diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:42:27 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:42:27 -0700 |
| commit | 76a92b11996b39406ffef769b97d5fe07010649e (patch) | |
| tree | 32ed2bbfd8b3d2147c1ea2e99ef5355436278318 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 13591-0.txt | 5423 | ||||
| -rw-r--r-- | 13591-h/13591-h.htm | 5478 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/13591-8.txt | 5812 | ||||
| -rw-r--r-- | old/13591-8.zip | bin | 0 -> 131705 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/13591-h.zip | bin | 0 -> 138407 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/13591-h/13591-h.htm | 5899 | ||||
| -rw-r--r-- | old/13591.txt | 5812 | ||||
| -rw-r--r-- | old/13591.zip | bin | 0 -> 131311 bytes |
11 files changed, 28440 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/13591-0.txt b/13591-0.txt new file mode 100644 index 0000000..9ba58c5 --- /dev/null +++ b/13591-0.txt @@ -0,0 +1,5423 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 13591 *** + +[Transciber's Note: + +The printed errata have been resolved in the main text and removed. + +Inconsistensies in spelling, hyphenation and accents have been +preserved, except for proper names. Those have been normalized to +correct spelling with the help of a native Norwegian speaker.] + +VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK + +onder redactie van de Vereeniging "V.U.B." + +Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, _Voorzitter_; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM, +Amsterdam, _Ondervoorzitter_; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM; +Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J. +BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY; +Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS; +Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR. +J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, _Secretaris_. + +20 + +HAARLEM + +DE ERVEN F. BOHN + +1922 + + +NOORWEGENS LETTERKUNDE +IN DE NEGENTIENDE EEUW + +DOOR + +DR. R.C. BOER +Hoogleeraar te Amsterdam + +HAARLEM +DE ERVEN F. BOHN +1922 + + + + +INHOUD. + +Voorbericht + +Hoofdstuk I. Het ontwaken der nationale letterkunde + + II. Romantiek + + III. De taalbeweging en de oudste schrijvers + in landsmaal + + IV. Het realisme + + V. Jongere richtingen en persoonlijkheden + +Uitgaven en litteratuur + +Register van auteurs + + + + + + +VOORBERICHT. + + +Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19e eeuw begint +met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is +slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de +voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het +chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt +ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien, +verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te +buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te +behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd +op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode +hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan +allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering +gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel vóór 1900 +debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt, +niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen +eener--niet al te enge--keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die +wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe +plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen +althans eenigszins tot hun recht komen. + + + + +HOOFDSTUK I. + +HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE. + + +1. _Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814_. + +In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen +aan eene diepe depressie ten prooi. Eén ding was er, dat met recht de +geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat +waren, in beslag nam--de inrichting van den nieuwen staat en van zijne +organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene +aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan +voorbijgaande belangstelling aanspraak maken. + +De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de +ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie +had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen, +en de omstandigheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen +ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land +nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en +wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch +van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als +officiëele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide +landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was +verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in +sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het +accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop +der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd, +dat er geen sprake meer was van tweeërlei bevolking. Het was trouwens +een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name +het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen +overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper +geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn. + +Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen +stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde +dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis +had. Voor de plattelandsbevolking beteekende dit een ophouden van het +litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten, +bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale +sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen +voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop +der 19e eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten +opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg +nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het +voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst, +accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan +vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben +meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken +zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan. + +Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene +eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde +deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken +werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal +geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te +onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder +mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet +gebruikelijk waren; dit waren provincialismen, die toch niet aan de +taal een zeer bijzonder karakter gaven[1]. + +Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der +Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won +Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de +minder ontwikkelde volksklasse,--een samenhang, die in dien tijd toch +niet heel veel kon beteekenen--, trad een samenhang met Denemarken, dat +geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de +algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale +tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld +werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien +bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet +slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te +laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche +kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der +periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De +grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen +afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18e eeuw zijn +er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden. + +De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt. +Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het +beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou +geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien +er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin +nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een +klein land geen geringe beteekenis. + +Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met +Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het +was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de +wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land +is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel +schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats, +die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam, +het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw +volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te +volbrengen. + +De krachten van het nieuwe volk worden in de eerste plaats besteed aan +het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet +later volgen. Vóór alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en +bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar +veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische +neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet +denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden. +Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen +staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en +voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote +machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog +hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat +oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men +koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust, +dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat +het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de +ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot +ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te +scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt, +draagt het stempel van deze armoede. Het zijn òf herhalingen der poëzie +van de achttiende eeuw, òf bombastische loftuitingen op het Noorsche +volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder +Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn +alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van +vreemde voorbeelden, Schiller, Øhlenschläger, de Duitsche romantici; +iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee +verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als +nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den +titel _Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815_. Ongeveer al, wat zich in +Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee +bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat "ook tusschen +Noorwegens klippen bloemen groeien". Maar onder die twintig is er niet +één, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 1: Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in +Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje _Dansk og +Norsk i Norge i eldre Tider_, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden +schrijver _Norsk Sproghistorie_ (1920).] + + + + +2. _Wergeland--Welhaven._ + + +Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel +met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als +met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en +land--maar toch vooral de stad--met rumoer. Het is treffend, dat wij bij +deze eerste vlucht omhoog, die de nieuwe Noorsche litteratuur maakt, +een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven +toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook +later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met +hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen +nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale +gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en +aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en +een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den +algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den +moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland--Welhaven. + +Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet +meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene +productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal +jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn +jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot +stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch +predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van +1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de +herinnering aan dat jaar hoog gehouden werd, en dit milieu heeft een +stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd +kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige +vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige, +opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg +onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen, +maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de +theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in +kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het +rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later, +bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant +aan de actieve politiek deelgenomen. + +Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke +werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op +een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld _Skabelsen, Mennesket og +Messias_ (De schepping, de mensch en de Messias). + +Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet zóó te verstaan, +dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof +had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die +van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van meer +dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te +schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript +van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met +de volgende vellen. + +Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en +wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van +dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het +formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn +persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont. + +De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene +allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche +overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol. +Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar, +komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange +ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer +nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van +dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd +van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de +dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke +een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter +telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. De revolutie is +daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom +ook door den dichter een "bijbel der republikeinen" genoemd. + +Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te +onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent, +en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de +menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet +bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken. +Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een +gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de +gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit +iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de +lezers--Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen--, maar de heftige +toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele +vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het +gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het +tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd +over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum. + +Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft _Skabelsen, +Mennesket og Messias_, gelijk de geheele productie van Wergeland, +groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust +der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze +beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander +verdringen, in den regel zóó snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt, +maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te +zeggen heeft,--soms echter ook zóó veel, dat hij valt over zijn woorden. +Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte +gevoeld werd. + +In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een +groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm +(o.a. _Papegøien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle, +Barnemordersken_ e.a.), vertellingen in verzen (_Jan van Huysums +Blomsterstykke, Den engelske Lods_), verhandelingen over politiek, +geschiedenis (_Norges Konstitutions Historie_), moraal, taalhervorming +en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij +ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men +thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn +beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook +in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor +algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van +vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de +emancipatie der Joden. Het werk voor verlichting hangt samen met de +houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand +aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren +geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was +een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij +te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te +nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon, +heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der +impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld +aannam van Carl Johan,--inderdaad een inconsequente handelwijze voor den +dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op "tyrannen" +af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld, +en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs +verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld +als een nationaal verlies. + +Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf +aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode +Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene +aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en +de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne moeder was een nicht van den +Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L. +Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave +gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge +menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche +patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte +zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten +van den Noorweegschen "odelsbonde" (d.i. de boer, die bezitter van zijn +goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op +wat Deensch was. In de politiek was Zweden de bête noire geworden; in +zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken. + +Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of +voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts +in straatoploopen en andere luidruchtige manifestatiën. De aanvoerder +van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu +ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen. +Het verschijnen van _Skabelsen, Mennesket og Messias_ deed den emmer +overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze +Wergeland zijn "razen tegen het verstand" verweet. Een heftige +pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epigrammen. +Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe +heftigheid voortgezet. + +Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend +resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur +het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor +hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de +representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in +plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen +van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand +gekomen, dat _Norges Dæmring_ (De Schemering van Noorwegen) heet. + +Een grooter tegenstelling dan die tusschen _Skabelsen_, _Mennesket og +Messias_ en _Norges Dæmring_, laat zich niet denken. In _Norges Dæmring_ +voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig +van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76 +sonnetten; de vorm is meesterlijk. + +Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang +herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen +krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke +de patriotten gewend waren te geven. Groot en sterk is het land, +krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar +tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk +gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de +schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg +voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen +vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte +de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen, +Trondhjem;--nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij +wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die +groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En +welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om +vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen +geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om +tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor +krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke +vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des +geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze +gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich +alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal +daad zal worden, wat nu woorden zijn, zoekt de dichter troost[2]. +Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der +voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar +waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert: + + "Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord; + hvad Norge var, det maa han engang vorde + paa Land, paa Bølge og i Folkerang." + + (Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet + het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der + volken). + +_Norges Dæmring_ is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe +bijgedragen, Noorwegen _i folkerang_ te doen worden, wat het eenmaal +was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de +massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg +ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij +ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door +een troep gemeen afgeranseld. + +Een daad was _Norges Dæmring_ niet minder in de litteratuur. Hier werkt +die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren, +klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodieën te laten +hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank. + +Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en +Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de +uitvoerigste "Literaturhistorie" van Noorwegen van Henrik Jæger kan men +het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de +groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En +ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen +in de 19e eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden +nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de +kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt, +is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is +het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur +evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het +sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de +latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen +zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie +van Wergeland, en ook zijn behoefte, om aanvoerder van eene massa te +zijn, vinden wij terug bij Bjørnson; het scherpe verstand, de vlijmende +spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven +keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bjørnson ook in zijn patriottische +zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van +grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met +gelijke trekken bij Welhaven. + +Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor +Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der +eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn +verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming[3], en de practijk +tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als +die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het +verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de +gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich +zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken, +wanneer zij maar half af waren. + +Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door +verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij +vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij +had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt +werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van +zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende +eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe +gedachtenstroomingen. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 2: + + Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad, + hvad nu er taust skal finde starke Munde + i Thingets Sale og i Templets Buer; + hvad nu er Larm skal blive vise raad, + og vis'ne ho'der byttes om med sunde-- + hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer! +] + +[Footnote 3: _Om norsk sprogreformation_. Een voorganger had Wergeland +hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.] + + + + +HOOFDSTUK II. + +ROMANTIEK. + + +1. _De volksromantiek_. + + +Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche poëzie eene bloeiperiode aan. +Het is de romantiek, die haar intocht houdt[4]. De vorige periode leefde +in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der +Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar +een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong +niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in +het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er +reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te +regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe +onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de +toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De +romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur, +en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen +machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen, +juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een +frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik +vóór alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij +op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de +krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder +de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk +geïmporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden +de hekken van het patriottisme verhangen. + +De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen +zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was +en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede +helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland +gekomen, waar men de zaak grondig had opgevat. Herder was begonnen met +studiën over volkspoëzie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven, +om òf de stof te gebruiken in eigen gedichten, òf den toon van het +volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet +de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op +getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und +Hausmärchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn). +In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de +meest bekende dichter van den tijd, Øhlenschläger, zich van deze stoffen +meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu +is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide +richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van +stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de +getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste +werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone +bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht +hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste +beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C. +Asbjørnsen en Jørgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich +als eerste uitgever van volkspoëzie M.B. Landstad aan. + +Asbjørnsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de +stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen +zouden geven[5]. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De +overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van +teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet +alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat +dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm +bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot +zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de +bijzondere wijze van uitdrukking de poëzie dezer vertellingen gelegen +was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden +uitgegeven in de officiëele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en +uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon, +zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun +zóó goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die +tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen +gelezen worden, hebben zij ook een zeer grooten invloed gehad op de +ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het +Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van +deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de +latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed +van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer +Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens +nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die +boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van +voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe, +den zoon van Jørgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is +voortgegaan. + +De _Norske Folkeeventyr_ (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841 +verschenen[6], behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche +letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan, +grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen zóó +eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan +in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting +meedeelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het +bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een +geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme +litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote +dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het +werk tot op dezen dag niets verloren. + +Een eenigszins ander karakter dan de _Folkeeventyr_ dragen twee andere +verzamelingen van Asbjørnsen, _Norske Huldreeventyr og Folkesagn_ (N. +Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven. +Asbjørnsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van +romantiek tot realisme. Ofschoon het woord "eventyr"[7] in den titel +voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen +omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbjørnsen +legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan, +en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog +geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die +een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van +zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote +plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn +vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de +natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de +Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen--Oostlandsch--dialect. Het +werk van Asbjørnsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het +volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst +gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel +_Plankekørerne_ (De Plankenvoerlui) draagt. + +Asbjørnsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar +duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter +karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr +og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbjørnsen aan zijn zegslieden +het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire, +ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi +gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek +heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De +Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan +ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij. + +In 1853 gaf Landstad uit _Norske Folkeviser_. Daarop volgde in 1858 een +kortere verzameling van Sophus Bugge: _Gamle norske Folkeviser_[8]. Deze +boeken zijn niet zóó algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes +van Asbjørnsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd[9]. +Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door +weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten +konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden +opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal +geärchaïseerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen +toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te +verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds +voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is +veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de +opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de +sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen +staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een +veel vroegere periode (de 16e eeuw) zijn opgeschreven. + +Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad, +niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de +gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters +hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de poëzie in hooge +mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads +uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen. + +Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de +eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden. +Na de dæmringsfeide[10] zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel +_Digte_ uit. Later verschenen _Nyere Digte_ 1845, _Halvhundrede Digte_ +1848, _Digte_ 1851, _Digte_ 1860, eindelijk nog _Sidste Digte_ (van 1860 +tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste +helft der eeuw heeft voortgebracht. + +De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch +ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud +naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar +naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw +element bij. + +Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun +gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige +periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd +en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt +lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat _Vidar_. _Vidar_ +is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het +einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. _Vidar_ was ook de +naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte +van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het +monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft. + +De gedichten _Sisyphos, Glaukos, Goliath, Møkkurkalv, Nehemias_ (1839), +_Tantalos, Protesilaos, Kalchas_ (1845), _Herakles, Ganymedes, +Philoktetes_ (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het +voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben +verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van +eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de +wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een +merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang, +nadat hij in _Et Dukkehjem_ en _Gengangerne_ met de publieke opinie +slaags was geweest. Eerst komt een uiting van lust om den strijd voort +te zetten in _En Folkefiende_, dan de ontmoedigde verklaring, dat de +man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in +_Vildanden_[11]. + +Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks +vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de +liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid. +Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat +hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven +liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel +woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de +universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf +zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen +samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig, +heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die +der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten +samen met die der mythologische gedichten. Ook hier bestaat een +merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding +voor het leven ontvangt, + + "naar løst fra længsler og fra vild begær + den flyer til mindets aandehjem befriet"[12]. + +(Kærl. Komedie, Værker II, 261). + +Vergelijk daarmee Welhaven's verzen: + + "Hver en Fryd maa trylles om + til et Savn, som Sjælen freder; + Mindet kun et Held bereder, + der er Livets Eiendom"[13]. + +(Digte 1845. Værker II, 234). + +Voornaam is deze poëzie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde +heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen +hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar +persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij +als schoon gevormde gedachte tot den lezer. + +Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische +beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan deze +beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij +Welhaven's natuurpoëzie te danken. De romantische vlucht van de stad en +de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar +ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze +dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof. +Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, nøkken, +nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbjørnsen ze deed, hun +intree in de kunstpoëzie. Welhaven heeft in dit genre veel +natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En +ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden +was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was. +Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan +de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want +zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers +wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer +genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische poëzie van een +dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn +tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook +nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden +bron van poëzie een rijke was, die in de behoefte van meer dan één +geslacht kon voorzien. + +Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad, +in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden. +Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige +generatie. + +Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich +verwijderen van het realisme waarnemen. _Norges Dæmring_ is te gelijk +idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des +dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor +zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn +pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in +bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn +troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het +leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart +zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee +richtingen. Voor de eene--en dit is de richting der +huldre-romantiek--bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,--ook +Asbjørnsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze +gehuldigd,--voor de andere zijn de ware objecten voor onze +belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen, +en deze richting loopt uit op menschenstudie en zoodoende op realisme +in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbjørnsen in enkele stukken +gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in +de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt +voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbjørnsen's +realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot +doorbraak komen. + +Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten +van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van +verschil. Welhaven heeft zich ook sterk geïnteresseerd voor de +verzamelingen van Asbjørnsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de +behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn +behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van +populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche +letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche +Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van +de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een +stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de +geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid +vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch. + +In 1840 werd Welhaven lector,--later (1846) professor in de +philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het +vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft +nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het +jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus +is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan +historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een +duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan +van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn. +Hij stierf in 1873. + +Ook Jørgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen, +is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de +natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door +eenvoud en religieusiteit. + +Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook +melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in +verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters +der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot +de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's _En Jægers +Erindringer_, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der +schilderingen van het volksleven behoort Østgaard's _En Fjeldbygd_. Het +boek staat onder den invloed van Asbjørnsen's vertellingen, maar hij +miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene +zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van +talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet +hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan +twijfelen, of het boek wel tot de poëtische litteratuur gerekend kan +worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbjørnsen +las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het +denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van +eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling. + +Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen +schreef, samen uitgegeven onder den titel _Fra Lofoten og Solør_, +interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake +is,--Solør ligt in het binnenland--de bewoners der eilanden hun eerste +intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger +van Jonas Lie. + +Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bjørnson's +boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in. + +Bjørnstjerne Bjørnson is in 1832 geboren als zoon van een +dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te +zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania, +waar hij een tijd lang Heltberg's "studentenfabriek" bezocht--zie +hierover meer in Hoofdstuk IV--en in 1852 student werd. Reeds te voren +had hij een--onrijp--tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij +regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856 +bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe +Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier +dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het +eene is _Mellem Slagene_, dat in een ander verband besproken wordt; het +andere is _Synnøve Solbakken_, de eerste zijner boerenvertellingen. + +Men kan zeggen, dat Bjørnson's novellen eene periode openen, en dat zij +er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze +beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling, +die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de +voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De +sprookjes van Asbjørnsen en Moe zijn rijk aan poëzie, maar toch niet in +de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct +van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van Østgaard +was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door +menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bjørnson vereenigde +een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot +vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst +kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel +uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten +opgang maakten. + +Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke +zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste +gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te +vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt +met Vinje's kritiek op Bjørnson's volgende vertelling _Arne_, die later +zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van +boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bjørnson, en die den +schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede +stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers +met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bjørnson en zijn +criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bjørnson +mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet +het portret nader bij de werkelijkheid staan. + +De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in +twee jeugdwerken van Ibsen, _Gildet paa Solhoug_ (Het Feest te Solhoug, +1855) en _Olaf Liljekrans_ (1856). Deze twee stukken representeeren een +eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter. + +Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een +welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen, +en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee +gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te +Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In +de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te +bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte +hij. Zóó is zijn eerste drama _Catilina_ ontstaan in den winter 1848-'49 +(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania, +bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk _Kæmpehøien_ +van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste +doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij +een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen, +met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu +volgen snel op elkander _Sankthansnatten, Fru Inger til Østraat, Gildet +paa Solhoug_ en _Olaf Liljekrans_. Het eerste van deze werken is van +geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre; +over de beide laatste zal hier iets gezegd worden. + +Toen Ibsen _Gildet paa Solhoug_ schreef, waren zijne oogen reeds +opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe +letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde +zijne gedachten in eene andere richting. _Gildet paa Solhoug_ zou, wat +de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend; +de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14e eeuw), en door het +hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar +onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht +te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene +voorstudie voor _Hermændene paa Helgeland_, dat geheel onder den invloed +der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der +volkspoëzie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen +worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor +_Olaf Liljekrans_ bestaan verschillende voorstudiën. Voor een van deze, +en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (_Rypen +i Jostedal_, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling +volkssagen van Faye, die hierboven genoemd werd. Wij hebben +hier dus een stof, die met Asbjørnsen's vertellingen punten van +aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door +het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd; +er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier zóó ver, +dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een +volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat +citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen +den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door +overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde +stuk _Sankthansnatten_, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt. + +Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te +stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een +voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre +opgang gemaakt had, met name in zijn drama _Svend Dyrings Hus_. Wanneer +men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz +nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige +kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere +uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van _Olaf +Liljekrans_ is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en +een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk +is. Het toont, dat de dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling +door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die +het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo +gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de +dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme +voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs zóó +ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling +schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst +proclameert. Deze verhandeling--later uitgegeven in het tiende deel +zijner _Samlede Værker_--verscheen na de beide tooneelstukken en +beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857) +verscheen _Hermændene_, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie +opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama +gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym +Jokum Pjurre, eene comedie _Gildet paa Mærrahoug_, waarvan reeds de +titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (_mær_ +beteekent merrie). + +Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de +eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed, +waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal--groote +stukken van _Olaf Liljekrans_, waar de individueele lyriek de +volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen +geschreven heeft--, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar +ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester, +die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de +beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van +bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn, +reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal +zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen +jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in _Kejser og Galilæer_. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 4: Vertalingen van werken der Duitsche romantische school +komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von +Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici +werden gelezen (zie Jægers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan +uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.] + +[Footnote 5: De eenige voorganger van Asbjørnsen en Moe was de predikant +Faye, die in 1833 een verzameling _Norske Folkesagn_ uitgaf, tamelijk +rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het +karakteristieke niet deed uitkomen.] + +[Footnote 6: Een voortzetting door Asbjørnsen met bijdragen uit +opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2e uitg. 1876).] + +[Footnote 7: Het woord _huldreeventyr_ is een maaksel van Asbjørnsen en +eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van poëtische fantasie, +_huldre_ behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming +voor zulke vertellingen is _huldresagn_.] + +[Footnote 8: In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling _Sange, +Folkeviser of Stev_ (d.i. refreinen) uitgegeven.] + +[Footnote 9: Zie echter het litteratuuroverzicht.] + +[Footnote 10: Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan +_Norges Dæmring_ een deel uitmaakt.] + +[Footnote 11: Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte +als in uitdrukking tusschen _Protesilaos_ (Welhaven, Digtverker II, +219): "Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han kæmper +kun og falder" en _Brand_ (Ibsen, Saml. Værker III, 231): "Men hver, som +gaar i første række, maa falde for sin fagre sag."] + +[Footnote 12: "Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd +vliegt naar de geesteswoning der herinnering."] + +[Footnote 13: "Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis, +waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een +geluk, dat het eigendom der ziel is."] + + + + +2. _De historiseerende Romantiek_. + + +In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in +zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den +drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de +historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan +historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden +beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer +dan allen de volksoverlevering cultiveerde, Øhlenschläger, heeft ook tal +van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote +afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de +bloeitijd is niet geheel dezelfde, en het geheel valt later dan in +Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard[14] een historisch drama +_Magnus Barfods Sonner_ (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had +dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen +toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den +nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient +zijn gedicht _Sønner af Norge_ van 1820 genoemd te worden, dat het +nationale lied van het land geweest is, tot het door Bjørnson's _Ja, vi +elsker dette Landet_ werd vervangen. + +In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de +vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en +drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste +omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van +1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich, +doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studiën gemaakt; +hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de +geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten het eigen land. En hij +waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken +stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele +gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De +romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;--een +liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat +eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid +schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama +_Kong Sverres Ungdom_ (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud +deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door +haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene +intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een +historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende +karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem +zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon +dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre. +Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een +historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd +te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus +een soort heerschappij oefende. In meer dan één genre had hij volstrekt +niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk +gehad, zijn roem te overleven, ofschoon hij tot het laatst is +doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884 +op 73-jarigen leeftijd. + +De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de +Engelsche geschiedenis ontleende tragedie _William Russel_ (1857) werd, +ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde +gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking +(Saml. Værker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars, +toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is +merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in _Kærlighedens Komedie_, +waar hij een bekrompen dame, Frøken Skære, haar verontwaardiging laat +uiten over een student, die zóó laag, zóó onbeschoft, zóó gemeen was, om +zelfs _William Russel_ te critiseeren. Het stuk wordt hier dus +voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke +plebejers. + +Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie _Hertug Skule_, die in +1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's +_Kongsemnerne_ was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De +vergelijking was doodend;--hiermee had het aanvoerderschap van Munch in +de Noorweegsche letterkunde een einde. + +Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in +al haar schakeeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt +dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de +ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het +historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch +drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama. + +Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur. +Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche +vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij +voorbeeld de stof voor Munch's _En Aften paa Giske_ uit Snorris Oláfs +saga helga[15]. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de +nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is +die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en +zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het +persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen zóó, dat niets +meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met +het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der +voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene +kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is. + +Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's +romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof +insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder +mate. _Catilina_ valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting +van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd +gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het +gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het +jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk poëzie te halen. +Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet +die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek +aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden. + +_Fru Inger til Østraat_ (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter +bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet zóó gevormd, en de +ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk +en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men +den indruk, dat de dichter onder den invloed van het--insgelijks +romantische--gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij +de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen. +Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp +geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch. + +De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn _Hermændene +paa Helgeland_ (1857) en _Kongsemnerne_ (1864). Van deze beteekent het +tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog één historisch +drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier +bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische +en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie +in. + +De stof voor _Hermændene_ en _Kongsemnerne_ is aan de Noorsche oudheid +ontleend. In een enkel opzicht vormt _Hermændene_ nog een overgang van +het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt +niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der +middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den +man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de +_Volsungasaga_ die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen +wordt opgedischt. De _Volsungasaga_ behoort niet tot de beste saga's, +vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof +uit de Edda, en zóó gaat _Hermændene_ in laatste instantie terug op eene +stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die +met de latere volkspoëzie punten van aanraking hebben. Het conflict is +ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama _Gildet +paa Solhoug_ behandeld was. Wanneer desniettegenstaande _Hermændene_ met +recht tot een ander genre geteld wordt dan _Gildet paa Solhoug_, dan is +de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl. +Maar de stijl is dan ook niet die der _Volsungasaga_, maar die der +historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd +had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het +voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der _Egilssaga_, der +_Njálssaga_,--en hier is de stijl een andere dan in de _Volsungasaga_. +Men kan dus met recht zeggen, dat in _Hermændene_ de familiesaga in +dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de +_Volsungasaga_, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in +de _Njálssaga_ voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het +schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is. + +En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie, +waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit +gezichtspunt eene vergelijking van het slot van _Gildet paa Solhoug_ met +het slot van _Hermændene_. In het lyrisch drama, dat door stemmingen +beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin +bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige +Bengt; de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven +jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint +het geluk. In _Hermændene_ is de hartstocht een stormwind, die alles +wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood +de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij één +man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op. + +Op geheel andere wijze is _Kongsemnerne_ (De Kroonpretendenten) een +historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de +geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante, +maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen, +maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende +langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want +hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van +die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover _Kongsemnerne_ +handelt. Tot nu toe stond het ééne landschap tegenover het andere, en de +geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten +tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken +en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald +Hárfagri had Noorwegen tot een _rijk_ gemaakt; nù moet het een _volk_ +worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als +Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als +bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is +daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne +maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over, +dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet +gegeven is, te leven. + +Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de +Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit +perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen +tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer +naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij +door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was +opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die +kwamen, zouden de Skandinaviërs tot broeders maken, gelijk Hákon +Hákonsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo +nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen +van Hákon wijzen, gelijk Hákon Skule wijst op de dagen van Harald +Hárfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten +beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden +gesteld, Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen. +Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die +op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep: +_Vaagner_ (wordt wakker), _Skandinaver_! getuigt er van. + +En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de +interessantste figuur van het drama. Want _Kongsemnerne_ is niet alleen +een tijdgedicht--het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht. +Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van ééne zijde van den +dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne +roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is +zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over +hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel +zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het +denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer +noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den +grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn +tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen, +en zelf daarbij onder te gaan. + +Een tijdvak van negen jaren scheidt _Kongsemnerne_ van het geweldigste +van Ibsen's historische drama's: _Kejser og Galilæer_. De romantische +droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk +afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de +reeks moderne drama's (_nutidsdramer_) te openen, die aan de letterkunde +van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt[16], om +nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit +de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal +geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die +van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste +wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe +verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de +meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de +lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te +dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot +hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk +dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar +het gaat hem als Kaïn; zijn offer wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan +bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor +brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de +verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de +idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en +waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem +dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop +op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal +voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de +ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij +gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich +tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den +Galileër, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een +tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galileër aan hem +persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer +zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galileër +opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den +wettigen keizer ook dien tegen den Galileër aan. In naam herstelt hij +het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist +deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning +voert. Vóór dien tijd heerschte het Christendom in het uitwendige; het +was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde +in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter +begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering +op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument, +waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den +Galileër, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het +Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot +oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de +mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: "Jullie God +is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen." Alleen Makrina +spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: "Verdwaalde +menschenziel,--_moest_ je dwalen, dan zal het je zeker ten goede +gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken +komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode +levenden!" + +Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote +drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die _Kejser og Galilæer_ +direct aan _Kongsemnerne_ bindt. De voorstelling van de roeping is niet +geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest, +waarin de dichter zich jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In +_Kongsemnerne_ is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met +Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft, +wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met +blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd, +maar het begrip is toch aanwezig. In _Brand_ treedt de roeping op als +een eisch, die verschrikken kan. In _Peer Gynt_ is sprake van twee +wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief; +in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van +een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen, +dat zij haar roeping verzaakt. In _Kejser og Galilæer_ blijven alleen de +twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet. +Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is +alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het +resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet +dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of +ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij +kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede +voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en +zóó wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar +wreedsten vorm. Daarom is Juliaan, evenals Kaïn en Judas, een martelaar +voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de +menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor +deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken. + +Zóó ziet een philosophisch extract uit _Kejser og Galilæer_ er uit. Het +stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten +kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen +levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme. +Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij +zóó in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon. +Levend--en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene +nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op +elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van +Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten +heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de +schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld +kent. + +Bij het schrijven van _Kejser og Galilæer_ had Ibsen meer historisch +materiaal, om op te bouwen, dan bij _Kongsemnerne_, en dit kan een der +oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan +bij het oudere drama. Ook was de dichter in den tusschentijd een ander +geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873, +kort voor het verschijnen van _Kejser og Galilæer_, aldus uit: +"Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van +wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest +doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te +gelijk geheele, volkomen realistische poëzie; ik heb de figuren voor +mijn oogen gezien in het licht van den tijd,--en wil hopen, dat de +lezers hetzelfde doen." In den zin, waarin de dichter hier het woord +opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de +stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan +Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed +der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien +het juist is, wat Henrik Jæger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt--en +tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen--dat in de +teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar +slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de +teleurstelling van den dichter, die in de jaren vóór 1870 een nieuwen +tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke +persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden +staatsburger had gegrondvest, dan is ook in deze wijze, om de oudheid +in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met +de wijze, waarop de grondgedachte in _Kongsemnerne_ ontstaat onder den +invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm +was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere +banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer +gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke +problemen bezighouden. + +Bjørnson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856 +_Mellem Slagene_ (Tusschen de Gevechten), 1858 _Halte-Hulda_, 1861 _Kong +Sverre_, 1862 _Sigurd Slembe_, 1864 _Maria Stuart i Skotland_, 1872 +_Sigurd Jorsalfar_ (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot +de historiseerende romantiek de gedichtencyclus _Arnljot Gelline_ +(1870). Afgezien van _Maria Stuart_ vallen al deze werken binnen het +kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van +overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin, +dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof +eene--gefingeerde--gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas +de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In +_Mellem Slagene_ treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als +deus ex machina in een rol, die zeker den historischen Sverre slecht +zou gepast hebben,--hij moet den vrede stichten tusschen twistende +echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man +tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. _Halte-Hulda_ +maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de +handeling gezegd wordt, in de 13e eeuw te geschieden. Het conflict is +hier van gelijken aard als in _Hermændene_, en het is hier gelijk daar +de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in +aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen _Hermændene_ en _Halte-Hulda_ +nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik +de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de +natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bjørnson zich tot het +publieke leven, dat--wanneer men een stof uit de oudheid +kiest,--natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die +men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de +stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de +koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt. + +Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters +blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's +van Ibsen en van Bjørnson niet groot. Vergelijkt men Bjørnson's +historische drama's met die van een vroegeren tijd, dan is er wel een +groote afstand. Bjørnson had levendigheid van geest en een groot lyrisch +talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij +had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een +dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter +heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen +wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die +hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen +oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis +te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere +menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist +hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren +weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond +hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De +individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel +oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en +zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van +elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's +gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de +man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook +dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet de noodzakelijkheid niet +in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan _Sigurd Slembe_, het stuk, dat +doorgaat voor het beste van Bjørnson's historische drama's. Uitwendig +heeft de held eenige gelijkenis met Skule in _Kongsemnerne_. Als deze +tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft +ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om +zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren +koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel +trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem +vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt +Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van +dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet +precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een +toeval--de grootere haast van de vijanden--de oorzaak, dat Sigurd +misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een +psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de +hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die +Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang +bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed +meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn +vrienden beraden had, wat nu te doen stond, voor hij sluipmoordenaar +werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem +gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de +grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond +onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu +consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde +bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen +bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin, +waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar één pijl +verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter +gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche +vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het +eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad +en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan. +Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus +willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis. + +Maar Bjørnson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de +ontwikkeling eener handeling. Bjørnson is niet een steller van vragen; +daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een +beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe +anders had _kunnen_ handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht; +het is hem genoeg, dat de man anders had _moeten_ handelen. Hij wil +verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te +bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een +exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een +schouwburgpubliek gaarne zien. + +Er wordt in Bjørnson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls +zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den +regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den +mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms +leest men dingen van grenzenlooze naïveteit. Ook hiervoor zal een +voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het +gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de +tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd +morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk +geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over +op de karakteristiek van den man. Eén is er van meening, dat Sigurd zulk +een aard heeft, dat òf alle anderen moeten omkomen, òf hij. En deze man +eindigt aldus: "Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat +hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals +vereenigd zal worden tot eene heerlijke bedoeling.--Vrienden, ik geloof +aan een leven na dit." + +Dat "vrienden" vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof +men Bjørnson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort +uitbrengen.--Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek +om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij +bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd +zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt. + +Bjørnson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's +geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van +voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was +voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte, +die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in +hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is +zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling. +Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den +dichter juist tot _die_ stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond, +dat er genoeg waren. + +Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de +zoo veelzijdige productie van Bjørnson. + +Meer in overeenstemming met Bjørnson's talent is de gedichtencyclus +_Arnljot Gelline_. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend. +Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische +gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende. +Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om +schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden, +maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een +gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren, +hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de +grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij +langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij +kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid +gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam +aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man +treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den +slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om +den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij +wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen +kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich +aan hem overgeven. Op wensch van den koning laat hij zich doopen; den +volgenden dag is hij een der eersten, die valt. + +Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de +realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken +in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke +betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot +uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover +sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft +ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag. +Deze figuur maakt Bjørnson tot het middelpunt van een groep gedichten. +Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds +het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de +sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan +bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig +plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche +volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden +in zulk een gedicht tot één. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft +hij met warmte weer. Maar Bjørnson zou Bjørnson niet zijn, als hij niet +geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid +der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan. +Tevens moeten wij iets meer hooren over de misdaden van den roover; +vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens +gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de +beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling--een zaak, +waarover de geschiedenis zwijgt--sterk op den voorgrond gebracht; de +persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en +wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot +valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning +over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste +van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach. + +Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die +hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en +leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De +vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer +dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt, +maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin +gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch +gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door +misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in +zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid een held zich +in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil +schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer +de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken, +precies als in de boerennovellen. + +Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot +Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het +verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van +een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere +Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het +hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden, +zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken, +en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw, +die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de +pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en +bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide: +"Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer." +Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik +gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij +niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening, +noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching. + +Het is wel gezegd, dat Bjørnson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt +en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet +zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet. + +En toch is _Arnljot Gelline_ een mooi gedicht, wanneer men er maar in +zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan +stemmingen rijken dichter. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 14: Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een +vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven, +_Fjeldeventyret_, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en +zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt +thans nog wel met succes gespeeld.] + +[Footnote 15: Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van +1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13e eeuw Snorri +Sturlason.] + +[Footnote 16: _De Unges Forbund_ is van 1869, dus drie jaar ouder dan +_Kejser og Galilæer_. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de +historische studien voor zijn groot drama bezig.] + + + + +3. _Het hooggespannen Idealisme_. + + +In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot +voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de +jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog +meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door +politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en +werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen. + +De romantiek had de poëzie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den +helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men +wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote +gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die +nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de +maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de +dichters konden die vormen, zooals zij wilden. Maar voor dichters, die +niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met +de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren +verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat +van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zóó deden eigenlijk van +den beginne af die poëten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde. +Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan +was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf +der geïdealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een +veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. _Dat_ hij hem ging, +ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het +geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De +wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen +van 1864 bepaald. + +Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in +1862 gedaan; reeds _Kærlighedens Komedie_ toont de beginnende reactie +tegen de romantiek, die in _Brand_ en _Peer Gynt_ wordt voortgezet. + +'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek +geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof, +dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als +Ibsen is, houdt hij nog de geïdealiseerde personen voor de normale, +maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het +conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en +Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar +geplaatst in een nieuw daglicht,--dat van heden. Van des dichters +standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek +is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte, +als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van +den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas in _Peer Gynt_ +laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek +gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een +overgang van het historisch-romantisch drama naar het met _De Unges +Forbund_ beginnende realistische drama. Van ééne zijde vertegenwoordigen +zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den +achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme. + +In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie +genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis +vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke +kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke +gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene +maatschappij van halve menschen?" In het realistisch drama draait de +dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van +menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's +gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen +geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen +tot de taal van het gewone leven, het proza, over. + +Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van _Kærlighedens +Komedie_ (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker +verband aangenomen met den roman _Amtmandens Døtre_ van Camilla Collett +(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk +vóór het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar +het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en _Kærlighedens +Komedie_. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder +(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige +vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot +een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en +Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt, +dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde +Schjøtt in haar opstel over Camilla Collett). + +Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook de vraag, die gesteld +wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht +zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de +liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het +huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke +conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet +eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog +opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn, +het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan +elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet +lijden. Door deze gezichtspunten is _Kærlighedens Komedie_ niet +uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk +gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe +sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde +langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en +frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht. +Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt +overblijft,--zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de +herinnering te bewaren--'voor de eeuwigheid te winnen', heet het +hier,--liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen +dit echter niet klagend, maar dankend: "Nu kan ik je _blij_ missen voor +dit leven", is de afscheidsgroet. + +Het spreekt wel van zelf, dat _Kærlighedens Komedie_ niet verstaan, en +dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het +stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor +de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat +was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten +behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen +vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook +volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poëzie maakt hier +natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van +poëtische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt. + +_Kærlighedens Komedie_ is echter niet alleen een hoog-romantisch +gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild, +wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar +hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van +verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang +gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich +in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het +dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poëzie,--ziedaar +de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der +vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter +samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de +bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding +geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen +niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de +studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt: +"dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd." + +De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen +reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "één +hoog, voor de vreugde van het leven, en één, die beneden trilt, diep en +lang." + +Gansch anders is de stemming in _Brand_. Maar tusschen _Kærlighedens +Komedie_ en _Brand_ ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de +werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet +altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet. + +Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850 +ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de +ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in +den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting was gekomen, was +van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een +bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele +patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere +reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het +Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam, +een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de +zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en +Bjørnson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden +voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche +tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten--al zulke, +die het bestuur van het land aangingen--anti-Zweedsch. Maar deze dingen +beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet +meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden +kwam te staan. Hier trok men één lijn en stelde men zich ook voor, als +één man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme +ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts +eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en +waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken +en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in +die jaren gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de +gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling +van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het +ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich +vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander +naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in +vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte +zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde +studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjørnson tegenwoordig +was. + +Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden +doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon +Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen, +werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten, +en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond +echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten +einde uitdrukking te geven aan meegevoel. + +Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en +de pessimistische stemming doen rijpen, die in _Brand_ tot uiting komt. + +Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan, +waarmee hij de gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op +gewezen, dat in _Kongsemnerne_ de gedachte aan een in broederschap +vereenigd Skandinavië herkend kan worden in Hakons groote +koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds +in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen +oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den +titel _Vaagner, Skandinaver!_, waarin onder anderen gewezen wordt op het +gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht +hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een +Deensch-Noorsch studentencongres (_For Danmark_, Efterladte Skr. I, 87). +In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, _En Broder i Nød_, zijn +landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat +is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864 +uit Rome: _Troens Grund_ (De Grond van het Geloof) bericht op +sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo +zegt hij, zijn oproep (d.i. _En Broder i Nød_) over zijn volk +geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers +over den val van Dybbøl, over de jonge Noorsche vrijwilligers. +Inderdaad, van één was een neef weggeloopen, een ander miste zijn +handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa zat een +oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid +uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over _hem_ is +zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog +leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar +zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger. + +Interessant is het gedicht _Til de Medskyldige_ (Aan de Medeschuldigen), +een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen +_Brand_,--een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel +voert,--die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een +positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij +zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij +zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met +bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden +hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben +verzuimd, deze vraag te stellen: + + "Kan den med Rette tage Arvens Skat, + som fattes Haanden, der skal Arven løfte?" + + (Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die + de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?) + +Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren +direct aan deze verzen uit Norges Dæmring: + + "Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen brænder, + kan ei fortabes, er en hellig arv, + der falder renterig til Folkets Tarv, + naar det kan hæve den med voxne Hænder!" + + (Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet + verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten + goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen). + +In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat +Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog +op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders +zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar +handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou +lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen +blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich +daarover scherp uit in zijn _Ballonbrev til en svensk dame_, waaruit ik +alleen deze twee verzen citeer: + + "Thi mod skønhed hungrer tiden, + Men det ved ei Bismarck's viden." + + (Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's + wijsheid niet). + +En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872 +naar aanleiding van eene rede van Bjørnson. Ook deze dichter had de +gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen +uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbøl +klaagde hij: _Da Norge ikke vilde hjælpe_. In 1870 was men in +Skandinavië zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning +herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche +overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen +was, kwam Bjørnson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest +veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een +verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een +zelfstandig Noorwegen in Skandinavië en een zelfstandig Skandinavië in +een groot Germanië. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten +te houden. Deze omslag van Bjørnson, door hem zeker eerlijk bedoeld, +maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen +pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef +_Nordens Signaler_ (later opnieuw uitgegeven in Samlede Værker X, 567), +een gedicht vol vlijmenden spot: + + "Der er omslag ivente! klem paa med talerne! + Vejrhanen paa fløjen har forandret signalerne." + + (Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan + op den vleugel heeft de signalen veranderd). + +_Brand_ verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden +te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de +Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad +heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de +monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig. +Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben, +die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van +den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen, +waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke +ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist +pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken, +die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in +conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard +is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het +ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn +personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit +betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de +predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor +het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te +danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een +repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand +tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het +religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele +monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker +geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer +klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze. + +Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze +zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar één proseliet te +maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te +bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat +deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking, +nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen +van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen, +dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer +hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het +visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij +weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke +stem: 'Hij is deus caritatis'. + +Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat _Kærlighedens +Komedie_ een voorlooper van _Brand_ is. Hij heeft op deze plaats het +oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het +eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende +tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles, +wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in +'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt +aangetoond,--natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen. +Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en +karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het +verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar +ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog +praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant +heeft plaats gehad. + +Op _Brand_ volgt in 1867 _Peer Gynt_. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet +afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen, +maar hij voert het volk zelf ten tooneele in één typischen representant. +Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de +dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot +grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip, +'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te +bemerken, achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is +zich zelf genoeg, een egoïst in plaats van een persoonlijkheid. Zijn +levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde +verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van +zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid. +Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit +komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes, +die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn +gebruikt,--om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek +rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche +volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het +hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen'). + +In gelijke mate als van _Brand_ geldt van _Peer Gynt_, dat de dichter de +stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de +toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke +overweegt; in _Peer Gynt_ kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere +afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden, +heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het +beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt. +Naast den spot treedt ook--in tegenstelling met _Brand_ een element van +meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend +individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het +dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken +en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift +Neophilologus geschreven heb. + +Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van +de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's +is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de +sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode +voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot +personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de +dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze +vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische +slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze +wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen. +Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in +waarheid beteekent hij den egoïst; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die +aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend +geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en +allegorie. + + + + +HOOFDSTUK III. + +DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL. + + +Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die +in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van +Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in +bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet +gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon +zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect +aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was, +stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie +waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal +uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor +het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De +sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van +zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid +openbaarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit +streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de +vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen +geheel-Noorsche taal. + +De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint +met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor +geïnspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van +Asbjørnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De +vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert +het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was +hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe +gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in +belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de +Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat +verouderd was of daarvoor werd aangezien,--integendeel, zij gaf uiting +aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu +gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaïseering. +Wanneer men tot dusverre schreef _lade, rige, løbe_, dan sprak men +_late, rike, løpe_, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden +gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend +had. Men begint nu op deze wijze te schrijven en brengt door deze +archaïseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in +andere gevallen. + +De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K. +Knudsen, die schreef _Haandbok i dansk-norsk Sproglære_ (1856). Tevens +werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het +belangrijkste werk, van denzelfden schrijver _Unorsk og Norsk_(1879-81). + +De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren, +waarin Asbjørnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te +nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen +tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de +stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en +de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke ééne door +het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene +taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een +ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding +gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die +ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal +provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel +Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen. + +De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet +hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en +zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen +in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal, +die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch. +Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die +autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal. + +Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het +cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van +kunstmatige talen mag zeggen--deze kunstmatige taal is eene levende +geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op +zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is. +Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid, +die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is, +maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende +streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de +eenheid der Noorweegsche dialecten. + +Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht +hebben. Maar niet alleen hun energie,--niet minder hun genie. Want het +verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor +het grootste deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan +een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner +gedachten gemaakt hebben. + +De schepper van het landsmaal is eigenlijk één man geweest, Ivar Aasen, +een boerenzoon uit Zuid-Møre (een landschap op de Westkust), die zijn +jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde +Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten +zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder +hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de +voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken +_en geschreven_ werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht. +Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde +hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van +de Noorweegsche volkstaal: _Det norske Folkesprogs Grammatik_ (1848, in +tweede uitgave van 1864 betiteld _Norsk Grammatik_), waarop een +woordenboek volgde: _Ordbog over det norske Folkesprogs_ (1850; later +_Norsk Ordbog_ 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten +opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene +taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit +andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon +worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften +gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen +voor 'maalstræv' (_stræv_, het streven, werken voor iets), en het doel +werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen +burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen. + +Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het +landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het +bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in +nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou +zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden +dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem +van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen: +aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide +talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen +het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal) +den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is. +Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan +opnieuw. De taal, die de meeste concessies doet, is het bymaal; de +laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in +spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het +landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van +een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene +taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen +en van vele kansels en in meer dan één theater gehoord wordt. + +De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader +aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn +taalhistorische studiën in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij +heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal +wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die +het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche +dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaïseeren, die +voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote +autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het +landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in +poëzie als door de genoemde archaïstische tendenties behield deze taal +een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was +Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens +een eerste poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de +gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik +van Westlandsch dialect kwam daarna Fjørtoft op, een politiek schrijver +van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn +dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande +contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal +ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad _Fram_ (1871-73) een dialect uit +Zuid-Møre, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske +(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden +zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de +groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak +Westlandsch, maar al wat archaïstisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal +is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is +echter in het landsmaal nog niet bereikt. + +Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen. +Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor +onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en +is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in +landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden +wetsvoorstellen in beide talen ingediend. + +Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige +opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn +originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder +hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een +tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal +Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen +ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een +_husmand_, d.i. een kleinen boer, die op een _plads_ (kleine +boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij +opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een +boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg. +Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den +krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man, +die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij +den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering +mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft. +Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren, +is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den +cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al +hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft, +tot de bekwaamste mannen van het land behoort. Die kennis echter +vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij +bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er +ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is +hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij +geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven. +Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt +in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken +oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van +het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader +aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke +sympathieën, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden. +Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van +zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op +rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik +zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer +geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op +politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem +aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere +wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van +goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zóó, dat hij geen aanstoot +geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen +subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en +plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door +zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot +eenzaamheid gedoemd, en zóó geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur +voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij +daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft +hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen +deed hij een heftigen aanval op de regeering--en werd ontslagen. + +Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt +niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat +dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij +gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon +verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon +zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren +optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken +geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven, +die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de +lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een +humorist. + +Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van +Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let +op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest +bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling +en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven. +Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin +is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken. + +Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870 +verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen +gevuld heeft, _Dølen_ ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle +denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij +had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen, +van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen. + +Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig +onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van +wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en +wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws +had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij +toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het +zijn die gevoelsinhouden, die stijl, die eigenaardige combinaties, die +humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke +geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier +geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche +plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu +toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door +kende. _Dølen_ werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan. +Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad +moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige +maanden, wanneer men hem dood waande, stak _Dølen_ dan plotseling weer +het hoofd op. + +Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige +kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd +is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd +komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon +hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan +tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaïsche werken +staat hier bovenaan _Ferdaminni_ (Reisherinneringen), een boek, dat +eerst stuksgewijze in _Dølen_ is verschenen. _Ferdaminni_ is de +beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860 +maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt hier +op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's +Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien +dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde +verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan +zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn +geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed +dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd +werd. + +Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate +onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken +uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjørnson's _Arne_ (de tweede +dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in één verwijt +heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjørnson +de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de +stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met +dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat +Bjørnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het +verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een +_husmand_, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als +dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen de +boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de +predikanten behooren, uit wier stand Bjørnson is voortgekomen, een kring +met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij +niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd +billijk beoordeeld, maar wanneer hij in _Ferdaminni_ en elders hun +zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen +romantiek. + +Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook +zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat +hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan +ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit +onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's _Brand_. In de +dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten +tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters +hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in +dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet +den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te +zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat +eerst naar eene vignetteekening den naam _Manden_ (De Man) kreeg en +later omgedoopt is tot _Andhrimnir_ (de naam van den kok in Valholl). +Dit blad was een navolging van het Deensche blad _Corsaren_, dat door +Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op +harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin +omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover +oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers +ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen. +Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden +af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke +toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche +waardeering was er ook niet. In _Peer Gynt_ ontmoeten wij Vinje als +Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der +orangoetangs te spreken. Toen _Brand_ verscheen, heeft Vinje dit +dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar +op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte +farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan. +"Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een +paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel; +Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over +Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon +hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden +hebben niet nagelaten, in zijn kritieken op _Arne_ en op _Brand_ +uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het +geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands +drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel, +is het gevolg van meer dan één oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die +hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren, +dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich +begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond +alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was +van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna +identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel +landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten, +kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn +tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch' +schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te +hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al +spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair +succes. + +Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in +aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is +het wel, dat iemand zijn leven geeft voor een denkbeeld, dat in de +practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje +zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door +geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere +gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er +dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar +voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte +is hem te abstract. + +Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat, +wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als +litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent +practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters +konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest +verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder +grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting +alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt +samen met zijn beter inzicht in de realiteit. + +Vinje's belangrijkste levenswerk--men moge het prijzen of laken--is dat, +wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor +geijverd,--dat is één ding, maar vooral--hij heeft het gebruikt, en hij +heeft het zóó gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noorweegsche +letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest. + +Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver +kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls +begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te +geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming +verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele +gedichten, waarin ééne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is +volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de +zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden, +die opgenomen is in zijn gedichtencyclus _Storegut_. + +Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de +hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is. +Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast _Ferdaminni_, +Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot +de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus +_Storegut_. Wat de compositie betreft, kan men _Storegut_ vergelijken +met _Arnljot Gelline_ of met Runeberg's _Fänrik Staals Sägner_: het is +een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een +historische persoon of gebeurtenis. Voortgang is er eigenlijk niet in +het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed +zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat +de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de +karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk +en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij +kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een +valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij +voor het meerendeel stemmingen van één persoon schilderen. En er zijn +ware meesterstukken onder. + +Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan +schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie +als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan +men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt +gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij +in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in +dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook +oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het +inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te +verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe +ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef +geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo +subjectief als Vinje, die _Brand_ voor een farce aanziet, geen +psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen +theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op +wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama +geschreven, _Olav digre_, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de +proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men +zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft +kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet +kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de +grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naïveteit, waaraan +wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die +aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant +genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let +op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft. + +Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is. +De stukken, die gereed waren, heeft hij in _Dølen_ uitgegeven. _Staale_ +heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een +onafhankelijk man, die zijn eigen weg gaat, in de maatschappij +mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn +omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt +toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen +vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort +schiet. _Staale_ is dan ook veel minder gelukt dan _Storegut_. + +Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland +in: _Bretland og Breterne_. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje +nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes +in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland +toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te +bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor +zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de +tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen +land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op +den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden, +waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen +opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende +bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maatschappij. Maar door +zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten--de +Times liet zich zeer onvriendelijk uit--, en daarmee was zijn uitzicht +op succes in den vreemde afgesneden. + +Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet +gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele +vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een +dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als +zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten +niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over +hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar +bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag +gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht: +men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem +gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was +uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat +hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft. +Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij +geschreven heeft, maar _hoe_ hij geschreven heeft, eerst in bymaal, +daarna--het meeste en het best--in landsmaal. Die beteekenis zal pas +algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal +bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen +is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen +voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te +heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen, +dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen, +want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest. + + + + +HOOFDSTUK IV. + +HET REALISME. + + +Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de +idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de +practijk, maar ook in de poëzie noodig was, rekening te houden met de +wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen +zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken +periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu +invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk, +waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden +dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en +begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der +Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het +geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de +litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat, +godsdienst. In Denemarken doet de nieuwe richting haar intocht in de +epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire +voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen +en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land +is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere +generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige +periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjørnson +zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep +romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn. + +Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan +beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt +wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die +litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd +in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw +is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel +afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad +van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken, +is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat +de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de +waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt +is, dit doel te bereiken. De leus kon trouwens gepaard gaan met andere +leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd +waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men +in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet +plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie +debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich +zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het +standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers +van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin, +dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is. +Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,--en dat hebben alle +dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch +altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die +voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee +richtingen ontwikkelen. Ã’f men gaat den eisch van het realisme steeds +strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid +nabij te komen,--het zoogenaamde naturalisme,--òf men laat het realisme +als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel, +dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat. +Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten. + +Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet +op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar +aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd +had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813 +is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven +van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is +zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste +boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek. + +Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige +jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een +anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar +geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de +ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt +zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd, +waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere +clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor +Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in +rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's +tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in +levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, heeft zij +sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven. + +Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad +(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte +vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in +1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in +1855 haar hoofdwerk _Amtmandens Døtre_, het eerste der talrijke Noorsche +boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze +maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de +litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met +tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: _Fortællinger_ +(1861), _I de lange Nætter, Sidste Blade_ (3 verzamelingen 1868-73), +_Fra de stummes Leir_ (1878), _Mod Strømmen_ (1879). Op den duur neemt +zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar +eerste roman opkwam voor de liefde--in plaats van conventie--als +grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande +verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den +voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de +schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op +en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek +in het potsierlijke; mannen als Goethe en Byron vinden weinig genade in +haar oogen. + +Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek +_Mod Strømmen_ (Tegen den Stroom) mocht eerder _Med Strømmen_ heeten; +toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de +vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor +modern wilden doorgaan. + +Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870, +als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een +probleem debatteert'. + +Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit +het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de +werken van Asbjørnsen, Østgaard en enkele anderen. Voorts een deel van +Vinje's geschriften en Bjørnson's boerennovellen, die echter weinig +realistisch waren. Nu zou het anders worden. + +Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van +den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn +eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist. +Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn, +en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als +zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn +'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en +bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen, +zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere +werken. Kritiek op de maatschappij--een der hoofdpunten van het jonge +programma--komt bij hem reeds in 1862 voor in _Kærlighedens Komedie._ +Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later. +Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden +geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot +uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het +maatschappelijk leven. In _Kærlighedens Komedie_ is het nog een +bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de +maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn +Falk en Svanhild een utopie. In _En Folkefiende_ daarentegen is de held +een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,--wat +alle anderen ook zeggen te willen,--en die met zijn omgeving in strijd +raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase +is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing +van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld +der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is +het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische +stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch +leven, het proza, gekozen wordt, en dat de personen meer +geïndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en +deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een +enkele repliek kent. + +Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is _De Unges Forbund_ van 1869. +Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het +vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die +hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte +het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote +politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en +kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale +en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft +de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde +physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van +twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde +menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier +dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de +verontwaardiging van Bjørnson over het stuk; het waren zijn eigen +phrases en zijn naïef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden +gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjørnson niet eerlijk +was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geërgerd[17]. En +hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van +eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend[18]. + +Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral +vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant, +staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den +samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil +van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten +een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen; +tegen dit verbond--het ware verbond der jongeren.--is de vooze demagogie +niet bestand. + +Men heeft Ibsen verweten, dat hij in _De Unges Forbund_ zich tegen 'de +partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld +Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. Ibsen zou in dit stuk de +woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van +dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk. +Geen ding toont misschien duidelijker dan _De Unges Forbund_, hoe ver de +dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het +komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en +heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist +de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is +volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter +verwachtingen had van de oude aristocratie--mits deze zich vernieuwde. +Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening +uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die +hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren. + +Tusschen _De Unges Forbund_ en _Samfundets Støtter_ liggen acht jaar +(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met _Kejser og +Galilæer_, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken +is. + +Met _Samfundets Støtter_ (1877) begint een ononderbroken reeks moderne +drama's. Weldra volgen _Et Dukkehjem_ (1879), _Gengangere_(1881), _En +Folkefiende_ (1882), _Vildanden_ (1884). In al deze stukken wordt de +werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt +ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een +samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij +een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na +jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste +pessimisme. + +In _Samfundets Støtter_ geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in +een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en +het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich +wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil +tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer +verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend +heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken; +Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit +andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en +dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een +onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen +tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen +vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft +liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om +Bernick's geweten wakker te schudden. Zóó groot is het geloof van den +dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het +ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het +blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip +wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt +Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te +huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den +waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de +geesten van waarheid en vrijheid. + +Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar +realist, toch ook nu nog als van ouds ideeëndichter is. De gedachte is +zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",--abstracter +kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt +van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men +bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest +wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had +een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met +haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar +ieder aan alle zijden door égards gebonden was, gemakkelijker haar +onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw, +die alleen naar de stem van haar hart luistert en zich aan geen enkele +consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert +tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in +dezen zin zijn reeds Aurelia in _Catilina_, later Solvejg in _Peer +Gynt_. En Ella Renthejm in _John Gabriel Borkman_ behoort tot dezelfde +categorie. + +Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene +maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal +onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak, +die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. _Et +Dukkehjem_ is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen +opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting +teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid +niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat +noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de +moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap +terug te houden. + +In _Gengangere_ is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer +met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die +aan _Et Dukkehjem_ ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper +stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig huwelijk +leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en +zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar +huwelijk uit te blusschen. + +Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den +dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de +courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin +zich zulk een frissche strijdlust openbaart als _En Folkefiende_. De +ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd +aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar. +Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is +menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op, +maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man +verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der +badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij +de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden, +maar alle partijen, conservatief en radicaal,--anders elkanders gezworen +vijanden,--vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen. +Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van +de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de +oppositiepers werken broederlijk samen, om Stockman onmogelijk te +maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met +uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk. +Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een +nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld +hij is, die het meest alleen staat. + +De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman +zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en +evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zóó waar geteekend, +als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het +karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in +het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de +menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met +het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjørnson. Den zedelijken moed +hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de +vergaderzaal is die van Bjørnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het +uitdrukt, aan Stockman Bjørnson's stem gegeven. Ook de overige personen +zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de +kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing, +de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en +wiens originaliteit hierin bestaat, dat hij er een 'gud døde mig' aan +toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in +wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van +zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele +karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet, +Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood, +als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet, +welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien, +dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel +der echtheid. + +En dan komt _Vildanden_ (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat +Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch +geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant +van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale +figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht, +waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van +een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt. +De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt: +"mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord +idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens," en die +verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem +je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed +genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons +arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen +moet de dichter van _Brand_ gehad hebben, voor hij zóó iets schrijven +kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag +over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken +helpt niet; de poëet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in +Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat +hij de dertiende man aan tafel is. + +En toch--het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof +verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en +geïncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene +vrouw, die zit te wachten op het wonder,--dat een ander verrichten +zal,--maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe +edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het +bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel +heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zóó staat ook in +_De wilde Eend_ een ideale figuur, die aan één zaak alles offert, +tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in phrases is +ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt +hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer +maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als +offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan +den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal; +in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele +gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van _Vildanden_ het +geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend +drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden. + +Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter +behandelde dan één zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zóó levende +personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest. +Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij +naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik +mode was, maar omdat hij de menschen zóó zag. En wat de +'problemenpoëzie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen +behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd +is zijn poëzie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom +zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur van +den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn +toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen +reflecteert zich het menschelijke. + +In dezelfde periode ging Bjørnson over tot de behandeling van +maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het +lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het +meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben +zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar +daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjørnson was als +kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij +ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid +gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan +zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij +veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land, +en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche +levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd +een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken, +novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is +zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in +volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke +werkkracht. Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de +wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een +eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjørnson gehad +heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die +hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt +Bjørnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hèm nieuw zijn, te +populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene +verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook +zijn kunst ondergeschikt. + +Een voorlooper van Bjørnson's 'nutidsdramer' is _De Nygifte_ (De +pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter +levendige scènes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom +begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren: +_Redaktøren_ en _En Fallit_ (1875), _Kongen_ (1877), _Leonarda_ (1879), +_Det ny System_ (1879), _En Hanske_ (1883), _Over Ævne_, I (1885), II +(1895), _Geografi og Kærlighed_ (1885), _Paul Lange og Tora Parsberg_ +(1899), _Laboremus_ (1901), _Paa Storhove_ (1902), _Daglannet_ (1904), +_Naar den ny vin blomstrer_ (1909). Vertellingen uit dezelfde periode +zijn: _Magnhild_ (1877), _Kaptejn Mansana_ (1879), _Stöv_ (1882), _Det +flager i Byen og paa Havnen_ (1884), _Paa Guds Veje_ (1889), _Nye +Fortællinger_ (1899), _Mary_ (1906). + +In bijna al deze stukken maakt Bjørnson zich tot advocaat van een of +andere meening of waarheid,--dikwijls eene zeer juiste,--die, naar hij +meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de +noodzakelijkheid van opvoeding in _Det flager_, van verdraagzaamheid in +_Paa Guds Veje Kongen_ is een preek over het thema, dat de republiek de +eenig juiste regeeringsvorm is. _En Hanske_ handelt over de +geslachtsmoraal. De dichter is hier zóó vervuld van de leer, die +gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over +hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot +breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjørnson niet +alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie +bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet, +kan diezelfde naïveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit +de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen +ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjørnson ongetwijfeld voor een groot +deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn +behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil +gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen +en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjørnson +gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als koeien, die +iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen +de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer +de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan +is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de +tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan +vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat +hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het +schellinkje, zeer gewaardeerd. + +Maar wanneer men het eerste gedeelte van _Det flager_ leest, waarin +Bjørnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de +gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze +schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene +situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het +verlichtingswerk van Bjørnson niet noodig hebben, en die in vreemde +litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het +Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter +als Bjørnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de +schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van +godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw +ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven +hiernamaals, terwijl dat plotseling anders wordt, zoodra Bjørnson ca. +1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat +het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop +plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der +orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders +wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen +kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een +groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjørnson's poëzie +duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat +nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in +aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in +Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjørnson gehecht wordt. En +dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het +oordeel speelt de liefde eene rol,--en de liefde is naijverig. + +Jonas Lie (1833--1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede +helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is, +wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het +Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de +overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo +stamt Lie in drie leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit +het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook +Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde +Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder +poëtischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van +denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen +heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur, +die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden, +in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur +maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poëzie vinden ook in het +dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zóó ver, dat +hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om +deze te objectiveeren. + +Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd +voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die +bij herhaling als poëtische motieven in zijn werken terugkeeren. Als +zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in +Tromsø, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die vóór hem +in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht +Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen +een goede vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn +poëtischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn +leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen +aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote +handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de +angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan. + +Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen +te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg +geïnteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit +zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij +de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd +dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te +vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van +het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter +geheel doet ontwaken, is zijn faillissement. + +Toen Lie zijne eerste vertelling _Den Fremsynte eller Billeder fra +Nordland_ (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland) +uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de +litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op +zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt hoofdzakelijk in den vorm van +een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens +zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het +Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt ééne zijde +van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke, +zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst; +zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke +behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd +hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in +de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de +alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en +David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor +hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar +de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer +hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij +niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft +geput, om het leven vol te houden. + +Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel +romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als +een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst +belangrijk is, maar toch als een zieke, niet als een wezen van hooger +orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaïschen mensch verborgen +blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet +in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk +leven te kort schiet. + +De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het +dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst +opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van +zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek +daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins +misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene +zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met +mythische wezens als _nøkken, draugen, tomtegubben_, en hoe zij meer +mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn +deze wezens poëtisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd +met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken. +Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die +in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw +hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen +schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze +teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden. + +Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op. +Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf. +Misschien heeft hij in _Den Fremsynte_ voor goed of voor langen tijd +afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij +zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed +van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten +_Dyre Rein_ (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is. +Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in +den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt +zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het +huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven. + +Met _Den Fremsynte_ had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt. +Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost +heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel +achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker--niet in +ieder--opzicht voorstudiën voor zijn latere meesterwerken. _Den +Fremsynte_ was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte +hij nog niet geheel, en vooral--hij had zich nog niet dien bijzonderen +stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij schreef, +zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie +weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver +van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne +ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te +schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een +propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen +van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren, +waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode +geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder +zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn +talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft +ingenomen. + +De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met +_Familien paa Gilje_ zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft +hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn +vooreerst zijn schipperromans _Tremasteren Fremtiden_ (1872), _Lodsen og +hans Hustru_ (1874), _Rutland_ (1880), _Gaa Paa_ (1882). Deze sluiten in +zooverre bij _Den Fremsynte_ aan, als zij schilderingen bevatten uit het +leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter +zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze +boeken een gebeurtenis in de Noorsche litteratuur; er wordt een nieuw +gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het +onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen. +Hij kent hen van kind af aan. + +Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling +speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het +zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het +huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken, +waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze +periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd +worden: _Thomas Ross_ (1878), _Adam Schrader_ (1879), _Livsslaven_ +(1883). Een eerste dramatische proeve is _Grabows Kat_ (1880). Een +afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht +_Faustina Strozzi_ (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan +de geschiedenis (Italië's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de +kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poëtisch werk niet +van groote beteekenis. + +Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: _Familien paa Gilje_ (1883), +_En Malstrøm_ (1884), _Otte Fortællinger_ (1885), _Kommandørens Døtre_ +(1886), _Et Samliv_ (1887), _Majsa Jons_ (1888), _Onde Magter_ (1890), +_Trold_ (2 verzamelingen novellen 1891-2), _Niobe_ (1893), _Lystige +Koner_ (1894), _Naar Sol gaat ned_ (1895), _Dyre Rein_ (1896), +_Lindelin_ (1897), _Faste Forland_ (1899), _Wulffie & Comp_ (1900), +_Naar Jernteppet falder_ (1901), _Ulfulgerne_ (1904). + +Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde +motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering +deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in +vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den +dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een +nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde. + +Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen _(Lodsen og hans Hustru, +Gaa paa_) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te +kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een +positie weet te verschaffen. In _Gaa paa_ is het een jonge man, die in +armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder +eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in +den beginne en het besluit, het niet op te geven. + +_Thomas Ross_ vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad +heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan +het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het andere. Hij geraakt in +bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een +bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door +een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot +met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten. +Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij +gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de +tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te +houden. + +Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in _Faste +Forland_, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van +anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de +ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde. +Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist +inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en +hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden, +maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste +wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet +bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn +stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een +badplaats om te scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel +der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de +financiëele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij +aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een +dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het +badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een +badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door +zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn +plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die +hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij +haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem +geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te +gemoet, en nu wordt Faste dichter. + +Het klinkt als een sprookje--en toch is het werkelijkheid. Ook de +mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den +bijstand van Thomasine. + +Het hoofdmotief van _Faste Forland_ is de mislukte onderneming en het +faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een +faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het +hoofdmotief in _En Malstrøm_, en het neemt een gewichtige plaats in in +_Et Samliv_ en in _Niobe_. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede +de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer +eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te +schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van +zeer verschillende zijden. In _Faste Forland_ is de slechte zakenman +toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf +niet gekend heeft; in _En Malstrøm_ en _Niobe_ ontmoeten wij twee +variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van +zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur), +in _Et Samliv_ is het de familievader, die op het punt is, in den +ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en +kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom +aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den +genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door +een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet +ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld +worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie +is hier midden in de 'problemenpoëzie' geraakt; de vergelijking met +anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in +aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in de +litteratuur in de mode; zoowel Bjørnson als Kielland hebben het +behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze. +Voor Kielland (in _Fortuna_) is het faillissement de onverantwoordelijke +daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de +schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen, +valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets +dan gemeenheid en laagheid. Er komen in _Fortuna_ prachtige bladzijden +voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk +geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders +Bjørnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene +maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk, +dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen. +Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is, +maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of +de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn +gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is +tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig +samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den +bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den +man, noch de daad, maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft, +kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zóó gaan moest, als +het is gegaan. + +Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo +groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij +Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan één van zijn boeken zou +men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een +belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw. +Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van één +eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en +hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun +naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden, +vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft +hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste +karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de +liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven +ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities +zijn onder anderen Susanne in _Den Fremsynte_, Bera in _Faste Forland_, +Ely Falk in _Adam Schrader_, Ellen in _Naar Jernteppet falder_. Op het +juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te +handhaven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij, +die niet kan geven, wordt de egoïste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al +deze typen heeft Lie geschilderd, zóó dat zij lijken. + +De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het +grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat +hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans +den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (_Livsslaven_, waar +de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie +van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal +dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het +sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt. + +In _Lodsen og hans Hustru_ bestaat voor de verdenking eenige aanleiding, +en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien +jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in +dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem +niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste +weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De +omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar +onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn gebrek aan +vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in +dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge +mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man, +die zóó lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal +vallen, voortaan met parlement te regeeren. In _Adam Schrader_ is het +conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt +hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is +een goed huisvader, maar prozaïsch; de vrouw is muzikaal; een vriend van +den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied +der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch, +maar het karakter der vrouw is zóó oprecht en flink, dat aan haar deugd +geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink +de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek +behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel +van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden +weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere +wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij _Adam Schrader_ schreef. +Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig +is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in _Naar Sol +gaar ned_. Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de +vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man, +een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij +wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar +het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn +levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie. +Maar de eer van zijn huis heeft hij gered. + +Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne +alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans +heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood. +Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan. + +Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken _Naar +Jernteppet falder_ in een der talrijke parallel loopende vertellingen +van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een +oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige +lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel +geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren +wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan +boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe +kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis +van het gemoed zijner vrouw. Wat gaat er in haar om? Wat verbergt zij +voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag +neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van +angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is; +wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt, +gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het +schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten +geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag, +wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een +weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene +rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent, +zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell +weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij +bij haar was,--thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en +met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu +kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij +tegenover haar uit, dat _zij_ het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De +twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord +daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt. +De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopenbaard; het +gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat +waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte +in een geheel modern kleed. + +Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts +één tooneelstuk, _Lystige Koner_, is op dit motief opgebouwd. De +behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt +niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar +plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis +van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het +er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal +opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie +het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg. + +Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter +is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk +de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij +geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt. +Zulke zijn: de Kaptein in _Familien paar Gilje_, Mads Foss in _En +Malstrøm_, de directeur in _Onde Magter_. In zulke families vinden wij +huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in _Familien paa +Gilje_, misschien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de +Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van +gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden. + +Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de +vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge +geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de +dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen +eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan +zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere +beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna +altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te +keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van één van beide. Bij de +jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat +het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden +een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk +geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren, +wanneer zij zwak zijn en toegeven. In _Rutland_ wil de jongen naar zee. +De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil +dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en +verzoent zich later met den vader. Dit is het gunstigste verloop. In +_Familien paa Gilje_ moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit +de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in _En Malstrøm_ is het nog +erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in +_Kommandørens Døtre_, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het +de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg +staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in +die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend, +waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen +drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn. + +Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses +van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt +niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen +zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een +gezin is dat van Dr. Baarwig in _Niobe_. + +De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp +van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot +hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen +misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij +zelf behoort tot de hoogere klasse, maar sedert zijn kindsheid heeft +hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft +hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een +der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich +onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is. +Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principiëele +vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen +ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide, +gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen +heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de +sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een +schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in +dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten _Livsslaven_, uit +de eerste periode, en _Majsa Jons_, een van zijn rijpste werken. +_Livsslaven_ is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode, +die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en +niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot +misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die +daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder +wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer +een--nog eenigszins sentimenteele--poging, om meegevoel met den +onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der +standen. Veel belangrijker is de historie van _Majsa Jons_, het +naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen +bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van +familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij +niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het +onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in +de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid, +die zij uit de schipbreuk van haar leven redt. + +Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen +zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene +verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden, +ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de +vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot +deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een +fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het +al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen +zij één ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel, +waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist. + +Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het +familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine +vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee +bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in +zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is. +Zij doen het meest denken aan de spookhistoriën uit _Den Fremsynte_. +Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele +jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu +ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire +natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast +elkaar staan stukken als _Moskenæsstrømmen_, waarin natuurkrachten +gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt, +_Bylgja_ en _Kværnkallen,_ die de mystieke indrukken schilderen, welke +de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als _Hauk +og Hadding_, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in +den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm +speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met +name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch, +onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort +besproken roman _Dyre Rein_. Interessant is in dit licht ook de korte +novelle _Østenfor Sol og vestenfor Maane_, waar tusschen de +hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken +voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en +dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zóó, meent de dichter, is het ook +onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar +daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is +noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die +talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan +egoïsme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die +de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid--en +moraal--proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan. + +Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor +hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van +den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn +overige productie. Zijn tooneelstukken _Grabows Kat, Lystige Koner, +Lindelin, Wulffie & Cie_, ofschoon niet van belang ontbloot, staan +verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, _Faustina +Strozzi_ en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie, +maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren +echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters +persoon. + +Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen +hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest, +zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen, +als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor +en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke +koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het +gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student, +nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere +verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als +advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien +tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij +reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine +schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn +werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken, +_Novelletter_, dan romans, in één adem door (daartusschen enkele +tooneelstukken): _Garman og Worse_ (1880), _Nye Novelletter_ (1880), +_Arbeidsfolk_ (1881), _Else_ (1881), _Skipper Worse_ (1882), _To +Novelletter fra Danmark_ (1882), _Gift_ (1883), _Fortuna_ (1884), _Sne_ +(1886), _Tre Par_ (blijspel 1886), _Bettys Formynder_ (blijspel 1887), +_Sanct-Hansfest_ (1887), _Professoren_ (blijspel 1888), _Jacob_ (1891), +eindelijk een bundel kleinere opstellen _Mennesker og Dyr_ (1892), een +overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het +voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan. + +Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat +Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den +inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En +nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven +had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig. +Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen. +Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij +gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij. +Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie +was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel +begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met +een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En +hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon. +Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het +publiek. + +Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat een modern dichter in 1880 te +zeggen had,--kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine +Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste +kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet +verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In +Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen. +En wat de poëten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen +gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger. +Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe +verstand en den beweeglijken geest zich beëngd gevoeld hebben. Hij zoekt +geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van +Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij +moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil +het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen, +en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak +stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger. + +En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft +hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche +romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een +schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is. + +In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat +hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is +moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de +bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar +gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om +zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook +waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den +duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten. +In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem +dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn +anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als +onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele +onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn +boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer +persoonlijk adres[19]. