+
+DOOR
+
+DR. R.C. BOER
+Hoogleeraar te Amsterdam
+
+HAARLEM
+DE ERVEN F. BOHN
+1922
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+Voorbericht
+
+Hoofdstuk I. Het ontwaken der nationale letterkunde
+
+ II. Romantiek
+
+ III. De taalbeweging en de oudste schrijvers
+ in landsmaal
+
+ IV. Het realisme
+
+ V. Jongere richtingen en persoonlijkheden
+
+Uitgaven en litteratuur
+
+Register van auteurs
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19e eeuw begint
+met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is
+slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de
+voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het
+chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt
+ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien,
+verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te
+buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te
+behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd
+op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode
+hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan
+allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering
+gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel vóór 1900
+debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt,
+niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen
+eener--niet al te enge--keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die
+wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe
+plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen
+althans eenigszins tot hun recht komen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE.
+
+
+1. _Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814_.
+
+In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen
+aan eene diepe depressie ten prooi. Eén ding was er, dat met recht de
+geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat
+waren, in beslag nam--de inrichting van den nieuwen staat en van zijne
+organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene
+aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan
+voorbijgaande belangstelling aanspraak maken.
+
+De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de
+ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie
+had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen,
+en de omstandigheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen
+ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land
+nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en
+wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch
+van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als
+officiëele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide
+landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was
+verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in
+sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het
+accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop
+der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd,
+dat er geen sprake meer was van tweeërlei bevolking. Het was trouwens
+een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name
+het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen
+overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper
+geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn.
+
+Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen
+stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde
+dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis
+had. Voor de plattelandsbevolking beteekende dit een ophouden van het
+litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten,
+bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale
+sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen
+voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop
+der 19e eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten
+opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg
+nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het
+voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst,
+accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan
+vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben
+meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken
+zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan.
+
+Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene
+eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde
+deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken
+werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal
+geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te
+onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder
+mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet
+gebruikelijk waren; dit waren provincialismen, die toch niet aan de
+taal een zeer bijzonder karakter gaven[1].
+
+Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der
+Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won
+Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de
+minder ontwikkelde volksklasse,--een samenhang, die in dien tijd toch
+niet heel veel kon beteekenen--, trad een samenhang met Denemarken, dat
+geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de
+algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale
+tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld
+werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien
+bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet
+slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te
+laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche
+kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der
+periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De
+grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen
+afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18e eeuw zijn
+er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden.
+
+De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt.
+Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het
+beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou
+geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien
+er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin
+nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een
+klein land geen geringe beteekenis.
+
+Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met
+Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het
+was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de
+wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land
+is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel
+schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats,
+die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam,
+het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw
+volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te
+volbrengen.
+
+De krachten van het nieuwe volk worden in de eerste plaats besteed aan
+het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet
+later volgen. Vóór alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en
+bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar
+veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische
+neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet
+denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden.
+Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen
+staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en
+voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote
+machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog
+hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat
+oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men
+koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust,
+dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat
+het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de
+ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot
+ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te
+scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt,
+draagt het stempel van deze armoede. Het zijn òf herhalingen der poëzie
+van de achttiende eeuw, òf bombastische loftuitingen op het Noorsche
+volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder
+Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn
+alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van
+vreemde voorbeelden, Schiller, Øhlenschläger, de Duitsche romantici;
+iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee
+verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als
+nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den
+titel _Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815_. Ongeveer al, wat zich in
+Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee
+bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat "ook tusschen
+Noorwegens klippen bloemen groeien". Maar onder die twintig is er niet
+één, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 1: Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in
+Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje _Dansk og
+Norsk i Norge i eldre Tider_, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden
+schrijver _Norsk Sproghistorie_ (1920).]
+
+
+
+
+2. _Wergeland--Welhaven._
+
+
+Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel
+met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als
+met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en
+land--maar toch vooral de stad--met rumoer. Het is treffend, dat wij bij
+deze eerste vlucht omhoog, die de nieuwe Noorsche litteratuur maakt,
+een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven
+toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook
+later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met
+hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen
+nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale
+gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en
+aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en
+een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den
+algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den
+moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland--Welhaven.
+
+Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet
+meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene
+productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal
+jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn
+jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot
+stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch
+predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van
+1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de
+herinnering aan dat jaar hoog gehouden werd, en dit milieu heeft een
+stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd
+kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige
+vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige,
+opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg
+onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen,
+maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de
+theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in
+kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het
+rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later,
+bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant
+aan de actieve politiek deelgenomen.
+
+Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke
+werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op
+een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld _Skabelsen, Mennesket og
+Messias_ (De schepping, de mensch en de Messias).
+
+Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet zóó te verstaan,
+dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof
+had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die
+van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van meer
+dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te
+schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript
+van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met
+de volgende vellen.
+
+Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en
+wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van
+dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het
+formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn
+persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont.
+
+De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene
+allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche
+overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol.
+Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar,
+komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange
+ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer
+nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van
+dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd
+van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de
+dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke
+een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter
+telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. De revolutie is
+daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom
+ook door den dichter een "bijbel der republikeinen" genoemd.
+
+Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te
+onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent,
+en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de
+menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet
+bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken.
+Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een
+gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de
+gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit
+iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de
+lezers--Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen--, maar de heftige
+toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele
+vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het
+gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het
+tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd
+over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum.
+
+Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft _Skabelsen,
+Mennesket og Messias_, gelijk de geheele productie van Wergeland,
+groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust
+der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze
+beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander
+verdringen, in den regel zóó snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt,
+maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te
+zeggen heeft,--soms echter ook zóó veel, dat hij valt over zijn woorden.
+Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte
+gevoeld werd.
+
+In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een
+groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm
+(o.a. _Papegøien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle,
+Barnemordersken_ e.a.), vertellingen in verzen (_Jan van Huysums
+Blomsterstykke, Den engelske Lods_), verhandelingen over politiek,
+geschiedenis (_Norges Konstitutions Historie_), moraal, taalhervorming
+en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij
+ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men
+thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn
+beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook
+in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor
+algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van
+vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de
+emancipatie der Joden. Het werk voor verlichting hangt samen met de
+houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand
+aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren
+geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was
+een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij
+te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te
+nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon,
+heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der
+impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld
+aannam van Carl Johan,--inderdaad een inconsequente handelwijze voor den
+dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op "tyrannen"
+af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld,
+en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs
+verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld
+als een nationaal verlies.
+
+Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf
+aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode
+Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene
+aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en
+de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne moeder was een nicht van den
+Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L.
+Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave
+gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge
+menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche
+patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte
+zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten
+van den Noorweegschen "odelsbonde" (d.i. de boer, die bezitter van zijn
+goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op
+wat Deensch was. In de politiek was Zweden de bête noire geworden; in
+zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken.
+
+Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of
+voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts
+in straatoploopen en andere luidruchtige manifestatiën. De aanvoerder
+van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu
+ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen.
+Het verschijnen van _Skabelsen, Mennesket og Messias_ deed den emmer
+overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze
+Wergeland zijn "razen tegen het verstand" verweet. Een heftige
+pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epigrammen.
+Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe
+heftigheid voortgezet.
+
+Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend
+resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur
+het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor
+hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de
+representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in
+plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen
+van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand
+gekomen, dat _Norges Dæmring_ (De Schemering van Noorwegen) heet.
+
+Een grooter tegenstelling dan die tusschen _Skabelsen_, _Mennesket og
+Messias_ en _Norges Dæmring_, laat zich niet denken. In _Norges Dæmring_
+voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig
+van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76
+sonnetten; de vorm is meesterlijk.
+
+Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang
+herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen
+krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke
+de patriotten gewend waren te geven. Groot en sterk is het land,
+krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar
+tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk
+gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de
+schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg
+voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen
+vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte
+de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen,
+Trondhjem;--nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij
+wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die
+groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En
+welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om
+vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen
+geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om
+tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor
+krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke
+vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des
+geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze
+gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich
+alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal
+daad zal worden, wat nu woorden zijn, zoekt de dichter troost[2].
+Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der
+voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar
+waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert:
+
+ "Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord;
+ hvad Norge var, det maa han engang vorde
+ paa Land, paa Bølge og i Folkerang."
+
+ (Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet
+ het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der
+ volken).
+
+_Norges Dæmring_ is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe
+bijgedragen, Noorwegen _i folkerang_ te doen worden, wat het eenmaal
+was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de
+massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg
+ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij
+ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door
+een troep gemeen afgeranseld.
+
+Een daad was _Norges Dæmring_ niet minder in de litteratuur. Hier werkt
+die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren,
+klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodieën te laten
+hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank.
+
+Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en
+Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de
+uitvoerigste "Literaturhistorie" van Noorwegen van Henrik Jæger kan men
+het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de
+groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En
+ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen
+in de 19e eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden
+nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de
+kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt,
+is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is
+het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur
+evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het
+sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de
+latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen
+zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie
+van Wergeland, en ook zijn behoefte, om aanvoerder van eene massa te
+zijn, vinden wij terug bij Bjørnson; het scherpe verstand, de vlijmende
+spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven
+keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bjørnson ook in zijn patriottische
+zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van
+grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met
+gelijke trekken bij Welhaven.
+
+Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor
+Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der
+eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn
+verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming[3], en de practijk
+tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als
+die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het
+verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de
+gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich
+zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken,
+wanneer zij maar half af waren.
+
+Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door
+verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij
+vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij
+had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt
+werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van
+zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende
+eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe
+gedachtenstroomingen.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 2:
+
+ Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad,
+ hvad nu er taust skal finde starke Munde
+ i Thingets Sale og i Templets Buer;
+ hvad nu er Larm skal blive vise raad,
+ og vis'ne ho'der byttes om med sunde--
+ hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer!
+]
+
+[Footnote 3: _Om norsk sprogreformation_. Een voorganger had Wergeland
+hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.]
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+ROMANTIEK.
+
+
+1. _De volksromantiek_.
+
+
+Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche poëzie eene bloeiperiode aan.
+Het is de romantiek, die haar intocht houdt[4]. De vorige periode leefde
+in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der
+Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar
+een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong
+niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in
+het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er
+reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te
+regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe
+onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de
+toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De
+romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur,
+en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen
+machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen,
+juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een
+frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik
+vóór alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij
+op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de
+krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder
+de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk
+geïmporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden
+de hekken van het patriottisme verhangen.
+
+De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen
+zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was
+en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede
+helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland
+gekomen, waar men de zaak grondig had opgevat. Herder was begonnen met
+studiën over volkspoëzie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven,
+om òf de stof te gebruiken in eigen gedichten, òf den toon van het
+volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet
+de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op
+getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und
+Hausmärchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn).
+In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de
+meest bekende dichter van den tijd, Øhlenschläger, zich van deze stoffen
+meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu
+is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide
+richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van
+stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de
+getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste
+werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone
+bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht
+hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste
+beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C.
+Asbjørnsen en Jørgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich
+als eerste uitgever van volkspoëzie M.B. Landstad aan.
+
+Asbjørnsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de
+stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen
+zouden geven[5]. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De
+overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van
+teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet
+alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat
+dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm
+bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot
+zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de
+bijzondere wijze van uitdrukking de poëzie dezer vertellingen gelegen
+was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden
+uitgegeven in de officiëele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en
+uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon,
+zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun
+zóó goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die
+tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen
+gelezen worden, hebben zij ook een zeer grooten invloed gehad op de
+ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het
+Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van
+deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de
+latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed
+van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer
+Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens
+nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die
+boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van
+voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe,
+den zoon van Jørgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is
+voortgegaan.
+
+De _Norske Folkeeventyr_ (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841
+verschenen[6], behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche
+letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan,
+grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen zóó
+eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan
+in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting
+meedeelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het
+bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een
+geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme
+litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote
+dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het
+werk tot op dezen dag niets verloren.
+
+Een eenigszins ander karakter dan de _Folkeeventyr_ dragen twee andere
+verzamelingen van Asbjørnsen, _Norske Huldreeventyr og Folkesagn_ (N.
+Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven.
+Asbjørnsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van
+romantiek tot realisme. Ofschoon het woord "eventyr"[7] in den titel
+voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen
+omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbjørnsen
+legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan,
+en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog
+geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die
+een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van
+zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote
+plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn
+vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de
+natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de
+Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen--Oostlandsch--dialect. Het
+werk van Asbjørnsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het
+volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst
+gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel
+_Plankekørerne_ (De Plankenvoerlui) draagt.
+
+Asbjørnsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar
+duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter
+karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr
+og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbjørnsen aan zijn zegslieden
+het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire,
+ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi
+gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek
+heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De
+Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan
+ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij.
+
+In 1853 gaf Landstad uit _Norske Folkeviser_. Daarop volgde in 1858 een
+kortere verzameling van Sophus Bugge: _Gamle norske Folkeviser_[8]. Deze
+boeken zijn niet zóó algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes
+van Asbjørnsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd[9].
+Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door
+weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten
+konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden
+opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal
+geärchaïseerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen
+toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te
+verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds
+voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is
+veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de
+opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de
+sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen
+staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een
+veel vroegere periode (de 16e eeuw) zijn opgeschreven.
+
+Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad,
+niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de
+gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters
+hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de poëzie in hooge
+mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads
+uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen.
+
+Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de
+eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden.
+Na de dæmringsfeide[10] zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel
+_Digte_ uit. Later verschenen _Nyere Digte_ 1845, _Halvhundrede Digte_
+1848, _Digte_ 1851, _Digte_ 1860, eindelijk nog _Sidste Digte_ (van 1860
+tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste
+helft der eeuw heeft voortgebracht.
+
+De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch
+ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud
+naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar
+naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw
+element bij.
+
+Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun
+gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige
+periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd
+en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt
+lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat _Vidar_. _Vidar_
+is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het
+einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. _Vidar_ was ook de
+naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte
+van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het
+monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft.
+
+De gedichten _Sisyphos, Glaukos, Goliath, Møkkurkalv, Nehemias_ (1839),
+_Tantalos, Protesilaos, Kalchas_ (1845), _Herakles, Ganymedes,
+Philoktetes_ (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het
+voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben
+verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van
+eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de
+wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een
+merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang,
+nadat hij in _Et Dukkehjem_ en _Gengangerne_ met de publieke opinie
+slaags was geweest. Eerst komt een uiting van lust om den strijd voort
+te zetten in _En Folkefiende_, dan de ontmoedigde verklaring, dat de
+man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in
+_Vildanden_[11].
+
+Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks
+vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de
+liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid.
+Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat
+hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven
+liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel
+woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de
+universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf
+zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen
+samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig,
+heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die
+der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten
+samen met die der mythologische gedichten. Ook hier bestaat een
+merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding
+voor het leven ontvangt,
+
+ "naar løst fra længsler og fra vild begær
+ den flyer til mindets aandehjem befriet"[12].
+
+(Kærl. Komedie, Værker II, 261).
+
+Vergelijk daarmee Welhaven's verzen:
+
+ "Hver en Fryd maa trylles om
+ til et Savn, som Sjælen freder;
+ Mindet kun et Held bereder,
+ der er Livets Eiendom"[13].
+
+(Digte 1845. Værker II, 234).
+
+Voornaam is deze poëzie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde
+heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen
+hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar
+persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij
+als schoon gevormde gedachte tot den lezer.
+
+Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische
+beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan deze
+beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij
+Welhaven's natuurpoëzie te danken. De romantische vlucht van de stad en
+de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar
+ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze
+dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof.
+Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, nøkken,
+nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbjørnsen ze deed, hun
+intree in de kunstpoëzie. Welhaven heeft in dit genre veel
+natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En
+ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden
+was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was.
+Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan
+de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want
+zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers
+wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer
+genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische poëzie van een
+dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn
+tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook
+nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden
+bron van poëzie een rijke was, die in de behoefte van meer dan één
+geslacht kon voorzien.
+
+Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad,
+in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden.
+Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige
+generatie.
+
+Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich
+verwijderen van het realisme waarnemen. _Norges Dæmring_ is te gelijk
+idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des
+dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor
+zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn
+pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in
+bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn
+troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het
+leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart
+zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee
+richtingen. Voor de eene--en dit is de richting der
+huldre-romantiek--bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,--ook
+Asbjørnsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze
+gehuldigd,--voor de andere zijn de ware objecten voor onze
+belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen,
+en deze richting loopt uit op menschenstudie en zoodoende op realisme
+in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbjørnsen in enkele stukken
+gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in
+de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt
+voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbjørnsen's
+realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot
+doorbraak komen.
+
+Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten
+van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van
+verschil. Welhaven heeft zich ook sterk geïnteresseerd voor de
+verzamelingen van Asbjørnsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de
+behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn
+behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van
+populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche
+letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche
+Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van
+de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een
+stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de
+geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid
+vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch.
+
+In 1840 werd Welhaven lector,--later (1846) professor in de
+philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het
+vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft
+nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het
+jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus
+is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan
+historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een
+duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan
+van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn.
+Hij stierf in 1873.
+
+Ook Jørgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen,
+is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de
+natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door
+eenvoud en religieusiteit.
+
+Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook
+melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in
+verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters
+der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot
+de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's _En Jægers
+Erindringer_, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der
+schilderingen van het volksleven behoort Østgaard's _En Fjeldbygd_. Het
+boek staat onder den invloed van Asbjørnsen's vertellingen, maar hij
+miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene
+zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van
+talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet
+hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan
+twijfelen, of het boek wel tot de poëtische litteratuur gerekend kan
+worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbjørnsen
+las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het
+denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van
+eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling.
+
+Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen
+schreef, samen uitgegeven onder den titel _Fra Lofoten og Solør_,
+interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake
+is,--Solør ligt in het binnenland--de bewoners der eilanden hun eerste
+intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger
+van Jonas Lie.
+
+Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bjørnson's
+boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in.
+
+Bjørnstjerne Bjørnson is in 1832 geboren als zoon van een
+dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te
+zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania,
+waar hij een tijd lang Heltberg's "studentenfabriek" bezocht--zie
+hierover meer in Hoofdstuk IV--en in 1852 student werd. Reeds te voren
+had hij een--onrijp--tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij
+regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856
+bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe
+Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier
+dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het
+eene is _Mellem Slagene_, dat in een ander verband besproken wordt; het
+andere is _Synnøve Solbakken_, de eerste zijner boerenvertellingen.
+
+Men kan zeggen, dat Bjørnson's novellen eene periode openen, en dat zij
+er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze
+beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling,
+die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de
+voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De
+sprookjes van Asbjørnsen en Moe zijn rijk aan poëzie, maar toch niet in
+de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct
+van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van Østgaard
+was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door
+menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bjørnson vereenigde
+een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot
+vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst
+kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel
+uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten
+opgang maakten.
+
+Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke
+zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste
+gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te
+vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt
+met Vinje's kritiek op Bjørnson's volgende vertelling _Arne_, die later
+zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van
+boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bjørnson, en die den
+schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede
+stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers
+met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bjørnson en zijn
+criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bjørnson
+mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet
+het portret nader bij de werkelijkheid staan.
+
+De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in
+twee jeugdwerken van Ibsen, _Gildet paa Solhoug_ (Het Feest te Solhoug,
+1855) en _Olaf Liljekrans_ (1856). Deze twee stukken representeeren een
+eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter.
+
+Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een
+welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen,
+en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee
+gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te
+Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In
+de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te
+bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte
+hij. Zóó is zijn eerste drama _Catilina_ ontstaan in den winter 1848-'49
+(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania,
+bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk _Kæmpehøien_
+van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste
+doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij
+een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen,
+met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu
+volgen snel op elkander _Sankthansnatten, Fru Inger til Østraat, Gildet
+paa Solhoug_ en _Olaf Liljekrans_. Het eerste van deze werken is van
+geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre;
+over de beide laatste zal hier iets gezegd worden.
+
+Toen Ibsen _Gildet paa Solhoug_ schreef, waren zijne oogen reeds
+opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe
+letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde
+zijne gedachten in eene andere richting. _Gildet paa Solhoug_ zou, wat
+de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend;
+de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14e eeuw), en door het
+hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar
+onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht
+te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene
+voorstudie voor _Hermændene paa Helgeland_, dat geheel onder den invloed
+der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der
+volkspoëzie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen
+worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor
+_Olaf Liljekrans_ bestaan verschillende voorstudiën. Voor een van deze,
+en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (_Rypen
+i Jostedal_, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling
+volkssagen van Faye, die hierboven genoemd werd. Wij hebben
+hier dus een stof, die met Asbjørnsen's vertellingen punten van
+aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door
+het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd;
+er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier zóó ver,
+dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een
+volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat
+citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen
+den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door
+overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde
+stuk _Sankthansnatten_, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt.
+
+Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te
+stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een
+voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre
+opgang gemaakt had, met name in zijn drama _Svend Dyrings Hus_. Wanneer
+men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz
+nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige
+kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere
+uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van _Olaf
+Liljekrans_ is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en
+een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk
+is. Het toont, dat de dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling
+door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die
+het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo
+gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de
+dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme
+voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs zóó
+ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling
+schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst
+proclameert. Deze verhandeling--later uitgegeven in het tiende deel
+zijner _Samlede Værker_--verscheen na de beide tooneelstukken en
+beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857)
+verscheen _Hermændene_, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie
+opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama
+gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym
+Jokum Pjurre, eene comedie _Gildet paa Mærrahoug_, waarvan reeds de
+titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (_mær_
+beteekent merrie).
+
+Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de
+eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed,
+waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal--groote
+stukken van _Olaf Liljekrans_, waar de individueele lyriek de
+volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen
+geschreven heeft--, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar
+ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester,
+die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de
+beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van
+bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn,
+reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal
+zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen
+jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in _Kejser og Galilæer_.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 4: Vertalingen van werken der Duitsche romantische school
+komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von
+Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici
+werden gelezen (zie Jægers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan
+uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.]
+
+[Footnote 5: De eenige voorganger van Asbjørnsen en Moe was de predikant
+Faye, die in 1833 een verzameling _Norske Folkesagn_ uitgaf, tamelijk
+rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het
+karakteristieke niet deed uitkomen.]
+
+[Footnote 6: Een voortzetting door Asbjørnsen met bijdragen uit
+opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2e uitg. 1876).]
+
+[Footnote 7: Het woord _huldreeventyr_ is een maaksel van Asbjørnsen en
+eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van poëtische fantasie,
+_huldre_ behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming
+voor zulke vertellingen is _huldresagn_.]
+
+[Footnote 8: In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling _Sange,
+Folkeviser of Stev_ (d.i. refreinen) uitgegeven.]
+
+[Footnote 9: Zie echter het litteratuuroverzicht.]
+
+[Footnote 10: Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan
+_Norges Dæmring_ een deel uitmaakt.]
+
+[Footnote 11: Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte
+als in uitdrukking tusschen _Protesilaos_ (Welhaven, Digtverker II,
+219): "Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han kæmper
+kun og falder" en _Brand_ (Ibsen, Saml. Værker III, 231): "Men hver, som
+gaar i første række, maa falde for sin fagre sag."]
+
+[Footnote 12: "Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd
+vliegt naar de geesteswoning der herinnering."]
+
+[Footnote 13: "Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis,
+waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een
+geluk, dat het eigendom der ziel is."]
+
+
+
+
+2. _De historiseerende Romantiek_.
+
+
+In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in
+zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den
+drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de
+historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan
+historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden
+beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer
+dan allen de volksoverlevering cultiveerde, Øhlenschläger, heeft ook tal
+van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote
+afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de
+bloeitijd is niet geheel dezelfde, en het geheel valt later dan in
+Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard[14] een historisch drama
+_Magnus Barfods Sonner_ (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had
+dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen
+toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den
+nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient
+zijn gedicht _Sønner af Norge_ van 1820 genoemd te worden, dat het
+nationale lied van het land geweest is, tot het door Bjørnson's _Ja, vi
+elsker dette Landet_ werd vervangen.
+
+In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de
+vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en
+drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste
+omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van
+1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich,
+doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studiën gemaakt;
+hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de
+geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten het eigen land. En hij
+waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken
+stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele
+gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De
+romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;--een
+liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat
+eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid
+schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama
+_Kong Sverres Ungdom_ (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud
+deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door
+haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene
+intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een
+historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende
+karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem
+zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon
+dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre.
+Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een
+historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd
+te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus
+een soort heerschappij oefende. In meer dan één genre had hij volstrekt
+niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk
+gehad, zijn roem te overleven, ofschoon hij tot het laatst is
+doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884
+op 73-jarigen leeftijd.
+
+De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de
+Engelsche geschiedenis ontleende tragedie _William Russel_ (1857) werd,
+ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde
+gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking
+(Saml. Værker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars,
+toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is
+merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in _Kærlighedens Komedie_,
+waar hij een bekrompen dame, Frøken Skære, haar verontwaardiging laat
+uiten over een student, die zóó laag, zóó onbeschoft, zóó gemeen was, om
+zelfs _William Russel_ te critiseeren. Het stuk wordt hier dus
+voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke
+plebejers.
+
+Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie _Hertug Skule_, die in
+1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's
+_Kongsemnerne_ was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De
+vergelijking was doodend;--hiermee had het aanvoerderschap van Munch in
+de Noorweegsche letterkunde een einde.
+
+Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in
+al haar schakeeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt
+dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de
+ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het
+historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch
+drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama.
+
+Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur.
+Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche
+vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij
+voorbeeld de stof voor Munch's _En Aften paa Giske_ uit Snorris Oláfs
+saga helga[15]. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de
+nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is
+die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en
+zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het
+persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen zóó, dat niets
+meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met
+het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der
+voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene
+kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is.
+
+Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's
+romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof
+insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder
+mate. _Catilina_ valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting
+van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd
+gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het
+gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het
+jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk poëzie te halen.
+Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet
+die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek
+aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden.
+
+_Fru Inger til Østraat_ (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter
+bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet zóó gevormd, en de
+ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk
+en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men
+den indruk, dat de dichter onder den invloed van het--insgelijks
+romantische--gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij
+de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen.
+Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp
+geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch.
+
+De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn _Hermændene
+paa Helgeland_ (1857) en _Kongsemnerne_ (1864). Van deze beteekent het
+tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog één historisch
+drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier
+bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische
+en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie
+in.
+
+De stof voor _Hermændene_ en _Kongsemnerne_ is aan de Noorsche oudheid
+ontleend. In een enkel opzicht vormt _Hermændene_ nog een overgang van
+het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt
+niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der
+middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den
+man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de
+_Volsungasaga_ die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen
+wordt opgedischt. De _Volsungasaga_ behoort niet tot de beste saga's,
+vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof
+uit de Edda, en zóó gaat _Hermændene_ in laatste instantie terug op eene
+stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die
+met de latere volkspoëzie punten van aanraking hebben. Het conflict is
+ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama _Gildet
+paa Solhoug_ behandeld was. Wanneer desniettegenstaande _Hermændene_ met
+recht tot een ander genre geteld wordt dan _Gildet paa Solhoug_, dan is
+de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl.
+Maar de stijl is dan ook niet die der _Volsungasaga_, maar die der
+historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd
+had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het
+voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der _Egilssaga_, der
+_Njálssaga_,--en hier is de stijl een andere dan in de _Volsungasaga_.
+Men kan dus met recht zeggen, dat in _Hermændene_ de familiesaga in
+dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de
+_Volsungasaga_, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in
+de _Njálssaga_ voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het
+schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is.
+
+En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie,
+waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit
+gezichtspunt eene vergelijking van het slot van _Gildet paa Solhoug_ met
+het slot van _Hermændene_. In het lyrisch drama, dat door stemmingen
+beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin
+bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige
+Bengt; de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven
+jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint
+het geluk. In _Hermændene_ is de hartstocht een stormwind, die alles
+wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood
+de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij één
+man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op.
+
+Op geheel andere wijze is _Kongsemnerne_ (De Kroonpretendenten) een
+historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de
+geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante,
+maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen,
+maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende
+langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want
+hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van
+die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover _Kongsemnerne_
+handelt. Tot nu toe stond het ééne landschap tegenover het andere, en de
+geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten
+tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken
+en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald
+Hárfagri had Noorwegen tot een _rijk_ gemaakt; nù moet het een _volk_
+worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als
+Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als
+bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is
+daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne
+maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over,
+dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet
+gegeven is, te leven.
+
+Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de
+Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit
+perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen
+tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer
+naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij
+door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was
+opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die
+kwamen, zouden de Skandinaviërs tot broeders maken, gelijk Hákon
+Hákonsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo
+nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen
+van Hákon wijzen, gelijk Hákon Skule wijst op de dagen van Harald
+Hárfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten
+beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden
+gesteld, Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen.
+Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die
+op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep:
+_Vaagner_ (wordt wakker), _Skandinaver_! getuigt er van.
+
+En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de
+interessantste figuur van het drama. Want _Kongsemnerne_ is niet alleen
+een tijdgedicht--het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht.
+Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van ééne zijde van den
+dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne
+roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is
+zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over
+hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel
+zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het
+denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer
+noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den
+grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn
+tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen,
+en zelf daarbij onder te gaan.
+
+Een tijdvak van negen jaren scheidt _Kongsemnerne_ van het geweldigste
+van Ibsen's historische drama's: _Kejser og Galilæer_. De romantische
+droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk
+afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de
+reeks moderne drama's (_nutidsdramer_) te openen, die aan de letterkunde
+van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt[16], om
+nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit
+de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal
+geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die
+van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste
+wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe
+verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de
+meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de
+lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te
+dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot
+hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk
+dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar
+het gaat hem als Kaïn; zijn offer wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan
+bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor
+brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de
+verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de
+idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en
+waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem
+dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop
+op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal
+voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de
+ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij
+gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich
+tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den
+Galileër, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een
+tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galileër aan hem
+persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer
+zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galileër
+opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den
+wettigen keizer ook dien tegen den Galileër aan. In naam herstelt hij
+het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist
+deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning
+voert. Vóór dien tijd heerschte het Christendom in het uitwendige; het
+was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde
+in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter
+begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering
+op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument,
+waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den
+Galileër, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het
+Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot
+oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de
+mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: "Jullie God
+is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen." Alleen Makrina
+spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: "Verdwaalde
+menschenziel,--_moest_ je dwalen, dan zal het je zeker ten goede
+gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken
+komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode
+levenden!"
+
+Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote
+drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die _Kejser og Galilæer_
+direct aan _Kongsemnerne_ bindt. De voorstelling van de roeping is niet
+geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest,
+waarin de dichter zich jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In
+_Kongsemnerne_ is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met
+Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft,
+wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met
+blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd,
+maar het begrip is toch aanwezig. In _Brand_ treedt de roeping op als
+een eisch, die verschrikken kan. In _Peer Gynt_ is sprake van twee
+wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief;
+in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van
+een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen,
+dat zij haar roeping verzaakt. In _Kejser og Galilæer_ blijven alleen de
+twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet.
+Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is
+alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het
+resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet
+dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of
+ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij
+kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede
+voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en
+zóó wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar
+wreedsten vorm. Daarom is Juliaan, evenals Kaïn en Judas, een martelaar
+voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de
+menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor
+deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken.
+
+Zóó ziet een philosophisch extract uit _Kejser og Galilæer_ er uit. Het
+stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten
+kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen
+levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme.
+Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij
+zóó in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon.
+Levend--en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene
+nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op
+elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van
+Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten
+heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de
+schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld
+kent.
+
+Bij het schrijven van _Kejser og Galilæer_ had Ibsen meer historisch
+materiaal, om op te bouwen, dan bij _Kongsemnerne_, en dit kan een der
+oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan
+bij het oudere drama. Ook was de dichter in den tusschentijd een ander
+geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873,
+kort voor het verschijnen van _Kejser og Galilæer_, aldus uit:
+"Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van
+wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest
+doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te
+gelijk geheele, volkomen realistische poëzie; ik heb de figuren voor
+mijn oogen gezien in het licht van den tijd,--en wil hopen, dat de
+lezers hetzelfde doen." In den zin, waarin de dichter hier het woord
+opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de
+stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan
+Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed
+der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien
+het juist is, wat Henrik Jæger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt--en
+tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen--dat in de
+teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar
+slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de
+teleurstelling van den dichter, die in de jaren vóór 1870 een nieuwen
+tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke
+persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden
+staatsburger had gegrondvest, dan is ook in deze wijze, om de oudheid
+in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met
+de wijze, waarop de grondgedachte in _Kongsemnerne_ ontstaat onder den
+invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm
+was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere
+banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer
+gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke
+problemen bezighouden.
+
+Bjørnson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856
+_Mellem Slagene_ (Tusschen de Gevechten), 1858 _Halte-Hulda_, 1861 _Kong
+Sverre_, 1862 _Sigurd Slembe_, 1864 _Maria Stuart i Skotland_, 1872
+_Sigurd Jorsalfar_ (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot
+de historiseerende romantiek de gedichtencyclus _Arnljot Gelline_
+(1870). Afgezien van _Maria Stuart_ vallen al deze werken binnen het
+kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van
+overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin,
+dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof
+eene--gefingeerde--gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas
+de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In
+_Mellem Slagene_ treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als
+deus ex machina in een rol, die zeker den historischen Sverre slecht
+zou gepast hebben,--hij moet den vrede stichten tusschen twistende
+echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man
+tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. _Halte-Hulda_
+maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de
+handeling gezegd wordt, in de 13e eeuw te geschieden. Het conflict is
+hier van gelijken aard als in _Hermændene_, en het is hier gelijk daar
+de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in
+aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen _Hermændene_ en _Halte-Hulda_
+nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik
+de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de
+natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bjørnson zich tot het
+publieke leven, dat--wanneer men een stof uit de oudheid
+kiest,--natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die
+men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de
+stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de
+koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt.
+
+Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters
+blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's
+van Ibsen en van Bjørnson niet groot. Vergelijkt men Bjørnson's
+historische drama's met die van een vroegeren tijd, dan is er wel een
+groote afstand. Bjørnson had levendigheid van geest en een groot lyrisch
+talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij
+had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een
+dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter
+heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen
+wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die
+hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen
+oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis
+te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere
+menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist
+hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren
+weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond
+hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De
+individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel
+oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en
+zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van
+elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's
+gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de
+man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook
+dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet de noodzakelijkheid niet
+in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan _Sigurd Slembe_, het stuk, dat
+doorgaat voor het beste van Bjørnson's historische drama's. Uitwendig
+heeft de held eenige gelijkenis met Skule in _Kongsemnerne_. Als deze
+tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft
+ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om
+zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren
+koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel
+trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem
+vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt
+Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van
+dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet
+precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een
+toeval--de grootere haast van de vijanden--de oorzaak, dat Sigurd
+misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een
+psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de
+hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die
+Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang
+bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed
+meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn
+vrienden beraden had, wat nu te doen stond, voor hij sluipmoordenaar
+werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem
+gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de
+grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond
+onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu
+consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde
+bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen
+bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin,
+waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar één pijl
+verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter
+gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche
+vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het
+eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad
+en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan.
+Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus
+willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis.
+
+Maar Bjørnson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de
+ontwikkeling eener handeling. Bjørnson is niet een steller van vragen;
+daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een
+beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe
+anders had _kunnen_ handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht;
+het is hem genoeg, dat de man anders had _moeten_ handelen. Hij wil
+verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te
+bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een
+exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een
+schouwburgpubliek gaarne zien.
+
+Er wordt in Bjørnson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls
+zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den
+regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den
+mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms
+leest men dingen van grenzenlooze naïveteit. Ook hiervoor zal een
+voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het
+gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de
+tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd
+morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk
+geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over
+op de karakteristiek van den man. Eén is er van meening, dat Sigurd zulk
+een aard heeft, dat òf alle anderen moeten omkomen, òf hij. En deze man
+eindigt aldus: "Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat
+hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals
+vereenigd zal worden tot eene heerlijke bedoeling.--Vrienden, ik geloof
+aan een leven na dit."
+
+Dat "vrienden" vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof
+men Bjørnson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort
+uitbrengen.--Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek
+om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij
+bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd
+zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt.
+
+Bjørnson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's
+geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van
+voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was
+voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte,
+die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in
+hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is
+zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling.
+Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den
+dichter juist tot _die_ stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond,
+dat er genoeg waren.
+
+Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de
+zoo veelzijdige productie van Bjørnson.
+
+Meer in overeenstemming met Bjørnson's talent is de gedichtencyclus
+_Arnljot Gelline_. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend.
+Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische
+gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende.
+Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om
+schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden,
+maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een
+gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren,
+hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de
+grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij
+langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij
+kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid
+gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam
+aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man
+treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den
+slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om
+den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij
+wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen
+kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich
+aan hem overgeven. Op wensch van den koning laat hij zich doopen; den
+volgenden dag is hij een der eersten, die valt.
+
+Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de
+realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken
+in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke
+betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot
+uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover
+sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft
+ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag.
+Deze figuur maakt Bjørnson tot het middelpunt van een groep gedichten.
+Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds
+het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de
+sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan
+bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig
+plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche
+volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden
+in zulk een gedicht tot één. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft
+hij met warmte weer. Maar Bjørnson zou Bjørnson niet zijn, als hij niet
+geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid
+der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan.
+Tevens moeten wij iets meer hooren over de misdaden van den roover;
+vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens
+gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de
+beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling--een zaak,
+waarover de geschiedenis zwijgt--sterk op den voorgrond gebracht; de
+persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en
+wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot
+valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning
+over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste
+van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach.
+
+Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die
+hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en
+leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De
+vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer
+dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt,
+maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin
+gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch
+gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door
+misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in
+zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid een held zich
+in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil
+schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer
+de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken,
+precies als in de boerennovellen.
+
+Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot
+Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het
+verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van
+een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere
+Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het
+hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden,
+zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken,
+en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw,
+die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de
+pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en
+bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide:
+"Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer."
+Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik
+gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij
+niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening,
+noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching.
+
+Het is wel gezegd, dat Bjørnson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt
+en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet
+zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet.
+
+En toch is _Arnljot Gelline_ een mooi gedicht, wanneer men er maar in
+zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan
+stemmingen rijken dichter.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 14: Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een
+vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven,
+_Fjeldeventyret_, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en
+zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt
+thans nog wel met succes gespeeld.]
+
+[Footnote 15: Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van
+1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13e eeuw Snorri
+Sturlason.]
+
+[Footnote 16: _De Unges Forbund_ is van 1869, dus drie jaar ouder dan
+_Kejser og Galilæer_. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de
+historische studien voor zijn groot drama bezig.]
+
+
+
+
+3. _Het hooggespannen Idealisme_.
+
+
+In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot
+voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de
+jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog
+meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door
+politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en
+werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen.
+
+De romantiek had de poëzie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den
+helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men
+wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote
+gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die
+nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de
+maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de
+dichters konden die vormen, zooals zij wilden. Maar voor dichters, die
+niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met
+de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren
+verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat
+van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zóó deden eigenlijk van
+den beginne af die poëten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde.
+Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan
+was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf
+der geïdealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een
+veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. _Dat_ hij hem ging,
+ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het
+geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De
+wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen
+van 1864 bepaald.
+
+Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in
+1862 gedaan; reeds _Kærlighedens Komedie_ toont de beginnende reactie
+tegen de romantiek, die in _Brand_ en _Peer Gynt_ wordt voortgezet.
+
+'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek
+geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof,
+dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als
+Ibsen is, houdt hij nog de geïdealiseerde personen voor de normale,
+maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het
+conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en
+Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar
+geplaatst in een nieuw daglicht,--dat van heden. Van des dichters
+standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek
+is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte,
+als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van
+den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas in _Peer Gynt_
+laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek
+gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een
+overgang van het historisch-romantisch drama naar het met _De Unges
+Forbund_ beginnende realistische drama. Van ééne zijde vertegenwoordigen
+zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den
+achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme.
+
+In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie
+genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis
+vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke
+kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke
+gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene
+maatschappij van halve menschen?" In het realistisch drama draait de
+dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van
+menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's
+gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen
+geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen
+tot de taal van het gewone leven, het proza, over.
+
+Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van _Kærlighedens
+Komedie_ (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker
+verband aangenomen met den roman _Amtmandens Døtre_ van Camilla Collett
+(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk
+vóór het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar
+het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en _Kærlighedens
+Komedie_. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder
+(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige
+vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot
+een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en
+Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt,
+dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde
+Schjøtt in haar opstel over Camilla Collett).
+
+Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook de vraag, die gesteld
+wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht
+zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de
+liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het
+huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke
+conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet
+eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog
+opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn,
+het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan
+elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet
+lijden. Door deze gezichtspunten is _Kærlighedens Komedie_ niet
+uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk
+gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe
+sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde
+langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en
+frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht.
+Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt
+overblijft,--zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de
+herinnering te bewaren--'voor de eeuwigheid te winnen', heet het
+hier,--liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen
+dit echter niet klagend, maar dankend: "Nu kan ik je _blij_ missen voor
+dit leven", is de afscheidsgroet.
+
+Het spreekt wel van zelf, dat _Kærlighedens Komedie_ niet verstaan, en
+dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het
+stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor
+de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat
+was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten
+behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen
+vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook
+volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poëzie maakt hier
+natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van
+poëtische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt.
+
+_Kærlighedens Komedie_ is echter niet alleen een hoog-romantisch
+gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild,
+wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar
+hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van
+verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang
+gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich
+in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het
+dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poëzie,--ziedaar
+de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der
+vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter
+samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de
+bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding
+geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen
+niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de
+studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt:
+"dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd."
+
+De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen
+reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "één
+hoog, voor de vreugde van het leven, en één, die beneden trilt, diep en
+lang."
+
+Gansch anders is de stemming in _Brand_. Maar tusschen _Kærlighedens
+Komedie_ en _Brand_ ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de
+werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet
+altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet.
+
+Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850
+ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de
+ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in
+den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting was gekomen, was
+van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een
+bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele
+patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere
+reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het
+Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam,
+een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de
+zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en
+Bjørnson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden
+voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche
+tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten--al zulke,
+die het bestuur van het land aangingen--anti-Zweedsch. Maar deze dingen
+beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet
+meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden
+kwam te staan. Hier trok men één lijn en stelde men zich ook voor, als
+één man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme
+ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts
+eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en
+waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken
+en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in
+die jaren gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de
+gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling
+van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het
+ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich
+vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander
+naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in
+vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte
+zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde
+studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjørnson tegenwoordig
+was.
+
+Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden
+doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon
+Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen,
+werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten,
+en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond
+echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten
+einde uitdrukking te geven aan meegevoel.
+
+Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en
+de pessimistische stemming doen rijpen, die in _Brand_ tot uiting komt.
+
+Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan,
+waarmee hij de gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op
+gewezen, dat in _Kongsemnerne_ de gedachte aan een in broederschap
+vereenigd Skandinavië herkend kan worden in Hakons groote
+koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds
+in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen
+oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den
+titel _Vaagner, Skandinaver!_, waarin onder anderen gewezen wordt op het
+gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht
+hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een
+Deensch-Noorsch studentencongres (_For Danmark_, Efterladte Skr. I, 87).
+In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, _En Broder i Nød_, zijn
+landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat
+is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864
+uit Rome: _Troens Grund_ (De Grond van het Geloof) bericht op
+sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo
+zegt hij, zijn oproep (d.i. _En Broder i Nød_) over zijn volk
+geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers
+over den val van Dybbøl, over de jonge Noorsche vrijwilligers.
+Inderdaad, van één was een neef weggeloopen, een ander miste zijn
+handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa zat een
+oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid
+uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over _hem_ is
+zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog
+leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar
+zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger.
+
+Interessant is het gedicht _Til de Medskyldige_ (Aan de Medeschuldigen),
+een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen
+_Brand_,--een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel
+voert,--die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een
+positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij
+zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij
+zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met
+bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden
+hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben
+verzuimd, deze vraag te stellen:
+
+ "Kan den med Rette tage Arvens Skat,
+ som fattes Haanden, der skal Arven løfte?"
+
+ (Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die
+ de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?)
+
+Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren
+direct aan deze verzen uit Norges Dæmring:
+
+ "Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen brænder,
+ kan ei fortabes, er en hellig arv,
+ der falder renterig til Folkets Tarv,
+ naar det kan hæve den med voxne Hænder!"
+
+ (Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet
+ verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten
+ goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen).
+
+In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat
+Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog
+op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders
+zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar
+handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou
+lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen
+blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich
+daarover scherp uit in zijn _Ballonbrev til en svensk dame_, waaruit ik
+alleen deze twee verzen citeer:
+
+ "Thi mod skønhed hungrer tiden,
+ Men det ved ei Bismarck's viden."
+
+ (Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's
+ wijsheid niet).
+
+En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872
+naar aanleiding van eene rede van Bjørnson. Ook deze dichter had de
+gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen
+uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbøl
+klaagde hij: _Da Norge ikke vilde hjælpe_. In 1870 was men in
+Skandinavië zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning
+herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche
+overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen
+was, kwam Bjørnson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest
+veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een
+verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een
+zelfstandig Noorwegen in Skandinavië en een zelfstandig Skandinavië in
+een groot Germanië. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten
+te houden. Deze omslag van Bjørnson, door hem zeker eerlijk bedoeld,
+maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen
+pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef
+_Nordens Signaler_ (later opnieuw uitgegeven in Samlede Værker X, 567),
+een gedicht vol vlijmenden spot:
+
+ "Der er omslag ivente! klem paa med talerne!
+ Vejrhanen paa fløjen har forandret signalerne."
+
+ (Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan
+ op den vleugel heeft de signalen veranderd).
+
+_Brand_ verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden
+te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de
+Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad
+heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de
+monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig.
+Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben,
+die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van
+den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen,
+waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke
+ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist
+pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken,
+die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in
+conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard
+is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het
+ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn
+personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit
+betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de
+predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor
+het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te
+danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een
+repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand
+tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het
+religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele
+monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker
+geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer
+klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze.
+
+Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze
+zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar één proseliet te
+maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te
+bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat
+deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking,
+nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen
+van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen,
+dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer
+hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het
+visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij
+weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke
+stem: 'Hij is deus caritatis'.
+
+Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat _Kærlighedens
+Komedie_ een voorlooper van _Brand_ is. Hij heeft op deze plaats het
+oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het
+eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende
+tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles,
+wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in
+'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt
+aangetoond,--natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen.
+Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en
+karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het
+verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar
+ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog
+praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant
+heeft plaats gehad.
+
+Op _Brand_ volgt in 1867 _Peer Gynt_. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet
+afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen,
+maar hij voert het volk zelf ten tooneele in één typischen representant.
+Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de
+dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot
+grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip,
+'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te
+bemerken, achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is
+zich zelf genoeg, een egoïst in plaats van een persoonlijkheid. Zijn
+levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde
+verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van
+zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid.
+Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit
+komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes,
+die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn
+gebruikt,--om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek
+rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche
+volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het
+hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen').
+
+In gelijke mate als van _Brand_ geldt van _Peer Gynt_, dat de dichter de
+stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de
+toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke
+overweegt; in _Peer Gynt_ kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere
+afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden,
+heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het
+beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt.
+Naast den spot treedt ook--in tegenstelling met _Brand_ een element van
+meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend
+individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het
+dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken
+en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift
+Neophilologus geschreven heb.
+
+Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van
+de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's
+is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de
+sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode
+voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot
+personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de
+dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze
+vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische
+slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze
+wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen.
+Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in
+waarheid beteekent hij den egoïst; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die
+aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend
+geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en
+allegorie.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL.
+
+
+Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die
+in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van
+Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in
+bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet
+gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon
+zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect
+aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was,
+stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie
+waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal
+uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor
+het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De
+sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van
+zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid
+openbaarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit
+streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de
+vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen
+geheel-Noorsche taal.
+
+De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint
+met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor
+geïnspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van
+Asbjørnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De
+vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert
+het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was
+hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe
+gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in
+belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de
+Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat
+verouderd was of daarvoor werd aangezien,--integendeel, zij gaf uiting
+aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu
+gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaïseering.
+Wanneer men tot dusverre schreef _lade, rige, løbe_, dan sprak men
+_late, rike, løpe_, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden
+gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend
+had. Men begint nu op deze wijze te schrijven en brengt door deze
+archaïseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in
+andere gevallen.
+
+De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K.
+Knudsen, die schreef _Haandbok i dansk-norsk Sproglære_ (1856). Tevens
+werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het
+belangrijkste werk, van denzelfden schrijver _Unorsk og Norsk_(1879-81).
+
+De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren,
+waarin Asbjørnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te
+nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen
+tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de
+stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en
+de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke ééne door
+het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene
+taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een
+ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding
+gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die
+ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal
+provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel
+Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen.
+
+De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet
+hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en
+zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen
+in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal,
+die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch.
+Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die
+autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal.
+
+Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het
+cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van
+kunstmatige talen mag zeggen--deze kunstmatige taal is eene levende
+geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op
+zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is.
+Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid,
+die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is,
+maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende
+streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de
+eenheid der Noorweegsche dialecten.
+
+Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht
+hebben. Maar niet alleen hun energie,--niet minder hun genie. Want het
+verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor
+het grootste deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan
+een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner
+gedachten gemaakt hebben.
+
+De schepper van het landsmaal is eigenlijk één man geweest, Ivar Aasen,
+een boerenzoon uit Zuid-Møre (een landschap op de Westkust), die zijn
+jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde
+Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten
+zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder
+hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de
+voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken
+_en geschreven_ werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht.
+Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde
+hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van
+de Noorweegsche volkstaal: _Det norske Folkesprogs Grammatik_ (1848, in
+tweede uitgave van 1864 betiteld _Norsk Grammatik_), waarop een
+woordenboek volgde: _Ordbog over det norske Folkesprogs_ (1850; later
+_Norsk Ordbog_ 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten
+opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene
+taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit
+andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon
+worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften
+gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen
+voor 'maalstræv' (_stræv_, het streven, werken voor iets), en het doel
+werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen
+burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen.
+
+Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het
+landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het
+bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in
+nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou
+zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden
+dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem
+van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen:
+aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide
+talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen
+het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal)
+den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is.
+Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan
+opnieuw. De taal, die de meeste concessies doet, is het bymaal; de
+laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in
+spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het
+landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van
+een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene
+taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen
+en van vele kansels en in meer dan één theater gehoord wordt.
+
+De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader
+aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn
+taalhistorische studiën in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij
+heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal
+wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die
+het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche
+dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaïseeren, die
+voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote
+autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het
+landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in
+poëzie als door de genoemde archaïstische tendenties behield deze taal
+een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was
+Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens
+een eerste poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de
+gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik
+van Westlandsch dialect kwam daarna Fjørtoft op, een politiek schrijver
+van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn
+dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande
+contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal
+ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad _Fram_ (1871-73) een dialect uit
+Zuid-Møre, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske
+(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden
+zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de
+groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak
+Westlandsch, maar al wat archaïstisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal
+is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is
+echter in het landsmaal nog niet bereikt.
+
+Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen.
+Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor
+onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en
+is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in
+landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden
+wetsvoorstellen in beide talen ingediend.
+
+Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige
+opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn
+originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder
+hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een
+tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal
+Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen
+ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een
+_husmand_, d.i. een kleinen boer, die op een _plads_ (kleine
+boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij
+opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een
+boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg.
+Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den
+krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man,
+die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij
+den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering
+mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft.
+Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren,
+is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den
+cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al
+hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft,
+tot de bekwaamste mannen van het land behoort. Die kennis echter
+vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij
+bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er
+ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is
+hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij
+geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven.
+Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt
+in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken
+oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van
+het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader
+aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke
+sympathieën, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden.
+Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van
+zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op
+rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik
+zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer
+geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op
+politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem
+aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere
+wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van
+goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zóó, dat hij geen aanstoot
+geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen
+subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en
+plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door
+zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot
+eenzaamheid gedoemd, en zóó geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur
+voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij
+daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft
+hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen
+deed hij een heftigen aanval op de regeering--en werd ontslagen.
+
+Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt
+niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat
+dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij
+gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon
+verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon
+zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren
+optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken
+geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven,
+die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de
+lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een
+humorist.
+
+Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van
+Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let
+op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest
+bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling
+en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven.
+Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin
+is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken.
+
+Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870
+verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen
+gevuld heeft, _Dølen_ ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle
+denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij
+had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen,
+van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen.
+
+Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig
+onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van
+wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en
+wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws
+had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij
+toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het
+zijn die gevoelsinhouden, die stijl, die eigenaardige combinaties, die
+humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke
+geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier
+geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche
+plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu
+toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door
+kende. _Dølen_ werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan.
+Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad
+moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige
+maanden, wanneer men hem dood waande, stak _Dølen_ dan plotseling weer
+het hoofd op.
+
+Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige
+kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd
+is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd
+komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon
+hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan
+tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaïsche werken
+staat hier bovenaan _Ferdaminni_ (Reisherinneringen), een boek, dat
+eerst stuksgewijze in _Dølen_ is verschenen. _Ferdaminni_ is de
+beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860
+maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt hier
+op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's
+Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien
+dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde
+verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan
+zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn
+geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed
+dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd
+werd.
+
+Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate
+onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken
+uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjørnson's _Arne_ (de tweede
+dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in één verwijt
+heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjørnson
+de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de
+stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met
+dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat
+Bjørnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het
+verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een
+_husmand_, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als
+dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen de
+boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de
+predikanten behooren, uit wier stand Bjørnson is voortgekomen, een kring
+met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij
+niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd
+billijk beoordeeld, maar wanneer hij in _Ferdaminni_ en elders hun
+zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen
+romantiek.
+
+Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook
+zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat
+hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan
+ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit
+onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's _Brand_. In de
+dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten
+tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters
+hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in
+dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet
+den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te
+zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat
+eerst naar eene vignetteekening den naam _Manden_ (De Man) kreeg en
+later omgedoopt is tot _Andhrimnir_ (de naam van den kok in Valholl).
+Dit blad was een navolging van het Deensche blad _Corsaren_, dat door
+Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op
+harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin
+omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover
+oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers
+ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen.
+Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden
+af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke
+toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche
+waardeering was er ook niet. In _Peer Gynt_ ontmoeten wij Vinje als
+Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der
+orangoetangs te spreken. Toen _Brand_ verscheen, heeft Vinje dit
+dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar
+op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte
+farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan.