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en +satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets +dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen +samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er +de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in +artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889) +redacteur is[20]. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de +overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij +voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen +neer. + +Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken +sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den +dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt. +Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft +Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet +uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in +zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar +aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet +plebeïsch, maar voornaam. Zóó is hij in staat, in _Garman og Worse_ een +der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname +familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil in de +verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar +vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in _Skipper Worse_ +diep door in het leven van de piëtistische secte der Haugianen. In +andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten, +dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet +objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht +van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal, +suggestieve kracht,--en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in +hooge mate. Boeken als _En Sankt-Hansaften_ en _Jacob_ kan men +beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets +van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen +toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al +deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten. +En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het +daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal +die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds +in vollen gang. + +In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende +gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een +verkorte weergave van hetgeen ik hierover in 'De Gids' van Mei 1897 +schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en +directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn +eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De +intrigue van _Garman og Worse_ berust op de tegenstelling tusschen de +deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche +beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end". +Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van +dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door +zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der +firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in _Arbeidsfolk_, +maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier +ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen +vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra +verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het +bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de +vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband +daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen? + +Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En +hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad +voert, werd in _Garman og Worse_ reeds aangeduid. In _Else_ zien wij +het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot +lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis +door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de +uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking +grooter wordt. + +Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere +generatie, en hij schrijft _Skipper Worse_. De vergelijking voert tot +het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding +beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen +goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven +uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon +de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even +degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd? +Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die +voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook +de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld. +Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie +Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse +nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote +plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het +zijn zij, wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de +Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de +verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt, +verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in +geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door +lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden, +wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht +maken. Nog één geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan +een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog +maar in hardheid tegenover den arme. + +Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het +vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij _Gift_ (Vergif) te +danken. _Gift_ is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men +kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft, +de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar +polemiek tegen het Latijn is slechts ééne zijde van het boek. De auteur +verheft vóór alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt +door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen +van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het +zelfstandig oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van +ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige +geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht +slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft. + +De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de +oorzaak, dat hij op _Gift_ twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste +heet _Fortuna_. De schooljongen uit _Gift_, Abraham Løvdal, die bij zijn +confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in +levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is +hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen +maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en +waarvoor hij, Abraham Løvdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn +windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken, +zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en +assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer. +Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die +de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en +vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien. + +Eene voortzetting van _Fortuna_ is _Sankt-Hans Fest_. Maar daartusschen +ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. Naast +de school werd in _Gift_ de kerk geschetst als een der machten, die de +zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoïst +maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen +brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare +dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op _Gift_ en +_Fortuna_ volgt _Sne_. + +_Sne_ is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud +en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der +heiligen--de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden +stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn +preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de +geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan +bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en +bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; _zijne_ hooge gedachten kan +zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te +zorgen valt. Daar zit hij--en wordt weerstaan door een jong meisje, dat +van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de +verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij--Johannes, +die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der +spotters niet is opgewassen, maar evenmin tegen den sterken wil van +zijn vader, die Gabriële liefheeft en droomt van een verzoening tusschen +het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Løvdal. +Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook +niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle +reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets +nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche +stilheid, een rust als die des grafs. + +Dat is de gedachte, die _Sankt-Hans Fest_ beheerscht. Kielland laat hier +de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren +en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op: +Abraham Løvdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit _Gift_ en +_Fortuna_, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van +schipper Worse, de jonge Garman, die aan _Garman og Worse_, de familie +With, die aan _Else_ herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te +gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag +schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen +Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren. +De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen +mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toegezegd, +zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest +bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en +eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die +zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de +victualiën, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst +van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden +georganiseerd heeft. + +In _Sanct-Hans Fest_ is als het ware eene essentie van Kielland's +sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn +vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en +geëxtraheerd tot een enkelen druppel. Het is het _mene tekel_ over eene +leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan +vreugde verloren heeft. + +In _Jacob_ wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de +gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen +indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in +Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het +streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in +het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar +het platteland. Maar in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is, +ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het +onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren +gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval +niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene +verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een +wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie +vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen +ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de +schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij +van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door +langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer. + +_Jacob_ is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt +Tørres Snørtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de +eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren +gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo +heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom, +en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal. +Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te +bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te +zuigen. Hij maakt zich meester van al, wat in de stad te verdienen +valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om +zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien. +Tørres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs +een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder +gekomen was--neen voorwaar, dat was hij niet!--hij was niet verder +gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij +zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht." + +Als Tørres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen +met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te +noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen. + +Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik +hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Tørres. +In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest. +Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij +bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de +belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over. +En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde +het roer boven en de stroom beneden aan." En Tørres denkt er ook zoo +over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle +wijsheid van de wereld woog niet op tegen den kleinen katechismus, en +dien kende hij--ha! ha! ha!--hij moest om zich zelf lachen. + +Daar had hij opgezien tegen Gustav Krøger en mijnheer Hamre en anderen, +die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van +rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren, +en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen." + +Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte. +Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn +lans, en hij weet te treffen. + +Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de +groep Lie--Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk +heet _Farlige Folk_ (Gevaarlijke Menschen) (1881). + +Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die +in 1882, dus slechts één jaar na Kielland, met haar eersten roman +optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke +problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de +gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der +menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden +bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en +daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij _Constance +Ring_ (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen, +samen eene familiegeschiedenis uitmakende: _Sjur Gabriel_ (1887), _To +Venner_ (Twee Vrienden) (1887), _S.G. Myre_ (1890), _Afkom_ +(Nakomelingschap) (1898). + +In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog +geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de +aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de +litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans +Jæger opzicht met zijn roman _Fra Kristiania Bohemen_. Men kan dit boek +rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een +maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er +wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije +liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt, +is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt, +en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij +aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die +dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de +schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat +sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel +mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk maakte van +schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was, +daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver +heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor +hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier +heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met +een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek +daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de +regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij +legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf +veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er +werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele bohême-litteratuur. +Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor +was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben +aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de +zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan één kunstwerk +gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband +ontmoeten. Maar Jæger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot +schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige +schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met +_Fra Kristiania Bohemen_. Hier is Jæger's roman misschien minder een +voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook +zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het +aankomend individualisme. + +Hans Jæger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een +zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben. +Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook _Syk Kjærlighet_ (Zieke +Liefde) van 1893. Zijn laatste boek _Anarkismens Bibel_ is van 1910. Hij +behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in +de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om +hemelstormers te worden. + +Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven, +ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch +tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste +werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest +ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad +hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden. +Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats +als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de +werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren. + +Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jæderen, het +achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk +van zijn roman _Fred_ (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van +het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk +slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest. +Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te +breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken, +maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid +verschaft had, weder tot zich trokken. + +De jonge Garborg heeft het leven op Jæderen leeren voelen op eene +exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader +aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de piëtistische +geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem +bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en +kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat +hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze +zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot +deel van des dichters latere productie. + +Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een +vroege en uitgebreide lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij +schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan +huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij +pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met +vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's +'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen +aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer, +maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf. +Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later +ontving, van zijn pen geleefd. + +Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne +meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een +uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af, +zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende, +welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen +wilde maken. + +De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet +_Ein Fritenkjar_ (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel +toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is +nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van +den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het +religieuze denken, een der dingen, die in die jaren op het programma +der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van +kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te +doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij +ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man +terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend +predikant, die daarop bij zijne groeve--want de man overleeft dit +weerzien niet--eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den +schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een +preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas +twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had +schuldig gemaakt. + +In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda +voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het +gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze +weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef, +was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van +onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en +spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En +ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is +in den zeer gebruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom +gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te +zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die +hij 13 jaar later in _Trætte Mænd_ tweemaal maakt, waar hij twijfel +oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden. +Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der +andere partij. + +Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg: +_Bondestudentar_ (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste +plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet +meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die +hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de +schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de +Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er +hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij +stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus +naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een +programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en +geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen. + +Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke +ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniël Braut, een +boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere +maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke +mislukking van die poging. Wel brengt Daniël Braut zijne studie ten +einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem +steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen, +door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden, +in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan +karakter in Daniël Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den +strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te +worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal +afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis +van Daniëls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar +zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het +zorgen voor den dag van morgen, immers: + + "God geeft den zijnen kleeren en brood, + terwijl zij zachtelijk slapen." + +Daniël begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt, +mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt +een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de +uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, dat +de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de +zijnen". "De zijnen",--dat zijn de burgemeester en de commissaris van +politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij +zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat +wordt het ideaal van Daniël Braut. Daar er dus van den beginne af in +Daniël geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit +blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij +misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij +zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar. + +In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle +rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze +roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit +Kristiania, die ten deele vóór zijn tijd liggen, maar die hij toch met +een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten. +Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die +men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is +dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven +reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek' +bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de +dubbele beteekenis der figuur--als schepping van Garborg en tevens als +den tijdelijken geestelijken helper van zoovele mannen, die in +Noorwegen beteekenis gehad hebben--deelen wij een paar staaltjes uit een +schooluur mee. + +"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen +en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met +de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het +prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij. +'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich +ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?--och ja. +Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen +moesten klaarspelen--de oude zat maar te 'accompagneeren'--dan ging het +mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den +gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep +zich met twee vingers vast in den neus en las _amo_ met een stem en een +gezicht, dat de jongens het uitbrulden." + +Er wordt vertaald. + +"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder +kwamen--er stond: _nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta +regna reges defendant_--, toen zat hij vast, hij nam _tanta_ bij +_regna_. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebø! Als +je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student, +en dan een varken, en je vond vlak daarop een mooie zijden parasol op +den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en +zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol +verloren?--Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot +je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij +niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja +zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het +varken, neemt _tanta_ bij _regna_, omdat _regna_ het naast bij staat. +Maar _tanta_ hoort bij _vi; quanta vi, tanta vi_, Halvor Mosebø!"--De +jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen' +niet licht. + +Daniël Braut is evenals Tørres Snørtevold in Kielland's _Jacob_ een +boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het +materiëele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen +zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij +behandeld zijn. Tørres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet. +Daniël Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Tørres een +caricatuur, terwijl het lot van Daniël Braut ons tragisch voorkomt. +Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn +natuurlijken kring had gelaten. + +In een paar volgende werken keert Garborg tot de problemenlitteratuur +terug. Maar wat in _Bondestudentar_ gewonnen was, is niet verloren; het +probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost, +maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische +schildering van een reeks levende personen. + +_Mannfolk_ (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie +over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat +groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is +gezegd. Bjørnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak +tendentiedrama _En Hanske_ (Een Handschoen), gevolgd door de brochure +_Engifte og Mangegifte_ (Zij, die met één vrouw en die met vele vrouwen +trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer +zij verneemt, dat hij vóór haar eene andere heeft bemind. Bij het +afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle +oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de +schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie +ontstond. Men was vóór of tegen; in het openbaar meest vóór. Toen +verscheen Hans Jæger's hierboven besproken boek en werd +geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van +Kristian Krogh _Albertine_; ook hiervan werden de exemplaren door de +overheid opgehaald. + +Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van +Bjørnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke +korte vertelling _Ungdom_ (Jeugd) (1885); dan volgt _Mannfolk_, waarin +de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen +kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die +het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het +huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische +eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen +bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig +ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjørnsonsche +idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en +levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch +ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere +geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven +dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit. + +Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de +hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de +tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in +het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan +noch van de eene, noch van de andere afzien,--en zoo blijft hem dan +niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man +en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is +hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne +zuchten in poëtische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem +ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er +aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij +van hèm zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen, +dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij +resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn". + +Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel +is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de +verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen, +vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische +toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele +ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de +beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een +teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want +deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniël +Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist. + +Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het +verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid +het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent +daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere +confiscatiën den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien +maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver. +Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer +opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van _Mannfolk_ +schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden. + +Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan +een hut, aan het meer Savalen in het Østerdal, en weldra treedt hij in +het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn +bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te +meer. + +Het verblijf op Kolbotten--zoo heet Garborg's woning in het +Østerdal--heeft hij beschreven in een idyllisch boek, _Kolbottenbrev_ +(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven +van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen +uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie +en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belangrijksten factor +in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in +het voorbijgaan _Hjaa ho Mor_ (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger +van _Mannfolk_. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven, +maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf +geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat +het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een +pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt, +kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een +verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met +vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt. +Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit +blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch +met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden, +dan toen het voor het eerst het licht zag. + +Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk +_Uforsonlige_ (Onverzoenlijken). Het is geïnspireerd door politieke +gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt. +Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil, +is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een +partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de +'onverzoenlijken' vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat +het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere +consideratiën'. Eén man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De +meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en +slaan dan om. + +Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man +geworden. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 17: Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van +27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjørnson op vrije voeten laten +gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I, +264).] + +[Footnote 18: Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij +later nog eenmaal den redenaar Bjørnson als voorbeeld neemt, ditmaal +voor zijn ideale figuur Dr. Stockman. Dit toont, dat +Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds +levende voorbeelden gebruikte.] + +[Footnote 19: De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de +predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor +iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in +zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de +zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.] + +[Footnote 20: Van zijn romans is er maar één (_Jacob_) geschreven na +zijn werkzaamheid als redacteur.] + + + + +HOOFDSTUK V. + +JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN. + + +Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die +in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad. +Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere +landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls +voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen, +zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de +problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieën +herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor +'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zóó kan het schijnen, wanneer men +uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten +vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de +ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde +lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te +meenen, dat zij den nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als +verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden, +begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890 +debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was, +blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond +treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig. + +Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet +tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat +niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poëzie was slechts in +weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit +het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de +dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van +gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men +kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men +niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de +grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen +waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode +blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen +treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het, +van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn uitgegaan, die +nieuwe bezieling gebracht hebben. + +Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak +tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De +gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd +kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De +tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de +tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand +gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te +putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de +letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch +proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het +sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms +meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium, +dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle +maatschappelijke ontwikkeling. + +Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element; +zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is. +Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering, +stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie +voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel +duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere +naturalisme plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn. +Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en +stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een +zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt, +om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze +schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de +gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men +vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters +van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jæger; wij vinden het +terug bij Gabriël Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die +alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming +als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken; +anderen slaan dit stadium over of maken het door vóór den tijd, waarin +zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme +voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan +zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot +god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te +realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook, +wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het +schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar +de schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan +eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te +deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven +heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang +bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren +resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naïeve +oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost +gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor +ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien. + +Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats +de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in _Vildanden_ +is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,--een diep +pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft, +want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een +pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die _En +Folkefiende_ kenmerkt; de leer van _Vildanden_ is, dat het niet loont, +voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het +in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets +nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant geworden in +_Rosmersholm_ (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier +nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het +drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu +onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke +overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka +wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij +manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het +leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn; +slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op +Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de +mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven +kost, is bijzaak, of liever--daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is +andere taal dan die, welke Relling in _Vildanden_ voert. Het is de taal +van den man met den paardenhoef in _Peer Gynt_, die zielen, welke zich +verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere +ingrediënten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt. + +In een gansch andere sfeer verplaatst ons _Fruen fra Havet_ (De Vrouw +van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van +minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een +ideaal, maar ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida +leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar +vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met +ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige +behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik, +wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar +vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk +verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door +overwinning van het egoïsme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt, +en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die +een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het +hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan. + +Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in _Lille Eyolf_ +(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet, +nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid +verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche +verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van +wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven, +door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart +en het opgeven van het egoïsme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid +geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te +worden'. + +Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poëzie. +Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met +het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida +behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts +incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld +worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In +de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en +hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is +zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt +volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is +wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft +toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven, +en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is +een heerschzuchtig egoïst, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook +een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het +leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich +herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den +dienst opzeide, en het is de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij +hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven +inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij +hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriël +Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruïne over anderen +gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht +jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd, +dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij +wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen +komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van +Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van +bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood +heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is, +stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag +stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en +hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn +zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner +ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten. + +Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in +_Naar vi døde vaagner_ (Als wij dooden ontwaken) (1899). In +tegenstelling met John Gabriël wordt Rubek zich den tweespalt in zijn +leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en +mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt +zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm +en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne +geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te +laten behouden, doen--te laat--een poging, om het verzuimde in te halen. +Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een +gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in +een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien +bestijgen, gaan zij samen onder. + +Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk +voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk +aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het +zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele +drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere +schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen +ook hier weer een voorganger geweest is. + +Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep +heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich aan te +ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze. +Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriël Finne in 1899 op +drieëndertig jarigen, Sigbjørn Obstfelder in 1900 op +vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen +leeftijd. + +Van deze drie toont Gabriël Finne het duidelijkst den samenhang met de +vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest[21], maar +hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige +richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den +vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de +keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt, +het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon +is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het +disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste +oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de +titel van zijn eersten bundel verhalen, _Unge Syndere_ (Jonge Zondaars), +toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn +standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de +maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet +mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie +om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het +cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij +geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de +wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar +wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd +uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan +schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen +lijden, en zóó is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven +romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele +personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte +ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne +bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood +heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman _Rachel_, waarin de +nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat +Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm +heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde. + +Finne's belangrijkste werken zijn: _Filosofen_ (1889), _Unge +Syndere_(1890), _Doktor Wangs Børn_ (1890), _To Damer_ (1891), _Uglen_ +(De Uil) (1893), _Konny_ (een tooneelstuk) (1895), _Rachel_ (1895). + +Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist +geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar +hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt. + +Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjørn Obstfelder op de harde +indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van +de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats +het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling +plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond +hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt +niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne +vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de +eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in +hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den +dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de +menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het +dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is +beurtelings pantheïstisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich +soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft; +deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan één vertelling ontmoet deze +'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke +of uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria +onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit; +Obstfelder weet haar zóó te schilderen, dat inderdaad de verworpene +reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige +overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de +onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel +der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem +belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven +gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale +individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig +voorbeeld leeren wij in _Korset_ (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont +zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name +Dostojewski. + +In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar +daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende +ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien. +Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed +geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet +oud geworden is. + +Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat +lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van +zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook in het portret met den +weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan +eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Nærup siert. + +In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling +met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug +tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse--zelfanalyse--daalt +veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht +der periode, die achter hem ligt. + +De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: _Digte_ (1893), _To +Novelletter, Korset, De røde Draaber_ (De roode Droppelen), _En Præsts +Dagbog_. Van deze heeft _Korset_ het meest de aandacht getrokken. + +Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor +genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen +kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie +boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te +toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot +een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, _Blandt +Anarkister_, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij +op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van de +drie verhalen, die de beide volgende boeken (_Ira_ en _To Noveller_) +bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een +zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel +ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (_En Ensom_); +naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de +psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element +aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar +ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het +licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis. +Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat +hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden. + +Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt, +eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst +behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn +gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn +ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van +dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het +positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te +zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener +oude leer tot een gehoorzaam naprater eener nieuwe leer was geworden; +het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij +gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder +hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de +theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man +was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu +hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte, +de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die +beschreven wordt in _Trætte Mænd_ (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert +de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is +geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te +schrijven, Gabriël Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een +bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op +genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een +ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt +hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood +is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is. + +Maar Garborg is niet Gabriël Gram. Hij laat zich niet door een dominee +op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van +arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij +geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, maar +voor hem zelf is _Trætte Mænd_ een bad, waarin hij afwascht het +negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom +zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officiëele +aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn +oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en +gelijk hij in _Trætte Mænd_ zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers +onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de +Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van +redenen. + +Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's +gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op, +van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte, +omdat hij geen vrede had met God. _Nu_ begrijpt hij hem; nu kan hij met +liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij +zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na _Trætte Mænd_, verscheen +_Fred_ (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm +van een roman wordt verteld. _Fred_ is een overweldigend boek. Nergens +bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier. +Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het +primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking te +geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter +gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de +razernij van den godsdienstwaanzin. + +Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd, +dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom +komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,--maar telkens komt de +duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving +hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige +gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te +krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God +blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking +het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt; +dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot +rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor; +de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo +groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren +luisteren,--en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis, +wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil +doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in +den geest, en,--twijfelt men, dan moet men slechts dat doen, wat het +vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs +en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen +ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen +loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te +verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden. +Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord. + +Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en +dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo +moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn. +Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de +oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om +aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De +schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts +deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de +vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,--niet aan Gods +woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij +heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och, +kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat +het niet erger kon worden!--De aanvallen van angst en twijfel nemen +toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich +verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als +Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en +nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds +thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,--en toch niet alleen, want +ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo +wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten +te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij +ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele +hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de +troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk +in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij +hem; één onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong, +en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek +over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht +en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...." + +Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit +resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij. +dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd +wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in +onzekerheid. Indien er één ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is +het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het +Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het +Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van +Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jæderen de macht gekregen +had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel, +maar gaf hun geen levend geloof. + +Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in +tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op _Fred_ volgen. Twee +daarvan sluiten onmiddellijk bij _Fred_ aan. Zij verhalen de +geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar +en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien +hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk +gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf. + +_Læraren_ (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit +drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In +beide staat één man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders +zedelijk en verstandelijk, maar wordt uitgestooten, omdat hij de +waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid +van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal, +dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld +worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een +ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin, +bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave +behoort tot de 'gewekten', de piëtisten, die bidstonden houden, die +klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaäns is. Hij is zelfs hun +voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op +een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de +quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens +gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen +van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den +armen." Die preek is zóó frisch en zóó geestig, dat het moeite kost, er +niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot. + +"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als +wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen +hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!--En noemen dan die +leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon +gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons. + +"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek +daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal +en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen +komen, moeten met macht naar binnen dringen,--met heel hun heetsten wil. +Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom +noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch +stelt, geeft ook de kracht." + +Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de +schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat +schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert +haar naar buiten. Zij is van zich zelf."--Daarmee valt het gordijn van +dit bedrijf. + +Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende +gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun +volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave +leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders +gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat +wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend +met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die +vrienden van zonde en berouw, die hem een huichelaar noemen, en nu +blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden. +De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de +schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt +verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar +man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen, +ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het +gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch +goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te +treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt. + +Een tweede stuk als _Læraren_ is zeker vroeger noch later ten tooneele +gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een +Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in +voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling. +Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest +persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in +die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin +hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een +spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge +gedachten houden het ver boven het niveau ook der goede +tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen +uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin _Læraren_ speelt, is +den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En +wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de +comische scènes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch +geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is. + +Het andere werk, dat direct bij _Fred_ aansluit, is een boekje vol +poëzie en vol wijsheid. _Den burtkomne Faderen_ (De verloren Vader). Het +is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de +wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies +verloren te hebben, oud vóór den tijd, aan zich zelf en aan de +menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om +eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in +hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint +in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij +heeft vrede gevonden met het leven--en met den dood. + +Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische +oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van +bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zachtheid. Gunnar houdt zich +gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar +niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en +zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden." +Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem +iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En +hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu +in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel +vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid. +En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij." + +Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te +begrijpen. + +Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren +vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen. + +Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee +dichtwerken, _Haugtussa_, en de voortzetting daarvan _I Helheim_. +Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een +visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels +ophoudt; de dichter noemt haar Veslemøy, 'het stakkertje'. Het gedicht +vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar +in den steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen +heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte +en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze +vrouw, die als _volva_ (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar +dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven. + +In _I Helheim_ (In de Hel) gaat daarop Veslemøy in haar koortsigen droom +met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar +diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht +heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur, +maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn +behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een +psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad, +dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten. +Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen +einde komt: + + "Een oogenblik in dit vuur + is eeuwigheid zonder einde." + +Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap +terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat +van zijne kindsheid. Het is losgemaakt van leerstelligheid; de nadruk +wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid. + +Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die +een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog +directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven; +zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als +stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij +zóó hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook +in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld +_Jesus Messias_ (1906), _Den burtkomne Messias_ (1907), _Heimkomin Son_ +(1908). + +Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap +geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan +den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort: + +"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen +katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen +protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en +wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het +volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige +troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed +hebben, maar de rijke man zal branden, heeter dan heet, van eeuwigheid +tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden--. + +"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat +macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen, +liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo +ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?" + +Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een +zedelijk opvoeder van zijn volk geweest. + +In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die +in dezelfde periode optreden. + +Rasmus Løland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk +zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een +groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud, +handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en +vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het +allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn +kinderverhalen _Det store Nashorne_ (De groote Neushoorn) en +_Kvitabjörnen_ (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg +aan het begin van den na Løland's dood verschenen bundel _Paa +Skuggesida_ (Aan den Schaduwkant). + +Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen (geb. 1857), Per Sivle (± +1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen. + +Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende +en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich +door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een +afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer +hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In +het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, _Menneskets Genesis_, +is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn +strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig +leeft het geslacht van Kaïn nog. + +Heiberg's eerste tooneelstuk _Tante Ulrikke_ (1884) houdt zich bezig met +den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos; +hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept +den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig +karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich +slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, _Kong Midas_ (1890), heeft +Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later +zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een +waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten +schijnen, bijna een groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft +verwantschap met _Vildanden_, maar niet alleen het type, ook het stuk is +gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering +en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan +Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering. +Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van +eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der +achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach +van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook +het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog +en houdt de belangstelling gaande. Op _Kong Midas_ volgden een aantal +andere werken, waarvan wij noemen _Kunstnerne_ (1893), waarin de +tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, _Det store +Lod_ (1895), _Harald Svans Mor_ (1899). Een gansch ander karakter dragen +een paar tragische stukken, _Balkonen_ (1894) en _Kærlighedens Tragedie_ +(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles +verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van +de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan +de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem +wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich +van den mensch meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering +is knap, de lezer huivert,--maar hij wenscht van zulk een liefde +verschoond te blijven. + +Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar +wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand +meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige +geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een +stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te +overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot +klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat +hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch, +indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in +pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem +daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van +nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem +behoed hebben,--een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden +trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een +druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt +zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op +elkaar te zetten en te vroolijker te worden, naarmate hij het +moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand +moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet +zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen. + +De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij +nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In _Sult_ is het +honger, in _Pan_ is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de +heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In _Mysterier_ +hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van +waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld, +die van den heer Nagel--zoo heet de man--niet weten wil, nauwelijks +ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van +Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een +zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als +een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele +maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand +bestond reeds in _Fra det moderne Amerikas Aandsliv_, een persifflage, +naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet +objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij, +zoo is in _Sult_ het 'ik' aanwezig. _Mysterier_ is de eerste poging, om +die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar +voortreffelijke maatschappelijke romans, _Redaktør Lynge_, waarin de +verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers +behandeld wordt, en _Ny Jord_, die een troep ijdele kunstenaars, +voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige +kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Bohême-leven, +van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus, +onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een +achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een +niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt +hij weer in _Pan_, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken +_Ved Rigets Port, Livets Spil_ en _Aftenrøde_ en in het wonderlijke +gedicht in dramatischen vorm _Munken Vendt_ (1902). In latere werken +komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar +zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist +Bardsen in _Børn af Tiden_ en in _Segelfoss By_, een aristocratisch +voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en +onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang, +waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type, +dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar +toch reeds van den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver +steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een +litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (_Under +Høststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glæde_) een +nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze +schrijft nu, gelijk in _Sult_, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu +kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid +is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een +ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu +aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat +een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager +te spreken, niet _alles_ van het leven te wachten, maar het toch met +dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'. + +In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters +subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de +wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen +beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn +belangstelling niet onthoudt. Zóó is de wereld, vindt hij, en zóó is het +leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de +zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen. +Drie van deze boeken, _Børn af Tiden, Segelfoss By, Markens Grøde_, +behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver +nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt +hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten +gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die +weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen. +In de plebeïsche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer +van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In _Markens Grøde_ +echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder +geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land +bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en +aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door +toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die +mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en +weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt +is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle +vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel +_Konerne ved Vandposten_. + +Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige +andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar +interessante bundels novellen (in één van deze het uitgelaten vroolijke +stuk _Dronningen af Saba_). En dan het meesterwerk _Livet i Vold_, +uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering. + +Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers +van dit tijdvak,--hij is in 1853 geboren,--maar hij is betrekkelijk laat +begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na +1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen +gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met +oppositie tegen sommige theorieën uit het vorige tijdvak, en wel vooral +tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die +dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het +verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk _Uten +Ansvar_ (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht, +maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den +dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren. + +Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle. +Zijn locaal is het Østerdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert +1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in +kleine bundels: _Skisser, Fra Skog og Fjeld_, e.a. Deze zijn verzameld +onder den titel _Folkelivsbilleder_ (1904). Jongere verzamelingen zijn +_Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier_. Tot hetzelfde type +behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans: +_Fonnaasfolket_ (1902), _Glomdalsbruden, Østerdalskongen_ (een breede +uitwerking van een der Folkelivsbilleder), _Jutulskaret, Knut Veum_ +(1910, het laatste). + +Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur +van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is +dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde +leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand +komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen +behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op +polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer, +zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van +het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij, +waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is, +een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in +die vertelling uit het Østerdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat +het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en +maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die +in tamelijk behoeftige omstandigheden leeft. De man is begaafd en heeft +aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende +zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar +hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan +oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een +carrière-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is +niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt +Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom +toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is +zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden, +wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring +blijft, behoeft dat niet gezegd te worden. + +Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre +en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek; +hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling +van Bjørnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te +zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd. + +Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn +belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte vertellingen. +Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van +De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van +gelijken aard: _Sidsel Sidserk_, _Sølve Solfeng_, en een paar jongere +bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, _Storken, +Høit Tilhest_ en _Hanen_, die door hun comische kracht aan Holberg +herinneren. + +Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode +begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren, +Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb. +1865). + +Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een +lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het +diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak. +Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich +openbarende in meer dan ééne generatie. Zijne opvatting der levensvragen +draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken +zijner eerste periode zijn: _Jon Græff_ 1891, _Ensomme Mennesker_ 1892, +_Mulm_ 1893, _Kobberslangen_ 1894, _Ada Wilde_ 1896, _Ulf Ran_ 1897, +_Enken_ 1899. + +Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door vertellingen uit het +volksleven, _Folkelivsskildringer_, waarvan de eerste bundel in 1894 +uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: _Almue_ 1891, _En +Skibsgut_ 1892, _Straf_ 1893, _Gammelholm_ 1899, alsmede comedies: +_Stridsmænd_ 1896, _Jakob og Kristoffer_ 1900. Ook daarna heeft hij +ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is +van 1921 en draagt den titel _Inde i Fjordene_. + +Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite +heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een +origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen, +veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen, +waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan +worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat. +Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties, +zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch +niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet +onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de +dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan +zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische +juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite +doet, ze door te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver +heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te +vernieuwen. In de jaren 1892--1900 gaf hij uit: _Huldren_ 1892, _Ungt +Folk_ 1893, _Flaggermusvinger_ 1895, _Sus_ 1896, _Fra Hav til Hei_ 1897, +_Hugormen_ 1898, _Trækfugle_ 1899. Van zijn latere werken is misschien +het belangrijkste _Den sidste Gæst_ 1910. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 21: Aan Kielland heeft hij ook zijn roman _To Damer_ +opgedragen.] + + + + +LYRISCHE DICHTERS. + + +In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de +litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al +wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De +romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien +tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts +aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de +groote verskunstenaar, gaat na _Peer Gynt_ geheel tot het proza over; de +romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste +lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en +daarmee zinkt de lyrische poëzie in een winterslaap, die met weinig +onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren +enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder +vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte +onderbreking door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en +Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit _Med Lyre og Lanse_ +(Met Lier en Lans), in 1880 _Vaarbrud_ (Lentedoorbraak), de tweede in +1880 _Polemiske Sonetter_. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk +politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop +zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de +stemmingspoëzie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: _Digte af Per Gynt_, in +1897 _Norsk Høifjeld_, in 1901 _Vintereventyr_. + +Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864), +Caspari op dit gebied vóór geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887, +nieuwe bundels volgden in 1894 _Fra Vaar til Høst_, 1896 _Musik og +Vaar_, 1900 _Det dyre Brød_, 1904 _Fra Kristiana_. Uit deze verzen sprak +een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te +gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden. + +Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag, +een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf, +getiteld _Digte_ en _Nat_, waarin deels, onder den invloed van Deensche +dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel +Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op +het drama en den roman toegelegd. + + + + +UITGAVEN EN LITTERATUUR[22]. + + +ALGEMEENE WERKEN. + +Henrik Jæger, _Illustreret norsk Literaturhistorie_, 3 dln. Kristiania +1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl Nærup, +_Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904_, Kristiania +1905.--Gehrard Gran, _Nordmænd i det 19de Aarhundrede_, 3 dln. +Kristiania 1914. Houdt biographieën in van vooraanstaande mannen op +ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als +_Nordm. 19. A._)--_Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug._ +1915.--J.B. Halvorsen, _Norsk Forfatter-Lexicon._--Edv. Bull, A. +Krogvig, G. Gran, _Norsk biografisk Leksikon._ Verschijnt sedert 1921. + +HOOFDSTUK I. + +_Henrik Wergeland_. Wergeland, _Udvalgte Skrifter_. Kristiania en +Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl Nærup. In +deel VII eene autobiographie, getiteld _Hasselnødder_.--O Skavlan, +_Henrik Wergeland_, Kristiania 1892.--G. Gran, _Henrik Wergeland_ in +_Nordm. 19. A._ dl. 1. + +_Johan Sebastian Welhaven_. Welhaven, _Samlede Digterværker_, 3e +uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.--_Digte i Udvalg_, 1919.--A. +Löchen, _J.S. Welhavens liv og skrifter_, Kria 1900.--G. Gran, _Joh. S. +Welhaven_ in _Nordm. 19. A._ dl. 1. + +HOOFDSTUK II. + +_Asbjørnsen en Moe_. De verzamelingen zijn talrijke malen +uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken +titel _Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr_ (deel I: +_Huldreeventyr og Folkesagn_, deel II: _Folkeeventyr_). Hiervan bestaat +eene volksuitgave en eene geïllustreerde. Aanbeveling verdienen ook de +kleinere geïllustreerde bundels: _Norske Folke- og Huldre-eventyr i +Udvalg_; _Udvalgte Folkeeventyr_; _Eventyrbok for Børn_.--Moltke Moe, +_Det nationale gjennembrud og dets mænd (Asbjørnsen, Moe, Aasen)_ in +_Nordm. 19. A._ dl. 2 (zeer leerzaam). + +_Jørgen Moe_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Jubilæumsudgave. + +_Folkeviser_. M.B. Landstad, _Norske Folkeviser_, Christiania 1853, +is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, _Gamle norske Folkeviser_, +Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der _Norske Folkeviser_, door Knut +Liestøl en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen. + +_J.S. Welhaven_. Zie bij Hoofdstuk I. + +_Bjørnstjerne Bjørnson_. Bjørnson, _Samlede Digterverker, +Standardudgave_, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn +afzonderlijk verkrijgbaar.--P.A. Rosenberg, _Bjørnstjerne Bjørnson_, +1915.--G. Gran in _Nordm. 19. A._ dl. 3.--G. Brandes in _Det moderne +Gjennembruds Mænd_, 2. uitg. 1891--R.C. Boer, _Bjørnstjerne Bjørnson_ in +_De Gids_ (Nov. 1899). dez., _Laboremus_ in _De Gids_ (Aug. 1901). + +_Henrik Ibsen_. Ibsen, _Samlede Digterværker. Standardudgave_, 7 +dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk +verkrijgbaar.--_Ibsens Episke Brand_, udg. af Karl Larsen 1907.--_Ibsens +Efterladte Skrifter_, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de +studie van den dichter.)--_Breve fra Henrik Ibsen_, 2 dln. +1904.--Henrik Jæger, _Henrik Ibsen, Et literært Livsbillede._--G. +Brandes, _Henrik Ibsen_ 1898.--Albert Dresdner, _Ibsen als Norweger und +Europäer_.--John Paulsen. _Samliv med Ibsen_, 1906. _Ny Samling_ +1913.--Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding +der reeds genoemde _Efterladte Skrifter_.--R.C. Boer, _Peer Gynt_ (_De +Gids_ van Oct. 1893). dez., _Kleine Eyolf_ (_De Gids_ van Febr. 1895). +dez., _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.; +o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., _Ibsen's Epische +Brand_ (_Onze Eeuw_, 1909), dez., _Ibsen's Nagelaten Werken_ (_Onze +Eeuw_ 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (_Neophilologus_ 1919). Jacqueline +E. van der Waals, _Brand en de brieven van Ibsen_ (_Onze Eeuw_, Mei +1919).--Een uitvoerig commentaar op _Peer Gynt_ schreef H. Logeman (Den +Haag 1917). + +HOOFDSTUK III. + +_Ivar Aasen_, _Skrifter i Samling_, 3 dln. Kria en Khvn.--Moltke +Moe, _Det nationale gjennembrud og dets mænd_ (zie bij Hoofdstuk II). + +_Aasmund O. Vinje_. A.O. Vinje, _Skrifter i Utval_, utgjevne af Det +norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).--_Dikt og prosaskrifter i +utval_ ved Halvdan Koht Kria, 1903.--_Ferdaminni_ en _Storegut_ zijn +herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske +Samlaget.--Vetle Vislie, _Aasmund Vinje_, Bergen 1890.--Een kort werkje +van denzelfde in de _Norske Folkeskrifter_ udgj. av Norigs Ungdomslag og +Studentmaallaget no. 28.--Halvdan Koht, _A.O. Vinje_ in _Nordm. 19. A._ +dl. 3. + +_Landsmaal_. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het +landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven +tijdschrift _Syn og Segn_. + +HOOFDSTUK IV. + +_Camilla Collett_, _Samlede Verker Mindeudgave_, 3 dln. Enkele +boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.--Alf Collett, _Camilla Colletts +Livs Historie_. 1911.--Lilly Heber, _Camilla Collett_, 1913.--Mathilde +Schjøtt in _Nordm. 19. A._ dl. 1. + +_Ibsen en Bjørnson._. Zie bij Hoofdstuk II. + +_Jonas Lie_. J. Lie, _Samlede Digterverker, Standardudgave_, 10 +dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk +verkrijgbaar.--Arne Garborg, _Jonas Lie, En Udviklingshistorie_, Kria +1893.--Erik Lie, _Jonas Lies Oplevelser_, Kria en Khvn 1908. + +_Alexander L. Kielland_. A.L. Kielland, _Samlede Digterverker. +Standardudgave_, 5 dln. Kria en Khvn 1920. _Breve_, met inleiding van G. +Gran, 1907.--Brandes, _Essays, Fremmede Personligheder_, Khvn 1889, p. +17.--R.C. Boer, _Alexander L. Kielland_ (_De Gids_, Mei 1897). + +_Kristian Elster_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria 1904.--_Brandes, +Essays, Fremmede Personligheder_, p. 1,--A.L. Kielland in de uitgave van +Elsters _Solskyer_. + +_Amalie Skram_. Hare romans zijn afzonderlijk +verkrijgbaar.--_Samlede Skrifter_, uitverkocht. + +_Arne Garborg_. Arne Garborg, _Skrifter i samling. +Jubilaeumsutgaave_, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.--Erik +Lie, _Arne Garborg, En Livsskildring_, Kria 1914.--Zie ook de +Garborg-aflevering van _Syn og Segn_ (Januari-Februari 1921).--R.C. +Boer, _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.). + +HOOFDSTUK V. + +_Gabriel Finne_. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.--R.C. +Boer. _Gabriel Finne_, (_De Gids_, Juli 1898). + +_Sigbjørn Obstfelder_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria en Khvn +1917. De werken ook afzonderlijk. + +_Arne Garborg_. Zie bij Hoofdstuk IV. + +_Rasmus Løland_. Een biographische schets door Arne Garborg is +hierboven bladz. 225 genoemd.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie +vorige pag.). + +_Gunnar Heiberg_. _Samlede dramatische Verker_, 4 dln. Kria +1917-1918. + +_Knut Hamsun_. _Samlede Verker_, 12 dln. Ook afzonderlijk.--John +Landquist, _Knut Hamsun, En studie över en nordisk romantisk +diktare_.--R.C. Boer. _Knut Hamsun_ (_De Gids_ November 1896), dez., +_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April +1912), dez., _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.). + +_Jacob B. Bull_. _Folkelivsbilleder_, 4 dln., 3e uitg. 1919. +_Folkelivsromaner_, 3 dln., 2e uitg. 1918--_Nutidsromaner_, 3 dln. +1918.--_Historiske romaner_. 4 dln.--De meeste werken ook +afzonderlijk.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.). + +_Hans Aanrud_, _Fortællinger_, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der +uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.--R.C. Boer, +_Reisherinneringen_ (zie vorige pagina). + +_Thomas Krag_, _Samlede Skrifter_, 9 dln. De werken ook +afzonderlijk. + +_Hans E. Kinck_. Over zijn drama _Den sidste Gæst_ zie R.C. Boer, +_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April +1912). + +FOOTNOTES: + +[Footnote 22: Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer +beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.] + + + + +REGISTER VAN AUTEURS. + +Aanrud, H. +Aasen, I. +Arnim +Asbjørnsen, P. Chr. +Auerbach, B. +Bjerregaard, H.A. +Bjørnson, B. +Brandes, G. +Brentano +Bugge, S +Bull, J.B. +Caspari, C.P.F. +Collett, C. +Dostojewski +Drachmann, H. +Dybfest, A. +Egge, P. +Elster, Kr. +Faye, A. +Finne, G. +Fjørtoft, O.J. +Garborg, A. +Goldschmidt, M. +Grimm, J. en W. +Gran, G. +Hamsun, K. +Hansen, M. +Heiberg, G. +Heiberg, J.L. +Heiberg, P.A. +Heine, H. +Herre, B. +Hertz, H. +Hielm, J.A. +Holberg, L. +Ibsen, H. +Jacobsen, J.P. +Jæger, Hans +Jæger, Henrik +Kielland, Al. L. +Kinck, H.E. +Knudsen, K. +Krag, Th. +Krag, V. +Krogh, Kr. +Landstad, M.B. +Lie, J. +Løland, R. +Mill, Stuart +Moe, J. +Moe, M. +Munch, A. +Munch, J. Storm +Munch, P.A. +Novalis +Nærup, C. +Obstfelder, S. +Randers, Kr. +Runeberg, J.L. +Sagen, Lyder +Sars, E. +Schjøtt, M. +Schiller, Fr. von. +Schultze, H. +Schwach, C.N. +Seip, D.A. +Sivle, P. +Skavlan, O. +Skram, A. +Snorri Sturlason +Spencer, H. +Tvedt, J. +Vinje, A. +Vislie, V. +Vogt, N. Collett +Welhaven, J.S.C. +Wergeland, H. +Øhlenschläger, A.G. +Østgaard, N. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de +Negentiende Eeuw, by R.C. Boer + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 13591 *** diff --git a/13591-h/13591-h.htm b/13591-h/13591-h.htm new file mode 100644 index 0000000..a1362b0 --- /dev/null +++ b/13591-h/13591-h.htm @@ -0,0 +1,5478 @@ +<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"> +<html> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content= + "text/html; charset=UTF-8"> + <title> + The Project Gutenberg eBook of NOORWEGENS LETTERKUNDE IN DE NEGENTIENDE EEUW, by R.C. Boer. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- + P { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + H1,H2,H3,H4,H5,H6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + } + HR { width: 33%; + margin-top: 1em; + margin-bottom: 1em; + } + BODY{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + } + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */ + .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */ + .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */ + .sidenote {width: 20%; margin-bottom: 1em; margin-top: 1em; padding-left: 1em; font-size: smaller; float: right; clear: right;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;} + .poem .caesura {vertical-align: -200%;} + .spaced {letter-spacing: 2px} + // --> + /* XML end ]]>*/ + </style> + </head> +<body> +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 13591 ***</div> + +<!-- Autogenerated TOC. Modify or delete as required. --> + <a href='#NOORWEGENS_LETTERKUNDE'><b>NOORWEGENS LETTERKUNDE</b></a><br /> + <a href='#VOORBERICHT'><b>VOORBERICHT.</b></a><br /> + <b>HOOFDSTUK I. Het ontwaken der nationale letterkunde</b><br /> + <a href='#HOOFDSTUK_I'>1. <i>Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814</i>.</a><br /> + <a href='#2_WergelandmdashWelhaven'><b>2. <i>Wergeland—Welhaven.</i></b></a><br /> + <b>HOOFDSTUK II. Romantiek</b><br /> + <a href='#HOOFDSTUK_II'>1. <i>De volksromantiek</i>.</a><br /> + <a href='#2_De_historiseerende_Romantiek'><b>2. <i>De historiseerende Romantiek</i>.</b></a><br /> + <a href='#3_Het_hooggespannen_Idealisme'><b>3. <i>Het hooggespannen Idealisme</i>.</b></a><br /> + <a href='#HOOFDSTUK_III'><b>HOOFDSTUK III. De taalbeweging en de oudste schrijvers in landsmaal</b></a><br /> + <a href='#HOOFDSTUK_IV'><b>HOOFDSTUK IV. Het realisme</b></a><br /> + <a href='#HOOFDSTUK_V'><b>HOOFDSTUK V. Jongere richtingen en persoonlijkheden</b></a><br /> + <a href='#LYRISCHE_DICHTERS'><b>LYRISCHE DICHTERS.</b></a><br /> + <a href='#UITGAVEN_EN_LITTERATUUR'><b>UITGAVEN EN LITTERATUUR.</b></a><br /> + <a href='#REGISTER_VAN_AUTEURS'><b>REGISTER VAN AUTEURS.</b></a><br /> + +<!-- End Autogenerated TOC. --> + + + +<p>VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK</p> + +<p>onder redactie van de Vereeniging "V.U.B."</p> + +<p>Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, <i>Voorzitter</i>; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM, +Amsterdam, <i>Ondervoorzitter</i>; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM; +Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J. +BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY; +Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS; +Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR. +J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, <i>Secretaris</i>.</p> + +<p>20</p> + +<p>HAARLEM</p> + +<p>DE ERVEN F. BOHN</p> + +<p>1922</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='NOORWEGENS_LETTERKUNDE'></a><h2>NOORWEGENS LETTERKUNDE<br />IN DE NEGENTIENDE EEUW</h2><a name='Page_2'></a> + +<p>DOOR<br /> +DR. R.C. BOER<br /> +Hoogleeraar te Amsterdam</p> + +<p>HAARLEM<br /> +DE ERVEN F. BOHN<br /> +1922</p> + +<a name='Page_3'></a> + +<a name='Page_5'></a> + + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='VOORBERICHT'></a><h2>VOORBERICHT.</h2><a name='Page_6'></a> +<br /> + +<p>Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19<sup>e</sup> eeuw begint +met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is +slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de +voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het +chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt +ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien, +verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te +buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te +behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd +op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode +hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan +allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering +gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel vóór 1900 +debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt, +niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen<a name='Page_7'></a> +eener—niet al te enge—keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die +wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe +plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen +althans eenigszins tot hun recht komen.</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='HOOFDSTUK_I'></a><h2><a name='Page_8'></a>HOOFDSTUK I.</h2> + +<p>HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE.</p> +<br /> + +<p>1. <i>Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814</i>.</p> + +<p>In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen +aan eene diepe depressie ten prooi. Eén ding was er, dat met recht de +geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat +waren, in beslag nam—de inrichting van den nieuwen staat en van zijne +organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene +aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan +voorbijgaande belangstelling aanspraak maken.</p> + +<p>De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de +ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie +had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen, +en de omstan<a name='Page_9'></a>digheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen +ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land +nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en +wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch +van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als +officiëele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide +landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was +verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in +sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het +accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop +der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd, +dat er geen sprake meer was van tweeërlei bevolking. Het was trouwens +een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name +het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen +overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper +geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn.</p> + +<p>Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen +stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde +dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis +had. Voor de plattelands<a name='Page_10'></a>bevolking beteekende dit een ophouden van het +litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten, +bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale +sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen +voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop +der 19<sup>e</sup> eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten +opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg +nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het +voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst, +accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan +vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben +meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken +zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan.</p> + +<p>Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene +eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde +deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken +werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal +geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te +onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder +mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet +gebruikelijk waren; dit waren <a name='Page_11'></a>provincialismen, die toch niet aan de +taal een zeer bijzonder karakter gaven<a name='FNanchor_1_1'></a><a href='#Footnote_1_1'><sup>[1]</sup></a>.</p> + +<p>Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der +Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won +Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de +minder ontwikkelde volksklasse,—een samenhang, die in dien tijd toch +niet heel veel kon beteekenen—, trad een samenhang met Denemarken, dat +geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de +algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale +tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld +werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien +bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet +slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te +laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche +kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der +periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De +grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen +afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18<sup>e</sup> eeuw zijn +er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden. </p><a name='Page_12'></a> + +<p>De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt. +Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het +beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou +geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien +er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin +nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een +klein land geen geringe beteekenis.</p> + +<p>Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met +Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het +was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de +wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land +is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel +schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats, +die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam, +het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw +volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te +volbrengen.</p> + +<p>De krachten van het nieuwe volk worden <a name='Page_13'></a>in de eerste plaats besteed aan +het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet +later volgen. Vóór alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en +bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar +veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische +neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet +denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden. +Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen +staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en +voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote +machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog +hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat +oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men +koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust, +dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat +het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de +ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot +ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te +scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt, +draagt het stempel van deze armoede. Het zijn <a name='Page_14'></a>òf herhalingen der poëzie +van de achttiende eeuw, òf bombastische loftuitingen op het Noorsche +volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder +Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn +alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van +vreemde voorbeelden, Schiller, Øhlenschläger, de Duitsche romantici; +iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee +verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als +nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den +titel <i>Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815</i>. Ongeveer al, wat zich in +Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee +bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat "ook tusschen +Noorwegens klippen bloemen groeien". Maar onder die twintig is er niet +één, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_1_1'></a><a href='#FNanchor_1_1'>[1]</a><div class='note'><p> Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in +Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje <i>Dansk og +Norsk i Norge i eldre Tider</i>, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden +schrijver <i>Norsk Sproghistorie</i> (1920).</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='2_WergelandmdashWelhaven'></a><h2>2. <i>Wergeland—Welhaven.</i></h2> +<br /> + +<p>Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel +met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als +met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en +land—maar toch vooral de stad—met rumoer. Het is treffend, dat wij bij +deze eerste vlucht omhoog, die de <a name='Page_15'></a>nieuwe Noorsche litteratuur maakt, +een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven +toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook +later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met +hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen +nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale +gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en +aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en +een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den +algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den +moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland—Welhaven.</p> + +<p>Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet +meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene +productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal +jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn +jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot +stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch +predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van +1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de +herinnering aan dat jaar hoog <a name='Page_16'></a>gehouden werd, en dit milieu heeft een +stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd +kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige +vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige, +opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg +onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen, +maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de +theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in +kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het +rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later, +bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant +aan de actieve politiek deelgenomen.</p> + +<p>Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke +werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op +een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld <i>Skabelsen, Mennesket og +Messias</i> (De schepping, de mensch en de Messias).</p> + +<p>Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet zóó te verstaan, +dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof +had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die +van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van <a name='Page_17'></a>meer +dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te +schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript +van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met +de volgende vellen.</p> + +<p>Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en +wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van +dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het +formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn +persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont.</p> + +<p>De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene +allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche +overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol. +Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar, +komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange +ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer +nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van +dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd +van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de +dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke +een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter +telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. <a name='Page_18'></a>De revolutie is +daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom +ook door den dichter een "bijbel der republikeinen" genoemd.</p> + +<p>Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te +onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent, +en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de +menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet +bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken. +Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een +gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de +gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit +iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de +lezers—Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen—, maar de heftige +toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele +vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het +gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het +tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd +over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum.</p> + +<p>Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft <i>Skabelsen, +Mennesket og Messias</i>, gelijk de geheele productie van Wergeland, +<a name='Page_19'></a>groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust +der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze +beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander +verdringen, in den regel zóó snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt, +maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te +zeggen heeft,—soms echter ook zóó veel, dat hij valt over zijn woorden. +Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte +gevoeld werd.</p> + +<p>In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een +groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm +(o.a. <i>Papegøien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle, +Barnemordersken</i> e.a.), vertellingen in verzen (<i>Jan van Huysums +Blomsterstykke, Den engelske Lods</i>), verhandelingen over politiek, +geschiedenis (<i>Norges Konstitutions Historie</i>), moraal, taalhervorming +en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij +ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men +thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn +beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook +in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor +algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van +vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de +emancipatie der Joden. Het werk <a name='Page_20'></a>voor verlichting hangt samen met de +houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand +aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren +geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was +een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij +te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te +nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon, +heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der +impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld +aannam van Carl Johan,—inderdaad een inconsequente handelwijze voor den +dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op "tyrannen" +af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld, +en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs +verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld +als een nationaal verlies.</p> + +<p>Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf +aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode +Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene +aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en +de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne <a name='Page_21'></a>moeder was een nicht van den +Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L. +Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave +gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge +menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche +patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte +zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten +van den Noorweegschen "odelsbonde" (d.i. de boer, die bezitter van zijn +goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op +wat Deensch was. In de politiek was Zweden de bête noire geworden; in +zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken.</p> + +<p>Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of +voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts +in straatoploopen en andere luidruchtige manifestatiën. De aanvoerder +van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu +ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen. +Het verschijnen van <i>Skabelsen, Mennesket og Messias</i> deed den emmer +overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze +Wergeland zijn "razen tegen het verstand" verweet. Een heftige +pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epi<a name='Page_22'></a>grammen. +Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe +heftigheid voortgezet.</p> + +<p>Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend +resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur +het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor +hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de +representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in +plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen +van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand +gekomen, dat <i>Norges Dæmring</i> (De Schemering van Noorwegen) heet.</p> + +<p>Een grooter tegenstelling dan die tusschen <i>Skabelsen</i>, <i>Mennesket og +Messias</i> en <i>Norges Dæmring</i>, laat zich niet denken. In <i>Norges Dæmring</i> +voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig +van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76 +sonnetten; de vorm is meesterlijk.</p> + +<p>Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang +herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen +krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke +de patriotten gewend waren te geven. Groot en <a name='Page_23'></a>sterk is het land, +krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar +tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk +gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de +schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg +voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen +vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte +de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen, +Trondhjem;—nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij +wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die +groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En +welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om +vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen +geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om +tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor +krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke +vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des +geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze +gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich +alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal +daad zal worden, wat nu <a name='Page_24'></a>woorden zijn, zoekt de dichter troost<a name='FNanchor_2_2'></a><a href='#Footnote_2_2'><sup>[2]</sup></a>. +Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der +voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar +waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord;<br /></span> +<span>hvad Norge var, det maa han engang vorde<br /></span> +<span>paa Land, paa Bølge og i Folkerang."<br /></span> +</div></div> + +<div class='blkquot'><p>(Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet + het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der + volken). </p></div> + +<p><i>Norges Dæmring</i> is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe +bijgedragen, Noorwegen <i>i folkerang</i> te doen worden, wat het eenmaal +was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de +massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg +ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij +ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door +een troep gemeen afgeranseld.</p> + +<p><a name='Page_25'></a>Een daad was <i>Norges Dæmring</i> niet minder in de litteratuur. Hier werkt +die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren, +klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodieën te laten +hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank.</p> + +<p>Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en +Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de +uitvoerigste "Literaturhistorie" van Noorwegen van Henrik Jæger kan men +het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de +groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En +ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen +in de 19<sup>e</sup> eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden +nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de +kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt, +is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is +het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur +evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het +sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de +latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen +zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie +van Wergeland, en ook zijn behoefte, <a name='Page_26'></a>om aanvoerder van eene massa te +zijn, vinden wij terug bij Bjørnson; het scherpe verstand, de vlijmende +spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven +keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bjørnson ook in zijn patriottische +zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van +grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met +gelijke trekken bij Welhaven.</p> + +<p>Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor +Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der +eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn +verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming<a name='FNanchor_3_3'></a><a href='#Footnote_3_3'><sup>[3]</sup></a>, en de practijk +tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als +die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het +verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de +gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich +zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken, +wanneer zij maar half af waren.</p> + +<p>Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door +verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij +<a name='Page_27'></a>vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij +had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt +werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van +zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende +eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe +gedachtenstroomingen.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_2_2'></a><a href='#FNanchor_2_2'>[2]</a><div class='note'><p> +</p><p> +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad,<br /></span> +<span>hvad nu er taust skal finde starke Munde<br /></span> +<span>i Thingets Sale og i Templets Buer;<br /></span> +<span>hvad nu er Larm skal blive vise raad,<br /></span> +<span>og vis'ne ho'der byttes om med sunde—<br /></span> +<span>hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer!<br /></span> +</div></div> +</div> + +<a name='Footnote_3_3'></a><a href='#FNanchor_3_3'>[3]</a><div class='note'><p> <i>Om norsk sprogreformation</i>. Een voorganger had Wergeland +hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='HOOFDSTUK_II'></a><h2><a name='Page_28'></a>HOOFDSTUK II.</h2> + +<p>ROMANTIEK.</p> +<br /> + +<p>1. <i>De volksromantiek</i>.</p> +<br /> + +<p>Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche poëzie eene bloeiperiode aan. +Het is de romantiek, die haar intocht houdt<a name='FNanchor_4_4'></a><a href='#Footnote_4_4'><sup>[4]</sup></a>. De vorige periode leefde +in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der +Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar +een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong +niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in +het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er +reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te +regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe +onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de +toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De +romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur, +en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen +machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen, +juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een +frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik +vóór alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij +op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de +krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder +de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk +geïmporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden +de hekken van het patriottisme verhangen. </p><a name='Page_29'></a> + +<p>De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen +zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was +en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede +helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland +gekomen, waar men de zaak grondig <a name='Page_30'></a>had opgevat. Herder was begonnen met +studiën over volkspoëzie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven, +om òf de stof te gebruiken in eigen gedichten, òf den toon van het +volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet +de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op +getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und +Hausmärchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn). +In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de +meest bekende dichter van den tijd, Øhlenschläger, zich van deze stoffen +meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu +is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide +richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van +stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de +getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste +werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone +bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht +hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste +beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C. +Asbjørnsen en Jørgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich +als eerste uitgever van volkspoëzie M.B. Landstad aan.</p> + +<p><a name='Page_31'></a>Asbjørnsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de +stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen +zouden geven<a name='FNanchor_5_5'></a><a href='#Footnote_5_5'><sup>[5]</sup></a>. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De +overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van +teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet +alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat +dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm +bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot +zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de +bijzondere wijze van uitdrukking de poëzie dezer vertellingen gelegen +was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden +uitgegeven in de officiëele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en +uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon, +zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun +zóó goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die +tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen +gelezen worden, hebben zij ook <a name='Page_32'></a>een zeer grooten invloed gehad op de +ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het +Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van +deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de +latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed +van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer +Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens +nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die +boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van +voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe, +den zoon van Jørgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is +voortgegaan.</p> + +<p>De <i>Norske Folkeeventyr</i> (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841 +verschenen<a name='FNanchor_6_6'></a><a href='#Footnote_6_6'><sup>[6]</sup></a>, behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche +letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan, +grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen zóó +eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan +in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting +mee<a name='Page_33'></a>deelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het +bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een +geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme +litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote +dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het +werk tot op dezen dag niets verloren.</p> + +<p>Een eenigszins ander karakter dan de <i>Folkeeventyr</i> dragen twee andere +verzamelingen van Asbjørnsen, <i>Norske Huldreeventyr og Folkesagn</i> (N. +Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven. +Asbjørnsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van +romantiek tot realisme. Ofschoon het woord "eventyr"<a name='FNanchor_7_7'></a><a href='#Footnote_7_7'><sup>[7]</sup></a> in den titel +voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen +omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbjørnsen +legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan, +en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog +geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die +een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van +zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote +plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn +vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de +natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de +Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen—Oostlandsch—dialect. Het +werk van Asbjørnsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het +volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst +gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel +<i>Plankekørerne</i> (De Plankenvoerlui) draagt.</p> + +<p><a name='Page_34'></a>Asbjørnsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar +duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter +karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr +og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbjørnsen aan zijn zegslieden +het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire, +ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi +gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek +heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De +Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan +ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij.</p> + +<p><a name='Page_35'></a>In 1853 gaf Landstad uit <i>Norske Folkeviser</i>. Daarop volgde in 1858 een +kortere verzameling van Sophus Bugge: <i>Gamle norske Folkeviser</i><a name='FNanchor_8_8'></a><a href='#Footnote_8_8'><sup>[8]</sup></a>. Deze +boeken zijn niet zóó algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes +van Asbjørnsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd<a name='FNanchor_9_9'></a><a href='#Footnote_9_9'><sup>[9]</sup></a>. +Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door +weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten +konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden +opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal +geärchaïseerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen +toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te +verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds +voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is +veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de +opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de +sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen +staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een +veel vroegere periode (de 16<sup>e</sup> eeuw) zijn opgeschreven.</p> + +<p><a name='Page_36'></a>Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad, +niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de +gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters +hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de poëzie in hooge +mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads +uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen.</p> + +<p>Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de +eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden. +Na de dæmringsfeide<a name='FNanchor_10_10'></a><a href='#Footnote_10_10'><sup>[10]</sup></a> zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel +<i>Digte</i> uit. Later verschenen <i>Nyere Digte</i> 1845, <i>Halvhundrede Digte</i> +1848, <i>Digte</i> 1851, <i>Digte</i> 1860, eindelijk nog <i>Sidste Digte</i> (van 1860 +tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste +helft der eeuw heeft voortgebracht.</p> + +<p>De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch +ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud +naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar +naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw +element bij.</p> + +<p><a name='Page_37'></a>Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun +gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige +periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd +en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt +lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat <i>Vidar</i>. <i>Vidar</i> +is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het +einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. <i>Vidar</i> was ook de +naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte +van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het +monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft.</p> + +<p>De gedichten <i>Sisyphos, Glaukos, Goliath, Møkkurkalv, Nehemias</i> (1839), +<i>Tantalos, Protesilaos, Kalchas</i> (1845), <i>Herakles, Ganymedes, +Philoktetes</i> (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het +voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben +verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van +eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de +wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een +merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang, +nadat hij in <i>Et Dukkehjem</i> en <i>Gengangerne</i> met de publieke opinie +slaags was geweest. Eerst komt <a name='Page_38'></a>een uiting van lust om den strijd voort +te zetten in <i>En Folkefiende</i>, dan de ontmoedigde verklaring, dat de +man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in +<i>Vildanden</i><a name='FNanchor_11_11'></a><a href='#Footnote_11_11'><sup>[11]</sup></a>.</p> + +<p>Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks +vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de +liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid. +Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat +hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven +liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel +woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de +universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf +zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen +samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig, +heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die +der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten +samen met die der mythologische gedichten. Ook hier <a name='Page_39'></a>bestaat een +merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding +voor het leven ontvangt,</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"naar løst fra længsler og fra vild begær<br /></span> +<span>den flyer til mindets aandehjem befriet"<a name='FNanchor_12_12'></a><a href='#Footnote_12_12'><sup>[12]</sup></a>.<br /></span> +</div></div> + +<p>(Kærl. Komedie, Værker II, 261).</p> + +<p>Vergelijk daarmee Welhaven's verzen:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Hver en Fryd maa trylles om<br /></span> +<span>til et Savn, som Sjælen freder;<br /></span> +<span>Mindet kun et Held bereder,<br /></span> +<span>der er Livets Eiendom"<a name='FNanchor_13_13'></a><a href='#Footnote_13_13'><sup>[13]</sup></a>.<br /></span> +</div></div> + +<p>(Digte 1845. Værker II, 234).</p> + +<p>Voornaam is deze poëzie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde +heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen +hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar +persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij +als schoon gevormde gedachte tot den lezer.</p> + +<p>Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische +beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan <a name='Page_40'></a>deze +beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij +Welhaven's natuurpoëzie te danken. De romantische vlucht van de stad en +de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar +ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze +dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof. +Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, nøkken, +nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbjørnsen ze deed, hun +intree in de kunstpoëzie. Welhaven heeft in dit genre veel +natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En +ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden +was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was. +Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan +de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want +zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers +wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer +genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische poëzie van een +dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn +tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook +nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden +bron van poëzie een <a name='Page_41'></a>rijke was, die in de behoefte van meer dan één +geslacht kon voorzien.</p> + +<p>Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad, +in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden. +Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige +generatie.</p> + +<p>Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich +verwijderen van het realisme waarnemen. <i>Norges Dæmring</i> is te gelijk +idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des +dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor +zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn +pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in +bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn +troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het +leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart +zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee +richtingen. Voor de eene—en dit is de richting der +huldre-romantiek—bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,—ook +Asbjørnsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze +gehuldigd,—voor de andere zijn de ware objecten voor onze +belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen, +en deze richting loopt <a name='Page_42'></a>uit op menschenstudie en zoodoende op realisme +in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbjørnsen in enkele stukken +gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in +de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt +voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbjørnsen's +realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot +doorbraak komen.</p> + +<p>Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten +van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van +verschil. Welhaven heeft zich ook sterk geïnteresseerd voor de +verzamelingen van Asbjørnsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de +behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn +behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van +populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche +letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche +Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van +de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een +stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de +geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid +vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch.</p> + +<p>In 1840 werd Welhaven lector,—later (1846) <a name='Page_43'></a>professor in de +philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het +vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft +nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het +jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus +is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan +historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een +duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan +van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn. +Hij stierf in 1873.</p> + +<p>Ook Jørgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen, +is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de +natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door +eenvoud en religieusiteit.</p> + +<p>Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook +melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in +verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters +der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot +de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's <i>En Jægers +Erindringer</i>, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der +schilderingen van het volks<a name='Page_44'></a>leven behoort Østgaard's <i>En Fjeldbygd</i>. Het +boek staat onder den invloed van Asbjørnsen's vertellingen, maar hij +miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene +zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van +talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet +hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan +twijfelen, of het boek wel tot de poëtische litteratuur gerekend kan +worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbjørnsen +las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het +denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van +eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling.</p> + +<p>Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen +schreef, samen uitgegeven onder den titel <i>Fra Lofoten og Solør</i>, +interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake +is,—Solør ligt in het binnenland—de bewoners der eilanden hun eerste +intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger +van Jonas Lie.</p> + +<p>Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bjørnson's +boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in.</p> + +<p>Bjørnstjerne Bjørnson is in 1832 geboren als <a name='Page_45'></a>zoon van een +dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te +zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania, +waar hij een tijd lang Heltberg's "studentenfabriek" bezocht—zie +hierover meer in Hoofdstuk IV—en in 1852 student werd. Reeds te voren +had hij een—onrijp—tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij +regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856 +bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe +Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier +dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het +eene is <i>Mellem Slagene</i>, dat in een ander verband besproken wordt; het +andere is <i>Synnøve Solbakken</i>, de eerste zijner boerenvertellingen.</p> + +<p>Men kan zeggen, dat Bjørnson's novellen eene periode openen, en dat zij +er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze +beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling, +die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de +voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De +sprookjes van Asbjørnsen en Moe zijn rijk aan poëzie, maar toch niet in +de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct +van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van <a name='Page_46'></a>Østgaard +was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door +menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bjørnson vereenigde +een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot +vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst +kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel +uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten +opgang maakten.</p> + +<p>Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke +zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste +gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te +vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt +met Vinje's kritiek op Bjørnson's volgende vertelling <i>Arne</i>, die later +zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van +boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bjørnson, en die den +schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede +stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers +met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bjørnson en zijn +criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bjørnson +mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet +het portret nader bij de werkelijkheid staan.</p> + +<p><a name='Page_47'></a>De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in +twee jeugdwerken van Ibsen, <i>Gildet paa Solhoug</i> (Het Feest te Solhoug, +1855) en <i>Olaf Liljekrans</i> (1856). Deze twee stukken representeeren een +eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter.</p> + +<p>Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een +welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen, +en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee +gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te +Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In +de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te +bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte +hij. Zóó is zijn eerste drama <i>Catilina</i> ontstaan in den winter 1848-'49 +(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania, +bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk <i>Kæmpehøien</i> +van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste +doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij +een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen, +met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu +volgen snel op elkander <i>Sankthansnatten, Fru Inger til Østraat, Gildet +paa Solhoug</i> en <i>Olaf Liljekrans</i>. Het <a name='Page_48'></a>eerste van deze werken is van +geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre; +over de beide laatste zal hier iets gezegd worden.</p> + +<p>Toen Ibsen <i>Gildet paa Solhoug</i> schreef, waren zijne oogen reeds +opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe +letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde +zijne gedachten in eene andere richting. <i>Gildet paa Solhoug</i> zou, wat +de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend; +de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14<sup>e</sup> eeuw), en door het +hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar +onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht +te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene +voorstudie voor <i>Hermændene paa Helgeland</i>, dat geheel onder den invloed +der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der +volkspoëzie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen +worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor +<i>Olaf Liljekrans</i> bestaan verschillende voorstudiën. Voor een van deze, +en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (<i>Rypen +i Jostedal</i>, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling +volkssagen van Faye, die hierboven (blz. <a href='#Page_31'>31</a>) genoemd werd. Wij hebben +hier dus een stof, die met <a name='Page_49'></a>Asbjørnsen's vertellingen punten van +aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door +het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd; +er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier zóó ver, +dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een +volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat +citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen +den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door +overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde +stuk <i>Sankthansnatten</i>, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt.</p> + +<p>Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te +stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een +voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre +opgang gemaakt had, met name in zijn drama <i>Svend Dyrings Hus</i>. Wanneer +men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz +nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige +kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere +uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van <i>Olaf +Liljekrans</i> is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en +een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk +is. Het toont, dat de <a name='Page_50'></a>dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling +door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die +het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo +gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de +dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme +voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs zóó +ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling +schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst +proclameert. Deze verhandeling—later uitgegeven in het tiende deel +zijner <i>Samlede Værker</i>—verscheen na de beide tooneelstukken en +beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857) +verscheen <i>Hermændene</i>, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie +opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama +gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym +Jokum Pjurre, eene comedie <i>Gildet paa Mærrahoug</i>, waarvan reeds de +titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (<i>mær</i> +beteekent merrie).</p> + +<p>Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de +eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed, +waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal—groote +stukken van <i>Olaf Liljekrans</i>, waar de individueele lyriek de +<a name='Page_51'></a>volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen +geschreven heeft—, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar +ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester, +die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de +beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van +bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn, +reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal +zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen +jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in <i>Kejser og Galilæer</i>.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_4_4'></a><a href='#FNanchor_4_4'>[4]</a><div class='note'><p> Vertalingen van werken der Duitsche romantische school +komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von +Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici +werden gelezen (zie Jægers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan +uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.</p></div> + +<a name='Footnote_5_5'></a><a href='#FNanchor_5_5'>[5]</a><div class='note'><p> De eenige voorganger van Asbjørnsen en Moe was de predikant +Faye, die in 1833 een verzameling <i>Norske Folkesagn</i> uitgaf, tamelijk +rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het +karakteristieke niet deed uitkomen.</p></div> + +<a name='Footnote_6_6'></a><a href='#FNanchor_6_6'>[6]</a><div class='note'><p> Een voortzetting door Asbjørnsen met bijdragen uit +opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2<sup>e</sup> uitg. 1876).</p></div> + +<a name='Footnote_7_7'></a><a href='#FNanchor_7_7'>[7]</a><div class='note'><p> Het woord <i>huldreeventyr</i> is een maaksel van Asbjørnsen en +eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van poëtische fantasie, +<i>huldre</i> behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming +voor zulke vertellingen is <i>huldresagn</i>.</p></div> + +<a name='Footnote_8_8'></a><a href='#FNanchor_8_8'>[8]</a><div class='note'><p> In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling <i>Sange, +Folkeviser of Stev</i> (d.i. refreinen) uitgegeven.</p></div> + +<a name='Footnote_9_9'></a><a href='#FNanchor_9_9'>[9]</a><div class='note'><p> Zie echter het litteratuuroverzicht.</p></div> + +<a name='Footnote_10_10'></a><a href='#FNanchor_10_10'>[10]</a><div class='note'><p> Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan +<i>Norges Dæmring</i> een deel uitmaakt.</p></div> + +<a name='Footnote_11_11'></a><a href='#FNanchor_11_11'>[11]</a><div class='note'><p> Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte +als in uitdrukking tusschen <i>Protesilaos</i> (Welhaven, Digtverker II, +219): "Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han kæmper +kun og falder" en <i>Brand</i> (Ibsen, Saml. Værker III, 231): "Men hver, som +gaar i første række, maa falde for sin fagre sag."</p></div> + +<a name='Footnote_12_12'></a><a href='#FNanchor_12_12'>[12]</a><div class='note'><p> "Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd +vliegt naar de geesteswoning der herinnering."</p></div> + +<a name='Footnote_13_13'></a><a href='#FNanchor_13_13'>[13]</a><div class='note'><p> "Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis, +waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een +geluk, dat het eigendom der ziel is."</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='2_De_historiseerende_Romantiek'></a><h2>2. <i>De historiseerende Romantiek</i>.</h2> +<br /> + +<p>In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in +zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den +drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de +historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan +historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden +beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer +dan allen de volksoverlevering cultiveerde, Øhlenschläger, heeft ook tal +van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote +afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de +bloeitijd is niet geheel dezelfde, <a name='Page_52'></a>en het geheel valt later dan in +Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard<a name='FNanchor_14_14'></a><a href='#Footnote_14_14'><sup>[14]</sup></a> een historisch drama +<i>Magnus Barfods Sonner</i> (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had +dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen +toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den +nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient +zijn gedicht <i>Sønner af Norge</i> van 1820 genoemd te worden, dat het +nationale lied van het land geweest is, tot het door Bjørnson's <i>Ja, vi +elsker dette Landet</i> werd vervangen.</p> + +<p>In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de +vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en +drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste +omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van +1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich, +doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studiën gemaakt; +hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de +geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten <a name='Page_53'></a>het eigen land. En hij +waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken +stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele +gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De +romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;—een +liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat +eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid +schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama +<i>Kong Sverres Ungdom</i> (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud +deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door +haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene +intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een +historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende +karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem +zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon +dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre. +Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een +historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd +te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus +een soort heerschappij oefende. In meer dan één genre had hij volstrekt +niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk +gehad, zijn roem <a name='Page_54'></a>te overleven, ofschoon hij tot het laatst is +doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884 +op 73-jarigen leeftijd.</p> + +<p>De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de +Engelsche geschiedenis ontleende tragedie <i>William Russel</i> (1857) werd, +ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde +gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking +(Saml. Værker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars, +toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is +merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in <i>Kærlighedens Komedie</i>, +waar hij een bekrompen dame, Frøken Skære, haar verontwaardiging laat +uiten over een student, die zóó laag, zóó onbeschoft, zóó gemeen was, om +zelfs <i>William Russel</i> te critiseeren. Het stuk wordt hier dus +voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke +plebejers.</p> + +<p>Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie <i>Hertug Skule</i>, die in +1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's +<i>Kongsemnerne</i> was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De +vergelijking was doodend;—hiermee had het aanvoerderschap van Munch in +de Noorweegsche letterkunde een einde.</p> + +<p>Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in +al haar scha<a name='Page_55'></a>keeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt +dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de +ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het +historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch +drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama.</p> + +<p>Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur. +Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche +vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij +voorbeeld de stof voor Munch's <i>En Aften paa Giske</i> uit Snorris Oláfs +saga helga<a name='FNanchor_15_15'></a><a href='#Footnote_15_15'><sup>[15]</sup></a>. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de +nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is +die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en +zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het +persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen zóó, dat niets +meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met +het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der +voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene +kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is.</p> + +<p><a name='Page_56'></a>Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's +romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof +insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder +mate. <i>Catilina</i> valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting +van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd +gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het +gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het +jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk poëzie te halen. +Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet +die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek +aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden.</p> + +<p><i>Fru Inger til Østraat</i> (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter +bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet zóó gevormd, en de +ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk +en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men +den indruk, dat de dichter onder den invloed van het—insgelijks +romantische—gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij +de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen. +Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp +<a name='Page_57'></a>geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch.</p> + +<p>De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn <i>Hermændene +paa Helgeland</i> (1857) en <i>Kongsemnerne</i> (1864). Van deze beteekent het +tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog één historisch +drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier +bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische +en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie +in.</p> + +<p>De stof voor <i>Hermændene</i> en <i>Kongsemnerne</i> is aan de Noorsche oudheid +ontleend. In een enkel opzicht vormt <i>Hermændene</i> nog een overgang van +het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt +niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der +middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den +man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de +<i>Volsungasaga</i> die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen +wordt opgedischt. De <i>Volsungasaga</i> behoort niet tot de beste saga's, +vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof +uit de Edda, en zóó gaat <i>Hermændene</i> in laatste instantie terug op eene +stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die +met de latere volkspoëzie punten van aanraking <a name='Page_58'></a>hebben. Het conflict is +ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama <i>Gildet +paa Solhoug</i> behandeld was. Wanneer desniettegenstaande <i>Hermændene</i> met +recht tot een ander genre geteld wordt dan <i>Gildet paa Solhoug</i>, dan is +de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl. +Maar de stijl is dan ook niet die der <i>Volsungasaga</i>, maar die der +historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd +had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het +voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der <i>Egilssaga</i>, der +<i>Njálssaga</i>,—en hier is de stijl een andere dan in de <i>Volsungasaga</i>. +Men kan dus met recht zeggen, dat in <i>Hermændene</i> de familiesaga in +dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de +<i>Volsungasaga</i>, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in +de <i>Njálssaga</i> voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het +schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is.</p> + +<p>En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie, +waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit +gezichtspunt eene vergelijking van het slot van <i>Gildet paa Solhoug</i> met +het slot van <i>Hermændene</i>. In het lyrisch drama, dat door stemmingen +beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin +bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige +Bengt; <a name='Page_59'></a>de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven +jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint +het geluk. In <i>Hermændene</i> is de hartstocht een stormwind, die alles +wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood +de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij één +man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op.</p> + +<p>Op geheel andere wijze is <i>Kongsemnerne</i> (De Kroonpretendenten) een +historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de +geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante, +maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen, +maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende +langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want +hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van +die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover <i>Kongsemnerne</i> +handelt. Tot nu toe stond het ééne landschap tegenover het andere, en de +geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten +tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken +en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald +Hárfagri had Noorwegen tot een <i>rijk</i> gemaakt; nù moet het <a name='Page_60'></a>een <i>volk</i> +worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als +Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als +bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is +daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne +maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over, +dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet +gegeven is, te leven.</p> + +<p>Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de +Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit +perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen +tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer +naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij +door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was +opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die +kwamen, zouden de Skandinaviërs tot broeders maken, gelijk Hákon +Hákonsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo +nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen +van Hákon wijzen, gelijk Hákon Skule wijst op de dagen van Harald +Hárfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten +beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden +gesteld, <a name='Page_61'></a>Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen. +Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die +op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep: +<i>Vaagner</i> (wordt wakker), <i>Skandinaver</i>! getuigt er van.</p> + +<p>En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de +interessantste figuur van het drama. Want <i>Kongsemnerne</i> is niet alleen +een tijdgedicht—het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht. +Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van ééne zijde van den +dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne +roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is +zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over +hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel +zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het +denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer +noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den +grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn +tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen, +en zelf daarbij onder te gaan.</p> + +<p>Een tijdvak van negen jaren scheidt <i>Kongsemnerne</i> van het geweldigste +van Ibsen's <a name='Page_62'></a>historische drama's: <i>Kejser og Galilæer</i>. De romantische +droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk +afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de +reeks moderne drama's (<i>nutidsdramer</i>) te openen, die aan de letterkunde +van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt<a name='FNanchor_16_16'></a><a href='#Footnote_16_16'><sup>[16]</sup></a>, om +nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit +de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal +geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die +van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste +wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe +verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de +meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de +lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te +dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot +hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk +dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar +het gaat hem als Kaïn; zijn offer <a name='Page_63'></a>wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan +bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor +brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de +verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de +idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en +waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem +dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop +op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal +voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de +ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij +gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich +tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den +Galileër, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een +tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galileër aan hem +persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer +zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galileër +opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den +wettigen keizer ook dien tegen den Galileër aan. In naam herstelt hij +het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist +deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning +voert. Vóór dien tijd <a name='Page_64'></a>heerschte het Christendom in het uitwendige; het +was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde +in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter +begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering +op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument, +waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den +Galileër, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het +Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot +oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de +mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: "Jullie God +is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen." Alleen Makrina +spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: "Verdwaalde +menschenziel,—<i>moest</i> je dwalen, dan zal het je zeker ten goede +gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken +komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode +levenden!"</p> + +<p>Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote +drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die <i>Kejser og Galilæer</i> +direct aan <i>Kongsemnerne</i> bindt. De voorstelling van de roeping is niet +geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest, +waarin de dichter zich <a name='Page_65'></a>jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In +<i>Kongsemnerne</i> is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met +Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft, +wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met +blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd, +maar het begrip is toch aanwezig. In <i>Brand</i> treedt de roeping op als +een eisch, die verschrikken kan. In <i>Peer Gynt</i> is sprake van twee +wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief; +in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van +een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen, +dat zij haar roeping verzaakt. In <i>Kejser og Galilæer</i> blijven alleen de +twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet. +Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is +alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het +resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet +dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of +ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij +kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede +voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en +zóó wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar +wreedsten vorm. Daarom <a name='Page_66'></a>is Juliaan, evenals Kaïn en Judas, een martelaar +voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de +menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor +deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken.</p> + +<p>Zóó ziet een philosophisch extract uit <i>Kejser og Galilæer</i> er uit. Het +stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten +kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen +levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme. +Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij +zóó in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon. +Levend—en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene +nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op +elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van +Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten +heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de +schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld +kent.</p> + +<p>Bij het schrijven van <i>Kejser og Galilæer</i> had Ibsen meer historisch +materiaal, om op te bouwen, dan bij <i>Kongsemnerne</i>, en dit kan een der +oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan +bij het oudere drama. Ook <a name='Page_67'></a>was de dichter in den tusschentijd een ander +geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873, +kort voor het verschijnen van <i>Kejser og Galilæer</i>, aldus uit: +"Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van +wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest +doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te +gelijk geheele, volkomen realistische poëzie; ik heb de figuren voor +mijn oogen gezien in het licht van den tijd,—en wil hopen, dat de +lezers hetzelfde doen." In den zin, waarin de dichter hier het woord +opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de +stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan +Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed +der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien +het juist is, wat Henrik Jæger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt—en +tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen—dat in de +teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar +slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de +teleurstelling van den dichter, die in de jaren vóór 1870 een nieuwen +tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke +persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden +staatsburger had gegrondvest, dan <a name='Page_68'></a>is ook in deze wijze, om de oudheid +in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met +de wijze, waarop de grondgedachte in <i>Kongsemnerne</i> ontstaat onder den +invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm +was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere +banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer +gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke +problemen bezighouden.</p> + +<p>Bjørnson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856 +<i>Mellem Slagene</i> (Tusschen de Gevechten), 1858 <i>Halte-Hulda</i>, 1861 <i>Kong +Sverre</i>, 1862 <i>Sigurd Slembe</i>, 1864 <i>Maria Stuart i Skotland</i>, 1872 +<i>Sigurd Jorsalfar</i> (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot +de historiseerende romantiek de gedichtencyclus <i>Arnljot Gelline</i> +(1870). Afgezien van <i>Maria Stuart</i> vallen al deze werken binnen het +kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van +overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin, +dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof +eene—gefingeerde—gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas +de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In +<i>Mellem Slagene</i> treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als +deus ex machina in een rol, die zeker <a name='Page_69'></a>den historischen Sverre slecht +zou gepast hebben,—hij moet den vrede stichten tusschen twistende +echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man +tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. <i>Halte-Hulda</i> +maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de +handeling gezegd wordt, in de 13<sup>e</sup> eeuw te geschieden. Het conflict is +hier van gelijken aard als in <i>Hermændene</i>, en het is hier gelijk daar +de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in +aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen <i>Hermændene</i> en <i>Halte-Hulda</i> +nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik +de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de +natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bjørnson zich tot het +publieke leven, dat—wanneer men een stof uit de oudheid +kiest,—natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die +men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de +stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de +koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt.</p> + +<p>Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters +blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's +van Ibsen en van Bjørnson niet groot. Vergelijkt men Bjørnson's +historische drama's met die <a name='Page_70'></a>van een vroegeren tijd, dan is er wel een +groote afstand. Bjørnson had levendigheid van geest en een groot lyrisch +talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij +had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een +dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter +heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen +wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die +hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen +oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis +te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere +menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist +hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren +weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond +hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De +individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel +oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en +zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van +elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's +gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de +man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook +dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet <a name='Page_71'></a>de noodzakelijkheid niet +in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan <i>Sigurd Slembe</i>, het stuk, dat +doorgaat voor het beste van Bjørnson's historische drama's. Uitwendig +heeft de held eenige gelijkenis met Skule in <i>Kongsemnerne</i>. Als deze +tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft +ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om +zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren +koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel +trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem +vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt +Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van +dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet +precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een +toeval—de grootere haast van de vijanden—de oorzaak, dat Sigurd +misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een +psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de +hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die +Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang +bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed +meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn +vrienden beraden had, wat nu <a name='Page_72'></a>te doen stond, voor hij sluipmoordenaar +werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem +gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de +grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond +onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu +consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde +bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen +bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin, +waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar één pijl +verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter +gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche +vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het +eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad +en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan. +Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus +willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis.</p> + +<p>Maar Bjørnson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de +ontwikkeling eener handeling. Bjørnson is niet een steller van vragen; +daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een +beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe +<a name='Page_73'></a>anders had <i>kunnen</i> handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht; +het is hem genoeg, dat de man anders had <i>moeten</i> handelen. Hij wil +verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te +bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een +exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een +schouwburgpubliek gaarne zien.</p> + +<p>Er wordt in Bjørnson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls +zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den +regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den +mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms +leest men dingen van grenzenlooze naïveteit. Ook hiervoor zal een +voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het +gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de +tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd +morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk +geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over +op de karakteristiek van den man. Eén is er van meening, dat Sigurd zulk +een aard heeft, dat òf alle anderen moeten omkomen, òf hij. En deze man +eindigt aldus: "Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat +hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals +vereenigd zal <a name='Page_74'></a>worden tot eene heerlijke bedoeling.—Vrienden, ik geloof +aan een leven na dit."</p> + +<p>Dat "vrienden" vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof +men Bjørnson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort +uitbrengen.—Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek +om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij +bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd +zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt.</p> + +<p>Bjørnson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's +geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van +voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was +voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte, +die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in +hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is +zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling. +Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den +dichter juist tot <i>die</i> stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond, +dat er genoeg waren.</p> + +<p>Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de +zoo veelzijdige productie van Bjørnson.</p> + +<p><a name='Page_75'></a>Meer in overeenstemming met Bjørnson's talent is de gedichtencyclus +<i>Arnljot Gelline</i>. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend. +Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische +gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende. +Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om +schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden, +maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een +gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren, +hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de +grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij +langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij +kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid +gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam +aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man +treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den +slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om +den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij +wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen +kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich +aan hem overgeven. Op <a name='Page_76'></a>wensch van den koning laat hij zich doopen; den +volgenden dag is hij een der eersten, die valt.</p> + +<p>Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de +realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken +in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke +betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot +uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover +sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft +ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag. +Deze figuur maakt Bjørnson tot het middelpunt van een groep gedichten. +Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds +het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de +sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan +bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig +plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche +volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden +in zulk een gedicht tot één. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft +hij met warmte weer. Maar Bjørnson zou Bjørnson niet zijn, als hij niet +geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid +der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan. +Tevens moeten wij <a name='Page_77'></a>iets meer hooren over de misdaden van den roover; +vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens +gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de +beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling—een zaak, +waarover de geschiedenis zwijgt—sterk op den voorgrond gebracht; de +persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en +wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot +valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning +over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste +van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach.</p> + +<p>Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die +hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en +leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De +vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer +dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt, +maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin +gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch +gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door +misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in +zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid <a name='Page_78'></a>een held zich +in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil +schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer +de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken, +precies als in de boerennovellen.</p> + +<p>Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot +Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het +verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van +een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere +Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het +hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden, +zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken, +en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw, +die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de +pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en +bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide: +"Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer." +Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik +gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij +niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening, +noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching.</p> + +<p><a name='Page_79'></a>Het is wel gezegd, dat Bjørnson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt +en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet +zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet.</p> + +<p>En toch is <i>Arnljot Gelline</i> een mooi gedicht, wanneer men er maar in +zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan +stemmingen rijken dichter.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_14_14'></a><a href='#FNanchor_14_14'>[14]</a><div class='note'><p> Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een +vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven, +<i>Fjeldeventyret</i>, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en +zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt +thans nog wel met succes gespeeld.</p></div> + +<a name='Footnote_15_15'></a><a href='#FNanchor_15_15'>[15]</a><div class='note'><p> Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van +1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13<sup>e</sup> eeuw Snorri +Sturlason.</p></div> + +<a name='Footnote_16_16'></a><a href='#FNanchor_16_16'>[16]</a><div class='note'><p> <i>De Unges Forbund</i> is van 1869, dus drie jaar ouder dan +<i>Kejser og Galilæer</i>. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de +historische studien voor zijn groot drama bezig.</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='3_Het_hooggespannen_Idealisme'></a><h2>3. <i>Het hooggespannen Idealisme</i>.</h2> +<br /> + +<p>In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot +voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de +jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog +meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door +politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en +werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen.</p> + +<p>De romantiek had de poëzie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den +helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men +wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote +gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die +nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de +maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de +dichters konden die vormen, <a name='Page_80'></a>zooals zij wilden. Maar voor dichters, die +niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met +de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren +verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat +van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zóó deden eigenlijk van +den beginne af die poëten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde. +Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan +was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf +der geïdealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een +veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. <i>Dat</i> hij hem ging, +ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het +geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De +wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen +van 1864 bepaald.</p> + +<p>Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in +1862 gedaan; reeds <i>Kærlighedens Komedie</i> toont de beginnende reactie +tegen de romantiek, die in <i>Brand</i> en <i>Peer Gynt</i> wordt voortgezet.</p> + +<p>'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek +geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof, +dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als +Ibsen is, houdt hij nog de geïdeali<a name='Page_81'></a>seerde personen voor de normale, +maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het +conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en +Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar +geplaatst in een nieuw daglicht,—dat van heden. Van des dichters +standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek +is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte, +als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van +den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas in <i>Peer Gynt</i> +laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek +gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een +overgang van het historisch-romantisch drama naar het met <i>De Unges +Forbund</i> beginnende realistische drama. Van ééne zijde vertegenwoordigen +zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den +achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme.</p> + +<p>In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie +genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis +vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke +kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke +gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene +maatschappij van <a name='Page_82'></a>halve menschen?" In het realistisch drama draait de +dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van +menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's +gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen +geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen +tot de taal van het gewone leven, het proza, over.</p> + +<p>Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van <i>Kærlighedens +Komedie</i> (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker +verband aangenomen met den roman <i>Amtmandens Døtre</i> van Camilla Collett +(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk +vóór het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar +het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en <i>Kærlighedens +Komedie</i>. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder +(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige +vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot +een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en +Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt, +dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde +Schjøtt in haar opstel over Camilla Collett).</p> + +<p>Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook <a name='Page_83'></a>de vraag, die gesteld +wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht +zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de +liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het +huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke +conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet +eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog +opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn, +het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan +elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet +lijden. Door deze gezichtspunten is <i>Kærlighedens Komedie</i> niet +uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk +gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe +sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde +langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en +frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht. +Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt +overblijft,—zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de +herinnering te bewaren—'voor de eeuwigheid te winnen', heet het +hier,—liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen +dit echter niet klagend, maar <a name='Page_84'></a>dankend: "Nu kan ik je <i>blij</i> missen voor +dit leven", is de afscheidsgroet.</p> + +<p>Het spreekt wel van zelf, dat <i>Kærlighedens Komedie</i> niet verstaan, en +dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het +stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor +de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat +was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten +behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen +vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook +volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poëzie maakt hier +natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van +poëtische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt.</p> + +<p><i>Kærlighedens Komedie</i> is echter niet alleen een hoog-romantisch +gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild, +wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar +hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van +verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang +gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich +in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het +dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poëzie,—ziedaar +<a name='Page_85'></a>de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der +vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter +samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de +bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding +geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen +niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de +studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt: +"dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd."</p> + +<p>De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen +reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "één +hoog, voor de vreugde van het leven, en één, die beneden trilt, diep en +lang."</p> + +<p>Gansch anders is de stemming in <i>Brand</i>. Maar tusschen <i>Kærlighedens +Komedie</i> en <i>Brand</i> ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de +werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet +altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet.</p> + +<p>Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850 +ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de +ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in +den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting <a name='Page_86'></a>was gekomen, was +van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een +bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele +patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere +reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het +Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam, +een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de +zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en +Bjørnson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden +voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche +tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten—al zulke, +die het bestuur van het land aangingen—anti-Zweedsch. Maar deze dingen +beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet +meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden +kwam te staan. Hier trok men één lijn en stelde men zich ook voor, als +één man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme +ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts +eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en +waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken +en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in +die jaren <a name='Page_87'></a>gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de +gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling +van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het +ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich +vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander +naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in +vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte +zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde +studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjørnson tegenwoordig +was.</p> + +<p>Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden +doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon +Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen, +werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten, +en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond +echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten +einde uitdrukking te geven aan meegevoel.</p> + +<p>Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en +de pessimistische stemming doen rijpen, die in <i>Brand</i> tot uiting komt.</p> + +<p>Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan, +waarmee hij de <a name='Page_88'></a>gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op +gewezen, dat in <i>Kongsemnerne</i> de gedachte aan een in broederschap +vereenigd Skandinavië herkend kan worden in Hakons groote +koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds +in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen +oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den +titel <i>Vaagner, Skandinaver!</i>, waarin onder anderen gewezen wordt op het +gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht +hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een +Deensch-Noorsch studentencongres (<i>For Danmark</i>, Efterladte Skr. I, 87). +In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, <i>En Broder i Nød</i>, zijn +landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat +is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864 +uit Rome: <i>Troens Grund</i> (De Grond van het Geloof) bericht op +sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo +zegt hij, zijn oproep (d.i. <i>En Broder i Nød</i>) over zijn volk +geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers +over den val van Dybbøl, over de jonge Noorsche vrijwilligers. +Inderdaad, van één was een neef weggeloopen, een ander miste zijn +handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa <a name='Page_89'></a>zat een +oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid +uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over <i>hem</i> is +zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog +leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar +zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger.</p> + +<p>Interessant is het gedicht <i>Til de Medskyldige</i> (Aan de Medeschuldigen), +een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen +<i>Brand</i>,—een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel +voert,—die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een +positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij +zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij +zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met +bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden +hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben +verzuimd, deze vraag te stellen:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Kan den med Rette tage Arvens Skat,<br /></span> +<span>som fattes Haanden, der skal Arven løfte?"<br /></span> +</div></div> + +<div class='blkquot'><p>(Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die + de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?) </p></div> + +<p>Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren +direct aan deze verzen uit Norges Dæmring:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'><a name='Page_90'></a> +<span>"Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen brænder,<br /></span> +<span>kan ei fortabes, er en hellig arv,<br /></span> +<span>der falder renterig til Folkets Tarv,<br /></span> +<span>naar det kan hæve den med voxne Hænder!"<br /></span> +</div></div> + +<div class='blkquot'><p>(Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet + verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten + goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen). </p></div> + +<p>In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat +Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog +op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders +zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar +handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou +lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen +blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich +daarover scherp uit in zijn <i>Ballonbrev til en svensk dame</i>, waaruit ik +alleen deze twee verzen citeer:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Thi mod skønhed hungrer tiden,<br /></span> +<span>Men det ved ei Bismarck's viden."<br /></span> +</div></div> + +<div class='blkquot'><p>(Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's + wijsheid niet). </p></div> + +<p>En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872 +naar aanleiding van eene rede van Bjørnson. Ook deze dichter had <a name='Page_91'></a>de +gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen +uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbøl +klaagde hij: <i>Da Norge ikke vilde hjælpe</i>. In 1870 was men in +Skandinavië zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning +herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche +overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen +was, kwam Bjørnson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest +veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een +verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een +zelfstandig Noorwegen in Skandinavië en een zelfstandig Skandinavië in +een groot Germanië. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten +te houden. Deze omslag van Bjørnson, door hem zeker eerlijk bedoeld, +maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen +pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef +<i>Nordens Signaler</i> (later opnieuw uitgegeven in Samlede Værker X, 567), +een gedicht vol vlijmenden spot:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Der er omslag ivente! klem paa med talerne!<br /></span> +<span>Vejrhanen paa fløjen har forandret signalerne."<br /></span> +</div></div> + +<div class='blkquot'><p>(Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan + op den vleugel heeft de signalen veranderd). </p></div> + +<p><a name='Page_92'></a><i>Brand</i> verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden +te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de +Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad +heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de +monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig. +Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben, +die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van +den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen, +waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke +ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist +pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken, +die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in +conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard +is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het +ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn +personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit +betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de +predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor +het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te +<a name='Page_93'></a>danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een +repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand +tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het +religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele +monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker +geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer +klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze.</p> + +<p>Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze +zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar één proseliet te +maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te +bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat +deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking, +nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen +van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen, +dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer +hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het +visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij +weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke +stem: 'Hij is deus caritatis'.</p> + +<p>Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat <i>Kærlighedens +Komedie</i> een voorlooper <a name='Page_94'></a>van <i>Brand</i> is. Hij heeft op deze plaats het +oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het +eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende +tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles, +wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in +'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt +aangetoond,—natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen. +Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en +karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het +verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar +ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog +praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant +heeft plaats gehad.</p> + +<p>Op <i>Brand</i> volgt in 1867 <i>Peer Gynt</i>. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet +afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen, +maar hij voert het volk zelf ten tooneele in één typischen representant. +Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de +dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot +grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip, +'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te +bemerken, <a name='Page_95'></a>achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is +zich zelf genoeg, een egoïst in plaats van een persoonlijkheid. Zijn +levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde +verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van +zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid. +Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit +komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes, +die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn +gebruikt,—om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek +rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche +volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het +hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen').</p> + +<p>In gelijke mate als van <i>Brand</i> geldt van <i>Peer Gynt</i>, dat de dichter de +stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de +toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke +overweegt; in <i>Peer Gynt</i> kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere +afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden, +heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het +beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt. +Naast den spot treedt ook—in tegenstelling met <i>Brand</i> een <a name='Page_96'></a>element van +meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend +individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het +dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken +en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift +Neophilologus geschreven heb.</p> + +<p>Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van +de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's +is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de +sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode +voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot +personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de +dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze +vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische +slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze +wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen. +Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in +waarheid beteekent hij den egoïst; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die +aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend +geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en +allegorie.</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='HOOFDSTUK_III'></a><h2><a name='Page_97'></a>HOOFDSTUK III.</h2> + +<p>DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL.</p> +<br /> + +<p>Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die +in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van +Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in +bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet +gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon +zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect +aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was, +stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie +waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal +uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor +het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De +sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van +zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid +open<a name='Page_98'></a>baarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit +streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de +vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen +geheel-Noorsche taal.</p> + +<p>De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint +met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor +geïnspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van +Asbjørnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De +vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert +het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was +hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe +gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in +belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de +Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat +verouderd was of daarvoor werd aangezien,—integendeel, zij gaf uiting +aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu +gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaïseering. +Wanneer men tot dusverre schreef <i>lade, rige, løbe</i>, dan sprak men +<i>late, rike, løpe</i>, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden +gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend +had. Men begint nu op <a name='Page_99'></a>deze wijze te schrijven en brengt door deze +archaïseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in +andere gevallen.</p> + +<p>De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K. +Knudsen, die schreef <i>Haandbok i dansk-norsk Sproglære</i> (1856). Tevens +werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het +belangrijkste werk, van denzelfden schrijver <i>Unorsk og Norsk</i>(1879-81).</p> + +<p>De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren, +waarin Asbjørnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te +nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen +tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de +stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en +de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke ééne door +het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene +taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een +ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding +gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die +ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal +provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel +Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen.</p> + +<p><a name='Page_100'></a>De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet +hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en +zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen +in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal, +die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch. +Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die +autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal.</p> + +<p>Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het +cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van +kunstmatige talen mag zeggen—deze kunstmatige taal is eene levende +geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op +zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is. +Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid, +die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is, +maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende +streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de +eenheid der Noorweegsche dialecten.</p> + +<p>Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht +hebben. Maar niet alleen hun energie,—niet minder hun genie. Want het +verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor +het grootste <a name='Page_101'></a>deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan +een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner +gedachten gemaakt hebben.</p> + +<p>De schepper van het landsmaal is eigenlijk één man geweest, Ivar Aasen, +een boerenzoon uit Zuid-Møre (een landschap op de Westkust), die zijn +jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde +Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten +zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder +hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de +voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken +<i>en geschreven</i> werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht. +Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde +hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van +de Noorweegsche volkstaal: <i>Det norske Folkesprogs Grammatik</i> (1848, in +tweede uitgave van 1864 betiteld <i>Norsk Grammatik</i>), waarop een +woordenboek volgde: <i>Ordbog over det norske Folkesprogs</i> (1850; later +<i>Norsk Ordbog</i> 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten +opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene +taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit +<a name='Page_102'></a>andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon +worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften +gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen +voor 'maalstræv' (<i>stræv</i>, het streven, werken voor iets), en het doel +werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen +burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen.</p> + +<p>Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het +landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het +bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in +nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou +zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden +dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem +van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen: +aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide +talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen +het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal) +den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is. +Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan +opnieuw. De taal, die de meeste concessies <a name='Page_103'></a>doet, is het bymaal; de +laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in +spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het +landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van +een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene +taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen +en van vele kansels en in meer dan één theater gehoord wordt.</p> + +<p>De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader +aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn +taalhistorische studiën in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij +heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal +wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die +het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche +dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaïseeren, die +voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote +autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het +landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in +poëzie als door de genoemde archaïstische tendenties behield deze taal +een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was +Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens +een eerste <a name='Page_104'></a>poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de +gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik +van Westlandsch dialect kwam daarna Fjørtoft op, een politiek schrijver +van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn +dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande +contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal +ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad <i>Fram</i> (1871-73) een dialect uit +Zuid-Møre, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske +(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden +zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de +groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak +Westlandsch, maar al wat archaïstisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal +is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is +echter in het landsmaal nog niet bereikt.</p> + +<p>Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen. +Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor +onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en +is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in +landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden +wetsvoorstellen in beide talen ingediend.</p> + +<p><a name='Page_105'></a>Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige +opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn +originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder +hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een +tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal +Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen +ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een +<i>husmand</i>, d.i. een kleinen boer, die op een <i>plads</i> (kleine +boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij +opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een +boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg. +Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den +krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man, +die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij +den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering +mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft. +Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren, +is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den +cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al +hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft, +tot de bekwaamste <a name='Page_106'></a>mannen van het land behoort. Die kennis echter +vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij +bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er +ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is +hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij +geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven. +Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt +in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken +oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van +het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader +aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke +sympathieën, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden. +Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van +zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op +rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik +zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer +geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op +politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem +aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere +wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van +goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zóó, dat <a name='Page_107'></a>hij geen aanstoot +geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen +subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en +plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door +zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot +eenzaamheid gedoemd, en zóó geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur +voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij +daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft +hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen +deed hij een heftigen aanval op de regeering—en werd ontslagen.</p> + +<p>Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt +niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat +dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij +gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon +verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon +zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren +optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken +geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven, +die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de +lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een +humorist.</p> + +<p><a name='Page_108'></a>Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van +Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let +op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest +bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling +en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven. +Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin +is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken.</p> + +<p>Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870 +verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen +gevuld heeft, <i>Dølen</i> ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle +denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij +had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen, +van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen.</p> + +<p>Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig +onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van +wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en +wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws +had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij +toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het +zijn die gevoelsinhouden, die <a name='Page_109'></a>stijl, die eigenaardige combinaties, die +humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke +geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier +geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche +plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu +toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door +kende. <i>Dølen</i> werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan. +Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad +moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige +maanden, wanneer men hem dood waande, stak <i>Dølen</i> dan plotseling weer +het hoofd op.</p> + +<p>Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige +kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd +is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd +komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon +hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan +tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaïsche werken +staat hier bovenaan <i>Ferdaminni</i> (Reisherinneringen), een boek, dat +eerst stuksgewijze in <i>Dølen</i> is verschenen. <i>Ferdaminni</i> is de +beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860 +maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt <a name='Page_110'></a>hier +op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's +Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien +dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde +verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan +zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn +geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed +dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd +werd.</p> + +<p>Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate +onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken +uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjørnson's <i>Arne</i> (de tweede +dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in één verwijt +heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjørnson +de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de +stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met +dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat +Bjørnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het +verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een +<i>husmand</i>, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als +dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen <a name='Page_111'></a>de +boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de +predikanten behooren, uit wier stand Bjørnson is voortgekomen, een kring +met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij +niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd +billijk beoordeeld, maar wanneer hij in <i>Ferdaminni</i> en elders hun +zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen +romantiek.</p> + +<p>Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook +zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat +hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan +ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit +onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's <i>Brand</i>. In de +dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten +tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters +hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in +dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet +den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te +zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat +eerst naar eene vignetteekening den naam <i>Manden</i> (De Man) kreeg en +later omgedoopt is tot <i>Andhrimnir</i> (de naam van den kok in Valholl). +<a name='Page_112'></a>Dit blad was een navolging van het Deensche blad <i>Corsaren</i>, dat door +Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op +harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin +omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover +oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers +ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen. +Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden +af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke +toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche +waardeering was er ook niet. In <i>Peer Gynt</i> ontmoeten wij Vinje als +Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der +orangoetangs te spreken. Toen <i>Brand</i> verscheen, heeft Vinje dit +dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar +op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte +farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan. +"Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een +paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel; +Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over +Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon +hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden +hebben niet nage<a name='Page_113'></a>laten, in zijn kritieken op <i>Arne</i> en op <i>Brand</i> +uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het +geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands +drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel, +is het gevolg van meer dan één oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die +hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren, +dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich +begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond +alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was +van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna +identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel +landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten, +kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn +tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch' +schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te +hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al +spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair +succes.</p> + +<p>Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in +aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is +het wel, dat iemand zijn leven geeft voor <a name='Page_114'></a>een denkbeeld, dat in de +practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje +zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door +geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere +gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er +dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar +voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte +is hem te abstract.</p> + +<p>Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat, +wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als +litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent +practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters +konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest +verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder +grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting +alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt +samen met zijn beter inzicht in de realiteit.</p> + +<p>Vinje's belangrijkste levenswerk—men moge het prijzen of laken—is dat, +wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor +geijverd,—dat is één ding, maar vooral—hij heeft het gebruikt, en hij +heeft het zóó gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noor<a name='Page_115'></a>weegsche +letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest.</p> + +<p>Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver +kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls +begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te +geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming +verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele +gedichten, waarin ééne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is +volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de +zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden, +die opgenomen is in zijn gedichtencyclus <i>Storegut</i>.</p> + +<p>Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de +hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is. +Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast <i>Ferdaminni</i>, +Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot +de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus +<i>Storegut</i>. Wat de compositie betreft, kan men <i>Storegut</i> vergelijken +met <i>Arnljot Gelline</i> of met Runeberg's <i>Fänrik Staals Sägner</i>: het is +een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een +historische persoon of gebeurtenis. Voort<a name='Page_116'></a>gang is er eigenlijk niet in +het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed +zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat +de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de +karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk +en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij +kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een +valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij +voor het meerendeel stemmingen van één persoon schilderen. En er zijn +ware meesterstukken onder.</p> + +<p>Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan +schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie +als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan +men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt +gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij +in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in +dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook +oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het +inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te +verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe +<a name='Page_117'></a>ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef +geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo +subjectief als Vinje, die <i>Brand</i> voor een farce aanziet, geen +psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen +theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op +wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama +geschreven, <i>Olav digre</i>, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de +proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men +zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft +kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet +kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de +grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naïveteit, waaraan +wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die +aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant +genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let +op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft.</p> + +<p>Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is. +De stukken, die gereed waren, heeft hij in <i>Dølen</i> uitgegeven. <i>Staale</i> +heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een +onafhankelijk man, die zijn <a name='Page_118'></a>eigen weg gaat, in de maatschappij +mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn +omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt +toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen +vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort +schiet. <i>Staale</i> is dan ook veel minder gelukt dan <i>Storegut</i>.</p> + +<p>Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland +in: <i>Bretland og Breterne</i>. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje +nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes +in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland +toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te +bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor +zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de +tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen +land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op +den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden, +waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen +opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende +bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maat<a name='Page_119'></a>schappij. Maar door +zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten—de +Times liet zich zeer onvriendelijk uit—, en daarmee was zijn uitzicht +op succes in den vreemde afgesneden.</p> + +<p>Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet +gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele +vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een +dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als +zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten +niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over +hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar +bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag +gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht: +men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem +gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was +uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat +hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft. +Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij +geschreven heeft, maar <i>hoe</i> hij geschreven heeft, eerst in bymaal, +daarna—het meeste en het best—in <a name='Page_120'></a>landsmaal. Die beteekenis zal pas +algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal +bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen +is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen +voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te +heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen, +dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen, +want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest.</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='HOOFDSTUK_IV'></a><h2><a name='Page_121'></a>HOOFDSTUK IV.</h2> + +<p>HET REALISME.</p> +<br /> + +<p>Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de +idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de +practijk, maar ook in de poëzie noodig was, rekening te houden met de +wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen +zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken +periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu +invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk, +waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden +dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en +begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der +Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het +geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de +litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat, +godsdienst. In Denemarken <a name='Page_122'></a>doet de nieuwe richting haar intocht in de +epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire +voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen +en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land +is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere +generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige +periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjørnson +zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep +romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn.</p> + +<p>Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan +beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt +wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die +litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd +in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw +is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel +afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad +van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken, +is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat +de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de +waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt +is, dit doel te bereiken. De leus kon <a name='Page_123'></a>trouwens gepaard gaan met andere +leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd +waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men +in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet +plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie +debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich +zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het +standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers +van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin, +dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is. +Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,—en dat hebben alle +dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch +altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die +voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee +richtingen ontwikkelen. Òf men gaat den eisch van het realisme steeds +strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid +nabij te komen,—het zoogenaamde naturalisme,—òf men laat het realisme +als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel, +dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat. +Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten.</p> + +<p><a name='Page_124'></a>Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet +op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar +aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd +had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813 +is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven +van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is +zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste +boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek.</p> + +<p>Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige +jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een +anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar +geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de +ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt +zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd, +waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere +clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor +Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in +rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's +tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in +levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, <a name='Page_125'></a>heeft zij +sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven.</p> + +<p>Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad +(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte +vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in +1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in +1855 haar hoofdwerk <i>Amtmandens Døtre</i>, het eerste der talrijke Noorsche +boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze +maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de +litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met +tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: <i>Fortællinger</i> +(1861), <i>I de lange Nætter, Sidste Blade</i> (3 verzamelingen 1868-73), +<i>Fra de stummes Leir</i> (1878), <i>Mod Strømmen</i> (1879). Op den duur neemt +zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar +eerste roman opkwam voor de liefde—in plaats van conventie—als +grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande +verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den +voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de +schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op +en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek +in het potsierlijke; mannen als Goethe en <a name='Page_126'></a>Byron vinden weinig genade in +haar oogen.</p> + +<p>Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek +<i>Mod Strømmen</i> (Tegen den Stroom) mocht eerder <i>Med Strømmen</i> heeten; +toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de +vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor +modern wilden doorgaan.</p> + +<p>Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870, +als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een +probleem debatteert'.</p> + +<p>Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit +het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de +werken van Asbjørnsen, Østgaard en enkele anderen. Voorts een deel van +Vinje's geschriften en Bjørnson's boerennovellen, die echter weinig +realistisch waren. Nu zou het anders worden.</p> + +<p>Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van +den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn +eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist. +Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn, +en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als +zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn +'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en +<a name='Page_127'></a>bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen, +zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere +werken. Kritiek op de maatschappij—een der hoofdpunten van het jonge +programma—komt bij hem reeds in 1862 voor in <i>Kærlighedens Komedie.</i> +Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later. +Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden +geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot +uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het +maatschappelijk leven. In <i>Kærlighedens Komedie</i> is het nog een +bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de +maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn +Falk en Svanhild een utopie. In <i>En Folkefiende</i> daarentegen is de held +een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,—wat +alle anderen ook zeggen te willen,—en die met zijn omgeving in strijd +raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase +is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing +van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld +der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is +het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische +stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch +leven, het proza, <a name='Page_128'></a>gekozen wordt, en dat de personen meer +geïndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en +deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een +enkele repliek kent.</p> + +<p>Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is <i>De Unges Forbund</i> van 1869. +Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het +vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die +hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte +het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote +politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en +kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale +en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft +de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde +physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van +twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde +menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier +dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de +verontwaardiging van Bjørnson over het stuk; het waren zijn eigen +phrases en zijn naïef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden +gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjørnson niet eerlijk +<a name='Page_129'></a>was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geërgerd<a name='FNanchor_17_17'></a><a href='#Footnote_17_17'><sup>[17]</sup></a>. En +hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van +eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend<a name='FNanchor_18_18'></a><a href='#Footnote_18_18'><sup>[18]</sup></a>.</p> + +<p>Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral +vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant, +staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den +samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil +van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten +een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen; +tegen dit verbond—het ware verbond der jongeren.—is de vooze demagogie +niet bestand.</p> + +<p>Men heeft Ibsen verweten, dat hij in <i>De Unges Forbund</i> zich tegen 'de +partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld +Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. <a name='Page_130'></a>Ibsen zou in dit stuk de +woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van +dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk. +Geen ding toont misschien duidelijker dan <i>De Unges Forbund</i>, hoe ver de +dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het +komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en +heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist +de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is +volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter +verwachtingen had van de oude aristocratie—mits deze zich vernieuwde. +Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening +uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die +hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren.</p> + +<p>Tusschen <i>De Unges Forbund</i> en <i>Samfundets Støtter</i> liggen acht jaar +(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met <i>Kejser og +Galilæer</i>, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken +is.</p> + +<p>Met <i>Samfundets Støtter</i> (1877) begint een ononderbroken reeks moderne +drama's. Weldra volgen <i>Et Dukkehjem</i> (1879), <i>Gengangere</i>(1881), <i>En +Folkefiende</i> (1882), <i>Vildanden</i> (1884). In al deze stukken wordt de +werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt +<a name='Page_131'></a>ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een +samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij +een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na +jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste +pessimisme.</p> + +<p>In <i>Samfundets Støtter</i> geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in +een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en +het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich +wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil +tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer +verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend +heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken; +Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit +andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en +dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een +onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen +tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen +vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft +liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om +Bernick's geweten wakker te schudden. Zóó <a name='Page_132'></a>groot is het geloof van den +dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het +ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het +blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip +wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt +Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te +huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den +waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de +geesten van waarheid en vrijheid.</p> + +<p>Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar +realist, toch ook nu nog als van ouds ideeëndichter is. De gedachte is +zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",—abstracter +kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt +van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men +bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest +wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had +een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met +haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar +ieder aan alle zijden door égards gebonden was, gemakkelijker haar +onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw, +die alleen naar de stem van haar hart luistert <a name='Page_133'></a>en zich aan geen enkele +consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert +tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in +dezen zin zijn reeds Aurelia in <i>Catilina</i>, later Solvejg in <i>Peer +Gynt</i>. En Ella Renthejm in <i>John Gabriel Borkman</i> behoort tot dezelfde +categorie.</p> + +<p>Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene +maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal +onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak, +die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. <i>Et +Dukkehjem</i> is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen +opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting +teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid +niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat +noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de +moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap +terug te houden.</p> + +<p>In <i>Gengangere</i> is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer +met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die +aan <i>Et Dukkehjem</i> ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper +stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig <a name='Page_134'></a>huwelijk +leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en +zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar +huwelijk uit te blusschen.</p> + +<p>Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den +dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de +courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin +zich zulk een frissche strijdlust openbaart als <i>En Folkefiende</i>. De +ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd +aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar. +Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is +menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op, +maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man +verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der +badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij +de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden, +maar alle partijen, conservatief en radicaal,—anders elkanders gezworen +vijanden,—vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen. +Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van +de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de +oppositiepers werken broederlijk <a name='Page_135'></a>samen, om Stockman onmogelijk te +maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met +uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk. +Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een +nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld +hij is, die het meest alleen staat.</p> + +<p>De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman +zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en +evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zóó waar geteekend, +als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het +karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in +het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de +menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met +het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjørnson. Den zedelijken moed +hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de +vergaderzaal is die van Bjørnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het +uitdrukt, aan Stockman Bjørnson's stem gegeven. Ook de overige personen +zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de +kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing, +de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en +wiens originaliteit hierin bestaat, dat <a name='Page_136'></a>hij er een 'gud døde mig' aan +toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in +wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van +zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele +karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet, +Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood, +als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet, +welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien, +dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel +der echtheid.</p> + +<p>En dan komt <i>Vildanden</i> (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat +Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch +geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant +van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale +figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht, +waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van +een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt. +De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt: +"mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord +idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens," <a name='Page_137'></a>en die +verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem +je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed +genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons +arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen +moet de dichter van <i>Brand</i> gehad hebben, voor hij zóó iets schrijven +kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag +over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken +helpt niet; de poëet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in +Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat +hij de dertiende man aan tafel is.</p> + +<p>En toch—het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof +verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en +geïncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene +vrouw, die zit te wachten op het wonder,—dat een ander verrichten +zal,—maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe +edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het +bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel +heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zóó staat ook in +<i>De wilde Eend</i> een ideale figuur, die aan één zaak alles offert, +tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in <a name='Page_138'></a>phrases is +ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt +hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer +maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als +offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan +den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal; +in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele +gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van <i>Vildanden</i> het +geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend +drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden.</p> + +<p>Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter +behandelde dan één zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zóó levende +personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest. +Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij +naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik +mode was, maar omdat hij de menschen zóó zag. En wat de +'problemenpoëzie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen +behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd +is zijn poëzie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom +zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur <a name='Page_139'></a>van +den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn +toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen +reflecteert zich het menschelijke.</p> + +<p>In dezelfde periode ging Bjørnson over tot de behandeling van +maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het +lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het +meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben +zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar +daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjørnson was als +kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij +ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid +gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan +zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij +veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land, +en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche +levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd +een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken, +novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is +zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in +volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke +werkkracht. <a name='Page_140'></a>Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de +wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een +eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjørnson gehad +heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die +hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt +Bjørnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hèm nieuw zijn, te +populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene +verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook +zijn kunst ondergeschikt.</p> + +<p>Een voorlooper van Bjørnson's 'nutidsdramer' is <i>De Nygifte</i> (De +pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter +levendige scènes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom +begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren: +<i>Redaktøren</i> en <i>En Fallit</i> (1875), <i>Kongen</i> (1877), <i>Leonarda</i> (1879), +<i>Det ny System</i> (1879), <i>En Hanske</i> (1883), <i>Over Ævne</i>, I (1885), II +(1895), <i>Geografi og Kærlighed</i> (1885), <i>Paul Lange og Tora Parsberg</i> +(1899), <i>Laboremus</i> (1901), <i>Paa Storhove</i> (1902), <i>Daglannet</i> (1904), +<i>Naar den ny vin blomstrer</i> (1909). Vertellingen uit dezelfde periode +zijn: <i>Magnhild</i> (1877), <i>Kaptejn Mansana</i> (1879), <i>Stöv</i> (1882), <i>Det +flager i Byen og paa Havnen</i> (1884), <i>Paa Guds Veje</i> (1889), <i>Nye +Fortællinger</i> (1899), <i>Mary</i> (1906).</p> + +<p><a name='Page_141'></a>In bijna al deze stukken maakt Bjørnson zich tot advocaat van een of +andere meening of waarheid,—dikwijls eene zeer juiste,—die, naar hij +meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de +noodzakelijkheid van opvoeding in <i>Det flager</i>, van verdraagzaamheid in +<i>Paa Guds Veje Kongen</i> is een preek over het thema, dat de republiek de +eenig juiste regeeringsvorm is. <i>En Hanske</i> handelt over de +geslachtsmoraal. De dichter is hier zóó vervuld van de leer, die +gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over +hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot +breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjørnson niet +alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie +bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet, +kan diezelfde naïveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit +de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen +ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjørnson ongetwijfeld voor een groot +deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn +behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil +gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen +en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjørnson +gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als k<a name='Page_142'></a>oeien, die +iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen +de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer +de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan +is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de +tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan +vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat +hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het +schellinkje, zeer gewaardeerd.</p> + +<p>Maar wanneer men het eerste gedeelte van <i>Det flager</i> leest, waarin +Bjørnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de +gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze +schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene +situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het +verlichtingswerk van Bjørnson niet noodig hebben, en die in vreemde +litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het +Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter +als Bjørnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de +schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van +godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw +ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven +hiernamaals, terwijl dat plotseling anders <a name='Page_143'></a>wordt, zoodra Bjørnson ca. +1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat +het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop +plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der +orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders +wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen +kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een +groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjørnson's poëzie +duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat +nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in +aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in +Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjørnson gehecht wordt. En +dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het +oordeel speelt de liefde eene rol,—en de liefde is naijverig.</p> + +<p>Jonas Lie (1833—1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede +helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is, +wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het +Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de +overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo +stamt Lie in drie <a name='Page_144'></a>leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit +het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook +Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde +Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder +poëtischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van +denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen +heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur, +die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden, +in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur +maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poëzie vinden ook in het +dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zóó ver, dat +hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om +deze te objectiveeren.</p> + +<p>Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd +voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die +bij herhaling als poëtische motieven in zijn werken terugkeeren. Als +zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in +Tromsø, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die vóór hem +in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht +Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen +een goede <a name='Page_145'></a>vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn +poëtischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn +leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen +aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote +handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de +angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan.</p> + +<p>Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen +te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg +geïnteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit +zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij +de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd +dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te +vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van +het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter +geheel doet ontwaken, is zijn faillissement.</p> + +<p>Toen Lie zijne eerste vertelling <i>Den Fremsynte eller Billeder fra +Nordland</i> (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland) +uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de +litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op +zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt <a name='Page_146'></a>hoofdzakelijk in den vorm van +een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens +zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het +Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt ééne zijde +van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke, +zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst; +zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke +behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd +hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in +de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de +alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en +David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor +hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar +de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer +hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij +niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft +geput, om het leven vol te houden.</p> + +<p>Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel +romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als +een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst +belangrijk is, maar toch als een <a name='Page_147'></a>zieke, niet als een wezen van hooger +orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaïschen mensch verborgen +blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet +in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk +leven te kort schiet.</p> + +<p>De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het +dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst +opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van +zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek +daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins +misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene +zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met +mythische wezens als <i>nøkken, draugen, tomtegubben</i>, en hoe zij meer +mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn +deze wezens poëtisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd +met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken. +Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die +in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw +hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen +schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze +teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden.</p> + +<p><a name='Page_148'></a>Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op. +Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf. +Misschien heeft hij in <i>Den Fremsynte</i> voor goed of voor langen tijd +afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij +zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed +van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten +<i>Dyre Rein</i> (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is. +Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in +den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt +zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het +huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven.</p> + +<p>Met <i>Den Fremsynte</i> had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt. +Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost +heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel +achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker—niet in +ieder—opzicht voorstudiën voor zijn latere meesterwerken. <i>Den +Fremsynte</i> was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte +hij nog niet geheel, en vooral—hij had zich nog niet dien bijzonderen +stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij <a name='Page_149'></a>schreef, +zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie +weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver +van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne +ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te +schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een +propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen +van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren, +waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode +geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder +zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn +talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft +ingenomen.</p> + +<p>De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met +<i>Familien paa Gilje</i> zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft +hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn +vooreerst zijn schipperromans <i>Tremasteren Fremtiden</i> (1872), <i>Lodsen og +hans Hustru</i> (1874), <i>Rutland</i> (1880), <i>Gaa Paa</i> (1882). Deze sluiten in +zooverre bij <i>Den Fremsynte</i> aan, als zij schilderingen bevatten uit het +leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter +zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze +boeken een gebeurtenis in de Noorsche <a name='Page_150'></a>litteratuur; er wordt een nieuw +gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het +onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen. +Hij kent hen van kind af aan.</p> + +<p>Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling +speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het +zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het +huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken, +waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze +periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd +worden: <i>Thomas Ross</i> (1878), <i>Adam Schrader</i> (1879), <i>Livsslaven</i> +(1883). Een eerste dramatische proeve is <i>Grabows Kat</i> (1880). Een +afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht +<i>Faustina Strozzi</i> (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan +de geschiedenis (Italië's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de +kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poëtisch werk niet +van groote beteekenis.</p> + +<p>Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: <i>Familien paa Gilje</i> (1883), +<i>En Malstrøm</i> (1884), <i>Otte Fortællinger</i> (1885), <i>Kommandørens Døtre</i> +(1886), <i>Et Samliv</i> (1887), <i>Majsa Jons</i> (1888), <i>Onde Magter</i> (1890), +<i>Trold</i> (2 verzamelingen novellen 1891-2), <i>Niobe</i> (1893), <i>Lystige +Koner</i> <a name='Page_151'></a>(1894), <i>Naar Sol gaat ned</i> (1895), <i>Dyre Rein</i> (1896), +<i>Lindelin</i> (1897), <i>Faste Forland</i> (1899), <i>Wulffie & Comp</i> (1900), +<i>Naar Jernteppet falder</i> (1901), <i>Ulfulgerne</i> (1904).</p> + +<p>Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde +motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering +deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in +vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den +dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een +nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde.</p> + +<p>Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen <i>(Lodsen og hans Hustru, +Gaa paa</i>) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te +kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een +positie weet te verschaffen. In <i>Gaa paa</i> is het een jonge man, die in +armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder +eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in +den beginne en het besluit, het niet op te geven.</p> + +<p><i>Thomas Ross</i> vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad +heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan +het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het <a name='Page_152'></a>andere. Hij geraakt in +bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een +bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door +een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot +met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten. +Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij +gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de +tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te +houden.</p> + +<p>Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in <i>Faste +Forland</i>, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van +anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de +ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde. +Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist +inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en +hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden, +maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste +wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet +bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn +stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een +badplaats om te <a name='Page_153'></a>scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel +der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de +financiëele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij +aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een +dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het +badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een +badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door +zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn +plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die +hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij +haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem +geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te +gemoet, en nu wordt Faste dichter.</p> + +<p>Het klinkt als een sprookje—en toch is het werkelijkheid. Ook de +mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den +bijstand van Thomasine.</p> + +<p>Het hoofdmotief van <i>Faste Forland</i> is de mislukte onderneming en het +faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een +faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het +hoofdmotief in <i>En Malstrøm</i>, en het neemt een gewichtige plaats in in +<i>Et Samliv</i> <a name='Page_154'></a>en in <i>Niobe</i>. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede +de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer +eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te +schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van +zeer verschillende zijden. In <i>Faste Forland</i> is de slechte zakenman +toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf +niet gekend heeft; in <i>En Malstrøm</i> en <i>Niobe</i> ontmoeten wij twee +variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van +zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur), +in <i>Et Samliv</i> is het de familievader, die op het punt is, in den +ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en +kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom +aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den +genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door +een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet +ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld +worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie +is hier midden in de 'problemenpoëzie' geraakt; de vergelijking met +anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in +aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in <a name='Page_155'></a>de +litteratuur in de mode; zoowel Bjørnson als Kielland hebben het +behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze. +Voor Kielland (in <i>Fortuna</i>) is het faillissement de onverantwoordelijke +daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de +schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen, +valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets +dan gemeenheid en laagheid. Er komen in <i>Fortuna</i> prachtige bladzijden +voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk +geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders +Bjørnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene +maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk, +dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen. +Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is, +maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of +de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn +gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is +tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig +samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den +bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den +man, noch de daad, <a name='Page_156'></a>maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft, +kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zóó gaan moest, als +het is gegaan.</p> + +<p>Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo +groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij +Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan één van zijn boeken zou +men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een +belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw. +Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van één +eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en +hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun +naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden, +vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft +hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste +karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de +liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven +ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities +zijn onder anderen Susanne in <i>Den Fremsynte</i>, Bera in <i>Faste Forland</i>, +Ely Falk in <i>Adam Schrader</i>, Ellen in <i>Naar Jernteppet falder</i>. Op het +juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te +hand<a name='Page_157'></a>haven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij, +die niet kan geven, wordt de egoïste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al +deze typen heeft Lie geschilderd, zóó dat zij lijken.</p> + +<p>De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het +grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat +hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans +den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (<i>Livsslaven</i>, waar +de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie +van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal +dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het +sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt.</p> + +<p>In <i>Lodsen og hans Hustru</i> bestaat voor de verdenking eenige aanleiding, +en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien +jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in +dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem +niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste +weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De +omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar +onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn. <a name='Page_158'></a>gebrek aan +vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in +dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge +mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man, +die zóó lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal +vallen, voortaan met parlement te regeeren. In <i>Adam Schrader</i> is het +conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt +hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is +een goed huisvader, maar prozaïsch; de vrouw is muzikaal; een vriend van +den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied +der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch, +maar het karakter der vrouw is zóó oprecht en flink, dat aan haar deugd +geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink +de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek +behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel +van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden +weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere +wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij <i>Adam Schrader</i> schreef. +Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig +is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in <i>Naar Sol +gaar ned</i>. <a name='Page_159'></a>Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de +vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man, +een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij +wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar +het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn +levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie. +Maar de eer van zijn huis heeft hij gered.</p> + +<p>Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne +alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans +heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood. +Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan.</p> + +<p>Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken <i>Naar +Jernteppet falder</i> in een der talrijke parallel loopende vertellingen +van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een +oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige +lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel +geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren +wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan +boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe +kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis +van het gemoed zijner vrouw. Wat <a name='Page_160'></a>gaat er in haar om? Wat verbergt zij +voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag +neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van +angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is; +wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt, +gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het +schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten +geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag, +wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een +weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene +rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent, +zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell +weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij +bij haar was,—thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en +met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu +kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij +tegenover haar uit, dat <i>zij</i> het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De +twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord +daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt. +De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopen<a name='Page_161'></a>baard; het +gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat +waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte +in een geheel modern kleed.</p> + +<p>Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts +één tooneelstuk, <i>Lystige Koner</i>, is op dit motief opgebouwd. De +behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt +niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar +plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis +van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het +er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal +opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie +het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg.</p> + +<p>Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter +is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk +de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij +geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt. +Zulke zijn: de Kaptein in <i>Familien paar Gilje</i>, Mads Foss in <i>En +Malstrøm</i>, de directeur in <i>Onde Magter</i>. In zulke families vinden wij +huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in <i>Familien paa +Gilje</i>, mis<a name='Page_162'></a>schien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de +Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van +gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden.</p> + +<p>Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de +vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge +geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de +dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen +eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan +zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere +beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna +altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te +keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van één van beide. Bij de +jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat +het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden +een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk +geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren, +wanneer zij zwak zijn en toegeven. In <i>Rutland</i> wil de jongen naar zee. +De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil +dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en +verzoent zich later met den vader. Dit is <a name='Page_163'></a>het gunstigste verloop. In +<i>Familien paa Gilje</i> moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit +de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in <i>En Malstrøm</i> is het nog +erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in +<i>Kommandørens Døtre</i>, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het +de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg +staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in +die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend, +waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen +drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn.</p> + +<p>Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses +van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt +niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen +zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een +gezin is dat van Dr. Baarwig in <i>Niobe</i>.</p> + +<p>De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp +van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot +hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen +misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij +zelf behoort tot de hoogere klasse, maar <a name='Page_164'></a>sedert zijn kindsheid heeft +hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft +hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een +der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich +onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is. +Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principiëele +vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen +ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide, +gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen +heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de +sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een +schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in +dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten <i>Livsslaven</i>, uit +de eerste periode, en <i>Majsa Jons</i>, een van zijn rijpste werken. +<i>Livsslaven</i> is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode, +die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en +niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot +misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die +daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder +wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer +een—nog eenigszins senti<a name='Page_165'></a>menteele—poging, om meegevoel met den +onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der +standen. Veel belangrijker is de historie van <i>Majsa Jons</i>, het +naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen +bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van +familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij +niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het +onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in +de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid, +die zij uit de schipbreuk van haar leven redt.</p> + +<p>Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen +zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene +verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden, +ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de +vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot +deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een +fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het +al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen +zij één ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel, +waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist.</p> + +<p><a name='Page_166'></a>Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het +familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine +vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee +bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in +zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is. +Zij doen het meest denken aan de spookhistoriën uit <i>Den Fremsynte</i>. +Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele +jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu +ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire +natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast +elkaar staan stukken als <i>Moskenæsstrømmen</i>, waarin natuurkrachten +gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt, +<i>Bylgja</i> en <i>Kværnkallen,</i> die de mystieke indrukken schilderen, welke +de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als <i>Hauk +og Hadding</i>, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in +den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm +speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met +name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch, +onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort +besproken roman <i>Dyre Rein</i>. Interessant is in dit licht ook de korte +<a name='Page_167'></a>novelle <i>Østenfor Sol og vestenfor Maane</i>, waar tusschen de +hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken +voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en +dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zóó, meent de dichter, is het ook +onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar +daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is +noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die +talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan +egoïsme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die +de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid—en +moraal—proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan.</p> + +<p>Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor +hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van +den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn +overige productie. Zijn tooneelstukken <i>Grabows Kat, Lystige Koner, +Lindelin, Wulffie & C<sup>ie</sup></i>, ofschoon niet van belang ontbloot, staan +verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, <i>Faustina +Strozzi</i> en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie, +maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren +<a name='Page_168'></a>echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters +persoon.</p> + +<p>Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen +hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest, +zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen, +als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor +en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke +koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het +gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student, +nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere +verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als +advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien +tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij +reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine +schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn +werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken, +<i>Novelletter</i>, dan romans, in één adem door (daartusschen enkele +tooneelstukken): <i>Garman og Worse</i> (1880), <i>Nye Novelletter</i> (1880), +<i>Arbeidsfolk</i> (1881), <i>Else</i> (1881), <i>Skipper Worse</i> (1882), <i>To +Novelletter fra Danmark</i> (1882), <i>Gift</i> (1883), <i>Fortuna</i> (1884), <i>Sne</i> +(1886), <i>Tre Par</i> (blijspel <a name='Page_169'></a>1886), <i>Bettys Formynder</i> (blijspel 1887), +<i>Sanct-Hansfest</i> (1887), <i>Professoren</i> (blijspel 1888), <i>Jacob</i> (1891), +eindelijk een bundel kleinere opstellen <i>Mennesker og Dyr</i> (1892), een +overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het +voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan.</p> + +<p>Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat +Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den +inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En +nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven +had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig. +Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen. +Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij +gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij. +Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie +was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel +begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met +een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En +hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon. +Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het +publiek.</p> + +<p>Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat <a name='Page_170'></a>een modern dichter in 1880 te +zeggen had,—kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine +Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste +kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet +verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In +Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen. +En wat de poëten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen +gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger. +Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe +verstand en den beweeglijken geest zich beëngd gevoeld hebben. Hij zoekt +geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van +Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij +moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil +het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen, +en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak +stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger.</p> + +<p>En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft +hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche +romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een +schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is.</p> + +<p><a name='Page_171'></a>In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat +hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is +moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de +bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar +gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om +zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook +waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den +duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten. +In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem +dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn +anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als +onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele +onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn +boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer +persoonlijk adres<a name='FNanchor_19_19'></a><a href='#Footnote_19_19'><sup>[19]</sup></a>. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en +satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets +<a name='Page_172'></a>dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen +samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er +de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in +artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889) +redacteur is<a name='FNanchor_20_20'></a><a href='#Footnote_20_20'><sup>[20]</sup></a>. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de +overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij +voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen +neer.</p> + +<p>Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken +sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den +dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt. +Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft +Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet +uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in +zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar +aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet +plebeïsch, maar voornaam. Zóó is hij in staat, in <i>Garman og Worse</i> een +der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname +familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil <a name='Page_173'></a>in de +verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar +vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in <i>Skipper Worse</i> +diep door in het leven van de piëtistische secte der Haugianen. In +andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten, +dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet +objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht +van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal, +suggestieve kracht,—en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in +hooge mate. Boeken als <i>En Sankt-Hansaften</i> en <i>Jacob</i> kan men +beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets +van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen +toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al +deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten. +En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het +daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal +die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds +in vollen gang.</p> + +<p>In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende +gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een +verkorte weergave van hetgeen ik <a name='Page_174'></a>hierover in 'De Gids' van Mei 1897 +schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en +directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn +eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De +intrigue van <i>Garman og Worse</i> berust op de tegenstelling tusschen de +deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche +beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end". +Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van +dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door +zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der +firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in <i>Arbeidsfolk</i>, +maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier +ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen +vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra +verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het +bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de +vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband +daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen?</p> + +<p>Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En +hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad +voert, werd in <i>Garman og Worse</i> reeds <a name='Page_175'></a>aangeduid. In <i>Else</i> zien wij +het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot +lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis +door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de +uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking +grooter wordt.</p> + +<p>Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere +generatie, en hij schrijft <i>Skipper Worse</i>. De vergelijking voert tot +het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding +beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen +goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven +uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon +de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even +degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd? +Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die +voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook +de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld. +Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie +Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse +nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote +plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het +zijn zij, <a name='Page_176'></a>wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de +Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de +verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt, +verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in +geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door +lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden, +wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht +maken. Nog één geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan +een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog +maar in hardheid tegenover den arme.</p> + +<p>Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het +vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij <i>Gift</i> (Vergif) te +danken. <i>Gift</i> is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men +kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft, +de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar +polemiek tegen het Latijn is slechts ééne zijde van het boek. De auteur +verheft vóór alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt +door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen +van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het +zelfstandig <a name='Page_177'></a>oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van +ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige +geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht +slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft.</p> + +<p>De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de +oorzaak, dat hij op <i>Gift</i> twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste +heet <i>Fortuna</i>. De schooljongen uit <i>Gift</i>, Abraham Løvdal, die bij zijn +confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in +levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is +hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen +maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en +waarvoor hij, Abraham Løvdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn +windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken, +zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en +assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer. +Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die +de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en +vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien.</p> + +<p>Eene voortzetting van <i>Fortuna</i> is <i>Sankt-Hans Fest</i>. Maar daartusschen +ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. <a name='Page_178'></a>Naast +de school werd in <i>Gift</i> de kerk geschetst als een der machten, die de +zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoïst +maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen +brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare +dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op <i>Gift</i> en +<i>Fortuna</i> volgt <i>Sne</i>.</p> + +<p><i>Sne</i> is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud +en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der +heiligen—de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden +stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn +preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de +geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan +bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en +bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; <i>zijne</i> hooge gedachten kan +zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te +zorgen valt. Daar zit hij—en wordt weerstaan door een jong meisje, dat +van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de +verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij—Johannes, +die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der +spotters niet is opgewassen, <a name='Page_179'></a>maar evenmin tegen den sterken wil van +zijn vader, die Gabriële liefheeft en droomt van een verzoening tusschen +het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Løvdal. +Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook +niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle +reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets +nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche +stilheid, een rust als die des grafs.</p> + +<p>Dat is de gedachte, die <i>Sankt-Hans Fest</i> beheerscht. Kielland laat hier +de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren +en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op: +Abraham Løvdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit <i>Gift</i> en +<i>Fortuna</i>, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van +schipper Worse, de jonge Garman, die aan <i>Garman og Worse</i>, de familie +With, die aan <i>Else</i> herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te +gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag +schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen +Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren. +De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen +mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toege<a name='Page_180'></a>zegd, +zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest +bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en +eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die +zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de +victualiën, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst +van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden +georganiseerd heeft.</p> + +<p>In <i>Sanct-Hans Fest</i> is als het ware eene essentie van Kielland's +sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn +vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en +geëxtraheerd tot een enkelen druppel. Het is het <i>mene tekel</i> over eene +leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan +vreugde verloren heeft.</p> + +<p>In <i>Jacob</i> wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de +gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen +indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in +Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het +streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in +het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar +het platteland. Maar <a name='Page_181'></a>in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is, +ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het +onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren +gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval +niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene +verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een +wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie +vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen +ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de +schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij +van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door +langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer.</p> + +<p><i>Jacob</i> is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt +Tørres Snørtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de +eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren +gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo +heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom, +en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal. +Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te +bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te +zuigen. Hij maakt zich meester van al, <a name='Page_182'></a>wat in de stad te verdienen +valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om +zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien. +Tørres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs +een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder +gekomen was—neen voorwaar, dat was hij niet!—hij was niet verder +gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij +zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht."</p> + +<p>Als Tørres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen +met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te +noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen.</p> + +<p>Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik +hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Tørres. +In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest. +Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij +bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de +belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over. +En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde +het roer boven en de stroom beneden aan." En Tørres denkt er ook zoo +over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle +wijsheid van de wereld woog niet op tegen den <a name='Page_183'></a>kleinen katechismus, en +dien kende hij—ha! ha! ha!—hij moest om zich zelf lachen.</p> + +<p>Daar had hij opgezien tegen Gustav Krøger en mijnheer Hamre en anderen, +die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van +rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren, +en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen."</p> + +<p>Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte. +Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn +lans, en hij weet te treffen.</p> + +<p>Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de +groep Lie—Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk +heet <i>Farlige Folk</i> (Gevaarlijke Menschen) (1881).</p> + +<p>Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die +in 1882, dus slechts één jaar na Kielland, met haar eersten roman +optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke +problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de +gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der +menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden +bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en +daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij <a name='Page_184'></a><i>Constance +Ring</i> (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen, +samen eene familiegeschiedenis uitmakende: <i>Sjur Gabriel</i> (1887), <i>To +Venner</i> (Twee Vrienden) (1887), <i>S.G. Myre</i> (1890), <i>Afkom</i> +(Nakomelingschap) (1898).</p> + +<p>In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog +geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de +aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de +litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans +Jæger opzicht met zijn roman <i>Fra Kristiania Bohemen</i>. Men kan dit boek +rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een +maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er +wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije +liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt, +is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt, +en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij +aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die +dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de +schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat +sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel +mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk <a name='Page_185'></a>maakte van +schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was, +daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver +heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor +hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier +heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met +een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek +daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de +regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij +legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf +veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er +werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele bohême-litteratuur. +Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor +was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben +aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de +zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan één kunstwerk +gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband +ontmoeten. Maar Jæger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot +schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige +schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met +<i>Fra Kristiania Bohemen</i>. Hier is Jæger's <a name='Page_186'></a>roman misschien minder een +voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook +zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het +aankomend individualisme.</p> + +<p>Hans Jæger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een +zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben. +Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook <i>Syk Kjærlighet</i> (Zieke +Liefde) van 1893. Zijn laatste boek <i>Anarkismens Bibel</i> is van 1910. Hij +behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in +de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om +hemelstormers te worden.</p> + +<p>Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven, +ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch +tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste +werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest +ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad +hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden. +Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats +als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de +werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren.</p> + +<p><a name='Page_187'></a>Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jæderen, het +achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk +van zijn roman <i>Fred</i> (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van +het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk +slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest. +Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te +breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken, +maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid +verschaft had, weder tot zich trokken.</p> + +<p>De jonge Garborg heeft het leven op Jæderen leeren voelen op eene +exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader +aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de piëtistische +geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem +bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en +kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat +hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze +zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot +deel van des dichters latere productie.</p> + +<p>Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een +vroege en uitgebreide <a name='Page_188'></a>lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij +schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan +huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij +pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met +vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's +'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen +aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer, +maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf. +Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later +ontving, van zijn pen geleefd.</p> + +<p>Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne +meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een +uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af, +zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende, +welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen +wilde maken.</p> + +<p>De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet +<i>Ein Fritenkjar</i> (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel +toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is +nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van +den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het +religieuze denken, <a name='Page_189'></a>een der dingen, die in die jaren op het programma +der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van +kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te +doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij +ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man +terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend +predikant, die daarop bij zijne groeve—want de man overleeft dit +weerzien niet—eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den +schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een +preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas +twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had +schuldig gemaakt.</p> + +<p>In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda +voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het +gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze +weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef, +was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van +onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en +spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En +ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is +in den zeer ge<a name='Page_190'></a>bruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom +gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te +zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die +hij 13 jaar later in <i>Trætte Mænd</i> tweemaal maakt, waar hij twijfel +oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden. +Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der +andere partij.</p> + +<p>Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg: +<i>Bondestudentar</i> (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste +plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet +meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die +hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de +schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de +Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er +hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij +stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus +naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een +programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en +geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen.</p> + +<p>Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke +ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniël Braut, <a name='Page_191'></a>een +boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere +maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke +mislukking van die poging. Wel brengt Daniël Braut zijne studie ten +einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem +steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen, +door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden, +in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan +karakter in Daniël Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den +strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te +worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal +afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis +van Daniëls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar +zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het +zorgen voor den dag van morgen, immers:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"God geeft den zijnen kleeren en brood,<br /></span> +<span>terwijl zij zachtelijk slapen."<br /></span> +</div></div> + +<p>Daniël begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt, +mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt +een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de +uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, dat +<a name='Page_192'></a>de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de +zijnen". "De zijnen",—dat zijn de burgemeester en de commissaris van +politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij +zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat +wordt het ideaal van Daniël Braut. Daar er dus van den beginne af in +Daniël geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit +blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij +misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij +zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar.</p> + +<p>In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle +rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze +roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit +Kristiania, die ten deele vóór zijn tijd liggen, maar die hij toch met +een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten. +Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die +men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is +dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven +reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek' +bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de +dubbele beteekenis der figuur—als schepping van Garborg en tevens als +den tijdelijken geestelijken helper van <a name='Page_193'></a>zoovele mannen, die in +Noorwegen beteekenis gehad hebben—deelen wij een paar staaltjes uit een +schooluur mee.</p> + +<p>"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen +en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met +de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het +prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij. +'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich +ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?—och ja. +Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen +moesten klaarspelen—de oude zat maar te 'accompagneeren'—dan ging het +mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den +gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep +zich met twee vingers vast in den neus en las <i>amo</i> met een stem en een +gezicht, dat de jongens het uitbrulden."</p> + +<p>Er wordt vertaald.</p> + +<p>"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder +kwamen—er stond: <i>nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta +regna reges defendant</i>—, toen zat hij vast, hij nam <i>tanta</i> bij +<i>regna</i>. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebø! Als +je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student, +en dan een varken, en je <a name='Page_194'></a>vond vlak daarop een mooie zijden parasol op +den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en +zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol +verloren?—Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot +je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij +niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja +zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het +varken, neemt <i>tanta</i> bij <i>regna</i>, omdat <i>regna</i> het naast bij staat. +Maar <i>tanta</i> hoort bij <i>vi; quanta vi, tanta vi</i>, Halvor Mosebø!"—De +jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen' +niet licht.</p> + +<p>Daniël Braut is evenals Tørres Snørtevold in Kielland's <i>Jacob</i> een +boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het +materiëele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen +zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij +behandeld zijn. Tørres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet. +Daniël Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Tørres een +caricatuur, terwijl het lot van Daniël Braut ons tragisch voorkomt. +Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn +natuurlijken kring had gelaten.</p> + +<p>In een paar volgende werken keert Garborg <a name='Page_195'></a>tot de problemenlitteratuur +terug. Maar wat in <i>Bondestudentar</i> gewonnen was, is niet verloren; het +probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost, +maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische +schildering van een reeks levende personen.</p> + +<p><i>Mannfolk</i> (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie +over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat +groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is +gezegd. Bjørnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak +tendentiedrama <i>En Hanske</i> (Een Handschoen), gevolgd door de brochure +<i>Engifte og Mangegifte</i> (Zij, die met één vrouw en die met vele vrouwen +trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer +zij verneemt, dat hij vóór haar eene andere heeft bemind. Bij het +afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle +oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de +schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie +ontstond. Men was vóór of tegen; in het openbaar meest vóór. Toen +verscheen Hans Jæger's hierboven (blz. <a href='#Page_184'>184</a>) besproken boek en werd +geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van +Kristian Krogh <i>Albertine</i>; ook hiervan werden de exemplaren door de +overheid opgehaald.</p> + +<p><a name='Page_196'></a>Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van +Bjørnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke +korte vertelling <i>Ungdom</i> (Jeugd) (1885); dan volgt <i>Mannfolk</i>, waarin +de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen +kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die +het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het +huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische +eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen +bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig +ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjørnsonsche +idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en +levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch +ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere +geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven +dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit.</p> + +<p>Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de +hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de +tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in +het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan +noch van de eene, noch <a name='Page_197'></a>van de andere afzien,—en zoo blijft hem dan +niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man +en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is +hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne +zuchten in poëtische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem +ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er +aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij +van hèm zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen, +dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij +resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn".</p> + +<p>Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel +is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de +verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen, +vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische +toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele +ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de +beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een +teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want +deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniël +Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.</p> + +<p><a name='Page_198'></a>Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het +verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid +het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent +daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere +confiscatiën den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien +maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver. +Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer +opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van <i>Mannfolk</i> +schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.</p> + +<p>Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan +een hut, aan het meer Savalen in het Østerdal, en weldra treedt hij in +het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn +bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te +meer.</p> + +<p>Het verblijf op Kolbotten—zoo heet Garborg's woning in het +Østerdal—heeft hij beschreven in een idyllisch boek, <i>Kolbottenbrev</i> +(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven +van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen +uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie +en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belang<a name='Page_199'></a>rijksten factor +in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in +het voorbijgaan <i>Hjaa ho Mor</i> (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger +van <i>Mannfolk</i>. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven, +maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf +geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat +het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een +pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt, +kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een +verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met +vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt. +Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit +blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch +met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden, +dan toen het voor het eerst het licht zag.</p> + +<p>Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk +<i>Uforsonlige</i> (Onverzoenlijken). Het is geïnspireerd door politieke +gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt. +Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil, +is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een +partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de +'onverzoenlijken' <a name='Page_200'></a>vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat +het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere +consideratiën'. Eén man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De +meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en +slaan dan om.</p> + +<p>Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man +geworden.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_17_17'></a><a href='#FNanchor_17_17'>[17]</a><div class='note'><p> Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van +27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjørnson op vrije voeten laten +gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I, +264).</p></div> + +<a name='Footnote_18_18'></a><a href='#FNanchor_18_18'>[18]</a><div class='note'><p> Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij +later nog eenmaal den redenaar Bjørnson als voorbeeld neemt, ditmaal +voor zijn ideale figuur Dr. Stockman (zie blz. <a href='#Page_135'>135</a>). Dit toont, dat +Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds +levende voorbeelden gebruikte.</p></div> + +<a name='Footnote_19_19'></a><a href='#FNanchor_19_19'>[19]</a><div class='note'><p> De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de +predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor +iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in +zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de +zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.</p></div> + +<a name='Footnote_20_20'></a><a href='#FNanchor_20_20'>[20]</a><div class='note'><p> Van zijn romans is er maar één (<i>Jacob</i>) geschreven na +zijn werkzaamheid als redacteur.</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='HOOFDSTUK_V'></a><h2><a name='Page_201'></a>HOOFDSTUK V.</h2> + +<p>JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN.</p> +<br /> + +<p>Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die +in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad. +Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere +landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls +voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen, +zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de +problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieën +herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor +'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zóó kan het schijnen, wanneer men +uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten +vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de +ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde +lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te +meenen, dat zij den <a name='Page_202'></a>nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als +verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden, +begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890 +debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was, +blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond +treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig.</p> + +<p>Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet +tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat +niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poëzie was slechts in +weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit +het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de +dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van +gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men +kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men +niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de +grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen +waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode +blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen +treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het, +van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn <a name='Page_203'></a>uitgegaan, die +nieuwe bezieling gebracht hebben.</p> + +<p>Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak +tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De +gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd +kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De +tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de +tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand +gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te +putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de +letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch +proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het +sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms +meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium, +dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle +maatschappelijke ontwikkeling.</p> + +<p>Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element; +zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is. +Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering, +stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie +voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel +duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere +naturalisme <a name='Page_204'></a>plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn. +Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en +stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een +zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt, +om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze +schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de +gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men +vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters +van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jæger; wij vinden het +terug bij Gabriël Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die +alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming +als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken; +anderen slaan dit stadium over of maken het door vóór den tijd, waarin +zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme +voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan +zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot +god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te +realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook, +wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het +schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar +de <a name='Page_205'></a>schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan +eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te +deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven +heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang +bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren +resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naïeve +oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost +gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor +ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien.</p> + +<p>Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats +de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in <i>Vildanden</i> (zie blz. <a href='#Page_138'>138</a>) +is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,—een diep +pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft, +want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een +pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die <i>En +Folkefiende</i> kenmerkt; de leer van <i>Vildanden</i> is, dat het niet loont, +voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het +in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets +nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant <a name='Page_206'></a>geworden in +<i>Rosmersholm</i> (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier +nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het +drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu +onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke +overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka +wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij +manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het +leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn; +slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op +Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de +mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven +kost, is bijzaak, of liever—daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is +andere taal dan die, welke Relling in <i>Vildanden</i> voert. Het is de taal +van den man met den paardenhoef in <i>Peer Gynt</i>, die zielen, welke zich +verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere +ingrediënten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt.</p> + +<p>In een gansch andere sfeer verplaatst ons <i>Fruen fra Havet</i> (De Vrouw +van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van +minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een +ideaal, maar <a name='Page_207'></a>ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida +leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar +vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met +ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige +behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik, +wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar +vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk +verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door +overwinning van het egoïsme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt, +en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die +een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het +hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan.</p> + +<p>Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in <i>Lille Eyolf</i> +(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet, +nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid +verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche +verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van +wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven, +door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart +<a name='Page_208'></a>en het opgeven van het egoïsme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid +geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te +worden'.</p> + +<p>Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poëzie. +Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met +het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida +behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts +incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld +worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In +de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en +hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is +zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt +volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is +wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft +toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven, +en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is +een heerschzuchtig egoïst, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook +een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het +leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich +herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den +dienst opzeide, en het is <a name='Page_209'></a>de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij +hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven +inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij +hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriël +Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruïne over anderen +gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht +jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd, +dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij +wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen +komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van +Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van +bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood +heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is, +stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag +stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en +hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn +zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner +ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten.</p> + +<p>Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in +<i>Naar vi døde vaagner</i> (Als wij dooden ontwaken) (1899). In +<a name='Page_210'></a>tegenstelling met John Gabriël wordt Rubek zich den tweespalt in zijn +leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en +mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt +zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm +en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne +geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te +laten behouden, doen—te laat—een poging, om het verzuimde in te halen. +Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een +gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in +een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien +bestijgen, gaan zij samen onder.</p> + +<p>Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk +voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk +aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het +zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele +drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere +schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen +ook hier weer een voorganger geweest is.</p> + +<p>Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep +heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich <a name='Page_211'></a>aan te +ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze. +Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriël Finne in 1899 op +drieëndertig jarigen, Sigbjørn Obstfelder in 1900 op +vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen +leeftijd.</p> + +<p>Van deze drie toont Gabriël Finne het duidelijkst den samenhang met de +vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest<a name='FNanchor_21_21'></a><a href='#Footnote_21_21'><sup>[21]</sup></a>, maar +hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige +richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den +vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de +keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt, +het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon +is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het +disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste +oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de +titel van zijn eersten bundel verhalen, <i>Unge Syndere</i> (Jonge Zondaars), +toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn +standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de +maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet +<a name='Page_212'></a>mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie +om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het +cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij +geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de +wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar +wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd +uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan +schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen +lijden, en zóó is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven +romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele +personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte +ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne +bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood +heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman <i>Rachel</i>, waarin de +nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat +Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm +heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde.</p> + +<p>Finne's belangrijkste werken zijn: <i>Filosofen</i> (1889), <i>Unge +Syndere</i>(1890), <i>Doktor Wangs Børn</i> (1890), <i>To Damer</i> (1891), <i>Uglen</i> +(De Uil) (1893), <i>Konny</i> (een tooneelstuk) (1895), <i>Rachel</i> (1895).</p> + +<p><a name='Page_213'></a>Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist +geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar +hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt.</p> + +<p>Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjørn Obstfelder op de harde +indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van +de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats +het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling +plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond +hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt +niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne +vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de +eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in +hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den +dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de +menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het +dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is +beurtelings pantheïstisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich +soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft; +deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan één vertelling ontmoet deze +'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke +of <a name='Page_214'></a>uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria +onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit; +Obstfelder weet haar zóó te schilderen, dat inderdaad de verworpene +reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige +overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de +onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel +der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem +belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven +gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale +individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig +voorbeeld leeren wij in <i>Korset</i> (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont +zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name +Dostojewski.</p> + +<p>In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar +daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende +ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien. +Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed +geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet +oud geworden is.</p> + +<p>Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat +lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van +zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook <a name='Page_215'></a>in het portret met den +weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan +eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Nærup siert.</p> + +<p>In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling +met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug +tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse—zelfanalyse—daalt +veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht +der periode, die achter hem ligt.</p> + +<p>De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: <i>Digte</i> (1893), <i>To +Novelletter, Korset, De røde Draaber</i> (De roode Droppelen), <i>En Præsts +Dagbog</i>. Van deze heeft <i>Korset</i> het meest de aandacht getrokken.</p> + +<p>Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor +genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen +kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie +boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te +toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot +een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, <i>Blandt +Anarkister</i>, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij +op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van <a name='Page_216'></a>de +drie verhalen, die de beide volgende boeken (<i>Ira</i> en <i>To Noveller</i>) +bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een +zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel +ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (<i>En Ensom</i>); +naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de +psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element +aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar +ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het +licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis. +Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat +hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden.</p> + +<p>Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt, +eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst +behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn +gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn +ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van +dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het +positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te +zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener +oude leer tot een gehoorzaam <a name='Page_217'></a>naprater eener nieuwe leer was geworden; +het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij +gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder +hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de +theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man +was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu +hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte, +de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die +beschreven wordt in <i>Trætte Mænd</i> (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert +de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is +geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te +schrijven, Gabriël Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een +bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op +genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een +ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt +hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood +is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is.</p> + +<p>Maar Garborg is niet Gabriël Gram. Hij laat zich niet door een dominee +op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van +arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij +geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, <a name='Page_218'></a>maar +voor hem zelf is <i>Trætte Mænd</i> een bad, waarin hij afwascht het +negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom +zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officiëele +aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn +oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en +gelijk hij in <i>Trætte Mænd</i> zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers +onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de +Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van +redenen.</p> + +<p>Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's +gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op, +van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte, +omdat hij geen vrede had met God. <i>Nu</i> begrijpt hij hem; nu kan hij met +liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij +zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na <i>Trætte Mænd</i>, verscheen +<i>Fred</i> (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm +van een roman wordt verteld. <i>Fred</i> is een overweldigend boek. Nergens +bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier. +Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het +primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking <a name='Page_219'></a>te +geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter +gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de +razernij van den godsdienstwaanzin.</p> + +<p>Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd, +dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom +komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,—maar telkens komt de +duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving +hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige +gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te +krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God +blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking +het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt; +dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot +rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor; +de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo +groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren +luisteren,—en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis, +wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil +doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in +den geest, en,—twijfelt men, dan <a name='Page_220'></a>moet men slechts dat doen, wat het +vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs +en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen +ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen +loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te +verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden. +Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord.</p> + +<p>Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en +dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo +moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn. +Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de +oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om +aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De +schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts +deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de +vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,—niet aan Gods +woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij +heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och, +kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat +het <a name='Page_221'></a>niet erger kon worden!—De aanvallen van angst en twijfel nemen +toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich +verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als +Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en +nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds +thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,—en toch niet alleen, want +ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo +wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten +te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij +ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele +hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de +troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk +in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij +hem; één onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong, +en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek +over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht +en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...."</p> + +<p>Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit +resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij. +<a name='Page_222'></a>dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd +wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in +onzekerheid. Indien er één ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is +het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het +Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het +Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van +Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jæderen de macht gekregen +had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel, +maar gaf hun geen levend geloof.</p> + +<p>Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in +tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op <i>Fred</i> volgen. Twee +daarvan sluiten onmiddellijk bij <i>Fred</i> aan. Zij verhalen de +geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar +en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien +hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk +gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf.</p> + +<p><i>Læraren</i> (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit +drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In +beide staat één man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders +zedelijk en verstandelijk, <a name='Page_223'></a>maar wordt uitgestooten, omdat hij de +waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid +van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal, +dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld +worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een +ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin, +bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave +behoort tot de 'gewekten', de piëtisten, die bidstonden houden, die +klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaäns is. Hij is zelfs hun +voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op +een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de +quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens +gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen +van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den +armen." Die preek is zóó frisch en zóó geestig, dat het moeite kost, er +niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot.</p> + +<p>"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als +wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen +hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!—En noemen dan die +leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon +<a name='Page_224'></a>gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons.</p> + +<p>"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek +daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal +en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen +komen, moeten met macht naar binnen dringen,—met heel hun heetsten wil. +Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom +noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch +stelt, geeft ook de kracht."</p> + +<p>Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de +schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat +schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert +haar naar buiten. Zij is van zich zelf."—Daarmee valt het gordijn van +dit bedrijf.</p> + +<p>Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende +gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun +volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave +leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders +gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat +wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend +met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die +vrienden van zonde en berouw, <a name='Page_225'></a>die hem een huichelaar noemen, en nu +blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden. +De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de +schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt +verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar +man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen, +ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het +gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch +goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te +treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt.</p> + +<p>Een tweede stuk als <i>Læraren</i> is zeker vroeger noch later ten tooneele +gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een +Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in +voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling. +Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest +persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in +die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin +hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een +spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge +gedachten houden het ver boven het <a name='Page_226'></a>niveau ook der goede +tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen +uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin <i>Læraren</i> speelt, is +den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En +wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de +comische scènes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch +geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is.</p> + +<p>Het andere werk, dat direct bij <i>Fred</i> aansluit, is een boekje vol +poëzie en vol wijsheid. <i>Den burtkomne Faderen</i> (De verloren Vader). Het +is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de +wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies +verloren te hebben, oud vóór den tijd, aan zich zelf en aan de +menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om +eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in +hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint +in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij +heeft vrede gevonden met het leven—en met den dood.</p> + +<p>Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische +oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van +bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zacht<a name='Page_227'></a>heid. Gunnar houdt zich +gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar +niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en +zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden." +Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem +iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En +hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu +in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel +vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid. +En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij."</p> + +<p>Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te +begrijpen.</p> + +<p>Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren +vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen.</p> + +<p>Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee +dichtwerken, <i>Haugtussa</i>, en de voortzetting daarvan <i>I Helheim</i>. +Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een +visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels +ophoudt; de dichter noemt haar Veslemøy, 'het stakkertje'. Het gedicht +vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar +in den <a name='Page_228'></a>steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen +heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte +en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze +vrouw, die als <i>volva</i> (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar +dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven.</p> + +<p>In <i>I Helheim</i> (In de Hel) gaat daarop Veslemøy in haar koortsigen droom +met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar +diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht +heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur, +maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn +behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een +psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad, +dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten. +Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen +einde komt:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Een oogenblik in dit vuur<br /></span> +<span>is eeuwigheid zonder einde."<br /></span> +</div></div> + +<p>Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap +terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat +van zijne kindsheid. Het is losgemaakt <a name='Page_229'></a>van leerstelligheid; de nadruk +wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid.</p> + +<p>Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die +een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog +directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven; +zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als +stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij +zóó hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook +in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld +<i>Jesus Messias</i> (1906), <i>Den burtkomne Messias</i> (1907), <i>Heimkomin Son</i> +(1908).</p> + +<p>Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap +geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan +den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort:</p> + +<p>"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen +katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen +protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en +wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het +volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige +troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed +hebben, maar de rijke man zal branden, heeter <a name='Page_230'></a>dan heet, van eeuwigheid +tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden—.</p> + +<p>"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat +macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen, +liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo +ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?"</p> + +<p>Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een +zedelijk opvoeder van zijn volk geweest.</p> + +<p>In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die +in dezelfde periode optreden.</p> + +<p>Rasmus Løland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk +zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een +groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud, +handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en +vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het +allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn +kinderverhalen <i>Det store Nashorne</i> (De groote Neushoorn) en +<i>Kvitabjörnen</i> (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg +aan het begin van den na Løland's dood verschenen bundel <i>Paa +Skuggesida</i> (Aan den Schaduwkant).</p> + +<p>Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen <a name='Page_231'></a>(geb. 1857), Per Sivle (± +1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen.</p> + +<p>Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende +en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich +door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een +afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer +hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In +het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, <i>Menneskets Genesis</i>, +is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn +strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig +leeft het geslacht van Kaïn nog.</p> + +<p>Heiberg's eerste tooneelstuk <i>Tante Ulrikke</i> (1884) houdt zich bezig met +den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos; +hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept +den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig +karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich +slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, <i>Kong Midas</i> (1890), heeft +Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later +zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een +waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten +schijnen, bijna een <a name='Page_232'></a>groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft +verwantschap met <i>Vildanden</i>, maar niet alleen het type, ook het stuk is +gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering +en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan +Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering. +Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van +eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der +achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach +van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook +het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog +en houdt de belangstelling gaande. Op <i>Kong Midas</i> volgden een aantal +andere werken, waarvan wij noemen <i>Kunstnerne</i> (1893), waarin de +tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, <i>Det store +Lod</i> (1895), <i>Harald Svans Mor</i> (1899). Een gansch ander karakter dragen +een paar tragische stukken, <i>Balkonen</i> (1894) en <i>Kærlighedens Tragedie</i> +(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles +verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van +de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan +de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem +wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich +van den mensch <a name='Page_233'></a>meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering +is knap, de lezer huivert,—maar hij wenscht van zulk een liefde +verschoond te blijven.</p> + +<p>Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar +wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand +meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige +geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een +stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te +overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot +klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat +hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch, +indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in +pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem +daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van +nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem +behoed hebben,—een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden +trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een +druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt +zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op +elkaar te zetten en <a name='Page_234'></a>te vroolijker te worden, naarmate hij het +moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand +moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet +zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen.</p> + +<p>De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij +nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In <i>Sult</i> is het +honger, in <i>Pan</i> is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de +heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In <i>Mysterier</i> +hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van +waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld, +die van den heer Nagel—zoo heet de man—niet weten wil, nauwelijks +ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van +Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een +zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als +een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele +maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand +bestond reeds in <i>Fra det moderne Amerikas Aandsliv</i>, een persifflage, +naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet +objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij, +zoo is in <i>Sult</i> het 'ik' aanwezig. <i>Mysterier</i> is de eerste poging, <a name='Page_235'></a>om +die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar +voortreffelijke maatschappelijke romans, <i>Redaktør Lynge</i>, waarin de +verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers +behandeld wordt, en <i>Ny Jord</i>, die een troep ijdele kunstenaars, +voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige +kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Bohême-leven, +van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus, +onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een +achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een +niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt +hij weer in <i>Pan</i>, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken +<i>Ved Rigets Port, Livets Spil</i> en <i>Aftenrøde</i> en in het wonderlijke +gedicht in dramatischen vorm <i>Munken Vendt</i> (1902). In latere werken +komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar +zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist +Bardsen in <i>Børn af Tiden</i> en in <i>Segelfoss By</i>, een aristocratisch +voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en +onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang, +waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type, +dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar +toch reeds van <a name='Page_236'></a>den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver +steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een +litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (<i>Under +Høststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glæde</i>) een +nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze +schrijft nu, gelijk in <i>Sult</i>, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu +kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid +is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een +ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu +aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat +een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager +te spreken, niet <i>alles</i> van het leven te wachten, maar het toch met +dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'.</p> + +<p>In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters +subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de +wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen +beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn +belangstelling niet onthoudt. Zóó is de wereld, vindt hij, en zóó is het +leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de +zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen. +Drie van deze <a name='Page_237'></a>boeken, <i>Børn af Tiden, Segelfoss By, Markens Grøde</i>, +behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver +nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt +hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten +gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die +weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen. +In de plebeïsche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer +van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In <i>Markens Grøde</i> +echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder +geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land +bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en +aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door +toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die +mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en +weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt +is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle +vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel +<i>Konerne ved Vandposten</i>.</p> + +<p>Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige +andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar +interessante bundels novellen (in één van <a name='Page_238'></a>deze het uitgelaten vroolijke +stuk <i>Dronningen af Saba</i>). En dan het meesterwerk <i>Livet i Vold</i>, +uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering.</p> + +<p>Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers +van dit tijdvak,—hij is in 1853 geboren,—maar hij is betrekkelijk laat +begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na +1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen +gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met +oppositie tegen sommige theorieën uit het vorige tijdvak, en wel vooral +tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die +dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het +verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk <i>Uten +Ansvar</i> (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht, +maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den +dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren.</p> + +<p>Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle. +Zijn locaal is het Østerdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert +1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in +kleine bundels: <i>Skisser, Fra Skog og Fjeld</i>, e.a. Deze zijn verzameld +onder den titel <i>Folkelivsbilleder</i> (1904). <a name='Page_239'></a>Jongere verzamelingen zijn +<i>Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier</i>. Tot hetzelfde type +behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans: +<i>Fonnaasfolket</i> (1902), <i>Glomdalsbruden, Østerdalskongen</i> (een breede +uitwerking van een der Folkelivsbilleder), <i>Jutulskaret, Knut Veum</i> +(1910, het laatste).</p> + +<p>Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur +van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is +dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde +leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand +komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen +behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op +polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer, +zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van +het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij, +waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is, +een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in +die vertelling uit het Østerdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat +het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en +maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die +in tamelijk behoeftige omstandig<a name='Page_240'></a>heden leeft. De man is begaafd en heeft +aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende +zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar +hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan +oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een +carrière-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is +niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt +Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom +toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is +zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden, +wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring +blijft, behoeft dat niet gezegd te worden.</p> + +<p>Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre +en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek; +hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling +van Bjørnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te +zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd.</p> + +<p>Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn +belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte <a name='Page_241'></a>vertellingen. +Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van +De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van +gelijken aard: <i>Sidsel Sidserk</i>, <i>Sølve Solfeng</i>, en een paar jongere +bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, <i>Storken, +Høit Tilhest</i> en <i>Hanen</i>, die door hun comische kracht aan Holberg +herinneren.</p> + +<p>Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode +begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren, +Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb. +1865).</p> + +<p>Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een +lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het +diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak. +Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich +openbarende in meer dan ééne generatie. Zijne opvatting der levensvragen +draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken +zijner eerste periode zijn: <i>Jon Græff</i> 1891, <i>Ensomme Mennesker</i> 1892, +<i>Mulm</i> 1893, <i>Kobberslangen</i> 1894, <i>Ada Wilde</i> 1896, <i>Ulf Ran</i> 1897, +<i>Enken</i> 1899.</p> + +<p>Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door <a name='Page_242'></a>vertellingen uit het +volksleven, <i>Folkelivsskildringer</i>, waarvan de eerste bundel in 1894 +uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: <i>Almue</i> 1891, <i>En +Skibsgut</i> 1892, <i>Straf</i> 1893, <i>Gammelholm</i> 1899, alsmede comedies: +<i>Stridsmænd</i> 1896, <i>Jakob og Kristoffer</i> 1900. Ook daarna heeft hij +ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is +van 1921 en draagt den titel <i>Inde i Fjordene</i>.</p> + +<p>Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite +heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een +origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen, +veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen, +waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan +worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat. +Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties, +zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch +niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet +onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de +dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan +zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische +juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite +doet, ze door <a name='Page_243'></a>te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver +heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te +vernieuwen. In de jaren 1892—1900 gaf hij uit: <i>Huldren</i> 1892, <i>Ungt +Folk</i> 1893, <i>Flaggermusvinger</i> 1895, <i>Sus</i> 1896, <i>Fra Hav til Hei</i> 1897, +<i>Hugormen</i> 1898, <i>Trækfugle</i> 1899. Van zijn latere werken is misschien +het belangrijkste <i>Den sidste Gæst</i> 1910.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_21_21'></a><a href='#FNanchor_21_21'>[21]</a><div class='note'><p> Aan Kielland heeft hij ook zijn roman <i>To Damer</i> +opgedragen.</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='LYRISCHE_DICHTERS'></a><h2>LYRISCHE DICHTERS.</h2> +<br /> + +<p>In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de +litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al +wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De +romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien +tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts +aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de +groote verskunstenaar, gaat na <i>Peer Gynt</i> geheel tot het proza over; de +romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste +lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en +daarmee zinkt de lyrische poëzie in een winterslaap, die met weinig +onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren +enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder +vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte +onderbreking <a name='Page_244'></a>door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en +Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit <i>Med Lyre og Lanse</i> +(Met Lier en Lans), in 1880 <i>Vaarbrud</i> (Lentedoorbraak), de tweede in +1880 <i>Polemiske Sonetter</i>. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk +politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop +zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de +stemmingspoëzie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: <i>Digte af Per Gynt</i>, in +1897 <i>Norsk Høifjeld</i>, in 1901 <i>Vintereventyr</i>.</p> + +<p>Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864), +Caspari op dit gebied vóór geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887, +nieuwe bundels volgden in 1894 <i>Fra Vaar til Høst</i>, 1896 <i>Musik og +Vaar</i>, 1900 <i>Det dyre Brød</i>, 1904 <i>Fra Kristiana</i>. Uit deze verzen sprak +een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te +gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden.</p> + +<p>Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag, +een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf, +getiteld <i>Digte</i> en <i>Nat</i>, waarin deels, onder den invloed van Deensche +dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel +Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op +het drama en den roman toegelegd.</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='UITGAVEN_EN_LITTERATUUR'></a><h2><a name='Page_245'></a>UITGAVEN EN LITTERATUUR<a name='FNanchor_22_22'></a><a href='#Footnote_22_22'><sup>[22]</sup></a>.</h2> +<br /> + +<p>ALGEMEENE WERKEN.</p> + +<p>Henrik Jæger, <i>Illustreret norsk Literaturhistorie</i>, 3 dln. Kristiania +1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl Nærup, +<i>Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904</i>, Kristiania +1905.—Gehrard Gran, <i>Nordmænd i det 19<sup>de</sup> Aarhundrede</i>, 3 dln. +Kristiania 1914. Houdt biographieën in van vooraanstaande mannen op +ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als +<i>Nordm. 19. A.</i>)—<i>Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug.</i> +1915.—J.B. Halvorsen, <i>Norsk Forfatter-Lexicon.</i>—Edv. Bull, A. +Krogvig, G. Gran, <i>Norsk biografisk Leksikon.</i> Verschijnt sedert 1921.</p> + +<p>HOOFDSTUK I.</p> + +<p><span class='spaced'>Henrik Wergeland</span>. Wergeland, <i>Udvalgte Skrifter</i>. Kristiania en +Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl Nærup. In +deel VII eene autobiographie, getiteld <i>Hasselnødder</i>.—O Skavlan, +<i>Henrik Wergeland</i>, Kristiania 1892.—G. Gran, <i>Henrik Wergeland</i> in +<i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p> + +<p><span class='spaced'>Johan Sebastian Welhaven</span>. Welhaven, <i>Samlede Digterværker</i>, 3<sup>e</sup> +uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.—<i>Digte i Udvalg</i>, 1919.—A. +Löchen, <i>J.S. Welhavens liv og skrifter</i>, Kria 1900.—G. Gran, <i>Joh. S. +Welhaven</i> in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p> + +<p><a name='Page_246'></a>HOOFDSTUK II.</p> + +<p><span class='spaced'>Asbjørnsen en Moe</span>. De verzamelingen zijn talrijke malen +uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken +titel <i>Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr</i> (deel I: +<i>Huldreeventyr og Folkesagn</i>, deel II: <i>Folkeeventyr</i>). Hiervan bestaat +eene volksuitgave en eene geïllustreerde. Aanbeveling verdienen ook de +kleinere geïllustreerde bundels: <i>Norske Folke- og Huldre-eventyr i +Udvalg</i>; <i>Udvalgte Folkeeventyr</i>; <i>Eventyrbok for Børn</i>.—Moltke Moe, +<i>Det nationale gjennembrud og dets mænd (Asbjørnsen, Moe, Aasen)</i> in +<i>Nordm. 19. A.</i> dl. 2 (zeer leerzaam).</p> + +<p><span class='spaced'>Jørgen Moe</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Jubilæumsudgave.</p> + +<p><span class='spaced'>Folkeviser</span>. M.B. Landstad, <i>Norske Folkeviser</i>, Christiania 1853, +is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, <i>Gamle norske Folkeviser</i>, +Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der <i>Norske Folkeviser</i>, door Knut +Liestøl en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen.</p> + +<p><span class='spaced'>J.S. Welhaven</span>. Zie bij Hoofdstuk I.</p> + +<p><span class='spaced'>Bjørnstjerne Bjørnson</span>. Bjørnson, <i>Samlede Digterverker, +Standardudgave</i>, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn +afzonderlijk verkrijgbaar.—P.A. Rosenberg, <i>Bjørnstjerne Bjørnson</i>, +1915.—G. Gran in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 3.—G. Brandes in <i>Det moderne +Gjennembruds Mænd</i>, 2. uitg. 1891—R.C. Boer, <i>Bjørnstjerne Bjørnson</i> in +<i>De Gids</i> (Nov. 1899). dez., <i>Laboremus</i> in <i>De Gids</i> (Aug. 1901).</p> + +<p><span class='spaced'>Henrik Ibsen</span>. Ibsen, <i>Samlede Digterværker. Standardudgave</i>, 7 +dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk +verkrijgbaar.—<i>Ibsens Episke Brand</i>, udg. af Karl Larsen 1907.—<i>Ibsens +Efterladte Skrifter</i>, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de +studie van den dichter.)—<i>Breve fra Henrik Ibsen</i>, 2 dln. +1904.—<a name='Page_247'></a>Henrik Jæger, <i>Henrik Ibsen, Et literært Livsbillede.</i>—G. +Brandes, <i>Henrik Ibsen</i> 1898.—Albert Dresdner, <i>Ibsen als Norweger und +Europäer</i>.—John Paulsen. <i>Samliv med Ibsen</i>, 1906. <i>Ny Samling</i> +1913.—Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding +der reeds genoemde <i>Efterladte Skrifter</i>.—R.C. Boer, <i>Peer Gynt</i> (<i>De +Gids</i> van Oct. 1893). dez., <i>Kleine Eyolf</i> (<i>De Gids</i> van Febr. 1895). +dez., <i>Reisherinneringen uit Noorwegen</i> (<i>De Gids</i>, Dec. 1908 en vv.; +o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., <i>Ibsen's Epische +Brand</i> (<i>Onze Eeuw</i>, 1909), dez., <i>Ibsen's Nagelaten Werken</i> (<i>Onze +Eeuw</i> 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (<i>Neophilologus</i> 1919). Jacqueline +E. van der Waals, <i>Brand en de brieven van Ibsen</i> (<i>Onze Eeuw</i>, Mei +1919).—Een uitvoerig commentaar op <i>Peer Gynt</i> schreef H. Logeman (Den +Haag 1917).</p> + +<p>HOOFDSTUK III.</p> + +<p><span class='spaced'>Ivar Aasen</span>, <i>Skrifter i Samling</i>, 3 dln. Kria en Khvn.—Moltke +Moe, <i>Det nationale gjennembrud og dets mænd</i> (zie bij Hoofdstuk II).</p> + +<p><span class='spaced'>Aasmund O. Vinje</span>. A.O. Vinje, <i>Skrifter i Utval</i>, utgjevne af Det +norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).—<i>Dikt og prosaskrifter i +utval</i> ved Halvdan Koht Kria, 1903.—<i>Ferdaminni</i> en <i>Storegut</i> zijn +herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske +Samlaget.—Vetle Vislie, <i>Aasmund Vinje</i>, Bergen 1890.—Een kort werkje +van denzelfde in de <i>Norske Folkeskrifter</i> udgj. av Norigs Ungdomslag og +Studentmaallaget n<sup>o</sup>. 28.—Halvdan Koht, <i>A.O. Vinje</i> in <i>Nordm. 19. A.</i> +dl. 3.</p> + +<p><span class='spaced'>Landsmaal</span>. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het +landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven +tijdschrift <i>Syn og Segn</i>.</p> + +<p><a name='Page_248'></a>HOOFDSTUK IV.</p> + +<p><span class='spaced'>Camilla Collett</span>, <i>Samlede Verker Mindeudgave</i>, 3 dln. Enkele +boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.—Alf Collett, <i>Camilla Colletts +Livs Historie</i>. 1911.—Lilly Heber, <i>Camilla Collett</i>, 1913.—Mathilde +Schjøtt in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p> + +<p><span class='spaced'>Ibsen en Bjørnson.</span>. Zie bij Hoofdstuk II.</p> + +<p><span class='spaced'>Jonas Lie</span>. J. Lie, <i>Samlede Digterverker, Standardudgave</i>, 10 +dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk +verkrijgbaar.—Arne Garborg, <i>Jonas Lie, En Udviklingshistorie</i>, Kria +1893.—Erik Lie, <i>Jonas Lies Oplevelser</i>, Kria en Khvn 1908.</p> + +<p><span class='spaced'>Alexander L. Kielland</span>. A.L. Kielland, <i>Samlede Digterverker. +Standardudgave</i>, 5 dln. Kria en Khvn 1920. <i>Breve</i>, met inleiding van G. +Gran, 1907.—Brandes, <i>Essays, Fremmede Personligheder</i>, Khvn 1889, p. +17.—R.C. Boer, <i>Alexander L. Kielland</i> (<i>De Gids</i>, Mei 1897).</p> + +<p><span class='spaced'>Kristian Elster</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Kria 1904.—<i>Brandes, +Essays, Fremmede Personligheder</i>, p. 1,—A.L. Kielland in de uitgave van +Elsters <i>Solskyer</i>.</p> + +<p><span class='spaced'>Amalie Skram</span>. Hare romans zijn afzonderlijk +verkrijgbaar.—<i>Samlede Skrifter</i>, uitverkocht.</p> + +<p><span class='spaced'>Arne Garborg</span>. Arne Garborg, <i>Skrifter i samling. +Jubilaeumsutgaave</i>, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.—Erik +Lie, <i>Arne Garborg, En Livsskildring</i>, Kria 1914.—Zie ook de +Garborg-aflevering van <i>Syn og Segn</i> (Januari-Februari 1921).—R.C. +Boer, <i>Reisherinneringen uit Noorwegen</i> (<i>De Gids</i>, Dec. 1908 en vv.).</p> + +<p>HOOFDSTUK V.</p> + +<p><span class='spaced'>Gabriel Finne</span>. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.—R.C. +Boer. <i>Gabriel Finne</i>, (<i>De Gids</i>, Juli 1898).</p> + +<p><a name='Page_249'></a><span class='spaced'>Sigbjørn Obstfelder</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Kria en Khvn +1917. De werken ook afzonderlijk.</p> + +<p><span class='spaced'>Arne Garborg</span>. Zie bij Hoofdstuk IV.</p> + +<p><span class='spaced'>Rasmus Løland</span>. Een biographische schets door Arne Garborg is +hierboven bladz. 225 genoemd.—R.C. Boer, <i>Reisherinneringen</i> (zie +vorige pag.).</p> + +<p><span class='spaced'>Gunnar Heiberg</span>. <i>Samlede dramatische Verker</i>, 4 dln. Kria +1917-1918.</p> + +<p><span class='spaced'>Knut Hamsun</span>. <i>Samlede Verker</i>, 12 dln. Ook afzonderlijk.—John +Landquist, <i>Knut Hamsun, En studie över en nordisk romantisk +diktare</i>.—R.C. Boer. <i>Knut Hamsun</i> (<i>De Gids</i> November 1896), dez., +<i>Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur</i> (<i>De Gids</i>, Maart en April +1912), dez., <i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pag.).</p> + +<p><span class='spaced'>Jacob B. Bull</span>. <i>Folkelivsbilleder</i>, 4 dln., 3<sup>e</sup> uitg. 1919. +<i>Folkelivsromaner</i>, 3 dln., 2<sup>e</sup> uitg. 1918—<i>Nutidsromaner</i>, 3 dln. +1918.—<i>Historiske romaner</i>. 4 dln.—De meeste werken ook +afzonderlijk.—R.C. Boer, <i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pag.).</p> + +<p><span class='spaced'>Hans Aanrud</span>, <i>Fortællinger</i>, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der +uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.—R.C. Boer, +<i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pagina).</p> + +<p><span class='spaced'>Thomas Krag</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 9 dln. De werken ook +afzonderlijk.</p> + +<p><span class='spaced'>Hans E. Kinck</span>. Over zijn drama <i>Den sidste Gæst</i> zie R.C. Boer, +<i>Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur</i> (<i>De Gids</i>, Maart en April +1912).</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_22_22'></a><a href='#FNanchor_22_22'>[22]</a><div class='note'><p> Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer +beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='REGISTER_VAN_AUTEURS'></a><h2><a name='Page_250'></a>REGISTER VAN AUTEURS.</h2> + +Aanrud, H., <a href='#Page_240'>240</a>-<a href='#Page_241'>241</a><br /> +Aasen, I., <a href='#Page_101'>101</a>-<a href='#Page_103'>103</a><br /> +Arnim, <a href='#Page_30'>30</a><br /> +Asbjørnsen, P. Chr., <a href='#Page_30'>30</a>-<a href='#Page_35'>35</a>, <a href='#Page_40'>40</a>-<a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_45'>45</a>, <a href='#Page_48'>48</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_99'>99</a>, <a href='#Page_126'>126</a><br /> +Auerbach, B., <a href='#Page_44'>44</a><br /> +Bjerregaard, H.A., <a href='#Page_52'>52</a><br /> +Bjørnson, B., <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_44'>44</a>-<a href='#Page_46'>46</a>, <a href='#Page_52'>52</a>, <a href='#Page_68'>68</a>-<a href='#Page_79'>79</a>, <a href='#Page_86'>86</a>, <a href='#Page_87'>87</a>, <a href='#Page_91'>91</a>, <a href='#Page_110'>110</a>, <a href='#Page_111'>111</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_126'>126</a>, <a href='#Page_128'>128</a>, <a href='#Page_129'>129</a>, <a href='#Page_135'>135</a>, <a href='#Page_139'>139</a>-<a href='#Page_143'>143</a>, <a href='#Page_155'>155</a>, <a href='#Page_195'>195</a>, <a href='#Page_196'>196</a><br /> +Brandes, G., <a href='#Page_67'>67</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_189'>189</a><br /> +Brentano, <a href='#Page_30'>30</a><br /> +Bugge, S, <a href='#Page_35'>35</a><br /> +Bull, J.B., <a href='#Page_238'>238</a>-<a href='#Page_240'>240</a><br /> +Caspari, C.P.F., <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Collett, C., <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_124'>124</a>-<a href='#Page_126'>126</a><br /> +Dostojewski, <a href='#Page_214'>214</a><br /> +Drachmann, H., <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Dybfest, A., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_215'>215</a>-<a href='#Page_216'>216</a><br /> +Egge, P., <a href='#Page_241'>241</a>-<a href='#Page_242'>242</a><br /> +Elster, Kr., <a href='#Page_183'>183</a><br /> +Faye, A., <a href='#Page_31'>31</a>, <a href='#Page_48'>48</a><br /> +Finne, G., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_211'>211</a>-<a href='#Page_213'>213</a><br /> +Fjørtoft, O.J., <a href='#Page_104'>104</a><br /> +Garborg, A., <a href='#Page_104'>104</a>, <a href='#Page_186'>186</a>-<a href='#Page_200'>200</a>, <a href='#Page_216'>216</a>-<a href='#Page_230'>230</a><br /> +Goldschmidt, M., <a href='#Page_112'>112</a><br /> +Grimm, J. en W., <a href='#Page_30'>30</a><br /> +Gran, G., <a href='#Page_17'>17</a><br /> +Hamsun, K., <a href='#Page_233'>233</a>-<a href='#Page_238'>238</a><br /> +Hansen, M., <a href='#Page_14'>14</a><br /> +Heiberg, G., <a href='#Page_231'>231</a>-<a href='#Page_233'>233</a><br /> +Heiberg, J.L., <a href='#Page_21'>21</a><br /> +Heiberg, P.A., <a href='#Page_21'>21</a><br /> +Heine, H., <a href='#Page_110'>110</a>, <a href='#Page_115'>115</a><br /> +Herre, B., <a href='#Page_43'>43</a><br /> +Hertz, H., <a href='#Page_49'>49</a><br /> +Hielm, J.A., <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_98'>98</a><br /> +Holberg, L., <a href='#Page_11'>11</a>, <a href='#Page_232'>232</a>, <a href='#Page_241'>241</a><br /> +Ibsen, H., <a href='#Page_22'>22</a>, <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_37'>37</a>, <a href='#Page_38'>38</a>, <a href='#Page_46'>46</a>-<a href='#Page_51'>51</a>, <a href='#Page_54'>54</a>-<a href='#Page_69'>69</a>, <a href='#Page_80'>80</a>-<a href='#Page_96'>96</a>, <a href='#Page_112'>112</a>, <a href='#Page_114'>114</a>, <a href='#Page_121'>121</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_126'>126</a>-<a href='#Page_139'>139</a>, <a href='#Page_205'>205</a>-<a href='#Page_210'>210</a>, <a href='#Page_243'>243</a><br /> +Jacobsen, J.P., <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Jæger, Hans, <a href='#Page_184'>184</a>-<a href='#Page_186'>186</a>, <a href='#Page_195'>195</a>, <a href='#Page_204'>204</a><br /> +Jæger, Henrik, <a href='#Page_28'>28</a>, <a href='#Page_67'>67</a><br /> +Kielland, Al. L., <a href='#Page_155'>155</a>, <a href='#Page_168'>168</a>-<a href='#Page_183'>183</a>, <a href='#Page_203'>203</a><br /> +Kinck, H.E., <a href='#Page_242'>242</a>-<a href='#Page_243'>243</a><br /> +Knudsen, K., <a href='#Page_99'>99</a><br /> +Krag, Th., <a href='#Page_241'>241</a><br /> +Krag, V., <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Krogh, Kr., <a href='#Page_195'>195</a><br /> +Landstad, M.B., <a href='#Page_30'>30</a>, <a href='#Page_35'>35</a>-<a href='#Page_36'>36</a>, <a href='#Page_46'>46</a><br /> +Lie, J., <a href='#Page_44'>44</a>, <a href='#Page_143'>143</a>-<a href='#Page_168'>168</a>, <a href='#Page_243'>243</a><br /><a name='Page_251'></a> +Løland, R., <a href='#Page_230'>230</a><br /> +Mill, Stuart, <a href='#Page_121'>121</a><br /> +Moe, J., <a href='#Page_30'>30</a>-<a href='#Page_35'>35</a>, <a href='#Page_42'>42</a>, <a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_45'>45</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_99'>99</a><br /> +Moe, M., <a href='#Page_32'>32</a><br /> +Munch, A., <a href='#Page_52'>52</a>-<a href='#Page_54'>54</a><br /> +Munch, J. Storm, <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_28'>28</a><br /> +Munch, P.A., <a href='#Page_103'>103</a><br /> +Novalis, <a href='#Page_28'>28</a><br /> +Nærup, C., <a href='#Page_215'>215</a><br /> +Obstfelder, S., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_213'>213</a>, <a href='#Page_215'>215</a><br /> +Randers, Kr., <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Runeberg, J.L., <a href='#Page_115'>115</a><br /> +Sagen, Lyder, <a href='#Page_14'>14</a><br /> +Sars, E., <a href='#Page_54'>54</a><br /> +Schjøtt, M., <a href='#Page_82'>82</a><br /> +Schiller, Fr. von., <a href='#Page_14'>14</a><br /> +Schultze, H., <a href='#Page_44'>44</a><br /> +Schwach, C.N., <a href='#Page_14'>14</a><br /> +Seip, D.A., <a href='#Page_11'>11</a><br /> +Sivle, P., <a href='#Page_230'>230</a><br /> +Skavlan, O., <a href='#Page_50'>50</a><br /> +Skram, A., <a href='#Page_183'>183</a>-<a href='#Page_184'>184</a><br /> +Snorri Sturlason, <a href='#Page_55'>55</a><br /> +Spencer, H., <a href='#Page_121'>121</a><br /> +Tvedt, J., <a href='#Page_230'>230</a><br /> +Vinje, A., <a href='#Page_46'>46</a>, <a href='#Page_103'>103</a>, <a href='#Page_105'>105</a>-<a href='#Page_120'>120</a>, <a href='#Page_126'>126</a>, <a href='#Page_129'>129</a><br /> +Vislie, V., <a href='#Page_129'>129</a><br /> +Vogt, N. Collett, <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Welhaven, J.S.C., <a href='#Page_6'>6</a>, <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_15'>15</a>, <a href='#Page_20'>20</a>-<a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_36'>36</a>-<a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_79'>79</a>, <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_85'>85</a>, <a href='#Page_90'>90</a>, <a href='#Page_124'>124</a><br /> +Wergeland, H., <a href='#Page_6'>6</a>, <a href='#Page_14'>14</a>-<a href='#Page_21'>21</a>, <a href='#Page_25'>25</a>, <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_32'>32</a>, <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_85'>85</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_124'>124</a><br /> +Øhlenschläger, A.G., <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_30'>30</a>, <a href='#Page_51'>51</a><br /> +Østgaard, N., <a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_44'>44</a>, <a href='#Page_126'>126</a><br /> + +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 13591 ***</div> +</body> +</html> + + diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..cc45ebc --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #13591 (https://www.gutenberg.org/ebooks/13591) diff --git a/old/13591-8.txt b/old/13591-8.txt new file mode 100644 index 0000000..1629eed --- /dev/null +++ b/old/13591-8.txt @@ -0,0 +1,5812 @@ +The Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de Negentiende +Eeuw, by R.C. Boer + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw + +Author: R.C. Boer + +Release Date: October 4, 2004 [EBook #13591] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE *** + + + + +Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + + + + +[Transciber's Note: + +The printed errata have been resolved in the main text and removed. + +Inconsistensies in spelling, hyphenation and accents have been +preserved, except for proper names. Those have been normalized to +correct spelling with the help of a native Norwegian speaker.] + +VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK + +onder redactie van de Vereeniging "V.U.B." + +Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, _Voorzitter_; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM, +Amsterdam, _Ondervoorzitter_; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM; +Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J. +BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY; +Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS; +Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR. +J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, _Secretaris_. + +20 + +HAARLEM + +DE ERVEN F. BOHN + +1922 + + +NOORWEGENS LETTERKUNDE +IN DE NEGENTIENDE EEUW + +DOOR + +DR. R.C. BOER +Hoogleeraar te Amsterdam + +HAARLEM +DE ERVEN F. BOHN +1922 + + + + +INHOUD. + +Voorbericht + +Hoofdstuk I. Het ontwaken der nationale letterkunde + + II. Romantiek + + III. De taalbeweging en de oudste schrijvers + in landsmaal + + IV. Het realisme + + V. Jongere richtingen en persoonlijkheden + +Uitgaven en litteratuur + +Register van auteurs + + + + + + +VOORBERICHT. + + +Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19e eeuw begint +met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is +slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de +voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het +chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt +ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien, +verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te +buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te +behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd +op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode +hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan +allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering +gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel vóór 1900 +debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt, +niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen +eener--niet al te enge--keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die +wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe +plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen +althans eenigszins tot hun recht komen. + + + + +HOOFDSTUK I. + +HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE. + + +1. _Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814_. + +In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen +aan eene diepe depressie ten prooi. Eén ding was er, dat met recht de +geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat +waren, in beslag nam--de inrichting van den nieuwen staat en van zijne +organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene +aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan +voorbijgaande belangstelling aanspraak maken. + +De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de +ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie +had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen, +en de omstandigheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen +ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land +nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en +wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch +van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als +officiëele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide +landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was +verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in +sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het +accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop +der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd, +dat er geen sprake meer was van tweeërlei bevolking. Het was trouwens +een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name +het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen +overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper +geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn. + +Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen +stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde +dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis +had. Voor de plattelandsbevolking beteekende dit een ophouden van het +litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten, +bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale +sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen +voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop +der 19e eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten +opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg +nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het +voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst, +accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan +vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben +meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken +zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan. + +Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene +eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde +deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken +werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal +geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te +onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder +mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet +gebruikelijk waren; dit waren provincialismen, die toch niet aan de +taal een zeer bijzonder karakter gaven[1]. + +Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der +Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won +Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de +minder ontwikkelde volksklasse,--een samenhang, die in dien tijd toch +niet heel veel kon beteekenen--, trad een samenhang met Denemarken, dat +geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de +algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale +tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld +werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien +bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet +slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te +laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche +kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der +periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De +grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen +afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18e eeuw zijn +er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden. + +De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt. +Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het +beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou +geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien +er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin +nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een +klein land geen geringe beteekenis. + +Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met +Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het +was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de +wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land +is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel +schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats, +die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam, +het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw +volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te +volbrengen. + +De krachten van het nieuwe volk worden in de eerste plaats besteed aan +het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet +later volgen. Vóór alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en +bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar +veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische +neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet +denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden. +Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen +staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en +voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote +machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog +hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat +oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men +koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust, +dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat +het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de +ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot +ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te +scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt, +draagt het stempel van deze armoede. Het zijn òf herhalingen der poëzie +van de achttiende eeuw, òf bombastische loftuitingen op het Noorsche +volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder +Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn +alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van +vreemde voorbeelden, Schiller, Øhlenschläger, de Duitsche romantici; +iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee +verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als +nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den +titel _Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815_. Ongeveer al, wat zich in +Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee +bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat "ook tusschen +Noorwegens klippen bloemen groeien". Maar onder die twintig is er niet +één, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 1: Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in +Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje _Dansk og +Norsk i Norge i eldre Tider_, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden +schrijver _Norsk Sproghistorie_ (1920).] + + + + +2. _Wergeland--Welhaven._ + + +Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel +met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als +met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en +land--maar toch vooral de stad--met rumoer. Het is treffend, dat wij bij +deze eerste vlucht omhoog, die de nieuwe Noorsche litteratuur maakt, +een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven +toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook +later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met +hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen +nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale +gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en +aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en +een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den +algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den +moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland--Welhaven. + +Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet +meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene +productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal +jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn +jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot +stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch +predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van +1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de +herinnering aan dat jaar hoog gehouden werd, en dit milieu heeft een +stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd +kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige +vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige, +opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg +onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen, +maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de +theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in +kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het +rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later, +bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant +aan de actieve politiek deelgenomen. + +Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke +werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op +een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld _Skabelsen, Mennesket og +Messias_ (De schepping, de mensch en de Messias). + +Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet zóó te verstaan, +dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof +had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die +van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van meer +dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te +schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript +van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met +de volgende vellen. + +Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en +wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van +dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het +formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn +persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont. + +De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene +allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche +overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol. +Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar, +komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange +ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer +nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van +dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd +van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de +dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke +een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter +telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. De revolutie is +daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom +ook door den dichter een "bijbel der republikeinen" genoemd. + +Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te +onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent, +en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de +menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet +bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken. +Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een +gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de +gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit +iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de +lezers--Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen--, maar de heftige +toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele +vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het +gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het +tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd +over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum. + +Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft _Skabelsen, +Mennesket og Messias_, gelijk de geheele productie van Wergeland, +groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust +der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze +beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander +verdringen, in den regel zóó snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt, +maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te +zeggen heeft,--soms echter ook zóó veel, dat hij valt over zijn woorden. +Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte +gevoeld werd. + +In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een +groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm +(o.a. _Papegøien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle, +Barnemordersken_ e.a.), vertellingen in verzen (_Jan van Huysums +Blomsterstykke, Den engelske Lods_), verhandelingen over politiek, +geschiedenis (_Norges Konstitutions Historie_), moraal, taalhervorming +en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij +ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men +thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn +beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook +in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor +algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van +vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de +emancipatie der Joden. Het werk voor verlichting hangt samen met de +houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand +aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren +geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was +een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij +te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te +nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon, +heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der +impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld +aannam van Carl Johan,--inderdaad een inconsequente handelwijze voor den +dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op "tyrannen" +af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld, +en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs +verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld +als een nationaal verlies. + +Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf +aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode +Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene +aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en +de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne moeder was een nicht van den +Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L. +Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave +gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge +menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche +patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte +zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten +van den Noorweegschen "odelsbonde" (d.i. de boer, die bezitter van zijn +goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op +wat Deensch was. In de politiek was Zweden de bête noire geworden; in +zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken. + +Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of +voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts +in straatoploopen en andere luidruchtige manifestatiën. De aanvoerder +van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu +ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen. +Het verschijnen van _Skabelsen, Mennesket og Messias_ deed den emmer +overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze +Wergeland zijn "razen tegen het verstand" verweet. Een heftige +pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epigrammen. +Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe +heftigheid voortgezet. + +Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend +resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur +het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor +hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de +representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in +plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen +van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand +gekomen, dat _Norges Dæmring_ (De Schemering van Noorwegen) heet. + +Een grooter tegenstelling dan die tusschen _Skabelsen_, _Mennesket og +Messias_ en _Norges Dæmring_, laat zich niet denken. In _Norges Dæmring_ +voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig +van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76 +sonnetten; de vorm is meesterlijk. + +Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang +herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen +krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke +de patriotten gewend waren te geven. Groot en sterk is het land, +krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar +tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk +gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de +schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg +voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen +vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte +de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen, +Trondhjem;--nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij +wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die +groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En +welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om +vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen +geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om +tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor +krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke +vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des +geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze +gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich +alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal +daad zal worden, wat nu woorden zijn, zoekt de dichter troost[2]. +Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der +voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar +waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert: + + "Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord; + hvad Norge var, det maa han engang vorde + paa Land, paa Bølge og i Folkerang." + + (Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet + het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der + volken). + +_Norges Dæmring_ is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe +bijgedragen, Noorwegen _i folkerang_ te doen worden, wat het eenmaal +was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de +massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg +ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij +ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door +een troep gemeen afgeranseld. + +Een daad was _Norges Dæmring_ niet minder in de litteratuur. Hier werkt +die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren, +klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodieën te laten +hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank. + +Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en +Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de +uitvoerigste "Literaturhistorie" van Noorwegen van Henrik Jæger kan men +het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de +groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En +ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen +in de 19e eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden +nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de +kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt, +is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is +het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur +evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het +sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de +latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen +zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie +van Wergeland, en ook zijn behoefte, om aanvoerder van eene massa te +zijn, vinden wij terug bij Bjørnson; het scherpe verstand, de vlijmende +spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven +keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bjørnson ook in zijn patriottische +zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van +grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met +gelijke trekken bij Welhaven. + +Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor +Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der +eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn +verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming[3], en de practijk +tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als +die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het +verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de +gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich +zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken, +wanneer zij maar half af waren. + +Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door +verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij +vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij +had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt +werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van +zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende +eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe +gedachtenstroomingen. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 2: + + Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad, + hvad nu er taust skal finde starke Munde + i Thingets Sale og i Templets Buer; + hvad nu er Larm skal blive vise raad, + og vis'ne ho'der byttes om med sunde-- + hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer! +] + +[Footnote 3: _Om norsk sprogreformation_. Een voorganger had Wergeland +hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.] + + + + +HOOFDSTUK II. + +ROMANTIEK. + + +1. _De volksromantiek_. + + +Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche poëzie eene bloeiperiode aan. +Het is de romantiek, die haar intocht houdt[4]. De vorige periode leefde +in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der +Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar +een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong +niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in +het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er +reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te +regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe +onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de +toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De +romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur, +en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen +machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen, +juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een +frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik +vóór alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij +op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de +krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder +de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk +geïmporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden +de hekken van het patriottisme verhangen. + +De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen +zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was +en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede +helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland +gekomen, waar men de zaak grondig had opgevat. Herder was begonnen met +studiën over volkspoëzie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven, +om òf de stof te gebruiken in eigen gedichten, òf den toon van het +volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet +de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op +getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und +Hausmärchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn). +In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de +meest bekende dichter van den tijd, Øhlenschläger, zich van deze stoffen +meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu +is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide +richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van +stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de +getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste +werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone +bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht +hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste +beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C. +Asbjørnsen en Jørgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich +als eerste uitgever van volkspoëzie M.B. Landstad aan. + +Asbjørnsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de +stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen +zouden geven[5]. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De +overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van +teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet +alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat +dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm +bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot +zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de +bijzondere wijze van uitdrukking de poëzie dezer vertellingen gelegen +was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden +uitgegeven in de officiëele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en +uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon, +zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun +zóó goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die +tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen +gelezen worden, hebben zij ook een zeer grooten invloed gehad op de +ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het +Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van +deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de +latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed +van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer +Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens +nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die +boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van +voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe, +den zoon van Jørgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is +voortgegaan. + +De _Norske Folkeeventyr_ (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841 +verschenen[6], behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche +letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan, +grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen zóó +eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan +in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting +meedeelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het +bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een +geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme +litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote +dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het +werk tot op dezen dag niets verloren. + +Een eenigszins ander karakter dan de _Folkeeventyr_ dragen twee andere +verzamelingen van Asbjørnsen, _Norske Huldreeventyr og Folkesagn_ (N. +Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven. +Asbjørnsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van +romantiek tot realisme. Ofschoon het woord "eventyr"[7] in den titel +voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen +omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbjørnsen +legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan, +en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog +geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die +een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van +zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote +plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn +vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de +natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de +Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen--Oostlandsch--dialect. Het +werk van Asbjørnsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het +volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst +gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel +_Plankekørerne_ (De Plankenvoerlui) draagt. + +Asbjørnsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar +duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter +karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr +og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbjørnsen aan zijn zegslieden +het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire, +ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi +gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek +heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De +Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan +ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij. + +In 1853 gaf Landstad uit _Norske Folkeviser_. Daarop volgde in 1858 een +kortere verzameling van Sophus Bugge: _Gamle norske Folkeviser_[8]. Deze +boeken zijn niet zóó algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes +van Asbjørnsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd[9]. +Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door +weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten +konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden +opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal +geärchaïseerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen +toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te +verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds +voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is +veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de +opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de +sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen +staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een +veel vroegere periode (de 16e eeuw) zijn opgeschreven. + +Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad, +niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de +gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters +hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de poëzie in hooge +mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads +uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen. + +Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de +eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden. +Na de dæmringsfeide[10] zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel +_Digte_ uit. Later verschenen _Nyere Digte_ 1845, _Halvhundrede Digte_ +1848, _Digte_ 1851, _Digte_ 1860, eindelijk nog _Sidste Digte_ (van 1860 +tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste +helft der eeuw heeft voortgebracht. + +De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch +ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud +naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar +naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw +element bij. + +Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun +gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige +periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd +en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt +lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat _Vidar_. _Vidar_ +is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het +einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. _Vidar_ was ook de +naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte +van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het +monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft. + +De gedichten _Sisyphos, Glaukos, Goliath, Møkkurkalv, Nehemias_ (1839), +_Tantalos, Protesilaos, Kalchas_ (1845), _Herakles, Ganymedes, +Philoktetes_ (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het +voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben +verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van +eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de +wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een +merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang, +nadat hij in _Et Dukkehjem_ en _Gengangerne_ met de publieke opinie +slaags was geweest. Eerst komt een uiting van lust om den strijd voort +te zetten in _En Folkefiende_, dan de ontmoedigde verklaring, dat de +man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in +_Vildanden_[11]. + +Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks +vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de +liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid. +Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat +hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven +liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel +woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de +universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf +zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen +samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig, +heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die +der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten +samen met die der mythologische gedichten. Ook hier bestaat een +merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding +voor het leven ontvangt, + + "naar løst fra længsler og fra vild begær + den flyer til mindets aandehjem befriet"[12]. + +(Kærl. Komedie, Værker II, 261). + +Vergelijk daarmee Welhaven's verzen: + + "Hver en Fryd maa trylles om + til et Savn, som Sjælen freder; + Mindet kun et Held bereder, + der er Livets Eiendom"[13]. + +(Digte 1845. Værker II, 234). + +Voornaam is deze poëzie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde +heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen +hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar +persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij +als schoon gevormde gedachte tot den lezer. + +Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische +beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan deze +beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij +Welhaven's natuurpoëzie te danken. De romantische vlucht van de stad en +de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar +ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze +dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof. +Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, nøkken, +nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbjørnsen ze deed, hun +intree in de kunstpoëzie. Welhaven heeft in dit genre veel +natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En +ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden +was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was. +Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan +de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want +zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers +wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer +genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische poëzie van een +dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn +tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook +nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden +bron van poëzie een rijke was, die in de behoefte van meer dan één +geslacht kon voorzien. + +Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad, +in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden. +Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige +generatie. + +Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich +verwijderen van het realisme waarnemen. _Norges Dæmring_ is te gelijk +idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des +dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor +zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn +pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in +bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn +troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het +leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart +zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee +richtingen. Voor de eene--en dit is de richting der +huldre-romantiek--bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,--ook +Asbjørnsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze +gehuldigd,--voor de andere zijn de ware objecten voor onze +belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen, +en deze richting loopt uit op menschenstudie en zoodoende op realisme +in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbjørnsen in enkele stukken +gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in +de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt +voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbjørnsen's +realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot +doorbraak komen. + +Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten +van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van +verschil. Welhaven heeft zich ook sterk geïnteresseerd voor de +verzamelingen van Asbjørnsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de +behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn +behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van +populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche +letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche +Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van +de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een +stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de +geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid +vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch. + +In 1840 werd Welhaven lector,--later (1846) professor in de +philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het +vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft +nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het +jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus +is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan +historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een +duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan +van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn. +Hij stierf in 1873. + +Ook Jørgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen, +is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de +natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door +eenvoud en religieusiteit. + +Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook +melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in +verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters +der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot +de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's _En Jægers +Erindringer_, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der +schilderingen van het volksleven behoort Østgaard's _En Fjeldbygd_. Het +boek staat onder den invloed van Asbjørnsen's vertellingen, maar hij +miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene +zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van +talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet +hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan +twijfelen, of het boek wel tot de poëtische litteratuur gerekend kan +worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbjørnsen +las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het +denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van +eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling. + +Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen +schreef, samen uitgegeven onder den titel _Fra Lofoten og Solør_, +interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake +is,--Solør ligt in het binnenland--de bewoners der eilanden hun eerste +intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger +van Jonas Lie. + +Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bjørnson's +boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in. + +Bjørnstjerne Bjørnson is in 1832 geboren als zoon van een +dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te +zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania, +waar hij een tijd lang Heltberg's "studentenfabriek" bezocht--zie +hierover meer in Hoofdstuk IV--en in 1852 student werd. Reeds te voren +had hij een--onrijp--tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij +regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856 +bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe +Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier +dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het +eene is _Mellem Slagene_, dat in een ander verband besproken wordt; het +andere is _Synnøve Solbakken_, de eerste zijner boerenvertellingen. + +Men kan zeggen, dat Bjørnson's novellen eene periode openen, en dat zij +er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze +beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling, +die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de +voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De +sprookjes van Asbjørnsen en Moe zijn rijk aan poëzie, maar toch niet in +de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct +van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van Østgaard +was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door +menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bjørnson vereenigde +een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot +vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst +kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel +uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten +opgang maakten. + +Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke +zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste +gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te +vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt +met Vinje's kritiek op Bjørnson's volgende vertelling _Arne_, die later +zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van +boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bjørnson, en die den +schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede +stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers +met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bjørnson en zijn +criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bjørnson +mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet +het portret nader bij de werkelijkheid staan. + +De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in +twee jeugdwerken van Ibsen, _Gildet paa Solhoug_ (Het Feest te Solhoug, +1855) en _Olaf Liljekrans_ (1856). Deze twee stukken representeeren een +eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter. + +Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een +welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen, +en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee +gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te +Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In +de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te +bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte +hij. Zóó is zijn eerste drama _Catilina_ ontstaan in den winter 1848-'49 +(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania, +bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk _Kæmpehøien_ +van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste +doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij +een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen, +met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu +volgen snel op elkander _Sankthansnatten, Fru Inger til Østraat, Gildet +paa Solhoug_ en _Olaf Liljekrans_. Het eerste van deze werken is van +geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre; +over de beide laatste zal hier iets gezegd worden. + +Toen Ibsen _Gildet paa Solhoug_ schreef, waren zijne oogen reeds +opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe +letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde +zijne gedachten in eene andere richting. _Gildet paa Solhoug_ zou, wat +de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend; +de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14e eeuw), en door het +hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar +onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht +te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene +voorstudie voor _Hermændene paa Helgeland_, dat geheel onder den invloed +der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der +volkspoëzie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen +worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor +_Olaf Liljekrans_ bestaan verschillende voorstudiën. Voor een van deze, +en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (_Rypen +i Jostedal_, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling +volkssagen van Faye, die hierboven genoemd werd. Wij hebben +hier dus een stof, die met Asbjørnsen's vertellingen punten van +aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door +het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd; +er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier zóó ver, +dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een +volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat +citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen +den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door +overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde +stuk _Sankthansnatten_, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt. + +Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te +stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een +voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre +opgang gemaakt had, met name in zijn drama _Svend Dyrings Hus_. Wanneer +men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz +nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige +kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere +uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van _Olaf +Liljekrans_ is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en +een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk +is. Het toont, dat de dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling +door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die +het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo +gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de +dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme +voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs zóó +ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling +schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst +proclameert. Deze verhandeling--later uitgegeven in het tiende deel +zijner _Samlede Værker_--verscheen na de beide tooneelstukken en +beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857) +verscheen _Hermændene_, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie +opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama +gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym +Jokum Pjurre, eene comedie _Gildet paa Mærrahoug_, waarvan reeds de +titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (_mær_ +beteekent merrie). + +Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de +eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed, +waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal--groote +stukken van _Olaf Liljekrans_, waar de individueele lyriek de +volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen +geschreven heeft--, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar +ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester, +die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de +beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van +bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn, +reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal +zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen +jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in _Kejser og Galilæer_. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 4: Vertalingen van werken der Duitsche romantische school +komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von +Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici +werden gelezen (zie Jægers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan +uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.] + +[Footnote 5: De eenige voorganger van Asbjørnsen en Moe was de predikant +Faye, die in 1833 een verzameling _Norske Folkesagn_ uitgaf, tamelijk +rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het +karakteristieke niet deed uitkomen.] + +[Footnote 6: Een voortzetting door Asbjørnsen met bijdragen uit +opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2e uitg. 1876).] + +[Footnote 7: Het woord _huldreeventyr_ is een maaksel van Asbjørnsen en +eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van poëtische fantasie, +_huldre_ behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming +voor zulke vertellingen is _huldresagn_.] + +[Footnote 8: In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling _Sange, +Folkeviser of Stev_ (d.i. refreinen) uitgegeven.] + +[Footnote 9: Zie echter het litteratuuroverzicht.] + +[Footnote 10: Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan +_Norges Dæmring_ een deel uitmaakt.] + +[Footnote 11: Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte +als in uitdrukking tusschen _Protesilaos_ (Welhaven, Digtverker II, +219): "Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han kæmper +kun og falder" en _Brand_ (Ibsen, Saml. Værker III, 231): "Men hver, som +gaar i første række, maa falde for sin fagre sag."] + +[Footnote 12: "Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd +vliegt naar de geesteswoning der herinnering."] + +[Footnote 13: "Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis, +waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een +geluk, dat het eigendom der ziel is."] + + + + +2. _De historiseerende Romantiek_. + + +In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in +zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den +drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de +historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan +historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden +beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer +dan allen de volksoverlevering cultiveerde, Øhlenschläger, heeft ook tal +van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote +afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de +bloeitijd is niet geheel dezelfde, en het geheel valt later dan in +Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard[14] een historisch drama +_Magnus Barfods Sonner_ (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had +dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen +toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den +nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient +zijn gedicht _Sønner af Norge_ van 1820 genoemd te worden, dat het +nationale lied van het land geweest is, tot het door Bjørnson's _Ja, vi +elsker dette Landet_ werd vervangen. + +In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de +vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en +drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste +omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van +1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich, +doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studiën gemaakt; +hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de +geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten het eigen land. En hij +waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken +stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele +gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De +romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;--een +liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat +eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid +schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama +_Kong Sverres Ungdom_ (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud +deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door +haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene +intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een +historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende +karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem +zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon +dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre. +Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een +historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd +te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus +een soort heerschappij oefende. In meer dan één genre had hij volstrekt +niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk +gehad, zijn roem te overleven, ofschoon hij tot het laatst is +doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884 +op 73-jarigen leeftijd. + +De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de +Engelsche geschiedenis ontleende tragedie _William Russel_ (1857) werd, +ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde +gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking +(Saml. Værker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars, +toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is +merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in _Kærlighedens Komedie_, +waar hij een bekrompen dame, Frøken Skære, haar verontwaardiging laat +uiten over een student, die zóó laag, zóó onbeschoft, zóó gemeen was, om +zelfs _William Russel_ te critiseeren. Het stuk wordt hier dus +voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke +plebejers. + +Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie _Hertug Skule_, die in +1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's +_Kongsemnerne_ was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De +vergelijking was doodend;--hiermee had het aanvoerderschap van Munch in +de Noorweegsche letterkunde een einde. + +Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in +al haar schakeeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt +dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de +ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het +historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch +drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama. + +Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur. +Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche +vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij +voorbeeld de stof voor Munch's _En Aften paa Giske_ uit Snorris Oláfs +saga helga[15]. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de +nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is +die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en +zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het +persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen zóó, dat niets +meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met +het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der +voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene +kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is. + +Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's +romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof +insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder +mate. _Catilina_ valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting +van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd +gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het +gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het +jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk poëzie te halen. +Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet +die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek +aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden. + +_Fru Inger til Østraat_ (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter +bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet zóó gevormd, en de +ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk +en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men +den indruk, dat de dichter onder den invloed van het--insgelijks +romantische--gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij +de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen. +Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp +geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch. + +De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn _Hermændene +paa Helgeland_ (1857) en _Kongsemnerne_ (1864). Van deze beteekent het +tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog één historisch +drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier +bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische +en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie +in. + +De stof voor _Hermændene_ en _Kongsemnerne_ is aan de Noorsche oudheid +ontleend. In een enkel opzicht vormt _Hermændene_ nog een overgang van +het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt +niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der +middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den +man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de +_Volsungasaga_ die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen +wordt opgedischt. De _Volsungasaga_ behoort niet tot de beste saga's, +vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof +uit de Edda, en zóó gaat _Hermændene_ in laatste instantie terug op eene +stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die +met de latere volkspoëzie punten van aanraking hebben. Het conflict is +ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama _Gildet +paa Solhoug_ behandeld was. Wanneer desniettegenstaande _Hermændene_ met +recht tot een ander genre geteld wordt dan _Gildet paa Solhoug_, dan is +de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl. +Maar de stijl is dan ook niet die der _Volsungasaga_, maar die der +historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd +had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het +voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der _Egilssaga_, der +_Njálssaga_,--en hier is de stijl een andere dan in de _Volsungasaga_. +Men kan dus met recht zeggen, dat in _Hermændene_ de familiesaga in +dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de +_Volsungasaga_, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in +de _Njálssaga_ voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het +schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is. + +En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie, +waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit +gezichtspunt eene vergelijking van het slot van _Gildet paa Solhoug_ met +het slot van _Hermændene_. In het lyrisch drama, dat door stemmingen +beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin +bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige +Bengt; de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven +jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint +het geluk. In _Hermændene_ is de hartstocht een stormwind, die alles +wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood +de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij één +man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op. + +Op geheel andere wijze is _Kongsemnerne_ (De Kroonpretendenten) een +historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de +geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante, +maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen, +maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende +langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want +hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van +die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover _Kongsemnerne_ +handelt. Tot nu toe stond het ééne landschap tegenover het andere, en de +geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten +tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken +en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald +Hárfagri had Noorwegen tot een _rijk_ gemaakt; nù moet het een _volk_ +worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als +Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als +bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is +daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne +maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over, +dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet +gegeven is, te leven. + +Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de +Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit +perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen +tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer +naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij +door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was +opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die +kwamen, zouden de Skandinaviërs tot broeders maken, gelijk Hákon +Hákonsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo +nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen +van Hákon wijzen, gelijk Hákon Skule wijst op de dagen van Harald +Hárfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten +beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden +gesteld, Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen. +Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die +op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep: +_Vaagner_ (wordt wakker), _Skandinaver_! getuigt er van. + +En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de +interessantste figuur van het drama. Want _Kongsemnerne_ is niet alleen +een tijdgedicht--het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht. +Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van ééne zijde van den +dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne +roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is +zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over +hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel +zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het +denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer +noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den +grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn +tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen, +en zelf daarbij onder te gaan. + +Een tijdvak van negen jaren scheidt _Kongsemnerne_ van het geweldigste +van Ibsen's historische drama's: _Kejser og Galilæer_. De romantische +droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk +afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de +reeks moderne drama's (_nutidsdramer_) te openen, die aan de letterkunde +van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt[16], om +nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit +de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal +geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die +van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste +wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe +verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de +meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de +lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te +dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot +hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk +dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar +het gaat hem als Kaïn; zijn offer wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan +bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor +brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de +verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de +idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en +waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem +dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop +op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal +voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de +ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij +gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich +tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den +Galileër, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een +tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galileër aan hem +persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer +zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galileër +opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den +wettigen keizer ook dien tegen den Galileër aan. In naam herstelt hij +het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist +deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning +voert. Vóór dien tijd heerschte het Christendom in het uitwendige; het +was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde +in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter +begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering +op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument, +waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den +Galileër, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het +Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot +oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de +mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: "Jullie God +is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen." Alleen Makrina +spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: "Verdwaalde +menschenziel,--_moest_ je dwalen, dan zal het je zeker ten goede +gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken +komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode +levenden!" + +Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote +drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die _Kejser og Galilæer_ +direct aan _Kongsemnerne_ bindt. De voorstelling van de roeping is niet +geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest, +waarin de dichter zich jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In +_Kongsemnerne_ is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met +Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft, +wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met +blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd, +maar het begrip is toch aanwezig. In _Brand_ treedt de roeping op als +een eisch, die verschrikken kan. In _Peer Gynt_ is sprake van twee +wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief; +in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van +een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen, +dat zij haar roeping verzaakt. In _Kejser og Galilæer_ blijven alleen de +twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet. +Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is +alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het +resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet +dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of +ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij +kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede +voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en +zóó wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar +wreedsten vorm. Daarom is Juliaan, evenals Kaïn en Judas, een martelaar +voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de +menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor +deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken. + +Zóó ziet een philosophisch extract uit _Kejser og Galilæer_ er uit. Het +stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten +kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen +levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme. +Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij +zóó in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon. +Levend--en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene +nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op +elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van +Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten +heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de +schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld +kent. + +Bij het schrijven van _Kejser og Galilæer_ had Ibsen meer historisch +materiaal, om op te bouwen, dan bij _Kongsemnerne_, en dit kan een der +oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan +bij het oudere drama. Ook was de dichter in den tusschentijd een ander +geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873, +kort voor het verschijnen van _Kejser og Galilæer_, aldus uit: +"Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van +wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest +doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te +gelijk geheele, volkomen realistische poëzie; ik heb de figuren voor +mijn oogen gezien in het licht van den tijd,--en wil hopen, dat de +lezers hetzelfde doen." In den zin, waarin de dichter hier het woord +opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de +stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan +Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed +der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien +het juist is, wat Henrik Jæger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt--en +tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen--dat in de +teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar +slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de +teleurstelling van den dichter, die in de jaren vóór 1870 een nieuwen +tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke +persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden +staatsburger had gegrondvest, dan is ook in deze wijze, om de oudheid +in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met +de wijze, waarop de grondgedachte in _Kongsemnerne_ ontstaat onder den +invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm +was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere +banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer +gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke +problemen bezighouden. + +Bjørnson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856 +_Mellem Slagene_ (Tusschen de Gevechten), 1858 _Halte-Hulda_, 1861 _Kong +Sverre_, 1862 _Sigurd Slembe_, 1864 _Maria Stuart i Skotland_, 1872 +_Sigurd Jorsalfar_ (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot +de historiseerende romantiek de gedichtencyclus _Arnljot Gelline_ +(1870). Afgezien van _Maria Stuart_ vallen al deze werken binnen het +kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van +overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin, +dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof +eene--gefingeerde--gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas +de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In +_Mellem Slagene_ treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als +deus ex machina in een rol, die zeker den historischen Sverre slecht +zou gepast hebben,--hij moet den vrede stichten tusschen twistende +echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man +tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. _Halte-Hulda_ +maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de +handeling gezegd wordt, in de 13e eeuw te geschieden. Het conflict is +hier van gelijken aard als in _Hermændene_, en het is hier gelijk daar +de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in +aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen _Hermændene_ en _Halte-Hulda_ +nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik +de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de +natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bjørnson zich tot het +publieke leven, dat--wanneer men een stof uit de oudheid +kiest,--natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die +men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de +stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de +koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt. + +Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters +blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's +van Ibsen en van Bjørnson niet groot. Vergelijkt men Bjørnson's +historische drama's met die van een vroegeren tijd, dan is er wel een +groote afstand. Bjørnson had levendigheid van geest en een groot lyrisch +talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij +had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een +dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter +heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen +wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die +hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen +oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis +te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere +menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist +hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren +weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond +hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De +individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel +oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en +zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van +elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's +gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de +man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook +dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet de noodzakelijkheid niet +in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan _Sigurd Slembe_, het stuk, dat +doorgaat voor het beste van Bjørnson's historische drama's. Uitwendig +heeft de held eenige gelijkenis met Skule in _Kongsemnerne_. Als deze +tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft +ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om +zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren +koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel +trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem +vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt +Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van +dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet +precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een +toeval--de grootere haast van de vijanden--de oorzaak, dat Sigurd +misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een +psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de +hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die +Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang +bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed +meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn +vrienden beraden had, wat nu te doen stond, voor hij sluipmoordenaar +werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem +gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de +grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond +onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu +consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde +bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen +bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin, +waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar één pijl +verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter +gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche +vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het +eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad +en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan. +Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus +willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis. + +Maar Bjørnson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de +ontwikkeling eener handeling. Bjørnson is niet een steller van vragen; +daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een +beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe +anders had _kunnen_ handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht; +het is hem genoeg, dat de man anders had _moeten_ handelen. Hij wil +verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te +bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een +exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een +schouwburgpubliek gaarne zien. + +Er wordt in Bjørnson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls +zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den +regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den +mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms +leest men dingen van grenzenlooze naïveteit. Ook hiervoor zal een +voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het +gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de +tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd +morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk +geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over +op de karakteristiek van den man. Eén is er van meening, dat Sigurd zulk +een aard heeft, dat òf alle anderen moeten omkomen, òf hij. En deze man +eindigt aldus: "Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat +hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals +vereenigd zal worden tot eene heerlijke bedoeling.--Vrienden, ik geloof +aan een leven na dit." + +Dat "vrienden" vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof +men Bjørnson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort +uitbrengen.--Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek +om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij +bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd +zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt. + +Bjørnson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's +geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van +voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was +voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte, +die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in +hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is +zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling. +Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den +dichter juist tot _die_ stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond, +dat er genoeg waren. + +Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de +zoo veelzijdige productie van Bjørnson. + +Meer in overeenstemming met Bjørnson's talent is de gedichtencyclus +_Arnljot Gelline_. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend. +Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische +gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende. +Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om +schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden, +maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een +gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren, +hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de +grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij +langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij +kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid +gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam +aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man +treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den +slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om +den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij +wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen +kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich +aan hem overgeven. Op wensch van den koning laat hij zich doopen; den +volgenden dag is hij een der eersten, die valt. + +Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de +realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken +in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke +betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot +uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover +sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft +ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag. +Deze figuur maakt Bjørnson tot het middelpunt van een groep gedichten. +Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds +het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de +sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan +bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig +plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche +volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden +in zulk een gedicht tot één. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft +hij met warmte weer. Maar Bjørnson zou Bjørnson niet zijn, als hij niet +geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid +der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan. +Tevens moeten wij iets meer hooren over de misdaden van den roover; +vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens +gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de +beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling--een zaak, +waarover de geschiedenis zwijgt--sterk op den voorgrond gebracht; de +persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en +wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot +valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning +over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste +van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach. + +Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die +hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en +leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De +vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer +dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt, +maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin +gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch +gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door +misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in +zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid een held zich +in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil +schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer +de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken, +precies als in de boerennovellen. + +Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot +Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het +verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van +een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere +Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het +hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden, +zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken, +en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw, +die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de +pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en +bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide: +"Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer." +Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik +gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij +niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening, +noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching. + +Het is wel gezegd, dat Bjørnson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt +en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet +zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet. + +En toch is _Arnljot Gelline_ een mooi gedicht, wanneer men er maar in +zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan +stemmingen rijken dichter. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 14: Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een +vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven, +_Fjeldeventyret_, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en +zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt +thans nog wel met succes gespeeld.] + +[Footnote 15: Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van +1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13e eeuw Snorri +Sturlason.] + +[Footnote 16: _De Unges Forbund_ is van 1869, dus drie jaar ouder dan +_Kejser og Galilæer_. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de +historische studien voor zijn groot drama bezig.] + + + + +3. _Het hooggespannen Idealisme_. + + +In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot +voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de +jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog +meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door +politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en +werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen. + +De romantiek had de poëzie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den +helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men +wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote +gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die +nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de +maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de +dichters konden die vormen, zooals zij wilden. Maar voor dichters, die +niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met +de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren +verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat +van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zóó deden eigenlijk van +den beginne af die poëten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde. +Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan +was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf +der geïdealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een +veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. _Dat_ hij hem ging, +ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het +geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De +wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen +van 1864 bepaald. + +Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in +1862 gedaan; reeds _Kærlighedens Komedie_ toont de beginnende reactie +tegen de romantiek, die in _Brand_ en _Peer Gynt_ wordt voortgezet. + +'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek +geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof, +dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als +Ibsen is, houdt hij nog de geïdealiseerde personen voor de normale, +maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het +conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en +Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar +geplaatst in een nieuw daglicht,--dat van heden. Van des dichters +standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek +is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte, +als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van +den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas in _Peer Gynt_ +laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek +gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een +overgang van het historisch-romantisch drama naar het met _De Unges +Forbund_ beginnende realistische drama. Van ééne zijde vertegenwoordigen +zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den +achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme. + +In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie +genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis +vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke +kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke +gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene +maatschappij van halve menschen?" In het realistisch drama draait de +dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van +menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's +gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen +geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen +tot de taal van het gewone leven, het proza, over. + +Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van _Kærlighedens +Komedie_ (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker +verband aangenomen met den roman _Amtmandens Døtre_ van Camilla Collett +(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk +vóór het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar +het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en _Kærlighedens +Komedie_. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder +(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige +vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot +een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en +Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt, +dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde +Schjøtt in haar opstel over Camilla Collett). + +Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook de vraag, die gesteld +wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht +zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de +liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het +huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke +conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet +eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog +opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn, +het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan +elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet +lijden. Door deze gezichtspunten is _Kærlighedens Komedie_ niet +uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk +gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe +sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde +langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en +frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht. +Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt +overblijft,--zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de +herinnering te bewaren--'voor de eeuwigheid te winnen', heet het +hier,--liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen +dit echter niet klagend, maar dankend: "Nu kan ik je _blij_ missen voor +dit leven", is de afscheidsgroet. + +Het spreekt wel van zelf, dat _Kærlighedens Komedie_ niet verstaan, en +dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het +stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor +de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat +was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten +behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen +vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook +volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poëzie maakt hier +natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van +poëtische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt. + +_Kærlighedens Komedie_ is echter niet alleen een hoog-romantisch +gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild, +wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar +hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van +verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang +gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich +in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het +dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poëzie,--ziedaar +de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der +vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter +samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de +bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding +geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen +niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de +studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt: +"dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd." + +De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen +reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "één +hoog, voor de vreugde van het leven, en één, die beneden trilt, diep en +lang." + +Gansch anders is de stemming in _Brand_. Maar tusschen _Kærlighedens +Komedie_ en _Brand_ ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de +werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet +altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet. + +Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850 +ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de +ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in +den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting was gekomen, was +van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een +bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele +patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere +reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het +Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam, +een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de +zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en +Bjørnson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden +voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche +tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten--al zulke, +die het bestuur van het land aangingen--anti-Zweedsch. Maar deze dingen +beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet +meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden +kwam te staan. Hier trok men één lijn en stelde men zich ook voor, als +één man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme +ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts +eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en +waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken +en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in +die jaren gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de +gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling +van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het +ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich +vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander +naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in +vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte +zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde +studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjørnson tegenwoordig +was. + +Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden +doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon +Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen, +werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten, +en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond +echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten +einde uitdrukking te geven aan meegevoel. + +Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en +de pessimistische stemming doen rijpen, die in _Brand_ tot uiting komt. + +Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan, +waarmee hij de gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op +gewezen, dat in _Kongsemnerne_ de gedachte aan een in broederschap +vereenigd Skandinavië herkend kan worden in Hakons groote +koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds +in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen +oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den +titel _Vaagner, Skandinaver!_, waarin onder anderen gewezen wordt op het +gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht +hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een +Deensch-Noorsch studentencongres (_For Danmark_, Efterladte Skr. I, 87). +In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, _En Broder i Nød_, zijn +landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat +is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864 +uit Rome: _Troens Grund_ (De Grond van het Geloof) bericht op +sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo +zegt hij, zijn oproep (d.i. _En Broder i Nød_) over zijn volk +geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers +over den val van Dybbøl, over de jonge Noorsche vrijwilligers. +Inderdaad, van één was een neef weggeloopen, een ander miste zijn +handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa zat een +oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid +uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over _hem_ is +zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog +leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar +zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger. + +Interessant is het gedicht _Til de Medskyldige_ (Aan de Medeschuldigen), +een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen +_Brand_,--een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel +voert,--die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een +positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij +zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij +zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met +bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden +hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben +verzuimd, deze vraag te stellen: + + "Kan den med Rette tage Arvens Skat, + som fattes Haanden, der skal Arven løfte?" + + (Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die + de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?) + +Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren +direct aan deze verzen uit Norges Dæmring: + + "Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen brænder, + kan ei fortabes, er en hellig arv, + der falder renterig til Folkets Tarv, + naar det kan hæve den med voxne Hænder!" + + (Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet + verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten + goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen). + +In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat +Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog +op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders +zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar +handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou +lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen +blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich +daarover scherp uit in zijn _Ballonbrev til en svensk dame_, waaruit ik +alleen deze twee verzen citeer: + + "Thi mod skønhed hungrer tiden, + Men det ved ei Bismarck's viden." + + (Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's + wijsheid niet). + +En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872 +naar aanleiding van eene rede van Bjørnson. Ook deze dichter had de +gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen +uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbøl +klaagde hij: _Da Norge ikke vilde hjælpe_. In 1870 was men in +Skandinavië zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning +herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche +overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen +was, kwam Bjørnson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest +veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een +verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een +zelfstandig Noorwegen in Skandinavië en een zelfstandig Skandinavië in +een groot Germanië. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten +te houden. Deze omslag van Bjørnson, door hem zeker eerlijk bedoeld, +maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen +pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef +_Nordens Signaler_ (later opnieuw uitgegeven in Samlede Værker X, 567), +een gedicht vol vlijmenden spot: + + "Der er omslag ivente! klem paa med talerne! + Vejrhanen paa fløjen har forandret signalerne." + + (Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan + op den vleugel heeft de signalen veranderd). + +_Brand_ verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden +te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de +Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad +heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de +monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig. +Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben, +die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van +den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen, +waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke +ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist +pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken, +die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in +conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard +is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het +ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn +personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit +betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de +predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor +het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te +danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een +repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand +tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het +religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele +monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker +geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer +klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze. + +Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze +zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar één proseliet te +maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te +bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat +deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking, +nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen +van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen, +dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer +hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het +visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij +weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke +stem: 'Hij is deus caritatis'. + +Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat _Kærlighedens +Komedie_ een voorlooper van _Brand_ is. Hij heeft op deze plaats het +oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het +eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende +tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles, +wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in +'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt +aangetoond,--natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen. +Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en +karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het +verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar +ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog +praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant +heeft plaats gehad. + +Op _Brand_ volgt in 1867 _Peer Gynt_. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet +afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen, +maar hij voert het volk zelf ten tooneele in één typischen representant. +Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de +dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot +grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip, +'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te +bemerken, achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is +zich zelf genoeg, een egoïst in plaats van een persoonlijkheid. Zijn +levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde +verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van +zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid. +Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit +komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes, +die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn +gebruikt,--om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek +rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche +volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het +hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen'). + +In gelijke mate als van _Brand_ geldt van _Peer Gynt_, dat de dichter de +stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de +toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke +overweegt; in _Peer Gynt_ kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere +afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden, +heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het +beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt. +Naast den spot treedt ook--in tegenstelling met _Brand_ een element van +meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend +individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het +dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken +en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift +Neophilologus geschreven heb. + +Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van +de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's +is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de +sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode +voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot +personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de +dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze +vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische +slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze +wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen. +Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in +waarheid beteekent hij den egoïst; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die +aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend +geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en +allegorie. + + + + +HOOFDSTUK III. + +DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL. + + +Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die +in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van +Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in +bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet +gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon +zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect +aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was, +stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie +waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal +uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor +het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De +sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van +zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid +openbaarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit +streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de +vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen +geheel-Noorsche taal. + +De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint +met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor +geïnspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van +Asbjørnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De +vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert +het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was +hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe +gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in +belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de +Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat +verouderd was of daarvoor werd aangezien,--integendeel, zij gaf uiting +aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu +gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaïseering. +Wanneer men tot dusverre schreef _lade, rige, løbe_, dan sprak men +_late, rike, løpe_, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden +gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend +had. Men begint nu op deze wijze te schrijven en brengt door deze +archaïseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in +andere gevallen. + +De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K. +Knudsen, die schreef _Haandbok i dansk-norsk Sproglære_ (1856). Tevens +werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het +belangrijkste werk, van denzelfden schrijver _Unorsk og Norsk_(1879-81). + +De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren, +waarin Asbjørnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te +nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen +tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de +stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en +de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke ééne door +het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene +taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een +ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding +gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die +ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal +provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel +Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen. + +De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet +hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en +zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen +in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal, +die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch. +Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die +autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal. + +Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het +cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van +kunstmatige talen mag zeggen--deze kunstmatige taal is eene levende +geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op +zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is. +Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid, +die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is, +maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende +streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de +eenheid der Noorweegsche dialecten. + +Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht +hebben. Maar niet alleen hun energie,--niet minder hun genie. Want het +verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor +het grootste deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan +een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner +gedachten gemaakt hebben. + +De schepper van het landsmaal is eigenlijk één man geweest, Ivar Aasen, +een boerenzoon uit Zuid-Møre (een landschap op de Westkust), die zijn +jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde +Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten +zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder +hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de +voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken +_en geschreven_ werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht. +Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde +hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van +de Noorweegsche volkstaal: _Det norske Folkesprogs Grammatik_ (1848, in +tweede uitgave van 1864 betiteld _Norsk Grammatik_), waarop een +woordenboek volgde: _Ordbog over det norske Folkesprogs_ (1850; later +_Norsk Ordbog_ 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten +opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene +taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit +andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon +worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften +gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen +voor 'maalstræv' (_stræv_, het streven, werken voor iets), en het doel +werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen +burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen. + +Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het +landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het +bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in +nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou +zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden +dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem +van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen: +aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide +talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen +het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal) +den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is. +Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan +opnieuw. De taal, die de meeste concessies doet, is het bymaal; de +laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in +spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het +landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van +een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene +taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen +en van vele kansels en in meer dan één theater gehoord wordt. + +De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader +aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn +taalhistorische studiën in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij +heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal +wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die +het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche +dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaïseeren, die +voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote +autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het +landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in +poëzie als door de genoemde archaïstische tendenties behield deze taal +een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was +Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens +een eerste poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de +gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik +van Westlandsch dialect kwam daarna Fjørtoft op, een politiek schrijver +van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn +dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande +contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal +ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad _Fram_ (1871-73) een dialect uit +Zuid-Møre, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske +(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden +zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de +groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak +Westlandsch, maar al wat archaïstisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal +is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is +echter in het landsmaal nog niet bereikt. + +Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen. +Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor +onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en +is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in +landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden +wetsvoorstellen in beide talen ingediend. + +Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige +opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn +originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder +hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een +tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal +Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen +ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een +_husmand_, d.i. een kleinen boer, die op een _plads_ (kleine +boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij +opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een +boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg. +Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den +krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man, +die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij +den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering +mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft. +Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren, +is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den +cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al +hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft, +tot de bekwaamste mannen van het land behoort. Die kennis echter +vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij +bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er +ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is +hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij +geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven. +Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt +in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken +oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van +het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader +aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke +sympathieën, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden. +Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van +zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op +rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik +zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer +geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op +politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem +aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere +wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van +goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zóó, dat hij geen aanstoot +geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen +subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en +plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door +zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot +eenzaamheid gedoemd, en zóó geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur +voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij +daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft +hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen +deed hij een heftigen aanval op de regeering--en werd ontslagen. + +Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt +niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat +dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij +gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon +verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon +zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren +optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken +geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven, +die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de +lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een +humorist. + +Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van +Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let +op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest +bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling +en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven. +Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin +is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken. + +Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870 +verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen +gevuld heeft, _Dølen_ ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle +denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij +had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen, +van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen. + +Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig +onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van +wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en +wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws +had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij +toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het +zijn die gevoelsinhouden, die stijl, die eigenaardige combinaties, die +humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke +geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier +geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche +plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu +toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door +kende. _Dølen_ werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan. +Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad +moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige +maanden, wanneer men hem dood waande, stak _Dølen_ dan plotseling weer +het hoofd op. + +Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige +kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd +is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd +komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon +hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan +tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaïsche werken +staat hier bovenaan _Ferdaminni_ (Reisherinneringen), een boek, dat +eerst stuksgewijze in _Dølen_ is verschenen. _Ferdaminni_ is de +beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860 +maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt hier +op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's +Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien +dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde +verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan +zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn +geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed +dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd +werd. + +Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate +onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken +uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjørnson's _Arne_ (de tweede +dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in één verwijt +heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjørnson +de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de +stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met +dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat +Bjørnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het +verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een +_husmand_, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als +dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen de +boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de +predikanten behooren, uit wier stand Bjørnson is voortgekomen, een kring +met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij +niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd +billijk beoordeeld, maar wanneer hij in _Ferdaminni_ en elders hun +zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen +romantiek. + +Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook +zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat +hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan +ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit +onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's _Brand_. In de +dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten +tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters +hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in +dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet +den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te +zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat +eerst naar eene vignetteekening den naam _Manden_ (De Man) kreeg en +later omgedoopt is tot _Andhrimnir_ (de naam van den kok in Valholl). +Dit blad was een navolging van het Deensche blad _Corsaren_, dat door +Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op +harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin +omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover +oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers +ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen. +Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden +af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke +toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche +waardeering was er ook niet. In _Peer Gynt_ ontmoeten wij Vinje als +Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der +orangoetangs te spreken. Toen _Brand_ verscheen, heeft Vinje dit +dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar +op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte +farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan. +"Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een +paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel; +Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over +Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon +hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden +hebben niet nagelaten, in zijn kritieken op _Arne_ en op _Brand_ +uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het +geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands +drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel, +is het gevolg van meer dan één oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die +hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren, +dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich +begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond +alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was +van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna +identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel +landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten, +kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn +tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch' +schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te +hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al +spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair +succes. + +Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in +aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is +het wel, dat iemand zijn leven geeft voor een denkbeeld, dat in de +practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje +zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door +geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere +gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er +dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar +voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte +is hem te abstract. + +Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat, +wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als +litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent +practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters +konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest +verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder +grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting +alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt +samen met zijn beter inzicht in de realiteit. + +Vinje's belangrijkste levenswerk--men moge het prijzen of laken--is dat, +wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor +geijverd,--dat is één ding, maar vooral--hij heeft het gebruikt, en hij +heeft het zóó gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noorweegsche +letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest. + +Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver +kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls +begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te +geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming +verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele +gedichten, waarin ééne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is +volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de +zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden, +die opgenomen is in zijn gedichtencyclus _Storegut_. + +Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de +hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is. +Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast _Ferdaminni_, +Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot +de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus +_Storegut_. Wat de compositie betreft, kan men _Storegut_ vergelijken +met _Arnljot Gelline_ of met Runeberg's _Fänrik Staals Sägner_: het is +een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een +historische persoon of gebeurtenis. Voortgang is er eigenlijk niet in +het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed +zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat +de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de +karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk +en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij +kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een +valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij +voor het meerendeel stemmingen van één persoon schilderen. En er zijn +ware meesterstukken onder. + +Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan +schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie +als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan +men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt +gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij +in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in +dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook +oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het +inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te +verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe +ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef +geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo +subjectief als Vinje, die _Brand_ voor een farce aanziet, geen +psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen +theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op +wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama +geschreven, _Olav digre_, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de +proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men +zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft +kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet +kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de +grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naïveteit, waaraan +wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die +aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant +genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let +op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft. + +Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is. +De stukken, die gereed waren, heeft hij in _Dølen_ uitgegeven. _Staale_ +heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een +onafhankelijk man, die zijn eigen weg gaat, in de maatschappij +mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn +omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt +toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen +vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort +schiet. _Staale_ is dan ook veel minder gelukt dan _Storegut_. + +Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland +in: _Bretland og Breterne_. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje +nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes +in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland +toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te +bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor +zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de +tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen +land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op +den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden, +waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen +opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende +bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maatschappij. Maar door +zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten--de +Times liet zich zeer onvriendelijk uit--, en daarmee was zijn uitzicht +op succes in den vreemde afgesneden. + +Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet +gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele +vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een +dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als +zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten +niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over +hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar +bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag +gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht: +men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem +gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was +uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat +hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft. +Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij +geschreven heeft, maar _hoe_ hij geschreven heeft, eerst in bymaal, +daarna--het meeste en het best--in landsmaal. Die beteekenis zal pas +algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal +bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen +is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen +voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te +heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen, +dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen, +want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest. + + + + +HOOFDSTUK IV. + +HET REALISME. + + +Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de +idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de +practijk, maar ook in de poëzie noodig was, rekening te houden met de +wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen +zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken +periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu +invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk, +waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden +dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en +begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der +Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het +geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de +litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat, +godsdienst. In Denemarken doet de nieuwe richting haar intocht in de +epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire +voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen +en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land +is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere +generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige +periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjørnson +zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep +romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn. + +Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan +beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt +wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die +litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd +in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw +is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel +afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad +van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken, +is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat +de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de +waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt +is, dit doel te bereiken. De leus kon trouwens gepaard gaan met andere +leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd +waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men +in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet +plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie +debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich +zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het +standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers +van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin, +dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is. +Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,--en dat hebben alle +dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch +altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die +voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee +richtingen ontwikkelen. Òf men gaat den eisch van het realisme steeds +strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid +nabij te komen,--het zoogenaamde naturalisme,--òf men laat het realisme +als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel, +dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat. +Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten. + +Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet +op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar +aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd +had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813 +is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven +van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is +zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste +boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek. + +Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige +jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een +anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar +geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de +ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt +zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd, +waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere +clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor +Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in +rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's +tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in +levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, heeft zij +sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven. + +Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad +(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte +vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in +1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in +1855 haar hoofdwerk _Amtmandens Døtre_, het eerste der talrijke Noorsche +boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze +maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de +litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met +tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: _Fortællinger_ +(1861), _I de lange Nætter, Sidste Blade_ (3 verzamelingen 1868-73), +_Fra de stummes Leir_ (1878), _Mod Strømmen_ (1879). Op den duur neemt +zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar +eerste roman opkwam voor de liefde--in plaats van conventie--als +grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande +verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den +voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de +schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op +en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek +in het potsierlijke; mannen als Goethe en Byron vinden weinig genade in +haar oogen. + +Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek +_Mod Strømmen_ (Tegen den Stroom) mocht eerder _Med Strømmen_ heeten; +toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de +vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor +modern wilden doorgaan. + +Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870, +als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een +probleem debatteert'. + +Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit +het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de +werken van Asbjørnsen, Østgaard en enkele anderen. Voorts een deel van +Vinje's geschriften en Bjørnson's boerennovellen, die echter weinig +realistisch waren. Nu zou het anders worden. + +Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van +den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn +eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist. +Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn, +en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als +zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn +'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en +bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen, +zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere +werken. Kritiek op de maatschappij--een der hoofdpunten van het jonge +programma--komt bij hem reeds in 1862 voor in _Kærlighedens Komedie._ +Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later. +Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden +geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot +uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het +maatschappelijk leven. In _Kærlighedens Komedie_ is het nog een +bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de +maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn +Falk en Svanhild een utopie. In _En Folkefiende_ daarentegen is de held +een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,--wat +alle anderen ook zeggen te willen,--en die met zijn omgeving in strijd +raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase +is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing +van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld +der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is +het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische +stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch +leven, het proza, gekozen wordt, en dat de personen meer +geïndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en +deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een +enkele repliek kent. + +Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is _De Unges Forbund_ van 1869. +Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het +vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die +hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte +het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote +politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en +kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale +en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft +de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde +physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van +twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde +menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier +dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de +verontwaardiging van Bjørnson over het stuk; het waren zijn eigen +phrases en zijn naïef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden +gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjørnson niet eerlijk +was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geërgerd[17]. En +hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van +eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend[18]. + +Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral +vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant, +staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den +samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil +van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten +een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen; +tegen dit verbond--het ware verbond der jongeren.