+"Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een
+paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel;
+Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over
+Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon
+hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden
+hebben niet nagelaten, in zijn kritieken op _Arne_ en op _Brand_
+uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het
+geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands
+drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel,
+is het gevolg van meer dan één oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die
+hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren,
+dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich
+begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond
+alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was
+van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna
+identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel
+landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten,
+kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn
+tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch'
+schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te
+hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al
+spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair
+succes.
+
+Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in
+aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is
+het wel, dat iemand zijn leven geeft voor een denkbeeld, dat in de
+practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje
+zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door
+geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere
+gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er
+dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar
+voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte
+is hem te abstract.
+
+Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat,
+wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als
+litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent
+practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters
+konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest
+verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder
+grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting
+alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt
+samen met zijn beter inzicht in de realiteit.
+
+Vinje's belangrijkste levenswerk--men moge het prijzen of laken--is dat,
+wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor
+geijverd,--dat is één ding, maar vooral--hij heeft het gebruikt, en hij
+heeft het zóó gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noorweegsche
+letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest.
+
+Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver
+kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls
+begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te
+geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming
+verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele
+gedichten, waarin ééne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is
+volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de
+zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden,
+die opgenomen is in zijn gedichtencyclus _Storegut_.
+
+Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de
+hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is.
+Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast _Ferdaminni_,
+Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot
+de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus
+_Storegut_. Wat de compositie betreft, kan men _Storegut_ vergelijken
+met _Arnljot Gelline_ of met Runeberg's _Fänrik Staals Sägner_: het is
+een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een
+historische persoon of gebeurtenis. Voortgang is er eigenlijk niet in
+het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed
+zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat
+de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de
+karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk
+en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij
+kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een
+valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij
+voor het meerendeel stemmingen van één persoon schilderen. En er zijn
+ware meesterstukken onder.
+
+Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan
+schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie
+als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan
+men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt
+gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij
+in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in
+dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook
+oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het
+inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te
+verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe
+ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef
+geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo
+subjectief als Vinje, die _Brand_ voor een farce aanziet, geen
+psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen
+theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op
+wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama
+geschreven, _Olav digre_, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de
+proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men
+zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft
+kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet
+kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de
+grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naïveteit, waaraan
+wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die
+aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant
+genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let
+op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft.
+
+Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is.
+De stukken, die gereed waren, heeft hij in _Dølen_ uitgegeven. _Staale_
+heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een
+onafhankelijk man, die zijn eigen weg gaat, in de maatschappij
+mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn
+omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt
+toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen
+vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort
+schiet. _Staale_ is dan ook veel minder gelukt dan _Storegut_.
+
+Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland
+in: _Bretland og Breterne_. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje
+nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes
+in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland
+toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te
+bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor
+zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de
+tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen
+land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op
+den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden,
+waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen
+opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende
+bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maatschappij. Maar door
+zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten--de
+Times liet zich zeer onvriendelijk uit--, en daarmee was zijn uitzicht
+op succes in den vreemde afgesneden.
+
+Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet
+gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele
+vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een
+dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als
+zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten
+niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over
+hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar
+bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag
+gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht:
+men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem
+gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was
+uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat
+hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft.
+Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij
+geschreven heeft, maar _hoe_ hij geschreven heeft, eerst in bymaal,
+daarna--het meeste en het best--in landsmaal. Die beteekenis zal pas
+algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal
+bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen
+is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen
+voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te
+heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen,
+dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen,
+want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+HET REALISME.
+
+
+Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de
+idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de
+practijk, maar ook in de poëzie noodig was, rekening te houden met de
+wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen
+zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken
+periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu
+invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk,
+waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden
+dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en
+begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der
+Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het
+geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de
+litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat,
+godsdienst. In Denemarken doet de nieuwe richting haar intocht in de
+epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire
+voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen
+en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land
+is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere
+generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige
+periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjørnson
+zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep
+romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn.
+
+Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan
+beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt
+wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die
+litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd
+in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw
+is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel
+afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad
+van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken,
+is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat
+de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de
+waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt
+is, dit doel te bereiken. De leus kon trouwens gepaard gaan met andere
+leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd
+waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men
+in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet
+plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie
+debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich
+zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het
+standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers
+van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin,
+dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is.
+Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,--en dat hebben alle
+dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch
+altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die
+voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee
+richtingen ontwikkelen. Òf men gaat den eisch van het realisme steeds
+strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid
+nabij te komen,--het zoogenaamde naturalisme,--òf men laat het realisme
+als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel,
+dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat.
+Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten.
+
+Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet
+op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar
+aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd
+had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813
+is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven
+van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is
+zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste
+boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek.
+
+Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige
+jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een
+anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar
+geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de
+ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt
+zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd,
+waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere
+clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor
+Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in
+rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's
+tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in
+levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, heeft zij
+sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven.
+
+Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad
+(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte
+vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in
+1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in
+1855 haar hoofdwerk _Amtmandens Døtre_, het eerste der talrijke Noorsche
+boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze
+maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de
+litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met
+tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: _Fortællinger_
+(1861), _I de lange Nætter, Sidste Blade_ (3 verzamelingen 1868-73),
+_Fra de stummes Leir_ (1878), _Mod Strømmen_ (1879). Op den duur neemt
+zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar
+eerste roman opkwam voor de liefde--in plaats van conventie--als
+grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande
+verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den
+voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de
+schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op
+en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek
+in het potsierlijke; mannen als Goethe en Byron vinden weinig genade in
+haar oogen.
+
+Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek
+_Mod Strømmen_ (Tegen den Stroom) mocht eerder _Med Strømmen_ heeten;
+toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de
+vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor
+modern wilden doorgaan.
+
+Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870,
+als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een
+probleem debatteert'.
+
+Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit
+het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de
+werken van Asbjørnsen, Østgaard en enkele anderen. Voorts een deel van
+Vinje's geschriften en Bjørnson's boerennovellen, die echter weinig
+realistisch waren. Nu zou het anders worden.
+
+Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van
+den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn
+eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist.
+Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn,
+en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als
+zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn
+'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en
+bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen,
+zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere
+werken. Kritiek op de maatschappij--een der hoofdpunten van het jonge
+programma--komt bij hem reeds in 1862 voor in _Kærlighedens Komedie._
+Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later.
+Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden
+geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot
+uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het
+maatschappelijk leven. In _Kærlighedens Komedie_ is het nog een
+bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de
+maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn
+Falk en Svanhild een utopie. In _En Folkefiende_ daarentegen is de held
+een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,--wat
+alle anderen ook zeggen te willen,--en die met zijn omgeving in strijd
+raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase
+is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing
+van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld
+der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is
+het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische
+stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch
+leven, het proza, gekozen wordt, en dat de personen meer
+geïndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en
+deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een
+enkele repliek kent.
+
+Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is _De Unges Forbund_ van 1869.
+Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het
+vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die
+hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte
+het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote
+politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en
+kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale
+en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft
+de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde
+physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van
+twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde
+menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier
+dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de
+verontwaardiging van Bjørnson over het stuk; het waren zijn eigen
+phrases en zijn naïef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden
+gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjørnson niet eerlijk
+was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geërgerd[17]. En
+hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van
+eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend[18].
+
+Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral
+vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant,
+staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den
+samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil
+van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten
+een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen;
+tegen dit verbond--het ware verbond der jongeren.--is de vooze demagogie
+niet bestand.
+
+Men heeft Ibsen verweten, dat hij in _De Unges Forbund_ zich tegen 'de
+partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld
+Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. Ibsen zou in dit stuk de
+woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van
+dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk.
+Geen ding toont misschien duidelijker dan _De Unges Forbund_, hoe ver de
+dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het
+komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en
+heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist
+de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is
+volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter
+verwachtingen had van de oude aristocratie--mits deze zich vernieuwde.
+Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening
+uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die
+hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren.
+
+Tusschen _De Unges Forbund_ en _Samfundets Støtter_ liggen acht jaar
+(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met _Kejser og
+Galilæer_, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken
+is.
+
+Met _Samfundets Støtter_ (1877) begint een ononderbroken reeks moderne
+drama's. Weldra volgen _Et Dukkehjem_ (1879), _Gengangere_(1881), _En
+Folkefiende_ (1882), _Vildanden_ (1884). In al deze stukken wordt de
+werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt
+ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een
+samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij
+een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na
+jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste
+pessimisme.
+
+In _Samfundets Støtter_ geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in
+een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en
+het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich
+wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil
+tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer
+verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend
+heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken;
+Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit
+andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en
+dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een
+onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen
+tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen
+vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft
+liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om
+Bernick's geweten wakker te schudden. Zóó groot is het geloof van den
+dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het
+ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het
+blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip
+wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt
+Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te
+huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den
+waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de
+geesten van waarheid en vrijheid.
+
+Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar
+realist, toch ook nu nog als van ouds ideeëndichter is. De gedachte is
+zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",--abstracter
+kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt
+van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men
+bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest
+wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had
+een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met
+haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar
+ieder aan alle zijden door égards gebonden was, gemakkelijker haar
+onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw,
+die alleen naar de stem van haar hart luistert en zich aan geen enkele
+consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert
+tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in
+dezen zin zijn reeds Aurelia in _Catilina_, later Solvejg in _Peer
+Gynt_. En Ella Renthejm in _John Gabriel Borkman_ behoort tot dezelfde
+categorie.
+
+Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene
+maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal
+onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak,
+die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. _Et
+Dukkehjem_ is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen
+opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting
+teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid
+niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat
+noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de
+moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap
+terug te houden.
+
+In _Gengangere_ is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer
+met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die
+aan _Et Dukkehjem_ ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper
+stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig huwelijk
+leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en
+zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar
+huwelijk uit te blusschen.
+
+Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den
+dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de
+courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin
+zich zulk een frissche strijdlust openbaart als _En Folkefiende_. De
+ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd
+aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar.
+Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is
+menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op,
+maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man
+verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der
+badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij
+de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden,
+maar alle partijen, conservatief en radicaal,--anders elkanders gezworen
+vijanden,--vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen.
+Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van
+de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de
+oppositiepers werken broederlijk samen, om Stockman onmogelijk te
+maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met
+uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk.
+Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een
+nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld
+hij is, die het meest alleen staat.
+
+De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman
+zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en
+evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zóó waar geteekend,
+als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het
+karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in
+het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de
+menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met
+het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjørnson. Den zedelijken moed
+hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de
+vergaderzaal is die van Bjørnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het
+uitdrukt, aan Stockman Bjørnson's stem gegeven. Ook de overige personen
+zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de
+kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing,
+de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en
+wiens originaliteit hierin bestaat, dat hij er een 'gud døde mig' aan
+toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in
+wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van
+zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele
+karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet,
+Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood,
+als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet,
+welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien,
+dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel
+der echtheid.
+
+En dan komt _Vildanden_ (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat
+Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch
+geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant
+van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale
+figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht,
+waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van
+een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt.
+De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt:
+"mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord
+idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens," en die
+verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem
+je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed
+genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons
+arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen
+moet de dichter van _Brand_ gehad hebben, voor hij zóó iets schrijven
+kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag
+over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken
+helpt niet; de poëet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in
+Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat
+hij de dertiende man aan tafel is.
+
+En toch--het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof
+verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en
+geïncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene
+vrouw, die zit te wachten op het wonder,--dat een ander verrichten
+zal,--maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe
+edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het
+bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel
+heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zóó staat ook in
+_De wilde Eend_ een ideale figuur, die aan één zaak alles offert,
+tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in phrases is
+ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt
+hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer
+maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als
+offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan
+den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal;
+in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele
+gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van _Vildanden_ het
+geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend
+drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden.
+
+Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter
+behandelde dan één zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zóó levende
+personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest.
+Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij
+naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik
+mode was, maar omdat hij de menschen zóó zag. En wat de
+'problemenpoëzie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen
+behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd
+is zijn poëzie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom
+zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur van
+den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn
+toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen
+reflecteert zich het menschelijke.
+
+In dezelfde periode ging Bjørnson over tot de behandeling van
+maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het
+lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het
+meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben
+zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar
+daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjørnson was als
+kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij
+ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid
+gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan
+zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij
+veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land,
+en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche
+levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd
+een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken,
+novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is
+zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in
+volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke
+werkkracht. Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de
+wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een
+eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjørnson gehad
+heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die
+hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt
+Bjørnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hèm nieuw zijn, te
+populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene
+verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook
+zijn kunst ondergeschikt.
+
+Een voorlooper van Bjørnson's 'nutidsdramer' is _De Nygifte_ (De
+pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter
+levendige scènes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom
+begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren:
+_Redaktøren_ en _En Fallit_ (1875), _Kongen_ (1877), _Leonarda_ (1879),
+_Det ny System_ (1879), _En Hanske_ (1883), _Over Ævne_, I (1885), II
+(1895), _Geografi og Kærlighed_ (1885), _Paul Lange og Tora Parsberg_
+(1899), _Laboremus_ (1901), _Paa Storhove_ (1902), _Daglannet_ (1904),
+_Naar den ny vin blomstrer_ (1909). Vertellingen uit dezelfde periode
+zijn: _Magnhild_ (1877), _Kaptejn Mansana_ (1879), _Stöv_ (1882), _Det
+flager i Byen og paa Havnen_ (1884), _Paa Guds Veje_ (1889), _Nye
+Fortællinger_ (1899), _Mary_ (1906).
+
+In bijna al deze stukken maakt Bjørnson zich tot advocaat van een of
+andere meening of waarheid,--dikwijls eene zeer juiste,--die, naar hij
+meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de
+noodzakelijkheid van opvoeding in _Det flager_, van verdraagzaamheid in
+_Paa Guds Veje Kongen_ is een preek over het thema, dat de republiek de
+eenig juiste regeeringsvorm is. _En Hanske_ handelt over de
+geslachtsmoraal. De dichter is hier zóó vervuld van de leer, die
+gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over
+hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot
+breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjørnson niet
+alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie
+bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet,
+kan diezelfde naïveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit
+de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen
+ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjørnson ongetwijfeld voor een groot
+deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn
+behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil
+gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen
+en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjørnson
+gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als koeien, die
+iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen
+de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer
+de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan
+is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de
+tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan
+vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat
+hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het
+schellinkje, zeer gewaardeerd.
+
+Maar wanneer men het eerste gedeelte van _Det flager_ leest, waarin
+Bjørnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de
+gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze
+schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene
+situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het
+verlichtingswerk van Bjørnson niet noodig hebben, en die in vreemde
+litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het
+Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter
+als Bjørnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de
+schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van
+godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw
+ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven
+hiernamaals, terwijl dat plotseling anders wordt, zoodra Bjørnson ca.
+1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat
+het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop
+plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der
+orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders
+wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen
+kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een
+groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjørnson's poëzie
+duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat
+nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in
+aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in
+Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjørnson gehecht wordt. En
+dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het
+oordeel speelt de liefde eene rol,--en de liefde is naijverig.
+
+Jonas Lie (1833--1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede
+helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is,
+wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het
+Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de
+overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo
+stamt Lie in drie leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit
+het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook
+Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde
+Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder
+poëtischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van
+denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen
+heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur,
+die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden,
+in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur
+maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poëzie vinden ook in het
+dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zóó ver, dat
+hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om
+deze te objectiveeren.
+
+Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd
+voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die
+bij herhaling als poëtische motieven in zijn werken terugkeeren. Als
+zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in
+Tromsø, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die vóór hem
+in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht
+Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen
+een goede vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn
+poëtischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn
+leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen
+aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote
+handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de
+angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan.
+
+Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen
+te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg
+geïnteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit
+zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij
+de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd
+dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te
+vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van
+het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter
+geheel doet ontwaken, is zijn faillissement.
+
+Toen Lie zijne eerste vertelling _Den Fremsynte eller Billeder fra
+Nordland_ (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland)
+uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de
+litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op
+zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt hoofdzakelijk in den vorm van
+een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens
+zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het
+Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt ééne zijde
+van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke,
+zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst;
+zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke
+behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd
+hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in
+de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de
+alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en
+David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor
+hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar
+de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer
+hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij
+niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft
+geput, om het leven vol te houden.
+
+Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel
+romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als
+een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst
+belangrijk is, maar toch als een zieke, niet als een wezen van hooger
+orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaïschen mensch verborgen
+blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet
+in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk
+leven te kort schiet.
+
+De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het
+dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst
+opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van
+zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek
+daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins
+misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene
+zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met
+mythische wezens als _nøkken, draugen, tomtegubben_, en hoe zij meer
+mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn
+deze wezens poëtisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd
+met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken.
+Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die
+in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw
+hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen
+schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze
+teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden.
+
+Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op.
+Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf.
+Misschien heeft hij in _Den Fremsynte_ voor goed of voor langen tijd
+afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij
+zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed
+van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten
+_Dyre Rein_ (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is.
+Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in
+den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt
+zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het
+huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven.
+
+Met _Den Fremsynte_ had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt.
+Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost
+heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel
+achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker--niet in
+ieder--opzicht voorstudiën voor zijn latere meesterwerken. _Den
+Fremsynte_ was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte
+hij nog niet geheel, en vooral--hij had zich nog niet dien bijzonderen
+stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij schreef,
+zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie
+weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver
+van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne
+ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te
+schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een
+propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen
+van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren,
+waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode
+geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder
+zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn
+talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft
+ingenomen.
+
+De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met
+_Familien paa Gilje_ zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft
+hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn
+vooreerst zijn schipperromans _Tremasteren Fremtiden_ (1872), _Lodsen og
+hans Hustru_ (1874), _Rutland_ (1880), _Gaa Paa_ (1882). Deze sluiten in
+zooverre bij _Den Fremsynte_ aan, als zij schilderingen bevatten uit het
+leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter
+zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze
+boeken een gebeurtenis in de Noorsche litteratuur; er wordt een nieuw
+gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het
+onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen.
+Hij kent hen van kind af aan.
+
+Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling
+speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het
+zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het
+huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken,
+waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze
+periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd
+worden: _Thomas Ross_ (1878), _Adam Schrader_ (1879), _Livsslaven_
+(1883). Een eerste dramatische proeve is _Grabows Kat_ (1880). Een
+afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht
+_Faustina Strozzi_ (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan
+de geschiedenis (Italië's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de
+kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poëtisch werk niet
+van groote beteekenis.
+
+Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: _Familien paa Gilje_ (1883),
+_En Malstrøm_ (1884), _Otte Fortællinger_ (1885), _Kommandørens Døtre_
+(1886), _Et Samliv_ (1887), _Majsa Jons_ (1888), _Onde Magter_ (1890),
+_Trold_ (2 verzamelingen novellen 1891-2), _Niobe_ (1893), _Lystige
+Koner_ (1894), _Naar Sol gaat ned_ (1895), _Dyre Rein_ (1896),
+_Lindelin_ (1897), _Faste Forland_ (1899), _Wulffie & Comp_ (1900),
+_Naar Jernteppet falder_ (1901), _Ulfulgerne_ (1904).
+
+Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde
+motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering
+deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in
+vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den
+dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een
+nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde.
+
+Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen _(Lodsen og hans Hustru,
+Gaa paa_) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te
+kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een
+positie weet te verschaffen. In _Gaa paa_ is het een jonge man, die in
+armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder
+eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in
+den beginne en het besluit, het niet op te geven.
+
+_Thomas Ross_ vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad
+heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan
+het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het andere. Hij geraakt in
+bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een
+bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door
+een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot
+met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten.
+Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij
+gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de
+tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te
+houden.
+
+Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in _Faste
+Forland_, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van
+anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de
+ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde.
+Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist
+inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en
+hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden,
+maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste
+wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet
+bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn
+stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een
+badplaats om te scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel
+der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de
+financiëele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij
+aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een
+dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het
+badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een
+badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door
+zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn
+plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die
+hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij
+haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem
+geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te
+gemoet, en nu wordt Faste dichter.
+
+Het klinkt als een sprookje--en toch is het werkelijkheid. Ook de
+mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den
+bijstand van Thomasine.
+
+Het hoofdmotief van _Faste Forland_ is de mislukte onderneming en het
+faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een
+faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het
+hoofdmotief in _En Malstrøm_, en het neemt een gewichtige plaats in in
+_Et Samliv_ en in _Niobe_. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede
+de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer
+eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te
+schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van
+zeer verschillende zijden. In _Faste Forland_ is de slechte zakenman
+toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf
+niet gekend heeft; in _En Malstrøm_ en _Niobe_ ontmoeten wij twee
+variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van
+zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur),
+in _Et Samliv_ is het de familievader, die op het punt is, in den
+ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en
+kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom
+aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den
+genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door
+een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet
+ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld
+worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie
+is hier midden in de 'problemenpoëzie' geraakt; de vergelijking met
+anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in
+aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in de
+litteratuur in de mode; zoowel Bjørnson als Kielland hebben het
+behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze.
+Voor Kielland (in _Fortuna_) is het faillissement de onverantwoordelijke
+daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de
+schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen,
+valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets
+dan gemeenheid en laagheid. Er komen in _Fortuna_ prachtige bladzijden
+voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk
+geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders
+Bjørnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene
+maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk,
+dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen.
+Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is,
+maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of
+de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn
+gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is
+tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig
+samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den
+bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den
+man, noch de daad, maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft,
+kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zóó gaan moest, als
+het is gegaan.
+
+Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo
+groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij
+Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan één van zijn boeken zou
+men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een
+belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw.
+Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van één
+eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en
+hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun
+naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden,
+vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft
+hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste
+karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de
+liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven
+ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities
+zijn onder anderen Susanne in _Den Fremsynte_, Bera in _Faste Forland_,
+Ely Falk in _Adam Schrader_, Ellen in _Naar Jernteppet falder_. Op het
+juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te
+handhaven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij,
+die niet kan geven, wordt de egoïste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al
+deze typen heeft Lie geschilderd, zóó dat zij lijken.
+
+De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het
+grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat
+hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans
+den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (_Livsslaven_, waar
+de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie
+van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal
+dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het
+sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt.
+
+In _Lodsen og hans Hustru_ bestaat voor de verdenking eenige aanleiding,
+en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien
+jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in
+dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem
+niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste
+weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De
+omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar
+onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn gebrek aan
+vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in
+dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge
+mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man,
+die zóó lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal
+vallen, voortaan met parlement te regeeren. In _Adam Schrader_ is het
+conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt
+hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is
+een goed huisvader, maar prozaïsch; de vrouw is muzikaal; een vriend van
+den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied
+der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch,
+maar het karakter der vrouw is zóó oprecht en flink, dat aan haar deugd
+geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink
+de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek
+behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel
+van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden
+weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere
+wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij _Adam Schrader_ schreef.
+Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig
+is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in _Naar Sol
+gaar ned_. Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de
+vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man,
+een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij
+wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar
+het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn
+levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie.
+Maar de eer van zijn huis heeft hij gered.
+
+Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne
+alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans
+heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood.
+Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan.
+
+Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken _Naar
+Jernteppet falder_ in een der talrijke parallel loopende vertellingen
+van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een
+oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige
+lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel
+geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren
+wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan
+boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe
+kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis
+van het gemoed zijner vrouw. Wat gaat er in haar om? Wat verbergt zij
+voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag
+neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van
+angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is;
+wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt,
+gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het
+schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten
+geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag,
+wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een
+weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene
+rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent,
+zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell
+weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij
+bij haar was,--thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en
+met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu
+kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij
+tegenover haar uit, dat _zij_ het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De
+twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord
+daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt.
+De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopenbaard; het
+gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat
+waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte
+in een geheel modern kleed.
+
+Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts
+één tooneelstuk, _Lystige Koner_, is op dit motief opgebouwd. De
+behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt
+niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar
+plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis
+van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het
+er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal
+opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie
+het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg.
+
+Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter
+is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk
+de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij
+geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt.
+Zulke zijn: de Kaptein in _Familien paar Gilje_, Mads Foss in _En
+Malstrøm_, de directeur in _Onde Magter_. In zulke families vinden wij
+huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in _Familien paa
+Gilje_, misschien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de
+Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van
+gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden.
+
+Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de
+vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge
+geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de
+dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen
+eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan
+zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere
+beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna
+altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te
+keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van één van beide. Bij de
+jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat
+het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden
+een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk
+geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren,
+wanneer zij zwak zijn en toegeven. In _Rutland_ wil de jongen naar zee.
+De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil
+dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en
+verzoent zich later met den vader. Dit is het gunstigste verloop. In
+_Familien paa Gilje_ moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit
+de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in _En Malstrøm_ is het nog
+erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in
+_Kommandørens Døtre_, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het
+de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg
+staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in
+die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend,
+waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen
+drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn.
+
+Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses
+van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt
+niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen
+zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een
+gezin is dat van Dr. Baarwig in _Niobe_.
+
+De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp
+van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot
+hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen
+misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij
+zelf behoort tot de hoogere klasse, maar sedert zijn kindsheid heeft
+hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft
+hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een
+der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich
+onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is.
+Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principiëele
+vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen
+ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide,
+gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen
+heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de
+sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een
+schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in
+dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten _Livsslaven_, uit
+de eerste periode, en _Majsa Jons_, een van zijn rijpste werken.
+_Livsslaven_ is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode,
+die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en
+niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot
+misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die
+daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder
+wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer
+een--nog eenigszins sentimenteele--poging, om meegevoel met den
+onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der
+standen. Veel belangrijker is de historie van _Majsa Jons_, het
+naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen
+bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van
+familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij
+niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het
+onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in
+de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid,
+die zij uit de schipbreuk van haar leven redt.
+
+Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen
+zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene
+verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden,
+ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de
+vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot
+deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een
+fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het
+al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen
+zij één ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel,
+waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist.
+
+Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het
+familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine
+vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee
+bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in
+zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is.
+Zij doen het meest denken aan de spookhistoriën uit _Den Fremsynte_.
+Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele
+jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu
+ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire
+natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast
+elkaar staan stukken als _Moskenæsstrømmen_, waarin natuurkrachten
+gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt,
+_Bylgja_ en _Kværnkallen,_ die de mystieke indrukken schilderen, welke
+de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als _Hauk
+og Hadding_, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in
+den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm
+speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met
+name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch,
+onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort
+besproken roman _Dyre Rein_. Interessant is in dit licht ook de korte
+novelle _Østenfor Sol og vestenfor Maane_, waar tusschen de
+hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken
+voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en
+dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zóó, meent de dichter, is het ook
+onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar
+daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is
+noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die
+talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan
+egoïsme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die
+de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid--en
+moraal--proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan.
+
+Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor
+hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van
+den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn
+overige productie. Zijn tooneelstukken _Grabows Kat, Lystige Koner,
+Lindelin, Wulffie & Cie_, ofschoon niet van belang ontbloot, staan
+verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, _Faustina
+Strozzi_ en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie,
+maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren
+echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters
+persoon.
+
+Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen
+hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest,
+zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen,
+als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor
+en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke
+koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het
+gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student,
+nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere
+verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als
+advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien
+tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij
+reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine
+schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn
+werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken,
+_Novelletter_, dan romans, in één adem door (daartusschen enkele
+tooneelstukken): _Garman og Worse_ (1880), _Nye Novelletter_ (1880),
+_Arbeidsfolk_ (1881), _Else_ (1881), _Skipper Worse_ (1882), _To
+Novelletter fra Danmark_ (1882), _Gift_ (1883), _Fortuna_ (1884), _Sne_
+(1886), _Tre Par_ (blijspel 1886), _Bettys Formynder_ (blijspel 1887),
+_Sanct-Hansfest_ (1887), _Professoren_ (blijspel 1888), _Jacob_ (1891),
+eindelijk een bundel kleinere opstellen _Mennesker og Dyr_ (1892), een
+overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het
+voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan.
+
+Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat
+Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den
+inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En
+nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven
+had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig.
+Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen.
+Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij
+gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij.
+Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie
+was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel
+begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met
+een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En
+hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon.
+Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het
+publiek.
+
+Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat een modern dichter in 1880 te
+zeggen had,--kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine
+Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste
+kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet
+verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In
+Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen.
+En wat de poëten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen
+gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger.
+Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe
+verstand en den beweeglijken geest zich beëngd gevoeld hebben. Hij zoekt
+geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van
+Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij
+moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil
+het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen,
+en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak
+stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger.
+
+En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft
+hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche
+romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een
+schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is.
+
+In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat
+hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is
+moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de
+bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar
+gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om
+zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook
+waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den
+duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten.
+In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem
+dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn
+anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als
+onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele
+onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn
+boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer
+persoonlijk adres[19]. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en
+satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets
+dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen
+samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er
+de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in
+artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889)
+redacteur is[20]. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de
+overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij
+voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen
+neer.
+
+Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken
+sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den
+dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt.
+Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft
+Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet
+uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in
+zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar
+aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet
+plebeïsch, maar voornaam. Zóó is hij in staat, in _Garman og Worse_ een
+der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname
+familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil in de
+verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar
+vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in _Skipper Worse_
+diep door in het leven van de piëtistische secte der Haugianen. In
+andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten,
+dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet
+objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht
+van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal,
+suggestieve kracht,--en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in
+hooge mate. Boeken als _En Sankt-Hansaften_ en _Jacob_ kan men
+beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets
+van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen
+toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al
+deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten.
+En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het
+daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal
+die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds
+in vollen gang.
+
+In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende
+gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een
+verkorte weergave van hetgeen ik hierover in 'De Gids' van Mei 1897
+schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en
+directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn
+eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De
+intrigue van _Garman og Worse_ berust op de tegenstelling tusschen de
+deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche
+beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end".
+Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van
+dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door
+zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der
+firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in _Arbeidsfolk_,
+maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier
+ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen
+vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra
+verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het
+bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de
+vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband
+daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen?
+
+Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En
+hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad
+voert, werd in _Garman og Worse_ reeds aangeduid. In _Else_ zien wij
+het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot
+lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis
+door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de
+uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking
+grooter wordt.
+
+Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere
+generatie, en hij schrijft _Skipper Worse_. De vergelijking voert tot
+het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding
+beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen
+goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven
+uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon
+de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even
+degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd?
+Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die
+voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook
+de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld.
+Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie
+Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse
+nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote
+plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het
+zijn zij, wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de
+Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de
+verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt,
+verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in
+geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door
+lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden,
+wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht
+maken. Nog één geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan
+een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog
+maar in hardheid tegenover den arme.
+
+Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het
+vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij _Gift_ (Vergif) te
+danken. _Gift_ is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men
+kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft,
+de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar
+polemiek tegen het Latijn is slechts ééne zijde van het boek. De auteur
+verheft vóór alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt
+door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen
+van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het
+zelfstandig oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van
+ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige
+geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht
+slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft.
+
+De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de
+oorzaak, dat hij op _Gift_ twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste
+heet _Fortuna_. De schooljongen uit _Gift_, Abraham Løvdal, die bij zijn
+confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in
+levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is
+hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen
+maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en
+waarvoor hij, Abraham Løvdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn
+windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken,
+zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en
+assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer.
+Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die
+de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en
+vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien.
+
+Eene voortzetting van _Fortuna_ is _Sankt-Hans Fest_. Maar daartusschen
+ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. Naast
+de school werd in _Gift_ de kerk geschetst als een der machten, die de
+zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoïst
+maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen
+brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare
+dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op _Gift_ en
+_Fortuna_ volgt _Sne_.
+
+_Sne_ is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud
+en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der
+heiligen--de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden
+stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn
+preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de
+geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan
+bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en
+bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; _zijne_ hooge gedachten kan
+zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te
+zorgen valt. Daar zit hij--en wordt weerstaan door een jong meisje, dat
+van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de
+verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij--Johannes,
+die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der
+spotters niet is opgewassen, maar evenmin tegen den sterken wil van
+zijn vader, die Gabriële liefheeft en droomt van een verzoening tusschen
+het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Løvdal.
+Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook
+niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle
+reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets
+nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche
+stilheid, een rust als die des grafs.
+
+Dat is de gedachte, die _Sankt-Hans Fest_ beheerscht. Kielland laat hier
+de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren
+en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op:
+Abraham Løvdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit _Gift_ en
+_Fortuna_, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van
+schipper Worse, de jonge Garman, die aan _Garman og Worse_, de familie
+With, die aan _Else_ herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te
+gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag
+schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen
+Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren.
+De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen
+mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toegezegd,
+zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest
+bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en
+eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die
+zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de
+victualiën, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst
+van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden
+georganiseerd heeft.
+
+In _Sanct-Hans Fest_ is als het ware eene essentie van Kielland's
+sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn
+vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en
+geëxtraheerd tot een enkelen druppel. Het is het _mene tekel_ over eene
+leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan
+vreugde verloren heeft.
+
+In _Jacob_ wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de
+gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen
+indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in
+Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het
+streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in
+het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar
+het platteland. Maar in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is,
+ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het
+onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren
+gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval
+niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene
+verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een
+wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie
+vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen
+ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de
+schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij
+van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door
+langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer.
+
+_Jacob_ is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt
+Tørres Snørtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de
+eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren
+gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo
+heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom,
+en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal.
+Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te
+bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te
+zuigen. Hij maakt zich meester van al, wat in de stad te verdienen
+valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om
+zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien.
+Tørres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs
+een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder
+gekomen was--neen voorwaar, dat was hij niet!--hij was niet verder
+gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij
+zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht."
+
+Als Tørres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen
+met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te
+noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen.
+
+Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik
+hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Tørres.
+In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest.
+Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij
+bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de
+belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over.
+En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde
+het roer boven en de stroom beneden aan." En Tørres denkt er ook zoo
+over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle
+wijsheid van de wereld woog niet op tegen den kleinen katechismus, en
+dien kende hij--ha! ha! ha!--hij moest om zich zelf lachen.
+
+Daar had hij opgezien tegen Gustav Krøger en mijnheer Hamre en anderen,
+die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van
+rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren,
+en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen."
+
+Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte.
+Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn
+lans, en hij weet te treffen.
+
+Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de
+groep Lie--Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk
+heet _Farlige Folk_ (Gevaarlijke Menschen) (1881).
+
+Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die
+in 1882, dus slechts één jaar na Kielland, met haar eersten roman
+optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke
+problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de
+gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der
+menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden
+bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en
+daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij _Constance
+Ring_ (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen,
+samen eene familiegeschiedenis uitmakende: _Sjur Gabriel_ (1887), _To
+Venner_ (Twee Vrienden) (1887), _S.G. Myre_ (1890), _Afkom_
+(Nakomelingschap) (1898).
+
+In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog
+geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de
+aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de
+litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans
+Jæger opzicht met zijn roman _Fra Kristiania Bohemen_. Men kan dit boek
+rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een
+maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er
+wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije
+liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt,
+is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt,
+en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij
+aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die
+dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de
+schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat
+sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel
+mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk maakte van
+schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was,
+daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver
+heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor
+hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier
+heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met
+een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek
+daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de
+regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij
+legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf
+veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er
+werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele bohême-litteratuur.
+Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor
+was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben
+aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de
+zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan één kunstwerk
+gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband
+ontmoeten. Maar Jæger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot
+schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige
+schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met
+_Fra Kristiania Bohemen_. Hier is Jæger's roman misschien minder een
+voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook
+zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het
+aankomend individualisme.
+
+Hans Jæger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een
+zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben.
+Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook _Syk Kjærlighet_ (Zieke
+Liefde) van 1893. Zijn laatste boek _Anarkismens Bibel_ is van 1910. Hij
+behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in
+de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om
+hemelstormers te worden.
+
+Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven,
+ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch
+tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste
+werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest
+ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad
+hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden.
+Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats
+als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de
+werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren.
+
+Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jæderen, het
+achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk
+van zijn roman _Fred_ (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van
+het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk
+slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest.
+Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te
+breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken,
+maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid
+verschaft had, weder tot zich trokken.
+
+De jonge Garborg heeft het leven op Jæderen leeren voelen op eene
+exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader
+aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de piëtistische
+geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem
+bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en
+kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat
+hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze
+zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot
+deel van des dichters latere productie.
+
+Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een
+vroege en uitgebreide lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij
+schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan
+huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij
+pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met
+vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's
+'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen
+aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer,
+maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf.
+Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later
+ontving, van zijn pen geleefd.
+
+Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne
+meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een
+uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af,
+zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende,
+welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen
+wilde maken.
+
+De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet
+_Ein Fritenkjar_ (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel
+toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is
+nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van
+den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het
+religieuze denken, een der dingen, die in die jaren op het programma
+der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van
+kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te
+doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij
+ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man
+terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend
+predikant, die daarop bij zijne groeve--want de man overleeft dit
+weerzien niet--eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den
+schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een
+preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas
+twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had
+schuldig gemaakt.
+
+In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda
+voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het
+gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze
+weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef,
+was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van
+onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en
+spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En
+ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is
+in den zeer gebruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom
+gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te
+zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die
+hij 13 jaar later in _Trætte Mænd_ tweemaal maakt, waar hij twijfel
+oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden.
+Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der
+andere partij.
+
+Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg:
+_Bondestudentar_ (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste
+plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet
+meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die
+hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de
+schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de
+Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er
+hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij
+stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus
+naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een
+programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en
+geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen.
+
+Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke
+ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniël Braut, een
+boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere
+maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke
+mislukking van die poging. Wel brengt Daniël Braut zijne studie ten
+einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem
+steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen,
+door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden,
+in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan
+karakter in Daniël Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den
+strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te
+worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal
+afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis
+van Daniëls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar
+zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het
+zorgen voor den dag van morgen, immers:
+
+ "God geeft den zijnen kleeren en brood,
+ terwijl zij zachtelijk slapen."
+
+Daniël begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt,
+mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt
+een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de
+uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, dat
+de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de
+zijnen". "De zijnen",--dat zijn de burgemeester en de commissaris van
+politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij
+zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat
+wordt het ideaal van Daniël Braut. Daar er dus van den beginne af in
+Daniël geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit
+blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij
+misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij
+zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar.
+
+In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle
+rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze
+roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit
+Kristiania, die ten deele vóór zijn tijd liggen, maar die hij toch met
+een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten.
+Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die
+men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is
+dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven
+reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek'
+bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de
+dubbele beteekenis der figuur--als schepping van Garborg en tevens als
+den tijdelijken geestelijken helper van zoovele mannen, die in
+Noorwegen beteekenis gehad hebben--deelen wij een paar staaltjes uit een
+schooluur mee.
+
+"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen
+en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met
+de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het
+prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij.
+'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich
+ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?--och ja.
+Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen
+moesten klaarspelen--de oude zat maar te 'accompagneeren'--dan ging het
+mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den
+gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep
+zich met twee vingers vast in den neus en las _amo_ met een stem en een
+gezicht, dat de jongens het uitbrulden."
+
+Er wordt vertaald.
+
+"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder
+kwamen--er stond: _nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta
+regna reges defendant_--, toen zat hij vast, hij nam _tanta_ bij
+_regna_. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebø! Als
+je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student,
+en dan een varken, en je vond vlak daarop een mooie zijden parasol op
+den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en
+zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol
+verloren?--Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot
+je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij
+niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja
+zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het
+varken, neemt _tanta_ bij _regna_, omdat _regna_ het naast bij staat.
+Maar _tanta_ hoort bij _vi; quanta vi, tanta vi_, Halvor Mosebø!"--De
+jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen'
+niet licht.
+
+Daniël Braut is evenals Tørres Snørtevold in Kielland's _Jacob_ een
+boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het
+materiëele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen
+zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij
+behandeld zijn. Tørres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet.
+Daniël Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Tørres een
+caricatuur, terwijl het lot van Daniël Braut ons tragisch voorkomt.
+Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn
+natuurlijken kring had gelaten.
+
+In een paar volgende werken keert Garborg tot de problemenlitteratuur
+terug. Maar wat in _Bondestudentar_ gewonnen was, is niet verloren; het
+probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost,
+maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische
+schildering van een reeks levende personen.
+
+_Mannfolk_ (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie
+over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat
+groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is
+gezegd. Bjørnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak
+tendentiedrama _En Hanske_ (Een Handschoen), gevolgd door de brochure
+_Engifte og Mangegifte_ (Zij, die met één vrouw en die met vele vrouwen
+trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer
+zij verneemt, dat hij vóór haar eene andere heeft bemind. Bij het
+afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle
+oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de
+schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie
+ontstond. Men was vóór of tegen; in het openbaar meest vóór. Toen
+verscheen Hans Jæger's hierboven besproken boek en werd
+geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van
+Kristian Krogh _Albertine_; ook hiervan werden de exemplaren door de
+overheid opgehaald.
+
+Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van
+Bjørnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke
+korte vertelling _Ungdom_ (Jeugd) (1885); dan volgt _Mannfolk_, waarin
+de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen
+kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die
+het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het
+huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische
+eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen
+bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig
+ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjørnsonsche
+idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en
+levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch
+ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere
+geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven
+dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit.
+
+Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de
+hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de
+tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in
+het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan
+noch van de eene, noch van de andere afzien,--en zoo blijft hem dan
+niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man
+en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is
+hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne
+zuchten in poëtische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem
+ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er
+aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij
+van hèm zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen,
+dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij
+resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn".
+
+Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel
+is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de
+verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen,
+vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische
+toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele
+ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de
+beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een
+teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want
+deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniël
+Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.
+
+Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het
+verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid
+het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent
+daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere
+confiscatiën den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien
+maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver.
+Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer
+opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van _Mannfolk_
+schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.
+
+Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan
+een hut, aan het meer Savalen in het Østerdal, en weldra treedt hij in
+het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn
+bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te
+meer.
+
+Het verblijf op Kolbotten--zoo heet Garborg's woning in het
+Østerdal--heeft hij beschreven in een idyllisch boek, _Kolbottenbrev_
+(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven
+van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen
+uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie
+en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belangrijksten factor
+in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in
+het voorbijgaan _Hjaa ho Mor_ (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger
+van _Mannfolk_. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven,
+maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf
+geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat
+het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een
+pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt,
+kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een
+verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met
+vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt.
+Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit
+blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch
+met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden,
+dan toen het voor het eerst het licht zag.
+
+Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk
+_Uforsonlige_ (Onverzoenlijken). Het is geïnspireerd door politieke
+gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt.
+Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil,
+is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een
+partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de
+'onverzoenlijken' vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat
+het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere
+consideratiën'. Eén man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De
+meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en
+slaan dan om.
+
+Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man
+geworden.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 17: Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van
+27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjørnson op vrije voeten laten
+gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I,
+264).]
+
+[Footnote 18: Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij
+later nog eenmaal den redenaar Bjørnson als voorbeeld neemt, ditmaal
+voor zijn ideale figuur Dr. Stockman. Dit toont, dat
+Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds
+levende voorbeelden gebruikte.]
+
+[Footnote 19: De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de
+predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor
+iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in
+zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de
+zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.]
+
+[Footnote 20: Van zijn romans is er maar één (_Jacob_) geschreven na
+zijn werkzaamheid als redacteur.]
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN.
+
+
+Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die
+in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad.
+Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere
+landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls
+voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen,
+zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de
+problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieën
+herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor
+'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zóó kan het schijnen, wanneer men
+uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten
+vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de
+ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde
+lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te
+meenen, dat zij den nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als
+verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden,
+begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890
+debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was,
+blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond
+treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig.
+
+Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet
+tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat
+niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poëzie was slechts in
+weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit
+het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de
+dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van
+gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men
+kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men
+niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de
+grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen
+waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode
+blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen
+treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het,
+van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn uitgegaan, die
+nieuwe bezieling gebracht hebben.
+
+Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak
+tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De
+gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd
+kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De
+tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de
+tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand
+gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te
+putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de
+letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch
+proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het
+sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms
+meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium,
+dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle
+maatschappelijke ontwikkeling.
+
+Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element;
+zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is.
+Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering,
+stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie
+voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel
+duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere
+naturalisme plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn.
+Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en
+stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een
+zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt,
+om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze
+schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de
+gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men
+vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters
+van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jæger; wij vinden het
+terug bij Gabriël Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die
+alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming
+als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken;
+anderen slaan dit stadium over of maken het door vóór den tijd, waarin
+zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme
+voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan
+zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot
+god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te
+realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook,
+wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het
+schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar
+de schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan
+eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te
+deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven
+heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang
+bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren
+resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naïeve
+oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost
+gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor
+ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien.
+
+Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats
+de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in _Vildanden_
+is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,--een diep
+pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft,
+want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een
+pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die _En
+Folkefiende_ kenmerkt; de leer van _Vildanden_ is, dat het niet loont,
+voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het
+in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets
+nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant geworden in
+_Rosmersholm_ (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier
+nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het
+drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu
+onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke
+overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka
+wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij
+manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het
+leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn;
+slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op
+Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de
+mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven
+kost, is bijzaak, of liever--daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is
+andere taal dan die, welke Relling in _Vildanden_ voert. Het is de taal
+van den man met den paardenhoef in _Peer Gynt_, die zielen, welke zich
+verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere
+ingrediënten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt.
+
+In een gansch andere sfeer verplaatst ons _Fruen fra Havet_ (De Vrouw
+van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van
+minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een
+ideaal, maar ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida
+leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar
+vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met
+ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige
+behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik,
+wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar
+vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk
+verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door
+overwinning van het egoïsme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt,
+en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die
+een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het
+hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan.
+
+Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in _Lille Eyolf_
+(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet,
+nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid
+verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche
+verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van
+wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven,
+door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart
+en het opgeven van het egoïsme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid
+geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te
+worden'.
+
+Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poëzie.
+Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met
+het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida
+behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts
+incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld
+worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In
+de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en
+hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is
+zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt
+volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is
+wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft
+toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven,
+en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is
+een heerschzuchtig egoïst, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook
+een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het
+leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich
+herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den
+dienst opzeide, en het is de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij
+hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven
+inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij
+hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriël
+Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruïne over anderen
+gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht
+jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd,
+dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij
+wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen
+komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van
+Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van
+bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood
+heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is,
+stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag
+stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en
+hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn
+zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner
+ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten.
+
+Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in
+_Naar vi døde vaagner_ (Als wij dooden ontwaken) (1899). In
+tegenstelling met John Gabriël wordt Rubek zich den tweespalt in zijn
+leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en
+mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt
+zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm
+en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne
+geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te
+laten behouden, doen--te laat--een poging, om het verzuimde in te halen.
+Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een
+gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in
+een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien
+bestijgen, gaan zij samen onder.
+
+Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk
+voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk
+aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het
+zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele
+drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere
+schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen
+ook hier weer een voorganger geweest is.
+
+Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep
+heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich aan te
+ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze.
+Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriël Finne in 1899 op
+drieëndertig jarigen, Sigbjørn Obstfelder in 1900 op
+vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen
+leeftijd.
+
+Van deze drie toont Gabriël Finne het duidelijkst den samenhang met de
+vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest[21], maar
+hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige
+richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den
+vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de
+keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt,
+het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon
+is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het
+disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste
+oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de
+titel van zijn eersten bundel verhalen, _Unge Syndere_ (Jonge Zondaars),
+toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn
+standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de
+maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet
+mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie
+om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het
+cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij
+geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de
+wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar
+wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd
+uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan
+schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen
+lijden, en zóó is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven
+romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele
+personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte
+ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne
+bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood
+heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman _Rachel_, waarin de
+nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat
+Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm
+heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde.
+
+Finne's belangrijkste werken zijn: _Filosofen_ (1889), _Unge
+Syndere_(1890), _Doktor Wangs Børn_ (1890), _To Damer_ (1891), _Uglen_
+(De Uil) (1893), _Konny_ (een tooneelstuk) (1895), _Rachel_ (1895).
+
+Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist
+geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar
+hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt.
+
+Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjørn Obstfelder op de harde
+indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van
+de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats
+het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling
+plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond
+hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt
+niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne
+vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de
+eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in
+hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den
+dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de
+menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het
+dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is
+beurtelings pantheïstisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich
+soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft;
+deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan één vertelling ontmoet deze
+'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke
+of uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria
+onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit;
+Obstfelder weet haar zóó te schilderen, dat inderdaad de verworpene
+reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige
+overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de
+onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel
+der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem
+belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven
+gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale
+individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig
+voorbeeld leeren wij in _Korset_ (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont
+zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name
+Dostojewski.
+
+In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar
+daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende
+ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien.
+Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed
+geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet
+oud geworden is.
+
+Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat
+lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van
+zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook in het portret met den
+weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan
+eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Nærup siert.
+
+In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling
+met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug
+tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse--zelfanalyse--daalt
+veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht
+der periode, die achter hem ligt.
+
+De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: _Digte_ (1893), _To
+Novelletter, Korset, De røde Draaber_ (De roode Droppelen), _En Præsts
+Dagbog_. Van deze heeft _Korset_ het meest de aandacht getrokken.
+
+Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor
+genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen
+kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie
+boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te
+toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot
+een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, _Blandt
+Anarkister_, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij
+op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van de
+drie verhalen, die de beide volgende boeken (_Ira_ en _To Noveller_)
+bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een
+zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel
+ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (_En Ensom_);
+naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de
+psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element
+aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar
+ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het
+licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis.
+Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat
+hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden.
+
+Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt,
+eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst
+behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn
+gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn
+ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van
+dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het
+positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te
+zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener
+oude leer tot een gehoorzaam naprater eener nieuwe leer was geworden;
+het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij
+gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder
+hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de
+theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man
+was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu
+hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte,
+de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die
+beschreven wordt in _Trætte Mænd_ (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert
+de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is
+geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te
+schrijven, Gabriël Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een
+bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op
+genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een
+ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt
+hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood
+is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is.
+
+Maar Garborg is niet Gabriël Gram. Hij laat zich niet door een dominee
+op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van
+arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij
+geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, maar
+voor hem zelf is _Trætte Mænd_ een bad, waarin hij afwascht het
+negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom
+zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officiëele
+aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn
+oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en
+gelijk hij in _Trætte Mænd_ zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers
+onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de
+Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van
+redenen.
+
+Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's
+gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op,
+van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte,
+omdat hij geen vrede had met God. _Nu_ begrijpt hij hem; nu kan hij met
+liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij
+zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na _Trætte Mænd_, verscheen
+_Fred_ (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm
+van een roman wordt verteld. _Fred_ is een overweldigend boek. Nergens
+bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier.
+Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het
+primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking te
+geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter
+gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de
+razernij van den godsdienstwaanzin.
+
+Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd,
+dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom
+komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,--maar telkens komt de
+duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving
+hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige
+gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te
+krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God
+blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking
+het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt;
+dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot
+rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor;
+de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo
+groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren
+luisteren,--en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis,
+wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil
+doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in
+den geest, en,--twijfelt men, dan moet men slechts dat doen, wat het
+vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs
+en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen
+ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen
+loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te
+verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden.
+Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord.
+
+Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en
+dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo
+moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn.
+Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de
+oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om
+aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De
+schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts
+deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de
+vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,--niet aan Gods
+woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij
+heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och,
+kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat
+het niet erger kon worden!--De aanvallen van angst en twijfel nemen
+toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich
+verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als
+Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en
+nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds
+thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,--en toch niet alleen, want
+ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo
+wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten
+te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij
+ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele
+hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de
+troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk
+in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij
+hem; één onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong,
+en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek
+over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht
+en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...."
+
+Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit
+resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij.
+dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd
+wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in
+onzekerheid. Indien er één ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is
+het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het
+Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het
+Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van
+Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jæderen de macht gekregen
+had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel,
+maar gaf hun geen levend geloof.
+
+Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in
+tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op _Fred_ volgen. Twee
+daarvan sluiten onmiddellijk bij _Fred_ aan. Zij verhalen de
+geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar
+en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien
+hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk
+gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf.
+
+_Læraren_ (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit
+drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In
+beide staat één man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders
+zedelijk en verstandelijk, maar wordt uitgestooten, omdat hij de
+waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid
+van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal,
+dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld
+worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een
+ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin,
+bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave
+behoort tot de 'gewekten', de piëtisten, die bidstonden houden, die
+klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaäns is. Hij is zelfs hun
+voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op
+een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de
+quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens
+gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen
+van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den
+armen." Die preek is zóó frisch en zóó geestig, dat het moeite kost, er
+niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot.
+
+"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als
+wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen
+hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!--En noemen dan die
+leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon
+gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons.
+
+"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek
+daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal
+en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen
+komen, moeten met macht naar binnen dringen,--met heel hun heetsten wil.
+Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom
+noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch
+stelt, geeft ook de kracht."
+
+Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de
+schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat
+schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert
+haar naar buiten. Zij is van zich zelf."--Daarmee valt het gordijn van
+dit bedrijf.
+
+Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende
+gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun
+volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave
+leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders
+gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat
+wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend
+met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die
+vrienden van zonde en berouw, die hem een huichelaar noemen, en nu
+blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden.
+De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de
+schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt
+verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar
+man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen,
+ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het
+gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch
+goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te
+treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt.
+
+Een tweede stuk als _Læraren_ is zeker vroeger noch later ten tooneele
+gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een
+Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in
+voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling.
+Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest
+persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in
+die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin
+hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een
+spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge
+gedachten houden het ver boven het niveau ook der goede
+tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen
+uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin _Læraren_ speelt, is
+den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En
+wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de
+comische scènes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch
+geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is.
+
+Het andere werk, dat direct bij _Fred_ aansluit, is een boekje vol
+poëzie en vol wijsheid. _Den burtkomne Faderen_ (De verloren Vader). Het
+is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de
+wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies
+verloren te hebben, oud vóór den tijd, aan zich zelf en aan de
+menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om
+eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in
+hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint
+in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij
+heeft vrede gevonden met het leven--en met den dood.
+
+Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische
+oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van
+bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zachtheid. Gunnar houdt zich
+gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar
+niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en
+zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden."
+Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem
+iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En
+hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu
+in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel
+vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid.
+En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij."
+
+Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te
+begrijpen.
+
+Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren
+vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen.
+
+Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee
+dichtwerken, _Haugtussa_, en de voortzetting daarvan _I Helheim_.
+Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een
+visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels
+ophoudt; de dichter noemt haar Veslemøy, 'het stakkertje'. Het gedicht
+vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar
+in den steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen
+heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte
+en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze
+vrouw, die als _volva_ (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar
+dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven.