--is de vooze demagogie +niet bestand. + +Men heeft Ibsen verweten, dat hij in _De Unges Forbund_ zich tegen 'de +partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld +Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. Ibsen zou in dit stuk de +woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van +dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk. +Geen ding toont misschien duidelijker dan _De Unges Forbund_, hoe ver de +dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het +komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en +heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist +de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is +volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter +verwachtingen had van de oude aristocratie--mits deze zich vernieuwde. +Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening +uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die +hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren. + +Tusschen _De Unges Forbund_ en _Samfundets Støtter_ liggen acht jaar +(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met _Kejser og +Galilæer_, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken +is. + +Met _Samfundets Støtter_ (1877) begint een ononderbroken reeks moderne +drama's. Weldra volgen _Et Dukkehjem_ (1879), _Gengangere_(1881), _En +Folkefiende_ (1882), _Vildanden_ (1884). In al deze stukken wordt de +werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt +ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een +samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij +een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na +jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste +pessimisme. + +In _Samfundets Støtter_ geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in +een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en +het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich +wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil +tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer +verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend +heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken; +Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit +andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en +dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een +onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen +tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen +vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft +liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om +Bernick's geweten wakker te schudden. Zóó groot is het geloof van den +dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het +ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het +blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip +wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt +Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te +huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den +waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de +geesten van waarheid en vrijheid. + +Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar +realist, toch ook nu nog als van ouds ideeëndichter is. De gedachte is +zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",--abstracter +kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt +van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men +bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest +wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had +een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met +haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar +ieder aan alle zijden door égards gebonden was, gemakkelijker haar +onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw, +die alleen naar de stem van haar hart luistert en zich aan geen enkele +consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert +tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in +dezen zin zijn reeds Aurelia in _Catilina_, later Solvejg in _Peer +Gynt_. En Ella Renthejm in _John Gabriel Borkman_ behoort tot dezelfde +categorie. + +Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene +maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal +onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak, +die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. _Et +Dukkehjem_ is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen +opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting +teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid +niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat +noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de +moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap +terug te houden. + +In _Gengangere_ is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer +met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die +aan _Et Dukkehjem_ ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper +stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig huwelijk +leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en +zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar +huwelijk uit te blusschen. + +Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den +dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de +courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin +zich zulk een frissche strijdlust openbaart als _En Folkefiende_. De +ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd +aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar. +Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is +menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op, +maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man +verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der +badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij +de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden, +maar alle partijen, conservatief en radicaal,--anders elkanders gezworen +vijanden,--vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen. +Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van +de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de +oppositiepers werken broederlijk samen, om Stockman onmogelijk te +maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met +uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk. +Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een +nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld +hij is, die het meest alleen staat. + +De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman +zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en +evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zóó waar geteekend, +als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het +karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in +het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de +menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met +het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjørnson. Den zedelijken moed +hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de +vergaderzaal is die van Bjørnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het +uitdrukt, aan Stockman Bjørnson's stem gegeven. Ook de overige personen +zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de +kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing, +de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en +wiens originaliteit hierin bestaat, dat hij er een 'gud døde mig' aan +toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in +wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van +zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele +karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet, +Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood, +als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet, +welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien, +dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel +der echtheid. + +En dan komt _Vildanden_ (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat +Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch +geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant +van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale +figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht, +waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van +een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt. +De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt: +"mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord +idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens," en die +verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem +je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed +genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons +arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen +moet de dichter van _Brand_ gehad hebben, voor hij zóó iets schrijven +kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag +over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken +helpt niet; de poëet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in +Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat +hij de dertiende man aan tafel is. + +En toch--het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof +verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en +geïncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene +vrouw, die zit te wachten op het wonder,--dat een ander verrichten +zal,--maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe +edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het +bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel +heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zóó staat ook in +_De wilde Eend_ een ideale figuur, die aan één zaak alles offert, +tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in phrases is +ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt +hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer +maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als +offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan +den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal; +in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele +gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van _Vildanden_ het +geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend +drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden. + +Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter +behandelde dan één zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zóó levende +personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest. +Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij +naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik +mode was, maar omdat hij de menschen zóó zag. En wat de +'problemenpoëzie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen +behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd +is zijn poëzie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom +zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur van +den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn +toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen +reflecteert zich het menschelijke. + +In dezelfde periode ging Bjørnson over tot de behandeling van +maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het +lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het +meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben +zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar +daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjørnson was als +kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij +ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid +gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan +zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij +veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land, +en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche +levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd +een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken, +novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is +zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in +volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke +werkkracht. Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de +wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een +eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjørnson gehad +heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die +hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt +Bjørnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hèm nieuw zijn, te +populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene +verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook +zijn kunst ondergeschikt. + +Een voorlooper van Bjørnson's 'nutidsdramer' is _De Nygifte_ (De +pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter +levendige scènes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom +begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren: +_Redaktøren_ en _En Fallit_ (1875), _Kongen_ (1877), _Leonarda_ (1879), +_Det ny System_ (1879), _En Hanske_ (1883), _Over Ævne_, I (1885), II +(1895), _Geografi og Kærlighed_ (1885), _Paul Lange og Tora Parsberg_ +(1899), _Laboremus_ (1901), _Paa Storhove_ (1902), _Daglannet_ (1904), +_Naar den ny vin blomstrer_ (1909). Vertellingen uit dezelfde periode +zijn: _Magnhild_ (1877), _Kaptejn Mansana_ (1879), _Stöv_ (1882), _Det +flager i Byen og paa Havnen_ (1884), _Paa Guds Veje_ (1889), _Nye +Fortællinger_ (1899), _Mary_ (1906). + +In bijna al deze stukken maakt Bjørnson zich tot advocaat van een of +andere meening of waarheid,--dikwijls eene zeer juiste,--die, naar hij +meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de +noodzakelijkheid van opvoeding in _Det flager_, van verdraagzaamheid in +_Paa Guds Veje Kongen_ is een preek over het thema, dat de republiek de +eenig juiste regeeringsvorm is. _En Hanske_ handelt over de +geslachtsmoraal. De dichter is hier zóó vervuld van de leer, die +gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over +hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot +breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjørnson niet +alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie +bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet, +kan diezelfde naïveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit +de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen +ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjørnson ongetwijfeld voor een groot +deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn +behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil +gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen +en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjørnson +gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als koeien, die +iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen +de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer +de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan +is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de +tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan +vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat +hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het +schellinkje, zeer gewaardeerd. + +Maar wanneer men het eerste gedeelte van _Det flager_ leest, waarin +Bjørnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de +gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze +schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene +situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het +verlichtingswerk van Bjørnson niet noodig hebben, en die in vreemde +litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het +Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter +als Bjørnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de +schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van +godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw +ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven +hiernamaals, terwijl dat plotseling anders wordt, zoodra Bjørnson ca. +1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat +het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop +plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der +orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders +wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen +kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een +groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjørnson's poëzie +duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat +nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in +aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in +Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjørnson gehecht wordt. En +dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het +oordeel speelt de liefde eene rol,--en de liefde is naijverig. + +Jonas Lie (1833--1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede +helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is, +wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het +Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de +overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo +stamt Lie in drie leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit +het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook +Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde +Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder +poëtischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van +denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen +heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur, +die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden, +in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur +maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poëzie vinden ook in het +dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zóó ver, dat +hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om +deze te objectiveeren. + +Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd +voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die +bij herhaling als poëtische motieven in zijn werken terugkeeren. Als +zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in +Tromsø, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die vóór hem +in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht +Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen +een goede vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn +poëtischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn +leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen +aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote +handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de +angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan. + +Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen +te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg +geïnteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit +zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij +de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd +dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te +vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van +het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter +geheel doet ontwaken, is zijn faillissement. + +Toen Lie zijne eerste vertelling _Den Fremsynte eller Billeder fra +Nordland_ (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland) +uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de +litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op +zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt hoofdzakelijk in den vorm van +een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens +zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het +Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt ééne zijde +van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke, +zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst; +zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke +behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd +hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in +de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de +alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en +David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor +hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar +de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer +hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij +niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft +geput, om het leven vol te houden. + +Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel +romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als +een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst +belangrijk is, maar toch als een zieke, niet als een wezen van hooger +orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaïschen mensch verborgen +blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet +in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk +leven te kort schiet. + +De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het +dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst +opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van +zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek +daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins +misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene +zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met +mythische wezens als _nøkken, draugen, tomtegubben_, en hoe zij meer +mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn +deze wezens poëtisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd +met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken. +Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die +in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw +hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen +schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze +teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden. + +Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op. +Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf. +Misschien heeft hij in _Den Fremsynte_ voor goed of voor langen tijd +afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij +zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed +van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten +_Dyre Rein_ (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is. +Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in +den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt +zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het +huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven. + +Met _Den Fremsynte_ had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt. +Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost +heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel +achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker--niet in +ieder--opzicht voorstudiën voor zijn latere meesterwerken. _Den +Fremsynte_ was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte +hij nog niet geheel, en vooral--hij had zich nog niet dien bijzonderen +stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij schreef, +zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie +weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver +van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne +ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te +schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een +propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen +van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren, +waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode +geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder +zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn +talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft +ingenomen. + +De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met +_Familien paa Gilje_ zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft +hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn +vooreerst zijn schipperromans _Tremasteren Fremtiden_ (1872), _Lodsen og +hans Hustru_ (1874), _Rutland_ (1880), _Gaa Paa_ (1882). Deze sluiten in +zooverre bij _Den Fremsynte_ aan, als zij schilderingen bevatten uit het +leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter +zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze +boeken een gebeurtenis in de Noorsche litteratuur; er wordt een nieuw +gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het +onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen. +Hij kent hen van kind af aan. + +Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling +speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het +zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het +huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken, +waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze +periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd +worden: _Thomas Ross_ (1878), _Adam Schrader_ (1879), _Livsslaven_ +(1883). Een eerste dramatische proeve is _Grabows Kat_ (1880). Een +afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht +_Faustina Strozzi_ (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan +de geschiedenis (Italië's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de +kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poëtisch werk niet +van groote beteekenis. + +Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: _Familien paa Gilje_ (1883), +_En Malstrøm_ (1884), _Otte Fortællinger_ (1885), _Kommandørens Døtre_ +(1886), _Et Samliv_ (1887), _Majsa Jons_ (1888), _Onde Magter_ (1890), +_Trold_ (2 verzamelingen novellen 1891-2), _Niobe_ (1893), _Lystige +Koner_ (1894), _Naar Sol gaat ned_ (1895), _Dyre Rein_ (1896), +_Lindelin_ (1897), _Faste Forland_ (1899), _Wulffie & Comp_ (1900), +_Naar Jernteppet falder_ (1901), _Ulfulgerne_ (1904). + +Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde +motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering +deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in +vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den +dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een +nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde. + +Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen _(Lodsen og hans Hustru, +Gaa paa_) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te +kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een +positie weet te verschaffen. In _Gaa paa_ is het een jonge man, die in +armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder +eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in +den beginne en het besluit, het niet op te geven. + +_Thomas Ross_ vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad +heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan +het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het andere. Hij geraakt in +bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een +bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door +een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot +met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten. +Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij +gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de +tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te +houden. + +Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in _Faste +Forland_, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van +anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de +ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde. +Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist +inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en +hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden, +maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste +wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet +bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn +stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een +badplaats om te scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel +der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de +financiëele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij +aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een +dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het +badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een +badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door +zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn +plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die +hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij +haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem +geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te +gemoet, en nu wordt Faste dichter. + +Het klinkt als een sprookje--en toch is het werkelijkheid. Ook de +mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den +bijstand van Thomasine. + +Het hoofdmotief van _Faste Forland_ is de mislukte onderneming en het +faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een +faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het +hoofdmotief in _En Malstrøm_, en het neemt een gewichtige plaats in in +_Et Samliv_ en in _Niobe_. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede +de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer +eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te +schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van +zeer verschillende zijden. In _Faste Forland_ is de slechte zakenman +toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf +niet gekend heeft; in _En Malstrøm_ en _Niobe_ ontmoeten wij twee +variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van +zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur), +in _Et Samliv_ is het de familievader, die op het punt is, in den +ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en +kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom +aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den +genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door +een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet +ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld +worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie +is hier midden in de 'problemenpoëzie' geraakt; de vergelijking met +anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in +aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in de +litteratuur in de mode; zoowel Bjørnson als Kielland hebben het +behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze. +Voor Kielland (in _Fortuna_) is het faillissement de onverantwoordelijke +daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de +schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen, +valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets +dan gemeenheid en laagheid. Er komen in _Fortuna_ prachtige bladzijden +voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk +geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders +Bjørnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene +maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk, +dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen. +Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is, +maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of +de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn +gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is +tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig +samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den +bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den +man, noch de daad, maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft, +kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zóó gaan moest, als +het is gegaan. + +Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo +groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij +Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan één van zijn boeken zou +men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een +belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw. +Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van één +eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en +hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun +naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden, +vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft +hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste +karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de +liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven +ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities +zijn onder anderen Susanne in _Den Fremsynte_, Bera in _Faste Forland_, +Ely Falk in _Adam Schrader_, Ellen in _Naar Jernteppet falder_. Op het +juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te +handhaven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij, +die niet kan geven, wordt de egoïste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al +deze typen heeft Lie geschilderd, zóó dat zij lijken. + +De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het +grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat +hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans +den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (_Livsslaven_, waar +de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie +van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal +dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het +sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt. + +In _Lodsen og hans Hustru_ bestaat voor de verdenking eenige aanleiding, +en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien +jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in +dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem +niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste +weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De +omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar +onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn gebrek aan +vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in +dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge +mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man, +die zóó lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal +vallen, voortaan met parlement te regeeren. In _Adam Schrader_ is het +conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt +hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is +een goed huisvader, maar prozaïsch; de vrouw is muzikaal; een vriend van +den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied +der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch, +maar het karakter der vrouw is zóó oprecht en flink, dat aan haar deugd +geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink +de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek +behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel +van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden +weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere +wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij _Adam Schrader_ schreef. +Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig +is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in _Naar Sol +gaar ned_. Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de +vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man, +een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij +wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar +het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn +levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie. +Maar de eer van zijn huis heeft hij gered. + +Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne +alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans +heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood. +Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan. + +Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken _Naar +Jernteppet falder_ in een der talrijke parallel loopende vertellingen +van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een +oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige +lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel +geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren +wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan +boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe +kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis +van het gemoed zijner vrouw. Wat gaat er in haar om? Wat verbergt zij +voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag +neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van +angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is; +wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt, +gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het +schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten +geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag, +wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een +weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene +rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent, +zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell +weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij +bij haar was,--thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en +met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu +kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij +tegenover haar uit, dat _zij_ het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De +twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord +daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt. +De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopenbaard; het +gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat +waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte +in een geheel modern kleed. + +Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts +één tooneelstuk, _Lystige Koner_, is op dit motief opgebouwd. De +behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt +niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar +plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis +van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het +er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal +opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie +het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg. + +Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter +is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk +de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij +geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt. +Zulke zijn: de Kaptein in _Familien paar Gilje_, Mads Foss in _En +Malstrøm_, de directeur in _Onde Magter_. In zulke families vinden wij +huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in _Familien paa +Gilje_, misschien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de +Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van +gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden. + +Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de +vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge +geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de +dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen +eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan +zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere +beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna +altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te +keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van één van beide. Bij de +jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat +het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden +een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk +geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren, +wanneer zij zwak zijn en toegeven. In _Rutland_ wil de jongen naar zee. +De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil +dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en +verzoent zich later met den vader. Dit is het gunstigste verloop. In +_Familien paa Gilje_ moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit +de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in _En Malstrøm_ is het nog +erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in +_Kommandørens Døtre_, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het +de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg +staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in +die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend, +waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen +drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn. + +Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses +van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt +niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen +zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een +gezin is dat van Dr. Baarwig in _Niobe_. + +De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp +van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot +hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen +misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij +zelf behoort tot de hoogere klasse, maar sedert zijn kindsheid heeft +hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft +hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een +der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich +onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is. +Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principiëele +vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen +ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide, +gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen +heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de +sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een +schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in +dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten _Livsslaven_, uit +de eerste periode, en _Majsa Jons_, een van zijn rijpste werken. +_Livsslaven_ is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode, +die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en +niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot +misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die +daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder +wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer +een--nog eenigszins sentimenteele--poging, om meegevoel met den +onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der +standen. Veel belangrijker is de historie van _Majsa Jons_, het +naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen +bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van +familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij +niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het +onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in +de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid, +die zij uit de schipbreuk van haar leven redt. + +Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen +zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene +verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden, +ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de +vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot +deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een +fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het +al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen +zij één ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel, +waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist. + +Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het +familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine +vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee +bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in +zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is. +Zij doen het meest denken aan de spookhistoriën uit _Den Fremsynte_. +Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele +jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu +ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire +natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast +elkaar staan stukken als _Moskenæsstrømmen_, waarin natuurkrachten +gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt, +_Bylgja_ en _Kværnkallen,_ die de mystieke indrukken schilderen, welke +de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als _Hauk +og Hadding_, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in +den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm +speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met +name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch, +onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort +besproken roman _Dyre Rein_. Interessant is in dit licht ook de korte +novelle _Østenfor Sol og vestenfor Maane_, waar tusschen de +hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken +voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en +dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zóó, meent de dichter, is het ook +onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar +daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is +noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die +talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan +egoïsme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die +de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid--en +moraal--proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan. + +Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor +hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van +den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn +overige productie. Zijn tooneelstukken _Grabows Kat, Lystige Koner, +Lindelin, Wulffie & Cie_, ofschoon niet van belang ontbloot, staan +verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, _Faustina +Strozzi_ en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie, +maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren +echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters +persoon. + +Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen +hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest, +zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen, +als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor +en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke +koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het +gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student, +nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere +verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als +advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien +tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij +reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine +schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn +werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken, +_Novelletter_, dan romans, in één adem door (daartusschen enkele +tooneelstukken): _Garman og Worse_ (1880), _Nye Novelletter_ (1880), +_Arbeidsfolk_ (1881), _Else_ (1881), _Skipper Worse_ (1882), _To +Novelletter fra Danmark_ (1882), _Gift_ (1883), _Fortuna_ (1884), _Sne_ +(1886), _Tre Par_ (blijspel 1886), _Bettys Formynder_ (blijspel 1887), +_Sanct-Hansfest_ (1887), _Professoren_ (blijspel 1888), _Jacob_ (1891), +eindelijk een bundel kleinere opstellen _Mennesker og Dyr_ (1892), een +overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het +voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan. + +Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat +Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den +inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En +nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven +had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig. +Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen. +Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij +gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij. +Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie +was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel +begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met +een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En +hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon. +Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het +publiek. + +Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat een modern dichter in 1880 te +zeggen had,--kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine +Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste +kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet +verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In +Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen. +En wat de poëten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen +gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger. +Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe +verstand en den beweeglijken geest zich beëngd gevoeld hebben. Hij zoekt +geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van +Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij +moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil +het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen, +en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak +stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger. + +En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft +hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche +romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een +schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is. + +In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat +hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is +moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de +bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar +gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om +zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook +waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den +duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten. +In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem +dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn +anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als +onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele +onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn +boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer +persoonlijk adres[19]. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en +satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets +dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen +samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er +de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in +artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889) +redacteur is[20]. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de +overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij +voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen +neer. + +Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken +sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den +dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt. +Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft +Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet +uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in +zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar +aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet +plebeïsch, maar voornaam. Zóó is hij in staat, in _Garman og Worse_ een +der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname +familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil in de +verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar +vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in _Skipper Worse_ +diep door in het leven van de piëtistische secte der Haugianen. In +andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten, +dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet +objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht +van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal, +suggestieve kracht,--en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in +hooge mate. Boeken als _En Sankt-Hansaften_ en _Jacob_ kan men +beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets +van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen +toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al +deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten. +En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het +daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal +die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds +in vollen gang. + +In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende +gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een +verkorte weergave van hetgeen ik hierover in 'De Gids' van Mei 1897 +schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en +directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn +eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De +intrigue van _Garman og Worse_ berust op de tegenstelling tusschen de +deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche +beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end". +Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van +dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door +zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der +firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in _Arbeidsfolk_, +maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier +ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen +vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra +verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het +bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de +vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband +daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen? + +Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En +hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad +voert, werd in _Garman og Worse_ reeds aangeduid. In _Else_ zien wij +het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot +lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis +door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de +uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking +grooter wordt. + +Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere +generatie, en hij schrijft _Skipper Worse_. De vergelijking voert tot +het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding +beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen +goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven +uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon +de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even +degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd? +Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die +voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook +de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld. +Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie +Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse +nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote +plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het +zijn zij, wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de +Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de +verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt, +verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in +geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door +lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden, +wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht +maken. Nog één geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan +een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog +maar in hardheid tegenover den arme. + +Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het +vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij _Gift_ (Vergif) te +danken. _Gift_ is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men +kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft, +de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar +polemiek tegen het Latijn is slechts ééne zijde van het boek. De auteur +verheft vóór alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt +door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen +van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het +zelfstandig oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van +ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige +geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht +slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft. + +De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de +oorzaak, dat hij op _Gift_ twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste +heet _Fortuna_. De schooljongen uit _Gift_, Abraham Løvdal, die bij zijn +confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in +levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is +hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen +maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en +waarvoor hij, Abraham Løvdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn +windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken, +zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en +assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer. +Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die +de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en +vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien. + +Eene voortzetting van _Fortuna_ is _Sankt-Hans Fest_. Maar daartusschen +ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. Naast +de school werd in _Gift_ de kerk geschetst als een der machten, die de +zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoïst +maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen +brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare +dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op _Gift_ en +_Fortuna_ volgt _Sne_. + +_Sne_ is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud +en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der +heiligen--de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden +stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn +preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de +geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan +bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en +bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; _zijne_ hooge gedachten kan +zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te +zorgen valt. Daar zit hij--en wordt weerstaan door een jong meisje, dat +van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de +verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij--Johannes, +die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der +spotters niet is opgewassen, maar evenmin tegen den sterken wil van +zijn vader, die Gabriële liefheeft en droomt van een verzoening tusschen +het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Løvdal. +Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook +niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle +reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets +nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche +stilheid, een rust als die des grafs. + +Dat is de gedachte, die _Sankt-Hans Fest_ beheerscht. Kielland laat hier +de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren +en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op: +Abraham Løvdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit _Gift_ en +_Fortuna_, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van +schipper Worse, de jonge Garman, die aan _Garman og Worse_, de familie +With, die aan _Else_ herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te +gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag +schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen +Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren. +De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen +mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toegezegd, +zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest +bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en +eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die +zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de +victualiën, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst +van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden +georganiseerd heeft. + +In _Sanct-Hans Fest_ is als het ware eene essentie van Kielland's +sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn +vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en +geëxtraheerd tot een enkelen druppel. Het is het _mene tekel_ over eene +leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan +vreugde verloren heeft. + +In _Jacob_ wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de +gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen +indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in +Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het +streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in +het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar +het platteland. Maar in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is, +ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het +onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren +gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval +niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene +verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een +wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie +vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen +ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de +schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij +van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door +langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer. + +_Jacob_ is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt +Tørres Snørtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de +eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren +gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo +heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom, +en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal. +Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te +bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te +zuigen. Hij maakt zich meester van al, wat in de stad te verdienen +valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om +zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien. +Tørres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs +een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder +gekomen was--neen voorwaar, dat was hij niet!--hij was niet verder +gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij +zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht." + +Als Tørres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen +met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te +noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen. + +Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik +hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Tørres. +In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest. +Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij +bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de +belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over. +En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde +het roer boven en de stroom beneden aan." En Tørres denkt er ook zoo +over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle +wijsheid van de wereld woog niet op tegen den kleinen katechismus, en +dien kende hij--ha! ha! ha!--hij moest om zich zelf lachen. + +Daar had hij opgezien tegen Gustav Krøger en mijnheer Hamre en anderen, +die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van +rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren, +en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen." + +Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte. +Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn +lans, en hij weet te treffen. + +Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de +groep Lie--Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk +heet _Farlige Folk_ (Gevaarlijke Menschen) (1881). + +Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die +in 1882, dus slechts één jaar na Kielland, met haar eersten roman +optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke +problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de +gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der +menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden +bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en +daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij _Constance +Ring_ (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen, +samen eene familiegeschiedenis uitmakende: _Sjur Gabriel_ (1887), _To +Venner_ (Twee Vrienden) (1887), _S.G. Myre_ (1890), _Afkom_ +(Nakomelingschap) (1898). + +In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog +geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de +aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de +litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans +Jæger opzicht met zijn roman _Fra Kristiania Bohemen_. Men kan dit boek +rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een +maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er +wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije +liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt, +is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt, +en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij +aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die +dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de +schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat +sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel +mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk maakte van +schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was, +daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver +heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor +hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier +heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met +een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek +daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de +regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij +legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf +veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er +werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele bohême-litteratuur. +Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor +was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben +aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de +zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan één kunstwerk +gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband +ontmoeten. Maar Jæger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot +schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige +schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met +_Fra Kristiania Bohemen_. Hier is Jæger's roman misschien minder een +voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook +zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het +aankomend individualisme. + +Hans Jæger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een +zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben. +Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook _Syk Kjærlighet_ (Zieke +Liefde) van 1893. Zijn laatste boek _Anarkismens Bibel_ is van 1910. Hij +behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in +de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om +hemelstormers te worden. + +Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven, +ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch +tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste +werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest +ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad +hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden. +Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats +als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de +werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren. + +Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jæderen, het +achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk +van zijn roman _Fred_ (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van +het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk +slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest. +Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te +breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken, +maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid +verschaft had, weder tot zich trokken. + +De jonge Garborg heeft het leven op Jæderen leeren voelen op eene +exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader +aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de piëtistische +geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem +bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en +kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat +hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze +zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot +deel van des dichters latere productie. + +Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een +vroege en uitgebreide lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij +schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan +huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij +pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met +vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's +'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen +aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer, +maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf. +Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later +ontving, van zijn pen geleefd. + +Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne +meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een +uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af, +zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende, +welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen +wilde maken. + +De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet +_Ein Fritenkjar_ (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel +toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is +nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van +den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het +religieuze denken, een der dingen, die in die jaren op het programma +der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van +kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te +doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij +ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man +terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend +predikant, die daarop bij zijne groeve--want de man overleeft dit +weerzien niet--eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den +schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een +preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas +twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had +schuldig gemaakt. + +In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda +voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het +gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze +weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef, +was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van +onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en +spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En +ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is +in den zeer gebruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom +gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te +zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die +hij 13 jaar later in _Trætte Mænd_ tweemaal maakt, waar hij twijfel +oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden. +Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der +andere partij. + +Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg: +_Bondestudentar_ (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste +plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet +meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die +hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de +schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de +Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er +hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij +stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus +naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een +programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en +geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen. + +Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke +ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniël Braut, een +boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere +maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke +mislukking van die poging. Wel brengt Daniël Braut zijne studie ten +einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem +steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen, +door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden, +in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan +karakter in Daniël Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den +strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te +worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal +afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis +van Daniëls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar +zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het +zorgen voor den dag van morgen, immers: + + "God geeft den zijnen kleeren en brood, + terwijl zij zachtelijk slapen." + +Daniël begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt, +mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt +een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de +uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, dat +de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de +zijnen". "De zijnen",--dat zijn de burgemeester en de commissaris van +politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij +zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat +wordt het ideaal van Daniël Braut. Daar er dus van den beginne af in +Daniël geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit +blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij +misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij +zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar. + +In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle +rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze +roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit +Kristiania, die ten deele vóór zijn tijd liggen, maar die hij toch met +een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten. +Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die +men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is +dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven +reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek' +bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de +dubbele beteekenis der figuur--als schepping van Garborg en tevens als +den tijdelijken geestelijken helper van zoovele mannen, die in +Noorwegen beteekenis gehad hebben--deelen wij een paar staaltjes uit een +schooluur mee. + +"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen +en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met +de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het +prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij. +'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich +ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?--och ja. +Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen +moesten klaarspelen--de oude zat maar te 'accompagneeren'--dan ging het +mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den +gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep +zich met twee vingers vast in den neus en las _amo_ met een stem en een +gezicht, dat de jongens het uitbrulden." + +Er wordt vertaald. + +"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder +kwamen--er stond: _nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta +regna reges defendant_--, toen zat hij vast, hij nam _tanta_ bij +_regna_. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebø! Als +je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student, +en dan een varken, en je vond vlak daarop een mooie zijden parasol op +den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en +zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol +verloren?--Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot +je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij +niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja +zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het +varken, neemt _tanta_ bij _regna_, omdat _regna_ het naast bij staat. +Maar _tanta_ hoort bij _vi; quanta vi, tanta vi_, Halvor Mosebø!"--De +jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen' +niet licht. + +Daniël Braut is evenals Tørres Snørtevold in Kielland's _Jacob_ een +boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het +materiëele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen +zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij +behandeld zijn. Tørres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet. +Daniël Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Tørres een +caricatuur, terwijl het lot van Daniël Braut ons tragisch voorkomt. +Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn +natuurlijken kring had gelaten. + +In een paar volgende werken keert Garborg tot de problemenlitteratuur +terug. Maar wat in _Bondestudentar_ gewonnen was, is niet verloren; het +probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost, +maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische +schildering van een reeks levende personen. + +_Mannfolk_ (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie +over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat +groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is +gezegd. Bjørnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak +tendentiedrama _En Hanske_ (Een Handschoen), gevolgd door de brochure +_Engifte og Mangegifte_ (Zij, die met één vrouw en die met vele vrouwen +trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer +zij verneemt, dat hij vóór haar eene andere heeft bemind. Bij het +afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle +oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de +schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie +ontstond. Men was vóór of tegen; in het openbaar meest vóór. Toen +verscheen Hans Jæger's hierboven besproken boek en werd +geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van +Kristian Krogh _Albertine_; ook hiervan werden de exemplaren door de +overheid opgehaald. + +Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van +Bjørnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke +korte vertelling _Ungdom_ (Jeugd) (1885); dan volgt _Mannfolk_, waarin +de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen +kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die +het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het +huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische +eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen +bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig +ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjørnsonsche +idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en +levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch +ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere +geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven +dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit. + +Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de +hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de +tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in +het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan +noch van de eene, noch van de andere afzien,--en zoo blijft hem dan +niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man +en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is +hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne +zuchten in poëtische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem +ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er +aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij +van hèm zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen, +dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij +resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn". + +Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel +is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de +verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen, +vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische +toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele +ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de +beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een +teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want +deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniël +Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist. + +Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het +verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid +het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent +daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere +confiscatiën den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien +maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver. +Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer +opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van _Mannfolk_ +schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden. + +Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan +een hut, aan het meer Savalen in het Østerdal, en weldra treedt hij in +het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn +bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te +meer. + +Het verblijf op Kolbotten--zoo heet Garborg's woning in het +Østerdal--heeft hij beschreven in een idyllisch boek, _Kolbottenbrev_ +(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven +van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen +uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie +en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belangrijksten factor +in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in +het voorbijgaan _Hjaa ho Mor_ (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger +van _Mannfolk_. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven, +maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf +geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat +het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een +pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt, +kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een +verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met +vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt. +Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit +blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch +met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden, +dan toen het voor het eerst het licht zag. + +Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk +_Uforsonlige_ (Onverzoenlijken). Het is geïnspireerd door politieke +gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt. +Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil, +is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een +partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de +'onverzoenlijken' vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat +het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere +consideratiën'. Eén man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De +meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en +slaan dan om. + +Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man +geworden. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 17: Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van +27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjørnson op vrije voeten laten +gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I, +264).] + +[Footnote 18: Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij +later nog eenmaal den redenaar Bjørnson als voorbeeld neemt, ditmaal +voor zijn ideale figuur Dr. Stockman. Dit toont, dat +Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds +levende voorbeelden gebruikte.] + +[Footnote 19: De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de +predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor +iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in +zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de +zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.] + +[Footnote 20: Van zijn romans is er maar één (_Jacob_) geschreven na +zijn werkzaamheid als redacteur.] + + + + +HOOFDSTUK V. + +JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN. + + +Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die +in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad. +Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere +landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls +voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen, +zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de +problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieën +herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor +'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zóó kan het schijnen, wanneer men +uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten +vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de +ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde +lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te +meenen, dat zij den nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als +verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden, +begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890 +debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was, +blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond +treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig. + +Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet +tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat +niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poëzie was slechts in +weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit +het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de +dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van +gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men +kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men +niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de +grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen +waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode +blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen +treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het, +van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn uitgegaan, die +nieuwe bezieling gebracht hebben. + +Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak +tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De +gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd +kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De +tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de +tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand +gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te +putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de +letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch +proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het +sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms +meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium, +dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle +maatschappelijke ontwikkeling. + +Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element; +zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is. +Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering, +stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie +voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel +duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere +naturalisme plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn. +Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en +stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een +zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt, +om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze +schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de +gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men +vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters +van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jæger; wij vinden het +terug bij Gabriël Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die +alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming +als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken; +anderen slaan dit stadium over of maken het door vóór den tijd, waarin +zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme +voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan +zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot +god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te +realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook, +wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het +schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar +de schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan +eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te +deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven +heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang +bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren +resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naïeve +oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost +gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor +ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien. + +Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats +de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in _Vildanden_ +is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,--een diep +pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft, +want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een +pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die _En +Folkefiende_ kenmerkt; de leer van _Vildanden_ is, dat het niet loont, +voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het +in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets +nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant geworden in +_Rosmersholm_ (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier +nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het +drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu +onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke +overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka +wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij +manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het +leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn; +slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op +Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de +mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven +kost, is bijzaak, of liever--daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is +andere taal dan die, welke Relling in _Vildanden_ voert. Het is de taal +van den man met den paardenhoef in _Peer Gynt_, die zielen, welke zich +verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere +ingrediënten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt. + +In een gansch andere sfeer verplaatst ons _Fruen fra Havet_ (De Vrouw +van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van +minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een +ideaal, maar ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida +leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar +vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met +ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige +behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik, +wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar +vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk +verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door +overwinning van het egoïsme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt, +en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die +een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het +hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan. + +Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in _Lille Eyolf_ +(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet, +nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid +verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche +verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van +wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven, +door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart +en het opgeven van het egoïsme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid +geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te +worden'. + +Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poëzie. +Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met +het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida +behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts +incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld +worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In +de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en +hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is +zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt +volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is +wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft +toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven, +en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is +een heerschzuchtig egoïst, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook +een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het +leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich +herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den +dienst opzeide, en het is de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij +hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven +inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij +hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriël +Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruïne over anderen +gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht +jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd, +dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij +wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen +komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van +Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van +bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood +heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is, +stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag +stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en +hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn +zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner +ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten. + +Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in +_Naar vi døde vaagner_ (Als wij dooden ontwaken) (1899). In +tegenstelling met John Gabriël wordt Rubek zich den tweespalt in zijn +leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en +mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt +zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm +en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne +geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te +laten behouden, doen--te laat--een poging, om het verzuimde in te halen. +Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een +gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in +een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien +bestijgen, gaan zij samen onder. + +Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk +voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk +aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het +zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele +drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere +schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen +ook hier weer een voorganger geweest is. + +Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep +heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich aan te +ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze. +Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriël Finne in 1899 op +drieëndertig jarigen, Sigbjørn Obstfelder in 1900 op +vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen +leeftijd. + +Van deze drie toont Gabriël Finne het duidelijkst den samenhang met de +vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest[21], maar +hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige +richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den +vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de +keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt, +het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon +is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het +disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste +oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de +titel van zijn eersten bundel verhalen, _Unge Syndere_ (Jonge Zondaars), +toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn +standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de +maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet +mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie +om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het +cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij +geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de +wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar +wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd +uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan +schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen +lijden, en zóó is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven +romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele +personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte +ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne +bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood +heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman _Rachel_, waarin de +nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat +Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm +heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde. + +Finne's belangrijkste werken zijn: _Filosofen_ (1889), _Unge +Syndere_(1890), _Doktor Wangs Børn_ (1890), _To Damer_ (1891), _Uglen_ +(De Uil) (1893), _Konny_ (een tooneelstuk) (1895), _Rachel_ (1895). + +Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist +geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar +hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt. + +Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjørn Obstfelder op de harde +indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van +de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats +het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling +plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond +hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt +niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne +vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de +eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in +hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den +dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de +menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het +dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is +beurtelings pantheïstisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich +soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft; +deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan één vertelling ontmoet deze +'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke +of uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria +onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit; +Obstfelder weet haar zóó te schilderen, dat inderdaad de verworpene +reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige +overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de +onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel +der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem +belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven +gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale +individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig +voorbeeld leeren wij in _Korset_ (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont +zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name +Dostojewski. + +In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar +daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende +ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien. +Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed +geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet +oud geworden is. + +Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat +lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van +zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook in het portret met den +weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan +eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Nærup siert. + +In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling +met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug +tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse--zelfanalyse--daalt +veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht +der periode, die achter hem ligt. + +De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: _Digte_ (1893), _To +Novelletter, Korset, De røde Draaber_ (De roode Droppelen), _En Præsts +Dagbog_. Van deze heeft _Korset_ het meest de aandacht getrokken. + +Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor +genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen +kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie +boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te +toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot +een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, _Blandt +Anarkister_, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij +op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van de +drie verhalen, die de beide volgende boeken (_Ira_ en _To Noveller_) +bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een +zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel +ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (_En Ensom_); +naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de +psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element +aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar +ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het +licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis. +Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat +hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden. + +Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt, +eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst +behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn +gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn +ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van +dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het +positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te +zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener +oude leer tot een gehoorzaam naprater eener nieuwe leer was geworden; +het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij +gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder +hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de +theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man +was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu +hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte, +de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die +beschreven wordt in _Trætte Mænd_ (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert +de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is +geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te +schrijven, Gabriël Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een +bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op +genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een +ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt +hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood +is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is. + +Maar Garborg is niet Gabriël Gram. Hij laat zich niet door een dominee +op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van +arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij +geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, maar +voor hem zelf is _Trætte Mænd_ een bad, waarin hij afwascht het +negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom +zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officiëele +aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn +oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en +gelijk hij in _Trætte Mænd_ zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers +onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de +Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van +redenen. + +Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's +gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op, +van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte, +omdat hij geen vrede had met God. _Nu_ begrijpt hij hem; nu kan hij met +liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij +zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na _Trætte Mænd_, verscheen +_Fred_ (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm +van een roman wordt verteld. _Fred_ is een overweldigend boek. Nergens +bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier. +Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het +primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking te +geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter +gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de +razernij van den godsdienstwaanzin. + +Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd, +dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom +komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,--maar telkens komt de +duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving +hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige +gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te +krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God +blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking +het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt; +dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot +rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor; +de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo +groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren +luisteren,--en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis, +wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil +doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in +den geest, en,--twijfelt men, dan moet men slechts dat doen, wat het +vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs +en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen +ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen +loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te +verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden. +Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord. + +Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en +dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo +moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn. +Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de +oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om +aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De +schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts +deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de +vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,--niet aan Gods +woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij +heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och, +kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat +het niet erger kon worden!--De aanvallen van angst en twijfel nemen +toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich +verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als +Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en +nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds +thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,--en toch niet alleen, want +ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo +wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten +te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij +ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele +hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de +troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk +in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij +hem; één onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong, +en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek +over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht +en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...." + +Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit +resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij. +dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd +wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in +onzekerheid. Indien er één ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is +het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het +Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het +Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van +Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jæderen de macht gekregen +had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel, +maar gaf hun geen levend geloof. + +Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in +tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op _Fred_ volgen. Twee +daarvan sluiten onmiddellijk bij _Fred_ aan. Zij verhalen de +geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar +en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien +hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk +gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf. + +_Læraren_ (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit +drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In +beide staat één man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders +zedelijk en verstandelijk, maar wordt uitgestooten, omdat hij de +waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid +van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal, +dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld +worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een +ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin, +bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave +behoort tot de 'gewekten', de piëtisten, die bidstonden houden, die +klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaäns is. Hij is zelfs hun +voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op +een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de +quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens +gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen +van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den +armen." Die preek is zóó frisch en zóó geestig, dat het moeite kost, er +niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot. + +"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als +wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen +hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!--En noemen dan die +leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon +gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons. + +"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek +daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal +en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen +komen, moeten met macht naar binnen dringen,--met heel hun heetsten wil. +Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom +noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch +stelt, geeft ook de kracht." + +Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de +schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat +schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert +haar naar buiten. Zij is van zich zelf."--Daarmee valt het gordijn van +dit bedrijf. + +Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende +gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun +volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave +leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders +gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat +wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend +met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die +vrienden van zonde en berouw, die hem een huichelaar noemen, en nu +blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden. +De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de +schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt +verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar +man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen, +ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het +gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch +goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te +treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt. + +Een tweede stuk als _Læraren_ is zeker vroeger noch later ten tooneele +gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een +Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in +voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling. +Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest +persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in +die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin +hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een +spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge +gedachten houden het ver boven het niveau ook der goede +tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen +uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin _Læraren_ speelt, is +den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En +wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de +comische scènes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch +geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is. + +Het andere werk, dat direct bij _Fred_ aansluit, is een boekje vol +poëzie en vol wijsheid. _Den burtkomne Faderen_ (De verloren Vader). Het +is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de +wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies +verloren te hebben, oud vóór den tijd, aan zich zelf en aan de +menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om +eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in +hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint +in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij +heeft vrede gevonden met het leven--en met den dood. + +Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische +oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van +bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zachtheid. Gunnar houdt zich +gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar +niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en +zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden." +Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem +iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En +hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu +in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel +vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid. +En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij." + +Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te +begrijpen. + +Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren +vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen. + +Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee +dichtwerken, _Haugtussa_, en de voortzetting daarvan _I Helheim_. +Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een +visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels +ophoudt; de dichter noemt haar Veslemøy, 'het stakkertje'. Het gedicht +vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar +in den steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen +heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte +en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze +vrouw, die als _volva_ (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar +dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven. + +In _I Helheim_ (In de Hel) gaat daarop Veslemøy in haar koortsigen droom +met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar +diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht +heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur, +maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn +behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een +psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad, +dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten. +Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen +einde komt: + + "Een oogenblik in dit vuur + is eeuwigheid zonder einde." + +Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap +terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat +van zijne kindsheid. Het is losgemaakt van leerstelligheid; de nadruk +wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid. + +Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die +een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog +directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven; +zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als +stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij +zóó hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook +in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld +_Jesus Messias_ (1906), _Den burtkomne Messias_ (1907), _Heimkomin Son_ +(1908). + +Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap +geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan +den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort: + +"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen +katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen +protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en +wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het +volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige +troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed +hebben, maar de rijke man zal branden, heeter dan heet, van eeuwigheid +tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden--. + +"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat +macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen, +liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo +ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?" + +Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een +zedelijk opvoeder van zijn volk geweest. + +In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die +in dezelfde periode optreden. + +Rasmus Løland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk +zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een +groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud, +handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en +vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het +allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn +kinderverhalen _Det store Nashorne_ (De groote Neushoorn) en +_Kvitabjörnen_ (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg +aan het begin van den na Løland's dood verschenen bundel _Paa +Skuggesida_ (Aan den Schaduwkant). + +Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen (geb. 1857), Per Sivle (± +1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen. + +Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende +en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich +door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een +afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer +hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In +het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, _Menneskets Genesis_, +is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn +strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig +leeft het geslacht van Kaïn nog. + +Heiberg's eerste tooneelstuk _Tante Ulrikke_ (1884) houdt zich bezig met +den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos; +hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept +den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig +karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich +slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, _Kong Midas_ (1890), heeft +Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later +zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een +waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten +schijnen, bijna een groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft +verwantschap met _Vildanden_, maar niet alleen het type, ook het stuk is +gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering +en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan +Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering. +Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van +eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der +achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach +van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook +het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog +en houdt de belangstelling gaande. Op _Kong Midas_ volgden een aantal +andere werken, waarvan wij noemen _Kunstnerne_ (1893), waarin de +tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, _Det store +Lod_ (1895), _Harald Svans Mor_ (1899). Een gansch ander karakter dragen +een paar tragische stukken, _Balkonen_ (1894) en _Kærlighedens Tragedie_ +(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles +verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van +de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan +de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem +wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich +van den mensch meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering +is knap, de lezer huivert,--maar hij wenscht van zulk een liefde +verschoond te blijven. + +Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar +wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand +meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige +geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een +stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te +overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot +klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat +hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch, +indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in +pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem +daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van +nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem +behoed hebben,--een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden +trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een +druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt +zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op +elkaar te zetten en te vroolijker te worden, naarmate hij het +moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand +moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet +zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen. + +De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij +nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In _Sult_ is het +honger, in _Pan_ is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de +heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In _Mysterier_ +hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van +waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld, +die van den heer Nagel--zoo heet de man--niet weten wil, nauwelijks +ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van +Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een +zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als +een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele +maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand +bestond reeds in _Fra det moderne Amerikas Aandsliv_, een persifflage, +naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet +objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij, +zoo is in _Sult_ het 'ik' aanwezig. _Mysterier_ is de eerste poging, om +die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar +voortreffelijke maatschappelijke romans, _Redaktør Lynge_, waarin de +verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers +behandeld wordt, en _Ny Jord_, die een troep ijdele kunstenaars, +voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige +kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Bohême-leven, +van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus, +onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een +achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een +niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt +hij weer in _Pan_, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken +_Ved Rigets Port, Livets Spil_ en _Aftenrøde_ en in het wonderlijke +gedicht in dramatischen vorm _Munken Vendt_ (1902). In latere werken +komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar +zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist +Bardsen in _Børn af Tiden_ en in _Segelfoss By_, een aristocratisch +voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en +onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang, +waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type, +dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar +toch reeds van den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver +steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een +litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (_Under +Høststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glæde_) een +nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze +schrijft nu, gelijk in _Sult_, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu +kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid +is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een +ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu +aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat +een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager +te spreken, niet _alles_ van het leven te wachten, maar het toch met +dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'. + +In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters +subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de +wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen +beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn +belangstelling niet onthoudt. Zóó is de wereld, vindt hij, en zóó is het +leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de +zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen. +Drie van deze boeken, _Børn af Tiden, Segelfoss By, Markens Grøde_, +behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver +nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt +hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten +gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die +weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen. +In de plebeïsche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer +van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In _Markens Grøde_ +echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder +geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land +bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en +aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door +toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die +mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en +weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt +is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle +vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel +_Konerne ved Vandposten_. + +Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige +andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar +interessante bundels novellen (in één van deze het uitgelaten vroolijke +stuk _Dronningen af Saba_). En dan het meesterwerk _Livet i Vold_, +uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering. + +Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers +van dit tijdvak,--hij is in 1853 geboren,--maar hij is betrekkelijk laat +begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na +1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen +gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met +oppositie tegen sommige theorieën uit het vorige tijdvak, en wel vooral +tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die +dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het +verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk _Uten +Ansvar_ (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht, +maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den +dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren. + +Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle. +Zijn locaal is het Østerdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert +1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in +kleine bundels: _Skisser, Fra Skog og Fjeld_, e.a. Deze zijn verzameld +onder den titel _Folkelivsbilleder_ (1904). Jongere verzamelingen zijn +_Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier_. Tot hetzelfde type +behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans: +_Fonnaasfolket_ (1902), _Glomdalsbruden, Østerdalskongen_ (een breede +uitwerking van een der Folkelivsbilleder), _Jutulskaret, Knut Veum_ +(1910, het laatste). + +Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur +van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is +dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde +leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand +komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen +behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op +polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer, +zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van +het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij, +waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is, +een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in +die vertelling uit het Østerdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat +het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en +maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die +in tamelijk behoeftige omstandigheden leeft. De man is begaafd en heeft +aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende +zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar +hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan +oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een +carrière-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is +niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt +Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom +toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is +zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden, +wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring +blijft, behoeft dat niet gezegd te worden. + +Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre +en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek; +hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling +van Bjørnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te +zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd. + +Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn +belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte vertellingen. +Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van +De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van +gelijken aard: _Sidsel Sidserk_, _Sølve Solfeng_, en een paar jongere +bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, _Storken, +Høit Tilhest_ en _Hanen_, die door hun comische kracht aan Holberg +herinneren. + +Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode +begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren, +Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb. +1865). + +Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een +lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het +diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak. +Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich +openbarende in meer dan ééne generatie. Zijne opvatting der levensvragen +draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken +zijner eerste periode zijn: _Jon Græff_ 1891, _Ensomme Mennesker_ 1892, +_Mulm_ 1893, _Kobberslangen_ 1894, _Ada Wilde_ 1896, _Ulf Ran_ 1897, +_Enken_ 1899. + +Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door vertellingen uit het +volksleven, _Folkelivsskildringer_, waarvan de eerste bundel in 1894 +uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: _Almue_ 1891, _En +Skibsgut_ 1892, _Straf_ 1893, _Gammelholm_ 1899, alsmede comedies: +_Stridsmænd_ 1896, _Jakob og Kristoffer_ 1900. Ook daarna heeft hij +ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is +van 1921 en draagt den titel _Inde i Fjordene_. + +Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite +heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een +origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen, +veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen, +waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan +worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat. +Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties, +zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch +niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet +onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de +dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan +zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische +juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite +doet, ze door te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver +heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te +vernieuwen. In de jaren 1892--1900 gaf hij uit: _Huldren_ 1892, _Ungt +Folk_ 1893, _Flaggermusvinger_ 1895, _Sus_ 1896, _Fra Hav til Hei_ 1897, +_Hugormen_ 1898, _Trækfugle_ 1899. Van zijn latere werken is misschien +het belangrijkste _Den sidste Gæst_ 1910. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 21: Aan Kielland heeft hij ook zijn roman _To Damer_ +opgedragen.] + + + + +LYRISCHE DICHTERS. + + +In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de +litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al +wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De +romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien +tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts +aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de +groote verskunstenaar, gaat na _Peer Gynt_ geheel tot het proza over; de +romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste +lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en +daarmee zinkt de lyrische poëzie in een winterslaap, die met weinig +onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren +enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder +vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte +onderbreking door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en +Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit _Med Lyre og Lanse_ +(Met Lier en Lans), in 1880 _Vaarbrud_ (Lentedoorbraak), de tweede in +1880 _Polemiske Sonetter_. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk +politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop +zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de +stemmingspoëzie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: _Digte af Per Gynt_, in +1897 _Norsk Høifjeld_, in 1901 _Vintereventyr_. + +Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864), +Caspari op dit gebied vóór geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887, +nieuwe bundels volgden in 1894 _Fra Vaar til Høst_, 1896 _Musik og +Vaar_, 1900 _Det dyre Brød_, 1904 _Fra Kristiana_. Uit deze verzen sprak +een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te +gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden. + +Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag, +een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf, +getiteld _Digte_ en _Nat_, waarin deels, onder den invloed van Deensche +dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel +Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op +het drama en den roman toegelegd. + + + + +UITGAVEN EN LITTERATUUR[22]. + + +ALGEMEENE WERKEN. + +Henrik Jæger, _Illustreret norsk Literaturhistorie_, 3 dln. Kristiania +1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl Nærup, +_Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904_, Kristiania +1905.--Gehrard Gran, _Nordmænd i det 19de Aarhundrede_, 3 dln. +Kristiania 1914. Houdt biographieën in van vooraanstaande mannen op +ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als +_Nordm. 19. A._)--_Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug._ +1915.--J.B. Halvorsen, _Norsk Forfatter-Lexicon._--Edv. Bull, A. +Krogvig, G. Gran, _Norsk biografisk Leksikon._ Verschijnt sedert 1921. + +HOOFDSTUK I. + +_Henrik Wergeland_. Wergeland, _Udvalgte Skrifter_. Kristiania en +Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl Nærup. In +deel VII eene autobiographie, getiteld _Hasselnødder_.--O Skavlan, +_Henrik Wergeland_, Kristiania 1892.--G. Gran, _Henrik Wergeland_ in +_Nordm. 19. A._ dl. 1. + +_Johan Sebastian Welhaven_. Welhaven, _Samlede Digterværker_, 3e +uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.--_Digte i Udvalg_, 1919.--A. +Löchen, _J.S. Welhavens liv og skrifter_, Kria 1900.--G. Gran, _Joh. S. +Welhaven_ in _Nordm. 19. A._ dl. 1. + +HOOFDSTUK II. + +_Asbjørnsen en Moe_. De verzamelingen zijn talrijke malen +uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken +titel _Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr_ (deel I: +_Huldreeventyr og Folkesagn_, deel II: _Folkeeventyr_). Hiervan bestaat +eene volksuitgave en eene geïllustreerde. Aanbeveling verdienen ook de +kleinere geïllustreerde bundels: _Norske Folke- og Huldre-eventyr i +Udvalg_; _Udvalgte Folkeeventyr_; _Eventyrbok for Børn_.--Moltke Moe, +_Det nationale gjennembrud og dets mænd (Asbjørnsen, Moe, Aasen)_ in +_Nordm. 19. A._ dl. 2 (zeer leerzaam). + +_Jørgen Moe_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Jubilæumsudgave. + +_Folkeviser_. M.B. Landstad, _Norske Folkeviser_, Christiania 1853, +is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, _Gamle norske Folkeviser_, +Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der _Norske Folkeviser_, door Knut +Liestøl en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen. + +_J.S. Welhaven_. Zie bij Hoofdstuk I. + +_Bjørnstjerne Bjørnson_. Bjørnson, _Samlede Digterverker, +Standardudgave_, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn +afzonderlijk verkrijgbaar.--P.A. Rosenberg, _Bjørnstjerne Bjørnson_, +1915.--G. Gran in _Nordm. 19. A._ dl. 3.--G. Brandes in _Det moderne +Gjennembruds Mænd_, 2. uitg. 1891--R.C. Boer, _Bjørnstjerne Bjørnson_ in +_De Gids_ (Nov. 1899). dez., _Laboremus_ in _De Gids_ (Aug. 1901). + +_Henrik Ibsen_. Ibsen, _Samlede Digterværker. Standardudgave_, 7 +dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk +verkrijgbaar.--_Ibsens Episke Brand_, udg. af Karl Larsen 1907.--_Ibsens +Efterladte Skrifter_, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de +studie van den dichter.)--_Breve fra Henrik Ibsen_, 2 dln. +1904.--Henrik Jæger, _Henrik Ibsen, Et literært Livsbillede._--G. +Brandes, _Henrik Ibsen_ 1898.--Albert Dresdner, _Ibsen als Norweger und +Europäer_.--John Paulsen. _Samliv med Ibsen_, 1906. _Ny Samling_ +1913.--Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding +der reeds genoemde _Efterladte Skrifter_.--R.C. Boer, _Peer Gynt_ (_De +Gids_ van Oct. 1893). dez., _Kleine Eyolf_ (_De Gids_ van Febr. 1895). +dez., _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.; +o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., _Ibsen's Epische +Brand_ (_Onze Eeuw_, 1909), dez., _Ibsen's Nagelaten Werken_ (_Onze +Eeuw_ 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (_Neophilologus_ 1919). Jacqueline +E. van der Waals, _Brand en de brieven van Ibsen_ (_Onze Eeuw_, Mei +1919).--Een uitvoerig commentaar op _Peer Gynt_ schreef H. Logeman (Den +Haag 1917). + +HOOFDSTUK III. + +_Ivar Aasen_, _Skrifter i Samling_, 3 dln. Kria en Khvn.--Moltke +Moe, _Det nationale gjennembrud og dets mænd_ (zie bij Hoofdstuk II). + +_Aasmund O. Vinje_. A.O. Vinje, _Skrifter i Utval_, utgjevne af Det +norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).--_Dikt og prosaskrifter i +utval_ ved Halvdan Koht Kria, 1903.--_Ferdaminni_ en _Storegut_ zijn +herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske +Samlaget.--Vetle Vislie, _Aasmund Vinje_, Bergen 1890.--Een kort werkje +van denzelfde in de _Norske Folkeskrifter_ udgj. av Norigs Ungdomslag og +Studentmaallaget no. 28.--Halvdan Koht, _A.O. Vinje_ in _Nordm. 19. A._ +dl. 3. + +_Landsmaal_. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het +landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven +tijdschrift _Syn og Segn_. + +HOOFDSTUK IV. + +_Camilla Collett_, _Samlede Verker Mindeudgave_, 3 dln. Enkele +boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.--Alf Collett, _Camilla Colletts +Livs Historie_. 1911.--Lilly Heber, _Camilla Collett_, 1913.--Mathilde +Schjøtt in _Nordm. 19. A._ dl. 1. + +_Ibsen en Bjørnson._. Zie bij Hoofdstuk II. + +_Jonas Lie_. J. Lie, _Samlede Digterverker, Standardudgave_, 10 +dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk +verkrijgbaar.--Arne Garborg, _Jonas Lie, En Udviklingshistorie_, Kria +1893.--Erik Lie, _Jonas Lies Oplevelser_, Kria en Khvn 1908. + +_Alexander L. Kielland_. A.L. Kielland, _Samlede Digterverker. +Standardudgave_, 5 dln. Kria en Khvn 1920. _Breve_, met inleiding van G. +Gran, 1907.--Brandes, _Essays, Fremmede Personligheder_, Khvn 1889, p. +17.--R.C. Boer, _Alexander L. Kielland_ (_De Gids_, Mei 1897). + +_Kristian Elster_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria 1904.--_Brandes, +Essays, Fremmede Personligheder_, p. 1,--A.L. Kielland in de uitgave van +Elsters _Solskyer_. + +_Amalie Skram_. Hare romans zijn afzonderlijk +verkrijgbaar.--_Samlede Skrifter_, uitverkocht. + +_Arne Garborg_. Arne Garborg, _Skrifter i samling. +Jubilaeumsutgaave_, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.--Erik +Lie, _Arne Garborg, En Livsskildring_, Kria 1914.--Zie ook de +Garborg-aflevering van _Syn og Segn_ (Januari-Februari 1921).--R.C. +Boer, _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.). + +HOOFDSTUK V. + +_Gabriel Finne_. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.--R.C. +Boer. _Gabriel Finne_, (_De Gids_, Juli 1898). + +_Sigbjørn Obstfelder_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria en Khvn +1917. De werken ook afzonderlijk. + +_Arne Garborg_. Zie bij Hoofdstuk IV. + +_Rasmus Løland_. Een biographische schets door Arne Garborg is +hierboven bladz. 225 genoemd.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie +vorige pag.). + +_Gunnar Heiberg_. _Samlede dramatische Verker_, 4 dln. Kria +1917-1918. + +_Knut Hamsun_. _Samlede Verker_, 12 dln. Ook afzonderlijk.--John +Landquist, _Knut Hamsun, En studie över en nordisk romantisk +diktare_.--R.C. Boer. _Knut Hamsun_ (_De Gids_ November 1896), dez., +_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April +1912), dez., _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.). + +_Jacob B. Bull_. _Folkelivsbilleder_, 4 dln., 3e uitg. 1919. +_Folkelivsromaner_, 3 dln., 2e uitg. 1918--_Nutidsromaner_, 3 dln. +1918.--_Historiske romaner_. 4 dln.--De meeste werken ook +afzonderlijk.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.). + +_Hans Aanrud_, _Fortællinger_, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der +uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.--R.C. Boer, +_Reisherinneringen_ (zie vorige pagina). + +_Thomas Krag_, _Samlede Skrifter_, 9 dln. De werken ook +afzonderlijk. + +_Hans E. Kinck_. Over zijn drama _Den sidste Gæst_ zie R.C. Boer, +_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April +1912). + +FOOTNOTES: + +[Footnote 22: Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer +beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.] + + + + +REGISTER VAN AUTEURS. + +Aanrud, H. +Aasen, I. +Arnim +Asbjørnsen, P. Chr. +Auerbach, B. +Bjerregaard, H.A. +Bjørnson, B. +Brandes, G. +Brentano +Bugge, S +Bull, J.B. +Caspari, C.P.F. +Collett, C. +Dostojewski +Drachmann, H. +Dybfest, A. +Egge, P. +Elster, Kr. +Faye, A. +Finne, G. +Fjørtoft, O.J. +Garborg, A. +Goldschmidt, M. +Grimm, J. en W. +Gran, G. +Hamsun, K. +Hansen, M. +Heiberg, G. +Heiberg, J.L. +Heiberg, P.A. +Heine, H. +Herre, B. +Hertz, H. +Hielm, J.A. +Holberg, L. +Ibsen, H. +Jacobsen, J.P. +Jæger, Hans +Jæger, Henrik +Kielland, Al. L. +Kinck, H.E. +Knudsen, K. +Krag, Th. +Krag, V. +Krogh, Kr. +Landstad, M.B. +Lie, J. +Løland, R. +Mill, Stuart +Moe, J. +Moe, M. +Munch, A. +Munch, J. Storm +Munch, P.A. +Novalis +Nærup, C. +Obstfelder, S. +Randers, Kr. +Runeberg, J.L. +Sagen, Lyder +Sars, E. +Schjøtt, M. +Schiller, Fr. von. +Schultze, H. +Schwach, C.N. +Seip, D.A. +Sivle, P. +Skavlan, O. +Skram, A. +Snorri Sturlason +Spencer, H. +Tvedt, J. +Vinje, A. +Vislie, V. +Vogt, N. Collett +Welhaven, J.S.C. +Wergeland, H. +Øhlenschläger, A.G. +Østgaard, N. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de +Negentiende Eeuw, by R.C. Boer + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE *** + +***** This file should be named 13591-8.txt or 13591-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13591/ + +Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/13591-8.zip b/old/13591-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8b8d68f --- /dev/null +++ b/old/13591-8.zip diff --git a/old/13591-h.zip b/old/13591-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e13dbe2 --- /dev/null +++ b/old/13591-h.zip diff --git a/old/13591-h/13591-h.htm b/old/13591-h/13591-h.htm new file mode 100644 index 0000000..3b4af98 --- /dev/null +++ b/old/13591-h/13591-h.htm @@ -0,0 +1,5899 @@ +<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"> +<html> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content= + "text/html; charset=iso-8859-1"> + <title> + The Project Gutenberg eBook of NOORWEGENS LETTERKUNDE IN DE NEGENTIENDE EEUW, by R.C. Boer. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- + P { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + H1,H2,H3,H4,H5,H6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + } + HR { width: 33%; + margin-top: 1em; + margin-bottom: 1em; + } + BODY{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + } + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */ + .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */ + .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */ + .sidenote {width: 20%; margin-bottom: 1em; margin-top: 1em; padding-left: 1em; font-size: smaller; float: right; clear: right;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;} + .poem .caesura {vertical-align: -200%;} + .spaced {letter-spacing: 2px} + // --> + /* XML end ]]>*/ + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de Negentiende +Eeuw, by R.C. Boer + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw + +Author: R.C. Boer + +Release Date: October 4, 2004 [EBook #13591] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE *** + + + + +Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + + + + + +</pre> + + + +<!-- Autogenerated TOC. Modify or delete as required. --> + <a href='#NOORWEGENS_LETTERKUNDE'><b>NOORWEGENS LETTERKUNDE</b></a><br /> + <a href='#VOORBERICHT'><b>VOORBERICHT.</b></a><br /> + <b>HOOFDSTUK I. Het ontwaken der nationale letterkunde</b><br /> + <a href='#HOOFDSTUK_I'>1. <i>Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814</i>.</a><br /> + <a href='#2_WergelandmdashWelhaven'><b>2. <i>Wergeland—Welhaven.</i></b></a><br /> + <b>HOOFDSTUK II. Romantiek</b><br /> + <a href='#HOOFDSTUK_II'>1. <i>De volksromantiek</i>.</a><br /> + <a href='#2_De_historiseerende_Romantiek'><b>2. <i>De historiseerende Romantiek</i>.</b></a><br /> + <a href='#3_Het_hooggespannen_Idealisme'><b>3. <i>Het hooggespannen Idealisme</i>.</b></a><br /> + <a href='#HOOFDSTUK_III'><b>HOOFDSTUK III. De taalbeweging en de oudste schrijvers in landsmaal</b></a><br /> + <a href='#HOOFDSTUK_IV'><b>HOOFDSTUK IV. Het realisme</b></a><br /> + <a href='#HOOFDSTUK_V'><b>HOOFDSTUK V. Jongere richtingen en persoonlijkheden</b></a><br /> + <a href='#LYRISCHE_DICHTERS'><b>LYRISCHE DICHTERS.</b></a><br /> + <a href='#UITGAVEN_EN_LITTERATUUR'><b>UITGAVEN EN LITTERATUUR.</b></a><br /> + <a href='#REGISTER_VAN_AUTEURS'><b>REGISTER VAN AUTEURS.</b></a><br /> + +<!-- End Autogenerated TOC. --> + + + +<p>VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK</p> + +<p>onder redactie van de Vereeniging "V.U.B."</p> + +<p>Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, <i>Voorzitter</i>; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM, +Amsterdam, <i>Ondervoorzitter</i>; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM; +Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J. +BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY; +Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS; +Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR. +J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, <i>Secretaris</i>.</p> + +<p>20</p> + +<p>HAARLEM</p> + +<p>DE ERVEN F. BOHN</p> + +<p>1922</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='NOORWEGENS_LETTERKUNDE'></a><h2>NOORWEGENS LETTERKUNDE<br />IN DE NEGENTIENDE EEUW</h2><a name='Page_2'></a> + +<p>DOOR<br /> +DR. R.C. BOER<br /> +Hoogleeraar te Amsterdam</p> + +<p>HAARLEM<br /> +DE ERVEN F. BOHN<br /> +1922</p> + +<a name='Page_3'></a> + +<a name='Page_5'></a> + + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='VOORBERICHT'></a><h2>VOORBERICHT.</h2><a name='Page_6'></a> +<br /> + +<p>Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19<sup>e</sup> eeuw begint +met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is +slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de +voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het +chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt +ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien, +verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te +buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te +behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd +op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode +hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan +allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering +gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel vóór 1900 +debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt, +niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen<a name='Page_7'></a> +eener—niet al te enge—keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die +wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe +plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen +althans eenigszins tot hun recht komen.</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='HOOFDSTUK_I'></a><h2><a name='Page_8'></a>HOOFDSTUK I.</h2> + +<p>HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE.</p> +<br /> + +<p>1. <i>Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814</i>.</p> + +<p>In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen +aan eene diepe depressie ten prooi. Eén ding was er, dat met recht de +geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat +waren, in beslag nam—de inrichting van den nieuwen staat en van zijne +organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene +aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan +voorbijgaande belangstelling aanspraak maken.</p> + +<p>De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de +ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie +had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen, +en de omstan<a name='Page_9'></a>digheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen +ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land +nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en +wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch +van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als +officiëele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide +landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was +verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in +sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het +accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop +der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd, +dat er geen sprake meer was van tweeërlei bevolking. Het was trouwens +een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name +het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen +overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper +geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn.</p> + +<p>Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen +stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde +dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis +had. Voor de plattelands<a name='Page_10'></a>bevolking beteekende dit een ophouden van het +litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten, +bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale +sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen +voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop +der 19<sup>e</sup> eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten +opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg +nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het +voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst, +accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan +vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben +meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken +zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan.</p> + +<p>Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene +eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde +deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken +werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal +geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te +onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder +mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet +gebruikelijk waren; dit waren <a name='Page_11'></a>provincialismen, die toch niet aan de +taal een zeer bijzonder karakter gaven<a name='FNanchor_1_1'></a><a href='#Footnote_1_1'><sup>[1]</sup></a>.</p> + +<p>Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der +Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won +Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de +minder ontwikkelde volksklasse,—een samenhang, die in dien tijd toch +niet heel veel kon beteekenen—, trad een samenhang met Denemarken, dat +geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de +algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale +tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld +werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien +bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet +slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te +laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche +kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der +periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De +grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen +afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18<sup>e</sup> eeuw zijn +er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden. </p><a name='Page_12'></a> + +<p>De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt. +Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het +beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou +geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien +er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin +nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een +klein land geen geringe beteekenis.</p> + +<p>Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met +Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het +was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de +wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land +is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel +schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats, +die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam, +het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw +volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te +volbrengen.</p> + +<p>De krachten van het nieuwe volk worden <a name='Page_13'></a>in de eerste plaats besteed aan +het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet +later volgen. Vóór alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en +bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar +veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische +neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet +denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden. +Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen +staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en +voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote +machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog +hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat +oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men +koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust, +dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat +het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de +ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot +ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te +scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt, +draagt het stempel van deze armoede. Het zijn <a name='Page_14'></a>òf herhalingen der poëzie +van de achttiende eeuw, òf bombastische loftuitingen op het Noorsche +volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder +Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn +alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van +vreemde voorbeelden, Schiller, Øhlenschläger, de Duitsche romantici; +iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee +verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als +nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den +titel <i>Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815</i>. Ongeveer al, wat zich in +Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee +bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat "ook tusschen +Noorwegens klippen bloemen groeien". Maar onder die twintig is er niet +één, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_1_1'></a><a href='#FNanchor_1_1'>[1]</a><div class='note'><p> Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in +Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje <i>Dansk og +Norsk i Norge i eldre Tider</i>, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden +schrijver <i>Norsk Sproghistorie</i> (1920).</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='2_WergelandmdashWelhaven'></a><h2>2. <i>Wergeland—Welhaven.</i></h2> +<br /> + +<p>Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel +met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als +met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en +land—maar toch vooral de stad—met rumoer. Het is treffend, dat wij bij +deze eerste vlucht omhoog, die de <a name='Page_15'></a>nieuwe Noorsche litteratuur maakt, +een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven +toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook +later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met +hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen +nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale +gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en +aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en +een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den +algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den +moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland—Welhaven.</p> + +<p>Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet +meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene +productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal +jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn +jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot +stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch +predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van +1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de +herinnering aan dat jaar hoog <a name='Page_16'></a>gehouden werd, en dit milieu heeft een +stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd +kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige +vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige, +opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg +onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen, +maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de +theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in +kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het +rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later, +bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant +aan de actieve politiek deelgenomen.</p> + +<p>Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke +werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op +een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld <i>Skabelsen, Mennesket og +Messias</i> (De schepping, de mensch en de Messias).</p> + +<p>Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet zóó te verstaan, +dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof +had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die +van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van <a name='Page_17'></a>meer +dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te +schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript +van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met +de volgende vellen.</p> + +<p>Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en +wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van +dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het +formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn +persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont.</p> + +<p>De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene +allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche +overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol. +Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar, +komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange +ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer +nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van +dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd +van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de +dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke +een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter +telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. <a name='Page_18'></a>De revolutie is +daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom +ook door den dichter een "bijbel der republikeinen" genoemd.</p> + +<p>Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te +onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent, +en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de +menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet +bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken. +Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een +gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de +gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit +iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de +lezers—Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen—, maar de heftige +toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele +vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het +gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het +tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd +over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum.</p> + +<p>Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft <i>Skabelsen, +Mennesket og Messias</i>, gelijk de geheele productie van Wergeland, +<a name='Page_19'></a>groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust +der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze +beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander +verdringen, in den regel zóó snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt, +maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te +zeggen heeft,—soms echter ook zóó veel, dat hij valt over zijn woorden. +Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte +gevoeld werd.</p> + +<p>In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een +groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm +(o.a. <i>Papegøien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle, +Barnemordersken</i> e.a.), vertellingen in verzen (<i>Jan van Huysums +Blomsterstykke, Den engelske Lods</i>), verhandelingen over politiek, +geschiedenis (<i>Norges Konstitutions Historie</i>), moraal, taalhervorming +en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij +ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men +thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn +beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook +in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor +algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van +vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de +emancipatie der Joden. Het werk <a name='Page_20'></a>voor verlichting hangt samen met de +houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand +aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren +geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was +een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij +te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te +nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon, +heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der +impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld +aannam van Carl Johan,—inderdaad een inconsequente handelwijze voor den +dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op "tyrannen" +af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld, +en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs +verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld +als een nationaal verlies.</p> + +<p>Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf +aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode +Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene +aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en +de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne <a name='Page_21'></a>moeder was een nicht van den +Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L. +Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave +gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge +menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche +patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte +zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten +van den Noorweegschen "odelsbonde" (d.i. de boer, die bezitter van zijn +goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op +wat Deensch was. In de politiek was Zweden de bête noire geworden; in +zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken.</p> + +<p>Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of +voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts +in straatoploopen en andere luidruchtige manifestatiën. De aanvoerder +van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu +ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen. +Het verschijnen van <i>Skabelsen, Mennesket og Messias</i> deed den emmer +overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze +Wergeland zijn "razen tegen het verstand" verweet. Een heftige +pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epi<a name='Page_22'></a>grammen. +Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe +heftigheid voortgezet.</p> + +<p>Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend +resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur +het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor +hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de +representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in +plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen +van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand +gekomen, dat <i>Norges Dæmring</i> (De Schemering van Noorwegen) heet.</p> + +<p>Een grooter tegenstelling dan die tusschen <i>Skabelsen</i>, <i>Mennesket og +Messias</i> en <i>Norges Dæmring</i>, laat zich niet denken. In <i>Norges Dæmring</i> +voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig +van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76 +sonnetten; de vorm is meesterlijk.</p> + +<p>Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang +herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen +krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke +de patriotten gewend waren te geven. Groot en <a name='Page_23'></a>sterk is het land, +krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar +tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk +gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de +schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg +voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen +vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte +de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen, +Trondhjem;—nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij +wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die +groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En +welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om +vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen +geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om +tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor +krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke +vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des +geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze +gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich +alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal +daad zal worden, wat nu <a name='Page_24'></a>woorden zijn, zoekt de dichter troost<a name='FNanchor_2_2'></a><a href='#Footnote_2_2'><sup>[2]</sup></a>. +Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der +voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar +waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord;<br /></span> +<span>hvad Norge var, det maa han engang vorde<br /></span> +<span>paa Land, paa Bølge og i Folkerang."<br /></span> +</div></div> + +<div class='blkquot'><p>(Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet + het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der + volken). </p></div> + +<p><i>Norges Dæmring</i> is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe +bijgedragen, Noorwegen <i>i folkerang</i> te doen worden, wat het eenmaal +was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de +massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg +ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij +ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door +een troep gemeen afgeranseld.</p> + +<p><a name='Page_25'></a>Een daad was <i>Norges Dæmring</i> niet minder in de litteratuur. Hier werkt +die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren, +klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodieën te laten +hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank.</p> + +<p>Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en +Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de +uitvoerigste "Literaturhistorie" van Noorwegen van Henrik Jæger kan men +het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de +groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En +ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen +in de 19<sup>e</sup> eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden +nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de +kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt, +is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is +het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur +evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het +sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de +latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen +zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie +van Wergeland, en ook zijn behoefte, <a name='Page_26'></a>om aanvoerder van eene massa te +zijn, vinden wij terug bij Bjørnson; het scherpe verstand, de vlijmende +spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven +keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bjørnson ook in zijn patriottische +zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van +grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met +gelijke trekken bij Welhaven.</p> + +<p>Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor +Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der +eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn +verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming<a name='FNanchor_3_3'></a><a href='#Footnote_3_3'><sup>[3]</sup></a>, en de practijk +tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als +die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het +verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de +gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich +zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken, +wanneer zij maar half af waren.</p> + +<p>Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door +verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij +<a name='Page_27'></a>vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij +had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt +werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van +zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende +eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe +gedachtenstroomingen.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_2_2'></a><a href='#FNanchor_2_2'>[2]</a><div class='note'><p> +</p><p> +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad,<br /></span> +<span>hvad nu er taust skal finde starke Munde<br /></span> +<span>i Thingets Sale og i Templets Buer;<br /></span> +<span>hvad nu er Larm skal blive vise raad,<br /></span> +<span>og vis'ne ho'der byttes om med sunde—<br /></span> +<span>hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer!<br /></span> +</div></div> +</div> + +<a name='Footnote_3_3'></a><a href='#FNanchor_3_3'>[3]</a><div class='note'><p> <i>Om norsk sprogreformation</i>. Een voorganger had Wergeland +hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='HOOFDSTUK_II'></a><h2><a name='Page_28'></a>HOOFDSTUK II.</h2> + +<p>ROMANTIEK.</p> +<br /> + +<p>1. <i>De volksromantiek</i>.</p> +<br /> + +<p>Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche poëzie eene bloeiperiode aan. +Het is de romantiek, die haar intocht houdt<a name='FNanchor_4_4'></a><a href='#Footnote_4_4'><sup>[4]</sup></a>. De vorige periode leefde +in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der +Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar +een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong +niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in +het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er +reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te +regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe +onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de +toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De +romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur, +en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen +machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen, +juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een +frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik +vóór alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij +op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de +krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder +de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk +geïmporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden +de hekken van het patriottisme verhangen. </p><a name='Page_29'></a> + +<p>De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen +zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was +en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede +helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland +gekomen, waar men de zaak grondig <a name='Page_30'></a>had opgevat. Herder was begonnen met +studiën over volkspoëzie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven, +om òf de stof te gebruiken in eigen gedichten, òf den toon van het +volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet +de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op +getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und +Hausmärchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn). +In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de +meest bekende dichter van den tijd, Øhlenschläger, zich van deze stoffen +meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu +is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide +richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van +stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de +getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste +werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone +bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht +hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste +beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C. +Asbjørnsen en Jørgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich +als eerste uitgever van volkspoëzie M.B. Landstad aan.</p> + +<p><a name='Page_31'></a>Asbjørnsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de +stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen +zouden geven<a name='FNanchor_5_5'></a><a href='#Footnote_5_5'><sup>[5]</sup></a>. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De +overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van +teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet +alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat +dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm +bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot +zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de +bijzondere wijze van uitdrukking de poëzie dezer vertellingen gelegen +was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden +uitgegeven in de officiëele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en +uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon, +zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun +zóó goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die +tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen +gelezen worden, hebben zij ook <a name='Page_32'></a>een zeer grooten invloed gehad op de +ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het +Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van +deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de +latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed +van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer +Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens +nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die +boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van +voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe, +den zoon van Jørgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is +voortgegaan.</p> + +<p>De <i>Norske Folkeeventyr</i> (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841 +verschenen<a name='FNanchor_6_6'></a><a href='#Footnote_6_6'><sup>[6]</sup></a>, behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche +letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan, +grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen zóó +eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan +in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting +mee<a name='Page_33'></a>deelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het +bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een +geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme +litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote +dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het +werk tot op dezen dag niets verloren.</p> + +<p>Een eenigszins ander karakter dan de <i>Folkeeventyr</i> dragen twee andere +verzamelingen van Asbjørnsen, <i>Norske Huldreeventyr og Folkesagn</i> (N. +Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven. +Asbjørnsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van +romantiek tot realisme. Ofschoon het woord "eventyr"<a name='FNanchor_7_7'></a><a href='#Footnote_7_7'><sup>[7]</sup></a> in den titel +voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen +omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbjørnsen +legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan, +en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog +geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die +een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van +zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote +plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn +vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de +natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de +Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen—Oostlandsch—dialect. Het +werk van Asbjørnsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het +volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst +gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel +<i>Plankekørerne</i> (De Plankenvoerlui) draagt.</p> + +<p><a name='Page_34'></a>Asbjørnsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar +duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter +karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr +og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbjørnsen aan zijn zegslieden +het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire, +ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi +gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek +heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De +Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan +ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij.</p> + +<p><a name='Page_35'></a>In 1853 gaf Landstad uit <i>Norske Folkeviser</i>. Daarop volgde in 1858 een +kortere verzameling van Sophus Bugge: <i>Gamle norske Folkeviser</i><a name='FNanchor_8_8'></a><a href='#Footnote_8_8'><sup>[8]</sup></a>. Deze +boeken zijn niet zóó algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes +van Asbjørnsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd<a name='FNanchor_9_9'></a><a href='#Footnote_9_9'><sup>[9]</sup></a>. +Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door +weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten +konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden +opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal +geärchaïseerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen +toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te +verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds +voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is +veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de +opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de +sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen +staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een +veel vroegere periode (de 16<sup>e</sup> eeuw) zijn opgeschreven.</p> + +<p><a name='Page_36'></a>Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad, +niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de +gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters +hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de poëzie in hooge +mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads +uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen.</p> + +<p>Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de +eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden. +Na de dæmringsfeide<a name='FNanchor_10_10'></a><a href='#Footnote_10_10'><sup>[10]</sup></a> zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel +<i>Digte</i> uit. Later verschenen <i>Nyere Digte</i> 1845, <i>Halvhundrede Digte</i> +1848, <i>Digte</i> 1851, <i>Digte</i> 1860, eindelijk nog <i>Sidste Digte</i> (van 1860 +tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste +helft der eeuw heeft voortgebracht.</p> + +<p>De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch +ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud +naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar +naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw +element bij.</p> + +<p><a name='Page_37'></a>Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun +gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige +periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd +en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt +lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat <i>Vidar</i>. <i>Vidar</i> +is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het +einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. <i>Vidar</i> was ook de +naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte +van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het +monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft.</p> + +<p>De gedichten <i>Sisyphos, Glaukos, Goliath, Møkkurkalv, Nehemias</i> (1839), +<i>Tantalos, Protesilaos, Kalchas</i> (1845), <i>Herakles, Ganymedes, +Philoktetes</i> (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het +voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben +verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van +eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de +wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een +merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang, +nadat hij in <i>Et Dukkehjem</i> en <i>Gengangerne</i> met de publieke opinie +slaags was geweest. Eerst komt <a name='Page_38'></a>een uiting van lust om den strijd voort +te zetten in <i>En Folkefiende</i>, dan de ontmoedigde verklaring, dat de +man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in +<i>Vildanden</i><a name='FNanchor_11_11'></a><a href='#Footnote_11_11'><sup>[11]</sup></a>.</p> + +<p>Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks +vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de +liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid. +Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat +hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven +liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel +woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de +universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf +zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen +samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig, +heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die +der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten +samen met die der mythologische gedichten. Ook hier <a name='Page_39'></a>bestaat een +merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding +voor het leven ontvangt,</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"naar løst fra længsler og fra vild begær<br /></span> +<span>den flyer til mindets aandehjem befriet"<a name='FNanchor_12_12'></a><a href='#Footnote_12_12'><sup>[12]</sup></a>.<br /></span> +</div></div> + +<p>(Kærl. Komedie, Værker II, 261).</p> + +<p>Vergelijk daarmee Welhaven's verzen:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Hver en Fryd maa trylles om<br /></span> +<span>til et Savn, som Sjælen freder;<br /></span> +<span>Mindet kun et Held bereder,<br /></span> +<span>der er Livets Eiendom"<a name='FNanchor_13_13'></a><a href='#Footnote_13_13'><sup>[13]</sup></a>.<br /></span> +</div></div> + +<p>(Digte 1845. Værker II, 234).</p> + +<p>Voornaam is deze poëzie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde +heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen +hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar +persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij +als schoon gevormde gedachte tot den lezer.