+
+In _I Helheim_ (In de Hel) gaat daarop Veslemøy in haar koortsigen droom
+met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar
+diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht
+heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur,
+maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn
+behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een
+psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad,
+dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten.
+Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen
+einde komt:
+
+ "Een oogenblik in dit vuur
+ is eeuwigheid zonder einde."
+
+Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap
+terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat
+van zijne kindsheid. Het is losgemaakt van leerstelligheid; de nadruk
+wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid.
+
+Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die
+een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog
+directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven;
+zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als
+stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij
+zóó hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook
+in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld
+_Jesus Messias_ (1906), _Den burtkomne Messias_ (1907), _Heimkomin Son_
+(1908).
+
+Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap
+geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan
+den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort:
+
+"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen
+katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen
+protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en
+wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het
+volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige
+troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed
+hebben, maar de rijke man zal branden, heeter dan heet, van eeuwigheid
+tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden--.
+
+"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat
+macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen,
+liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo
+ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?"
+
+Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een
+zedelijk opvoeder van zijn volk geweest.
+
+In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die
+in dezelfde periode optreden.
+
+Rasmus Løland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk
+zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een
+groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud,
+handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en
+vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het
+allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn
+kinderverhalen _Det store Nashorne_ (De groote Neushoorn) en
+_Kvitabjörnen_ (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg
+aan het begin van den na Løland's dood verschenen bundel _Paa
+Skuggesida_ (Aan den Schaduwkant).
+
+Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen (geb. 1857), Per Sivle (±
+1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen.
+
+Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende
+en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich
+door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een
+afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer
+hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In
+het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, _Menneskets Genesis_,
+is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn
+strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig
+leeft het geslacht van Kaïn nog.
+
+Heiberg's eerste tooneelstuk _Tante Ulrikke_ (1884) houdt zich bezig met
+den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos;
+hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept
+den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig
+karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich
+slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, _Kong Midas_ (1890), heeft
+Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later
+zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een
+waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten
+schijnen, bijna een groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft
+verwantschap met _Vildanden_, maar niet alleen het type, ook het stuk is
+gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering
+en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan
+Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering.
+Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van
+eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der
+achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach
+van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook
+het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog
+en houdt de belangstelling gaande. Op _Kong Midas_ volgden een aantal
+andere werken, waarvan wij noemen _Kunstnerne_ (1893), waarin de
+tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, _Det store
+Lod_ (1895), _Harald Svans Mor_ (1899). Een gansch ander karakter dragen
+een paar tragische stukken, _Balkonen_ (1894) en _Kærlighedens Tragedie_
+(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles
+verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van
+de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan
+de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem
+wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich
+van den mensch meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering
+is knap, de lezer huivert,--maar hij wenscht van zulk een liefde
+verschoond te blijven.
+
+Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar
+wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand
+meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige
+geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een
+stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te
+overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot
+klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat
+hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch,
+indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in
+pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem
+daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van
+nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem
+behoed hebben,--een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden
+trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een
+druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt
+zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op
+elkaar te zetten en te vroolijker te worden, naarmate hij het
+moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand
+moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet
+zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen.
+
+De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij
+nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In _Sult_ is het
+honger, in _Pan_ is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de
+heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In _Mysterier_
+hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van
+waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld,
+die van den heer Nagel--zoo heet de man--niet weten wil, nauwelijks
+ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van
+Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een
+zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als
+een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele
+maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand
+bestond reeds in _Fra det moderne Amerikas Aandsliv_, een persifflage,
+naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet
+objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij,
+zoo is in _Sult_ het 'ik' aanwezig. _Mysterier_ is de eerste poging, om
+die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar
+voortreffelijke maatschappelijke romans, _Redaktør Lynge_, waarin de
+verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers
+behandeld wordt, en _Ny Jord_, die een troep ijdele kunstenaars,
+voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige
+kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Bohême-leven,
+van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus,
+onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een
+achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een
+niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt
+hij weer in _Pan_, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken
+_Ved Rigets Port, Livets Spil_ en _Aftenrøde_ en in het wonderlijke
+gedicht in dramatischen vorm _Munken Vendt_ (1902). In latere werken
+komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar
+zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist
+Bardsen in _Børn af Tiden_ en in _Segelfoss By_, een aristocratisch
+voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en
+onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang,
+waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type,
+dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar
+toch reeds van den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver
+steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een
+litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (_Under
+Høststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glæde_) een
+nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze
+schrijft nu, gelijk in _Sult_, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu
+kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid
+is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een
+ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu
+aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat
+een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager
+te spreken, niet _alles_ van het leven te wachten, maar het toch met
+dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'.
+
+In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters
+subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de
+wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen
+beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn
+belangstelling niet onthoudt. Zóó is de wereld, vindt hij, en zóó is het
+leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de
+zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen.
+Drie van deze boeken, _Børn af Tiden, Segelfoss By, Markens Grøde_,
+behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver
+nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt
+hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten
+gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die
+weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen.
+In de plebeïsche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer
+van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In _Markens Grøde_
+echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder
+geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land
+bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en
+aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door
+toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die
+mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en
+weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt
+is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle
+vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel
+_Konerne ved Vandposten_.
+
+Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige
+andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar
+interessante bundels novellen (in één van deze het uitgelaten vroolijke
+stuk _Dronningen af Saba_). En dan het meesterwerk _Livet i Vold_,
+uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering.
+
+Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers
+van dit tijdvak,--hij is in 1853 geboren,--maar hij is betrekkelijk laat
+begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na
+1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen
+gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met
+oppositie tegen sommige theorieën uit het vorige tijdvak, en wel vooral
+tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die
+dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het
+verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk _Uten
+Ansvar_ (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht,
+maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den
+dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren.
+
+Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle.
+Zijn locaal is het Østerdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert
+1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in
+kleine bundels: _Skisser, Fra Skog og Fjeld_, e.a. Deze zijn verzameld
+onder den titel _Folkelivsbilleder_ (1904). Jongere verzamelingen zijn
+_Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier_. Tot hetzelfde type
+behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans:
+_Fonnaasfolket_ (1902), _Glomdalsbruden, Østerdalskongen_ (een breede
+uitwerking van een der Folkelivsbilleder), _Jutulskaret, Knut Veum_
+(1910, het laatste).
+
+Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur
+van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is
+dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde
+leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand
+komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen
+behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op
+polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer,
+zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van
+het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij,
+waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is,
+een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in
+die vertelling uit het Østerdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat
+het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en
+maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die
+in tamelijk behoeftige omstandigheden leeft. De man is begaafd en heeft
+aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende
+zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar
+hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan
+oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een
+carrière-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is
+niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt
+Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom
+toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is
+zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden,
+wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring
+blijft, behoeft dat niet gezegd te worden.
+
+Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre
+en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek;
+hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling
+van Bjørnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te
+zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd.
+
+Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn
+belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte vertellingen.
+Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van
+De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van
+gelijken aard: _Sidsel Sidserk_, _Sølve Solfeng_, en een paar jongere
+bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, _Storken,
+Høit Tilhest_ en _Hanen_, die door hun comische kracht aan Holberg
+herinneren.
+
+Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode
+begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren,
+Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb.
+1865).
+
+Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een
+lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het
+diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak.
+Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich
+openbarende in meer dan ééne generatie. Zijne opvatting der levensvragen
+draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken
+zijner eerste periode zijn: _Jon Græff_ 1891, _Ensomme Mennesker_ 1892,
+_Mulm_ 1893, _Kobberslangen_ 1894, _Ada Wilde_ 1896, _Ulf Ran_ 1897,
+_Enken_ 1899.
+
+Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door vertellingen uit het
+volksleven, _Folkelivsskildringer_, waarvan de eerste bundel in 1894
+uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: _Almue_ 1891, _En
+Skibsgut_ 1892, _Straf_ 1893, _Gammelholm_ 1899, alsmede comedies:
+_Stridsmænd_ 1896, _Jakob og Kristoffer_ 1900. Ook daarna heeft hij
+ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is
+van 1921 en draagt den titel _Inde i Fjordene_.
+
+Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite
+heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een
+origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen,
+veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen,
+waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan
+worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat.
+Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties,
+zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch
+niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet
+onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de
+dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan
+zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische
+juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite
+doet, ze door te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver
+heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te
+vernieuwen. In de jaren 1892--1900 gaf hij uit: _Huldren_ 1892, _Ungt
+Folk_ 1893, _Flaggermusvinger_ 1895, _Sus_ 1896, _Fra Hav til Hei_ 1897,
+_Hugormen_ 1898, _Trækfugle_ 1899. Van zijn latere werken is misschien
+het belangrijkste _Den sidste Gæst_ 1910.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 21: Aan Kielland heeft hij ook zijn roman _To Damer_
+opgedragen.]
+
+
+
+
+LYRISCHE DICHTERS.
+
+
+In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de
+litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al
+wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De
+romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien
+tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts
+aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de
+groote verskunstenaar, gaat na _Peer Gynt_ geheel tot het proza over; de
+romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste
+lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en
+daarmee zinkt de lyrische poëzie in een winterslaap, die met weinig
+onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren
+enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder
+vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte
+onderbreking door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en
+Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit _Med Lyre og Lanse_
+(Met Lier en Lans), in 1880 _Vaarbrud_ (Lentedoorbraak), de tweede in
+1880 _Polemiske Sonetter_. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk
+politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop
+zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de
+stemmingspoëzie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: _Digte af Per Gynt_, in
+1897 _Norsk Høifjeld_, in 1901 _Vintereventyr_.
+
+Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864),
+Caspari op dit gebied vóór geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887,
+nieuwe bundels volgden in 1894 _Fra Vaar til Høst_, 1896 _Musik og
+Vaar_, 1900 _Det dyre Brød_, 1904 _Fra Kristiana_. Uit deze verzen sprak
+een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te
+gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden.
+
+Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag,
+een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf,
+getiteld _Digte_ en _Nat_, waarin deels, onder den invloed van Deensche
+dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel
+Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op
+het drama en den roman toegelegd.
+
+
+
+
+UITGAVEN EN LITTERATUUR[22].
+
+
+ALGEMEENE WERKEN.
+
+Henrik Jæger, _Illustreret norsk Literaturhistorie_, 3 dln. Kristiania
+1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl Nærup,
+_Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904_, Kristiania
+1905.--Gehrard Gran, _Nordmænd i det 19de Aarhundrede_, 3 dln.
+Kristiania 1914. Houdt biographieën in van vooraanstaande mannen op
+ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als
+_Nordm. 19. A._)--_Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug._
+1915.--J.B. Halvorsen, _Norsk Forfatter-Lexicon._--Edv. Bull, A.
+Krogvig, G. Gran, _Norsk biografisk Leksikon._ Verschijnt sedert 1921.
+
+HOOFDSTUK I.
+
+_Henrik Wergeland_. Wergeland, _Udvalgte Skrifter_. Kristiania en
+Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl Nærup. In
+deel VII eene autobiographie, getiteld _Hasselnødder_.--O Skavlan,
+_Henrik Wergeland_, Kristiania 1892.--G. Gran, _Henrik Wergeland_ in
+_Nordm. 19. A._ dl. 1.
+
+_Johan Sebastian Welhaven_. Welhaven, _Samlede Digterværker_, 3e
+uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.--_Digte i Udvalg_, 1919.--A.
+Löchen, _J.S. Welhavens liv og skrifter_, Kria 1900.--G. Gran, _Joh. S.
+Welhaven_ in _Nordm. 19. A._ dl. 1.
+
+HOOFDSTUK II.
+
+_Asbjørnsen en Moe_. De verzamelingen zijn talrijke malen
+uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken
+titel _Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr_ (deel I:
+_Huldreeventyr og Folkesagn_, deel II: _Folkeeventyr_). Hiervan bestaat
+eene volksuitgave en eene geïllustreerde. Aanbeveling verdienen ook de
+kleinere geïllustreerde bundels: _Norske Folke- og Huldre-eventyr i
+Udvalg_; _Udvalgte Folkeeventyr_; _Eventyrbok for Børn_.--Moltke Moe,
+_Det nationale gjennembrud og dets mænd (Asbjørnsen, Moe, Aasen)_ in
+_Nordm. 19. A._ dl. 2 (zeer leerzaam).
+
+_Jørgen Moe_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Jubilæumsudgave.
+
+_Folkeviser_. M.B. Landstad, _Norske Folkeviser_, Christiania 1853,
+is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, _Gamle norske Folkeviser_,
+Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der _Norske Folkeviser_, door Knut
+Liestøl en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen.
+
+_J.S. Welhaven_. Zie bij Hoofdstuk I.
+
+_Bjørnstjerne Bjørnson_. Bjørnson, _Samlede Digterverker,
+Standardudgave_, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn
+afzonderlijk verkrijgbaar.--P.A. Rosenberg, _Bjørnstjerne Bjørnson_,
+1915.--G. Gran in _Nordm. 19. A._ dl. 3.--G. Brandes in _Det moderne
+Gjennembruds Mænd_, 2. uitg. 1891--R.C. Boer, _Bjørnstjerne Bjørnson_ in
+_De Gids_ (Nov. 1899). dez., _Laboremus_ in _De Gids_ (Aug. 1901).
+
+_Henrik Ibsen_. Ibsen, _Samlede Digterværker. Standardudgave_, 7
+dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk
+verkrijgbaar.--_Ibsens Episke Brand_, udg. af Karl Larsen 1907.--_Ibsens
+Efterladte Skrifter_, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de
+studie van den dichter.)--_Breve fra Henrik Ibsen_, 2 dln.
+1904.--Henrik Jæger, _Henrik Ibsen, Et literært Livsbillede._--G.
+Brandes, _Henrik Ibsen_ 1898.--Albert Dresdner, _Ibsen als Norweger und
+Europäer_.--John Paulsen. _Samliv med Ibsen_, 1906. _Ny Samling_
+1913.--Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding
+der reeds genoemde _Efterladte Skrifter_.--R.C. Boer, _Peer Gynt_ (_De
+Gids_ van Oct. 1893). dez., _Kleine Eyolf_ (_De Gids_ van Febr. 1895).
+dez., _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.;
+o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., _Ibsen's Epische
+Brand_ (_Onze Eeuw_, 1909), dez., _Ibsen's Nagelaten Werken_ (_Onze
+Eeuw_ 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (_Neophilologus_ 1919). Jacqueline
+E. van der Waals, _Brand en de brieven van Ibsen_ (_Onze Eeuw_, Mei
+1919).--Een uitvoerig commentaar op _Peer Gynt_ schreef H. Logeman (Den
+Haag 1917).
+
+HOOFDSTUK III.
+
+_Ivar Aasen_, _Skrifter i Samling_, 3 dln. Kria en Khvn.--Moltke
+Moe, _Det nationale gjennembrud og dets mænd_ (zie bij Hoofdstuk II).
+
+_Aasmund O. Vinje_. A.O. Vinje, _Skrifter i Utval_, utgjevne af Det
+norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).--_Dikt og prosaskrifter i
+utval_ ved Halvdan Koht Kria, 1903.--_Ferdaminni_ en _Storegut_ zijn
+herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske
+Samlaget.--Vetle Vislie, _Aasmund Vinje_, Bergen 1890.--Een kort werkje
+van denzelfde in de _Norske Folkeskrifter_ udgj. av Norigs Ungdomslag og
+Studentmaallaget no. 28.--Halvdan Koht, _A.O. Vinje_ in _Nordm. 19. A._
+dl. 3.
+
+_Landsmaal_. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het
+landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven
+tijdschrift _Syn og Segn_.
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+_Camilla Collett_, _Samlede Verker Mindeudgave_, 3 dln. Enkele
+boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.--Alf Collett, _Camilla Colletts
+Livs Historie_. 1911.--Lilly Heber, _Camilla Collett_, 1913.--Mathilde
+Schjøtt in _Nordm. 19. A._ dl. 1.
+
+_Ibsen en Bjørnson._. Zie bij Hoofdstuk II.
+
+_Jonas Lie_. J. Lie, _Samlede Digterverker, Standardudgave_, 10
+dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk
+verkrijgbaar.--Arne Garborg, _Jonas Lie, En Udviklingshistorie_, Kria
+1893.--Erik Lie, _Jonas Lies Oplevelser_, Kria en Khvn 1908.
+
+_Alexander L. Kielland_. A.L. Kielland, _Samlede Digterverker.
+Standardudgave_, 5 dln. Kria en Khvn 1920. _Breve_, met inleiding van G.
+Gran, 1907.--Brandes, _Essays, Fremmede Personligheder_, Khvn 1889, p.
+17.--R.C. Boer, _Alexander L. Kielland_ (_De Gids_, Mei 1897).
+
+_Kristian Elster_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria 1904.--_Brandes,
+Essays, Fremmede Personligheder_, p. 1,--A.L. Kielland in de uitgave van
+Elsters _Solskyer_.
+
+_Amalie Skram_. Hare romans zijn afzonderlijk
+verkrijgbaar.--_Samlede Skrifter_, uitverkocht.
+
+_Arne Garborg_. Arne Garborg, _Skrifter i samling.
+Jubilaeumsutgaave_, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.--Erik
+Lie, _Arne Garborg, En Livsskildring_, Kria 1914.--Zie ook de
+Garborg-aflevering van _Syn og Segn_ (Januari-Februari 1921).--R.C.
+Boer, _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.).
+
+HOOFDSTUK V.
+
+_Gabriel Finne_. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.--R.C.
+Boer. _Gabriel Finne_, (_De Gids_, Juli 1898).
+
+_Sigbjørn Obstfelder_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria en Khvn
+1917. De werken ook afzonderlijk.
+
+_Arne Garborg_. Zie bij Hoofdstuk IV.
+
+_Rasmus Løland_. Een biographische schets door Arne Garborg is
+hierboven bladz. 225 genoemd.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie
+vorige pag.).
+
+_Gunnar Heiberg_. _Samlede dramatische Verker_, 4 dln. Kria
+1917-1918.
+
+_Knut Hamsun_. _Samlede Verker_, 12 dln. Ook afzonderlijk.--John
+Landquist, _Knut Hamsun, En studie över en nordisk romantisk
+diktare_.--R.C. Boer. _Knut Hamsun_ (_De Gids_ November 1896), dez.,
+_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April
+1912), dez., _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.).
+
+_Jacob B. Bull_. _Folkelivsbilleder_, 4 dln., 3e uitg. 1919.
+_Folkelivsromaner_, 3 dln., 2e uitg. 1918--_Nutidsromaner_, 3 dln.
+1918.--_Historiske romaner_. 4 dln.--De meeste werken ook
+afzonderlijk.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.).
+
+_Hans Aanrud_, _Fortællinger_, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der
+uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.--R.C. Boer,
+_Reisherinneringen_ (zie vorige pagina).
+
+_Thomas Krag_, _Samlede Skrifter_, 9 dln. De werken ook
+afzonderlijk.
+
+_Hans E. Kinck_. Over zijn drama _Den sidste Gæst_ zie R.C. Boer,
+_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April
+1912).
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 22: Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer
+beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.]
+
+
+
+
+REGISTER VAN AUTEURS.
+
+Aanrud, H.
+Aasen, I.
+Arnim
+Asbjørnsen, P. Chr.
+Auerbach, B.
+Bjerregaard, H.A.
+Bjørnson, B.
+Brandes, G.
+Brentano
+Bugge, S
+Bull, J.B.
+Caspari, C.P.F.
+Collett, C.
+Dostojewski
+Drachmann, H.
+Dybfest, A.
+Egge, P.
+Elster, Kr.
+Faye, A.
+Finne, G.
+Fjørtoft, O.J.
+Garborg, A.
+Goldschmidt, M.
+Grimm, J. en W.
+Gran, G.
+Hamsun, K.
+Hansen, M.
+Heiberg, G.
+Heiberg, J.L.
+Heiberg, P.A.
+Heine, H.
+Herre, B.
+Hertz, H.
+Hielm, J.A.
+Holberg, L.
+Ibsen, H.
+Jacobsen, J.P.
+Jæger, Hans
+Jæger, Henrik
+Kielland, Al. L.
+Kinck, H.E.
+Knudsen, K.
+Krag, Th.
+Krag, V.
+Krogh, Kr.
+Landstad, M.B.
+Lie, J.
+Løland, R.
+Mill, Stuart
+Moe, J.
+Moe, M.
+Munch, A.
+Munch, J. Storm
+Munch, P.A.
+Novalis
+Nærup, C.
+Obstfelder, S.
+Randers, Kr.
+Runeberg, J.L.
+Sagen, Lyder
+Sars, E.
+Schjøtt, M.
+Schiller, Fr. von.
+Schultze, H.
+Schwach, C.N.
+Seip, D.A.
+Sivle, P.
+Skavlan, O.
+Skram, A.
+Snorri Sturlason
+Spencer, H.
+Tvedt, J.
+Vinje, A.
+Vislie, V.
+Vogt, N. Collett
+Welhaven, J.S.C.
+Wergeland, H.
+Øhlenschläger, A.G.
+Østgaard, N.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de
+Negentiende Eeuw, by R.C. Boer
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE ***
+
+***** This file should be named 13591-8.txt or 13591-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13591/
+
+Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/13591-8.zip b/old/13591-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..8b8d68f
--- /dev/null
+++ b/old/13591-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/13591-h.zip b/old/13591-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..e13dbe2
--- /dev/null
+++ b/old/13591-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/13591-h/13591-h.htm b/old/13591-h/13591-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..3b4af98
--- /dev/null
+++ b/old/13591-h/13591-h.htm
@@ -0,0 +1,5899 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content=
+ "text/html; charset=iso-8859-1">
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of NOORWEGENS LETTERKUNDE IN DE NEGENTIENDE EEUW, by R.C. Boer.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ P { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ H1,H2,H3,H4,H5,H6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;
+ }
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ }
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */
+ .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */
+ .sidenote {width: 20%; margin-bottom: 1em; margin-top: 1em; padding-left: 1em; font-size: smaller; float: right; clear: right;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;}
+ .poem .caesura {vertical-align: -200%;}
+ .spaced {letter-spacing: 2px}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de Negentiende
+Eeuw, by R.C. Boer
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw
+
+Author: R.C. Boer
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13591]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+<!-- Autogenerated TOC. Modify or delete as required. -->
+ <a href='#NOORWEGENS_LETTERKUNDE'><b>NOORWEGENS LETTERKUNDE</b></a><br />
+ <a href='#VOORBERICHT'><b>VOORBERICHT.</b></a><br />
+ <b>HOOFDSTUK I. Het ontwaken der nationale letterkunde</b><br />
+ <a href='#HOOFDSTUK_I'>1. <i>Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814</i>.</a><br />
+ <a href='#2_WergelandmdashWelhaven'><b>2. <i>Wergeland&mdash;Welhaven.</i></b></a><br />
+ <b>HOOFDSTUK II. Romantiek</b><br />
+ <a href='#HOOFDSTUK_II'>1. <i>De volksromantiek</i>.</a><br />
+ <a href='#2_De_historiseerende_Romantiek'><b>2. <i>De historiseerende Romantiek</i>.</b></a><br />
+ <a href='#3_Het_hooggespannen_Idealisme'><b>3. <i>Het hooggespannen Idealisme</i>.</b></a><br />
+ <a href='#HOOFDSTUK_III'><b>HOOFDSTUK III. De taalbeweging en de oudste schrijvers in landsmaal</b></a><br />
+ <a href='#HOOFDSTUK_IV'><b>HOOFDSTUK IV. Het realisme</b></a><br />
+ <a href='#HOOFDSTUK_V'><b>HOOFDSTUK V. Jongere richtingen en persoonlijkheden</b></a><br />
+ <a href='#LYRISCHE_DICHTERS'><b>LYRISCHE DICHTERS.</b></a><br />
+ <a href='#UITGAVEN_EN_LITTERATUUR'><b>UITGAVEN EN LITTERATUUR.</b></a><br />
+ <a href='#REGISTER_VAN_AUTEURS'><b>REGISTER VAN AUTEURS.</b></a><br />
+
+<!-- End Autogenerated TOC. -->
+
+
+
+<p>VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK</p>
+
+<p>onder redactie van de Vereeniging &quot;V.U.B.&quot;</p>
+
+<p>Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, <i>Voorzitter</i>; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM,
+Amsterdam, <i>Ondervoorzitter</i>; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM;
+Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J.
+BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY;
+Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS;
+Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR.
+J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, <i>Secretaris</i>.</p>
+
+<p>20</p>
+
+<p>HAARLEM</p>
+
+<p>DE ERVEN F. BOHN</p>
+
+<p>1922</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='NOORWEGENS_LETTERKUNDE'></a><h2>NOORWEGENS LETTERKUNDE<br />IN DE NEGENTIENDE EEUW</h2><a name='Page_2'></a>
+
+<p>DOOR<br />
+DR. R.C. BOER<br />
+Hoogleeraar te Amsterdam</p>
+
+<p>HAARLEM<br />
+DE ERVEN F. BOHN<br />
+1922</p>
+
+<a name='Page_3'></a>
+
+<a name='Page_5'></a>
+
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='VOORBERICHT'></a><h2>VOORBERICHT.</h2><a name='Page_6'></a>
+<br />
+
+<p>Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19<sup>e</sup> eeuw begint
+met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is
+slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de
+voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het
+chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt
+ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien,
+verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te
+buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te
+behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd
+op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode
+hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan
+allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering
+gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel v&oacute;&oacute;r 1900
+debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt,
+niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen<a name='Page_7'></a>
+eener&mdash;niet al te enge&mdash;keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die
+wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe
+plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen
+althans eenigszins tot hun recht komen.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='HOOFDSTUK_I'></a><h2><a name='Page_8'></a>HOOFDSTUK I.</h2>
+
+<p>HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE.</p>
+<br />
+
+<p>1. <i>Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814</i>.</p>
+
+<p>In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen
+aan eene diepe depressie ten prooi. E&eacute;n ding was er, dat met recht de
+geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat
+waren, in beslag nam&mdash;de inrichting van den nieuwen staat en van zijne
+organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene
+aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan
+voorbijgaande belangstelling aanspraak maken.</p>
+
+<p>De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de
+ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie
+had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen,
+en de omstan<a name='Page_9'></a>digheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen
+ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land
+nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en
+wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch
+van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als
+offici&euml;ele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide
+landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was
+verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in
+sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het
+accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop
+der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd,
+dat er geen sprake meer was van twee&euml;rlei bevolking. Het was trouwens
+een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name
+het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen
+overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper
+geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn.</p>
+
+<p>Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen
+stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde
+dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis
+had. Voor de plattelands<a name='Page_10'></a>bevolking beteekende dit een ophouden van het
+litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten,
+bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale
+sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen
+voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop
+der 19<sup>e</sup> eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten
+opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg
+nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het
+voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst,
+accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan
+vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben
+meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken
+zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan.</p>
+
+<p>Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene
+eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde
+deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken
+werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal
+geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te
+onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder
+mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet
+gebruikelijk waren; dit waren <a name='Page_11'></a>provincialismen, die toch niet aan de
+taal een zeer bijzonder karakter gaven<a name='FNanchor_1_1'></a><a href='#Footnote_1_1'><sup>[1]</sup></a>.</p>
+
+<p>Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der
+Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won
+Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de
+minder ontwikkelde volksklasse,&mdash;een samenhang, die in dien tijd toch
+niet heel veel kon beteekenen&mdash;, trad een samenhang met Denemarken, dat
+geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de
+algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale
+tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld
+werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien
+bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet
+slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te
+laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche
+kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der
+periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De
+grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen
+afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18<sup>e</sup> eeuw zijn
+er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden. </p><a name='Page_12'></a>
+
+<p>De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt.
+Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het
+beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou
+geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien
+er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin
+nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een
+klein land geen geringe beteekenis.</p>
+
+<p>Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met
+Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het
+was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de
+wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land
+is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel
+schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats,
+die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam,
+het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw
+volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te
+volbrengen.</p>
+
+<p>De krachten van het nieuwe volk worden <a name='Page_13'></a>in de eerste plaats besteed aan
+het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet
+later volgen. V&oacute;&oacute;r alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en
+bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar
+veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische
+neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet
+denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden.
+Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen
+staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en
+voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote
+machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog
+hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat
+oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men
+koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust,
+dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat
+het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de
+ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot
+ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te
+scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt,
+draagt het stempel van deze armoede. Het zijn <a name='Page_14'></a>&ograve;f herhalingen der po&euml;zie
+van de achttiende eeuw, &ograve;f bombastische loftuitingen op het Noorsche
+volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder
+Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn
+alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van
+vreemde voorbeelden, Schiller, &Oslash;hlenschl&auml;ger, de Duitsche romantici;
+iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee
+verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als
+nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den
+titel <i>Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815</i>. Ongeveer al, wat zich in
+Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee
+bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat &quot;ook tusschen
+Noorwegens klippen bloemen groeien&quot;. Maar onder die twintig is er niet
+&eacute;&eacute;n, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_1_1'></a><a href='#FNanchor_1_1'>[1]</a><div class='note'><p> Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in
+Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje <i>Dansk og
+Norsk i Norge i eldre Tider</i>, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden
+schrijver <i>Norsk Sproghistorie</i> (1920).</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='2_WergelandmdashWelhaven'></a><h2>2. <i>Wergeland&mdash;Welhaven.</i></h2>
+<br />
+
+<p>Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel
+met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als
+met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en
+land&mdash;maar toch vooral de stad&mdash;met rumoer. Het is treffend, dat wij bij
+deze eerste vlucht omhoog, die de <a name='Page_15'></a>nieuwe Noorsche litteratuur maakt,
+een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven
+toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook
+later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met
+hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen
+nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale
+gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en
+aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en
+een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den
+algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den
+moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland&mdash;Welhaven.</p>
+
+<p>Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet
+meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene
+productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal
+jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn
+jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot
+stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch
+predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van
+1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de
+herinnering aan dat jaar hoog <a name='Page_16'></a>gehouden werd, en dit milieu heeft een
+stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd
+kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige
+vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige,
+opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg
+onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen,
+maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de
+theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in
+kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het
+rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later,
+bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant
+aan de actieve politiek deelgenomen.</p>
+
+<p>Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke
+werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op
+een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld <i>Skabelsen, Mennesket og
+Messias</i> (De schepping, de mensch en de Messias).</p>
+
+<p>Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet z&oacute;&oacute; te verstaan,
+dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof
+had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die
+van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van <a name='Page_17'></a>meer
+dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te
+schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript
+van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met
+de volgende vellen.</p>
+
+<p>Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en
+wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van
+dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het
+formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn
+persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont.</p>
+
+<p>De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene
+allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche
+overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol.
+Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar,
+komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange
+ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer
+nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van
+dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd
+van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de
+dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke
+een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter
+telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. <a name='Page_18'></a>De revolutie is
+daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom
+ook door den dichter een &quot;bijbel der republikeinen&quot; genoemd.</p>
+
+<p>Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te
+onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent,
+en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de
+menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet
+bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken.
+Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een
+gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de
+gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit
+iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de
+lezers&mdash;Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen&mdash;, maar de heftige
+toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele
+vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het
+gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het
+tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd
+over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum.</p>
+
+<p>Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft <i>Skabelsen,
+Mennesket og Messias</i>, gelijk de geheele productie van Wergeland,
+<a name='Page_19'></a>groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust
+der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze
+beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander
+verdringen, in den regel z&oacute;&oacute; snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt,
+maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te
+zeggen heeft,&mdash;soms echter ook z&oacute;&oacute; veel, dat hij valt over zijn woorden.
+Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte
+gevoeld werd.</p>
+
+<p>In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een
+groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm
+(o.a. <i>Papeg&oslash;ien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle,
+Barnemordersken</i> e.a.), vertellingen in verzen (<i>Jan van Huysums
+Blomsterstykke, Den engelske Lods</i>), verhandelingen over politiek,
+geschiedenis (<i>Norges Konstitutions Historie</i>), moraal, taalhervorming
+en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij
+ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men
+thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn
+beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook
+in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor
+algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van
+vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de
+emancipatie der Joden. Het werk <a name='Page_20'></a>voor verlichting hangt samen met de
+houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand
+aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren
+geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was
+een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij
+te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te
+nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon,
+heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der
+impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld
+aannam van Carl Johan,&mdash;inderdaad een inconsequente handelwijze voor den
+dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op &quot;tyrannen&quot;
+af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld,
+en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs
+verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld
+als een nationaal verlies.</p>
+
+<p>Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf
+aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode
+Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene
+aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en
+de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne <a name='Page_21'></a>moeder was een nicht van den
+Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L.
+Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave
+gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge
+menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche
+patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte
+zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten
+van den Noorweegschen &quot;odelsbonde&quot; (d.i. de boer, die bezitter van zijn
+goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op
+wat Deensch was. In de politiek was Zweden de b&ecirc;te noire geworden; in
+zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken.</p>
+
+<p>Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of
+voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts
+in straatoploopen en andere luidruchtige manifestati&euml;n. De aanvoerder
+van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu
+ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen.
+Het verschijnen van <i>Skabelsen, Mennesket og Messias</i> deed den emmer
+overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze
+Wergeland zijn &quot;razen tegen het verstand&quot; verweet. Een heftige
+pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epi<a name='Page_22'></a>grammen.
+Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe
+heftigheid voortgezet.</p>
+
+<p>Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend
+resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur
+het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor
+hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de
+representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in
+plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen
+van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand
+gekomen, dat <i>Norges D&aelig;mring</i> (De Schemering van Noorwegen) heet.</p>
+
+<p>Een grooter tegenstelling dan die tusschen <i>Skabelsen</i>, <i>Mennesket og
+Messias</i> en <i>Norges D&aelig;mring</i>, laat zich niet denken. In <i>Norges D&aelig;mring</i>
+voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig
+van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76
+sonnetten; de vorm is meesterlijk.</p>
+
+<p>Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang
+herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen
+krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke
+de patriotten gewend waren te geven. Groot en <a name='Page_23'></a>sterk is het land,
+krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar
+tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk
+gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de
+schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg
+voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen
+vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte
+de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen,
+Trondhjem;&mdash;nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij
+wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die
+groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En
+welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om
+vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen
+geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om
+tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor
+krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke
+vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des
+geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze
+gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich
+alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal
+daad zal worden, wat nu <a name='Page_24'></a>woorden zijn, zoekt de dichter troost<a name='FNanchor_2_2'></a><a href='#Footnote_2_2'><sup>[2]</sup></a>.
+Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der
+voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar
+waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord;<br /></span>
+<span>hvad Norge var, det maa han engang vorde<br /></span>
+<span>paa Land, paa B&oslash;lge og i Folkerang.&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<div class='blkquot'><p>(Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet
+ het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der
+ volken). </p></div>
+
+<p><i>Norges D&aelig;mring</i> is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe
+bijgedragen, Noorwegen <i>i folkerang</i> te doen worden, wat het eenmaal
+was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de
+massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg
+ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij
+ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door
+een troep gemeen afgeranseld.</p>
+
+<p><a name='Page_25'></a>Een daad was <i>Norges D&aelig;mring</i> niet minder in de litteratuur. Hier werkt
+die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren,
+klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodie&euml;n te laten
+hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank.</p>
+
+<p>Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en
+Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de
+uitvoerigste &quot;Literaturhistorie&quot; van Noorwegen van Henrik J&aelig;ger kan men
+het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de
+groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En
+ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen
+in de 19<sup>e</sup> eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden
+nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de
+kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt,
+is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is
+het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur
+evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het
+sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de
+latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen
+zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie
+van Wergeland, en ook zijn behoefte, <a name='Page_26'></a>om aanvoerder van eene massa te
+zijn, vinden wij terug bij Bj&oslash;rnson; het scherpe verstand, de vlijmende
+spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven
+keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bj&oslash;rnson ook in zijn patriottische
+zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van
+grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met
+gelijke trekken bij Welhaven.</p>
+
+<p>Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor
+Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der
+eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn
+verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming<a name='FNanchor_3_3'></a><a href='#Footnote_3_3'><sup>[3]</sup></a>, en de practijk
+tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als
+die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het
+verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de
+gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich
+zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken,
+wanneer zij maar half af waren.</p>
+
+<p>Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door
+verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij
+<a name='Page_27'></a>vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij
+had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt
+werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van
+zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende
+eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe
+gedachtenstroomingen.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_2_2'></a><a href='#FNanchor_2_2'>[2]</a><div class='note'><p>
+</p><p>
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad,<br /></span>
+<span>hvad nu er taust skal finde starke Munde<br /></span>
+<span>i Thingets Sale og i Templets Buer;<br /></span>
+<span>hvad nu er Larm skal blive vise raad,<br /></span>
+<span>og vis'ne ho'der byttes om med sunde&mdash;<br /></span>
+<span>hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer!<br /></span>
+</div></div>
+</div>
+
+<a name='Footnote_3_3'></a><a href='#FNanchor_3_3'>[3]</a><div class='note'><p> <i>Om norsk sprogreformation</i>. Een voorganger had Wergeland
+hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='HOOFDSTUK_II'></a><h2><a name='Page_28'></a>HOOFDSTUK II.</h2>
+
+<p>ROMANTIEK.</p>
+<br />
+
+<p>1. <i>De volksromantiek</i>.</p>
+<br />
+
+<p>Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche po&euml;zie eene bloeiperiode aan.
+Het is de romantiek, die haar intocht houdt<a name='FNanchor_4_4'></a><a href='#Footnote_4_4'><sup>[4]</sup></a>. De vorige periode leefde
+in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der
+Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar
+een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong
+niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in
+het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er
+reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te
+regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe
+onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de
+toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De
+romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur,
+en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen
+machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen,
+juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een
+frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik
+v&oacute;&oacute;r alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij
+op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de
+krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder
+de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk
+ge&iuml;mporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden
+de hekken van het patriottisme verhangen. </p><a name='Page_29'></a>
+
+<p>De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen
+zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was
+en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede
+helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland
+gekomen, waar men de zaak grondig <a name='Page_30'></a>had opgevat. Herder was begonnen met
+studi&euml;n over volkspo&euml;zie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven,
+om &ograve;f de stof te gebruiken in eigen gedichten, &ograve;f den toon van het
+volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet
+de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op
+getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und
+Hausm&auml;rchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn).
+In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de
+meest bekende dichter van den tijd, &Oslash;hlenschl&auml;ger, zich van deze stoffen
+meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu
+is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide
+richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van
+stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de
+getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste
+werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone
+bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht
+hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste
+beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C.
+Asbj&oslash;rnsen en J&oslash;rgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich
+als eerste uitgever van volkspo&euml;zie M.B. Landstad aan.</p>
+
+<p><a name='Page_31'></a>Asbj&oslash;rnsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de
+stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen
+zouden geven<a name='FNanchor_5_5'></a><a href='#Footnote_5_5'><sup>[5]</sup></a>. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De
+overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van
+teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet
+alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat
+dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm
+bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot
+zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de
+bijzondere wijze van uitdrukking de po&euml;zie dezer vertellingen gelegen
+was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden
+uitgegeven in de offici&euml;ele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en
+uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon,
+zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun
+z&oacute;&oacute; goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die
+tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen
+gelezen worden, hebben zij ook <a name='Page_32'></a>een zeer grooten invloed gehad op de
+ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het
+Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van
+deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de
+latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed
+van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer
+Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens
+nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die
+boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van
+voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe,
+den zoon van J&oslash;rgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is
+voortgegaan.</p>
+
+<p>De <i>Norske Folkeeventyr</i> (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841
+verschenen<a name='FNanchor_6_6'></a><a href='#Footnote_6_6'><sup>[6]</sup></a>, behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche
+letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan,
+grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen z&oacute;&oacute;
+eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan
+in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting
+mee<a name='Page_33'></a>deelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het
+bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een
+geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme
+litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote
+dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het
+werk tot op dezen dag niets verloren.</p>
+
+<p>Een eenigszins ander karakter dan de <i>Folkeeventyr</i> dragen twee andere
+verzamelingen van Asbj&oslash;rnsen, <i>Norske Huldreeventyr og Folkesagn</i> (N.
+Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven.
+Asbj&oslash;rnsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van
+romantiek tot realisme. Ofschoon het woord &quot;eventyr&quot;<a name='FNanchor_7_7'></a><a href='#Footnote_7_7'><sup>[7]</sup></a> in den titel
+voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen
+omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbj&oslash;rnsen
+legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan,
+en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog
+geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die
+een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van
+zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote
+plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn
+vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de
+natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de
+Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen&mdash;Oostlandsch&mdash;dialect. Het
+werk van Asbj&oslash;rnsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het
+volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst
+gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel
+<i>Plankek&oslash;rerne</i> (De Plankenvoerlui) draagt.</p>
+
+<p><a name='Page_34'></a>Asbj&oslash;rnsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar
+duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter
+karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr
+og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbj&oslash;rnsen aan zijn zegslieden
+het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire,
+ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi
+gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek
+heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De
+Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan
+ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij.</p>
+
+<p><a name='Page_35'></a>In 1853 gaf Landstad uit <i>Norske Folkeviser</i>. Daarop volgde in 1858 een
+kortere verzameling van Sophus Bugge: <i>Gamle norske Folkeviser</i><a name='FNanchor_8_8'></a><a href='#Footnote_8_8'><sup>[8]</sup></a>. Deze
+boeken zijn niet z&oacute;&oacute; algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes
+van Asbj&oslash;rnsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd<a name='FNanchor_9_9'></a><a href='#Footnote_9_9'><sup>[9]</sup></a>.
+Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door
+weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten
+konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden
+opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal
+ge&auml;rcha&iuml;seerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen
+toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te
+verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds
+voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is
+veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de
+opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de
+sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen
+staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een
+veel vroegere periode (de 16<sup>e</sup> eeuw) zijn opgeschreven.</p>
+
+<p><a name='Page_36'></a>Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad,
+niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de
+gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters
+hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de po&euml;zie in hooge
+mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads
+uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen.</p>
+
+<p>Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de
+eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden.
+Na de d&aelig;mringsfeide<a name='FNanchor_10_10'></a><a href='#Footnote_10_10'><sup>[10]</sup></a> zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel
+<i>Digte</i> uit. Later verschenen <i>Nyere Digte</i> 1845, <i>Halvhundrede Digte</i>
+1848, <i>Digte</i> 1851, <i>Digte</i> 1860, eindelijk nog <i>Sidste Digte</i> (van 1860
+tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste
+helft der eeuw heeft voortgebracht.</p>
+
+<p>De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch
+ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud
+naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar
+naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw
+element bij.</p>
+
+<p><a name='Page_37'></a>Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun
+gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige
+periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd
+en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt
+lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat <i>Vidar</i>. <i>Vidar</i>
+is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het
+einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. <i>Vidar</i> was ook de
+naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte
+van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het
+monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft.</p>
+
+<p>De gedichten <i>Sisyphos, Glaukos, Goliath, M&oslash;kkurkalv, Nehemias</i> (1839),
+<i>Tantalos, Protesilaos, Kalchas</i> (1845), <i>Herakles, Ganymedes,
+Philoktetes</i> (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het
+voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben
+verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van
+eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de
+wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een
+merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang,
+nadat hij in <i>Et Dukkehjem</i> en <i>Gengangerne</i> met de publieke opinie
+slaags was geweest. Eerst komt <a name='Page_38'></a>een uiting van lust om den strijd voort
+te zetten in <i>En Folkefiende</i>, dan de ontmoedigde verklaring, dat de
+man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in
+<i>Vildanden</i><a name='FNanchor_11_11'></a><a href='#Footnote_11_11'><sup>[11]</sup></a>.</p>
+
+<p>Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks
+vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de
+liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid.
+Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat
+hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven
+liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel
+woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de
+universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf
+zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen
+samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig,
+heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die
+der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten
+samen met die der mythologische gedichten. Ook hier <a name='Page_39'></a>bestaat een
+merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding
+voor het leven ontvangt,</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;naar l&oslash;st fra l&aelig;ngsler og fra vild beg&aelig;r<br /></span>
+<span>den flyer til mindets aandehjem befriet&quot;<a name='FNanchor_12_12'></a><a href='#Footnote_12_12'><sup>[12]</sup></a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>(K&aelig;rl. Komedie, V&aelig;rker II, 261).</p>
+
+<p>Vergelijk daarmee Welhaven's verzen:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Hver en Fryd maa trylles om<br /></span>
+<span>til et Savn, som Sj&aelig;len freder;<br /></span>
+<span>Mindet kun et Held bereder,<br /></span>
+<span>der er Livets Eiendom&quot;<a name='FNanchor_13_13'></a><a href='#Footnote_13_13'><sup>[13]</sup></a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>(Digte 1845. V&aelig;rker II, 234).</p>
+
+<p>Voornaam is deze po&euml;zie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde
+heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen
+hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar
+persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij
+als schoon gevormde gedachte tot den lezer.</p>
+
+<p>Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische
+beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan <a name='Page_40'></a>deze
+beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij
+Welhaven's natuurpo&euml;zie te danken. De romantische vlucht van de stad en
+de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar
+ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze
+dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof.
+Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, n&oslash;kken,
+nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbj&oslash;rnsen ze deed, hun
+intree in de kunstpo&euml;zie. Welhaven heeft in dit genre veel
+natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En
+ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden
+was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was.
+Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan
+de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want
+zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers
+wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer
+genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische po&euml;zie van een
+dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn
+tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook
+nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden
+bron van po&euml;zie een <a name='Page_41'></a>rijke was, die in de behoefte van meer dan &eacute;&eacute;n
+geslacht kon voorzien.</p>
+
+<p>Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad,
+in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden.
+Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige
+generatie.</p>
+
+<p>Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich
+verwijderen van het realisme waarnemen. <i>Norges D&aelig;mring</i> is te gelijk
+idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des
+dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor
+zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn
+pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in
+bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn
+troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het
+leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart
+zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee
+richtingen. Voor de eene&mdash;en dit is de richting der
+huldre-romantiek&mdash;bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,&mdash;ook
+Asbj&oslash;rnsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze
+gehuldigd,&mdash;voor de andere zijn de ware objecten voor onze
+belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen,
+en deze richting loopt <a name='Page_42'></a>uit op menschenstudie en zoodoende op realisme
+in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbj&oslash;rnsen in enkele stukken
+gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in
+de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt
+voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbj&oslash;rnsen's
+realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot
+doorbraak komen.</p>
+
+<p>Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten
+van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van
+verschil. Welhaven heeft zich ook sterk ge&iuml;nteresseerd voor de
+verzamelingen van Asbj&oslash;rnsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de
+behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn
+behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van
+populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche
+letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche
+Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van
+de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een
+stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de
+geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid
+vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch.</p>
+
+<p>In 1840 werd Welhaven lector,&mdash;later (1846) <a name='Page_43'></a>professor in de
+philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het
+vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft
+nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het
+jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus
+is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan
+historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een
+duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan
+van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn.
+Hij stierf in 1873.</p>
+
+<p>Ook J&oslash;rgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen,
+is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de
+natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door
+eenvoud en religieusiteit.</p>
+
+<p>Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook
+melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in
+verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters
+der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot
+de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's <i>En J&aelig;gers
+Erindringer</i>, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der
+schilderingen van het volks<a name='Page_44'></a>leven behoort &Oslash;stgaard's <i>En Fjeldbygd</i>. Het
+boek staat onder den invloed van Asbj&oslash;rnsen's vertellingen, maar hij
+miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene
+zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van
+talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet
+hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan
+twijfelen, of het boek wel tot de po&euml;tische litteratuur gerekend kan
+worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbj&oslash;rnsen
+las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het
+denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van
+eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling.</p>
+
+<p>Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen
+schreef, samen uitgegeven onder den titel <i>Fra Lofoten og Sol&oslash;r</i>,
+interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake
+is,&mdash;Sol&oslash;r ligt in het binnenland&mdash;de bewoners der eilanden hun eerste
+intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger
+van Jonas Lie.</p>
+
+<p>Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bj&oslash;rnson's
+boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in.</p>
+
+<p>Bj&oslash;rnstjerne Bj&oslash;rnson is in 1832 geboren als <a name='Page_45'></a>zoon van een
+dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te
+zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania,
+waar hij een tijd lang Heltberg's &quot;studentenfabriek&quot; bezocht&mdash;zie
+hierover meer in Hoofdstuk IV&mdash;en in 1852 student werd. Reeds te voren
+had hij een&mdash;onrijp&mdash;tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij
+regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856
+bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe
+Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier
+dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het
+eene is <i>Mellem Slagene</i>, dat in een ander verband besproken wordt; het
+andere is <i>Synn&oslash;ve Solbakken</i>, de eerste zijner boerenvertellingen.</p>
+
+<p>Men kan zeggen, dat Bj&oslash;rnson's novellen eene periode openen, en dat zij
+er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze
+beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling,
+die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de
+voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De
+sprookjes van Asbj&oslash;rnsen en Moe zijn rijk aan po&euml;zie, maar toch niet in
+de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct
+van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van <a name='Page_46'></a>&Oslash;stgaard
+was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door
+menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bj&oslash;rnson vereenigde
+een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot
+vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst
+kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel
+uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten
+opgang maakten.</p>
+
+<p>Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke
+zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste
+gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te
+vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt
+met Vinje's kritiek op Bj&oslash;rnson's volgende vertelling <i>Arne</i>, die later
+zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van
+boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bj&oslash;rnson, en die den
+schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede
+stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers
+met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bj&oslash;rnson en zijn
+criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bj&oslash;rnson
+mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet
+het portret nader bij de werkelijkheid staan.</p>
+
+<p><a name='Page_47'></a>De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in
+twee jeugdwerken van Ibsen, <i>Gildet paa Solhoug</i> (Het Feest te Solhoug,
+1855) en <i>Olaf Liljekrans</i> (1856). Deze twee stukken representeeren een
+eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter.</p>
+
+<p>Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een
+welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen,
+en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee
+gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te
+Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In
+de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te
+bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte
+hij. Z&oacute;&oacute; is zijn eerste drama <i>Catilina</i> ontstaan in den winter 1848-'49
+(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania,
+bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk <i>K&aelig;mpeh&oslash;ien</i>
+van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste
+doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij
+een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen,
+met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu
+volgen snel op elkander <i>Sankthansnatten, Fru Inger til &Oslash;straat, Gildet
+paa Solhoug</i> en <i>Olaf Liljekrans</i>. Het <a name='Page_48'></a>eerste van deze werken is van
+geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre;
+over de beide laatste zal hier iets gezegd worden.</p>
+
+<p>Toen Ibsen <i>Gildet paa Solhoug</i> schreef, waren zijne oogen reeds
+opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe
+letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde
+zijne gedachten in eene andere richting. <i>Gildet paa Solhoug</i> zou, wat
+de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend;
+de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14<sup>e</sup> eeuw), en door het
+hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar
+onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht
+te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene
+voorstudie voor <i>Herm&aelig;ndene paa Helgeland</i>, dat geheel onder den invloed
+der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der
+volkspo&euml;zie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen
+worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor
+<i>Olaf Liljekrans</i> bestaan verschillende voorstudi&euml;n. Voor een van deze,
+en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (<i>Rypen
+i Jostedal</i>, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling
+volkssagen van Faye, die hierboven (blz. <a href='#Page_31'>31</a>) genoemd werd. Wij hebben
+hier dus een stof, die met <a name='Page_49'></a>Asbj&oslash;rnsen's vertellingen punten van
+aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door
+het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd;
+er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier z&oacute;&oacute; ver,
+dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een
+volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat
+citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen
+den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door
+overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde
+stuk <i>Sankthansnatten</i>, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt.</p>
+
+<p>Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te
+stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een
+voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre
+opgang gemaakt had, met name in zijn drama <i>Svend Dyrings Hus</i>. Wanneer
+men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz
+nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige
+kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere
+uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van <i>Olaf
+Liljekrans</i> is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en
+een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk
+is. Het toont, dat de <a name='Page_50'></a>dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling
+door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die
+het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo
+gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de
+dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme
+voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs z&oacute;&oacute;
+ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling
+schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst
+proclameert. Deze verhandeling&mdash;later uitgegeven in het tiende deel
+zijner <i>Samlede V&aelig;rker</i>&mdash;verscheen na de beide tooneelstukken en
+beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857)
+verscheen <i>Herm&aelig;ndene</i>, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie
+opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama
+gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym
+Jokum Pjurre, eene comedie <i>Gildet paa M&aelig;rrahoug</i>, waarvan reeds de
+titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (<i>m&aelig;r</i>
+beteekent merrie).</p>
+
+<p>Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de
+eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed,
+waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal&mdash;groote
+stukken van <i>Olaf Liljekrans</i>, waar de individueele lyriek de
+<a name='Page_51'></a>volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen
+geschreven heeft&mdash;, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar
+ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester,
+die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de
+beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van
+bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn,
+reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal
+zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen
+jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in <i>Kejser og Galil&aelig;er</i>.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_4_4'></a><a href='#FNanchor_4_4'>[4]</a><div class='note'><p> Vertalingen van werken der Duitsche romantische school
+komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von
+Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici
+werden gelezen (zie J&aelig;gers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan
+uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.</p></div>
+
+<a name='Footnote_5_5'></a><a href='#FNanchor_5_5'>[5]</a><div class='note'><p> De eenige voorganger van Asbj&oslash;rnsen en Moe was de predikant
+Faye, die in 1833 een verzameling <i>Norske Folkesagn</i> uitgaf, tamelijk
+rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het
+karakteristieke niet deed uitkomen.</p></div>
+
+<a name='Footnote_6_6'></a><a href='#FNanchor_6_6'>[6]</a><div class='note'><p> Een voortzetting door Asbj&oslash;rnsen met bijdragen uit
+opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2<sup>e</sup> uitg. 1876).</p></div>
+
+<a name='Footnote_7_7'></a><a href='#FNanchor_7_7'>[7]</a><div class='note'><p> Het woord <i>huldreeventyr</i> is een maaksel van Asbj&oslash;rnsen en
+eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van po&euml;tische fantasie,
+<i>huldre</i> behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming
+voor zulke vertellingen is <i>huldresagn</i>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_8_8'></a><a href='#FNanchor_8_8'>[8]</a><div class='note'><p> In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling <i>Sange,
+Folkeviser of Stev</i> (d.i. refreinen) uitgegeven.</p></div>
+
+<a name='Footnote_9_9'></a><a href='#FNanchor_9_9'>[9]</a><div class='note'><p> Zie echter het litteratuuroverzicht.</p></div>
+
+<a name='Footnote_10_10'></a><a href='#FNanchor_10_10'>[10]</a><div class='note'><p> Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan
+<i>Norges D&aelig;mring</i> een deel uitmaakt.</p></div>
+
+<a name='Footnote_11_11'></a><a href='#FNanchor_11_11'>[11]</a><div class='note'><p> Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte
+als in uitdrukking tusschen <i>Protesilaos</i> (Welhaven, Digtverker II,
+219): &quot;Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han k&aelig;mper
+kun og falder&quot; en <i>Brand</i> (Ibsen, Saml. V&aelig;rker III, 231): &quot;Men hver, som
+gaar i f&oslash;rste r&aelig;kke, maa falde for sin fagre sag.&quot;</p></div>
+
+<a name='Footnote_12_12'></a><a href='#FNanchor_12_12'>[12]</a><div class='note'><p> &quot;Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd
+vliegt naar de geesteswoning der herinnering.&quot;</p></div>
+
+<a name='Footnote_13_13'></a><a href='#FNanchor_13_13'>[13]</a><div class='note'><p> &quot;Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis,
+waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een
+geluk, dat het eigendom der ziel is.&quot;</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='2_De_historiseerende_Romantiek'></a><h2>2. <i>De historiseerende Romantiek</i>.</h2>
+<br />
+
+<p>In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in
+zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den
+drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de
+historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan
+historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden
+beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer
+dan allen de volksoverlevering cultiveerde, &Oslash;hlenschl&auml;ger, heeft ook tal
+van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote
+afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de
+bloeitijd is niet geheel dezelfde, <a name='Page_52'></a>en het geheel valt later dan in
+Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard<a name='FNanchor_14_14'></a><a href='#Footnote_14_14'><sup>[14]</sup></a> een historisch drama
+<i>Magnus Barfods Sonner</i> (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had
+dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen
+toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den
+nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient
+zijn gedicht <i>S&oslash;nner af Norge</i> van 1820 genoemd te worden, dat het
+nationale lied van het land geweest is, tot het door Bj&oslash;rnson's <i>Ja, vi
+elsker dette Landet</i> werd vervangen.</p>
+
+<p>In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de
+vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en
+drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste
+omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van
+1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich,
+doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studi&euml;n gemaakt;
+hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de
+geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten <a name='Page_53'></a>het eigen land. En hij
+waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken
+stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele
+gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De
+romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;&mdash;een
+liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat
+eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid
+schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama
+<i>Kong Sverres Ungdom</i> (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud
+deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door
+haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene
+intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een
+historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende
+karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem
+zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon
+dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre.
+Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een
+historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd
+te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus
+een soort heerschappij oefende. In meer dan &eacute;&eacute;n genre had hij volstrekt
+niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk
+gehad, zijn roem <a name='Page_54'></a>te overleven, ofschoon hij tot het laatst is
+doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884
+op 73-jarigen leeftijd.</p>
+
+<p>De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de
+Engelsche geschiedenis ontleende tragedie <i>William Russel</i> (1857) werd,
+ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde
+gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking
+(Saml. V&aelig;rker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars,
+toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is
+merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in <i>K&aelig;rlighedens Komedie</i>,
+waar hij een bekrompen dame, Fr&oslash;ken Sk&aelig;re, haar verontwaardiging laat
+uiten over een student, die z&oacute;&oacute; laag, z&oacute;&oacute; onbeschoft, z&oacute;&oacute; gemeen was, om
+zelfs <i>William Russel</i> te critiseeren. Het stuk wordt hier dus
+voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke
+plebejers.</p>
+
+<p>Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie <i>Hertug Skule</i>, die in
+1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's
+<i>Kongsemnerne</i> was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De
+vergelijking was doodend;&mdash;hiermee had het aanvoerderschap van Munch in
+de Noorweegsche letterkunde een einde.</p>
+
+<p>Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in
+al haar scha<a name='Page_55'></a>keeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt
+dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de
+ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het
+historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch
+drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama.</p>
+
+<p>Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur.
+Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche
+vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij
+voorbeeld de stof voor Munch's <i>En Aften paa Giske</i> uit Snorris Ol&aacute;fs
+saga helga<a name='FNanchor_15_15'></a><a href='#Footnote_15_15'><sup>[15]</sup></a>. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de
+nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is
+die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en
+zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het
+persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen z&oacute;&oacute;, dat niets
+meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met
+het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der
+voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene
+kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is.</p>
+
+<p><a name='Page_56'></a>Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's
+romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof
+insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder
+mate. <i>Catilina</i> valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting
+van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd
+gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het
+gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het
+jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk po&euml;zie te halen.
+Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet
+die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek
+aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden.</p>
+
+<p><i>Fru Inger til &Oslash;straat</i> (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter
+bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet z&oacute;&oacute; gevormd, en de
+ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk
+en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men
+den indruk, dat de dichter onder den invloed van het&mdash;insgelijks
+romantische&mdash;gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij
+de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen.
+Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp
+<a name='Page_57'></a>geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch.</p>
+
+<p>De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn <i>Herm&aelig;ndene
+paa Helgeland</i> (1857) en <i>Kongsemnerne</i> (1864). Van deze beteekent het
+tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog &eacute;&eacute;n historisch
+drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier
+bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische
+en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie
+in.</p>
+
+<p>De stof voor <i>Herm&aelig;ndene</i> en <i>Kongsemnerne</i> is aan de Noorsche oudheid
+ontleend. In een enkel opzicht vormt <i>Herm&aelig;ndene</i> nog een overgang van
+het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt
+niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der
+middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den
+man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de
+<i>Volsungasaga</i> die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen
+wordt opgedischt. De <i>Volsungasaga</i> behoort niet tot de beste saga's,
+vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof
+uit de Edda, en z&oacute;&oacute; gaat <i>Herm&aelig;ndene</i> in laatste instantie terug op eene
+stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die
+met de latere volkspo&euml;zie punten van aanraking <a name='Page_58'></a>hebben. Het conflict is
+ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama <i>Gildet
+paa Solhoug</i> behandeld was. Wanneer desniettegenstaande <i>Herm&aelig;ndene</i> met
+recht tot een ander genre geteld wordt dan <i>Gildet paa Solhoug</i>, dan is
+de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl.
+Maar de stijl is dan ook niet die der <i>Volsungasaga</i>, maar die der
+historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd
+had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het
+voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der <i>Egilssaga</i>, der
+<i>Nj&aacute;lssaga</i>,&mdash;en hier is de stijl een andere dan in de <i>Volsungasaga</i>.
+Men kan dus met recht zeggen, dat in <i>Herm&aelig;ndene</i> de familiesaga in
+dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de
+<i>Volsungasaga</i>, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in
+de <i>Nj&aacute;lssaga</i> voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het
+schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is.</p>
+
+<p>En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie,
+waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit
+gezichtspunt eene vergelijking van het slot van <i>Gildet paa Solhoug</i> met
+het slot van <i>Herm&aelig;ndene</i>. In het lyrisch drama, dat door stemmingen
+beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin
+bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige
+Bengt; <a name='Page_59'></a>de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven
+jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint
+het geluk. In <i>Herm&aelig;ndene</i> is de hartstocht een stormwind, die alles
+wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood
+de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij &eacute;&eacute;n
+man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op.</p>
+
+<p>Op geheel andere wijze is <i>Kongsemnerne</i> (De Kroonpretendenten) een
+historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de
+geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante,
+maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen,
+maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende
+langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want
+hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van
+die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover <i>Kongsemnerne</i>
+handelt. Tot nu toe stond het &eacute;&eacute;ne landschap tegenover het andere, en de
+geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten
+tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken
+en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald
+H&aacute;rfagri had Noorwegen tot een <i>rijk</i> gemaakt; n&ugrave; moet het <a name='Page_60'></a>een <i>volk</i>
+worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als
+Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als
+bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is
+daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne
+maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over,
+dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet
+gegeven is, te leven.</p>
+
+<p>Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de
+Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit
+perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen
+tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer
+naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij
+door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was
+opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die
+kwamen, zouden de Skandinavi&euml;rs tot broeders maken, gelijk H&aacute;kon
+H&aacute;konsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo
+nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen
+van H&aacute;kon wijzen, gelijk H&aacute;kon Skule wijst op de dagen van Harald
+H&aacute;rfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten
+beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden
+gesteld, <a name='Page_61'></a>Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen.
+Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die
+op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep:
+<i>Vaagner</i> (wordt wakker), <i>Skandinaver</i>! getuigt er van.</p>
+
+<p>En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de
+interessantste figuur van het drama. Want <i>Kongsemnerne</i> is niet alleen
+een tijdgedicht&mdash;het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht.
+Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van &eacute;&eacute;ne zijde van den
+dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne
+roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is
+zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over
+hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel
+zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het
+denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer
+noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den
+grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn
+tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen,
+en zelf daarbij onder te gaan.</p>
+
+<p>Een tijdvak van negen jaren scheidt <i>Kongsemnerne</i> van het geweldigste
+van Ibsen's <a name='Page_62'></a>historische drama's: <i>Kejser og Galil&aelig;er</i>. De romantische
+droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk
+afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de
+reeks moderne drama's (<i>nutidsdramer</i>) te openen, die aan de letterkunde
+van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt<a name='FNanchor_16_16'></a><a href='#Footnote_16_16'><sup>[16]</sup></a>, om
+nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit
+de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal
+geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die
+van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste
+wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe
+verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de
+meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de
+lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te
+dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot
+hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk
+dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar
+het gaat hem als Ka&iuml;n; zijn offer <a name='Page_63'></a>wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan
+bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor
+brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de
+verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de
+idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en
+waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem
+dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop
+op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal
+voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de
+ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij
+gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich
+tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den
+Galile&euml;r, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een
+tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galile&euml;r aan hem
+persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer
+zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galile&euml;r
+opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den
+wettigen keizer ook dien tegen den Galile&euml;r aan. In naam herstelt hij
+het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist
+deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning
+voert. V&oacute;&oacute;r dien tijd <a name='Page_64'></a>heerschte het Christendom in het uitwendige; het
+was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde
+in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter
+begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering
+op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument,
+waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den
+Galile&euml;r, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het
+Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot
+oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de
+mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: &quot;Jullie God
+is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen.&quot; Alleen Makrina
+spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: &quot;Verdwaalde
+menschenziel,&mdash;<i>moest</i> je dwalen, dan zal het je zeker ten goede
+gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken
+komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode
+levenden!&quot;</p>
+
+<p>Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote
+drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die <i>Kejser og Galil&aelig;er</i>
+direct aan <i>Kongsemnerne</i> bindt. De voorstelling van de roeping is niet
+geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest,
+waarin de dichter zich <a name='Page_65'></a>jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In
+<i>Kongsemnerne</i> is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met
+Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft,
+wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met
+blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd,
+maar het begrip is toch aanwezig. In <i>Brand</i> treedt de roeping op als
+een eisch, die verschrikken kan. In <i>Peer Gynt</i> is sprake van twee
+wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief;
+in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van
+een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen,
+dat zij haar roeping verzaakt. In <i>Kejser og Galil&aelig;er</i> blijven alleen de
+twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet.
+Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is
+alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het
+resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet
+dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of
+ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij
+kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede
+voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en
+z&oacute;&oacute; wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar
+wreedsten vorm. Daarom <a name='Page_66'></a>is Juliaan, evenals Ka&iuml;n en Judas, een martelaar
+voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de
+menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor
+deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken.</p>
+
+<p>Z&oacute;&oacute; ziet een philosophisch extract uit <i>Kejser og Galil&aelig;er</i> er uit. Het
+stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten
+kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen
+levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme.
+Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij
+z&oacute;&oacute; in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon.
+Levend&mdash;en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene
+nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op
+elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van
+Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten
+heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de
+schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld
+kent.</p>
+
+<p>Bij het schrijven van <i>Kejser og Galil&aelig;er</i> had Ibsen meer historisch
+materiaal, om op te bouwen, dan bij <i>Kongsemnerne</i>, en dit kan een der
+oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan
+bij het oudere drama. Ook <a name='Page_67'></a>was de dichter in den tusschentijd een ander
+geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873,
+kort voor het verschijnen van <i>Kejser og Galil&aelig;er</i>, aldus uit:
+&quot;Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van
+wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest
+doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te
+gelijk geheele, volkomen realistische po&euml;zie; ik heb de figuren voor
+mijn oogen gezien in het licht van den tijd,&mdash;en wil hopen, dat de
+lezers hetzelfde doen.&quot; In den zin, waarin de dichter hier het woord
+opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de
+stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan
+Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed
+der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien
+het juist is, wat Henrik J&aelig;ger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt&mdash;en
+tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen&mdash;dat in de
+teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar
+slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de
+teleurstelling van den dichter, die in de jaren v&oacute;&oacute;r 1870 een nieuwen
+tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke
+persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden
+staatsburger had gegrondvest, dan <a name='Page_68'></a>is ook in deze wijze, om de oudheid
+in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met
+de wijze, waarop de grondgedachte in <i>Kongsemnerne</i> ontstaat onder den
+invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm
+was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere
+banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer
+gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke
+problemen bezighouden.</p>
+
+<p>Bj&oslash;rnson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856
+<i>Mellem Slagene</i> (Tusschen de Gevechten), 1858 <i>Halte-Hulda</i>, 1861 <i>Kong
+Sverre</i>, 1862 <i>Sigurd Slembe</i>, 1864 <i>Maria Stuart i Skotland</i>, 1872
+<i>Sigurd Jorsalfar</i> (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot
+de historiseerende romantiek de gedichtencyclus <i>Arnljot Gelline</i>
+(1870). Afgezien van <i>Maria Stuart</i> vallen al deze werken binnen het
+kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van
+overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin,
+dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof
+eene&mdash;gefingeerde&mdash;gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas
+de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In
+<i>Mellem Slagene</i> treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als
+deus ex machina in een rol, die zeker <a name='Page_69'></a>den historischen Sverre slecht
+zou gepast hebben,&mdash;hij moet den vrede stichten tusschen twistende
+echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man
+tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. <i>Halte-Hulda</i>
+maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de
+handeling gezegd wordt, in de 13<sup>e</sup> eeuw te geschieden. Het conflict is
+hier van gelijken aard als in <i>Herm&aelig;ndene</i>, en het is hier gelijk daar
+de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in
+aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen <i>Herm&aelig;ndene</i> en <i>Halte-Hulda</i>
+nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik
+de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de
+natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bj&oslash;rnson zich tot het
+publieke leven, dat&mdash;wanneer men een stof uit de oudheid
+kiest,&mdash;natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die
+men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de
+stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de
+koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt.</p>
+
+<p>Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters
+blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's
+van Ibsen en van Bj&oslash;rnson niet groot. Vergelijkt men Bj&oslash;rnson's
+historische drama's met die <a name='Page_70'></a>van een vroegeren tijd, dan is er wel een
+groote afstand. Bj&oslash;rnson had levendigheid van geest en een groot lyrisch
+talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij
+had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een
+dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter
+heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen
+wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die
+hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen
+oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis
+te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere
+menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist
+hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren
+weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond
+hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De
+individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel
+oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en
+zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van
+elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's
+gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de
+man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook
+dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet <a name='Page_71'></a>de noodzakelijkheid niet
+in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan <i>Sigurd Slembe</i>, het stuk, dat
+doorgaat voor het beste van Bj&oslash;rnson's historische drama's. Uitwendig
+heeft de held eenige gelijkenis met Skule in <i>Kongsemnerne</i>. Als deze
+tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft
+ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om
+zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren
+koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel
+trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem
+vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt
+Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van
+dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet
+precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een
+toeval&mdash;de grootere haast van de vijanden&mdash;de oorzaak, dat Sigurd
+misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een
+psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de
+hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die
+Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang
+bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed
+meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn
+vrienden beraden had, wat nu <a name='Page_72'></a>te doen stond, voor hij sluipmoordenaar
+werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem
+gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de
+grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond
+onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu
+consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde
+bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen
+bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin,
+waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar &eacute;&eacute;n pijl
+verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter
+gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche
+vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het
+eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad
+en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan.
+Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus
+willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis.</p>
+
+<p>Maar Bj&oslash;rnson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de
+ontwikkeling eener handeling. Bj&oslash;rnson is niet een steller van vragen;
+daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een
+beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe
+<a name='Page_73'></a>anders had <i>kunnen</i> handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht;
+het is hem genoeg, dat de man anders had <i>moeten</i> handelen. Hij wil
+verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te
+bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een
+exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een
+schouwburgpubliek gaarne zien.</p>
+
+<p>Er wordt in Bj&oslash;rnson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls
+zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den
+regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den
+mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms
+leest men dingen van grenzenlooze na&iuml;veteit. Ook hiervoor zal een
+voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het
+gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de
+tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd
+morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk
+geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over
+op de karakteristiek van den man. E&eacute;n is er van meening, dat Sigurd zulk
+een aard heeft, dat &ograve;f alle anderen moeten omkomen, &ograve;f hij. En deze man
+eindigt aldus: &quot;Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat
+hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals
+vereenigd zal <a name='Page_74'></a>worden tot eene heerlijke bedoeling.&mdash;Vrienden, ik geloof
+aan een leven na dit.&quot;</p>
+
+<p>Dat &quot;vrienden&quot; vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof
+men Bj&oslash;rnson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort
+uitbrengen.&mdash;Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek
+om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij
+bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd
+zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt.</p>
+
+<p>Bj&oslash;rnson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's
+geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van
+voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was
+voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte,
+die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in
+hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is
+zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling.
+Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den
+dichter juist tot <i>die</i> stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond,
+dat er genoeg waren.</p>
+
+<p>Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de
+zoo veelzijdige productie van Bj&oslash;rnson.</p>
+
+<p><a name='Page_75'></a>Meer in overeenstemming met Bj&oslash;rnson's talent is de gedichtencyclus
+<i>Arnljot Gelline</i>. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend.
+Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische
+gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende.
+Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om
+schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden,
+maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een
+gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren,
+hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de
+grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij
+langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij
+kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid
+gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam
+aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man
+treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den
+slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om
+den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij
+wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen
+kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich
+aan hem overgeven. Op <a name='Page_76'></a>wensch van den koning laat hij zich doopen; den
+volgenden dag is hij een der eersten, die valt.</p>
+
+<p>Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de
+realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken
+in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke
+betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot
+uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover
+sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft
+ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag.
+Deze figuur maakt Bj&oslash;rnson tot het middelpunt van een groep gedichten.
+Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds
+het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de
+sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan
+bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig
+plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche
+volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden
+in zulk een gedicht tot &eacute;&eacute;n. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft
+hij met warmte weer. Maar Bj&oslash;rnson zou Bj&oslash;rnson niet zijn, als hij niet
+geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid
+der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan.
+Tevens moeten wij <a name='Page_77'></a>iets meer hooren over de misdaden van den roover;
+vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens
+gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de
+beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling&mdash;een zaak,
+waarover de geschiedenis zwijgt&mdash;sterk op den voorgrond gebracht; de
+persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en
+wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot
+valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning
+over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste
+van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach.</p>
+
+<p>Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die
+hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en
+leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De
+vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer
+dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt,
+maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin
+gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch
+gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door
+misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in
+zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid <a name='Page_78'></a>een held zich
+in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil
+schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer
+de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken,
+precies als in de boerennovellen.</p>
+
+<p>Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot
+Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het
+verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van
+een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere
+Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het
+hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden,
+zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken,
+en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw,
+die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de
+pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en
+bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide:
+&quot;Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer.&quot;
+Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik
+gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij
+niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening,
+noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching.</p>
+
+<p><a name='Page_79'></a>Het is wel gezegd, dat Bj&oslash;rnson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt
+en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet
+zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet.</p>
+
+<p>En toch is <i>Arnljot Gelline</i> een mooi gedicht, wanneer men er maar in
+zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan
+stemmingen rijken dichter.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_14_14'></a><a href='#FNanchor_14_14'>[14]</a><div class='note'><p> Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een
+vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven,
+<i>Fjeldeventyret</i>, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en
+zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt
+thans nog wel met succes gespeeld.</p></div>
+
+<a name='Footnote_15_15'></a><a href='#FNanchor_15_15'>[15]</a><div class='note'><p> Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van
+1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13<sup>e</sup> eeuw Snorri
+Sturlason.</p></div>
+
+<a name='Footnote_16_16'></a><a href='#FNanchor_16_16'>[16]</a><div class='note'><p> <i>De Unges Forbund</i> is van 1869, dus drie jaar ouder dan
+<i>Kejser og Galil&aelig;er</i>. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de
+historische studien voor zijn groot drama bezig.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='3_Het_hooggespannen_Idealisme'></a><h2>3. <i>Het hooggespannen Idealisme</i>.</h2>
+<br />
+
+<p>In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot
+voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de
+jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog
+meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door
+politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en
+werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen.</p>
+
+<p>De romantiek had de po&euml;zie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den
+helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men
+wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote
+gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die
+nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de
+maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de
+dichters konden die vormen, <a name='Page_80'></a>zooals zij wilden. Maar voor dichters, die
+niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met
+de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren
+verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat
+van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Z&oacute;&oacute; deden eigenlijk van
+den beginne af die po&euml;ten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde.
+Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan
+was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf
+der ge&iuml;dealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een
+veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. <i>Dat</i> hij hem ging,
+ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het
+geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De
+wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen
+van 1864 bepaald.</p>
+
+<p>Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in
+1862 gedaan; reeds <i>K&aelig;rlighedens Komedie</i> toont de beginnende reactie
+tegen de romantiek, die in <i>Brand</i> en <i>Peer Gynt</i> wordt voortgezet.</p>
+
+<p>'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek
+geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof,
+dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als
+Ibsen is, houdt hij nog de ge&iuml;deali<a name='Page_81'></a>seerde personen voor de normale,
+maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het
+conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en
+Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar
+geplaatst in een nieuw daglicht,&mdash;dat van heden. Van des dichters
+standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek
+is, antwoordt: &quot;Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte,
+als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van
+den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden.&quot; Pas in <i>Peer Gynt</i>
+laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek
+gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een
+overgang van het historisch-romantisch drama naar het met <i>De Unges
+Forbund</i> beginnende realistische drama. Van &eacute;&eacute;ne zijde vertegenwoordigen
+zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den
+achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme.</p>
+
+<p>In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie
+genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis
+vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke
+kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke
+gedachte ligt in de vraag: &quot;wat wordt er van het ideaal in eene
+maatschappij van <a name='Page_82'></a>halve menschen?&quot; In het realistisch drama draait de
+dichter later de vraag om en laat haar luiden: &quot;wat wordt er van
+menschen zonder ideaal?&quot; Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's
+gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen
+geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen
+tot de taal van het gewone leven, het proza, over.</p>
+
+<p>Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van <i>K&aelig;rlighedens
+Komedie</i> (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker
+verband aangenomen met den roman <i>Amtmandens D&oslash;tre</i> van Camilla Collett
+(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk
+v&oacute;&oacute;r het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar
+het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en <i>K&aelig;rlighedens
+Komedie</i>. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder
+(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige
+vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot
+een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en
+Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt,
+dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde
+Schj&oslash;tt in haar opstel over Camilla Collett).</p>
+
+<p>Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook <a name='Page_83'></a>de vraag, die gesteld
+wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht
+zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de
+liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het
+huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke
+conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet
+eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog
+opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn,
+het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan
+elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet
+lijden. Door deze gezichtspunten is <i>K&aelig;rlighedens Komedie</i> niet
+uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk
+gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe
+sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde
+langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en
+frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht.
+Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt
+overblijft,&mdash;zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de
+herinnering te bewaren&mdash;'voor de eeuwigheid te winnen', heet het
+hier,&mdash;liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen
+dit echter niet klagend, maar <a name='Page_84'></a>dankend: &quot;Nu kan ik je <i>blij</i> missen voor
+dit leven&quot;, is de afscheidsgroet.</p>
+
+<p>Het spreekt wel van zelf, dat <i>K&aelig;rlighedens Komedie</i> niet verstaan, en
+dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het
+stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor
+de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat
+was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten
+behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen
+vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook
+volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige po&euml;zie maakt hier
+natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van
+po&euml;tische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt.</p>
+
+<p><i>K&aelig;rlighedens Komedie</i> is echter niet alleen een hoog-romantisch
+gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild,
+wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar
+hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van
+verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang
+gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich
+in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het
+dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan po&euml;zie,&mdash;ziedaar
+<a name='Page_85'></a>de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der
+vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter
+samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de
+bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding
+geeft, om te zeggen: &quot;zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen
+niets te zoeken heeft.&quot; In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de
+studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt:
+&quot;dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd.&quot;</p>
+
+<p>De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen
+reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, &quot;&eacute;&eacute;n
+hoog, voor de vreugde van het leven, en &eacute;&eacute;n, die beneden trilt, diep en
+lang.&quot;</p>
+
+<p>Gansch anders is de stemming in <i>Brand</i>. Maar tusschen <i>K&aelig;rlighedens
+Komedie</i> en <i>Brand</i> ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de
+werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet
+altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet.</p>
+
+<p>Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850
+ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de
+ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in
+den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting <a name='Page_86'></a>was gekomen, was
+van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een
+bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele
+patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere
+reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het
+Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam,
+een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de
+zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en
+Bj&oslash;rnson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden
+voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche
+tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten&mdash;al zulke,
+die het bestuur van het land aangingen&mdash;anti-Zweedsch. Maar deze dingen
+beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet
+meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden
+kwam te staan. Hier trok men &eacute;&eacute;n lijn en stelde men zich ook voor, als
+&eacute;&eacute;n man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme
+ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts
+eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en
+waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken
+en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in
+die jaren <a name='Page_87'></a>gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de
+gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling
+van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het
+ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich
+vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander
+naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in
+vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte
+zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde
+studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bj&oslash;rnson tegenwoordig
+was.</p>
+
+<p>Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden
+doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon
+Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen,
+werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten,
+en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond
+echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten
+einde uitdrukking te geven aan meegevoel.</p>
+
+<p>Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en
+de pessimistische stemming doen rijpen, die in <i>Brand</i> tot uiting komt.</p>
+
+<p>Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan,
+waarmee hij de <a name='Page_88'></a>gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op
+gewezen, dat in <i>Kongsemnerne</i> de gedachte aan een in broederschap
+vereenigd Skandinavi&euml; herkend kan worden in Hakons groote
+koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds
+in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen
+oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den
+titel <i>Vaagner, Skandinaver!</i>, waarin onder anderen gewezen wordt op het
+gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht
+hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een
+Deensch-Noorsch studentencongres (<i>For Danmark</i>, Efterladte Skr. I, 87).
+In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, <i>En Broder i N&oslash;d</i>, zijn
+landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat
+is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864
+uit Rome: <i>Troens Grund</i> (De Grond van het Geloof) bericht op
+sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo
+zegt hij, zijn oproep (d.i. <i>En Broder i N&oslash;d</i>) over zijn volk
+geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers
+over den val van Dybb&oslash;l, over de jonge Noorsche vrijwilligers.
+Inderdaad, van &eacute;&eacute;n was een neef weggeloopen, een ander miste zijn
+handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa <a name='Page_89'></a>zat een
+oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid
+uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over <i>hem</i> is
+zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog
+leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar
+zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger.</p>
+
+<p>Interessant is het gedicht <i>Til de Medskyldige</i> (Aan de Medeschuldigen),
+een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen
+<i>Brand</i>,&mdash;een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel
+voert,&mdash;die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een
+positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij
+zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij
+zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met
+bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden
+hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben
+verzuimd, deze vraag te stellen:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Kan den med Rette tage Arvens Skat,<br /></span>
+<span>som fattes Haanden, der skal Arven l&oslash;fte?&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<div class='blkquot'><p>(Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die
+ de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?) </p></div>
+
+<p>Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren
+direct aan deze verzen uit Norges D&aelig;mring:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'><a name='Page_90'></a>
+<span>&quot;Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen br&aelig;nder,<br /></span>
+<span>kan ei fortabes, er en hellig arv,<br /></span>
+<span>der falder renterig til Folkets Tarv,<br /></span>
+<span>naar det kan h&aelig;ve den med voxne H&aelig;nder!&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<div class='blkquot'><p>(Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet
+ verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten
+ goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen). </p></div>
+
+<p>In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat
+Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog
+op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders
+zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar
+handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou
+lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen
+blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich
+daarover scherp uit in zijn <i>Ballonbrev til en svensk dame</i>, waaruit ik
+alleen deze twee verzen citeer:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Thi mod sk&oslash;nhed hungrer tiden,<br /></span>
+<span>Men det ved ei Bismarck's viden.&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<div class='blkquot'><p>(Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's
+ wijsheid niet). </p></div>
+
+<p>En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872
+naar aanleiding van eene rede van Bj&oslash;rnson. Ook deze dichter had <a name='Page_91'></a>de
+gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen
+uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybb&oslash;l
+klaagde hij: <i>Da Norge ikke vilde hj&aelig;lpe</i>. In 1870 was men in
+Skandinavi&euml; zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning
+herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche
+overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen
+was, kwam Bj&oslash;rnson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest
+veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een
+verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een
+zelfstandig Noorwegen in Skandinavi&euml; en een zelfstandig Skandinavi&euml; in
+een groot Germani&euml;. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten
+te houden. Deze omslag van Bj&oslash;rnson, door hem zeker eerlijk bedoeld,
+maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen
+pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef
+<i>Nordens Signaler</i> (later opnieuw uitgegeven in Samlede V&aelig;rker X, 567),
+een gedicht vol vlijmenden spot:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Der er omslag ivente! klem paa med talerne!<br /></span>
+<span>Vejrhanen paa fl&oslash;jen har forandret signalerne.&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<div class='blkquot'><p>(Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan
+ op den vleugel heeft de signalen veranderd). </p></div>
+
+<p><a name='Page_92'></a><i>Brand</i> verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden
+te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de
+Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad
+heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de
+monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig.
+Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben,
+die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van
+den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen,
+waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke
+ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist
+pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken,
+die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in
+conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard
+is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het
+ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn
+personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit
+betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de
+predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor
+het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te
+<a name='Page_93'></a>danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een
+repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand
+tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het
+religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele
+monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker
+geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer
+klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze.</p>
+
+<p>Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze
+zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar &eacute;&eacute;n proseliet te
+maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te
+bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat
+deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking,
+nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen
+van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen,
+dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer
+hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het
+visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij
+weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke
+stem: 'Hij is deus caritatis'.</p>
+
+<p>Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat <i>K&aelig;rlighedens
+Komedie</i> een voorlooper <a name='Page_94'></a>van <i>Brand</i> is. Hij heeft op deze plaats het
+oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het
+eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende
+tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles,
+wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in
+'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt
+aangetoond,&mdash;natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen.
+Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en
+karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het
+verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar
+ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog
+praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant
+heeft plaats gehad.</p>
+
+<p>Op <i>Brand</i> volgt in 1867 <i>Peer Gynt</i>. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet
+afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen,
+maar hij voert het volk zelf ten tooneele in &eacute;&eacute;n typischen representant.
+Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de
+dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot
+grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip,
+'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te
+bemerken, <a name='Page_95'></a>achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is
+zich zelf genoeg, een ego&iuml;st in plaats van een persoonlijkheid. Zijn
+levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde
+verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van
+zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid.
+Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit
+komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes,
+die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn
+gebruikt,&mdash;om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek
+rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche
+volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het
+hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen').</p>
+
+<p>In gelijke mate als van <i>Brand</i> geldt van <i>Peer Gynt</i>, dat de dichter de
+stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de
+toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke
+overweegt; in <i>Peer Gynt</i> kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere
+afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden,
+heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het
+beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt.
+Naast den spot treedt ook&mdash;in tegenstelling met <i>Brand</i> een <a name='Page_96'></a>element van
+meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend
+individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het
+dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken
+en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift
+Neophilologus geschreven heb.</p>
+
+<p>Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van
+de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's
+is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de
+sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode
+voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot
+personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de
+dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze
+vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische
+slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze
+wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen.
+Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in
+waarheid beteekent hij den ego&iuml;st; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die
+aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend
+geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en
+allegorie.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='HOOFDSTUK_III'></a><h2><a name='Page_97'></a>HOOFDSTUK III.</h2>
+
+<p>DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL.</p>
+<br />
+
+<p>Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die
+in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van
+Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in
+bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet
+gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon
+zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect
+aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was,
+stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie
+waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal
+uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor
+het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De
+sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van
+zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid
+open<a name='Page_98'></a>baarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit
+streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de
+vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen
+geheel-Noorsche taal.</p>
+
+<p>De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint
+met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor
+ge&iuml;nspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van
+Asbj&oslash;rnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De
+vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert
+het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was
+hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe
+gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in
+belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de
+Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat
+verouderd was of daarvoor werd aangezien,&mdash;integendeel, zij gaf uiting
+aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu
+gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archa&iuml;seering.
+Wanneer men tot dusverre schreef <i>lade, rige, l&oslash;be</i>, dan sprak men
+<i>late, rike, l&oslash;pe</i>, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden
+gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend
+had. Men begint nu op <a name='Page_99'></a>deze wijze te schrijven en brengt door deze
+archa&iuml;seering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in
+andere gevallen.</p>
+
+<p>De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K.
+Knudsen, die schreef <i>Haandbok i dansk-norsk Sprogl&aelig;re</i> (1856). Tevens
+werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het
+belangrijkste werk, van denzelfden schrijver <i>Unorsk og Norsk</i>(1879-81).</p>
+
+<p>De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren,
+waarin Asbj&oslash;rnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te
+nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen
+tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de
+stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en
+de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke &eacute;&eacute;ne door
+het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene
+taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een
+ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding
+gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die
+ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal
+provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel
+Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen.</p>
+
+<p><a name='Page_100'></a>De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet
+hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en
+zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen
+in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal,
+die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch.
+Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die
+autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal.</p>
+
+<p>Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het
+cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van
+kunstmatige talen mag zeggen&mdash;deze kunstmatige taal is eene levende
+geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op
+zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is.
+Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid,
+die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is,
+maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende
+streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de
+eenheid der Noorweegsche dialecten.</p>
+
+<p>Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht
+hebben. Maar niet alleen hun energie,&mdash;niet minder hun genie. Want het
+verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor
+het grootste <a name='Page_101'></a>deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan
+een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner
+gedachten gemaakt hebben.</p>
+
+<p>De schepper van het landsmaal is eigenlijk &eacute;&eacute;n man geweest, Ivar Aasen,
+een boerenzoon uit Zuid-M&oslash;re (een landschap op de Westkust), die zijn
+jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde
+Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten
+zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder
+hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de
+voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken
+<i>en geschreven</i> werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht.
+Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde
+hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van
+de Noorweegsche volkstaal: <i>Det norske Folkesprogs Grammatik</i> (1848, in
+tweede uitgave van 1864 betiteld <i>Norsk Grammatik</i>), waarop een
+woordenboek volgde: <i>Ordbog over det norske Folkesprogs</i> (1850; later
+<i>Norsk Ordbog</i> 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten
+opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene
+taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit
+<a name='Page_102'></a>andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon
+worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften
+gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen
+voor 'maalstr&aelig;v' (<i>str&aelig;v</i>, het streven, werken voor iets), en het doel
+werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen
+burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen.</p>
+
+<p>Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het
+landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het
+bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in
+nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou
+zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden
+dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem
+van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen:
+aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide
+talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen
+het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal)
+den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is.
+Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan
+opnieuw. De taal, die de meeste concessies <a name='Page_103'></a>doet, is het bymaal; de
+laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in
+spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het
+landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van
+een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene
+taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen
+en van vele kansels en in meer dan &eacute;&eacute;n theater gehoord wordt.</p>
+
+<p>De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader
+aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn
+taalhistorische studi&euml;n in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij
+heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal
+wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die
+het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche
+dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archa&iuml;seeren, die
+voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote
+autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het
+landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in
+po&euml;zie als door de genoemde archa&iuml;stische tendenties behield deze taal
+een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was
+Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens
+een eerste <a name='Page_104'></a>poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de
+gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik
+van Westlandsch dialect kwam daarna Fj&oslash;rtoft op, een politiek schrijver
+van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn
+dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande
+contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal
+ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad <i>Fram</i> (1871-73) een dialect uit
+Zuid-M&oslash;re, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske
+(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden
+zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de
+groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak
+Westlandsch, maar al wat archa&iuml;stisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal
+is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is
+echter in het landsmaal nog niet bereikt.</p>
+
+<p>Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen.
+Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor
+onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en
+is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in
+landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden
+wetsvoorstellen in beide talen ingediend.</p>
+
+<p><a name='Page_105'></a>Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige
+opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn
+originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder
+hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een
+tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal
+Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen
+ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een
+<i>husmand</i>, d.i. een kleinen boer, die op een <i>plads</i> (kleine
+boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij
+opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een
+boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg.
+Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den
+krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man,
+die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij
+den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering
+mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft.
+Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren,
+is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den
+cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al
+hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft,
+tot de bekwaamste <a name='Page_106'></a>mannen van het land behoort. Die kennis echter
+vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij
+bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er
+ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is
+hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij
+geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven.
+Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt
+in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken
+oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van
+het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader
+aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke
+sympathie&euml;n, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden.
+Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van
+zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op
+rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik
+zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer
+geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op
+politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem
+aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere
+wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van
+goede manieren. Zelfs eten kan hij niet z&oacute;&oacute;, dat <a name='Page_107'></a>hij geen aanstoot
+geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen
+subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en
+plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door
+zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot
+eenzaamheid gedoemd, en z&oacute;&oacute; geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur
+voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij
+daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft
+hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen
+deed hij een heftigen aanval op de regeering&mdash;en werd ontslagen.</p>
+
+<p>Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt
+niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat
+dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij
+gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon
+verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon
+zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren
+optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken
+geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven,
+die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de
+lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een
+humorist.</p>
+
+<p><a name='Page_108'></a>Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van
+Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let
+op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest
+bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling
+en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven.
+Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin
+is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken.</p>
+
+<p>Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870
+verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen
+gevuld heeft, <i>D&oslash;len</i> ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle
+denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij
+had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen,
+van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen.</p>
+
+<p>Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig
+onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van
+wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en
+wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws
+had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij
+toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het
+zijn die gevoelsinhouden, die <a name='Page_109'></a>stijl, die eigenaardige combinaties, die
+humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke
+geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier
+geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche
+plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu
+toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door
+kende. <i>D&oslash;len</i> werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan.
+Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad
+moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige
+maanden, wanneer men hem dood waande, stak <i>D&oslash;len</i> dan plotseling weer
+het hoofd op.</p>
+
+<p>Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige
+kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd
+is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd
+komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon
+hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan
+tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne proza&iuml;sche werken
+staat hier bovenaan <i>Ferdaminni</i> (Reisherinneringen), een boek, dat
+eerst stuksgewijze in <i>D&oslash;len</i> is verschenen. <i>Ferdaminni</i> is de
+beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860
+maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt <a name='Page_110'></a>hier
+op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's
+Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien
+dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde
+verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan
+zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn
+geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed
+dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd
+werd.</p>
+
+<p>Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate
+onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken
+uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bj&oslash;rnson's <i>Arne</i> (de tweede
+dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in &eacute;&eacute;n verwijt
+heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bj&oslash;rnson
+de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de
+stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met
+dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat
+Bj&oslash;rnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het
+verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een
+<i>husmand</i>, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als
+dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen <a name='Page_111'></a>de
+boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de
+predikanten behooren, uit wier stand Bj&oslash;rnson is voortgekomen, een kring
+met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij
+niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd
+billijk beoordeeld, maar wanneer hij in <i>Ferdaminni</i> en elders hun
+zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen
+romantiek.</p>
+
+<p>Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook
+zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat
+hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan
+ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit
+onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's <i>Brand</i>. In de
+dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten
+tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters
+hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in
+dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet
+den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te
+zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat
+eerst naar eene vignetteekening den naam <i>Manden</i> (De Man) kreeg en
+later omgedoopt is tot <i>Andhrimnir</i> (de naam van den kok in Valholl).
+<a name='Page_112'></a>Dit blad was een navolging van het Deensche blad <i>Corsaren</i>, dat door
+Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op
+harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin
+omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover
+oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers
+ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen.
+Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden
+af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke
+toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche
+waardeering was er ook niet. In <i>Peer Gynt</i> ontmoeten wij Vinje als
+Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der
+orangoetangs te spreken. Toen <i>Brand</i> verscheen, heeft Vinje dit
+dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar
+op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte
+farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan.
+&quot;Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen,&quot; zegt Vinje. Een
+paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel;
+Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over
+Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon
+hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden
+hebben niet nage<a name='Page_113'></a>laten, in zijn kritieken op <i>Arne</i> en op <i>Brand</i>
+uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het
+geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands
+drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel,
+is het gevolg van meer dan &eacute;&eacute;n oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die
+hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren,
+dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich
+begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond
+alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was
+van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna
+identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel
+landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten,
+kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn
+tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch'
+schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te
+hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al
+spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair
+succes.</p>
+
+<p>Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in
+aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is
+het wel, dat iemand zijn leven geeft voor <a name='Page_114'></a>een denkbeeld, dat in de
+practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje
+zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door
+geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere
+gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er
+dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar
+voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte
+is hem te abstract.</p>
+
+<p>Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat,
+wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als
+litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent
+practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters
+konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest
+verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder
+grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting
+alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt
+samen met zijn beter inzicht in de realiteit.</p>
+
+<p>Vinje's belangrijkste levenswerk&mdash;men moge het prijzen of laken&mdash;is dat,
+wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor
+geijverd,&mdash;dat is &eacute;&eacute;n ding, maar vooral&mdash;hij heeft het gebruikt, en hij
+heeft het z&oacute;&oacute; gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noor<a name='Page_115'></a>weegsche
+letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest.</p>
+
+<p>Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver
+kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls
+begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te
+geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming
+verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele
+gedichten, waarin &eacute;&eacute;ne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is
+volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de
+zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden,
+die opgenomen is in zijn gedichtencyclus <i>Storegut</i>.</p>
+
+<p>Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de
+hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is.
+Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast <i>Ferdaminni</i>,
+Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot
+de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus
+<i>Storegut</i>. Wat de compositie betreft, kan men <i>Storegut</i> vergelijken
+met <i>Arnljot Gelline</i> of met Runeberg's <i>F&auml;nrik Staals S&auml;gner</i>: het is
+een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een
+historische persoon of gebeurtenis. Voort<a name='Page_116'></a>gang is er eigenlijk niet in
+het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed
+zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat
+de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de
+karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk
+en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij
+kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een
+valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij
+voor het meerendeel stemmingen van &eacute;&eacute;n persoon schilderen. En er zijn
+ware meesterstukken onder.</p>
+
+<p>Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan
+schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie
+als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan
+men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt
+gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij
+in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in
+dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook
+oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het
+inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te
+verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe
+<a name='Page_117'></a>ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef
+geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo
+subjectief als Vinje, die <i>Brand</i> voor een farce aanziet, geen
+psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen
+theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op
+wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama
+geschreven, <i>Olav digre</i>, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de
+proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men
+zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft
+kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet
+kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de
+grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne na&iuml;veteit, waaraan
+wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die
+aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant
+genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let
+op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft.</p>
+
+<p>Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is.
+De stukken, die gereed waren, heeft hij in <i>D&oslash;len</i> uitgegeven. <i>Staale</i>
+heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een
+onafhankelijk man, die zijn <a name='Page_118'></a>eigen weg gaat, in de maatschappij
+mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn
+omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt
+toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen
+vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort
+schiet. <i>Staale</i> is dan ook veel minder gelukt dan <i>Storegut</i>.</p>
+
+<p>Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland
+in: <i>Bretland og Breterne</i>. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje
+nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes
+in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland
+toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te
+bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor
+zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de
+tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen
+land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op
+den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden,
+waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen
+opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende
+bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maat<a name='Page_119'></a>schappij. Maar door
+zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten&mdash;de
+Times liet zich zeer onvriendelijk uit&mdash;, en daarmee was zijn uitzicht
+op succes in den vreemde afgesneden.</p>
+
+<p>Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet
+gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele
+vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een
+dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als
+zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten
+niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over
+hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar
+bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag
+gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht:
+men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem
+gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was
+uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat
+hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft.
+Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij
+geschreven heeft, maar <i>hoe</i> hij geschreven heeft, eerst in bymaal,
+daarna&mdash;het meeste en het best&mdash;in <a name='Page_120'></a>landsmaal. Die beteekenis zal pas
+algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal
+bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen
+is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen
+voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te
+heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen,
+dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen,
+want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='HOOFDSTUK_IV'></a><h2><a name='Page_121'></a>HOOFDSTUK IV.</h2>
+
+<p>HET REALISME.</p>
+<br />
+
+<p>Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de
+idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de
+practijk, maar ook in de po&euml;zie noodig was, rekening te houden met de
+wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen
+zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken
+periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu
+invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk,
+waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden
+dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en
+begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der
+Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het
+geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de
+litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat,
+godsdienst. In Denemarken <a name='Page_122'></a>doet de nieuwe richting haar intocht in de
+epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire
+voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen
+en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land
+is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere
+generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige
+periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bj&oslash;rnson
+zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep
+romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn.</p>
+
+<p>Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan
+beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt
+wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die
+litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd
+in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw
+is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel
+afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad
+van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken,
+is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat
+de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de
+waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt
+is, dit doel te bereiken. De leus kon <a name='Page_123'></a>trouwens gepaard gaan met andere
+leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd
+waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men
+in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet
+plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie
+debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich
+zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het
+standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers
+van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin,
+dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is.
+Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,&mdash;en dat hebben alle
+dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch
+altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die
+voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee
+richtingen ontwikkelen. &Ograve;f men gaat den eisch van het realisme steeds
+strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid
+nabij te komen,&mdash;het zoogenaamde naturalisme,&mdash;&ograve;f men laat het realisme
+als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel,
+dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat.
+Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten.</p>
+
+<p><a name='Page_124'></a>Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet
+op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar
+aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd
+had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813
+is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven
+van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is
+zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste
+boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek.</p>
+
+<p>Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige
+jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een
+anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar
+geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de
+ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt
+zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd,
+waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere
+clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor
+Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in
+rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's
+tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in
+levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, <a name='Page_125'></a>heeft zij
+sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven.</p>
+
+<p>Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad
+(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte
+vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in
+1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in
+1855 haar hoofdwerk <i>Amtmandens D&oslash;tre</i>, het eerste der talrijke Noorsche
+boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze
+maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de
+litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met
+tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: <i>Fort&aelig;llinger</i>
+(1861), <i>I de lange N&aelig;tter, Sidste Blade</i> (3 verzamelingen 1868-73),
+<i>Fra de stummes Leir</i> (1878), <i>Mod Str&oslash;mmen</i> (1879). Op den duur neemt
+zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar
+eerste roman opkwam voor de liefde&mdash;in plaats van conventie&mdash;als
+grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande
+verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den
+voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de
+schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op
+en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek
+in het potsierlijke; mannen als Goethe en <a name='Page_126'></a>Byron vinden weinig genade in
+haar oogen.</p>
+
+<p>Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek
+<i>Mod Str&oslash;mmen</i> (Tegen den Stroom) mocht eerder <i>Med Str&oslash;mmen</i> heeten;
+toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de
+vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor
+modern wilden doorgaan.</p>
+
+<p>Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870,
+als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een
+probleem debatteert'.</p>
+
+<p>Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit
+het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de
+werken van Asbj&oslash;rnsen, &Oslash;stgaard en enkele anderen. Voorts een deel van
+Vinje's geschriften en Bj&oslash;rnson's boerennovellen, die echter weinig
+realistisch waren. Nu zou het anders worden.</p>
+
+<p>Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van
+den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn
+eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist.
+Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn,
+en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als
+zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn
+'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en
+<a name='Page_127'></a>bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen,
+zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere
+werken. Kritiek op de maatschappij&mdash;een der hoofdpunten van het jonge
+programma&mdash;komt bij hem reeds in 1862 voor in <i>K&aelig;rlighedens Komedie.</i>
+Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later.
+Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden
+geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot
+uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het
+maatschappelijk leven. In <i>K&aelig;rlighedens Komedie</i> is het nog een
+bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de
+maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn
+Falk en Svanhild een utopie. In <i>En Folkefiende</i> daarentegen is de held
+een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,&mdash;wat
+alle anderen ook zeggen te willen,&mdash;en die met zijn omgeving in strijd
+raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase
+is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing
+van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld
+der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is
+het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische
+stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch
+leven, het proza, <a name='Page_128'></a>gekozen wordt, en dat de personen meer
+ge&iuml;ndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en
+deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een
+enkele repliek kent.</p>
+
+<p>Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is <i>De Unges Forbund</i> van 1869.
+Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het
+vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die
+hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte
+het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote
+politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en
+kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale
+en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft
+de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde
+physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van
+twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde
+menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier
+dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de
+verontwaardiging van Bj&oslash;rnson over het stuk; het waren zijn eigen
+phrases en zijn na&iuml;ef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden
+gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bj&oslash;rnson niet eerlijk
+<a name='Page_129'></a>was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich ge&euml;rgerd<a name='FNanchor_17_17'></a><a href='#Footnote_17_17'><sup>[17]</sup></a>. En
+hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van
+eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend<a name='FNanchor_18_18'></a><a href='#Footnote_18_18'><sup>[18]</sup></a>.</p>
+
+<p>Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral
+vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant,
+staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den
+samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil
+van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten
+een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen;
+tegen dit verbond&mdash;het ware verbond der jongeren.&mdash;is de vooze demagogie
+niet bestand.</p>
+
+<p>Men heeft Ibsen verweten, dat hij in <i>De Unges Forbund</i> zich tegen 'de
+partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld
+Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. <a name='Page_130'></a>Ibsen zou in dit stuk de
+woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van
+dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk.
+Geen ding toont misschien duidelijker dan <i>De Unges Forbund</i>, hoe ver de
+dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het
+komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en
+heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist
+de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is
+volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter
+verwachtingen had van de oude aristocratie&mdash;mits deze zich vernieuwde.
+Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening
+uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die
+hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren.</p>
+
+<p>Tusschen <i>De Unges Forbund</i> en <i>Samfundets St&oslash;tter</i> liggen acht jaar
+(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met <i>Kejser og
+Galil&aelig;er</i>, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken
+is.</p>
+
+<p>Met <i>Samfundets St&oslash;tter</i> (1877) begint een ononderbroken reeks moderne
+drama's. Weldra volgen <i>Et Dukkehjem</i> (1879), <i>Gengangere</i>(1881), <i>En
+Folkefiende</i> (1882), <i>Vildanden</i> (1884). In al deze stukken wordt de
+werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt
+<a name='Page_131'></a>ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een
+samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij
+een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na
+jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste
+pessimisme.</p>
+
+<p>In <i>Samfundets St&oslash;tter</i> geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in
+een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en
+het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich
+wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil
+tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer
+verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend
+heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken;
+Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit
+andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en
+dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een
+onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen
+tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen
+vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft
+liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om
+Bernick's geweten wakker te schudden. Z&oacute;&oacute; <a name='Page_132'></a>groot is het geloof van den
+dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het
+ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het
+blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip
+wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt
+Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te
+huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den
+waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de
+geesten van waarheid en vrijheid.</p>
+
+<p>Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar
+realist, toch ook nu nog als van ouds idee&euml;ndichter is. De gedachte is
+zoo algemeen mogelijk; &quot;de geest van waarheid en vrijheid&quot;,&mdash;abstracter
+kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt
+van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men
+bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest
+wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had
+een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met
+haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar
+ieder aan alle zijden door &eacute;gards gebonden was, gemakkelijker haar
+onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw,
+die alleen naar de stem van haar hart luistert <a name='Page_133'></a>en zich aan geen enkele
+consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert
+tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in
+dezen zin zijn reeds Aurelia in <i>Catilina</i>, later Solvejg in <i>Peer
+Gynt</i>. En Ella Renthejm in <i>John Gabriel Borkman</i> behoort tot dezelfde
+categorie.</p>
+
+<p>Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene
+maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal
+onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak,
+die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. <i>Et
+Dukkehjem</i> is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen
+opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting
+teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid
+niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat
+noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de
+moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap
+terug te houden.</p>
+
+<p>In <i>Gengangere</i> is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer
+met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die
+aan <i>Et Dukkehjem</i> ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper
+stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig <a name='Page_134'></a>huwelijk
+leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en
+zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar
+huwelijk uit te blusschen.</p>
+
+<p>Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den
+dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de
+courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin
+zich zulk een frissche strijdlust openbaart als <i>En Folkefiende</i>. De
+ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd
+aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar.
+Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is
+menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op,
+maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man
+verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der
+badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij
+de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden,
+maar alle partijen, conservatief en radicaal,&mdash;anders elkanders gezworen
+vijanden,&mdash;vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen.
+Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van
+de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de
+oppositiepers werken broederlijk <a name='Page_135'></a>samen, om Stockman onmogelijk te
+maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met
+uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk.
+Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een
+nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld
+hij is, die het meest alleen staat.</p>
+
+<p>De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman
+zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en
+evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, z&oacute;&oacute; waar geteekend,
+als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het
+karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in
+het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de
+menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met
+het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bj&oslash;rnson. Den zedelijken moed
+hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de
+vergaderzaal is die van Bj&oslash;rnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het
+uitdrukt, aan Stockman Bj&oslash;rnson's stem gegeven. Ook de overige personen
+zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de
+kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing,
+de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en
+wiens originaliteit hierin bestaat, dat <a name='Page_136'></a>hij er een 'gud d&oslash;de mig' aan
+toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in
+wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van
+zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele
+karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet,
+Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood,
+als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet,
+welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien,
+dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel
+der echtheid.</p>
+
+<p>En dan komt <i>Vildanden</i> (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat
+Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch
+geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant
+van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale
+figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht,
+waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van
+een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt.
+De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt:
+&quot;mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord
+idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens,&quot; <a name='Page_137'></a>en die
+verklaart: &quot;neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem
+je hem te gelijk het geluk af.&quot; En eindelijk: &quot;Och, het leven kon goed
+genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons
+arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch.&quot; Bittere ervaringen
+moet de dichter van <i>Brand</i> gehad hebben, voor hij z&oacute;&oacute; iets schrijven
+kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: &quot;At digte er at holde dommedag
+over sig selv&quot; (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken
+helpt niet; de po&euml;et, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in
+Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat
+hij de dertiende man aan tafel is.</p>
+
+<p>En toch&mdash;het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof
+verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en
+ge&iuml;ncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene
+vrouw, die zit te wachten op het wonder,&mdash;dat een ander verrichten
+zal,&mdash;maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe
+edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het
+bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel
+heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Z&oacute;&oacute; staat ook in
+<i>De wilde Eend</i> een ideale figuur, die aan &eacute;&eacute;n zaak alles offert,
+tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in <a name='Page_138'></a>phrases is
+ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt
+hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer
+maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als
+offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan
+den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal;
+in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele
+gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van <i>Vildanden</i> het
+geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend
+drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden.</p>
+
+<p>Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter
+behandelde dan &eacute;&eacute;n zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men z&oacute;&oacute; levende
+personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest.
+Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij
+naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik
+mode was, maar omdat hij de menschen z&oacute;&oacute; zag. En wat de
+'problemenpo&euml;zie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen
+behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd
+is zijn po&euml;zie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom
+zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur <a name='Page_139'></a>van
+den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn
+toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen
+reflecteert zich het menschelijke.</p>
+
+<p>In dezelfde periode ging Bj&oslash;rnson over tot de behandeling van
+maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het
+lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het
+meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben
+zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar
+daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bj&oslash;rnson was als
+kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij
+ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid
+gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan
+zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij
+veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land,
+en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche
+levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd
+een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken,
+novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is
+zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in
+volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke
+werkkracht. <a name='Page_140'></a>Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de
+wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een
+eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bj&oslash;rnson gehad
+heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die
+hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt
+Bj&oslash;rnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor h&egrave;m nieuw zijn, te
+populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene
+verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook
+zijn kunst ondergeschikt.</p>
+
+<p>Een voorlooper van Bj&oslash;rnson's 'nutidsdramer' is <i>De Nygifte</i> (De
+pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter
+levendige sc&egrave;nes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom
+begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren:
+<i>Redakt&oslash;ren</i> en <i>En Fallit</i> (1875), <i>Kongen</i> (1877), <i>Leonarda</i> (1879),
+<i>Det ny System</i> (1879), <i>En Hanske</i> (1883), <i>Over &AElig;vne</i>, I (1885), II
+(1895), <i>Geografi og K&aelig;rlighed</i> (1885), <i>Paul Lange og Tora Parsberg</i>
+(1899), <i>Laboremus</i> (1901), <i>Paa Storhove</i> (1902), <i>Daglannet</i> (1904),
+<i>Naar den ny vin blomstrer</i> (1909). Vertellingen uit dezelfde periode
+zijn: <i>Magnhild</i> (1877), <i>Kaptejn Mansana</i> (1879), <i>St&ouml;v</i> (1882), <i>Det
+flager i Byen og paa Havnen</i> (1884), <i>Paa Guds Veje</i> (1889), <i>Nye
+Fort&aelig;llinger</i> (1899), <i>Mary</i> (1906).</p>
+
+<p><a name='Page_141'></a>In bijna al deze stukken maakt Bj&oslash;rnson zich tot advocaat van een of
+andere meening of waarheid,&mdash;dikwijls eene zeer juiste,&mdash;die, naar hij
+meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de
+noodzakelijkheid van opvoeding in <i>Det flager</i>, van verdraagzaamheid in
+<i>Paa Guds Veje Kongen</i> is een preek over het thema, dat de republiek de
+eenig juiste regeeringsvorm is. <i>En Hanske</i> handelt over de
+geslachtsmoraal. De dichter is hier z&oacute;&oacute; vervuld van de leer, die
+gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over
+hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot
+breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bj&oslash;rnson niet
+alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie
+bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet,
+kan diezelfde na&iuml;veteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit
+de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen
+ontstaan. Zijn populariteit dankt Bj&oslash;rnson ongetwijfeld voor een groot
+deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn
+behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil
+gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen
+en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bj&oslash;rnson
+gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als k<a name='Page_142'></a>oeien, die
+iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen
+de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer
+de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan
+is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de
+tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan
+vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat
+hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het
+schellinkje, zeer gewaardeerd.</p>
+
+<p>Maar wanneer men het eerste gedeelte van <i>Det flager</i> leest, waarin
+Bj&oslash;rnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de
+gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze
+schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene
+situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het
+verlichtingswerk van Bj&oslash;rnson niet noodig hebben, en die in vreemde
+litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het
+Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter
+als Bj&oslash;rnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de
+schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van
+godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw
+ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven
+hiernamaals, terwijl dat plotseling anders <a name='Page_143'></a>wordt, zoodra Bj&oslash;rnson ca.
+1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat
+het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop
+plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der
+orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders
+wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen
+kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een
+groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bj&oslash;rnson's po&euml;zie
+duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat
+nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in
+aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in
+Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bj&oslash;rnson gehecht wordt. En
+dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het
+oordeel speelt de liefde eene rol,&mdash;en de liefde is naijverig.</p>
+
+<p>Jonas Lie (1833&mdash;1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede
+helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is,
+wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het
+Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de
+overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo
+stamt Lie in drie <a name='Page_144'></a>leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit
+het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook
+Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde
+Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder
+po&euml;tischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van
+denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen
+heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur,
+die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden,
+in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur
+maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem po&euml;zie vinden ook in het
+dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist z&oacute;&oacute; ver, dat
+hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om
+deze te objectiveeren.</p>
+
+<p>Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd
+voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die
+bij herhaling als po&euml;tische motieven in zijn werken terugkeeren. Als
+zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in
+Troms&oslash;, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die v&oacute;&oacute;r hem
+in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht
+Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen
+een goede <a name='Page_145'></a>vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn
+po&euml;tischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn
+leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen
+aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote
+handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de
+angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan.</p>
+
+<p>Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen
+te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg
+ge&iuml;nteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit
+zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij
+de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd
+dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te
+vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van
+het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter
+geheel doet ontwaken, is zijn faillissement.</p>
+
+<p>Toen Lie zijne eerste vertelling <i>Den Fremsynte eller Billeder fra
+Nordland</i> (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland)
+uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de
+litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op
+zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt <a name='Page_146'></a>hoofdzakelijk in den vorm van
+een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens
+zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het
+Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt &eacute;&eacute;ne zijde
+van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke,
+zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst;
+zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke
+behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd
+hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in
+de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de
+alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en
+David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor
+hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar
+de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer
+hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij
+niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft
+geput, om het leven vol te houden.</p>
+
+<p>Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel
+romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als
+een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst
+belangrijk is, maar toch als een <a name='Page_147'></a>zieke, niet als een wezen van hooger
+orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den proza&iuml;schen mensch verborgen
+blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet
+in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk
+leven te kort schiet.</p>
+
+<p>De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het
+dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst
+opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van
+zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek
+daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins
+misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene
+zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met
+mythische wezens als <i>n&oslash;kken, draugen, tomtegubben</i>, en hoe zij meer
+mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn
+deze wezens po&euml;tisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd
+met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken.
+Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die
+in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw
+hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen
+schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze
+teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden.</p>
+
+<p><a name='Page_148'></a>Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op.
+Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf.
+Misschien heeft hij in <i>Den Fremsynte</i> voor goed of voor langen tijd
+afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij
+zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed
+van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten
+<i>Dyre Rein</i> (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is.
+Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in
+den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt
+zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het
+huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven.</p>
+
+<p>Met <i>Den Fremsynte</i> had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt.
+Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost
+heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel
+achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker&mdash;niet in
+ieder&mdash;opzicht voorstudi&euml;n voor zijn latere meesterwerken. <i>Den
+Fremsynte</i> was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte
+hij nog niet geheel, en vooral&mdash;hij had zich nog niet dien bijzonderen
+stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij <a name='Page_149'></a>schreef,
+zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie
+weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver
+van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne
+ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te
+schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een
+propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen
+van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren,
+waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode
+geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder
+zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn
+talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft
+ingenomen.</p>
+
+<p>De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met
+<i>Familien paa Gilje</i> zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft
+hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn
+vooreerst zijn schipperromans <i>Tremasteren Fremtiden</i> (1872), <i>Lodsen og
+hans Hustru</i> (1874), <i>Rutland</i> (1880), <i>Gaa Paa</i> (1882). Deze sluiten in
+zooverre bij <i>Den Fremsynte</i> aan, als zij schilderingen bevatten uit het
+leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter
+zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze
+boeken een gebeurtenis in de Noorsche <a name='Page_150'></a>litteratuur; er wordt een nieuw
+gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het
+onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen.
+Hij kent hen van kind af aan.</p>
+
+<p>Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling
+speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het
+zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het
+huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken,
+waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze
+periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd
+worden: <i>Thomas Ross</i> (1878), <i>Adam Schrader</i> (1879), <i>Livsslaven</i>
+(1883). Een eerste dramatische proeve is <i>Grabows Kat</i> (1880). Een
+afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht
+<i>Faustina Strozzi</i> (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan
+de geschiedenis (Itali&euml;'s vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de
+kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als po&euml;tisch werk niet
+van groote beteekenis.</p>
+
+<p>Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: <i>Familien paa Gilje</i> (1883),
+<i>En Malstr&oslash;m</i> (1884), <i>Otte Fort&aelig;llinger</i> (1885), <i>Kommand&oslash;rens D&oslash;tre</i>
+(1886), <i>Et Samliv</i> (1887), <i>Majsa Jons</i> (1888), <i>Onde Magter</i> (1890),
+<i>Trold</i> (2 verzamelingen novellen 1891-2), <i>Niobe</i> (1893), <i>Lystige
+Koner</i> <a name='Page_151'></a>(1894), <i>Naar Sol gaat ned</i> (1895), <i>Dyre Rein</i> (1896),
+<i>Lindelin</i> (1897), <i>Faste Forland</i> (1899), <i>Wulffie &amp; Comp</i> (1900),
+<i>Naar Jernteppet falder</i> (1901), <i>Ulfulgerne</i> (1904).</p>
+
+<p>Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde
+motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering
+deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in
+vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den
+dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een
+nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde.</p>
+
+<p>Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen <i>(Lodsen og hans Hustru,
+Gaa paa</i>) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te
+kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een
+positie weet te verschaffen. In <i>Gaa paa</i> is het een jonge man, die in
+armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder
+eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in
+den beginne en het besluit, het niet op te geven.</p>
+
+<p><i>Thomas Ross</i> vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad
+heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan
+het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het <a name='Page_152'></a>andere. Hij geraakt in
+bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een
+bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door
+een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot
+met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten.
+Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij
+gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de
+tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te
+houden.</p>
+
+<p>Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in <i>Faste
+Forland</i>, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van
+anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de
+ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde.
+Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist
+inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en
+hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden,
+maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste
+wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet
+bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn
+stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een
+badplaats om te <a name='Page_153'></a>scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel
+der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de
+financi&euml;ele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij
+aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een
+dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het
+badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een
+badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door
+zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn
+plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die
+hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij
+haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem
+geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te
+gemoet, en nu wordt Faste dichter.</p>
+
+<p>Het klinkt als een sprookje&mdash;en toch is het werkelijkheid. Ook de
+mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den
+bijstand van Thomasine.</p>
+
+<p>Het hoofdmotief van <i>Faste Forland</i> is de mislukte onderneming en het
+faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een
+faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het
+hoofdmotief in <i>En Malstr&oslash;m</i>, en het neemt een gewichtige plaats in in
+<i>Et Samliv</i> <a name='Page_154'></a>en in <i>Niobe</i>. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede
+de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer
+eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te
+schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van
+zeer verschillende zijden. In <i>Faste Forland</i> is de slechte zakenman
+toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf
+niet gekend heeft; in <i>En Malstr&oslash;m</i> en <i>Niobe</i> ontmoeten wij twee
+variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van
+zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur),
+in <i>Et Samliv</i> is het de familievader, die op het punt is, in den
+ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en
+kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom
+aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den
+genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door
+een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet
+ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld
+worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie
+is hier midden in de 'problemenpo&euml;zie' geraakt; de vergelijking met
+anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in
+aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in <a name='Page_155'></a>de
+litteratuur in de mode; zoowel Bj&oslash;rnson als Kielland hebben het
+behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze.
+Voor Kielland (in <i>Fortuna</i>) is het faillissement de onverantwoordelijke
+daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de
+schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen,
+valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets
+dan gemeenheid en laagheid. Er komen in <i>Fortuna</i> prachtige bladzijden
+voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk
+geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders
+Bj&oslash;rnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene
+maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk,
+dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen.
+Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is,
+maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of
+de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn
+gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is
+tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig
+samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den
+bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den
+man, noch de daad, <a name='Page_156'></a>maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft,
+kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het z&oacute;&oacute; gaan moest, als
+het is gegaan.</p>
+
+<p>Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo
+groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij
+Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan &eacute;&eacute;n van zijn boeken zou
+men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een
+belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw.
+Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van &eacute;&eacute;n
+eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en
+hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun
+naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden,
+vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft
+hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste
+karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de
+liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven
+ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities
+zijn onder anderen Susanne in <i>Den Fremsynte</i>, Bera in <i>Faste Forland</i>,
+Ely Falk in <i>Adam Schrader</i>, Ellen in <i>Naar Jernteppet falder</i>. Op het
+juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te
+hand<a name='Page_157'></a>haven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij,
+die niet kan geven, wordt de ego&iuml;ste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al
+deze typen heeft Lie geschilderd, z&oacute;&oacute; dat zij lijken.</p>
+
+<p>De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het
+grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat
+hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans
+den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (<i>Livsslaven</i>, waar
+de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie
+van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal
+dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het
+sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt.</p>
+
+<p>In <i>Lodsen og hans Hustru</i> bestaat voor de verdenking eenige aanleiding,
+en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien
+jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in
+dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem
+niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste
+weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De
+omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar
+onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn. <a name='Page_158'></a>gebrek aan
+vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in
+dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge
+mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man,
+die z&oacute;&oacute; lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal
+vallen, voortaan met parlement te regeeren. In <i>Adam Schrader</i> is het
+conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt
+hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is
+een goed huisvader, maar proza&iuml;sch; de vrouw is muzikaal; een vriend van
+den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied
+der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch,
+maar het karakter der vrouw is z&oacute;&oacute; oprecht en flink, dat aan haar deugd
+geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink
+de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek
+behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel
+van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden
+weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere
+wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij <i>Adam Schrader</i> schreef.
+Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig
+is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in <i>Naar Sol
+gaar ned</i>. <a name='Page_159'></a>Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de
+vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man,
+een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij
+wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar
+het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn
+levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie.
+Maar de eer van zijn huis heeft hij gered.</p>
+
+<p>Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne
+alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans
+heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood.
+Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan.</p>
+
+<p>Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken <i>Naar
+Jernteppet falder</i> in een der talrijke parallel loopende vertellingen
+van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een
+oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige
+lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel
+geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren
+wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan
+boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe
+kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis
+van het gemoed zijner vrouw. Wat <a name='Page_160'></a>gaat er in haar om? Wat verbergt zij
+voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag
+neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van
+angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is;
+wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt,
+gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het
+schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten
+geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag,
+wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een
+weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene
+rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent,
+zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell
+weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij
+bij haar was,&mdash;thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en
+met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu
+kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij
+tegenover haar uit, dat <i>zij</i> het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De
+twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord
+daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt.
+De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopen<a name='Page_161'></a>baard; het
+gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat
+waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte
+in een geheel modern kleed.</p>
+
+<p>Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts
+&eacute;&eacute;n tooneelstuk, <i>Lystige Koner</i>, is op dit motief opgebouwd. De
+behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt
+niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar
+plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis
+van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het
+er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal
+opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie
+het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg.</p>
+
+<p>Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter
+is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk
+de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij
+geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt.
+Zulke zijn: de Kaptein in <i>Familien paar Gilje</i>, Mads Foss in <i>En
+Malstr&oslash;m</i>, de directeur in <i>Onde Magter</i>. In zulke families vinden wij
+huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in <i>Familien paa
+Gilje</i>, mis<a name='Page_162'></a>schien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de
+Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van
+gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden.</p>
+
+<p>Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de
+vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge
+geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de
+dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen
+eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan
+zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere
+beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna
+altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te
+keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van &eacute;&eacute;n van beide. Bij de
+jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat
+het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden
+een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk
+geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren,
+wanneer zij zwak zijn en toegeven. In <i>Rutland</i> wil de jongen naar zee.
+De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil
+dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en
+verzoent zich later met den vader. Dit is <a name='Page_163'></a>het gunstigste verloop. In
+<i>Familien paa Gilje</i> moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit
+de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in <i>En Malstr&oslash;m</i> is het nog
+erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in
+<i>Kommand&oslash;rens D&oslash;tre</i>, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het
+de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg
+staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in
+die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend,
+waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen
+drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn.</p>
+
+<p>Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses
+van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt
+niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen
+zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een
+gezin is dat van Dr. Baarwig in <i>Niobe</i>.</p>
+
+<p>De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp
+van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot
+hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen
+misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij
+zelf behoort tot de hoogere klasse, maar <a name='Page_164'></a>sedert zijn kindsheid heeft
+hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft
+hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een
+der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich
+onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is.
+Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principi&euml;ele
+vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen
+ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide,
+gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen
+heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de
+sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een
+schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in
+dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten <i>Livsslaven</i>, uit
+de eerste periode, en <i>Majsa Jons</i>, een van zijn rijpste werken.
+<i>Livsslaven</i> is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode,
+die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en
+niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot
+misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die
+daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder
+wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer
+een&mdash;nog eenigszins senti<a name='Page_165'></a>menteele&mdash;poging, om meegevoel met den
+onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der
+standen. Veel belangrijker is de historie van <i>Majsa Jons</i>, het
+naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen
+bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van
+familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij
+niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het
+onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in
+de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid,
+die zij uit de schipbreuk van haar leven redt.</p>
+
+<p>Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen
+zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene
+verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden,
+ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de
+vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot
+deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een
+fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het
+al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen
+zij &eacute;&eacute;n ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel,
+waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist.</p>
+
+<p><a name='Page_166'></a>Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het
+familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine
+vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee
+bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in
+zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is.
+Zij doen het meest denken aan de spookhistori&euml;n uit <i>Den Fremsynte</i>.
+Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele
+jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu
+ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire
+natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast
+elkaar staan stukken als <i>Mosken&aelig;sstr&oslash;mmen</i>, waarin natuurkrachten
+gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt,
+<i>Bylgja</i> en <i>Kv&aelig;rnkallen,</i> die de mystieke indrukken schilderen, welke
+de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als <i>Hauk
+og Hadding</i>, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in
+den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm
+speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met
+name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch,
+onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort
+besproken roman <i>Dyre Rein</i>. Interessant is in dit licht ook de korte
+<a name='Page_167'></a>novelle <i>&Oslash;stenfor Sol og vestenfor Maane</i>, waar tusschen de
+hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken
+voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en
+dood, die in die wereld wordt gevoerd. Z&oacute;&oacute;, meent de dichter, is het ook
+onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar
+daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is
+noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die
+talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan
+ego&iuml;sme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die
+de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid&mdash;en
+moraal&mdash;proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan.</p>
+
+<p>Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor
+hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van
+den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn
+overige productie. Zijn tooneelstukken <i>Grabows Kat, Lystige Koner,
+Lindelin, Wulffie &amp; C<sup>ie</sup></i>, ofschoon niet van belang ontbloot, staan
+verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, <i>Faustina
+Strozzi</i> en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie,
+maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren
+<a name='Page_168'></a>echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters
+persoon.</p>
+
+<p>Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen
+hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest,
+zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen,
+als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor
+en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke
+koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het
+gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student,
+nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere
+verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als
+advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien
+tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij
+reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine
+schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn
+werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken,
+<i>Novelletter</i>, dan romans, in &eacute;&eacute;n adem door (daartusschen enkele
+tooneelstukken): <i>Garman og Worse</i> (1880), <i>Nye Novelletter</i> (1880),
+<i>Arbeidsfolk</i> (1881), <i>Else</i> (1881), <i>Skipper Worse</i> (1882), <i>To
+Novelletter fra Danmark</i> (1882), <i>Gift</i> (1883), <i>Fortuna</i> (1884), <i>Sne</i>
+(1886), <i>Tre Par</i> (blijspel <a name='Page_169'></a>1886), <i>Bettys Formynder</i> (blijspel 1887),
+<i>Sanct-Hansfest</i> (1887), <i>Professoren</i> (blijspel 1888), <i>Jacob</i> (1891),
+eindelijk een bundel kleinere opstellen <i>Mennesker og Dyr</i> (1892), een
+overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het
+voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan.</p>
+
+<p>Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat
+Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den
+inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En
+nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven
+had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig.
+Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen.
+Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij
+gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij.
+Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie
+was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel
+begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met
+een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En
+hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon.
+Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het
+publiek.</p>
+
+<p>Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat <a name='Page_170'></a>een modern dichter in 1880 te
+zeggen had,&mdash;kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine
+Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste
+kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet
+verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In
+Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen.
+En wat de po&euml;ten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen
+gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger.
+Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe
+verstand en den beweeglijken geest zich be&euml;ngd gevoeld hebben. Hij zoekt
+geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van
+Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij
+moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil
+het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen,
+en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak
+stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger.</p>
+
+<p>En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft
+hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche
+romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een
+schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is.</p>
+
+<p><a name='Page_171'></a>In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat
+hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is
+moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de
+bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar
+gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om
+zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook
+waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den
+duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten.
+In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem
+dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn
+anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als
+onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele
+onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn
+boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer
+persoonlijk adres<a name='FNanchor_19_19'></a><a href='#Footnote_19_19'><sup>[19]</sup></a>. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en
+satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets
+<a name='Page_172'></a>dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen
+samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er
+de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in
+artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889)
+redacteur is<a name='FNanchor_20_20'></a><a href='#Footnote_20_20'><sup>[20]</sup></a>. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de
+overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij
+voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen
+neer.</p>
+
+<p>Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken
+sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den
+dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt.
+Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft
+Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet
+uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in
+zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar
+aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet
+plebe&iuml;sch, maar voornaam. Z&oacute;&oacute; is hij in staat, in <i>Garman og Worse</i> een
+der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname
+familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil <a name='Page_173'></a>in de
+verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar
+vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in <i>Skipper Worse</i>
+diep door in het leven van de pi&euml;tistische secte der Haugianen. In
+andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten,
+dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet
+objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht
+van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal,
+suggestieve kracht,&mdash;en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in
+hooge mate. Boeken als <i>En Sankt-Hansaften</i> en <i>Jacob</i> kan men
+beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets
+van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen
+toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al
+deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten.
+En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het
+daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal
+die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds
+in vollen gang.</p>
+
+<p>In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende
+gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een
+verkorte weergave van hetgeen ik <a name='Page_174'></a>hierover in 'De Gids' van Mei 1897
+schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en
+directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn
+eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De
+intrigue van <i>Garman og Worse</i> berust op de tegenstelling tusschen de
+deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche
+beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van &quot;West end&quot;.
+Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van
+dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door
+zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der
+firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in <i>Arbeidsfolk</i>,
+maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier
+ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen
+vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra
+verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het
+bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de
+vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband
+daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen?</p>
+
+<p>Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En
+hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad
+voert, werd in <i>Garman og Worse</i> reeds <a name='Page_175'></a>aangeduid. In <i>Else</i> zien wij
+het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot
+lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis
+door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de
+uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking
+grooter wordt.</p>
+
+<p>Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere
+generatie, en hij schrijft <i>Skipper Worse</i>. De vergelijking voert tot
+het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding
+beter was. Worse's: &quot;Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen
+goed&quot;, waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven
+uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon
+de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even
+degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd?
+Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die
+voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook
+de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld.
+Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie
+Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse
+nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote
+plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het
+zijn zij, <a name='Page_176'></a>wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de
+Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de
+verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt,
+verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in
+geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door
+lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden,
+wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht
+maken. Nog &eacute;&eacute;n geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan
+een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog
+maar in hardheid tegenover den arme.</p>
+
+<p>Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het
+vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij <i>Gift</i> (Vergif) te
+danken. <i>Gift</i> is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men
+kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft,
+de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar
+polemiek tegen het Latijn is slechts &eacute;&eacute;ne zijde van het boek. De auteur
+verheft v&oacute;&oacute;r alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt
+door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen
+van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het
+zelfstandig <a name='Page_177'></a>oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van
+ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige
+geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht
+slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft.</p>
+
+<p>De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de
+oorzaak, dat hij op <i>Gift</i> twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste
+heet <i>Fortuna</i>. De schooljongen uit <i>Gift</i>, Abraham L&oslash;vdal, die bij zijn
+confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in
+levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is
+hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen
+maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en
+waarvoor hij, Abraham L&oslash;vdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn
+windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken,
+zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en
+assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer.
+Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die
+de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en
+vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien.</p>
+
+<p>Eene voortzetting van <i>Fortuna</i> is <i>Sankt-Hans Fest</i>. Maar daartusschen
+ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. <a name='Page_178'></a>Naast
+de school werd in <i>Gift</i> de kerk geschetst als een der machten, die de
+zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden ego&iuml;st
+maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen
+brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare
+dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op <i>Gift</i> en
+<i>Fortuna</i> volgt <i>Sne</i>.</p>
+
+<p><i>Sne</i> is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud
+en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der
+heiligen&mdash;de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden
+stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn
+preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de
+geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan
+bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en
+bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; <i>zijne</i> hooge gedachten kan
+zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te
+zorgen valt. Daar zit hij&mdash;en wordt weerstaan door een jong meisje, dat
+van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de
+verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij&mdash;Johannes,
+die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der
+spotters niet is opgewassen, <a name='Page_179'></a>maar evenmin tegen den sterken wil van
+zijn vader, die Gabri&euml;le liefheeft en droomt van een verzoening tusschen
+het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham L&oslash;vdal.
+Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook
+niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle
+reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets
+nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche
+stilheid, een rust als die des grafs.</p>
+
+<p>Dat is de gedachte, die <i>Sankt-Hans Fest</i> beheerscht. Kielland laat hier
+de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren
+en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op:
+Abraham L&oslash;vdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit <i>Gift</i> en
+<i>Fortuna</i>, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van
+schipper Worse, de jonge Garman, die aan <i>Garman og Worse</i>, de familie
+With, die aan <i>Else</i> herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te
+gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag
+schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen
+Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren.
+De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen
+mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toege<a name='Page_180'></a>zegd,
+zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest
+bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en
+eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die
+zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de
+victuali&euml;n, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst
+van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden
+georganiseerd heeft.</p>
+
+<p>In <i>Sanct-Hans Fest</i> is als het ware eene essentie van Kielland's
+sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn
+vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en
+ge&euml;xtraheerd tot een enkelen druppel. Het is het <i>mene tekel</i> over eene
+leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan
+vreugde verloren heeft.</p>
+
+<p>In <i>Jacob</i> wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de
+gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen
+indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in
+Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het
+streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in
+het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar
+het platteland. Maar <a name='Page_181'></a>in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is,
+ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het
+onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren
+gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval
+niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene
+verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een
+wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie
+vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen
+ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de
+schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij
+van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door
+langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer.</p>
+
+<p><i>Jacob</i> is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt
+T&oslash;rres Sn&oslash;rtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de
+eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren
+gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo
+heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom,
+en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal.
+Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te
+bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te
+zuigen. Hij maakt zich meester van al, <a name='Page_182'></a>wat in de stad te verdienen
+valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om
+zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien.
+T&oslash;rres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: &quot;ja het was hem zelfs
+een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder
+gekomen was&mdash;neen voorwaar, dat was hij niet!&mdash;hij was niet verder
+gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij
+zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht.&quot;</p>
+
+<p>Als T&oslash;rres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen
+met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te
+noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen.</p>
+
+<p>Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik
+hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van T&oslash;rres.
+In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest.
+Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: &quot;Zoo lag de maatschappij
+bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de
+belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over.
+En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde
+het roer boven en de stroom beneden aan.&quot; En T&oslash;rres denkt er ook zoo
+over: &quot;de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle
+wijsheid van de wereld woog niet op tegen den <a name='Page_183'></a>kleinen katechismus, en
+dien kende hij&mdash;ha! ha! ha!&mdash;hij moest om zich zelf lachen.</p>
+
+<p>Daar had hij opgezien tegen Gustav Kr&oslash;ger en mijnheer Hamre en anderen,
+die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van
+rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren,
+en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen.&quot;</p>
+
+<p>Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte.
+Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn
+lans, en hij weet te treffen.</p>
+
+<p>Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de
+groep Lie&mdash;Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk
+heet <i>Farlige Folk</i> (Gevaarlijke Menschen) (1881).</p>
+
+<p>Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die
+in 1882, dus slechts &eacute;&eacute;n jaar na Kielland, met haar eersten roman
+optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke
+problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de
+gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der
+menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden
+bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en
+daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij <a name='Page_184'></a><i>Constance
+Ring</i> (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen,
+samen eene familiegeschiedenis uitmakende: <i>Sjur Gabriel</i> (1887), <i>To
+Venner</i> (Twee Vrienden) (1887), <i>S.G. Myre</i> (1890), <i>Afkom</i>
+(Nakomelingschap) (1898).</p>
+
+<p>In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog
+geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de
+aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de
+litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans
+J&aelig;ger opzicht met zijn roman <i>Fra Kristiania Bohemen</i>. Men kan dit boek
+rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een
+maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er
+wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije
+liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt,
+is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt,
+en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij
+aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die
+dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de
+schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat
+sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel
+mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk <a name='Page_185'></a>maakte van
+schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was,
+daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver
+heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor
+hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier
+heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met
+een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek
+daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de
+regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij
+legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf
+veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er
+werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele boh&ecirc;me-litteratuur.
+Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor
+was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben
+aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de
+zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan &eacute;&eacute;n kunstwerk
+gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband
+ontmoeten. Maar J&aelig;ger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot
+schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige
+schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met
+<i>Fra Kristiania Bohemen</i>. Hier is J&aelig;ger's <a name='Page_186'></a>roman misschien minder een
+voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook
+zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het
+aankomend individualisme.</p>
+
+<p>Hans J&aelig;ger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een
+zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben.
+Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook <i>Syk Kj&aelig;rlighet</i> (Zieke
+Liefde) van 1893. Zijn laatste boek <i>Anarkismens Bibel</i> is van 1910. Hij
+behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in
+de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om
+hemelstormers te worden.</p>
+
+<p>Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven,
+ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch
+tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste
+werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest
+ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad
+hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden.
+Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats
+als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de
+werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren.</p>
+
+<p><a name='Page_187'></a>Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap J&aelig;deren, het
+achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk
+van zijn roman <i>Fred</i> (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van
+het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk
+slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest.
+Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te
+breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken,
+maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid
+verschaft had, weder tot zich trokken.</p>
+
+<p>De jonge Garborg heeft het leven op J&aelig;deren leeren voelen op eene
+exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader
+aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de pi&euml;tistische
+geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem
+bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en
+kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat
+hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze
+zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot
+deel van des dichters latere productie.</p>
+
+<p>Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een
+vroege en uitgebreide <a name='Page_188'></a>lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij
+schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan
+huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij
+pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met
+vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's
+'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen
+aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer,
+maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf.
+Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later
+ontving, van zijn pen geleefd.</p>
+
+<p>Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne
+meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een
+uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af,
+zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende,
+welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen
+wilde maken.</p>
+
+<p>De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet
+<i>Ein Fritenkjar</i> (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel
+toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is
+nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van
+den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het
+religieuze denken, <a name='Page_189'></a>een der dingen, die in die jaren op het programma
+der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van
+kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te
+doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij
+ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man
+terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend
+predikant, die daarop bij zijne groeve&mdash;want de man overleeft dit
+weerzien niet&mdash;eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den
+schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een
+preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas
+twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had
+schuldig gemaakt.</p>
+
+<p>In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda
+voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het
+gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze
+weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef,
+was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van
+onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en
+spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En
+ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is
+in den zeer ge<a name='Page_190'></a>bruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom
+gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te
+zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die
+hij 13 jaar later in <i>Tr&aelig;tte M&aelig;nd</i> tweemaal maakt, waar hij twijfel
+oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden.
+Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der
+andere partij.</p>
+
+<p>Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg:
+<i>Bondestudentar</i> (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste
+plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet
+meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die
+hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de
+schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de
+Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er
+hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij
+stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus
+naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een
+programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en
+geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen.</p>
+
+<p>Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke
+ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Dani&euml;l Braut, <a name='Page_191'></a>een
+boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere
+maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke
+mislukking van die poging. Wel brengt Dani&euml;l Braut zijne studie ten
+einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem
+steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen,
+door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden,
+in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan
+karakter in Dani&euml;l Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den
+strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te
+worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal
+afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis
+van Dani&euml;ls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar
+zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het
+zorgen voor den dag van morgen, immers:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;God geeft den zijnen kleeren en brood,<br /></span>
+<span>terwijl zij zachtelijk slapen.&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Dani&euml;l begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt,
+mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt
+een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de
+uitspraak: &quot;die niet werkt, zal niet eten.&quot; Tot het voor hem opgaat, dat
+<a name='Page_192'></a>de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking &quot;de
+zijnen&quot;. &quot;De zijnen&quot;,&mdash;dat zijn de burgemeester en de commissaris van
+politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij
+zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot &quot;de zijnen&quot; te behooren. Dat
+wordt het ideaal van Dani&euml;l Braut. Daar er dus van den beginne af in
+Dani&euml;l geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit
+blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij
+misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij
+zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar.</p>
+
+<p>In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle
+rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze
+roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit
+Kristiania, die ten deele v&oacute;&oacute;r zijn tijd liggen, maar die hij toch met
+een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten.
+Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die
+men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is
+dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven
+reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek'
+bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de
+dubbele beteekenis der figuur&mdash;als schepping van Garborg en tevens als
+den tijdelijken geestelijken helper van <a name='Page_193'></a>zoovele mannen, die in
+Noorwegen beteekenis gehad hebben&mdash;deelen wij een paar staaltjes uit een
+schooluur mee.</p>
+
+<p>&quot;Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen
+en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met
+de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het
+prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij.
+'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich
+ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?&mdash;och ja.
+Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen
+moesten klaarspelen&mdash;de oude zat maar te 'accompagneeren'&mdash;dan ging het
+mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den
+gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep
+zich met twee vingers vast in den neus en las <i>amo</i> met een stem en een
+gezicht, dat de jongens het uitbrulden.&quot;</p>
+
+<p>Er wordt vertaald.</p>
+
+<p>&quot;Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder
+kwamen&mdash;er stond: <i>nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta
+regna reges defendant</i>&mdash;, toen zat hij vast, hij nam <i>tanta</i> bij
+<i>regna</i>. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Moseb&oslash;! Als
+je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student,
+en dan een varken, en je <a name='Page_194'></a>vond vlak daarop een mooie zijden parasol op
+den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en
+zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol
+verloren?&mdash;Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot
+je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij
+niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja
+zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het
+varken, neemt <i>tanta</i> bij <i>regna</i>, omdat <i>regna</i> het naast bij staat.
+Maar <i>tanta</i> hoort bij <i>vi; quanta vi, tanta vi</i>, Halvor Moseb&oslash;!&quot;&mdash;De
+jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen'
+niet licht.</p>
+
+<p>Dani&euml;l Braut is evenals T&oslash;rres Sn&oslash;rtevold in Kielland's <i>Jacob</i> een
+boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het
+materi&euml;ele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen
+zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij
+behandeld zijn. T&oslash;rres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet.
+Dani&euml;l Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is T&oslash;rres een
+caricatuur, terwijl het lot van Dani&euml;l Braut ons tragisch voorkomt.
+Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn
+natuurlijken kring had gelaten.</p>
+
+<p>In een paar volgende werken keert Garborg <a name='Page_195'></a>tot de problemenlitteratuur
+terug. Maar wat in <i>Bondestudentar</i> gewonnen was, is niet verloren; het
+probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost,
+maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische
+schildering van een reeks levende personen.</p>
+
+<p><i>Mannfolk</i> (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie
+over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat
+groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is
+gezegd. Bj&oslash;rnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak
+tendentiedrama <i>En Hanske</i> (Een Handschoen), gevolgd door de brochure
+<i>Engifte og Mangegifte</i> (Zij, die met &eacute;&eacute;n vrouw en die met vele vrouwen
+trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer
+zij verneemt, dat hij v&oacute;&oacute;r haar eene andere heeft bemind. Bij het
+afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle
+oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de
+schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie
+ontstond. Men was v&oacute;&oacute;r of tegen; in het openbaar meest v&oacute;&oacute;r. Toen
+verscheen Hans J&aelig;ger's hierboven (blz. <a href='#Page_184'>184</a>) besproken boek en werd
+geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van
+Kristian Krogh <i>Albertine</i>; ook hiervan werden de exemplaren door de
+overheid opgehaald.</p>
+
+<p><a name='Page_196'></a>Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van
+Bj&oslash;rnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke
+korte vertelling <i>Ungdom</i> (Jeugd) (1885); dan volgt <i>Mannfolk</i>, waarin
+de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen
+kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die
+het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het
+huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische
+eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen
+bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig
+ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bj&oslash;rnsonsche
+idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en
+levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch
+ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere
+geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven
+dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit.</p>
+
+<p>Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de
+hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de
+tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in
+het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan
+noch van de eene, noch <a name='Page_197'></a>van de andere afzien,&mdash;en zoo blijft hem dan
+niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man
+en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is
+hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne
+zuchten in po&euml;tische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem
+ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er
+aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij
+van h&egrave;m zeker is, dan luidt zijn antwoord: &quot;ik kan naar waarheid zeggen,
+dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest&quot;. En even later knikt hij
+resoluut: &quot;De waarheid moet ons heilig zijn&quot;.</p>
+
+<p>Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel
+is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de
+verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen,
+vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische
+toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele
+ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de
+beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een
+teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want
+deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Dani&euml;l
+Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.</p>
+
+<p><a name='Page_198'></a>Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het
+verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid
+het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent
+daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere
+confiscati&euml;n den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien
+maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver.
+Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer
+opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van <i>Mannfolk</i>
+schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.</p>
+
+<p>Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan
+een hut, aan het meer Savalen in het &Oslash;sterdal, en weldra treedt hij in
+het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn
+bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te
+meer.</p>
+
+<p>Het verblijf op Kolbotten&mdash;zoo heet Garborg's woning in het
+&Oslash;sterdal&mdash;heeft hij beschreven in een idyllisch boek, <i>Kolbottenbrev</i>
+(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven
+van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen
+uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie
+en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belang<a name='Page_199'></a>rijksten factor
+in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in
+het voorbijgaan <i>Hjaa ho Mor</i> (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger
+van <i>Mannfolk</i>. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven,
+maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf
+geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat
+het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een
+pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt,
+kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een
+verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met
+vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt.
+Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit
+blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch
+met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden,
+dan toen het voor het eerst het licht zag.</p>
+
+<p>Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk
+<i>Uforsonlige</i> (Onverzoenlijken). Het is ge&iuml;nspireerd door politieke
+gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt.
+Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil,
+is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een
+partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de
+'onverzoenlijken' <a name='Page_200'></a>vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat
+het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere
+considerati&euml;n'. E&eacute;n man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De
+meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en
+slaan dan om.</p>
+
+<p>Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man
+geworden.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_17_17'></a><a href='#FNanchor_17_17'>[17]</a><div class='note'><p> Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van
+27 Sept. 1872: &quot;Menschen, die Jaabeck en Bj&oslash;rnson op vrije voeten laten
+gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden&quot; (Breve I,
+264).</p></div>
+
+<a name='Footnote_18_18'></a><a href='#FNanchor_18_18'>[18]</a><div class='note'><p> Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij
+later nog eenmaal den redenaar Bj&oslash;rnson als voorbeeld neemt, ditmaal
+voor zijn ideale figuur Dr. Stockman (zie blz. <a href='#Page_135'>135</a>). Dit toont, dat
+Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds
+levende voorbeelden gebruikte.</p></div>
+
+<a name='Footnote_19_19'></a><a href='#FNanchor_19_19'>[19]</a><div class='note'><p> De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de
+predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor
+iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in
+zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de
+zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.</p></div>
+
+<a name='Footnote_20_20'></a><a href='#FNanchor_20_20'>[20]</a><div class='note'><p> Van zijn romans is er maar &eacute;&eacute;n (<i>Jacob</i>) geschreven na
+zijn werkzaamheid als redacteur.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='HOOFDSTUK_V'></a><h2><a name='Page_201'></a>HOOFDSTUK V.</h2>
+
+<p>JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN.</p>
+<br />
+
+<p>Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die
+in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad.
+Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere
+landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls
+voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen,
+zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de
+problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographie&euml;n
+herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor
+'ziel' en 'persoon' in de plaats. Z&oacute;&oacute; kan het schijnen, wanneer men
+uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten
+vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de
+ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde
+lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te
+meenen, dat zij den <a name='Page_202'></a>nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als
+verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden,
+begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890
+debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was,
+blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond
+treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig.</p>
+
+<p>Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet
+tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat
+niet tot schade van de letterkunde. De problemen-po&euml;zie was slechts in
+weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit
+het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de
+dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van
+gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men
+kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men
+niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de
+grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen
+waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode
+blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen
+treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het,
+van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn <a name='Page_203'></a>uitgegaan, die
+nieuwe bezieling gebracht hebben.</p>
+
+<p>Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak
+tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De
+gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd
+kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De
+tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de
+tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand
+gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te
+putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de
+letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch
+proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het
+sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms
+meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium,
+dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle
+maatschappelijke ontwikkeling.</p>
+
+<p>Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element;
+zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is.
+Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering,
+stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie
+voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel
+duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere
+naturalisme <a name='Page_204'></a>plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn.
+Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en
+stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een
+zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt,
+om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze
+schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de
+gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men
+vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters
+van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans J&aelig;ger; wij vinden het
+terug bij Gabri&euml;l Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die
+alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming
+als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken;
+anderen slaan dit stadium over of maken het door v&oacute;&oacute;r den tijd, waarin
+zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme
+voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan
+zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot
+god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te
+realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook,
+wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het
+schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar
+de <a name='Page_205'></a>schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan
+eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te
+deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven
+heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang
+bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren
+resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met na&iuml;eve
+oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost
+gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor
+ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien.</p>
+
+<p>Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats
+de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in <i>Vildanden</i> (zie blz. <a href='#Page_138'>138</a>)
+is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,&mdash;een diep
+pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft,
+want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een
+pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die <i>En
+Folkefiende</i> kenmerkt; de leer van <i>Vildanden</i> is, dat het niet loont,
+voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het
+in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets
+nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant <a name='Page_206'></a>geworden in
+<i>Rosmersholm</i> (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier
+nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het
+drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu
+onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke
+overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka
+wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij
+manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het
+leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn;
+slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op
+Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de
+mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven
+kost, is bijzaak, of liever&mdash;daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is
+andere taal dan die, welke Relling in <i>Vildanden</i> voert. Het is de taal
+van den man met den paardenhoef in <i>Peer Gynt</i>, die zielen, welke zich
+verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere
+ingredi&euml;nten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt.</p>
+
+<p>In een gansch andere sfeer verplaatst ons <i>Fruen fra Havet</i> (De Vrouw
+van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van
+minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een
+ideaal, maar <a name='Page_207'></a>ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida
+leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar
+vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met
+ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige
+behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik,
+wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar
+vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk
+verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door
+overwinning van het ego&iuml;sme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt,
+en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die
+een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het
+hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan.</p>
+
+<p>Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in <i>Lille Eyolf</i>
+(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet,
+nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid
+verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche
+verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van
+wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven,
+door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart
+<a name='Page_208'></a>en het opgeven van het ego&iuml;sme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid
+geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te
+worden'.</p>
+
+<p>Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's po&euml;zie.
+Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met
+het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida
+behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts
+incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld
+worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In
+de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en
+hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is
+zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt
+volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is
+wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft
+toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven,
+en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is
+een heerschzuchtig ego&iuml;st, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook
+een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het
+leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich
+herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den
+dienst opzeide, en het is <a name='Page_209'></a>de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij
+hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven
+inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij
+hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabri&euml;l
+Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ru&iuml;ne over anderen
+gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht
+jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd,
+dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij
+wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen
+komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van
+Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van
+bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood
+heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is,
+stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag
+stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en
+hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn
+zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner
+ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten.</p>
+
+<p>Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in
+<i>Naar vi d&oslash;de vaagner</i> (Als wij dooden ontwaken) (1899). In
+<a name='Page_210'></a>tegenstelling met John Gabri&euml;l wordt Rubek zich den tweespalt in zijn
+leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en
+mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt
+zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm
+en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne
+geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te
+laten behouden, doen&mdash;te laat&mdash;een poging, om het verzuimde in te halen.
+Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een
+gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in
+een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien
+bestijgen, gaan zij samen onder.</p>
+
+<p>Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk
+voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk
+aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het
+zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele
+drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere
+schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen
+ook hier weer een voorganger geweest is.</p>
+
+<p>Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep
+heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich <a name='Page_211'></a>aan te
+ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze.
+Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabri&euml;l Finne in 1899 op
+drie&euml;ndertig jarigen, Sigbj&oslash;rn Obstfelder in 1900 op
+vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen
+leeftijd.</p>
+
+<p>Van deze drie toont Gabri&euml;l Finne het duidelijkst den samenhang met de
+vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest<a name='FNanchor_21_21'></a><a href='#Footnote_21_21'><sup>[21]</sup></a>, maar
+hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige
+richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den
+vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de
+keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt,
+het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon
+is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het
+disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste
+oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de
+titel van zijn eersten bundel verhalen, <i>Unge Syndere</i> (Jonge Zondaars),
+toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn
+standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de
+maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet
+<a name='Page_212'></a>mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie
+om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het
+cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij
+geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de
+wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar
+wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd
+uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan
+schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen
+lijden, en z&oacute;&oacute; is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven
+romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele
+personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte
+ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne
+bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood
+heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman <i>Rachel</i>, waarin de
+nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat
+Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm
+heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde.</p>
+
+<p>Finne's belangrijkste werken zijn: <i>Filosofen</i> (1889), <i>Unge
+Syndere</i>(1890), <i>Doktor Wangs B&oslash;rn</i> (1890), <i>To Damer</i> (1891), <i>Uglen</i>
+(De Uil) (1893), <i>Konny</i> (een tooneelstuk) (1895), <i>Rachel</i> (1895).</p>
+
+<p><a name='Page_213'></a>Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist
+geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar
+hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt.</p>
+
+<p>Op eene gansch andere wijze reageert Sigbj&oslash;rn Obstfelder op de harde
+indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van
+de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats
+het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling
+plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond
+hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt
+niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne
+vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de
+eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in
+hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den
+dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de
+menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het
+dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is
+beurtelings panthe&iuml;stisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich
+soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft;
+deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan &eacute;&eacute;n vertelling ontmoet deze
+'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke
+of <a name='Page_214'></a>uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria
+onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit;
+Obstfelder weet haar z&oacute;&oacute; te schilderen, dat inderdaad de verworpene
+reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige
+overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de
+onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel
+der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem
+belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven
+gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale
+individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig
+voorbeeld leeren wij in <i>Korset</i> (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont
+zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name
+Dostojewski.</p>
+
+<p>In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar
+daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende
+ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien.
+Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed
+geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet
+oud geworden is.</p>
+
+<p>Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat
+lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van
+zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook <a name='Page_215'></a>in het portret met den
+weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan
+eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl N&aelig;rup siert.</p>
+
+<p>In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling
+met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug
+tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse&mdash;zelfanalyse&mdash;daalt
+veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht
+der periode, die achter hem ligt.</p>
+
+<p>De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: <i>Digte</i> (1893), <i>To
+Novelletter, Korset, De r&oslash;de Draaber</i> (De roode Droppelen), <i>En Pr&aelig;sts
+Dagbog</i>. Van deze heeft <i>Korset</i> het meest de aandacht getrokken.</p>
+
+<p>Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor
+genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen
+kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie
+boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te
+toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot
+een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, <i>Blandt
+Anarkister</i>, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij
+op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van <a name='Page_216'></a>de
+drie verhalen, die de beide volgende boeken (<i>Ira</i> en <i>To Noveller</i>)
+bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een
+zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel
+ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (<i>En Ensom</i>);
+naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de
+psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element
+aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar
+ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het
+licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis.
+Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat
+hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden.</p>
+
+<p>Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt,
+eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst
+behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn
+gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn
+ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van
+dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het
+positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te
+zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener
+oude leer tot een gehoorzaam <a name='Page_217'></a>naprater eener nieuwe leer was geworden;
+het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij
+gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder
+hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de
+theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man
+was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu
+hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte,
+de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die
+beschreven wordt in <i>Tr&aelig;tte M&aelig;nd</i> (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert
+de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is
+geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te
+schrijven, Gabri&euml;l Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een
+bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op
+genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een
+ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt
+hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood
+is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is.</p>
+
+<p>Maar Garborg is niet Gabri&euml;l Gram. Hij laat zich niet door een dominee
+op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van
+arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij
+geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, <a name='Page_218'></a>maar
+voor hem zelf is <i>Tr&aelig;tte M&aelig;nd</i> een bad, waarin hij afwascht het
+negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom
+zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het offici&euml;ele
+aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn
+oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en
+gelijk hij in <i>Tr&aelig;tte M&aelig;nd</i> zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers
+onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de
+Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van
+redenen.</p>
+
+<p>Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's
+gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op,
+van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte,
+omdat hij geen vrede had met God. <i>Nu</i> begrijpt hij hem; nu kan hij met
+liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij
+zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na <i>Tr&aelig;tte M&aelig;nd</i>, verscheen
+<i>Fred</i> (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm
+van een roman wordt verteld. <i>Fred</i> is een overweldigend boek. Nergens
+bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier.
+Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het
+primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking <a name='Page_219'></a>te
+geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter
+gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de
+razernij van den godsdienstwaanzin.</p>
+
+<p>Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd,
+dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom
+komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,&mdash;maar telkens komt de
+duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving
+hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige
+gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te
+krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God
+blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking
+het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt;
+dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot
+rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor;
+de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo
+groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren
+luisteren,&mdash;en staat er niet geschreven: &quot;aangaande mij en mijn huis,
+wij zullen den Heere dienen&quot;? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil
+doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in
+den geest, en,&mdash;twijfelt men, dan <a name='Page_220'></a>moet men slechts dat doen, wat het
+vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs
+en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen
+ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen
+loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te
+verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden.
+Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord.</p>
+
+<p>Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en
+dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo
+moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn.
+Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de
+oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om
+aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De
+schrift zegt: &quot;Dwingt ze, om in te gaan,&quot; Maar het geweld heeft slechts
+deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de
+vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,&mdash;niet aan Gods
+woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij
+heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och,
+kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat
+het <a name='Page_221'></a>niet erger kon worden!&mdash;De aanvallen van angst en twijfel nemen
+toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich
+verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als
+Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en
+nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds
+thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,&mdash;en toch niet alleen, want
+ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo
+wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten
+te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij
+ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele
+hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de
+troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk
+in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij
+hem; &eacute;&eacute;n onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong,
+en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. &quot;De zuidenwind streek
+over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht
+en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde....&quot;</p>
+
+<p>Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit
+resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij.
+<a name='Page_222'></a>dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd
+wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in
+onzekerheid. Indien er &eacute;&eacute;n ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is
+het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): &quot;Het was het
+Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het
+Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van
+Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in J&aelig;deren de macht gekregen
+had.&quot; Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel,
+maar gaf hun geen levend geloof.</p>
+
+<p>Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in
+tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op <i>Fred</i> volgen. Twee
+daarvan sluiten onmiddellijk bij <i>Fred</i> aan. Zij verhalen de
+geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar
+en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien
+hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk
+gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf.</p>
+
+<p><i>L&aelig;raren</i> (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit
+drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In
+beide staat &eacute;&eacute;n man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders
+zedelijk en verstandelijk, <a name='Page_223'></a>maar wordt uitgestooten, omdat hij de
+waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid
+van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal,
+dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld
+worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een
+ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin,
+bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave
+behoort tot de 'gewekten', de pi&euml;tisten, die bidstonden houden, die
+klagen over de zonde, en wier taal de tale Kana&auml;ns is. Hij is zelfs hun
+voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op
+een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de
+quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens
+gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen
+van zich zelf. &quot;Verkoopt, wat gij hebt,&quot; leert hij, &quot;en geeft het den
+armen.&quot; Die preek is z&oacute;&oacute; frisch en z&oacute;&oacute; geestig, dat het moeite kost, er
+niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot.</p>
+
+<p>&quot;Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als
+wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen
+hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!&mdash;En noemen dan die
+leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon
+<a name='Page_224'></a>gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons.</p>
+
+<p>&quot;Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek
+daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal
+en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen
+komen, moeten met macht naar binnen dringen,&mdash;met heel hun heetsten wil.
+Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom
+noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch
+stelt, geeft ook de kracht.&quot;</p>
+
+<p>Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: &quot;Zalig is de
+schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden.&quot; Er ontstaat
+schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: &quot;Voert
+haar naar buiten. Zij is van zich zelf.&quot;&mdash;Daarmee valt het gordijn van
+dit bedrijf.</p>
+
+<p>Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende
+gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun
+volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave
+leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders
+gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat
+wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend
+met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die
+vrienden van zonde en berouw, <a name='Page_225'></a>die hem een huichelaar noemen, en nu
+blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden.
+De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de
+schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt
+verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar
+man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen,
+ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het
+gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch
+goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te
+treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt.</p>
+
+<p>Een tweede stuk als <i>L&aelig;raren</i> is zeker vroeger noch later ten tooneele
+gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een
+Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in
+voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling.
+Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest
+persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in
+die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin
+hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een
+spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge
+gedachten houden het ver boven het <a name='Page_226'></a>niveau ook der goede
+tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen
+uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin <i>L&aelig;raren</i> speelt, is
+den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En
+wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de
+comische sc&egrave;nes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch
+geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is.</p>
+
+<p>Het andere werk, dat direct bij <i>Fred</i> aansluit, is een boekje vol
+po&euml;zie en vol wijsheid. <i>Den burtkomne Faderen</i> (De verloren Vader). Het
+is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de
+wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies
+verloren te hebben, oud v&oacute;&oacute;r den tijd, aan zich zelf en aan de
+menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om
+eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in
+hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint
+in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij
+heeft vrede gevonden met het leven&mdash;en met den dood.</p>
+
+<p>Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische
+oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van
+bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zacht<a name='Page_227'></a>heid. Gunnar houdt zich
+gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar
+niemand kan het hem wijzen: &quot;de rechtvaardigen hielden oordeel en
+zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden.&quot;
+Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem
+iets te zeggen. &quot;Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En
+hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu
+in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel
+vooruit gehad heeft. &quot;Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid.
+En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij.&quot;</p>
+
+<p>Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te
+begrijpen.</p>
+
+<p>Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren
+vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen.</p>
+
+<p>Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee
+dichtwerken, <i>Haugtussa</i>, en de voortzetting daarvan <i>I Helheim</i>.
+Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een
+visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels
+ophoudt; de dichter noemt haar Veslem&oslash;y, 'het stakkertje'. Het gedicht
+vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar
+in den <a name='Page_228'></a>steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen
+heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte
+en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze
+vrouw, die als <i>volva</i> (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar
+dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven.</p>
+
+<p>In <i>I Helheim</i> (In de Hel) gaat daarop Veslem&oslash;y in haar koortsigen droom
+met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar
+diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht
+heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur,
+maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn
+behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een
+psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad,
+dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten.
+Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen
+einde komt:</p>
+
+<div class='poem'><div class='stanza'>
+<span>&quot;Een oogenblik in dit vuur<br /></span>
+<span>is eeuwigheid zonder einde.&quot;<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap
+terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat
+van zijne kindsheid. Het is losgemaakt <a name='Page_229'></a>van leerstelligheid; de nadruk
+wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid.</p>
+
+<p>Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die
+een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog
+directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven;
+zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als
+stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij
+z&oacute;&oacute; hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook
+in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld
+<i>Jesus Messias</i> (1906), <i>Den burtkomne Messias</i> (1907), <i>Heimkomin Son</i>
+(1908).</p>
+
+<p>Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap
+geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan
+den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort:</p>
+
+<p>&quot;Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen
+katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen
+protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en
+wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het
+volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige
+troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed
+hebben, maar de rijke man zal branden, heeter <a name='Page_230'></a>dan heet, van eeuwigheid
+tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden&mdash;.</p>
+
+<p>&quot;De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat
+macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen,
+liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo
+ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?&quot;</p>
+
+<p>Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een
+zedelijk opvoeder van zijn volk geweest.</p>
+
+<p>In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die
+in dezelfde periode optreden.</p>
+
+<p>Rasmus L&oslash;land (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk
+zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een
+groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud,
+handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en
+vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het
+allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn
+kinderverhalen <i>Det store Nashorne</i> (De groote Neushoorn) en
+<i>Kvitabj&ouml;rnen</i> (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg
+aan het begin van den na L&oslash;land's dood verschenen bundel <i>Paa
+Skuggesida</i> (Aan den Schaduwkant).</p>
+
+<p>Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen <a name='Page_231'></a>(geb. 1857), Per Sivle (&plusmn;
+1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen.</p>
+
+<p>Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende
+en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich
+door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een
+afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer
+hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In
+het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, <i>Menneskets Genesis</i>,
+is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn
+strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig
+leeft het geslacht van Ka&iuml;n nog.</p>
+
+<p>Heiberg's eerste tooneelstuk <i>Tante Ulrikke</i> (1884) houdt zich bezig met
+den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos;
+hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept
+den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig
+karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich
+slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, <i>Kong Midas</i> (1890), heeft
+Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later
+zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een
+waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten
+schijnen, bijna een <a name='Page_232'></a>groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft
+verwantschap met <i>Vildanden</i>, maar niet alleen het type, ook het stuk is
+gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering
+en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan
+Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering.
+Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van
+eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der
+achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach
+van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook
+het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog
+en houdt de belangstelling gaande. Op <i>Kong Midas</i> volgden een aantal
+andere werken, waarvan wij noemen <i>Kunstnerne</i> (1893), waarin de
+tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, <i>Det store
+Lod</i> (1895), <i>Harald Svans Mor</i> (1899). Een gansch ander karakter dragen
+een paar tragische stukken, <i>Balkonen</i> (1894) en <i>K&aelig;rlighedens Tragedie</i>
+(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles
+verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van
+de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan
+de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem
+wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich
+van den mensch <a name='Page_233'></a>meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering
+is knap, de lezer huivert,&mdash;maar hij wenscht van zulk een liefde
+verschoond te blijven.</p>
+
+<p>Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar
+wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand
+meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige
+geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een
+stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te
+overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot
+klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat
+hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch,
+indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in
+pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem
+daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van
+nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem
+behoed hebben,&mdash;een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden
+trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een
+druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt
+zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op
+elkaar te zetten en <a name='Page_234'></a>te vroolijker te worden, naarmate hij het
+moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand
+moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet
+zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen.</p>
+
+<p>De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij
+nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In <i>Sult</i> is het
+honger, in <i>Pan</i> is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de
+heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In <i>Mysterier</i>
+hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van
+waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld,
+die van den heer Nagel&mdash;zoo heet de man&mdash;niet weten wil, nauwelijks
+ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van
+Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een
+zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als
+een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele
+maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand
+bestond reeds in <i>Fra det moderne Amerikas Aandsliv</i>, een persifflage,
+naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet
+objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij,
+zoo is in <i>Sult</i> het 'ik' aanwezig. <i>Mysterier</i> is de eerste poging, <a name='Page_235'></a>om
+die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar
+voortreffelijke maatschappelijke romans, <i>Redakt&oslash;r Lynge</i>, waarin de
+verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers
+behandeld wordt, en <i>Ny Jord</i>, die een troep ijdele kunstenaars,
+voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige
+kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Boh&ecirc;me-leven,
+van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus,
+onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een
+achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een
+niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt
+hij weer in <i>Pan</i>, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken
+<i>Ved Rigets Port, Livets Spil</i> en <i>Aftenr&oslash;de</i> en in het wonderlijke
+gedicht in dramatischen vorm <i>Munken Vendt</i> (1902). In latere werken
+komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar
+zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist
+Bardsen in <i>B&oslash;rn af Tiden</i> en in <i>Segelfoss By</i>, een aristocratisch
+voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en
+onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang,
+waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type,
+dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar
+toch reeds van <a name='Page_236'></a>den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver
+steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een
+litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (<i>Under
+H&oslash;ststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Gl&aelig;de</i>) een
+nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze
+schrijft nu, gelijk in <i>Sult</i>, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu
+kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid
+is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een
+ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu
+aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat
+een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager
+te spreken, niet <i>alles</i> van het leven te wachten, maar het toch met
+dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'.</p>
+
+<p>In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters
+subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de
+wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen
+beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn
+belangstelling niet onthoudt. Z&oacute;&oacute; is de wereld, vindt hij, en z&oacute;&oacute; is het
+leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de
+zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen.
+Drie van deze <a name='Page_237'></a>boeken, <i>B&oslash;rn af Tiden, Segelfoss By, Markens Gr&oslash;de</i>,
+behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver
+nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt
+hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten
+gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die
+weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen.
+In de plebe&iuml;sche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer
+van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In <i>Markens Gr&oslash;de</i>
+echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder
+geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land
+bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en
+aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door
+toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die
+mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en
+weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt
+is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle
+vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel
+<i>Konerne ved Vandposten</i>.</p>
+
+<p>Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige
+andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar
+interessante bundels novellen (in &eacute;&eacute;n van <a name='Page_238'></a>deze het uitgelaten vroolijke
+stuk <i>Dronningen af Saba</i>). En dan het meesterwerk <i>Livet i Vold</i>,
+uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering.</p>
+
+<p>Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers
+van dit tijdvak,&mdash;hij is in 1853 geboren,&mdash;maar hij is betrekkelijk laat
+begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na
+1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen
+gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met
+oppositie tegen sommige theorie&euml;n uit het vorige tijdvak, en wel vooral
+tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die
+dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het
+verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk <i>Uten
+Ansvar</i> (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht,
+maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den
+dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren.</p>
+
+<p>Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle.
+Zijn locaal is het &Oslash;sterdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert
+1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in
+kleine bundels: <i>Skisser, Fra Skog og Fjeld</i>, e.a. Deze zijn verzameld
+onder den titel <i>Folkelivsbilleder</i> (1904). <a name='Page_239'></a>Jongere verzamelingen zijn
+<i>Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier</i>. Tot hetzelfde type
+behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans:
+<i>Fonnaasfolket</i> (1902), <i>Glomdalsbruden, &Oslash;sterdalskongen</i> (een breede
+uitwerking van een der Folkelivsbilleder), <i>Jutulskaret, Knut Veum</i>
+(1910, het laatste).</p>
+
+<p>Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur
+van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is
+dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde
+leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand
+komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen
+behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op
+polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer,
+zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van
+het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij,
+waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is,
+een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in
+die vertelling uit het &Oslash;sterdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat
+het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en
+maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die
+in tamelijk behoeftige omstandig<a name='Page_240'></a>heden leeft. De man is begaafd en heeft
+aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende
+zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar
+hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan
+oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een
+carri&egrave;re-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is
+niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt
+Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom
+toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is
+zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden,
+wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring
+blijft, behoeft dat niet gezegd te worden.</p>
+
+<p>Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre
+en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek;
+hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling
+van Bj&oslash;rnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te
+zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd.</p>
+
+<p>Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn
+belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte <a name='Page_241'></a>vertellingen.
+Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van
+De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van
+gelijken aard: <i>Sidsel Sidserk</i>, <i>S&oslash;lve Solfeng</i>, en een paar jongere
+bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, <i>Storken,
+H&oslash;it Tilhest</i> en <i>Hanen</i>, die door hun comische kracht aan Holberg
+herinneren.</p>
+
+<p>Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode
+begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren,
+Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb.
+1865).</p>
+
+<p>Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een
+lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het
+diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak.
+Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich
+openbarende in meer dan &eacute;&eacute;ne generatie. Zijne opvatting der levensvragen
+draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken
+zijner eerste periode zijn: <i>Jon Gr&aelig;ff</i> 1891, <i>Ensomme Mennesker</i> 1892,
+<i>Mulm</i> 1893, <i>Kobberslangen</i> 1894, <i>Ada Wilde</i> 1896, <i>Ulf Ran</i> 1897,
+<i>Enken</i> 1899.</p>
+
+<p>Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door <a name='Page_242'></a>vertellingen uit het
+volksleven, <i>Folkelivsskildringer</i>, waarvan de eerste bundel in 1894
+uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: <i>Almue</i> 1891, <i>En
+Skibsgut</i> 1892, <i>Straf</i> 1893, <i>Gammelholm</i> 1899, alsmede comedies:
+<i>Stridsm&aelig;nd</i> 1896, <i>Jakob og Kristoffer</i> 1900. Ook daarna heeft hij
+ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is
+van 1921 en draagt den titel <i>Inde i Fjordene</i>.</p>
+
+<p>Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite
+heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een
+origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen,
+veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen,
+waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan
+worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat.
+Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties,
+zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch
+niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet
+onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de
+dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan
+zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische
+juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite
+doet, ze door <a name='Page_243'></a>te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver
+heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te
+vernieuwen. In de jaren 1892&mdash;1900 gaf hij uit: <i>Huldren</i> 1892, <i>Ungt
+Folk</i> 1893, <i>Flaggermusvinger</i> 1895, <i>Sus</i> 1896, <i>Fra Hav til Hei</i> 1897,
+<i>Hugormen</i> 1898, <i>Tr&aelig;kfugle</i> 1899. Van zijn latere werken is misschien
+het belangrijkste <i>Den sidste G&aelig;st</i> 1910.</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_21_21'></a><a href='#FNanchor_21_21'>[21]</a><div class='note'><p> Aan Kielland heeft hij ook zijn roman <i>To Damer</i>
+opgedragen.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='LYRISCHE_DICHTERS'></a><h2>LYRISCHE DICHTERS.</h2>
+<br />
+
+<p>In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de
+litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al
+wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De
+romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien
+tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts
+aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de
+groote verskunstenaar, gaat na <i>Peer Gynt</i> geheel tot het proza over; de
+romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste
+lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en
+daarmee zinkt de lyrische po&euml;zie in een winterslaap, die met weinig
+onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren
+enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder
+vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte
+onderbreking <a name='Page_244'></a>door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en
+Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit <i>Med Lyre og Lanse</i>
+(Met Lier en Lans), in 1880 <i>Vaarbrud</i> (Lentedoorbraak), de tweede in
+1880 <i>Polemiske Sonetter</i>. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk
+politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop
+zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de
+stemmingspo&euml;zie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: <i>Digte af Per Gynt</i>, in
+1897 <i>Norsk H&oslash;ifjeld</i>, in 1901 <i>Vintereventyr</i>.</p>
+
+<p>Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864),
+Caspari op dit gebied v&oacute;&oacute;r geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887,
+nieuwe bundels volgden in 1894 <i>Fra Vaar til H&oslash;st</i>, 1896 <i>Musik og
+Vaar</i>, 1900 <i>Det dyre Br&oslash;d</i>, 1904 <i>Fra Kristiana</i>. Uit deze verzen sprak
+een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te
+gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden.</p>
+
+<p>Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag,
+een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf,
+getiteld <i>Digte</i> en <i>Nat</i>, waarin deels, onder den invloed van Deensche
+dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel
+Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op
+het drama en den roman toegelegd.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='UITGAVEN_EN_LITTERATUUR'></a><h2><a name='Page_245'></a>UITGAVEN EN LITTERATUUR<a name='FNanchor_22_22'></a><a href='#Footnote_22_22'><sup>[22]</sup></a>.</h2>
+<br />
+
+<p>ALGEMEENE WERKEN.</p>
+
+<p>Henrik J&aelig;ger, <i>Illustreret norsk Literaturhistorie</i>, 3 dln. Kristiania
+1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl N&aelig;rup,
+<i>Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904</i>, Kristiania
+1905.&mdash;Gehrard Gran, <i>Nordm&aelig;nd i det 19<sup>de</sup> Aarhundrede</i>, 3 dln.
+Kristiania 1914. Houdt biographie&euml;n in van vooraanstaande mannen op
+ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als
+<i>Nordm. 19. A.</i>)&mdash;<i>Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug.</i>
+1915.&mdash;J.B. Halvorsen, <i>Norsk Forfatter-Lexicon.</i>&mdash;Edv. Bull, A.
+Krogvig, G. Gran, <i>Norsk biografisk Leksikon.</i> Verschijnt sedert 1921.</p>
+
+<p>HOOFDSTUK I.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Henrik Wergeland</span>. Wergeland, <i>Udvalgte Skrifter</i>. Kristiania en
+Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl N&aelig;rup. In
+deel VII eene autobiographie, getiteld <i>Hasseln&oslash;dder</i>.&mdash;O Skavlan,
+<i>Henrik Wergeland</i>, Kristiania 1892.&mdash;G. Gran, <i>Henrik Wergeland</i> in
+<i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Johan Sebastian Welhaven</span>. Welhaven, <i>Samlede Digterv&aelig;rker</i>, 3<sup>e</sup>
+uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.&mdash;<i>Digte i Udvalg</i>, 1919.&mdash;A.
+L&ouml;chen, <i>J.S. Welhavens liv og skrifter</i>, Kria 1900.&mdash;G. Gran, <i>Joh. S.
+Welhaven</i> in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p>
+
+<p><a name='Page_246'></a>HOOFDSTUK II.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Asbj&oslash;rnsen en Moe</span>. De verzamelingen zijn talrijke malen
+uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken
+titel <i>Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr</i> (deel I:
+<i>Huldreeventyr og Folkesagn</i>, deel II: <i>Folkeeventyr</i>). Hiervan bestaat
+eene volksuitgave en eene ge&iuml;llustreerde. Aanbeveling verdienen ook de
+kleinere ge&iuml;llustreerde bundels: <i>Norske Folke- og Huldre-eventyr i
+Udvalg</i>; <i>Udvalgte Folkeeventyr</i>; <i>Eventyrbok for B&oslash;rn</i>.&mdash;Moltke Moe,
+<i>Det nationale gjennembrud og dets m&aelig;nd (Asbj&oslash;rnsen, Moe, Aasen)</i> in
+<i>Nordm. 19. A.</i> dl. 2 (zeer leerzaam).</p>
+
+<p><span class='spaced'>J&oslash;rgen Moe</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Jubil&aelig;umsudgave.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Folkeviser</span>. M.B. Landstad, <i>Norske Folkeviser</i>, Christiania 1853,
+is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, <i>Gamle norske Folkeviser</i>,
+Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der <i>Norske Folkeviser</i>, door Knut
+Liest&oslash;l en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen.</p>
+
+<p><span class='spaced'>J.S. Welhaven</span>. Zie bij Hoofdstuk I.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Bj&oslash;rnstjerne Bj&oslash;rnson</span>. Bj&oslash;rnson, <i>Samlede Digterverker,
+Standardudgave</i>, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn
+afzonderlijk verkrijgbaar.&mdash;P.A. Rosenberg, <i>Bj&oslash;rnstjerne Bj&oslash;rnson</i>,
+1915.&mdash;G. Gran in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 3.&mdash;G. Brandes in <i>Det moderne
+Gjennembruds M&aelig;nd</i>, 2. uitg. 1891&mdash;R.C. Boer, <i>Bj&oslash;rnstjerne Bj&oslash;rnson</i> in
+<i>De Gids</i> (Nov. 1899). dez., <i>Laboremus</i> in <i>De Gids</i> (Aug. 1901).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Henrik Ibsen</span>. Ibsen, <i>Samlede Digterv&aelig;rker. Standardudgave</i>, 7
+dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk
+verkrijgbaar.&mdash;<i>Ibsens Episke Brand</i>, udg. af Karl Larsen 1907.&mdash;<i>Ibsens
+Efterladte Skrifter</i>, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de
+studie van den dichter.)&mdash;<i>Breve fra Henrik Ibsen</i>, 2 dln.
+1904.&mdash;<a name='Page_247'></a>Henrik J&aelig;ger, <i>Henrik Ibsen, Et liter&aelig;rt Livsbillede.</i>&mdash;G.
+Brandes, <i>Henrik Ibsen</i> 1898.&mdash;Albert Dresdner, <i>Ibsen als Norweger und
+Europ&auml;er</i>.&mdash;John Paulsen. <i>Samliv med Ibsen</i>, 1906. <i>Ny Samling</i>
+1913.&mdash;Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding
+der reeds genoemde <i>Efterladte Skrifter</i>.&mdash;R.C. Boer, <i>Peer Gynt</i> (<i>De
+Gids</i> van Oct. 1893). dez., <i>Kleine Eyolf</i> (<i>De Gids</i> van Febr. 1895).
+dez., <i>Reisherinneringen uit Noorwegen</i> (<i>De Gids</i>, Dec. 1908 en vv.;
+o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., <i>Ibsen's Epische
+Brand</i> (<i>Onze Eeuw</i>, 1909), dez., <i>Ibsen's Nagelaten Werken</i> (<i>Onze
+Eeuw</i> 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (<i>Neophilologus</i> 1919). Jacqueline
+E. van der Waals, <i>Brand en de brieven van Ibsen</i> (<i>Onze Eeuw</i>, Mei
+1919).&mdash;Een uitvoerig commentaar op <i>Peer Gynt</i> schreef H. Logeman (Den
+Haag 1917).</p>
+
+<p>HOOFDSTUK III.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Ivar Aasen</span>, <i>Skrifter i Samling</i>, 3 dln. Kria en Khvn.&mdash;Moltke
+Moe, <i>Det nationale gjennembrud og dets m&aelig;nd</i> (zie bij Hoofdstuk II).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Aasmund O. Vinje</span>. A.O. Vinje, <i>Skrifter i Utval</i>, utgjevne af Det
+norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).&mdash;<i>Dikt og prosaskrifter i
+utval</i> ved Halvdan Koht Kria, 1903.&mdash;<i>Ferdaminni</i> en <i>Storegut</i> zijn
+herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske
+Samlaget.&mdash;Vetle Vislie, <i>Aasmund Vinje</i>, Bergen 1890.&mdash;Een kort werkje
+van denzelfde in de <i>Norske Folkeskrifter</i> udgj. av Norigs Ungdomslag og
+Studentmaallaget n<sup>o</sup>. 28.&mdash;Halvdan Koht, <i>A.O. Vinje</i> in <i>Nordm. 19. A.</i>
+dl. 3.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Landsmaal</span>. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het
+landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven
+tijdschrift <i>Syn og Segn</i>.</p>
+
+<p><a name='Page_248'></a>HOOFDSTUK IV.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Camilla Collett</span>, <i>Samlede Verker Mindeudgave</i>, 3 dln. Enkele
+boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.&mdash;Alf Collett, <i>Camilla Colletts
+Livs Historie</i>. 1911.&mdash;Lilly Heber, <i>Camilla Collett</i>, 1913.&mdash;Mathilde
+Schj&oslash;tt in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Ibsen en Bj&oslash;rnson.</span>. Zie bij Hoofdstuk II.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Jonas Lie</span>. J. Lie, <i>Samlede Digterverker, Standardudgave</i>, 10
+dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk
+verkrijgbaar.&mdash;Arne Garborg, <i>Jonas Lie, En Udviklingshistorie</i>, Kria
+1893.&mdash;Erik Lie, <i>Jonas Lies Oplevelser</i>, Kria en Khvn 1908.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Alexander L. Kielland</span>. A.L. Kielland, <i>Samlede Digterverker.
+Standardudgave</i>, 5 dln. Kria en Khvn 1920. <i>Breve</i>, met inleiding van G.
+Gran, 1907.&mdash;Brandes, <i>Essays, Fremmede Personligheder</i>, Khvn 1889, p.
+17.&mdash;R.C. Boer, <i>Alexander L. Kielland</i> (<i>De Gids</i>, Mei 1897).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Kristian Elster</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Kria 1904.&mdash;<i>Brandes,
+Essays, Fremmede Personligheder</i>, p. 1,&mdash;A.L. Kielland in de uitgave van
+Elsters <i>Solskyer</i>.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Amalie Skram</span>. Hare romans zijn afzonderlijk
+verkrijgbaar.&mdash;<i>Samlede Skrifter</i>, uitverkocht.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Arne Garborg</span>. Arne Garborg, <i>Skrifter i samling.
+Jubilaeumsutgaave</i>, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.&mdash;Erik
+Lie, <i>Arne Garborg, En Livsskildring</i>, Kria 1914.&mdash;Zie ook de
+Garborg-aflevering van <i>Syn og Segn</i> (Januari-Februari 1921).&mdash;R.C.
+Boer, <i>Reisherinneringen uit Noorwegen</i> (<i>De Gids</i>, Dec. 1908 en vv.).</p>
+
+<p>HOOFDSTUK V.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Gabriel Finne</span>. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.&mdash;R.C.
+Boer. <i>Gabriel Finne</i>, (<i>De Gids</i>, Juli 1898).</p>
+
+<p><a name='Page_249'></a><span class='spaced'>Sigbj&oslash;rn Obstfelder</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Kria en Khvn
+1917. De werken ook afzonderlijk.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Arne Garborg</span>. Zie bij Hoofdstuk IV.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Rasmus L&oslash;land</span>. Een biographische schets door Arne Garborg is
+hierboven bladz. 225 genoemd.&mdash;R.C. Boer, <i>Reisherinneringen</i> (zie
+vorige pag.).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Gunnar Heiberg</span>. <i>Samlede dramatische Verker</i>, 4 dln. Kria
+1917-1918.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Knut Hamsun</span>. <i>Samlede Verker</i>, 12 dln. Ook afzonderlijk.&mdash;John
+Landquist, <i>Knut Hamsun, En studie &ouml;ver en nordisk romantisk
+diktare</i>.&mdash;R.C. Boer. <i>Knut Hamsun</i> (<i>De Gids</i> November 1896), dez.,
+<i>Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur</i> (<i>De Gids</i>, Maart en April
+1912), dez., <i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pag.).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Jacob B. Bull</span>. <i>Folkelivsbilleder</i>, 4 dln., 3<sup>e</sup> uitg. 1919.
+<i>Folkelivsromaner</i>, 3 dln., 2<sup>e</sup> uitg. 1918&mdash;<i>Nutidsromaner</i>, 3 dln.
+1918.&mdash;<i>Historiske romaner</i>. 4 dln.&mdash;De meeste werken ook
+afzonderlijk.&mdash;R.C. Boer, <i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pag.).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Hans Aanrud</span>, <i>Fort&aelig;llinger</i>, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der
+uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.&mdash;R.C. Boer,
+<i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pagina).</p>
+
+<p><span class='spaced'>Thomas Krag</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 9 dln. De werken ook
+afzonderlijk.</p>
+
+<p><span class='spaced'>Hans E. Kinck</span>. Over zijn drama <i>Den sidste G&aelig;st</i> zie R.C. Boer,
+<i>Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur</i> (<i>De Gids</i>, Maart en April
+1912).</p>
+
+<p>FOOTNOTES:</p>
+
+<a name='Footnote_22_22'></a><a href='#FNanchor_22_22'>[22]</a><div class='note'><p> Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer
+beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<a name='REGISTER_VAN_AUTEURS'></a><h2><a name='Page_250'></a>REGISTER VAN AUTEURS.</h2>
+
+Aanrud, H., <a href='#Page_240'>240</a>-<a href='#Page_241'>241</a><br />
+Aasen, I., <a href='#Page_101'>101</a>-<a href='#Page_103'>103</a><br />
+Arnim, <a href='#Page_30'>30</a><br />
+Asbj&oslash;rnsen, P. Chr., <a href='#Page_30'>30</a>-<a href='#Page_35'>35</a>, <a href='#Page_40'>40</a>-<a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_45'>45</a>, <a href='#Page_48'>48</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_99'>99</a>, <a href='#Page_126'>126</a><br />
+Auerbach, B., <a href='#Page_44'>44</a><br />
+Bjerregaard, H.A., <a href='#Page_52'>52</a><br />
+Bj&oslash;rnson, B., <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_44'>44</a>-<a href='#Page_46'>46</a>, <a href='#Page_52'>52</a>, <a href='#Page_68'>68</a>-<a href='#Page_79'>79</a>, <a href='#Page_86'>86</a>, <a href='#Page_87'>87</a>, <a href='#Page_91'>91</a>, <a href='#Page_110'>110</a>, <a href='#Page_111'>111</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_126'>126</a>, <a href='#Page_128'>128</a>, <a href='#Page_129'>129</a>, <a href='#Page_135'>135</a>, <a href='#Page_139'>139</a>-<a href='#Page_143'>143</a>, <a href='#Page_155'>155</a>, <a href='#Page_195'>195</a>, <a href='#Page_196'>196</a><br />
+Brandes, G., <a href='#Page_67'>67</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_189'>189</a><br />
+Brentano, <a href='#Page_30'>30</a><br />
+Bugge, S, <a href='#Page_35'>35</a><br />
+Bull, J.B., <a href='#Page_238'>238</a>-<a href='#Page_240'>240</a><br />
+Caspari, C.P.F., <a href='#Page_244'>244</a><br />
+Collett, C., <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_124'>124</a>-<a href='#Page_126'>126</a><br />
+Dostojewski, <a href='#Page_214'>214</a><br />
+Drachmann, H., <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_244'>244</a><br />
+Dybfest, A., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_215'>215</a>-<a href='#Page_216'>216</a><br />
+Egge, P., <a href='#Page_241'>241</a>-<a href='#Page_242'>242</a><br />
+Elster, Kr., <a href='#Page_183'>183</a><br />
+Faye, A., <a href='#Page_31'>31</a>, <a href='#Page_48'>48</a><br />
+Finne, G., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_211'>211</a>-<a href='#Page_213'>213</a><br />
+Fj&oslash;rtoft, O.J., <a href='#Page_104'>104</a><br />
+Garborg, A., <a href='#Page_104'>104</a>, <a href='#Page_186'>186</a>-<a href='#Page_200'>200</a>, <a href='#Page_216'>216</a>-<a href='#Page_230'>230</a><br />
+Goldschmidt, M., <a href='#Page_112'>112</a><br />
+Grimm, J. en W., <a href='#Page_30'>30</a><br />
+Gran, G., <a href='#Page_17'>17</a><br />
+Hamsun, K., <a href='#Page_233'>233</a>-<a href='#Page_238'>238</a><br />
+Hansen, M., <a href='#Page_14'>14</a><br />
+Heiberg, G., <a href='#Page_231'>231</a>-<a href='#Page_233'>233</a><br />
+Heiberg, J.L., <a href='#Page_21'>21</a><br />
+Heiberg, P.A., <a href='#Page_21'>21</a><br />
+Heine, H., <a href='#Page_110'>110</a>, <a href='#Page_115'>115</a><br />
+Herre, B., <a href='#Page_43'>43</a><br />
+Hertz, H., <a href='#Page_49'>49</a><br />
+Hielm, J.A., <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_98'>98</a><br />
+Holberg, L., <a href='#Page_11'>11</a>, <a href='#Page_232'>232</a>, <a href='#Page_241'>241</a><br />
+Ibsen, H., <a href='#Page_22'>22</a>, <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_37'>37</a>, <a href='#Page_38'>38</a>, <a href='#Page_46'>46</a>-<a href='#Page_51'>51</a>, <a href='#Page_54'>54</a>-<a href='#Page_69'>69</a>, <a href='#Page_80'>80</a>-<a href='#Page_96'>96</a>, <a href='#Page_112'>112</a>, <a href='#Page_114'>114</a>, <a href='#Page_121'>121</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_126'>126</a>-<a href='#Page_139'>139</a>, <a href='#Page_205'>205</a>-<a href='#Page_210'>210</a>, <a href='#Page_243'>243</a><br />
+Jacobsen, J.P., <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_244'>244</a><br />
+J&aelig;ger, Hans, <a href='#Page_184'>184</a>-<a href='#Page_186'>186</a>, <a href='#Page_195'>195</a>, <a href='#Page_204'>204</a><br />
+J&aelig;ger, Henrik, <a href='#Page_28'>28</a>, <a href='#Page_67'>67</a><br />
+Kielland, Al. L., <a href='#Page_155'>155</a>, <a href='#Page_168'>168</a>-<a href='#Page_183'>183</a>, <a href='#Page_203'>203</a><br />
+Kinck, H.E., <a href='#Page_242'>242</a>-<a href='#Page_243'>243</a><br />
+Knudsen, K., <a href='#Page_99'>99</a><br />
+Krag, Th., <a href='#Page_241'>241</a><br />
+Krag, V., <a href='#Page_244'>244</a><br />
+Krogh, Kr., <a href='#Page_195'>195</a><br />
+Landstad, M.B., <a href='#Page_30'>30</a>, <a href='#Page_35'>35</a>-<a href='#Page_36'>36</a>, <a href='#Page_46'>46</a><br />
+Lie, J., <a href='#Page_44'>44</a>, <a href='#Page_143'>143</a>-<a href='#Page_168'>168</a>, <a href='#Page_243'>243</a><br /><a name='Page_251'></a>
+L&oslash;land, R., <a href='#Page_230'>230</a><br />
+Mill, Stuart, <a href='#Page_121'>121</a><br />
+Moe, J., <a href='#Page_30'>30</a>-<a href='#Page_35'>35</a>, <a href='#Page_42'>42</a>, <a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_45'>45</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_99'>99</a><br />
+Moe, M., <a href='#Page_32'>32</a><br />
+Munch, A., <a href='#Page_52'>52</a>-<a href='#Page_54'>54</a><br />
+Munch, J. Storm, <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_28'>28</a><br />
+Munch, P.A., <a href='#Page_103'>103</a><br />
+Novalis, <a href='#Page_28'>28</a><br />
+N&aelig;rup, C., <a href='#Page_215'>215</a><br />
+Obstfelder, S., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_213'>213</a>, <a href='#Page_215'>215</a><br />
+Randers, Kr., <a href='#Page_244'>244</a><br />
+Runeberg, J.L., <a href='#Page_115'>115</a><br />
+Sagen, Lyder, <a href='#Page_14'>14</a><br />
+Sars, E., <a href='#Page_54'>54</a><br />
+Schj&oslash;tt, M., <a href='#Page_82'>82</a><br />
+Schiller, Fr. von., <a href='#Page_14'>14</a><br />
+Schultze, H., <a href='#Page_44'>44</a><br />
+Schwach, C.N., <a href='#Page_14'>14</a><br />
+Seip, D.A., <a href='#Page_11'>11</a><br />
+Sivle, P., <a href='#Page_230'>230</a><br />
+Skavlan, O., <a href='#Page_50'>50</a><br />
+Skram, A., <a href='#Page_183'>183</a>-<a href='#Page_184'>184</a><br />
+Snorri Sturlason, <a href='#Page_55'>55</a><br />
+Spencer, H., <a href='#Page_121'>121</a><br />
+Tvedt, J., <a href='#Page_230'>230</a><br />
+Vinje, A., <a href='#Page_46'>46</a>, <a href='#Page_103'>103</a>, <a href='#Page_105'>105</a>-<a href='#Page_120'>120</a>, <a href='#Page_126'>126</a>, <a href='#Page_129'>129</a><br />
+Vislie, V., <a href='#Page_129'>129</a><br />
+Vogt, N. Collett, <a href='#Page_244'>244</a><br />
+Welhaven, J.S.C., <a href='#Page_6'>6</a>, <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_15'>15</a>, <a href='#Page_20'>20</a>-<a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_36'>36</a>-<a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_79'>79</a>, <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_85'>85</a>, <a href='#Page_90'>90</a>, <a href='#Page_124'>124</a><br />
+Wergeland, H., <a href='#Page_6'>6</a>, <a href='#Page_14'>14</a>-<a href='#Page_21'>21</a>, <a href='#Page_25'>25</a>, <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_32'>32</a>, <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_85'>85</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_124'>124</a><br />
+&Oslash;hlenschl&auml;ger, A.G., <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_30'>30</a>, <a href='#Page_51'>51</a><br />
+&Oslash;stgaard, N., <a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_44'>44</a>, <a href='#Page_126'>126</a><br />
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de
+Negentiende Eeuw, by R.C. Boer
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE ***
+
+***** This file should be named 13591-h.htm or 13591-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13591/
+
+Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
+
+
diff --git a/old/13591.txt b/old/13591.txt
new file mode 100644
index 0000000..925a883
--- /dev/null
+++ b/old/13591.txt
@@ -0,0 +1,5812 @@
+The Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de Negentiende
+Eeuw, by R.C. Boer
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw
+
+Author: R.C. Boer
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13591]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+[Transciber's Note:
+
+The printed errata have been resolved in the main text and removed.
+
+Inconsistensies in spelling, hyphenation and accents have been
+preserved, except for proper names. Those have been normalized to
+correct spelling with the help of a native Norwegian speaker.]
+
+VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK
+
+onder redactie van de Vereeniging "V.U.B."
+
+Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, _Voorzitter_; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM,
+Amsterdam, _Ondervoorzitter_; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM;
+Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J.
+BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY;
+Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS;
+Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR.
+J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, _Secretaris_.
+
+20
+
+HAARLEM
+
+DE ERVEN F. BOHN
+
+1922
+
+
+NOORWEGENS LETTERKUNDE
+IN DE NEGENTIENDE EEUW
+
+DOOR
+
+DR. R.C. BOER
+Hoogleeraar te Amsterdam
+
+HAARLEM
+DE ERVEN F. BOHN
+1922
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+Voorbericht
+
+Hoofdstuk I. Het ontwaken der nationale letterkunde
+
+ II. Romantiek
+
+ III. De taalbeweging en de oudste schrijvers
+ in landsmaal
+
+ IV. Het realisme
+
+ V. Jongere richtingen en persoonlijkheden
+
+Uitgaven en litteratuur
+
+Register van auteurs
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19e eeuw begint
+met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is
+slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de
+voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het
+chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt
+ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien,
+verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te
+buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te
+behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd
+op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode
+hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan
+allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering
+gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel voor 1900
+debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt,
+niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen
+eener--niet al te enge--keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die
+wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe
+plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen
+althans eenigszins tot hun recht komen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE.
+
+
+1. _Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814_.
+
+In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen
+aan eene diepe depressie ten prooi. Een ding was er, dat met recht de
+geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat
+waren, in beslag nam--de inrichting van den nieuwen staat en van zijne
+organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene
+aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan
+voorbijgaande belangstelling aanspraak maken.
+
+De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de
+ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie
+had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen,
+en de omstandigheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen
+ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land
+nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en
+wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch
+van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als
+officieele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide
+landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was
+verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in
+sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het
+accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop
+der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd,
+dat er geen sprake meer was van tweeerlei bevolking. Het was trouwens
+een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name
+het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen
+overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper
+geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn.
+
+Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen
+stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde
+dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis
+had. Voor de plattelandsbevolking beteekende dit een ophouden van het
+litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten,
+bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale
+sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen
+voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop
+der 19e eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten
+opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg
+nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het
+voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst,
+accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan
+vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben
+meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken
+zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan.
+
+Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene
+eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde
+deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken
+werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal
+geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te
+onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder
+mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet
+gebruikelijk waren; dit waren provincialismen, die toch niet aan de
+taal een zeer bijzonder karakter gaven[1].
+
+Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der
+Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won
+Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de
+minder ontwikkelde volksklasse,--een samenhang, die in dien tijd toch
+niet heel veel kon beteekenen--, trad een samenhang met Denemarken, dat
+geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de
+algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale
+tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld
+werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien
+bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet
+slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te
+laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche
+kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der
+periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De
+grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen
+afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18e eeuw zijn
+er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden.
+
+De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt.
+Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het
+beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou
+geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien
+er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin
+nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een
+klein land geen geringe beteekenis.
+
+Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met
+Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het
+was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de
+wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land
+is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel
+schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats,
+die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam,
+het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw
+volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te
+volbrengen.
+
+De krachten van het nieuwe volk worden in de eerste plaats besteed aan
+het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet
+later volgen. Voor alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en
+bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar
+veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische
+neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet
+denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden.
+Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen
+staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en
+voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote
+machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog
+hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat
+oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men
+koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust,
+dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat
+het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de
+ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot
+ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te
+scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt,
+draagt het stempel van deze armoede. Het zijn of herhalingen der poezie
+van de achttiende eeuw, of bombastische loftuitingen op het Noorsche
+volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder
+Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn
+alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van
+vreemde voorbeelden, Schiller, Ohlenschlaeger, de Duitsche romantici;
+iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee
+verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als
+nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den
+titel _Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815_. Ongeveer al, wat zich in
+Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee
+bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat "ook tusschen
+Noorwegens klippen bloemen groeien". Maar onder die twintig is er niet
+een, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 1: Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in
+Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje _Dansk og
+Norsk i Norge i eldre Tider_, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden
+schrijver _Norsk Sproghistorie_ (1920).]
+
+
+
+
+2. _Wergeland--Welhaven._
+
+
+Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel
+met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als
+met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en
+land--maar toch vooral de stad--met rumoer. Het is treffend, dat wij bij
+deze eerste vlucht omhoog, die de nieuwe Noorsche litteratuur maakt,
+een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven
+toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook
+later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met
+hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen
+nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale
+gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en
+aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en
+een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den
+algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den
+moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland--Welhaven.
+
+Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet
+meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene
+productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal
+jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn
+jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot
+stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch
+predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van
+1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de
+herinnering aan dat jaar hoog gehouden werd, en dit milieu heeft een
+stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd
+kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige
+vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige,
+opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg
+onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen,
+maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de
+theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in
+kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het
+rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later,
+bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant
+aan de actieve politiek deelgenomen.
+
+Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke
+werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op
+een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld _Skabelsen, Mennesket og
+Messias_ (De schepping, de mensch en de Messias).
+
+Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet zoo te verstaan,
+dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof
+had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die
+van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van meer
+dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te
+schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript
+van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met
+de volgende vellen.
+
+Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en
+wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van
+dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het
+formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn
+persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont.
+
+De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene
+allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche
+overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol.
+Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar,
+komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange
+ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer
+nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van
+dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd
+van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de
+dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke
+een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter
+telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. De revolutie is
+daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom
+ook door den dichter een "bijbel der republikeinen" genoemd.
+
+Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te
+onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent,
+en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de
+menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet
+bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken.
+Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een
+gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de
+gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit
+iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de
+lezers--Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen--, maar de heftige
+toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele
+vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het
+gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het
+tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd
+over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum.
+
+Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft _Skabelsen,
+Mennesket og Messias_, gelijk de geheele productie van Wergeland,
+groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust
+der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze
+beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander
+verdringen, in den regel zoo snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt,
+maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te
+zeggen heeft,--soms echter ook zoo veel, dat hij valt over zijn woorden.
+Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte
+gevoeld werd.
+
+In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een
+groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm
+(o.a. _Papegoien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle,
+Barnemordersken_ e.a.), vertellingen in verzen (_Jan van Huysums
+Blomsterstykke, Den engelske Lods_), verhandelingen over politiek,
+geschiedenis (_Norges Konstitutions Historie_), moraal, taalhervorming
+en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij
+ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men
+thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn
+beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook
+in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor
+algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van
+vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de
+emancipatie der Joden. Het werk voor verlichting hangt samen met de
+houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand
+aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren
+geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was
+een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij
+te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te
+nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon,
+heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der
+impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld
+aannam van Carl Johan,--inderdaad een inconsequente handelwijze voor den
+dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op "tyrannen"
+af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld,
+en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs
+verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld
+als een nationaal verlies.
+
+Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf
+aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode
+Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene
+aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en
+de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne moeder was een nicht van den
+Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L.
+Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave
+gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge
+menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche
+patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte
+zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten
+van den Noorweegschen "odelsbonde" (d.i. de boer, die bezitter van zijn
+goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op
+wat Deensch was. In de politiek was Zweden de bete noire geworden; in
+zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken.
+
+Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of
+voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts
+in straatoploopen en andere luidruchtige manifestatien. De aanvoerder
+van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu
+ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen.
+Het verschijnen van _Skabelsen, Mennesket og Messias_ deed den emmer
+overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze
+Wergeland zijn "razen tegen het verstand" verweet. Een heftige
+pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epigrammen.
+Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe
+heftigheid voortgezet.
+
+Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend
+resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur
+het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor
+hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de
+representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in
+plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen
+van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand
+gekomen, dat _Norges Daemring_ (De Schemering van Noorwegen) heet.
+
+Een grooter tegenstelling dan die tusschen _Skabelsen_, _Mennesket og
+Messias_ en _Norges Daemring_, laat zich niet denken. In _Norges Daemring_
+voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig
+van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76
+sonnetten; de vorm is meesterlijk.
+
+Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang
+herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen
+krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke
+de patriotten gewend waren te geven. Groot en sterk is het land,
+krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar
+tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk
+gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de
+schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg
+voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen
+vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte
+de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen,
+Trondhjem;--nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij
+wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die
+groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En
+welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om
+vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen
+geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om
+tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor
+krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke
+vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des
+geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze
+gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich
+alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal
+daad zal worden, wat nu woorden zijn, zoekt de dichter troost[2].
+Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der
+voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar
+waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert:
+
+ "Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord;
+ hvad Norge var, det maa han engang vorde
+ paa Land, paa Bolge og i Folkerang."
+
+ (Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet
+ het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der
+ volken).
+
+_Norges Daemring_ is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe
+bijgedragen, Noorwegen _i folkerang_ te doen worden, wat het eenmaal
+was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de
+massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg
+ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij
+ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door
+een troep gemeen afgeranseld.
+
+Een daad was _Norges Daemring_ niet minder in de litteratuur. Hier werkt
+die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren,
+klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodieen te laten
+hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank.
+
+Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en
+Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de
+uitvoerigste "Literaturhistorie" van Noorwegen van Henrik Jaeger kan men
+het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de
+groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En
+ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen
+in de 19e eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden
+nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de
+kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt,
+is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is
+het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur
+evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het
+sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de
+latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen
+zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie
+van Wergeland, en ook zijn behoefte, om aanvoerder van eene massa te
+zijn, vinden wij terug bij Bjornson; het scherpe verstand, de vlijmende
+spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven
+keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bjornson ook in zijn patriottische
+zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van
+grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met
+gelijke trekken bij Welhaven.
+
+Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor
+Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der
+eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn
+verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming[3], en de practijk
+tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als
+die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het
+verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de
+gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich
+zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken,
+wanneer zij maar half af waren.
+
+Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door
+verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij
+vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij
+had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt
+werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van
+zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende
+eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe
+gedachtenstroomingen.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 2:
+
+ Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad,
+ hvad nu er taust skal finde starke Munde
+ i Thingets Sale og i Templets Buer;
+ hvad nu er Larm skal blive vise raad,
+ og vis'ne ho'der byttes om med sunde--
+ hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer!
+]
+
+[Footnote 3: _Om norsk sprogreformation_. Een voorganger had Wergeland
+hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.]
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+ROMANTIEK.
+
+
+1. _De volksromantiek_.
+
+
+Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche poezie eene bloeiperiode aan.
+Het is de romantiek, die haar intocht houdt[4]. De vorige periode leefde
+in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der
+Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar
+een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong
+niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in
+het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er
+reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te
+regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe
+onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de
+toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De
+romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur,
+en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen
+machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen,
+juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een
+frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik
+voor alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij
+op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de
+krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder
+de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk
+geimporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden
+de hekken van het patriottisme verhangen.
+
+De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen
+zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was
+en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede
+helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland
+gekomen, waar men de zaak grondig had opgevat. Herder was begonnen met
+studien over volkspoezie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven,
+om of de stof te gebruiken in eigen gedichten, of den toon van het
+volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet
+de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op
+getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und
+Hausmaerchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn).
+In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de
+meest bekende dichter van den tijd, Ohlenschlaeger, zich van deze stoffen
+meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu
+is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide
+richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van
+stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de
+getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste
+werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone
+bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht
+hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste
+beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C.
+Asbjornsen en Jorgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich
+als eerste uitgever van volkspoezie M.B. Landstad aan.
+
+Asbjornsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de
+stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen
+zouden geven[5]. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De
+overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van
+teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet
+alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat
+dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm
+bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot
+zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de
+bijzondere wijze van uitdrukking de poezie dezer vertellingen gelegen
+was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden
+uitgegeven in de officieele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en
+uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon,
+zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun
+zoo goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die
+tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen
+gelezen worden, hebben zij ook een zeer grooten invloed gehad op de
+ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het
+Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van
+deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de
+latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed
+van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer
+Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens
+nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die
+boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van
+voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe,
+den zoon van Jorgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is
+voortgegaan.
+
+De _Norske Folkeeventyr_ (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841
+verschenen[6], behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche
+letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan,
+grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen zoo
+eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan
+in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting
+meedeelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het
+bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een
+geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme
+litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote
+dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het
+werk tot op dezen dag niets verloren.
+
+Een eenigszins ander karakter dan de _Folkeeventyr_ dragen twee andere
+verzamelingen van Asbjornsen, _Norske Huldreeventyr og Folkesagn_ (N.
+Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven.
+Asbjornsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van
+romantiek tot realisme. Ofschoon het woord "eventyr"[7] in den titel
+voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen
+omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbjornsen
+legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan,
+en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog
+geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die
+een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van
+zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote
+plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn
+vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de
+natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de
+Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen--Oostlandsch--dialect. Het
+werk van Asbjornsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het
+volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst
+gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel
+_Plankekorerne_ (De Plankenvoerlui) draagt.
+
+Asbjornsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar
+duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter
+karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr
+og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbjornsen aan zijn zegslieden
+het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire,
+ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi
+gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek
+heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De
+Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan
+ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij.
+
+In 1853 gaf Landstad uit _Norske Folkeviser_. Daarop volgde in 1858 een
+kortere verzameling van Sophus Bugge: _Gamle norske Folkeviser_[8]. Deze
+boeken zijn niet zoo algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes
+van Asbjornsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd[9].
+Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door
+weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten
+konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden
+opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal
+geaerchaiseerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen
+toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te
+verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds
+voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is
+veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de
+opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de
+sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen
+staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een
+veel vroegere periode (de 16e eeuw) zijn opgeschreven.
+
+Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad,
+niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de
+gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters
+hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de poezie in hooge
+mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads
+uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen.
+
+Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de
+eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden.
+Na de daemringsfeide[10] zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel
+_Digte_ uit. Later verschenen _Nyere Digte_ 1845, _Halvhundrede Digte_
+1848, _Digte_ 1851, _Digte_ 1860, eindelijk nog _Sidste Digte_ (van 1860
+tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste
+helft der eeuw heeft voortgebracht.
+
+De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch
+ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud
+naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar
+naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw
+element bij.
+
+Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun
+gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige
+periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd
+en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt
+lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat _Vidar_. _Vidar_
+is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het
+einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. _Vidar_ was ook de
+naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte
+van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het
+monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft.
+
+De gedichten _Sisyphos, Glaukos, Goliath, Mokkurkalv, Nehemias_ (1839),
+_Tantalos, Protesilaos, Kalchas_ (1845), _Herakles, Ganymedes,
+Philoktetes_ (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het
+voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben
+verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van
+eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de
+wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een
+merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang,
+nadat hij in _Et Dukkehjem_ en _Gengangerne_ met de publieke opinie
+slaags was geweest. Eerst komt een uiting van lust om den strijd voort
+te zetten in _En Folkefiende_, dan de ontmoedigde verklaring, dat de
+man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in
+_Vildanden_[11].
+
+Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks
+vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de
+liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid.
+Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat
+hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven
+liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel
+woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de
+universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf
+zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen
+samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig,
+heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die
+der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten
+samen met die der mythologische gedichten. Ook hier bestaat een
+merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding
+voor het leven ontvangt,
+
+ "naar lost fra laengsler og fra vild begaer
+ den flyer til mindets aandehjem befriet"[12].
+
+(Kaerl. Komedie, Vaerker II, 261).
+
+Vergelijk daarmee Welhaven's verzen:
+
+ "Hver en Fryd maa trylles om
+ til et Savn, som Sjaelen freder;
+ Mindet kun et Held bereder,
+ der er Livets Eiendom"[13].
+
+(Digte 1845. Vaerker II, 234).
+
+Voornaam is deze poezie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde
+heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen
+hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar
+persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij
+als schoon gevormde gedachte tot den lezer.
+
+Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische
+beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan deze
+beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij
+Welhaven's natuurpoezie te danken. De romantische vlucht van de stad en
+de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar
+ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze
+dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof.
+Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, nokken,
+nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbjornsen ze deed, hun
+intree in de kunstpoezie. Welhaven heeft in dit genre veel
+natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En
+ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden
+was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was.
+Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan
+de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want
+zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers
+wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer
+genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische poezie van een
+dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn
+tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook
+nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden
+bron van poezie een rijke was, die in de behoefte van meer dan een
+geslacht kon voorzien.
+
+Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad,
+in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden.
+Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige
+generatie.
+
+Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich
+verwijderen van het realisme waarnemen. _Norges Daemring_ is te gelijk
+idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des
+dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor
+zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn
+pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in
+bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn
+troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het
+leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart
+zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee
+richtingen. Voor de eene--en dit is de richting der
+huldre-romantiek--bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,--ook
+Asbjornsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze
+gehuldigd,--voor de andere zijn de ware objecten voor onze
+belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen,
+en deze richting loopt uit op menschenstudie en zoodoende op realisme
+in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbjornsen in enkele stukken
+gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in
+de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt
+voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbjornsen's
+realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot
+doorbraak komen.
+
+Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten
+van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van
+verschil. Welhaven heeft zich ook sterk geinteresseerd voor de
+verzamelingen van Asbjornsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de
+behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn
+behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van
+populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche
+letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche
+Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van
+de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een
+stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de
+geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid
+vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch.
+
+In 1840 werd Welhaven lector,--later (1846) professor in de
+philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het
+vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft
+nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het
+jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus
+is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan
+historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een
+duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan
+van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn.
+Hij stierf in 1873.
+
+Ook Jorgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen,
+is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de
+natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door
+eenvoud en religieusiteit.
+
+Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook
+melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in
+verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters
+der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot
+de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's _En Jaegers
+Erindringer_, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der
+schilderingen van het volksleven behoort Ostgaard's _En Fjeldbygd_. Het
+boek staat onder den invloed van Asbjornsen's vertellingen, maar hij
+miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene
+zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van
+talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet
+hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan
+twijfelen, of het boek wel tot de poetische litteratuur gerekend kan
+worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbjornsen
+las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het
+denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van
+eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling.
+
+Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen
+schreef, samen uitgegeven onder den titel _Fra Lofoten og Solor_,
+interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake
+is,--Solor ligt in het binnenland--de bewoners der eilanden hun eerste
+intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger
+van Jonas Lie.
+
+Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bjornson's
+boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in.
+
+Bjornstjerne Bjornson is in 1832 geboren als zoon van een
+dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te
+zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania,
+waar hij een tijd lang Heltberg's "studentenfabriek" bezocht--zie
+hierover meer in Hoofdstuk IV--en in 1852 student werd. Reeds te voren
+had hij een--onrijp--tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij
+regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856
+bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe
+Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier
+dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het
+eene is _Mellem Slagene_, dat in een ander verband besproken wordt; het
+andere is _Synnove Solbakken_, de eerste zijner boerenvertellingen.
+
+Men kan zeggen, dat Bjornson's novellen eene periode openen, en dat zij
+er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze
+beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling,
+die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de
+voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De
+sprookjes van Asbjornsen en Moe zijn rijk aan poezie, maar toch niet in
+de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct
+van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van Ostgaard
+was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door
+menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bjornson vereenigde
+een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot
+vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst
+kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel
+uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten
+opgang maakten.
+
+Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke
+zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste
+gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te
+vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt
+met Vinje's kritiek op Bjornson's volgende vertelling _Arne_, die later
+zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van
+boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bjornson, en die den
+schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede
+stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers
+met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bjornson en zijn
+criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bjornson
+mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet
+het portret nader bij de werkelijkheid staan.
+
+De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in
+twee jeugdwerken van Ibsen, _Gildet paa Solhoug_ (Het Feest te Solhoug,
+1855) en _Olaf Liljekrans_ (1856). Deze twee stukken representeeren een
+eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter.
+
+Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een
+welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen,
+en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee
+gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te
+Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In
+de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te
+bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte
+hij. Zoo is zijn eerste drama _Catilina_ ontstaan in den winter 1848-'49
+(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania,
+bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk _Kaempehoien_
+van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste
+doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij
+een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen,
+met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu
+volgen snel op elkander _Sankthansnatten, Fru Inger til Ostraat, Gildet
+paa Solhoug_ en _Olaf Liljekrans_. Het eerste van deze werken is van
+geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre;
+over de beide laatste zal hier iets gezegd worden.
+
+Toen Ibsen _Gildet paa Solhoug_ schreef, waren zijne oogen reeds
+opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe
+letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde
+zijne gedachten in eene andere richting. _Gildet paa Solhoug_ zou, wat
+de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend;
+de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14e eeuw), en door het
+hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar
+onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht
+te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene
+voorstudie voor _Hermaendene paa Helgeland_, dat geheel onder den invloed
+der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der
+volkspoezie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen
+worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor
+_Olaf Liljekrans_ bestaan verschillende voorstudien. Voor een van deze,
+en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (_Rypen
+i Jostedal_, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling
+volkssagen van Faye, die hierboven genoemd werd. Wij hebben
+hier dus een stof, die met Asbjornsen's vertellingen punten van
+aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door
+het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd;
+er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier zoo ver,
+dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een
+volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat
+citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen
+den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door
+overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde
+stuk _Sankthansnatten_, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt.