</p> + +<p>Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische +beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan <a name='Page_40'></a>deze +beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij +Welhaven's natuurpoëzie te danken. De romantische vlucht van de stad en +de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar +ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze +dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof. +Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, nøkken, +nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbjørnsen ze deed, hun +intree in de kunstpoëzie. Welhaven heeft in dit genre veel +natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En +ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden +was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was. +Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan +de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want +zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers +wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer +genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische poëzie van een +dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn +tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook +nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden +bron van poëzie een <a name='Page_41'></a>rijke was, die in de behoefte van meer dan één +geslacht kon voorzien.</p> + +<p>Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad, +in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden. +Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige +generatie.</p> + +<p>Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich +verwijderen van het realisme waarnemen. <i>Norges Dæmring</i> is te gelijk +idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des +dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor +zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn +pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in +bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn +troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het +leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart +zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee +richtingen. Voor de eene—en dit is de richting der +huldre-romantiek—bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,—ook +Asbjørnsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze +gehuldigd,—voor de andere zijn de ware objecten voor onze +belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen, +en deze richting loopt <a name='Page_42'></a>uit op menschenstudie en zoodoende op realisme +in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbjørnsen in enkele stukken +gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in +de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt +voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbjørnsen's +realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot +doorbraak komen.</p> + +<p>Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten +van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van +verschil. Welhaven heeft zich ook sterk geïnteresseerd voor de +verzamelingen van Asbjørnsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de +behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn +behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van +populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche +letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche +Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van +de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een +stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de +geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid +vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch.</p> + +<p>In 1840 werd Welhaven lector,—later (1846) <a name='Page_43'></a>professor in de +philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het +vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft +nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het +jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus +is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan +historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een +duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan +van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn. +Hij stierf in 1873.</p> + +<p>Ook Jørgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen, +is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de +natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door +eenvoud en religieusiteit.</p> + +<p>Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook +melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in +verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters +der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot +de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's <i>En Jægers +Erindringer</i>, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der +schilderingen van het volks<a name='Page_44'></a>leven behoort Østgaard's <i>En Fjeldbygd</i>. Het +boek staat onder den invloed van Asbjørnsen's vertellingen, maar hij +miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene +zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van +talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet +hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan +twijfelen, of het boek wel tot de poëtische litteratuur gerekend kan +worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbjørnsen +las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het +denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van +eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling.</p> + +<p>Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen +schreef, samen uitgegeven onder den titel <i>Fra Lofoten og Solør</i>, +interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake +is,—Solør ligt in het binnenland—de bewoners der eilanden hun eerste +intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger +van Jonas Lie.</p> + +<p>Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bjørnson's +boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in.</p> + +<p>Bjørnstjerne Bjørnson is in 1832 geboren als <a name='Page_45'></a>zoon van een +dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te +zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania, +waar hij een tijd lang Heltberg's "studentenfabriek" bezocht—zie +hierover meer in Hoofdstuk IV—en in 1852 student werd. Reeds te voren +had hij een—onrijp—tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij +regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856 +bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe +Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier +dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het +eene is <i>Mellem Slagene</i>, dat in een ander verband besproken wordt; het +andere is <i>Synnøve Solbakken</i>, de eerste zijner boerenvertellingen.</p> + +<p>Men kan zeggen, dat Bjørnson's novellen eene periode openen, en dat zij +er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze +beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling, +die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de +voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De +sprookjes van Asbjørnsen en Moe zijn rijk aan poëzie, maar toch niet in +de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct +van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van <a name='Page_46'></a>Østgaard +was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door +menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bjørnson vereenigde +een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot +vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst +kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel +uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten +opgang maakten.</p> + +<p>Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke +zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste +gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te +vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt +met Vinje's kritiek op Bjørnson's volgende vertelling <i>Arne</i>, die later +zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van +boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bjørnson, en die den +schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede +stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers +met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bjørnson en zijn +criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bjørnson +mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet +het portret nader bij de werkelijkheid staan.</p> + +<p><a name='Page_47'></a>De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in +twee jeugdwerken van Ibsen, <i>Gildet paa Solhoug</i> (Het Feest te Solhoug, +1855) en <i>Olaf Liljekrans</i> (1856). Deze twee stukken representeeren een +eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter.</p> + +<p>Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een +welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen, +en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee +gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te +Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In +de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te +bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte +hij. Zóó is zijn eerste drama <i>Catilina</i> ontstaan in den winter 1848-'49 +(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania, +bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk <i>Kæmpehøien</i> +van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste +doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij +een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen, +met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu +volgen snel op elkander <i>Sankthansnatten, Fru Inger til Østraat, Gildet +paa Solhoug</i> en <i>Olaf Liljekrans</i>. Het <a name='Page_48'></a>eerste van deze werken is van +geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre; +over de beide laatste zal hier iets gezegd worden.</p> + +<p>Toen Ibsen <i>Gildet paa Solhoug</i> schreef, waren zijne oogen reeds +opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe +letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde +zijne gedachten in eene andere richting. <i>Gildet paa Solhoug</i> zou, wat +de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend; +de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14<sup>e</sup> eeuw), en door het +hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar +onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht +te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene +voorstudie voor <i>Hermændene paa Helgeland</i>, dat geheel onder den invloed +der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der +volkspoëzie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen +worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor +<i>Olaf Liljekrans</i> bestaan verschillende voorstudiën. Voor een van deze, +en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (<i>Rypen +i Jostedal</i>, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling +volkssagen van Faye, die hierboven (blz. <a href='#Page_31'>31</a>) genoemd werd. Wij hebben +hier dus een stof, die met <a name='Page_49'></a>Asbjørnsen's vertellingen punten van +aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door +het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd; +er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier zóó ver, +dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een +volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat +citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen +den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door +overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde +stuk <i>Sankthansnatten</i>, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt.</p> + +<p>Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te +stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een +voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre +opgang gemaakt had, met name in zijn drama <i>Svend Dyrings Hus</i>. Wanneer +men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz +nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige +kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere +uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van <i>Olaf +Liljekrans</i> is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en +een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk +is. Het toont, dat de <a name='Page_50'></a>dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling +door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die +het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo +gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de +dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme +voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs zóó +ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling +schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst +proclameert. Deze verhandeling—later uitgegeven in het tiende deel +zijner <i>Samlede Værker</i>—verscheen na de beide tooneelstukken en +beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857) +verscheen <i>Hermændene</i>, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie +opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama +gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym +Jokum Pjurre, eene comedie <i>Gildet paa Mærrahoug</i>, waarvan reeds de +titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (<i>mær</i> +beteekent merrie).</p> + +<p>Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de +eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed, +waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal—groote +stukken van <i>Olaf Liljekrans</i>, waar de individueele lyriek de +<a name='Page_51'></a>volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen +geschreven heeft—, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar +ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester, +die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de +beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van +bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn, +reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal +zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen +jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in <i>Kejser og Galilæer</i>.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_4_4'></a><a href='#FNanchor_4_4'>[4]</a><div class='note'><p> Vertalingen van werken der Duitsche romantische school +komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von +Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici +werden gelezen (zie Jægers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan +uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.</p></div> + +<a name='Footnote_5_5'></a><a href='#FNanchor_5_5'>[5]</a><div class='note'><p> De eenige voorganger van Asbjørnsen en Moe was de predikant +Faye, die in 1833 een verzameling <i>Norske Folkesagn</i> uitgaf, tamelijk +rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het +karakteristieke niet deed uitkomen.</p></div> + +<a name='Footnote_6_6'></a><a href='#FNanchor_6_6'>[6]</a><div class='note'><p> Een voortzetting door Asbjørnsen met bijdragen uit +opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2<sup>e</sup> uitg. 1876).</p></div> + +<a name='Footnote_7_7'></a><a href='#FNanchor_7_7'>[7]</a><div class='note'><p> Het woord <i>huldreeventyr</i> is een maaksel van Asbjørnsen en +eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van poëtische fantasie, +<i>huldre</i> behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming +voor zulke vertellingen is <i>huldresagn</i>.</p></div> + +<a name='Footnote_8_8'></a><a href='#FNanchor_8_8'>[8]</a><div class='note'><p> In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling <i>Sange, +Folkeviser of Stev</i> (d.i. refreinen) uitgegeven.</p></div> + +<a name='Footnote_9_9'></a><a href='#FNanchor_9_9'>[9]</a><div class='note'><p> Zie echter het litteratuuroverzicht.</p></div> + +<a name='Footnote_10_10'></a><a href='#FNanchor_10_10'>[10]</a><div class='note'><p> Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan +<i>Norges Dæmring</i> een deel uitmaakt.</p></div> + +<a name='Footnote_11_11'></a><a href='#FNanchor_11_11'>[11]</a><div class='note'><p> Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte +als in uitdrukking tusschen <i>Protesilaos</i> (Welhaven, Digtverker II, +219): "Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han kæmper +kun og falder" en <i>Brand</i> (Ibsen, Saml. Værker III, 231): "Men hver, som +gaar i første række, maa falde for sin fagre sag."</p></div> + +<a name='Footnote_12_12'></a><a href='#FNanchor_12_12'>[12]</a><div class='note'><p> "Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd +vliegt naar de geesteswoning der herinnering."</p></div> + +<a name='Footnote_13_13'></a><a href='#FNanchor_13_13'>[13]</a><div class='note'><p> "Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis, +waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een +geluk, dat het eigendom der ziel is."</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='2_De_historiseerende_Romantiek'></a><h2>2. <i>De historiseerende Romantiek</i>.</h2> +<br /> + +<p>In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in +zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den +drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de +historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan +historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden +beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer +dan allen de volksoverlevering cultiveerde, Øhlenschläger, heeft ook tal +van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote +afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de +bloeitijd is niet geheel dezelfde, <a name='Page_52'></a>en het geheel valt later dan in +Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard<a name='FNanchor_14_14'></a><a href='#Footnote_14_14'><sup>[14]</sup></a> een historisch drama +<i>Magnus Barfods Sonner</i> (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had +dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen +toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den +nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient +zijn gedicht <i>Sønner af Norge</i> van 1820 genoemd te worden, dat het +nationale lied van het land geweest is, tot het door Bjørnson's <i>Ja, vi +elsker dette Landet</i> werd vervangen.</p> + +<p>In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de +vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en +drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste +omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van +1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich, +doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studiën gemaakt; +hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de +geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten <a name='Page_53'></a>het eigen land. En hij +waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken +stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele +gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De +romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;—een +liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat +eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid +schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama +<i>Kong Sverres Ungdom</i> (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud +deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door +haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene +intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een +historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende +karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem +zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon +dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre. +Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een +historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd +te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus +een soort heerschappij oefende. In meer dan één genre had hij volstrekt +niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk +gehad, zijn roem <a name='Page_54'></a>te overleven, ofschoon hij tot het laatst is +doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884 +op 73-jarigen leeftijd.</p> + +<p>De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de +Engelsche geschiedenis ontleende tragedie <i>William Russel</i> (1857) werd, +ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde +gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking +(Saml. Værker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars, +toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is +merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in <i>Kærlighedens Komedie</i>, +waar hij een bekrompen dame, Frøken Skære, haar verontwaardiging laat +uiten over een student, die zóó laag, zóó onbeschoft, zóó gemeen was, om +zelfs <i>William Russel</i> te critiseeren. Het stuk wordt hier dus +voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke +plebejers.</p> + +<p>Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie <i>Hertug Skule</i>, die in +1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's +<i>Kongsemnerne</i> was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De +vergelijking was doodend;—hiermee had het aanvoerderschap van Munch in +de Noorweegsche letterkunde een einde.</p> + +<p>Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in +al haar scha<a name='Page_55'></a>keeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt +dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de +ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het +historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch +drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama.</p> + +<p>Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur. +Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche +vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij +voorbeeld de stof voor Munch's <i>En Aften paa Giske</i> uit Snorris Oláfs +saga helga<a name='FNanchor_15_15'></a><a href='#Footnote_15_15'><sup>[15]</sup></a>. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de +nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is +die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en +zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het +persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen zóó, dat niets +meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met +het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der +voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene +kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is.</p> + +<p><a name='Page_56'></a>Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's +romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof +insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder +mate. <i>Catilina</i> valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting +van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd +gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het +gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het +jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk poëzie te halen. +Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet +die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek +aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden.</p> + +<p><i>Fru Inger til Østraat</i> (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter +bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet zóó gevormd, en de +ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk +en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men +den indruk, dat de dichter onder den invloed van het—insgelijks +romantische—gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij +de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen. +Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp +<a name='Page_57'></a>geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch.</p> + +<p>De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn <i>Hermændene +paa Helgeland</i> (1857) en <i>Kongsemnerne</i> (1864). Van deze beteekent het +tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog één historisch +drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier +bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische +en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie +in.</p> + +<p>De stof voor <i>Hermændene</i> en <i>Kongsemnerne</i> is aan de Noorsche oudheid +ontleend. In een enkel opzicht vormt <i>Hermændene</i> nog een overgang van +het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt +niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der +middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den +man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de +<i>Volsungasaga</i> die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen +wordt opgedischt. De <i>Volsungasaga</i> behoort niet tot de beste saga's, +vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof +uit de Edda, en zóó gaat <i>Hermændene</i> in laatste instantie terug op eene +stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die +met de latere volkspoëzie punten van aanraking <a name='Page_58'></a>hebben. Het conflict is +ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama <i>Gildet +paa Solhoug</i> behandeld was. Wanneer desniettegenstaande <i>Hermændene</i> met +recht tot een ander genre geteld wordt dan <i>Gildet paa Solhoug</i>, dan is +de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl. +Maar de stijl is dan ook niet die der <i>Volsungasaga</i>, maar die der +historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd +had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het +voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der <i>Egilssaga</i>, der +<i>Njálssaga</i>,—en hier is de stijl een andere dan in de <i>Volsungasaga</i>. +Men kan dus met recht zeggen, dat in <i>Hermændene</i> de familiesaga in +dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de +<i>Volsungasaga</i>, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in +de <i>Njálssaga</i> voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het +schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is.</p> + +<p>En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie, +waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit +gezichtspunt eene vergelijking van het slot van <i>Gildet paa Solhoug</i> met +het slot van <i>Hermændene</i>. In het lyrisch drama, dat door stemmingen +beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin +bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige +Bengt; <a name='Page_59'></a>de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven +jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint +het geluk. In <i>Hermændene</i> is de hartstocht een stormwind, die alles +wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood +de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij één +man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op.</p> + +<p>Op geheel andere wijze is <i>Kongsemnerne</i> (De Kroonpretendenten) een +historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de +geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante, +maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen, +maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende +langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want +hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van +die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover <i>Kongsemnerne</i> +handelt. Tot nu toe stond het ééne landschap tegenover het andere, en de +geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten +tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken +en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald +Hárfagri had Noorwegen tot een <i>rijk</i> gemaakt; nù moet het <a name='Page_60'></a>een <i>volk</i> +worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als +Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als +bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is +daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne +maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over, +dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet +gegeven is, te leven.</p> + +<p>Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de +Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit +perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen +tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer +naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij +door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was +opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die +kwamen, zouden de Skandinaviërs tot broeders maken, gelijk Hákon +Hákonsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo +nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen +van Hákon wijzen, gelijk Hákon Skule wijst op de dagen van Harald +Hárfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten +beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden +gesteld, <a name='Page_61'></a>Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen. +Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die +op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep: +<i>Vaagner</i> (wordt wakker), <i>Skandinaver</i>! getuigt er van.</p> + +<p>En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de +interessantste figuur van het drama. Want <i>Kongsemnerne</i> is niet alleen +een tijdgedicht—het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht. +Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van ééne zijde van den +dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne +roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is +zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over +hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel +zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het +denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer +noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den +grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn +tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen, +en zelf daarbij onder te gaan.</p> + +<p>Een tijdvak van negen jaren scheidt <i>Kongsemnerne</i> van het geweldigste +van Ibsen's <a name='Page_62'></a>historische drama's: <i>Kejser og Galilæer</i>. De romantische +droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk +afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de +reeks moderne drama's (<i>nutidsdramer</i>) te openen, die aan de letterkunde +van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt<a name='FNanchor_16_16'></a><a href='#Footnote_16_16'><sup>[16]</sup></a>, om +nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit +de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal +geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die +van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste +wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe +verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de +meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de +lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te +dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot +hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk +dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar +het gaat hem als Kaïn; zijn offer <a name='Page_63'></a>wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan +bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor +brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de +verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de +idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en +waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem +dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop +op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal +voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de +ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij +gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich +tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den +Galileër, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een +tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galileër aan hem +persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer +zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galileër +opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den +wettigen keizer ook dien tegen den Galileër aan. In naam herstelt hij +het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist +deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning +voert. Vóór dien tijd <a name='Page_64'></a>heerschte het Christendom in het uitwendige; het +was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde +in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter +begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering +op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument, +waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den +Galileër, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het +Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot +oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de +mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: "Jullie God +is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen." Alleen Makrina +spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: "Verdwaalde +menschenziel,—<i>moest</i> je dwalen, dan zal het je zeker ten goede +gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken +komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode +levenden!"</p> + +<p>Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote +drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die <i>Kejser og Galilæer</i> +direct aan <i>Kongsemnerne</i> bindt. De voorstelling van de roeping is niet +geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest, +waarin de dichter zich <a name='Page_65'></a>jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In +<i>Kongsemnerne</i> is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met +Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft, +wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met +blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd, +maar het begrip is toch aanwezig. In <i>Brand</i> treedt de roeping op als +een eisch, die verschrikken kan. In <i>Peer Gynt</i> is sprake van twee +wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief; +in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van +een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen, +dat zij haar roeping verzaakt. In <i>Kejser og Galilæer</i> blijven alleen de +twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet. +Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is +alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het +resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet +dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of +ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij +kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede +voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en +zóó wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar +wreedsten vorm. Daarom <a name='Page_66'></a>is Juliaan, evenals Kaïn en Judas, een martelaar +voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de +menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor +deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken.</p> + +<p>Zóó ziet een philosophisch extract uit <i>Kejser og Galilæer</i> er uit. Het +stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten +kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen +levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme. +Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij +zóó in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon. +Levend—en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene +nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op +elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van +Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten +heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de +schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld +kent.</p> + +<p>Bij het schrijven van <i>Kejser og Galilæer</i> had Ibsen meer historisch +materiaal, om op te bouwen, dan bij <i>Kongsemnerne</i>, en dit kan een der +oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan +bij het oudere drama. Ook <a name='Page_67'></a>was de dichter in den tusschentijd een ander +geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873, +kort voor het verschijnen van <i>Kejser og Galilæer</i>, aldus uit: +"Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van +wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest +doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te +gelijk geheele, volkomen realistische poëzie; ik heb de figuren voor +mijn oogen gezien in het licht van den tijd,—en wil hopen, dat de +lezers hetzelfde doen." In den zin, waarin de dichter hier het woord +opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de +stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan +Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed +der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien +het juist is, wat Henrik Jæger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt—en +tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen—dat in de +teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar +slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de +teleurstelling van den dichter, die in de jaren vóór 1870 een nieuwen +tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke +persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden +staatsburger had gegrondvest, dan <a name='Page_68'></a>is ook in deze wijze, om de oudheid +in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met +de wijze, waarop de grondgedachte in <i>Kongsemnerne</i> ontstaat onder den +invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm +was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere +banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer +gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke +problemen bezighouden.</p> + +<p>Bjørnson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856 +<i>Mellem Slagene</i> (Tusschen de Gevechten), 1858 <i>Halte-Hulda</i>, 1861 <i>Kong +Sverre</i>, 1862 <i>Sigurd Slembe</i>, 1864 <i>Maria Stuart i Skotland</i>, 1872 +<i>Sigurd Jorsalfar</i> (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot +de historiseerende romantiek de gedichtencyclus <i>Arnljot Gelline</i> +(1870). Afgezien van <i>Maria Stuart</i> vallen al deze werken binnen het +kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van +overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin, +dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof +eene—gefingeerde—gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas +de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In +<i>Mellem Slagene</i> treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als +deus ex machina in een rol, die zeker <a name='Page_69'></a>den historischen Sverre slecht +zou gepast hebben,—hij moet den vrede stichten tusschen twistende +echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man +tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. <i>Halte-Hulda</i> +maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de +handeling gezegd wordt, in de 13<sup>e</sup> eeuw te geschieden. Het conflict is +hier van gelijken aard als in <i>Hermændene</i>, en het is hier gelijk daar +de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in +aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen <i>Hermændene</i> en <i>Halte-Hulda</i> +nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik +de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de +natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bjørnson zich tot het +publieke leven, dat—wanneer men een stof uit de oudheid +kiest,—natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die +men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de +stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de +koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt.</p> + +<p>Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters +blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's +van Ibsen en van Bjørnson niet groot. Vergelijkt men Bjørnson's +historische drama's met die <a name='Page_70'></a>van een vroegeren tijd, dan is er wel een +groote afstand. Bjørnson had levendigheid van geest en een groot lyrisch +talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij +had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een +dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter +heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen +wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die +hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen +oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis +te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere +menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist +hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren +weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond +hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De +individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel +oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en +zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van +elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's +gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de +man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook +dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet <a name='Page_71'></a>de noodzakelijkheid niet +in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan <i>Sigurd Slembe</i>, het stuk, dat +doorgaat voor het beste van Bjørnson's historische drama's. Uitwendig +heeft de held eenige gelijkenis met Skule in <i>Kongsemnerne</i>. Als deze +tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft +ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om +zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren +koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel +trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem +vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt +Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van +dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet +precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een +toeval—de grootere haast van de vijanden—de oorzaak, dat Sigurd +misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een +psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de +hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die +Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang +bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed +meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn +vrienden beraden had, wat nu <a name='Page_72'></a>te doen stond, voor hij sluipmoordenaar +werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem +gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de +grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond +onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu +consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde +bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen +bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin, +waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar één pijl +verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter +gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche +vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het +eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad +en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan. +Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus +willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis.</p> + +<p>Maar Bjørnson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de +ontwikkeling eener handeling. Bjørnson is niet een steller van vragen; +daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een +beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe +<a name='Page_73'></a>anders had <i>kunnen</i> handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht; +het is hem genoeg, dat de man anders had <i>moeten</i> handelen. Hij wil +verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te +bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een +exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een +schouwburgpubliek gaarne zien.</p> + +<p>Er wordt in Bjørnson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls +zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den +regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den +mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms +leest men dingen van grenzenlooze naïveteit. Ook hiervoor zal een +voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het +gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de +tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd +morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk +geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over +op de karakteristiek van den man. Eén is er van meening, dat Sigurd zulk +een aard heeft, dat òf alle anderen moeten omkomen, òf hij. En deze man +eindigt aldus: "Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat +hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals +vereenigd zal <a name='Page_74'></a>worden tot eene heerlijke bedoeling.—Vrienden, ik geloof +aan een leven na dit."</p> + +<p>Dat "vrienden" vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof +men Bjørnson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort +uitbrengen.—Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek +om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij +bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd +zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt.</p> + +<p>Bjørnson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's +geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van +voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was +voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte, +die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in +hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is +zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling. +Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den +dichter juist tot <i>die</i> stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond, +dat er genoeg waren.</p> + +<p>Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de +zoo veelzijdige productie van Bjørnson.</p> + +<p><a name='Page_75'></a>Meer in overeenstemming met Bjørnson's talent is de gedichtencyclus +<i>Arnljot Gelline</i>. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend. +Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische +gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende. +Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om +schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden, +maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een +gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren, +hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de +grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij +langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij +kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid +gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam +aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man +treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den +slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om +den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij +wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen +kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich +aan hem overgeven. Op <a name='Page_76'></a>wensch van den koning laat hij zich doopen; den +volgenden dag is hij een der eersten, die valt.</p> + +<p>Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de +realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken +in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke +betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot +uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover +sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft +ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag. +Deze figuur maakt Bjørnson tot het middelpunt van een groep gedichten. +Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds +het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de +sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan +bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig +plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche +volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden +in zulk een gedicht tot één. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft +hij met warmte weer. Maar Bjørnson zou Bjørnson niet zijn, als hij niet +geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid +der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan. +Tevens moeten wij <a name='Page_77'></a>iets meer hooren over de misdaden van den roover; +vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens +gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de +beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling—een zaak, +waarover de geschiedenis zwijgt—sterk op den voorgrond gebracht; de +persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en +wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot +valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning +over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste +van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach.</p> + +<p>Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die +hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en +leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De +vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer +dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt, +maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin +gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch +gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door +misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in +zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid <a name='Page_78'></a>een held zich +in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil +schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer +de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken, +precies als in de boerennovellen.</p> + +<p>Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot +Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het +verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van +een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere +Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het +hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden, +zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken, +en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw, +die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de +pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en +bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide: +"Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer." +Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik +gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij +niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening, +noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching.</p> + +<p><a name='Page_79'></a>Het is wel gezegd, dat Bjørnson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt +en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet +zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet.</p> + +<p>En toch is <i>Arnljot Gelline</i> een mooi gedicht, wanneer men er maar in +zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan +stemmingen rijken dichter.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_14_14'></a><a href='#FNanchor_14_14'>[14]</a><div class='note'><p> Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een +vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven, +<i>Fjeldeventyret</i>, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en +zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt +thans nog wel met succes gespeeld.</p></div> + +<a name='Footnote_15_15'></a><a href='#FNanchor_15_15'>[15]</a><div class='note'><p> Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van +1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13<sup>e</sup> eeuw Snorri +Sturlason.</p></div> + +<a name='Footnote_16_16'></a><a href='#FNanchor_16_16'>[16]</a><div class='note'><p> <i>De Unges Forbund</i> is van 1869, dus drie jaar ouder dan +<i>Kejser og Galilæer</i>. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de +historische studien voor zijn groot drama bezig.</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='3_Het_hooggespannen_Idealisme'></a><h2>3. <i>Het hooggespannen Idealisme</i>.</h2> +<br /> + +<p>In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot +voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de +jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog +meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door +politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en +werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen.</p> + +<p>De romantiek had de poëzie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den +helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men +wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote +gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die +nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de +maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de +dichters konden die vormen, <a name='Page_80'></a>zooals zij wilden. Maar voor dichters, die +niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met +de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren +verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat +van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zóó deden eigenlijk van +den beginne af die poëten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde. +Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan +was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf +der geïdealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een +veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. <i>Dat</i> hij hem ging, +ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het +geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De +wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen +van 1864 bepaald.</p> + +<p>Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in +1862 gedaan; reeds <i>Kærlighedens Komedie</i> toont de beginnende reactie +tegen de romantiek, die in <i>Brand</i> en <i>Peer Gynt</i> wordt voortgezet.</p> + +<p>'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek +geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof, +dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als +Ibsen is, houdt hij nog de geïdeali<a name='Page_81'></a>seerde personen voor de normale, +maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het +conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en +Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar +geplaatst in een nieuw daglicht,—dat van heden. Van des dichters +standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek +is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte, +als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van +den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas in <i>Peer Gynt</i> +laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek +gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een +overgang van het historisch-romantisch drama naar het met <i>De Unges +Forbund</i> beginnende realistische drama. Van ééne zijde vertegenwoordigen +zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den +achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme.</p> + +<p>In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie +genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis +vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke +kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke +gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene +maatschappij van <a name='Page_82'></a>halve menschen?" In het realistisch drama draait de +dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van +menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's +gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen +geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen +tot de taal van het gewone leven, het proza, over.</p> + +<p>Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van <i>Kærlighedens +Komedie</i> (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker +verband aangenomen met den roman <i>Amtmandens Døtre</i> van Camilla Collett +(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk +vóór het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar +het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en <i>Kærlighedens +Komedie</i>. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder +(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige +vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot +een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en +Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt, +dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde +Schjøtt in haar opstel over Camilla Collett).</p> + +<p>Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook <a name='Page_83'></a>de vraag, die gesteld +wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht +zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de +liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het +huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke +conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet +eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog +opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn, +het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan +elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet +lijden. Door deze gezichtspunten is <i>Kærlighedens Komedie</i> niet +uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk +gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe +sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde +langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en +frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht. +Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt +overblijft,—zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de +herinnering te bewaren—'voor de eeuwigheid te winnen', heet het +hier,—liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen +dit echter niet klagend, maar <a name='Page_84'></a>dankend: "Nu kan ik je <i>blij</i> missen voor +dit leven", is de afscheidsgroet.</p> + +<p>Het spreekt wel van zelf, dat <i>Kærlighedens Komedie</i> niet verstaan, en +dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het +stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor +de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat +was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten +behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen +vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook +volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poëzie maakt hier +natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van +poëtische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt.</p> + +<p><i>Kærlighedens Komedie</i> is echter niet alleen een hoog-romantisch +gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild, +wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar +hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van +verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang +gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich +in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het +dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poëzie,—ziedaar +<a name='Page_85'></a>de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der +vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter +samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de +bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding +geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen +niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de +studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt: +"dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd."</p> + +<p>De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen +reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "één +hoog, voor de vreugde van het leven, en één, die beneden trilt, diep en +lang."</p> + +<p>Gansch anders is de stemming in <i>Brand</i>. Maar tusschen <i>Kærlighedens +Komedie</i> en <i>Brand</i> ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de +werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet +altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet.</p> + +<p>Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850 +ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de +ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in +den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting <a name='Page_86'></a>was gekomen, was +van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een +bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele +patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere +reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het +Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam, +een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de +zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en +Bjørnson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden +voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche +tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten—al zulke, +die het bestuur van het land aangingen—anti-Zweedsch. Maar deze dingen +beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet +meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden +kwam te staan. Hier trok men één lijn en stelde men zich ook voor, als +één man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme +ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts +eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en +waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken +en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in +die jaren <a name='Page_87'></a>gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de +gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling +van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het +ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich +vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander +naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in +vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte +zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde +studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjørnson tegenwoordig +was.</p> + +<p>Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden +doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon +Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen, +werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten, +en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond +echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten +einde uitdrukking te geven aan meegevoel.</p> + +<p>Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en +de pessimistische stemming doen rijpen, die in <i>Brand</i> tot uiting komt.</p> + +<p>Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan, +waarmee hij de <a name='Page_88'></a>gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op +gewezen, dat in <i>Kongsemnerne</i> de gedachte aan een in broederschap +vereenigd Skandinavië herkend kan worden in Hakons groote +koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds +in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen +oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den +titel <i>Vaagner, Skandinaver!</i>, waarin onder anderen gewezen wordt op het +gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht +hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een +Deensch-Noorsch studentencongres (<i>For Danmark</i>, Efterladte Skr. I, 87). +In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, <i>En Broder i Nød</i>, zijn +landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat +is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864 +uit Rome: <i>Troens Grund</i> (De Grond van het Geloof) bericht op +sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo +zegt hij, zijn oproep (d.i. <i>En Broder i Nød</i>) over zijn volk +geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers +over den val van Dybbøl, over de jonge Noorsche vrijwilligers. +Inderdaad, van één was een neef weggeloopen, een ander miste zijn +handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa <a name='Page_89'></a>zat een +oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid +uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over <i>hem</i> is +zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog +leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar +zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger.</p> + +<p>Interessant is het gedicht <i>Til de Medskyldige</i> (Aan de Medeschuldigen), +een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen +<i>Brand</i>,—een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel +voert,—die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een +positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij +zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij +zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met +bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden +hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben +verzuimd, deze vraag te stellen:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Kan den med Rette tage Arvens Skat,<br /></span> +<span>som fattes Haanden, der skal Arven løfte?"<br /></span> +</div></div> + +<div class='blkquot'><p>(Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die + de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?) </p></div> + +<p>Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren +direct aan deze verzen uit Norges Dæmring:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'><a name='Page_90'></a> +<span>"Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen brænder,<br /></span> +<span>kan ei fortabes, er en hellig arv,<br /></span> +<span>der falder renterig til Folkets Tarv,<br /></span> +<span>naar det kan hæve den med voxne Hænder!"<br /></span> +</div></div> + +<div class='blkquot'><p>(Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet + verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten + goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen). </p></div> + +<p>In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat +Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog +op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders +zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar +handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou +lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen +blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich +daarover scherp uit in zijn <i>Ballonbrev til en svensk dame</i>, waaruit ik +alleen deze twee verzen citeer:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Thi mod skønhed hungrer tiden,<br /></span> +<span>Men det ved ei Bismarck's viden."<br /></span> +</div></div> + +<div class='blkquot'><p>(Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's + wijsheid niet). </p></div> + +<p>En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872 +naar aanleiding van eene rede van Bjørnson. Ook deze dichter had <a name='Page_91'></a>de +gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen +uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbøl +klaagde hij: <i>Da Norge ikke vilde hjælpe</i>. In 1870 was men in +Skandinavië zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning +herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche +overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen +was, kwam Bjørnson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest +veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een +verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een +zelfstandig Noorwegen in Skandinavië en een zelfstandig Skandinavië in +een groot Germanië. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten +te houden. Deze omslag van Bjørnson, door hem zeker eerlijk bedoeld, +maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen +pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef +<i>Nordens Signaler</i> (later opnieuw uitgegeven in Samlede Værker X, 567), +een gedicht vol vlijmenden spot:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Der er omslag ivente! klem paa med talerne!<br /></span> +<span>Vejrhanen paa fløjen har forandret signalerne."<br /></span> +</div></div> + +<div class='blkquot'><p>(Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan + op den vleugel heeft de signalen veranderd). </p></div> + +<p><a name='Page_92'></a><i>Brand</i> verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden +te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de +Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad +heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de +monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig. +Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben, +die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van +den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen, +waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke +ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist +pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken, +die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in +conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard +is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het +ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn +personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit +betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de +predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor +het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te +<a name='Page_93'></a>danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een +repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand +tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het +religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele +monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker +geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer +klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze.</p> + +<p>Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze +zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar één proseliet te +maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te +bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat +deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking, +nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen +van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen, +dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer +hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het +visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij +weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke +stem: 'Hij is deus caritatis'.</p> + +<p>Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat <i>Kærlighedens +Komedie</i> een voorlooper <a name='Page_94'></a>van <i>Brand</i> is. Hij heeft op deze plaats het +oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het +eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende +tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles, +wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in +'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt +aangetoond,—natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen. +Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en +karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het +verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar +ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog +praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant +heeft plaats gehad.</p> + +<p>Op <i>Brand</i> volgt in 1867 <i>Peer Gynt</i>. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet +afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen, +maar hij voert het volk zelf ten tooneele in één typischen representant. +Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de +dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot +grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip, +'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te +bemerken, <a name='Page_95'></a>achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is +zich zelf genoeg, een egoïst in plaats van een persoonlijkheid. Zijn +levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde +verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van +zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid. +Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit +komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes, +die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn +gebruikt,—om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek +rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche +volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het +hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen').</p> + +<p>In gelijke mate als van <i>Brand</i> geldt van <i>Peer Gynt</i>, dat de dichter de +stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de +toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke +overweegt; in <i>Peer Gynt</i> kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere +afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden, +heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het +beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt. +Naast den spot treedt ook—in tegenstelling met <i>Brand</i> een <a name='Page_96'></a>element van +meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend +individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het +dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken +en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift +Neophilologus geschreven heb.</p> + +<p>Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van +de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's +is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de +sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode +voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot +personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de +dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze +vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische +slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze +wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen. +Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in +waarheid beteekent hij den egoïst; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die +aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend +geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en +allegorie.</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='HOOFDSTUK_III'></a><h2><a name='Page_97'></a>HOOFDSTUK III.</h2> + +<p>DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL.</p> +<br /> + +<p>Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die +in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van +Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in +bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet +gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon +zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect +aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was, +stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie +waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal +uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor +het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De +sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van +zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid +open<a name='Page_98'></a>baarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit +streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de +vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen +geheel-Noorsche taal.</p> + +<p>De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint +met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor +geïnspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van +Asbjørnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De +vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert +het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was +hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe +gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in +belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de +Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat +verouderd was of daarvoor werd aangezien,—integendeel, zij gaf uiting +aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu +gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaïseering. +Wanneer men tot dusverre schreef <i>lade, rige, løbe</i>, dan sprak men +<i>late, rike, løpe</i>, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden +gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend +had. Men begint nu op <a name='Page_99'></a>deze wijze te schrijven en brengt door deze +archaïseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in +andere gevallen.</p> + +<p>De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K. +Knudsen, die schreef <i>Haandbok i dansk-norsk Sproglære</i> (1856). Tevens +werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het +belangrijkste werk, van denzelfden schrijver <i>Unorsk og Norsk</i>(1879-81).</p> + +<p>De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren, +waarin Asbjørnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te +nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen +tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de +stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en +de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke ééne door +het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene +taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een +ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding +gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die +ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal +provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel +Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen.</p> + +<p><a name='Page_100'></a>De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet +hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en +zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen +in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal, +die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch. +Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die +autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal.</p> + +<p>Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het +cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van +kunstmatige talen mag zeggen—deze kunstmatige taal is eene levende +geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op +zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is. +Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid, +die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is, +maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende +streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de +eenheid der Noorweegsche dialecten.</p> + +<p>Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht +hebben. Maar niet alleen hun energie,—niet minder hun genie. Want het +verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor +het grootste <a name='Page_101'></a>deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan +een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner +gedachten gemaakt hebben.</p> + +<p>De schepper van het landsmaal is eigenlijk één man geweest, Ivar Aasen, +een boerenzoon uit Zuid-Møre (een landschap op de Westkust), die zijn +jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde +Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten +zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder +hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de +voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken +<i>en geschreven</i> werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht. +Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde +hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van +de Noorweegsche volkstaal: <i>Det norske Folkesprogs Grammatik</i> (1848, in +tweede uitgave van 1864 betiteld <i>Norsk Grammatik</i>), waarop een +woordenboek volgde: <i>Ordbog over det norske Folkesprogs</i> (1850; later +<i>Norsk Ordbog</i> 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten +opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene +taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit +<a name='Page_102'></a>andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon +worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften +gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen +voor 'maalstræv' (<i>stræv</i>, het streven, werken voor iets), en het doel +werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen +burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen.</p> + +<p>Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het +landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het +bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in +nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou +zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden +dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem +van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen: +aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide +talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen +het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal) +den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is. +Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan +opnieuw. De taal, die de meeste concessies <a name='Page_103'></a>doet, is het bymaal; de +laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in +spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het +landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van +een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene +taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen +en van vele kansels en in meer dan één theater gehoord wordt.</p> + +<p>De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader +aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn +taalhistorische studiën in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij +heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal +wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die +het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche +dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaïseeren, die +voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote +autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het +landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in +poëzie als door de genoemde archaïstische tendenties behield deze taal +een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was +Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens +een eerste <a name='Page_104'></a>poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de +gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik +van Westlandsch dialect kwam daarna Fjørtoft op, een politiek schrijver +van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn +dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande +contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal +ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad <i>Fram</i> (1871-73) een dialect uit +Zuid-Møre, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske +(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden +zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de +groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak +Westlandsch, maar al wat archaïstisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal +is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is +echter in het landsmaal nog niet bereikt.</p> + +<p>Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen. +Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor +onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en +is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in +landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden +wetsvoorstellen in beide talen ingediend.</p> + +<p><a name='Page_105'></a>Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige +opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn +originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder +hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een +tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal +Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen +ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een +<i>husmand</i>, d.i. een kleinen boer, die op een <i>plads</i> (kleine +boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij +opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een +boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg. +Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den +krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man, +die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij +den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering +mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft. +Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren, +is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den +cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al +hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft, +tot de bekwaamste <a name='Page_106'></a>mannen van het land behoort. Die kennis echter +vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij +bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er +ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is +hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij +geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven. +Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt +in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken +oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van +het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader +aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke +sympathieën, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden. +Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van +zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op +rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik +zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer +geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op +politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem +aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere +wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van +goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zóó, dat <a name='Page_107'></a>hij geen aanstoot +geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen +subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en +plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door +zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot +eenzaamheid gedoemd, en zóó geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur +voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij +daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft +hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen +deed hij een heftigen aanval op de regeering—en werd ontslagen.</p> + +<p>Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt +niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat +dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij +gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon +verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon +zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren +optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken +geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven, +die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de +lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een +humorist.</p> + +<p><a name='Page_108'></a>Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van +Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let +op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest +bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling +en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven. +Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin +is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken.</p> + +<p>Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870 +verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen +gevuld heeft, <i>Dølen</i> ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle +denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij +had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen, +van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen.</p> + +<p>Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig +onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van +wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en +wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws +had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij +toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het +zijn die gevoelsinhouden, die <a name='Page_109'></a>stijl, die eigenaardige combinaties, die +humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke +geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier +geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche +plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu +toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door +kende. <i>Dølen</i> werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan. +Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad +moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige +maanden, wanneer men hem dood waande, stak <i>Dølen</i> dan plotseling weer +het hoofd op.</p> + +<p>Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige +kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd +is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd +komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon +hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan +tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaïsche werken +staat hier bovenaan <i>Ferdaminni</i> (Reisherinneringen), een boek, dat +eerst stuksgewijze in <i>Dølen</i> is verschenen. <i>Ferdaminni</i> is de +beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860 +maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt <a name='Page_110'></a>hier +op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's +Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien +dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde +verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan +zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn +geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed +dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd +werd.</p> + +<p>Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate +onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken +uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjørnson's <i>Arne</i> (de tweede +dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in één verwijt +heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjørnson +de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de +stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met +dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat +Bjørnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het +verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een +<i>husmand</i>, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als +dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen <a name='Page_111'></a>de +boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de +predikanten behooren, uit wier stand Bjørnson is voortgekomen, een kring +met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij +niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd +billijk beoordeeld, maar wanneer hij in <i>Ferdaminni</i> en elders hun +zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen +romantiek.</p> + +<p>Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook +zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat +hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan +ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit +onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's <i>Brand</i>. In de +dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten +tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters +hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in +dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet +den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te +zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat +eerst naar eene vignetteekening den naam <i>Manden</i> (De Man) kreeg en +later omgedoopt is tot <i>Andhrimnir</i> (de naam van den kok in Valholl). +<a name='Page_112'></a>Dit blad was een navolging van het Deensche blad <i>Corsaren</i>, dat door +Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op +harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin +omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover +oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers +ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen. +Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden +af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke +toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche +waardeering was er ook niet. In <i>Peer Gynt</i> ontmoeten wij Vinje als +Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der +orangoetangs te spreken. Toen <i>Brand</i> verscheen, heeft Vinje dit +dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar +op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte +farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan. +"Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een +paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel; +Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over +Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon +hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden +hebben niet nage<a name='Page_113'></a>laten, in zijn kritieken op <i>Arne</i> en op <i>Brand</i> +uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het +geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands +drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel, +is het gevolg van meer dan één oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die +hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren, +dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich +begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond +alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was +van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna +identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel +landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten, +kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn +tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch' +schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te +hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al +spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair +succes.</p> + +<p>Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in +aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is +het wel, dat iemand zijn leven geeft voor <a name='Page_114'></a>een denkbeeld, dat in de +practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje +zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door +geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere +gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er +dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar +voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte +is hem te abstract.</p> + +<p>Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat, +wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als +litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent +practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters +konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest +verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder +grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting +alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt +samen met zijn beter inzicht in de realiteit.</p> + +<p>Vinje's belangrijkste levenswerk—men moge het prijzen of laken—is dat, +wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor +geijverd,—dat is één ding, maar vooral—hij heeft het gebruikt, en hij +heeft het zóó gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noor<a name='Page_115'></a>weegsche +letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest.</p> + +<p>Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver +kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls +begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te +geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming +verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele +gedichten, waarin ééne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is +volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de +zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden, +die opgenomen is in zijn gedichtencyclus <i>Storegut</i>.</p> + +<p>Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de +hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is. +Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast <i>Ferdaminni</i>, +Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot +de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus +<i>Storegut</i>. Wat de compositie betreft, kan men <i>Storegut</i> vergelijken +met <i>Arnljot Gelline</i> of met Runeberg's <i>Fänrik Staals Sägner</i>: het is +een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een +historische persoon of gebeurtenis. Voort<a name='Page_116'></a>gang is er eigenlijk niet in +het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed +zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat +de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de +karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk +en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij +kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een +valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij +voor het meerendeel stemmingen van één persoon schilderen. En er zijn +ware meesterstukken onder.</p> + +<p>Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan +schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie +als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan +men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt +gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij +in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in +dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook +oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het +inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te +verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe +<a name='Page_117'></a>ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef +geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo +subjectief als Vinje, die <i>Brand</i> voor een farce aanziet, geen +psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen +theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op +wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama +geschreven, <i>Olav digre</i>, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de +proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men +zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft +kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet +kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de +grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naïveteit, waaraan +wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die +aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant +genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let +op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft.</p> + +<p>Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is. +De stukken, die gereed waren, heeft hij in <i>Dølen</i> uitgegeven. <i>Staale</i> +heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een +onafhankelijk man, die zijn <a name='Page_118'></a>eigen weg gaat, in de maatschappij +mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn +omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt +toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen +vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort +schiet. <i>Staale</i> is dan ook veel minder gelukt dan <i>Storegut</i>.</p> + +<p>Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland +in: <i>Bretland og Breterne</i>. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje +nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes +in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland +toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te +bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor +zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de +tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen +land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op +den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden, +waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen +opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende +bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maat<a name='Page_119'></a>schappij. Maar door +zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten—de +Times liet zich zeer onvriendelijk uit—, en daarmee was zijn uitzicht +op succes in den vreemde afgesneden.</p> + +<p>Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet +gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele +vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een +dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als +zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten +niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over +hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar +bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag +gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht: +men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem +gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was +uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat +hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft. +Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij +geschreven heeft, maar <i>hoe</i> hij geschreven heeft, eerst in bymaal, +daarna—het meeste en het best—in <a name='Page_120'></a>landsmaal. Die beteekenis zal pas +algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal +bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen +is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen +voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te +heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen, +dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen, +want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest.</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='HOOFDSTUK_IV'></a><h2><a name='Page_121'></a>HOOFDSTUK IV.</h2> + +<p>HET REALISME.</p> +<br /> + +<p>Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de +idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de +practijk, maar ook in de poëzie noodig was, rekening te houden met de +wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen +zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken +periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu +invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk, +waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden +dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en +begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der +Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het +geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de +litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat, +godsdienst. In Denemarken <a name='Page_122'></a>doet de nieuwe richting haar intocht in de +epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire +voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen +en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land +is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere +generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige +periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjørnson +zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep +romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn.</p> + +<p>Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan +beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt +wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die +litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd +in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw +is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel +afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad +van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken, +is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat +de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de +waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt +is, dit doel te bereiken. De leus kon <a name='Page_123'></a>trouwens gepaard gaan met andere +leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd +waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men +in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet +plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie +debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich +zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het +standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers +van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin, +dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is. +Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,—en dat hebben alle +dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch +altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die +voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee +richtingen ontwikkelen. Òf men gaat den eisch van het realisme steeds +strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid +nabij te komen,—het zoogenaamde naturalisme,—òf men laat het realisme +als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel, +dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat. +Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten.</p> + +<p><a name='Page_124'></a>Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet +op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar +aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd +had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813 +is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven +van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is +zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste +boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek.</p> + +<p>Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige +jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een +anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar +geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de +ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt +zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd, +waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere +clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor +Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in +rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's +tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in +levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, <a name='Page_125'></a>heeft zij +sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven.</p> + +<p>Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad +(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte +vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in +1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in +1855 haar hoofdwerk <i>Amtmandens Døtre</i>, het eerste der talrijke Noorsche +boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze +maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de +litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met +tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: <i>Fortællinger</i> +(1861), <i>I de lange Nætter, Sidste Blade</i> (3 verzamelingen 1868-73), +<i>Fra de stummes Leir</i> (1878), <i>Mod Strømmen</i> (1879). Op den duur neemt +zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar +eerste roman opkwam voor de liefde—in plaats van conventie—als +grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande +verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den +voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de +schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op +en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek +in het potsierlijke; mannen als Goethe en <a name='Page_126'></a>Byron vinden weinig genade in +haar oogen.</p> + +<p>Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek +<i>Mod Strømmen</i> (Tegen den Stroom) mocht eerder <i>Med Strømmen</i> heeten; +toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de +vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor +modern wilden doorgaan.</p> + +<p>Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870, +als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een +probleem debatteert'.</p> + +<p>Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit +het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de +werken van Asbjørnsen, Østgaard en enkele anderen. Voorts een deel van +Vinje's geschriften en Bjørnson's boerennovellen, die echter weinig +realistisch waren. Nu zou het anders worden.</p> + +<p>Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van +den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn +eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist. +Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn, +en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als +zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn +'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en +<a name='Page_127'></a>bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen, +zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere +werken. Kritiek op de maatschappij—een der hoofdpunten van het jonge +programma—komt bij hem reeds in 1862 voor in <i>Kærlighedens Komedie.</i> +Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later. +Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden +geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot +uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het +maatschappelijk leven. In <i>Kærlighedens Komedie</i> is het nog een +bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de +maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn +Falk en Svanhild een utopie. In <i>En Folkefiende</i> daarentegen is de held +een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,—wat +alle anderen ook zeggen te willen,—en die met zijn omgeving in strijd +raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase +is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing +van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld +der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is +het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische +stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch +leven, het proza, <a name='Page_128'></a>gekozen wordt, en dat de personen meer +geïndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en +deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een +enkele repliek kent.</p> + +<p>Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is <i>De Unges Forbund</i> van 1869. +Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het +vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die +hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte +het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote +politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en +kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale +en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft +de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde +physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van +twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde +menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier +dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de +verontwaardiging van Bjørnson over het stuk; het waren zijn eigen +phrases en zijn naïef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden +gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjørnson niet eerlijk +<a name='Page_129'></a>was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geërgerd<a name='FNanchor_17_17'></a><a href='#Footnote_17_17'><sup>[17]</sup></a>. En +hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van +eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend<a name='FNanchor_18_18'></a><a href='#Footnote_18_18'><sup>[18]</sup></a>.</p> + +<p>Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral +vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant, +staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den +samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil +van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten +een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen; +tegen dit verbond—het ware verbond der jongeren.—is de vooze demagogie +niet bestand.</p> + +<p>Men heeft Ibsen verweten, dat hij in <i>De Unges Forbund</i> zich tegen 'de +partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld +Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. <a name='Page_130'></a>Ibsen zou in dit stuk de +woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van +dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk. +Geen ding toont misschien duidelijker dan <i>De Unges Forbund</i>, hoe ver de +dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het +komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en +heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist +de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is +volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter +verwachtingen had van de oude aristocratie—mits deze zich vernieuwde. +Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening +uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die +hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren.</p> + +<p>Tusschen <i>De Unges Forbund</i> en <i>Samfundets Støtter</i> liggen acht jaar +(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met <i>Kejser og +Galilæer</i>, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken +is.</p> + +<p>Met <i>Samfundets Støtter</i> (1877) begint een ononderbroken reeks moderne +drama's. Weldra volgen <i>Et Dukkehjem</i> (1879), <i>Gengangere</i>(1881), <i>En +Folkefiende</i> (1882), <i>Vildanden</i> (1884). In al deze stukken wordt de +werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt +<a name='Page_131'></a>ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een +samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij +een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na +jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste +pessimisme.</p> + +<p>In <i>Samfundets Støtter</i> geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in +een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en +het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich +wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil +tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer +verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend +heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken; +Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit +andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en +dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een +onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen +tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen +vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft +liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om +Bernick's geweten wakker te schudden. Zóó <a name='Page_132'></a>groot is het geloof van den +dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het +ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het +blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip +wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt +Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te +huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den +waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de +geesten van waarheid en vrijheid.</p> + +<p>Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar +realist, toch ook nu nog als van ouds ideeëndichter is. De gedachte is +zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",—abstracter +kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt +van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men +bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest +wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had +een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met +haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar +ieder aan alle zijden door égards gebonden was, gemakkelijker haar +onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw, +die alleen naar de stem van haar hart luistert <a name='Page_133'></a>en zich aan geen enkele +consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert +tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in +dezen zin zijn reeds Aurelia in <i>Catilina</i>, later Solvejg in <i>Peer +Gynt</i>. En Ella Renthejm in <i>John Gabriel Borkman</i> behoort tot dezelfde +categorie.</p> + +<p>Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene +maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal +onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak, +die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. <i>Et +Dukkehjem</i> is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen +opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting +teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid +niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat +noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de +moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap +terug te houden.</p> + +<p>In <i>Gengangere</i> is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer +met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die +aan <i>Et Dukkehjem</i> ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper +stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig <a name='Page_134'></a>huwelijk +leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en +zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar +huwelijk uit te blusschen.</p> + +<p>Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den +dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de +courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin +zich zulk een frissche strijdlust openbaart als <i>En Folkefiende</i>. De +ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd +aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar. +Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is +menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op, +maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man +verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der +badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij +de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden, +maar alle partijen, conservatief en radicaal,—anders elkanders gezworen +vijanden,—vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen. +Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van +de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de +oppositiepers werken broederlijk <a name='Page_135'></a>samen, om Stockman onmogelijk te +maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met +uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk. +Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een +nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld +hij is, die het meest alleen staat.</p> + +<p>De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman +zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en +evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zóó waar geteekend, +als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het +karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in +het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de +menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met +het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjørnson. Den zedelijken moed +hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de +vergaderzaal is die van Bjørnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het +uitdrukt, aan Stockman Bjørnson's stem gegeven. Ook de overige personen +zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de +kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing, +de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en +wiens originaliteit hierin bestaat, dat <a name='Page_136'></a>hij er een 'gud døde mig' aan +toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in +wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van +zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele +karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet, +Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood, +als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet, +welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien, +dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel +der echtheid.</p> + +<p>En dan komt <i>Vildanden</i> (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat +Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch +geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant +van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale +figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht, +waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van +een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt. +De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt: +"mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord +idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens," <a name='Page_137'></a>en die +verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem +je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed +genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons +arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen +moet de dichter van <i>Brand</i> gehad hebben, voor hij zóó iets schrijven +kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag +over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken +helpt niet; de poëet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in +Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat +hij de dertiende man aan tafel is.</p> + +<p>En toch—het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof +verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en +geïncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene +vrouw, die zit te wachten op het wonder,—dat een ander verrichten +zal,—maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe +edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het +bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel +heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zóó staat ook in +<i>De wilde Eend</i> een ideale figuur, die aan één zaak alles offert, +tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in <a name='Page_138'></a>phrases is +ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt +hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer +maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als +offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan +den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal; +in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele +gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van <i>Vildanden</i> het +geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend +drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden.</p> + +<p>Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter +behandelde dan één zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zóó levende +personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest. +Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij +naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik +mode was, maar omdat hij de menschen zóó zag. En wat de +'problemenpoëzie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen +behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd +is zijn poëzie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom +zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur <a name='Page_139'></a>van +den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn +toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen +reflecteert zich het menschelijke.</p> + +<p>In dezelfde periode ging Bjørnson over tot de behandeling van +maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het +lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het +meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben +zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar +daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjørnson was als +kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij +ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid +gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan +zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij +veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land, +en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche +levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd +een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken, +novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is +zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in +volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke +werkkracht. <a name='Page_140'></a>Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de +wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een +eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjørnson gehad +heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die +hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt +Bjørnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hèm nieuw zijn, te +populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene +verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook +zijn kunst ondergeschikt.</p> + +<p>Een voorlooper van Bjørnson's 'nutidsdramer' is <i>De Nygifte</i> (De +pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter +levendige scènes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom +begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren: +<i>Redaktøren</i> en <i>En Fallit</i> (1875), <i>Kongen</i> (1877), <i>Leonarda</i> (1879), +<i>Det ny System</i> (1879), <i>En Hanske</i> (1883), <i>Over Ævne</i>, I (1885), II +(1895), <i>Geografi og Kærlighed</i> (1885), <i>Paul Lange og Tora Parsberg</i> +(1899), <i>Laboremus</i> (1901), <i>Paa Storhove</i> (1902), <i>Daglannet</i> (1904), +<i>Naar den ny vin blomstrer</i> (1909). Vertellingen uit dezelfde periode +zijn: <i>Magnhild</i> (1877), <i>Kaptejn Mansana</i> (1879), <i>Stöv</i> (1882), <i>Det +flager i Byen og paa Havnen</i> (1884), <i>Paa Guds Veje</i> (1889), <i>Nye +Fortællinger</i> (1899), <i>Mary</i> (1906).</p> + +<p><a name='Page_141'></a>In bijna al deze stukken maakt Bjørnson zich tot advocaat van een of +andere meening of waarheid,—dikwijls eene zeer juiste,—die, naar hij +meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de +noodzakelijkheid van opvoeding in <i>Det flager</i>, van verdraagzaamheid in +<i>Paa Guds Veje Kongen</i> is een preek over het thema, dat de republiek de +eenig juiste regeeringsvorm is. <i>En Hanske</i> handelt over de +geslachtsmoraal. De dichter is hier zóó vervuld van de leer, die +gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over +hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot +breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjørnson niet +alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie +bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet, +kan diezelfde naïveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit +de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen +ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjørnson ongetwijfeld voor een groot +deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn +behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil +gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen +en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjørnson +gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als k<a name='Page_142'></a>oeien, die +iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen +de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer +de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan +is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de +tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan +vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat +hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het +schellinkje, zeer gewaardeerd.</p> + +<p>Maar wanneer men het eerste gedeelte van <i>Det flager</i> leest, waarin +Bjørnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de +gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze +schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene +situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het +verlichtingswerk van Bjørnson niet noodig hebben, en die in vreemde +litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het +Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter +als Bjørnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de +schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van +godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw +ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven +hiernamaals, terwijl dat plotseling anders <a name='Page_143'></a>wordt, zoodra Bjørnson ca. +1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat +het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop +plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der +orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders +wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen +kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een +groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjørnson's poëzie +duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat +nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in +aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in +Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjørnson gehecht wordt. En +dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het +oordeel speelt de liefde eene rol,—en de liefde is naijverig.</p> + +<p>Jonas Lie (1833—1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede +helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is, +wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het +Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de +overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo +stamt Lie in drie <a name='Page_144'></a>leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit +het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook +Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde +Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder +poëtischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van +denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen +heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur, +die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden, +in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur +maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poëzie vinden ook in het +dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zóó ver, dat +hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om +deze te objectiveeren.</p> + +<p>Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd +voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die +bij herhaling als poëtische motieven in zijn werken terugkeeren. Als +zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in +Tromsø, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die vóór hem +in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht +Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen +een goede <a name='Page_145'></a>vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn +poëtischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn +leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen +aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote +handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de +angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan.</p> + +<p>Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen +te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg +geïnteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit +zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij +de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd +dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te +vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van +het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter +geheel doet ontwaken, is zijn faillissement.</p> + +<p>Toen Lie zijne eerste vertelling <i>Den Fremsynte eller Billeder fra +Nordland</i> (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland) +uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de +litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op +zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt <a name='Page_146'></a>hoofdzakelijk in den vorm van +een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens +zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het +Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt ééne zijde +van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke, +zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst; +zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke +behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd +hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in +de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de +alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en +David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor +hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar +de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer +hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij +niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft +geput, om het leven vol te houden.</p> + +<p>Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel +romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als +een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst +belangrijk is, maar toch als een <a name='Page_147'></a>zieke, niet als een wezen van hooger +orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaïschen mensch verborgen +blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet +in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk +leven te kort schiet.</p> + +<p>De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het +dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst +opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van +zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek +daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins +misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene +zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met +mythische wezens als <i>nøkken, draugen, tomtegubben</i>, en hoe zij meer +mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn +deze wezens poëtisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd +met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken. +Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die +in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw +hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen +schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze +teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden.</p> + +<p><a name='Page_148'></a>Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op. +Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf. +Misschien heeft hij in <i>Den Fremsynte</i> voor goed of voor langen tijd +afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij +zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed +van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten +<i>Dyre Rein</i> (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is. +Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in +den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt +zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het +huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven.</p> + +<p>Met <i>Den Fremsynte</i> had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt. +Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost +heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel +achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker—niet in +ieder—opzicht voorstudiën voor zijn latere meesterwerken. <i>Den +Fremsynte</i> was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte +hij nog niet geheel, en vooral—hij had zich nog niet dien bijzonderen +stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij <a name='Page_149'></a>schreef, +zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie +weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver +van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne +ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te +schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een +propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen +van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren, +waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode +geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder +zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn +talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft +ingenomen.</p> + +<p>De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met +<i>Familien paa Gilje</i> zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft +hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn +vooreerst zijn schipperromans <i>Tremasteren Fremtiden</i> (1872), <i>Lodsen og +hans Hustru</i> (1874), <i>Rutland</i> (1880), <i>Gaa Paa</i> (1882). Deze sluiten in +zooverre bij <i>Den Fremsynte</i> aan, als zij schilderingen bevatten uit het +leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter +zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze +boeken een gebeurtenis in de Noorsche <a name='Page_150'></a>litteratuur; er wordt een nieuw +gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het +onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen. +Hij kent hen van kind af aan.</p> + +<p>Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling +speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het +zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het +huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken, +waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze +periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd +worden: <i>Thomas Ross</i> (1878), <i>Adam Schrader</i> (1879), <i>Livsslaven</i> +(1883). Een eerste dramatische proeve is <i>Grabows Kat</i> (1880). Een +afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht +<i>Faustina Strozzi</i> (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan +de geschiedenis (Italië's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de +kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poëtisch werk niet +van groote beteekenis.</p> + +<p>Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: <i>Familien paa Gilje</i> (1883), +<i>En Malstrøm</i> (1884), <i>Otte Fortællinger</i> (1885), <i>Kommandørens Døtre</i> +(1886), <i>Et Samliv</i> (1887), <i>Majsa Jons</i> (1888), <i>Onde Magter</i> (1890), +<i>Trold</i> (2 verzamelingen novellen 1891-2), <i>Niobe</i> (1893), <i>Lystige +Koner</i> <a name='Page_151'></a>(1894), <i>Naar Sol gaat ned</i> (1895), <i>Dyre Rein</i> (1896), +<i>Lindelin</i> (1897), <i>Faste Forland</i> (1899), <i>Wulffie & Comp</i> (1900), +<i>Naar Jernteppet falder</i> (1901), <i>Ulfulgerne</i> (1904).</p> + +<p>Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde +motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering +deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in +vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den +dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een +nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde.</p> + +<p>Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen <i>(Lodsen og hans Hustru, +Gaa paa</i>) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te +kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een +positie weet te verschaffen. In <i>Gaa paa</i> is het een jonge man, die in +armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder +eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in +den beginne en het besluit, het niet op te geven.</p> + +<p><i>Thomas Ross</i> vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad +heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan +het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het <a name='Page_152'></a>andere. Hij geraakt in +bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een +bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door +een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot +met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten. +Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij +gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de +tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te +houden.</p> + +<p>Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in <i>Faste +Forland</i>, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van +anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de +ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde. +Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist +inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en +hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden, +maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste +wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet +bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn +stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een +badplaats om te <a name='Page_153'></a>scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel +der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de +financiëele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij +aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een +dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het +badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een +badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door +zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn +plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die +hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij +haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem +geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te +gemoet, en nu wordt Faste dichter.</p> + +<p>Het klinkt als een sprookje—en toch is het werkelijkheid. Ook de +mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den +bijstand van Thomasine.</p> + +<p>Het hoofdmotief van <i>Faste Forland</i> is de mislukte onderneming en het +faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een +faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het +hoofdmotief in <i>En Malstrøm</i>, en het neemt een gewichtige plaats in in +<i>Et Samliv</i> <a name='Page_154'></a>en in <i>Niobe</i>. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede +de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer +eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te +schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van +zeer verschillende zijden. In <i>Faste Forland</i> is de slechte zakenman +toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf +niet gekend heeft; in <i>En Malstrøm</i> en <i>Niobe</i> ontmoeten wij twee +variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van +zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur), +in <i>Et Samliv</i> is het de familievader, die op het punt is, in den +ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en +kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom +aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den +genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door +een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet +ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld +worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie +is hier midden in de 'problemenpoëzie' geraakt; de vergelijking met +anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in +aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in <a name='Page_155'></a>de +litteratuur in de mode; zoowel Bjørnson als Kielland hebben het +behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze. +Voor Kielland (in <i>Fortuna</i>) is het faillissement de onverantwoordelijke +daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de +schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen, +valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets +dan gemeenheid en laagheid. Er komen in <i>Fortuna</i> prachtige bladzijden +voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk +geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders +Bjørnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene +maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk, +dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen. +Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is, +maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of +de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn +gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is +tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig +samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den +bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den +man, noch de daad, <a name='Page_156'></a>maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft, +kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zóó gaan moest, als +het is gegaan.</p> + +<p>Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo +groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij +Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan één van zijn boeken zou +men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een +belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw. +Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van één +eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en +hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun +naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden, +vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft +hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste +karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de +liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven +ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities +zijn onder anderen Susanne in <i>Den Fremsynte</i>, Bera in <i>Faste Forland</i>, +Ely Falk in <i>Adam Schrader</i>, Ellen in <i>Naar Jernteppet falder</i>. Op het +juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te +hand<a name='Page_157'></a>haven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij, +die niet kan geven, wordt de egoïste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al +deze typen heeft Lie geschilderd, zóó dat zij lijken.</p> + +<p>De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het +grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat +hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans +den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (<i>Livsslaven</i>, waar +de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie +van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal +dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het +sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt.</p> + +<p>In <i>Lodsen og hans Hustru</i> bestaat voor de verdenking eenige aanleiding, +en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien +jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in +dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem +niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste +weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De +omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar +onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn. <a name='Page_158'></a>gebrek aan +vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in +dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge +mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man, +die zóó lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal +vallen, voortaan met parlement te regeeren. In <i>Adam Schrader</i> is het +conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt +hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is +een goed huisvader, maar prozaïsch; de vrouw is muzikaal; een vriend van +den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied +der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch, +maar het karakter der vrouw is zóó oprecht en flink, dat aan haar deugd +geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink +de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek +behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel +van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden +weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere +wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij <i>Adam Schrader</i> schreef. +Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig +is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in <i>Naar Sol +gaar ned</i>. <a name='Page_159'></a>Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de +vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man, +een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij +wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar +het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn +levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie. +Maar de eer van zijn huis heeft hij gered.</p> + +<p>Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne +alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans +heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood. +Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan.</p> + +<p>Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken <i>Naar +Jernteppet falder</i> in een der talrijke parallel loopende vertellingen +van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een +oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige +lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel +geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren +wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan +boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe +kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis +van het gemoed zijner vrouw. Wat <a name='Page_160'></a>gaat er in haar om? Wat verbergt zij +voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag +neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van +angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is; +wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt, +gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het +schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten +geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag, +wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een +weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene +rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent, +zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell +weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij +bij haar was,—thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en +met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu +kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij +tegenover haar uit, dat <i>zij</i> het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De +twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord +daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt. +De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopen<a name='Page_161'></a>baard; het +gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat +waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte +in een geheel modern kleed.</p> + +<p>Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts +één tooneelstuk, <i>Lystige Koner</i>, is op dit motief opgebouwd. De +behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt +niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar +plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis +van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het +er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal +opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie +het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg.</p> + +<p>Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter +is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk +de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij +geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt. +Zulke zijn: de Kaptein in <i>Familien paar Gilje</i>, Mads Foss in <i>En +Malstrøm</i>, de directeur in <i>Onde Magter</i>. In zulke families vinden wij +huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in <i>Familien paa +Gilje</i>, mis<a name='Page_162'></a>schien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de +Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van +gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden.</p> + +<p>Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de +vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge +geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de +dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen +eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan +zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere +beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna +altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te +keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van één van beide. Bij de +jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat +het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden +een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk +geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren, +wanneer zij zwak zijn en toegeven. In <i>Rutland</i> wil de jongen naar zee. +De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil +dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en +verzoent zich later met den vader. Dit is <a name='Page_163'></a>het gunstigste verloop. In +<i>Familien paa Gilje</i> moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit +de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in <i>En Malstrøm</i> is het nog +erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in +<i>Kommandørens Døtre</i>, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het +de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg +staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in +die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend, +waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen +drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn.</p> + +<p>Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses +van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt +niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen +zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een +gezin is dat van Dr. Baarwig in <i>Niobe</i>.</p> + +<p>De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp +van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot +hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen +misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij +zelf behoort tot de hoogere klasse, maar <a name='Page_164'></a>sedert zijn kindsheid heeft +hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft +hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een +der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich +onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is. +Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principiëele +vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen +ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide, +gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen +heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de +sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een +schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in +dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten <i>Livsslaven</i>, uit +de eerste periode, en <i>Majsa Jons</i>, een van zijn rijpste werken. +<i>Livsslaven</i> is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode, +die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en +niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot +misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die +daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder +wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer +een—nog eenigszins senti<a name='Page_165'></a>menteele—poging, om meegevoel met den +onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der +standen. Veel belangrijker is de historie van <i>Majsa Jons</i>, het +naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen +bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van +familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij +niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het +onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in +de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid, +die zij uit de schipbreuk van haar leven redt.</p> + +<p>Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen +zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene +verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden, +ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de +vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot +deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een +fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het +al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen +zij één ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel, +waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist.</p> + +<p><a name='Page_166'></a>Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het +familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine +vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee +bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in +zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is. +Zij doen het meest denken aan de spookhistoriën uit <i>Den Fremsynte</i>. +Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele +jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu +ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire +natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast +elkaar staan stukken als <i>Moskenæsstrømmen</i>, waarin natuurkrachten +gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt, +<i>Bylgja</i> en <i>Kværnkallen,</i> die de mystieke indrukken schilderen, welke +de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als <i>Hauk +og Hadding</i>, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in +den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm +speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met +name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch, +onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort +besproken roman <i>Dyre Rein</i>. Interessant is in dit licht ook de korte +<a name='Page_167'></a>novelle <i>Østenfor Sol og vestenfor Maane</i>, waar tusschen de +hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken +voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en +dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zóó, meent de dichter, is het ook +onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar +daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is +noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die +talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan +egoïsme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die +de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid—en +moraal—proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan.</p> + +<p>Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor +hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van +den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn +overige productie. Zijn tooneelstukken <i>Grabows Kat, Lystige Koner, +Lindelin, Wulffie & C<sup>ie</sup></i>, ofschoon niet van belang ontbloot, staan +verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, <i>Faustina +Strozzi</i> en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie, +maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren +<a name='Page_168'></a>echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters +persoon.</p> + +<p>Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen +hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest, +zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen, +als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor +en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke +koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het +gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student, +nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere +verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als +advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien +tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij +reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine +schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn +werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken, +<i>Novelletter</i>, dan romans, in één adem door (daartusschen enkele +tooneelstukken): <i>Garman og Worse</i> (1880), <i>Nye Novelletter</i> (1880), +<i>Arbeidsfolk</i> (1881), <i>Else</i> (1881), <i>Skipper Worse</i> (1882), <i>To +Novelletter fra Danmark</i> (1882), <i>Gift</i> (1883), <i>Fortuna</i> (1884), <i>Sne</i> +(1886), <i>Tre Par</i> (blijspel <a name='Page_169'></a>1886), <i>Bettys Formynder</i> (blijspel 1887), +<i>Sanct-Hansfest</i> (1887), <i>Professoren</i> (blijspel 1888), <i>Jacob</i> (1891), +eindelijk een bundel kleinere opstellen <i>Mennesker og Dyr</i> (1892), een +overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het +voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan.</p> + +<p>Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat +Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den +inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En +nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven +had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig. +Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen. +Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij +gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij. +Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie +was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel +begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met +een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En +hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon. +Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het +publiek.</p> + +<p>Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat <a name='Page_170'></a>een modern dichter in 1880 te +zeggen had,—kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine +Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste +kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet +verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In +Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen. +En wat de poëten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen +gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger. +Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe +verstand en den beweeglijken geest zich beëngd gevoeld hebben. Hij zoekt +geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van +Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij +moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil +het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen, +en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak +stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger.</p> + +<p>En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft +hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche +romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een +schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is.</p> + +<p><a name='Page_171'></a>In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat +hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is +moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de +bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar +gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om +zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook +waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den +duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten. +In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem +dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn +anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als +onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele +onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn +boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer +persoonlijk adres<a name='FNanchor_19_19'></a><a href='#Footnote_19_19'><sup>[19]</sup></a>. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en +satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets +<a name='Page_172'></a>dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen +samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er +de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in +artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889) +redacteur is<a name='FNanchor_20_20'></a><a href='#Footnote_20_20'><sup>[20]</sup></a>. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de +overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij +voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen +neer.</p> + +<p>Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken +sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den +dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt. +Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft +Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet +uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in +zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar +aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet +plebeïsch, maar voornaam. Zóó is hij in staat, in <i>Garman og Worse</i> een +der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname +familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil <a name='Page_173'></a>in de +verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar +vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in <i>Skipper Worse</i> +diep door in het leven van de piëtistische secte der Haugianen. In +andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten, +dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet +objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht +van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal, +suggestieve kracht,—en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in +hooge mate. Boeken als <i>En Sankt-Hansaften</i> en <i>Jacob</i> kan men +beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets +van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen +toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al +deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten. +En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het +daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal +die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds +in vollen gang.</p> + +<p>In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende +gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een +verkorte weergave van hetgeen ik <a name='Page_174'></a>hierover in 'De Gids' van Mei 1897 +schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en +directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn +eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De +intrigue van <i>Garman og Worse</i> berust op de tegenstelling tusschen de +deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche +beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end". +Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van +dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door +zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der +firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in <i>Arbeidsfolk</i>, +maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier +ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen +vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra +verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het +bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de +vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband +daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen?</p> + +<p>Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En +hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad +voert, werd in <i>Garman og Worse</i> reeds <a name='Page_175'></a>aangeduid. In <i>Else</i> zien wij +het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot +lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis +door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de +uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking +grooter wordt.</p> + +<p>Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere +generatie, en hij schrijft <i>Skipper Worse</i>. De vergelijking voert tot +het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding +beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen +goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven +uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon +de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even +degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd? +Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die +voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook +de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld. +Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie +Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse +nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote +plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het +zijn zij, <a name='Page_176'></a>wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de +Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de +verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt, +verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in +geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door +lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden, +wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht +maken. Nog één geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan +een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog +maar in hardheid tegenover den arme.</p> + +<p>Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het +vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij <i>Gift</i> (Vergif) te +danken. <i>Gift</i> is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men +kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft, +de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar +polemiek tegen het Latijn is slechts ééne zijde van het boek. De auteur +verheft vóór alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt +door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen +van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het +zelfstandig <a name='Page_177'></a>oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van +ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige +geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht +slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft.</p> + +<p>De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de +oorzaak, dat hij op <i>Gift</i> twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste +heet <i>Fortuna</i>. De schooljongen uit <i>Gift</i>, Abraham Løvdal, die bij zijn +confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in +levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is +hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen +maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en +waarvoor hij, Abraham Løvdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn +windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken, +zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en +assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer. +Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die +de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en +vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien.</p> + +<p>Eene voortzetting van <i>Fortuna</i> is <i>Sankt-Hans Fest</i>. Maar daartusschen +ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. <a name='Page_178'></a>Naast +de school werd in <i>Gift</i> de kerk geschetst als een der machten, die de +zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoïst +maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen +brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare +dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op <i>Gift</i> en +<i>Fortuna</i> volgt <i>Sne</i>.</p> + +<p><i>Sne</i> is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud +en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der +heiligen—de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden +stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn +preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de +geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan +bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en +bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; <i>zijne</i> hooge gedachten kan +zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te +zorgen valt. Daar zit hij—en wordt weerstaan door een jong meisje, dat +van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de +verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij—Johannes, +die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der +spotters niet is opgewassen, <a name='Page_179'></a>maar evenmin tegen den sterken wil van +zijn vader, die Gabriële liefheeft en droomt van een verzoening tusschen +het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Løvdal. +Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook +niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle +reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets +nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche +stilheid, een rust als die des grafs.</p> + +<p>Dat is de gedachte, die <i>Sankt-Hans Fest</i> beheerscht. Kielland laat hier +de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren +en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op: +Abraham Løvdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit <i>Gift</i> en +<i>Fortuna</i>, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van +schipper Worse, de jonge Garman, die aan <i>Garman og Worse</i>, de familie +With, die aan <i>Else</i> herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te +gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag +schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen +Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren. +De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen +mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toege<a name='Page_180'></a>zegd, +zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest +bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en +eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die +zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de +victualiën, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst +van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden +georganiseerd heeft.</p> + +<p>In <i>Sanct-Hans Fest</i> is als het ware eene essentie van Kielland's +sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn +vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en +geëxtraheerd tot een enkelen druppel. Het is het <i>mene tekel</i> over eene +leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan +vreugde verloren heeft.</p> + +<p>In <i>Jacob</i> wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de +gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen +indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in +Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het +streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in +het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar +het platteland. Maar <a name='Page_181'></a>in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is, +ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het +onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren +gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval +niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene +verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een +wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie +vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen +ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de +schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij +van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door +langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer.</p> + +<p><i>Jacob</i> is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt +Tørres Snørtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de +eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren +gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo +heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom, +en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal. +Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te +bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te +zuigen. Hij maakt zich meester van al, <a name='Page_182'></a>wat in de stad te verdienen +valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om +zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien. +Tørres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs +een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder +gekomen was—neen voorwaar, dat was hij niet!—hij was niet verder +gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij +zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht."</p> + +<p>Als Tørres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen +met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te +noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen.</p> + +<p>Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik +hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Tørres. +In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest. +Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij +bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de +belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over. +En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde +het roer boven en de stroom beneden aan." En Tørres denkt er ook zoo +over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle +wijsheid van de wereld woog niet op tegen den <a name='Page_183'></a>kleinen katechismus, en +dien kende hij—ha! ha! ha!—hij moest om zich zelf lachen.</p> + +<p>Daar had hij opgezien tegen Gustav Krøger en mijnheer Hamre en anderen, +die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van +rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren, +en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen."</p> + +<p>Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte. +Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn +lans, en hij weet te treffen.</p> + +<p>Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de +groep Lie—Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk +heet <i>Farlige Folk</i> (Gevaarlijke Menschen) (1881).</p> + +<p>Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die +in 1882, dus slechts één jaar na Kielland, met haar eersten roman +optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke +problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de +gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der +menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden +bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en +daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij <a name='Page_184'></a><i>Constance +Ring</i> (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen, +samen eene familiegeschiedenis uitmakende: <i>Sjur Gabriel</i> (1887), <i>To +Venner</i> (Twee Vrienden) (1887), <i>S.G. Myre</i> (1890), <i>Afkom</i> +(Nakomelingschap) (1898).</p> + +<p>In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog +geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de +aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de +litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans +Jæger opzicht met zijn roman <i>Fra Kristiania Bohemen</i>. Men kan dit boek +rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een +maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er +wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije +liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt, +is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt, +en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij +aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die +dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de +schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat +sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel +mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk <a name='Page_185'></a>maakte van +schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was, +daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver +heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor +hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier +heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met +een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek +daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de +regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij +legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf +veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er +werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele bohême-litteratuur. +Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor +was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben +aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de +zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan één kunstwerk +gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband +ontmoeten. Maar Jæger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot +schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige +schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met +<i>Fra Kristiania Bohemen</i>. Hier is Jæger's <a name='Page_186'></a>roman misschien minder een +voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook +zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het +aankomend individualisme.</p> + +<p>Hans Jæger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een +zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben. +Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook <i>Syk Kjærlighet</i> (Zieke +Liefde) van 1893. Zijn laatste boek <i>Anarkismens Bibel</i> is van 1910. Hij +behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in +de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om +hemelstormers te worden.</p> + +<p>Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven, +ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch +tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste +werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest +ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad +hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden. +Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats +als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de +werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren.</p> + +<p><a name='Page_187'></a>Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jæderen, het +achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk +van zijn roman <i>Fred</i> (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van +het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk +slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest. +Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te +breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken, +maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid +verschaft had, weder tot zich trokken.</p> + +<p>De jonge Garborg heeft het leven op Jæderen leeren voelen op eene +exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader +aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de piëtistische +geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem +bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en +kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat +hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze +zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot +deel van des dichters latere productie.</p> + +<p>Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een +vroege en uitgebreide <a name='Page_188'></a>lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij +schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan +huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij +pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met +vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's +'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen +aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer, +maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf. +Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later +ontving, van zijn pen geleefd.</p> + +<p>Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne +meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een +uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af, +zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende, +welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen +wilde maken.</p> + +<p>De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet +<i>Ein Fritenkjar</i> (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel +toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is +nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van +den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het +religieuze denken, <a name='Page_189'></a>een der dingen, die in die jaren op het programma +der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van +kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te +doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij +ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man +terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend +predikant, die daarop bij zijne groeve—want de man overleeft dit +weerzien niet—eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den +schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een +preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas +twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had +schuldig gemaakt.</p> + +<p>In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda +voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het +gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze +weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef, +was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van +onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en +spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En +ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is +in den zeer ge<a name='Page_190'></a>bruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom +gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te +zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die +hij 13 jaar later in <i>Trætte Mænd</i> tweemaal maakt, waar hij twijfel +oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden. +Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der +andere partij.</p> + +<p>Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg: +<i>Bondestudentar</i> (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste +plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet +meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die +hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de +schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de +Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er +hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij +stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus +naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een +programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en +geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen.</p> + +<p>Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke +ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniël Braut, <a name='Page_191'></a>een +boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere +maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke +mislukking van die poging. Wel brengt Daniël Braut zijne studie ten +einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem +steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen, +door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden, +in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan +karakter in Daniël Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den +strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te +worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal +afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis +van Daniëls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar +zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het +zorgen voor den dag van morgen, immers:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"God geeft den zijnen kleeren en brood,<br /></span> +<span>terwijl zij zachtelijk slapen."<br /></span> +</div></div> + +<p>Daniël begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt, +mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt +een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de +uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, dat +<a name='Page_192'></a>de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de +zijnen". "De zijnen",—dat zijn de burgemeester en de commissaris van +politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij +zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat +wordt het ideaal van Daniël Braut. Daar er dus van den beginne af in +Daniël geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit +blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij +misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij +zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar.</p> + +<p>In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle +rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze +roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit +Kristiania, die ten deele vóór zijn tijd liggen, maar die hij toch met +een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten. +Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die +men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is +dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven +reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek' +bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de +dubbele beteekenis der figuur—als schepping van Garborg en tevens als +den tijdelijken geestelijken helper van <a name='Page_193'></a>zoovele mannen, die in +Noorwegen beteekenis gehad hebben—deelen wij een paar staaltjes uit een +schooluur mee.</p> + +<p>"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen +en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met +de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het +prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij. +'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich +ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?—och ja. +Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen +moesten klaarspelen—de oude zat maar te 'accompagneeren'—dan ging het +mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den +gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep +zich met twee vingers vast in den neus en las <i>amo</i> met een stem en een +gezicht, dat de jongens het uitbrulden."</p> + +<p>Er wordt vertaald.</p> + +<p>"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder +kwamen—er stond: <i>nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta +regna reges defendant</i>—, toen zat hij vast, hij nam <i>tanta</i> bij +<i>regna</i>. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebø! Als +je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student, +en dan een varken, en je <a name='Page_194'></a>vond vlak daarop een mooie zijden parasol op +den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en +zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol +verloren?—Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot +je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij +niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja +zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het +varken, neemt <i>tanta</i> bij <i>regna</i>, omdat <i>regna</i> het naast bij staat. +Maar <i>tanta</i> hoort bij <i>vi; quanta vi, tanta vi</i>, Halvor Mosebø!"—De +jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen' +niet licht.</p> + +<p>Daniël Braut is evenals Tørres Snørtevold in Kielland's <i>Jacob</i> een +boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het +materiëele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen +zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij +behandeld zijn. Tørres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet. +Daniël Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Tørres een +caricatuur, terwijl het lot van Daniël Braut ons tragisch voorkomt. +Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn +natuurlijken kring had gelaten.</p> + +<p>In een paar volgende werken keert Garborg <a name='Page_195'></a>tot de problemenlitteratuur +terug. Maar wat in <i>Bondestudentar</i> gewonnen was, is niet verloren; het +probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost, +maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische +schildering van een reeks levende personen.</p> + +<p><i>Mannfolk</i> (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie +over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat +groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is +gezegd. Bjørnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak +tendentiedrama <i>En Hanske</i> (Een Handschoen), gevolgd door de brochure +<i>Engifte og Mangegifte</i> (Zij, die met één vrouw en die met vele vrouwen +trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer +zij verneemt, dat hij vóór haar eene andere heeft bemind. Bij het +afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle +oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de +schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie +ontstond. Men was vóór of tegen; in het openbaar meest vóór. Toen +verscheen Hans Jæger's hierboven (blz. <a href='#Page_184'>184</a>) besproken boek en werd +geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van +Kristian Krogh <i>Albertine</i>; ook hiervan werden de exemplaren door de +overheid opgehaald.</p> + +<p><a name='Page_196'></a>Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van +Bjørnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke +korte vertelling <i>Ungdom</i> (Jeugd) (1885); dan volgt <i>Mannfolk</i>, waarin +de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen +kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die +het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het +huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische +eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen +bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig +ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjørnsonsche +idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en +levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch +ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere +geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven +dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit.</p> + +<p>Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de +hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de +tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in +het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan +noch van de eene, noch <a name='Page_197'></a>van de andere afzien,—en zoo blijft hem dan +niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man +en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is +hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne +zuchten in poëtische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem +ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er +aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij +van hèm zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen, +dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij +resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn".</p> + +<p>Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel +is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de +verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen, +vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische +toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele +ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de +beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een +teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want +deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniël +Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.</p> + +<p><a name='Page_198'></a>Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het +verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid +het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent +daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere +confiscatiën den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien +maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver. +Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer +opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van <i>Mannfolk</i> +schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.</p> + +<p>Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan +een hut, aan het meer Savalen in het Østerdal, en weldra treedt hij in +het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn +bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te +meer.</p> + +<p>Het verblijf op Kolbotten—zoo heet Garborg's woning in het +Østerdal—heeft hij beschreven in een idyllisch boek, <i>Kolbottenbrev</i> +(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven +van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen +uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie +en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belang<a name='Page_199'></a>rijksten factor +in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in +het voorbijgaan <i>Hjaa ho Mor</i> (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger +van <i>Mannfolk</i>. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven, +maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf +geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat +het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een +pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt, +kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een +verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met +vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt. +Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit +blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch +met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden, +dan toen het voor het eerst het licht zag.</p> + +<p>Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk +<i>Uforsonlige</i> (Onverzoenlijken). Het is geïnspireerd door politieke +gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt. +Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil, +is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een +partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de +'onverzoenlijken' <a name='Page_200'></a>vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat +het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere +consideratiën'. Eén man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De +meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en +slaan dan om.</p> + +<p>Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man +geworden.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_17_17'></a><a href='#FNanchor_17_17'>[17]</a><div class='note'><p> Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van +27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjørnson op vrije voeten laten +gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I, +264).</p></div> + +<a name='Footnote_18_18'></a><a href='#FNanchor_18_18'>[18]</a><div class='note'><p> Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij +later nog eenmaal den redenaar Bjørnson als voorbeeld neemt, ditmaal +voor zijn ideale figuur Dr. Stockman (zie blz. <a href='#Page_135'>135</a>). Dit toont, dat +Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds +levende voorbeelden gebruikte.</p></div> + +<a name='Footnote_19_19'></a><a href='#FNanchor_19_19'>[19]</a><div class='note'><p> De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de +predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor +iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in +zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de +zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.</p></div> + +<a name='Footnote_20_20'></a><a href='#FNanchor_20_20'>[20]</a><div class='note'><p> Van zijn romans is er maar één (<i>Jacob</i>) geschreven na +zijn werkzaamheid als redacteur.</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='HOOFDSTUK_V'></a><h2><a name='Page_201'></a>HOOFDSTUK V.</h2> + +<p>JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN.</p> +<br /> + +<p>Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die +in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad. +Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere +landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls +voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen, +zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de +problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieën +herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor +'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zóó kan het schijnen, wanneer men +uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten +vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de +ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde +lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te +meenen, dat zij den <a name='Page_202'></a>nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als +verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden, +begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890 +debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was, +blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond +treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig.</p> + +<p>Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet +tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat +niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poëzie was slechts in +weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit +het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de +dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van +gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men +kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men +niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de +grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen +waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode +blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen +treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het, +van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn <a name='Page_203'></a>uitgegaan, die +nieuwe bezieling gebracht hebben.</p> + +<p>Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak +tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De +gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd +kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De +tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de +tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand +gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te +putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de +letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch +proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het +sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms +meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium, +dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle +maatschappelijke ontwikkeling.</p> + +<p>Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element; +zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is. +Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering, +stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie +voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel +duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere +naturalisme <a name='Page_204'></a>plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn. +Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en +stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een +zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt, +om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze +schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de +gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men +vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters +van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jæger; wij vinden het +terug bij Gabriël Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die +alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming +als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken; +anderen slaan dit stadium over of maken het door vóór den tijd, waarin +zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme +voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan +zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot +god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te +realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook, +wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het +schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar +de <a name='Page_205'></a>schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan +eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te +deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven +heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang +bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren +resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naïeve +oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost +gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor +ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien.</p> + +<p>Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats +de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in <i>Vildanden</i> (zie blz. <a href='#Page_138'>138</a>) +is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,—een diep +pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft, +want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een +pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die <i>En +Folkefiende</i> kenmerkt; de leer van <i>Vildanden</i> is, dat het niet loont, +voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het +in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets +nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant <a name='Page_206'></a>geworden in +<i>Rosmersholm</i> (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier +nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het +drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu +onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke +overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka +wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij +manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het +leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn; +slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op +Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de +mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven +kost, is bijzaak, of liever—daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is +andere taal dan die, welke Relling in <i>Vildanden</i> voert. Het is de taal +van den man met den paardenhoef in <i>Peer Gynt</i>, die zielen, welke zich +verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere +ingrediënten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt.</p> + +<p>In een gansch andere sfeer verplaatst ons <i>Fruen fra Havet</i> (De Vrouw +van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van +minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een +ideaal, maar <a name='Page_207'></a>ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida +leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar +vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met +ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige +behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik, +wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar +vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk +verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door +overwinning van het egoïsme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt, +en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die +een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het +hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan.</p> + +<p>Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in <i>Lille Eyolf</i> +(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet, +nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid +verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche +verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van +wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven, +door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart +<a name='Page_208'></a>en het opgeven van het egoïsme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid +geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te +worden'.</p> + +<p>Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poëzie. +Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met +het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida +behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts +incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld +worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In +de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en +hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is +zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt +volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is +wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft +toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven, +en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is +een heerschzuchtig egoïst, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook +een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het +leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich +herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den +dienst opzeide, en het is <a name='Page_209'></a>de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij +hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven +inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij +hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriël +Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruïne over anderen +gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht +jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd, +dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij +wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen +komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van +Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van +bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood +heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is, +stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag +stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en +hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn +zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner +ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten.</p> + +<p>Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in +<i>Naar vi døde vaagner</i> (Als wij dooden ontwaken) (1899). In +<a name='Page_210'></a>tegenstelling met John Gabriël wordt Rubek zich den tweespalt in zijn +leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en +mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt +zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm +en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne +geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te +laten behouden, doen—te laat—een poging, om het verzuimde in te halen. +Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een +gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in +een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien +bestijgen, gaan zij samen onder.</p> + +<p>Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk +voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk +aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het +zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele +drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere +schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen +ook hier weer een voorganger geweest is.</p> + +<p>Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep +heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich <a name='Page_211'></a>aan te +ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze. +Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriël Finne in 1899 op +drieëndertig jarigen, Sigbjørn Obstfelder in 1900 op +vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen +leeftijd.</p> + +<p>Van deze drie toont Gabriël Finne het duidelijkst den samenhang met de +vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest<a name='FNanchor_21_21'></a><a href='#Footnote_21_21'><sup>[21]</sup></a>, maar +hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige +richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den +vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de +keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt, +het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon +is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het +disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste +oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de +titel van zijn eersten bundel verhalen, <i>Unge Syndere</i> (Jonge Zondaars), +toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn +standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de +maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet +<a name='Page_212'></a>mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie +om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het +cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij +geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de +wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar +wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd +uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan +schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen +lijden, en zóó is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven +romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele +personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte +ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne +bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood +heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman <i>Rachel</i>, waarin de +nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat +Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm +heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde.</p> + +<p>Finne's belangrijkste werken zijn: <i>Filosofen</i> (1889), <i>Unge +Syndere</i>(1890), <i>Doktor Wangs Børn</i> (1890), <i>To Damer</i> (1891), <i>Uglen</i> +(De Uil) (1893), <i>Konny</i> (een tooneelstuk) (1895), <i>Rachel</i> (1895).</p> + +<p><a name='Page_213'></a>Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist +geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar +hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt.</p> + +<p>Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjørn Obstfelder op de harde +indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van +de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats +het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling +plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond +hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt +niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne +vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de +eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in +hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den +dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de +menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het +dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is +beurtelings pantheïstisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich +soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft; +deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan één vertelling ontmoet deze +'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke +of <a name='Page_214'></a>uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria +onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit; +Obstfelder weet haar zóó te schilderen, dat inderdaad de verworpene +reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige +overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de +onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel +der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem +belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven +gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale +individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig +voorbeeld leeren wij in <i>Korset</i> (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont +zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name +Dostojewski.</p> + +<p>In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar +daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende +ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien. +Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed +geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet +oud geworden is.</p> + +<p>Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat +lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van +zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook <a name='Page_215'></a>in het portret met den +weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan +eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Nærup siert.</p> + +<p>In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling +met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug +tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse—zelfanalyse—daalt +veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht +der periode, die achter hem ligt.</p> + +<p>De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: <i>Digte</i> (1893), <i>To +Novelletter, Korset, De røde Draaber</i> (De roode Droppelen), <i>En Præsts +Dagbog</i>. Van deze heeft <i>Korset</i> het meest de aandacht getrokken.</p> + +<p>Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor +genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen +kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie +boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te +toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot +een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, <i>Blandt +Anarkister</i>, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij +op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van <a name='Page_216'></a>de +drie verhalen, die de beide volgende boeken (<i>Ira</i> en <i>To Noveller</i>) +bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een +zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel +ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (<i>En Ensom</i>); +naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de +psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element +aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar +ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het +licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis. +Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat +hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden.</p> + +<p>Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt, +eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst +behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn +gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn +ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van +dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het +positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te +zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener +oude leer tot een gehoorzaam <a name='Page_217'></a>naprater eener nieuwe leer was geworden; +het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij +gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder +hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de +theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man +was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu +hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte, +de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die +beschreven wordt in <i>Trætte Mænd</i> (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert +de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is +geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te +schrijven, Gabriël Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een +bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op +genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een +ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt +hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood +is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is.</p> + +<p>Maar Garborg is niet Gabriël Gram. Hij laat zich niet door een dominee +op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van +arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij +geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, <a name='Page_218'></a>maar +voor hem zelf is <i>Trætte Mænd</i> een bad, waarin hij afwascht het +negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom +zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officiëele +aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn +oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en +gelijk hij in <i>Trætte Mænd</i> zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers +onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de +Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van +redenen.</p> + +<p>Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's +gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op, +van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte, +omdat hij geen vrede had met God. <i>Nu</i> begrijpt hij hem; nu kan hij met +liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij +zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na <i>Trætte Mænd</i>, verscheen +<i>Fred</i> (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm +van een roman wordt verteld. <i>Fred</i> is een overweldigend boek. Nergens +bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier. +Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het +primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking <a name='Page_219'></a>te +geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter +gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de +razernij van den godsdienstwaanzin.</p> + +<p>Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd, +dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom +komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,—maar telkens komt de +duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving +hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige +gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te +krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God +blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking +het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt; +dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot +rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor; +de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo +groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren +luisteren,—en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis, +wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil +doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in +den geest, en,—twijfelt men, dan <a name='Page_220'></a>moet men slechts dat doen, wat het +vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs +en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen +ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen +loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te +verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden. +Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord.</p> + +<p>Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en +dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo +moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn. +Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de +oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om +aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De +schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts +deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de +vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,—niet aan Gods +woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij +heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och, +kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat +het <a name='Page_221'></a>niet erger kon worden!—De aanvallen van angst en twijfel nemen +toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich +verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als +Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en +nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds +thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,—en toch niet alleen, want +ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo +wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten +te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij +ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele +hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de +troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk +in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij +hem; één onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong, +en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek +over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht +en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...."</p> + +<p>Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit +resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij. +<a name='Page_222'></a>dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd +wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in +onzekerheid. Indien er één ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is +het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het +Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het +Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van +Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jæderen de macht gekregen +had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel, +maar gaf hun geen levend geloof.</p> + +<p>Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in +tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op <i>Fred</i> volgen. Twee +daarvan sluiten onmiddellijk bij <i>Fred</i> aan. Zij verhalen de +geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar +en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien +hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk +gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf.</p> + +<p><i>Læraren</i> (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit +drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In +beide staat één man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders +zedelijk en verstandelijk, <a name='Page_223'></a>maar wordt uitgestooten, omdat hij de +waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid +van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal, +dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld +worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een +ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin, +bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave +behoort tot de 'gewekten', de piëtisten, die bidstonden houden, die +klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaäns is. Hij is zelfs hun +voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op +een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de +quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens +gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen +van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den +armen." Die preek is zóó frisch en zóó geestig, dat het moeite kost, er +niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot.</p> + +<p>"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als +wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen +hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!—En noemen dan die +leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon +<a name='Page_224'></a>gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons.</p> + +<p>"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek +daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal +en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen +komen, moeten met macht naar binnen dringen,—met heel hun heetsten wil. +Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom +noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch +stelt, geeft ook de kracht."</p> + +<p>Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de +schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat +schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert +haar naar buiten. Zij is van zich zelf."—Daarmee valt het gordijn van +dit bedrijf.</p> + +<p>Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende +gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun +volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave +leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders +gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat +wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend +met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die +vrienden van zonde en berouw, <a name='Page_225'></a>die hem een huichelaar noemen, en nu +blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden. +De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de +schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt +verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar +man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen, +ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het +gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch +goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te +treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt.</p> + +<p>Een tweede stuk als <i>Læraren</i> is zeker vroeger noch later ten tooneele +gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een +Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in +voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling. +Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest +persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in +die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin +hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een +spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge +gedachten houden het ver boven het <a name='Page_226'></a>niveau ook der goede +tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen +uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin <i>Læraren</i> speelt, is +den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En +wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de +comische scènes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch +geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is.</p> + +<p>Het andere werk, dat direct bij <i>Fred</i> aansluit, is een boekje vol +poëzie en vol wijsheid. <i>Den burtkomne Faderen</i> (De verloren Vader). Het +is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de +wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies +verloren te hebben, oud vóór den tijd, aan zich zelf en aan de +menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om +eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in +hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint +in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij +heeft vrede gevonden met het leven—en met den dood.</p> + +<p>Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische +oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van +bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zacht<a name='Page_227'></a>heid. Gunnar houdt zich +gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar +niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en +zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden." +Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem +iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En +hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu +in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel +vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid. +En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij."</p> + +<p>Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te +begrijpen.</p> + +<p>Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren +vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen.</p> + +<p>Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee +dichtwerken, <i>Haugtussa</i>, en de voortzetting daarvan <i>I Helheim</i>. +Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een +visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels +ophoudt; de dichter noemt haar Veslemøy, 'het stakkertje'. Het gedicht +vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar +in den <a name='Page_228'></a>steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen +heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte +en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze +vrouw, die als <i>volva</i> (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar +dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven.</p> + +<p>In <i>I Helheim</i> (In de Hel) gaat daarop Veslemøy in haar koortsigen droom +met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar +diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht +heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur, +maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn +behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een +psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad, +dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten. +Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen +einde komt:</p> + +<div class='poem'><div class='stanza'> +<span>"Een oogenblik in dit vuur<br /></span> +<span>is eeuwigheid zonder einde."<br /></span> +</div></div> + +<p>Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap +terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat +van zijne kindsheid. Het is losgemaakt <a name='Page_229'></a>van leerstelligheid; de nadruk +wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid.</p> + +<p>Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die +een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog +directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven; +zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als +stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij +zóó hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook +in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld +<i>Jesus Messias</i> (1906), <i>Den burtkomne Messias</i> (1907), <i>Heimkomin Son</i> +(1908).</p> + +<p>Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap +geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan +den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort:</p> + +<p>"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen +katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen +protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en +wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het +volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige +troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed +hebben, maar de rijke man zal branden, heeter <a name='Page_230'></a>dan heet, van eeuwigheid +tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden—.</p> + +<p>"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat +macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen, +liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo +ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?"</p> + +<p>Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een +zedelijk opvoeder van zijn volk geweest.</p> + +<p>In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die +in dezelfde periode optreden.</p> + +<p>Rasmus Løland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk +zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een +groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud, +handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en +vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het +allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn +kinderverhalen <i>Det store Nashorne</i> (De groote Neushoorn) en +<i>Kvitabjörnen</i> (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg +aan het begin van den na Løland's dood verschenen bundel <i>Paa +Skuggesida</i> (Aan den Schaduwkant).</p> + +<p>Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen <a name='Page_231'></a>(geb. 1857), Per Sivle (± +1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen.</p> + +<p>Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende +en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich +door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een +afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer +hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In +het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, <i>Menneskets Genesis</i>, +is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn +strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig +leeft het geslacht van Kaïn nog.</p> + +<p>Heiberg's eerste tooneelstuk <i>Tante Ulrikke</i> (1884) houdt zich bezig met +den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos; +hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept +den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig +karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich +slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, <i>Kong Midas</i> (1890), heeft +Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later +zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een +waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten +schijnen, bijna een <a name='Page_232'></a>groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft +verwantschap met <i>Vildanden</i>, maar niet alleen het type, ook het stuk is +gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering +en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan +Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering. +Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van +eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der +achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach +van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook +het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog +en houdt de belangstelling gaande. Op <i>Kong Midas</i> volgden een aantal +andere werken, waarvan wij noemen <i>Kunstnerne</i> (1893), waarin de +tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, <i>Det store +Lod</i> (1895), <i>Harald Svans Mor</i> (1899). Een gansch ander karakter dragen +een paar tragische stukken, <i>Balkonen</i> (1894) en <i>Kærlighedens Tragedie</i> +(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles +verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van +de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan +de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem +wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich +van den mensch <a name='Page_233'></a>meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering +is knap, de lezer huivert,—maar hij wenscht van zulk een liefde +verschoond te blijven.</p> + +<p>Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar +wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand +meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige +geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een +stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te +overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot +klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat +hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch, +indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in +pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem +daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van +nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem +behoed hebben,—een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden +trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een +druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt +zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op +elkaar te zetten en <a name='Page_234'></a>te vroolijker te worden, naarmate hij het +moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand +moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet +zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen.</p> + +<p>De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij +nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In <i>Sult</i> is het +honger, in <i>Pan</i> is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de +heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In <i>Mysterier</i> +hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van +waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld, +die van den heer Nagel—zoo heet de man—niet weten wil, nauwelijks +ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van +Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een +zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als +een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele +maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand +bestond reeds in <i>Fra det moderne Amerikas Aandsliv</i>, een persifflage, +naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet +objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij, +zoo is in <i>Sult</i> het 'ik' aanwezig. <i>Mysterier</i> is de eerste poging, <a name='Page_235'></a>om +die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar +voortreffelijke maatschappelijke romans, <i>Redaktør Lynge</i>, waarin de +verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers +behandeld wordt, en <i>Ny Jord</i>, die een troep ijdele kunstenaars, +voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige +kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Bohême-leven, +van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus, +onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een +achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een +niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt +hij weer in <i>Pan</i>, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken +<i>Ved Rigets Port, Livets Spil</i> en <i>Aftenrøde</i> en in het wonderlijke +gedicht in dramatischen vorm <i>Munken Vendt</i> (1902). In latere werken +komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar +zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist +Bardsen in <i>Børn af Tiden</i> en in <i>Segelfoss By</i>, een aristocratisch +voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en +onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang, +waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type, +dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar +toch reeds van <a name='Page_236'></a>den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver +steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een +litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (<i>Under +Høststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glæde</i>) een +nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze +schrijft nu, gelijk in <i>Sult</i>, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu +kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid +is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een +ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu +aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat +een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager +te spreken, niet <i>alles</i> van het leven te wachten, maar het toch met +dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'.</p> + +<p>In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters +subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de +wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen +beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn +belangstelling niet onthoudt. Zóó is de wereld, vindt hij, en zóó is het +leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de +zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen. +Drie van deze <a name='Page_237'></a>boeken, <i>Børn af Tiden, Segelfoss By, Markens Grøde</i>, +behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver +nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt +hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten +gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die +weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen. +In de plebeïsche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer +van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In <i>Markens Grøde</i> +echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder +geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land +bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en +aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door +toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die +mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en +weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt +is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle +vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel +<i>Konerne ved Vandposten</i>.</p> + +<p>Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige +andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar +interessante bundels novellen (in één van <a name='Page_238'></a>deze het uitgelaten vroolijke +stuk <i>Dronningen af Saba</i>). En dan het meesterwerk <i>Livet i Vold</i>, +uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering.</p> + +<p>Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers +van dit tijdvak,—hij is in 1853 geboren,—maar hij is betrekkelijk laat +begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na +1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen +gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met +oppositie tegen sommige theorieën uit het vorige tijdvak, en wel vooral +tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die +dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het +verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk <i>Uten +Ansvar</i> (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht, +maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den +dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren.</p> + +<p>Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle. +Zijn locaal is het Østerdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert +1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in +kleine bundels: <i>Skisser, Fra Skog og Fjeld</i>, e.a. Deze zijn verzameld +onder den titel <i>Folkelivsbilleder</i> (1904). <a name='Page_239'></a>Jongere verzamelingen zijn +<i>Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier</i>. Tot hetzelfde type +behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans: +<i>Fonnaasfolket</i> (1902), <i>Glomdalsbruden, Østerdalskongen</i> (een breede +uitwerking van een der Folkelivsbilleder), <i>Jutulskaret, Knut Veum</i> +(1910, het laatste).</p> + +<p>Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur +van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is +dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde +leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand +komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen +behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op +polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer, +zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van +het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij, +waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is, +een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in +die vertelling uit het Østerdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat +het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en +maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die +in tamelijk behoeftige omstandig<a name='Page_240'></a>heden leeft. De man is begaafd en heeft +aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende +zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar +hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan +oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een +carrière-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is +niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt +Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom +toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is +zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden, +wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring +blijft, behoeft dat niet gezegd te worden.</p> + +<p>Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre +en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek; +hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling +van Bjørnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te +zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd.</p> + +<p>Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn +belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte <a name='Page_241'></a>vertellingen. +Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van +De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van +gelijken aard: <i>Sidsel Sidserk</i>, <i>Sølve Solfeng</i>, en een paar jongere +bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, <i>Storken, +Høit Tilhest</i> en <i>Hanen</i>, die door hun comische kracht aan Holberg +herinneren.</p> + +<p>Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode +begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren, +Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb. +1865).</p> + +<p>Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een +lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het +diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak. +Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich +openbarende in meer dan ééne generatie. Zijne opvatting der levensvragen +draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken +zijner eerste periode zijn: <i>Jon Græff</i> 1891, <i>Ensomme Mennesker</i> 1892, +<i>Mulm</i> 1893, <i>Kobberslangen</i> 1894, <i>Ada Wilde</i> 1896, <i>Ulf Ran</i> 1897, +<i>Enken</i> 1899.</p> + +<p>Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door <a name='Page_242'></a>vertellingen uit het +volksleven, <i>Folkelivsskildringer</i>, waarvan de eerste bundel in 1894 +uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: <i>Almue</i> 1891, <i>En +Skibsgut</i> 1892, <i>Straf</i> 1893, <i>Gammelholm</i> 1899, alsmede comedies: +<i>Stridsmænd</i> 1896, <i>Jakob og Kristoffer</i> 1900. Ook daarna heeft hij +ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is +van 1921 en draagt den titel <i>Inde i Fjordene</i>.</p> + +<p>Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite +heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een +origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen, +veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen, +waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan +worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat. +Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties, +zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch +niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet +onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de +dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan +zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische +juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite +doet, ze door <a name='Page_243'></a>te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver +heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te +vernieuwen. In de jaren 1892—1900 gaf hij uit: <i>Huldren</i> 1892, <i>Ungt +Folk</i> 1893, <i>Flaggermusvinger</i> 1895, <i>Sus</i> 1896, <i>Fra Hav til Hei</i> 1897, +<i>Hugormen</i> 1898, <i>Trækfugle</i> 1899. Van zijn latere werken is misschien +het belangrijkste <i>Den sidste Gæst</i> 1910.</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_21_21'></a><a href='#FNanchor_21_21'>[21]</a><div class='note'><p> Aan Kielland heeft hij ook zijn roman <i>To Damer</i> +opgedragen.</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='LYRISCHE_DICHTERS'></a><h2>LYRISCHE DICHTERS.</h2> +<br /> + +<p>In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de +litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al +wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De +romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien +tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts +aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de +groote verskunstenaar, gaat na <i>Peer Gynt</i> geheel tot het proza over; de +romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste +lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en +daarmee zinkt de lyrische poëzie in een winterslaap, die met weinig +onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren +enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder +vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte +onderbreking <a name='Page_244'></a>door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en +Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit <i>Med Lyre og Lanse</i> +(Met Lier en Lans), in 1880 <i>Vaarbrud</i> (Lentedoorbraak), de tweede in +1880 <i>Polemiske Sonetter</i>. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk +politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop +zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de +stemmingspoëzie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: <i>Digte af Per Gynt</i>, in +1897 <i>Norsk Høifjeld</i>, in 1901 <i>Vintereventyr</i>.</p> + +<p>Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864), +Caspari op dit gebied vóór geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887, +nieuwe bundels volgden in 1894 <i>Fra Vaar til Høst</i>, 1896 <i>Musik og +Vaar</i>, 1900 <i>Det dyre Brød</i>, 1904 <i>Fra Kristiana</i>. Uit deze verzen sprak +een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te +gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden.</p> + +<p>Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag, +een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf, +getiteld <i>Digte</i> en <i>Nat</i>, waarin deels, onder den invloed van Deensche +dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel +Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op +het drama en den roman toegelegd.</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='UITGAVEN_EN_LITTERATUUR'></a><h2><a name='Page_245'></a>UITGAVEN EN LITTERATUUR<a name='FNanchor_22_22'></a><a href='#Footnote_22_22'><sup>[22]</sup></a>.</h2> +<br /> + +<p>ALGEMEENE WERKEN.</p> + +<p>Henrik Jæger, <i>Illustreret norsk Literaturhistorie</i>, 3 dln. Kristiania +1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl Nærup, +<i>Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904</i>, Kristiania +1905.—Gehrard Gran, <i>Nordmænd i det 19<sup>de</sup> Aarhundrede</i>, 3 dln. +Kristiania 1914. Houdt biographieën in van vooraanstaande mannen op +ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als +<i>Nordm. 19. A.</i>)—<i>Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug.</i> +1915.—J.B. Halvorsen, <i>Norsk Forfatter-Lexicon.</i>—Edv. Bull, A. +Krogvig, G. Gran, <i>Norsk biografisk Leksikon.</i> Verschijnt sedert 1921.</p> + +<p>HOOFDSTUK I.</p> + +<p><span class='spaced'>Henrik Wergeland</span>. Wergeland, <i>Udvalgte Skrifter</i>. Kristiania en +Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl Nærup. In +deel VII eene autobiographie, getiteld <i>Hasselnødder</i>.—O Skavlan, +<i>Henrik Wergeland</i>, Kristiania 1892.—G. Gran, <i>Henrik Wergeland</i> in +<i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p> + +<p><span class='spaced'>Johan Sebastian Welhaven</span>. Welhaven, <i>Samlede Digterværker</i>, 3<sup>e</sup> +uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.—<i>Digte i Udvalg</i>, 1919.—A. +Löchen, <i>J.S. Welhavens liv og skrifter</i>, Kria 1900.—G. Gran, <i>Joh. S. +Welhaven</i> in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p> + +<p><a name='Page_246'></a>HOOFDSTUK II.</p> + +<p><span class='spaced'>Asbjørnsen en Moe</span>. De verzamelingen zijn talrijke malen +uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken +titel <i>Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr</i> (deel I: +<i>Huldreeventyr og Folkesagn</i>, deel II: <i>Folkeeventyr</i>). Hiervan bestaat +eene volksuitgave en eene geïllustreerde. Aanbeveling verdienen ook de +kleinere geïllustreerde bundels: <i>Norske Folke- og Huldre-eventyr i +Udvalg</i>; <i>Udvalgte Folkeeventyr</i>; <i>Eventyrbok for Børn</i>.—Moltke Moe, +<i>Det nationale gjennembrud og dets mænd (Asbjørnsen, Moe, Aasen)</i> in +<i>Nordm. 19. A.</i> dl. 2 (zeer leerzaam).</p> + +<p><span class='spaced'>Jørgen Moe</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Jubilæumsudgave.</p> + +<p><span class='spaced'>Folkeviser</span>. M.B. Landstad, <i>Norske Folkeviser</i>, Christiania 1853, +is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, <i>Gamle norske Folkeviser</i>, +Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der <i>Norske Folkeviser</i>, door Knut +Liestøl en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen.</p> + +<p><span class='spaced'>J.S. Welhaven</span>. Zie bij Hoofdstuk I.</p> + +<p><span class='spaced'>Bjørnstjerne Bjørnson</span>. Bjørnson, <i>Samlede Digterverker, +Standardudgave</i>, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn +afzonderlijk verkrijgbaar.—P.A. Rosenberg, <i>Bjørnstjerne Bjørnson</i>, +1915.—G. Gran in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 3.—G. Brandes in <i>Det moderne +Gjennembruds Mænd</i>, 2. uitg. 1891—R.C. Boer, <i>Bjørnstjerne Bjørnson</i> in +<i>De Gids</i> (Nov. 1899). dez., <i>Laboremus</i> in <i>De Gids</i> (Aug. 1901).</p> + +<p><span class='spaced'>Henrik Ibsen</span>. Ibsen, <i>Samlede Digterværker. Standardudgave</i>, 7 +dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk +verkrijgbaar.—<i>Ibsens Episke Brand</i>, udg. af Karl Larsen 1907.—<i>Ibsens +Efterladte Skrifter</i>, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de +studie van den dichter.)—<i>Breve fra Henrik Ibsen</i>, 2 dln. +1904.—<a name='Page_247'></a>Henrik Jæger, <i>Henrik Ibsen, Et literært Livsbillede.</i>—G. +Brandes, <i>Henrik Ibsen</i> 1898.—Albert Dresdner, <i>Ibsen als Norweger und +Europäer</i>.—John Paulsen. <i>Samliv med Ibsen</i>, 1906. <i>Ny Samling</i> +1913.—Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding +der reeds genoemde <i>Efterladte Skrifter</i>.—R.C. Boer, <i>Peer Gynt</i> (<i>De +Gids</i> van Oct. 1893). dez., <i>Kleine Eyolf</i> (<i>De Gids</i> van Febr. 1895). +dez., <i>Reisherinneringen uit Noorwegen</i> (<i>De Gids</i>, Dec. 1908 en vv.; +o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., <i>Ibsen's Epische +Brand</i> (<i>Onze Eeuw</i>, 1909), dez., <i>Ibsen's Nagelaten Werken</i> (<i>Onze +Eeuw</i> 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (<i>Neophilologus</i> 1919). Jacqueline +E. van der Waals, <i>Brand en de brieven van Ibsen</i> (<i>Onze Eeuw</i>, Mei +1919).—Een uitvoerig commentaar op <i>Peer Gynt</i> schreef H. Logeman (Den +Haag 1917).</p> + +<p>HOOFDSTUK III.</p> + +<p><span class='spaced'>Ivar Aasen</span>, <i>Skrifter i Samling</i>, 3 dln. Kria en Khvn.—Moltke +Moe, <i>Det nationale gjennembrud og dets mænd</i> (zie bij Hoofdstuk II).</p> + +<p><span class='spaced'>Aasmund O. Vinje</span>. A.O. Vinje, <i>Skrifter i Utval</i>, utgjevne af Det +norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).—<i>Dikt og prosaskrifter i +utval</i> ved Halvdan Koht Kria, 1903.—<i>Ferdaminni</i> en <i>Storegut</i> zijn +herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske +Samlaget.—Vetle Vislie, <i>Aasmund Vinje</i>, Bergen 1890.—Een kort werkje +van denzelfde in de <i>Norske Folkeskrifter</i> udgj. av Norigs Ungdomslag og +Studentmaallaget n<sup>o</sup>. 28.—Halvdan Koht, <i>A.O. Vinje</i> in <i>Nordm. 19. A.</i> +dl. 3.</p> + +<p><span class='spaced'>Landsmaal</span>. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het +landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven +tijdschrift <i>Syn og Segn</i>.</p> + +<p><a name='Page_248'></a>HOOFDSTUK IV.</p> + +<p><span class='spaced'>Camilla Collett</span>, <i>Samlede Verker Mindeudgave</i>, 3 dln. Enkele +boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.—Alf Collett, <i>Camilla Colletts +Livs Historie</i>. 1911.—Lilly Heber, <i>Camilla Collett</i>, 1913.—Mathilde +Schjøtt in <i>Nordm. 19. A.</i> dl. 1.</p> + +<p><span class='spaced'>Ibsen en Bjørnson.</span>. Zie bij Hoofdstuk II.</p> + +<p><span class='spaced'>Jonas Lie</span>. J. Lie, <i>Samlede Digterverker, Standardudgave</i>, 10 +dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk +verkrijgbaar.—Arne Garborg, <i>Jonas Lie, En Udviklingshistorie</i>, Kria +1893.—Erik Lie, <i>Jonas Lies Oplevelser</i>, Kria en Khvn 1908.</p> + +<p><span class='spaced'>Alexander L. Kielland</span>. A.L. Kielland, <i>Samlede Digterverker. +Standardudgave</i>, 5 dln. Kria en Khvn 1920. <i>Breve</i>, met inleiding van G. +Gran, 1907.—Brandes, <i>Essays, Fremmede Personligheder</i>, Khvn 1889, p. +17.—R.C. Boer, <i>Alexander L. Kielland</i> (<i>De Gids</i>, Mei 1897).</p> + +<p><span class='spaced'>Kristian Elster</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Kria 1904.—<i>Brandes, +Essays, Fremmede Personligheder</i>, p. 1,—A.L. Kielland in de uitgave van +Elsters <i>Solskyer</i>.</p> + +<p><span class='spaced'>Amalie Skram</span>. Hare romans zijn afzonderlijk +verkrijgbaar.—<i>Samlede Skrifter</i>, uitverkocht.</p> + +<p><span class='spaced'>Arne Garborg</span>. Arne Garborg, <i>Skrifter i samling. +Jubilaeumsutgaave</i>, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.—Erik +Lie, <i>Arne Garborg, En Livsskildring</i>, Kria 1914.—Zie ook de +Garborg-aflevering van <i>Syn og Segn</i> (Januari-Februari 1921).—R.C. +Boer, <i>Reisherinneringen uit Noorwegen</i> (<i>De Gids</i>, Dec. 1908 en vv.).</p> + +<p>HOOFDSTUK V.</p> + +<p><span class='spaced'>Gabriel Finne</span>. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.—R.C. +Boer. <i>Gabriel Finne</i>, (<i>De Gids</i>, Juli 1898).</p> + +<p><a name='Page_249'></a><span class='spaced'>Sigbjørn Obstfelder</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 2 dln. Kria en Khvn +1917. De werken ook afzonderlijk.</p> + +<p><span class='spaced'>Arne Garborg</span>. Zie bij Hoofdstuk IV.</p> + +<p><span class='spaced'>Rasmus Løland</span>. Een biographische schets door Arne Garborg is +hierboven bladz. 225 genoemd.—R.C. Boer, <i>Reisherinneringen</i> (zie +vorige pag.).</p> + +<p><span class='spaced'>Gunnar Heiberg</span>. <i>Samlede dramatische Verker</i>, 4 dln. Kria +1917-1918.</p> + +<p><span class='spaced'>Knut Hamsun</span>. <i>Samlede Verker</i>, 12 dln. Ook afzonderlijk.—John +Landquist, <i>Knut Hamsun, En studie över en nordisk romantisk +diktare</i>.—R.C. Boer. <i>Knut Hamsun</i> (<i>De Gids</i> November 1896), dez., +<i>Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur</i> (<i>De Gids</i>, Maart en April +1912), dez., <i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pag.).</p> + +<p><span class='spaced'>Jacob B. Bull</span>. <i>Folkelivsbilleder</i>, 4 dln., 3<sup>e</sup> uitg. 1919. +<i>Folkelivsromaner</i>, 3 dln., 2<sup>e</sup> uitg. 1918—<i>Nutidsromaner</i>, 3 dln. +1918.—<i>Historiske romaner</i>. 4 dln.—De meeste werken ook +afzonderlijk.—R.C. Boer, <i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pag.).</p> + +<p><span class='spaced'>Hans Aanrud</span>, <i>Fortællinger</i>, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der +uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.—R.C. Boer, +<i>Reisherinneringen</i> (zie vorige pagina).</p> + +<p><span class='spaced'>Thomas Krag</span>, <i>Samlede Skrifter</i>, 9 dln. De werken ook +afzonderlijk.</p> + +<p><span class='spaced'>Hans E. Kinck</span>. Over zijn drama <i>Den sidste Gæst</i> zie R.C. Boer, +<i>Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur</i> (<i>De Gids</i>, Maart en April +1912).</p> + +<p>FOOTNOTES:</p> + +<a name='Footnote_22_22'></a><a href='#FNanchor_22_22'>[22]</a><div class='note'><p> Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer +beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.</p></div> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<a name='REGISTER_VAN_AUTEURS'></a><h2><a name='Page_250'></a>REGISTER VAN AUTEURS.</h2> + +Aanrud, H., <a href='#Page_240'>240</a>-<a href='#Page_241'>241</a><br /> +Aasen, I., <a href='#Page_101'>101</a>-<a href='#Page_103'>103</a><br /> +Arnim, <a href='#Page_30'>30</a><br /> +Asbjørnsen, P. Chr., <a href='#Page_30'>30</a>-<a href='#Page_35'>35</a>, <a href='#Page_40'>40</a>-<a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_45'>45</a>, <a href='#Page_48'>48</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_99'>99</a>, <a href='#Page_126'>126</a><br /> +Auerbach, B., <a href='#Page_44'>44</a><br /> +Bjerregaard, H.A., <a href='#Page_52'>52</a><br /> +Bjørnson, B., <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_44'>44</a>-<a href='#Page_46'>46</a>, <a href='#Page_52'>52</a>, <a href='#Page_68'>68</a>-<a href='#Page_79'>79</a>, <a href='#Page_86'>86</a>, <a href='#Page_87'>87</a>, <a href='#Page_91'>91</a>, <a href='#Page_110'>110</a>, <a href='#Page_111'>111</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_126'>126</a>, <a href='#Page_128'>128</a>, <a href='#Page_129'>129</a>, <a href='#Page_135'>135</a>, <a href='#Page_139'>139</a>-<a href='#Page_143'>143</a>, <a href='#Page_155'>155</a>, <a href='#Page_195'>195</a>, <a href='#Page_196'>196</a><br /> +Brandes, G., <a href='#Page_67'>67</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_189'>189</a><br /> +Brentano, <a href='#Page_30'>30</a><br /> +Bugge, S, <a href='#Page_35'>35</a><br /> +Bull, J.B., <a href='#Page_238'>238</a>-<a href='#Page_240'>240</a><br /> +Caspari, C.P.F., <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Collett, C., <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_124'>124</a>-<a href='#Page_126'>126</a><br /> +Dostojewski, <a href='#Page_214'>214</a><br /> +Drachmann, H., <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Dybfest, A., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_215'>215</a>-<a href='#Page_216'>216</a><br /> +Egge, P., <a href='#Page_241'>241</a>-<a href='#Page_242'>242</a><br /> +Elster, Kr., <a href='#Page_183'>183</a><br /> +Faye, A., <a href='#Page_31'>31</a>, <a href='#Page_48'>48</a><br /> +Finne, G., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_211'>211</a>-<a href='#Page_213'>213</a><br /> +Fjørtoft, O.J., <a href='#Page_104'>104</a><br /> +Garborg, A., <a href='#Page_104'>104</a>, <a href='#Page_186'>186</a>-<a href='#Page_200'>200</a>, <a href='#Page_216'>216</a>-<a href='#Page_230'>230</a><br /> +Goldschmidt, M., <a href='#Page_112'>112</a><br /> +Grimm, J. en W., <a href='#Page_30'>30</a><br /> +Gran, G., <a href='#Page_17'>17</a><br /> +Hamsun, K., <a href='#Page_233'>233</a>-<a href='#Page_238'>238</a><br /> +Hansen, M., <a href='#Page_14'>14</a><br /> +Heiberg, G., <a href='#Page_231'>231</a>-<a href='#Page_233'>233</a><br /> +Heiberg, J.L., <a href='#Page_21'>21</a><br /> +Heiberg, P.A., <a href='#Page_21'>21</a><br /> +Heine, H., <a href='#Page_110'>110</a>, <a href='#Page_115'>115</a><br /> +Herre, B., <a href='#Page_43'>43</a><br /> +Hertz, H., <a href='#Page_49'>49</a><br /> +Hielm, J.A., <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_98'>98</a><br /> +Holberg, L., <a href='#Page_11'>11</a>, <a href='#Page_232'>232</a>, <a href='#Page_241'>241</a><br /> +Ibsen, H., <a href='#Page_22'>22</a>, <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_37'>37</a>, <a href='#Page_38'>38</a>, <a href='#Page_46'>46</a>-<a href='#Page_51'>51</a>, <a href='#Page_54'>54</a>-<a href='#Page_69'>69</a>, <a href='#Page_80'>80</a>-<a href='#Page_96'>96</a>, <a href='#Page_112'>112</a>, <a href='#Page_114'>114</a>, <a href='#Page_121'>121</a>, <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_126'>126</a>-<a href='#Page_139'>139</a>, <a href='#Page_205'>205</a>-<a href='#Page_210'>210</a>, <a href='#Page_243'>243</a><br /> +Jacobsen, J.P., <a href='#Page_122'>122</a>, <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Jæger, Hans, <a href='#Page_184'>184</a>-<a href='#Page_186'>186</a>, <a href='#Page_195'>195</a>, <a href='#Page_204'>204</a><br /> +Jæger, Henrik, <a href='#Page_28'>28</a>, <a href='#Page_67'>67</a><br /> +Kielland, Al. L., <a href='#Page_155'>155</a>, <a href='#Page_168'>168</a>-<a href='#Page_183'>183</a>, <a href='#Page_203'>203</a><br /> +Kinck, H.E., <a href='#Page_242'>242</a>-<a href='#Page_243'>243</a><br /> +Knudsen, K., <a href='#Page_99'>99</a><br /> +Krag, Th., <a href='#Page_241'>241</a><br /> +Krag, V., <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Krogh, Kr., <a href='#Page_195'>195</a><br /> +Landstad, M.B., <a href='#Page_30'>30</a>, <a href='#Page_35'>35</a>-<a href='#Page_36'>36</a>, <a href='#Page_46'>46</a><br /> +Lie, J., <a href='#Page_44'>44</a>, <a href='#Page_143'>143</a>-<a href='#Page_168'>168</a>, <a href='#Page_243'>243</a><br /><a name='Page_251'></a> +Løland, R., <a href='#Page_230'>230</a><br /> +Mill, Stuart, <a href='#Page_121'>121</a><br /> +Moe, J., <a href='#Page_30'>30</a>-<a href='#Page_35'>35</a>, <a href='#Page_42'>42</a>, <a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_45'>45</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_99'>99</a><br /> +Moe, M., <a href='#Page_32'>32</a><br /> +Munch, A., <a href='#Page_52'>52</a>-<a href='#Page_54'>54</a><br /> +Munch, J. Storm, <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_28'>28</a><br /> +Munch, P.A., <a href='#Page_103'>103</a><br /> +Novalis, <a href='#Page_28'>28</a><br /> +Nærup, C., <a href='#Page_215'>215</a><br /> +Obstfelder, S., <a href='#Page_204'>204</a>, <a href='#Page_213'>213</a>, <a href='#Page_215'>215</a><br /> +Randers, Kr., <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Runeberg, J.L., <a href='#Page_115'>115</a><br /> +Sagen, Lyder, <a href='#Page_14'>14</a><br /> +Sars, E., <a href='#Page_54'>54</a><br /> +Schjøtt, M., <a href='#Page_82'>82</a><br /> +Schiller, Fr. von., <a href='#Page_14'>14</a><br /> +Schultze, H., <a href='#Page_44'>44</a><br /> +Schwach, C.N., <a href='#Page_14'>14</a><br /> +Seip, D.A., <a href='#Page_11'>11</a><br /> +Sivle, P., <a href='#Page_230'>230</a><br /> +Skavlan, O., <a href='#Page_50'>50</a><br /> +Skram, A., <a href='#Page_183'>183</a>-<a href='#Page_184'>184</a><br /> +Snorri Sturlason, <a href='#Page_55'>55</a><br /> +Spencer, H., <a href='#Page_121'>121</a><br /> +Tvedt, J., <a href='#Page_230'>230</a><br /> +Vinje, A., <a href='#Page_46'>46</a>, <a href='#Page_103'>103</a>, <a href='#Page_105'>105</a>-<a href='#Page_120'>120</a>, <a href='#Page_126'>126</a>, <a href='#Page_129'>129</a><br /> +Vislie, V., <a href='#Page_129'>129</a><br /> +Vogt, N. Collett, <a href='#Page_244'>244</a><br /> +Welhaven, J.S.C., <a href='#Page_6'>6</a>, <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_15'>15</a>, <a href='#Page_20'>20</a>-<a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_36'>36</a>-<a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_79'>79</a>, <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_85'>85</a>, <a href='#Page_90'>90</a>, <a href='#Page_124'>124</a><br /> +Wergeland, H., <a href='#Page_6'>6</a>, <a href='#Page_14'>14</a>-<a href='#Page_21'>21</a>, <a href='#Page_25'>25</a>, <a href='#Page_26'>26</a>, <a href='#Page_32'>32</a>, <a href='#Page_82'>82</a>, <a href='#Page_85'>85</a>, <a href='#Page_98'>98</a>, <a href='#Page_124'>124</a><br /> +Øhlenschläger, A.G., <a href='#Page_14'>14</a>, <a href='#Page_30'>30</a>, <a href='#Page_51'>51</a><br /> +Østgaard, N., <a href='#Page_43'>43</a>, <a href='#Page_44'>44</a>, <a href='#Page_126'>126</a><br /> + + + + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de +Negentiende Eeuw, by R.C. Boer + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE *** + +***** This file should be named 13591-h.htm or 13591-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13591/ + +Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> + + diff --git a/old/13591.txt b/old/13591.txt new file mode 100644 index 0000000..925a883 --- /dev/null +++ b/old/13591.txt @@ -0,0 +1,5812 @@ +The Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de Negentiende +Eeuw, by R.C. Boer + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw + +Author: R.C. Boer + +Release Date: October 4, 2004 [EBook #13591] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE *** + + + + +Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + + + + +[Transciber's Note: + +The printed errata have been resolved in the main text and removed. + +Inconsistensies in spelling, hyphenation and accents have been +preserved, except for proper names. Those have been normalized to +correct spelling with the help of a native Norwegian speaker.] + +VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK + +onder redactie van de Vereeniging "V.U.B." + +Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, _Voorzitter_; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM, +Amsterdam, _Ondervoorzitter_; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM; +Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J. +BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY; +Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS; +Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR. +J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, _Secretaris_. + +20 + +HAARLEM + +DE ERVEN F. BOHN + +1922 + + +NOORWEGENS LETTERKUNDE +IN DE NEGENTIENDE EEUW + +DOOR + +DR. R.C. BOER +Hoogleeraar te Amsterdam + +HAARLEM +DE ERVEN F. BOHN +1922 + + + + +INHOUD. + +Voorbericht + +Hoofdstuk I. Het ontwaken der nationale letterkunde + + II. Romantiek + + III. De taalbeweging en de oudste schrijvers + in landsmaal + + IV. Het realisme + + V. Jongere richtingen en persoonlijkheden + +Uitgaven en litteratuur + +Register van auteurs + + + + + + +VOORBERICHT. + + +Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19e eeuw begint +met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is +slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de +voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het +chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt +ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien, +verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te +buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te +behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd +op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode +hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan +allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering +gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel voor 1900 +debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt, +niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen +eener--niet al te enge--keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die +wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe +plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen +althans eenigszins tot hun recht komen. + + + + +HOOFDSTUK I. + +HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE. + + +1. _Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814_. + +In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen +aan eene diepe depressie ten prooi. Een ding was er, dat met recht de +geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat +waren, in beslag nam--de inrichting van den nieuwen staat en van zijne +organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene +aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan +voorbijgaande belangstelling aanspraak maken. + +De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de +ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie +had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen, +en de omstandigheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen +ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land +nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en +wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch +van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als +officieele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide +landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was +verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in +sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het +accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop +der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd, +dat er geen sprake meer was van tweeerlei bevolking. Het was trouwens +een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name +het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen +overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper +geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn. + +Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen +stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde +dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis +had. Voor de plattelandsbevolking beteekende dit een ophouden van het +litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten, +bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale +sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen +voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop +der 19e eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten +opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg +nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het +voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst, +accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan +vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben +meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken +zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan. + +Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene +eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde +deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken +werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal +geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te +onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder +mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet +gebruikelijk waren; dit waren provincialismen, die toch niet aan de +taal een zeer bijzonder karakter gaven[1]. + +Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der +Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won +Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de +minder ontwikkelde volksklasse,--een samenhang, die in dien tijd toch +niet heel veel kon beteekenen--, trad een samenhang met Denemarken, dat +geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de +algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale +tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld +werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien +bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet +slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te +laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche +kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der +periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De +grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen +afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18e eeuw zijn +er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden. + +De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt. +Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het +beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou +geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien +er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin +nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een +klein land geen geringe beteekenis. + +Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met +Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het +was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de +wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land +is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel +schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats, +die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam, +het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw +volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te +volbrengen. + +De krachten van het nieuwe volk worden in de eerste plaats besteed aan +het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet +later volgen. Voor alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en +bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar +veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische +neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet +denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden. +Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen +staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en +voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote +machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog +hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat +oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men +koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust, +dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat +het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de +ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot +ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te +scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt, +draagt het stempel van deze armoede. Het zijn of herhalingen der poezie +van de achttiende eeuw, of bombastische loftuitingen op het Noorsche +volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder +Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn +alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van +vreemde voorbeelden, Schiller, Ohlenschlaeger, de Duitsche romantici; +iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee +verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als +nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den +titel _Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815_. Ongeveer al, wat zich in +Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee +bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat "ook tusschen +Noorwegens klippen bloemen groeien". Maar onder die twintig is er niet +een, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 1: Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in +Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje _Dansk og +Norsk i Norge i eldre Tider_, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden +schrijver _Norsk Sproghistorie_ (1920).] + + + + +2. _Wergeland--Welhaven._ + + +Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel +met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als +met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en +land--maar toch vooral de stad--met rumoer. Het is treffend, dat wij bij +deze eerste vlucht omhoog, die de nieuwe Noorsche litteratuur maakt, +een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven +toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook +later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met +hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen +nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale +gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en +aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en +een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den +algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den +moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland--Welhaven. + +Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet +meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene +productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal +jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn +jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot +stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch +predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van +1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de +herinnering aan dat jaar hoog gehouden werd, en dit milieu heeft een +stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd +kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige +vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige, +opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg +onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen, +maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de +theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in +kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het +rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later, +bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant +aan de actieve politiek deelgenomen. + +Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke +werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op +een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld _Skabelsen, Mennesket og +Messias_ (De schepping, de mensch en de Messias). + +Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet zoo te verstaan, +dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof +had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die +van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van meer +dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te +schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript +van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met +de volgende vellen. + +Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en +wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van +dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het +formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn +persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont. + +De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene +allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche +overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol. +Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar, +komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange +ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer +nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van +dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd +van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de +dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke +een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter +telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. De revolutie is +daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom +ook door den dichter een "bijbel der republikeinen" genoemd. + +Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te +onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent, +en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de +menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet +bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken. +Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een +gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de +gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit +iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de +lezers--Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen--, maar de heftige +toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele +vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het +gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het +tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd +over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum. + +Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft _Skabelsen, +Mennesket og Messias_, gelijk de geheele productie van Wergeland, +groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust +der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze +beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander +verdringen, in den regel zoo snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt, +maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te +zeggen heeft,--soms echter ook zoo veel, dat hij valt over zijn woorden. +Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte +gevoeld werd. + +In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een +groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm +(o.a. _Papegoien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle, +Barnemordersken_ e.a.), vertellingen in verzen (_Jan van Huysums +Blomsterstykke, Den engelske Lods_), verhandelingen over politiek, +geschiedenis (_Norges Konstitutions Historie_), moraal, taalhervorming +en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij +ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men +thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn +beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook +in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor +algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van +vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de +emancipatie der Joden. Het werk voor verlichting hangt samen met de +houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand +aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren +geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was +een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij +te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te +nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon, +heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der +impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld +aannam van Carl Johan,--inderdaad een inconsequente handelwijze voor den +dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op "tyrannen" +af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld, +en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs +verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld +als een nationaal verlies. + +Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf +aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode +Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene +aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en +de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne moeder was een nicht van den +Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L. +Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave +gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge +menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche +patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte +zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten +van den Noorweegschen "odelsbonde" (d.i. de boer, die bezitter van zijn +goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op +wat Deensch was. In de politiek was Zweden de bete noire geworden; in +zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken. + +Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of +voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts +in straatoploopen en andere luidruchtige manifestatien. De aanvoerder +van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu +ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen. +Het verschijnen van _Skabelsen, Mennesket og Messias_ deed den emmer +overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze +Wergeland zijn "razen tegen het verstand" verweet. Een heftige +pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epigrammen. +Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe +heftigheid voortgezet. + +Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend +resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur +het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor +hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de +representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in +plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen +van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand +gekomen, dat _Norges Daemring_ (De Schemering van Noorwegen) heet. + +Een grooter tegenstelling dan die tusschen _Skabelsen_, _Mennesket og +Messias_ en _Norges Daemring_, laat zich niet denken. In _Norges Daemring_ +voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig +van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76 +sonnetten; de vorm is meesterlijk. + +Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang +herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen +krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke +de patriotten gewend waren te geven. Groot en sterk is het land, +krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar +tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk +gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de +schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg +voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen +vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte +de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen, +Trondhjem;--nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij +wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die +groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En +welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om +vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen +geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om +tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor +krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke +vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des +geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze +gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich +alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal +daad zal worden, wat nu woorden zijn, zoekt de dichter troost[2]. +Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der +voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar +waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert: + + "Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord; + hvad Norge var, det maa han engang vorde + paa Land, paa Bolge og i Folkerang." + + (Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet + het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der + volken). + +_Norges Daemring_ is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe +bijgedragen, Noorwegen _i folkerang_ te doen worden, wat het eenmaal +was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de +massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg +ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij +ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door +een troep gemeen afgeranseld. + +Een daad was _Norges Daemring_ niet minder in de litteratuur. Hier werkt +die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren, +klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodieen te laten +hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank. + +Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en +Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de +uitvoerigste "Literaturhistorie" van Noorwegen van Henrik Jaeger kan men +het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de +groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En +ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen +in de 19e eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden +nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de +kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt, +is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is +het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur +evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het +sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de +latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen +zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie +van Wergeland, en ook zijn behoefte, om aanvoerder van eene massa te +zijn, vinden wij terug bij Bjornson; het scherpe verstand, de vlijmende +spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven +keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bjornson ook in zijn patriottische +zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van +grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met +gelijke trekken bij Welhaven. + +Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor +Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der +eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn +verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming[3], en de practijk +tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als +die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het +verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de +gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich +zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken, +wanneer zij maar half af waren. + +Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door +verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij +vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij +had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt +werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van +zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende +eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe +gedachtenstroomingen. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 2: + + Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad, + hvad nu er taust skal finde starke Munde + i Thingets Sale og i Templets Buer; + hvad nu er Larm skal blive vise raad, + og vis'ne ho'der byttes om med sunde-- + hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer! +] + +[Footnote 3: _Om norsk sprogreformation_. Een voorganger had Wergeland +hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.] + + + + +HOOFDSTUK II. + +ROMANTIEK. + + +1. _De volksromantiek_. + + +Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche poezie eene bloeiperiode aan. +Het is de romantiek, die haar intocht houdt[4]. De vorige periode leefde +in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der +Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar +een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong +niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in +het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er +reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te +regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe +onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de +toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De +romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur, +en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen +machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen, +juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een +frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik +voor alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij +op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de +krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder +de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk +geimporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden +de hekken van het patriottisme verhangen. + +De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen +zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was +en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede +helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland +gekomen, waar men de zaak grondig had opgevat. Herder was begonnen met +studien over volkspoezie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven, +om of de stof te gebruiken in eigen gedichten, of den toon van het +volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet +de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op +getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und +Hausmaerchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn). +In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de +meest bekende dichter van den tijd, Ohlenschlaeger, zich van deze stoffen +meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu +is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide +richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van +stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de +getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste +werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone +bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht +hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste +beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C. +Asbjornsen en Jorgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich +als eerste uitgever van volkspoezie M.B. Landstad aan. + +Asbjornsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de +stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen +zouden geven[5]. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De +overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van +teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet +alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat +dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm +bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot +zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de +bijzondere wijze van uitdrukking de poezie dezer vertellingen gelegen +was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden +uitgegeven in de officieele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en +uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon, +zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun +zoo goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die +tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen +gelezen worden, hebben zij ook een zeer grooten invloed gehad op de +ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het +Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van +deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de +latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed +van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer +Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens +nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die +boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van +voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe, +den zoon van Jorgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is +voortgegaan. + +De _Norske Folkeeventyr_ (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841 +verschenen[6], behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche +letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan, +grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen zoo +eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan +in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting +meedeelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het +bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een +geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme +litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote +dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het +werk tot op dezen dag niets verloren. + +Een eenigszins ander karakter dan de _Folkeeventyr_ dragen twee andere +verzamelingen van Asbjornsen, _Norske Huldreeventyr og Folkesagn_ (N. +Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven. +Asbjornsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van +romantiek tot realisme. Ofschoon het woord "eventyr"[7] in den titel +voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen +omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbjornsen +legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan, +en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog +geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die +een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van +zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote +plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn +vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de +natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de +Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen--Oostlandsch--dialect. Het +werk van Asbjornsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het +volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst +gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel +_Plankekorerne_ (De Plankenvoerlui) draagt. + +Asbjornsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar +duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter +karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr +og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbjornsen aan zijn zegslieden +het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire, +ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi +gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek +heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De +Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan +ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij. + +In 1853 gaf Landstad uit _Norske Folkeviser_. Daarop volgde in 1858 een +kortere verzameling van Sophus Bugge: _Gamle norske Folkeviser_[8]. Deze +boeken zijn niet zoo algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes +van Asbjornsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd[9]. +Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door +weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten +konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden +opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal +geaerchaiseerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen +toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te +verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds +voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is +veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de +opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de +sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen +staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een +veel vroegere periode (de 16e eeuw) zijn opgeschreven. + +Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad, +niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de +gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters +hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de poezie in hooge +mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads +uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen. + +Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de +eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden. +Na de daemringsfeide[10] zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel +_Digte_ uit. Later verschenen _Nyere Digte_ 1845, _Halvhundrede Digte_ +1848, _Digte_ 1851, _Digte_ 1860, eindelijk nog _Sidste Digte_ (van 1860 +tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste +helft der eeuw heeft voortgebracht. + +De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch +ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud +naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar +naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw +element bij. + +Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun +gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige +periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd +en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt +lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat _Vidar_. _Vidar_ +is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het +einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. _Vidar_ was ook de +naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte +van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het +monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft. + +De gedichten _Sisyphos, Glaukos, Goliath, Mokkurkalv, Nehemias_ (1839), +_Tantalos, Protesilaos, Kalchas_ (1845), _Herakles, Ganymedes, +Philoktetes_ (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het +voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben +verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van +eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de +wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een +merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang, +nadat hij in _Et Dukkehjem_ en _Gengangerne_ met de publieke opinie +slaags was geweest. Eerst komt een uiting van lust om den strijd voort +te zetten in _En Folkefiende_, dan de ontmoedigde verklaring, dat de +man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in +_Vildanden_[11]. + +Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks +vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de +liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid. +Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat +hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven +liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel +woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de +universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf +zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen +samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig, +heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die +der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten +samen met die der mythologische gedichten. Ook hier bestaat een +merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding +voor het leven ontvangt, + + "naar lost fra laengsler og fra vild begaer + den flyer til mindets aandehjem befriet"[12]. + +(Kaerl. Komedie, Vaerker II, 261). + +Vergelijk daarmee Welhaven's verzen: + + "Hver en Fryd maa trylles om + til et Savn, som Sjaelen freder; + Mindet kun et Held bereder, + der er Livets Eiendom"[13]. + +(Digte 1845. Vaerker II, 234). + +Voornaam is deze poezie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde +heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen +hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar +persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij +als schoon gevormde gedachte tot den lezer. + +Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische +beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan deze +beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij +Welhaven's natuurpoezie te danken. De romantische vlucht van de stad en +de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar +ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze +dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof. +Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, nokken, +nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbjornsen ze deed, hun +intree in de kunstpoezie. Welhaven heeft in dit genre veel +natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En +ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden +was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was. +Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan +de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want +zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers +wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer +genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische poezie van een +dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn +tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook +nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden +bron van poezie een rijke was, die in de behoefte van meer dan een +geslacht kon voorzien. + +Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad, +in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden. +Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige +generatie. + +Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich +verwijderen van het realisme waarnemen. _Norges Daemring_ is te gelijk +idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des +dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor +zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn +pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in +bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn +troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het +leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart +zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee +richtingen. Voor de eene--en dit is de richting der +huldre-romantiek--bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,--ook +Asbjornsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze +gehuldigd,--voor de andere zijn de ware objecten voor onze +belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen, +en deze richting loopt uit op menschenstudie en zoodoende op realisme +in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbjornsen in enkele stukken +gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in +de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt +voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbjornsen's +realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot +doorbraak komen. + +Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten +van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van +verschil. Welhaven heeft zich ook sterk geinteresseerd voor de +verzamelingen van Asbjornsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de +behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn +behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van +populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche +letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche +Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van +de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een +stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de +geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid +vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch. + +In 1840 werd Welhaven lector,--later (1846) professor in de +philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het +vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft +nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het +jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus +is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan +historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een +duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan +van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn. +Hij stierf in 1873. + +Ook Jorgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen, +is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de +natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door +eenvoud en religieusiteit. + +Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook +melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in +verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters +der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot +de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's _En Jaegers +Erindringer_, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der +schilderingen van het volksleven behoort Ostgaard's _En Fjeldbygd_. Het +boek staat onder den invloed van Asbjornsen's vertellingen, maar hij +miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene +zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van +talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet +hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan +twijfelen, of het boek wel tot de poetische litteratuur gerekend kan +worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbjornsen +las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het +denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van +eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling. + +Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen +schreef, samen uitgegeven onder den titel _Fra Lofoten og Solor_, +interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake +is,--Solor ligt in het binnenland--de bewoners der eilanden hun eerste +intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger +van Jonas Lie. + +Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bjornson's +boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in. + +Bjornstjerne Bjornson is in 1832 geboren als zoon van een +dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te +zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania, +waar hij een tijd lang Heltberg's "studentenfabriek" bezocht--zie +hierover meer in Hoofdstuk IV--en in 1852 student werd. Reeds te voren +had hij een--onrijp--tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij +regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856 +bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe +Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier +dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het +eene is _Mellem Slagene_, dat in een ander verband besproken wordt; het +andere is _Synnove Solbakken_, de eerste zijner boerenvertellingen. + +Men kan zeggen, dat Bjornson's novellen eene periode openen, en dat zij +er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze +beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling, +die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de +voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De +sprookjes van Asbjornsen en Moe zijn rijk aan poezie, maar toch niet in +de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct +van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van Ostgaard +was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door +menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bjornson vereenigde +een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot +vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst +kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel +uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten +opgang maakten. + +Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke +zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste +gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te +vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt +met Vinje's kritiek op Bjornson's volgende vertelling _Arne_, die later +zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van +boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bjornson, en die den +schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede +stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers +met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bjornson en zijn +criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bjornson +mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet +het portret nader bij de werkelijkheid staan. + +De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in +twee jeugdwerken van Ibsen, _Gildet paa Solhoug_ (Het Feest te Solhoug, +1855) en _Olaf Liljekrans_ (1856). Deze twee stukken representeeren een +eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter. + +Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een +welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen, +en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee +gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te +Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In +de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te +bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte +hij. Zoo is zijn eerste drama _Catilina_ ontstaan in den winter 1848-'49 +(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania, +bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk _Kaempehoien_ +van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste +doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij +een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen, +met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu +volgen snel op elkander _Sankthansnatten, Fru Inger til Ostraat, Gildet +paa Solhoug_ en _Olaf Liljekrans_. Het eerste van deze werken is van +geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre; +over de beide laatste zal hier iets gezegd worden. + +Toen Ibsen _Gildet paa Solhoug_ schreef, waren zijne oogen reeds +opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe +letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde +zijne gedachten in eene andere richting. _Gildet paa Solhoug_ zou, wat +de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend; +de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14e eeuw), en door het +hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar +onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht +te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene +voorstudie voor _Hermaendene paa Helgeland_, dat geheel onder den invloed +der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der +volkspoezie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen +worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor +_Olaf Liljekrans_ bestaan verschillende voorstudien. Voor een van deze, +en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (_Rypen +i Jostedal_, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling +volkssagen van Faye, die hierboven genoemd werd. Wij hebben +hier dus een stof, die met Asbjornsen's vertellingen punten van +aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door +het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd; +er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier zoo ver, +dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een +volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat +citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen +den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door +overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde +stuk _Sankthansnatten_, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt. + +Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te +stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een +voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre +opgang gemaakt had, met name in zijn drama _Svend Dyrings Hus_. Wanneer +men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz +nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige +kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere +uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van _Olaf +Liljekrans_ is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en +een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk +is. Het toont, dat de dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling +door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die +het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo +gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de +dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme +voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs zoo +ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling +schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst +proclameert. Deze verhandeling--later uitgegeven in het tiende deel +zijner _Samlede Vaerker_--verscheen na de beide tooneelstukken en +beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857) +verscheen _Hermaendene_, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie +opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama +gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym +Jokum Pjurre, eene comedie _Gildet paa Maerrahoug_, waarvan reeds de +titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (_maer_ +beteekent merrie). + +Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de +eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed, +waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal--groote +stukken van _Olaf Liljekrans_, waar de individueele lyriek de +volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen +geschreven heeft--, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar +ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester, +die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de +beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van +bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn, +reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal +zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen +jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in _Kejser og Galilaeer_. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 4: Vertalingen van werken der Duitsche romantische school +komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von +Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici +werden gelezen (zie Jaegers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan +uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.] + +[Footnote 5: De eenige voorganger van Asbjornsen en Moe was de predikant +Faye, die in 1833 een verzameling _Norske Folkesagn_ uitgaf, tamelijk +rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het +karakteristieke niet deed uitkomen.] + +[Footnote 6: Een voortzetting door Asbjornsen met bijdragen uit +opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2e uitg. 1876).] + +[Footnote 7: Het woord _huldreeventyr_ is een maaksel van Asbjornsen en +eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van poetische fantasie, +_huldre_ behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming +voor zulke vertellingen is _huldresagn_.] + +[Footnote 8: In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling _Sange, +Folkeviser of Stev_ (d.i. refreinen) uitgegeven.] + +[Footnote 9: Zie echter het litteratuuroverzicht.] + +[Footnote 10: Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan +_Norges Daemring_ een deel uitmaakt.] + +[Footnote 11: Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte +als in uitdrukking tusschen _Protesilaos_ (Welhaven, Digtverker II, +219): "Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han kaemper +kun og falder" en _Brand_ (Ibsen, Saml. Vaerker III, 231): "Men hver, som +gaar i forste raekke, maa falde for sin fagre sag."] + +[Footnote 12: "Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd +vliegt naar de geesteswoning der herinnering."] + +[Footnote 13: "Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis, +waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een +geluk, dat het eigendom der ziel is."] + + + + +2. _De historiseerende Romantiek_. + + +In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in +zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den +drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de +historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan +historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden +beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer +dan allen de volksoverlevering cultiveerde, Ohlenschlaeger, heeft ook tal +van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote +afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de +bloeitijd is niet geheel dezelfde, en het geheel valt later dan in +Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard[14] een historisch drama +_Magnus Barfods Sonner_ (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had +dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen +toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den +nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient +zijn gedicht _Sonner af Norge_ van 1820 genoemd te worden, dat het +nationale lied van het land geweest is, tot het door Bjornson's _Ja, vi +elsker dette Landet_ werd vervangen. + +In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de +vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en +drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste +omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van +1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich, +doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studien gemaakt; +hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de +geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten het eigen land. En hij +waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken +stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele +gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De +romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;--een +liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat +eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid +schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama +_Kong Sverres Ungdom_ (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud +deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door +haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene +intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een +historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende +karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem +zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon +dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre. +Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een +historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd +te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus +een soort heerschappij oefende. In meer dan een genre had hij volstrekt +niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk +gehad, zijn roem te overleven, ofschoon hij tot het laatst is +doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884 +op 73-jarigen leeftijd. + +De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de +Engelsche geschiedenis ontleende tragedie _William Russel_ (1857) werd, +ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde +gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking +(Saml. Vaerker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars, +toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is +merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in _Kaerlighedens Komedie_, +waar hij een bekrompen dame, Froken Skaere, haar verontwaardiging laat +uiten over een student, die zoo laag, zoo onbeschoft, zoo gemeen was, om +zelfs _William Russel_ te critiseeren. Het stuk wordt hier dus +voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke +plebejers. + +Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie _Hertug Skule_, die in +1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's +_Kongsemnerne_ was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De +vergelijking was doodend;--hiermee had het aanvoerderschap van Munch in +de Noorweegsche letterkunde een einde. + +Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in +al haar schakeeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt +dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de +ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het +historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch +drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama. + +Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur. +Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche +vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij +voorbeeld de stof voor Munch's _En Aften paa Giske_ uit Snorris Olafs +saga helga[15]. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de +nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is +die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en +zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het +persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen zoo, dat niets +meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met +het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der +voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene +kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is. + +Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's +romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof +insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder +mate. _Catilina_ valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting +van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd +gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het +gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het +jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk poezie te halen. +Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet +die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek +aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden. + +_Fru Inger til Ostraat_ (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter +bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet zoo gevormd, en de +ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk +en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men +den indruk, dat de dichter onder den invloed van het--insgelijks +romantische--gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij +de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen. +Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp +geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch. + +De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn _Hermaendene +paa Helgeland_ (1857) en _Kongsemnerne_ (1864). Van deze beteekent het +tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog een historisch +drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier +bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische +en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie +in. + +De stof voor _Hermaendene_ en _Kongsemnerne_ is aan de Noorsche oudheid +ontleend. In een enkel opzicht vormt _Hermaendene_ nog een overgang van +het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt +niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der +middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den +man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de +_Volsungasaga_ die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen +wordt opgedischt. De _Volsungasaga_ behoort niet tot de beste saga's, +vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof +uit de Edda, en zoo gaat _Hermaendene_ in laatste instantie terug op eene +stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die +met de latere volkspoezie punten van aanraking hebben. Het conflict is +ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama _Gildet +paa Solhoug_ behandeld was. Wanneer desniettegenstaande _Hermaendene_ met +recht tot een ander genre geteld wordt dan _Gildet paa Solhoug_, dan is +de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl. +Maar de stijl is dan ook niet die der _Volsungasaga_, maar die der +historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd +had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het +voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der _Egilssaga_, der +_Njalssaga_,--en hier is de stijl een andere dan in de _Volsungasaga_. +Men kan dus met recht zeggen, dat in _Hermaendene_ de familiesaga in +dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de +_Volsungasaga_, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in +de _Njalssaga_ voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het +schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is. + +En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie, +waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit +gezichtspunt eene vergelijking van het slot van _Gildet paa Solhoug_ met +het slot van _Hermaendene_. In het lyrisch drama, dat door stemmingen +beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin +bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige +Bengt; de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven +jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint +het geluk. In _Hermaendene_ is de hartstocht een stormwind, die alles +wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood +de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij een +man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op. + +Op geheel andere wijze is _Kongsemnerne_ (De Kroonpretendenten) een +historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de +geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante, +maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen, +maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende +langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want +hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van +die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover _Kongsemnerne_ +handelt. Tot nu toe stond het eene landschap tegenover het andere, en de +geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten +tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken +en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald +Harfagri had Noorwegen tot een _rijk_ gemaakt; nu moet het een _volk_ +worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als +Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als +bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is +daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne +maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over, +dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet +gegeven is, te leven. + +Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de +Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit +perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen +tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer +naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij +door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was +opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die +kwamen, zouden de Skandinaviers tot broeders maken, gelijk Hakon +Hakonsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo +nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen +van Hakon wijzen, gelijk Hakon Skule wijst op de dagen van Harald +Harfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten +beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden +gesteld, Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen. +Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die +op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep: +_Vaagner_ (wordt wakker), _Skandinaver_! getuigt er van. + +En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de +interessantste figuur van het drama. Want _Kongsemnerne_ is niet alleen +een tijdgedicht--het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht. +Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van eene zijde van den +dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne +roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is +zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over +hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel +zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het +denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer +noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den +grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn +tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen, +en zelf daarbij onder te gaan. + +Een tijdvak van negen jaren scheidt _Kongsemnerne_ van het geweldigste +van Ibsen's historische drama's: _Kejser og Galilaeer_. De romantische +droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk +afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de +reeks moderne drama's (_nutidsdramer_) te openen, die aan de letterkunde +van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt[16], om +nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit +de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal +geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die +van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste +wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe +verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de +meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de +lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te +dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot +hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk +dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar +het gaat hem als Kain; zijn offer wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan +bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor +brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de +verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de +idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en +waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem +dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop +op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal +voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de +ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij +gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich +tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den +Galileer, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een +tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galileer aan hem +persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer +zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galileer +opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den +wettigen keizer ook dien tegen den Galileer aan. In naam herstelt hij +het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist +deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning +voert. Voor dien tijd heerschte het Christendom in het uitwendige; het +was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde +in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter +begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering +op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument, +waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den +Galileer, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het +Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot +oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de +mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: "Jullie God +is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen." Alleen Makrina +spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: "Verdwaalde +menschenziel,--_moest_ je dwalen, dan zal het je zeker ten goede +gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken +komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode +levenden!" + +Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote +drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die _Kejser og Galilaeer_ +direct aan _Kongsemnerne_ bindt. De voorstelling van de roeping is niet +geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest, +waarin de dichter zich jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In +_Kongsemnerne_ is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met +Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft, +wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met +blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd, +maar het begrip is toch aanwezig. In _Brand_ treedt de roeping op als +een eisch, die verschrikken kan. In _Peer Gynt_ is sprake van twee +wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief; +in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van +een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen, +dat zij haar roeping verzaakt. In _Kejser og Galilaeer_ blijven alleen de +twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet. +Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is +alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het +resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet +dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of +ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij +kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede +voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en +zoo wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar +wreedsten vorm. Daarom is Juliaan, evenals Kain en Judas, een martelaar +voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de +menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor +deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken. + +Zoo ziet een philosophisch extract uit _Kejser og Galilaeer_ er uit. Het +stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten +kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen +levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme. +Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij +zoo in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon. +Levend--en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene +nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op +elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van +Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten +heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de +schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld +kent. + +Bij het schrijven van _Kejser og Galilaeer_ had Ibsen meer historisch +materiaal, om op te bouwen, dan bij _Kongsemnerne_, en dit kan een der +oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan +bij het oudere drama. Ook was de dichter in den tusschentijd een ander +geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873, +kort voor het verschijnen van _Kejser og Galilaeer_, aldus uit: +"Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van +wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest +doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te +gelijk geheele, volkomen realistische poezie; ik heb de figuren voor +mijn oogen gezien in het licht van den tijd,--en wil hopen, dat de +lezers hetzelfde doen." In den zin, waarin de dichter hier het woord +opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de +stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan +Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed +der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien +het juist is, wat Henrik Jaeger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt--en +tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen--dat in de +teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar +slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de +teleurstelling van den dichter, die in de jaren voor 1870 een nieuwen +tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke +persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden +staatsburger had gegrondvest, dan is ook in deze wijze, om de oudheid +in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met +de wijze, waarop de grondgedachte in _Kongsemnerne_ ontstaat onder den +invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm +was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere +banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer +gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke +problemen bezighouden. + +Bjornson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856 +_Mellem Slagene_ (Tusschen de Gevechten), 1858 _Halte-Hulda_, 1861 _Kong +Sverre_, 1862 _Sigurd Slembe_, 1864 _Maria Stuart i Skotland_, 1872 +_Sigurd Jorsalfar_ (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot +de historiseerende romantiek de gedichtencyclus _Arnljot Gelline_ +(1870). Afgezien van _Maria Stuart_ vallen al deze werken binnen het +kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van +overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin, +dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof +eene--gefingeerde--gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas +de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In +_Mellem Slagene_ treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als +deus ex machina in een rol, die zeker den historischen Sverre slecht +zou gepast hebben,--hij moet den vrede stichten tusschen twistende +echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man +tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. _Halte-Hulda_ +maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de +handeling gezegd wordt, in de 13e eeuw te geschieden. Het conflict is +hier van gelijken aard als in _Hermaendene_, en het is hier gelijk daar +de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in +aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen _Hermaendene_ en _Halte-Hulda_ +nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik +de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de +natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bjornson zich tot het +publieke leven, dat--wanneer men een stof uit de oudheid +kiest,--natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die +men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de +stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de +koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt. + +Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters +blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's +van Ibsen en van Bjornson niet groot. Vergelijkt men Bjornson's +historische drama's met die van een vroegeren tijd, dan is er wel een +groote afstand. Bjornson had levendigheid van geest en een groot lyrisch +talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij +had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een +dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter +heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen +wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die +hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen +oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis +te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere +menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist +hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren +weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond +hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De +individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel +oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en +zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van +elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's +gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de +man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook +dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet de noodzakelijkheid niet +in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan _Sigurd Slembe_, het stuk, dat +doorgaat voor het beste van Bjornson's historische drama's. Uitwendig +heeft de held eenige gelijkenis met Skule in _Kongsemnerne_. Als deze +tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft +ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om +zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren +koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel +trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem +vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt +Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van +dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet +precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een +toeval--de grootere haast van de vijanden--de oorzaak, dat Sigurd +misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een +psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de +hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die +Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang +bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed +meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn +vrienden beraden had, wat nu te doen stond, voor hij sluipmoordenaar +werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem +gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de +grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond +onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu +consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde +bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen +bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin, +waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar een pijl +verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter +gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche +vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het +eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad +en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan. +Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus +willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis. + +Maar Bjornson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de +ontwikkeling eener handeling. Bjornson is niet een steller van vragen; +daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een +beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe +anders had _kunnen_ handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht; +het is hem genoeg, dat de man anders had _moeten_ handelen. Hij wil +verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te +bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een +exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een +schouwburgpubliek gaarne zien. + +Er wordt in Bjornson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls +zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den +regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den +mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms +leest men dingen van grenzenlooze naiveteit. Ook hiervoor zal een +voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het +gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de +tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd +morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk +geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over +op de karakteristiek van den man. Een is er van meening, dat Sigurd zulk +een aard heeft, dat of alle anderen moeten omkomen, of hij. En deze man +eindigt aldus: "Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat +hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals +vereenigd zal worden tot eene heerlijke bedoeling.--Vrienden, ik geloof +aan een leven na dit." + +Dat "vrienden" vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof +men Bjornson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort +uitbrengen.--Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek +om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij +bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd +zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt. + +Bjornson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's +geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van +voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was +voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte, +die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in +hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is +zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling. +Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den +dichter juist tot _die_ stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond, +dat er genoeg waren. + +Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de +zoo veelzijdige productie van Bjornson. + +Meer in overeenstemming met Bjornson's talent is de gedichtencyclus +_Arnljot Gelline_. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend. +Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische +gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende. +Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om +schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden, +maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een +gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren, +hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de +grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij +langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij +kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid +gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam +aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man +treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den +slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om +den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij +wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen +kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich +aan hem overgeven. Op wensch van den koning laat hij zich doopen; den +volgenden dag is hij een der eersten, die valt. + +Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de +realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken +in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke +betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot +uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover +sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft +ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag. +Deze figuur maakt Bjornson tot het middelpunt van een groep gedichten. +Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds +het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de +sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan +bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig +plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche +volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden +in zulk een gedicht tot een. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft +hij met warmte weer. Maar Bjornson zou Bjornson niet zijn, als hij niet +geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid +der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan. +Tevens moeten wij iets meer hooren over de misdaden van den roover; +vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens +gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de +beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling--een zaak, +waarover de geschiedenis zwijgt--sterk op den voorgrond gebracht; de +persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en +wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot +valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning +over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste +van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach. + +Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die +hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en +leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De +vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer +dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt, +maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin +gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch +gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door +misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in +zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid een held zich +in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil +schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer +de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken, +precies als in de boerennovellen. + +Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot +Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het +verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van +een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere +Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het +hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden, +zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken, +en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw, +die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de +pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en +bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide: +"Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer." +Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik +gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij +niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening, +noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching. + +Het is wel gezegd, dat Bjornson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt +en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet +zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet. + +En toch is _Arnljot Gelline_ een mooi gedicht, wanneer men er maar in +zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan +stemmingen rijken dichter. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 14: Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een +vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven, +_Fjeldeventyret_, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en +zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt +thans nog wel met succes gespeeld.] + +[Footnote 15: Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van +1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13e eeuw Snorri +Sturlason.] + +[Footnote 16: _De Unges Forbund_ is van 1869, dus drie jaar ouder dan +_Kejser og Galilaeer_. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de +historische studien voor zijn groot drama bezig.] + + + + +3. _Het hooggespannen Idealisme_. + + +In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot +voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de +jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog +meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door +politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en +werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen. + +De romantiek had de poezie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den +helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men +wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote +gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die +nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de +maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de +dichters konden die vormen, zooals zij wilden. Maar voor dichters, die +niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met +de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren +verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat +van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zoo deden eigenlijk van +den beginne af die poeten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde. +Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan +was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf +der geidealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een +veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. _Dat_ hij hem ging, +ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het +geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De +wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen +van 1864 bepaald. + +Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in +1862 gedaan; reeds _Kaerlighedens Komedie_ toont de beginnende reactie +tegen de romantiek, die in _Brand_ en _Peer Gynt_ wordt voortgezet. + +'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek +geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof, +dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als +Ibsen is, houdt hij nog de geidealiseerde personen voor de normale, +maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het +conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en +Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar +geplaatst in een nieuw daglicht,--dat van heden. Van des dichters +standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek +is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte, +als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van +den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas in _Peer Gynt_ +laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek +gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een +overgang van het historisch-romantisch drama naar het met _De Unges +Forbund_ beginnende realistische drama. Van eene zijde vertegenwoordigen +zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den +achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme. + +In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie +genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis +vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke +kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke +gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene +maatschappij van halve menschen?" In het realistisch drama draait de +dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van +menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's +gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen +geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen +tot de taal van het gewone leven, het proza, over. + +Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van _Kaerlighedens +Komedie_ (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker +verband aangenomen met den roman _Amtmandens Dotre_ van Camilla Collett +(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk +voor het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar +het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en _Kaerlighedens +Komedie_. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder +(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige +vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot +een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en +Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt, +dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde +Schjott in haar opstel over Camilla Collett). + +Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook de vraag, die gesteld +wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht +zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de +liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het +huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke +conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet +eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog +opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn, +het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan +elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet +lijden. Door deze gezichtspunten is _Kaerlighedens Komedie_ niet +uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk +gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe +sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde +langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en +frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht. +Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt +overblijft,--zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de +herinnering te bewaren--'voor de eeuwigheid te winnen', heet het +hier,--liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen +dit echter niet klagend, maar dankend: "Nu kan ik je _blij_ missen voor +dit leven", is de afscheidsgroet. + +Het spreekt wel van zelf, dat _Kaerlighedens Komedie_ niet verstaan, en +dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het +stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor +de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat +was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten +behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen +vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook +volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poezie maakt hier +natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van +poetische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt. + +_Kaerlighedens Komedie_ is echter niet alleen een hoog-romantisch +gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild, +wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar +hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van +verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang +gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich +in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het +dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poezie,--ziedaar +de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der +vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter +samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de +bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding +geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen +niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de +studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt: +"dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd." + +De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen +reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "een +hoog, voor de vreugde van het leven, en een, die beneden trilt, diep en +lang." + +Gansch anders is de stemming in _Brand_. Maar tusschen _Kaerlighedens +Komedie_ en _Brand_ ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de +werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet +altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet. + +Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850 +ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de +ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in +den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting was gekomen, was +van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een +bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele +patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere +reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het +Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam, +een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de +zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en +Bjornson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden +voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche +tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten--al zulke, +die het bestuur van het land aangingen--anti-Zweedsch. Maar deze dingen +beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet +meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden +kwam te staan. Hier trok men een lijn en stelde men zich ook voor, als +een man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme +ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts +eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en +waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken +en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in +die jaren gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de +gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling +van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het +ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich +vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander +naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in +vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte +zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde +studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjornson tegenwoordig +was. + +Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden +doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon +Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen, +werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten, +en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond +echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten +einde uitdrukking te geven aan meegevoel. + +Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en +de pessimistische stemming doen rijpen, die in _Brand_ tot uiting komt. + +Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan, +waarmee hij de gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op +gewezen, dat in _Kongsemnerne_ de gedachte aan een in broederschap +vereenigd Skandinavie herkend kan worden in Hakons groote +koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds +in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen +oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den +titel _Vaagner, Skandinaver!_, waarin onder anderen gewezen wordt op het +gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht +hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een +Deensch-Noorsch studentencongres (_For Danmark_, Efterladte Skr. I, 87). +In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, _En Broder i Nod_, zijn +landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat +is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864 +uit Rome: _Troens Grund_ (De Grond van het Geloof) bericht op +sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo +zegt hij, zijn oproep (d.i. _En Broder i Nod_) over zijn volk +geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers +over den val van Dybbol, over de jonge Noorsche vrijwilligers. +Inderdaad, van een was een neef weggeloopen, een ander miste zijn +handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa zat een +oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid +uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over _hem_ is +zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog +leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar +zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger. + +Interessant is het gedicht _Til de Medskyldige_ (Aan de Medeschuldigen), +een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen +_Brand_,--een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel +voert,--die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een +positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij +zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij +zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met +bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden +hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben +verzuimd, deze vraag te stellen: + + "Kan den med Rette tage Arvens Skat, + som fattes Haanden, der skal Arven lofte?" + + (Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die + de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?) + +Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren +direct aan deze verzen uit Norges Daemring: + + "Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen braender, + kan ei fortabes, er en hellig arv, + der falder renterig til Folkets Tarv, + naar det kan haeve den med voxne Haender!" + + (Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet + verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten + goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen). + +In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat +Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog +op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders +zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar +handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou +lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen +blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich +daarover scherp uit in zijn _Ballonbrev til en svensk dame_, waaruit ik +alleen deze twee verzen citeer: + + "Thi mod skonhed hungrer tiden, + Men det ved ei Bismarck's viden." + + (Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's + wijsheid niet). + +En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872 +naar aanleiding van eene rede van Bjornson. Ook deze dichter had de +gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen +uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbol +klaagde hij: _Da Norge ikke vilde hjaelpe_. In 1870 was men in +Skandinavie zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning +herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche +overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen +was, kwam Bjornson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest +veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een +verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een +zelfstandig Noorwegen in Skandinavie en een zelfstandig Skandinavie in +een groot Germanie. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten +te houden. Deze omslag van Bjornson, door hem zeker eerlijk bedoeld, +maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen +pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef +_Nordens Signaler_ (later opnieuw uitgegeven in Samlede Vaerker X, 567), +een gedicht vol vlijmenden spot: + + "Der er omslag ivente! klem paa med talerne! + Vejrhanen paa flojen har forandret signalerne." + + (Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan + op den vleugel heeft de signalen veranderd). + +_Brand_ verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden +te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de +Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad +heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de +monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig. +Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben, +die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van +den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen, +waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke +ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist +pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken, +die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in +conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard +is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het +ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn +personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit +betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de +predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor +het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te +danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een +repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand +tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het +religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele +monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker +geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer +klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze. + +Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze +zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar een proseliet te +maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te +bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat +deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking, +nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen +van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen, +dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer +hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het +visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij +weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke +stem: 'Hij is deus caritatis'. + +Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat _Kaerlighedens +Komedie_ een voorlooper van _Brand_ is. Hij heeft op deze plaats het +oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het +eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende +tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles, +wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in +'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt +aangetoond,--natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen. +Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en +karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het +verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar +ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog +praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant +heeft plaats gehad. + +Op _Brand_ volgt in 1867 _Peer Gynt_. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet +afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen, +maar hij voert het volk zelf ten tooneele in een typischen representant. +Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de +dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot +grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip, +'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te +bemerken, achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is +zich zelf genoeg, een egoist in plaats van een persoonlijkheid. Zijn +levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde +verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van +zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid. +Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit +komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes, +die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn +gebruikt,--om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek +rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche +volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het +hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen'). + +In gelijke mate als van _Brand_ geldt van _Peer Gynt_, dat de dichter de +stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de +toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke +overweegt; in _Peer Gynt_ kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere +afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden, +heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het +beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt. +Naast den spot treedt ook--in tegenstelling met _Brand_ een element van +meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend +individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het +dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken +en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift +Neophilologus geschreven heb. + +Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van +de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's +is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de +sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode +voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot +personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de +dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze +vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische +slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze +wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen. +Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in +waarheid beteekent hij den egoist; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die +aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend +geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en +allegorie. + + + + +HOOFDSTUK III. + +DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL. + + +Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die +in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van +Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in +bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet +gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon +zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect +aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was, +stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie +waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal +uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor +het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De +sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van +zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid +openbaarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit +streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de +vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen +geheel-Noorsche taal. + +De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint +met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor +geinspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van +Asbjornsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De +vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert +het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was +hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe +gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in +belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de +Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat +verouderd was of daarvoor werd aangezien,--integendeel, zij gaf uiting +aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu +gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaiseering. +Wanneer men tot dusverre schreef _lade, rige, lobe_, dan sprak men +_late, rike, lope_, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden +gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend +had. Men begint nu op deze wijze te schrijven en brengt door deze +archaiseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in +andere gevallen. + +De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K. +Knudsen, die schreef _Haandbok i dansk-norsk Sproglaere_ (1856). Tevens +werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het +belangrijkste werk, van denzelfden schrijver _Unorsk og Norsk_(1879-81). + +De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren, +waarin Asbjornsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te +nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen +tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de +stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en +de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke eene door +het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene +taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een +ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding +gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die +ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal +provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel +Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen. + +De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet +hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en +zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen +in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal, +die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch. +Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die +autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal. + +Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het +cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van +kunstmatige talen mag zeggen--deze kunstmatige taal is eene levende +geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op +zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is. +Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid, +die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is, +maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende +streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de +eenheid der Noorweegsche dialecten. + +Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht +hebben. Maar niet alleen hun energie,--niet minder hun genie. Want het +verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor +het grootste deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan +een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner +gedachten gemaakt hebben. + +De schepper van het landsmaal is eigenlijk een man geweest, Ivar Aasen, +een boerenzoon uit Zuid-More (een landschap op de Westkust), die zijn +jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde +Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten +zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder +hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de +voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken +_en geschreven_ werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht. +Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde +hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van +de Noorweegsche volkstaal: _Det norske Folkesprogs Grammatik_ (1848, in +tweede uitgave van 1864 betiteld _Norsk Grammatik_), waarop een +woordenboek volgde: _Ordbog over det norske Folkesprogs_ (1850; later +_Norsk Ordbog_ 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten +opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene +taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit +andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon +worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften +gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen +voor 'maalstraev' (_straev_, het streven, werken voor iets), en het doel +werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen +burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen. + +Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het +landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het +bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in +nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou +zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden +dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem +van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen: +aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide +talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen +het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal) +den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is. +Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan +opnieuw. De taal, die de meeste concessies doet, is het bymaal; de +laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in +spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het +landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van +een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene +taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen +en van vele kansels en in meer dan een theater gehoord wordt. + +De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader +aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn +taalhistorische studien in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij +heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal +wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die +het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche +dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaiseeren, die +voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote +autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het +landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in +poezie als door de genoemde archaistische tendenties behield deze taal +een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was +Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens +een eerste poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de +gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik +van Westlandsch dialect kwam daarna Fjortoft op, een politiek schrijver +van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn +dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande +contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal +ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad _Fram_ (1871-73) een dialect uit +Zuid-More, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske +(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden +zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de +groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak +Westlandsch, maar al wat archaistisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal +is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is +echter in het landsmaal nog niet bereikt. + +Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen. +Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor +onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en +is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in +landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden +wetsvoorstellen in beide talen ingediend. + +Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige +opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn +originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder +hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een +tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal +Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen +ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een +_husmand_, d.i. een kleinen boer, die op een _plads_ (kleine +boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij +opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een +boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg. +Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den +krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man, +die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij +den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering +mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft. +Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren, +is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den +cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al +hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft, +tot de bekwaamste mannen van het land behoort. Die kennis echter +vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij +bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er +ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is +hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij +geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven. +Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt +in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken +oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van +het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader +aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke +sympathieen, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden. +Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van +zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op +rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik +zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer +geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op +politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem +aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere +wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van +goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zoo, dat hij geen aanstoot +geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen +subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en +plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door +zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot +eenzaamheid gedoemd, en zoo geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur +voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij +daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft +hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen +deed hij een heftigen aanval op de regeering--en werd ontslagen. + +Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt +niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat +dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij +gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon +verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon +zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren +optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken +geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven, +die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de +lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een +humorist. + +Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van +Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let +op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest +bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling +en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven. +Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin +is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken. + +Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870 +verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen +gevuld heeft, _Dolen_ ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle +denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij +had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen, +van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen. + +Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig +onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van +wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en +wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws +had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij +toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het +zijn die gevoelsinhouden, die stijl, die eigenaardige combinaties, die +humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke +geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier +geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche +plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu +toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door +kende. _Dolen_ werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan. +Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad +moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige +maanden, wanneer men hem dood waande, stak _Dolen_ dan plotseling weer +het hoofd op. + +Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige +kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd +is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd +komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon +hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan +tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaische werken +staat hier bovenaan _Ferdaminni_ (Reisherinneringen), een boek, dat +eerst stuksgewijze in _Dolen_ is verschenen. _Ferdaminni_ is de +beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860 +maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt hier +op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's +Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien +dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde +verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan +zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn +geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed +dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd +werd. + +Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate +onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken +uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjornson's _Arne_ (de tweede +dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in een verwijt +heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjornson +de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de +stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met +dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat +Bjornson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het +verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een +_husmand_, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als +dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen de +boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de +predikanten behooren, uit wier stand Bjornson is voortgekomen, een kring +met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij +niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd +billijk beoordeeld, maar wanneer hij in _Ferdaminni_ en elders hun +zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen +romantiek. + +Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook +zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat +hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan +ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit +onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's _Brand_. In de +dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten +tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters +hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in +dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet +den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te +zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat +eerst naar eene vignetteekening den naam _Manden_ (De Man) kreeg en +later omgedoopt is tot _Andhrimnir_ (de naam van den kok in Valholl). +Dit blad was een navolging van het Deensche blad _Corsaren_, dat door +Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op +harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin +omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover +oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers +ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen. +Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden +af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke +toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche +waardeering was er ook niet. In _Peer Gynt_ ontmoeten wij Vinje als +Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der +orangoetangs te spreken. Toen _Brand_ verscheen, heeft Vinje dit +dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar +op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte +farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan. +"Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een +paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel; +Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over +Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon +hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden +hebben niet nagelaten, in zijn kritieken op _Arne_ en op _Brand_ +uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het +geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands +drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel, +is het gevolg van meer dan een oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die +hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren, +dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich +begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond +alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was +van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna +identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel +landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten, +kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn +tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch' +schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te +hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al +spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair +succes. + +Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in +aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is +het wel, dat iemand zijn leven geeft voor een denkbeeld, dat in de +practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje +zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door +geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere +gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er +dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar +voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte +is hem te abstract. + +Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat, +wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als +litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent +practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters +konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest +verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder +grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting +alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt +samen met zijn beter inzicht in de realiteit. + +Vinje's belangrijkste levenswerk--men moge het prijzen of laken--is dat, +wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor +geijverd,--dat is een ding, maar vooral--hij heeft het gebruikt, en hij +heeft het zoo gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noorweegsche +letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest. + +Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver +kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls +begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te +geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming +verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele +gedichten, waarin eene stemming tot uiting komt en tot het einde toe is +volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de +zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden, +die opgenomen is in zijn gedichtencyclus _Storegut_. + +Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de +hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is. +Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast _Ferdaminni_, +Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot +de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus +_Storegut_. Wat de compositie betreft, kan men _Storegut_ vergelijken +met _Arnljot Gelline_ of met Runeberg's _Faenrik Staals Saegner_: het is +een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een +historische persoon of gebeurtenis. Voortgang is er eigenlijk niet in +het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed +zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat +de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de +karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk +en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij +kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een +valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij +voor het meerendeel stemmingen van een persoon schilderen. En er zijn +ware meesterstukken onder. + +Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan +schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie +als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan +men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt +gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij +in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in +dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook +oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het +inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te +verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe +ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef +geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo +subjectief als Vinje, die _Brand_ voor een farce aanziet, geen +psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen +theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op +wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama +geschreven, _Olav digre_, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de +proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men +zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft +kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet +kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de +grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naiveteit, waaraan +wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die +aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant +genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let +op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft. + +Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is. +De stukken, die gereed waren, heeft hij in _Dolen_ uitgegeven. _Staale_ +heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een +onafhankelijk man, die zijn eigen weg gaat, in de maatschappij +mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn +omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt +toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen +vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort +schiet. _Staale_ is dan ook veel minder gelukt dan _Storegut_. + +Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland +in: _Bretland og Breterne_. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje +nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes +in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland +toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te +bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor +zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de +tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen +land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op +den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden, +waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen +opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende +bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maatschappij. Maar door +zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten--de +Times liet zich zeer onvriendelijk uit--, en daarmee was zijn uitzicht +op succes in den vreemde afgesneden. + +Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet +gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele +vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een +dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als +zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten +niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over +hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar +bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag +gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht: +men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem +gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was +uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat +hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft. +Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij +geschreven heeft, maar _hoe_ hij geschreven heeft, eerst in bymaal, +daarna--het meeste en het best--in landsmaal. Die beteekenis zal pas +algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal +bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen +is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen +voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te +heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen, +dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen, +want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest. + + + + +HOOFDSTUK IV. + +HET REALISME. + + +Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de +idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de +practijk, maar ook in de poezie noodig was, rekening te houden met de +wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen +zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken +periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu +invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk, +waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden +dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en +begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der +Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het +geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de +litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat, +godsdienst. In Denemarken doet de nieuwe richting haar intocht in de +epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire +voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen +en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land +is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere +generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige +periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjornson +zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep +romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn. + +Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan +beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt +wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die +litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd +in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw +is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel +afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad +van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken, +is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat +de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de +waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt +is, dit doel te bereiken. De leus kon trouwens gepaard gaan met andere +leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd +waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men +in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet +plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie +debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich +zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het +standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers +van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin, +dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is. +Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,--en dat hebben alle +dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch +altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die +voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee +richtingen ontwikkelen. Of men gaat den eisch van het realisme steeds +strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid +nabij te komen,--het zoogenaamde naturalisme,--of men laat het realisme +als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel, +dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat. +Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten. + +Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet +op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar +aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd +had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813 +is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven +van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is +zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste +boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek. + +Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige +jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een +anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar +geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de +ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt +zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd, +waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere +clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor +Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in +rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's +tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in +levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, heeft zij +sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven. + +Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad +(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte +vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in +1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in +1855 haar hoofdwerk _Amtmandens Dotre_, het eerste der talrijke Noorsche +boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze +maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de +litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met +tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: _Fortaellinger_ +(1861), _I de lange Naetter, Sidste Blade_ (3 verzamelingen 1868-73), +_Fra de stummes Leir_ (1878), _Mod Strommen_ (1879). Op den duur neemt +zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar +eerste roman opkwam voor de liefde--in plaats van conventie--als +grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande +verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den +voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de +schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op +en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek +in het potsierlijke; mannen als Goethe en Byron vinden weinig genade in +haar oogen. + +Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek +_Mod Strommen_ (Tegen den Stroom) mocht eerder _Med Strommen_ heeten; +toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de +vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor +modern wilden doorgaan. + +Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870, +als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een +probleem debatteert'. + +Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit +het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de +werken van Asbjornsen, Ostgaard en enkele anderen. Voorts een deel van +Vinje's geschriften en Bjornson's boerennovellen, die echter weinig +realistisch waren. Nu zou het anders worden. + +Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van +den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn +eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist. +Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn, +en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als +zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn +'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en +bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen, +zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere +werken. Kritiek op de maatschappij--een der hoofdpunten van het jonge +programma--komt bij hem reeds in 1862 voor in _Kaerlighedens Komedie._ +Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later. +Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden +geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot +uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het +maatschappelijk leven. In _Kaerlighedens Komedie_ is het nog een +bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de +maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn +Falk en Svanhild een utopie. In _En Folkefiende_ daarentegen is de held +een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,--wat +alle anderen ook zeggen te willen,--en die met zijn omgeving in strijd +raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase +is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing +van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld +der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is +het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische +stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch +leven, het proza, gekozen wordt, en dat de personen meer +geindividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en +deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een +enkele repliek kent. + +Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is _De Unges Forbund_ van 1869. +Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het +vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die +hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte +het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote +politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en +kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale +en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft +de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde +physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van +twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde +menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier +dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de +verontwaardiging van Bjornson over het stuk; het waren zijn eigen +phrases en zijn naief zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden +gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjornson niet eerlijk +was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geergerd[17]. En +hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van +eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend[18]. + +Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral +vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant, +staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den +samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil +van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten +een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen; +tegen dit verbond--het ware verbond der jongeren.--is de vooze demagogie +niet bestand. + +Men heeft Ibsen verweten, dat hij in _De Unges Forbund_ zich tegen 'de +partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld +Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. Ibsen zou in dit stuk de +woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van +dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk. +Geen ding toont misschien duidelijker dan _De Unges Forbund_, hoe ver de +dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het +komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en +heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist +de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is +volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter +verwachtingen had van de oude aristocratie--mits deze zich vernieuwde. +Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening +uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die +hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren. + +Tusschen _De Unges Forbund_ en _Samfundets Stotter_ liggen acht jaar +(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met _Kejser og +Galilaeer_, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken +is. + +Met _Samfundets Stotter_ (1877) begint een ononderbroken reeks moderne +drama's. Weldra volgen _Et Dukkehjem_ (1879), _Gengangere_(1881), _En +Folkefiende_ (1882), _Vildanden_ (1884). In al deze stukken wordt de +werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt +ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een +samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij +een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na +jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste +pessimisme. + +In _Samfundets Stotter_ geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in +een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en +het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich +wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil +tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer +verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend +heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken; +Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit +andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en +dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een +onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen +tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen +vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft +liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om +Bernick's geweten wakker te schudden. Zoo groot is het geloof van den +dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het +ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het +blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip +wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt +Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te +huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den +waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de +geesten van waarheid en vrijheid. + +Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar +realist, toch ook nu nog als van ouds ideeendichter is. De gedachte is +zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",--abstracter +kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt +van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men +bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest +wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had +een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met +haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar +ieder aan alle zijden door egards gebonden was, gemakkelijker haar +onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw, +die alleen naar de stem van haar hart luistert en zich aan geen enkele +consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert +tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in +dezen zin zijn reeds Aurelia in _Catilina_, later Solvejg in _Peer +Gynt_. En Ella Renthejm in _John Gabriel Borkman_ behoort tot dezelfde +categorie. + +Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene +maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal +onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak, +die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. _Et +Dukkehjem_ is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen +opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting +teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid +niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat +noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de +moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap +terug te houden. + +In _Gengangere_ is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer +met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die +aan _Et Dukkehjem_ ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper +stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig huwelijk +leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en +zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar +huwelijk uit te blusschen. + +Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den +dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de +courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin +zich zulk een frissche strijdlust openbaart als _En Folkefiende_. De +ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd +aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar. +Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is +menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op, +maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man +verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der +badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij +de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden, +maar alle partijen, conservatief en radicaal,--anders elkanders gezworen +vijanden,--vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen. +Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van +de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de +oppositiepers werken broederlijk samen, om Stockman onmogelijk te +maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met +uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk. +Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een +nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld +hij is, die het meest alleen staat. + +De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman +zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en +evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zoo waar geteekend, +als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het +karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in +het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de +menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met +het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjornson. Den zedelijken moed +hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de +vergaderzaal is die van Bjornson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het +uitdrukt, aan Stockman Bjornson's stem gegeven. Ook de overige personen +zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de +kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing, +de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en +wiens originaliteit hierin bestaat, dat hij er een 'gud dode mig' aan +toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in +wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van +zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele +karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet, +Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood, +als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet, +welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien, +dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel +der echtheid. + +En dan komt _Vildanden_ (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat +Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch +geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant +van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale +figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht, +waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van +een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt. +De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt: +"mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord +idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens," en die +verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem +je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed +genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons +arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen +moet de dichter van _Brand_ gehad hebben, voor hij zoo iets schrijven +kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag +over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken +helpt niet; de poeet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in +Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat +hij de dertiende man aan tafel is. + +En toch--het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof +verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en +geincarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene +vrouw, die zit te wachten op het wonder,--dat een ander verrichten +zal,--maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe +edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het +bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel +heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zoo staat ook in +_De wilde Eend_ een ideale figuur, die aan een zaak alles offert, +tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in phrases is +ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt +hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer +maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als +offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan +den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal; +in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele +gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van _Vildanden_ het +geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend +drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden. + +Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter +behandelde dan een zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zoo levende +personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest. +Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij +naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik +mode was, maar omdat hij de menschen zoo zag. En wat de +'problemenpoezie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen +behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd +is zijn poezie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom +zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur van +den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn +toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen +reflecteert zich het menschelijke. + +In dezelfde periode ging Bjornson over tot de behandeling van +maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het +lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het +meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben +zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar +daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjornson was als +kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij +ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid +gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan +zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij +veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land, +en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche +levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd +een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken, +novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is +zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in +volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke +werkkracht. Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de +wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een +eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjornson gehad +heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die +hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt +Bjornson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hem nieuw zijn, te +populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene +verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook +zijn kunst ondergeschikt. + +Een voorlooper van Bjornson's 'nutidsdramer' is _De Nygifte_ (De +pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter +levendige scenes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom +begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren: +_Redaktoren_ en _En Fallit_ (1875), _Kongen_ (1877), _Leonarda_ (1879), +_Det ny System_ (1879), _En Hanske_ (1883), _Over AEvne_, I (1885), II +(1895), _Geografi og Kaerlighed_ (1885), _Paul Lange og Tora Parsberg_ +(1899), _Laboremus_ (1901), _Paa Storhove_ (1902), _Daglannet_ (1904), +_Naar den ny vin blomstrer_ (1909). Vertellingen uit dezelfde periode +zijn: _Magnhild_ (1877), _Kaptejn Mansana_ (1879), _Stoev_ (1882), _Det +flager i Byen og paa Havnen_ (1884), _Paa Guds Veje_ (1889), _Nye +Fortaellinger_ (1899), _Mary_ (1906). + +In bijna al deze stukken maakt Bjornson zich tot advocaat van een of +andere meening of waarheid,--dikwijls eene zeer juiste,--die, naar hij +meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de +noodzakelijkheid van opvoeding in _Det flager_, van verdraagzaamheid in +_Paa Guds Veje Kongen_ is een preek over het thema, dat de republiek de +eenig juiste regeeringsvorm is. _En Hanske_ handelt over de +geslachtsmoraal. De dichter is hier zoo vervuld van de leer, die +gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over +hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot +breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjornson niet +alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie +bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet, +kan diezelfde naiveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit +de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen +ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjornson ongetwijfeld voor een groot +deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn +behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil +gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen +en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjornson +gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als koeien, die +iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen +de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer +de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan +is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de +tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan +vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat +hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het +schellinkje, zeer gewaardeerd. + +Maar wanneer men het eerste gedeelte van _Det flager_ leest, waarin +Bjornson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de +gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze +schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene +situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het +verlichtingswerk van Bjornson niet noodig hebben, en die in vreemde +litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het +Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter +als Bjornson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de +schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van +godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw +ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven +hiernamaals, terwijl dat plotseling anders wordt, zoodra Bjornson ca. +1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat +het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop +plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der +orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders +wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen +kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een +groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjornson's poezie +duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat +nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in +aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in +Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjornson gehecht wordt. En +dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het +oordeel speelt de liefde eene rol,--en de liefde is naijverig. + +Jonas Lie (1833--1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede +helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is, +wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het +Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de +overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo +stamt Lie in drie leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit +het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook +Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde +Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder +poetischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van +denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen +heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur, +die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden, +in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur +maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poezie vinden ook in het +dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zoo ver, dat +hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om +deze te objectiveeren. + +Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd +voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die +bij herhaling als poetische motieven in zijn werken terugkeeren. Als +zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in +Tromso, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die voor hem +in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht +Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen +een goede vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn +poetischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn +leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen +aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote +handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de +angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan. + +Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen +te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg +geinteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit +zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij +de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd +dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te +vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van +het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter +geheel doet ontwaken, is zijn faillissement. + +Toen Lie zijne eerste vertelling _Den Fremsynte eller Billeder fra +Nordland_ (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland) +uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de +litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op +zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt hoofdzakelijk in den vorm van +een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens +zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het +Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt eene zijde +van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke, +zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst; +zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke +behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd +hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in +de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de +alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en +David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor +hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar +de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer +hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij +niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft +geput, om het leven vol te houden. + +Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel +romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als +een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst +belangrijk is, maar toch als een zieke, niet als een wezen van hooger +orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaischen mensch verborgen +blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet +in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk +leven te kort schiet. + +De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het +dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst +opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van +zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek +daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins +misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene +zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met +mythische wezens als _nokken, draugen, tomtegubben_, en hoe zij meer +mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn +deze wezens poetisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd +met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken. +Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die +in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw +hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen +schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze +teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden. + +Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op. +Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf. +Misschien heeft hij in _Den Fremsynte_ voor goed of voor langen tijd +afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij +zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed +van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten +_Dyre Rein_ (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is. +Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in +den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt +zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het +huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven. + +Met _Den Fremsynte_ had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt. +Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost +heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel +achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker--niet in +ieder--opzicht voorstudien voor zijn latere meesterwerken. _Den +Fremsynte_ was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte +hij nog niet geheel, en vooral--hij had zich nog niet dien bijzonderen +stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij schreef, +zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie +weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver +van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne +ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te +schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een +propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen +van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren, +waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode +geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder +zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn +talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft +ingenomen. + +De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met +_Familien paa Gilje_ zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft +hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn +vooreerst zijn schipperromans _Tremasteren Fremtiden_ (1872), _Lodsen og +hans Hustru_ (1874), _Rutland_ (1880), _Gaa Paa_ (1882). Deze sluiten in +zooverre bij _Den Fremsynte_ aan, als zij schilderingen bevatten uit het +leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter +zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze +boeken een gebeurtenis in de Noorsche litteratuur; er wordt een nieuw +gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het +onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen. +Hij kent hen van kind af aan. + +Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling +speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het +zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het +huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken, +waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze +periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd +worden: _Thomas Ross_ (1878), _Adam Schrader_ (1879), _Livsslaven_ +(1883). Een eerste dramatische proeve is _Grabows Kat_ (1880). Een +afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht +_Faustina Strozzi_ (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan +de geschiedenis (Italie's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de +kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poetisch werk niet +van groote beteekenis. + +Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: _Familien paa Gilje_ (1883), +_En Malstrom_ (1884), _Otte Fortaellinger_ (1885), _Kommandorens Dotre_ +(1886), _Et Samliv_ (1887), _Majsa Jons_ (1888), _Onde Magter_ (1890), +_Trold_ (2 verzamelingen novellen 1891-2), _Niobe_ (1893), _Lystige +Koner_ (1894), _Naar Sol gaat ned_ (1895), _Dyre Rein_ (1896), +_Lindelin_ (1897), _Faste Forland_ (1899), _Wulffie & Comp_ (1900), +_Naar Jernteppet falder_ (1901), _Ulfulgerne_ (1904). + +Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde +motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering +deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in +vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den +dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een +nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde. + +Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen _(Lodsen og hans Hustru, +Gaa paa_) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te +kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een +positie weet te verschaffen. In _Gaa paa_ is het een jonge man, die in +armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder +eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in +den beginne en het besluit, het niet op te geven. + +_Thomas Ross_ vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad +heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan +het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het andere. Hij geraakt in +bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een +bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door +een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot +met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten. +Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij +gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de +tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te +houden. + +Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in _Faste +Forland_, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van +anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de +ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde. +Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist +inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en +hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden, +maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste +wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet +bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn +stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een +badplaats om te scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel +der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de +financieele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij +aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een +dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het +badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een +badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door +zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn +plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die +hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij +haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem +geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te +gemoet, en nu wordt Faste dichter. + +Het klinkt als een sprookje--en toch is het werkelijkheid. Ook de +mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den +bijstand van Thomasine. + +Het hoofdmotief van _Faste Forland_ is de mislukte onderneming en het +faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een +faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het +hoofdmotief in _En Malstrom_, en het neemt een gewichtige plaats in in +_Et Samliv_ en in _Niobe_. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede +de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer +eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te +schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van +zeer verschillende zijden. In _Faste Forland_ is de slechte zakenman +toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf +niet gekend heeft; in _En Malstrom_ en _Niobe_ ontmoeten wij twee +variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van +zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur), +in _Et Samliv_ is het de familievader, die op het punt is, in den +ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en +kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom +aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den +genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door +een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet +ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld +worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie +is hier midden in de 'problemenpoezie' geraakt; de vergelijking met +anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in +aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in de +litteratuur in de mode; zoowel Bjornson als Kielland hebben het +behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze. +Voor Kielland (in _Fortuna_) is het faillissement de onverantwoordelijke +daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de +schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen, +valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets +dan gemeenheid en laagheid. Er komen in _Fortuna_ prachtige bladzijden +voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk +geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders +Bjornson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene +maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk, +dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen. +Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is, +maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of +de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn +gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is +tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig +samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den +bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den +man, noch de daad, maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft, +kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zoo gaan moest, als +het is gegaan. + +Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo +groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij +Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan een van zijn boeken zou +men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een +belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw. +Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van een +eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en +hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun +naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden, +vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft +hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste +karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de +liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven +ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities +zijn onder anderen Susanne in _Den Fremsynte_, Bera in _Faste Forland_, +Ely Falk in _Adam Schrader_, Ellen in _Naar Jernteppet falder_. Op het +juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te +handhaven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij, +die niet kan geven, wordt de egoiste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al +deze typen heeft Lie geschilderd, zoo dat zij lijken. + +De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het +grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat +hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans +den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (_Livsslaven_, waar +de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie +van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal +dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het +sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt. + +In _Lodsen og hans Hustru_ bestaat voor de verdenking eenige aanleiding, +en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien +jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in +dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem +niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste +weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De +omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar +onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn gebrek aan +vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in +dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge +mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man, +die zoo lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal +vallen, voortaan met parlement te regeeren. In _Adam Schrader_ is het +conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt +hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is +een goed huisvader, maar prozaisch; de vrouw is muzikaal; een vriend van +den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied +der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch, +maar het karakter der vrouw is zoo oprecht en flink, dat aan haar deugd +geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink +de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek +behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel +van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden +weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere +wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij _Adam Schrader_ schreef. +Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig +is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in _Naar Sol +gaar ned_. Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de +vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man, +een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij +wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar +het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn +levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie. +Maar de eer van zijn huis heeft hij gered. + +Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne +alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans +heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood. +Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan. + +Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken _Naar +Jernteppet falder_ in een der talrijke parallel loopende vertellingen +van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een +oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige +lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel +geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren +wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan +boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe +kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis +van het gemoed zijner vrouw. Wat gaat er in haar om? Wat verbergt zij +voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag +neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van +angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is; +wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt, +gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het +schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten +geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag, +wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een +weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene +rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent, +zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell +weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij +bij haar was,--thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en +met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu +kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij +tegenover haar uit, dat _zij_ het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De +twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord +daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt. +De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopenbaard; het +gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat +waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte +in een geheel modern kleed. + +Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts +een tooneelstuk, _Lystige Koner_, is op dit motief opgebouwd. De +behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt +niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar +plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis +van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het +er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal +opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie +het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg. + +Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter +is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk +de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij +geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt. +Zulke zijn: de Kaptein in _Familien paar Gilje_, Mads Foss in _En +Malstrom_, de directeur in _Onde Magter_. In zulke families vinden wij +huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in _Familien paa +Gilje_, misschien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de +Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van +gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden. + +Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de +vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge +geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de +dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen +eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan +zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere +beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna +altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te +keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van een van beide. Bij de +jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat +het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden +een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk +geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren, +wanneer zij zwak zijn en toegeven. In _Rutland_ wil de jongen naar zee. +De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil +dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en +verzoent zich later met den vader. Dit is het gunstigste verloop. In +_Familien paa Gilje_ moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit +de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in _En Malstrom_ is het nog +erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in +_Kommandorens Dotre_, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het +de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg +staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in +die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend, +waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen +drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn. + +Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses +van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt +niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen +zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een +gezin is dat van Dr. Baarwig in _Niobe_. + +De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp +van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot +hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen +misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij +zelf behoort tot de hoogere klasse, maar sedert zijn kindsheid heeft +hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft +hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een +der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich +onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is. +Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principieele +vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen +ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide, +gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen +heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de +sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een +schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in +dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten _Livsslaven_, uit +de eerste periode, en _Majsa Jons_, een van zijn rijpste werken. +_Livsslaven_ is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode, +die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en +niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot +misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die +daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder +wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer +een--nog eenigszins sentimenteele--poging, om meegevoel met den +onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der +standen. Veel belangrijker is de historie van _Majsa Jons_, het +naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen +bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van +familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij +niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het +onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in +de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid, +die zij uit de schipbreuk van haar leven redt. + +Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen +zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene +verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden, +ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de +vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot +deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een +fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het +al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen +zij een ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel, +waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist. + +Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het +familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine +vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee +bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in +zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is. +Zij doen het meest denken aan de spookhistorien uit _Den Fremsynte_. +Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele +jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu +ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire +natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast +elkaar staan stukken als _Moskenaesstrommen_, waarin natuurkrachten +gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt, +_Bylgja_ en _Kvaernkallen,_ die de mystieke indrukken schilderen, welke +de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als _Hauk +og Hadding_, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in +den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm +speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met +name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch, +onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort +besproken roman _Dyre Rein_. Interessant is in dit licht ook de korte +novelle _Ostenfor Sol og vestenfor Maane_, waar tusschen de +hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken +voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en +dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zoo, meent de dichter, is het ook +onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar +daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is +noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die +talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan +egoisme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die +de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid--en +moraal--proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan. + +Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor +hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van +den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn +overige productie. Zijn tooneelstukken _Grabows Kat, Lystige Koner, +Lindelin, Wulffie & Cie_, ofschoon niet van belang ontbloot, staan +verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, _Faustina +Strozzi_ en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie, +maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren +echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters +persoon. + +Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen +hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest, +zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen, +als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor +en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke +koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het +gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student, +nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere +verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als +advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien +tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij +reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine +schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn +werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken, +_Novelletter_, dan romans, in een adem door (daartusschen enkele +tooneelstukken): _Garman og Worse_ (1880), _Nye Novelletter_ (1880), +_Arbeidsfolk_ (1881), _Else_ (1881), _Skipper Worse_ (1882), _To +Novelletter fra Danmark_ (1882), _Gift_ (1883), _Fortuna_ (1884), _Sne_ +(1886), _Tre Par_ (blijspel 1886), _Bettys Formynder_ (blijspel 1887), +_Sanct-Hansfest_ (1887), _Professoren_ (blijspel 1888), _Jacob_ (1891), +eindelijk een bundel kleinere opstellen _Mennesker og Dyr_ (1892), een +overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het +voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan. + +Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat +Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den +inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En +nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven +had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig. +Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen. +Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij +gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij. +Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie +was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel +begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met +een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En +hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon. +Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het +publiek. + +Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat een modern dichter in 1880 te +zeggen had,--kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine +Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste +kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet +verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In +Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen. +En wat de poeten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen +gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger. +Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe +verstand en den beweeglijken geest zich beengd gevoeld hebben. Hij zoekt +geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van +Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij +moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil +het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen, +en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak +stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger. + +En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft +hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche +romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een +schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is. + +In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat +hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is +moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de +bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar +gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om +zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook +waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den +duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten. +In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem +dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn +anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als +onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele +onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn +boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer +persoonlijk adres[19]. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en +satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets +dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen +samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er +de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in +artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889) +redacteur is[20]. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de +overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij +voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen +neer. + +Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken +sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den +dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt. +Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft +Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet +uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in +zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar +aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet +plebeisch, maar voornaam. Zoo is hij in staat, in _Garman og Worse_ een +der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname +familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil in de +verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar +vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in _Skipper Worse_ +diep door in het leven van de pietistische secte der Haugianen. In +andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten, +dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet +objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht +van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal, +suggestieve kracht,--en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in +hooge mate. Boeken als _En Sankt-Hansaften_ en _Jacob_ kan men +beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets +van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen +toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al +deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten. +En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het +daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal +die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds +in vollen gang. + +In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende +gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een +verkorte weergave van hetgeen ik hierover in 'De Gids' van Mei 1897 +schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en +directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn +eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De +intrigue van _Garman og Worse_ berust op de tegenstelling tusschen de +deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche +beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end". +Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van +dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door +zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der +firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in _Arbeidsfolk_, +maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier +ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen +vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra +verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het +bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de +vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband +daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen? + +Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En +hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad +voert, werd in _Garman og Worse_ reeds aangeduid. In _Else_ zien wij +het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot +lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis +door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de +uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking +grooter wordt. + +Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere +generatie, en hij schrijft _Skipper Worse_. De vergelijking voert tot +het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding +beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen +goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven +uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon +de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even +degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd? +Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die +voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook +de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld. +Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie +Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse +nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote +plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het +zijn zij, wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de +Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de +verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt, +verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in +geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door +lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden, +wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht +maken. Nog een geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan +een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog +maar in hardheid tegenover den arme. + +Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het +vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij _Gift_ (Vergif) te +danken. _Gift_ is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men +kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft, +de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar +polemiek tegen het Latijn is slechts eene zijde van het boek. De auteur +verheft voor alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt +door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen +van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het +zelfstandig oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van +ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige +geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht +slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft. + +De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de +oorzaak, dat hij op _Gift_ twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste +heet _Fortuna_. De schooljongen uit _Gift_, Abraham Lovdal, die bij zijn +confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in +levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is +hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen +maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en +waarvoor hij, Abraham Lovdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn +windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken, +zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en +assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer. +Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die +de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en +vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien. + +Eene voortzetting van _Fortuna_ is _Sankt-Hans Fest_. Maar daartusschen +ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. Naast +de school werd in _Gift_ de kerk geschetst als een der machten, die de +zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoist +maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen +brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare +dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op _Gift_ en +_Fortuna_ volgt _Sne_. + +_Sne_ is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud +en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der +heiligen--de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden +stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn +preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de +geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan +bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en +bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; _zijne_ hooge gedachten kan +zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te +zorgen valt. Daar zit hij--en wordt weerstaan door een jong meisje, dat +van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de +verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij--Johannes, +die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der +spotters niet is opgewassen, maar evenmin tegen den sterken wil van +zijn vader, die Gabriele liefheeft en droomt van een verzoening tusschen +het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Lovdal. +Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook +niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle +reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets +nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche +stilheid, een rust als die des grafs. + +Dat is de gedachte, die _Sankt-Hans Fest_ beheerscht. Kielland laat hier +de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren +en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op: +Abraham Lovdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit _Gift_ en +_Fortuna_, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van +schipper Worse, de jonge Garman, die aan _Garman og Worse_, de familie +With, die aan _Else_ herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te +gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag +schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen +Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren. +De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen +mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toegezegd, +zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest +bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en +eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die +zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de +victualien, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst +van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden +georganiseerd heeft. + +In _Sanct-Hans Fest_ is als het ware eene essentie van Kielland's +sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn +vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en +geextraheerd tot een enkelen druppel. Het is het _mene tekel_ over eene +leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan +vreugde verloren heeft. + +In _Jacob_ wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de +gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen +indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in +Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het +streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in +het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar +het platteland. Maar in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is, +ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het +onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren +gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval +niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene +verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een +wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie +vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen +ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de +schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij +van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door +langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer. + +_Jacob_ is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt +Torres Snortevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de +eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren +gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo +heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom, +en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal. +Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te +bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te +zuigen. Hij maakt zich meester van al, wat in de stad te verdienen +valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om +zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien. +Torres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs +een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder +gekomen was--neen voorwaar, dat was hij niet!--hij was niet verder +gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij +zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht." + +Als Torres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen +met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te +noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen. + +Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik +hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Torres. +In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest. +Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij +bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de +belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over. +En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde +het roer boven en de stroom beneden aan." En Torres denkt er ook zoo +over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle +wijsheid van de wereld woog niet op tegen den kleinen katechismus, en +dien kende hij--ha! ha! ha!--hij moest om zich zelf lachen. + +Daar had hij opgezien tegen Gustav Kroger en mijnheer Hamre en anderen, +die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van +rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren, +en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen." + +Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte. +Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn +lans, en hij weet te treffen. + +Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de +groep Lie--Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk +heet _Farlige Folk_ (Gevaarlijke Menschen) (1881). + +Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die +in 1882, dus slechts een jaar na Kielland, met haar eersten roman +optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke +problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de +gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der +menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden +bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en +daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij _Constance +Ring_ (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen, +samen eene familiegeschiedenis uitmakende: _Sjur Gabriel_ (1887), _To +Venner_ (Twee Vrienden) (1887), _S.G. Myre_ (1890), _Afkom_ +(Nakomelingschap) (1898). + +In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog +geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de +aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de +litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans +Jaeger opzicht met zijn roman _Fra Kristiania Bohemen_. Men kan dit boek +rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een +maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er +wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije +liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt, +is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt, +en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij +aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die +dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de +schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat +sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel +mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk maakte van +schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was, +daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver +heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor +hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier +heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met +een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek +daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de +regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij +legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf +veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er +werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele boheme-litteratuur. +Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor +was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben +aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de +zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan een kunstwerk +gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband +ontmoeten. Maar Jaeger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot +schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige +schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met +_Fra Kristiania Bohemen_. Hier is Jaeger's roman misschien minder een +voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook +zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het +aankomend individualisme. + +Hans Jaeger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een +zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben. +Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook _Syk Kjaerlighet_ (Zieke +Liefde) van 1893. Zijn laatste boek _Anarkismens Bibel_ is van 1910. Hij +behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in +de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om +hemelstormers te worden. + +Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven, +ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch +tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste +werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest +ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad +hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden. +Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats +als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de +werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren. + +Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jaederen, het +achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk +van zijn roman _Fred_ (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van +het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk +slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest. +Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te +breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken, +maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid +verschaft had, weder tot zich trokken. + +De jonge Garborg heeft het leven op Jaederen leeren voelen op eene +exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader +aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de pietistische +geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem +bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en +kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat +hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze +zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot +deel van des dichters latere productie. + +Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een +vroege en uitgebreide lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij +schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan +huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij +pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met +vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's +'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen +aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer, +maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf. +Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later +ontving, van zijn pen geleefd. + +Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne +meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een +uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af, +zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende, +welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen +wilde maken. + +De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet +_Ein Fritenkjar_ (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel +toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is +nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van +den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het +religieuze denken, een der dingen, die in die jaren op het programma +der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van +kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te +doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij +ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man +terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend +predikant, die daarop bij zijne groeve--want de man overleeft dit +weerzien niet--eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den +schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een +preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas +twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had +schuldig gemaakt. + +In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda +voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het +gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze +weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef, +was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van +onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en +spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En +ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is +in den zeer gebruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom +gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te +zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die +hij 13 jaar later in _Traette Maend_ tweemaal maakt, waar hij twijfel +oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden. +Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der +andere partij. + +Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg: +_Bondestudentar_ (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste +plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet +meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die +hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de +schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de +Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er +hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij +stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus +naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een +programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en +geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen. + +Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke +ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniel Braut, een +boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere +maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke +mislukking van die poging. Wel brengt Daniel Braut zijne studie ten +einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem +steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen, +door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden, +in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan +karakter in Daniel Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den +strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te +worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal +afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis +van Daniels vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar +zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het +zorgen voor den dag van morgen, immers: + + "God geeft den zijnen kleeren en brood, + terwijl zij zachtelijk slapen." + +Daniel begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt, +mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt +een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de +uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, dat +de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de +zijnen". "De zijnen",--dat zijn de burgemeester en de commissaris van +politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij +zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat +wordt het ideaal van Daniel Braut. Daar er dus van den beginne af in +Daniel geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit +blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij +misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij +zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar. + +In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle +rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze +roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit +Kristiania, die ten deele voor zijn tijd liggen, maar die hij toch met +een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten. +Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die +men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is +dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven +reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek' +bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de +dubbele beteekenis der figuur--als schepping van Garborg en tevens als +den tijdelijken geestelijken helper van zoovele mannen, die in +Noorwegen beteekenis gehad hebben--deelen wij een paar staaltjes uit een +schooluur mee. + +"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen +en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met +de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het +prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij. +'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich +ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?--och ja. +Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen +moesten klaarspelen--de oude zat maar te 'accompagneeren'--dan ging het +mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den +gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep +zich met twee vingers vast in den neus en las _amo_ met een stem en een +gezicht, dat de jongens het uitbrulden." + +Er wordt vertaald. + +"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder +kwamen--er stond: _nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta +regna reges defendant_--, toen zat hij vast, hij nam _tanta_ bij +_regna_. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebo! Als +je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student, +en dan een varken, en je vond vlak daarop een mooie zijden parasol op +den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en +zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol +verloren?--Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot +je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij +niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja +zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het +varken, neemt _tanta_ bij _regna_, omdat _regna_ het naast bij staat. +Maar _tanta_ hoort bij _vi; quanta vi, tanta vi_, Halvor Mosebo!"--De +jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen' +niet licht. + +Daniel Braut is evenals Torres Snortevold in Kielland's _Jacob_ een +boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het +materieele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen +zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij +behandeld zijn. Torres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet. +Daniel Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Torres een +caricatuur, terwijl het lot van Daniel Braut ons tragisch voorkomt. +Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn +natuurlijken kring had gelaten. + +In een paar volgende werken keert Garborg tot de problemenlitteratuur +terug. Maar wat in _Bondestudentar_ gewonnen was, is niet verloren; het +probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost, +maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische +schildering van een reeks levende personen. + +_Mannfolk_ (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie +over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat +groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is +gezegd. Bjornson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak +tendentiedrama _En Hanske_ (Een Handschoen), gevolgd door de brochure +_Engifte og Mangegifte_ (Zij, die met een vrouw en die met vele vrouwen +trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer +zij verneemt, dat hij voor haar eene andere heeft bemind. Bij het +afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle +oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de +schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie +ontstond. Men was voor of tegen; in het openbaar meest voor. Toen +verscheen Hans Jaeger's hierboven besproken boek en werd +geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van +Kristian Krogh _Albertine_; ook hiervan werden de exemplaren door de +overheid opgehaald. + +Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van +Bjornson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke +korte vertelling _Ungdom_ (Jeugd) (1885); dan volgt _Mannfolk_, waarin +de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen +kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die +het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het +huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische +eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen +bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig +ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjornsonsche +idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en +levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch +ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere +geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven +dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit. + +Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de +hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de +tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in +het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan +noch van de eene, noch van de andere afzien,--en zoo blijft hem dan +niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man +en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is +hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne +zuchten in poetische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem +ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er +aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij +van hem zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen, +dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij +resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn". + +Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel +is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de +verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen, +vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische +toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele +ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de +beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een +teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want +deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniel +Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist. + +Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het +verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid +het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent +daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere +confiscatien den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien +maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver. +Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer +opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van _Mannfolk_ +schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden. + +Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan +een hut, aan het meer Savalen in het Osterdal, en weldra treedt hij in +het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn +bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te +meer. + +Het verblijf op Kolbotten--zoo heet Garborg's woning in het +Osterdal--heeft hij beschreven in een idyllisch boek, _Kolbottenbrev_ +(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven +van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen +uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie +en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belangrijksten factor +in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in +het voorbijgaan _Hjaa ho Mor_ (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger +van _Mannfolk_. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven, +maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf +geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat +het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een +pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt, +kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een +verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met +vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt. +Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit +blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch +met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden, +dan toen het voor het eerst het licht zag. + +Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk +_Uforsonlige_ (Onverzoenlijken). Het is geinspireerd door politieke +gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt. +Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil, +is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een +partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de +'onverzoenlijken' vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat +het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere +consideratien'. Een man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De +meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en +slaan dan om. + +Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man +geworden. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 17: Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van +27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjornson op vrije voeten laten +gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I, +264).] + +[Footnote 18: Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij +later nog eenmaal den redenaar Bjornson als voorbeeld neemt, ditmaal +voor zijn ideale figuur Dr. Stockman. Dit toont, dat +Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds +levende voorbeelden gebruikte.] + +[Footnote 19: De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de +predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor +iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in +zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de +zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.] + +[Footnote 20: Van zijn romans is er maar een (_Jacob_) geschreven na +zijn werkzaamheid als redacteur.] + + + + +HOOFDSTUK V. + +JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN. + + +Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die +in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad. +Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere +landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls +voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen, +zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de +problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieen +herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor +'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zoo kan het schijnen, wanneer men +uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten +vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de +ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde +lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te +meenen, dat zij den nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als +verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden, +begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890 +debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was, +blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond +treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig. + +Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet +tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat +niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poezie was slechts in +weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit +het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de +dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van +gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men +kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men +niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de +grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen +waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode +blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen +treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het, +van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn uitgegaan, die +nieuwe bezieling gebracht hebben. + +Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak +tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De +gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd +kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De +tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de +tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand +gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te +putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de +letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch +proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het +sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms +meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium, +dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle +maatschappelijke ontwikkeling. + +Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element; +zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is. +Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering, +stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie +voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel +duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere +naturalisme plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn. +Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en +stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een +zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt, +om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze +schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de +gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men +vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters +van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jaeger; wij vinden het +terug bij Gabriel Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die +alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming +als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken; +anderen slaan dit stadium over of maken het door voor den tijd, waarin +zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme +voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan +zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot +god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te +realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook, +wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het +schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar +de schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan +eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te +deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven +heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang +bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren +resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naieve +oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost +gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor +ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien. + +Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats +de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in _Vildanden_ +is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,--een diep +pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft, +want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een +pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die _En +Folkefiende_ kenmerkt; de leer van _Vildanden_ is, dat het niet loont, +voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het +in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets +nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant geworden in +_Rosmersholm_ (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier +nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het +drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu +onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke +overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka +wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij +manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het +leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn; +slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op +Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de +mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven +kost, is bijzaak, of liever--daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is +andere taal dan die, welke Relling in _Vildanden_ voert. Het is de taal +van den man met den paardenhoef in _Peer Gynt_, die zielen, welke zich +verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere +ingredienten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt. + +In een gansch andere sfeer verplaatst ons _Fruen fra Havet_ (De Vrouw +van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van +minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een +ideaal, maar ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida +leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar +vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met +ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige +behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik, +wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar +vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk +verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door +overwinning van het egoisme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt, +en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die +een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het +hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan. + +Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in _Lille Eyolf_ +(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet, +nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid +verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche +verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van +wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven, +door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart +en het opgeven van het egoisme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid +geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te +worden'. + +Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poezie. +Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met +het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida +behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts +incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld +worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In +de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en +hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is +zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt +volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is +wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft +toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven, +en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is +een heerschzuchtig egoist, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook +een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het +leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich +herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den +dienst opzeide, en het is de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij +hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven +inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij +hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriel +Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruine over anderen +gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht +jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd, +dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij +wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen +komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van +Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van +bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood +heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is, +stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag +stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en +hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn +zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner +ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten. + +Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in +_Naar vi dode vaagner_ (Als wij dooden ontwaken) (1899). In +tegenstelling met John Gabriel wordt Rubek zich den tweespalt in zijn +leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en +mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt +zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm +en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne +geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te +laten behouden, doen--te laat--een poging, om het verzuimde in te halen. +Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een +gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in +een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien +bestijgen, gaan zij samen onder. + +Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk +voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk +aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het +zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele +drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere +schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen +ook hier weer een voorganger geweest is. + +Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep +heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich aan te +ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze. +Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriel Finne in 1899 op +drieendertig jarigen, Sigbjorn Obstfelder in 1900 op +vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen +leeftijd. + +Van deze drie toont Gabriel Finne het duidelijkst den samenhang met de +vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest[21], maar +hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige +richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den +vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de +keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt, +het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon +is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het +disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste +oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de +titel van zijn eersten bundel verhalen, _Unge Syndere_ (Jonge Zondaars), +toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn +standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de +maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet +mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie +om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het +cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij +geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de +wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar +wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd +uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan +schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen +lijden, en zoo is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven +romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele +personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte +ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne +bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood +heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman _Rachel_, waarin de +nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat +Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm +heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde. + +Finne's belangrijkste werken zijn: _Filosofen_ (1889), _Unge +Syndere_(1890), _Doktor Wangs Born_ (1890), _To Damer_ (1891), _Uglen_ +(De Uil) (1893), _Konny_ (een tooneelstuk) (1895), _Rachel_ (1895). + +Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist +geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar +hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt. + +Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjorn Obstfelder op de harde +indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van +de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats +het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling +plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond +hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt +niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne +vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de +eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in +hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den +dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de +menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het +dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is +beurtelings pantheistisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich +soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft; +deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan een vertelling ontmoet deze +'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke +of uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria +onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit; +Obstfelder weet haar zoo te schilderen, dat inderdaad de verworpene +reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige +overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de +onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel +der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem +belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven +gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale +individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig +voorbeeld leeren wij in _Korset_ (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont +zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name +Dostojewski. + +In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar +daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende +ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien. +Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed +geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet +oud geworden is. + +Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat +lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van +zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook in het portret met den +weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan +eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Naerup siert. + +In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling +met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug +tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse--zelfanalyse--daalt +veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht +der periode, die achter hem ligt. + +De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: _Digte_ (1893), _To +Novelletter, Korset, De rode Draaber_ (De roode Droppelen), _En Praests +Dagbog_. Van deze heeft _Korset_ het meest de aandacht getrokken. + +Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor +genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen +kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie +boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te +toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot +een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, _Blandt +Anarkister_, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij +op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van de +drie verhalen, die de beide volgende boeken (_Ira_ en _To Noveller_) +bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een +zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel +ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (_En Ensom_); +naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de +psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element +aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar +ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het +licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis. +Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat +hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden. + +Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt, +eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst +behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn +gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn +ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van +dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het +positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te +zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener +oude leer tot een gehoorzaam naprater eener nieuwe leer was geworden; +het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij +gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder +hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de +theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man +was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu +hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte, +de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die +beschreven wordt in _Traette Maend_ (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert +de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is +geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te +schrijven, Gabriel Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een +bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op +genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een +ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt +hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood +is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is. + +Maar Garborg is niet Gabriel Gram. Hij laat zich niet door een dominee +op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van +arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij +geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, maar +voor hem zelf is _Traette Maend_ een bad, waarin hij afwascht het +negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom +zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officieele +aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn +oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en +gelijk hij in _Traette Maend_ zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers +onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de +Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van +redenen. + +Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's +gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op, +van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte, +omdat hij geen vrede had met God. _Nu_ begrijpt hij hem; nu kan hij met +liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij +zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na _Traette Maend_, verscheen +_Fred_ (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm +van een roman wordt verteld. _Fred_ is een overweldigend boek. Nergens +bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier. +Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het +primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking te +geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter +gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de +razernij van den godsdienstwaanzin. + +Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd, +dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom +komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,--maar telkens komt de +duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving +hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige +gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te +krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God +blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking +het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt; +dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot +rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor; +de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo +groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren +luisteren,--en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis, +wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil +doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in +den geest, en,--twijfelt men, dan moet men slechts dat doen, wat het +vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs +en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen +ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen +loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te +verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden. +Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord. + +Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en +dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo +moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn. +Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de +oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om +aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De +schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts +deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de +vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,--niet aan Gods +woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij +heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och, +kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat +het niet erger kon worden!--De aanvallen van angst en twijfel nemen +toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich +verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als +Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en +nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds +thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,--en toch niet alleen, want +ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo +wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten +te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij +ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele +hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de +troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk +in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij +hem; een onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong, +en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek +over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht +en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...." + +Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit +resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij. +dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd +wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in +onzekerheid. Indien er een ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is +het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het +Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het +Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van +Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jaederen de macht gekregen +had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel, +maar gaf hun geen levend geloof. + +Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in +tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op _Fred_ volgen. Twee +daarvan sluiten onmiddellijk bij _Fred_ aan. Zij verhalen de +geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar +en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien +hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk +gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf. + +_Laeraren_ (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit +drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In +beide staat een man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders +zedelijk en verstandelijk, maar wordt uitgestooten, omdat hij de +waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid +van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal, +dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld +worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een +ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin, +bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave +behoort tot de 'gewekten', de pietisten, die bidstonden houden, die +klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaaens is. Hij is zelfs hun +voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op +een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de +quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens +gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen +van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den +armen." Die preek is zoo frisch en zoo geestig, dat het moeite kost, er +niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot. + +"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als +wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen +hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!--En noemen dan die +leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon +gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons. + +"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek +daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal +en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen +komen, moeten met macht naar binnen dringen,--met heel hun heetsten wil. +Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom +noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch +stelt, geeft ook de kracht." + +Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de +schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat +schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert +haar naar buiten. Zij is van zich zelf."--Daarmee valt het gordijn van +dit bedrijf. + +Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende +gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun +volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave +leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders +gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat +wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend +met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die +vrienden van zonde en berouw, die hem een huichelaar noemen, en nu +blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden. +De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de +schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt +verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar +man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen, +ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het +gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch +goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te +treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt. + +Een tweede stuk als _Laeraren_ is zeker vroeger noch later ten tooneele +gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een +Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in +voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling. +Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest +persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in +die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin +hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een +spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge +gedachten houden het ver boven het niveau ook der goede +tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen +uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin _Laeraren_ speelt, is +den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En +wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de +comische scenes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch +geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is. + +Het andere werk, dat direct bij _Fred_ aansluit, is een boekje vol +poezie en vol wijsheid. _Den burtkomne Faderen_ (De verloren Vader). Het +is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de +wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies +verloren te hebben, oud voor den tijd, aan zich zelf en aan de +menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om +eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in +hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint +in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij +heeft vrede gevonden met het leven--en met den dood. + +Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische +oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van +bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zachtheid. Gunnar houdt zich +gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar +niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en +zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden." +Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem +iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En +hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu +in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel +vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid. +En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij." + +Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te +begrijpen. + +Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren +vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen. + +Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee +dichtwerken, _Haugtussa_, en de voortzetting daarvan _I Helheim_. +Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een +visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels +ophoudt; de dichter noemt haar Veslemoy, 'het stakkertje'. Het gedicht +vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar +in den steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen +heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte +en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze +vrouw, die als _volva_ (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar +dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven. + +In _I Helheim_ (In de Hel) gaat daarop Veslemoy in haar koortsigen droom +met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar +diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht +heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur, +maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn +behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een +psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad, +dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten. +Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen +einde komt: + + "Een oogenblik in dit vuur + is eeuwigheid zonder einde." + +Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap +terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat +van zijne kindsheid. Het is losgemaakt van leerstelligheid; de nadruk +wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid. + +Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die +een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog +directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven; +zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als +stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij +zoo hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook +in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld +_Jesus Messias_ (1906), _Den burtkomne Messias_ (1907), _Heimkomin Son_ +(1908). + +Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap +geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan +den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort: + +"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen +katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen +protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en +wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het +volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige +troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed +hebben, maar de rijke man zal branden, heeter dan heet, van eeuwigheid +tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden--. + +"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat +macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen, +liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo +ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?" + +Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een +zedelijk opvoeder van zijn volk geweest. + +In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die +in dezelfde periode optreden. + +Rasmus Loland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk +zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een +groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud, +handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en +vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het +allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn +kinderverhalen _Det store Nashorne_ (De groote Neushoorn) en +_Kvitabjoernen_ (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg +aan het begin van den na Loland's dood verschenen bundel _Paa +Skuggesida_ (Aan den Schaduwkant). + +Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen (geb. 1857), Per Sivle (+- +1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen. + +Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende +en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich +door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een +afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer +hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In +het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, _Menneskets Genesis_, +is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn +strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig +leeft het geslacht van Kain nog. + +Heiberg's eerste tooneelstuk _Tante Ulrikke_ (1884) houdt zich bezig met +den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos; +hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept +den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig +karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich +slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, _Kong Midas_ (1890), heeft +Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later +zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een +waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten +schijnen, bijna een groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft +verwantschap met _Vildanden_, maar niet alleen het type, ook het stuk is +gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering +en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan +Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering. +Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van +eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der +achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach +van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook +het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog +en houdt de belangstelling gaande. Op _Kong Midas_ volgden een aantal +andere werken, waarvan wij noemen _Kunstnerne_ (1893), waarin de +tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, _Det store +Lod_ (1895), _Harald Svans Mor_ (1899). Een gansch ander karakter dragen +een paar tragische stukken, _Balkonen_ (1894) en _Kaerlighedens Tragedie_ +(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles +verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van +de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan +de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem +wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich +van den mensch meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering +is knap, de lezer huivert,--maar hij wenscht van zulk een liefde +verschoond te blijven. + +Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar +wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand +meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige +geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een +stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te +overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot +klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat +hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch, +indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in +pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem +daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van +nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem +behoed hebben,--een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden +trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een +druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt +zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op +elkaar te zetten en te vroolijker te worden, naarmate hij het +moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand +moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet +zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen. + +De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij +nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In _Sult_ is het +honger, in _Pan_ is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de +heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In _Mysterier_ +hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van +waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld, +die van den heer Nagel--zoo heet de man--niet weten wil, nauwelijks +ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van +Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een +zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als +een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele +maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand +bestond reeds in _Fra det moderne Amerikas Aandsliv_, een persifflage, +naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet +objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij, +zoo is in _Sult_ het 'ik' aanwezig. _Mysterier_ is de eerste poging, om +die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar +voortreffelijke maatschappelijke romans, _Redaktor Lynge_, waarin de +verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers +behandeld wordt, en _Ny Jord_, die een troep ijdele kunstenaars, +voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige +kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Boheme-leven, +van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus, +onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een +achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een +niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt +hij weer in _Pan_, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken +_Ved Rigets Port, Livets Spil_ en _Aftenrode_ en in het wonderlijke +gedicht in dramatischen vorm _Munken Vendt_ (1902). In latere werken +komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar +zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist +Bardsen in _Born af Tiden_ en in _Segelfoss By_, een aristocratisch +voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en +onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang, +waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type, +dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar +toch reeds van den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver +steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een +litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (_Under +Hoststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glaede_) een +nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze +schrijft nu, gelijk in _Sult_, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu +kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid +is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een +ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu +aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat +een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager +te spreken, niet _alles_ van het leven te wachten, maar het toch met +dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'. + +In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters +subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de +wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen +beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn +belangstelling niet onthoudt. Zoo is de wereld, vindt hij, en zoo is het +leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de +zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen. +Drie van deze boeken, _Born af Tiden, Segelfoss By, Markens Grode_, +behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver +nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt +hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten +gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die +weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen. +In de plebeische behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer +van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In _Markens Grode_ +echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder +geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land +bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en +aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door +toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die +mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en +weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt +is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle +vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel +_Konerne ved Vandposten_. + +Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige +andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar +interessante bundels novellen (in een van deze het uitgelaten vroolijke +stuk _Dronningen af Saba_). En dan het meesterwerk _Livet i Vold_, +uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering. + +Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers +van dit tijdvak,--hij is in 1853 geboren,--maar hij is betrekkelijk laat +begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na +1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen +gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met +oppositie tegen sommige theorieen uit het vorige tijdvak, en wel vooral +tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die +dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het +verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk _Uten +Ansvar_ (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht, +maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den +dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren. + +Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle. +Zijn locaal is het Osterdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert +1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in +kleine bundels: _Skisser, Fra Skog og Fjeld_, e.a. Deze zijn verzameld +onder den titel _Folkelivsbilleder_ (1904). Jongere verzamelingen zijn +_Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier_. Tot hetzelfde type +behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans: +_Fonnaasfolket_ (1902), _Glomdalsbruden, Osterdalskongen_ (een breede +uitwerking van een der Folkelivsbilleder), _Jutulskaret, Knut Veum_ +(1910, het laatste). + +Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur +van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is +dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde +leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand +komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen +behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op +polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer, +zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van +het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij, +waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is, +een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in +die vertelling uit het Osterdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat +het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en +maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die +in tamelijk behoeftige omstandigheden leeft. De man is begaafd en heeft +aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende +zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar +hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan +oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een +carriere-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is +niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt +Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom +toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is +zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden, +wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring +blijft, behoeft dat niet gezegd te worden. + +Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre +en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek; +hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling +van Bjornson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te +zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd. + +Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn +belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte vertellingen. +Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van +De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van +gelijken aard: _Sidsel Sidserk_, _Solve Solfeng_, en een paar jongere +bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, _Storken, +Hoit Tilhest_ en _Hanen_, die door hun comische kracht aan Holberg +herinneren. + +Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode +begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren, +Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb. +1865). + +Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een +lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het +diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak. +Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich +openbarende in meer dan eene generatie. Zijne opvatting der levensvragen +draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken +zijner eerste periode zijn: _Jon Graeff_ 1891, _Ensomme Mennesker_ 1892, +_Mulm_ 1893, _Kobberslangen_ 1894, _Ada Wilde_ 1896, _Ulf Ran_ 1897, +_Enken_ 1899. + +Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door vertellingen uit het +volksleven, _Folkelivsskildringer_, waarvan de eerste bundel in 1894 +uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: _Almue_ 1891, _En +Skibsgut_ 1892, _Straf_ 1893, _Gammelholm_ 1899, alsmede comedies: +_Stridsmaend_ 1896, _Jakob og Kristoffer_ 1900. Ook daarna heeft hij +ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is +van 1921 en draagt den titel _Inde i Fjordene_. + +Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite +heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een +origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen, +veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen, +waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan +worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat. +Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties, +zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch +niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet +onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de +dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan +zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische +juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite +doet, ze door te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver +heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te +vernieuwen. In de jaren 1892--1900 gaf hij uit: _Huldren_ 1892, _Ungt +Folk_ 1893, _Flaggermusvinger_ 1895, _Sus_ 1896, _Fra Hav til Hei_ 1897, +_Hugormen_ 1898, _Traekfugle_ 1899. Van zijn latere werken is misschien +het belangrijkste _Den sidste Gaest_ 1910. + +FOOTNOTES: + +[Footnote 21: Aan Kielland heeft hij ook zijn roman _To Damer_ +opgedragen.] + + + + +LYRISCHE DICHTERS. + + +In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de +litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al +wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De +romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien +tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts +aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de +groote verskunstenaar, gaat na _Peer Gynt_ geheel tot het proza over; de +romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste +lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en +daarmee zinkt de lyrische poezie in een winterslaap, die met weinig +onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren +enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder +vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte +onderbreking door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en +Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit _Med Lyre og Lanse_ +(Met Lier en Lans), in 1880 _Vaarbrud_ (Lentedoorbraak), de tweede in +1880 _Polemiske Sonetter_. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk +politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop +zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de +stemmingspoezie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: _Digte af Per Gynt_, in +1897 _Norsk Hoifjeld_, in 1901 _Vintereventyr_. + +Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864), +Caspari op dit gebied voor geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887, +nieuwe bundels volgden in 1894 _Fra Vaar til Host_, 1896 _Musik og +Vaar_, 1900 _Det dyre Brod_, 1904 _Fra Kristiana_. Uit deze verzen sprak +een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te +gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden. + +Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag, +een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf, +getiteld _Digte_ en _Nat_, waarin deels, onder den invloed van Deensche +dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel +Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op +het drama en den roman toegelegd. + + + + +UITGAVEN EN LITTERATUUR[22]. + + +ALGEMEENE WERKEN. + +Henrik Jaeger, _Illustreret norsk Literaturhistorie_, 3 dln. Kristiania +1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl Naerup, +_Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904_, Kristiania +1905.--Gehrard Gran, _Nordmaend i det 19de Aarhundrede_, 3 dln. +Kristiania 1914. Houdt biographieen in van vooraanstaande mannen op +ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als +_Nordm. 19. A._)--_Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug._ +1915.--J.B. Halvorsen, _Norsk Forfatter-Lexicon._--Edv. Bull, A. +Krogvig, G. Gran, _Norsk biografisk Leksikon._ Verschijnt sedert 1921. + +HOOFDSTUK I. + +_Henrik Wergeland_. Wergeland, _Udvalgte Skrifter_. Kristiania en +Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl Naerup. In +deel VII eene autobiographie, getiteld _Hasselnodder_.--O Skavlan, +_Henrik Wergeland_, Kristiania 1892.--G. Gran, _Henrik Wergeland_ in +_Nordm. 19. A._ dl. 1. + +_Johan Sebastian Welhaven_. Welhaven, _Samlede Digtervaerker_, 3e +uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.--_Digte i Udvalg_, 1919.--A. +Loechen, _J.S. Welhavens liv og skrifter_, Kria 1900.--G. Gran, _Joh. S. +Welhaven_ in _Nordm. 19. A._ dl. 1. + +HOOFDSTUK II. + +_Asbjornsen en Moe_. De verzamelingen zijn talrijke malen +uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken +titel _Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr_ (deel I: +_Huldreeventyr og Folkesagn_, deel II: _Folkeeventyr_). Hiervan bestaat +eene volksuitgave en eene geillustreerde. Aanbeveling verdienen ook de +kleinere geillustreerde bundels: _Norske Folke- og Huldre-eventyr i +Udvalg_; _Udvalgte Folkeeventyr_; _Eventyrbok for Born_.--Moltke Moe, +_Det nationale gjennembrud og dets maend (Asbjornsen, Moe, Aasen)_ in +_Nordm. 19. A._ dl. 2 (zeer leerzaam). + +_Jorgen Moe_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Jubilaeumsudgave. + +_Folkeviser_. M.B. Landstad, _Norske Folkeviser_, Christiania 1853, +is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, _Gamle norske Folkeviser_, +Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der _Norske Folkeviser_, door Knut +Liestol en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen. + +_J.S. Welhaven_. Zie bij Hoofdstuk I. + +_Bjornstjerne Bjornson_. Bjornson, _Samlede Digterverker, +Standardudgave_, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn +afzonderlijk verkrijgbaar.--P.A. Rosenberg, _Bjornstjerne Bjornson_, +1915.--G. Gran in _Nordm. 19. A._ dl. 3.--G. Brandes in _Det moderne +Gjennembruds Maend_, 2. uitg. 1891--R.C. Boer, _Bjornstjerne Bjornson_ in +_De Gids_ (Nov. 1899). dez., _Laboremus_ in _De Gids_ (Aug. 1901). + +_Henrik Ibsen_. Ibsen, _Samlede Digtervaerker. Standardudgave_, 7 +dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk +verkrijgbaar.--_Ibsens Episke Brand_, udg. af Karl Larsen 1907.--_Ibsens +Efterladte Skrifter_, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de +studie van den dichter.)--_Breve fra Henrik Ibsen_, 2 dln. +1904.--Henrik Jaeger, _Henrik Ibsen, Et literaert Livsbillede._--G. +Brandes, _Henrik Ibsen_ 1898.--Albert Dresdner, _Ibsen als Norweger und +Europaeer_.--John Paulsen. _Samliv med Ibsen_, 1906. _Ny Samling_ +1913.--Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding +der reeds genoemde _Efterladte Skrifter_.--R.C. Boer, _Peer Gynt_ (_De +Gids_ van Oct. 1893). dez., _Kleine Eyolf_ (_De Gids_ van Febr. 1895). +dez., _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.; +o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., _Ibsen's Epische +Brand_ (_Onze Eeuw_, 1909), dez., _Ibsen's Nagelaten Werken_ (_Onze +Eeuw_ 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (_Neophilologus_ 1919). Jacqueline +E. van der Waals, _Brand en de brieven van Ibsen_ (_Onze Eeuw_, Mei +1919).--Een uitvoerig commentaar op _Peer Gynt_ schreef H. Logeman (Den +Haag 1917). + +HOOFDSTUK III. + +_Ivar Aasen_, _Skrifter i Samling_, 3 dln. Kria en Khvn.--Moltke +Moe, _Det nationale gjennembrud og dets maend_ (zie bij Hoofdstuk II). + +_Aasmund O. Vinje_. A.O. Vinje, _Skrifter i Utval_, utgjevne af Det +norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).--_Dikt og prosaskrifter i +utval_ ved Halvdan Koht Kria, 1903.--_Ferdaminni_ en _Storegut_ zijn +herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske +Samlaget.--Vetle Vislie, _Aasmund Vinje_, Bergen 1890.--Een kort werkje +van denzelfde in de _Norske Folkeskrifter_ udgj. av Norigs Ungdomslag og +Studentmaallaget no. 28.--Halvdan Koht, _A.O. Vinje_ in _Nordm. 19. A._ +dl. 3. + +_Landsmaal_. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het +landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven +tijdschrift _Syn og Segn_. + +HOOFDSTUK IV. + +_Camilla Collett_, _Samlede Verker Mindeudgave_, 3 dln. Enkele +boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.--Alf Collett, _Camilla Colletts +Livs Historie_. 1911.--Lilly Heber, _Camilla Collett_, 1913.--Mathilde +Schjott in _Nordm. 19. A._ dl. 1. + +_Ibsen en Bjornson._. Zie bij Hoofdstuk II. + +_Jonas Lie_. J. Lie, _Samlede Digterverker, Standardudgave_, 10 +dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk +verkrijgbaar.--Arne Garborg, _Jonas Lie, En Udviklingshistorie_, Kria +1893.--Erik Lie, _Jonas Lies Oplevelser_, Kria en Khvn 1908. + +_Alexander L. Kielland_. A.L. Kielland, _Samlede Digterverker. +Standardudgave_, 5 dln. Kria en Khvn 1920. _Breve_, met inleiding van G. +Gran, 1907.--Brandes, _Essays, Fremmede Personligheder_, Khvn 1889, p. +17.--R.C. Boer, _Alexander L. Kielland_ (_De Gids_, Mei 1897). + +_Kristian Elster_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria 1904.--_Brandes, +Essays, Fremmede Personligheder_, p. 1,--A.L. Kielland in de uitgave van +Elsters _Solskyer_. + +_Amalie Skram_. Hare romans zijn afzonderlijk +verkrijgbaar.--_Samlede Skrifter_, uitverkocht. + +_Arne Garborg_. Arne Garborg, _Skrifter i samling. +Jubilaeumsutgaave_, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.--Erik +Lie, _Arne Garborg, En Livsskildring_, Kria 1914.--Zie ook de +Garborg-aflevering van _Syn og Segn_ (Januari-Februari 1921).--R.C. +Boer, _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.). + +HOOFDSTUK V. + +_Gabriel Finne_. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.--R.C. +Boer. _Gabriel Finne_, (_De Gids_, Juli 1898). + +_Sigbjorn Obstfelder_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria en Khvn +1917. De werken ook afzonderlijk. + +_Arne Garborg_. Zie bij Hoofdstuk IV. + +_Rasmus Loland_. Een biographische schets door Arne Garborg is +hierboven bladz. 225 genoemd.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie +vorige pag.). + +_Gunnar Heiberg_. _Samlede dramatische Verker_, 4 dln. Kria +1917-1918. + +_Knut Hamsun_. _Samlede Verker_, 12 dln. Ook afzonderlijk.--John +Landquist, _Knut Hamsun, En studie oever en nordisk romantisk +diktare_.--R.C. Boer. _Knut Hamsun_ (_De Gids_ November 1896), dez., +_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April +1912), dez., _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.). + +_Jacob B. Bull_. _Folkelivsbilleder_, 4 dln., 3e uitg. 1919. +_Folkelivsromaner_, 3 dln., 2e uitg. 1918--_Nutidsromaner_, 3 dln. +1918.--_Historiske romaner_. 4 dln.--De meeste werken ook +afzonderlijk.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.). + +_Hans Aanrud_, _Fortaellinger_, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der +uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.--R.C. Boer, +_Reisherinneringen_ (zie vorige pagina). + +_Thomas Krag_, _Samlede Skrifter_, 9 dln. De werken ook +afzonderlijk. + +_Hans E. Kinck_. Over zijn drama _Den sidste Gaest_ zie R.C. Boer, +_Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April +1912). + +FOOTNOTES: + +[Footnote 22: Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer +beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.] + + + + +REGISTER VAN AUTEURS. + +Aanrud, H. +Aasen, I. +Arnim +Asbjornsen, P. Chr. +Auerbach, B. +Bjerregaard, H.A. +Bjornson, B. +Brandes, G. +Brentano +Bugge, S +Bull, J.B. +Caspari, C.P.F. +Collett, C. +Dostojewski +Drachmann, H. +Dybfest, A. +Egge, P. +Elster, Kr. +Faye, A. +Finne, G. +Fjortoft, O.J. +Garborg, A. +Goldschmidt, M. +Grimm, J. en W. +Gran, G. +Hamsun, K. +Hansen, M. +Heiberg, G. +Heiberg, J.L. +Heiberg, P.A. +Heine, H. +Herre, B. +Hertz, H. +Hielm, J.A. +Holberg, L. +Ibsen, H. +Jacobsen, J.P. +Jaeger, Hans +Jaeger, Henrik +Kielland, Al. L. +Kinck, H.E. +Knudsen, K. +Krag, Th. +Krag, V. +Krogh, Kr. +Landstad, M.B. +Lie, J. +Loland, R. +Mill, Stuart +Moe, J. +Moe, M. +Munch, A. +Munch, J. Storm +Munch, P.A. +Novalis +Naerup, C. +Obstfelder, S. +Randers, Kr. +Runeberg, J.L. +Sagen, Lyder +Sars, E. +Schjott, M. +Schiller, Fr. von. +Schultze, H. +Schwach, C.N. +Seip, D.A. +Sivle, P. +Skavlan, O. +Skram, A. +Snorri Sturlason +Spencer, H. +Tvedt, J. +Vinje, A. +Vislie, V. +Vogt, N. Collett +Welhaven, J.S.C. +Wergeland, H. +Ohlenschlaeger, A.G. +Ostgaard, N. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de +Negentiende Eeuw, by R.C. Boer + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE *** + +***** This file should be named 13591.txt or 13591.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13591/ + +Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/13591.zip b/old/13591.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c3306de --- /dev/null +++ b/old/13591.zip |