+
+Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te
+stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een
+voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre
+opgang gemaakt had, met name in zijn drama _Svend Dyrings Hus_. Wanneer
+men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz
+nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige
+kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere
+uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van _Olaf
+Liljekrans_ is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en
+een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk
+is. Het toont, dat de dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling
+door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die
+het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo
+gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de
+dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme
+voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs zoo
+ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling
+schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst
+proclameert. Deze verhandeling--later uitgegeven in het tiende deel
+zijner _Samlede Vaerker_--verscheen na de beide tooneelstukken en
+beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857)
+verscheen _Hermaendene_, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie
+opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama
+gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym
+Jokum Pjurre, eene comedie _Gildet paa Maerrahoug_, waarvan reeds de
+titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (_maer_
+beteekent merrie).
+
+Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de
+eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed,
+waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal--groote
+stukken van _Olaf Liljekrans_, waar de individueele lyriek de
+volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen
+geschreven heeft--, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar
+ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester,
+die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de
+beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van
+bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn,
+reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal
+zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen
+jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in _Kejser og Galilaeer_.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 4: Vertalingen van werken der Duitsche romantische school
+komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von
+Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici
+werden gelezen (zie Jaegers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan
+uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.]
+
+[Footnote 5: De eenige voorganger van Asbjornsen en Moe was de predikant
+Faye, die in 1833 een verzameling _Norske Folkesagn_ uitgaf, tamelijk
+rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het
+karakteristieke niet deed uitkomen.]
+
+[Footnote 6: Een voortzetting door Asbjornsen met bijdragen uit
+opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2e uitg. 1876).]
+
+[Footnote 7: Het woord _huldreeventyr_ is een maaksel van Asbjornsen en
+eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van poetische fantasie,
+_huldre_ behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming
+voor zulke vertellingen is _huldresagn_.]
+
+[Footnote 8: In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling _Sange,
+Folkeviser of Stev_ (d.i. refreinen) uitgegeven.]
+
+[Footnote 9: Zie echter het litteratuuroverzicht.]
+
+[Footnote 10: Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan
+_Norges Daemring_ een deel uitmaakt.]
+
+[Footnote 11: Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte
+als in uitdrukking tusschen _Protesilaos_ (Welhaven, Digtverker II,
+219): "Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han kaemper
+kun og falder" en _Brand_ (Ibsen, Saml. Vaerker III, 231): "Men hver, som
+gaar i forste raekke, maa falde for sin fagre sag."]
+
+[Footnote 12: "Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd
+vliegt naar de geesteswoning der herinnering."]
+
+[Footnote 13: "Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis,
+waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een
+geluk, dat het eigendom der ziel is."]
+
+
+
+
+2. _De historiseerende Romantiek_.
+
+
+In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in
+zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den
+drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de
+historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan
+historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden
+beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer
+dan allen de volksoverlevering cultiveerde, Ohlenschlaeger, heeft ook tal
+van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote
+afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de
+bloeitijd is niet geheel dezelfde, en het geheel valt later dan in
+Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard[14] een historisch drama
+_Magnus Barfods Sonner_ (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had
+dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen
+toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den
+nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient
+zijn gedicht _Sonner af Norge_ van 1820 genoemd te worden, dat het
+nationale lied van het land geweest is, tot het door Bjornson's _Ja, vi
+elsker dette Landet_ werd vervangen.
+
+In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de
+vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en
+drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste
+omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van
+1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich,
+doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studien gemaakt;
+hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de
+geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten het eigen land. En hij
+waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken
+stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele
+gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De
+romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;--een
+liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat
+eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid
+schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama
+_Kong Sverres Ungdom_ (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud
+deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door
+haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene
+intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een
+historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende
+karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem
+zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon
+dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre.
+Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een
+historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd
+te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus
+een soort heerschappij oefende. In meer dan een genre had hij volstrekt
+niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk
+gehad, zijn roem te overleven, ofschoon hij tot het laatst is
+doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884
+op 73-jarigen leeftijd.
+
+De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de
+Engelsche geschiedenis ontleende tragedie _William Russel_ (1857) werd,
+ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde
+gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking
+(Saml. Vaerker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars,
+toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is
+merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in _Kaerlighedens Komedie_,
+waar hij een bekrompen dame, Froken Skaere, haar verontwaardiging laat
+uiten over een student, die zoo laag, zoo onbeschoft, zoo gemeen was, om
+zelfs _William Russel_ te critiseeren. Het stuk wordt hier dus
+voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke
+plebejers.
+
+Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie _Hertug Skule_, die in
+1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's
+_Kongsemnerne_ was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De
+vergelijking was doodend;--hiermee had het aanvoerderschap van Munch in
+de Noorweegsche letterkunde een einde.
+
+Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in
+al haar schakeeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt
+dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de
+ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het
+historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch
+drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama.
+
+Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur.
+Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche
+vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij
+voorbeeld de stof voor Munch's _En Aften paa Giske_ uit Snorris Olafs
+saga helga[15]. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de
+nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is
+die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en
+zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het
+persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen zoo, dat niets
+meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met
+het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der
+voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene
+kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is.
+
+Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's
+romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof
+insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder
+mate. _Catilina_ valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting
+van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd
+gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het
+gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het
+jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk poezie te halen.
+Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet
+die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek
+aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden.
+
+_Fru Inger til Ostraat_ (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter
+bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet zoo gevormd, en de
+ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk
+en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men
+den indruk, dat de dichter onder den invloed van het--insgelijks
+romantische--gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij
+de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen.
+Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp
+geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch.
+
+De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn _Hermaendene
+paa Helgeland_ (1857) en _Kongsemnerne_ (1864). Van deze beteekent het
+tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog een historisch
+drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier
+bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische
+en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie
+in.
+
+De stof voor _Hermaendene_ en _Kongsemnerne_ is aan de Noorsche oudheid
+ontleend. In een enkel opzicht vormt _Hermaendene_ nog een overgang van
+het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt
+niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der
+middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den
+man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de
+_Volsungasaga_ die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen
+wordt opgedischt. De _Volsungasaga_ behoort niet tot de beste saga's,
+vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof
+uit de Edda, en zoo gaat _Hermaendene_ in laatste instantie terug op eene
+stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die
+met de latere volkspoezie punten van aanraking hebben. Het conflict is
+ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama _Gildet
+paa Solhoug_ behandeld was. Wanneer desniettegenstaande _Hermaendene_ met
+recht tot een ander genre geteld wordt dan _Gildet paa Solhoug_, dan is
+de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl.
+Maar de stijl is dan ook niet die der _Volsungasaga_, maar die der
+historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd
+had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het
+voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der _Egilssaga_, der
+_Njalssaga_,--en hier is de stijl een andere dan in de _Volsungasaga_.
+Men kan dus met recht zeggen, dat in _Hermaendene_ de familiesaga in
+dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de
+_Volsungasaga_, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in
+de _Njalssaga_ voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het
+schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is.
+
+En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie,
+waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit
+gezichtspunt eene vergelijking van het slot van _Gildet paa Solhoug_ met
+het slot van _Hermaendene_. In het lyrisch drama, dat door stemmingen
+beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin
+bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige
+Bengt; de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven
+jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint
+het geluk. In _Hermaendene_ is de hartstocht een stormwind, die alles
+wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood
+de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij een
+man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op.
+
+Op geheel andere wijze is _Kongsemnerne_ (De Kroonpretendenten) een
+historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de
+geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante,
+maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen,
+maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende
+langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want
+hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van
+die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover _Kongsemnerne_
+handelt. Tot nu toe stond het eene landschap tegenover het andere, en de
+geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten
+tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken
+en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald
+Harfagri had Noorwegen tot een _rijk_ gemaakt; nu moet het een _volk_
+worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als
+Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als
+bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is
+daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne
+maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over,
+dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet
+gegeven is, te leven.
+
+Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de
+Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit
+perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen
+tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer
+naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij
+door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was
+opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die
+kwamen, zouden de Skandinaviers tot broeders maken, gelijk Hakon
+Hakonsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo
+nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen
+van Hakon wijzen, gelijk Hakon Skule wijst op de dagen van Harald
+Harfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten
+beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden
+gesteld, Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen.
+Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die
+op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep:
+_Vaagner_ (wordt wakker), _Skandinaver_! getuigt er van.
+
+En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de
+interessantste figuur van het drama. Want _Kongsemnerne_ is niet alleen
+een tijdgedicht--het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht.
+Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van eene zijde van den
+dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne
+roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is
+zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over
+hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel
+zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het
+denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer
+noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den
+grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn
+tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen,
+en zelf daarbij onder te gaan.
+
+Een tijdvak van negen jaren scheidt _Kongsemnerne_ van het geweldigste
+van Ibsen's historische drama's: _Kejser og Galilaeer_. De romantische
+droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk
+afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de
+reeks moderne drama's (_nutidsdramer_) te openen, die aan de letterkunde
+van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt[16], om
+nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit
+de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal
+geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die
+van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste
+wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe
+verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de
+meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de
+lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te
+dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot
+hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk
+dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar
+het gaat hem als Kain; zijn offer wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan
+bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor
+brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de
+verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de
+idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en
+waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem
+dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop
+op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal
+voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de
+ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij
+gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich
+tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den
+Galileer, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een
+tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galileer aan hem
+persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer
+zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galileer
+opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den
+wettigen keizer ook dien tegen den Galileer aan. In naam herstelt hij
+het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist
+deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning
+voert. Voor dien tijd heerschte het Christendom in het uitwendige; het
+was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde
+in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter
+begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering
+op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument,
+waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den
+Galileer, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het
+Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot
+oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de
+mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: "Jullie God
+is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen." Alleen Makrina
+spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: "Verdwaalde
+menschenziel,--_moest_ je dwalen, dan zal het je zeker ten goede
+gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken
+komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode
+levenden!"
+
+Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote
+drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die _Kejser og Galilaeer_
+direct aan _Kongsemnerne_ bindt. De voorstelling van de roeping is niet
+geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest,
+waarin de dichter zich jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In
+_Kongsemnerne_ is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met
+Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft,
+wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met
+blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd,
+maar het begrip is toch aanwezig. In _Brand_ treedt de roeping op als
+een eisch, die verschrikken kan. In _Peer Gynt_ is sprake van twee
+wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief;
+in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van
+een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen,
+dat zij haar roeping verzaakt. In _Kejser og Galilaeer_ blijven alleen de
+twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet.
+Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is
+alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het
+resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet
+dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of
+ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij
+kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede
+voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en
+zoo wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar
+wreedsten vorm. Daarom is Juliaan, evenals Kain en Judas, een martelaar
+voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de
+menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor
+deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken.
+
+Zoo ziet een philosophisch extract uit _Kejser og Galilaeer_ er uit. Het
+stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten
+kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen
+levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme.
+Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij
+zoo in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon.
+Levend--en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene
+nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op
+elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van
+Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten
+heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de
+schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld
+kent.
+
+Bij het schrijven van _Kejser og Galilaeer_ had Ibsen meer historisch
+materiaal, om op te bouwen, dan bij _Kongsemnerne_, en dit kan een der
+oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan
+bij het oudere drama. Ook was de dichter in den tusschentijd een ander
+geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873,
+kort voor het verschijnen van _Kejser og Galilaeer_, aldus uit:
+"Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van
+wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest
+doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te
+gelijk geheele, volkomen realistische poezie; ik heb de figuren voor
+mijn oogen gezien in het licht van den tijd,--en wil hopen, dat de
+lezers hetzelfde doen." In den zin, waarin de dichter hier het woord
+opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de
+stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan
+Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed
+der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien
+het juist is, wat Henrik Jaeger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt--en
+tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen--dat in de
+teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar
+slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de
+teleurstelling van den dichter, die in de jaren voor 1870 een nieuwen
+tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke
+persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden
+staatsburger had gegrondvest, dan is ook in deze wijze, om de oudheid
+in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met
+de wijze, waarop de grondgedachte in _Kongsemnerne_ ontstaat onder den
+invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm
+was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere
+banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer
+gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke
+problemen bezighouden.
+
+Bjornson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856
+_Mellem Slagene_ (Tusschen de Gevechten), 1858 _Halte-Hulda_, 1861 _Kong
+Sverre_, 1862 _Sigurd Slembe_, 1864 _Maria Stuart i Skotland_, 1872
+_Sigurd Jorsalfar_ (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot
+de historiseerende romantiek de gedichtencyclus _Arnljot Gelline_
+(1870). Afgezien van _Maria Stuart_ vallen al deze werken binnen het
+kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van
+overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin,
+dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof
+eene--gefingeerde--gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas
+de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In
+_Mellem Slagene_ treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als
+deus ex machina in een rol, die zeker den historischen Sverre slecht
+zou gepast hebben,--hij moet den vrede stichten tusschen twistende
+echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man
+tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. _Halte-Hulda_
+maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de
+handeling gezegd wordt, in de 13e eeuw te geschieden. Het conflict is
+hier van gelijken aard als in _Hermaendene_, en het is hier gelijk daar
+de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in
+aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen _Hermaendene_ en _Halte-Hulda_
+nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik
+de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de
+natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bjornson zich tot het
+publieke leven, dat--wanneer men een stof uit de oudheid
+kiest,--natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die
+men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de
+stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de
+koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt.
+
+Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters
+blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's
+van Ibsen en van Bjornson niet groot. Vergelijkt men Bjornson's
+historische drama's met die van een vroegeren tijd, dan is er wel een
+groote afstand. Bjornson had levendigheid van geest en een groot lyrisch
+talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij
+had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een
+dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter
+heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen
+wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die
+hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen
+oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis
+te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere
+menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist
+hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren
+weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond
+hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De
+individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel
+oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en
+zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van
+elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's
+gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de
+man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook
+dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet de noodzakelijkheid niet
+in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan _Sigurd Slembe_, het stuk, dat
+doorgaat voor het beste van Bjornson's historische drama's. Uitwendig
+heeft de held eenige gelijkenis met Skule in _Kongsemnerne_. Als deze
+tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft
+ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om
+zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren
+koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel
+trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem
+vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt
+Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van
+dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet
+precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een
+toeval--de grootere haast van de vijanden--de oorzaak, dat Sigurd
+misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een
+psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de
+hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die
+Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang
+bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed
+meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn
+vrienden beraden had, wat nu te doen stond, voor hij sluipmoordenaar
+werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem
+gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de
+grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond
+onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu
+consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde
+bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen
+bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin,
+waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar een pijl
+verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter
+gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche
+vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het
+eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad
+en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan.
+Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus
+willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis.
+
+Maar Bjornson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de
+ontwikkeling eener handeling. Bjornson is niet een steller van vragen;
+daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een
+beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe
+anders had _kunnen_ handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht;
+het is hem genoeg, dat de man anders had _moeten_ handelen. Hij wil
+verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te
+bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een
+exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een
+schouwburgpubliek gaarne zien.
+
+Er wordt in Bjornson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls
+zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den
+regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den
+mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms
+leest men dingen van grenzenlooze naiveteit. Ook hiervoor zal een
+voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het
+gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de
+tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd
+morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk
+geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over
+op de karakteristiek van den man. Een is er van meening, dat Sigurd zulk
+een aard heeft, dat of alle anderen moeten omkomen, of hij. En deze man
+eindigt aldus: "Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat
+hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals
+vereenigd zal worden tot eene heerlijke bedoeling.--Vrienden, ik geloof
+aan een leven na dit."
+
+Dat "vrienden" vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof
+men Bjornson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort
+uitbrengen.--Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek
+om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij
+bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd
+zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt.
+
+Bjornson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's
+geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van
+voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was
+voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte,
+die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in
+hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is
+zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling.
+Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den
+dichter juist tot _die_ stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond,
+dat er genoeg waren.
+
+Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de
+zoo veelzijdige productie van Bjornson.
+
+Meer in overeenstemming met Bjornson's talent is de gedichtencyclus
+_Arnljot Gelline_. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend.
+Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische
+gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende.
+Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om
+schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden,
+maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een
+gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren,
+hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de
+grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij
+langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij
+kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid
+gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam
+aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man
+treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den
+slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om
+den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij
+wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen
+kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich
+aan hem overgeven. Op wensch van den koning laat hij zich doopen; den
+volgenden dag is hij een der eersten, die valt.
+
+Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de
+realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken
+in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke
+betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot
+uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover
+sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft
+ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag.
+Deze figuur maakt Bjornson tot het middelpunt van een groep gedichten.
+Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds
+het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de
+sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan
+bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig
+plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche
+volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden
+in zulk een gedicht tot een. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft
+hij met warmte weer. Maar Bjornson zou Bjornson niet zijn, als hij niet
+geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid
+der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan.
+Tevens moeten wij iets meer hooren over de misdaden van den roover;
+vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens
+gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de
+beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling--een zaak,
+waarover de geschiedenis zwijgt--sterk op den voorgrond gebracht; de
+persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en
+wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot
+valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning
+over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste
+van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach.
+
+Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die
+hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en
+leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De
+vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer
+dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt,
+maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin
+gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch
+gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door
+misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in
+zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid een held zich
+in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil
+schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer
+de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken,
+precies als in de boerennovellen.
+
+Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot
+Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het
+verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van
+een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere
+Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het
+hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden,
+zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken,
+en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw,
+die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de
+pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en
+bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide:
+"Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer."
+Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik
+gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij
+niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening,
+noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching.
+
+Het is wel gezegd, dat Bjornson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt
+en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet
+zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet.
+
+En toch is _Arnljot Gelline_ een mooi gedicht, wanneer men er maar in
+zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan
+stemmingen rijken dichter.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 14: Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een
+vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven,
+_Fjeldeventyret_, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en
+zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt
+thans nog wel met succes gespeeld.]
+
+[Footnote 15: Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van
+1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13e eeuw Snorri
+Sturlason.]
+
+[Footnote 16: _De Unges Forbund_ is van 1869, dus drie jaar ouder dan
+_Kejser og Galilaeer_. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de
+historische studien voor zijn groot drama bezig.]
+
+
+
+
+3. _Het hooggespannen Idealisme_.
+
+
+In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot
+voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de
+jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog
+meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door
+politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en
+werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen.
+
+De romantiek had de poezie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den
+helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men
+wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote
+gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die
+nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de
+maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de
+dichters konden die vormen, zooals zij wilden. Maar voor dichters, die
+niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met
+de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren
+verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat
+van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zoo deden eigenlijk van
+den beginne af die poeten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde.
+Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan
+was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf
+der geidealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een
+veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. _Dat_ hij hem ging,
+ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het
+geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De
+wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen
+van 1864 bepaald.
+
+Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in
+1862 gedaan; reeds _Kaerlighedens Komedie_ toont de beginnende reactie
+tegen de romantiek, die in _Brand_ en _Peer Gynt_ wordt voortgezet.
+
+'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek
+geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof,
+dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als
+Ibsen is, houdt hij nog de geidealiseerde personen voor de normale,
+maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het
+conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en
+Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar
+geplaatst in een nieuw daglicht,--dat van heden. Van des dichters
+standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek
+is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte,
+als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van
+den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas in _Peer Gynt_
+laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek
+gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een
+overgang van het historisch-romantisch drama naar het met _De Unges
+Forbund_ beginnende realistische drama. Van eene zijde vertegenwoordigen
+zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den
+achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme.
+
+In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie
+genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis
+vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke
+kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke
+gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene
+maatschappij van halve menschen?" In het realistisch drama draait de
+dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van
+menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's
+gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen
+geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen
+tot de taal van het gewone leven, het proza, over.
+
+Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van _Kaerlighedens
+Komedie_ (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker
+verband aangenomen met den roman _Amtmandens Dotre_ van Camilla Collett
+(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk
+voor het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar
+het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en _Kaerlighedens
+Komedie_. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder
+(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige
+vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot
+een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en
+Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt,
+dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde
+Schjott in haar opstel over Camilla Collett).
+
+Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook de vraag, die gesteld
+wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht
+zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de
+liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het
+huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke
+conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet
+eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog
+opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn,
+het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan
+elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet
+lijden. Door deze gezichtspunten is _Kaerlighedens Komedie_ niet
+uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk
+gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe
+sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde
+langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en
+frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht.
+Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt
+overblijft,--zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de
+herinnering te bewaren--'voor de eeuwigheid te winnen', heet het
+hier,--liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen
+dit echter niet klagend, maar dankend: "Nu kan ik je _blij_ missen voor
+dit leven", is de afscheidsgroet.
+
+Het spreekt wel van zelf, dat _Kaerlighedens Komedie_ niet verstaan, en
+dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het
+stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor
+de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat
+was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten
+behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen
+vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook
+volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poezie maakt hier
+natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van
+poetische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt.
+
+_Kaerlighedens Komedie_ is echter niet alleen een hoog-romantisch
+gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild,
+wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar
+hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van
+verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang
+gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich
+in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het
+dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poezie,--ziedaar
+de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der
+vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter
+samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de
+bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding
+geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen
+niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de
+studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt:
+"dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd."
+
+De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen
+reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "een
+hoog, voor de vreugde van het leven, en een, die beneden trilt, diep en
+lang."
+
+Gansch anders is de stemming in _Brand_. Maar tusschen _Kaerlighedens
+Komedie_ en _Brand_ ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de
+werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet
+altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet.
+
+Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850
+ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de
+ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in
+den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting was gekomen, was
+van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een
+bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele
+patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere
+reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het
+Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam,
+een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de
+zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en
+Bjornson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden
+voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche
+tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten--al zulke,
+die het bestuur van het land aangingen--anti-Zweedsch. Maar deze dingen
+beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet
+meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden
+kwam te staan. Hier trok men een lijn en stelde men zich ook voor, als
+een man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme
+ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts
+eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en
+waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken
+en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in
+die jaren gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de
+gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling
+van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het
+ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich
+vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander
+naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in
+vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte
+zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde
+studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjornson tegenwoordig
+was.
+
+Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden
+doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon
+Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen,
+werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten,
+en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond
+echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten
+einde uitdrukking te geven aan meegevoel.
+
+Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en
+de pessimistische stemming doen rijpen, die in _Brand_ tot uiting komt.
+
+Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan,
+waarmee hij de gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op
+gewezen, dat in _Kongsemnerne_ de gedachte aan een in broederschap
+vereenigd Skandinavie herkend kan worden in Hakons groote
+koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds
+in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen
+oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den
+titel _Vaagner, Skandinaver!_, waarin onder anderen gewezen wordt op het
+gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht
+hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een
+Deensch-Noorsch studentencongres (_For Danmark_, Efterladte Skr. I, 87).
+In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, _En Broder i Nod_, zijn
+landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat
+is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864
+uit Rome: _Troens Grund_ (De Grond van het Geloof) bericht op
+sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo
+zegt hij, zijn oproep (d.i. _En Broder i Nod_) over zijn volk
+geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers
+over den val van Dybbol, over de jonge Noorsche vrijwilligers.
+Inderdaad, van een was een neef weggeloopen, een ander miste zijn
+handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa zat een
+oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid
+uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over _hem_ is
+zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog
+leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar
+zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger.
+
+Interessant is het gedicht _Til de Medskyldige_ (Aan de Medeschuldigen),
+een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen
+_Brand_,--een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel
+voert,--die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een
+positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij
+zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij
+zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met
+bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden
+hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben
+verzuimd, deze vraag te stellen:
+
+ "Kan den med Rette tage Arvens Skat,
+ som fattes Haanden, der skal Arven lofte?"
+
+ (Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die
+ de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?)
+
+Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren
+direct aan deze verzen uit Norges Daemring:
+
+ "Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen braender,
+ kan ei fortabes, er en hellig arv,
+ der falder renterig til Folkets Tarv,
+ naar det kan haeve den med voxne Haender!"
+
+ (Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet
+ verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten
+ goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen).
+
+In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat
+Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog
+op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders
+zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar
+handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou
+lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen
+blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich
+daarover scherp uit in zijn _Ballonbrev til en svensk dame_, waaruit ik
+alleen deze twee verzen citeer:
+
+ "Thi mod skonhed hungrer tiden,
+ Men det ved ei Bismarck's viden."
+
+ (Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's
+ wijsheid niet).
+
+En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872
+naar aanleiding van eene rede van Bjornson. Ook deze dichter had de
+gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen
+uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbol
+klaagde hij: _Da Norge ikke vilde hjaelpe_. In 1870 was men in
+Skandinavie zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning
+herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche
+overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen
+was, kwam Bjornson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest
+veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een
+verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een
+zelfstandig Noorwegen in Skandinavie en een zelfstandig Skandinavie in
+een groot Germanie. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten
+te houden. Deze omslag van Bjornson, door hem zeker eerlijk bedoeld,
+maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen
+pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef
+_Nordens Signaler_ (later opnieuw uitgegeven in Samlede Vaerker X, 567),
+een gedicht vol vlijmenden spot:
+
+ "Der er omslag ivente! klem paa med talerne!
+ Vejrhanen paa flojen har forandret signalerne."
+
+ (Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan
+ op den vleugel heeft de signalen veranderd).
+
+_Brand_ verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden
+te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de
+Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad
+heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de
+monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig.
+Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben,
+die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van
+den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen,
+waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke
+ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist
+pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken,
+die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in
+conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard
+is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het
+ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn
+personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit
+betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de
+predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor
+het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te
+danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een
+repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand
+tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het
+religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele
+monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker
+geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer
+klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze.
+
+Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze
+zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar een proseliet te
+maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te
+bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat
+deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking,
+nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen
+van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen,
+dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer
+hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het
+visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij
+weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke
+stem: 'Hij is deus caritatis'.
+
+Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat _Kaerlighedens
+Komedie_ een voorlooper van _Brand_ is. Hij heeft op deze plaats het
+oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het
+eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende
+tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles,
+wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in
+'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt
+aangetoond,--natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen.
+Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en
+karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het
+verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar
+ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog
+praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant
+heeft plaats gehad.
+
+Op _Brand_ volgt in 1867 _Peer Gynt_. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet
+afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen,
+maar hij voert het volk zelf ten tooneele in een typischen representant.
+Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de
+dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot
+grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip,
+'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te
+bemerken, achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is
+zich zelf genoeg, een egoist in plaats van een persoonlijkheid. Zijn
+levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde
+verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van
+zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid.
+Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit
+komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes,
+die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn
+gebruikt,--om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek
+rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche
+volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het
+hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen').
+
+In gelijke mate als van _Brand_ geldt van _Peer Gynt_, dat de dichter de
+stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de
+toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke
+overweegt; in _Peer Gynt_ kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere
+afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden,
+heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het
+beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt.
+Naast den spot treedt ook--in tegenstelling met _Brand_ een element van
+meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend
+individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het
+dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken
+en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift
+Neophilologus geschreven heb.
+
+Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van
+de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's
+is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de
+sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode
+voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot
+personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de
+dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze
+vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische
+slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze
+wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen.
+Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in
+waarheid beteekent hij den egoist; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die
+aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend
+geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en
+allegorie.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL.
+
+
+Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die
+in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van
+Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in
+bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet
+gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon
+zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect
+aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was,
+stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie
+waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal
+uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor
+het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De
+sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van
+zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid
+openbaarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit
+streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de
+vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen
+geheel-Noorsche taal.
+
+De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint
+met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor
+geinspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van
+Asbjornsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De
+vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert
+het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was
+hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe
+gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in
+belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de
+Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat
+verouderd was of daarvoor werd aangezien,--integendeel, zij gaf uiting
+aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu
+gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaiseering.
+Wanneer men tot dusverre schreef _lade, rige, lobe_, dan sprak men
+_late, rike, lope_, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden
+gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend
+had. Men begint nu op deze wijze te schrijven en brengt door deze
+archaiseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in
+andere gevallen.
+
+De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K.
+Knudsen, die schreef _Haandbok i dansk-norsk Sproglaere_ (1856). Tevens
+werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het
+belangrijkste werk, van denzelfden schrijver _Unorsk og Norsk_(1879-81).
+
+De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren,
+waarin Asbjornsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te
+nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen
+tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de
+stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en
+de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke eene door
+het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene
+taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een
+ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding
+gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die
+ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal
+provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel
+Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen.
+
+De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet
+hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en
+zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen
+in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal,
+die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch.
+Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die
+autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal.
+
+Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het
+cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van
+kunstmatige talen mag zeggen--deze kunstmatige taal is eene levende
+geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op
+zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is.
+Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid,
+die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is,
+maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende
+streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de
+eenheid der Noorweegsche dialecten.
+
+Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht
+hebben. Maar niet alleen hun energie,--niet minder hun genie. Want het
+verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor
+het grootste deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan
+een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner
+gedachten gemaakt hebben.
+
+De schepper van het landsmaal is eigenlijk een man geweest, Ivar Aasen,
+een boerenzoon uit Zuid-More (een landschap op de Westkust), die zijn
+jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde
+Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten
+zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder
+hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de
+voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken
+_en geschreven_ werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht.
+Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde
+hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van
+de Noorweegsche volkstaal: _Det norske Folkesprogs Grammatik_ (1848, in
+tweede uitgave van 1864 betiteld _Norsk Grammatik_), waarop een
+woordenboek volgde: _Ordbog over det norske Folkesprogs_ (1850; later
+_Norsk Ordbog_ 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten
+opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene
+taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit
+andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon
+worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften
+gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen
+voor 'maalstraev' (_straev_, het streven, werken voor iets), en het doel
+werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen
+burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen.
+
+Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het
+landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het
+bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in
+nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou
+zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden
+dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem
+van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen:
+aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide
+talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen
+het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal)
+den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is.
+Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan
+opnieuw. De taal, die de meeste concessies doet, is het bymaal; de
+laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in
+spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het
+landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van
+een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene
+taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen
+en van vele kansels en in meer dan een theater gehoord wordt.
+
+De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader
+aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn
+taalhistorische studien in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij
+heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal
+wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die
+het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche
+dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaiseeren, die
+voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote
+autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het
+landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in
+poezie als door de genoemde archaistische tendenties behield deze taal
+een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was
+Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens
+een eerste poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de
+gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik
+van Westlandsch dialect kwam daarna Fjortoft op, een politiek schrijver
+van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn
+dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande
+contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal
+ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad _Fram_ (1871-73) een dialect uit
+Zuid-More, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske
+(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden
+zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de
+groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak
+Westlandsch, maar al wat archaistisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal
+is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is
+echter in het landsmaal nog niet bereikt.
+
+Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen.
+Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor
+onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en
+is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in
+landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden
+wetsvoorstellen in beide talen ingediend.
+
+Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige
+opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn
+originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder
+hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een
+tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal
+Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen
+ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een
+_husmand_, d.i. een kleinen boer, die op een _plads_ (kleine
+boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij
+opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een
+boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg.
+Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den
+krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man,
+die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij
+den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering
+mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft.
+Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren,
+is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den
+cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al
+hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft,
+tot de bekwaamste mannen van het land behoort. Die kennis echter
+vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij
+bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er
+ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is
+hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij
+geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven.
+Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt
+in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken
+oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van
+het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader
+aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke
+sympathieen, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden.
+Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van
+zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op
+rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik
+zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer
+geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op
+politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem
+aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere
+wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van
+goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zoo, dat hij geen aanstoot
+geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen
+subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en
+plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door
+zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot
+eenzaamheid gedoemd, en zoo geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur
+voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij
+daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft
+hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen
+deed hij een heftigen aanval op de regeering--en werd ontslagen.
+
+Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt
+niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat
+dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij
+gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon
+verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon
+zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren
+optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken
+geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven,
+die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de
+lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een
+humorist.
+
+Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van
+Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let
+op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest
+bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling
+en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven.
+Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin
+is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken.
+
+Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870
+verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen
+gevuld heeft, _Dolen_ ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle
+denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij
+had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen,
+van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen.
+
+Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig
+onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van
+wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en
+wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws
+had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij
+toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het
+zijn die gevoelsinhouden, die stijl, die eigenaardige combinaties, die
+humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke
+geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier
+geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche
+plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu
+toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door
+kende. _Dolen_ werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan.
+Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad
+moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige
+maanden, wanneer men hem dood waande, stak _Dolen_ dan plotseling weer
+het hoofd op.
+
+Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige
+kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd
+is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd
+komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon
+hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan
+tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaische werken
+staat hier bovenaan _Ferdaminni_ (Reisherinneringen), een boek, dat
+eerst stuksgewijze in _Dolen_ is verschenen. _Ferdaminni_ is de
+beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860
+maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt hier
+op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's
+Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien
+dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde
+verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan
+zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn
+geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed
+dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd
+werd.
+
+Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate
+onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken
+uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjornson's _Arne_ (de tweede
+dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in een verwijt
+heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjornson
+de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de
+stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met
+dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat
+Bjornson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het
+verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een
+_husmand_, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als
+dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen de
+boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de
+predikanten behooren, uit wier stand Bjornson is voortgekomen, een kring
+met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij
+niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd
+billijk beoordeeld, maar wanneer hij in _Ferdaminni_ en elders hun
+zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen
+romantiek.
+
+Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook
+zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat
+hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan
+ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit
+onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's _Brand_. In de
+dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten
+tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters
+hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in
+dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet
+den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te
+zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat
+eerst naar eene vignetteekening den naam _Manden_ (De Man) kreeg en
+later omgedoopt is tot _Andhrimnir_ (de naam van den kok in Valholl).
+Dit blad was een navolging van het Deensche blad _Corsaren_, dat door
+Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op
+harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin
+omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover
+oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers
+ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen.
+Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden
+af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke
+toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche
+waardeering was er ook niet. In _Peer Gynt_ ontmoeten wij Vinje als
+Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der
+orangoetangs te spreken. Toen _Brand_ verscheen, heeft Vinje dit
+dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar
+op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte
+farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan.
+"Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een
+paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel;
+Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over
+Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon
+hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden
+hebben niet nagelaten, in zijn kritieken op _Arne_ en op _Brand_
+uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het
+geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands
+drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel,
+is het gevolg van meer dan een oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die
+hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren,
+dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich
+begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond
+alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was
+van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna
+identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel
+landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten,
+kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn
+tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch'
+schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te
+hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al
+spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair
+succes.
+
+Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in
+aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is
+het wel, dat iemand zijn leven geeft voor een denkbeeld, dat in de
+practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje
+zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door
+geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere
+gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er
+dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar
+voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte
+is hem te abstract.
+
+Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat,
+wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als
+litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent
+practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters
+konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest
+verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder
+grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting
+alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt
+samen met zijn beter inzicht in de realiteit.
+
+Vinje's belangrijkste levenswerk--men moge het prijzen of laken--is dat,
+wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor
+geijverd,--dat is een ding, maar vooral--hij heeft het gebruikt, en hij
+heeft het zoo gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noorweegsche
+letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest.
+
+Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver
+kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls
+begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te
+geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming
+verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele
+gedichten, waarin eene stemming tot uiting komt en tot het einde toe is
+volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de
+zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden,
+die opgenomen is in zijn gedichtencyclus _Storegut_.
+
+Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de
+hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is.
+Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast _Ferdaminni_,
+Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot
+de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus
+_Storegut_. Wat de compositie betreft, kan men _Storegut_ vergelijken
+met _Arnljot Gelline_ of met Runeberg's _Faenrik Staals Saegner_: het is
+een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een
+historische persoon of gebeurtenis. Voortgang is er eigenlijk niet in
+het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed
+zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat
+de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de
+karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk
+en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij
+kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een
+valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij
+voor het meerendeel stemmingen van een persoon schilderen. En er zijn
+ware meesterstukken onder.
+
+Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan
+schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie
+als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan
+men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt
+gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij
+in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in
+dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook
+oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het
+inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te
+verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe
+ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef
+geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo
+subjectief als Vinje, die _Brand_ voor een farce aanziet, geen
+psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen
+theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op
+wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama
+geschreven, _Olav digre_, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de
+proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men
+zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft
+kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet
+kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de
+grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naiveteit, waaraan
+wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die
+aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant
+genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let
+op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft.
+
+Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is.
+De stukken, die gereed waren, heeft hij in _Dolen_ uitgegeven. _Staale_
+heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een
+onafhankelijk man, die zijn eigen weg gaat, in de maatschappij
+mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn
+omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt
+toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen
+vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort
+schiet. _Staale_ is dan ook veel minder gelukt dan _Storegut_.
+
+Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland
+in: _Bretland og Breterne_. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje
+nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes
+in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland
+toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te
+bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor
+zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de
+tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen
+land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op
+den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden,
+waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen
+opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende
+bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maatschappij. Maar door
+zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten--de
+Times liet zich zeer onvriendelijk uit--, en daarmee was zijn uitzicht
+op succes in den vreemde afgesneden.
+
+Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet
+gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele
+vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een
+dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als
+zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten
+niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over
+hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar
+bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag
+gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht:
+men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem
+gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was
+uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat
+hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft.
+Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij
+geschreven heeft, maar _hoe_ hij geschreven heeft, eerst in bymaal,
+daarna--het meeste en het best--in landsmaal. Die beteekenis zal pas
+algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal
+bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen
+is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen
+voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te
+heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen,
+dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen,
+want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+HET REALISME.
+
+
+Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de
+idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de
+practijk, maar ook in de poezie noodig was, rekening te houden met de
+wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen
+zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken
+periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu
+invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk,
+waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden
+dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en
+begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der
+Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het
+geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de
+litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat,
+godsdienst. In Denemarken doet de nieuwe richting haar intocht in de
+epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire
+voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen
+en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land
+is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere
+generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige
+periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjornson
+zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep
+romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn.
+
+Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan
+beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt
+wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die
+litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd
+in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw
+is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel
+afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad
+van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken,
+is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat
+de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de
+waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt
+is, dit doel te bereiken. De leus kon trouwens gepaard gaan met andere
+leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd
+waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men
+in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet
+plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie
+debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich
+zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het
+standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers
+van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin,
+dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is.
+Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,--en dat hebben alle
+dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch
+altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die
+voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee
+richtingen ontwikkelen. Of men gaat den eisch van het realisme steeds
+strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid
+nabij te komen,--het zoogenaamde naturalisme,--of men laat het realisme
+als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel,
+dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat.
+Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten.
+
+Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet
+op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar
+aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd
+had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813
+is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven
+van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is
+zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste
+boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek.
+
+Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige
+jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een
+anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar
+geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de
+ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt
+zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd,
+waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere
+clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor
+Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in
+rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's
+tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in
+levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, heeft zij
+sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven.
+
+Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad
+(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte
+vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in
+1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in
+1855 haar hoofdwerk _Amtmandens Dotre_, het eerste der talrijke Noorsche
+boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze
+maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de
+litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met
+tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: _Fortaellinger_
+(1861), _I de lange Naetter, Sidste Blade_ (3 verzamelingen 1868-73),
+_Fra de stummes Leir_ (1878), _Mod Strommen_ (1879). Op den duur neemt
+zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar
+eerste roman opkwam voor de liefde--in plaats van conventie--als
+grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande
+verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den
+voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de
+schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op
+en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek
+in het potsierlijke; mannen als Goethe en Byron vinden weinig genade in
+haar oogen.
+
+Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek
+_Mod Strommen_ (Tegen den Stroom) mocht eerder _Med Strommen_ heeten;
+toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de
+vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor
+modern wilden doorgaan.
+
+Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870,
+als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een
+probleem debatteert'.
+
+Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit
+het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de
+werken van Asbjornsen, Ostgaard en enkele anderen. Voorts een deel van
+Vinje's geschriften en Bjornson's boerennovellen, die echter weinig
+realistisch waren. Nu zou het anders worden.
+
+Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van
+den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn
+eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist.
+Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn,
+en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als
+zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn
+'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en
+bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen,
+zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere
+werken. Kritiek op de maatschappij--een der hoofdpunten van het jonge
+programma--komt bij hem reeds in 1862 voor in _Kaerlighedens Komedie._
+Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later.
+Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden
+geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot
+uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het
+maatschappelijk leven. In _Kaerlighedens Komedie_ is het nog een
+bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de
+maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn
+Falk en Svanhild een utopie. In _En Folkefiende_ daarentegen is de held
+een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,--wat
+alle anderen ook zeggen te willen,--en die met zijn omgeving in strijd
+raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase
+is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing
+van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld
+der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is
+het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische
+stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch
+leven, het proza, gekozen wordt, en dat de personen meer
+geindividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en
+deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een
+enkele repliek kent.
+
+Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is _De Unges Forbund_ van 1869.
+Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het
+vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die
+hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte
+het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote
+politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en
+kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale
+en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft
+de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde
+physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van
+twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde
+menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier
+dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de
+verontwaardiging van Bjornson over het stuk; het waren zijn eigen
+phrases en zijn naief zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden
+gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjornson niet eerlijk
+was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geergerd[17]. En
+hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van
+eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend[18].
+
+Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral
+vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant,
+staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den
+samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil
+van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten
+een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen;
+tegen dit verbond--het ware verbond der jongeren.--is de vooze demagogie
+niet bestand.
+
+Men heeft Ibsen verweten, dat hij in _De Unges Forbund_ zich tegen 'de
+partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld
+Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. Ibsen zou in dit stuk de
+woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van
+dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk.
+Geen ding toont misschien duidelijker dan _De Unges Forbund_, hoe ver de
+dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het
+komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en
+heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist
+de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is
+volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter
+verwachtingen had van de oude aristocratie--mits deze zich vernieuwde.
+Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening
+uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die
+hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren.
+
+Tusschen _De Unges Forbund_ en _Samfundets Stotter_ liggen acht jaar
+(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met _Kejser og
+Galilaeer_, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken
+is.
+
+Met _Samfundets Stotter_ (1877) begint een ononderbroken reeks moderne
+drama's. Weldra volgen _Et Dukkehjem_ (1879), _Gengangere_(1881), _En
+Folkefiende_ (1882), _Vildanden_ (1884). In al deze stukken wordt de
+werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt
+ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een
+samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij
+een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na
+jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste
+pessimisme.
+
+In _Samfundets Stotter_ geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in
+een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en
+het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich
+wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil
+tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer
+verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend
+heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken;
+Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit
+andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en
+dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een
+onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen
+tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen
+vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft
+liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om
+Bernick's geweten wakker te schudden. Zoo groot is het geloof van den
+dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het
+ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het
+blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip
+wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt
+Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te
+huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den
+waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de
+geesten van waarheid en vrijheid.
+
+Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar
+realist, toch ook nu nog als van ouds ideeendichter is. De gedachte is
+zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",--abstracter
+kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt
+van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men
+bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest
+wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had
+een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met
+haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar
+ieder aan alle zijden door egards gebonden was, gemakkelijker haar
+onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw,
+die alleen naar de stem van haar hart luistert en zich aan geen enkele
+consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert
+tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in
+dezen zin zijn reeds Aurelia in _Catilina_, later Solvejg in _Peer
+Gynt_. En Ella Renthejm in _John Gabriel Borkman_ behoort tot dezelfde
+categorie.
+
+Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene
+maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal
+onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak,
+die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. _Et
+Dukkehjem_ is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen
+opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting
+teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid
+niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat
+noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de
+moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap
+terug te houden.
+
+In _Gengangere_ is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer
+met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die
+aan _Et Dukkehjem_ ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper
+stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig huwelijk
+leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en
+zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar
+huwelijk uit te blusschen.
+
+Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den
+dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de
+courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin
+zich zulk een frissche strijdlust openbaart als _En Folkefiende_. De
+ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd
+aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar.
+Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is
+menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op,
+maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man
+verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der
+badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij
+de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden,
+maar alle partijen, conservatief en radicaal,--anders elkanders gezworen
+vijanden,--vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen.
+Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van
+de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de
+oppositiepers werken broederlijk samen, om Stockman onmogelijk te
+maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met
+uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk.
+Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een
+nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld
+hij is, die het meest alleen staat.
+
+De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman
+zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en
+evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zoo waar geteekend,
+als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het
+karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in
+het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de
+menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met
+het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjornson. Den zedelijken moed
+hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de
+vergaderzaal is die van Bjornson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het
+uitdrukt, aan Stockman Bjornson's stem gegeven. Ook de overige personen
+zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de
+kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing,
+de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en
+wiens originaliteit hierin bestaat, dat hij er een 'gud dode mig' aan
+toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in
+wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van
+zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele
+karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet,
+Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood,
+als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet,
+welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien,
+dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel
+der echtheid.
+
+En dan komt _Vildanden_ (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat
+Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch
+geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant
+van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale
+figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht,
+waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van
+een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt.
+De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt:
+"mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord
+idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens," en die
+verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem
+je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed
+genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons
+arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen
+moet de dichter van _Brand_ gehad hebben, voor hij zoo iets schrijven
+kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag
+over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken
+helpt niet; de poeet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in
+Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat
+hij de dertiende man aan tafel is.
+
+En toch--het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof
+verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en
+geincarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene
+vrouw, die zit te wachten op het wonder,--dat een ander verrichten
+zal,--maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe
+edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het
+bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel
+heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zoo staat ook in
+_De wilde Eend_ een ideale figuur, die aan een zaak alles offert,
+tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in phrases is
+ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt
+hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer
+maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als
+offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan
+den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal;
+in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele
+gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van _Vildanden_ het
+geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend
+drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden.
+
+Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter
+behandelde dan een zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zoo levende
+personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest.
+Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij
+naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik
+mode was, maar omdat hij de menschen zoo zag. En wat de
+'problemenpoezie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen
+behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd
+is zijn poezie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom
+zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur van
+den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn
+toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen
+reflecteert zich het menschelijke.
+
+In dezelfde periode ging Bjornson over tot de behandeling van
+maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het
+lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het
+meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben
+zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar
+daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjornson was als
+kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij
+ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid
+gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan
+zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij
+veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land,
+en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche
+levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd
+een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken,
+novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is
+zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in
+volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke
+werkkracht. Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de
+wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een
+eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjornson gehad
+heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die
+hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt
+Bjornson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hem nieuw zijn, te
+populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene
+verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook
+zijn kunst ondergeschikt.
+
+Een voorlooper van Bjornson's 'nutidsdramer' is _De Nygifte_ (De
+pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter
+levendige scenes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom
+begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren:
+_Redaktoren_ en _En Fallit_ (1875), _Kongen_ (1877), _Leonarda_ (1879),
+_Det ny System_ (1879), _En Hanske_ (1883), _Over AEvne_, I (1885), II
+(1895), _Geografi og Kaerlighed_ (1885), _Paul Lange og Tora Parsberg_
+(1899), _Laboremus_ (1901), _Paa Storhove_ (1902), _Daglannet_ (1904),
+_Naar den ny vin blomstrer_ (1909). Vertellingen uit dezelfde periode
+zijn: _Magnhild_ (1877), _Kaptejn Mansana_ (1879), _Stoev_ (1882), _Det
+flager i Byen og paa Havnen_ (1884), _Paa Guds Veje_ (1889), _Nye
+Fortaellinger_ (1899), _Mary_ (1906).
+
+In bijna al deze stukken maakt Bjornson zich tot advocaat van een of
+andere meening of waarheid,--dikwijls eene zeer juiste,--die, naar hij
+meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de
+noodzakelijkheid van opvoeding in _Det flager_, van verdraagzaamheid in
+_Paa Guds Veje Kongen_ is een preek over het thema, dat de republiek de
+eenig juiste regeeringsvorm is. _En Hanske_ handelt over de
+geslachtsmoraal. De dichter is hier zoo vervuld van de leer, die
+gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over
+hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot
+breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjornson niet
+alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie
+bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet,
+kan diezelfde naiveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit
+de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen
+ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjornson ongetwijfeld voor een groot
+deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn
+behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil
+gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen
+en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjornson
+gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als koeien, die
+iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen
+de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer
+de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan
+is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de
+tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan
+vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat
+hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het
+schellinkje, zeer gewaardeerd.
+
+Maar wanneer men het eerste gedeelte van _Det flager_ leest, waarin
+Bjornson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de
+gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze
+schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene
+situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het
+verlichtingswerk van Bjornson niet noodig hebben, en die in vreemde
+litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het
+Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter
+als Bjornson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de
+schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van
+godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw
+ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven
+hiernamaals, terwijl dat plotseling anders wordt, zoodra Bjornson ca.
+1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat
+het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop
+plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der
+orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders
+wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen
+kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een
+groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjornson's poezie
+duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat
+nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in
+aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in
+Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjornson gehecht wordt. En
+dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het
+oordeel speelt de liefde eene rol,--en de liefde is naijverig.
+
+Jonas Lie (1833--1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede
+helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is,
+wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het
+Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de
+overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo
+stamt Lie in drie leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit
+het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook
+Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde
+Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder
+poetischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van
+denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen
+heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur,
+die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden,
+in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur
+maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poezie vinden ook in het
+dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zoo ver, dat
+hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om
+deze te objectiveeren.
+
+Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd
+voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die
+bij herhaling als poetische motieven in zijn werken terugkeeren. Als
+zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in
+Tromso, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die voor hem
+in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht
+Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen
+een goede vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn
+poetischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn
+leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen
+aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote
+handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de
+angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan.
+
+Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen
+te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg
+geinteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit
+zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij
+de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd
+dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te
+vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van
+het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter
+geheel doet ontwaken, is zijn faillissement.
+
+Toen Lie zijne eerste vertelling _Den Fremsynte eller Billeder fra
+Nordland_ (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland)
+uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de
+litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op
+zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt hoofdzakelijk in den vorm van
+een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens
+zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het
+Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt eene zijde
+van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke,
+zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst;
+zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke
+behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd
+hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in
+de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de
+alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en
+David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor
+hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar
+de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer
+hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij
+niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft
+geput, om het leven vol te houden.
+
+Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel
+romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als
+een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst
+belangrijk is, maar toch als een zieke, niet als een wezen van hooger
+orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaischen mensch verborgen
+blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet
+in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk
+leven te kort schiet.
+
+De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het
+dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst
+opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van
+zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek
+daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins
+misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene
+zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met
+mythische wezens als _nokken, draugen, tomtegubben_, en hoe zij meer
+mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn
+deze wezens poetisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd
+met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken.
+Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die
+in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw
+hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen
+schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze
+teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden.
+
+Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op.
+Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf.
+Misschien heeft hij in _Den Fremsynte_ voor goed of voor langen tijd
+afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij
+zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed
+van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten
+_Dyre Rein_ (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is.
+Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in
+den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt
+zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het
+huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven.
+
+Met _Den Fremsynte_ had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt.
+Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost
+heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel
+achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker--niet in
+ieder--opzicht voorstudien voor zijn latere meesterwerken. _Den
+Fremsynte_ was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte
+hij nog niet geheel, en vooral--hij had zich nog niet dien bijzonderen
+stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij schreef,
+zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie
+weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver
+van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne
+ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te
+schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een
+propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen
+van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren,
+waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode
+geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder
+zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn
+talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft
+ingenomen.
+
+De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met
+_Familien paa Gilje_ zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft
+hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn
+vooreerst zijn schipperromans _Tremasteren Fremtiden_ (1872), _Lodsen og
+hans Hustru_ (1874), _Rutland_ (1880), _Gaa Paa_ (1882). Deze sluiten in
+zooverre bij _Den Fremsynte_ aan, als zij schilderingen bevatten uit het
+leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter
+zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze
+boeken een gebeurtenis in de Noorsche litteratuur; er wordt een nieuw
+gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het
+onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen.
+Hij kent hen van kind af aan.
+
+Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling
+speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het
+zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het
+huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken,
+waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze
+periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd
+worden: _Thomas Ross_ (1878), _Adam Schrader_ (1879), _Livsslaven_
+(1883). Een eerste dramatische proeve is _Grabows Kat_ (1880). Een
+afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht
+_Faustina Strozzi_ (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan
+de geschiedenis (Italie's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de
+kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poetisch werk niet
+van groote beteekenis.
+
+Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: _Familien paa Gilje_ (1883),
+_En Malstrom_ (1884), _Otte Fortaellinger_ (1885), _Kommandorens Dotre_
+(1886), _Et Samliv_ (1887), _Majsa Jons_ (1888), _Onde Magter_ (1890),
+_Trold_ (2 verzamelingen novellen 1891-2), _Niobe_ (1893), _Lystige
+Koner_ (1894), _Naar Sol gaat ned_ (1895), _Dyre Rein_ (1896),
+_Lindelin_ (1897), _Faste Forland_ (1899), _Wulffie & Comp_ (1900),
+_Naar Jernteppet falder_ (1901), _Ulfulgerne_ (1904).
+
+Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde
+motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering
+deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in
+vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den
+dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een
+nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde.
+
+Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen _(Lodsen og hans Hustru,
+Gaa paa_) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te
+kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een
+positie weet te verschaffen. In _Gaa paa_ is het een jonge man, die in
+armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder
+eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in
+den beginne en het besluit, het niet op te geven.
+
+_Thomas Ross_ vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad
+heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan
+het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het andere. Hij geraakt in
+bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een
+bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door
+een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot
+met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten.
+Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij
+gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de
+tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te
+houden.
+
+Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in _Faste
+Forland_, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van
+anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de
+ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde.
+Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist
+inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en
+hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden,
+maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste
+wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet
+bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn
+stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een
+badplaats om te scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel
+der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de
+financieele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij
+aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een
+dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het
+badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een
+badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door
+zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn
+plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die
+hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij
+haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem
+geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te
+gemoet, en nu wordt Faste dichter.
+
+Het klinkt als een sprookje--en toch is het werkelijkheid. Ook de
+mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den
+bijstand van Thomasine.
+
+Het hoofdmotief van _Faste Forland_ is de mislukte onderneming en het
+faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een
+faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het
+hoofdmotief in _En Malstrom_, en het neemt een gewichtige plaats in in
+_Et Samliv_ en in _Niobe_. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede
+de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer
+eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te
+schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van
+zeer verschillende zijden. In _Faste Forland_ is de slechte zakenman
+toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf
+niet gekend heeft; in _En Malstrom_ en _Niobe_ ontmoeten wij twee
+variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van
+zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur),
+in _Et Samliv_ is het de familievader, die op het punt is, in den
+ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en
+kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom
+aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den
+genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door
+een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet
+ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld
+worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie
+is hier midden in de 'problemenpoezie' geraakt; de vergelijking met
+anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in
+aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in de
+litteratuur in de mode; zoowel Bjornson als Kielland hebben het
+behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze.
+Voor Kielland (in _Fortuna_) is het faillissement de onverantwoordelijke
+daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de
+schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen,
+valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets
+dan gemeenheid en laagheid. Er komen in _Fortuna_ prachtige bladzijden
+voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk
+geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders
+Bjornson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene
+maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk,
+dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen.
+Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is,
+maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of
+de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn
+gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is
+tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig
+samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den
+bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den
+man, noch de daad, maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft,
+kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zoo gaan moest, als
+het is gegaan.
+
+Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo
+groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij
+Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan een van zijn boeken zou
+men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een
+belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw.
+Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van een
+eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en
+hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun
+naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden,
+vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft
+hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste
+karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de
+liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven
+ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities
+zijn onder anderen Susanne in _Den Fremsynte_, Bera in _Faste Forland_,
+Ely Falk in _Adam Schrader_, Ellen in _Naar Jernteppet falder_. Op het
+juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te
+handhaven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij,
+die niet kan geven, wordt de egoiste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al
+deze typen heeft Lie geschilderd, zoo dat zij lijken.
+
+De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het
+grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat
+hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans
+den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (_Livsslaven_, waar
+de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie
+van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal
+dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het
+sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt.
+
+In _Lodsen og hans Hustru_ bestaat voor de verdenking eenige aanleiding,
+en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien
+jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in
+dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem
+niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste
+weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De
+omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar
+onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn gebrek aan
+vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in
+dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge
+mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man,
+die zoo lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal
+vallen, voortaan met parlement te regeeren. In _Adam Schrader_ is het
+conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt
+hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is
+een goed huisvader, maar prozaisch; de vrouw is muzikaal; een vriend van
+den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied
+der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch,
+maar het karakter der vrouw is zoo oprecht en flink, dat aan haar deugd
+geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink
+de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek
+behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel
+van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden
+weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere
+wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij _Adam Schrader_ schreef.
+Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig
+is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in _Naar Sol
+gaar ned_. Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de
+vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man,
+een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij
+wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar
+het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn
+levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie.
+Maar de eer van zijn huis heeft hij gered.
+
+Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne
+alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans
+heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood.
+Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan.
+
+Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken _Naar
+Jernteppet falder_ in een der talrijke parallel loopende vertellingen
+van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een
+oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige
+lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel
+geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren
+wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan
+boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe
+kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis
+van het gemoed zijner vrouw. Wat gaat er in haar om? Wat verbergt zij
+voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag
+neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van
+angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is;
+wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt,
+gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het
+schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten
+geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag,
+wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een
+weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene
+rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent,
+zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell
+weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij
+bij haar was,--thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en
+met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu
+kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij
+tegenover haar uit, dat _zij_ het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De
+twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord
+daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt.
+De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopenbaard; het
+gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat
+waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte
+in een geheel modern kleed.
+
+Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts
+een tooneelstuk, _Lystige Koner_, is op dit motief opgebouwd. De
+behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt
+niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar
+plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis
+van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het
+er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal
+opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie
+het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg.
+
+Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter
+is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk
+de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij
+geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt.
+Zulke zijn: de Kaptein in _Familien paar Gilje_, Mads Foss in _En
+Malstrom_, de directeur in _Onde Magter_. In zulke families vinden wij
+huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in _Familien paa
+Gilje_, misschien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de
+Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van
+gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden.
+
+Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de
+vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge
+geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de
+dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen
+eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan
+zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere
+beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna
+altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te
+keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van een van beide. Bij de
+jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat
+het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden
+een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk
+geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren,
+wanneer zij zwak zijn en toegeven. In _Rutland_ wil de jongen naar zee.
+De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil
+dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en
+verzoent zich later met den vader. Dit is het gunstigste verloop. In
+_Familien paa Gilje_ moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit
+de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in _En Malstrom_ is het nog
+erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in
+_Kommandorens Dotre_, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het
+de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg
+staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in
+die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend,
+waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen
+drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn.
+
+Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses
+van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt
+niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen
+zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een
+gezin is dat van Dr. Baarwig in _Niobe_.
+
+De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp
+van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot
+hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen
+misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij
+zelf behoort tot de hoogere klasse, maar sedert zijn kindsheid heeft
+hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft
+hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een
+der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich
+onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is.
+Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principieele
+vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen
+ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide,
+gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen
+heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de
+sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een
+schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in
+dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten _Livsslaven_, uit
+de eerste periode, en _Majsa Jons_, een van zijn rijpste werken.
+_Livsslaven_ is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode,
+die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en
+niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot
+misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die
+daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder
+wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer
+een--nog eenigszins sentimenteele--poging, om meegevoel met den
+onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der
+standen. Veel belangrijker is de historie van _Majsa Jons_, het
+naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen
+bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van
+familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij
+niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het
+onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in
+de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid,
+die zij uit de schipbreuk van haar leven redt.
+
+Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen
+zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene
+verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden,
+ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de
+vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot
+deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een
+fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het
+al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen
+zij een ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel,
+waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist.
+
+Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het
+familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine
+vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee
+bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in
+zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is.
+Zij doen het meest denken aan de spookhistorien uit _Den Fremsynte_.
+Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele
+jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu
+ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire
+natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast
+elkaar staan stukken als _Moskenaesstrommen_, waarin natuurkrachten
+gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt,
+_Bylgja_ en _Kvaernkallen,_ die de mystieke indrukken schilderen, welke
+de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als _Hauk
+og Hadding_, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in
+den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm
+speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met
+name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch,
+onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort
+besproken roman _Dyre Rein_. Interessant is in dit licht ook de korte
+novelle _Ostenfor Sol og vestenfor Maane_, waar tusschen de
+hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken
+voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en
+dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zoo, meent de dichter, is het ook
+onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar
+daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is
+noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die
+talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan
+egoisme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die
+de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid--en
+moraal--proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan.
+
+Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor
+hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van
+den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn
+overige productie. Zijn tooneelstukken _Grabows Kat, Lystige Koner,
+Lindelin, Wulffie & Cie_, ofschoon niet van belang ontbloot, staan
+verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, _Faustina
+Strozzi_ en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie,
+maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren
+echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters
+persoon.
+
+Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen
+hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest,
+zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen,
+als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor
+en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke
+koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het
+gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student,
+nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere
+verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als
+advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien
+tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij
+reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine
+schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn
+werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken,
+_Novelletter_, dan romans, in een adem door (daartusschen enkele
+tooneelstukken): _Garman og Worse_ (1880), _Nye Novelletter_ (1880),
+_Arbeidsfolk_ (1881), _Else_ (1881), _Skipper Worse_ (1882), _To
+Novelletter fra Danmark_ (1882), _Gift_ (1883), _Fortuna_ (1884), _Sne_
+(1886), _Tre Par_ (blijspel 1886), _Bettys Formynder_ (blijspel 1887),
+_Sanct-Hansfest_ (1887), _Professoren_ (blijspel 1888), _Jacob_ (1891),
+eindelijk een bundel kleinere opstellen _Mennesker og Dyr_ (1892), een
+overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het
+voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan.
+
+Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat
+Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den
+inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En
+nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven
+had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig.
+Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen.
+Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij
+gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij.
+Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie
+was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel
+begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met
+een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En
+hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon.
+Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het
+publiek.
+
+Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat een modern dichter in 1880 te
+zeggen had,--kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine
+Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste
+kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet
+verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In
+Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen.
+En wat de poeten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen
+gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger.
+Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe
+verstand en den beweeglijken geest zich beengd gevoeld hebben. Hij zoekt
+geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van
+Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij
+moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil
+het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen,
+en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak
+stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger.
+
+En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft
+hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche
+romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een
+schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is.
+
+In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat
+hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is
+moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de
+bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar
+gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om
+zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook
+waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den
+duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten.
+In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem
+dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn
+anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als
+onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele
+onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn
+boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer
+persoonlijk adres[19]. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en
+satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets
+dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen
+samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er
+de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in
+artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889)
+redacteur is[20]. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de
+overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij
+voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen
+neer.
+
+Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken
+sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den
+dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt.
+Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft
+Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet
+uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in
+zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar
+aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet
+plebeisch, maar voornaam. Zoo is hij in staat, in _Garman og Worse_ een
+der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname
+familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil in de
+verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar
+vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in _Skipper Worse_
+diep door in het leven van de pietistische secte der Haugianen. In
+andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten,
+dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet
+objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht
+van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal,
+suggestieve kracht,--en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in
+hooge mate. Boeken als _En Sankt-Hansaften_ en _Jacob_ kan men
+beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets
+van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen
+toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al
+deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten.
+En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het
+daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal
+die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds
+in vollen gang.
+
+In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende
+gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een
+verkorte weergave van hetgeen ik hierover in 'De Gids' van Mei 1897
+schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en
+directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn
+eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De
+intrigue van _Garman og Worse_ berust op de tegenstelling tusschen de
+deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche
+beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end".
+Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van
+dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door
+zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der
+firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in _Arbeidsfolk_,
+maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier
+ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen
+vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra
+verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het
+bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de
+vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband
+daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen?
+
+Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En
+hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad
+voert, werd in _Garman og Worse_ reeds aangeduid. In _Else_ zien wij
+het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot
+lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis
+door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de
+uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking
+grooter wordt.
+
+Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere
+generatie, en hij schrijft _Skipper Worse_. De vergelijking voert tot
+het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding
+beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen
+goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven
+uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon
+de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even
+degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd?
+Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die
+voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook
+de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld.
+Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie
+Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse
+nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote
+plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het
+zijn zij, wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de
+Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de
+verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt,
+verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in
+geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door
+lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden,
+wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht
+maken. Nog een geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan
+een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog
+maar in hardheid tegenover den arme.
+
+Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het
+vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij _Gift_ (Vergif) te
+danken. _Gift_ is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men
+kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft,
+de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar
+polemiek tegen het Latijn is slechts eene zijde van het boek. De auteur
+verheft voor alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt
+door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen
+van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het
+zelfstandig oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van
+ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige
+geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht
+slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft.
+
+De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de
+oorzaak, dat hij op _Gift_ twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste
+heet _Fortuna_. De schooljongen uit _Gift_, Abraham Lovdal, die bij zijn
+confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in
+levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is
+hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen
+maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en
+waarvoor hij, Abraham Lovdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn
+windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken,
+zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en
+assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer.
+Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die
+de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en
+vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien.
+
+Eene voortzetting van _Fortuna_ is _Sankt-Hans Fest_. Maar daartusschen
+ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. Naast
+de school werd in _Gift_ de kerk geschetst als een der machten, die de
+zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoist
+maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen
+brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare
+dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op _Gift_ en
+_Fortuna_ volgt _Sne_.
+
+_Sne_ is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud
+en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der
+heiligen--de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden
+stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn
+preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de
+geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan
+bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en
+bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; _zijne_ hooge gedachten kan
+zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te
+zorgen valt. Daar zit hij--en wordt weerstaan door een jong meisje, dat
+van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de
+verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij--Johannes,
+die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der
+spotters niet is opgewassen, maar evenmin tegen den sterken wil van
+zijn vader, die Gabriele liefheeft en droomt van een verzoening tusschen
+het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Lovdal.
+Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook
+niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle
+reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets
+nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche
+stilheid, een rust als die des grafs.
+
+Dat is de gedachte, die _Sankt-Hans Fest_ beheerscht. Kielland laat hier
+de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren
+en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op:
+Abraham Lovdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit _Gift_ en
+_Fortuna_, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van
+schipper Worse, de jonge Garman, die aan _Garman og Worse_, de familie
+With, die aan _Else_ herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te
+gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag
+schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen
+Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren.
+De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen
+mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toegezegd,
+zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest
+bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en
+eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die
+zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de
+victualien, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst
+van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden
+georganiseerd heeft.
+
+In _Sanct-Hans Fest_ is als het ware eene essentie van Kielland's
+sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn
+vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en
+geextraheerd tot een enkelen druppel. Het is het _mene tekel_ over eene
+leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan
+vreugde verloren heeft.
+
+In _Jacob_ wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de
+gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen
+indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in
+Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het
+streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in
+het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar
+het platteland. Maar in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is,
+ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het
+onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren
+gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval
+niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene
+verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een
+wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie
+vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen
+ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de
+schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij
+van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door
+langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer.
+
+_Jacob_ is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt
+Torres Snortevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de
+eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren
+gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo
+heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom,
+en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal.
+Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te
+bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te
+zuigen. Hij maakt zich meester van al, wat in de stad te verdienen
+valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om
+zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien.
+Torres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs
+een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder
+gekomen was--neen voorwaar, dat was hij niet!--hij was niet verder
+gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij
+zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht."
+
+Als Torres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen
+met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te
+noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen.
+
+Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik
+hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Torres.
+In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest.
+Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij
+bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de
+belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over.
+En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde
+het roer boven en de stroom beneden aan." En Torres denkt er ook zoo
+over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle
+wijsheid van de wereld woog niet op tegen den kleinen katechismus, en
+dien kende hij--ha! ha! ha!--hij moest om zich zelf lachen.
+
+Daar had hij opgezien tegen Gustav Kroger en mijnheer Hamre en anderen,
+die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van
+rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren,
+en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen."
+
+Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte.
+Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn
+lans, en hij weet te treffen.
+
+Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de
+groep Lie--Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk
+heet _Farlige Folk_ (Gevaarlijke Menschen) (1881).
+
+Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die
+in 1882, dus slechts een jaar na Kielland, met haar eersten roman
+optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke
+problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de
+gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der
+menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden
+bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en
+daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij _Constance
+Ring_ (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen,
+samen eene familiegeschiedenis uitmakende: _Sjur Gabriel_ (1887), _To
+Venner_ (Twee Vrienden) (1887), _S.G. Myre_ (1890), _Afkom_
+(Nakomelingschap) (1898).
+
+In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog
+geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de
+aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de
+litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans
+Jaeger opzicht met zijn roman _Fra Kristiania Bohemen_. Men kan dit boek
+rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een
+maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er
+wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije
+liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt,
+is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt,
+en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij
+aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die
+dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de
+schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat
+sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel
+mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk maakte van
+schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was,
+daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver
+heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor
+hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier
+heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met
+een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek
+daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de
+regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij
+legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf
+veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er
+werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele boheme-litteratuur.
+Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor
+was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben
+aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de
+zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan een kunstwerk
+gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband
+ontmoeten. Maar Jaeger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot
+schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige
+schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met
+_Fra Kristiania Bohemen_. Hier is Jaeger's roman misschien minder een
+voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook
+zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het
+aankomend individualisme.
+
+Hans Jaeger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een
+zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben.
+Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook _Syk Kjaerlighet_ (Zieke
+Liefde) van 1893. Zijn laatste boek _Anarkismens Bibel_ is van 1910. Hij
+behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in
+de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om
+hemelstormers te worden.
+
+Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven,
+ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch
+tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste
+werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest
+ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad
+hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden.
+Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats
+als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de
+werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren.
+
+Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jaederen, het
+achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk
+van zijn roman _Fred_ (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van
+het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk
+slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest.
+Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te
+breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken,
+maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid
+verschaft had, weder tot zich trokken.
+
+De jonge Garborg heeft het leven op Jaederen leeren voelen op eene
+exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader
+aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de pietistische
+geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem
+bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en
+kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat
+hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze
+zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot
+deel van des dichters latere productie.
+
+Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een
+vroege en uitgebreide lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij
+schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan
+huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij
+pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met
+vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's
+'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen
+aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer,
+maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf.
+Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later
+ontving, van zijn pen geleefd.
+
+Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne
+meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een
+uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af,
+zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende,
+welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen
+wilde maken.
+
+De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet
+_Ein Fritenkjar_ (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel
+toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is
+nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van
+den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het
+religieuze denken, een der dingen, die in die jaren op het programma
+der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van
+kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te
+doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij
+ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man
+terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend
+predikant, die daarop bij zijne groeve--want de man overleeft dit
+weerzien niet--eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den
+schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een
+preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas
+twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had
+schuldig gemaakt.
+
+In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda
+voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het
+gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze
+weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef,
+was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van
+onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en
+spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En
+ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is
+in den zeer gebruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom
+gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te
+zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die
+hij 13 jaar later in _Traette Maend_ tweemaal maakt, waar hij twijfel
+oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden.
+Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der
+andere partij.
+
+Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg:
+_Bondestudentar_ (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste
+plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet
+meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die
+hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de
+schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de
+Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er
+hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij
+stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus
+naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een
+programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en
+geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen.
+
+Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke
+ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniel Braut, een
+boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere
+maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke
+mislukking van die poging. Wel brengt Daniel Braut zijne studie ten
+einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem
+steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen,
+door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden,
+in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan
+karakter in Daniel Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den
+strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te
+worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal
+afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis
+van Daniels vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar
+zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het
+zorgen voor den dag van morgen, immers:
+
+ "God geeft den zijnen kleeren en brood,
+ terwijl zij zachtelijk slapen."
+
+Daniel begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt,
+mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt
+een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de
+uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, dat
+de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de
+zijnen". "De zijnen",--dat zijn de burgemeester en de commissaris van
+politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij
+zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat
+wordt het ideaal van Daniel Braut. Daar er dus van den beginne af in
+Daniel geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit
+blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij
+misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij
+zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar.
+
+In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle
+rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze
+roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit
+Kristiania, die ten deele voor zijn tijd liggen, maar die hij toch met
+een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten.
+Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die
+men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is
+dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven
+reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek'
+bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de
+dubbele beteekenis der figuur--als schepping van Garborg en tevens als
+den tijdelijken geestelijken helper van zoovele mannen, die in
+Noorwegen beteekenis gehad hebben--deelen wij een paar staaltjes uit een
+schooluur mee.
+
+"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen
+en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met
+de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het
+prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij.
+'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich
+ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?--och ja.
+Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen
+moesten klaarspelen--de oude zat maar te 'accompagneeren'--dan ging het
+mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den
+gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep
+zich met twee vingers vast in den neus en las _amo_ met een stem en een
+gezicht, dat de jongens het uitbrulden."
+
+Er wordt vertaald.
+
+"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder
+kwamen--er stond: _nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta
+regna reges defendant_--, toen zat hij vast, hij nam _tanta_ bij
+_regna_. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebo! Als
+je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student,
+en dan een varken, en je vond vlak daarop een mooie zijden parasol op
+den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en
+zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol
+verloren?--Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot
+je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij
+niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja
+zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het
+varken, neemt _tanta_ bij _regna_, omdat _regna_ het naast bij staat.
+Maar _tanta_ hoort bij _vi; quanta vi, tanta vi_, Halvor Mosebo!"--De
+jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen'
+niet licht.
+
+Daniel Braut is evenals Torres Snortevold in Kielland's _Jacob_ een
+boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het
+materieele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen
+zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij
+behandeld zijn. Torres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet.
+Daniel Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Torres een
+caricatuur, terwijl het lot van Daniel Braut ons tragisch voorkomt.
+Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn
+natuurlijken kring had gelaten.
+
+In een paar volgende werken keert Garborg tot de problemenlitteratuur
+terug. Maar wat in _Bondestudentar_ gewonnen was, is niet verloren; het
+probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost,
+maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische
+schildering van een reeks levende personen.
+
+_Mannfolk_ (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie
+over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat
+groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is
+gezegd. Bjornson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak
+tendentiedrama _En Hanske_ (Een Handschoen), gevolgd door de brochure
+_Engifte og Mangegifte_ (Zij, die met een vrouw en die met vele vrouwen
+trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer
+zij verneemt, dat hij voor haar eene andere heeft bemind. Bij het
+afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle
+oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de
+schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie
+ontstond. Men was voor of tegen; in het openbaar meest voor. Toen
+verscheen Hans Jaeger's hierboven besproken boek en werd
+geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van
+Kristian Krogh _Albertine_; ook hiervan werden de exemplaren door de
+overheid opgehaald.
+
+Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van
+Bjornson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke
+korte vertelling _Ungdom_ (Jeugd) (1885); dan volgt _Mannfolk_, waarin
+de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen
+kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die
+het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het
+huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische
+eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen
+bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig
+ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjornsonsche
+idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en
+levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch
+ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere
+geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven
+dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit.
+
+Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de
+hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de
+tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in
+het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan
+noch van de eene, noch van de andere afzien,--en zoo blijft hem dan
+niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man
+en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is
+hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne
+zuchten in poetische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem
+ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er
+aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij
+van hem zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen,
+dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij
+resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn".
+
+Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel
+is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de
+verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen,
+vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische
+toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele
+ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de
+beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een
+teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want
+deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniel
+Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.
+
+Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het
+verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid
+het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent
+daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere
+confiscatien den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien
+maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver.
+Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer
+opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van _Mannfolk_
+schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.
+
+Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan
+een hut, aan het meer Savalen in het Osterdal, en weldra treedt hij in
+het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn
+bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te
+meer.
+
+Het verblijf op Kolbotten--zoo heet Garborg's woning in het
+Osterdal--heeft hij beschreven in een idyllisch boek, _Kolbottenbrev_
+(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven
+van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen
+uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie
+en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belangrijksten factor
+in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in
+het voorbijgaan _Hjaa ho Mor_ (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger
+van _Mannfolk_. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven,
+maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf
+geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat
+het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een
+pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt,
+kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een
+verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met
+vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt.
+Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit
+blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch
+met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden,
+dan toen het voor het eerst het licht zag.
+
+Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk
+_Uforsonlige_ (Onverzoenlijken). Het is geinspireerd door politieke
+gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt.
+Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil,
+is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een
+partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de
+'onverzoenlijken' vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat
+het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere
+consideratien'. Een man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De
+meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en
+slaan dan om.
+
+Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man
+geworden.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 17: Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van
+27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjornson op vrije voeten laten
+gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I,
+264).]
+
+[Footnote 18: Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij
+later nog eenmaal den redenaar Bjornson als voorbeeld neemt, ditmaal
+voor zijn ideale figuur Dr. Stockman. Dit toont, dat
+Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds
+levende voorbeelden gebruikte.]
+
+[Footnote 19: De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de
+predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor
+iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in
+zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de
+zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.]
+
+[Footnote 20: Van zijn romans is er maar een (_Jacob_) geschreven na
+zijn werkzaamheid als redacteur.]
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN.
+
+
+Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die
+in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad.
+Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere
+landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls
+voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen,
+zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de
+problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieen
+herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor
+'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zoo kan het schijnen, wanneer men
+uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten
+vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de
+ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde
+lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te
+meenen, dat zij den nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als
+verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden,
+begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890
+debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was,
+blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond
+treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig.
+
+Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet
+tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat
+niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poezie was slechts in
+weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit
+het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de
+dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van
+gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men
+kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men
+niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de
+grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen
+waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode
+blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen
+treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het,
+van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn uitgegaan, die
+nieuwe bezieling gebracht hebben.
+
+Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak
+tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De
+gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd
+kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De
+tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de
+tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand
+gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te
+putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de
+letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch
+proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het
+sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms
+meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium,
+dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle
+maatschappelijke ontwikkeling.
+
+Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element;
+zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is.
+Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering,
+stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie
+voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel
+duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere
+naturalisme plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn.
+Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en
+stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een
+zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt,
+om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze
+schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de
+gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men
+vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters
+van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jaeger; wij vinden het
+terug bij Gabriel Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die
+alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming
+als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken;
+anderen slaan dit stadium over of maken het door voor den tijd, waarin
+zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme
+voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan
+zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot
+god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te
+realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook,
+wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het
+schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar
+de schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan
+eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te
+deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven
+heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang
+bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren
+resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naieve
+oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost
+gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor
+ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien.
+
+Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats
+de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in _Vildanden_
+is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,--een diep
+pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft,
+want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een
+pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die _En
+Folkefiende_ kenmerkt; de leer van _Vildanden_ is, dat het niet loont,
+voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het
+in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets
+nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant geworden in
+_Rosmersholm_ (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier
+nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het
+drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu
+onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke
+overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka
+wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij
+manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het
+leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn;
+slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op
+Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de
+mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven
+kost, is bijzaak, of liever--daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is
+andere taal dan die, welke Relling in _Vildanden_ voert. Het is de taal
+van den man met den paardenhoef in _Peer Gynt_, die zielen, welke zich
+verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere
+ingredienten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt.
+
+In een gansch andere sfeer verplaatst ons _Fruen fra Havet_ (De Vrouw
+van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van
+minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een
+ideaal, maar ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida
+leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar
+vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met
+ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige
+behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik,
+wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar
+vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk
+verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door
+overwinning van het egoisme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt,
+en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die
+een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het
+hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan.
+
+Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in _Lille Eyolf_
+(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet,
+nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid
+verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche
+verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van
+wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven,
+door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart
+en het opgeven van het egoisme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid
+geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te
+worden'.
+
+Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poezie.
+Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met
+het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida
+behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts
+incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld
+worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In
+de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en
+hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is
+zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt
+volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is
+wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft
+toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven,
+en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is
+een heerschzuchtig egoist, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook
+een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het
+leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich
+herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den
+dienst opzeide, en het is de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij
+hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven
+inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij
+hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriel
+Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruine over anderen
+gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht
+jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd,
+dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij
+wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen
+komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van
+Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van
+bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood
+heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is,
+stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag
+stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en
+hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn
+zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner
+ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten.
+
+Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in
+_Naar vi dode vaagner_ (Als wij dooden ontwaken) (1899). In
+tegenstelling met John Gabriel wordt Rubek zich den tweespalt in zijn
+leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en
+mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt
+zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm
+en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne
+geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te
+laten behouden, doen--te laat--een poging, om het verzuimde in te halen.
+Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een
+gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in
+een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien
+bestijgen, gaan zij samen onder.
+
+Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk
+voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk
+aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het
+zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele
+drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere
+schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen
+ook hier weer een voorganger geweest is.
+
+Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep
+heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich aan te
+ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze.
+Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriel Finne in 1899 op
+drieendertig jarigen, Sigbjorn Obstfelder in 1900 op
+vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen
+leeftijd.
+
+Van deze drie toont Gabriel Finne het duidelijkst den samenhang met de
+vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest[21], maar
+hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige
+richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den
+vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de
+keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt,
+het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon
+is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het
+disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste
+oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de
+titel van zijn eersten bundel verhalen, _Unge Syndere_ (Jonge Zondaars),
+toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn
+standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de
+maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet
+mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie
+om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het
+cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij
+geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de
+wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar
+wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd
+uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan
+schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen
+lijden, en zoo is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven
+romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele
+personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte
+ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne
+bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood
+heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman _Rachel_, waarin de
+nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat
+Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm
+heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde.
+
+Finne's belangrijkste werken zijn: _Filosofen_ (1889), _Unge
+Syndere_(1890), _Doktor Wangs Born_ (1890), _To Damer_ (1891), _Uglen_
+(De Uil) (1893), _Konny_ (een tooneelstuk) (1895), _Rachel_ (1895).
+
+Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist
+geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar
+hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt.
+
+Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjorn Obstfelder op de harde
+indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van
+de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats
+het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling
+plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond
+hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt
+niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne
+vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de
+eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in
+hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den
+dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de
+menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het
+dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is
+beurtelings pantheistisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich
+soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft;
+deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan een vertelling ontmoet deze
+'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke
+of uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria
+onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit;
+Obstfelder weet haar zoo te schilderen, dat inderdaad de verworpene
+reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige
+overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de
+onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel
+der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem
+belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven
+gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale
+individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig
+voorbeeld leeren wij in _Korset_ (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont
+zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name
+Dostojewski.
+
+In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar
+daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende
+ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien.
+Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed
+geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet
+oud geworden is.
+
+Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat
+lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van
+zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook in het portret met den
+weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan
+eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Naerup siert.
+
+In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling
+met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug
+tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse--zelfanalyse--daalt
+veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht
+der periode, die achter hem ligt.
+
+De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: _Digte_ (1893), _To
+Novelletter, Korset, De rode Draaber_ (De roode Droppelen), _En Praests
+Dagbog_. Van deze heeft _Korset_ het meest de aandacht getrokken.
+
+Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor
+genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen
+kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie
+boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te
+toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot
+een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, _Blandt
+Anarkister_, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij
+op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van de
+drie verhalen, die de beide volgende boeken (_Ira_ en _To Noveller_)
+bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een
+zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel
+ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (_En Ensom_);
+naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de
+psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element
+aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar
+ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het
+licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis.
+Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat
+hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden.
+
+Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt,
+eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst
+behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn
+gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn
+ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van
+dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het
+positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te
+zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener
+oude leer tot een gehoorzaam naprater eener nieuwe leer was geworden;
+het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij
+gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder
+hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de
+theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man
+was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu
+hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte,
+de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die
+beschreven wordt in _Traette Maend_ (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert
+de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is
+geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te
+schrijven, Gabriel Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een
+bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op
+genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een
+ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt
+hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood
+is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is.
+
+Maar Garborg is niet Gabriel Gram. Hij laat zich niet door een dominee
+op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van
+arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij
+geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, maar
+voor hem zelf is _Traette Maend_ een bad, waarin hij afwascht het
+negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom
+zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officieele
+aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn
+oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en
+gelijk hij in _Traette Maend_ zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers
+onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de
+Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van
+redenen.
+
+Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's
+gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op,
+van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte,
+omdat hij geen vrede had met God. _Nu_ begrijpt hij hem; nu kan hij met
+liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij
+zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na _Traette Maend_, verscheen
+_Fred_ (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm
+van een roman wordt verteld. _Fred_ is een overweldigend boek. Nergens
+bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier.
+Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het
+primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking te
+geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter
+gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de
+razernij van den godsdienstwaanzin.
+
+Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd,
+dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom
+komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,--maar telkens komt de
+duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving
+hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige
+gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te
+krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God
+blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking
+het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt;
+dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot
+rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor;
+de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo
+groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren
+luisteren,--en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis,
+wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil
+doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in
+den geest, en,--twijfelt men, dan moet men slechts dat doen, wat het
+vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs
+en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen
+ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen
+loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te
+verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden.
+Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord.
+
+Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en
+dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo
+moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn.
+Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de
+oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om
+aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De
+schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts
+deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de
+vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,--niet aan Gods
+woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij
+heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och,
+kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat
+het niet erger kon worden!--De aanvallen van angst en twijfel nemen
+toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich
+verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als
+Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en
+nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds
+thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,--en toch niet alleen, want
+ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo
+wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten
+te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij
+ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele
+hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de
+troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk
+in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij
+hem; een onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong,
+en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek
+over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht
+en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...."
+
+Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit
+resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij.
+dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd
+wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in
+onzekerheid. Indien er een ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is
+het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het
+Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het
+Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van
+Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jaederen de macht gekregen
+had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel,
+maar gaf hun geen levend geloof.
+
+Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in
+tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op _Fred_ volgen. Twee
+daarvan sluiten onmiddellijk bij _Fred_ aan. Zij verhalen de
+geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar
+en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien
+hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk
+gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf.
+
+_Laeraren_ (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit
+drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In
+beide staat een man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders
+zedelijk en verstandelijk, maar wordt uitgestooten, omdat hij de
+waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid
+van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal,
+dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld
+worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een
+ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin,
+bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave
+behoort tot de 'gewekten', de pietisten, die bidstonden houden, die
+klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaaens is. Hij is zelfs hun
+voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op
+een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de
+quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens
+gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen
+van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den
+armen." Die preek is zoo frisch en zoo geestig, dat het moeite kost, er
+niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot.
+
+"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als
+wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen
+hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!--En noemen dan die
+leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon
+gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons.
+
+"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek
+daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal
+en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen
+komen, moeten met macht naar binnen dringen,--met heel hun heetsten wil.
+Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom
+noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch
+stelt, geeft ook de kracht."
+
+Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de
+schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat
+schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert
+haar naar buiten. Zij is van zich zelf."--Daarmee valt het gordijn van
+dit bedrijf.
+
+Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende
+gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun
+volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave
+leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders
+gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat
+wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend
+met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die
+vrienden van zonde en berouw, die hem een huichelaar noemen, en nu
+blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden.
+De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de
+schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt
+verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar
+man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen,
+ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het
+gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch
+goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te
+treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt.
+
+Een tweede stuk als _Laeraren_ is zeker vroeger noch later ten tooneele
+gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een
+Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in
+voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling.
+Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest
+persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in
+die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin
+hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een
+spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge
+gedachten houden het ver boven het niveau ook der goede
+tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen
+uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin _Laeraren_ speelt, is
+den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En
+wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de
+comische scenes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch
+geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is.
+
+Het andere werk, dat direct bij _Fred_ aansluit, is een boekje vol
+poezie en vol wijsheid. _Den burtkomne Faderen_ (De verloren Vader). Het
+is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de
+wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies
+verloren te hebben, oud voor den tijd, aan zich zelf en aan de
+menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om
+eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in
+hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint
+in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij
+heeft vrede gevonden met het leven--en met den dood.
+
+Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische
+oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van
+bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zachtheid. Gunnar houdt zich
+gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar
+niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en
+zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden."
+Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem
+iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En
+hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu
+in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel
+vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid.
+En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij."
+
+Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te
+begrijpen.
+
+Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren
+vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen.
+
+Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee
+dichtwerken, _Haugtussa_, en de voortzetting daarvan _I Helheim_.
+Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een
+visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels
+ophoudt; de dichter noemt haar Veslemoy, 'het stakkertje'. Het gedicht
+vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar
+in den steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen
+heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte
+en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze
+vrouw, die als _volva_ (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar
+dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven.
+
+In _I Helheim_ (In de Hel) gaat daarop Veslemoy in haar koortsigen droom
+met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar
+diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht
+heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur,
+maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn
+behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een
+psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad,
+dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten.
+Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen
+einde komt:
+
+ "Een oogenblik in dit vuur
+ is eeuwigheid zonder einde."
+
+Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap
+terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat
+van zijne kindsheid. Het is losgemaakt van leerstelligheid; de nadruk
+wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid.
+
+Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die
+een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog
+directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven;
+zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als
+stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij
+zoo hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook
+in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld
+_Jesus Messias_ (1906), _Den burtkomne Messias_ (1907), _Heimkomin Son_
+(1908).
+
+Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap
+geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan
+den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort:
+
+"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen
+katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen
+protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en
+wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het
+volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige
+troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed
+hebben, maar de rijke man zal branden, heeter dan heet, van eeuwigheid
+tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden--.
+
+"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat
+macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen,
+liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo
+ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?"
+
+Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een
+zedelijk opvoeder van zijn volk geweest.
+
+In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die
+in dezelfde periode optreden.
+
+Rasmus Loland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk
+zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een
+groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud,
+handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en
+vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het
+allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn
+kinderverhalen _Det store Nashorne_ (De groote Neushoorn) en
+_Kvitabjoernen_ (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg
+aan het begin van den na Loland's dood verschenen bundel _Paa
+Skuggesida_ (Aan den Schaduwkant).
+
+Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen (geb. 1857), Per Sivle (+-
+1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen.
+
+Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende
+en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich
+door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een
+afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer
+hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In
+het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, _Menneskets Genesis_,
+is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn
+strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig
+leeft het geslacht van Kain nog.
+
+Heiberg's eerste tooneelstuk _Tante Ulrikke_ (1884) houdt zich bezig met
+den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos;
+hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept
+den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig
+karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich
+slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, _Kong Midas_ (1890), heeft
+Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later
+zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een
+waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten
+schijnen, bijna een groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft
+verwantschap met _Vildanden_, maar niet alleen het type, ook het stuk is
+gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering
+en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan
+Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering.
+Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van
+eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der
+achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach
+van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook
+het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog
+en houdt de belangstelling gaande. Op _Kong Midas_ volgden een aantal
+andere werken, waarvan wij noemen _Kunstnerne_ (1893), waarin de
+tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, _Det store
+Lod_ (1895), _Harald Svans Mor_ (1899). Een gansch ander karakter dragen
+een paar tragische stukken, _Balkonen_ (1894) en _Kaerlighedens Tragedie_
+(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles
+verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van
+de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan
+de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem
+wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich
+van den mensch meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering
+is knap, de lezer huivert,--maar hij wenscht van zulk een liefde
+verschoond te blijven.
+
+Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar
+wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand
+meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige
+geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een
+stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te
+overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot
+klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat
+hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch,
+indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in
+pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem
+daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van
+nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem
+behoed hebben,--een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden
+trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een
+druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt
+zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op
+elkaar te zetten en te vroolijker te worden, naarmate hij het
+moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand
+moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet
+zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen.
+
+De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij
+nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In _Sult_ is het
+honger, in _Pan_ is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de
+heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In _Mysterier_
+hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van
+waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld,
+die van den heer Nagel--zoo heet de man--niet weten wil, nauwelijks
+ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van
+Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een
+zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als
+een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele
+maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand
+bestond reeds in _Fra det moderne Amerikas Aandsliv_, een persifflage,
+naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet
+objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij,
+zoo is in _Sult_ het 'ik' aanwezig. _Mysterier_ is de eerste poging, om
+die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar
+voortreffelijke maatschappelijke romans, _Redaktor Lynge_, waarin de
+verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers
+behandeld wordt, en _Ny Jord_, die een troep ijdele kunstenaars,
+voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige
+kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Boheme-leven,
+van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus,
+onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een
+achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een
+niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt
+hij weer in _Pan_, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken
+_Ved Rigets Port, Livets Spil_ en _Aftenrode_ en in het wonderlijke
+gedicht in dramatischen vorm _Munken Vendt_ (1902). In latere werken
+komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar
+zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist
+Bardsen in _Born af Tiden_ en in _Segelfoss By_, een aristocratisch
+voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en
+onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang,
+waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type,
+dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar
+toch reeds van den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver
+steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een
+litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (_Under
+Hoststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glaede_) een
+nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze
+schrijft nu, gelijk in _Sult_, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu
+kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid
+is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een
+ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu
+aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat
+een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager
+te spreken, niet _alles_ van het leven te wachten, maar het toch met
+dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'.
+
+In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters
+subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de
+wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen
+beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn
+belangstelling niet onthoudt. Zoo is de wereld, vindt hij, en zoo is het
+leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de
+zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen.
+Drie van deze boeken, _Born af Tiden, Segelfoss By, Markens Grode_,
+behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver
+nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt
+hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten
+gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die
+weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen.
+In de plebeische behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer
+van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In _Markens Grode_
+echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder
+geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land
+bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en
+aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door
+toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die
+mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en
+weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt
+is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle
+vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel
+_Konerne ved Vandposten_.
+
+Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige
+andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar
+interessante bundels novellen (in een van deze het uitgelaten vroolijke
+stuk _Dronningen af Saba_). En dan het meesterwerk _Livet i Vold_,
+uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering.
+
+Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers
+van dit tijdvak,--hij is in 1853 geboren,--maar hij is betrekkelijk laat
+begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na
+1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen
+gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met
+oppositie tegen sommige theorieen uit het vorige tijdvak, en wel vooral
+tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die
+dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het
+verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk _Uten
+Ansvar_ (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht,
+maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den
+dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren.
+
+Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle.
+Zijn locaal is het Osterdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert
+1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in
+kleine bundels: _Skisser, Fra Skog og Fjeld_, e.a. Deze zijn verzameld
+onder den titel _Folkelivsbilleder_ (1904). Jongere verzamelingen zijn
+_Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier_. Tot hetzelfde type
+behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans:
+_Fonnaasfolket_ (1902), _Glomdalsbruden, Osterdalskongen_ (een breede
+uitwerking van een der Folkelivsbilleder), _Jutulskaret, Knut Veum_
+(1910, het laatste).
+
+Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur
+van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is
+dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde
+leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand
+komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen
+behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op
+polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer,
+zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van
+het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij,
+waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is,
+een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in
+die vertelling uit het Osterdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat
+het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en
+maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die
+in tamelijk behoeftige omstandigheden leeft. De man is begaafd en heeft
+aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende
+zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar
+hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan
+oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een
+carriere-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is
+niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt
+Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom
+toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is
+zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden,
+wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring
+blijft, behoeft dat niet gezegd te worden.
+
+Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre
+en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek;
+hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling
+van Bjornson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te
+zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd.
+
+Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn
+belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte vertellingen.
+Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van
+De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van
+gelijken aard: _Sidsel Sidserk_, _Solve Solfeng_, en een paar jongere
+bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, _Storken,
+Hoit Tilhest_ en _Hanen_, die door hun comische kracht aan Holberg
+herinneren.
+
+Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode
+begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren,
+Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb.
+1865).
+
+Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een
+lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het
+diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak.
+Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich
+openbarende in meer dan eene generatie. Zijne opvatting der levensvragen
+draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken
+zijner eerste periode zijn: _Jon Graeff_ 1891, _Ensomme Mennesker_ 1892,
+_Mulm_ 1893, _Kobberslangen_ 1894, _Ada Wilde_ 1896, _Ulf Ran_ 1897,
+_Enken_ 1899.
+
+Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door vertellingen uit het
+volksleven, _Folkelivsskildringer_, waarvan de eerste bundel in 1894
+uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: _Almue_ 1891, _En
+Skibsgut_ 1892, _Straf_ 1893, _Gammelholm_ 1899, alsmede comedies:
+_Stridsmaend_ 1896, _Jakob og Kristoffer_ 1900. Ook daarna heeft hij
+ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is
+van 1921 en draagt den titel _Inde i Fjordene_.
+
+Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite
+heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een
+origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen,
+veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen,
+waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan
+worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat.
+Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties,
+zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch
+niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet
+onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de
+dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan
+zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische
+juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite
+doet, ze door te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver
+heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te
+vernieuwen. In de jaren 1892--1900 gaf hij uit: _Huldren_ 1892, _Ungt
+Folk_ 1893, _Flaggermusvinger_ 1895, _Sus_ 1896, _Fra Hav til Hei_ 1897,
+_Hugormen_ 1898, _Traekfugle_ 1899. Van zijn latere werken is misschien
+het belangrijkste _Den sidste Gaest_ 1910.
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 21: Aan Kielland heeft hij ook zijn roman _To Damer_
+opgedragen.]
+
+
+
+
+LYRISCHE DICHTERS.
+
+
+In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de
+litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al
+wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De
+romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien
+tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts
+aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de
+groote verskunstenaar, gaat na _Peer Gynt_ geheel tot het proza over; de
+romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste
+lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en
+daarmee zinkt de lyrische poezie in een winterslaap, die met weinig
+onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren
+enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder
+vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte
+onderbreking door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en
+Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit _Med Lyre og Lanse_
+(Met Lier en Lans), in 1880 _Vaarbrud_ (Lentedoorbraak), de tweede in
+1880 _Polemiske Sonetter_. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk
+politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop
+zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de
+stemmingspoezie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: _Digte af Per Gynt_, in
+1897 _Norsk Hoifjeld_, in 1901 _Vintereventyr_.
+
+Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864),
+Caspari op dit gebied voor geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887,
+nieuwe bundels volgden in 1894 _Fra Vaar til Host_, 1896 _Musik og
+Vaar_, 1900 _Det dyre Brod_, 1904 _Fra Kristiana_. Uit deze verzen sprak
+een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te
+gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden.
+
+Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag,
+een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf,
+getiteld _Digte_ en _Nat_, waarin deels, onder den invloed van Deensche
+dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel
+Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op
+het drama en den roman toegelegd.
+
+
+
+
+UITGAVEN EN LITTERATUUR[22].
+
+
+ALGEMEENE WERKEN.
+
+Henrik Jaeger, _Illustreret norsk Literaturhistorie_, 3 dln. Kristiania
+1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl Naerup,
+_Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904_, Kristiania
+1905.--Gehrard Gran, _Nordmaend i det 19de Aarhundrede_, 3 dln.
+Kristiania 1914. Houdt biographieen in van vooraanstaande mannen op
+ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als
+_Nordm. 19. A._)--_Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug._
+1915.--J.B. Halvorsen, _Norsk Forfatter-Lexicon._--Edv. Bull, A.
+Krogvig, G. Gran, _Norsk biografisk Leksikon._ Verschijnt sedert 1921.
+
+HOOFDSTUK I.
+
+_Henrik Wergeland_. Wergeland, _Udvalgte Skrifter_. Kristiania en
+Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl Naerup. In
+deel VII eene autobiographie, getiteld _Hasselnodder_.--O Skavlan,
+_Henrik Wergeland_, Kristiania 1892.--G. Gran, _Henrik Wergeland_ in
+_Nordm. 19. A._ dl. 1.
+
+_Johan Sebastian Welhaven_. Welhaven, _Samlede Digtervaerker_, 3e
+uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.--_Digte i Udvalg_, 1919.--A.
+Loechen, _J.S. Welhavens liv og skrifter_, Kria 1900.--G. Gran, _Joh. S.
+Welhaven_ in _Nordm. 19. A._ dl. 1.
+
+HOOFDSTUK II.
+
+_Asbjornsen en Moe_. De verzamelingen zijn talrijke malen
+uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken
+titel _Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr_ (deel I:
+_Huldreeventyr og Folkesagn_, deel II: _Folkeeventyr_). Hiervan bestaat
+eene volksuitgave en eene geillustreerde. Aanbeveling verdienen ook de
+kleinere geillustreerde bundels: _Norske Folke- og Huldre-eventyr i
+Udvalg_; _Udvalgte Folkeeventyr_; _Eventyrbok for Born_.--Moltke Moe,
+_Det nationale gjennembrud og dets maend (Asbjornsen, Moe, Aasen)_ in
+_Nordm. 19. A._ dl. 2 (zeer leerzaam).
+
+_Jorgen Moe_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Jubilaeumsudgave.
+
+_Folkeviser_. M.B. Landstad, _Norske Folkeviser_, Christiania 1853,
+is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, _Gamle norske Folkeviser_,
+Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der _Norske Folkeviser_, door Knut
+Liestol en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen.
+
+_J.S. Welhaven_. Zie bij Hoofdstuk I.
+
+_Bjornstjerne Bjornson_. Bjornson, _Samlede Digterverker,
+Standardudgave_, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn
+afzonderlijk verkrijgbaar.--P.A. Rosenberg, _Bjornstjerne Bjornson_,
+1915.--G. Gran in _Nordm. 19. A._ dl. 3.--G. Brandes in _Det moderne
+Gjennembruds Maend_, 2. uitg. 1891--R.C. Boer, _Bjornstjerne Bjornson_ in
+_De Gids_ (Nov. 1899). dez., _Laboremus_ in _De Gids_ (Aug. 1901).
+
+_Henrik Ibsen_. Ibsen, _Samlede Digtervaerker. Standardudgave_, 7
+dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk
+verkrijgbaar.--_Ibsens Episke Brand_, udg. af Karl Larsen 1907.--_Ibsens
+Efterladte Skrifter_, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de
+studie van den dichter.)--_Breve fra Henrik Ibsen_, 2 dln.
+1904.--Henrik Jaeger, _Henrik Ibsen, Et literaert Livsbillede._--G.
+Brandes, _Henrik Ibsen_ 1898.--Albert Dresdner, _Ibsen als Norweger und
+Europaeer_.--John Paulsen. _Samliv med Ibsen_, 1906. _Ny Samling_
+1913.--Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding
+der reeds genoemde _Efterladte Skrifter_.--R.C. Boer, _Peer Gynt_ (_De
+Gids_ van Oct. 1893). dez., _Kleine Eyolf_ (_De Gids_ van Febr. 1895).
+dez., _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.;
+o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., _Ibsen's Epische
+Brand_ (_Onze Eeuw_, 1909), dez., _Ibsen's Nagelaten Werken_ (_Onze
+Eeuw_ 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (_Neophilologus_ 1919). Jacqueline
+E. van der Waals, _Brand en de brieven van Ibsen_ (_Onze Eeuw_, Mei
+1919).--Een uitvoerig commentaar op _Peer Gynt_ schreef H. Logeman (Den
+Haag 1917).
+
+HOOFDSTUK III.
+
+_Ivar Aasen_, _Skrifter i Samling_, 3 dln. Kria en Khvn.--Moltke
+Moe, _Det nationale gjennembrud og dets maend_ (zie bij Hoofdstuk II).
+
+_Aasmund O. Vinje_. A.O. Vinje, _Skrifter i Utval_, utgjevne af Det
+norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).--_Dikt og prosaskrifter i
+utval_ ved Halvdan Koht Kria, 1903.--_Ferdaminni_ en _Storegut_ zijn
+herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske
+Samlaget.--Vetle Vislie, _Aasmund Vinje_, Bergen 1890.--Een kort werkje
+van denzelfde in de _Norske Folkeskrifter_ udgj. av Norigs Ungdomslag og
+Studentmaallaget no. 28.--Halvdan Koht, _A.O. Vinje_ in _Nordm. 19. A._
+dl. 3.
+
+_Landsmaal_. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het
+landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven
+tijdschrift _Syn og Segn_.
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+_Camilla Collett_, _Samlede Verker Mindeudgave_, 3 dln. Enkele
+boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.--Alf Collett, _Camilla Colletts
+Livs Historie_. 1911.--Lilly Heber, _Camilla Collett_, 1913.--Mathilde
+Schjott in _Nordm. 19. A._ dl. 1.
+
+_Ibsen en Bjornson._. Zie bij Hoofdstuk II.
+
+_Jonas Lie_. J. Lie, _Samlede Digterverker, Standardudgave_, 10
+dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk
+verkrijgbaar.--Arne Garborg, _Jonas Lie, En Udviklingshistorie_, Kria
+1893.--Erik Lie, _Jonas Lies Oplevelser_, Kria en Khvn 1908.
+
+_Alexander L. Kielland_. A.L. Kielland, _Samlede Digterverker.
+Standardudgave_, 5 dln. Kria en Khvn 1920. _Breve_, met inleiding van G.
+Gran, 1907.--Brandes, _Essays, Fremmede Personligheder_, Khvn 1889, p.
+17.--R.C. Boer, _Alexander L. Kielland_ (_De Gids_, Mei 1897).
+
+_Kristian Elster_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria 1904.--_Brandes,
+Essays, Fremmede Personligheder_, p. 1,--A.L. Kielland in de uitgave van
+Elsters _Solskyer_.
+
+_Amalie Skram_. Hare romans zijn afzonderlijk
+verkrijgbaar.--_Samlede Skrifter_, uitverkocht.
+
+_Arne Garborg_. Arne Garborg, _Skrifter i samling.
+Jubilaeumsutgaave_, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.--Erik
+Lie, _Arne Garborg, En Livsskildring_, Kria 1914.--Zie ook de
+Garborg-aflevering van _Syn og Segn_ (Januari-Februari 1921).--R.C.
+Boer, _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.).
+
+HOOFDSTUK V.
+
+_Gabriel Finne_. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.--R.C.
+Boer. _Gabriel Finne_, (_De Gids_, Juli 1898).
+
+_Sigbjorn Obstfelder_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria en Khvn
+1917. De werken ook afzonderlijk.
+
+_Arne Garborg_. Zie bij Hoofdstuk IV.
+
+_Rasmus Loland_. Een biographische schets door Arne Garborg is
+hierboven bladz. 225 genoemd.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie
+vorige pag.).
+
+_Gunnar Heiberg_. _Samlede dramatische Verker_, 4 dln. Kria
+1917-1918.
+
+_Knut Hamsun_. _Samlede Verker_, 12 dln. Ook afzonderlijk.--John
+Landquist, _Knut Hamsun, En studie oever en nordisk romantisk
+diktare_.--R.C. Boer. _Knut Hamsun_ (_De Gids_ November 1896), dez.,
+_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April
+1912), dez., _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.).
+
+_Jacob B. Bull_. _Folkelivsbilleder_, 4 dln., 3e uitg. 1919.
+_Folkelivsromaner_, 3 dln., 2e uitg. 1918--_Nutidsromaner_, 3 dln.
+1918.--_Historiske romaner_. 4 dln.--De meeste werken ook
+afzonderlijk.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.).
+
+_Hans Aanrud_, _Fortaellinger_, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der
+uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.--R.C. Boer,
+_Reisherinneringen_ (zie vorige pagina).
+
+_Thomas Krag_, _Samlede Skrifter_, 9 dln. De werken ook
+afzonderlijk.
+
+_Hans E. Kinck_. Over zijn drama _Den sidste Gaest_ zie R.C. Boer,
+_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April
+1912).
+
+FOOTNOTES:
+
+[Footnote 22: Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer
+beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.]
+
+
+
+
+REGISTER VAN AUTEURS.
+
+Aanrud, H.
+Aasen, I.
+Arnim
+Asbjornsen, P. Chr.
+Auerbach, B.
+Bjerregaard, H.A.
+Bjornson, B.
+Brandes, G.
+Brentano
+Bugge, S
+Bull, J.B.
+Caspari, C.P.F.
+Collett, C.
+Dostojewski
+Drachmann, H.
+Dybfest, A.
+Egge, P.
+Elster, Kr.
+Faye, A.
+Finne, G.
+Fjortoft, O.J.
+Garborg, A.
+Goldschmidt, M.
+Grimm, J. en W.
+Gran, G.
+Hamsun, K.
+Hansen, M.
+Heiberg, G.
+Heiberg, J.L.
+Heiberg, P.A.
+Heine, H.
+Herre, B.
+Hertz, H.
+Hielm, J.A.
+Holberg, L.
+Ibsen, H.
+Jacobsen, J.P.
+Jaeger, Hans
+Jaeger, Henrik
+Kielland, Al. L.
+Kinck, H.E.
+Knudsen, K.
+Krag, Th.
+Krag, V.
+Krogh, Kr.
+Landstad, M.B.
+Lie, J.
+Loland, R.
+Mill, Stuart
+Moe, J.
+Moe, M.
+Munch, A.
+Munch, J. Storm
+Munch, P.A.
+Novalis
+Naerup, C.
+Obstfelder, S.
+Randers, Kr.
+Runeberg, J.L.
+Sagen, Lyder
+Sars, E.
+Schjott, M.
+Schiller, Fr. von.
+Schultze, H.
+Schwach, C.N.
+Seip, D.A.
+Sivle, P.
+Skavlan, O.
+Skram, A.
+Snorri Sturlason
+Spencer, H.
+Tvedt, J.
+Vinje, A.
+Vislie, V.
+Vogt, N. Collett
+Welhaven, J.S.C.
+Wergeland, H.
+Ohlenschlaeger, A.G.
+Ostgaard, N.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de
+Negentiende Eeuw, by R.C. Boer
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE ***
+
+***** This file should be named 13591.txt or 13591.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13591/
+
+Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/13591.zip b/old/13591.zip
new file mode 100644
index 0000000..c3306de
--- /dev/null
+++ b/old/13591.zip
Binary files differ